Preek zondag 22 maart 2015

Preek 22 maart 2015
Markus 14:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijna feest in Jeruzalem!
Nog maar 2 dagen en dan zal het grote feest zijn.
Van overal vandaan zijn de mensen gekomen
om bij dit feest in Jeruzalem te komen.
Ze zijn uit Israël zelf gekomen, maar ook van verder vandaan.
Ze zijn gekomen om daar in Jeruzalem het feest mee te maken.
Het is daarom druk in de stad:
honderdduizenden mensen zijn er extra gekomen
en in de stad is er geen slaapplek meer over,
zodat de pelgrims, de mensen die het feest willen bijwonen,
in de dorpen om Jeruzalem heen een slaapplek moeten zoeken.

Het is niet zomaar een feest dat wordt gevierd.
Het is een heel belangrijk feest: het is het Pascha.
Het volk Israël viert hoe het eeuwen geleden door de Heere werd bevrijd.
Heel lang waren ze slaaf geweest in Egypte
en hadden ze tot de Heere geroepen of Hij hen wilde bevrijden.
De Heere gebruikte Mozes om het volk uit Egypte te brengen,
door de woestijn heen naar het Beloofde Land.
De mensen kwamen in Jeruzalem bijeen om de Heere te danken voor die bevrijding
en ze kwamen bidden of Hij hen opnieuw wilde bevrijden van de vijanden.
Want die God die Israël toen uit Egypte bevrijdde, is dezelfde God.
Het volk was niet vrij.
Tussen alle pelgrims in Jeruzalem liepen ook de Romeinse soldaten.
Het waren er extra veel, want met al die drukte kon het onrustig zijn in de stad
en zeker in de tijd van Pascha moesten de soldaten goed opletten,
want er zou zomaar een opstand kunnen beginnen
als de bij elkaar gekomen Joden dachten dat de Heere hen
tijdens dit Pascha weer opnieuw zou bevrijden.

In de stad was de spanning voor het komende feest goed te merken.
Mensen die vanwege het naderende feest de stad binnenkwamen.
Ook in de huizen van de mensen die in Jeruzalem woonden was een drukte van belang.
Vaders en moeders waren bezig om hun huis schoon te maken.
Het huis moest van top tot teen worden gereinigd,
zodat de families in een rein huis het feest van de bevrijding door God konden vieren.
Ook was men al druk om zich innerlijk voor te bereiden op dat feest.
Want dat gebeurt toch met een belangrijk feest?
Van tevoren ben je al druk bezig met inkopen.
Je zorgt dat je eten in huis hebt.
Zo zorgde men dat men het eten voor de Pesachmaaltijd in huis had.
Men was bezig om het lam, dat geslacht zou worden in de tempel, uit te zoeken.
Al die voorbereidingen moesten helpen om het volk klaar te maken,
klaar voor de ontmoeting met de Heere, hun Redder en Bevrijder.
Het Pascha werd dan wel als familie gevierd en het mocht er best gezellig zijn,
maar het voornaamste was dat God ook aanwezig was
en dat men zich daar innerlijk op voorbereidde.
Dat men er klaar voor was om Hem in hun huis te ontmoeten.

Voor de overpriesters en de Schriftgeleerden was er in deze dagen een bijzondere taak.
De priesters moesten dienst doen in de tempel.
Alles moest in gereedheid worden gebracht om de lammeren te slachten
die een onderdeel waren van het Pascha.
Zeker de overpriesters hadden de leiding over het gebeuren in de tempel.
Want over enkele dagen moest het feest goed verlopen
met al die honderdduizenden extra mensen.
De Schriftgeleerden moesten de mensen helpen bij de lezingen uit de Bijbel.
Zij gaven onderwijs en moesten de mensen helpen
met wat er op dit feest gebruikelijk was
zodat de gewone gelovigen ook echt de ontmoeting met de Heere, hun Bevrijder hadden.
Dan horen we de evangelist vertellen
dat zij tijdens al die drukke voorbereidingen met heel iets anders bezig zijn.
Ze bereiden zich niet voor op het feest.
Zij zijn niet bezig om alles in goede banen te leiden.
Ze zijn druk bezig in vergadering.
Tussen al die honderdduizenden mensen die de stad Jeruzalem extra bezoeken
zijn ze alleen maar bezig met die ene man,
die ook de stad is ingekomen en die in de afgelopen dagen
de boel op stelten heeft gezet, chaos in de stad heeft veroorzaakt.
Als een koning kwam Hij de stad binnenrijden.
Als een profeet joeg Hij alle handelaren uit de tempel
en gaf Hij onderwijs in de tempel en vertelde wat God allemaal ging doen.
Hij vertelde zelfs dat die indrukwekkende tempel,
het sieraad voor de stad, dé plaats waar God troont, verwoest zal worden.
De heiligste plaats van het land zal een ruïne worden en de stad verlaten.
Er zal er niets meer van overblijven.
Ze zijn druk bezig, want deze man – deze Jezus – moet dood!
Deze eerbiedwaardige mannen, met een heilige taak om God te dienen,
de mooiste en hoogste taak die een mens kan hebben,
ze verlagen zich om Jezus te doden
en dan ook nog op een listige manier.
Hun hart zou vol van God moeten zijn,
vol vreugde om de redding die de Heere heeft gebracht,
vol dankbaarheid, vol lofzang.
Maar hun hart is vol kwaadaardigheid
– zoals de Heere Jezus het al eerder aangaf:
Je kunt je nog van buiten helemaal reinigen en je stipt houden
aan alle reinigingsvoorschriften, maar het echte kwaad zit van binnen in ons hart
en wat daaruit voortkomt, ook het bedrog en de listigheid om iemand te doden
zonder dat iemand het merkt.
Het maakt ons onrein. Met zo’n hart kunnen wij niet voor God bestaan.
En dat niet tegen zomaar een mens, maar tegen Gods eigen Zoon.
Juist Hij, Jezus, die de vervulling van het Pascha is,
die gekomen is om Zijn ziel te geven tot losprijs van velen,
het Paaslam bij uitstek.
De leiders willen niet dat Jezus tijdens het feest gedood wordt,
maar onbedoeld werken zij er juist aan mee,
dat Jezus de vervulling van het Pascha wordt, het ware paaslam.

De evangeliën wijzen ons niet alleen op het verzet tegen Jezus,
maar ze willen ons ook laten zien
dat de lijdensweg van de Heere Jezus,
Zijn verraden worden, Zijn dood aan het kruis
gezien moet worden tegen de achtergrond van het Pascha.
De Heere Jezus is de vervulling van het Pascha, het ware Paaslam.
En als we over Zijn lijdensweg en dood nadenken,
moeten we ons blijven herinneren dat Jezus dé Bevrijder is.

Die eerste paar verzen herinneren ons eraan
dat we het lijdensevangelie met dubbele betekenis moeten lezen.
Aan de ene kant het kwaad dat uit de harten
van de mannen die God zouden moeten dienen komt
en aan de andere kant het Pascha.
Terwijl de donkere wolken boven Jezus samenpakken,
is er even nog een tijd van rust en vrede:
een feestmaaltijd in het huis van Simon de Melaatse.
Een feestmaal misschien vanwege het komende Pascha
of een feestmaal om de komst van Jezus in het huis van deze Simon te vieren.
Terwijl het lijden heel dichtbij gekomen is, het zal de volgende dagen beginnen,
is Jezus op een feest aanwezig.
Tijdens dat feest gebeurt er iets bijzonders.
Er komt een vrouw de feestzaal binnen
en ze heeft maar één doel: Jezus.
Ze heeft iets kostbaars meegenomen.
Het is een kruik met kostbare zalf, het is een heel jaarsalaris wat ze heeft.
Zulke flesjes met van die kostbare zalf werden bewaard
als een financiële reserve, een investering om in geval van nood
te kunnen omzetten in geld, een familiekapitaal voor als er schuldeisers komen.
Wat ze heeft is van pure kwaliteit, kostbaar en zuiver.
De zalf is helemaal vanuit India geïmporteerd en heeft een grote waarde.
Ze breekt de hals van het flesje af,
want ze wil die dure, zuivere zalf over het hoofd van Jezus gooien.
Heel haar familiekapitaal,
alles wat zij heeft, ze gooit het in één gebaar over het hoofd van Jezus heen:
een gebaar van liefde, waarmee ze zegt:
Alles wat ik heb, is van U, mijn God en Heer.
Het is geen adorering van iemand die de gelegenheid krijgt
om iets te doen met een bekend persoon,
maar het is aanbidding van Jezus als haar Heer en Koning.

Enkele dagen eerder was de Heere Jezus met Zijn discipelen in de tempel.
Ze keken toe hoe de mensen die in de tempel kwamen, hun geld gaven voor de tempeldienst.
Veel rijken die een aanzienlijk bedrag gaven
maar ook een vrouw die slechts twee kleine muntjes had.
Van haar zei de Heere Jezus dat zij het meeste gegeven had:
Want ze gaf haar hele levensonderhoud.
Dat is ook wat deze vrouw doet.
Haar levensonderhoud, het is niet meer voor haar en voor haar gezin,
het is voor haar Heer.
De dichter Jaap Zijlstra heeft het mooi verwoord.
Eerst vertelt hij van harde mannenstemmen, stemmen die zich ook nog eens verharden,
verstenen: Pilatus, Judas, in dat rumoer
is er een ander geluid: het breken van een kruik,
het geluid van een hart dat breekt.

Weet ze welke weg Hem te wachten staat?
Er wordt niet verteld met welke intentie zij dat doet.
Ze is hier als het ware een profetes.
Profeten konden ook wel eens iets vreemds, iets opvallends doen.
Jesaja liep lang naakt door de stad, Jeremia met een ijzeren juk,
Ezechiël mocht niet rouwen na de dood van zijn vrouw.
Ze moesten dat doen om met hun daad bij het volk een boodschap over te brengen.
Daden spreken.
Zo spreekt deze daad van deze vrouw ook.
Door de kruik te breken, laat ze horen, laat ze zien hoe haar hart breekt voor Jezus
en ze gooit heel die zalf over Hem heen.
De omstanders, ze hebben hun mening al direct klaar.
Ze hoeven niet te weten, waarom die vrouw dat deed.
Ze hoeven niet te weten hoe de Heere Jezus daar op reageert.
Verkwisting. Ze kijken niet naar het gebaar, naar het hart van deze vrouw,
ze kijken alleen maar naar het spul, het prijskaartje van alles.
Ze zien niet dat deze vrouw alles voor Jezus over heeft
en dat ook geeft, net als de discipelen gedaan hebben.
Alleen deze vrouw is verder in het geloof dan de discipelen.
Wat deze vrouw doet, zegt Jezus, is afscheid nemen.
Zij zalft Hem nu het nog kan, nu Hij nog onder de mensen is,
nu ze de gelegenheid nog heeft.
En het gebaar is van grote waarde, niet alleen financieel,
maar ook voor de weg die Jezus gaat.
Zij zalft Hem, vanaf nu gaat de Heere Jezus de weg als koning.
Als Jezus later wordt opgepakt en wordt verhoord,
zullen ze Hem ook behandelen, en bespotten, als de koning van de Joden.

Door de woorden van de Heere Jezus laten alles van een andere kant zien.
De Heere Jezus geeft in Zijn woorden aan,
hoe we op het werk van God moeten letten.
Door alle menselijke handelingen heen,
wat mensen ook doen, de overpriesters en de Schriftgeleerden,
de daad van deze vrouw,
is God aan het werk.
Nu is Jezus nog bij hen, maar de daad van deze vrouw
markeert een begin van Jezus’ weg als koning,
niet als koning, die voor Zijn aardse koninkrijk zal strijden,
die zal met geweld de macht zal grijpen of voor een land op aarde strijden zal.
Maar een koning die gaat lijden,
want alleen als Hij lijdt, als Hij Zijn ziel geeft als losprijs,
dan zal het werkelijk Pascha zijn, werkelijk bevrijding,
zal deze koning onderdanen hebben die werkelijk vrij zijn.
Hij zal begraven worden en de daad van deze vrouw,
het breken van dat kruikje en het uitgieten van die kostbare en pure zalf
geeft aan, dat Jezus op Zijn weg als koning de dood zal ingaan.
Ze heeft een goed werk gedaan, zegt de Heere Jezus over deze vrouw.
In Israël kende men goede werken: dat was het omzien naar de armen, hen bijstaan.
Dat was het begraven van de overledenen.
Wat deze vrouw gedaan heeft, is een goed werk, tot eer van God.
Een goede daad, vanuit een goed hart, gebroken voor Jezus.

Mooi is wat de Heere Jezus zegt:
Overal waar het evangelie verteld wordt, zal over haar gesproken hebben.
Nu, bijna 2000 jaar later hebben we het nog steeds over haar.
Al weten we haar naam niet, het gaat ook niet om haar als persoon,
maar in haar daad is zij voor ons een voorbeeld.
Om heel ons hart en heel ons bestaan over te geven aan deze Koning,
die voor ons Zijn leven gaf en een Paaslam werd om ons werkelijke bevrijding te geven.
In de verkondiging gaat het om Christus, alle aandacht voor Hem,
onze Heer en Heiland.
En toch, er mag ook aandacht zijn voor mensen,
die in Jezus geloven, die voor ons een voorbeeld zijn,
die ons helpen om op onze eigen manier ons hart aan Jezus te geven.

