Megatrend religie of megatrend “God is uit beeld”?

Megatrend religie of megatrend “God is uit beeld”?

Is er sprake van een terugkeer van godsdienst? Volgens (godsdienst)sociologen en praktisch theologen wel. In hun ogen zou de kerk moeten aansluiten bij deze “megatrend religie”. Is dat wel zo verstandig? Ulrich H.J. Körtner bekritiseert deze suggestie: de megatrend religie is een zeepbel die door deze sociologen en theologen zelf is gecreëerd. Er is volgens hem wat anders aan de hand: men weet niet meer waar het om gaat bij godsdienst of God. Er is geen sprake van bloei van spiritualiteit, maar een opmars van syncretisme en een onverschilligheid als het gaat om God. Volgens Körtner kan men net zo goed spreken van een megatrend God is uit beeld.

Er zijn verschillende ontwikkelingen tegelijkertijd aan de hand. Mensen zijn minder betrokken bij een godsdienstig instituut. Zij zijn in hun doen en laten, in hun denken en levensbeschouwing niet meer zo nadrukkelijk gevormd door een duidelijke traditie dan voorgaande generaties. Er is een multireligieuze samenleving ontstaan, die zeker voor jongeren de samenleving is waar zij in leven en zich niet aan kunnen onttrekken. Al deze factoren hebben er voor gezorgd, dat veel mensen geen duidelijk beeld meer van godsdienst of God hebben ontvangen van ouders, leerkrachten en andere personen die van belang zijn bij de opvoeding.
De kerken zijn daardoor onzeker geworden. Wat moeten zij doen om mensen te behouden als lid? Wat moeten zij doen om mensen (of ze nu wel betrokken zijn of niet) bereiken met een boodschap? En welke boodschap moet dat zijn? Kan dat nog de boodschap zijn dat God alleen te kennen is in de gekruisigde en opgestane Christus? Of moeten zij deze boodschap aanpassen en aansluiting vinden?

Volgens de godsdienstsocioloog Detlef Pollack is de zogenaamde opleving van religie een mythe. In ieder geval op basis van betrokkenheid. Aanhangers van nieuwe religiositeit tellen nog geen 2% van degenen die de kerk vaarwel hebben gezegd. Bovendien is religiositeit volgens hem nog steeds vooral door de kerk gestempeld. Iemand die op een of andere manier betrokken is bij een kerk zal een ervaring van schoonheid (natuur, muziek) of van gemeenschap eerder als religieus bestempelen dan iemand die geen binding meer heeft met de kerk. Het is waar dat religieuze vragen blijven en dat men voor het antwoord lang niet altijd meer de kerk of kerkelijke traditie erbij betrekt. Maar het is volgens hem niet waar dat daar tegenover staat dat godsdienst boomt. Godsdienstsociologen kunnen alleen spreken van heropleving van religie doordat zij de definitie van wat als religieus bestempeld kan worden enorm ver oprekken.
Daarnaast is het de vraag of de nieuwe spiritualiteit werkelijk dat kan bieden wat zij belooft. Is er bij deze nieuwe vormen van spiritualiteit geen sprake va naturalisme (de natuur dicteert wie wij behoren te zijn)? En als de nieuwe spiritualiteit een bepaalde liefelijke eenheid zonder al te scherpe discussies belooft, krijgt het dan niet het karakter van een utopische mythe?
Henning Luther heeft erop gewezen dat deze nieuwe religiositeit in dat geval trekken krijgt van een illusie en een ideologie. Die liefelijkheid is niet te vinden, omdat het leven weerbarstiger en pijnlijker is dan men vaak voor waar wil houden. Die weerbarstigheid, het lijden en het pijnlijke wordt genegeerd.
Neem bijvoorbeeld gebedsgenezers. Zij beloven dat zij zieken gezond kunnen maken. De onderliggende gedachte is dat ziekzijn niet past bij het menszijn. Wie gezond is, is pas werkelijk mens. Als de kerk aansluit bij de moderne mens, neemt zij deze illusie en ideologie van ‘de gezonde mens’ dan niet impliciet over?
Een discussie over secularisatie kan dus niet zonder discussie over de vraag wat religieus is. En over de vraag wat de consequenties zijn van die definiëring. Die discussie over definiëring is daarom dan ook een theologische discussie. Want is alles wat als religieus geduid wordt ook werkelijk religieus? Binnen de huidige godsdienstwetenschap is men steeds terughoudender met betrekking tot de precieze definiëring van religie. En heeft de kerk vanuit het geloof in God en in de openbaring van Christus niet een hartig en kritisch woordje mee te spreken? Vanuit de christelijke traditie definieert Körtner religie als bewustzijn van ‘schlechthinniger Empfänglichkeit’. (Hoe zal ik U ontvangen?) Van oorsprong bezit de mens een passiviteit, die zich niet alleen uit in geboorte en dood, in lijden, hulpbehoevendheid en afhankelijkheid, maar ook in liefde en vergeving. Het beslissende in een mensenleven kan de mens zichzelf niet geven.  De mens is daarom niet, zoals de Verlichting zegt, van nature religieus.
Voor Körtner is de uitdaging: Wat betekent deze megatrend “God is uit beeld” voor de kerkelijke praktijk en voor de kerkelijke verkondiging? Deze uitdaging raakt niet alleen de praktijk, maar ook de geloofsleer: Hoe denken wij over God? In welke God geloven wij? Valt er niet iets voor te zeggen om vast te blijven houden aan God die zich openbaart/openbaarde in de gekruisigde en opgestane Christus?

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Wiederkehr der Religion? Das Christentum zwischen neuer Spiritualität und Gottvergessenheit
(Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2006).

Het blijven van de kerk in de waarheid van het evangelie

Het blijven van de kerk in de waarheid van het evangelie

God schenkt ons heil door de verzoenende dood en opstanding van Christus. In het geloof hebben wij dit heil aangenomen. Dit heil is een blijvende werkelijkheid, die vanuit Gods koninkrijk al in het heden werkt. In dat heil gaat het om Gods trouw en om onze redding van de dood. Het is dus ook in ons eigenbelang om te blijven in deze waarheid. Dat geldt voor de individuele gelovige maar ook voor de kerk in haar geheel. De kerk draagt verantwoordelijkheid voor de gelovigen, die aan haar zijn toevertrouwd.

