Deborah, Barak en Jaël (Richteren 4)

Deborah, Barak en Jaël (Richteren 4)

Het verhaal van Deborah, Barak en Jaël is een van de bekendere verhalen uit het bijbelboek Rechters / Richteren. Dat het een bekender verhaal is, wil nog niet zeggen dat dit verhaal gemakkelijk te begrijpen is. Ik wil wat uitleg geven bij het verhaal.

gedeon01
(Gustav Dore, 1885)

Spiegel
De verhalen uit Rchters / Richteren willen niet als historisch verhaal gelezen worden. Daarmee doe ik geen uitspraak over de historische betrouwbaarheid van deze verhalen. Het boek staat in de Bijbel, omdat het ons als lezers iets te zeggen heeft. De verhalen houden ons een spiegel voor: wat zou jij doen in deze situatie.

(Ik baseer me verder op de Herziene Statenvertaling. Deze vertaling is in de gemeente die ik dien in gebruik. Deze uitleg schrijf ik op n.a.v. een bijbelstudie met gemeenteleden. Vandaar dat ik verder spreek over Richteren.)
2a16ade85edd89c3c741322282d386e7


Kanaänitische levensstijl
Richteren 4 begint met de dood van Ehud. Toen Ehud gestorven was, deden de Israëlieten opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE (vers 1). Ehud was richter. Een richter (of rechter) is in dit bijbelboek niet alleen iemand die rechtspreekt, maar ook recht brengt. Het recht dat geschonden is wordt hersteld. De gerechtigheid die ontbreekt wordt teruggebracht.

Na de dood van Ehud blijkt dat het dienen van de Heere niet diep geworteld is in het hart en het leven van de Israëlieten. Ze verlaten Gods weg. Daarmee gaan ze niet alleen de afgoden dienen, maar  de Kanaänitsche levensstijl (zie de blog over Richteren 1) wordt weer hun manier van leven. Dat betekent dat er geen omzien naar elkaar meer is. Het recht van de sterkste geldt. Mensen zijn geen persoon meer met een levensverhaal maar worden een nummer. Een mensenleven telt niet. De Kanaänitische levensstijl is een harde, egocentrische levensstijl. Zo had de Heere Israël niet bedoeld.

Deborah3

De klok terugdraaien
Met de keuze voor de Kanaänitische levensstijl is het ‘project’ verovering van Kanaän mislukt. Het volk Israël had de taak om te leven in Godsvertrouwen en had de taak om te leven volgens Gods sjaloom: tot eer van God en in dienst van de naaste. Met de keuze voor de verkeerde levensstijl draait het volk de klok terug, naar het oude, harde bestaan. Uit dat bestaan waren ooit verlost, toen ze uit Egypte weg mochten trekken.
Als het volk de klok terugdraait naar voor de intocht in Kanaän,. krijgt het een koekje van eigen deeg. De Heere, de God van Israël draait ook de klok terug. De Kanaänieten – volgens Jozua – bijna geheel verslagen, worden door de Heere gestuurd om te laten zien wat er gebeurt als je de klok terugzet naar de oude, harde periode waarvan je juist was bevrijd. Als het volk kiest voor de Kanaänitische levensstijl wordt het zelf slachtoffer van die stijl: ze worden knecht van de Kanaänieten.

2015566_univ_lsr_xl

Weer in Egypte
Ze worden weer tot slaaf gemaakt. Ze zijn weer terug in Egypte. In vers 2-3 wordt de situatie beschreven met kenmerken, die het volk meemaakte toen het in Egypte was: de stijdwagens, de onderdrukking, het roepen tot God. De koning van de Kanaänieten heeft de naam Jabin. Die naam betekent: ‘hij zal het opmerken’. Het is een signaal naar de Israëlieten toe: Merk de hand van je God hierin op. Het is geen Vreemde die het je aandoet. In  de uitleg van het Oude Testament is er altijd de discussie: straft God Zijn volk of laat Hij het volk de gevolgen van hun verkeerde keuze ondervinden. Ik denk dat het allebei is: het is straf om te laten ervaren wat er gebeurt als je als volk recht en gerechtigheid prijsgeeft. Het is de gevolgen van je verkeerde daden en intenties te laten ervaren. Als waarschuwing en oproep tot omkeer. Het verhaal wordt verteld om aan ons te laten zien: dit gebeurt er als je Gods richtlijnen voor de samenleving prijsgeeft.

download (1)

Deborah
De Heere, de God van Israël is niet alleen een oordelende God. Hij brengt ook redding. Welke keuze het volk ook maakt, het blijft Zijn volk. Met dit volk heeft Hij een verbond gesloten. Deze keer wordt een richter niet rechtstreekts geroepen, maar gebeurt het via Deborah. Deborah is rechter en profetes. Israël in Kanaän is niet de ideale samenleving. Er is een rechter nodig. Een rechter moet oordelen in conflictsituaties. Een rechter mag zich daarbij niet laten leiden door de status van een van de partijen. In het oordeel mag de rijkere, sterkere niet een gunstiger vonnis krijgen dan de zwakkere, armere partij. Deborah is niet alleen rechter, maar ook profetes. Zij ontvangt de boodschappen van de Heere, die aanwijzingen geeft. Ze wordt de vrouw van Lappidoth genoemd. Het is de vraag of het hier gaat om een echtgenoot of een plaatsnaam. Lappidoth betekent ‘vuurvlam’, ‘fakkel’ en kan ook duiden op de openbaringen die ze krijgt of op de overwinning van de Heere die aanstaande is.
deborah-barak


Barak
Een andere hoofdpersoon is Barak (‘Bliksemflits’). Barak wil niet gaan als Deborah niet meegaat. Deborah heeft hier dezelfde functie als de ark in de slag met de Filistijnen (1 Samuël 4): Deborah staat voor de zichtbare aanwezigheid van de Heere in het strijdtoneel. Vanwege die wens van Barak gaat de eer van de overwinning niet naar hem. Hij heeft een belangrijk aandeel in de strijd, maar de eer gaat naar een vrouw.

Deborah-GettyImages-173449598-57068a385f9b581408ce21b8

Barak krijgt de opdracht om 10.000 man te verzamelen op de berg Tabor. Zo vormt hij een lokaas voor Sisera, de generaal van Jabin. Met zijn strijdwagens (geduchte wapens, vergelijkbaar met een tank die een bataljon infanteriesoldaten aanvalt) trekt hij op naar de Tabor. Barak lijkt een makkelijke prooi voor hem: hij hoeft de berg alleen maar te omsingelen en het is uit met de opstand. Als hij de berg Tabor nadert, daalt Barak met zijn 10.000 man af en komt er verwarring en angst in het leger van Sisera. Ook dit is Gods hand en die verwarring die God brengt, ontstaat vóórdat Barak het leger van de onderdrukker aanvalt. Hij wint de slag wel. Heel de vijandelijke legermacht, met zijn indrukwekkende wapenarsenaal, wordt verpletterd. Slechts één man kan ontkomen.
B802153


Jaël
De ene man die kan ontkomen is de generaal: Sisera. Hij gaat op de vlucht voor Barak. Tijdens zijn vlucht komt hij aan in het tentenkamp van een loyale stam, die niet tot de Israëlieten behoort. Het is een groepje dat zich afgesplitst heeft van de Kenieten, die zich aan Israël hadden gelieerd. In plaats van een veilig onderkomen te vinden, wordt hij in een tent vermoord. Men heeft dit Jaël kwalijk genomen in de uitleg. Ze zou zondigen tegen het heilige gebod van de gastvrijheid.
Deborah_and_Barak_battle_C-324


Sisera
Degene die zondigt tegen de gastvrijheid is echter niet Jaël, maar Sisera. Hij vlucht niet naar het stamhoofd Heber, maar naar zijn vrouw. Sisera toont zich als een man die altijd gewend is om zijn zin te krijgen. Wat Sisera doet is oneervol voor Jaël en ook kwetsend en bedreigend. Door naar haar toe te gaan, ontrooft hij haar eer. Hij verlaagt haar en behandelt haar als prostituee. Hij zoekt zijn toevlucht waarschijnlijk bij Jaël, omdat ze een man niet in een tent van een vrouw zullen zoeken. Sisera toont grensoverschrijdend gedrag naar een vrouw. Een vrouw in oorlogsgebied is kwetsbaar. Ze loopt het gevaar om aangerand of verkracht te worden. Als hij in de tent is, vertoont Sisera zich als heer en meester en gedraagt hij zich niet als gast. Opnieuw zondigt hij tegen de gastvrijheid. Hij vraagt om drinken, terwijl een gast altijd gastvrij onthaald wordt met eten en drinken. Een gast hoort nooit te vragen. Hij vraagt ook de achtervolgers voor te liegen. Op tal van manieren schendt Sisera de eer van deze vrouw, ter wille van zijn eigen veiligheid. De tentpin in de slaap (of door de keel) is een vorm van zelfbescherming. Voor Sisera haar eer nog meer kan aantasten door haar aan te randen of te verkrachten, moet hij onschadelijk gemaakt worden.