Ook het hart van Judas breekt,
alleen dan op de verkeerde manier.
We zouden kunnen zeggen: door wat er gebeurd is, knapt er iets in Judas.
Het begon donker, met een verkeerd hart,
het eindigt ook met een hart waarin het donker wordt.
Dit is niet de Jezus waar hij, Judas, alles voor over heeft gehad.
Voor hem, Judas, daalt Jezus in waarde.
De vrouw, ze had haar kapitaal, een jaarsalaris, haar appeltje voor de dorst of pensioen
over voor de Heere Jezus.
Judas gaat op weg om Jezus te verraden
Met 30 zilverlingen is hij al tevreden, het bedrag dat men over heeft voor een slaaf.
Jezus was zijn heer en koning,
het hoeft voor hem niet meer.
Aangrijpend.
Zo geeft de evangelist ons twee voorbeelden:
Het voorbeeld van de vrouw en het voorbeeld van de overpriesters, de Schriftgeleerden en Judas.
Welk voorbeeld volgt u?
Gaat u mee met die vrouw en geeft u uw hart aan Hem?
Of gaat u net als Judas, bij Hem vandaan?
Het is een belangrijk verschil, een verschil van leven en dood, behoud en verlorenheid.
Amen

Hierbij de psalmen en liederen voor komende zondagmorgen 09.30 uur Dorpskerk:
* Psalm 72: 2, 10
Stil gebed. Gebed
* Psalm 68:2, 10
Verootmoediging
* Op Toonhoogte 95
Gebed
Kindermoment
* Op Toonhoogte 350
Schriftlezing: Markus 14:1-11
Collecte
* Psalm 23: 2, 3
Verkondiging
* Gezang 32: 3, 4
Gebeden
* Psalm 35: 1, 13
Zegen

Zoek illustraties in je nabijheid

Zoek  illustraties in je nabijheid

Ze hadden haar gezegd dat ze niet naar dat huis moet gaan. Toch kon ze het niet laten, want het was het huis waar ze is opgegroeid.
Als ze bij dat huis komt, komen de herinneringen – die ze steeds bij zich droeg – weer boven. Haar voetstappen en handafdrukken zijn nog terug te vinden. Ze vertelt over haar kamer waar ze haar huiswerk maakte en gitaar leerde spelen. In de tijd onder de eik ligt haar lievelingshond begraven. Dit huis was de droom van haar moeder en haar vader slaagde het steeds stukje bij beetje, spijker voor spijker, te realiseren. Door de herinneringen weer te zien, kan ze de wond in haar ziel laten genezen. Ze neemt niets mee, alleen de herinneringen die ze reeds heeft.

The House That Built me – het is een song, geschreven door Tom Douglas en Alan Shamblim en uitgevoerd door country zangeres Miranda Lambert. Het liedje raakt een snaar en werd een hit.

Voor Daniel Overdorf reden om dit liedje als opstap te gebruiken voor een oefening in het preken maken. Hij daagt de predikant uit om voorbeelden uit de nabije omgeving te gebruiken, om gebruik te maken van de herinneringen die je met je meedraagt. Herinneringen zijn verhalen, waarmee het leven, relaties en geloof getypeerd kunnen worden. Zij geven houvast als het leven gaat wankelen. Ze geven warmte als het leven kil wordt. Ze geven een kompas als in het leven de oriëntatie ontbreekt.

Voor een predikant voorzien herinneringen in bruggen tussen de Bijbelse waarheid en het leven van vandaag de dag. Luisteraars begrijpen de waarheid het beste als zij deze waarheid kunnen verbinden met hun eigen leven. Degenen die effectief weten te communiceren, maken gebruik van zulke verbindingen door verhalen.

Maar hoe vinden we deze verhalen die de verbinding leggen? Hoe kunnen we de herinneringen terugvinden die het leven het het geloof typeren? Een manier om deze herinneringen weer op te roepen is om door en rondom ons huis te lopen

Oefening
1) Loop ten minste een uur door en rondom je huis – van binnen en van buiten.
2) Spreek je herinneringen in of schrijf ze op in een notitieboekje.
3) Sta toe dat herinneringen in je verbeelding opborrelen. Wat komt bij je boven als je naar de foto’s aan de muur kijkt? Wat komt er bij je boven als je door de achtertuin loopt? En als je naar de krassen op de deurposten kijkt of naar de vaas op tafel, naar de boomhut, de familiebijbel.
4) Nadat je je herinneringen hebt opgenomen of opgeschreven, ga je na welke waarheid over God en over de menselijke natuur deze herinneringen in zich meedragen. Noteer deze inzichten.
5) Bewaar de verhalen en de waarheden die ze illustreren, zodat je hen voor een volgende preek kunt gebruiken.

Om ideeën op te doen werk je de volgende beginzinnen uit:

  • Vorige week toen we met elkaar aan tafel zaten om te eten, zei mijn vrouw:
  • De krassen op het parket werden veroorzaakt toen:
  • Wij zetten de kerstboom altijd in die hoek, behalve in het jaar toen:
  • Die man op de foto is mijn opa. Hij zei altijd:
  • De telefoon ging over om 2 uur ‘s nachts:
  • We zaten op deze bank toen mijn dochter vertelde:
  • Ik kocht nieuwe kleren, omdat:
  • Deze sportkleren herinneren me aan:
  • In de muur zat een gat en daarachter:
  • Op zolder is er een doos en daarin:
  • In die nacht stonden we in een kring en baden toen:
  • Toen de waterkraan lekte, dacht ik dat ik zelf de lekkage kon verhelpen:
  • Ik denk vaak aan het tegeltje in de keuken, vooral als:
  • Toen deze raam door de voetbal sneuvelde:
  • Op een keer toen ik naar de brievenbus ging:
  • In deze achtertuin hebben we heel wat afgespeeld:
  • Ik vergeet nooit meer die morgen toen ze wegreed:
  • De buren hadden ons uitgenodigd om:

 

Extra suggesties:

  • Je zou ook in je verbeelding kunnen lopen door het huis waarin je bent opgegroeid.
  • Je zou door het kerkgebouw kunnen lopen om te speuren naar de herinneringen van je kerkelijke gemeente.
  • Zulke opgeroepen herinneringen dienen in de preek met zorg te worden behandeld. Enkele suggesties bij het gebruik van persoonlijke herinneringen:
    – Wees niet te overdadig met persoonlijke herinneringen. 1 à 2 herinneringen per preek is meer dan voldoende.
    – Laat de herinnering niet om jezelf draaien. Houd de aandacht op Christus gericht.
    – Wees zorgvuldig met het vertrouwen dat je is geschonken. Beschaam dat vertrouwen niet. Als het verhaal over iemand anders gaat, vraag dan van tevoren toestemming of je het verhaal mag vertellen. Dat geldt ook in het geval het verhaal over je familie gaat.
    – Voel je vrij genoeg om over jezelf te lachen.
    – Vertel vooral alledaagse voorvallen. Luisteraars hebben dan de beste mogelijkheid voor identificatie.
    – Vertel vooral over wat je hebt gezien en ervaren en praat wat minder over jezelf. Als het verhaal een film zou zijn, sta je achter de camera en niet in de spotlights.

Leessuggestie
– Bryan Chapell, Using Illustrations to Preach With Power (Crossway Books, 2001)

N.a.v. Daniel Overdorf, One Year to Better Preaching. 52 Exercises to Hone Your Skills (Grand Rapids: Kregel, 2013) 39-42

Houd de principes van het preken maken bij!

Houd de principes van het preken maken bij!

Preken maken kan vergeleken worden met sporten. Net als bij een sport heeft het preken maken ook regels waaraan je je moet houden. En een predikant moet net als een sporter blijven trainen op onderdelen.
In 2013 publiceerde Daniel Overdorf het boek One Year to Better Preaching. 52 Exercises to Hone Your Skills. Predikanten kunnen hun preken verbeteren door elke week een oefening uit dit boek te doen. Een oefening kost een predikant ongeveer 1 à 2 uur werk. De 4e oefening gaat over 5 fundamentele principes van het preken maken.

(1) Bestudeer de tekst
Bestudeer de tekst waarover je wilt preken voordat je besloten hebt wat je in de preek wil zeggen. Ga de context van het gedeelte na: hoe past het gedeelte dat je gekozen hebt in de originele context? Gebruik hiervoor commentaren en andere hulpmiddelen om de culturele en historische context te achterhalen. Gebruik de grondtalen (wanneer je ze beheerst).
Vaak is er reeds een boodschap gekozen voordat de Bijbeltekst is bestudeerd. Draai dit om en laat de Bijbeltekst je gedachten en de boodschap van de preek bepalen.

(2) Formuleer de boodschap van de preek
Effectieve preken hebben een enkel idee als basis. Deze boodschap is dan herkenbaar en makkelijk te onthouden geformuleerd. Om dit idee te formuleren gebruik je de vorige stap (bestudering van de tekst). Formuleer dan een tijdloze waarheid die uit het Bijbelgedeelte opkomt en formuleer dat als een duidelijke stelling. Weersta de verleiding om alleen een vage omschrijving of een breed thema te formuleren.

(3) Kies een vorm
De preek is dan gebaseerd op een enkel idee, dit idee moet wel worden uitgewerkt in een preek. Er zijn over het algemeen twee manieren om een preek uit te werken:
– In een deductieve vorm plaatst de predikant de stelling (de boodschap van de preek) aan het begin van de preek, liefst in de introductie. De stelling wordt in de preek uitgewerkt.
– In een inductieve vorm is de boodschap van de preek (de stelling) de climax van de preek. De preek werkt naar de boodschap toe en de boodschap wordt aan het slot, in de climax meegegeven.
Ga voor jezelf na welke vorm het beste past bij de boodschap. Stel jezelf de vraag: is het voor de luisteraar beter om de boodschap aan het begin van de preek reeds mee te geven of is het beter om naar die boodschap toe te werken?

Opbouw
Deductief:
(1) Introductie: stelling
(2) romp: punten die ontleend zijn aan de tekst om de stelling uit te leggen, te onderbouwen of toe te passen
(3) Conclusie: herhaling van de stelling en de punten
Geef na de stelling in de introductie kort weer welke stappen je onderneemt om de stelling uit te werken.

Inductief
(1) Introductie: probleemstelling
(2) Romp: bewegingen vanuit de tekst, stappen ontleend aan de tekst om deze probleemstelling te beantwoorden
(3) Conclusie: uiteindelijke beantwoording of oplossing.
Maak duidelijk dat de bewegingen en de stappen de luisteraars leiden naar een manier die voor hen duidelijk is en hen verder helpt om de probleemstelling te beantwoorden.

(4) Ontwikkel voorbeelden en toepassingen
Voorbeelden helpen de luisteraars om de waarheid te begrijpen. Toepassingen helpen de luisteraar om te zien welk effect deze waarheid op hun leven heeft.
Ga, nadat je je boodschap en structuur hebt uitgekozen, na welke verhalen, quotes, statistieken, suggesties of scenario’s-uit-het-leven-gegrepen de luisteraar kan helpen om de boodschap te begrijpen en toe te passen.

(5) Bereid het begin en het slot zorgvuldig voor
Als de preek is uitgewerkt, bereid je zorgvuldig voor hoe je de preek wilt beginnen en afsluiten.

De introductie zou (1) de aandacht moeten vangen door een verhaal, quote, of misschien een vraag.
De introductie zou (2) op basis van de Bijbeltekst een zorg of verlangen moeten formuleren met betrekking tot onze onvolmaaktheid of worsteling met de boodschap van de tekst.
De introductie zou (3) de luisteraar het idee moeten geven welke kant de preek opgaat – zie punt 3 over de vorm van de preek.

Het slot zou (1) de stelling moeten belichten. In een deductief opgebouwde preek zou het slot de stelling uit de introductie moeten herformuleren in het licht van wat er in de preek aan de orde is geweest.  In een inductief opgebouwde preek formuleert en benadrukt het slot de stelling voor de eerste keer, waarmee het de preek tot een climax brengt.
Het slot zou (2) aan de luisteraar een duidelijk beeld kunnen geven door een voorbeeld bij de stelling te geven.
Het slot zou (3) de luisteraars moeten uitdagen om de in de preek onderwezen waarheid in praktijk te brengen.

Overdorf geeft enkele leestips:

  • Donald R. Sunukjian, Invitation to Biblical Preaching: Proclaiming Truth With clarity and Relevance (Kregel, 2007)
  • Calvin Miller, Preaching: The Art of Narrative Exposure (Baker, 2006).

N.a.v. Daniel Overdorf, One Year to Better Preaching. 52 Exercises to Hone Your Skills(Kregel, 2013) 33-38

De predikant als minor poet

De predikant als minor poet
Over de roeping, de inzet en taak van de predikant

Als iemand predikant wordt, brengt offers. Een predikant verhuist naar de plaats waar de gemeente gevestigd is. Hij neemt zijn gezin mee en laat zijn sociale netwerk achter. Hij moet een hele nieuwe omgeving leren kennen, waarderen en liefhebben.

