Preek zondagavond 29 mei 2016

Preek zondagavond 29 mei 2016
Psalm 51

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Ik kan het niet meer goedmaken!’
Dat is wat er door David heengaat, als de profeet Nathan gekomen is.
‘Ik kan niet meer herstellen
wat ik kapotgemaakt heb.’
David weet het: Ik kan de schuld niet op een ander schuiven.
Ik ben hier verantwoordelijk voor.
Dat had hij niet direct door.
Dat besef kwam pas, nadat Nathan bij hem gekomen was
om hem aan te spreken wat hij, David, met Batseba, had gedaan.
Tot die tijd had hij zijn geweten kunnen sussen:
Ach, het is niet zo erg wat ik doe. Het moet kunnen.
Het is wel een daad met gevolgen,
maar dan voor anderen:
voor Uria, die het met de dood moest bekopen,
voor Batseba, die haar man verloren heeft en nu opgenomen wordt
in het paleis als een van de vrouwen van David.
David is er alleen maar op vooruitgegaan met Batseba als vrouw.

Totdat Nathan komt.
Er is een verband tussen wat David heeft gedaan en de komst van Nathan.
Nathan komt tot David, zoals David tot Batseba gekomen is.
Nathan die komt om te laten zien wat hij, David, gedaan heeft
en welke gevolgen zijn daad heeft.
Nathan – zijn naam betekent geschenk
Is Nathan voor David een geschenk.
Ik weet niet of David dat zo voelde toen Nathan hem de ogen opende
voor wat hij gedaan heeft, voor de gevolgen van zijn daden.
Dat wat hij gedaan heeft ook te maken heeft
met hemzelf en met zijn band met God.
Nathan brengt David voor Gods aangezicht.
Heeft David dat als geschenk beschouwd?

Misschien niet direct, maar later wel.
Het is een vriend die laat zien waar ik fout zit.
Nathan, die door God gestuurd wordt, om David de ogen te openen
voor wat Hij gedaan heeft, inzicht te geven.

David krijgt ook het inzicht in wat hij heeft gedaan.
Maar dan.
Als je werkelijk door hebt wat je hebt gedaan…
In de Psalmen kijken we de gelovige in het hart.
Hier kijken we bij David in een hart, dat beseft
Ik heb een ernstige fout gemaakt
en die fout kan ik niet meer herstellen.
Niet zomaar een fout, maar een ernstig vergrijp
naar Batseba en ook naar God toe.
Wat moet je doen, als je weet dat je niet verder kunt
omdat je het hebt verknald?
Als God op je weg gekomen is
en tegen je zegt: Het zit goed mis in jouw leven.
Met wat je gedaan hebt, kun je niet verder.
Aan de psalm te zien is het niet alleen iets dat David overkomen is,
maar wordt dat herkend door vele gelovigen.
Want deze psalm is opgenomen in het boek van de gebeden en de liederen van Israël,
een privégebed dat een gebed wordt voor veel anderen,
een gebed dat de woorden geeft,
om toch voor God te kunnen komen
terwijl dat eigenlijk niet kan.

Wat David doet, is zijn koninklijke mantel afdoen, zijn kroon van zijn hoofd,
hij stapt de troon af en trekt oude, gescheurde kleren aan
en op blote voeten, als een zwerver,
die van zichzelf geen enkele waardigheid meer heeft,
geen status waarop hij zich kan beroepen –
zo komt hij voor God.
Wees mij genadig, o God.
Hier komt iemand, die niet voor God mag verschijnen,
geen enkel recht meer heeft, hij heeft het zelf vergooid
en door God is aangeklaagd om wat hij heeft gedaan
en toch de stap naar God waagt.
Waagt – gewaagd is het, wat David hier doet.
Heel zijn lot hangt af van God,
die al heeft laten weten dat Hij de afkeurt wat David heeft gedaan.
Mooie woorden helpen niet.
Alles hangt af van hoe God zal beslissen.
Mijn toekomst ligt in uw handen, ik heb niets meer,

ondanks mijn koninklijke titel, mijn macht,
dat is niets meer, als U, Heere, niet Uw genade aan mij betoont.
Genade is hier: mijn lot ligt helemaal in Uw handen
en wat U besluit, het is goed.

Maar David waagt hier iets geweldigs.
Hij zegt niet: Wat U doet is goed.
Hij legt zich niet neer bij elke beslissing,
David klampt zich aan God vast voor die ene beslissing
die hij juist niet van God mag verwachten.
Door zijn zonde heeft hij al de orde van God overhoop gegooid
en nu komt hij weer opnieuw om de orde van God overhoop te gooien,
de orde die bepaalt dat een zondaar zijn straf niet kan ontlopen,
omdat een daad zoveel ingrijpende gevolgen heeft voor God en medemens.
Het is een aan brutaliteit grenzende noodsprong,
die David alleen maar durft te doen, omdat hij God kent.
Gods karakter, Gods wezen, God zoals Hij ten diepste is.
Een beroep op Gods hart: Heere, laat mijn ellende, zoals ik nu ben,
U diep in het hart raken.
Zie mij zoals ik nu ben.
Als ik zo blijf dan ik niet verder met mijn leven.
Als mijn ellende, als mijn zonde U raakt tot diep in Uw hart,
doe er dan iets aan.
Wat U alleen kunt.

David vraagt niet alleen om de zonden te vergeven.
Dat zou al te goedkoop zijn.
Hij vraagt om meer:
David vraagt of God de daden teniet wil doen,
zoals een beeldhakker, die de verkeerde woorden heeft uitgehakt
alles weg hakt, zodat er niets meer te vinden is.
Wis mijn daden uit.
Ik heb het geprobeerd om ze uit te wissen.
Ik kon ze naar mijn medemens wellicht verdoezelen, maar naar U toe niet.
Voor U is niets verborgen
en U bent de enige die er nu nog wat aan kan doen.

Maar David vraagt om meer.
Want het uitscheuren van de zwarte bladzijde is nog niet genoeg.
Dan zou mijn kwade daad alleen maar een incident zijn,
iets dat eenmalig gebeurd is.
Nee, wat ik verkeerd gedaan heb,
dat heeft zich in mijn karakter genesteld
en dat is nu naar buiten gekomen, maar dat heeft er altijd gezeten
en dat kan er zo weer naar buiten komen.
Het kwade in mij, dat moet moet niet oppervlakkig van mij verwijderd worden,
maar door een diepingrijpende reiniging,
die mij tot in mijn kern, in mijn hart, in mijn karakter, in mijn wezen, reinigt en nieuw maakt.
Een uiterlijke handeling, die mij van buiten reinigt,
dat is niet voldoende.

Er moet iets met mij gebeuren,
dat meer is dan alleen maar het rechtzetten en het ongedaan maken van mijn fouten.
God moet wat met mij doen, in mij,
in mijn hart en in mijn gedachten,
zodat ik een nieuw mens doe, gereinigd en bevrijd van het kwade
dat zich in mij huist en met mij is vergroeid.
In plaats van oordeel, van straf, die verdiend is,
een nieuw mens te worden, die God met het hart zoekt, oprecht
en God kent, niet alleen wanneer ik er mee geconfronteerd wordt,
maar altijd en elke dag.
Het gebed om de Heilige Geest, die van binnen in mij werkt
en mij helpt in de strijd tegen de zonde
en mij beschermt, zodat de zonde geen ingang meer in mij heeft.
David vraagt hier om opnieuw geschapen te worden,
om opnieuw geboren te mogen worden,
een nieuw mens, bevrijd en gereinigd.
God confronteert ons met onze zonde
uit een daad van barmhartigheid,
niet om ons te vernietigen, maar om ons te vernieuwen,
helemaal nieuw.
Deze confrontatie is er ook bij de doop:
de doop laat ons zien, dat we van binnen niet rein zijn
en dat wij onszelf niet schoon kunnen wassen;
alleen God.

Naast al het besef van schuld, groeit het geloof en  de hoop
dat God het ook zal doen en zal luisteren naar dit gebed.
Want David bidt of alle zonden weggewassen mag worden
en of hij witter dan sneeuw mag worden.
De innerlijke reiniging straalt naar buiten toe uit.
Niet meer de boetekleren die David draagt om God op andere gedachten te brengen,
maar kleren zoals de priesters dragen,
hagelwit zoals de engelen zijn.
Wanneer u dat doet, ben ik voor U bruikbaar,
een getuigenis, zal ik over U vertellen.

Doe mij niet weg van voor Uw aangezicht.
Het gebed blijft steeds terugkeren.
Omdat David ook voelt, dat Hij zo niet verder kan.
Niet zonder God.
Om God niet kwijt te raken, klampt hij zich vast aan God.
Als God niet met hem verder wil,
dan doet hij er alles aan om vanaf nu niet verder meer te gaan zonder God.

Wat zal God doen?
De laatste tijd houd ik mij bezig met een theorie over preken die aangeeft:
Je moet vooral oog hebben voor wat God doet.
Voor wat er gesproken wordt over God in de tekst,
of hoe God spreekt in de tekst of door de tekst.
Maar krijgen we daar iets van te zien?
Deze psalm is een lang pleidooi voor Gods aangezicht.
Hartstochtelijk, een beroep op God, een schreeuw: red mij,
want ik zink weg, door mijn eigen fout
en doordat ik voel dat U mij ook kunt loslaten
en ik zonder U verder moet, weg van voor Uw aangezicht,
niet meer dat intieme contact.
Wat zou God doen?
Moeten we het hebben van de opname in het psalmboek,
dit gebed van de enkeling,
waarin velen zich herkend hebben en daarom als een antwoord van God ervaren is?

Hoe weten we nu dat God genadig is
en de smeekbede van David gehoor geeft
en de zonde van David inderdaad wegwast.
En hoe weten we dat God op ons gebed om vergeving onze zonden wegkrast
en ongedaan maakt, zodat ze niet meer zichtbaar zijn,
dat ze niet meer een last zijn die ons hart bezwaard
en dat de gevolgen weggenomen zijn?
Hoe weet David dat God barmhartig is?
Hoe kunnen wij weten dat God barmhartig is?