Wat is de verhouding tussen de trouw van God, die vanuit een andere werkelijkheid in de onze komt (eschatologisch-eeuwig) en de kerk die in dit tijdelijke leven opgeroepen is om trouw te blijven? Deze trouw wordt ons geschonken in de komst van Christus naar deze aarde. De komst van Christus naar deze aarde is het wonder van de incarnatie van God in de mens Jezus Christus. Het heilshandelen van God is in het optreden en het lot van Jezus Christus tot zijn definitieve verwerkelijking gekomen. Wie Christus in geloof aanneemt, wordt opgenomen in deze werkelijkheid van heil. Vanaf dat moment is er een verbinding van goddelijke en menselijke werkelijkheid. Deze verbinding is de grondslag van alles wat er in de kerk gebeurt, zoals doop, avondmaal en opbouw van de gemeente. De kerk is een sociale vorm, die door mensen wordt gevormd, maar waarbinnen dit heilshandelen van God plaatsvindt. Verantwoordelijkheid voor de sociale vorm van de kerk is dus een geestelijke verantwoordelijkheid, die mensen in dit zondige bestaan (‘vlees’) hebben. In de verantwoordelijkheid voor de kerk hier op deze aarde moet dus rekening gehouden worden, dat de kerk een menselijke en een goddelijke aangelegenheid is.
Voor de kerkelijke praktijk betekent dat: In de kerk moet de herinnering levend zijn aan de geschiedenis van Jezus Christus. In die geschiedenis ligt ons heil. Daarom moet deze herinnering ook levend aanwezig blijven en dan niet alleen als herinnering, maar als werkelijke aanwezigheid van Christus. Daarnaast heeft de vraag of de kerk geschikt is voor de toekomst te maken met wat ons in de definitieve komst van Christus en de definitieve komst van ons heil geschonken wordt. De vormgeving van de kerk heeft te maken met het blijven in de waarheid van Christus en van het heil dat ons in Hem geschonken wordt. Het blijven heeft niets te maken met verstarren of houden wat wij hebben.
De verbinding tussen de toekomst (definitieve komst van Christus en definitieve gave van ons heil) en onze werkelijkheid hier op deze aarde wordt gelegd door de Heilige Geest. In deze Geest behoren wij al tot de toekomst die komt en die ons geschonken zal worden. De Heilige Geest garandeert dat wij tot deze toekomstige werkelijkheid behoren en in deze toekomstige werkelijkheid in het heden ook blijven.
Ulrich Wilckens, nieuwtestamenticus en bisschop, werkt dit ook uit naar de verantwoordelijkheid, die de geestelijke leiding heeft om de kerk te bewaren in deze waarheid. Het ambt is ervoor om de kerk te bewaren bij het heil dat aan de kerk geschonken wordt en geschonken is. Daarnaast komt dit blijven in de waarheid ook terug in de eredienst en in het dagelijks leven van de gelovige. In het dagelijks leven door middel van de werking van de Geest en de gehoorzaamheid van de gelovige. In de kerkdienst door onder andere de lofprijs, de gebeden en de belijdenis: Jezus is Heer of Jezus Christus is de Zoon van God. De kerk kan niet uit zichzelf blijven in de waarheid van het evangelie. Daarvoor is de aanwezigheid van de Heilige Geest nodig.

Gebed
Geprezen zijt Gij, Heer Jezus Christus
U hebt de twaalf discipelen tot oog- en oorgetuigen gemaakt
van heel uw werk in de kracht van de heerschappij van de liefde van uw Vader.
Met hen hebt u de laatste maaltijd gehouden,
waarin u aan uw kerk van alle tijden en plaatsen aandeel geeft
aan het heilsgebeuren van uw dood en opstanding.
Als Opgestane hebt u uw discipelen als uw apostelen opnieuw geroepen
waarvan Petrus en Paulus heeft meest in het oog springen.
Zij mochten getuige zijn van wat er met u gebeurde
verkondiger zijn van het evangelie van Gods genade aan alle volken.
In uw volmacht hebt u predikers, herders en leraars in uw kerk laten werken
opdat uw kerk in alle tijd blijft
in de waarheid van het evangelie en in de eenheid van de Heilige Geest
.
En toch is deze eenheid van uw kerk in haar geschiedenis veelvuldig gebroken
en de waarheid van het evangelie steeds weer verwaterd.
Alleen Gij kunt haar eenheid in de ene waarheid herstellen.
Wij danken U voor alle overeenstemming in de leer
waarmee U ons reeds hebt geschonken.
Wij bidden U om de kracht van de Heilige Geest
tot een diepingrijpende vernieuwing van het gehele leven en het leven van uw kerk.
Geprezen zijt Gij, Christus: Gij zijt en blijft het hoofd van de kerk, dat uw lichaam is.
Amen.

N.a.v. Ulrich Wilckens, Die Theologie des Neuen Testaments als Grundlage kirchlicher Lehre. Theologie des Neuen Testaments. II/2 (Neukirchen-Vluyn, 2009) 203-253

Vrijgekocht van een zinloze levenswandel

Preek Doopdienst 25 september 2011
Vrijgekocht van een zinloze levenswandel (1 Petrus 1:18-19)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