Spot op de macht
In plaats van water, waar Sisera om vraagt, krijgt hij melk en wordt hij toegedekt. Net of Jaël als moeder een klein kindje toedekt. De harde, wrede, gevreesde generaal is verworden tot een klein hulpeloos kindje. Ook u bent nu  zo zwak geworden als wij,  u bent aan ons gelijk geworden (Jesaja 14:10, het spotlied op de machtige koning van Babel, die zijn onoverwinnelijkheid kwijt is en ook kwetsbaar lijkt te zijn.) Dit is een Bijbelse trek: de spot op de machthebbers, die denken dat ze heel wat zijn, maar wiens macht slechts lucht en leegte, ijdelheid der ijdelheden is. De machthebbers worden op een voor hun vernederende manier van hun tronen gestoten (zie Maria’s Lofzang: Lukas 1:52). Die in de hemel woont zal lachen, de HEERE zal hen bespotten (Psalm 2:4). Zo vernederde God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, vóór de Israëlieten (vers 23). De koning van Kanaän leidt gezichtsverlies, een van de ergste dingen die je kan overkomen in het (Oude) Nabije Oosten.
MV5BZWVhYzE0NzgtM2U1Yi00OWM1LWJlZTUtZmNkNWZhM2VkMDczXkEyXkFqcGdeQW1yb3NzZXI@._V1_CR46,0,1401,788_AL_UY268_CR15,0,477,268_AL_
Jaël: een vrouwelijke held à la Wonder Woman?

6a00e5520fbe938834019aff81be70970b-500wi
Of eerder een van de Koreaanse ‘troostmeisjes’ uit de Tweede Wereldoorlog?

Om over te preken
De verhalen van Richteren zijn bedoeld om door te vertellen als verhaal met een boodschap: Wat doe jij? Hoe ga jij om als je de baas bent, als je de macht hebt? Als je directeur bent van een bedrijf, een school, een zorginstelling. Als je in de politiek zit. Als je in de kerkenraad zit. Kies je voor de Kanaänitische levensstijl (die ook heel vroom gecamoufleerd kan worden met een zogenaamd geestelijke levensstijl), of kies je echt om te leven volgens de richtlijnen van de Heere?
Tijdens de Bijbelkring gaven gemeenteleden aan, dat zij de verhalen uit Richteren tijdens het bijbellezen overslaan. Dat is jammer, want daarmee mis je de boodschap, de kritische spiegel: hoe ga je om met je verantwoordelijkheden? Dat heeft volgens de Bijbel altijd te maken met je hart. Daarom: Wie stuurt je hart aan? Wie leeft er in je?

Opdracht:
1) Bekijk de bovenstaande verbeeldingen van Deborah:
a. Wat zie je? Hoe worden de personages afgebeeld?
b. Welke aspecten van het verhaal worden benadrukt?
c. Wat zegt het over hoe de tekenaar / schilder het verhaal ziet?
d. Kun je de verbeeldingen in een tijd plaatsen? Kun je daaraan ontleden hoe men tegen Deborah aankeek en waarom?
e. Welke verbeelding past het beste bij jouw beeld van Deborah?
f. Hoe zou jij zelf Deborah verbeelden?

2) Bekijk de twee onderstaande schilderijen van Jaël en Sisera
a. Wat zie je? Hoe worden de personages afgebeeld?
b. Welke aspecten van het verhaal worden benadrukt?
c. Wat zegt het over hoe de tekenaar / schilder het verhaal ziet?
d. Kun je de verbeeldingen in een tijd plaatsen? Kun je daaraan ontleden hoe men tegen Deborah aankeek en waarom?
e. Welke verbeelding past het beste bij jouw beeld van Deborah?
f. Hoe zou jij zelf Jaël en Sisera verbeelden?

1200px-Jacopo_Amigoni_002
Jacopo Amigoni, 1739

Giaele_e_Sisara
Artemisia Gentileschi, 1620


Vragen bij Richteren 4

Vragen bij Richteren 4
1) ‘deden de Israëlieten opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE’ – wat moeten we ons daarbij voorstellen? Hoe kwam het dat het volk Israël na de dood van Ehud deze weg insloeg?
2) ‘Daarom leverde de HEERE hen over in de hand van Jabin’ – wat is hier de betekenis van?
3) De verteller gebruikt onderdelen uit het verhaal van Israël in Egypte en van de uittocht. Waarom doet de verteller dat?
4) Wie is de held van het verhaal?
5) Wat kun je zeggen over:

  • Jabin en Sisera
  • Deborah: richter en profetes
  • Barak: zwakke leider of juist aan man die zich afhankelijk weet van de Heere?
  • Jaël: handelt zij vanuit een sluw motief of juist vanuit zelfbescherming?

6) Waar zou een preek over moeten gaan? Met andere woorden: Wat is de boodschap van dit verhaal?

Advent

Advent
Komende zondag is het de eerste zondag van advent. In deze periode oefenen we ons als kerk in het verlangen naar de Wederkomst van onze Heere Jezus Christus. In onze Nederlandse kerkelijke traditie bestaat de periode van Advent uit 4 weken. In andere kerkelijke tradities duurt de Adventsperiode 7 weken.

Advent is niet een voorbereiding op het Kerstfeest. Soms lijkt het wel zo met alle kerstvieringen en uitvoeringen die in de adventsweken al gehouden worden en alle voorbereidingen van koren.

Belang kerkelijk jaar
In de Anglicaanse traditie en de Lutherse traditie is er veel meer vastgehouden aan het kerkelijk jaar. Na de Reformatie hielden de kerken die in het spoor van Luther gingen vast aan het kerkelijk jaar. Zij waren van mening dat de gang door het kerkelijk jaar hielp bij het overdragen van het christelijk geloof: de leer was verdeeld over de zondagen en werd niet alleen uitgelegd maar ook gevierd. Op die manier werd de christelijke leer makkelijker eigen gemaakt.

Verlies kerkelijk jaar
Helaas heeft de traditie in het spoor van Calvijn het kerkelijk jaar losgelaten. En de uitleg van het geloof bijvoorbeeld gekoppeld aan de catechismus. Dat geeft een meer afstandelijke benadering van het geloof dan het vieren van Gods grote daden. In onze tijd is er behoefte aan om gemeenteleden, jong en oud, in te wijden in het christelijk geloof. Steeds meer wordt daarbij teruggegrepen op het kerkelijk jaar.

Verheft uw harten
Als kerk zijn we zonder een diepgewortelde kerkelijke traditie erg kwetsbaar voor wat er buiten de kerk gebeurt: de commercie rond Sinterklaas en kerst kan de aandacht en de focus opeisen. Juist in de Adventsperiode gaat het om de aansporing, die vanuit het avondmaal tot ons komt: Verheft uw harten tot Christus, die in de hemel is. We verwachten Zijn komst en kijken uit naar Zijn komst in hemelse glorie en heerlijkheid.

Rutledge
Momenteel lees ik het boek van Fleming Rutledge, Advent. The Once and Future Coming of Jesus Christ (Advent. Jezus Christus, die in het verleden kwam en in de toekomst zal komen). Daarin schrijft ze dat er steeds meer aandacht komt voor Advent, omdat de periode voor kerst overschaduwd wordt door commerciële belangen. Afgelopen donderdag was het in de VS Thanksgiving. De dag erop is het Black Friday (Zwarte Vrijdag), de start van de kerstinkopen die begint met grote kortingen. Het vieren van het kerkelijk jaar en in deze periode de Adventstijd is een stil protest tegen de vercommercialisering van onze kalender.

Wederkomst
Daarnaast is er vanwege alle verschrikkelijke gebeurtenissen in de 20e eeuw weer aandacht gekomen voor de Wederkomst van Christus in haar kerkelijke episcopale (Amerikaanse variant van de Anglicaanse) traditie. Ze schrijft dat zij als kind op zondagsschool hoorde dat het vooral gaat om de komst van Christus in je hart. Met de aandacht voor de Wederkomst en de verschrikkingen uit de 20e eeuw is er ook aandacht gekomen voor de apocalyptische teksten, die gaan over het laatste oordeel en over de gebeurtenissen vooraf aan de Wederkomst. Rampen, oorlogen en andere verschrikkingen die de komst van Christus aankondigen.

Apocalyptiek
Kenmerk van de apocalyptiek is dat we als gelovige niet alleen te maken hebben met God en mens, maar dat er ook een derde macht is: de duivel. Hij heeft de macht gegrepen in Gods goede schepping. Apocalyptiek geeft aan dat we in een tussenperiode leven: de tussenperiode van de zonde en de duivel tussen de goede schepping en herschepping en ook de tussenperiode van de overwinning van Christus op zonde en duivel en de uiteindelijke verdrijving van de duivel en de zonde uit deze wereld.

Nood
Het boek
Advent is eigenlijk een bundeling van allerlei preken die Rutledge in gehouden heeft. Daarin geeft ze aan dat de periode van advent aan de ene kant een roepen tot God is vanwege de nood die er in deze wereld is en het lijden aan de stilte van Gods kant en aan de andere kant de hoop en stellige verwachting dat Christus zal wederkomen om vrede en recht te brengen op aarde.

Niet voor zwakkelingen
‘Advent is niet voor zwakkelingen’ schrijft ze geregeld. Het uitzien naar de Wederkomst en het roepen tot God om Zijn ingrijpen in deze door de zonde getekende en de duivel geknechte wereld vraagt om een robuust geloof. Het vraagt om moed om in de donkere, koude tijd van de zonde uit te zien naar Christus’ komst en je leven niet te laten bepalen door de zonde en de duivel, maar door de verwachting dat Christus terugkomt. Advent is altijd een sobere periode van verootmoediging en schuldbelijdenis en tegelijkertijd een hoopvolle periode vol vreugdevolle verwachting: onze Heer komt!

