Jongeren hebben begeleiding nodig in het doolhof van de rouw

Jongeren hebben begeleiding nodig in het doolhof van de rouw

Jongeren gaan anders om met rouw dan volwassenen. Het is voor hen vaak extra ingrijpend, omdat ze in een levensfase zitten waarin veel verandert. Ze hebben iemand nodig bij wie ze hun verhaal en emoties kwijt kunnen, schrijft Stephanie Witt-Loers.

978-3-525-40229-0
Vier dagen na het overlijden haar broer Louis spreekt Sophie met vriendinnen af. Ze wil er even uit, naar haar vriendinnen die weten van het overlijden van haar broer. Voordat ze gaat, maakt ze zich op en trekt ze haar uitgaanskleren uit. Als haar moeder haar zo beneden ziet komen, loopt het uit op een conflict. Sophie krijgt haar moeder te horen dat zij zich gedraagt alsof er niets is gebeurd en dat het respectloos is tegenover Louis. Daardoor voelt Sophie zich schuldig en onzeker. Ze kan die geplande avond met vriendinnen niet meer gebruiken om zich weer op te laden, om zo doende beter om te kunnen gaan met het verlies van haar boer. Zij voelt zich niet begrepen door haar moeder  en sluit zich voor haar af.
Dit voorbeeld beschrijft Stephanie Witt-Loers, therapeut met veel ervaring in het begeleiden van jongeren die rouwen, in haar boek Trauernde Jugendliche in der Familie. Er is (nog) geen Nederlandse vertaling van dit boek, maar het biedt waardevolle inzichten in de wereld van jongeren die te maken hebben met rouw.

rouwen-eik

Rouw is een lang en heel ingewikkeld proces. Van binnen zijn er verschillende gevoelens. Die gevoelens kunnen heel intens zijn en ook heel tegenstrijdig, zoals pijn, verdriet, dankbaarheid, zorg, vertwijfeling, liefde, onmacht, woede, schaamte, paniek, verlangen. Rouw kost ontzettend veel kracht en energie en kan zo zwaar zijn dat de grens van wat iemand lichamelijk of geestelijk aankan wordt bereikt. Rouw kost tijd en blijft voor altijd een onderdeel van het leven. Rouw wordt eigenlijk nooit afgesloten.
Door het overlijden van een gezinslid wordt het hele gezin getroffen. Ieder lid van het gezin heeft het moeilijk met dat overlijden, maar omdat ieder lid van het gezin het verlies op een andere manier beleefd en er op een andere manier mee omgaat, wordt ook het gezin als geheel getroffen. De sfeer is opeens anders. De vaste patronen en gewoonten zijn ruw doorbroken. Extra belastend is dat gezinsleden elkaar niet begrijpen in de omgang met de rouw.
Voor jongeren is rouwen om een gezinslid vaak extra ingrijpend, stelt Witt-Loers. Zij bevinden zich in een fase van hun leven waarin veel verandert. Het is de tijd waarin lichaam verandert en waarin van binnen kunnen verschillende stemmingen zich afwisselen. In die wisseling van stemmingen begrijpen ze zichzelf vaak niet en zijn ze bang dat zij die gevoelens niet de baas kunnen zijn. Het is de tijd waarin de omgang met de ouders verandert. Naar hun ouders toe gedragen jongeren zich vaak ambivalent: aan de ene kant verzetten ze zich en willen ze zich losmaken, aan de andere kant hebben ze de bescherming van hun ouders nodig. Jongeren ervaren hun eigen puberteit vaak ook als ambivalent: de puberteit kent de uitdaging van nieuwe mogelijkheden maar ook de onzekerheid over de onbekende toekomst en het verlies van het vertrouwde.
Als er iemand uit het gezin overlijdt komt er door het verlies en gemis voor hen in deze toch al intensieve tijd een extra belasting bij. Voor een jongeren is dit overlijden vaak ook de eerste heftige gebeurtenis in het leven die verwerkt moet worden. De emoties die het overlijden en het gemis oproepen zijn nieuw. Het lichaam en de geest reageert anders. Er kan vermoeidheid en lusteloosheid optreden. Iemand die voor de ingrijpende gebeurtenis nuchter was, kan veel last krijgen van angstaanvallen of zich veel bezorgder opstellen naar de andere gezinsleden. Iemand kan de overledene missen en tegelijkertijd boos zijn op degene die is overleden. Emoties en stemmingen kunnen elkaar snel afwisselen. Vaak herkent een jongere zichzelf niet meer.
Jongeren geven op een andere manier uiting aan hun rouw dan volwassenen verwachten. Uit angst de controle over hun emoties kwijt te raken, kunnen ze zich ‘cool’ opstellen, waardoor het aan de buitenkant lijkt dat het gemis en verdriet hen niet raakt. Ze kunnen de neiging hebben om de emoties te onderdrukken, omdat ze zichzelf niet meer herkennen. Ze willen de andere gezinsleden niet belasten met hun moeilijkheden, want de anderen hebben het al moeilijk genoeg. Daarom kunnen ze afsluiten voor hun ouders – wat weer voor irritatie kan zorgen bij de ouders. In het geval van het overlijden van een vader of een moeder zijn er bovendien ook heel wat taken binnen of buiten het gezin die opgepakt moeten worden: er moet eten komen, de was en het huishouden moet gedaan worden, de financiën moeten op orde blijven. De eerste periode van de rouw kan soms een kwestie van puur overleven zijn. Omdat thuis al genoeg zorgen zijn, willen ze de andere gezinsleden sparen en hebben liever contact met iemand buiten het gezin. Dat kan een vriend zijn, een oom of tante, een goede kennis van het gezin. Bij iemand die op meer afstand staat, kunnen ze hun tegenstrijdige gevoelens en vragen kwijt, zonder dat zij de ander, die ook rouwt, nog eens extra te belasten. De andere gezinsleden kunnen zich hierdoor echter gepasseerd voelen en daardoor diep geraakt.