Omdat God zichzelf zo bekend maakt.
Als het volk voor de Sinaï staat, op weg vanuit Egypte naar Kanaän,
en Mozes op de berg is, maakt het volk een eigen god:
een gouden kalf, dat ze tot hun eigen god maken:
Dit is de god die ons heeft bevrijd.
Daarna weigert de Heere met het volk verder te gaan.
Dat kan Hij ook niet.
Zijn heiligheid zou het volk onderweg verteren.
Dan komt de smeekbede van Mozes, die de Heere God
op andere gedachten brengt en de Heere luistert.
Hij gaat opnieuw mee.
De Heere verschijnt dan opnieuw aan Mozes
en maakt dan bekend wie Hij is:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw

Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden,
Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft
David klampt zich aan deze barmhartigheid vast
en doet een beroep op deze genade van God.
Zo is God.

Maar er volgt nog iets als God zichzelf openbaart aan Mozes:
de schuldige gaat niet vrijuit; hij ontloopt zijn straf niet.
Ik zoek hem op; ik bezoek hem.
Dat is ook wat David heeft ervaren.
Niet alleen toen Nathan kwam,
maar ook door wat erna gebeurde:
een geestelijke crisis die meer is dan iets dat van binnen werd gevoeld.
Zelfs tot in het lichaam:
Mijn beenderen heeft u verbrijzeld.
Een korte zin, waarin David aangeeft,
dat wat hem overkomt, wat hem treft
niet zomaar is, maar dat het van God komt.
Maar dat betekent dat in het oordeel dat hem treft
zijn leven ook nog in Gods hand is
en God hem niet heeft losgelaten,
maar heeft opgezocht
en de straf die hij draagt en die van God komt
niet een teken is dat God hem heeft weggedaan
– God kan dat wel doen –
maar dat God hem toch nog vasthoudt,
zelfs op het allerdiepste moment van zijn bestaan,
toen hij God losgelaten heeft, liet God hem niet los.
Als God hem niet heeft losgelaten, zelfs niet in het oordeel,
is dat Gods genade en de hoop op een nieuwe toekomst,
door God zelf gegeven,
waarin de zonden zijn weggewassen, uitgebannen, vergeven
en hij, David een nieuw mens mag worden.

In deze psalm komt de naam van Christus niet voor.
In die zin brengt Christus niets nieuws,
want ook het Oude Testament laat zien dat God genadig kan zijn.
Wat het bijzondere aan Christus is,
is dat Hij in Zijn komst, door te komen, Gods genade komt laten zien.
Hij belichaamt Gods genade, is Gods genade.
Christus is God zelf – in de Zoon – die de plaats van David overneemt,
de schuld op zich neemt

Hij werd gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden.
Daarna heeft Hij onnoemelijk veel smaad gedragen,
opdat wij bij God nooit meer te schande zouden worden.
Hij is onschuldig ter dood veroordeeld,
opdat wij in Gods gericht zouden worden vrijgesproken.
Hij heeft zelfs Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen,
opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan zou hechten.
Zo heeft Hij onze vloek op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegen zou vervullen.

Daarom is het mogelijk
– door God, door het werk van Christus –
om God aan te klampen voor Zijn genade.
Wees mij genadig, God.
Amen


Advertenties

Preek zondagmorgen 29 mei 2016

Preek zondagmorgen 29 mei 2016
Kinderdienst. Thema: En er was licht.
Genesis 1:1-5; Johannes 12:34-36.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Zou ik ook licht kunnen maken?
Stel dat ik een professor zou zijn of een uitvinder
– zou ik dan licht kunnen maken
of licht kunnen uitvinden?

Met een zaklamp of een lucifer zou ik toch ook licht kunnen maken?

Maar is dat echt licht?
Is het niet eerder een soort namaaklicht?
Want licht maken, zoals de Heere God dat deed,
op de allereerste dag – dat kan ik niet.
Licht maken – dat is iets dat alleen de Heere kan.
Dat kunnen wij niet.
Zelfs de knapste professor of de slimste onderzoeker kan geen licht maken of uitvinden.
Wel namaken,
maar dan is het minder bijzonder dan wat God deed op de allereerste dag,
toen Hij het licht schiep.

Het licht komt bij God vandaan.
De Heere heeft er voor gezorgd dat er licht is.
God zei: ‘Er moet licht komen.’
En toen kwam er licht en dat licht dat er kwam was mooi, was goed.
Zoveel kracht hebben de woorden van God.
Hij zegt: Er moet licht komen en dan is er licht.

Nadat God de hemel en de aarde geschapen heeft,
is het eerste dat Hij doet
ervoor zorgen dat er op aarde licht komt.
Waarom zou God het voor onze aarde zo belangrijk vinden
dat er als eerste licht is?

Waar heb je allemaal licht voor nodig?
* Zonder licht is het donker en weet je niet waar je naar toe kunt gaan. Je hebt licht nodig om iets te zien.
* Zonder licht is het niet mogelijk om te groeien. De meeste planten en dieren hebben licht nodig om te groeien – en wij als mensen helemaal.

Stel je voor dat we zouden leven in een wereld
Waarin er geen licht zou zijn.
Alles zou donker zijn,
niet alleen maar tijdens een nachtje kamperen, maar altijd.
Dan zou je heel weinig kunnen zien
en daarom nergens naar toe kunnen.
Dan zou je altijd bang zijn als je iets hoort,
maar je niet kunt zien wat het is.
Dan zou je ook niet goed kunnen groeien.
We hebben het licht nodig.
Licht maakt mensen ook vrolijk.
‘s Winters is het eerder donker en ook overdag
en als in de lente het dan weer langer licht is
dan zijn de mensen vaak ook vrolijker.

God schept het licht
om aan te geven dat de wereld voor ons een fijne plek moet zijn
om te kunnen leven.
En wat is een fijne plek?
Een fijne plek is als je er niet ziek wordt,
als er niemand overlijdt
en er niemand ongelukkig is.
Daarom schept God als eerste een fijne plek
om daarmee aan ons te laten zien:
De aarde waarop jullie komen wonen,
is voor jullie mensen een fijne plek om te wonen.
Deze plek heb ik voor jullie uitgekozen,
een mooie, fijne plek – om te laten zien dat Ik van jullie houdt
en jullie gelukkig wil maken.

Daarom doet God ook nog iets anders:
Hij schept niet alleen het licht,
maar maakt ook een scheiding:
De Heere God haalt het licht en het donker uit elkaar.
Ook dat doet Hij niet zomaar.
Dat licht en donker verschillend zijn, dat merken we ook:
Stap maar eens een donkere kamer in en doe het licht aan,
Dan zorgt dat licht ervoor dat het niet meer donker is
en als je het licht uitdoet, wordt het gelijk weer donker.
God zegt: Dat heb Ik bewust gedaan.
Want Ik wilde dat dat de aarde een fijne plek voor jullie is om te leven.
Alle nare, vervelende dingen heb ik weggehaald:
Het wordt een wereld waarop je niet ziek zult worden, waarop je niet kunt sterven.
Je kunt er geen ongeluk krijgen
en er zal nooit oorlog komen.
Alles wat naar is, haal ik van de aarde weg.
Jullie zijn ervoor bestemd om in het licht te leven, overdag
en het licht overdag herinnert aan Mij, aan je Schepper.
Elke dag als je leeft, mag je je koesteren aan dat licht.
Bomen en planten groeien naar het licht toe.
Dat is hun manier om tegen de Heere te zeggen: Dank U wel voor Uw licht,
wij kunnen niet zonder Uw licht, wij kunnen niet zonder U.

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja, zelfs het zaad, diep in de akkergrond,
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig Licht,
zo taalt ons lied naar U, o God van vrede.

Het licht op onze aarde herinnert ons aan onze Schepper,
aan God die ons heeft gemaakt.
Als we het licht zien, mogen we weten dat God voor ons wil zorgen,
ons gelukkig wil maken
ons heeft bedoeld voor een wereld zonder oorlog, zonder pijn, zonder verdriet.

En toch leven we op zo’n wereld.
We zagen straks een grappig toneelstukje over kinderen in het Oldebroeker bos.
Er zijn op deze wereld kinderen die echt in een tent moeten slapen,
omdat hun huis kapotgeschoten is in de oorlog.
Samen met hun ouders – als die nog leven – moeten ze leven in een tent,
in een vreemd land, waarbij de geluiden ‘s nachts vreemd zijn
en er niet altijd iemand is die hen kan helpen.

Hoe komt het dat die wereld niet meer zo mooi is?
Omdat het donker ook best spannend is.
Denk maar een het kamperen in een nacht, in de tuin of in het Oldebroeker bos.
Waarom doe je dat, terwijl je ook thuis kunt slapen?
Lekker spannend.

Ook als iets niet mag hebben – de Heere had het donker weggestopt
kun je het juist willen doen.
Want als iets verboden is, dan kun je het toch gaan proberen. Lekker spannend!
Als je ergens niet mag komen, dan probeer je er naar toe te gaan
om te ontdekken waarom je er niet mag komen.
De slang die in het paradijs kwam
zei het tegen Eva en tegen Adam:
Dat donker, die nacht, dat is helemaal niet gevaarlijk.
Dat hoort er juist bij.
De Heere gunt jullie dat nare, dat donker niet
en daagde de mensen uit om dat nare, dat donker er toch bij te halen op onze aarde.
Daarom is het niet alleen meer licht op deze wereld,
maar is er ook veel aan donker:
verdriet, pijn, oorlog, ziekte, sterven.
Misschien heb jij daar ook wel mee te maken
en denk je bij jezelf: kan de Heere God mij niet gelukkig maken
en al het vervelende wegdoen?
Kan Hij niet zorgen dat iedereen beter wordt en dat alle oorlogen ophouden?
Kan er niet iemand ervoor zorgen dat het weer een mooie wereld wordt,
een fijne plek om te zijn?