De geboorte van een kind is altijd iets bijzonders. Jouw kind, jullie kind! Je hebt er naar uitgekeken en vast geprobeerd om een voorstelling te maken: Zal het een jongen of een meisje worden? Hoe zal mijn kind er eruit zien? Toen je kind geboren werd, kon je hem of haar niet meer wegdenken. Hoewel je er lang naar hebt uitgekeken, is het direct na de geboorte al zo vertrouwd. Dit is mijn kind! Een wonder!
Het geluk dat je voelt, als je je kind in de armen houdt, is nauwelijks onder woorden te brengen. Je zou je kind altijd bij je willen hebben en het willen beschermen tegen gevaar. Vandaag is je kind gedoopt. Dat wil zeggen: God gaat met je kind mee op heel zijn of haar levensweg. Hoe het leven van jullie kind er ook uit gaat zien, Hij gaat mee. In tijden waarin je je zorgen maakt om je kind, mag je als ouders hier aan vasthouden. Aan deze belofte van Gods aanwezigheid, de toezegging die de Here geeft om voor je kind te zorgen. De hemelse Vader zorgt voor je kind! Hij zal je kind niet uit het oog verliezen, de levensweg van je kind leiden, zodat je kind gelukkig wordt.
Door de doop mag je erop vertrouwen dat de Here er alles aan doet om je kind gelukkig te maken.
Het kan ook zijn, dat je daarom je kind laat dopen: als een vraag aan God, of Hij je kind gelukkig wil maken, wil brengen tot Zijn of haar bestemming. Door de doop hoef je er ook niet aan te twijfelen: Hij zal er voor zorgen!
Dat is, denk ik, het verlangen van elke ouder: om je kind gelukkig te zien worden. Want ook al ben je nu gelukkig met je kind, het is geen garantie dat je kind over 10 of 20 jaar zelf gelukkig is. Er kan van alles gebeuren. En dan bedoel ik niet alleen ongelukken, maar een mens kan zo maar wegen in zijn leven kiezen, die hem van het geluk afvoeren. Dat kan een kind of een jongere al overkomen. Je ziet het als ouder met lede ogen aanziet en je voelt je machteloos om in te grijpen. Een kind, ook jullie kind dat nu is gedoopt, kan ervoor kiezen een weg in te slaan die hem of haar ongelukkig maakt.
Het merkwaardige is dat je die zorgen voor je kinderen gemakkelijker hebt dan voor jezelf. Je ziet het eerder aan je kind dat hij of zij een weg kiest, een manier van leven, die ongelukkig maakt. Misschien zelfs zinloos is. Dat gaat niet van de ene op de andere dag, maar vaak heel sluipenderwijs.
Om een voorbeeld te geven: op een gegeven moment heb je het gevoel, dat je klem zit tussen alle verplichtingen die je hebt in je eigen leven. Geleidelijk aan krijg je het drukker op je werk, of je wordt gevraagd om iets in de kerk te doen, al die activiteiten kunnen je opslokken, waardoor er soms weinig tijd overblijft voor je vrouw, voor je kinderen. En die activiteiten zijn vaak belangrijk, je kunt er niet zomaar mee stoppen, het ambt als ouderling, voorzitter van een bepaalde commissie, het werk dat je doet kun je niet zomaar op het bordje van je collega’s terecht laten komen. Zij zijn immers ook druk. Of je bent als manager verantwoordelijk voor anderen, die in jouw dienst staan. Als het met hun werk niet goed gaat, worden hun gezinnen getroffen. Werkdruk en zorgen, waar je je niet zomaar aan kunt ontworstelen, waar je niet zomaar los van komt – als je het zou willen. Een zinloze levenswandel?
Petrus spreekt over een zinloze levenswandel. De gemeenteleden, waaraan hij de brief schrijft, zijn van zo’n zinloze levenswandel verlost. Ze waren heidenen en waren christen geworden. Dat heidenen een zinloos leven hadden, kunnen we wel voorstellen: leven zonder God. En daarbij denkt u misschien aan de verhalen over de zending die u hebt gehoord: over landen ver weg, die eerst niets van de Here Jezus wisten en toen tot geloof kwamen, omdat er een zendeling kwam. Of aan de Nederlanders voorbij Zwolle of voorbij Amersfoort, waar de kerkgang niet zo best meer is.
Als er gezegd wordt, dat heidenen een zinloos leven leiden, kunt u dat over die mensen best voorstellen. Maar over uw eigen leven? Kan ons leven een zinloze levenswandel zijn? Of hebben wij daar niet meer mee te maken, omdat we gedoopt zijn en christen zijn? Geldt dit alleen voor degenen die vanmiddag in de kerk zijn en die niet naar de kerk gaan of die niet geloven?
Als we dat zouden zeggen, maken we ons er te gemakkelijk van af. Die werkdruk, de activiteiten, die ons steeds een klein beetje opslokken tot we uiteindelijk, misschien na jaren, het gevoel hebben, dat we gevangen zitten, kan zo’n leven van gevangenzijn geen zinloze levenswandel zijn?
Petrus bedoelt met deze levensstijl niet een levensstijl van verkeerde dingen doen, van alles doen wat God verbiedt – als het gaat om een zinloze, lege, zondige levensstijl, denken we vaak aan zo’n leven. Maar dat bedoelt Petrus niet. Die zinloze levensstijl,het gaat om een leven waarin we verkeerde prioriteiten stellen.
Om het verder uit te werken met het voorbeeld van de werkdruk: we doen dingen die noodzakelijk zijn, vaak ook gedaan moeten en heel nuttig kunnen zijn. En toch, al die activiteiten kunnen ervoor zorgen dat we de kostbare tijd die we uit Gods hand hebben ontvangen, op een verkeerde manier besteden. Ik zie het aan de opa’s van deze tijd, zestigers, die veel meer tijd aan hun kleinkinderen besteden dan ze ooit deden bij hun eigen kinderen. Waarom? Omdat ze het gevoel hebben, dat ze te weinig hebben omgekeken naar hun eigen kinderen. Ze waren vaak weg van huis: voor hun werk, voor het bestuur van school, voor de kerkenraad of een andere commissie, of een avondstudie. Daarom besteden ze tijd aan hun kleinkinderen: naar hun eigen kind kunnen ze het niet meer goed maken, die tijd kunnen ze niet meer terughalen, maar wat ze wel kunnen doen, is tijd hebben voor de kleinkinderen, van hen genieten en met hen meeleven.
Een zinloos leven: de kostbare tijd, de tijd die God ons gegeven heeft, uit onze handen laten glippen. Kostbare tijd, die we besteed hebben aan nuttige dingen, maar misschien niet waar de Here ons die tijd voor gegeven heeft. Het gaat heel ongemerkt: Je komt thuis, maar je bent er met je aandacht niet bij, er is van alles dat je bezig houdt. Je moet nog even een paar mensen bellen, een paar mailtjes versturen. Even wat opzoeken op internet. Of toch wat van je werk afronden. Allemaal zaken die op zichzelf niet verkeerd zijn of op z’n tijd ook moeten, maar die er ook voor kunnen zorgen dat je er op dat moment niet bent als vader, als moeder, als man of als vrouw. Doordat je opgeslokt wordt, zie je niet meer wat er met je kinderen gebeurt, hoe het met ze gaat, wat ze bezig houdt, of het goed gaat met ze, geen echte tijd voor hun verhaal, geen echte tijd om hen eens een mooi verhaal te vertellen.
Dit gaat vaak geleidelijk aan en daarom is het helemaal niet gemakkelijk om hier afstand van te nemen. Het is alsof je in een fuik zwemt, eerst heb je het niet door, maar als je het door hebt, ben je te laat en kun je er niet meer uitzwemmen, je zit gevangen in je patroon, je kunt jezelf niet bevrijden.
Het kan ook zijn dat je het zelf niet eens door hebt dat je in zo’n fuik gezwommen bent, dat er eerst iets ingrijpends moet gebeuren in je eigen leven, waardoor je stil gezet wordt, en je het realiseert: dit gaat niet goed, niet met mij, niet met mijn huwelijk, niet met mijn kinderen. Je kunt er te laat achterkomen: je raakt zelf overspannen,  vastlopen of je vrouw geeft aan dat zij het op deze manier niet meer trekt. Dat er echt wat moet veranderen. Een zinloze levenswandel?
Natuurlijk zijn er gemakkelijk argumenten te bedenken om op deze manier verder te leven. Het is belangrijk werk. Of er moet brood op de plank komen. Je moet wel met z’n tweeën werken, omdat je anders niet in dit huis kunt wonen. Voor je het weet, zit je gevangen, klem. en het goede leven, het geluk, waarvan je hoopt dat je kind dat geluk vindt, dat houd je voor jezelf op afstand, je ontzegt jezelf dat geluk. Je kiest zelf een weg, waarin je ongelukkig wordt, waarin je vervreemd raakt van jezelf.