Voorbereiding
Een goede voorbereiding is het luisteren naar muziek: de Messiah van Georg Friedrich Händel of de mooie cantate van J.S. Bach – ‘Wachet auf ruft uns die Stimme’ (BWV 104) of de eveneens indrukwekkende cantate ‘Aus der Tiefe ruf ich zu Dir’ (BWV 131). Deze muziek is via Spotify of YouTube eenvoudig terug te beluisteren.

Komende zondag is het in onze gemeente viering van het Heilig Avondmaal. Ook een mooie manier om ons te oefenen in de verwachting van Christus’ komst in heerlijkheid

Preek zondagmorgen 25 november 2018

Preek zondagmorgen 25 november 2018

Voorbereiding viering Heilig Avondmaal
Hebreeën 10:19-39
Tekst: vers 22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de tijd dat ik predikant was in Noord-Holland had ik een begrafenis
van iemand die wel lid was van de kerk, maar nooit de kerkdiensten bezocht.
Ik had de man nooit gekend en moest de informatie van de familie hebben.
Boven de rouwkaart stond een leus die kenmerkend voor de man geweest was:
I did it my way – Ik heb mijn leven op mijn eigen eigenzinnige manier geleefd.
Ik trek mij niets aan van anderen vinden. Ik trek mijn eigen plan, het is mijn eigen leven.
Ik kwam dat daar wel meer tegen (natuurlijk niet bij iedereen, maar ik proefde het wel):
de angst dat iemand iets van jouw leven vindt.
Je bemoeide je maar niet met hoe het er bij je buurman aan toe ging,
zelfs niet als het echt mis ging op een boerenerf,

want stel dat de buurman dacht hij zich ook met jouw leven kon bemoeien.

I did it my way – Ik kom dat hier niet zo snel tegen.
Er zullen er weinigen zijn die zullen zeggen:  
Ik doe mijn leven op mijn eigen eigenzinnige manier
en wat anderen daarvan vinden, daar heb ik niets mee te maken.
Hier telt toch mee wat je doet voor elkaar, dat je je inzet voor de gemeenschap.
Het telt positief als je betrokken bent bij een van de sportverenigingen,
als je meedoet met de muziek of als je je voor de kerk inzet, of voor een van de kernen.
Dat heeft iets moois, als je elkaar veel tegen komt en met elkaar kunt meeleven,
Je kunt iets voor elkaar doen en je hoort ergens bij: bij de gemeenschap op het dorp.
Het kan ook iets beklemmends hebben als anderen veel van je zien.
Het kan je een druk geven dat je iets moet doen wat je eigenlijk niet kan,
dat je veel ballen in de lucht moet houden, omdat anderen dat ook doen:
je gezin, je werk, de familie en vrienden, de sportvereniging die wat van je verwacht, de kerk.
Eigenlijk is het te veel, maar toch ga je maar door, want anderen doen het ook.
Anderen lijken het ook te kunnen, dus je moet niet zeuren en de schouders eronder zetten.
Van de week hoorde ik het voorbeeld:
Ik kan overdag geen boek lezen, want stel dat ik met een uurtje met een boek op de bank zit
en de postbode komt langs en die ziet dat ik alleen maar in een boek zit te lezen,
wat zal die postbode dan wel niet denken?
Wie zo denkt, zal niet denken: ik ga het eens op mijn eigen manier doen
en trek me lekker niets aan van wat anderen van mij vinden,
maar houdt rekening met wat anderen vinden.
Geen I did it my way, maar Zo doen we dat hier! We!

In het avondmaalsformulier en ook in Hebreeën 10 gaat het over wij.
Opdat wij tot onze troost het avondmaal vieren mogen
Geen verhaal over dat je het op je eigen manier kunt doen.
Geen: op je eigen manier omgaan met het avondmaal
en ook niet: wat zij daar in de kerk doen op de avondmaalszondag,
maar ik ben thuis en laat het aan mij voorbij gaan.
Wij beproeven onszelf – ieder gaat het weliswaar voor zichzelf na,
maar we gaan allemaal na hoe we in het geloof staan,
hoe wij tegenover de Heere staan en wat wij er van hebben gemaakt in de afgelopen tijd,
Wij allemaal zien onze zonde eerlijk onder ogen.
Niemand kan zeggen: Ik hoef niet in de spiegel te kijken, ook niet mijn eigen hart na te gaan
want het avondmaal is niets voor mij.
En ook niet: ik weet toch wel dat het bij mij goed zit.
Wie blijven daarbij ook niet staan, maar gaan verder, om bij Christus uit te komen.
Dat kan en dat moet ieder voor zichzelf afzonderlijk doen, ieder voor zich,
maar we komen daar wel met elkaar uit, daar horen we gezamenlijk uit te komen,
zodat we komende zondag met elkaar als gemeenschap van Christus hier in Oldebroek
met elkaar, samen, daar aan de tafel te zitten, samen ook met onze Heere Jezus Christus.

Moet je daar niet eerst voor jezelf ervaren dat je mag komen?
Dan komen het ‘wij’ uit Hebreeën 10 om de hoek kijken.
Wij hebben die vrijmoedigheid ontvangen – laten wij dan naderen.
Ook hier een gezamenlijkheid, met elkaar, samen.
De vrijmoedigheid om aan het avondmaal te gaan
En daar te zitten om te gedenken en te vieren dat Christus voor je zonden gestorven is,
is niet een vrijmoedigheid die aan een enkel gemeentelid alleen gegeven wordt.
Wij hebben vrijmoedigheid om tot God in de hemel te naderen.
Als wij die permissie hebben, als we toestemming hebben, mogen komen
tot God die in de hemel is, dan hebben we ook de permissie, toestemming om te komen
tot Hem hier op deze aarde en aan Zijn tafel te zitten.
Christen-zijn is het privilege om het hemels heiligdom binnen te gaan,
geloven, christen-zijn is het voorrecht om bij de heilige God in de hemel te komen
en voor Hem te staan..
Juist als over die permissie, toestemming wordt gesproken om voor God te mogen komen
wordt er gesproken over wij en over broeders&zusters.
Wij hebben dat voorrecht, dat privilige.
Broeders: we spreken elkaar dringend er op aan om van dat privilege gebruik te maken.
Werp voor jezelf geen barrières op. Doe voor jezelf geen deuren dicht die God opent.

Broeders&zusters: slechts enkele keren in Hebreeën.
We horen bij elkaar en zijn er voor elkaar en zijn aan elkaar gegeven.
Niet omdat we hier samen in Oldebroek wonen of omdat veel mensen ergens familie zijn,
maar omdat Jezus naar de aarde kwam en geboren werd als mens,
omdat Hij stierf aan het kruis, Zijn leven gaf,
is iedereen die in Hem gelooft familie van elkaar.
Je behoort tot hetzelfde gezin: het gezin van onze Hemelse Vader.
Avondmaal vieren is ook vieren dat we door Christus en om Christus heen één gezin zijn.
Hier in Oldebroek gaan er gelukkig veel naar de kerk.
Ook hier in de kerk zullen er zijn, die als het gaat om geloven en naar de kerk gaan
de enige van het gezin of zelfs  van de hele familie te zijn.
Maar voor de meesten is het gelukkig zo, dat ze met meerderen zijn
en dat je uit de kerk met elkaar kunt praten over hoe het in de kerk was
en samen kunt spreken over het leven met de Heere Jezus Christus.
Maar als je als de omgeving vijandig is,
als je familie niet accepteert dat je christen geworden bent,
sta je er alleen voor en heb je medechristenen nodig die voor jou een gezin vormen.
Komende week gaat het op de moederkring over christenzijn en zendeling zijn
in een land dat hoog staat in de lijst van landen waarin christenen vervolgd worden.
In zulke landen is een gemeenschap van broeders en zusters van belang
om de weg te gaan, om het vol te houden, om ervaringen te delen, elkaar te bemoedigen,
om als je het even niet ziet zitten, aangespoord te worden om de weg te vervolgen.
Ook hier in Oldebroek, waar er veel meer vrijheid is om naar de kerk te gaan
hebben we elkaar nodig en is het van belang om samen gemeenschap te vormen.
Laten wij tot Hem naderen. Samen.
Want we delen met elkaar in de vrijmoedigheid.
Wat is vrijmoedigheid?
Zonder angst naar iemand toe gaan, je weet dat je mag komen.
Als je op de middelbare school je teamleider moet hebben.
Je hebt gehoord dat je mag komen en dan sta je voor een deur die dicht is.
Zal ik kloppen? Wie weet komt het helemaal niet uit?
Hoe zal ze het vinden als ik aanklop? Ze zegt het wel, maar ben ik echt welkom?
Laat ik maar kloppen, want ik heb haar nodig op dit moment.
Dat is vrijmoedigheid. Dat je doorzet, ondanks allerlei aarzelingen en gedachten.