Dan zegt de Heere Jezus: ‘Dat kwam Ik doen.
De wereld waarin jullie leven is soms een hele donkere wereld.
In die wereld kom Ik om het licht te zijn, het ware licht.’
Hij heeft net verteld dat Hij zou sterven aan het kruis.
De mensen begrijpen dat niet.
Jezus is door God gestuurd als de messias
en dan zou Hij toch voor altijd moeten blijven?
Hoe kan Hij dan sterven?
Omdat Ik gestorven ben – zegt Jezus – ben Ik het ware licht.
Want toen Ik stierf, heb ik de duivel overwonnen
en ervoor gezorgd dat er een nieuwe wereld gaat komen,
waar al het donker weg is.
Een wereld waar alleen maar licht is, omdat we bij God zijn.
En wie in Mij gelooft, die zal daar komen.
Wie in dat licht gelooft, hoort bij Mij en zal altijd in dat licht zijn.
Als je een moeilijke tijd hebt, mag je je daaraan vast houden:
het donker gaat eens voorbij,
want de Heere Jezus is sterker, Hij is het echte licht.

Wie in Hem gelooft, mag een reflector zijn.
Je weerkaatst het licht door, je geeft het licht door.
Je laat aan iedereen zien, dat Jezus het licht is
zodat ook anderen in Hem kunnen geloven.

God zei: Er moet licht zijn.
De mensen zeiden: dat donker hoort er ook bij.
Dat zeiden ze omdat de duivel hen dat deed geloven.
Toen werd kwam er ook donker.
Maar de Heere God zei: Dat wil Ik niet.
Dat donker moet weer weg. Ik stuur Mijn Zoon: Jezus, het ware licht.
Hij is het licht en maakt het weer licht op aarde.
Elke keer als het licht er is, mag je weten:
God maakt het weer goed. Hij maakt het zoals het was.
Zoals alleen Hij dat kan.
Amen

Is de volkskerk voorbij?

Is de volkskerk voorbij?

In het boek
Vreemdelingen en priesters geeft Stefan Paas komt de volkskerk aan de orde als een van de missionaire modellen die er zijn. Volgens hem heeft dit model goede kanten, maar is het toch ook wel theologisch problematisch en in de praktijk achterhaald. Mooi is om te zien dat dit serieus genomen wordt. Lastiger is om te zien dat dit model negatiever wordt beoordeeld dan mijns inziens nodig is. Naar mijn idee is het model niet afgeschreven en is het in deze tijd van toenemende secularisatie in theologisch en missionair opzicht waardevoller dan in het boek wordt geschetst.

In het boek wordt aangegeven dat de definitie van de volkskerk moeilijk aan te geven is. Wel zijn er volgens de schets van het boek 4 toonaangevende principes:
(1) God werkt via natuurlijke verbanden als familierelaties en ook de vaderlandse geschiedenis.
(2) Bij de volkskerk gaat het om een rekkelijk begrip van het lidmaatschap van de kerk. Van de kerk ben je lid doordat je werd gedoopt – of in het geval van de Nederlands Hervormde Kerk in de jaren-’90 – omdat je werd geboren uit gedoopte ouders.
(3) Binnen de volkskerk is er veel aandacht voor politieke en maatschappelijke structuren. Veel van de volkskerk-aanhangers hangen ook een theocratisch gedachtengoed aan.
(4) Omdat het volk een eenheid dient te zijn, moet ook de kerk een eenheid zijn.

Deze punten staan echter onder druk: het Nederlandse volk is nooit een eenheid geweest (contra 4); veel mensen die ingeschreven staan bij de kerk hebben daar niet om gevraagd en willen daar ook niet van weten (contra 2); de gedachte dat God alleen via de volkskerk werd, is zowel in de praktijk als theologisch verwerpelijk (contra 1).

Hoe dit blog is bedoeld
Hieronder geef ik mijn eigen visie op de volkskerk, als een kanttekening in de marge bij hoofdstuk 3 in het boek. Dit blog geeft alleen een alternatieve visie op de pagina’s 61-73 en niet op het totaal van het boek. Dit blog kan trouwens net zo goed worden gelezen als een kritiek op een romantische visie op volkskerk.

Eigen achtergrond
Even iets over mijzelf. Ik ben opgegroeid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, maar heb in de loop van mijn studie bewust de overstap gemaakt naar de Protestantse Kerk in Nederland, onder andere vanwege de gedachte van de volkskerk.  Daarna ben ik predikant geworden van twee kleine streekgemeenten in twee kleine dorpen in Noord-Holland. Nu ben ik al weer bijna 5 jaar predikant op een dorp van een gemeente, die een volkskerk genoemd zou kunnen worden. In de afgelopen tijd is mijn gedachte over de kerk niet veranderd. Ook mijn werk is nagenoeg gelijk gebleven. Het enige dat is veranderd is de positie van het geloof in de dorpssamenleving.

Vanuit mijn christelijk-gereformeerde achtergrond breng ik een allergie mee voor al te romantische inkleuring van de volkskerk. De Protestantse Kerk in Nederland (of de voorloper Nederlands Hervormde Kerk) zie ik niet als een planting Gods. Deze romantische ideologie is naar mijn idee zelfs gevaarlijk en theologisch discutabel. Met het loslaten van de gedachte dat de volkskerk een planting Gods is, valt de gedachte van de volkskerk niet om.

Verantwoordelijkheid
Om te begrijpen wat de volkskerk is, moeten we niet beginnen bij het volk, maar bij de verantwoordelijkheid van de kerk. Ik zie de volkskerk als een kerk die verantwoordelijk is. Verantwoordelijk voor een bepaald afgebakend gebied, waar mensen wonen.

Voor de volkskerk is de gedachte van Gods voorzienig handelen van groot belang. Dan niet in de zin dat God een bepaalde unieke band heeft met één kerk op een bepaald gebied, maar dat de gelovigen die op een bepaalde plek wonen of komen wonen dat niet voor niets doen. Zij zijn daar door God geplaatst om het gebied te begrijpen, de leef- en denkwijze van de mensen te begrijpen, zonder hen te snel te veroordelen.

Incarnatie
De basis voor de volkskerk is de incarnatie van Christus: Christus kwam onder ons mensen wonen. Hij nam ons bestaan aan, deelde in onze vreugde, ons lijden. Hij woonde, leefde, liep en sprak onder ons. De Geest gebruikt mensen om hen te laten delen in het bestaan van mensen die ergens wonen. Je gaat er wonen en dan niet voor even, maar voor onbepaalde tijd. Je wordt één van hen. Je woont in dezelfde stank. Je hebt dezelfde overlast. Je gebruikt dezelfde winkels. Je kiest dezelfde school en gaat naar dezelfde voetbalvereniging. Het voornaamste is niet de binding van de mensen met de kerk; die binding is secundair. Het primaire is de verantwoordelijkheid van de kerkleden om één te worden met de mensen van een bepaalde regio. (Lees hierbij de boeken van Eugene H. Peterson, die dit heeft uitgewerkt.) De volkskerk neemt die locatie serieus en de mensen die daar wonen serieus. Een hedendaagse variant van de volkskerk is de gedachte van de presentie.  Vandaar het belang van de SILA.

Geen massa
Juist de volkskerk heeft er oog voor dat de mensen geen massa zijn. Een belangrijk kenmerk voor de volkskerk is het pastoraat. De mensen worden opgezocht, omdat ieder mens een unieke levensgeschiedenis heeft in Gods ogen. Ingangen zijn er via de belangrijke momenten op de levensloop: bij geboorte, bij het aangaan of verbreken van een relatie, bij verjaardagen en jubilea die gevierd worden, bij verliezen die geleden worden.

Waarom heeft de kerk hier oog voor? Omdat de mens meer is dan zijn ziel. De mens heeft een plek om te wonen, een levensgeschiedenis, maakt van alles mee. De mens is mens voor Gods aangezicht met alles wat hij of zij heeft en meemaakt. Pastoraat is de kracht van de volkskerk. Binnen het missionaire debat brengt de volkskerk-gedachte in dat pastoraat (als opzoeken van degenen die aan je verantwoordelijkheid zijn toegewezen of degenen die op je pad komen) onmisbaar is voor de christelijke gemeente.

Andere kerken
Wie worden er dan bezocht? Allereerst de mensen die bij deze gemeenschap horen en ingeschreven zijn. Daarbij telt iedereen mee, die ingeschreven staat. Degene die niet actief is, staat niet op een ander niveau dan degene die actief betrokken is. Dat er rekkelijk omgegaan wordt met het kerklidmaatschap is overigens niet de praktijk. Wel is er meer ruimte: er is mogelijkheid om gastlid te worden zonder het lidmaatschap van een andere kerk te hoeven opzeggen.

De andere kerken die er zijn, worden serieus genomen. Het is pijnlijk om te zien als kerkleden een overstap maken naar een andere gemeente. Maar het zijn geen concurrenten. Landelijk draagt de Protestantse Kerk in Nederland dat in grondslag en beleid uit. De PKN ziet zich als een van de gestalten van de kerk in Nederland en niet als dé ware kerk. De relatie met de andere kerken wordt gezocht. Wanneer er verkeerd is gehandeld of gesproken, dan wordt dat geprobeerd om recht te zetten. In de afgelopen jaren is er daarom schuld beleden naar de Pinksterbeweging. Op missionair gebied wordt er samengewerkt met en geleerd van de kleinere kerken, op een voet van gelijkwaardigheid.  Het bestaan van andere kerken is niet per sé een zonde. Eerder zijn die andere kerken er om elkaar nederig te houden en elkaar te herinneren aan de zwakke plekken. 

