Preek zondag 13 september 2020 avonddienst

Preek zondag 13 september 2020 avonddienst
Schriftlezing: Mattheüs 6:5-15. Thema: Bidden / Het Onze Vader (deel 1)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat is voor jou, wat is voor u de reden om te bidden?
Nou, zegt iemand, ik bid omdat het hoort. Dat hoor je als christen te doen.
Het is mij opgedragen door Christus.
Bidt dan zo: het gebed dat Christus ons geeft
gaat gepaard met een opdracht om dat gebed uit te spreken, te gebruiken.
Bidden is een opdracht voor een leerling van Christus.
Ik bid omdat ik gehoorzaam wil zijn aan mijn Heer.
Het is niet van belang of ik er behoefte aan heb, of ik er tijd voor kan vrij maken.
Dan moet ik maar tijd vrij maken en mij er toe aanzetten te bidden.
Ik mag me er niet van afmaken.
Niet dat ik het met tegenzin doe.
Want het is voor mij altijd een vreugde om te doen wat mijn Heer vraagt
en het is voor mij een vreugde dit gebod in praktijk te brengen.
Het is voor mij een vreugde om te bidden, om voor de troon van de hemelse Heer te komen.

Een ander kan zeggen: ik bid omdat er zoveel aan de hand is hier op aarde.
In mijn eigen gezin, in het huwelijk van mijn kinderen, in mijn familie.
Ik bid omdat er er zoveel ellende is op deze wereld: armoede, oorlog, mensen op de vlucht.
Als ik daar iets van zie of over hoor, voel ik mijn eigen machteloosheid
en ik weet er Eén, die er iets aan kan doen.
Ik bid, omdat ik de wereld zo anders zou willen zien: vreedzamer, liefdevoller, barmhartiger.
Ik kan er niet in berusten dat de wereld zo afwijkt van hoe God deze wereld heeft bedoeld.
Daarom klop ik bij God aan, in de hoop dat Hij er iets aan zal doen.
Ik sprak ooit iemand, die mij vertelde dat ze steeds
als ze aan iemand dacht die het moeilijk had, door ziekte, door zorgen in het gezin,
dat ze haar bezigheden onderbrak en op de knieën ging om tot de Heere te bidden.
Deze oudere vrouw zei: Ik lijk wel een moslim, zo vaak ga ik op de knieën.
Toen ze dat zei, zag ik voor me hoe ze dat deed.
Als ze bijvoorbeeld aan het stofzuigen was en ze dacht aan iemand
Deed ze de stofzuiger uit en boog ze haar stramme knieën
om in de kamer naast de stofzuiger geknield te bidden tot God.

Of u, jij nu bidt omdat het opgedragen is, of dat u, jij bidt omdat je zoveel ziet om je heen,
bidden is altijd een kenmerk geweest van de gelovige, van de kerk.
De kerk is altijd een biddende kerk geweest en een gelovige een bidder.
Wie God kent, zal Hem steeds zoeken in gebed, zal steeds in gebed gaan.

Toch is bidden geen vanzelfsprekendheid. Ook onder christenen, onder gelovigen niet.
Ik las bij een interview met een twintiger,
die stelde dat zijn generatiegenoten niet aan bidden toe komen,
omdat ze de discipline missen om te bidden. Gebrek aan regelmaat.
Je bidt niet omdat het hoort, of omdat het een onderdeel is van je bestaan,
maar je bidt als het je zo uitkomt.
En omdat je als twintiger heel veel hebt te doen
en veel ballen in de lucht moet houden
en nog veel wilt meemaken in deze wereld
kan het gebeuren dat het bidden erbij inschiet.
Bidden is wel belangrijk, maar je komt er niet altijd toe. Er zijn zoveel andere dingen.
Wil je dan bidden, dan moet je zoeken naar regelmaat en structuur.
Regelmaat en structuur in je dagelijkse bestaan
En regelmaat en structuur in je omgang met de Heere.

Je kunt het bidden achterwege laten, omdat je niet goed weet
hoe je woorden vindt voor wat er in je omgaat.
Je hebt nooit geleerd, niet van ouders, niet op catechisatie, niet op school om te bidden.
Je zou wel willen bidden, maar je weet niet hoe je dat zou moeten doen.

Of je zou wel willen bidden, maar je ziet er tegen op om in gebed te gaan.
God is zo groot en zo heilig en zelf ben je klein en zondig.
Dat gaat toch niet samen.
Hoe kun je met je kleinheid en je zondigheid voor de heilige God verschijnen?
Ik schaam me ervoor om God onder ogen te komen.
Ik zou wel willen bidden, maar ik ga Hem uit de weg.

Bidden is inderdaad iets bijzonders.
Het is een voorrecht, dat we kunnen bidden.
Dat we bij de Koning der koningen aan kunnen kloppen met onze gebeden.
Als er door de regering een belangrijke beslissing moet worden genomen,
dan wordt de deur afgegrendeld en moet iedereen buiten afwachten wat er binnen gebeurt.
Als buitenstaander heb je daar geen invloed op.
Alleen als je een van de betrokken ministers goed kent
En het telefoonnummer hebt van die minister kun je een appje sturen met jouw appèl.
Als er een militaire missie moet worden voorbereid, gebeurt dat in het geheim.
Je hebt daar alleen toegang toe als je een hoge officier bent
of als je als commando vooruit gestuurd bent gestuurd met een verkenningsopdracht.
Maar bidden betekent dat we aankloppen bij het Allerhoogste Bestuur dat er is,
bij de Allerhoogste Koning met de vraag of op een andere manier kan.
Bidden is een appèl op de heilige God.
Met bidden gaan wij hier op aarde de heilige ruimte van God in de hemel binnen.
En dat doen we, omdat we de toegang hebben gekregen door Christus.
Hij heeft ons de bevoegdheid gegeven om aan te kloppen bij de Allerhoogste.
Zo moet je bidden: Onze Vader in de hemel.
In dat begin van het gebed zit een dubbelheid:
Het mogen naderen tot God, de intimiteit die je kunt hebben met God,
De nabijheid die je kunt ervaren en die er is als je bidt
en tegelijkertijd de grootheid van God: Hij is in de hemel.
Dat betekent niet alleen maar een grote afstand tot de aarde,
want in ons gebed kunnen we die afstand overbruggen.
Bidden is een hemelvaart in woorden.
Dat onze Vader in de hemel is, betekent vooral dat Hij van een andere orde is.
Dat we geen gelijke zijn van God, maar dat Hij oneindig veel groter is.
Hij beslist over ons leven en Hij bepaalt wat er op aarde gebeurt.
Hij is onze schepper, onze maker. Niemand is zoals Hij.
Zo komt dat ook vaak in de Bijbel naar voren.
Met wie is onze God te vergelijken? Wie is aan Hem gelijk?
Wie heeft dezelfde wijsheid, dezelfde macht, dezelfde barmhartigheid?
Het is niet voor niets dat je in het Oude Testament merkt
dat je niet zomaar voor God kunt verschijnen.
Als Mozes vraagt of hij het aangezicht van God mag zien,
krijgt hij te horen dat niemand God kan zien en in leven kan blijven.
Dat betekent niet dat alle communicatie onmogelijk is
en dat de toegang tot de hemel voor ons verboden is.
We krijgen permissie. We krijgen toegang geschonken.
Het is niet voor niets dat het Christus is, die deze toegang ons schenkt.
God onze Vader noemen in het gebed kan heel vertrouwd klinken.
Dat heeft ook iets intiems als iemand het gebed zo begint: Vader in de hemel.
Als we God onze Vader noemen, dan zeggen we daarmee ook iets over onszelf.
Dan zeggen we ook iets over hoe wij tegenover God staan.
Als we God onze Vader noemen, betekent dat wij kinderen van God geworden zijn.
Door Christus kinderen van God geworden zijn.
Wie een kind van God is, is een kind van de hemelse Vader
En omdat onze hemelse Vader de Koning der koningen is zijn we koningskind geworden:
Kind van de allerhoogste Koning.
Dat zegt niet iedereen makkelijk van zichzelf: Ik ben een kind van God.
Want je weet dat er ook iets anders waar is: in zonde ontvangen en geboren.
Ik ben niet zomaar kind van God
en omdat ik nog niet weet of het goed gemaakt is met God
kan ik mijzelf nog niet zomaar een kind van God noemen.
Want daarmee zeg je heel wat.
In het Onze Vader zeggen we dat ook niet zomaar,
maar spreken we God aan als onze Vader, omdat Christus die woorden ons voorzegt.
Omdat de hemelse Vader de Vader van onze Heere Jezus Christus is,
mogen wij Hem onze Vader noemen.
Omdat we delen in Zijn genade, omdat we verzoening ontvangen door Hem,
kunnen wij God op diezelfde manier aanspreken als onze Heere.
Misschien is het maar goed ook, dat Hij ons opdraagt om dit te bidden.
Want als het onze opdracht niet was,
zouden we het bidden wel eens achterwege kunnen laten.
We hebben de permissie om te bidden. We hebben de opdracht om te bidden.
Door te bidden scharen we ons aan Zijn kant, gaan we over naar Gods zijde.
Het kan zijn dat als we God aanspreken als onze Vader,
dat we net zijn als de verloren zoon en terugkomen en willen zeggen
tegen onze hemelse Vader dat we het niet waard zijn om Zijn kind te zijn.
Toch spreken we Hem aan als onze Vader, al kan dat aarzelend zijn.
Ik kwam tegen dat het aanspreken van God als onze Vader
ook wel de betekenis hebben dat we tot inkeer zijn gekomen,
op de weg terug zijn naar de Vader die we waren kwijt geraakt
en dat het ons voornemen is om bij Hem te blijven en met Hem te leven.
Een relatie die hernieuwd wordt.
En steeds als we het onze Vader in de mond nemen en God aanspreken,
zeggen we tegen onszelf dat het waar is:
Dat we weer terug zijn, terug in de gemeenschap met God, de relatie hersteld.
We zijn weer thuis, we hebben weer contact, we zoeken Hem weer
En dat willen we nooit meer kwijt.