Die aarzelingen en gedachten kunnen er ook zijn als je naar God toe wilt gaan,
je wilt bij Hem op de deur kloppen, maar je denkt: Mag ik wel?
God is zo heilig en ik doe zoveel zonden.
Ik heb al zo vaak geprobeerd om te leven zoals Hij dat wil, maar toch is het weer misgegaan.
Zal Hij me niet afwijzen en zeggen: Breng eerst je leven maar op orde.
We hebben vrijmoedigheid, toestemming van God zelf om te komen tot Hem.
Tot God komen – dat is nogal een weg. Hoe kom je daar, vanuit de aarde in de hemel?
Het is een vraag die kinderen bezig kan houden als een opa of oma overleden is.
Hoe kan opa of oma, die in de kist ligt, in de hemel komen.
Hoe kunnen wij als mensen, die hier op deze aarde leven, in de hemel komen,
waar de troon van God staat?
In de tijd van het Oude Testament was de tempel de plek waar de aarde open was
Voor de hemel, waar er een plek op aarde was, waar je de hemel kon binnengaan.
Er was één stuk van de tempel waar niemand mocht komen,
dat was te heilig – het allerheiligste, het heilige der heiligen.
Daar stond de ark met de engelen (cherubim) – de troon van God.
God die troont op de cherubim.
God was te heilig om zomaar even naar toe te gaan.
Alleen één keer per jaar mocht alleen de hogepriester die ruimte binnentreden.
Op de Grote Verzoendag, als er vergeving voor alle zonden van het volk werd gevraagd.
Al die andere dagen was de ruimte afgesloten met een gordijn: het voorhangsel.
Er is in het Oude Testament een sterk verlangen om tot God te naderen,
maar er is altijd wel een afstand, het gaat alleen maar via-via: via offers, via priesters.

We hebben toegang tot God, omdat er op Golgotha een kruis stond, waar Jezus hing,
Waar Hij Zijn leven gaf voor ons, waar Hij stierf voor onze zonden,
waar Hij onze schuld op zich nam, waardoor we niet hoeven te steken bij de eerste stap,
het overdenken van onze zonde, maar dat we verder mogen gaan naar de vergeving.
Laten we dan tot Hem naderen.
Het bijzondere van het kruis op GOlgotha is, dat er daardoor een weg is
van de aarde naar de hemel om bij God te komen.
Zowel praktisch, dat je van de aarde God in de hemel kunt bereiken,
maar dat er ook de toestemming is.
Hoe kom je daar dan?
Christus is de weg – een nieuwe weg, een weg die er eerst nog niet was.
Vroeger ontstonden wegen doordat mensen er vaak overheen liepen.
Je ziet dat nu nog als je ergens een stukje kunt afsnijden met de fiets,
dan zie je in het gras een pad ontstaan.
In de Romeinse tijd, de tijd waarin Hebreeën geschreven is,
legden Romeinen op veel plaatsen nieuwe wegen aan, waar geen wegen waren,
zodat soldaten en handelaars zich makkelijk konden verplaatsen.
Zo’n weg was niet goedkoop.
Er waren daarom sponsors, die het mogelijk maakten dat er zo’n weg was.
Bij de opening van de weg werd de naam van de sponsor met ere genoemd
En misschien ook wel een bord met de naam of de weg naar de sponsor genoemd.
Een nieuwe weg door Christus. De weg draagt Zijn naam, want Hij is die weg.
Aan het kruis op Golgotha heeft Hij die weg naar de Vader, Zijn vader, ingewijd.
Volgende week zondag vieren we dat er een weg is, dat Hij die weg is,
dat Hij die weg, die er eerst niet was, aanlegde, en dat wij daarover mogen gaan
om bij God aan te komen en bij Hem te zijn.
Hoe kom je dan van de aarde in de hemel bij God in de hemel voor Zijn troon?
Daar komen we door de Heere Jezus.
Omdat we met Hem verbonden zijn, kunnen we over die weg.
Om over die weg te gaan, hoeven we niet te wachten totdat we sterven
om van een aards bestaan op een hemels bestaan over te gaan,
maar kunnen we nu al voor God komen – door te bidden
en omgekeerd: God komt naar ons toe als we als broeders en zusters,
als Zijn gemeenschap, Zijn gezin samen komen, om Hem te loven en te aanbidden.
Als we avondmaal vieren, hebben we al een stukje hemel op aarde,
net als elke kerkdienst dat is, omdat dan het verschil tussen hemel en aarde even wegvalt
omdat God in ons midden aanwezig is en Christus aan het hoofd van de gezinstafel zit.
Hij nodigt, Hij deelt uit, het is op kosten van Hem!
Laten wij dan naderen.

Dat naderen is niet persé een bijzondere ervaring, geen mystiek-intense ervaring,
zoals je volgende week bij het avondmaal niet persé een intense ervaring hoeft te hebben.
Het kan zijn dat je op dat moment heel intens bewust bent van je zonden,
of juist van de nabijheid van Christus,
het kan zijn dat je op dat moment weinig of niets ervaart en dat het toch goed is
dat je daar bent – laten we naderen!

Om te kunnen komen aan het avondmaal, maar ook om tot God in de hemel te komen
heb je wel wat nodig: een waarachtig hart.
Een hart dat uit één stuk bestaat: alleen maar op God gericht.
Geen hart dat daarbij ook de neiging heeft om bij God weg te lopen,
I did it my way – op mijn eigen eigenzinnige wijze en niet de weg die Christus is.
Ons hart is het probleem – ons hart dat ons leven aanstuurt, dat maakt wie we zijn.
De eerste stap in de voorbereiding van het avondmaal is
inzien, onderkennen dat er vanuit je hart een neiging is
om het allemaal niet zo nauw te nemen, of bij God vandaan te vluchten,
door te denken dat je helemaal niet voor God hoeft te komen, want je hebt je leven hier.
Een waarachtig hart is een hart dat gereinigd is door het bloed van Christus,
Die niet alleen de weg baande om waarover wij kunnen gaan,
maar ook ons veranderde, reinigde waardoor we voor de heilige God kunnen staan
en aan de heilige tafel van Christus kunnen zitten,
de waardigheid die God ons schenkt.
Dat waarachtig hart, de zekerheid die we hebben in geloof, het geweten gereinigd,
we ontvangen dat uit Gods hand.
Gemeente, broeders en zusters, we hebben het,
we hebben het omdat we het hebben gekregen, ontvangen.
Daarom hebben we het nog wel – hebt u het. Het wordt u, jou gegeven.
We hebben Jezus Christus en daarmee hebben we alles gekregen wat we nodig hebben.
Laten we naderen – laten we elkaar aansporen om te gaan, om te komen
En er geen genoegen mee nemen dat we het op onze eigen manier doen.
Niet door elkaar de druk op te leggen – zo doen we het hier,
maar om te merken dat Christus het zo voor elkaar heeft gemaakt en het zo geeft.
In het gedeelte is er een vrolijkheid over Christus,
Wij hebben een hogepriester in het huis van God.
Wij hebben iemand bij God door Wie we bij God mogen komen en die ons daar brengt.

Door uw genade, Vader, mogen wij hier binnengaan.
Niet door rechtvaardige daden, maar door het bloed van het Lam.

U roept ons in uw nabijheid en dankzij uw Zoon;
dankzij het bloed dat ons vrijpleit, komen wij voor uw troon.         

Nooit konden wij zonder zonde    voor U staan.
Maar in uw Zoon zijn wij schoon door het bloed van het Lam.      

Laten wij naderen.
Amen

Lezen van literatuur vormt je karakter

Lezen van literatuur vormt je karakter

Een van de vragen waar ik als predikant steeds mee bezig ben is welk effect het evangelie heeft op mijn eigen karakter en op dat van gemeenteleden. Met name tijdens de voorbereiding van de preek en van de catechisaties houdt die vraag me bezig. Welk moreel appèl doet het evangelie op ons karakter? Welke bijdrage kan ik als predikant vanuit het evangelie daaraan leveren?

Prior_OnReadingWell_3D-1
Deugdzaam leven
Daarom was ik benieuwd naar het boek On Reading Well van Karen Swallow Prior. Zij is hoogleraar Engels aan de Liberty University, een Amerikaanse christelijke universiteit. In On Reading Well laat Prior zien hoe het lezen van literatuur kan helpen een deugdzaam leven te vinden. Ze behandelt twaalf christelijke deugden aan de hand van een roman of een kort verhaal, waarin zo’n deugd wordt uitgetekend. Of juist een hoofdzonde als het tegenovergestelde van de christelijke deugd.
webRNS-Prior-Profile8-082018-1-990x556

Karaktervorming
In haar boek stelt Prior dat het lezen van literatuur goed is voor onze karaktervorming en morele ontwikkeling. Romans, verhalen en toneelstukken kennen een plot, waarin het karakter van de hoofdpersoon wordt onthuld. Als lezer volgen we een hoofdpersoon op de voet en zien van nabij wat hem of haar overkomt en wat hij of zij doet. Door de hoofdpersoon op de voet te volgen, krijgt de lezer inzicht in de afwegingen en keuzes die iemand maakt. Omdat niet elke keuze of beweegreden integer is, doet de lezer kennis op van goed en van kwaad. Deze inzichten in goed en kwaad kunnen de lezer helpen om zelf tot de juiste morele beslissingen te komen. Dat vraagt van de lezer een beoordeling. Prior laat zien dat literatuur vaak om morele beoordelingen van de lezer vraagt.
download
In het hoofdstuk over wijsheid behandelt Prior
De geschiedenis van Tom Jones (1749) van Henry Fielding, waarbij er een verteller die de morele beoordeling expliciet aan de lezer meldt. In De grote Gatsby van F. Scott Fitzgerald (in het hoofdstuk over matigheid) en in Stilte van Shusako Endo (in het hoofdstuk over geloof) gebeurt de beoordeling op een impliciete manier doordat een figuur over de hoofdpersoon vertelt.