Het leren kennen betekent niet alleen de buitenkant: de weg in de omgeving, de plaats waar de winkels staan. Een predikant moet ook de binnenkant leren kennen: de manier van denken en handelen, de interacties tussen mensen, de taal van het hart, de emoties van de gemeenschap, de lokale geschiedenis, de relatie tot God in de gemeenschap.

Totale overgave
Predikant zijn van een gemeente kan alleen door je helemaal, zonder reserve te geven. Zo ervaar ik mijn roeping ook. Geregeld komt de psalmregel boven: Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd (Psalm 69:4 Oude Berijming). Predikant worden is offers brengen. Dat is niet altijd erg, want deze offers worden gebracht voor een hoger doel: in naam van Christus voor de gemeente zorgen.
Tot voor kort had ik altijd gedacht dat het wezen van het predikantschap ook het brengen van dat offer was, dat grote gebaar van mijzelf helemaal geven aan deze gemeenschap. Door het lezen van The Pastor as Minor Poet heb ik leren inzien dat de roeping van de predikant een heel andere is: niet het grote offer, maar een bepaalde manier van naar de gemeente kijken en de gemeente daarbij helpen. Niet het grote gebaar, maar een fijnzinnige waarneming van wat God in de gemeente doet. Voor mij is The Pastor as Minor Poet  een belangrijk boek geworden.

Geschonken identiteit
Craig Barnes is hoogleraar Leadership and ministry en leidt hij predikanten op en begeleidt hij hen in hun werk. Volgens hem is predikantschap de laatste decennia ingewikkelder geworden, omdat de roeping en de taak van predikanten diffuser is geworden. Deze roeping en taak is ingewikkelder geworden, omdat we leven in een maatschappij die de suggestie wekt dat we onze identiteit zelf kunnen en moeten vormgeven (constructed identity). Rode lijn door het boek heen is dat identiteit in het christelijk geloof juist het tegenovergestelde is: identiteit is geen menselijke prestatie maar een geschenk van Christus. Het leven is geen presteren maar ontvangen: ‘We ontvangen deze identiteit door onze participatie in Christus, die ons thuis bracht in de gemeenschap met onze Schepper.’ Ons bestaan is een gracieuze gift van Christus. Alleen is het ontvangen van deze identiteit in een maatschappij van zelfgecreëerde identiteiten niet eenvoudig. Daarom hebben we volgens Barnes predikanten nodig: om ons eraan te herinneren en te helpen inzien dat onze identiteit een genadig geschenk is.

Minor poet
De roeping en de taak van de predikant is daarom volgens Barnes om de minor poet van de gemeente te zijn: het leren zien van dit geschenk in alle kleine onderdelen van het gemeentezijn. Dichters kijken niet alleen naar de werkelijkheid, maar zijn ook op zoek naar de waarheid in of achter de werkelijkheid. De predikant is bezig met de diepere laag van de ziel. Niet op een grote schaal, maar in de kleinschaligheid van de lokale context van de gemeente.
Er zijn ook major poets. Dat zijn theologen die in hun leven met een enkel thema bezig zijn (geweest) en daar veel en grote offers voor hebben gebracht. Dat zijn de Bijbelschrijvers, vroege christenen die hun leven gaven, de woestijvaders die uit de maatschappij waren getreden, de reformatoren die gevangen zaten. In een maatschappij zijn volgens de dichter T.S. Eliot beide dichters nodig. Barnes past het toe op de kerkelijke gemeente. Predikanten zijn minor poets die de theologische waarheden en de inzichten van de major poets doorvertalen naar de lokale gemeenschap. De lokale gemeenschap zit niet te wachten op de inzichten van Luther of Barth. De predikant gebruikt hun inzichten wel om zelf het werk van God in de eigen, kleine, lokale gemeenschap waar te nemen. De creativiteit van de minor poet is niet het vinden van een nieuwe theologische waarheid, maar het ontdekken en onthullen van de waarheid in deze lokale gemeenschap. De meeste theologische opleidingen leiden predikanten op als major poets, maar in de praktijk zullen de meeste predikanten juist minor poets zijn.

Alledaags
Over het algemeen is de lokale gemeenschap juist niet-poëtisch. Terwijl een predikant wellicht in de gemeente komt met hoge idealen om het geleerde door te geven. De gemeente zit vaak niet op diepe theologie te wachten, maar eerder op eenvoudige inzichten. Barnes: ‘Niemand heeft mij tijdens de opleiding geleerd om rond te lopen in de lage vlakten van de alledaagse gesprekken over alledaagse dingen.’ (Wel door hooggebergten met theologische vergezichten.) Volgens Barnes hoort een predikant in het Westen de taal van het gebabbel te leren over koetjes en kalfjes. Net zoals een zendeling in Afrika Swahili hoort te leren.
Small talk is vaak een manier om over kleine dingen te praten om ons te verbergen voor het heilige gebeuren. Het heilige is, zoals Rudolf Otto aangaf, niet alleen aantrekkelijk maar ook afschrikwekkend.

Oog voor Gods aanwezigheid
Volgens Barnes komen mensen vanwege de taak van de predikant als minor poet naar de kerk: zodat de predikant in hun prozaïsche levens iets kan laten zien van de poëzie van Gods werkzaamheid in hun alledaagse leven. De predikant kan dat alleen doen door de het heilige in het alledaagse leven te onthullen, zodat in het alledaagse er een sacramentele ervaring van God is. Barnes geeft als voorbeeld de naturalistische stelling van Ludwig Feuerbach: De mens is wat hij eet. Hij haalt de Orthodoxe theoloog Alexander Schmemann aan die die zinsnede onderschrijft, maar daar tegenover stelt: het materiële maakt ons spiritueel. Hij laat zien hoe belangrijk het eten is voor de band tussen God en mens. Het eten doet hem bewust zijn van zijn afhankelijkheid van God. Gemeenteleden geven in theorie Schmemann gelijk, maar handelen en kijken naar de werkelijkheid alsof Feuerbach gelijk heeft. Ze zien de werkelijkheid los van God als bron. En deze werkelijkheid los zien van God is zonde.

Waarheid
De minor poet helpt de gemeente inzien dat de werkelijkheid niet alleen bestaat uit de realiteit van wat voor ogen is, maar ook uit de waarheid van Gods aanwezigheid en werkzaamheid en helpt de gemeente de werkelijkheid van Christus te zien vanuit het reddend en verzoenend handelen van Christus. Deze zoektocht naar het geheimenis in de werkelijkheid, de laag van de ziel, is een van de grote taken van de predikant als minor poet.

Donkere nacht van de ziel
De minor poet heeft oog voor Gods aanwezigheid in het schone. De predikant als minor poet heeft ook oog voor Gods aanwezigheid in de donkere nacht van de ziel en helpt gemeenteleden te ontdekken hoe God daarin aanwezig is. De donkere nacht van de ziel is een uitdrukking van Johannes van het Kruis. Daarmee bedoelde hij dat de gelovige alle zegeningen van God kwijt raakt. In deze donkere nacht van de ziel is het enige dat de gelovige nog kan doen zichzelf aan het kruis van Christus te hangen. In een crisis, een ramp raakt de gelovige alles kwijt. Het kruis is dan nog het enige houvast. (Barnes werkt dit uit aan de hand van een huwelijkscrisis: de vrouw die van haar man te horen gekregen heeft dat hij bij haar weg wil, moet niet persé gaan voor de redding van het huwelijk. Want haar huwelijk is niet haar houvast. Het enige werkelijke houvast is het kruis van Christus. De minor poet helpt gemeenteleden dat houvast te ontdekken.)
Predikanten kennen vaak de donkere nacht van de ziel maar al te goed. Zij lopen rond met krassen en schrammen op de ziel. Veroorzaakt door het leven, door hun familie door henzelf, door de gemeente. Volgens Barnes is de predikant met de littekens op de ziel een voorbeeld voor de gemeente. De predikant is geen voorbeeld met de open wonden. De wonden zijn genezen door Christus, maar de littekens zijn gebleven. Predikanten lijden veel. Soms aan hun eigen familie, aan zichzelf, aan de gemeente. Soms aan de vraag waarom zij geen ‘succesvolle’ gemeente mogen dienen. Deze littekens laten zien dat zij niet perfect zijn. Juist in hun fragmentarisch bestaan zijn ze van waarde en tot voorbeeld voor de gemeente.

N.a.v. M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet. Texts and Subtexts in the Ministerial Life (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 2009)

Preek zondag 15 maart 2015

Preek zondag 15 maart 2015

 

Schriftlezing: Markus 10:32-45
Tekst: Markus 10:45 Want de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel als losprijs te geven voor velen

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als iemand bij een bepaald bedrijf gaat werken,
wordt deze werknemer geacht de principes van het bedrijf uit te dragen
en zo de naam van het bedrijf waar hij of zij werkt hoog te houden.
Bedrijven willen dat hun werknemers werken werken volgens deze principes
en sturen geregeld hun werknemers op cursus
om deze principes te leren of om de geleerde principes weer op te frissen.
Bedrijven hebben daar vaak veel voor over.
Sommige bedrijven gaan daarin zo ver
dat ze achterop de bedrijfsauto’s een telefoonnummer laten zien
waarop mensen zich kunnen melden als ze een klacht hebben
over de rijstijl van de chauffeur van die bedrijfsauto.

Ook de discipelen zijn op cursus bij de Heere Jezus
om de principes van het koninkrijk van God te leren.
Dat gebeurt onderweg, terwijl de discipelen de Heere Jezus navolgen.
Daaruit wordt duidelijk wat leerling-zijn betekent
voor Petrus, Andreas, Jakobus, Johannes en de anderen:
Achter de Heere Jezus aangaan, in Zijn voetstappen lopen,
naar Zijn woorden luisteren en op Zijn voorbeeld letten.
De principes van het koninkrijk van God zijn niet zomaar geleerd.
De discipelen hebben daar een hele tijd voor nodig
en steeds als je denkt: nu zullen ze het wel begrepen hebben,
zitten ze er weer naast.
Als ik de verhalen over de discipelen lees,
vraag ik mij geregeld af: ‘Waarom luisterden ze zo slecht naar de woorden
die de Heere Jezus tegen hen sprak
en waarom hadden ze zoveel moeite om Zijn onderwijs vast te houden?’
Maar het is beter om ons te verwonderen over het geduld
van de Heere Jezus met Zijn discipelen dan over hun moeite om te begrijpen.
Want als de Heere Jezus zo’n tijd op kan trekken met leerlingen
die Zijn onderwijs steeds maar niet begrijpen
is er voor ons als christenen vandaag de dag ook hoop:
wij mogen er ook een tijd over doen om het onderwijs van de Heere Jezus te begrijpen.
We hoeven niet direct perfecte leerlingen te zijn,
we mogen ook een hele leerweg gaan, achter de Heere Jezus aan.
En als de Heere Jezus deze moeilijk lerende leerlingen later apostelen maakt
en belangrijke leiders van de kerk,
is dat ook voor ons vandaag de dag hoopvol:
Ambtsdragers, clubleiders hoeven geen perfecte christenen te zijn
die alles reeds goed weten en alles als gelovige beheersen.
Hun leerweg is nooit ten einde en ook zij mogen steeds blijven leren
– als ze maar achter de Heere Jezus aan gaan
en steeds naar Zijn onderwijs willen luisteren.
Ook al begrijpen ze dat niet.
En dat is ook weer een les voor ons:
Het onderwijs dat de Heere Jezus geeft,
begrijpen wij niet zomaar.
Wat Hij ons leert, valt als een graankorrel in ons hart
en soms pas na jaren ontkiemt het en begint te groeien.

We zien dat aan de leerlingen.
Ze zijn op weg naar Jeruzalem.
Het is voor de eerste keer dat de Heere Jezus spreekt over Jeruzalem als eindpunt.
Al eerder heeft Hij gesproken over Zijn lijden en sterven
maar niet eerder gesproken over de plaats waar het zal gebeuren.
De leerlingen volgen Jezus op Zijn weg, zonder dat zij weten wat de eindbestemming is.
Als de Heere Jezus begint met Zijn uitleg op deze weg naar Jeruzalem,
begint Hij met: ‘Zie!’
Het lijkt een stopwoord, maar het is een woord dat Markus vaker gebruikt,
net als ‘Luister!’ of ‘Hoor!’ Ga er niet zomaar aan voorbij.
Neem de tijd om het op je te laten inwerken.
Er gaat iets gebeuren, waarvan Ik jullie nu alvast de betekenis geef
en als die dingen gebeuren in Jeruzalem, dan moet je terugdenken
aan de uitleg die Ik jullie gegeven heb.
‘Zie!’ – de navolging van Jezus bestaat vaak uit het zien van
wat de Heere Jezus heeft gedaan.
Nu in deze lijdenstijd – in de verhalen over het lijden en sterven.
Bij discipelschap gaat het vaak om kijken en om luisteren.
Luisteren naar wat de Heere Jezus heeft gezegd
en kijken naar waar Hij mee bezig is.
Dat is onze taak als leerling van Jezus: kijken naar wat de Heere Jezus doet. Nu.
Zie!
Daarvoor liepen ze de hele tijd achter de Heere Jezus aan
om te zien waar Hij mee bezig is.
Alleen wie bij Jezus in de leer is door te zien
kan Zijn principes in praktijk brengen, kan leven zoals Hij dat van ons vraagt.
Jezus volgen begint niet met doen, maar begint met kijken, met waarnemen.