Gehele volk
De volkskerk is er voor het gehele volk. 
Dat is geen vorm van machtsdenken, maar van bewogenheid: principieel is geen enkele locatie uitgesloten en geen enkele individu onbereikbaar. Een gemeente in de ‘moeilijkere’ gebieden als Noord-Holland, Groningen, Limburg is niet minder dan een gemeente op de Biblebelt. Een actief betrokken lid kan op net zoveel aandacht rekenen als iemand die nergens ingeschreven is.
Dat heeft niets te maken met het beeld van kikkers die in een kruiwagen moeten. De mensen zijn niet van de kerk, maar de kerk heeft een verantwoordelijkheid naar God toe voor goede geestelijke zorg voor deze mensen.

Erfenis
Naast het delen in het bestaan op een dorp of in een wijk wordt de volkskerk gekenmerkt door een erfenis. Het is de erfenis dat de kerk op veel locaties aanwezig is, die nu niet meer in beeld zouden komen voor gemeentestichting. Wie dat zwaar aanzet, kan spreken over een planting Gods. Dat neem ik niet over. Maar wat dan wel? Hoe taxeren we dan de aanwezigheid van de kerk op die plekken.

De erfenis bestaat uit leden, uit gebouwen en uit een lokale geschiedenis. Bij een volkskerk horen mensen die daar meestal niet zelf voor hebben gekozen. De gebouwen hebben een locatie, een vorm en een inrichting waar nu niet meer voor gekozen zou worden. Die erfenis is zowel een kans als een ballast. In de laatste decennia wordt steeds meer ervaren dat die erfenis een ballast is.

Verlamming
Natuurlijk kan een verandering creativiteit oproepen, maar die verandering kan ook een rouwproces oproepen, omdat het toch een ingrijpende verlieservaring is. Zo’n verlieservaring kan ook verlammend werken. Ik zie dat steeds meer gebeuren: kerkenraadsleden die zo druk zijn met het voortbestaan van een gebouw of een gemeente, die aan de pastorale taken niet meer toekomen. Voor velen is het een proces dat over hen heen komt, zonder dat ze er iets tegen kunnen doen. Het gaat om verlies van iets dat wezenlijk is: een plaats waar God vaak eeuwen gediend is, waar mensen zijn gedoopt, getroost, bemoedigd en aangesproken.

Is dat een oordeel? Leven we in ballingschap? Ik weet dat niet. Ik denk dat we heel voorzichtig moeten zijn met het plakken van Bijbelse tijden op onze tijd. Zelf ben ik niet zo goed in het duiden. God gaat zijn eigen gang. Totdat Christus terugkomt, zal er een kerk zijn. Of dat ook in ons land is? Daar ga ik niet over.

Kans
Die ballast is ook een kans. In de praktijk van een volkskerk kunnen mensen makkelijker een aansluiting vinden bij de kerk. Het valt mij op dat veel gemeenteleden toch een breuk hebben in hun geloofsbiografie. In ‘mijn’ kerk zijn er velen geweest, die tijdelijk zijn afgehaakt. Doordat de kerk dicht bij de mensen staat, is de stap naar de kerk soms gemakkelijker, maar het is niet zo dat degenen die bij de kerk betrokken zijn automatisch zijn gaan geloven. Daar gaat – menselijkerwijs gesproken – veel werk aan vooraf.

Het mooie van een volkskerk vind ik dat er mensen betrokken zijn, die bij andere kerken niet betrokken zijn. De volkskerk van nu is een kerk met oog voor de marge, voor de mensen die niet zo goed zijn in het verwoorden of doorgeven van het geloof. Met hart voor mensen, die ‘alleen maar’ (alsof dat bestaat) naar de kerk komen. Voor mensen die hooguit 10,- per jaar aan de kerk geven, omdat je dat ook aan de voetbalclub geeft.

Gevaren
De volkskerk heeft ook grote gevaren. Een van de gevaren is dat de bestaande netwerken ook doorwerken in de kerk en dat bijvoorbeeld de elite van het dorp ook de gang van zaken in de kerk bepaalt. Dat is gaat vaak onbewust: dat zijn de mensen van je eigen kring, de mensen die je kent. Een gevaar blijft het wel. Daarom is het goed dat er meerdere modellen zijn.


Samenvatting
Samengevat: bij de volkskerk draait het om de locatie en niet om de binding met de kerk; om verantwoordelijkheid vanuit de kerk voor het welzijn van de mensen die daar wonen en hun anderszijn; niet om macht of invloed. Volkskerk betekent dat de kerk naar de mensen toegaat – ook in de onaantrekkelijke regio’s! – , hun manier van leven deelt en eigen maakt en vanuit daar iets laat zien van Christus. Misschien zet de term volkskerk op het verkeerde been en brengt dat teveel in verzoeking van een romantische ideologie. Maar als missionaire gedachte en praktijk is de volkskerk nog steeds zeer waardevol.


***

Wie meer over de volkskerk zou willen lezen, zou de boeken van Christian Möller, Michael Herbst of Eberhard Winkler moeten lezen.

Preek zondag 22 mei 2016

Preek zondag 22 mei 2016
Psalm 100

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,


Het mooiste compliment dat je als predikant kunt krijgen
is volgens mij niet dat je een mooie preek hebt of het eens goed gezegd hebt,
maar dat iemand vertelt: “Ik heb God ontmoet.”
En dat die ontmoeting nog naresoneert als die persoon dan thuiskomt
en in de loop van de week die persoon nog geregeld nageniet
van dat moment van die ontmoeting met God.
Zoals Jakob dat zei,
nadat hij een nacht lang met Iemand had geworsteld in de Jabbok
en ontdekte met Wie hij geworsteld had:
Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is gered.
Alles om mij heen viel weg en Hij was er voor mij.
Je bent voor even in de werkelijkheid van God.
Je bent gewoon hier op aarde en toch bij God.
Je bent vanmorgen hier naar de kerk gekomen
En je hebt je misschien niet eens op een speciale manier voorbereid
En was je ook nergens van bewust toen je de kerk binnenstapte
en toch gebeurde er iets tijdens de dienst,
door een lied dat we zongen, door een gebed, door de stilte,
door wat er werd gezegd,
kwam je voor Gods aangezicht
was daar iets wat de Heere God tegen jezelf zei:
Een vraag, een bemoediging, een wakkerschudden
en het kwam bij je binnen en je kwam er niet meer los van.
Anderen om je heen hadden het misschien niet door
maar jij wel en het was een moment dat je niet snel zult vergeten,
omdat het een indruk heeft gemaakt
en misschien ook wel een moment voor je was
om het anders te gaan doen in je leven met de Heere God.

Heeft u dat beseft
toen u vanmorgen opstond en aan het ontbijt ging
Heeft u dat beseft toen u vanmorgen de drempel van de kerk overstapte
dat u een andere werkelijkheid binnenging?
Namelijk de werkelijkheid waar God is:
Zijn huis, waar we voor Gods aangezicht komen
en Hem ontmoeten.
Of bent u meer gedachteloos hier naar toegekomen.
Dit is wat ik doe op zondag.
Dit hoort erbij en als ik het niet doe, dan voelt het zo kaal, zo leeg.
Het is al heel wat dat ik hier ziet
en trouwens, God kun je toch overal ontmoeten?
Dat is zo: overal op deze wereld, waar je ook bent kan de Heere naar je toekomen.
Er is geen enkele plek op deze aarde waarop dat niet zo kunnen.
Overal waar je bent, kun je voor Gods aangezicht komen.
Zelfs op plaatsen waar je de Heere niet verwacht,
kan Hij zich aan je voordoen.
En toch – ik denk dat we vaste momenten en vaste plaatsen nodig hebben
voor de ontmoeting met God.
Omdat zo’n tijd, zo’n plaats duidelijkheid geeft:
Hier op deze plaats kun je de Heere ontmoeten.
Je hoeft niet naar Hem te zoeken.
Hier is Hij en mag je ervan uitgaan dat Hij naar je toekomt.

De liturgie is een eerbewijs aan God.
Je bent daar waar God ook is.
Daar is God.
God die te groot is voor de hemel
heeft op aarde een plaats waar je naar toe kunt gaan,
waar je in contact kunt komen,
waar je je gebeden aan Hem kunt voorleggen,
je nood aan Hem kunt klagen, je dank kunt brengen, een zegen kunt ontvangen.
Daar is God.
Nu is de tempel niet hetzelfde als een kerkgebouw
en de kerkdienst niet hetzelfde als een eredienst in de tempel.
In de tempel kwam je niet vaak, alleen bij hoogtijdagen
en toch heeft een kerkdienst wel iets van de tempeldienst.
Omdat God daar is.
Ik las een keer daar een voorbeeld van dat indruk op mij maakte:
over een priester in de Sowjetunie.
Deze priester was elke zondag de enige die in de kerkdienst aanwezig was
en toch hield hij de kerkdienst zoals gebruikelijk was
volgens de voorschriften van zijn kerk.
Hij werd er om uitgelachen.
Dat er niemand meer kwam, was toch een teken dat de kerk had afgedaan.
Zijn reactie was daarop:
Tijdens de kerkdienst ben ik niet alleen.
In ben in gezelschap van de Vader, de Zoon, de Heilige Geest
en alle engelen in de hemel die Zijn troon omringen.
Hoe kun je dan zeggen dat ik alleen ben?
Iedereen die dan erbij komt, zal de vreugde alleen maar groter maken.
Ik ben niet alleen, maar in gezelschap van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest
en alle engelen die in de hemel zijn.