Een zinloos leven, die ons door de vaderen is overgeleverd, schrijft Petrus. Ook dat kan een reden zijn, waarom je niet gemakkelijk met zo’n manier van leven stopt. Je zag het bij je eigen ouders, en onbewust denk je: mijn moeder kon het volhouden. Waarom ik niet? Of mijn vader voelde zich verantwoordelijk voor de kerk. Ik kan niet zo maar op eens een andere keuze maken. Ik voel me aan hen verplicht om het zo te doen. Op deze manier zet ik hun gedachtengoed voort.
Een zinloos leven is niet een slecht leven, maar een leven dat niet beantwoordt aan het doel, dat de  Here geeft. Als vader en moeder zijn jullie met elkaar getrouwd.  Een huwelijk begin je niet alleen omdat je van elkaar houdt, maar met het huwelijk geef je ook aan dat de Here jullie voor elkaar heeft bestemd. Hij heeft jullie aan elkaar gegeven. Als je in je huwelijk elke avond weg bent, en geen tijd meer voor elkaar hebt, kun je afvragen of je het huwelijk, dat je van de Here ontvangen hebt, op een zinvolle manier besteedt. Of moet je zeggen: een zinloos leven, omdat je eigenlijk langs elkaar heen leeft? Een geboorte van een kind is een rijk geschenk, maar maak je het als ouders niet tot een doelloos geschenk als je geen tijd hebt voor je kind? Dan komen we bij het zinloze leven, waar Petrus over spreekt: is gaat niet alleen om een slecht leven of openlijke breuk met God. Dat zinloze leven is een schijnwereld. Voor het oog ziet het er mooi uit, lijkt het heel wat. Maar het gaat om een manier van leven dat schaduwzijden heeft. Petrus vergelijkt het het zilver of goud.  Zilver en goud zijn waardevol, maar in de tijd van Petrus had het een enorme keerzijde. Goud en zilver moest worden gedolven in mijnen. De omstandigheden in die mijnen waren enorm slecht. de zilveren en gouden sieraden, de munten, al het waardevolle had een schaduwzijde: het kostte het leven van slaven, van gevangenen die voor de rijken dat goud en zilver moesten delven. Een zinloos leven is een leven dat best mooi kan zijn, maar zijn schaduwzijden heeft. Achter de schijn is er veel pijn, onttrokken aan het zicht, maar het is er wel. En je weet het wellicht, dat het schijn is, maar toch je komt er niet los van.
De doop geeft aan dat zo’n leven niet meer mag, maar ook niet meer hoeft. De doop heeft die beide kanten, aan de ene kant het scherpe: dit mag niet meer. Aan de andere kant, dat vrolijke, pbeurende, geruststellende, rustgevende: zo’n levensstijl hoeft niet meer. Ook al heb je het van je ouders overgenomen, ook al doet iedereen het op deze manier en heb je het idee dat je wel aangekeken zult worden, als je het anders doet. Zo’n leven mag niet meer en hoeft niet meer.
Zo’n leven mag niet meer, want het heeft niet alleen een schaduwzijde, niet alleen omdat je er een hoge prijs voor betaalt, anderen de dupe ervan zijn van jouw levensstijl, maar omdat die activiteiten, je werk niet meer je identiteit vormen. Ik kom dat vaak tegen en misschien is dat bij mij ook zo. Veel mensen hechten waarde aan het werk dat zij doen. Als zij zich voorstellen, zeggen ze: ik ben die en die en ik werk bij… Soms komt eerst het gezin nog eerst, maar het werk is heel belangrijk voor wie wij zijn. Sommigen vallen na hun pensioen in een zwart gat. Nu ze niet meer werken, tellen ze niet meer mee. Of iemand die langdurig ziek wordt: op mijn werk ben ik al afgeschreven. Onze waarde als mens zit niet in het werk dat wij doen. Want wij bouwen dan niet op Christus, maar op ons werk. Op iets dat vergankelijk is, niet op het offer van Christus.
Leven voor Gods aangezicht heeft een bepaalde ernst. Dat zal u niet onbekend in de oren klinken: hoe wij omgaan met ons leven, hebben wij voor God te verantwoorden. Het merkwaardige is dat dat besef vaak niet in ons leven werkelijk doorwerkt. We verkwisten het goede, de kostbare tijd die God aan ons gegeven heeft om mens te zijn. Dat maakt ons schuldig naar God toe en naar onze kinderen toe, als wij de tijd zinloos besteden, meegaan in de schijnwereld, die zegt dat je pas echt mens bent als je wat gepresteerd hebt. Onze waarde, onze identiteit zit niet in wat wij doen, in wat wij presteren. Onze waarde als mens heeft te maken met ontvangen: het ontvangen van de liefde.
Zoals een klein kind nog helemaal niets kan doen dan alleen huilen en alleen maar de liefde van zijn vader en moeder kan ontvangen, koestert, ervan geniet om door zijn moeder of vader opgetild en geknuffeld te worden. Je kunt dat aan baby’s altijd goed zijn, dat zij genieten van de liefde en de genegenheid die zij ontvangen. Zo, zegt de doop, moeten wij ons ook naar God opstellen. We zouden het raar vinden als een baby u als vader of moeder zou afweren en zou zeggen, maar ik moet eerst nog wat doen, iets laten zien. Zo moeten wij ons ook naar God toe opstellen: zijn liefde ontvangen.
Niet afwerend, ho wacht, eerst moeten wij nog wat doen. De doop is een streng verbod – van Godswege – om onze identiteit af te meten aan onze prestaties. Het gaat niet om wat wij doen, wat wij laten zien, wat wij kunnen en ontplooien. Het gaat er alleen om, dat wij Gods barmhartigheid, Gods genegenheid, genade kunnen ontvangen. Met een zinloos leven vliegen wij daaraan voorbij. Gaan wij voorbij aan wat God geeft, de rust, het goede, het geluk. Daarom is het minder onschuldig dan we vaak denken. Van die schuld naar God toe, naar elkaar toe, van die zinloosheid heeft Christus ons bevrijd.
Het hoeft daarom ook niet meer. Het evangelie heeft altijd een scherpe kant, maar ook een opbeurende kant. Scherp – om ons echt mens te maken. Onze waarde als mens heeft te maken met ontvangen: het ontvangen van de liefde. Zoals een klein kind nog helemaal niets kan doen dan alleen huilen en alleen maar de liefde van zijn vader en moeder kan ontvangen, koestert, ervan geniet om door zijn moeder of vader opgetild en geknuffeld te worden. Je kunt dat aan baby’s altijd goed zijn, dat zij genieten van de liefde en de genegenheid die zij ontvangen. Zo, zegt de doop, moeten wij ons ook naar God opstellen. We zouden het raar vinden als een baby u als vader of moeder zou afweren en zou zeggen, maar ik moet eerst nog wat doen, iets laten zien. Zo moeten wij ons ook naar God toe opstellen: zijn liefde ontvangen. Niet afwerend, ho wacht, eerst moeten wij nog wat doen. De doop is een streng verbod – van Godswege – om onze identiteit af te meten aan onze prestaties. Het gaat niet om wat wij doen, wat wij laten zien, wat wij kunnen en ontplooien. Het gaat er alleen om, dat wij Gods barmhartigheid, Gods genegenheid, genade kunnen ontvangen. Met een zinloos leven vliegen wij daaraan voorbij. Als je geen tijd hebt voor een goed gesprek met je kind of met je man of vrouw,waar leef je dan nog voor? Als je geen aandacht hebt voor je kind, omdat je te druk bent, ben je dan nog echt mens of ben je eigenlijk een machine geworden? Dan gaan wij voorbij aan wat God geeft, de rust, het goede, het geluk.
Daarom is het minder onschuldig dan we vaak denken.  Schadelijk voor onze ziel, want we negeren wat God ons geeft. We zijn niet bevrijd om ons opnieuw slaaf te maken, om ons te onderwerpen aan een juk. Om ons leven zinloos te maken. Een zinloze levenswandel mag niet meer en hoeft niet meer. Christus is voor ons gestorven een heeft ons daarmee bevrijd. We zien daarmee ook met welk doel Christus ons bevrijdde door voor ons te sterven. Om ons mens te laten zijn – zoals God bedoeld heeft. Een zinloze levenswandel mag niet meer en hoeft niet meer. Want Christus heeft ons vrijgekocht.
Amen