Tegenstrijdige emoties
Volgens Witt – Loers is het van belang om jongeren die te maken hebben met rouw te informeren wat hen allemaal kan overkomen. Informatie over lichamelijke klachten, over onverwachte, vaak heftige en tegenstrijdige emoties, waarbij iemand zichzelf niet herkent hoort bij rouw. Rouw is een langdurig en intens proces, dat in de loop van de tijd ook steeds verandert. Door te rouwen ‘leert’ iemand die achterblijft te leven met het gemis van de overledene.
Voor jongeren is het van belang om iemand te hebben, bij wie ze terechtkunnen met hun verdriet en emoties, met hun verhaal en zorgen. Ze hebben iemand nodig die naar hen luistert. Omdat ze iemand nodig hebben die hun doen en laten in de rouw niet veroordeelt en iemand die niet teveel zelf emotioneel betrokken is geweest bij het overlijden, zoeken ze vaak iemand die iets meer afstand heeft tot de familie. Volgens Witt – Loers is het van belang hen daarin niet te veroordelen, maar hen juist te stimuleren dat contact te onderhouden.

 

N.a.v. Stephanie Witt – Loers, Trauernde Jugendliche in der Familie (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2014) 157 pag.

Geschreven voor het Friesch Dagblad

Wat geven we mee aan de volgende generatie?

Wat geven we mee aan de volgende generatie?
Lezing ouderenmiddag 2015

In de ziekteperiode van zijn vader besefte Thomas dat hij maar weinig van zijn vader wist. Nadat zijn vader na een ernstige ziekte weer was opgeknapt, kreeg hij behoefte om meer over zijn vader te weten. Hij vatte het plan op om met zijn vader langs alle belangrijke plekken uit zijn leven te gaan: de straat waar hij geboren was, waar hij opgroeide, naar school ging, waar hij werkte, de kerk. Hij wilde dan zijn vader steeds interviewen over wat die plek voor hem betekende. Het bleef bij een plan, want zijn vader werd opnieuw heel erg ziek en kon hier niet meer aan meewerken.

Dit voorbeeld laat zien dat er bij kinderen en kleinkinderen best behoefte kan zijn om te horen hoe uw leven was. Ik geef dit voorbeeld om nog een andere reden. We leven in een tijd waarin er veel verandert. Dat hoef ik u niet te vertellen. Het leven van uw kinderen en zeker van uw kleinkinderen ziet er heel anders uit dan toen u zelf kind was of een jongvolwassene. Door dat verschil kunt u soms het gevoel hebben: laat ik maar niets vertellen, want het boeit hen toch niet zo. We leven in een tijd die verandert. We zien dat tussen de generaties, maar ook in de samenleving. Doordat op veel plaatsen in ons land de kerk veel leden heeft verloren, zijn er heel wat mensen die niet meer grootgebracht zijn met God, met het verlossend werd door onze Heere Jezus Christus. Het lijkt wel of iedereen zijn eigen waarheid heeft. Dat u dit gelooft, dat mag. Dat wordt meestal wel gerespecteerd. Als iedereen zijn eigen waarheid heeft, Wat geven we dan nog door aan de volgende generatie? Nemen ze dan nog wel wat aan?

Persoonlijk
Ja, als het een waarheid is die u persoonlijk raakt en die waarheid niet alleen maar iets is omdat de andere mensen het van u verwachten. Stel, dat Thomas niet meer naar de kerk zou gaan, dan had zijn vader toch kunnen vertellen over zijn band met de Heere. Door op bepaalde momenten te laten zien wat de band met de Heere voor hem betekent. Bijvoorbeeld door de ouderlingenbank te laten zien,  waar hij al jarenlang ouderling is en dan vertelt waarom hij dat werk deed en wat het voor hem betekende, wat zijn roeping was. Hij had bij het graf van zijn vrouw kunnen vertellen wat de Psalmtekst op de steen voor hem betekende en welke Bijbeltekst voor hemzelf op de steen zou kunnen komen.

Smartphone
Er is een symbool voor alle veranderingen in deze tijd: de smartphone.  Daarmee bedoel ik: aan de hand van de smartphone kunnen we heel wat eigenaardigheden van onze tijd uitleggen. Zo’n smartphone is net als met heel veel technische apparaten, van de koelkast tot de auto en de fiets, van de telefoon tot de radio. Je kunt van tevoren best zonder, maar als je hem eenmaal hebt, gebruik je dat ding zo vaak dat die niet weg te denken is. Via de smartphone houden de kinderen en de kleinkinderen met iedereen contact. Veel jongeren zijn bang om maar iets te missen, want stel je voor dat ze er dan niet meer bij horen. Ze zijn druk in de weer met anderen, wat anderen van hen vinden. Ze zijn ook druk met zichzelf

om aan anderen te laten zien, waar ze geweest zijn. Bij een smartphone zit tegenwoordig een stok: een selfiestick,  zodat je op een afstand een foto van jezelf kunt maken: tijdens Schapenmarkt, voor een beroemd gebouw, naast een bekend persoon. Je zet jezelf op de foto, om aan anderen te laten zien dat je er geweest bent. Als wijze oudere moet u daar wellicht om grinniken of wellicht stoort het u. Maar het is ook een kans. Ik zeg niet dat u uzelf steeds op de foto zet bij alles wat u doet. Dat verwachten uw kleinkinderen ook niet. Wat ze wel verwachten, is dat u iets van uzelf laat zien. Zo’n foto van jezelf maken heeft iets van jezelf laten zien. U kunt dat op een andere manier, veel waardigere manier doen.

U laat iets van uzelf zien door bijvoorbeeld uw Bijbel. Uw Bijbel die altijd binnen handbereik ligt. Bij mijn opa en oma lag de Bijbel op tafel of in ieder geval binnen handbereik. Het kwam voor dat mijn opa midden op de dag in de Bijbel zat te lezen. Toen mijn schoonmoeder overleed kregen wij haar Bijbeltje. Het was het Bijbeltje dat ze overal mee naar toe nam. Naar de kerk, naar het ziekenhuis, als ze weer voor een opname moest. Het was een veelgebruikt Bijbeltje. Dat maakte ons al stil, je merkte, ze leefde met de Bijbel. Ze leefde met de God van de Bijbel, dat was aan de Bijbel te zien. Er zijn ook andere dingen waarmee u iets van uzelf laat zien. Een tegeltje aan de wand, bijvoorbeeld. God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. Die spreuk hing bij mijn vader in zijn studeerkamer. Elke keer als wij in zijn kamer waren om achter de computer te zijn om een spelletje te doen, zagen we die tekst.