Bidden betekent de relatie onderhouden met God:
Niet alleen voor onszelf, maar ook voor God.
Als onze schepper, als onze maker is Hij het waard dat we Hem zoeken.
Is Hij het waard dat we ons in ons gebed tot Hem richten.
Bidden doen we niet alleen voor onszelf, maar ook voor God.
Daarom bidden we ook om de heiliging van de naam van God.
Gods naam, dat is zoals Hij is.
Een naam die niet uitgesproken mocht worden, omdat God zo heilig is.
Hij is het waard om door iedereen geëerd en geprezen te worden.
Hij is het waard dat iedereen Hem als Vader aanspreekt
en als Vader erkent en daarmee als de enige God die er is.
Dat iedereen in Hem gaat geloven.
Uw naam worde geheiligd.
Daarmee vragen we of iedereen die leeft de lof op God wil aanheffen
en vol eerbied en ontzag deze God wil belijden als Heer.
En dat niet alleen met woorden, maar ook met de daad.
Wilt U ons en alle mensen zo vormen dat we leven tot Uw eer.
Dat ons doen en laten geen smet op uw naam werpt,

dat anderen vanwege ons geen schande over U spreken.
Dat is ons verlangen, dat iedereen U weer zal vinden,
dat iedereen die afgedwaald is, U is kwijt geraakt U weer zal vinden.
Het is een gebed of de Heere onze aarde zo wil veranderen,
Dat de aarde vol is van de Heere, vol van Zijn heerlijkheid.
Daarom volgt daar direct achteraan: Uw koninkrijk kome.
We leven niet voor onszelf en deze aarde is niet van ons alleen.
Deze wereld behoort de Heere toe
En onze Meester die ons leert bidden,
vertelde ook over een koninkrijk dat zal komen.
Een koninkrijk waarin Christus koning is
En God door alles en iedereen wordt geëerd en gediend.
Een wereld zonder zonde, zonder satan, zonder dood, ellende.
Laat dat een wereld zijn, waarin wij ook zullen behoren.
Overwin in de wereld alle machten van het kwaad.
Overwin ook in ons de macht van de zonde en de duivel,
zodat de aarde gelijk aan de hemel wordt.
Dat Uw wil er wordt gedaan, dat er geen wantrouwen is meer naar U toe.
Dat we niet meer aarzelen om naar U toe te gaan,
Dat we U niet meer uit de weg gaan.
In het gebed dat Christus ons leert, wordt al deels afstand overwonnen.
Wordt God erkend als Heer, wordt Zijn naam geheiligd, wordt Zijn wil gedaan.
Door te bidden krijgt het koninkrijk al wat gestalte in ons.
Het is niet zomaar dat een gelovige en God zoekt in het gebed
omdat waar in dit gebed om gebeden wordt ook is wat de gelovige wil:
Dat God geëerd wordt, door hemzelf en door heel de wereld,
dat Gods koninkrijk komt in onszelf, in allen om ons heen en over heel de wereld.
Dat Gods wil wordt gedaan.
Het is niet voor niets dat Christus ons opdraagt om te bidden
en ons dit gebed geeft als hulpmiddel om te bidden.
We hoeven niet onze eigen woorden te bedenken, al mag dat wel.
We hebben genoeg aan deze woorden, die Christus ons aanreikt.
Wanneer we ertegen opzien om te bidden, kunnen we deze woorden in de mond nemen.
Met regelmaat om deze opdracht van Christus te vervullen,
waarbij ik hoop dat die opdracht ook steeds meer en meer een vreugde wordt om te doen.
Amen




Preek zondag 13 september 2020 morgendienst

Preek zondag 13 september 2020 morgendienst
Schriftlezing: Genesis 14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat zou u doen als u het voor het zeggen zou hebben in deze wereld?
Wat zou jij doen als je de baas was over alles?
Daar kun je wel eens over nagedacht hebben:
Als ik premier was in ons land, dan zou ik…
Als ik het voor het zeggen had in de wereld, dan zou alles heel anders zijn.
Ik zou beginnen met het aanpakken van…
… noem maar een thema dat je bezig houdt:
– Je maakt je zorgen over het milieu en als je het voor het zeggen hebt,
zou je bezig zijn met allerlei maatregelen om het milieu te sparen.
– Of je bent begaan met mensen die op de vlucht zijn en alles achter moesten laten.
Als jij, als u het voor het zeggen zou hebben,
zou u, zou jij ervoor zorgen dat ze ergens zouden kunnen wonen, werk zouden krijgen.
– Of je weet van kinderen in gezinnen die geen geld hebben:
Geen geld voor kleren of eten, niet op vakantie kunnen gaan, geen uitje.
Voor hen zou je er willen zijn, om te zorgen dat ze er op vooruit gaan.
Dat ze goed onderwijs kunnen krijgen, waardoor ze later niet meer arm hoeven te zijn.
Zo kunnen er heel wat onderwerpen zijn, waar u, waar jij mee bezig bent
en waarvan je graag zou zien dat het er heel anders aan toe zou gaan in deze wereld.
Dit zijn allemaal nobele doelen:
zorg voor het milieu, voor vluchtelingen, bestrijding van armoede.
Niet iedereen zou als hij of zij de baas zou worden in een land of de wereld
Aan anderen denken, om hen te helpen, om anderen een beter leven te geven.
Er zullen er ook heel wat zijn die alleen aan zichzelf denken:
Als zij maar rijk worden en het goed hebben, als zij maar de macht hebben.
Dan maakt het niet uit hoe het met anderen gaat.
Wie het nieuws in de afgelopen weken heeft gevolgd,
weet dat er in Wit-Rusland iemand aan de macht is, die deze macht wil behouden
En de protesten die er tegen zijn regering zijn met geweld bestrijdt:
Een speciale soort politie, leger, knokploegen
– alles zet deze dictator in om te zorgen dat hij zijn macht niet kwijtraakt.
Hij heeft het voor het zeggen en hij geeft zijn macht niet zomaar op.
Dat hij daarvoor hard moet zijn tegen de mensen zijn van zijn eigen volk
dat deert hem blijkbaar niet – hij moet zijn land blijven leiden, koste wat kost.