Onlangs was ik op De Herberg in Oosterbeek voor een overleg
(voor De Herberg hebben we vorig jaar tijdens de diaconale winteractie geld ingezameld).
Een van de medewerkers vertelde
dat er op het terrein enkele jaren geleden een kapel is geopend.
Want in theorie klinkt dat heel mooi, dat je de Heere overal kunt ontmoeten.
Maar in de praktijk werkt dat niet zo.
De ontdekking daar was dat als je geen vaste plek hebt om naar toe te gaan,
je er veel moeilijker toe komt om naar de Heere toe te gaan.
Enige tijd terug was ik op de EBC “de Eikenhorst.
Bij de rondleiding kreeg ik ook de kapel te zien die nog niet zo lang was ingericht.
Degenen die op het EBC verblijven kunnen zich daar terugtrekken
om op die plaats bezig te zijn met de Heere,
door in de Bijbel te lezen, te bidden, te zingen, gewoon wat zitten mijmeren.

Stel dat u vanmorgen niet gekomen was
en thuisgebleven was,
het kan zijn dat er vanmorgen een ontmoeting met de Heere was,
maar de kans was waarschijnlijk groter dat u allerlei andere dingen deed.
Op de laptop op de achtergrond misschien de kerkdienst,
maar de kinderen die de aandacht vragen,
de tafel die nog even opgeruimd moet worden.
En natuurlijk, u kunt tijdens het zuigen even te stofzuiger uitzetten
om te knielen en tot de Heere God te bidden – maar zou u dat ook doen?

Kom voor Gods aangezicht, roept Psalm 100 ons op.
Mogelijk dat deze psalm verbonden is aan een gebeuren in de tempel,
waarbij de Israëlieten hun dankbaarheid aan de Heere lieten zien
door naar de tempel te gaan en Hem gaven te geven
die hun dankbaarheid moesten laten zien.
Een psalm waarin 7 keer een oproep wordt gedaan,
het getal van de volheid, volledigheid, met heel je bestaan,
je helemaal geven aan de Heere.
Onder andere door naar de tempel te reizen
om daar God onder ogen te komen. Kom voor Zijn aangezicht.
Daar klinkt ook in door: doe moeite om naar God toe te gaan.
Je dient God niet alleen met je hart, maar ook met je lichaam,
door te gaan, door te komen in die andere werkelijkheid – voor Gods aangezicht.
God onder ogen komen.

En niet alleen, je bent er met anderen, een kerk, een gemeenschap,
zoals Psalm 100 niet een psalm is van iemand alleen,
maar van een hele groep, die in de tempel dienst doet
en van de mensen die door naar de tempel te gaan
verwachten God te kunnen ontmoeten.
Vreugde om God – wil gedeeld worden.
Juich heel de aarde. Je neemt elkaar mee, je roept elkaar op.
Wie God dankbaar is, wie God wil loven,
wil vaak ook dat anderen dat doen.
Ik ben een keer gevraagd door een echtpaar dat een huwelijksjubileum had
om voorafgaande aan hun feest een kerkdienst te houden
met dezelfde liederen en hetzelfde Bijbelgedeelte als op hun trouwdag,
om de dank aan God te brengen en de dank aan God te delen
met de gasten die ook de rest van het feest aanwezig waren.

Door gehoor te geven aan deze opdracht is een publieke getuigenis:
door op deze zondagmorgen naar de kerk te komen, geef ik aan:
Ik ben niet van mijzelf, maar ik van van mijn Heer.
Daar kunnen we heel makkelijk over denken bij anderen:
Laat wat meer van jezelf zien als christen
En kom er ook voor uit.
Maar naar de kerk komen is er ook voor uitkomen, een keuze maken:
Voor God.
Op deze morgen kies ik ervoor, om zoals ik ben
God onder ogen te komen.
Dat komen naar de kerk kan een gewoonte zijn, een heel goede gewoonte,
ik hoop ook een heel bewuste gewoonte,
waarbij uw komst naar de kerk ook iets van dat verlangen laat zien:
Ik wil met God leven.
Ik wil zingen van mijn Heiland.
Van die Heer, die naar deze aarde kwam voor mij.
Door wiens Geest ik mag leven, mag geloven, kan volhouden.
Ik kan niet zonder Hem, Hij is mijn Schepper,
Mijn leven heb ik aan Hem te danken
en dat ik er nu nog ben, heb ik ook aan Hem te danken.
Als we die vaste momenten niet hebben,
dan gaan we er eerder gedachteloos aan voorbij.
Elke week naar de kerk gaan helpt ons erbij
om die zorg van God voor ons te zien,
om te erkennen dat we het zonder Zijn zorg niet hadden gered.
Als je dat bedenkt, kom je met dankbaarheid de kerk binnen.
En natuurlijk, die dankbaarheid kun je ook thuis aan de Heere verwoorden
en dat moet u zeker doen,
maar elke week een vast moment om naar de Heere te gaan
brengt ons er ook toe
om de afgelopen week na te gaan
om te zien hoe de Heere er voor ons was
en om Hem te danken voor wat Hij ons in de afgelopen week gegeven heeft.
Naar de kerk gaan stimuleert ons ook om met vertrouwen vooruit te kijken:
Ook in de komende week zal de Heere er voor mij zijn.

In deze psalm wordt van God gezegd dat Hij onze herder is,
die ons weidt.
Heel ons leven is in Zijn hand.

Hij wijst ons de weg, Hij stuurt ons,
Hij geeft ons wat wij nodig hebben.
Ons leven wordt niet bepaald door een bepaald lot,
ook niet door alles wat ons overkomt,
maar mijn leven is in Zijn hand, de goede herder.
Daar ben ik mij niet altijd van bewust; dat beleef ik niet altijd.
Door naar Hem toe te gaan, door voor Zijn aangezicht te komen
word ik mij dat weer bewust.
Ik ben in goede handen.
In de kerk, als we in Gods nabijheid komen, dan weten we weer:
Hij is er. Nu op dit moment.
En dat hoeft niet altijd even intens te zijn,
Maar het is wel een oefenen in het waarnemen,
waarnemen van hoe de Heere in de afgelopen week bezig is geweest met ons.
Of is Hij niet met u bezig geweest in de afgelopen week?
Is het helemaal stil geweest van Zijn kant?
Of hebt u daar geen erg in gehad
en hebt u gewoon uw leventje geleid, zonder er bij stil te staan
dat u ook een God hebt,
die aan u het leven heeft gegeven, die u bewaard heeft,
die recht heeft op uw leven.
Erken de Heere – roept de psalm ons op.
Erken dat Hij je God is, van heel de wereld en ook van jou.

En niet alleen vandaag, maar ook morgen en overmorgen,
alle dagen van uw leven.
Door naar de kerk te komen, wijden we ons toe aan Hem:
Heere, mijn leven is van U.
Ik wil U dienen met mijn hart, met mijn handen, met mijn hoofd,
Ik wil U dienen in de kerk, thuis in mijn gezin, op mijn werk.
Dat bent U waard.
Heel deze psalm is vol van God.
Alles draait om Hem.
Het is een korte psalm, vol van de lof op God
en de psalm wil ons meenemen in die lof
met een climax, die het uitgeroepen, uitgezongen wordt
met de kernbelijdenis van Israël.
Geen belijdenis over God komt zo vaak terug als deze:
De Heere is goed,
Zijn goedertierenheid is voor eeuwig
Zijn trouw van generatie op generatie.
De Heere is goed.
Dat mogen we steeds weer ervaren.
Door de leiding in ons leven, waarmee Hij laat zien
dat Hij ons herder is.
Door het kruis op Golgotha dat liet zien
dat God ook goed is, voor hen die het niet waard zijn
en als schepselen van God waren afgekeerd
maar nu terugwonnen door God.
De Heere is goed – je krijgt er geen genoeg van om dat te blijven zeggen.
Die goedheid mag gezien, gemerkt worden.
In de geschiedenis van Israël, in de kerk door alle tijden heen,
in ons eigen leven.
Als je wilt weten, wie God is, dit is Hij: goed,
Voor altijd, voor eeuwig is die goedheid te merken
en niet alleen voor onszelf, maar ook voor degenen die na ons komen.
Zo hebben we God leren kennen van degenen die voor ons waren,
ouders, grootouders
en zo mogen we ook de kennis over God doorgeven
aan degenen die na ons komen.
En vertellen wie God is, hen meenemen in de lof op God.
Want God is dat waard.
Amen










Gespreksvragen over de beleving van het Heilig Avondmaal

Gespreksvragen over de beleving van het Heilig Avondmaal

Hierbij gespreksvragen om op kerkenraad te bespreken. De eerste ronde gaat over de persoonlijke beleving. De tweede ronde gaat over de beleving als ambtsdrager. Desgewenst kan men bij de tweede ronde van groep wisselen.

Ronde 1: persoonlijk
Vraag 1: Binnen de gemeente is het niet altijd vanzelfsprekend om na de belijdenis aan het heilig avondmaal te gaan. Hoe is deze weg bij u gegaan? Wat is er voor nodig geweest om wel deel te kunnen nemen aan het avondmaal?

Vraag 2: Hoe bereid u zich voor op het heilig avondmaal? Bent u daar bewust mee bezig? Zo ja, op welke manier (stille tijd, zingen, lezen, bidden, enz)? Zo niet, wat weerhoud u om ermee bezig te zijn?

Vraag 3: Met welk onderdeel van de zelfbeproeving bent u het meeste bezig:
– het overdenken van de zonden
– de belofte van vergeving door het sterven van Christus
– de opdracht om in oprechte dankbaarheid voor Gods aangezicht te leven
– de onderlinge band met elkaar

Vraag 4: Als het tijdens belijdeniscatechisatie over het avondmaal gaat, is de vraag vaak: Wat ervaar je dan? Wat zou je moeten voelen of bedenken? Wat zou uw antwoord zijn? Wat betekent de deelname aan het avondmaal voor u, voor uw geloofsleven?

Vraag 5: Hoe werkt het avondmaal door in uw persoonlijke leven? Hoe werkt dat door in de onderlinge verhoudingen? Ervaart u een versterking van de onderlinge band als gemeente?
————————————————————————————————————————
Ronde 2: als ambtsdrager
Vraag 1: Op welke manier bent u door uw ambt bij het avondmaal betrokken? Hoe ervaart u dit? Maakt het nog uit of u dat als ouderling, ouderling-kerkrentmeester of als diaken doet?