We hebben vaak moeite om waar te nemen, om te zien wat de Heere Jezus doet.
Wij zijn hier niet de enigen in. Dat past wel bij leerlingen van de Heere Jezus.
We zien het aan Johannes en Jakobus, de twee broers die Jezus volgen.
Als de Heere Jezus de eindbestemming dan uiteindelijk bekend maakt,
lijken zij er met hun hoofd niet bij.
Ze horen de eindbestemming Jeruzalem en ze denken aan heel iets anders

dan de Heere Jezus bedoelt.
Zij zien andere dingen dan de Heere Jezus bedoelt.
De Heere Jezus bedoelt kruis en zij denken aan een troon.
De Heere Jezus heeft het over verworpen worden en Johannes en Jakobus denken
aan een ereparade door de stad Jeruzalem.
De Heere Jezus heeft het over bespot en bespuwd worden
maar zij denken aan bejubeld worden.
Komt dat, omdat de twee broers de Heere Jezus horen spreken over de Zoon des mensen?
De Zoon des mensen werd door de Joden verwacht
als degene die aan het einde van de tijden zou oordelen over alle mensen.
Zien zij het al voor zich, dat zijn naast die belangrijke Rechter door God gestuurd,
dat zij naast Hem mogen zitten en Hem mogen helpen in het uitspreken
van het Laatste Oordeel over de mensen?
Zij willen omhoog, naar de triomf en ze horen niet
dat de Heere Jezus spreekt over de vernedering die Hij zal ondergaan.
Hij die als de Zoon des mensen komt in Jeruzalem, als de Rechter.
Hij, de Rechter zal zelf voor de rechtbank worden gebracht.
En de mensen zullen over Hem, de hemelse rechter, hun oordeel uitspreken.
En dat nog wel in Jeruzalem, de stad van God, waar God Zijn woning had.
Je zou toch verwachten dat daar Degene die door God werd gestuurd
van harte welkom werd geheten? Omdat ze blij waren met Zijn komst in hun stad,
vereerd omdat de Zoon des Mensen in hun stad verscheen.

De leerlingen en vooral Johannes en Jakobus, ze staan daar niet bij stil
en denken alleen aan hun eigen toekomst:
Als werknemers: klaar voor hun rol. Genoeg geleerd. Zij zullen Jezus uitstralen.
Welke rol is er voor hen weggelegd? Mogen zij een belangrijke post in het kabinet?
Je zou het wel tegen hen willen zeggen:
Weet je dan niet dat het in het koninkrijk van God anders aan toe gaat?
Alleen moeten we bedenken dat het niet zo gek is
hoe de discipelen denken.
Het is altijd zo geweest dat degenen die aan een leider loyaal zijn
daar beloond voor worden met een goede positie.
Wanneer een politiek leider in een moeilijke periode wordt gesteund door anderen
kunnen die anderen later die steun vertaald zien worden
in een goede post in het kabinet – als dank voor hun eerdere trouw.
Loyaliteit vaak wordt beloond – met een stukje medeverantwoordelijkheid.
Er moet geregeerd worden – ook in het koninkrijk van God.
Daar kan Jezus toch best wat hulp, wat raad en advies bij gebruiken?
En had Jezus niet gezegd dat je Hem alles mag vragen
en dat je het Hem vraagt dat Hij het dan zal geven?

De Heere Jezus wijst op de weg die Hij gaat.
Nu lopen ze nog met Jezus mee en achter Hem aan.
Maar als ze in Jeruzalem aangekomen zijn, zal Hij een weg gaan
waarop de leerlingen niet kunnen volgen.
Al denken ze dat zij het kunnen.
De Heere Jezus is een geduldige leraar: nogmaals legt Hij hen uit
wat er in Jeruzalem gaat gebeuren.
Alleen nu vanuit een andere kant:
Vanuit het plan van God.
Als de leerlingen niet begrijpen waar het in het Koninkrijk van God om gaat,
grijpt Hij dit aan om te vertellen wat om uit te leggen wat de Heere doet.
Jezus zal gedoopt worden – zal ondergaan, zoals Psalm 42 dat aangeeft:
Al uw golven en uw  baren zijn over mij heengegaan.
Jezus zal ondergaan in het oordeel van God
en de beker van het oordeel zal Jezus helemaal leegdrinken.
In de vernedering die Jezus ondergaat in Jeruzalem, de stad van God,
gaat het niet alleen om wat mensen doen.
Daardoor heen wordt ook zichtbaar met welk doel Jezus gekomen is:
gekomen op deze wereld en gekomen in Jeruzalem.
Jezus is gekomen om te dienen.

Je zou bijna denken dat Jezus zichzelf hier vooral als voorbeeld geeft:
Doe mij na. Je hebt lang genoeg naar Mijn woorden geluisterd
en je hebt lang genoeg in Mijn voetsporen gelopen
en gezien wat Ik heb gedaan – je hebt nu genoeg voorbeeld.
Maar Jezus is hier niet alleen voorbeeld.
Dat ook – maar meer.
Kijk maar naar vers 45: Jezus zegt daar iets meer
waardoor Jezus meer is dan een voorbeeld.
Zijn dienen is speciaal en is nergens anders mee te vergelijken.
Jezus geeft aan:
Ik geef Mijzelf helemaal op – Ik houd niets van Mijzelf achter.
Alles wat Ik heb, alles wat Ik ben, zegt Jezus, geef ik op.
En dat doe ik niet zomaar, maar dat doe ik als losprijs.

Dat woord is in de laatste tijd in het nieuws geweest vanwege gijzelaars in het Midden-Oosten
Er waren mensen gegijzeld en ze konden tegen een groot geldbedrag worden vrijgekocht.
Jezus zegt over zichzelf: dat geldbedrag, dat ben Ik.
Ik ben gekomen om jullie vrij te kopen – en dat doe Ik door Mijzelf helemaal te geven.
Ik ben geen bemiddelaar die iets aanbiedt, een bedrag of iets dergelijks.
Ik geef Mijzelf.
Wat je zult zien in Jeruzalem is niet alleen verraad en vernedering,
maar is ook dat de Zoon des mensen een hoge prijs betaalt
en die hoge prijs van Zijn eigen leven ook over heeft om jullie vrij te kopen.
Jezus zegt er niet bij van wie de discipelen en van wie wij vrijgekocht moeten worden.
Het opvallende is dat Hij dat zegt
na die vraag van de leerlingen om op een bijzondere positie in Gods koninkrijk te mogen komen.
Daarvan zegt Jezus: dat is geen onschuldige vraag,
maar dat laat zien dat je verstrikt bent in de wereld, je bent daar niet zo los van.
Dat verstrikt zijn uit zich niet in hele grote overtredingen, grove zonden.
Maar dat verstrikt zijn laat zich zien in een denkwijze die er in deze wereld is
en waar wij als gelovigen ons ook niet kunnen ontworstelen,
omdat het de manier is van onze wereld om zo te denken.
Er moet toch geregeerd worden, wordt er in deze verkiezingstijd gezegd.
Partijen worden onder druk gezet om dit kabinet te steunen,
want als het kabinet valt, gaat er veel tijd verloren.
Het kan ook niet anders, zo gaat het in deze wereld aan toe.
Zo gaat het in deze wereld aan toe, dat beaamt ook de Heere Jezus.
Maar juist in dat kader spreekt Hij ervan dat we losgekocht moeten worden.
Want dat het zo gaat in de wereld, dat geeft aan
dat wij ons niet kunnen ontworstelen aan hoe het in de wereld aan toe gaat.
Dat kan alleen als we vrijgekocht worden.
In deze wereld wint de partij met de meeste stemmen
En dat hoeft niet eens de beste partij te zijn
zo gaat dat in deze wereld, want er moet geregeerd worden.
Zonder dat de Heere Jezus de politiek afwijst
zegt Hij juist vanwege die politiek: kijk verder naar hoe jullie als mensen
verstrikt zijn in het denken zoals dat in de wereld gebeurt.
Ik ben ervoor gekomen om jullie vrij te kopen,
Petrus zal later schrijven in zijn eerste brief:
U bent vrijgekocht van een zinloze levenswandel.

Hij kwam bij ons heel gewoon, de Zoon van God als mensenzoon
Hij diende ons als een knecht en heeft zijn leven afgelegd.
Zie, onze God, de koning-knecht.
Hij heeft Zijn leven afgelegd.
Zijn voorbeeld roept om te dienen
ied’re dag. Gedragen door Zijn liefde en kracht.
Daarom mogen wij niet meer heersen – omdat Jezus ons kwam dienen.

In Watergang, een van de dorpen waar ik hiervoor predikant was,
hing er een schip in de kerk.
Dat schip was door een van de inwoners uit het verleden geschonken.
In de 17e eeuw was hij op de Middellandse Zee met zijn schip
overvallen door zeerovers uit wat nu Algerije is.
Nadat hij daar een tijd gevangen had gezeten,
hebben de inwoners van het dorp geld opgehaald en hebben hem vrijgekocht.
Dat schip hing in de kerk. Iedereen in de kerk kon het schip goed zien.
Nu hangt er in onze kerk geen schip, maar staat er wel een preekstoel.
Deze preekstoel herinnert ons eraan
wat de Heere Jezus heeft gedaan. Hij heeft Zijn leven overgehad,
alles heeft Hij gegeven – om ons vrij te kopen.

Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Dat ik met lichaam en ziel het eigendom ben – niet van mijzelf
ook niet van de zonde en de duivel
maar van de Heere Jezus ben
Hij heeft mij vrijgekocht uit de heerschappij van de duivel.

Zie! zegt Jezus als Hij naar Jeruzalem gaat.
Zie! zegt Jezus nu tegen ons.
Ik ben naar Jeruzalem geweest.
Het is nu voor jullie de tijd van het jaar om over Mijn lijden en sterven na te denken.
Om daar bij stil te staan.
Zie – hoe Ik gestorven ben
Om ook u en jou vrij te kopen.
Amen

Preek biddag 2015 avonddienst

Preek biddag 2015 avonddienst
Markus 11: 12-26
Tekst: vers 23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een gebed kan bergen verplaatsen naar de zee, zegt de Heere Jezus.
De praktijk van ons bidden is vermoedelijk heel anders:
We verplaatsen geen bergen naar de zee,
maar zien tijdens ons bidden eerder een berg opdoemen,
waar we onszelf tegen op moeten sjorren
om met onze gebeden bij God aan te kunnen komen.
Of een berg die op ons pad voor ons opdoemt,
waardoor we het gevoel hebben dat we niet verder kunnen.
En dan zegt de Heere Jezus dat ons gebed bergen kan verzetten naar de zee.
Weet Hij dan niet dat ons gebed vaak maar arm en pover is,
eerder doortrokken van twijfel en vol misschiens.
Misschien kan God ons helpen. Misschien heeft bidden zin.
Misschien hoort God ons toch.
En dan zegt de Heere Jezus: Als je tegen een berg zegt,
“Kom van je plaats af en stort je in zee” dan zal het gebeuren
als je in je hart geen twijfel kent.
Wie wel eens in de bergen is geweest, in de Alpen of in andere landen,
raakt onder de indruk van bergen. Dat kan niet anders.
Zo groots en indrukwekkend.
Een berg krijg je niet van z’n plek.
Ook in de Bijbel is de berg beeld van vastigheid.
Alles kan veranderen: koninkrijken kunnen opkomen maar ook weer verdwijnen,
maar een berg verandert niet snel van zijn plek.
Met ons gebed krijgen wij geen Mont Blanc of Matterhorn van zijn plek.
Zelfs de Knoebel hier in de buurt, krijgen wij door ons gebed niet van zijn plaats.
Is dat dan een verwijt in de richting van ons gebed,
dat we toch te zwak bidden, te weinig vanuit geloof?
Of begrijpen wij de woorden van de Heere Jezus verkeerd?