De macht hebben en de macht houden, daar gaat het in het begin van Genesis 14 om.
We lazen over vier koningen: Amrafel, Arioch, Kedorlaomer en Tidal.
Zij beginnen een oorlog tegen 5 andere koningen.
Er komen allemaal namen voorbij van koningen, volken en landen
en de meesten van die koningen, volken en landen zijn moeilijk thuis te brengen.
Als u er weinig van begreep van dit gedeelte bent u in goed gezelschap.
Bij de voorbereiding kwam ik een aantal keer de verzuchting tegen:
Wat doet dit verhaal tussen al die andere verhalen van Abram?
De gebeurtenissen in dit hoofdstuk hebben nauwelijks met zijn leven te maken.
Hij komt alleen in actie omdat zijn neef Lot is meegenomen door dat leger.
Bovendien komt hier een heel andere Abram naar voren dan in de andere verhalen.
Abram is hier een strijder, iemand die oorlog voert.
En als je hier een mooi geestelijk verhaal verwacht op een zondag,
die eigenlijk in het oorspronkelijke rooster een avondmaalszondag had geweest,
Dan zal er een teleurstelling zijn: in deze gebeurtenis gaat het nauwelijks over God.
Alleen aan het einde als de koning die ook priester is, Melchizedek komt,
om Abram namens de God van hemel en aarde de zegen te geven.
Daardoor weet je dat het een verhaal uit de Bijbel is
en niet zomaar een verhaal dat in een geschiedenisboek had kunnen staan.
Toch staat dit verhaal niet zomaar in de Bijbel en is het ook een verhaal over God,
Een verhaal waarmee de Bijbel ons iets wil duidelijk maken
over de wereld waarin wij leven en hoe God daarin Zijn plan uitvoert.
Dit verhaal is een voorbeeld van Bijbelse vertelkunst
en met Bijbelse vertelkunst bedoel ik een speciale manier van vertellen
zoals dat in de Bijbel gebeurt in een bepaalde gebeurtenis te zien wat God doet.
Bij de Bijbelse vertelkunst is het belangrijk om erop te letten hoe er verteld wordt.
Het woord dat het meeste voorkomt is het woord koning.
In een groot deel van het Oude Testament heeft een koning geen beste reputatie.
Dat komt omdat de koningen meestal niet doen waarvoor ze bedoeld zijn.
Een koning is bedoeld om als een herder voor zijn volk te zijn:
zijn volk te leiden als een eerlijke leider, met wijsheid en rechtvaardigheid.
Een goede koning laat in zijn manier van regeren iets doorschemeren
van hoe God de wereld als koning regeert.
Maar meestal houdt een koning zich niet zo met God bezig
en heeft hij zijn eigen regels en gewoonten.
Geen wonder dat als het volk Israël een koning wil Samuël verdrietig regeert.
Van een koning word je niet gelukkig is zijn mening
en bovendien: het volk heeft een koning: de Heere is de Koning van Israël.
In deze voor ons vreemde episode uit het leven van Abram zien we 10 koningen,
waarvan er 9 koningen zijn waar de Bijbel zo kritisch op is.
Vier koningen zijn er van vier grote volken: vier wereldmachten.
Deze koningen zijn oorlogszuchtige monsters.
Als ze al regels kennen, is dat het recht van de sterkste.
Wie het sterkst is heeft gelijk. Die mag alles bepalen.
En je moet het niet proberen om met deze koningen oneens te zijn,
want dan wordt je uit de weg geruimd met grof geweld.
Oorlog voeren betekent dat er een oorlogsmachine op je af komt.
Een leger waarvan de soldaten huishouden: de mannen worden gedood,
vrouwen en meisjes als seksslavinnen meegenomen, al het vee geroofd,
de bezittingen worden op transport naar het vaderland gebracht
en wat niet mee kan wordt in brand gestoken.
Deze oorlogsmachine, die door niets te stoppen is, struinde de hele wereld af.
Niet voor niets wordt dat  in de Bijbel vergeleken met een zwerm sprinkhanen.
Er is niets veilig voor hen.
God bestaat niet voor hen. Ja, ze hebben wel hun eigen goden,
maar zolang zij blijven winnen geloven ze dat ze gelijk hebben
en gaan ze door, omdat ze door niemand worden tegengehouden.
Dit is een wereld waarin de leiders niet om God geven, wil dit verhaal ons vertellen.
Ze hebben geen geweten en als ze over God horen, kunnen ze Hem alleen maar bespotten.
Dit is een wereld waarin leiders geen geweten hebben
En alleen maar bezig zijn met hun eigen macht en om hun macht groter te maken.
Totaal geen besef, dat je op aarde kunt zijn met een roeping die Abram kreeg:
Een zegen te zijn voor alle andere volkeren op aarde die er zijn.
Die andere volkeren zijn er alleen maar om hun macht en rijkdom groter te maken.
Goed genoeg om als slaven te dienen, om als dwangarbeiders te werken.
Een tijd terug is deze legermacht ook in Kanaän geweest en heeft alles verpletterd.
Verschillende steden hebben zich gewonnen moeten geven aan deze bruutheid.
Ze waren niet opgewassen tegen die overmacht.
Jaar in jaar uit moesten ze laten zien dat ze bleven buigen voor deze koningen
door een deel van de oogst en een deel van het inkomen aan hen af te staan.
Na twaalf jaar zijn ze het zat en weigeren ze die belasting nog te betalen
en schudden ze het juk van zich af. Ze willen vrijheid voor zichzelf.
Of hun motieven nobel zijn, wordt niet verteld.
De koning van Sodom blijkt later een koning als alle andere koningen te zijn,
Die zomaar even over het leven van anderen en bezittingen van anderen kan bepalen.
Even kunnen ze van hun vrijheid genieten,
maar zodra het bericht is gekomen daar in het verre Elam trekt het leger op.
Kedorlaomer wil zijn gram halen. Hij laat dat niet over zijn kant gaan.
Geen enkel besef dat je als God kunt zijn, die Zoon gaf
voor mensen die tegen hem in opstand waren gekomen.
Toen wij nog vijanden waren, zegt het formulier voor het avondmaal Paulus achterna,
toen wij nog in opstand waren, vijanden van God,
net als de koningen van die vijf steden die genoemd werden, die in opstand komen.
Onderweg pakt dit leger ook nog een aantal volkeren aan, die in de weg zitten.
Niet zomaar volkeren, maar volkeren waar Israël het later mee te stellen krijgen.
Nietsontziend is deze Kedorlaomer. Alles wat in de weg zit, wordt weggevaagd.
Een mensenleven telt niet.
En daar komt het bijzondere van de Bijbelse vertelkunst,
want voor God telt een mensenleven wel.
God is anders dan Kedorlaomer.
De koning van Elam zal zich niet druk gemaakt hebben over hoe die gevangenen heetten
en zal zijn schouders opgehaald hebben als er gevraagd zou worden naar Lot.
Hoe kan hij nu weten wie er allemaal buitgemaakt zijn en zijn weggevoerd.
En al is het Lot zelf, die ervoor gekozen heeft om daar bij of zelfs in Sodom te gaan wonen
en daarmee zijn eigen leven in gevaar heeft gebracht,
omdat hij alleen maar oog had voor het mooie van de omgeving en geen gevaren zag,
Lot wordt door de Heere gered
en alleen vanwege Lot wordt de hele geschiedenis omgegooid
en krijgen die grootmachten te maken met een macht die sterker is dan zij,
met Iemand die hen de baas is: de God die hemel en aarde schiep.
Alleen omdat in die mensenmassa die werd afgevoerd Lot mee liep.
Als op het oorspronkelijke rooster niet had gestaan dat we avondmaal zouden vieren,
had ik niet aan die overeenkomst gedacht, maar nu zie ik wel een overeenkomst.
God die bereid is om heel wat overhoop te halen om er één te redden.
De God van hemel en aarde is als een herder, die de kudde achter laat
om één schaap, die op de verkeerde weg is, die verdwaald is, op te zoeken en te redden.
Hij stuurde geen strafexpeditie naar de aarde, toen Adam en Eva afvallig werden,
maar beloofde hen redding.
Ook hier bij Lot geen onverschilligheid van de God die hemel en aarde schiep.
God draait hem niet de rug toe en zegt niet: zoek het zelf maar uit,
want je hebt het er naar gemaakt.
Vreugde over één zondaar die wordt gered.
Bevrijding uit de macht  van een boze macht, die Lot gevangen hield.
En die bevrijding gebeurt, net als aan het kruis met het sterven van Christus,
niet op een spectaculaire manier, niet met groots vertoon van macht.
Een kleine legermacht: 318 soldaten.
Normaal gesproken geen partij voor zo’n machtig leger.
Dat had Abram nooit op zichzelf gewonnen. Hoeveel tactisch inzicht hij ook zou hebben.
Een klein leger, net zoals Gideon met een klein leger de vijand in de nacht verslaat.
De vier grootste koningen die er op aarde zijn, die heel wat volken verslagen hebben,
die net 5 andere koningen hebben uitgeschakeld en gekleineerd,
worden verslagen door iemand die geen koning is,
nooit koning genoemd is en zich ook nooit als koning gevoeld of gedragen heeft.
Abram, die als hij meer is dan een knecht van God is een priester is of profeet.
Een priester, omdat hij offert aan de Heere.
Een profeet, omdat hij laat zien dat de Heere op een andere manier regeert
dan de koningen die met hun eigen macht bezig zijn.
De HEER zal opstaan tot de strijd. Hij zal Zijn haters wijd en zijd,
verjaagd, verstrooid doen zuchten
.
Maar dan wel op een speciale manier: met een handjevol mannen,
een legertje dat niet in tel is, niet als gevaar zou worden gezien.
En ook met een speciaal doel: om Lot te redden en terug te brengen.
De Heere heeft als God van hemel en aarde daar geen grootse macht voor nodig.
Hij gebruikt Abram en die paar mannen die hij bij zich heeft
om te laten zien wie met de God van hemel en aarde rekening houdt,
door Hem bijgestaan wordt en gezegend wordt.
Abram wordt een bevrijder, in Gods naam.
Daarmee laat hij iets zien van zijn verre nakomeling, die bijzondere nakomeling,
die uit de hemel kwam en mens werd om de strijd aan te gaan en bevrijding te brengen,
De strijd tegen de satan en bevrijding uit de macht van de zonde.
Tot dan toe is er van God nog geen sprake geweest.
Niet in de tijd van die koningen, niet in de strijd die er was, niet als Abram optrekt.
Zelfs niet als hij wint en met de mensen en de buit terugkomt.
Bij terugkomst wordt het duidelijk dat het niet zomaar een strijd was die Abram voerde,
maar dat er een God boven hem stond, de God van hemel en aarde,
Die alles geschapen heeft, die alles bestuurt naar Zijn raad, die alles in Zijn hand heeft.
Als deze God bepaalt, dan gebeurt het zoals Hij dat wil.
Een God die uitredding brengt, die bevrijdt, die Zijn zegen wil geven.
Die zegen is een leven met de Heere,
Een leven met de Heere is een leven onder Zijn bescherming, zoals Lot mocht merken.
Een leven met de Heere is een leven uit genade, bevrijd worden.
Ook dat mocht Lot meemaken: een nieuwe kans die hij krijgt van de Heere.
Abram krijgt de zegen.
Eeuwen later zal uit Abram die hier gezegend wordt Christus komen,
die voor ons de zegen wil zijn, die ons heeft bevrijd.
Vandaag hadden wij aan de tafel willen vieren hoe Christus voor ons die zegen is,
hoe Hij tot ons kwam en ons brood en wijn gaf.
Abram kreeg van Melchizedek brood en wijn:
waarschijnlijk het teken van vriendschap. Abram, je hoort er nu bij.
Abram, je bent geen vreemde meer,
maar je hoort bij mij. Meer nog: je hoort bij de God die ik dien,
de God van hemel en aarde wiens priester ik ben.
Het brood en de wijn van het avondmaal laten ons zien
dat God ons zijn teken van vriendschap biedt.
Je hoort nu bij Mij. Je bent geen vreemde meer. Geen vijand meer.
Maar mijn kind. Thuisgebracht. De schuld is weg, de zonde vergeven.
Je mag nu in vrijheid leven en net als Abram tot zegen zijn.
Met deze God kan ik het wagen.
In de strijd die ik heb te voeren, sta ik niet alleen.
En als ik verlies en meegenomen wordt, redt Hij mij eruit en bevrijdt Hij mij.
Hij is een schild en schutsheer voor den vrome,
Voor wie tot Hem de toevlucht heeft genomen,
Wie is een God, als Hij, in tegenheen?Wie is een rots, dan onze God alleen?