Wijsheid
De eerste deugd die besproken wordt is wijsheid. Wijsheid is volgens Prior het hart van het morele karakter. Wijsheid is als een wagenmenner die iemand aanstuurt. Wijsheid is geen deugd die in een ivoren toren wordt ontwikkeld, maar in de praktijk tot uitdrukking komt door te kiezen voor het goede en het kwade te vermijden.
Beautiful young brunette with blue eyes reading a book,sitting in a park
Wijsheid is daarom moraliteit die in praktijk wordt gebracht. Wijsheid heeft te maken met vooruitkijken. Je ziet wat er op je afkomt en wat daarbij van je gevraagd wordt om de juiste keuze te maken en het kwade uit de weg te kunnen gaan. Daarbij is niet alleen het einddoel van belang, maar ook de manier waarop het nastrevenswaardige doel wordt behaald. Een wijs persoon zal nooit zeggen dat het doel alle middelen heiligt. Het tegenovergestelde van wijsheid is daarom sluwheid. Een sluw persoon weet zijn doel te bereiken via een weg van kwade handelingen of kwade intenties.

Gemeenschappelijk gebeuren
Wat mij opviel bij het lezen over de deugden is dat het kunnen ontwikkelen van een deugd een gemeenschappelijk gebeuren is, maar dat het kiezen voor een verkeerde weg vaak een individueel streven is met publieke gevolgen. Neem gerechtigheid, een deugd die het beste in praktijk gebracht kan worden als de gehele gemeenschap vanuit gerechtigheid denkt en handelt. Een onrechtmatige daad heeft altijd publieke gevolgen. Al is die onrechtmatige daad in kleine kring uitgevoerd. Prior laat dat zien aan de hand van Twee steden van Charles Dickens, waarin de Franse Revolutie, die ontstaat uit het streven naar gerechtigheid ontaardt in een spiraal van geweld en daarbij ook weer onrecht begaan wordt.

9780451531315

Kuisheid
Ook de deugd van de kuisheid is een deugd die een appèl doet op een hele samenleving. Volgens Prior is er in deze tijd een verkeerd beeld van kuisheid. Bij kuisheid gaat het niet om uit de weg gaan van seksuele verleiding, maar juist toewijding aan de ander die aan je gegeven is. De roman die aan de orde komt is Ethan Frome (1911) van Edith Wharton. De hoofdpersoon Ethan Frome, getrouwd met Zeena, knoopt een relatie aan met Mattie. Aan zijn vreemdgaan ligt niet de ontmoeting met Mattie ten grondslag, maar het eerder al niet meer zien van Zeena en van het goede dat zijn vrouw in zijn leven brengt. Had Ethan zijn vrouw niet verwaarloosd, had zijn relatie met haar veel beter kunnen zijn. Kuisheid als gerichtheid op de ander is een voorwaarde om liefde te kunnen laten bloeien.

9200000005454557
Endo
Indrukwekkend is het hoofdstuk over geloof, waarin Stilte (1966) van Shusaku Endo aan de orde komt. Stilte gaat over de trotse Jezuïet Rodrigues die in Japan aankomt tijdens de vervolgingen van christenen. Hij kan het leven van christenen redden door het beeld van Christus te vertrappen. De vraag die het boek oproept is: betekent dat vertrappen van Christus het einde van zijn geloof of juist het begin van een geloof zoals Rodrigues nog nooit heeft gehad? Prior waarschuwt ervoor om Endo niet teveel vanuit de eigen dogmatiek te lezen. De roman houdt de lezer een spiegel voor: geloof is geen menselijke prestatie. Geloof is een deugd omdat we daarin kunnen uitblinken in onze afhankelijkheid van God.

img_1770

McCarthy
Inzichtgevend was ook het hoofdstuk over hoop. Deze deugd laat zien dat we onderweg zijn naar een betere toekomst. Volgens Prior is het onderweg-zijn van mensen een eeuwenoud literair motief. In dit hoofdstuk bespreekt ze De weg (2006) van Cormac McCarthy. Hoop is een belangrijke deugd, omdat hoop een realistische kijk op de wereld veronderstelt. Wanhoop is een hoofdzonde, omdat het geen realistische kijk op de wereld heeft en daardoor aanzet tot verkeerd handelen.

N.a.v. Karen Swallow Prior, On Reading Well. Finding the Good Life through Great Books (Grand Rapids: Brazos Press, 2018).

Gepubliceerd in het Christelijk Weekblad

Preek zondagmorgen 18 november 2018

Preek zondagmorgen 18 november 2018
Hebreeën 3:7-4:13
Tekst: 3:12.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Onlangs vroeg iemand van een andere gemeente of hij mij eens mocht spreken.
We maakten een afspraak en hij kwam bij mij langs.
In dat gesprek gaf hij aan dat hij zich zorgen maakte over mijn manier van preken.
Van zijn eigen gemeenteleden hoorde hij terug dat ik in mijn preken te weinig waarschuwde
en in preken te weinig u als gemeente voorhield dat er twee wegen zijn.
Daarmee wordt bedoeld dat niet iedereen, die in de kerk zit ook in de hemel komt,
maar dat je ook verloren kunt gaan, voor eeuwig verloren.

Het is niet alleen een vraag die bij gemeenteleden van mijn collega leven,
maar ook hier in de eigen gemeente:
Doen we in wijk 2 niet te makkelijk alsof iedereen die naar de kerk gaat in de hemel komt?
Daarom is het goed om op deze vraag in te gaan
en ik aan de persoon die mij sprak de vraag gesteld of ik deze preek mocht beginnen
met de vraag die hij voor mij had, namelijk: ga je er niet te gemakkelijk vanuit
dat mensen die bij jou in de kerk zitten in de hemel komen?

Nu gaat het vanmorgen niet die persoon of die andere kerk, maar over u en jou en mij:
Gaan wij de hemel in? Kunnen we dat van onszelf zeggen?
Het leven is een reis, zegt Hebreeën 3-4, je aardse bestaan is niet voorgoed,
je bent hier maar tijdelijk.
(Voorbeeld van het touwtje).
En wat als het leven, dat maar tijdelijk is, voorbij is, wat gebeurt er dan met je?
Weet u wat er dan met u gebeurt?
Dan zijn er twee mogelijkheden.
Of je gaat naar Christus, naar het Vaderhuis, de hemelse rust,
of je gaat verloren, voor eeuwig.

Er wordt ook wel gesproken over twee wegen:
de ene weg die uitloopt op het voor eeuwig bij de Heere mogen zijn
en de andere weg die uitloopt op voor eeuwig verloren.
Daarom zijn er gelovigen, die zeggen: je moet het vaak over deze twee wegen hebben,
eigenlijk moet dat elke kerkdienst wel,
om degenen die op de verkeerde weg zijn, naar de ondergang, naar voor altijd verloren,
te waarschuwen, zodat ze nog op die andere weg kunnen komen en gered kunnen worden.
Ze maken zich zorgen als te weinig gesproken wordt over deze twee mogelijkheden
die er zijn aan het einde van het menselijk leven, deze twee verschillende bestemmingen
Als je het in de kerk, in de preken, op huisbezoek of catechisatie te weinig hebt
over de mogelijkheid dat je ook verloren kunt gaan
en dat je serieus werk moet maken van je leven met Christus,
dan kan er een gemakzucht komen in de kerk
en dan kan diegene die naar de kerk komt denken:
met mij komt het wel goed, ik kom wel er wel, in de hemel.
Dat wordt ook wel ‘gearriveerd christenzijn genoemd’.
Je denkt dat je er al bent, dat je er niets meer voor hoeft te doen.
En ondertussen verslapt je aandacht, ben je niet zo met God meer bezig
en zonder dat je het door hebt – want je denkt dat het met jou goed gaat –
raak je op die verkeerde weg, waar heel de Bijbel voor waarschuwt.

Dat waarschuwen gebeurt ook in Hebreeën 3:
Denk erom, beste gelovige, ook jij loopt het gevaar om die verkeerde weg op te gaan.
Denk niet te snel: ‘Dat overkomt mij niet, want ik heb mijn geloof toch?’
Want je kunt dat geloof ook op het spel
Daarmee kun je de toegang tot de eeuwige heerlijkheid, de hemel waar God is, kwijtraken.
Want je weet toch wel, hoe je de hemel wél kunt binnen gaan?
Daar hoeven we gelukkig niet onzeker over te zijn.
Als je gelooft in de Heere Jezus, als Hij je Heer en je redder is,
Als je beseft dat Hij voor je zonden gestorven is en dat het nodig is dat Hij ook voor jou stierf,
dan is Hij de deur, waardoor je aan het einde van je leven de hemel kunt ingaan.
Je gelooft dat niet alleen omdat je ouders dat geloven,
of dat er zo in de kerk over gesproken wordt.
Je gelooft, omdat je het voor jezelf hebt ontdekt, dat het waar is.