Kennen van de HEERE
Al deze voorbeelden laten zien dat een leven kan spreken. Niet alleen de woorden, maar ook de daden, wat u doet. Door zelf dicht bij de Heere te leven kunt u dat ook aan anderen doorgeven. Dat dat van belang is, zien we in Psalm 78. Waarom is het van belang? Opdat het volgende geslacht weet wie de Heere is, weet wat de bijzondere daden zijn die Hij heeft verricht.
En dan niet alleen als uiterlijke kennis. Iemand kan weten dat God de hemel en de aarde heeft gemaakt, maar als diegene in het dagelijks leven niet gelooft, dat de Heere onze Bewaarder is, dan is het alleen maar kennis van het hoofd en dan zal het ook niet overkomen. Om het geloof in God als schepper over te dragen   – voor zover wij geloof kunnen overdragen – is het van belang om zelf te leven met onze Schepper. Gedenk je Schepper, niet alleen in de jonge jaren, maar ook in de dagen van van zorg en spanning, dat je weet en gelooft dat de Heere draagt en spaart. Dat is geen vanzelfsprekendheid, dat kan een aangevochten geloof zijn. Van u wordt niet gevraagd om een geloofsheld te zijn,

maar gewoon zoals u bent, maar dan wel steeds het zoeken van de Heere.
Vorige week had ik een begrafenis waarbij we het lied zongen:
Hij die rustig en stil
zich steeds voegt naar Zijn wil
Hem in alles vertrouwt en gelooft.

Dit lied zullen de kleinkinderen niet zo gauw kennen, maar de houding kunt u wel voorleven. Die houding kennen ze niet zo goed. Want ze groeien op met de mogelijkheid om te protesteren als ze een andere mening hebben. Wanneer een meester of een juf u verkeerd behandelde dacht u er niet aan om protest aan te tekenen. Zo gebeurde het nu eenmaal, volwassenen hebben gelijk. Daarom is het die vertrouwensvolle overgave aan de Heere misschien ook wel makkelijker – hoewel: niemand geeft zich makkelijk over aan de Heere. Maar aan uw kinderen en kleinkinderen die gewend zijn om toch even er wat van te zeggen als het hen niet zint kunt u voorleven om zo vol overgave aan de Heere te leven en bent u een levend voorbeeld van hoe zo’n overgave moet.

Vreemd
Hoe moet je er dan over praten? Aan het voorbeeld van mijn zwager laat ik zien, dat er bij kinderen of kleinkinderen best behoefte is om te weten hoe het zit. Als u het gevoel hebt dat uw leven zoveel anders is dan uw kinderen of kleinkinderen, laat u zich dan niet afschrikken.Tegenwoordig daagt het vreemde juist uit. Kinderen en kleinkinderen gaan naar andere landen, komen in aanraking met andere culturen en godsdiensten. Het vreemde schrikt niet alleen af, maar daagt ook uit en fascineert. Vertel uw kinderen maar over hoe het was om op te groeien zonder telefoon, zonder elektriciteit, zonder fiets of auto, zonder al te veel geld, hoe een begrafenis ging, hoe het is om te leven zonder vader of moeder. Niet om te pochen, maar gewoon om te laten zien hoe u het beleefde. Op die manier, door bij het gewone te beginnen, went u er aan om iets te delen van uzelf. Dan kunt u later ook gemakkelijker iets delen van uw leven met de Heere. Wat de Heere voor u betekent.

Luister je wel naar mij?
Zitten ze er wel op te wachten? Martine Delfos schreef een boek over praten met kinderen van 4-12 jaar. Luister je wel naar mij? is de titel van het boek. Daarin geeft ze aan, dat kinderen vol vragen zitten en veel willen weten. Ze geeft ook aan dat ouders vaak geen tijd hebben voor de vragen van hun kinderen. opdracht: tijd vrij maken, zodat kinderen met hun vragen kunnen komen (na het Bijbel lezen). In die leeftijd zijn ze leergierig. Juist naar het levens van anderen. En waarom zullen ze niet vol vragen zitten over opa en oma? Ze schreef ook een boek over pubers:  Ik heb ook wat te vertellen! Als u kunt luisteren naar uw kleinkinderen, zullen ze ook graag naar u luisteren. Ze houden ervan als u iets van uzelf laat zien, als u niet alleen maar opa of oma bent, maar hun opa, hun oma die er voor hen is, ook door af en toe wat van zichzelf te laten zien. Daar bent  niet mee opgegroeid. Ervaringen en emoties, dat telde niet, je moet door. Vandaag zijn ervaringen en emoties juist de ingang om iets te vertellen over wat echt van belang is.

Vertrouwen
Bijvoorbeeld over de grote daden van de Heere. Waarom is dat van belang? Zodat ook de volgende generaties leren om hun vertrouwen op de Heere te stellen, zodat ze ook met de Heere leven en ontdekken dat de Heere ook hun God wil zijn en dat het niet alleen fijn is, maar ook noodzakelijk. Ook als kinderen er niet meer in grootgebracht zijn, is het goed om ze op een bescheiden manier te vertellen. Door de Bijbel te gebruiken rond de maaltijden bijvoorbeeld en ruimte te bieden om erover door te praten. Door te laten zien dat die verhalen niet alleen maar verhalen over vroeger zijn maar verhalen die gaan over de Heere over het leven in gehoorzaamheid en afhankelijkheid aan Hem. Verhalen die u met vallen en opstaan probeert toe te passen op Hem. Dat hoeft niet direct resultaat geven, u zaait en de Heere is de Heere van groei en van de oogst, U leeft het voor, u geeft het geloof niet over, dat doet de Heere zelf. Hij gebruikt u wel daarvoor.