De komst van Melchizedek houdt een belofte in:
Er komt een andere wereld, waarin niet de Kedorlaomers het voor het zeggen hebben.
Geen wereld vol geweld en dreiging,
maar een rijk van vrede, met een bijzondere koning.
Een koning die in rechtvaardigheid regeert, zoals de naam Melchizedek betekent.
Een koninkrijk waar Christus koning is.
Daar is al het onrecht uitgebannen, de strijd gestreden, de vrede voor altijd.
Daar is ook geen opstand, maar een samenleven met God, verzoening met Hem.
Amen

Preek zondag 6 september 2020

Preek zondag 6 september 2020
Schriftlezing: Genesis 13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Volgens de oorspronkelijke planning zouden we volgende week avondmaal hebben
en zouden we ons vandaag voorbereiding op die viering volgende week.
Dit is al de tweede keer dat de viering van het heilig avondmaal niet doorgaat.
In juni kon de viering niet doorgaan, omdat we maar met 30 man samen konden komen.
Dit keer gaat het niet door, omdat we nog niet helder hebben hoe we dat moeten vieren,
niet alleen omdat we de richtlijnen van het RIVM in de gaten moeten houden,
maar ook omdat een deel van de gemeente nog niet naar de kerk komt.
Dat zou betekenen dat, als we wel een vorm gevonden zouden hebben,
avondmaal zouden vieren zonder dat deel van onze gemeente dat nog niet komt.

Al twee keer geen avondmaal dus.
Twee keer dat we niet met de viering van het heilig avondmaal
konden stilstaan bij het  de kruisdood van onze Heere en Heiland voor ons.
Misschien hebt u, heb jij dat ook wel gemist,
omdat je het nodig hebt om zo heel nadrukkelijk bepaald te worden bij Zijn sterven.
Of omdat dat viering van het avondmaal en de week van voorbereiding
je helpt om na te denken hoe je band met Christus is,
Een tijd van intensief leven met Christus en ook weer naar Hem terugkeren
als je merkt dat je van Hem afgedwaald bent.
Door de tijd te nemen om na te denken over jezelf en je band met de Heere
kom je er dan achter dat je Hem tekort hebt gedaan.
Zo’n week van voorbereiding is dan ook een week waarin je belijdt aan de Heere:
Ik heb het niet goed gedaan. Ik was teveel met mijn eigen dingen bezig
en heb te weinig tijd aan U besteed, te weinig vertrouwen gehad.
Dan kan de viering van het avondmaal en de week van voorbereiding
ook een moment zijn van vernieuwing van je geloof,
Van weer terugkeren naar de Heere en opnieuw met de Heere beginnen
En je weer voornemen met de Heere verder te gaan.

Dat is de reden waarom ik voor deze zondag gekozen heb voor Genesis 13,
het verhaal van Abram en Lot, die uit Egypte komen
en terug in het land Kanaän elkaar in de weg gaan zitten.
Ik kan me voorstellen dat u, dat jij bij het lezen van dit gedeelte dacht:
Wat moet ik hier mee? 

Een beschrijving van de reis die Abram maakt en een conflict tussen de herders.
Op het einde komt er weer een ontmoeting met de Heere,
maar daarin klinkt dezelfde belofte als Abram al eerder ontvangen had.

We moeten naar mijn idee dit gedeelte lezen als Abrams poging
om zijn geloof te vernieuwen, om weer terug te keren op Gods spoor,
nadat hij er eerder van afgeweken was van de opdracht van God,
omdat hij niet binnen de grenzen van Kanaän bleef,
maar de grens weer overstak en uiteindelijk in Egypte kwam.
Hoe doe je dat: je geloof weer vernieuwen, weer een nieuwe start maken met God?
Voor ons kan dat met de viering van het avondmaal en de voorbereiding,
of met een kerkdienst, met een voornemen om meer tijd te nemen voor gebed en lezen,
of met iemand afspreken om samen te zoeken naar wat de Heere in je leven doet.
Voor Abram is dat terug gaan naar de plek waar hij de Heere voor het laatst ontmoette,
Waar ook iets tastbaars te vinden is van die ontmoeting:
tussen Bethel en Ai, waar eerder zijn tent heeft gestaan en waar hij een altaar bouwde.
Dat Abram daar naar terugkeerde is niet zomaar,
dat is een bewust zoeken om de Heere terug in zijn leven te krijgen.
Hij zoekt ook het contact met de Heere: Hij roept de naam van de Heere aan.
Hij gaat in gebed
en dat gebed kan een lofprijs zijn waarin hij de Heere dankt:
Dankuwel dat U mij weer terug brengt op deze plaats, het land dat U mij beloofde.
Al dwaal ik zelf, U leidt mijn leven en brengt mij weer terug bij U.
Daar op het altaar kan ook een offer gebracht worden voor zijn zonden,
Waarmee hij de Heere vraagt om zijn zonden weg te doen en hem te reinigen
en met hem opnieuw te beginnen.
Misschien moeten we daarbij zeggen, dat Abram het niet uit zichzelf zag
dat hij op de verkeerde weg was en Egypte niet goed zat
en dat hij pas toen hij Egypte moest verlaten inzag dat hij er niet goed aan had gedaan.
Ik bedoel niet om een makkelijk oordeel over Abram te vellen,
maar tegen elkaar te zeggen dat wij vaak pas achteraf zien dat we niet goed zaten
en dat we dat door hebben omdat de Heere ons terug brengt,
net zoals het voor Abram niet zijn eigen keuze was om terug te gaan naar dat altaar,
maar hij moest noodgedwongen Egypte verlaten, omdat farao hem eruit zette.
Zo kan er bij ons ook iets gebeuren, waardoor je opeens beseft: dit is niet zomaar.
Nu zet de Heere mij stil.
Ik heb in pastorale gesprekken gemerkt dat gemeenteleden dat kunnen ervaren
als ze ziek worden, of als ze hun baan kwijt raken, of hun huwelijk in een crisis komt.
Dat geldt niet voor iedereen en ik zeg ook niet dat het voor iedereen zo moet zijn,
maar ik zeg wel, dat als u, als jij merkt dat de Heere je stil zet,
Dat je dat serieus moet nemen, een roepstem die in je leven klinkt.
Een aanwijzing dat de Heere het mist dat je Hem zoekt, dat je naar Hem luistert.