Het kan best zijn dat je dat niet gelijk gelooft, dat je er veel tijd voor nodig hebt
om zo in de Heere Jezus te geloven, dat je niet gelijk alles begrijpt,
maar als je in je hart liefde voor de Heere Jezus voelt,
of als je beseft: ik heb Hem echt nodig, zonder Hem gaat het echt niet goed.
Het kan best een tijd duren voor je het kunt erkennen: Ik heb Hem echt nodig.
Dat heeft met ons hart te maken, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief.
Met ons hart, dat bedoelt de Bijbel altijd meer dan wij met ons hart bedoelen.
Als wij aan hart denken, dan denken we aan het orgaan dat in ons klopt
en het bloed door ons lichaam stuurt.
Als we het figuurlijk bedoelen, denken we aan gevoelens of emotie:
Hart staat voor liefde – ik hou van jou.
Hart staat voor passie – je gaat ervoor, met heel je hart
Hart staat voor betrokkenheid, compassie – zij heeft een groot hart.
In de Bijbel gaat het om veel meer: om wie je ten diepste bent, je identiteit
je identiteit voor jezelf, naar anderen toe, maar vooral ook je identiteit naar God toe.
Hart heeft te maken met keuzes die je maakt, goede of verkeerde keuzes.
Ons hart is de plek waar Gods woorden resoneren, gehoord worden,
in ons bestaan een uitwerking hebben
ons vormen in ons denken, in wat we doen, in ons karakter, in onze identiteit.

En nu zegt de schrijver van Hebreeën – en hij is daarin in de Bijbel niet de enige:
Ons hart zorgt voor een probleem, of anders gezegd: ons hart is een probleem.
Met ons hart kunnen we dwalen (HSV) – Altijd weer dwaalt ons hart (NBV).
De woorden worden uit een psalm gehaald, we hebben die psalm ook gezongen: Psalm 95.
Die psalm wordt niet aangehaald, omdat het een mooie psalm is
en zelfs niet omdat de schrijver zich erin herkent – ik heb inderdaad een hart dat dwaalt.
Nee, de psalm wordt geciteerd omdat God dat zegt, dat ons hart dwaalt.
Vanuit onszelf hadden we dat wellicht niet eens opgemerkt.
En de schrijver zegt er in naam van God bij: Als God spreekt, dan moet je luisteren.
Doe je oren open, zet de deuren van je hart open,
zodat de woorden van God in je komen en in jou effect hebben.

Het probleem met ons hart is dat ons hart zich kan afsluiten voor God.
Dat is niet alleen iets uit een ouder leven, toen je nog zonder God leefde.
Ook als je gelooft, kan er nog die neiging zijn om Christus buiten je hart te zetten,
om God uit je leven te bannen.
Er gewaarschuwd in vers 12 voor een verdorven hart
en wat is dat dan, een verdorven hart?
Dat is een hart, waar niets mee te beginnen valt.
Als God iets zegt, doet het de oren dicht, sluit het zich, zoals een schelp zich sluit,
in je eigen wereld, ik wil niemand er in, ook God niet, ook Zijn woorden niet.
Als God aanwijzingen geeft, opdrachten voor hoe je hebt te leven,
dan haal je je schouders op: dat bepaal ik zelf wel, het is mijn leven.
Als de Heere van je vraagt een bepaalde keuze te maken,
dan zeg je: Ik zie het nut er niet van in, ik doe het niet (Jona!).
NBV: Zie er dus op toe, broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillend, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God (3:12).
Vers 13 spreekt over verhard zijn, over halsstarrig.

Wij hebben enkele jaren in Noord-Holland gewoond.
De grond was van klei en als het geregend had, plakte die klei aan elkaar.
Je kon niet spitten of graven, want er was geen doorkomen aan.
Zette je een schep in de grond om te spitten, dan brak de steel af.
Het regenwater zakte ook niet gelijk in de grond, maar bleef staan.
Een verhard hart is een hart waar het regenwater van de Geest moeilijk doordringt,
een hart waar Gods schep in kapot breekt, als Hij je de grond van je hart wil omspitten.
En halsstarrig: Ik denk dat we allemaal wel een voorbeeld kennen
in je eigen gezin of in je klas die nooit wil luisteren,
altijd een weerwoord heeft naar de ouders of de leerkracht,
steeds probeert om de sterkste te zijn.
Als we elkaar niet waarschuwen, als we elkaar niet bij de les houden, elkaar niet aanspreken
raakt ons hart ook verhard, en wordt het zwaar om de grond in ons hart om te spitten,
worden we halsstarrig en gaan we het gevecht aan met God
over wie de baas is in ons leven: Hij of wijzelf.
Je kunt niet zeggen: Het is de schuld van de wereld waarin we leven,
die zo anders aan het worden is, waarin we veel van het goede van vroeger kwijtraken.
Het zijn niet de verleidingen om ons heen, het is niet de computer, de tv, de telefoon,
het is niet de welvaart en de luxe waarin we leven,
het is ons eigen hart, met andere woorden: we zijn het zelf,
die ons de verkeerde weg op sturen, we brengen onszelf in gevaar.
Want het is niet zonder risico, je hart dat je doet dwalen.
Jij als gelovige die gaat dwalen, terwijl je God hebt ontvangen,
als je dat gaat doen, je hart gaat volgen, raak je God kwijt en kun je niet binnengaan.
Dat is de ernst van dat dwalen van ons hart.

Om die ernst te benadrukken wordt het volk Israël als voorbeeld voorgehouden.
Het volk dat uit Egypte werd bevrijd, weg uit het land waar ze slaaf waren,
In de Bijbel wordt aangegeven dat als je in Christus gaat geloven
dat ook met je gebeurt: dat je uittrekt uit een land waar je slaaf was.
Van het volk Israël wordt gezegd, dat iedereen uit Egypte weggaat,
er blijft niemand daar achter in Egypte, geen kind, geen oudere, zelf geen dier.
Maar als het volk veertig jaar lang in de woestijn geweest is
en het land dan uiteindelijk mag binnengaan, zijn er slechts 2 nog over
van al diegenen die uit Egypte zijn vertrokken: Jozua en Kaleb.
Al die anderen zijn in de woestijn omgekomen,
omdat – zegt de Psalm 95 die hier geciteerd wordt
– de Israëlieten steeds het gevecht met God aangaan.
Ze geloven Hem niet, ze vertrouwen Hem niet, ze weten het beter, ze mopperen.
Terwijl ze op de weg door de woestijn God steeds aan het werk zagen.
En dat volk Israël is niet een ander volk, geen vreemden, maar is het voorgeslacht,
je zou kunnen zeggen, onze opa’s en oma’s – ze zijn niet anders dan wij.
We kunnen niet zeggen: het is een andere tijd, andere mensen.
Als de deur later dicht gaat en we de hemel niet binnen mogen gaan,
kunnen we niet zeggen: Had ons dan gewaarschuwd, dan hadden we ons gebeterd.
De Bijbel staat vol met waarschuwingen en we moeten ook elkaar waarschuwen.

Dat waarschuwen heeft wel een doel:
namelijk dat er zo veel mogelijk mensen de hemel ingaan,
zoveel mogelijk mensen de redding in Christus aangrijpen en gered worden.
Je hebt nu nog een kans om te luisteren,
om je als een afgedwaald schaap terug te laten brengen naar de kudde.
Heden, vandaag nog spreekt God, en zolang je nog tijd gegeven wordt,
kun je komen, is er nog een mogelijkheid om erbij te komen op de goede weg,
de weg van Christus te gaan, om vol te houden en niet af te wijken
en zo op de weg van Christus aan te komen en door Hem binnen te mogen gaan.
De deur wordt nog niet dichtgegooid. Het is nog niet voorbij.
Dat moet je niet gemakzuchtig maken – ‘O, ik heb dus nog tijd.’
Nee, wees niet koppig, wees niet halsstarrig, laat je hart niet verharden.
Als je te lang op de verkeerde weg wandelt, de weg naar de ondergang,
dan bestaat het dat je niet meer wilt terugkeren,
Dat je God loslaat en het opgeeft, dat je denkt: voor mij hoeft het niet meer.

Spreken over de twee wegen, de twee bestemmingen moet dus gebeuren.
Ik benadruk zelf graag het positieve, dat heeft wellicht ook met mijn karakter te maken.
Ik spreek niet graag iemand aan op wat fout gaat
en als predikant probeer ik steeds te werven
En ik hoop dat het spreken over Gods liefde en Gods genade u raakt
en over de streep trekt om de weg van Christus te gaan en zo bij Hem aan te komen.
Er zijn kinderen bij wie je moet dreigen, anders luisteren ze niet
en volwassenen die zonder ultimatum niet in beweging komen.
Of je nu waarschuwt, of positief over God spreekt,
het gaat in beide gevallen om zo veel mogelijk mensen mee te nemen,
voorzover we kunnen, op de weg van Christus.
Spreken over twee wegen en twee bestemmingen is belangrijk,
maar dat betekent ook dat je bezorgd voor elkaar bent.
Je kunt niet zeggen: met hem heb ik niets te maken, want hij staat te ver van mij af.
Zij is niet mijn verantwoordelijkheid.
Juist als je gelooft in het belang van het praten over twee wegen, twee bestemmingen
hoor je als kerk werk te maken van het omzien naar elkaar
en werk te maken van het evangelisatiewerk en het opzoeken van hen die niet geloven.
In dit hoofdstuk gaat het steeds over ‘wij’ en we zingen straks ook over ‘wij’:
Komt, laat ons voortgaan, kind’ren.
Volgens de auteur van Hebreeën ga je niet alleen, maar samen
En dat is juist genade van Christus, dat Hij mensen om je heen geeft,
die je aanspreken, aanmoedigen, terugroepen, voorgaan.
Je kunt je niet afzonderen en richten op je eigen groepje
– daarom is het ook mooi als iemand anders van een andere kerk zijn bezorgdheid
hier in ons midden neerlegt –
Want je bent aan elkaar gegeven, om met elkaar aan te komen bij God.