Als u tegen deze berg zegt – het is een indrukwekkend beeld
en een ongelooflijke opdracht: het verplaatsen van iets dan niet-verplaatsbaar is.
Het is goed om onszelf eraan te herinneren
dat de Heere Jezus zelf geen enkele berg verplaatst heeft.
In Zijn leven heeft Hij heel wat heuvels en bergen beklommen,
in Galilea en de bergen waarop Jeruzalem is gebouwd.
Zelfs van de heuvel Golgotha heeft Jezus niet gezegd
dat de berg vernietigd moest worden in de zee.
Bij deze opdracht om te bidden op een bepaalde manier bedoelde de Heere Jezus niet
dat we dit gebed bij elke, willekeurige berg zouden bidden,
maar voor deze berg: de bergen om Jeruzalem,
de berg Sion waar de tempel op gebouwd is en de Olijfberg.
Uit het gedeelte dat we hebben gelezen, is het wellicht niet direct op te maken,
maar het gaat in deze opdracht om te bidden dat een berg verzet wordt naar de zee
om een belangrijk moment in de geschiedenis van het volk Israël,
namelijk de tijd dat de beloofde Messias komt tot Zijn eigen volk,
de door God gezonden Messias de stad Jeruzalem binnentreedt
en het door de profeten en door de Heere Jezus aangekondigde Koninkrijk van God gekomen is
Het gaat erom, dat ons bidden in het teken staat van de wederkomst van de Heere Jezus.
Ik zal dat uitleggen.
Als de Heere Jezus naar Jeruzalem komt,
zijn de profetieën uit het Oude Testament uitgekomen,
namelijk de profetie dat in de eindtijd de Messias naar Jeruzalem komt.
Er zal een weg voor de Messias worden gebaand,
waarbij de kuilen en gaten in de weg worden opgevuld
en de heuvels en bergen geëffend worden.
Tegen Zijn discipelen zegt de Heere Jezus: Als je zegt dat de berg van zijn plaats moet komen,
dan zal dat gebeuren als je vol geloof daarom bidt.
Alle obstakels voor de Messias om naar Jeruzalem zullen worden opgeruimd
en het gebed van de discipelen kan daarbij helpen.
Als zij bidden dat de bergen verplaatst worden, zal er een weg voor de Messias zijn
zonder belemmeringen, zonder oponthoud of omwegen.
Het gebed om bergen te verplaatsen is geen magische toverspreuk
om allerlei aparte tovertrucjes uit te halen,
maar een gebed om het komen van Gods koninkrijk,
een gebed over er een weg mag komen om de stad Jeruzalem te kunnen betreden.

Jezus zegt ook: als je bidt dat deze berg verplaatst zal worden.
Als Jezus met Zijn discipelen op de Olijfberg lopen,
gaat er met dat gebed om de berg te verplaatsen
ook een profetie in vervulling, uit het laatste hoofdstuk van de profeet Zacharia:
op de laatste dag zal de Olijfberg splijten, zodat er een vluchtweg ontstaat
om aan het oordeel van God te kunnen ontkomen.
Want de komst van de Messias is aan de ene kant goed nieuws voor het volk,
een teken dat God zelf weer terug komt in de Stad Gods.
Maar ook een dag vol huiver, want dan is het moment van het oordeel aangebroken.
De mensen zouden willen vluchten voor dat oordeel
door de kloof die is ontstaan in de Olijfberg.

We moeten het gedeelte nog eens opnieuw lezen vanuit het gezichtspunt
dat Jezus als de Messias de stad Jeruzalem binnenkomt.
Allereerst rijdend op een ezel, we hebben het niet gelezen, maar het komt ervoor.
Wat we gelezen hebben, is dat de Heere Jezus opnieuw de stad binnenkomt,
de dag nadat Hij Jeruzalem op de ezel was binnengekomen,
dus de dag nadat Jezus als Messias de stad binnenreed.
Voor ons betekent dat, dat de eindtijd is aangebroken,
begonnen met de komst van Jezus in Jeruzalem, de Messias in de stad van God,
verder gegaan met het kruis en de opstanding,
uitziende naar de dag waarop de Heere Jezus weer terugkomt.
De eindtijd is aangebroken, de tijd van de Messias.
De Messias is in Zijn stad Jeruzalem.
Over die tijd, de tijd van de Messias, de Messiaanse tijd werd er gezegd
dat alle bomen het hele jaar door vrucht zullen dragen.
Vandaar wordt ook duidelijk waarom de Heere Jezus ervan uitgaat
dat de vijgenboom vrucht zal dragen.
Want in de tijd voordat het Pascha is, heeft de vijgenboom normaal gesproken
alleen onrijpe vruchten, vijgen in de knop.
Als Jezus in de boom kijkt, ziet Hij geen enkele vrucht, zelfs niet het begin van een vrucht.
Jezus ziet in de boom zonder vrucht het Israël van Zijn eigen tijd,
een volk zonder vrucht omdat het niet wil geloven in de Messias,
een boom met alleen het blad waarbij de vrucht van het geloof ontbreekt.
Dan zegt Jezus: er zal ook geen vrucht meer komen.
Jezus spreekt een oordeel uit over de boom:
niemand zal ooit nog iets aan deze boom hebben, vruchteloos en dood.
De volgende dag blijkt de boom ook helemaal dood te zijn, tot op de wortel.
Het ontbreken van de vrucht gaf het al aan
en nu is het voor iedereen duidelijk: al het leven is er uit. Dood.

Het is niet zomaar een spreuk over een willekeurige boom.
De vijgenboom staat voor het Israël van Jezus’ tijd.
Dat wordt zichtbaar als Markus daaraan het gebeuren in de tempel verbindt.
De tempel is de plaats waar het volk naar God toe kan gaan voor gebed.
De tempel is gebouwd op een berg,
omdat men geloofde dat deze berg de verbinding met de hemel is:
Ik hef mijn ogen op naar de bergen, omdat daar op de berg
er een toegang tot God is,
God daar troont en Zijn heiligdom heeft,
daar op de berg Sion kan ik naar de Heere toegaan met mijn gebeden.
Dan laat Jezus zien
dat over de tempel de schaduw valt van de dode boom,
de boom zonder vrucht, de vijgenboom die ook geen vrucht meer zal dragen.
Die boom dat is de tempel.
Dat is nogal wat: want de tempel is de plaats waar God is, waar Hij woont.
Waar er verzoening te vinden is voor de schuld,
waar gebeden kan worden tot God en God ontmoet kan worden.
En toch: hoe heilig ook, een plaats zonder vrucht.
Dat wordt ook zichtbaar als Jezus de tempel binnenkomt
en in grote woede ontsteekt.
Wat Hij ziet, is dat het gebed belemmerd wordt door wat er in de tempel gebeurt.
Voor het oog lijkt het een mooie oplossing wat er in de tempel gebeurt.
Degenen  die de tempel bezoeken, moeten een offer brengen
en als ze van ver komen, hebben ze dat niet zelf kunnen meenemen.
De mensen die de tempel betreden om te offeren
en de inwoners van Jeruzalem moeten geld betalen om de tempel in stand te kunnen houden.
Alleen het gebruikelijke geld dat men heeft is onrein en kan niet worden gegeven.
Dat geld moet ingewisseld voor geld dat zuiverder is
en wel voor de dienst van God gegeven kan worden.
Wat er alleen gebeurt, en daarom is Jezus daar zo boos, zo woedend over,
is dat het in de tempel gebeurt.
Uit de woorden die de Heere Jezus uitspreekt,
heeft men het vermoeden dat die hele markt zich afspeelt op het plein
waar de heidenen de tempel zouden kunnen bezoeken.
Heidenen die als de Messias zou komen ook naar de tempel zouden komen,
omdat ze gehoord hadden over de God van Israël
en in de verhalen die zij hoorden over de God van Israël was er iets gebeurd,
was er geloof gewekt
en zij zouden naar Jeruzalem komen om daar God te aanbidden.
Uitgerekend op de plek waar de heidenen toegang hadden tot de tempel
werd de markt gehouden
zodat de Joden een reine, zuivere eredienst konden houden.
Zij konden zonder gewetenswroeging, zonder beperking de tempeldienst bijwonen.
De heidenen moesten maar op een afstandje staan kijken.
Dat is wat Jezus zo woedend maakt.
Opnieuw een voorbeeld van hoe het dienen van God boven alles gaat,
Gods heiligheid werd hooggehouden, maar waarbij het ten koste ging van anderen.
De ruimte voor heidenen om tot God te gaan werden ingeperkt.
Wellicht onbedoeld, maar toch heeft het een inperking voor een ander.
Als ik God maar kan dienen op mijn manier, als ik maar met waarde gelaten kan worden.
Daarom komt Jezus in actie, om ruimte te maken voor gebed.
De tempel dient een huis van gebed te zijn, niet alleen voor de Joden, maar voor allemaal
voor iedereen op deze aarde die de God van Israël zoekt in gebed.
Gebed is nooit een solistische actie, waarbij het alleen maar om mijzelf en God gaat.
Gebed gebeurt altijd vanuit een gemeenschap, een gemeenschap van bidders
omdat al die bidders door God geschapen zijn
en het contact met God mogen en moeten zoeken.
Waar Jezus steeds mee overhoop ligt, is dat er alleen maar voor die ene lijn gekozen wordt:
de lijn tussen God en mij, tussen Gods volk en God,
waarbij alle anderen worden uitgesloten en geen ruimte krijgen hun gebed te bidden.
De Messias komt om opruiming te houden, een grote schoonmaak,
zodat er ruimte komt voor gebed, voor Israël en voor de heidenen.
Want je kunt wel proberen zelf zuiver te zijn in je gebed
maar als dat ten koste gaat van de band die de ander heeft met God gaat er toch iets mis.

Dan komen ze weer opnieuw langs de boom.
Nadat Jezus Zijn woede heeft laten zien in de tempel
en iedereen uit de tempel heeft gejaagd, van de verkopers tot de kopers toe.
Petrus weet zich nog te herinneren wat Jezus over die boom zei.
En misschien begint het bij Petrus te dagen: wacht, zou Jezus met die vijgenboom
Israël bedoelen of de tempel?
Kijk, meester, wat er met de boom is gebeurd.

Het antwoord van Jezus is verrassend:
geen oordeel over de tempel.
Geen bevestiging dat de tijd van de tempel voorbij is
en de dienst in de tempel vruchteloos en dood tot in de wortel.
Geloof, zegt Jezus.
Dat staat in één lijn met wat de Heere Jezus zegt
als de rijke jongeling weer weggaat omdat hij het niet kan opbrengen:
Wat voor God onmogelijk is, is mogelijk voor God.
Geloof! Schrijf het niet zomaar af.
Geloof dat God Zijn weg gaat
en dat die weg die God gaat, ervoor zorgt dat het koninkrijk van God komt.
Geloof dat elk gebed dat je bidt daarmee te maken heeft
met de komst van het Koninkrijk van God.
Niet dat wij dat koninkrijk dichterbij brengen.
Dat kwam Jezus brengen:
Het koninkrijk van God is nabijgekomen, bekeer u en geloof het evangelie.
Het waren de eerste woorden die Jezus uitsprak,
het begin van Zijn verkondiging,
de verkondiging die ook betekenis heeft voor ons gebed.
Ons gebed staat in het teken van Gods koninkrijk
en daarmee in het teken van de wederkomst.
Als wij bidden voor om eten, voor ons werk
bidden wij niet of wij een goed leven op aarde mogen hebben,
want het gaat niet alleen om het leven op aarde.
Maar dat leven op aarde heeft wel betekenis voor Gods koninkrijk
en daarom bidden wij om eten, bidden wij voor ons werk en voor alles wat wij doen.
Wij bidden om Gods koninkrijk en geloven dat God dat zal brengen
en dat alle belemmeringen uit de weg genomen worden.
en wij geloven dat ook ons dagelijks werk van betekenis is voor het koninkrijk van God.
Niet van het koninkrijk van God op aarde als een verlengstukje van ons bestaan nu,
maar van het koninkrijk van God dat Hij brengt,
dat begonnen is toen Jezus Jeruzalem binnenkwam, dat zichtbaar werd
toen Jezus stierf aan het kruis
en dat volledig zal zijn als Christus terugkomt op de jongste dag.
Wie bidt vanuit het geloof dat dat koninkrijk komt,
zal verhoring vinden.
We bidden dus niet om materiële welvaart als zodanig, los van Gods koninkrijk,
maar wij bidden dat God ons brood geeft,
omdat we weten dat wij van God afhankelijk zijn,
omdat we weten dat we het moeten hebben van wat God geeft
en dat ook ons werk door God gegeven wordt.
Wanneer we zo werken, is ons werk een onderdeel van het koninkrijk van God
omdat het ons afhankelijk maakt van God
en niet van ons salaris, van de waardering die wij er van krijgen hier op aarde
en zijn we dankbaar, omdat het God het is die het ons geeft.
Geef ons heden ons dagelijks brood – omdat we ook bidden: Uw koninkrijk kome.
Als je daarom bidt, als moet daarvoor een berg wijken
en verplaatst worden naar de zee omdat het anders een belemmering is
voor de komst van Gods koninkrijk en voor de Wederkomst,
dan zal God die belemmering weghalen.
Gods koninkrijk komt. Door niets en niemand tegengehouden
en ons gebed gebruikt God om zijn koninkrijk dichterbij te brengen.
Amen

Preek Biddag 2015 morgendienst

Preek Biddag 2015 morgendienst
Handelingen 16:22-34. Themadienst school & kerk

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste kinderen,

Vandaag is het biddag.
We hebben een aparte dag om wat extra aandacht te besteden aan bidden.
Jullie zijn nu vanuit de school hier naar de kerk gekomen
en er zijn ouders meegekomen,
omdat we bidden heel belangrijk vinden.

Bidden is heel belangrijk.
Daarom zijn we met z’n allen nu bij elkaar gekomen
om te bidden en om over bidden na te denken.
Als ik aan jullie zou vragen: ‘Wat is bidden?’