Als je weer op zoek gaat naar de Heere neem je wel jezelf mee.
Een nieuwe start maken met de Heere, van Hem een nieuw begin ontvangen,
omdat Hij met je verder wil en het verkeerde ook echt wil weg doen,
kan betekenen dat je niet dezelfde blijft.
Dat je geleerd hebt van de verkeerde weg die je koos
en dat je een voornemen hebt om nu dan wel met de Heere verder te gaan.
Het mooie en het troostvolle van het avondmaalsformulier vind ik
dat dit voornemen om opnieuw te willen beginnen en nu wel in gehoorzaamheid te gaan
genoeg is om aan de tafel aan te gaan, genoeg is om brood en wijn te ontvangen,
genoeg om die tekenen van vergeving, van het sterven van Christus ook voor mijn zonden
te mogen ontvangen en dat het niet eerst heb moeten bewijzen,
eerst heb moeten laten zien, maar dat ik ook mag komen als ik anders wil,
al breng ik daar niet gelijk iets van terecht.
Ook bij Abram is er een poging om opnieuw te beginnen
en tegelijkertijd zit er bij Abram nog iets van de oude mens,
die ook ons steeds weer parten speelt als we opnieuw willen beginnen
en ervoor zorgt dat we toch weer terugvallen, ook al nemen we ons nog zo voor
om het anders te doen dan voorheen.
Die oude mens van Abram zit in een klein detail van het verhaal:
Abram die rijk uit Egypte weg komt.
Is dat nou zo opvallend?
En kan ik het wel maken om dat te koppelen aan de oude mens van Abram,
Want daarmee zeg ik toch dat hij vasthoudt aan de zonde?
Die rijkdom heeft Abram wel verkregen in ruil voor Saraï,
waarmee de farao Saraï gekocht heeft van Abram.
En het is die rijkdom die gaat zorgen voor de spanningen tussen Abram en Lot.
Het is het vee, waarvan Abram dus een deel uit Egypte heeft meegenomen,
dat er voor zorgt dat er geen ruimte is voor hem en Lot allebei.
Het is nog niet een conflict tussen Lot en Abram, maar wel tussen hun herders,
die elkaar blijkbaar in de weg zitten en vinden dat zij recht hebben op het land.
Abram merkt de spanning op die er onder de herders gekomen is.
Ook dat is een onderdeel van het avondmaal: de onderlinge band waar je om denkt.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn,
door broederlijke liefde samen één lichaam vormen, omwille van Christus,
onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen.
Het doet ertoe hoe je met elkaar omgaat als christen.
Conflicten kun je niet altijd vermijden en dat is ook niet altijd gezond,
maar het is wel belangrijk hoe je met conflicten omgaat
en dat ze niet uit de hand gaan lopen, waardoor je elkaar niet meer kunt zien als broeders.
Dat is ook wat Abram tegen Lot zegt: Wij zijn broeders. Wij horen bij elkaar.
We moeten voorkomen dat we uit elkaar gedreven worden
En dat er allerlei verwijten tussen ons in komen te staan,
waardoor die broederschap verloren gaat.
Nu kwam ik in de uitleg tegen, dat je soms maar beter uit elkaar kunt gaan,
dat broederschap ook betekent dat je elkaar de ruimte gunt,
dat je elkaar moet los laten, omdat het anders te hoog oploopt.
Maar ik denk dat er voor ons hier een andere boodschap is:
dat we Abram en Lot hier voor ons een voorbeeld zijn in de keuzes die ze maken.
Abram laat zijn neef Lot de eerste keuze.
Hij als oudere had waarschijnlijk het recht om als eerste te kiezen,
maar hij doet een stap op zij om zijn neef een goede toekomst te gunnen.
Hij mag als eerste kiezen. Abram wil hem niet zomaar afschepen.
Als jij de ene kant kiest, dan ga ik de andere kant op. Jij mag eerst.
Ik had dat er niet uitgehaald, maar er is iets met de manier waarop Lot kiest.
Abram laat Lot kiezen tussen links en rechts.
Dan maakt het uit hoe je staat.
Wat ik begreep was dat links en rechts hetzelfde is als noord en zuid.
En dat is niet waar Lot zijn ogen naar toewendt.
Zijn oog wordt getrokken door een heel ander deel van het land: het oosten.
Dat klinkt voor ons als een onschuldige aanduiding, maar dat is het niet.
Het oosten, dat is de kant waar Kaïn naar toe gaat
en als na de zondvloed de mensen elkaar opzoeken om een toren te bouwen in Babel
wordt er op dezelfde manier over de tocht verteld: Toen zij naar het oosten trokken.
Het is niet zomaar een keuze voor een mooi stukje land.
De Bijbel zegt er net even iets meer over:
Een mooi stukje land dat oogt als het paradijs.
Maar de Bijbel vertelt ook een paar waarschuwingen:
Het is er net als Egypte, dat land waar ze vandaan kwamen en waar ze gevaar liepen.
Ze zochten daar hun toevlucht om zich in leven te kunnen behouden,
maar liepen op een andere manier gevaar voor hun leven.
En het zijn de plaatsen Sodom en Gomorra.
Geen fijne plaatsen om er te wonen : slechte mensen en grote zondaars.
Een kwaadaardige plek waar je als buitenstaander niet veilig bent,
Waar een mensenleven niet telt.
Ik zag een keer een promotiefilmpje van Syrië: propaganda van de regering van Assad.
Een mooi strand, een mooie zee, en iemand die met een waterscooter over dat water ging.
Een ideale vakantiebestemming.
Maar wat het filmpje niet liet zien, was dat er iets verderop in het land hard gevochten werd,
dat er martelkamers waren waar tegenstanders wreed werden gemarteld,
dat er een gruwelijke burgeroorlog werd uitgevochten, een wreed regime.
Zo’n plek is dat gebied bij Sodom ook: voor het oog een mooie plek.
Als je daar bent, hoef je niet bang te zijn voor hongersnood,
dan hoef je niet af te vragen of er geld te verdienen is.
Wat Lot alleen niet overziet, is dat het een riskante plek is.
Een riskante plek is voor zijn geloof en voor zijn kinderen,
maar ook riskant voor zijn bestaan. Hij zal daar met dreigingen moeten leven.
Zowel dreigingen als verleidingen.
Heb je dat er voor over, Lot?
Maar zijn ogen worden er naar getrokken.
Van heel het land dat hij kan overzien, valt zijn oog juist daarop.
Bewaar mijn oog, dat niet de valse schijn,
dat niet de lege vreugd mijn hart bewege (vers 14)

Geef mij een hart dat U met vreugde groet,
geef mij verstand, daar zal ik wel bij varen,
dat ik niet haak naar zilver, goud en goed,
niet gretig schatten om mij heen vergare.

Daar gaat Lot. Het gebied trekt hem toch aan.

Abram blijft alleen achter, met Saraï en zijn enorme bezit,
maar geen opvolger.
Dan komt opnieuw de stem van God.
Die had nog niet geklonken toen Abram uit Egypte was terug gekomen.
Abram had wel de Heere gezocht, gebeden, gedankt.
Maar nu hoort hij ook iets van de Heere.
En zoals Abram Lot liet kijken, laat de Heere Abram kijken.
Met een oude benaming kan avondmaal ook wel teerkost onderweg genoemd worden.
Proviand voor als je onderweg bent.
Iets te eten zodat je geen honger hoeft te lijden en weer op krachten komt.
Abram blijft alleen achter en moet alleen zijn weg verder zoeken in dat land.
Maar alleen is hij niet.
Hij hoeft er niet aan te twijfelen: God wil voor eeuwig zijn hemelse Vader zijn
die hem alles geeft wat hij nodig heeft.
en dat is niet alleen een veilig bestaan, een land waar hij kan leven.
Al geldt het wel voor hem:
Getrouwe Heer, Gij wilt mijn goed, mijn God, mijn erfenis en ‘t deel mijns bekers wezen.
Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot, dat Gij zo mild voor mij hebt uitgekozen.
In het avondmaal zien we dat het niet alleen gaat om het aards bestaan,
maar ook om het leven met de Heere.
Lot maakt de verkeerde keuze, brengt zichzelf in gevaar. Ook geestelijk.
De brede weg, waar de Heere Jezus later over zal spreken.
In de week van voorbereiding gaan wij na op welke weg wij zijn:
op de brede weg van Lot: een makkelijk leven met een bepaalde toekomst,
met zijn verleidingen en bedreigingen voor ons,
een paradijsje, maar wel met een enorm risico God kwijt te raken.
Of het land dat Abram ontvangt van de Heere.
Waarbij hij de Heere zelf ontvangt en ook de belofte van de Heere:
Ik wil je God zijn. Ook nu is de stap naar het avondmaal niet groot.
Ook daarin zegt de Heere ons: Ik wil je God zijn en wil met je mee optrekken.

We kunnen volgende week geen brood en wijn tot ons nemen,
en toch mogen we geloven dat de Heilige Geest zo in ons wil werken
dat we net als met het avondmaal worden gevoed en gekwikt
en zoals het anders zou klinken bij het breken van het brood

de gemeenschap met het lichaam van Christus hebben.


We gaan nog even terug naar het altaar dat Abram terugvond daar bij Bethel,
waar hij weer met God wilde beginnen.
laat ieder zijn of haar hart onderzoeken of u de betrouwbare belofte van God gelooft, dat u al uw zonden alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn en dat de volkomen gerechtigheid van Christus u als uw eigendom toegerekend en geschonken is. Ja, zo volkomen alsof uzelf, in eigen persoon, voor al uw zonden betaald en alle gerechtigheid volbracht had.
laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.

Amen

Preek zondag 30 augustus 2020

Preek zondag 30 augustus 2020
Schriftlezing: Genesis 11:27 – 12:20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat zou jij doen als je 75 bent geworden?
Daar heb je vast nog nooit over nagedacht. Je wilt eerst maar eens volwassen worden.
En als je nadenkt over later, dan denk je aan wat voor werk je zult doen,
of je getrouwd zult zijn en met wie.
Maar je zult niet snel nadenken over wat je doet als het grootste deel van je leven voorbij is.

Als je volwassen bent, wil je ook niet dat je 75 bent.
Want dat betekent toch dat je in een levensfase gaat komen waarin je gaat afbouwen.
Je bent gestopt met werken.
Als je nog bezig kunt zijn, is dat vrijwilligerswerk, of werk dat je voor je kinderen doet.
In deze tijd val je als 75jarige ook nog eens in de risicogroep.

75 jaar: dat was de leeftijd waarop Abram van God te horen kreeg
dat hij moest wegtrekken uit zijn land, bij zijn stam en familie vandaan.
Er zullen er maar weinig zijn die op die leeftijd helemaal opnieuw willen beginnen.
De meesten willen juist dicht bij de kinderen zijn, of bij andere familie.
Zou je op die leeftijd nog helemaal opnieuw willen beginnen
en de band met je vaderland doorsnijden en een andere nationaliteit aannemen?
Zou je willen wegtrekken uit het dorp waar je de mensen kent
en zover bij je familie weggaan, zodat je helemaal geen contact meer met hen hebt?

Dat is wel de opdracht van de Heere voor Abram:  Laat alles achter.
Het land dat je zo vertrouwd is, waar je de weg kent
en weet waar de goede graslanden zijn waar je je kudde kunt laten grazen,
waar je weet wat je positie is en waar je weet wat je van anderen kunt verwachten.
Als je 75 bent, zal daar niet veel meer aan veranderen,
of het moet zijn dat je voelt dat je plaats moet maken voor een opvolger,
iemand die je taken overneemt, zodat je zelf wat rustiger aan kunt gaan doen.
Een opvolger had Abram nog niet, want hij had geen zoon.
Maar met zoveel familie in de buurt zal er vast iemand aangewezen kunnen worden
die het bedrijf van Abram zou kunnen overnemen.
Dan klinkt de stem van de Heere: Abram, ga hier vandaan.
We lezen niets over de reactie van Abram, en ook niet over de reactie van Sara trouwens.
Zou u gaan, als u zo op uw 75ste deze opdracht van de Heere zou krijgen?
Misschien zou er eerst van schrikken en dan denken: Is dit wel de stem van de Heere?
Of heb ik mijzelf iets ingebeeld en moet ik gewoon hier blijven bij het vertrouwde?
Dit is een heel ingrijpende opdracht, waarvan we kunnen zeggen:
Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd om op te breken en ver weg opnieuw te beginnen.
Vanmorgen kunt u, kun je dus makkelijk achterover leunen en kijken hoe Abram wegtrekt.
Maar is wat de Heere Jezus zegt niet net zo radicaal:
Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard;
en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard.

Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard;
en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard.
Net als een discipel van Jezus moet Abram helemaal opnieuw beginnen.
Voor hem betekent dat helemaal opnieuw beginnen: wegtrekken naar een ander land.
Abraham, Abraham, verlaat je land, verlaat je stam.
En zelfs ook je familie nog.
Ik weet nog dat toen wij verhuisden vanuit Veenendaal naar Noord-Holland
En ook van Noord-Holland naar hier hoe lastig het is als je geen familie in de buurt hebt.
Je bent dan voor bijvoorbeeld oppas aangewezen op de mensen in de buurt.
Als je alles achter je moet laten, kun je ook niet meer op hen terugvallen
als je even in een moeilijke periode zit.
Want je klopt dan niet snel bij vreemden aan
en vreemden zullen het ook niet snel zien als je niet goed in je vel zit.
Waarom moet Abram alles achter laten en alleen met zijn vrouw en eigen groep weggaan?
Dat hier niet zo direct verteld, maar als je het geheel van Genesis leest,
dan heeft dat wegtrekken de betekenis van wegtrekken uit een verkeerde wereld,
de wereld van Ur der Chaldeeën en Haran,
of om bekendere namen te gebruiken: de wereld van Babel en Assyrië.
In de Bijbel zijn dat nooit alleen maar aardrijkskundige namen,
maar wordt daarmee een harde, wrede wereld aangeduid:
wereldrijken die alles kunnen doen omdat ze sterk zijn, die op oorlog uit gaan
om hun gebied uit te breiden, andere volken met geweld onderwerpen.
Waar geen respect is voor het menselijk leven, waar individuen niet tellen.
Dat is geen plek waar God kan zijn
en als je daar woont en verblijft, is het moeilijk om je geweten schoon te houden,
om integer en oprecht te blijven, om wel respectvol te zijn
en meer nog iemand te zijn die als gelovige laat zien wie de Heere is.
Geen plek waar God kan zijn en daarom een wereld vol afgoden
en omdat God er niet kan zijn, een wereld waarin dat respect voor elkaar niet is.
Dat hangt in de Bijbel nauw samen:
Een plek waar God is, daar ben je als mens tot zegen voor anderen.
Maar als het een plek is waar God niet kan zijn, is jouw leven vooral ten koste van anderen.
Dat is belangrijk om dit hoofdstuk te begrijpen: is de plek waar je bent een plek waar God is.
Waar de mensen leven, zoals God dat heeft bedoeld.
Waar mensen hun ouders eren, waar niet gestolen wordt, waar men zuinig is op huwelijken,
waar anderen niet onderdrukt worden of het loodje leggen omdat ze in de weg zitten,
omdat ze alleen maar dor hout zijn, een sta in de weg, een blokkade om vooruit te kunnen.
Een wereld waarin je op de ander aan kunt, omdat hij of zij betrouwbaar is.
Abram wordt door God uit die wereld weggeroepen om te laten zien dat het anders kan.
God belooft hem een stukje aarde, waar hij kan leven, waar hij ook tot Gods eer kan leven.
Een gebied dat hij krijgt en dat hij niet met geweld neemt, omdat hij dat nu zo mooi vindt.
God belooft hem tot een groot volk te maken.
Die grootheid zit misschien niet in het aantal, niet in de sterkte van zijn legers,
niet in de omvang van zijn gebied
– zijn nakomelingen zullen nooit een wereldrijk vormen, zoals Babel en Assyrië.
De grootheid van een gelovige zit niet in met hoeveel je bent en hoe goed je het doet,
maar zit van binnen in het hart en werkt door in hoe je naar anderen doet,
hoe je naar anderen kijkt, hoe met anderen omgaat en over hen spreekt.
Of daar liefde en bewogenheid in doorklinkt,
of daarin iets merkbaar wordt van hoe God naar mensen kijkt en met hen omgaat.
Alles wat Abram van de Heere zal ontvangen:
het land, een groot volk, de zegen, een grote naam
heeft vooral één doel: dat Abram daarmee voor anderen tot zegen is,
voor de mensen die God niet kennen, voor de buitenstaanders,
om te laten zien hoe je ook als mens kunt zijn, dat je wel met God kunt leven,
Dat je wel je aan de geboden van de Heere kunt houden en zo niet alleen aan jezelf denkt,
maar omdat je God wil dienen tot zegen van anderen bent.

In dit hoofdstuk wordt dat dienen van God, tot zegen van anderen zijn
gekoppeld aan een stuk land dat God zal aanwijzen en waar Abram naar toe moet gaan.
Die oude wereld, waar God niet kon zijn, waar mensen Hem niet wilden hebben,
omdat Hij hen in de weg zat voor hun eigen plannen, voor hun eigen grootheid,
daar moet Abram uit weg, naar een ander land.
Maar voordat je gaat denken dat er hier op deze wereld een plek is
waar je weg bent van de invloed van Babel en Assyrië,
waar je onbekommerd God kunnen dienen en ongestoord tot zegen kunt zijn,
een paradijs op aarde, een ideale samenleving
wordt ons tussen neus en lippen, zo even in het voorbijgaan gemeld
bij de aankomst van Abram in het land dat God hem wil tonen:
De Kanaänieten zijn er.
Ook dat is meer dan alleen maar een aardrijkskundige benaming
en betekent ook meer dan dat het land reeds een bevolking heeft.
Het gaat om wat voor een bevolking daar leeft.
De Kanaänieten – wie op de Bijbelkring het boek over Richteren heeft gevolgd
weet wellicht nog wat er met Kanaänieten wordt bedoeld.
Het is geen andere wereld dan Babel en Assyrië.
Ook binnen het land van God is er het gevaar om die andere levensstijl over te nemen.
Het gaat hier niet zozeer om de mensen, maar vooral om hoe ze leven,
hoe ze met elkaar omgaan en dat ze God geen plek in hun leven willen geven.
Deze mensen bewonen Sodom en Gomorra, waar je als vreemdeling niet veilig bent,
het zijn de koningen die in hoofdstuk 14 ten strijde trekken.
Door naar een ander gebied te trekken ben je nog niet van die wereld af.
Die ligt steeds op de loer.
Ook binnen het land dat God wijst kun je net als Kaïn worden,
die zijn broer dood slaat en als God vraagt waar hij is
zich niet verantwoordelijk voelt voor het lot van zijn broer.
Een land waar Nimrod kan opstaan, waarvan hoofdstuk 10 zegt
dat hij de eerste machthebber op aarde is, een geweldig jager, een krachtpatser.
Dat is niet een wereld ver weg, dat zijn niet anderen op een heel grote afstand,
maar het is dichtbij, het kan ook in je eigen kring gebeuren,
het kan de sfeer worden waarin je leeft en als je niet sterk bent, wordt je zelf zo.
Maar de Heere zet daar wel iets tegenover.
Hij verschijnt aan Abram. Hij laat zichzelf zien in dat land waar de Kanaänieten wonen.
Abram, je staat er niet alleen voor. Ik ben er ook niet. Ik sta je bij in dit land.
Abram, Ik zal je de weg wijzen die je moet gaan. Ik geef je raad, Mijn oog zal op je zijn.
Heel mooi wat er gebeurt, verrassend ook: God belooft Abram een land te laten zien,
maar als Abram in dat land komt, dan krijgt hij allereerst de Heere zelf te zien.
Als aanwijzing dat hij op de goede weg zit, een teken dat hij niet alleen gaat.
Abram krijgt ook een belofte: Abram, dat land waar nu de Kanaänieten nog zijn,
dat wordt eens een land waar jouw nageslacht een thuis heeft, grond onder de voeten.
Waar ze mogen zijn en dat niet alleen, waar ze kunnen leven tot eer van Mij,
een voorbeeld voor de volken hoe het kan en zo zullen ze tot zegen zijn voor alle volken.
Je ziet dat de genegenheid wederzijds is. Abram bouwt een altaar voor de Heere.
In dit land waar de Kanaänieten nog zijn,
wordt een eerste steen gelegd voor de dienst aan God: Abram bouwt een altaar.
Dit land zal eens, zoals Psalm 24 dat bezingt, vol zijn van de heerlijkheid van de Heere.
Dit zal Gods land zijn, niet alleen in naam, maar ook echt, van binnen,
omdat de mensen die er leven, het nageslacht van Abram God in hun hart hebben.
Mensen met een nieuw hart, gevuld met de Heilige Geest.