Column voor In Contact, blad van de SGP-Jongeren

Om een gemeenschap te kunnen dienen, moet je die gemeenschap willen leren begrijpen
Column voor In Contact, blad van de SGP-Jongeren

Op 14 januari 2007 werd ik bevestigd als predikant van Ilpendam en Watergang. Enkele dagen daarvoor verhuisden mijn vrouw, onze dochter en ik vanuit Veenendaal naar Noord-Holland. Dat bleek een hele overgang te zijn. De plaats van de kerk in de samenleving was heel anders, omdat in deze regio weinig mensen actief bij de kerk betrokken zijn.  Ik moest wennen aan de keuzes die op zondag werden gemaakt: jongeren deden mee met hockey of voetbal op zondag (en konden daardoor ook niet altijd naar de kerk). Ook aan de volksaard heb ik moeten wennen: men zegt gelijk wat men denkt. Als men ergens niet mee eens is, wordt dat niet opgespaard maar direct en soms op een confronterende manier gezegd.

Het heeft ook lang geduurd, voordat ik de mensen daar begreep en kon aanvoelen. Misschien juist omdat het zo lang duurde, heb ik ontdekt hoe belangrijk het is om een gemeenschap te begrijpen. Ik heb daardoor te snelle oordelen over anderen afgeleerd. Om een gemeenschap te kunnen dienen, moet je die gemeenschap willen leren begrijpen en het liefst leren waarderen en leren liefhebben. Op 4 september 2011 begon dat proces weer opnieuw. Dit keer in Oldebroek. Weer een intensief proces, maar opnieuw de moeite waard.

Dat is wat een politicus kan leren van een predikant: Dat je een gemeenschap alleen kunt dienen als je die gemeenschap begrijpt en aanvoelt. Dat je een gemeenschap waardeert, ook de gemeenschap ethische of politieke keuzes maakt die je als gelovige niet kan onderschrijven. Dat je dan niet te snel veroordeelt, maar oprecht nieuwsgierig vraagt naar de intenties.

Omgekeerd: mocht je als gemeenteraadslid meemaken, dat er een nieuwe predikant komt in de plaats waar je woont, help hem dan inburgeren en leer hem de gemeenschap begrijpen en liefhebben.

Preek zondagmorgen 20 september 2015

Preek zondagmorgen 20 september 2015
Opening winterwerk – Delen in overvloed
Mattheüs 25:14-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een directeur van een groot bedrijf roept een van zijn werknemers bij zich in zijn kantoor.
Als de werknemer in het kantoor is aangenomen,
krijgt hij van de directeur een enkele pasjes in zijn handen gedrukt.
Verbaasd kijkt de werknemer naar zijn directeur:
Wat is hier de bedoeling van?
De directeur geeft hem een vriendschappelijk klopje op zijn schouder
en zegt tegen zijn werknemer: ‘Ik weet wat ik doe.’
Daarna kan de werknemer weer gaan.
Er wordt nog een werknemer geroepen.
Als deze man komt, krijgt hij twee pasjes.
Opnieuw zegt de directeur: ‘Ik weet wat ik doe.’
Dan roept de directeur een derde werknemer bij zich.
Deze derde werknemer is een heel precies man.
In al die jaren dat hij hier op dit bedrijf werkt, is hij nog nooit te laat gekomen.
Nooit heeft hij hoeven verzuimen door ziekte.
De man valt in het bedrijf eigenlijk niet op,
behalve dan dat hij altijd als eerste is
en in zijn lunchtijd op zijn plek blijft
en er niet aan denkt om eerder dan de werktijd naar huis te gaan.
Voor deze man is het een eer om voor dit bedrijf te werken.
Hij is alleen wel verbaasd dat hij door de directeur geroepen wordt,
want hij heeft nog nooit eerder gemerkt dat hij opviel in het bedrijf.
Deze man krijgt van de directeur één pasje.
Ook tegen deze man zegt de directeur: ‘Ik weet wat ik doe.’
De volgende man blijkt de directeur te zijn vertrokken.
Niemand weet waarheen.
Niemand weet waar hij naar toegegaan is.
Alleen zijn secretaresse weet iets te vertellen: hij is op reis naar het buitenland.
Maar zijn telefoon heeft hij niet meegenomen.
Hij is niet te bereiken en niemand kan hem vinden.
De drie mannen weten niet goed wat ze moeten doen.
Ieder van die mannen beseft van die pasjes te hebben gekregen
en ze zijn benieuwd waar dat pasje voor diende.
Als ze de pasjes controleren, blijkt dat op elk pasje 1 miljoen euro staat.
Deze mannen beseffen: wat we hebben aan pasjes, dat is de waarde van het hele bedrijf.
Wat moeten wij ermee?
Had de directeur maar uitleg gegeven.
De eerste man gaat naar zijn eigen kantoor.
Hij gaat achter zijn bureau zitten om te bedenken wat hij moet doen.
Veel tijd om na te denken heeft hij niet.
Er wordt op zijn deur geklopt en een medewerker van de financiële afdeling stapt binnen:
‘Er is dringend geld nodig!’
De man aarzelt. Wat moet hij doen?
Hij heeft 5 pasjes met elk een miljoen?
Wat had de directeur van hem verwacht?
Hij kan toch niet zomaar dat geld van het bedrijf uitgeven.
Maar de man van de financiële afdeling dringt aan:
‘Je moet het doen, anders gaat het met het bedrijf niet goed. Dit is belangrijk!’
De man zucht en denkt na. ‘Vooruit’, zegt hij, ‘de directeur zal wel hebben geweten wat hij bedoelde. Als ik niets doe, gaat het hele bedrijf eraan.
Zou de directeur dat gewild hebben?’
Hij voelt de verantwoordelijkheid
en het is alsof de directeur vanaf de foto hem aankijkt en iets wil zeggen. Maar wat?
Bij de tweede man met twee pasjes gaat hetzelfde er aan toe.
Bij de derde man anders.
Hij wordt nog voorzichtiger dan eerst.
Hij zorgt dat hij een eigen kamer krijgt in een afgelegen gang, waar niemand komt
en dus ook niemand op het idee komt om hem te storen.
Het pasje stopt hij diep weg, in een gat achter de muur en zet zijn bureau ervoor
zodat niemand op het idee komt om daar te zoeken naar het pasje.
De man is nog vroeger dan anders
en gedurende de dag houdt hij zich nog meer afzijdig dan anders.
Hij wordt nog stipter en houdt de eer van het bedrijf zoveel mogelijk omhoog.
Want stel je voor, de directeur, dat is geen makkelijke man.
Stel je voor, dat het bedrag weg zou zijn, dan zou de directeur laaiend zijn geweest,
Want zuinig dat de directeur is.
Nooit kreeg hij een beloning voor zijn stipte werkwijze,
ook al kostte het hem extra uren aan werk die hij niet kon declareren als overwerk.
Hij ging slechter slapen en ging zich zorgen maken.
Ging het met het bedrijf wel goed?
Ja, hij had een deel van de financiële reserve onder zijn hoede,
maar mooi niet dat hij er iets van uit gaf.
Zo gaat het heel lang door en ondertussen wordt er niets van de directeur vernomen.
Totdat … na lange tijd, als iedereen er zo ongeveer aan gewend is geraakt
dat de kamer van de directeur leeg is … de directeur weer terugkomt op het bedrijf
en zijn 3 werknemers bijeen roept.
De eerste man is blij de directeur te zien.
Enthousiast vertelt hij van de winst die het bedrijf heeft gemaakt.
De tweede man is ook enthousiast zijn baas te zien.
Met twinkeling in zijn ogen vertelt hij hoe het bedrijf een goede naam heeft opgebouwd.
Beiden hebben het bedrag dat de directeur hen gaf weten te verdubbelen.
‘Jullie hebben het goed gedaan. Ik gaf je een klein beetje,
maar daarmee zijn jullie op een grootse manier mee omgegaan.
Dan kan ik jullie nog veel meer toevertrouwen.’
Dan de derde man.
De man is gespannen, maar ook wel trots.
Hij heeft het geld weten te bewaren. Alles is er nog.
Dat was toch wat de directeur wilde?
Hij heeft het pasje tevoorschijn gehaald en afgestoft.
Het pasje werkt nog en het volledige bedrag staat erop.
Hij is er netjes vanaf gebleven.
Tot zijn verbazing ontploft de directeur van woede:
‘Jij luilak! Besef je wel wat je hebt gedaan?’
Langzaamaan dringt het tot de man door
dat hij iets verkeerds heeft gedaan,
maar hij is te verbijsterd om zich te kunnen bedenken op welke manier hij fout is geweest.
De directeur roept de bewaking en zegt: ‘Gooi deze man eruit.’