Vraag 2: Is uw voorbereiding van het avondmaal anders voor uzelf sinds u ambtsdrager bent? En voor uw verantwoordelijkheid voor de gemeente? Maakt het daarbij uit of u dienst hebt?

Vraag 3: Bent u wel eens betrokken geweest bij het censura morum? Hoe heeft u dat ingevuld? Welke betekenis heeft het censura morum voor u? En voor de gemeente?

Vraag 4: Is de beleving tijdens het avondmaal een andere dan toen u geen ambtsdrager was?  Welke betekenis heeft de gemeente tijdens deelname voor u nu u ambtsdrager bent?

Vraag 5: Blikt u als ambtsdrager nog terug op het avondmaal? Zo ja, op welke manier?

Vraag 6: Op welke manier leeft het avondmaal binnen de gemeente? Merkt u dat de gemeente wordt opgebouwd?
– Voor de ouderlingen: stelt u het avondmaal aan de orde tijdens het huisbezoek? Op welke manier? Wat is de reactie van de gemeenteleden die u bezoekt?
– Voor de diakenen en ouderling-kerkrentmeesters: ervaart u een verband met uw werkzaamheden als diaken of kerkrentmeester met het avondmaal?

Preek Tweede Pinksterdag

Preek Tweede Pinksterdag
Jeremia 31:23-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Ik zou niet goed weten wat ik mij bij de Heilige Geest moet voorstellen.
Bij God de Vader heb ik nog wel een beeld en bij Jezus kan ik mij van alles voorstellen,
maar bij de Heilige Geest niet. De Heilige Geest is zo vaag.’
Dat was geen uitspraak van iemand die nooit in de kerk kwam
en bevraagd werd op de betekenis van Pinksteren.
Het is een uitspraak die ik ooit eens heb opgetekend heb
na een avond tijdens een belijdeniscatechisatie
toen het onderwerp ‘Heilige Geest’ aan de orde kwam.
Het is een opmerking die ik nooit vergeten ben,
omdat ik door deze opmerking veel heb geleerd.
Wat ik er van geleerd heb, is dat als ik over God spreek, over geloven
u als luisteraar dat u voor u kunt zien
en dat het als het om de Heilige Geest helemaal van belang is
om zo over de Heilige Geest te spreken
Dat u daar een voorstelling van hebt
van wat de Heilige Geest met u doet.

Als we het heel eenvoudig houden,
kunnen we over de Heilige Geest zeggen:
de Heilige Geest brengt je in contact met de Heere God
en zorgt ervoor dat je de Heere God gaat kennen
en dan niet alleen maar met je hoofd – dat is al heel wat,
al zouden we al iets van de Heere God begrijpen,
want God is zo groot en zo heilig, Hij is voor ons niet zomaar te begrijpen.
En daar helpt de Heilige Geest bij.
Hij zorgt dat we de Heere God gaan begrijpen.
En niet alleen maar begrijpen, maar dat je ook oog krijgt voor wat God doet.
God kennen – dat is niet iets wat we alleen maar met ons verstand doen,
maar ook met ons hart.
God kennen – dat betekent dat je niet op een afstand kunt blijven staan,
als toeschouwer,
maar dat je betrokken wordt op de Heere God,
Dat er iets met je gebeurt van binnen:
Dat je van Hem gaat houden,
dat je gaat zeggen: Heere God, U bent alles voor mij!
Heere Jezus, dat verhaal over het kruis, is niet zomaar een verhaal,
maar dat gaat over mij.
U bent voor mij gestorven!
God kennen – dat wil zeggen: dat er iets tussen jou en God gebeurt.
Er groeit wat, er komt een band.
En dat doet de Heilige Geest.
God kennen – dat heeft niet alleen te maken met ons verstand
en met onze liefde.
God kennen – heeft ook te maken met wat je wilt:
je wilt bij de Heere horen en je wilt doen wat Hij je opdraagt.
De Heilige Geest zorgt er dus voor dat we God gaan gehoorzamen,
dat we God gaan liefhebben, dat we God dienen
en dat we de Heere gaan begrijpen en gaan zien waar Hij aan het werk is.

Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen
door te zeggen: Ken de HEERE,
want zij  zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE
Dat is een geweldige belofte toch?
Dat iedereen, van de jongste tot de oudste, God kent, de Heere liefheeft,
God dient en ziet en aanvoelt waar God aan het werk is.
Iedereen, dus heel het volk en niemand uitgezonderd.
Als u zegt: dat kan met mij helemaal niet gebeuren,
want wie ben ik nu, dat is toch iets voor mensen die heel gelovig zijn,
die veel verder zijn dan ik.
Nee, dat geldt ook voor u, dat geldt ook voor jou.
Deze belofte, dat iedereen God zal kennen, geldt niet voor een paar bijzondere mensen,
maar voor iedereen, niemand wordt uitgesloten.
En als je van jezelf denkt: dat kan bij mij helemaal niet gebeuren,
want ik ken God helemaal niet.
Ook als je God niet wilt kennen, niet wilt dienen of liefhebben,
dan is het zelfs ook bij jou mogelijk.
Kijk maar naar Israël en Juda.

Want deze belofte, deze mooie belofte, komt in een tijd,
waarin het voor Israël en Juda niet zo’n mooie tijd was.
Om te begrijpen wat voor een tijd het was, moeten we alles omdraaien:
Als de Heere een omkeer in de gevangenschap aankondigt,
houdt dat in dat het volk Israël niet vrij is,
Het volk Israël kon zelf niet bepalen waar ze kon wonen.
Ze waren weggevoerd naar Assyrië en Babel.
De steden waren niet meer bewoond.
De huizen die ooit gebouwd waren, waren in elkaar gevallen,
onbewoonbaar, de bomen groeiden erdoor heen, het mos groeide erover.
In de steden, waar voor heen een drukte van belang was,
Vanwege de handel, het verkeer, de mensen die er woonden,
heerste nu een doodse stilte.
Alleen enkele achtergebleven ouderen, die niet meer meekonden, zijn achtergebleven.
De akkers worden niet meer bewerkt
en gaan verloren door het onkruid.
Er zijn geen schaapherders en geen boeren meer.
Als reiziger maak je een grote boog om dat land heen,
omdat het er niet meer veilig is
en wie er door heen trekt, schrikt van de verlaten steden, de verloren gegane akkers.
Als dit volk een God heeft, heeft die God Zijn volk wel mooi laten zitten.
Heeft Hij Zijn volk aan hun lot overgelaten.
In de steek gelaten.

Als je dat tegen die reiziger zou zeggen: Maar Israël heeft een God
en dat is de God die over alles regeert,
de Heere van de legermachten, de God die strijdt voor Zijn volk,
dan zou die reiziger zijn wenkbrauwen optrekken, zijn hoofd schudden
en bij zichzelf denken: ja, dat zal wel, ik zie er alleen zo weinig van.
Alles wat ik zie is het tegenovergestelde:
Eerder een volk dat door zijn eigen God vervloekt is.
Heeft dit volk wel een God.
Ja, dit volk heeft een God,
alleen het heeft zijn God nooit echt erkend,
nooit echt willen dienen, nooit willen volgen.
Dat is tenminste de boodschap die Jeremia jaar in jaar uit heeft gebracht.
Hij sprak deze boodschap al,
toen het nog een goede tijd was,
toen de tempel nog overeind stond, de pracht en praal van de tempel
en van Jeruzalem voor iedereen die de stad aandeed op te merken was.
In die tijd, toen de tempel nog functioneerde,
en zelfs in de tijd dat Josia een vernieuwing doorvoerde,
was de boodschap van Jeremia: volk van Israël en Juda,
Jullie kennen God helemaal niet.
Jullie dienen Hem ook niet. Ja, van de buitenkant wellicht.
Er breekt voor jullie een heel andere tijd aan,
Waarin er van dit land niets meer overblijft, omdat God alles afbreekt.
Ha, ze lachten hem uit, we kennen de Heere toch?
Hij laat Zijn volk toch nooit in de steek.
Hij heeft toch een verbond met ons gesloten,
Wij zijn Zijn volk, Hij is onze God en die band is zo sterk, een eeuwig verbond.
En Jeremia ging maar door met zijn boodschap,
een boodschap die hij namens God zelf moest zeggen tegen Israël.
Jullie kennen God helemaal niet.
Jullie dienen Hem ook niet. Ja, van de buitenkant wellicht.
Er breekt voor jullie een heel andere tijd aan,
Waarin er van dit land niets meer overblijft, omdat God alles afbreekt.
Je bent een pessimist, een zwartkijker, Jeremia.
En zo konden ze zich van hem afmaken, hoefden ze niets te doen met zijn woorden.
Toen er vijandelijke legers voor de poorten van de stad kwamen,
haalden ze hun schouders op: ons kan niets gebeuren,
Jeruzalem is Gods stad en wij zijn Zijn volk.
God laat ons echt niet in de steek.
Jeremia: Jullie kennen God helemaal niet.
Jullie dienen Hem ook niet. Ja, van de buitenkant wellicht.
Er breekt voor jullie een heel andere tijd aan,
Waarin er van dit land niets meer overblijft, omdat God alles afbreekt.
Maar toen dat gebeurde, ook echt gebeurde met Jeruzalem,
wilden ze ook van God niets weten.