Een mooi slot van een preek: Abram wordt geroepen en gaat, gehoorzaam
en er komt een nieuwe toekomst voor Abram en eindelijk iemand die God trouw is,
na het optreden van Nimrod, na de torenbouw van Babel, eindelijk weer iemand als Noach.
Eindelijk iemand die God kent en wil leven tot Gods eer.
Maar dit is het einde niet, maar het begin.
Want Abram blijft niet op de plek waar hij het altaar bouwde.
Of hij onrustig is geworden door de aanwezigheid van de Kanaänieten
en toch zich wil afzonderen om trouw te kunnen blijven,
of dat hij toch meer wil weten van het land dat God hem wilde laten zien,
We weten het niet, maar Abram krijgt wel een zekere onrust.
Hij gaat verder op pad. Eerst bouwt hij nog een altaar, maar hij reist steeds verder.
Eerst in de buurt van Bethel en dan nog verder, tot Abram aankomt in het Zuiderland.
Dat is ook weer niet zomaar een aardrijkskundige aanduiding.
Wat er gebeurt is dat Abram hier de grens passeert.
Hij verlaat het land. Dit is niet meer het land dat God hem gewezen heeft.
Het Zuiderland is ook niet zo vruchtbaar. In het Hebreeuws de Negev: meer een woestijn.
Blijkbaar is het niet zo makkelijk om te blijven in het land dat God wijst,
omdat er van binnen een onrust is: is dit het bestaan nu dat God wil?
Wordt er van mij niet een groots meeslepend leven verwacht?
Of misschien juist heel vroom: ik moet me niet teveel in de wereld begeven,
Want daar zijn de Kanaänieten, daar kom ik teveel van Babel en Assyrië tegen.
Maar Abram is hier wel ver van huis.
En het is nooit onschuldig waar je je bevindt. Het doet ertoe waar je bent.
Want in dat woestijnachtige gebied, de Negev, dat land net buiten Israël, daar komt honger
en niet zomaar een hongersnood, maar een ernstige hongersnood.
Dat is in de Bijbel nooit toeval: God belooft een land en belooft zegen,
maar het land waar je bent brengt niets op.
Abram zou moeten gaan nadenken waar hij is. Zit hij nog op de goede plek?
Is dit de plek waar God hem wil hebben? Is hier de zegen te vinden?
Door de honger merkt Abram dat hij hier niet kan zijn. Hij moet hier weg.
Hier is het leven niet te vinden. Dit is niet wat God wil.
En hij gaat nog verder. Hij zakt af naar Egypte.
Er zijn er die zeggen: ook geestelijk zakt hij af naar het niveau van Egypte.
Egypte: het land van de slavernij, het diensthuis,
geen vooruitgang ten opzichte van Assyrië en Babel of de Kanaänieten.
Hoe zal het daar gaan? Zal hij daar in Egypte kunnen zijn zoals God bedoelde?
Zal hij daar kunnen leven tot Gods eer? Zich aan Gods geboden houden?
Hij heeft wel het voornemen: hij wil daar niet wortelen. Dat is niet zijn land.
Hoe ze leven, dat hoort niet bij hem, bij zijn roeping om God te dienen.
Dit is Egypte!
Als het maar even kan, zal hij hier weg zijn.
Hij wil vreemdeling blijven. Zijn hart ligt bij God, bij de dienst aan Hem.
Maar zal dat lukken, daar in Egypte? Of zal hij net als de Egyptenaren worden?
Toen ik er afgelopen week mee bezig was, viel het me op
dat Abram als een Egyptenaar gaat kijken:
hij en Saraï lopen beiden gevaar, maar de belofte is voor hem.
Hij moet blijven leven, want met hem zal de belofte van God doorgaan.
Als hij het niet overleeft, is het met de weg van God weer gedaan
nog voor het goed en wel begonnen is.
Het loopt uiteindelijk goed af voor Abram en Saraï, maar niet doordat zij zo handig zijn,
maar omdat God er nog is en hen redt uit de macht van de farao.
Daar in dat andere land, dat diensthuis, dat land van de latere slavernij,
ook daar is God en bevrijdt hen en brengt hen terug naar het land dat Hij hen beloofd heeft.
Het is niet altijd makkelijk om op de weg van God te blijven. Je gaat er zo makkelijk van af.
Maar God brengt je wel weer terug, waar Hij je hebben wilt.
Het zal voor Abram een hele weg zijn, een heel proces om te begrijpen
wat Gods bedoeling met hem is.
Hoe hij voor de andere volken tot zegen kan zijn,
hoe andere volken dankzij hem gezegend kunnen worden.
Je zou kunnen zeggen: dat gebeurt met vallen en opstaan.
Abram zit eerst goed, maar gaat al snel weer dwalen. En toch: God brengt hem weer terug.
Dat is onze God, de God van Abram, die hem riep om weg te trekken.
Die ook ons roept om in Zijn dienst te leven, Zijn weg te gaan.
Ook wij hebben die weg niet altijd direct door en moeten zoeken
en als we er zijn kunnen ook wij weer gaan dwalen.
Soms hebben we net als Abram een moment waarop we God ervaren,
Waarop Hij aan ons verschijnt en wij voor Hem ons altaar kunnen bouwen
om Hem te danken voor Zijn aanwezigheid.
Dan weer gaan we zonder Hem verder en gaan wij op onze eigen weg.
en dan toch is de Heere er weer om ons terug te brengen.
Mijn hulp is van de Heere alleen. Hij zal u steeds gadeslaan, Opdat Hij in gevaar,

Uw ziel voor ramp bewaar’. De Heer’, ’t zij g’ in of uit moogt gaan,
En waar g’ u heen moogt spoeden, Zal eeuwig u behoeden.
Amen



Meditatie Psalm 91

Meditatie Psalm 91
(Zondag 19 juli 2020 – avonddienst)

Van tevoren kreeg ik de tekst van de liederen aangeleverd.
Bij de versie van Psalm 91, die voor de Schriftlezing gezongen wordt
stond er bij de laatste zin iets tussen haakjes bijgeschreven: en dan de mooiste zin.
U zult mij Uw heil doen zien. Dat is de mooiste zin van Psalm 91.
Een stellige overtuiging: U zult mij dat laten zien.
God houdt Zijn heil niet voor mij verborgen, maar ik mag het met eigen ogen zien.
De laatste zin, dat is vaak de climax, in de muziek de finale,
waarin alle thema’s nog eens samenkomen
en vaak op een grootse, indrukwekkende manier wordt uitgepakt.
U zult mij Uw heil doen zien – dat is het slotakkoord van deze versie.
In de onberijmde Psalm, zoals die in de Bijbel staat, is het een uitspraak van God.
Ik zal hem Mijn heil doen zien.
Ook daar de climax, de finale.
We zouden kunnen zeggen: de hele psalm werkt daar naar toe.
De psalm begint ook met een stelligheid, die trouwens de hele psalm voortduurt.
Een rotsvaste overtuiging: dat je veilig bent bij de Heere.
Als je die schuilplaats kent, dan ben je in goede handen als er dreiging komt.
De Psalm maakt een rondgang langs heel wat dreigingen die er kunnen zijn in een leven.
De allereerste dreiging is de van de nacht, het donker, het duister.
Als het licht van God er niet is, als het donker in je eigen ziel kan zijn.
Als je op dat moment in Gods schuilplaats bent, heb je geen gevaar te vrezen.
Hoe donker het ook wordt in je leven.
Misschien is die climax van de psalm,
die finale met die ene zin Ik zal hem Mijn heil doen zien
wel zo bijzonder, omdat we die moeilijkheden, die dreiging vaak duidelijker zien
dan de uitredding die God biedt.
Deze psalm noemt naast een aantal dreigingen ook uitreddingen:
Redden van de strik van de vogelvanger.
Het was in die tijd niet ongebruikelijk om vogels te vangen,
voor voedsel of om een siervogel in huis te hebben.
Ik weet nog dat mijn opa ooit een kauwtje gevangen had, die hij in een kooi had.
Hij had dat dier maar even en liet het dan weer los.
Een vogelvanger is hier in deze psalm een dreiging: iemand die je de vrijheid niet gunt,
maar op een heimelijke manier gevangen wil maken en je nooit meer los wil laten.
Die vogelvanger kan van alles zijn.
Het kan ook de zonde zijn, de duivel zijn, die ons in de greep wil krijgen.
Dan mogen we de uitredding zien bij het kruis op Golgotha.
Vrijheid die God ons in Christus geeft.
Als een besmettelijke ziekte rondgaat, die vele levens kan bedreigen,
zijn we veilig bij God.
Angst is niet nodig, omdat we een schuilplaats hebben in God.
Veilig tegen die pest die in het donker rondgaat.
Ook veilig als er oorlog komt, vliegtuigen overvliegen, tanks en vrachtwagens langsrijden.
Al sneuvelen er heel wat aan je zijde – je zult het overleven, omdat je een schuilplaats hebt.
Met zulke ervaringen is die finale, waar deze Psalm naar toe gaat, begrijpelijk.
Alle gevaren die er zijn, gaan langs je heen.
Er zijn engelen die vanuit de hemel komen, die met je meegaan om te bewaren,
die ervoor zorgen dat je je voet aan geen steen stoot.

Nu is heel verleidelijk en ook heel begrijpelijk om te gaan tegensputteren.
zo stellig als het in deze psalm verwoord wordt gaat het niet altijd.
Integendeel: het onheil kan ons wel degelijk overkomen.
Er kan wel degelijk een plaag bij ons in ons leven, bij ons in huis komen.
Ook in de afgelopen maanden hebben we gemeenteleden verloren,
die ziek geworden zijn. Soms door het coronavirus, soms door een vorm van kanker.
Is deze psalm dan niet te stellig?
Ik denk het toch niet. Want deze psalm kijkt met de ogen van het geloof.
Die dreiging en die gevaren worden wel gezien.
Die worden niet ontkend.
Ook het verdriet dat er kan komen, de pijn die er kan zijn,
de teleurstelling die je beet kan krijgen worden met deze psalm niet ontkent.
Er wordt alleen een adres gewezen waar je heen kunt gaan.
Waar je ook veilig bent, al wordt je wel ziek.
Waar je een uitredding hebt, al ben je wel in gevaar en ziet het er niet goed uit.
Ik zal hem Mijn heil doen zien.
Dat is niet alleen een heil voor het leven op aarde alleen,
maar kan ook een diepere betekenis hebben.
Het Hebreeuwse woord is vaak een naam geworden:
Jozua, Josia, Jezus.
Ik zal hem Mijn heil – ik zal hem Mijn Jezus doen laten zien.
Die op aarde kwam, mensen genas van ziekte, bevrijdde uit de macht van demonen,
vertelde over het koninkrijk van God en hoe wij dat koninkrijk kunnen binnen gaan.
Die de weg naar Jeruzalem ging, naar het kruis,
neerdaalde in de hel, in het rijk van de dood,
maar ook weer opstond, op de derde dag, als overwinnaar uit het graf.
Nu in de hemel is aan de rechterhand van God.
Ik zal Hem Mijn Jezus doen zien.
Hij is onze hulp. Onze uitredding. Het heil dat God ons doet zien.
Gelukkig ben je als je deze Jezus mag zien en dit heil mag ontvangen.
Amen