 

Waarom ik afgehaakt ben in de discussie over Israël

Waarom ik afgehaakt ben in de discussie over Israël

Op de dag dat ik mijn afstudeerscriptie inleverde, hadden we als studenten bij de koffieautomaat een discussie over Israël. Ergens in dat gesprek constateerde ik, dat ik in mijn hele studie dit thema niet was tegengekomen. Toen ik dat opmerkte, reageerde mijn buurman in de kring op zo’n felle wijze dat ik daar verbaasd over was. Had ik in de 7 jaar van studie een belangrijk thema gemist? Voor mij was dat een aanleiding om de discussie over Israël en de kerk te volgen.
Naïef als ik was, besloot ik bij bepaalde Israëlvoorstanders om advies te vragen. Ik kwam echter een wereld tegen, waarvan ik geen flauw benul had, dat deze wereld binnen de kerk bestond. De discussie over Israël en de kerk is een soort Transnistrië: wie hier binnenstapt is zijn leven niet zeker. Sinds die tijd waarschuw ik collega’s en leeftijdsgenoten. Ze kunnen deze discussie beter links laten liggen. Want het gaat om een wereld waarin men met onverholen minachting schrijft over degenen die een iets andere mening hebben. Een wereld waarin de discussie gevoerd wordt door de ander openlijk verdacht te maken en de theologische integriteit van de ander ter discussie te stellen. Meningen en argumenten tellen niet. Men reageert alleen vanuit heftige emoties. Tegenstanders en critici wordt agressief en ad hominem bejegend. Ook de PKN, de kerk die ik dien, wordt voortdurend geschoffeerd. Mijn eigen ervaring is, dat wie alleen maar een verhelderingsvraag stelt, een lawine aan verwijten over zich heen gestort kreeg. Verwijten gericht aan mijzelf, mijn studie en de docenten bij wie ik college heb gevolgd.
Toendertijd gaf ik aan, dat onder de jonge generatie predikanten een andere visie op de relatie met Israël aanwezig was. Wilde men dat mijn generatie bezig is met de onopgeefbare verbondenheid met Israël, zou men zich anders moeten opstellen. Deze constatering werd met hoongelach ontvangen en van tafel geveegd. Sinds dit jaar kan men er niet meer omheen dat de jonge generatie predikanten anders met deze discussie omgaat. In plaats van het gesprek aan te gaan, wordt er paternalistisch gereageerd (“Hier schrik ik van!”). Of we worden ervan beticht onze inspiratie uit een verkeerde bron te halen (“Gevolg van de Angelsaksische theologie van Dunn en Wright e.a.”). Er wordt gesuggereerd  dat we de geschiedenis verwaarlozen. Het moderne antizionisme zou een herleving zijn van het oude antisemitisme. Woorden als vervangingstheologie en antisemitisme worden gemakkelijk uit de mouw geschud. Al deze verwijten zijn ongegrond en kunnen alleen geuit worden, omdat men het gesprek met onze generatie niet opzoekt. Ik heb nog niemand gesproken, die is uitgenodigd om te vertellen waarom onze generatie anders denkt. Zodoende wordt er niet echt op de bezwaren ingegaan. Topdown wordt ons in brochures door de GB en Appèl Israël en de Kerk voorgeschoteld, hoe wij over Israël hebben te denken. Dit is de norm en hieraan hebben wij ons te houden.
Ik heb mij erover verbaasd dat de Gereformeerde Bond de brochure Onopgeefbaar verbonden heeft ondertekend. Alle kritiek die de Gereformeerde Bond heeft op de evangelische beweging komt in deze brochure voor: selectief gebruik van de Bijbel, negeren van de belijdenis en de eigen traditie, een theologie gebaseerd op emotie en niet op de Schrift. Waarom verliest men als het om Israël gaat voortdurend de kritische reflectie, die men naar andere bewegingen toe wel heeft? Waarom is men als het gaat om Israël bereid om behoorlijk wat aan christologie in te leveren?
Wie de discussie over Israël volgt, komt geregeld tegen dat onze theologische traditie zwaar in de schuld staat naar Israël toe. Onze theologische traditie zou bol staan van antisemitisme en het klimaat geschapen, waarin de Shoah kon plaatsvinden. Als dat klopt, wil ik die traditie voor mijn rekening nemen en daar volop rekenschap van geven. Maar waarom is men in pro-Israëlkringen niet bereid om de eigen theologie te herzien vanwege de Shoah?In de brochure Onopgeefbaar verbonden komt niet het besef voor, dat het in het Jodendom om een werkelijk andere godsdienst gaat. Het gaat bij pro-Israëlmensen vaak ook niet om Israël zelf, maar om onze liefde voor Israël. Als het werkelijk te doen was om Israël zelf en de landbelofte, maakte men geen reizen naar het Beloofde Land, maar liet met het land aan Israël zelf. Als het werkelijk om Israël te doen was, was men bereid om te stoppen met de aandacht voor Israël – uit respect voor de Joden die niet op de kerk zitten te wachten. Zit Israël, zitten de Joden wel te wachten op onze liefde en aandacht?
Daarom is mijn voorstel om te stoppen met onze discussie over Israël, te stoppen met alle reizen naar het Beloofde land, om te stoppen met onze liefde voor Israël en Israël aan Israël overlaten. Niet uit onverschilligheid, maar juist vanwege de onopgeefbare verbondenheid met Israël. Het enige wat wij kunnen doen – en zouden moeten doen! – is luisteren naar de vragen die Joden, als ze met ons in gesprek zouden willen, aan ons stellen. En deze vragen ter harte te nemen en bereid zijn vanuit deze vragen onze theologie opnieuw te doordenken.

ds. M.J. Schuurman

Gedachten over de Dordtse Leerregels: waar het om gaat

Gedachten over de Dordtse Leerregels

(1): Introductie
De Dordtse Leerregels hebben geen goede naam. Dit belijdenisgeschrift zou star en rechtlijnig zijn. Scherpslijperij. Zo dacht ik er eerst ook over. Tot ik in mijn vorige gemeente gevraagd werd om eens op kerkenraad te vertellen wat er in de Dordtse Leerregels staat.

Want de kerkenraad had in het beleidsplan opgenomen dat de gemeente in haar beleid zich aansloot bij de gereformeerde belijdenisgeschriften. Op papier klinkt dat mooi, maar wat staat er eigenlijk in de Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels? En wat betekent dat voor de praktijk om deze belijdenisgeschriften op te nemen in het beleid? Toen moest ik deze belijdenisgeschriften doorlezen. Bij het lezen  raakte ik onder de indruk van de Dordtse Leerregels. Het is een boek vol troost. Het is de moeite waard om dit belijdenisgeschrift te lezen met het oog op onze eigen tijd. Hoe kunnen wij de troost en de kracht van het evangelie in onze eigen tijd ontdekken? Wat kunnen de Dordtse Leerregels ons leren?
Ik heb overwogen om een prekenserie te wijden aan dit boek vol troost. Het nadeel is dat de leerdiensten in de avonddienst vaak te weinig op elkaar aansluiten. De serie zou te verbrokkeld raken. Daarom probeer ik – als vervanging – in de Veluwse Kerkbode telkens enkele gedachten over dit geschrift op te nemen.

(2) Waar het om gaat

De Dordtse Leerregels zijn voor veel mensen onbekend. Hooguit weet men de jaartallen, waarin de Synode van Dordrecht werden gehouden (1618-1619). En als het om de inhoud gaat, weet men vaak één woord te noemen: uitverkiezing. Dit woord uitverkiezing roept vaak nogal wat onrust op. ‘Ik ben vast niet uitverkoren. Dat is voor mij niet weggelegd. Dat is alleen voor een select groepje weggelegd. Daar hoor ik niet bij!’. De onzekerheid, die het woord uitverkiezing oproept, zou wel eens een van de redenen zijn, waarom de Dordtse Leerregels niet gelezen worden. Dit geschrift roept zoveel op, je kunt het dan beter ongelezen laten.
Maar gaat het daar in de Dordtse Leerregels wel om? Wie de inleiding op de Dordtse Leerregels leest, komt iets anders tegen. Daar wordt begonnen met Mattheüs 28:20: En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Dit is volgens de Dordtse Leerregels de belangrijkste belofte die de Heere aan Zijn kerk heeft gegeven. De kerk heeft het op aarde vaak niet gemakkelijk. Soms heeft de kerk te maken met vervolging. Een andere keer wordt de kerk op een verkeerd spoor gebracht doordat er in de verkondiging een verkeerd beeld van God wordt doorgegeven. De kerk kan van buitenaf aangevallen worden en van binnenuit verdeeld raken. Daardoor lijkt het alsof de kerk alle zekerheid verliest.
Toch is dat niet zo. De kerk heeft één zekerheid: Christus woont niet alleen in de hemel, maar is tot aan de Wederkomst ook aanwezig bij Zijn kerk. Ook al kan het vaak lijken, alsof onze Heer er niet meer is – Hij is er toch! Aanwezig in de eredienst. Aanwezig in de kerk, Zijn lichaam. En Zijn aanwezigheid is onze houvast. De Dordtse Leerregels hebben maar één doel: het geloof in deze belofte sterken. Want als de kerk niet meer gelooft in de aanwezigheid van haar Heer, is zij alle zekerheid kwijt en is zij zelfs alle geloof kwijt. De kerk gelooft de belofte dat Christus aanwezig is, omdat ze gelooft dat God betrouwbaar is.
Deze zekerheid wordt vaak aangevochten. In het leven van de gelovige, die er niets van ziet. In de kerkelijke praktijk, als de eenheid onder druk staat of als de christenen worden vervolgd. Verliest de kerk het geloof in de belofte van Christus’ aanwezigheid, is zij dus alle geloof verloren en is zij geen kerk meer. Wat de Dordtse Leerregels verdedigen,vinden we ook terug in het avondmaalsformulier en in de Heidelberger Catechismus: onze zekerheid vinden we niet in ons zelf, maar in Christus.
Het gaat hierbij niet om scherpzinnige futiliteiten. Het gaat om alle houvast, die wij na dit leven en in dit leven kunnen vinden. Het gaat erom, dat de kerk kerk is en dat de gelovige vertrouwt op en gelooft in Christus. Stelt de kerk haar zekerheid niet meer op Christus (maar op iets anders), dan is zij geen kerk meer. Ook al heeft zij nog zo’n orthodoxe uitstraling.
Waar gaat het in de Dordtse Leerregels om? Om de aanwezigheid van Christus bij Zijn kerk. Om de betrouwbaarheid van deze belofte en om de betrouwbaarheid van Godzelf. En om de zekerheid die er in en na dit leven is te verkrijgen, de zekerheid die alleen God kan schenken.