Zo gaat het in het Koninkrijk van God, zegt Jezus,
het koninkrijk van God – dat is Gods nieuwe wereld die er door de Heere Jezus gekomen is,
Doordat Hij stierf aan het kruis
en Gods nieuwe wereld die komt, als de Heere Jezus terugkomt.
Begrijp je wat Jezus bedoelt met dit verhaal?
Als je er iets van begrijpt, dan heb je ontdekt
hoe God werkt en wat dat koninkrijk van God voor jou betekent.
Wat zou Jezus ermee bedoelen?
Het is een verhaal over een directeur die voor langere tijd naar het buitenland gaat
en dan het bedrijf overlaat aan enkele ondergeschikten.
Waar zou dat over gaan?
Zou de Heere Jezus bedoelen dat Hijzelf voor langere tijd weggaat
en dat Hij iets op aarde achter laat, waar anderen voor moeten zorgen?
Wat zou de Heere Jezus achterlaten, als Hij naar de hemel gaat?
Zou dat niet de kerk zijn? De mensen die in Hem geloven,
de mensen die vroeger in de Heere Jezus hebben geloofd en ook nu,
zoals jij en ik, de mensen hier in de kerk.
En wie zijn dan degenen die voor de kerk moeten zorgen,
die de Heere Jezus achterlaat?
Zouden dat predikanten, ouderlingen zijn, de clubleiding,
de voorzitster van de vrouwenvereniging,
Bijbelkringleiders, degenen die catechisatie geven of AlphaCursus?
Zij allen zouden wel eens willen dat de Heere Jezus er is
om zelf aanwijzingen te geven.
Ik denk dat zij zich allemaal wel eens in een situatie bevinden zoals die eerste werknemer.
Dat er iets dringend gedaan moet worden,
maar je weet eigenlijk niet waar je goed aan doet.
Iedereen die als ouderling wordt verkozen herkent de verbazing,
de verbijstering wellicht van die knechten die ontdekten hoe groot het bedrag was
dat op dat pasje stond: moet ik daarvoor zorgdragen?
Kan de Heer dat zelf niet? Waarom ging Hij dan van ons heen?
Het is als een zware last die opeens op je schouders wordt gelegd,
zonder dat je weet hoe je hiermee om moet gaan.
Zou de Heere Jezus dan die gelijkenis vertellen door te zeggen:
begin er maar aan, wees niet te bang
Al ervaar je het als een te grote verantwoordelijkheid.
Begin er maar aan en Ik zal er voor zorgen
dat je inzet wordt verdubbeld, dat er groei komt.
Neem je verantwoordelijkheid.
Maar wat is die verantwoordelijkheid dan?
Zorg dragen voor de gemeente. Zorgen dat de gemeente goed wordt beheerd.
Doet die derde knecht dat ook niet?
Wat is dat dan, goed zorg dragen voor de gemeente?
Is dat zorgen dat alles bij het oude blijft
of is dat een investering doen in de hoop dat er meer bijkomt
maar wel met het risico van de investering – namelijk dat je het ook kwijt kunt raken?
Wat is goed zorgdragen voor de gemeente?
Is dat overstappen op zoveel mogelijk makkelijk zingbare liederen
omdat de mensen die niet zo vaak in de kerk komen dan vaker komen?
Er zijn goede argumenten te bedenken voor de Psalmen:
want die zijn tot eer van God, dat zijn liederen uit de Bijbel.
Of houden we vast aan wat we altijd gewend zijn,
want zo zijn we opgevoed en dan is het vast tot eer van God?
Wat is goed zorgdragen voor de gemeente?
Is dat streng zijn voor degenen die samenwonen, want dat kan toch niet?
De Bijbel leert toch iets anders,
namelijk dat echte liefde en trouw door het huwelijk gewaarborgd worden ?
Of zijn we dan net als die derde knecht
die het maar bij het oude houdt en daardoor degenen belemmert die samenwonen
om een stap verder naar de Heere en naar de gemeente te doen,
Waardoor de gemeente niet wordt uitgebreid?
Ik heb hier geen antwoord op, ik wil hier ook geen keuze maken of opdringen,
maar als ik luister naar wat de Heere Jezus ons met deze gelijkenis wil zeggen,
proef ik een spanning – een spanning tussen Gods heiligheid en Gods barmhartigheid
een spanning die wij niet zomaar mogen oplossen,
maar door deze gelijkenis te vertellen houdt de Heere wel voor:
Maak je de goede keuze?