Ik heb me afgevraagd hoe dat kan, dat gedrag van het volk Israël in die tijd
en daarbij denk ik dat het ook ons kan overkomen, ondanks de uitstorting van de Geest,
dat we de Heere niet echt kennen, niet echt dienen,
omdat we kunnen zeggen: wij zijn toch van God en van ons geloof iets automatisch maken.
Want of dat Israël nu deed, of wij dat nu kunnen doen, het is toch raar
dat we God kunnen inruilen voor iets anders.
Terwijl ik mijzelf dat afvroeg,
zag ik het bericht voorbijkomen dat Manchester United verloren had van West Ham
en nu nog een heel kleine kans had om mee te doen met de Champions League.
Er werd al weer gespeculeerd over het vertrek van Van Gaal.
Het was de week waarin de ene trainer, Frank de Boer, na meer dan 5 jaar stopte
en de andere trainer, Alfons Groenendijk na een jaar al stopte
omdat hij de druk van de strijd tegen degradatie niet aankon.
Trainers worden ontslagen als ze niet voldoen
En ingewisseld voor anderen.
Toen viel het me op, dat er in vers 32 wordt gesproken over de Heere
die hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden.
Zoals van een coach verwacht wordt dat hij zijn ploeg bij de hand neemt een leidt.
God die meeneemt en leidt – dan naar het Beloofde Land.

Zou het met God ook zo zijn, dat Hij wordt ingewisseld,
omdat Hij niet voldoet en niet de juiste score behaalt,
ons niet dat geeft waar we op gerekend hadden.
De afgelopen week ving ik een gesprek op, zomaar ergens,
van iemand die een nieuwe baan had,
omdat zijn huidige baan geen uitdaging meer had
en was verder gaan kijken naar een nieuwe baas.
Zou dat met de Heere ook zo zijn dat we uitgekeken raken op God
en toe zijn aan een nieuwe uitdaging?

Jeremia had al aangekondigd wat er zou gebeuren.
Daarom was hij als jonge jongen geroepen
om aan te kondigen wat de Heere zou doen:
Ook in dit gedeelte komen de woorden terug: wegrukken, afbreken,
omverhalen, vernielen, kwaad aandoen.
En dat is ook gebeurd.
Tot grote schrik van het volk, dat zo vast vertrouwde op God
en dacht dat hen niets zou overkomen.
Maar die aangrijpende woorden zijn waar geworden.
En toch – dat is het bijzondere van de boodschap van de profeten,
en dat is voor ons wellicht moeilijk te begrijpen
is Gods oordeel en Gods straf ook heil voor het volk.
De hervormde theoloog A.A. van Ruler heeft die combinatie van oordeel en heil verwoord
door te zeggen: God chaotiseert.
Dat is niet Gods eerste handelen.
Het eerste is dat God juist orde aanbrengt
bijvoorbeeld in Genesis 1: God brengt orde aan in de schepping
door het kwaad aan banden te leggen en achter slot en grendel te sluiten.
De Geest die over de wateren zweeft- dat wordt wel eens uitgelegd als iets creatiefs,
De Geest die opstuwt tot grote hoogte,
maar het gaat erom dat de Geest in bedwang houdt,
de krachten die voor chaos en verwoesting zorgen in toom houdt, bedwingt.
De Heere brengt orde – om ons een plek te geven waar we kunnen leven
in overvloed, in vrede, bij Hem – een paradijs.
Maar wij als mensen hebben de neiging om die goede plek die wij van God ontvangen
voor onszelf te houden en God te gaan buitensluiten.
We maken een wereld voor onszelf, waarin we God niet meer nodig hebben.
Zo ook met Israël en Juda.
Zo beleefden ze zelf echter niet – want de dienst aan God ging gewoon door,
maar als een vanzelfsprekendheid, waarbij het hart niet geraakt werd.
Dan, zegt Van Ruler, komt God om er een chaos van te maken.
God chaotiseert onze wereld waarin we God buiten gesloten hebben,
om onze wereld open te breken, op te ruimen,
zodat er plaats komt voor Hem.
Dat afbreken en vernielen is om ruimte te maken voor Hem.
Dat maakt de afbreek niet minder pijnlijk
en de crisis niet minder heftig.
Dat laat wel een kant zien van God,
dat Hij zich tegen Zijn volk keert – om het volk te dienen,
dat Hij Zijn volk loslaat, om weer in hun midden te zijn.

Ik zal mijn verbond vernieuwen – is de boodschap die Jeremia moet brengen
aan het volk dat midden in de afbraak zit.
Dat ervaart hoe het is weggerukt en afgebroken en zich afvraagt
of het ooit nog wel herbouwd zal worden
of het ooit nog wel in Gods gedachten een plek heeft
of God ooit nog zich bekommert om Zijn volk.
Ja, zegt Jeremia.
Al kun je je daar nu niets van voorstellen
en doordat je bent afgebroken en beroofd van je toekomst
niet eens in de toekomst kan kijken.
Geloof me, zegt de Heere, er komt een andere tijd,
waarin iedereen zal merken dat Ik weer in jullie midden ben,
dat Ik laat zien dat Ik jullie God ben
dat Ik weer met je bezig ben.
De mensen die je dan bezoeken, zullen dat zien
en ze zullen dat zeggen: We zien dat de Heere Zijn volk zegent
en dat gunnen we dat volk ook weer.
Wij zegenen Jeruzalem, de stad waar God woont,
waar recht gesproken wordt door de Heere zelf,
de berg die vol zal zijn van Gods heiligheid.
En je zult dat ook zelf merken: in jezelf, in je hart,
en dat niet alleen bij jezelf, maar bij iedereen:
iedereen zal Mij kennen.
Je hebt geen catechisatie meer nodig,
want iedereen kent mij dan.
Er is dan geen belijdenis meer nodig,
Want het is voor iedereen duidelijk, dat je Mij dient en voor Mij uitkomt.
Je belijdt mij niet omdat anderen dat van je verwachten,
maar omdat er bij jezelf iets is gebeurd
door de Geest in je hart en ook bij de anderen om je heen,
je deelt er met zijn allen in:
mijn wet zal in je hart zijn,
je zult er uit leven,
je zult niet meer hoeven te gissen naar wat ik wil
dat je doet,
want dat weet je.
Dat is Pinksteren – dat is het werk van de Heilige Geest.

In de afgelopen week hoorde ik een trainer vertellen
over zijn eigen voetbalcarrière.
Hij kreeg een contract aangeboden,
omdat hij als voetballer het verlengstuk van de coach was op het veld.
Tijdens het spel kon hij de spelers aansturen
op een manier zoals de coach dat wilde.
Jeremia kondigt aan dat er een dag komt,
dat we als gelovigen niet meer zo’n persoon nodig hebben die ons aanstuurt,
omdat we dan aanvoelen, begrijpen wat ons te doen staat
en dat ook doen, uit onszelf – of: door de kracht van de Geest.
Zijn die dagen er al geweest? Of komen ze nog?
Het is allereerst een belofte aan Israël
en we moeten daarom Israël niet zomaar buiten sluiten van dit verbond
en van deze vernieuwing
en doen alsof deze vernieuwing alleen maar ons als christenen betreft
omdat we Christus kennen en dienen.
Want ook voor ons is deze belofte nog niet helemaal werkelijkheid geworden.
Ook wij hebben dat onderwijs nog nodig
en voelen niet altijd aan wat de Heere wil
en handelen niet alleen uit onszelf.
En toch, is het niet alleen toekomstmuziek, deze belofte.
Gedeeltelijk is deze belofte al in vervulling gegaan
als we merken dat we God kennen,
en dat onze kennis van Hem verdiept. Amen

 

Preek zondag 15 mei 2016

Preek zondag 15 mei 2016
Eerste Pinksterdag / Openbare belijdenis van het geloof
Psalm 16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vanmorgen voel ik mij bevoorrecht.
Elke keer als ik gemeenteleden openbare belijdenis van het geloof mag laten doen
voel ik mij bevoorrecht.
Ook vanmorgen is het voor mij bijzonder
en niet alleen vanmorgen,
maar tijdens alle woensdagavonden is het voor mij bijzonder geweest
om getuige te mogen zijn van de groei in geloof
van deze 8 gemeenteleden die vanmorgen openbare belijdenis afleggen.
Vanmorgen doen ze openbare belijdenis.
Ze zijn in de afgelopen weken naar deze dienst gaan uitkijken,
omdat ze er naar verlangen ervoor uit te komen
dat ze bij Christus willen horen.
Dat is heel anders dan toen deze groep in september begon.
Toen was er nog veel meer een aarzeling:
ben ik er wel aan toe om belijdenis te doen?
Het is bijzonder om te zien dat in het afgelopen seizoen
de aarzeling plaatsgemaakt heeft voor vertrouwen en voor enthousiasme.
Hoewel sommigen hun aarzelingen nog hebben.

Kan dat wel, als je nog aarzelingen hebt, dat je dan toch belijdenis aflegt?
Ja, dat kan zeker,
omdat je op het moment waarop je belijdenis aflegt, nog niet klaar bent
met het leren over geloof.
Daar zijn jullie, die nu vanmorgen belijdenis doen, je ook van bewust.
Ik denk dat iedereen, die hier in de kerk aanwezig is
en al eens belijdenis heeft afgelegd,
ervaren heeft dat je na de dag van belijdenis doen nog veel hebt geleerd.
Daarnaast denk ik, dat er altijd wel bepaalde aarzelingen zijn of vragen
– aarzelingen die je misschien wel niet aan anderen kunt uitleggen,
zelfs niet aan je man of vrouw
en vragen waarop er geen antwoorden te vinden zijn.
Geloven is niet een antwoord vinden op alle vragen
en geloven is ook niet alle twijfel overwonnen hebben,
maar geloven is ondanks alle twijfel en ondanks alle vragen die je hebt
je vasthouden aan de Heere
en weten dat Hij jouw God wil zijn.
Geloven is de Heilige Geest de kans te geven
om rust en zekerheid in God te vinden – ondanks de vragen en twijfels.
Niet om die twijfels en vragen zomaar te accepteren,
maar wel vanuit geduld met jezelf
en vanuit vertrouwen op de Heilige Geest
Dat je ook verder zult groeien
En dat de Heilige Geest in staat is om je de twijfels en vragen af te nemen.