ds.M.J. Schuurman

Gepubliceerd in de Veluwse Kerkbode van 17 en 24 sept 2011

Een mooie vertaling van de Dordtse Leerregels is te vinden in Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland.
Helaas zijn op de website van de PKN en achterin de Herziene Statenvertaling ouderwetse vertalingen van de Dordtse Leerregels opgenomen.

Zie voor uitverkiezing ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/12/14/uitverkiezing-gods-bewogenheid-met-zijn-schepselen/

Preek startzondag 2011

Alles op Zijn plek
Preek startzondag – speciaal gericht op de kinderen
N.a.v. Efeze 4:1-6, 15-16

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

En daar horen jullie, kinderen, helemaal bij. Vandaag is de dienst speciaal voor jullie bedoeld. Maar jullie horen er altijd bij. In elke kerkdienst die gehouden wordt horen jullie erbij. Als jullie niet in de kerk zijn, is de kerk niet compleet. Als jullie kinderen niet in de kerkdienst zijn, is de kerk net een lichaam waar iets van weg is. Een lichaam zonder been of zonder voet. Een lichaam zonder voet of zonder hand doet het nog wel. Je kunt alleen veel minder als je geen hand of geen voet hebt. Je bent dan beperkt of gehandicapt.
Kunnen we ook zeggen dat een kerkdienst gehandicapt is, als jullie er niet zijn? Wat missen we als jullie er niet bij zijn? Waarom is het voor ons, grote mensen, volwassenen, belangrijk dat jullie erbij zijn?
Het is dus niet zo dat jullie erbij horen om alleen maar iets te leren van de grote mensen. Dat heb je wel eens, he, als je ergens bent, waar grote mensen ook zijn, dat je veel minder mag. Op een verjaardagsfeest bijvoorbeeld. Alle grote mensen zitten in een kring in de kamer. Je zit erbij, de grote mensen zijn druk met elkaar aan het praten. Maar als ze ontdekken dat jij erbij bent, houden ze opeens hun mond. Of als je wilt weten, waar het over gaat, zeggen ze: ‘Dat gaat je niets aan. Dat is niet voor kleine oren bestemd!’ Dan kun je wel eens denken: die grote mensen willen mij er helemaal niet bij hebben. Ik tel niet mee! Je kunt er soms boos van worden. Waarom mag ik het niet horen? Je moeder zegt dan: ‘Je moet leren om niet zo nieuwsgierig te zijn.’ Of misschien zegt ze wel: ‘Je moet leren dat niet alles voor jouw oren is bestemd.’ Volwassenen vinden heel vaak, dat jullie kinderen wat van hen moeten leren. Jullie moeten leren om het net zo te doen zoals wij, de volwassenen, het doen.
Kunnen wij als volwassenen ook iets van jullie leren? Kunnen je vader en je moeder van jou leren? Of die opa, die voor jou in de kerk zit? En die mevrouw die naast je zit, kan zij iets van jou leren? Wat zouden wij, je vader, je moeder, die meneer, die mevrouw missen als jullie er niet bij waren? Zou u, ik richt me nu even tot de volwassenen, zou u de kinderen missen in de kerkdienst? Of zou u het wel fijn vinden als er geen kinderen in de kerkdienst aanwezig waren. In Veenendaal ging ik graag naar de avonddiensten, omdat die diensten vaak veel rustiger waren dan de morgendiensten. Toen ik verhuisde naar Ilpendam kwam ik de kinderen opeens niet meer tegen in de kerkdienst. In de meeste kerkdiensten waarin ik voorging, waren geen kinderen aanwezig. Heel af en toe kwam ik in een kerkdienst waar er ook kinderen waren. Ik ben blij, dat er kinderen in de kerk zijn.
Waarom is het belangrijk voor ons als gemeente, dat jullie kinderen in de kerkdienst aanwezig zijn? Waarom hebben wij, volwassenen, jullie nodig? Wat missen wij als jullie er niet zijn? Wat kunnen jullie, wat wij volwassenen niet goed meer kunnen en wat wij verleerd zijn? Jullie kunnen iets, wat voor het geloof in de Here Jezus heel belangrijk is. Ik zal het uitleggen door een voorbeeld te vertellen. Een meisje, laten we haar Anna noemen, kwam vandaag helemaal niet vrolijk uit school. Het begon al toen ze thuis kwam: de deur sloeg harder dicht dan anders. En ze kwam helemaal geen thee drinken, maar rende direct naar haar kamer.Toen haar zusje op haar kamer kwam, begon ze ruzie te maken en te schreeuwen. Dat duurde tot aan het eten. Met een boos gezicht zat ze aan tafel. Toen pas zag haar moeder dat er iets aan de hand was. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze. ‘Ze vinden me stom,’ zei Anna. ‘Wie?’ vroeg moeder. ‘De meisjes uit de klas.’ Anna vertelde wat er gebeurd was in de klas. Na het eten zei ze: ‘Mam, ik ga nog even buiten spelen. Goed?’ Wat was er gebeurd? Waarom was ze weer vrolijk geworden?
Omdat Anna tegen haar moeder had verteld wat er was gebeurt. Toen hoefde ze zich geen zorgen meer te maken. Ze wist het: haar moeder kende haar. Dat gaf Anna vertrouwen.
En weet je wat dat te maken heeft met het geloof in de Here Jezus? Dat heeft ook met vertrouwen te maken. Anna vertelde het aan haar moeder en ze was alle nare gedachten kwijt. Ze kon weer spelen. Zoals Anna op haar moeder vertrouwen, zo kunnen kinderen ook vertrouwen op de Here Jezus. Je vertrouwt er op, dat Hij voor je zorgt. Je vertelt tegen de Here waar je aan denkt, waar je bang voor bent. En dan weet je het op eens weer: Hij zorgt voor mij. Misschien zorgt Hij er wel voor dat er een engel bij me is om te beschermen. Bijvoorbeeld als ik ga slapen en ik het eigenlijk niet durf omdat het donker is. Dat vertrouwen, dat je met een gerust hart kunt slapen omdat er iemand is die over je waakt, kunnen wij van jullie leren.
Want als je volwassen wordt, zijn er steeds meer dingen om je zorgen over te maken. Soms grote zorgen, soms kleine zorgen. Blijf ik altijd gezond, of zal ik een keer ziek worden? Heb ik morgen nog genoeg geld op de rekening om eten te kopen of de kleren die de kinderen echt nodig hebben? Kan ik nog blijven werken bij het bedrijf waar ik nu werk? Houd mijn vrouw of mijn man echt nog van me? We kunnen van jullie, kinderen, leren om te vertrouwen op de Here. Als volwassene kunnen we van jullie leren: die zorgen zijn er echt en ze zijn ook niet zo maar weg, maar de Here zal er voor zorgen dat er iets gebeurt, waardoor mijn zorgen weg zijn.