Komt dan iedereen in de hemel?
Mijn reactie als iemand tegen mij zegt: ‘Bij u komt iedereen in de hemel’
is altijd: ‘Ik zou wel willen, maar ik ga er niet over.’
Daar gaat alleen onze hemelse Heer over.
Hij is rechter over ons leven, Hij bepaalt wie er binnen mag gaan en wie niet.
Wat ik wel weet, is dat Hij niet wil dat wij verloren gaan,
dat we het leven vinden in Christus
en dat Hij wil dat de zaal waar de hemelse bruiloft gevierd wordt helemaal vol wordt
en Hij stuurt er ons op uit om ze uit te nodigen en mee te nemen,
de heggen en steggen in, op achterafpaadjes en op verlaten plaatsen
om ze te dwingen in te gaan.
‘Kan dan iedereen in de hemel komen?
En maak je van God dan geen lievige God die alles maar goed vindt?’
Ik moet zeggen, dat ik niet altijd goed raad mee weet met deze vragen.
Alsof het makkelijk is om te geloven en de weg van Christus te gaan,
Alsof iemand die gelooft, niet beseft dat hij of zij ook verloren zou kunnen gaan.
Ook ik kan verloren gaan- ik kan mijn hoop alleen op Christus stellen
maar ik lees in de Bijbel – Gods eigen Woord – dat ik op Hem mag vertrouwen
en geloof me: dat is niet eenvoudig.
En of iedereen daar kan komen?
We gaan toch niet zeggen dat we iemand de toegang tot Gods heerlijkheid niet gunnen?
Ook al is iemand nooit lid van de kerk geweest en een deel van zijn leven ongelovig.
Wanneer dat iemand de goede weg gevonden heeft en niet verloren hoeft te gaan
dan mogen we toch net als onze Heer zelf en de engelen in de hemel blij zijn?
We gaan elkaar toch niet vertellen dat we elkaar dat geluk niet gunnen
en dat de genade van Christus alleen maar voor mij beschikbaar is?
Daar gaan wij niet over. Ook wij moeten het alleen maar hebben van Zijn genade
En als wij toegelaten worden in de hemelse heerlijkheid is dat niet aan ons te danken,
maar is het Zijn goedheid en genade.
Wij gaan er niet over wie er binnengaan en wie niet.
Wij gaan er wel over dat wij deze genade bekendmaken en werven voor Christus
En elkaar meenemen en aanspreken en voorleven.

En of je dan een lievige God krijgt?
Nou, dat leert Hebreeën je wel af: God is een verterend vuur
(dat komt over enkele weken aan de orde) en Gods Woord is een scherp zwaard
Dat aan twee kanten snijdt en is in staat ons diep in onze identiteit te raken
en onze wensen en gedachten bloot te leggen.
Voor God houden we niets verborgen.
Maar die uitspraak is niet bedoeld als de twee engelen die bij het paradijs staan
om te voorkomen dat we naar God gaan.
Als er gesproken wordt over God voor wie niets in ons verborgen is,
klinkt er daarna de aansporing om naar Christus te gaan,
de hogepriester die voor ons gestorven is (daarover volgende week meer).
Ga naar Gods troon zonder te aarzelen en zonder schroom.
Daar wil God je hebben. Dat is Gods hart, Gods bedoeling.

Zij zal ons niet berouwen
de keus van ’t smalle pad,
wij kennen de Getrouwe,
die ons heeft liefgehad.

Vest al uw hoop op Hem!
Amen

Preek Dankdag 2018

Preek Dankdag 2018
Schriftlezing: Jesaja 49:8-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bent u dankbaar? Ben jij God dankbaar?
Je zong dat net: Gedachtig aan de milde overvloed van uwe gunst.
Daarmee gaf je aan, dat je Gods goede zorg, die Hij voor je heeft, steeds weer ziet,
dat je opmerkt, ziet dat God royaal geeft
en dat je daarin Gods gunst ervaart – Hij heeft het beste met mij voor.
Je zegt: Ja en daarom ben ik juist in de kerk, om onze hemelse Vader te danken
voor Zijn goede zorg in dit afgelopen jaar.
Ik ben dankbaar voor Zijn zegeningen.

Dankbaarheid – dat is wel een van de eerste dingen die erbij inschiet
Als je druk bent en door allerlei bezigheden opgeslokt wordt.
Alleen daarom al is het goed om vanavond bij elkaar te zijn om de Heere danken,
om er bij stil te staan, om terug te kijken in dankbaarheid: God heeft voor mij gezorgd.
Dankbaarheid kan er ook bij inschieten als je verdrietig bent, of als je zorgen hebt.
Soms zijn er van die momenten, waarop je even niet dankbaar kunt zijn.
Je kunt vanavond bijvoorbeeld in de kerk zitten – omdat het Dankdag is –
terwijl je niet een dankbaar gevoel hebt.
Helemaal wegblijven kon je ook niet en je zou ook wel dankbaar willen zijn,
maar het verdriet, de zorg is op dit moment te groot.

Het gaat mij vandaag ook niet om een dankbare stemming.
Ik kan me voorstellen dat er bepaalde momenten zijn,
Waarop een dankbare stemming teveel gevraagd is.
Bij dankbaarheid gaat het mij vanavond om iets anders:
Zien dat God aan het werk is in je leven, ook als je verdrietig bent of vol zorgen,
Niet alleen op momenten waarop je vrolijk en opgetogen bent,
Zo zullen vanavond ook wel gemeenteleden hier in de kerk zitten:
dankbaar en gelukkig met de zorg die God heeft gegeven.
Je kijkt in dankbaarheid terug: God heeft mij gezegend in de afgelopen tijd.

Kun je ook dankbaar zijn, terwijl je verdrietig bent, of vol met zorgen?
Ik hoor het wel eens terug, dat een tijd waarin je afscheid moet nemen
van iemand van wie je veel houdt een verdrietige tijd is,
maar ook een mooie tijd, waarin je de steun van God kunt ervaren.
Hij is er – met Zijn kracht en troost, je wordt gedragen.

Daar is het Jesaja ook om te doen: dat je ziet hoe God er toch ook is,
met je meegaat, je helpt en ondersteunt, je gebeden verhoort
op het moment dat het helemaal niet zo goed met je gaat.
En het zijn niet de eigen woorden van Jesaja,
het is een boodschap die namens God komt – Zo zegt de HEERE.
De woorden die we gelezen hebben, zijn Gods eigen woorden:
In de tijd van het welbehagen heb ik U gehoord.
Welbehagen betekent hier: Ik heb gezien dat je het moeilijk hebt
en Ik kom naar je toe om je te helpen, bij te staan.
Welbehagen betekent hier: Ik kom weer naar je toe,
De tijd dat je zonder je God moest doen is voorbij,
Mijn hart staat open voor je noden, Ik laat me (weer) raken door wat er met je gebeurt.|
NBV: Tijd van genade – Genade: een sterkere die een zwakkere bijstaat.
De almachtige God die het verzwakte, door nood geplaagde Israël bijstaat.
Het uur van welbehagen / genade: er is een andere tijd aangebroken,
een tijd waarin God er is, waarin Hij gebeden verhoort, weer verhoort.

Het verhoren, dat betekent hier in vers 8 dat je ook concreet een reactie krijgt van God.
Hij hoort het niet alleen, maar je merkt er zelf ook iets van dat Hij je gebed gehoord heeft.
Het is bijzonder dat God onze gebeden hoort – en wil horen.
Soms kunnen we de ervaring hebben, dat onze gebeden niet verder komen
dan het plafond en blijven hangen in de kamer, waar we zitten.
Nee, zegt de Heere, Ik heb je gehoord en Ik zal laten merken dat Ik je hoorde.
Je krijgt van mij een reactie, die zul je vernemen, opmerken.
Er komt hulp en redding – je wordt geholpen en die hulp dat is Mijn hand.
Wat er gaat gebeuren is gebedsverhoring.
Dat bidden kan op verschillende manieren gebeurd zijn.
Als een roepen naar omhoog,
maar lang niet altijd lukt het om in wanneer je in een crisis zit om te bidden
en dan is het meer een zuchten, een roepen naar omhoog,
het uitspreken van een klacht: God, waar bent U, waarom merk ik niets van U?
Ook dat heeft God gehoord, ook daar is Zijn handelen een reactie op.