(dan zouden jullie zeggen: ‘Bidden is praten met God.’
Zo wordt dat meestal ook uitgelegd.)
Bidden betekent ook nog meer:
weten dat God bij je is, nu op dit moment, straks als je weer naar school terugloopt,
op school, thuis, op de fiets, in de auto, waar je ook maar bent.
Hij is altijd dichtbij.
Hij ziet je en Hij hoort je.
Hij raakt je nooit kwijt.
Met een telefoon kun je soms een slechte verbinding hebben of slecht bereik.
Als je ergens in een gebied bent met weinig huizen en veel heuvels of bergen.
Of als je door een tunnel rijdt.
Als je dan wilt bellen of dan op de telefoon of tablet bezig bent,
valt de verbinding of valt het internet weg.
Hebben jullie dat wel eens meegemaakt?
Met bidden kan dat ook wel eens gebeuren,
dat voor je gevoel de verbinding wegvalt, dat je geen bereik hebt.
Je zou wel bidden en iets aan God willen vragen
maar je denkt: mijn woorden komen nooit bij de Heere aan.
Bidden gaat niet lukken.
Dat gebeurt wel eens als je het moeilijk hebt.

En toch, God is ook dan bij je, in je hart en om je heen.
Je voelt dat niet altijd en toch is dat zo.
God is altijd dichtbij.
Zelfs als je denkt: hier kan God niet komen, dan is Hij er toch.
Zelfs al denk je net als Jona: ik zou wel naar het verste puntje op deze wereld willen gaan
waar niemand mij ziet en niemand mij kan vinden – ook daar is God.
Zelfs al zit je heel diep in de gevangenis weggestopt, zoals Paulus,
zelfs daar is God dichtbij. Hij is altijd dichtbij.
Ik heb nooit in de gevangenis gezeten en ik hoop daar ook nooit te hoeven zitten.
En dan is een gevangenis vandaag de dag nog heel schoon en netjes vergeleken met vroeger.
Waar Paulus en Silas worden opgeborgen, is het donker.
En als ze stil zitten, horen ze het geritsel van de muizen en de ratten
die over de vloer zoeken naar eten en drinken.
Het is er donker en vast ook heel koud, daar heel diep binnen in de gevangenis.
En omdat de Romeinen denken dat Paulus en Silas hele gevaarlijke mensen zijn,
worden Paulus en Silas ook nog eens met de voeten vastgebonden.
Ze kunnen nergens heen.
Ze kunnen niet lopen om eten te halen. Dat moet bij hen worden gebracht.
En heb je wel eens geslapen terwijl je vastgebonden ligt?
Ze kunnen tijdens hun slaap zich niet eens lekker omrollen of diep onder de dekens wegkruipen.
Ze moeten maar een beetje proberen om zittend te slapen.
En wat moet je doen als je de hele dag
en de hele nacht bent vastgebonden en geen kant op kunt?
En hoe moet je naar de wc als je niet van je plaats kunt?
Je kunt het moeilijk uren en uren ophouden.
Het was er donker en vies en koud en eng.
Het is niet de beste plaats om te zingen.
Of je moet dat doen om je angst een beetje weg te drukken.
Toch zingen Paulus en Silas en dan niet om hun angst te verdrijven,
maar omdat ze weten: God is altijd dichtbij, zelfs daar in de diepe gevangenis.
Ze weten niet wanneer ze er weer uit zullen komen.
Ze weten niet hoe lang ze daar moeten blijven
en zijn ze niet bang, want ze weten: God is ook hier in de gevangenis dicht bij ons.
En ze zingen in de diepe, donkere, vieze gevangenis zingen ze.
Ik zal zijn lof zelfs in de nacht, zingen omdat ik Hem verwacht.
Ze zingen omdat ze weten: God is hier.
Zou je dat doen: ‘s nachts zingen terwijl je niet weet of die nacht eens voorbij gaat
als je gevangen zit en je weet niet hoe het zal aflopen?
Kun je dat geloven dat God altijd bij je is, nu vanmorgen hier in de kerk
maar ook als je zo diep bent opgeborgen in een gevangenis?

Dat heeft Paulus ook niet van zichzelf.
Er is een kracht in Paulus en dat is de Heilige Geest.
Door de Heilige Geest vertellen Paulus en Silas steeds over de Heere Jezus
en kunnen ze zelfs midden in die diepe, enge kerker geloven

dat God daar bij hen is
en kunnen zij zingen, omdat ze weten: God is hier.
Door de Heilige Geest kunnen ook jullie weten
dat de Heere Jezus bij je is.
Altijd dichtbij.
Zelfs als er geen hulp komt, die er bij Paulus wel komt.
Want er komt bij Paulus en Silas een aardbeving
waardoor de deuren opengaan en de boeien losraken.
Zelfs als je niet merkt dat je geholpen wordt,
is God er toch bij.
Dat merk je dat je als je het moeilijk hebt je dan sterk bent.
Als je bijvoorbeeld moeite hebt met een toets
dan helpt de Heere je misschien niet door een voldoende te halen.
Als je door hard te leren toch een onvoldoende halen,
dan kan de Heere je helpen doordat je na een onvoldoende toch verder gaat
en dat je niet gaat denken: het kan me allemaal niets schelen, het heeft toch geen zin.
De Heere is er niet alleen als het goed met ons gaat.
Altijd is Hij dichtbij.
Ook als we het niet zo goed gaat, met onszelf, met onze resultaten op school,
als je ruzie hebt met je ouders of iets verkeerds hebt gedaan.
Soms verandert er wel iets voor je.
Dat het weer goed komt met je ouders.
Of als ze je willen vergeven.
Dan merk je helemaal dat God dichtbij is.
Altijd is God dichtbij.
Zelfs in de gevangenis bij Paulus en Silas.
Omdat God daar ook was, konden ze zingen.
De andere gevangenen hebben naar hun zingen geluisterd.
Dat is ook wat!
Zit je in een donkere cel, misschien al wel maandenlang
en dan hoor je iemand zingen.
Niet schreeuwen of vloeken, hard tekeer gaan,
maar zingen omdat ze weten God is er ook.
Ook bij ons in de donkere, vieze cel.

Er is geen enkele plek op aarde waar de Heere niet kan komen.
Ook in de gevangenis kan Hij komen.
Ik hoop niet dat je daar ooit komt,
maar zelfs al kom je daar en zelfs al is het je eigen schuld
dat je naar de gevangenis toe moet
en zegt iedereen: We willen niets meer met je te maken hebben, dan is God er toch.
Hij zegt niet: Ik blijf bij je weg. God is altijd dichtbij.
En dat geldt voor ons allemaal: Hij is altijd dichtbij.
En dat is Hij, zodat wij Hem niet vergeten
en wij durven bidden tot Hem
en dat we aan Hem denken
en dat we ons sterk voelen – ook al hebben wij dat niet van onszelf maar door de Heilige Geest.
Hij is altijd bij ons. Amen

Preek zondag 8 maart 2015

Preek zondag 8 maart 2015

Bediening Heilige Doop
Markus 4:1-9 en 26-29

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Voordat jullie kind werd gedoopt, hebben jullie enkele vragen beantwoord.
Deze vragen over God en over jullie.
Jullie als ouders hebben de belofte afgelegd dat je met je kind zult spreken
over God en over Zijn werk in hun leven.

Dat is een hele verantwoordelijkheid die je op je neemt.
Veel doopouders voelen die verantwoordelijkheid ook op zo’n doopdag
en jullie zullen die verantwoordelijkheid vast ook voelen.
Je vraagt je bij jezelf af:
‘Hoe kan ik mijn kind over de Heere vertellen,
zodat mijn kind ook van de Heere Jezus gaat houden,
zodat God ook in het leven van mijn kind zal zijn.’

Daarom is van groot belang wat God in de doop doet:
Hij geeft de belofte dat Hij voor altijd met je kind bezig is.
Dat deed Hij al voordat je kind geboren werd.
Voor onze geboorte heeft God al een bestemming voor ons,
zoekt ouders bij ons uit, kent Hij onze levensweg.
Vanmorgen heeft de Heere bij de doop tegen je kind gezegd:
‘Ik ga met jou mee, op jouw reis door het leven.
Tijdens heel jouw levensreis ben ik jouw God, jouw Herder.
Vandaag, op deze belangrijke dag waarop je de doop ontving
en op elke dag die volgt, ben ik erbij.
Ik heb je geschapen. Ik zal je zonden vergeven. Ik zal zorgen dat je in Christus gelooft.’
Hij zegt dat ook tegen jullie als ouders,
zodat je bij de belofte die hebt afgelegd
en de verantwoordelijkheid die je voelt,
ook mag geloven dat je door de Heere gesteund wordt.
Je mag erop vertrouwen
dat de Heere zelf met je kind bezig zal blijven.
Hij zal daarvoor jullie als ouders gebruiken.
Als je uit de kinderbijbel leest en later uit de Bijbel zal dat als zaad in hun hart strooien.
Als je met je kind zingt en je kind later de liedjes overneemt
en het op allerlei momenten zingt, achter op de fiets, midden in de winkel, in huis
mag je zien dat het zaad dat gestrooid is al aan het ontkiemen is.
Ook vanmorgen met de doop wordt er gezaaid in het leven van je kind.
Het heeft niets door en toch valt er al wat in het leven van je kind,
wordt er gezaaid.

c5~VGM_F830
Er wordt gezaaid in het leven van je kind – nu al
en ook in jullie leven als (doop)ouders en bij iedereen die er vanmorgen getuige van is.
Er zijn verschillende zaadjes die gestrooid worden vanmorgen:
woorden die gezegd worden, liederen, het ja-woord van jullie, de aanwezigheid van je kind,
en vooral de belofte van God die weer zichtbaar wordt
nu jullie kind de doop ontvangt. God belooft en Hij maakt Zijn belofte ook waar.

De Heere Jezus vertelde over een zaaier die over de akker loopt
om zo aan ons duidelijk te maken hoe God in ons leven werkt.
Hij doet dat door een verhaal te vertellen over een zaaier die zaad strooit
en dat verhaal is ook al een zaadkorrel dat gestrooid wordt in ons hart.
De Heere Jezus vertelt veel vaker gelijkenissen.
Dat zijn verhalen die wij zo voor ons zien gebeuren.
Maar in al die verhalen gebeurt er iets onverwachts,
iets wat niet klopt, waarvan we zeggen: ‘hè? Wat gebeurt er nu?’
En als we daarover nadenken, begrijpen we iets meer van hoe God werkt
en als het kwartje valt, als we het snappen,
is dat een zaadje dat ontkiemt en in ons hart begint te groeien.

De Heere Jezus vertelt over een iemand die zaad uitstrooit over een akker.
Dat is al bijzonder: het werk van God is vergelijkbaar met kleine korrels.
Ik heb een zakje met zaad meegenomen.
Het is voor u, voor jullie in de kerk eigenlijk niet te zien.
Als ik grotere zaden had meegenomen, had u, had jij het ook niet kunnen zien.
Wat God doet is soms maar heel klein. Je ziet het bijna niet
en je merkt het nauwelijks.
We zouden vaak veel meer willen merken van wat God doet in ons leven
en we zouden veel meer willen zien van wat God doet in het leven van onze kinderen.
Vaak is wat er gebeurt niet meer dan een klein zaadje dat wordt gestrooid,
waarna er niet direct iets zichtbaars is.
Dat het zaad ontkiemt, blijft voor ons verborgen.
Dit zaad dat ik meegenomen heb, kan ik ook gaan zaaien.
Het is de bedoeling dat er uit deze zaadjes rucola groeit, een soort sla.
Dit zaad moet ik in goede aarde strooien: goede, zwarte aarde.
Ik kan het niet hier op de stenen gooien, want dan gebeurt er niets mee.
Ik kan het ook niet in een zandbak gooien, want dan heeft het geen voeding om te groeien.
Het heeft de donkere aarde nodig en water en zonlicht.
Als ik het zomaar ergens zou gooien, bijvoorbeeld op de stenen of in de zandbak,
dan zal er vast iemand zijn die denkt:
zonde, dat had je veel beter ergens anders kunnen strooien.

Dat denken de mensen ook als de Heere Jezus het verhaal over de zaaier vertelt.
Ze kennen het begin: ze kunnen dat goed begrijpen, zo’n zaaier.
Want dat zullen ze zelf ook gedaan hebben op het kleine stukje dat ze bij huis hebben.
Het is voor hen, eenvoudige mensen, kostbaar spul,
want het is voor hen eten en het geeft hen volgend jaar eten.
Nu kunnen ze er brood van bakken, maar als ze alles opmaken,
hebben ze volgend jaar niets om te eten.
Als ze het op een verkeerde plaats strooien, zijn ze het gewoon kwijt.
Dan kunnen ze er dit jaar niet van eten en dan geeft het hun volgend jaar geen eten.
Als ze naar de Heere Jezus luisteren, horen ze over een zaaier
die het kostbare zaad zomaar ergens neergooit, waar zij het niet zouden zaaien:
langs de weg waar je met de ploeg niet komt
en in het kleine laagje grond waaronder een harde steenrots zich bevindt
en tussen de distels en de doornen,
plaatsen waarvan ze zelf weten: daar moet je niet zaaien, want dan heb je er niets aan.
De Heere Jezus wil daarmee aangeven
dat God heel royaal zaait, verkwistend zelfs.
Dat Hij zaait in het leven van mensen, waarvan wij zeggen: Dat moet je niet doen,
daar levert het niets op.
en toch zaait God daar op die plaatsen, terwijl Hij kan weten
dat het Hem daar geen oogst geeft.
Als de mensen rondom de Heere Jezus dat zouden zien van hun buurman
die zo zou zaaien of van een grote boer uit de buurt, zouden ze hem uitlachen
en zeggen: die heeft er geen verstand van.
Maar kun je dat van God zeggen: Die heeft er geen verstand van.
God doet maar wat. Hij zaait op veel plekken, waar er helemaal niets zal gebeuren.