Want als kinderen zijn jullie gewend dat er voor jullie gezorgd wordt. Je vader en moeder zorgen ervoor dat je kunt eten, dat je kleren hebt om aan te trekken. Je kunt niet voor jezelf zorgen. Je hebt je vader en moeder daarvoor nodig. Van jullie kunnen wij leren om te vertrouwen op de Here, dat Hij voor ons zorgt. Volwassenen zijn gewend om te werken, om zelf ergens voor te zorgen. Volwassenen moeten oppassen, dat ze niet gaan denken: Wij moeten er zelf voor zorgen dat we gelukkig worden. Van jullie kunnen we leren: er wordt voor ons gezorgd. De Here zorgt voor ons. We hebben elkaar nodig om te leren geloven. Wij kunnen van jullie leren.
Ik denk dat er ouders zijn, die van hun kinderen hebben geleerd om te geloven. Van de vragen die jullie hebben gesteld. Van het plezier waarmee jullie soms kunnen geloven, de zorgeloosheid.
Dat is niet alles wat we van jullie kunnen leren. Ik zei aan het begin van de preek dat de kerk net op een lichaam lijkt. Dat zei ik, omdat het gedeelte uit de Bijbel ook over een lichaam gaat. Een lichaam heeft verschillende lichaamsdelen: een voet, een been, een arm, een hand, een hart, ogen, een neus, oren. Al die verschillende lichaamsdelen heb je nodig. Je kunt niet een van deze lichaamsdelen missen. Je kunt niet zonder je neus, want hoe zou je dan moeten de geur van de bossen ruiken. Je kunt niet zonder je ogen, want hoe zou je anders alle mooie dingen die de Here gemaakt heeft zien. Je zou ook niet kunnen zien of je vriendje boos of blij is. Alle verschillende lichaamsdelen heb je nodig. Met elkaar zijn we één lichaam. We kunnen niet zonder de kinderen en zonder oude mensen. We kunnen niet zonder opgewekte mensen of mensen die snel bezorgd zijn. We hebben elkaar nodig.
Maar dat is niet het enige, waarom Paulus over een lichaam schrijft. Hij wil dat de gemeente in Efeze aan wie hij deze brief schrijft nadenkt over een vraag. En de Here God wil dat wij als kerk in Oldebroek nadenken over diezelfde vraag: Wie is het belangrijkste? Wie is het hoofd, waarmee het lichaam dat we met zn allen zijn bestuurd wordt? Wie neemt de beslissingen in de kerk? Is dat de kerkenraad? De kerkenraad komt geregeld bij elkaar om te vergaderen. Zijn dat de gemeenteleden die belijdenis hebben gedaan en binnenkort mogen kiezen wie de nieuwe ouderlingen en diakenen worden? Nee, ons hoofd is de Here Jezus.
Wat betekent dat, dat de Here Jezus ons hoofd is?  Denk nog eens aan een lichaam. Met je hoofd denk je, met je hoofd bepaal je wat er gaat gebeuren. Zonder hoofd is een lichaam dood, maar al zou het lichaam leven, dan zou het lichaam niet weten wat er moet gebeuren. Daarom moet een lichaam verbonden zijn met het hoofd. Als de kerk een lichaam is, is de Here Jezus het hoofd. Het hoofd moet op de Here Jezus gaan lijken, gaan gehoorzamen. De kerk kan niet zonder het hoofd, de Here Jezus. Ook al zien we Hem niet, we merken wel dat Hij er is. Vanuit de hemel geeft Hij aan ons door, wat wij moeten doen. Zoals ons hoofd aan het lichaam doorgeeft, wat we moeten doen. Stel je voor dat het hoofd iets zou zeggen tegen de voet: ‘Zet een stap!’, maar de voet zou zeggen: ‘De groeten, daar heb ik geen zin in!’ dan gebeurt er iets raars. Zo gebeurt er ook iets raars als we als kerk niet naar de Here Jezus luisteren. Alleen was we naar Hem luisteren doet het lichaam het goed, en pas dan is alles op Zijn plek. De een valt eigenlijk niet op.
Iedereen binnen de kerk kan weer andere dingen: de een kan goed zingen, de ander kan heel goed troosten, de een kan heel goed kijken of er iemand achterblijft, net zoals een herder kijkt. De een kan goed luisteren, de ander vragen stellen. We hebben elkaar nodig. Maar het gaat er wel om dat we luisteren naar ons hoofd, naar de Here Jezus. Dat we horen wat Hij zegt. Dat we merken dat Hij in ons werkt. Net zoals er vanuit het hoofd allemaal zenuwen door het lichaam gaan en aan de lichaamsdelen vertellen wat ze moeten doen.
Wat is dat dan? Het gaat er niet alleen om dat we er allemaal bijhoren, dat we er allemaal bij mogen horen, dat ook. Maar het gaat vooral om de liefde van de Here Jezus, die in ons komt. En dat die liefde ons verandert. Dat die liefde ervoor zorgt dat we op Hem gaan lijken. Dat iemand die vaak driftig is en loopt te schelden op anderen, leert om geduldig te zijn. Iemand die altijd alleen maar aan zichzelf denkt, wordt ook bezorgd om anderen en is zelfs bereid om iemand anders te helpen. Iemand die van alles wil veranderen in de kerk, krijgt geduld met iemand die niet zo veel wil veranderen. Hij gaat niet meer mopperen: wat houd-tie de boel op, maar ontdekt opeens waarom iemand zo bezorgt is om veranderingen, dat het gaat om de Here, om de waarheid. Omgekeerd: iemand die tegen verandering is, leert inzien waar iemand die voor veranderingen is mee bezig is: zorg voor de kerk, zorg voor het werk van God. De kerk is niet meer van mij, van de kerkenraad, van Oldebroek, maar van Christus. Daar gaat het om: dat we als lichaam niet zonder dat hoofd kunnen, naar Hem luisteren, dat Hij in ons werkt.
Als dat gebeurt, kun je daar verbaast over zijn. Over jezelf, over wat er met jezelf gebeurt. Dankbaar kun je er van worden. Soms neem je jezelf voor om te veranderen, maar vaak is het de Heilige Geest die je verandert. Kinderen zijn er aan gewend dat er iemand is die hen verandert: een juf of een meester die hen wat leert, een vader of moeder. Als volwassenen moeten we dat soms ook weer leren. De Heilige Geest, de kracht van Christus, werkt in ons. Vanuit het hoofd in de rest van het lichaam. Alles op Zijn plek: dat betekent niet alleen we horen er allemaal bij, maar ook we merken dat de Heilige Geest in ons werkt.
Amen

Preek 11 sept morgendienst (Viering Heilig Avondmaal)

Preek 11 sept morgendienst (Viering Heilig Avondmaal)