Jesaja moet tegen het volk zeggen,
dat op dat moment nog niets verneemt van de genadetijd, de tijd van welbehagen,
maar nog diep in treurnis is: er komt een nieuwe tijd, omdat God terugkomt.
En het blijft niet bij mooie woorden alleen.
Het land Israël dat er troosteloos bij ligt, omdat er geen boer meer is die het bewerkt,
waarop de gevolgen van de oorlog die er was, toen Israël werd afgevoerd naar Babel,
nog zichtbaar zijn,
het land zal weer hersteld worden, weer bebouwd en bewerkt kunnen worden,
zo zal het heel concreet zichtbaar worden dat God Zijn verbond weer in ere herstelt.
Al degenen die gevangen zitten daar in het verre Babel, ze mogen vrij, naar huis!
Het is nog niet zover, maar de profeet moet het wel aankondigen
en we kunnen voorstellen dat Zijn boodschap niet gelijk op geloof stuit.
Net zoals wij te maken hebben met zorg en verdriet
en je hebt heel wat gebeden naar God opgezonden, gesmeekt, geworsteld
en je gebed is toch niet uitgekomen.
Wat de profeet hier moet zeggen, is dat het volk al voorbereid moet zijn
voor het moment van God,
net zoals het volk in Egypte klaar moest zijn om uit Egypte te kunnen gaan.
Maar is het vaak niet zo: eerst zien, dan geloven
eerst maar zien dat de Heere echt wat doet en dan gaan we mee.
Om je al in te stellen op wat God gaat doen, dan moet je zeker weten
dat God ook iets gaat doen, dat Hij je gaat bijstaan en helpen, dat er redding is.
Nu zegt God tegen Israël: Ik vraag het andersom. Maak je klaar, wees voorbereid
en dan zul je merken dat ik kom.
Tegen degenen die in duisternis zitten: kom tevoorschijn, het licht breekt aan!

Tijdens het vak pastoraat vertelde onze docente,
dat ze werkte in een psychiatrische inrichting met mensen,
die totaal geen hoop meer hadden, die in hun leven niets merkten van God.
We vroegen als studenten wat ze dan tegen zulke bewoners zei.
Ze antwoordde: ‘Je bent gedoopt.’
Met andere woorden: als jezelf geen houvast, geen hoop hebt, houdt God je vast
Als jezelf geen licht ziet, gaat God over je op als een licht.

Wat Jesaja dan aankondigt over God kunnen we in twee woorden samenvatten:
Herderlijke zorg en moederliefde.
Er wordt hier één bepaald iemand aangesproken.
Iemand die wordt aangesteld, die het geloof bij het volk moet terugbrengen,
die de gemeenschap moet aanspreken,
die moet werken om het vertrouwen op God weer terug te krijgen.
De knecht des Heren – als christenen kunnen we daarin ook het werk van Christus zien.
Hij is onze Herder, Hij gaat ons voor,
over de bergen die er in dit leven zijn,
waar je zuchtend tegen opklimt, het kost je veel moeite
en je vraagt je af of er geen andere weg is die je kunt gaan.
Waar je al huiverend overheen gaat, omdat je je afvraagt: is de weg begaanbaar?
Je ziet naast je de afgrond, eens
Als je die weg al ploeterend naar boven klimt, vraag je je af:
Kan ik nog wel op krachten komen?
Ja, want deze Herder zorgt ervoor, dat hoe kaal een berg ook is
er altijd te eten zal zijn,
al is de weg niet makkelijk, je krijgt eten: Hij leidt je naar grazige weiden en stille wateren,
zodat je op krachten kunt komen en gesterkt weer verder kunt gaan.
Je zult door de diepe dalen gaan,
waar je niet gerust op bent, omdat er schaduwen overheen vallen,
die je het zicht op de zon benemen, je bent je oriëntatie kwijt, stuurloos,
het gaat je niet in de kouwe kleren zitten, Psalm 23: het dal van de schaduw van de dood.
Er is een herder, die je met Zijn stok en staf voorgaat.
Je hoeft niet bang te zijn, want Hij gaat mee, Hij gaat voorop.

Als u terugkijkt naar de afgelopen tijd – hebt u ervaren, dat Hij op deze manier voorgaat?
Heb je gemerkt, dat Hij je meenam, door dat diepe dal in je leven,
Waar je dacht dat je zelf niet meer uitkwam?
Dankdag is dat je ziet, of als je het niet ziet, leert in te zien,
Dat de Heere je herder is en je dan meeneemt, voorop gaat, verder leidt.
Dat – ook al is de weg door het leven niet zo makkelijk –
dat je niets tekort komt, geen honger en geen dorst,
de hitte zal je niet kwellen. Wat hitte is, hebben we de afgelopen zomer kunnen merken
en ik denk dat de meesten hopen, dat die hitte niet meer terugkomt,
omdat je dan niets kunt en omdat de natuur er zo onder geleden heeft.
Als deze herder met je meegaat, als Hij voor je zorgt, dan kun je verder gaan.
Van over heel de wereld komen ze,
er zal geen obstakel zijn: bergen worden geplet en dalen worden opgevuld,
geen enorme pieken waar je je overheen worstelt meer,
geen diepe dalen waar je al zoekend en schuifelend door heen hoeft te gaan,
omdat Christus voor je een weg baant.
Bergen kunnen een belemmering zijn – er als een berg tegenop zien,
je moet omlopen, een hele weg om.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen – kan ook betekenen: Ik kan niet verder.
In een rouwdienst in mijn vorige gemeente, waarvan een vrouw die maar een dochter had,
heb ik ooit gezegd dat mensen ook een berg kunnen zijn:
een belemmering op weg naar God.
Hier veranderen de bergen van een obstakel in stimulansen:
Ze juichen mee, ze zijn blij, ze zijn dankbaar dat er voor jou een weg is,
Dat God naar je omziet, dat Christus in jouw leven voorop gaat en de weg baant
en ze roepen je toe: Volg je Heer, ga achter Hem aan, je herder.
Want de HEER heeft Zijn volk getroost.
Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
NBV: De HEER heeft zijn volk getroost, hij heeft zich over de armen ontfermd.
Dankdag: De Heere is mijn herder!
Dankdag: dat je dat ziet, opmerkt.

En dan moederliefde.
Als God aangeeft, dat Hij als een herder zal zijn,
of dat er iemand komt die namens Hem een herder zal zijn,
de knecht die laat zien dat God Zijn volk niet in de steek laat,
Raakt dat aan een pijnpunt, een pijnlijke snaar.
Zo snel laat Israël zich niet overtuigen.
Het klinkt als: makkelijk praten. Ik ben toch verlaten? Ik ben toch vergeten?
En dan komt de moederliefde. Een diepe tekst:
Kan een vrouw haar zuigeling vergeten?
Het kind dat je 9 maanden bij je gedragen hebt.
Ik heb heel wat verhalen gehoord, dat moeders hun kind inderdaad nooit vergeten hebben,
zelfs als het jaren terug kort na de geboorte als baby is overleden,
In mijn vorige gemeente een vrouw, die jarenlang op zoek was geweest
naar het graf van haar kind, overleden net na de geboorte
om te weten welke naam haar man dit kind gegeven had.
Al werd er niet over gesproken, het werd niet vergeten.
of zelfs als het overleden is tijdens de zwangerschap, het is er wel geweest,
vaak wordt dat kind ook meegerekend, geteld, al is het er niet, het hoort er wel bij,
bij je leven, je zou het nog eens willen zien.
Hoe kun je dat vergeten?
Een van de pijnlijkste dingen die gezegd kan worden is: je hebt toch nog andere kinderen?
Al is het contact verbroken, dan nog vergeet je je kind niet.
Ik heb wat dat betreft ook schrijnende verhalen gehoord en gezien.
Een zoon die niet meer thuis mocht komen na een ruzie met zijn vader
En de vader die op zijn sterfbed aan zijn vrouw vroeg de zoon nooit toe te laten.
De vrouw heeft haar verdere leven geleden.
Hoe kun je harteloos zijn tegen je kind?
Hoe kun je geen liefde voelen voor een kind dat je zelf gedragen hebt, onder je hart?
Hoe moeilijk zo’n kind ook kan zijn, het blijft je kind.
Moederliefde is onverklaarbaar, moederliefde gaat ook nooit meer over.
Zelfs al zou een moeder vergeten, zelfs al zou een moeder geen liefde meer hebben,
We kunnen het ons niet voorstellen.
Dan nog: God – Ík zal u nooit vergeten.
Heeft God Israël niet gedragen?
Hoe kan God ons vergeten, als Hij bij onze geboorte betrokken is?
Als Hij ons op de wereld gezet heeft, omringd met Zijn liefde uw leven.
Ik vergeet jou nooit! Schrijf dat in uw hart,
wat je van de Bijbel ook vergeet, dit alsjeblieft niet, want dit is nu God.
Zie, Ik heb u gegraveerd, in Mijn beide handpalmen.
We kunnen denken aan een tatoeage, die niet meer ongedaan gemaakt kan worden,
zoals iemand zijn liefde tot uitdrukking wil brengen, door de naam te tatoeëren.
(Alleen: tatoeage wordt in de Bijbel afgewezen als een heidens gebruik).
We kunnen ook denken aan sporen: de hand van God, die op de muren gerust hebben
en nog steeds rusten, zelfs nu ze een ruïne zijn – ingekerfd,
Zoals je als je ergens lang op zit, dat ook op je huid afgetekend ziet worden,
of als langer nog: het worden littekens:
Zo is Gods hand op de muren van Jeruzalem, al die eeuwen door,
beschermend en zegenend, bewakend, wachtend tot het volk weer terugkomt
om het dan met open armen te ontvangen.
God denkt steeds aan Jeruzalem – al zou Hij kunnen vergeten,
Hij krijgt Israël niet uit Zijn gedachten. De muren: nieuwe toekomst of ruïnes? (beide!)

En dan de oproep: Zie! steeds in het gedeelte door, een appèl op ons.
Sluit je ogen er niet voor, neem het waar, doe je ogen open, geloof het,
laat je erdoor versterken in je geloof, God is je zichtbaar niet vergeten.
Dankdag betekent een oefening in kijken, in zien
en een oefening in het versterken van ons geloof door te zien. Sla uw ogen op en zie!
Amen