Wellicht zijn het voor u vragen waarop u niet bedacht bent
en die je bij deze gelijkenis niet had verwacht,
want in deze gelijkenis gaat het om de talenten die je hebt
die je goed moet gebruiken?
en is het thema niet: delen in overvloed,
De gaven die je van de Heere gekregen hebt die je moet en mag delen
en die dan door de Heere gezegend worden?
Ja, daar heeft het inderdaad mee te maken,
maar dan vooral met het delen van het evangelie,
van de genade van de Heere Jezus, het mogen horen bij Zijn gemeenschap,
het binnengaan in Zijn koninkrijk.
Dat is de rijkdom, dat zijn de gaven die wij als gemeente,
die u, die jij als individu hebt ontvangen en mag uitdelen.
Maar aan wie? Wie mogen erbij horen?
Mag iedereen zomaar in dat koninkrijk komen?
Horen daar niet allerlei eisen bij?
Je bent toch niet zomaar kind van God?
Dat is in ieder geval de houding van de derde knecht.
Die knecht ziet in zijn heer iemand die niet zomaar akkoord is met wij als mensen doen.
Hij heeft richtlijnen gegeven – wetten en daar hebben we ons aan te houden.
Want stel je voor dat je je niet aan die wet houdt en je dan voor God komt.
Die derde knecht is bang voor God, omdat Hij denkt God te kennen
als een veeleisend God
en daarom maar schermt met Gods wet, want dat is Gods wil.
Gods richtlijnen zijn duidelijk – ook als sommigen daar de dupe van zijn.
Liever een zuivere kerk dan een kerk waar alles kan,
want daar kan God niet wonen.
In de kerk kan niet alles, want de kerk is van de Heere en God is heilig.
Dat, gemeente, het geloof in Gods heiligheid
wordt niet onderuit gehaald,
want de knechten krijgen een heel groot bedrag toevertrouwd,
al zegt de Heer tegen zijn knechten bij zijn terugkomst dat het een schijntje was.
De gelijkenis wil wel aangeven: Wat is nu de waarde in de kerk,
wat is het hoogste goed: is dat de heiligheid van God, zijn dat Zijn richtlijnen
of is dat Zijn barmhartigheid,
die zich laat zien door ook de zondaar op te nemen in Zijn gemeenschap
en ook het koninkrijk openstelt voor degenen die hun leven hebben vergooid,
die het er niet naar hebben gemaakt?
Als er gekozen moet worden, is dan Gods heiligheid het voornaamste
of Gods barmhartigheid die ook de slechte mensen uitnodigt om Gods kinderen te zijn.
Hoe meer ik in de evangeliën lees en vooral de gelijkenissen
kom ik tot de overtuiging dat Gods barmhartigheid het hoogste is,
zijn diepste wens om de zondaar, degenen die hun leven hebben vergooid,
te nodigen, te roepen, te dwingen om in te gaan – uit de heggen en de steggen,
mensen die wij niet op onze feestjes uitnodigen, maar God wel.
In elke gelijkenis zit iets provocatiefs
om ons te provoceren om in die barmhartigheid te geloven
van God die oneindig barmhartiger is dan wij ons kunnen voorstellen
die zelf de reinheid, de zuiverheid in de hemel heeft verlaten
om vuile handen te krijgen door ons aan te raken,
zichzelf te laten vervuilen en besmetten door onze zonden op zich te nemen,
die zelf bereid was om vertrapt te worden door de mensen
Die niet op Hem zaten te wachten,
omdat ze dachten dat ze God al hadden.
Omdat ze God al dachten te dienen, met een heel mooie, een heel zuivere eredienst.
En als mensen die niet konden meemaken,
als ze te onrein waren, dan lag het aan hen.
In heel het evangelie van Mattheüs is die spanning tussen Gods heiligheid
en Zijn barmhartigheid de rode draad,
van de meeste gelijkenissen is die spanning de rode draad.
Waarbij de Heere Jezus ons allemaal voorhoudt:
denk maar niet te snel dat je handelt zoals die eerste knechten,
wij hebben allemaal misschien wel de neiging om ergens op de rem te trappen
omdat we denken dat dat niet past bij de Heere.
Daarbij denk ik niet, dat deze gelijkenis ons aanmoedigt
om alles maar over boord te gooien, want God is heilig
en Jezus vertelde in een cultuur waarin het beleven van Gods heiligheid anderen uitsloot.
Ik denk dat de Heere Jezus met die gelijkenis aan wilde geven
over die spanning na te denken
en wat in onze ogen de juiste keuze is, niet omdat het onze mening is,
maar omdat we weten wie God is, omdat we weten wie God echt is.
Zodat – als de Heere Jezus terugkomt, kunt zeggen: Ik heb gedaan
wat u van mij verlangde.
Dat is de kritische vraag vanuit de gelijkenis:
Ken je de Heere echt wel? Weet je echt wie Hij is
en kun je vanuit dat kennen van de Heere Hem dienen
en je plek in de gemeenschap innemen,
zodat je bij je komst de Heere aan de Heer mag laten zien
wat Hij je heeft toevertrouwd
en dat je mag zeggen: Heere, wat U mij gaf,
het is verdubbeld, ik heb begrepen waarom U het mij gaf.
In wat U aan mij gegeven heb, heb ik U leren kennen.
Heiliger dan wij maar ook barmhartiger dan wij ons kunnen voorstellen.
Amen

Preken als (theo)poëzie

Preken als (theo)poëzie
Preken in een postmoderne tijd

Als kerken maken we een enorme paradigmawisseling mee: de verandering van moderniteit naar postmoderniteit. Deze paradigmawisseling roept door de vele veranderingen ook veel onzekerheid op.