In Psalm 16 spreekt David over een pad die naar het leven leidt.
Een pad die naar de vreugde leidt, omdat je dan bij de Heere uitkomt.
Wat voor weg hebben jullie in de afgelopen maanden bewandeld?
Het was een weg, waarvan het einddoel bekend was: belijdenis doen.
Maar dat was nog zo ver.
Kwam de weg die je volgde daar wel uit?
Dat einddoel lag nog zo ver voor.
Die weg moest wel eerst worden afgelegd.
Als ik zo overzie welke weg jullie hebben afgelegd,
is dat een weg waarop je geleerd hebt
om niet zo snel mogelijk van a naar b te gaan,
hoewel sommigen daar wel van houden: mooi duidelijk als je weet waar je naar toe moet.
Maar het was een weg, waarop je geleerd hebt
om oog te hebben voor de kleine dingen, waarin God aanwezig is.
Een van de vragen waarmee jullie begonnen, was:
wat merk je nou van God in het alledaagse leven.
Je bent druk met van alles en nog wat: met je werk, je andere bezigheden, je gezin.
Je hebt amper tijd om met elkaar twee avonden in de week naast elkaar op de bank te zitten
om elkaar te delen wat je bezig houdt.
Hoe kun je – als er zoveel is dat de aandacht van je vraagt – toch iets van de Heere ontdekken.
Door tijd te nemen, voor elkaar en voor God.
Om toch samen ermee bezig te zijn – het hoofdstuk te lezen,
er samen over door te praten, met de vragen bezig te zijn
en de Bijbelgedeelten te lezen die het hoofdstuk aangaf.
Over heel de dag meer stil te staan bij de Heere.
Ik stelde HEERE voortdurend voor ogen.
Door de alledaagse dingen die gebeuren en die heel klein lijken
te zien als iets waarin de Heere werkt:
de dag die aanbreekt, de zon die opkomt, de kracht en gezondheid die je hebt.
Toen ik jullie vroeg of je kon aangeven op welke manier je gegroeid was
zeiden de meesten van jullie: je leeft meer bewust,
je doet de dingen meer bewust, je maakt bewustere keuzes
en je hebt meer besef dat de Heere er is.
Ook in rust en zekerheid die je bij jezelf waarneemt.
Jullie kunnen het mee zeggen met David in Psalm 16 – en dat in dankbaarheid:
U maakt mij het pad ten leven bekend.

Dit is niet het gebruikelijke woord ‘weg’, waarbij het accent meer ligt op het lopen,
maar bij dit woord gaat het meer om het aankomen, om de bestemming:
Het leven, dat je gevonden hebt, het leven met God, God kennen.
Bij God uitkomen.
In deze psalm gebruikt David dit woord ook om aan te geven
hoe de Heere met hem, David, omgaat.
De weg die God voor mij heeft uitgestippeld is mij duidelijk geworden.
De Heere heeft mij geholpen om die weg te vinden.
En het is ook een weg waarbij Hij het goede met mij voorheeft.

Ja, en daar zit een van die vragen, waar je niet zomaar uitkomt:
Wat er in mijn leven gebeurt, komt dat van God?
En is dat het goede, waar God over spreekt?
Een moeder die er niet meer is
Spanningen die er in je leven kunnen zijn.
Is dat het leven dat de Heere voor je in petto heeft?
Is dat je bestemming – om met dat gemis te leven,
met die spanning die jij zelf niet kunt oplossen.
Het pad naar het leven dat de Heere voor ons heeft uitgestippeld
is vaak niet de weg die wij gekozen zouden hebben.
En toch gaat David ons voor door te belijden:
Ik heb deze weg niet voor mijzelf uitgekozen, maar het is de weg die U met mij gaat
en daarom is het een goede weg.
Op de weg die ik ga neem ik mijn twijfels en vragen mee,
maar ik ga de weg wel.
Ik moet nog wel eens zoeken en ben soms de weg weer kwijt,
maar dan bent u er om mij te wijzen welke kant ik op moet.
Ik loof de Heere die mij raad heeft gegeven.
Ook dat is een van de vragen, die aan bod kwam:
Welke dingen mag je wel en welke dingen mag je niet.
Wat doe je op zondag: kijk je dan naar voetbal
of gebruik je die dag, misschien wel de enige dag, waarop je samen bent,
om met elkaar te praten, over wat je bezig houdt
en ook over de Heere?
Soms zou het wel makkelijk zijn als je van de Heere een klip en klaar antwoord zou krijgen:
Of iets wel mag, of juist niet.
Maar doordat de keuze niet altijd zo zwart-wit is als je zou willen,
moet je er met elkaar over doorpraten: waarom wel, waarom niet.
En juist dat vormt je ook weer.
Dat is een les van de Heere, raad die de Heere geeft.
Ik loof de Heere die mij raad heeft gegeven.
Ik ben er U, Heere, dankbaar voor.

Ik struikel nog wel eens of glijd uit
en dan bent U er om mij weer op te tillen.
Omdat U aan mijn rechterhand ben, wankel ik niet.
Ik hoef deze weg niet alleen te gaan.
Een weg waar de Heere er altijd bij is
en je meeneemt en je uitleg geeft.
De Heere neemt je mee:
Is dat bij jullie niet gebeurd in de afgelopen maanden,
waarin je steeds meer begreep van het geloof?
En is dat ook niet in de periode vooraf aan de belijdenis geweest?
Bijvoorbeeld een collega die vraagt: ‘ Heb jij nog geen belijdenis gedaan?
Ik dacht dat je dat allang gedaan had.’
Waarbij je over deze opmerking bent gaan nadenken:
Als anderen vragen waarom ik dat nog niet gedaan heb,
dan vinden zij dat ik eraan toe ben.
Misschien moet ik dan toch gaan.
Of dat je door je vrouw meegenomen werd.
Tot op het laatst was je afhoudend:
Ben ik er wel aan toe?
En toch ging je uiteindelijk mee
en heb je in het afgelopen seizoen veel geleerd.
Is dat niet de Heere geweest die jou meegenomen heeft?
Ik loof U, omdat U mij raad hebt gegeven.
We hebben het in het afgelopen seizoen al vaak over gehad: over ritmes
In deze psalm is dankbaarheid het levensritme:
Dag en zelfs ‘s nachts, als er niet geslapen kan worden.
De hele dag door: bij het wakker worden en opstaan,
als je onderweg bent voor je werk, als je aan het werk bent, als je thuis bent:
dankbaarheid voor wie God is.
Dankbaar voor alle zegeningen die Hij geeft.
Dankbaarheid voor alle levenslessen die je van Hem ontvangt.
Dankbaarheid omdat Hij er altijd is.

Met deze psalm kunnen ze zeggen: De Heere is alles voor mij.
Dat is taal van verliefden,
Van stelletjes die niets liever willen dan de hele tijd bij elkaar zijn,
zoveel mogelijk tijd samen doorbrengen
en niet meer zonder de ander kunnen.
Heer, U bent alles voor mij.
Ik wil U aanbidden.
U bent alles voor mij: U bent mijn bestemming, U bent mijn leven, Heer.
Psalm 16 is een heel intieme psalm, waarin David verwoord hoe gelukkig is.
Ik wil het nergens anders meer zoeken.
Zijn er anderen die hun geluk ergens anders zoeken,
Ik wil het er niet eens meer over hebben.
Ik krijg de naam er niet van over mijn lippen.
Ik besteed ook geen tijd meer aan. Ik heb er niets meer voor over.
Dat kan begonnen zijn
als iets stils in jezelf, dat niemand hoefde te weten, een voornemen.
En vandaag kom je er voor uit: Heer, U bent alles.
Vandaag bekrachtigen jullie dat met jullie ja-woord,
naar Christus toe uitgesproken.
En daarmee zijn jullie voor ons een getuigenis.
Wie al eens belijdenis gedaan heeft,
kan door jullie ja-woord ervaren dat de eigen belijdenis,
misschien wel lang geleden uitgesproken, wordt vernieuwd.
Wie nog geen belijdenis heeft gedaan,
gaat erover nadenken: Zou het iets voor mij zijn?
Ach nee, ik ben er nog niet aan toe.
Zover ben ik nog niet.
Ach nee, ik zie mijzelf daar niet vooraan zitten.
Ik zie mijzelf niet meedoen met de jongelui.
Vandaag zeggen deze 8 het tegen jullie allemaal:
Of je nu nog de leeftijd niet hebt om belijdenis te doen,
Of dat je al zoveel keren voorbij hebt laten gaan om mee te doen,
Of je al belijdenis gedaan hebt:
Er is een God in de hemel, die je leven leidt.
Die ons roept en ook jullie.
Die zoveel te geven heeft: Zijn Zoon, de Heilige Geest als kracht om te geloven.
Zoveel is het niet over de Heilige Geest gegaan,
maar alles wat er in deze preek aan de orde komt,
heeft met de Heilige Geest te maken.
Dat deze 8 hier vooraan staan, de groei die ze doormaakten en doormaken,
Dat wij als gemeente bij elkaar zijn
dat wij bemoedigd worden en dat we een appèl voelen om erover na te denken:
Het is allemaal werk van de Heilige Geest.
Hij laat ook u en jou niet met rust,
totdat ook jij van de Heere zegt: U bent alles voor mij.
Mijn bestemming, mijn doel, mijn leven.
Ja, dat is helemaal niets voor mij, zeg je misschien.
En toch, geef het een kans, zoals deze acht dat deden.
Je hoeft geen perfect geloof te hebben, om eraan te beginnen.
Wat je alleen nodig hebt, is vertrouwen in Gods weg,
vertrouwen dat de Heilige Geest je ook zover kunt brengen
en de moed om het toch maar te wagen.
Ik hoop dat er ook voor jullie dan een tijd aanbreekt
dat je het zegt – misschien wel tot je eigen verwondering:
Heere,  U bent alles voor mij.
Mijn bestemming, mijn doel, mijn leven.
Amen