Hij zaait langs het pad, waar de korrels bovenop de grond blijven liggen.
Er komt een zwerm vogels aan en die pikken die zaadjes op.
Dan kun je nog zeggen: na het zaaien gaat de boer ploegen.
In het Midden-Oosten gaat iemand eerst zaaien en daarna pas ploegen
om de graankorrels onder de grond te laten komen.
Dat zijn mensen die vol zijn van iets anders. Die niet willen luisteren naar God
en aan God geen boodschap hebben.
Zijn die er vanmorgen in de kerk?
Van wie het hart helemaal dicht zit en van God helemaal niets willen horen?
Als je over God vertelt, is het al weg voordat het echt in hun hart komt.
Het blijft aan de oppervlakte.
Het is heel verleidelijk om als predikant zo over de gemeente te denken:
je zaait het zaad van Gods Woord, maar het wordt al weggepikt
tijdens catechisatie, of nu tijdens de preek.
Of als ouder bij de opvoeding van je kind:
Je vertelt over de Heere, je leert liederen aan, je brengt hen naar de clubs
en je ziet er niets van. Zaad dat langs de weg wordt gestrooid?
Juist dit verhaal roept ons voorzichtig te zijn en geduld te hebben.
Ik heb meegemaakt dat zaad dat gestrooid werd,
tientallen jaren bleef liggen en na al die tijd toch begon te ontkiemen:
een vrouw van eind 50; na haar trouwen nooit in de kerk geweest.
ze wordt ziek en het gaat hard achteruit
en vlak voor haar einde laat ze een predikant komen
omdat ze behoefte heeft aan een woord over God.
Een vrouw, ze krijgt de boodschap dat ze ernstig ziek is
en wordt radeloos.
ze probeert zich aan elke strohalm vast te klampen: aan kuren, drankjes, aan van alles.
Het lukt haar tijdens haar ziekte niet te bidden.
Als er echt niets meer aan te doen is en er geen strohalm meer is om aan vast te klampen,

verwacht iedereen dat ze nog wanhopiger wordt.
Maar juist dan gaat een zaadje ontkiemen dat misschien wel 50 jaar eerder is gestrooid:

een preek die zij hoorde als meisje en ze geeft zich over,
niet aan de wanhoop, maar aan God

en vol uitzicht op haar God leeft ze de laatste weken van haar leven
en sterft met verlangen om Hem te zien.
Denk als ouder, als opvoeder, als ouderling, als predikant niet te snel,
dat het zaad wordt weggepikt, want zaad kan tientallen jaren blijven liggen,
een zaadje dat niet is weggepikt door de vogels.
Soms kun je als ouder, als opvoeder denken dat het nutteloos is wat je doet.
Ik liet niet voor niets psalm 40 zingen: over oren die doorboord worden.
Wanneer er zoveel om ons heen is dat ons afleidt,
of dat onze iPhone in de kerk is, de drukte in ons hart,
God doorboort onze oren.
Zoals bij een kind dat buisjes in de oren krijgt beter kan horen
omdat het vocht uit de oren wordt weggehaald.
Het is wel een waarschuwing.

dyn004_original_610_458_pjpeg_2530379_1998b3639b50605d6e9d4fd372e13949

De zaaier zaait ook in een dun laagje grond, waaronder een harde laag van steen is.
Je zou van de zaaier toch wel mogen weten, dat het zaaien daar geen zin heeft.
Dat hij eerst eens heeft geprikt met een stok hoe diep de stenen zitten
en dat hij het kostbare zaad niet verspild aan dat stukje grond.
God is een verspiller, zegt Jezus, en ook dit stukje slaat hij niet over.
God strooit royaal, hoe weinig ruimte er ook voor het geloof is om te ontkiemen.
Ook al kan het in jullie harten nauwelijks wortel schieten

en is het snel afgestorven, God zaait toch. Zo is God: royaal, verspillend en verkwistend.
Aan wie moeten we hier denken?
Aan mensen die eerst vol enthousiasme zijn, zich aangesproken voelen,
maar afknappen op het karakter van het Koninkrijk van God:
Het werk van God als zo’n klein zaadje dat je strooit en soms jarenlang blijft liggen
zonder dat het ontkiemt? Het werk van God moet groots en meeslepend zijn.
Ze knappen af op het onzichtbare, het uitblijven van snel resultaat, van de teruggang.
Het zijn degenen die best vol van God willen zijn,
maar daar niet een te grote prijs voor willen betalen.
Die dat maar liever voor henzelf of voor hun kinderen verbergen
dat geloven ook te maken heeft met kruisdragen en zelfverloochening, de minste willen zijn,
vergeving, tijden van Godverlatenheid.
Bij tegenslag knappen ze af,
hun geloof breekt stuk als ze een tijdje meedraaien in de kerk en dan ontdekken wat de kerk is.
Is dat geloof? Is dat de kerk?
Of hun geloof breekt stuk op wat ze meemaken.
Als er iets ingrijpends gebeurt en ze het niet kunnen rijmen met God.
Van mij hoeft het niet meer en de herinnering aan die tijd waarin ze wel geloofden
is een bittere herinnering.
En toch zaaide God bij hen het zaad van Zijn woord,
slaat Hij hen niet over, terwijl Hij toch wist dat ze eens over Hem zullen vallen.
Ook als ons hart geen vruchtbare grond is, slaat God ons hart niet over.
Hij zaait en zaait en zaait. Verkwistend en verspillend, royaal.
Want zou God die rotsachtige grond niet kunnen omploegen, zodat er ruimte komt?

Ook tussen de doorns en de distels. Verspild zaad, want er is daar geen ruimte om te groeien.
De doornen en de distels houden het zonlicht tegen en pakken het grondwater af.
Het zijn de distels van zorgen die zo kunnen woekeren in ons hart
en de doornen van de neerslachtigheid die kunnen prikken en verstikken.
Het zijn de doornen van de welvaart waardoor we geen zicht meer hebben op God
en zonder dat we het doorhebben ons leven in het donker laten afspelen

en ons geloof verstikken.
Een leven zonder hoop op God en toch zaait God daar,
wetend dat het zou kunnen verstikken, wetend dat er geen ruimte is
en geen behoefte.
Het is wel een waarschuwing aan ons:
het zaad dat gestrooid wordt, kan ontkiemen en toch verstikken
omdat we niet in Gods licht leefden en ons verlangen naar iets anders uitging.
En toch zaait God hier: royaal, verkwistend en verspillend. Hij lijkt wel niet wijs!
en toch: zou God die doornen en distels niet kunnen wegschoffelen
zodat er wel ruimte is voor Zijn licht?
Makkelijk is dat niet altijd, want je raakt er wel wat mee kwijt
waar je leven zo vergroeid mee was,
je moet misschien een stap terug doen
en pas als je een eind gegroeid bent door Gods licht, begrijp je waarom
de doorns en de distels werden weggeschoffeld.

Is er dan wel zaad dat ontkiemt?
Als het werk van God zo klein is als een zaadje
dan is het toch geen wonder dat het werk van God niets oplevert?
Verspilde moeite voor niets?
En toch: ook op het eind zit iets verrassend.
Normaal gesproken brengt een zaadje het dubbele op, soms wel meer.
Als je een oogst hebt van 7x van wat je zaaide, heb je een heel goede oogst.
Deze zaaier zaait en het wordt een oogst van 30x zoveel, 60x zoveel, 100x zoveel.
Royaal is het gebaar van zaaien en veel gaat verloren
en toch is de opbrengst zo overweldigend groeit
en dat in ons leven.
Je denkt als ouders: als mijn kinderen er maar wat van meekrijgen
en misschien zijn er in mijn klas enkele kinderharten
waarin ik wat zaad van de Heere Jezus kan strooien
een enkele collega die erover na gaat denken.
Uit ons geloof, door het zaad dat God strooit in ons hart,
komt een overweldigende en overvloedige oogst.

recessie-scheidt-het-kaf-van-het-koren_624_320_c1

Het wordt wellicht met tranen gezaaid, maar met gejuich geoogst.
Onooglijk klein begint het en toch een rijke oogst.
Ik heb de verhalen gehoord van het kleine begin.
Een jong meisje, niet opgegroeid in een christelijk gezin
hoort pas van de Heere Jezus tijdens een vakantie omdat er een echtpaar is
dat vertelt uit de Bijbel op de camping.
ze hoort de verhalen en ze hoort dat een van hen tegen hen zegt:
Jezus kan ook in jouw hart komen, vraag er maar om en dan komt hij.
enkele jaren later zit ze in de bus en komt dit bij haar boven
en ze vraagt of Jezus in haar hart wil komen.
De vrouw weet wellicht niet meer dat ze dit ooit heeft gezegd.
In de vorige gemeente was de evangelisatieactie een kerkdienst in het park op zondagmorgen.
In mijn beleving had dit geen enkel nut,
want er kwam niemand uit het dorp.
Totdat ik vorig jaar, bij een gastbeurt in de gemeente,
aangesproken werd: ‘was u die dominee die de parkdienst leidde?
Ik kreeg toen een magneetje met de tekst: God is dag en nacht bereikbaar.
5 jaar hing dat op mijn koelkast en al die tijd zag ik het
Na 5 jaar dacht ik: nu moet ik er meer van weten
en heb toen onze huidige dominee gebeld.
Vanaf die tijd ga ik elke zondag weer naar de kerk.’
Als ouders zaai je in het leven van je kind
en je weet niet wat het zal brengen,
God belooft dat het niet voor niets zal zijn, zelfs een enkel zaadje kan genoeg zijn

al ligt dat 50 jaar te rusten in de grond van ons hart.
Het kan ontkiemen op Gods tijd.

avondmaal5

Als Hij de akker van het hart omploegt, als Hij het laat ontkiemen, jaren geleden gezaaid.
Het komt op en terwijl wij niet meer wisten dat het was gezaaid,
ontkiemde het en bracht het op: 30voudig, 60voudig of 100voudig.
Dat is jullie houvast: Gods woord keer niet leeg, zonder effect terug,
maar zal doen wat God opdraagt. In jullie leven en in dat van jullie kind.
Amen

Preek zondag 1 maart 2015

Preek zondag 1 maart 2015
Markus 7:1-23
Tekst: vers 20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als we zo in de kerk zijn, hebben we al heel wat conclusies getrokken
op basis van wat we hebben gezien.
Als u vroeg in de kerk was, hebt u verschillende mensen zien binnenkomen.
Kerkgangers die u altijd ziet en op hun vaste plaatsen gaan zitten.
Gemeenteleden die voor het eerst na lange tijd weer aanwezig waren in de kerk.
Bij wat we zien, trekken we vaak onze conclusies.
Als iemand lang niet is geweest, kunnen we denken:
‘Fijn dat hij er ook is.’ Of: ‘Het was tijd dat hij weer kwam, want hij is al lang niet meer geweest.’
We kijken niet alleen, maar verbinden er ook een mening, een commentaar, een conclusie aan vast.
Als u voor uzelf nagaat, hoeveel conclusies u al getrokken hebt
op basis van wat u gezien hebt, kunnen dat er al heel wat zijn.

De Heere Jezus zal het de Farizeeën voorhouden:
Kijken doe je met je ogen; je neemt de wereld om je heen waar, je ziet van alles.
In het hart wordt de mening gevormd over wat je ziet.
Een commentaar, een conclusie komt uit het hart.
Met onze ogen zien we dat iemand de kerk in komen
en met onze ogen hebben we de vorige keer gezien dat hij er niet was.
Vanuit ons hart komt er een commentaar bij, een conclusie:
‘Fijn dat hij er weer is.’
‘Het werd tijd dat hij weer eens kwam.’
Het commentaar dat wij bij onszelf geven, laat zien hoe ons hart is.
De Heere Jezus wijst erop hoe belangrijk ons hart is voor ons kijken naar anderen,
naar de wereld waarin wij leven, in de mening die wij hebben, het commentaar dat we geven.
Ons hart, dat is de bron van alles wat we doen.
Als wij zeggen dat iets uit ons hart komt, bedoelen wij dat positief.
Als wij zeggen: Hij spreekt recht uit zijn hart, dan bedoelen we dat iemand oprecht is,
authentiek, zichzelf.
Als de Heere Jezus op ons hart wijst, zegt Hij juist: het hart is het probleem,
daar gaat het mis.
Van buiten kun je heel vroom zijn, heel gelovig, maar in je hart kun je heel anders zijn.
Er is niemand die dat ziet, want niemand kan zoals de Heere Jezus in je hart kijken.
Daar in ons hart gaat het is en dat komt naar buiten,
soms zichtbaar in verkeerd en zondig gedrag,
soms meer verborgen in hoe wij anderen beoordelen en becommentariëren,
of als we ons eigen leven vergelijken met dat van een ander.
Ons hart is onbetrouwbaar, als het gaat om het commentaar op wat we zien,
maar ook in onze omgang met God.
Dan kunnen we heel veel regels bedenken, elkaar manieren aanleren
om naar God toe te gaan, maar als ons hart niet gereinigd is,
camoufleren wij onszelf naar God toe,
houden wij de schijn op voor God, voor de mensen om ons heen en ook voor onszelf.
We kunnen aan de buitenkant, voor het oog van anderen heel gelovig zijn,
maar van binnen, in ons hart, kan het mis zijn.
Dat is geen menselijk inzicht, wat we zelf ontdekken,
maar verkondiging die de Heere Jezus voorhoudt.