Volgens Paul Scott Wilson is de overgang naar postmoderniteit niet alleen maar een bedreiging voor de kerken en voor de verkondiging van het evangelie.  In zijn Preaching as Poetry (2014) geeft hij aan dat volgens hem de postmoderniteit juist veel kansen voor de verkondiging van het evangelie biedt . Postmoderne denkers zijn op veel punten geen tegenstanders, maar juist welkome bondgenoten. Veel meer dan in de moderniteit is in de postmoderniteit creativiteit en verbeelding van belang bij de verkondiging van het evangelie. Creativiteit en verbeelding zijn niet alleen noodzaak, maar zijn zelf ook een enorme stimulans in de verkondiging.

preaching-as-poetry

Postmoderniteit
In de moderniteit waren de natuurwetenschappen van groot belang. Zij bepaalden het paradigma en gaven de normen aan van beredeneerde waarheid. Logisch nadenken was de norm. Communicatie moest helder en efficiënt (en dus ook reductionistisch) gebeuren. Wilson spreekt daarom van de Age of Math (tijdperk van de mathematica). Postmoderniteit is een reactie op de dominantie van de natuurwetenschappen. In de postmoderniteit wordt niet alleen met de bril van de natuurwetenschappen gekeken, maar ook met de bril van de poëzie: er komt ruimte voor tegenstrijdigheden, voor wat anders is, voor het irreguliere.

Theopoetry
In zijn Preaching as Poetry sluit Wilson aan bij een recente ontwikkeling in de theologie: de opkomst van de theopoetry (L.B.C. Keefe-Perry, James K.A. Smith, Scott Holland, ea).
Theopoetry is een manier van de werkelijkheid zien en waarnemen, zoals poëten de werkelijkheid zien, een manier van waarnemen die ook aandachtig bezig is met Gods aanwezigheid, met Gods handelen in het alledaagse bestaan. Deze waarneming is niet gericht op verklaring van wat er gezien wordt, maar houdt ruimte voor het mysterie, het ongrijpbare in het alledaagse. Een predikant is bij uitstek een theopoëet, iemand die werkzaam is in Gods poëzie. Volgens theopoëten kan het contact met God niet zonder verbeelding
M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet (2009) legt het verschil uit tussen handelen volgens Math en volgens Poetry:

Een ingenieur volgt bij het bouwen van een brug over een diepe ravijn zijn tekstboeken. Men mag hopen dat zo’n ingenieur enorm toegewijd is aan die boeken. De poëet, die over deze brug naar huis rijdt, ‘bouwt’ deze hele dag verzen die het verlangen van de ziel onthullen naar zo’n overbrugging als we staan aan de oevers van een ramp en naar beneden staren in de doodsvallei.

Theopoetry heeft een uitnodigend karakter. Volgens Wilson is een dialoog tussen theopoetry en theologie heel zinvol en verrijkend, ook voor de theologie. Volgens hem is de theopoëtische benadering erg geschikt om in een tijd van diversiteit anderen in contact te brengen met het evangelie. In het getuigen en belijden van Christus mag dankbaar gebruik gemaakt worden van de theopoëtische benadering. In de theopoëtische benadering kan men veel meer aansluiten bij de zoektocht en de aarzeling van de ander en toch door authentiek te getuigen ook over Christus vertellen. Het theopoëtische getuigenis is een creatieve bijdrage aan de kerk.

In zijn boek gaat Wilson de 3 klassieke waarden schoonheid, goedheid en waarheid na. Deze klassieke waarden hebben in de postmoderniteit (Poetry) een heel andere invulling gekregen dan in de moderniteit (Math). (De moeite waard om nog eens afzonderlijk uit te werken! Wie weet…)
De verkondiging kan veel leren van die andere invulling. Wilson werkt eerst de verandering uit in de postmoderniteit. Vervolgens schetst hij hoe de schoonheid, de goedheid en de waarheid van God opgemerkt en verwoord kan worden. Vervolgens geeft hij homiletische aanwijzingen waarbij hij de schoonheid van God en Zijn handelen met Kerst verbindt, Gods goedheid met Pasen en Gods waarheid met Pinksteren. Tussendoor werkt hij zijn eigen homiletische model (onder andere de 4 pagina’s) nog meer uit.

N.a.v. Paul Scott Wilson, Preaching as Poetry. Beauty, Goodness, and Truth in Every Sermon. The Artristry of Preaching Series, 1 (Nashville: Abingdon Press, 2014).

De serie The Artristry of Preaching Series werkt creatieve aspecten van het preken maken uit, die in gebruikelijke boeken over preken maken niet echt aan de orde komen:
deel 2: Scott Hoezee, Actuality. Real Life Stories for Sermons That Matters
deel 3: Peter Jonker, Preaching in Pictures. Using Images for Sermons That Connect 

Weeksluiting De Hullen

Weeksluiting De Hullen
Ik wil beginnen met een voorbeeld van een predikant die in een kinderziekenhuis werkte:

Lisa was 5 jaar toen Herbst haar voor het eerst ontmoette.
Lisa zei bij die ontmoeting:
‘God houdt niet van mij.
Hij wil niet dat ik gezond wordt.’
Zij was in het ziekenhuis, omdat een hersentumor operatief verwijderd moest worden.
Na de operatie bleef zij nog enige tijd om te herstellen van de operatie.
In die tijd bezocht Herbst haar elke avond en las haar voor.
Lisa’s houding veranderde voortdurend:
dan was ze moedeloos, dan opgewekt,
soms ook niet aanspreekbaar, vaak lief en aandoenlijk.
Bij het vaste afscheidsritueel hoorde de vraag van Lisa:
‘Wanneer komt u weer?’

Op een avond las Herbst het verhaal voor
van de storm op het meer, die door Jezus werd gestild.
Tijdens het voorlezen viel Lisa in slaap.
Hij dekte haar toe en verliet met een onbevredigend gevoel de kamer uit.
De volgende morgen kwam hij de moeder van Lisa tegen:
‘Moet u eens horen wat Lisa vanmorgen vertelde.
Lisa vertelde hoe de dominee was gekomen en een verhaal had verteld.
En Lisa zei: ‘Mama, moet je voorstellen, ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen.’’

Ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen.
Bijzonder als je je zo vol vertrouwen kunt overgeven aan de Heere Jezus,
dat je kunt slapen en dat je weet dat de zorgen even van je afgenomen zijn.

Dat iemand ‘s nachts wakker kan liggen, wist ik wel.
In een bepaalde tijd was ik zelf een slechte slaper.
Dat was altijd in de nacht van zondag op maandag.
Omdat we op zondag 2x naar de kerk waren geweest,
hoefde ik op zondagavond nooit voor het slapen gaan in mijn Bijbeltje te lezen.
Toen ik een jaar of 10 was,
kon ik juist in die nacht niet goed slapen
en was ik midden in de nacht, rond 3.00 uur, 4.00 uur vaak wakker.
Voor mijn idee had dat altijd te maken met het overslaan van een stukje Bijbellezen.
Ik lag dan lang wakker en vooral als het helemaal donker was
kon ik niet goed in slaap komen.
Ik hoopte dan dat iemand de lichten op de overloop zou laten branden,
zodat er een lichtstraal in mijn kamer viel.
Omdat niet zo goed in slaap kon komen, ging ik voor mijzelf maar een psalm herhalen.
Uiteindelijk werd dat de Psalm: Maar de Heer zal uitkomst geven.
Die psalm zong ik dan een aantal keer stil in mijzelf, totdat ik uiteindelijk in slaap viel.
Niet dat ik bij Jezus in de boot in slaap viel, maar wel onder Gods vleugels.
Het kon wel een tijd duren voor ik weer in slaap was.
Dat het in slaap komen niet vanzelfsprekend is,
herinner ik me vooral door een preek over Psalm 3.
De inhoud van de preek ben ik helemaal vergeten,
op de eerste zin na: Slaapt u wel goed?
Het zijn immers de stormen, waar de discipelen mee te maken hebben,
die je zo uit slaap kunnen houden.
En als je niet kunt slapen, ga je malen
en als je maar gaat malen en piekeren kun je weer niet goed in slaap komen.
Als je wel goed kunt slapen, is dat een zegen
En dat merk je pas als je niet goed in slaap kan komen.

Waarom kan David wel goed slapen?
Omdat de HEERE voor hem een schild is.
Hij beseft het dat het een zegen is
dat hij zo goed kan slapen.
Het is ook een dankzegging naar de HEERE toe:
U echter bent een schild voor mij.
Daarom kan hij zich neerleggen en slapen.
Eigenlijk tot zijn eigen verrassing,
want het leven is voor hem vol spanning,
spanning vanwege zijn eigen zoon die hem van de troon wil stoten.
Spanning in het gezin kan de slaap wegnemen
en David kan er over meepraten
en toch is er iets dat hem die rust geeft
Waardoor hij zich kan overgeven aan de slaap.
Het is geen trucje van hemzelf, geen tovermiddeltje om in slaap te komen,
Geen slaapmutsje,
Het is vertrouwen, overgave aan God,
zoals dat kleine meisje kon slapen, omdat ze wist: Ik ben bij Jezus in de boot.

Psalm 3 is een mooie psalm,
maar er zit ook iets in wat als een steen op de maag kan liggen.
Want David vraagt ook iets aan God
wat wij niet zo snel aan de Heere zouden vragen:
Sta op, Heere, verlos mij, mijn God
want U hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen.
David roept hier het beeld op van een schoolplein,
Waarbij iemand in een kring staat en door iedereen wordt belaagd.
Als hij dan het onderspit dreigt te delven, komt er hulp
van iemand die groter is en sterker en voor hem de strijd aangaat.
Het is het beeld van de strijd, waarbij God vecht voor David
en de vijanden van David verslaat.
Kunnen wij dat zomaar bidden?
Moeten wij onze vijanden niet liefhebben en voor hen bidden
En schrijft Paulus ons niet voor dat we de wraak aan God over moeten laten:
Wreek uzelf niet geliefden, maar laat plaats voor de toorn,
want ik zal het vergelden, spreekt de Heere, mij komt de wrake toe.
David vraagt of God hem wil wreken.
Een voor ons gevoel onmogelijke vraag.
Maar God zegt niet dat Hij deze vraag van David overneemt.
Hij legt het in Gods handen.

Wat dat betekent, ontdekte ik in een voorbeeld dat ik tegenkwam
van iemand die werkte bij een telefonische hulpdienst.
Een vrouw was als vrijwilliger werkzaam bij een telefonische hulpdienst.
Ze was kerkelijk opgevoed, maar deed er niet veel aan.
Op een avond waarbij ze dienst had, belde iemand in paniek op.
Het was een vrouw die ontdekte dat haar man bij een andere vrouw was
En ze vertelde dat ze met een bijl in haar hand stond
om naar haar man en die vrouw te gaan om hen te doden.
De vrouw van de hulpdienst wist niet goed hoe ze moest reageren
totdat ze – tot haar eigen verbazing – een bijbeltekst door de telefoon zei.
De tekst ontglipte haar.
mij komt de wrake toe, spreekt de Heere.
De vrouw valt stil en zegt na een tijd: Dank u, dit heb ik nodig.
Ik hoef het niet zelf te doen.

David hoeft zichzelf niet te wreken, want God komt voor hem op.
God strijdt, de Heer zal opstaan tot de strijd,
Hij zal Zijn haters wijd en zijd, verjaagd, verstrooid doen zuchten.
Maar dit is niet de enige manier van de Heere
om de tegenstanders van David terug te dringen.
God is koning over alles,
over Davids tegenstanders, over David zelf
God is er niet aan gehouden de wens van David te vervullen
De Heere bepaalt zelf wat Hij zal doen.
Ondertussen is Hij wel de schild voor David
zodat de woede en de aanvallen van Absalom hem niet raken.
Een schild.

Ik kan gaan slapen zonder zorgen,
Want slapend kom ik bij U thuis
Alleen bij U ben ik geborgen
Gij doet mij rusten tot de morgen
en wonen in een veilig thuis.