Hoewel u Hem niet gezien hebt, hebt u Hem toch lief.
Hoewel u Hem nu niet ziet, maar gelooft…
(1 Petr 1:8)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als ik onze kinderen wil uitleggen wat een boerderij is, kan ik er over gaan vertellen.
Ik kan aan hen gaan uitleggen wat een boerderij is, hoe een boerderij eruit ziet, wat er op een boerderij gebeurt.
Maar als ik zou willen, dat onze kinderen weten wat een boerderij is, moet ik met hen op stap om naar een boerderij te fietsen, om naar een boerderij te gaan kijken. Ik zou ze meenemen het erf op en met een boer over de boerderij lopen: de stal met de koeien, ze kunnen de koeien aaien, misschien wat voeren, ze kunnen zien hoe de koeien gemolken worden, de tractoren die nodig zijn bij het werk, in een tractor klimmen.
Als we thuiskomen, zouden ze zich nog bepaalde dingen herinneren, die ze nooit door mijn verhaal over de boerderij te weten zouden komen: de geur van de boerderij, de dieren die er rondlopen, hoe een boerderij er nu echt uitziet. Ze hadden zelf wat gezien, geroken, gevoeld, meegemaakt.
Zo werkt het ook in het geloof. Ik kan dat zien bij onze kinderen. Toen Jelmer op een keer een film over de Here Jezus zag en zag hoe de soldaten de Here Jezus naar het kruis brachten, maakte dat veel meer indruk dan de verhalen uit de kinderbijbel. Het zijn ook vaak de illustraties, de platen die indruk maken. Iets met eigen ogen zien dat maakt veel meer indruk, blijft veel beter hangen dan wanneer er over verteld wordt.
Vanmorgen zijn we in de kerk, maar we zien de Here Jezus niet. Ik kan preken over de Here Jezus en verhalen over Hem vertellen. Soms kun je Hem dan voor je zien, levensecht, door wat er wordt verteld, zijn nabijheid ervaren, Hem ontmoeten. Soms ontmoet je Hem ook, omdat je om je heen kijkt, waarvan je weet dat ze dicht bij God leven. Het straalt van hen af. Dat zijn de momenten, waarop dat even niet meer belangrijk is, dat je de Here Jezus ziet, omdat je zo dicht bij Hem bent. Je voelt Hem om je heen, of in je hart.
Dat zal niet bij iedereen in elke kerkdienst gebeuren. Soms kun je een kerk binnenstappen en je vergeet dat je de Here Jezus gaat ontmoeten. Je denkt er niet bij na, omdat je Hem niet ziet. Je ziet wel de mensen om je heen, je weet wat er gaat gebeuren in de kerk. Vanmorgen met het avondmaal kan dat anders zijn. Als je was vergeten dat we op deze zondag het avondmaal zouden vieren, kun je er niet om heen. Toen je de kerk binnenstapte, was de tafel te zien. Je wordt er direct aan herinnert: vandaag gebeurt er iets extra’s, een heilig moment. Je ziet het met eigen ogen.
Hoewel u Hem niet gezien hebt, schrijft Petrus. Petrus beschouwt het als een beproeving van het geloof. We zien de Here Jezus niet – voor Petrus is dat een van de moeilijkheden waar je als gelovige tegenaan loopt, een worsteling. Waardoor je als gelovige af en toe kunt gaan twijfelen. Je kunt erdoor als gelovige teleurgesteld van raken. Het kan de vreugde van het geloof wegnemen, dat je ernaar verlangt de Here Jezus te ontmoeten, Hem te zien, maar dat je Hem toch niet te zien krijgt. Of je denkt erbij aan je kinderen, die naast je in de kerk zitten en je denkt: Zelf snap ik het wel, zelf hoor ik de woorden wel en geloof ik het, maar mijn zoon, die naast me zit, heeft hij er wat aan? Wat zou ik het mijn dochter gunnen dat ze iets van de Here Jezus te zien krijgt.
Hoewel u Hem niet gezien hebt – daardoor kan de Here Jezus op een afstand blijven. En hoe kan ik Hem vertrouwen, als ik Hem niet zie? Hoe kan ik mijn leven op Hem bouwen, als Hij verborgen blijft? Ik ben naar Hem op zoek, naar God, ik zou Hem graag willen ontmoeten, maar waar is Hij? Waar is Hij te vinden? Is het ook niet zo, dat omdat we Hem niet zien, dat we al heel gauw denken, dat Hij er niet is? Je loopt de kerk binnen, je ziet wel de mensen, je weet wat er gaat gebeuren: zingen, bidden, een preek. En de Here Jezus is Hij aanwezig? Is Hij onder ons? Soms kun je dat helemaal uit het oog verliezen. Omdat je Hem niet ziet, reken je niet op Zijn komst. Je kunt dat zelfs bij het avondmaal vergeten. Als je aan de tafel zit en je bent meer bezig met wat het je gaat doen, wat je voelt en of je er goed aandoet om aan te gaan. En je vergeet daarbij: ik ontmoet Christus.
Voor de gemeente is het een handicap dat zij de Here Jezus niet zien. Petrus weet dat, maar hij weet het dat de gemeente zich niet laat weerhouden om toch te geloven. Om de Here Jezus toch lief te hebben. Ik ken de Hervormde Gemeente Oldebroek nog niet zo goed. Ik hoop dat ik het van u ook mag zeggen: we weten met elkaar dat het een handicap is, een belemmering, een worsteling, dat we de Here Jezus niet zien. Toch hebben we Hem lief. We zouden niemand anders in ons leven willen hebben. Hij is ons alles: ons fundament, ons leven, onze Heer. Ons verlangen gaat naar Hem uit. We moeten er niet aan denken dat wij ons leven op iets anders bouwen. We moeten er niet aandenken dat iets anders ons hele leven beheerst.
Ons verlangen gaat naar Hem uit… Dat zijn grote woorden. Kun je dat van jezelf zeggen? Heb ik de Here Jezus lief? Dat is toch voor mij niet weggelegd. Ik zou het wel willen. Ik zou wel willen vertrouwen en geloven. Om dat van mijzelf te zeggen? Ik zou dat niet durven. Waarom niet? Ik kan niet uitleggen waarom. Ik weet niet, eigenlijk zou ik moeten gaan. Maar kunt u wel begrijpen dat uw man of uw vrouw van u houdt? Als mensen kunnen we soms toch niet begrijpen dat er anderen zijn die echt van ons houden? Dat kunnen we soms amper geloven. En dan geloven dat God om ons geeft? Toch hebt u Christus lief, toch gelooft u, vertrouwt u op  uw Heer. Te grote woorden? Als we naar onszelf kijken, wel. Dat geloof en vertrouwen hebben we toch niet uit onszelf? Dat wordt ons geschonken. Dat geloof, vertrouwen wordt gevoed aan het avondmaal. Omdat wij het uit onszelf niet hebben. Aan het avondmaal bewijzen wij niets. We roepen tot God: kom, red mij. Grijp mij vast, anders red ik het niet.
En dan toch niet aan het avondmaal? Eigenlijk bent u dan dwaas, broeder of zuster. Net zo dwaas als dat meisje dat maar eindeloos tobde over haar liefde voor haar vriend. Kon ze wel van hem houden? Totdat ze trouwde. Toen waren haar twijfels over, omdat haar liefde bezegeld was. Haar liefde voor haar man was nu niet meer van haar afhankelijk. Ze werd gedragen door het huwelijk. Zo is het avondmaal ook bedoeld, als versteviging. Waarvan? Van ons geloof? Nee, van Gods belofte. Hij, de Here legt een fundament onder ons, zodat wij niet ten onder gaan.
Maar ja, accepteren dat er Iemand is die van je houdt. Dat is nogal wat. Dat is nu geloof! Ik begrijp het niet, dat God om mij geeft. Dat Hij mij opnieuw geboren deed worden, mijn God wil zijn. We zien Hem niet, onze Heer. En toch is Hij er. Hij deelt u het brood uit. Geeft u de wijn.
Als u niet kunt, als de stap te groot is, bedenk dan: de liefde is geduldig. Hij wacht net zo lang tot u komt. En Hij blijft op u wachten. Net zoals de Vader uit de gelijkenis bleef wachten op zijn zoon die alles had verprutst en verkwist. U ziet het misschien niet dat Hij wacht. En toch doet Hij dat. Totdat u Zijn liefde kunt ontvangen.
Amen