Daar wijst de Heere Jezus op in het gesprek met de Farizeeën
die helemaal uit Jeruzalem zijn gekomen.
Ze zijn gekomen omdat ze in Jeruzalem hebben gehoord over Jezus
en wat kun je beter doen dan zelf poolshoogte te nemen
en met je eigen ogen te kijken wat er gebeurt?
Hun komst vanuit Jeruzalem naar Galilea laat zien
dat ze betrokken zijn op de dienst van God, bewogen met het volk Israël.
Farizeeën zijn mensen die een passie hebben voor God,
voor de heiligheid van God.
Het is hun verlangen dat iedereen van het volk Israël leeft met het besef
dat God een heilig God is.
Vroom waren ze, serieus en eerbiedig.
Bij elke stap die ze zetten, waren ze zich ervan bewust dat God er is
en dat ze zo moesten leven dat ze God elk moment konden ontmoeten.
Ze wisten dat ze de Heere niet zomaar onder ogen konden komen, zondige mensen als ze zijn.
Voordat ze in gebed gingen, voordat ze naar de tempel of de synagoge gingen,
voordat ze lazen uit de heilige rollen met de woorden van God,
reinigden ze zichzelf, vanuit het besef dat veel in deze wereld onheilig is.
In deze onheilige, zondige wereld had God één volk uitgekozen om anders te leven,
en dat anderszijn van het volk Israël had te maken met het dienen van de Heere.
Heel het volk moest heilig leven en dat niet alleen op één dag, de sabbat, maar op elke dag.
Het wassen liet dat zien: Wie zichzelf waste, liet zien
heilig te willen leven, niet alleen voor een enkele dag, maar voor elke dag,
met elke stap en met elke beweging God willen dienen, totale overgave.

Het kan zijn dat de Farizeeën in Jeruzalem hebben gehoord
dat Jezus heel anders is, veel gemakzuchtiger
en dat Jezus zijn discipelen geleerd heeft dat ze niet zo heilig hoeven te leven,
dat het niet uitmaakt, dat je de Heere halfslachtig dient.
Het heeft iets moois dat de Farizeeën komen,
want dat laat zien dat ze bewogen zijn, in ieder geval met het volk Israël.
Jezus zet zijn volk toch niet op het verkeerde been?
Jezus is toch geen verleider die het volk Israël door mooie verhaaltjes bij God vandaan leidt.
Ze moeten het zelf zien.
Ze zeggen niet: het kan ons niet schelen, het is onze zaak niet wat Jezus doet.

Ze komen kijken, met hun eigen ogen.
Ze zien dan iets bij de discipelen wat hen zorgen baart.
Ze zien dat discipelen, voordat ze eten, geen handen wassen.
Dat is wat hun ogen zien
en in hun hart volgt het commentaar, wordt de conclusie getrokken:
die paar leerlingen van Jezus gedragen zich als heidenen.
Weet Jezus wel wat Zijn discipelen doen?
Weet Jezus dat Zijn leerlingen leven alsof God er niet toe doet?
De buitenkant van de discipelen, in de handelingen die zij verrichten
laten de discipelen heel duidelijk zien dat ze met hun hart
de Heere, de heilige God niet willen dienen.
Daar moet toch wat van worden gezegd?
Dat zou toch een vorm van onverschilligheid zijn als je daar je mond over houdt?

Als ze bij Jezus komen, is het antwoord van Christus heel scherp:
Jullie dienen God zelf niet,
ja wel aan de buitenkant, maar in jullie hart is het goed mis.
Jullie hart is zo hard, dat er geen plek is voor God.
Ja, je camoufleert dat door een schijn op te houden van een vroom leven,
maar achter de buitenkant, is er een binnenkant, je hart die waar iets goed mis mee is.
Jullie lippen spreken wel vrome woorden die aan God gericht zijn,
maar ze komen niet uit je hart.
Jullie nemen een houding van gebed aan, maar je opent je hart niet voor God.
Je zoekt God in het gebed, maar niet om je oren te openen om te horen
wat God van jullie vraagt.
Bij alles wat je doet, houd je jezelf en je hart achter.
Scherpe woorden uit de profetie van Jesaja,
en Jezus zegt: ze gelden nog steeds voor jullie.
Ondanks alle vroomheid die je aan de dag legt, is jullie dienen van God tevergeefs.
Jezus gebruikt een woord dat wij ook in onze taal kennen en dat alles zegt: hypocrieten.
Een hypocriet is eigenlijk iemand die toneelspeelt.
Je bent het zelf niet, je speelt een rol.
Onder elkaar kunnen we heel goed een rol spelen
en dat kunnen we lang volhouden.
Iemand kan voor het oog een heel gelukkig leven leiden, aan de buitenkant,
maar diep van binnen ongelukkig zijn, in zijn of haar huwelijk.
Omdat er niemand is om over te praten, of je wilt of de kunt de problemen.
Je kunt dan heel lang toneelspelen, ook omdat er geen andere keuze is.
Ook in ons wat betreft ons geloof kunnen we toneelspelen.
We kunnen doen alsof we heel vroom zijn, alsof we elke dag bezig zijn met God
en heel ons leven in Zijn dienst willen zijn
en toch kan het toneel spelen zijn, omdat we onszelf niet zijn,
onszelf verbergen, camoufleren voor God.
Misschien doe jij dat wel, uit angst, omdat je bang bent voor de heiligheid van God
en bang iets verkeerds te doen waardoor God toornig op je wordt.
Of je doet het omdat je vindt dat het zo hoort.
Je hebt het op deze manier van je ouders geleerd, het is een traditie in de familie
en alles wat daar van af wijkt, wordt met kritische ogen bekeken:
Kan dat wel dienen van God zijn?

Het verwijt van Jezus dat de Farizeeën toneel spelen, heeft hier te maken
met hoe de Farizeeën omgaan met Gods geboden.
Ze hebben een heel bouwwerk aan regels en geboden opgetuigd
om de indruk te wekken dat ze God willen dienen met heel het bestaan.
Het is positief bedoeld: hun liefde, hun ontzag voor God staat boven alles.
Hij heeft recht op heel hun leven, heel hun bestaan, alles wat ze hebben
en toch is het hypocriet – toneel  – voor de Bühne.
Want juist door het ontzag voor God op zo’n hoog niveau te plaatsen,
halen ze juist een door God gegeven gebod onderuit.
De Farizeeën hadden de mogelijkheid geschapen dat iemand al zijn bezit zou geven aan God.
Als teken dat hij heel zijn bestaan aan God wijdde.
De man die al zijn bezit en al zijn geld had afgestaan voor de dienst van God
was niet meer in staat om voor zijn ouders te zorgen.
Dat was niet mooi, maar het dienen van God was het belangrijkste.
Geloven is nu eenmaal keuzes maken met soms verstrekkende gevolgen.
Soms tegen de ouders in.
Daarover zegt Jezus: Dan doe je zelf alsof God er niet toe doet
en ben je, hoe gelovig aan de buitenkant, ook een heiden,
hoe vroom en toegewijd je levensstijl ook is.
Het gaat om de vraag wat een heilig leven, en wat het van mensen mag kosten
om toegewijd te zijn aan God.
Hoe heilig moet je leven?
Jezus stelt die heiligheid niet ter discussie
en het is Hem er ook niet om te doen om alle regels af te schaffen,
want regels, rituelen kunnen juist ook helpen om met God te leven
en in het dagelijks leven iets van God te ervaren.
In onze tijd juist te veel regels, rituelen afgeschaft.

Jezus is niet gekomen om die regels af te schaffen
en zeker niet de wetten van God,
maar is gekomen om de radicaliteit van Gods wetten aan te tonen.
die wetten gaan over ons en over ons hart, wat er diep van binnen in ons leeft.
Als wij regels hebben, waarbij we onszelf buiten schot houden
en doen alsof er met ons hart niets mis is, dan zijn we de hypocrieten waar Jezus over spreekt.
Spelen we toneel voor God, voor de mensen om ons heen.
Want vaak is ons hart het probleem waardoor we niet voor God kunnen verschijnen.
Want wat komt er allemaal uit ons hart naar voren?
De Heere Jezus zegt het later tegen de discipelen – als de Farizeeën weg zijn:
Wat uit de mens komt verontreinigt de mens, besmet ons
en juist wat uit ons hart komt, zorgt ervoor dat we niet voor God kunnen verschijnen.
We kunnen dat wel camoufleren naar anderen toe
en we kunnen van onszelf wegkijken en net doen of het er niet is in ons,
maar voor God kunnen we geen toneel spelen, geen schone schijn ophouden.
Alle mooie vormen om God te dienen, ze helpen ons niets
als er met ons hart niet gebeurt.
Als de bron verontreinigd blijft, is ook ons denken, ons handelen besmet,
het werkt daarin door.
We kunnen ons wel beschermen tegen verkeerde invloeden van buiten,
maar zegt Jezus: het echte kwaad zit binnen in ons, in ons hart,
daar gaat het mis, daar moet wat gebeuren.
Daar waar kwade overwegingen gebeuren, waar overspel en losbandigheid hun oorsprong vinden,
waar bedrog geboren wordt, waar afgunst en jaloezie ons vergiftigen en gek maken,
van waar roddel wordt doorgegeven, hoogmoed en dwaasheid ons overmeesteren.
Onze beste werken zijn met zonde bevlekt.
Zelfs in het werk voor God en de kerk, zelfs in ons gebed, in ons lezen van Gods woord
gaat het door.

Een vrouw in de kerk stoort zich aan de jongeren voor haar, die met hun telefoontjes bezig zijn.
Ze kucht een paar keer en vervolgens stoot ze hen aan en zegt:
Dat hoort niet in de kerk en bovendien, ik kan niet naar de preek luisteren.
Thuisgekomen, vertelt ze vol verontwaardiging wat ze meemaakte in de kerk
maar in één adem vertelt ze de nieuwste roddel door die zij heeft gehoord.
Een man is er op tegen dat er een andere Bijbelvertaling wordt gebruikt in de kerk,
omdat de nieuwe vertalingen afbreuk doen aan de heiligheid van God
en is bereid daar alles voor te geven,
maar is als ondernemer onbetrouwbaar.
Een ouderling vermaant tijdens huisbezoek een echtpaar dat niet meer naar de kerk komt,
maar thuis is hij te trots om van zijn vrouw te kunnen horen dat het niet goed gaat met hun relatie.
Met andere woorden: de heiligheid van God heeft ook consequenties voor ons dagelijks leven,
Voor hoe we met elkaar omgaan en vooral de intenties waarmee we het doen.
Wat er vanuit ons hart allemaal bedacht en becommentarieerd wordt
en ik kan wel van u gaan denken dat u het als gemeente niet goed doet,
maar laat ik ook zien wat er in mijn hart leef – dat ik mijzelf boven u als gemeente verhef.
Ik ben Jezus niet, die het u vertelt wat er in uw hart mis is.
Ik geef alleen Jezus’ woorden door en die gelden voor mij net zo goed.
Het ambt maakt het hart niet bij voorbaat zuiver.
Het ambt geeft alleen nog een extra reden om geen genoegen te nemen
met een onzuiver hart vol zonde.
Onreinheid, aantasting van Gods heiligheid komt van binnen uit
en daar kan een vrome houding, een heilig ritueel niets aan veranderen.
we dragen dat in ons mee.

Dan houdt Jezus op en verlaat het toneel naar heidens gebied: Syro-FeniciË.
Hij laat ons achter met de vraag: Wat moet er met ons hart gebeuren?
Zo kan het toch niet?
Wie maakt er schoon schip in ons hart?
Markus geeft geen antwoord en wijst erop dat Jezus het toneel verlaat.
Ik denk dat hij dat bewust aangeeft
om daarmee te laten zien dat de noodzaak van bekering, de zondekennis
niet aangepraat kan worden,
maar door onszelf wordt gerealiseerd
en dat we roepen om Jezus:

Heere Jezus, u wijst ons op ons hart.
Wij kunnen ons hart niet reinigen.
We kunnen het alleen maar zoeken buiten onszelf, zoals de doop laat zien.
We zoeken het bij u
Maak ons hart rein – door Uw bloed – van alle zonden.
Schenk ons een rein hart, zodat we tot u kunnen naderen
en ook in ons dagelijks leven leven met en voor U.
Tot eer van God en tot dienste van onze naaste.
Amen