Preek zondag 19 juli 2020 morgendienst

Preek zondag 19 juli 2020 morgendienst
Schriftlezing: Genesis 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Bijzonder dat er weer een doopdienst kan zijn!
In de tijd dat jullie kinderen waren geboren, was het niet duidelijk wanneer dit zou kunnen.
De kraamtijd is voor jullie ook anders verlopen dan je van tevoren had gedacht.
Geen kraamvisite, maar visite die voor het raam je zoon kwam bewonderen.
Pas na een aantal dagen, of misschien wel weken, was bezoek weer mogelijk.
In die tijd was het ook onzeker wanneer er weer gedoopt kon worden.
Nu is het zover: de zoon die je van de Heere mocht ontvangen is gedoopt.
Als het onzeker is wanneer er weer gedoopt gaat worden,
ontdek je opeens dat dopen niet vanzelfsprekend is
en dan ga je nadenken over de betekenis van de doop:
Waarom wil ik zo graag dat mijn zoon wordt gedoopt?
Als je daarover nagedacht hebt, zul je ook ontdekt hebben,
dat het helemaal niet zo makkelijk is om onder woorden te brengen
waarom de doop voor jou en voor je kind belangrijk is.
Het is misschien meer een gevoel: dat je kind bij de Heere mag horen, bij de kerk,
dat hij is opgenomen in het verbond dat de Heere gesloten heeft.
Zoals de Heere met de belofte naar Abraham kwam:
Ik zal Mijn verbond oprichten met jou, Abraham, met jouw kinderen
en ook met alle generaties die na jou komen, een eeuwig verbond.
In het doopformulier wordt deze tekst genoemd als reden om ook kinderen te dopen.
Het verbond dat de Heere sloot gaat verder van de ene generatie op de andere generatie.
Toen jullie zelf gedoopt werden, hebben je ouders bij een doopvont gestaand,
hier of in een andere kant en kregen jullie het teken van het verbond.
Nu mogen jullie zelf hier staan om dat teken,
dat de Heere in Zijn verbond ook met jullie kinderen verder gaat.
Zo werkt de Heere: je kreeg het zelf mee van je ouders
en je mag het op jouw beurt weer doorgeven aan je kinderen.
Diezelfde God die bij Abram kwam, aan hem verscheen,
komt ook vanmorgen hier in de kerk om ook weer die belofte te geven:
Ik wil jouw God zijn. Dat zegt Hij ook tegen jullie kinderen, die hier in de kerk waren.
En die met de doop het teken van dat verbond meekregen.
Tegen Abraham spreekt de Heere over het verbond,
dat niet alleen maar zijn eigen familie aangaat, maar breder is:
Er zal een menigte van volken horen die bij dat verbond dat de Heere met Abram sloot.
Een verbond dat via de generaties uitloopt op de geboorte van de Heere Jezus.
Door Christus mogen wij bij het verbond horen en mag je weten
dat ook je kinderen in dat verbond opgenomen zijn.
Dat is bijzonder om te weten en mooi om te geloven:
Ook mijn kind is opgenomen in het verbond.
Mijn kind mag delen in de band die ik zelf met de Heere heb
en ook met hem heeft de Heere een band, omdat Hij bij het verbond hoort.
Bij al het mooie beginnen daar ook de vragen: Wat betekent dat verbond?
Betekent dat mijn kind gelovig zal zijn en nooit een weg zal gaan zonder de Heere?
Betekent dat aan het einde van het leven mijn kind de hemel mag ingaan,
omdat hij bij het verbond behoort dat God gesloten heeft?
Ik denk dat het voor heel veel ouders een belangrijke vraag is:
Zal mijn zoon, zal mijn dochter met de Heere door het leven gaan?
Of komt er een moment dat de wegen uit elkaar gaan en dat ze eigen wegen gaan
en dat ze niet verder gaan op in de weg van het verbond,
terwijl ik ze als ouder daar wel gebracht heb toen ik mijn zoon, mijn dochter liet dopen.
Je zou die zekerheid willen hebben, dat het goed komt
en goed komen betekent in dit geval een leven met de Heere.
Moet je dan niet wachten met de doop, tot je zeker weet dat ze geloven?
Moet je dan niet wachten als kerk met dopen, want de doop is toch geen garantie
dat de kinderen zullen gaan geloven?
Een doopdienst kan bij ouders, van wie de kinderen nergens meer aan doen,
ook pijn oproepen, want zij hebben daar gestaan en de belofte van God gekregen,
maar zien dat die belofte niets heeft uitgewerkt in het leven van hun kinderen.
Wat betekent dan die belofte, als die belofte ook niet kan uitkomen?
Dat is ook de vraag die Abram zou kunnen hebben.
Lang geleden heeft God een verbond met hem gesloten, jaren en jaren terug,
maar al die jaren is er niets van gebleken dat de Heere die belofte ook maar vervult.
Dertien jaar geleden hadden Abram en Saraï gedacht om zelf die belofte maar te vervullen
door zelf voor een zoon te zorgen, niet van Saraï, maar van slavin Hagar.
God bleef echter stil. Wel verscheen Hij aan Hagar om haar te helpen
én ook om haar terug te sturen naar haar meester en meesteres.
Meer dan die dertien jaar was het stil voor Abram en was God niet aan hem verschenen.
Had hij hiervoor die grote reis gemaakt en zijn familie achterlaten?
Zou hij nooit gaan twijfelen aan die belofte, die de Heere gegeven heeft?
Of zou die stem die hij hoorde toen hij 75 jaar was krachtig genoeg zijn
om in die tijd dat hij niets van de Heere vernam het vol te houden met alleen die belofte?
Dan opeens, zomaar uit het niets, komt de Heere bij Abram.
Het zal een bijzondere gebeurtenis zijn geweest,
maar de aandacht gaat niet uit naar het bijzondere van Gods komst,
maar naar wat de Heere te zeggen heeft.
Het eerste wat Abram merkt van de Heere is dat de Heere van zichzelf zegt wie Hij is.
Dat doet de Heere niet, omdat het na meer dan 13 jaar tijd nodig is
om zichzelf weer voor te stellen, omdat Abram niet meer weet wie de Heere is.
De Heere maakt Zijn naam bekend vanwege de belofte die de Heere gaat doen,
een belofte die Abram al eerder hoorde, maar die nog steeds niet is uitgekomen.
Voordat Abram gaat denken dat de Heere alleen maar met een belofte komt
en niet in staat is om te doen wat Hij steeds tegen Abram zegt,
maakt de Heere Zijn naam bekend: God de Almachtige.
Met die naam wil de Heere aan Abram laten weten:
Je ziet nu nog helemaal niets van die belofte
en die belofte lijkt alleen maar steeds minder waar te zijn,
steeds minder tijd die er overblijft voor de Heere om die belofte in vervulling te brengen.
Zo komt de Heere naar Abram toe: Abram, Ik ben niet zomaar iemand,
maar de almachtige God – er is niemand die de macht heeft die Ik heb.
Als er iemand is die de belofte kan vervullen, ben ik wel.
Het onmogelijke kan ik waar maken.
Die God komt vanmorgen ook naar jullie als ouders toe en naar jullie kinderen.
De beloften die ik in de doop aan jullie geef, kan ik ook echt waarmaken:
Ik kan als hemelse Vader voor jou zorgen, op heel je levenspad.
Ik ben in staat om je te beschermen tegen welk gevaar er ook komt.
En als dat kwaad toch in je leven komt, ben Ik in staat om je daarin zo bij te staan,
dat je dan ook nog trouw blijft aan Mij en merkt dat je gedragen wordt.
God de Almachtige – dat geldt ook voor de tweede belofte in de doop:
Dat Christus voor de zonden gestorven is.
Ook jullie en hun zonden kunnen vergeven worden.
We weten niet wat hun leven brengen zal. We weten niet welke weg zij zullen gaan.
We weten ook niet welke fouten en zonden ze zullen gaan doen.
Ze kunnen ook God uit het oog verliezen of pijn doen, tegen Hem in gaan.
Toch weten we: hun zonden kunnen vergeven worden,
want ook voor hen is Christus aan het kruis gegaan.
Ook die derde belofte, die de Heilige Geest doet kan in vervulling gaan,
omdat God de Almachtige is – de belofte dat in het hart van je zoon Christus zal wonen.
Zoals Hij in het hart van Abram kon komen, van David, van Petrus, van Paulus,
zo kan de Heere ook komen wonen in het hart van je kind dat nu gedoopt is.
Dit staat boven hun leven geschreven: Ik ben God de Almachtige.
En in de doop zegt God: Ik ben ook jouw God, voor jou God de Almachtige,
Vader, Zoon en Heilige Geest – zo aan je leven gebonden dat we bij elkaar horen.
Om voor jou een God te zijn, net zoals Ik dat voor je ouders ben, en je grootouders.
Dat is de belofte die God in de doop mee geeft: Ik wil jullie God zijn. Ik zal jullie God zijn!

Dat is wat God inbrengt in het verbond dat Hij sluit.
Hij verwacht aan onze kant, dat ook wij iets inbrengen in dat verbond.
Al zijn wij als partner in het verbond natuurlijk helemaal niet met God te vergelijken.
Dat er een verbond gesloten wordt, is het idee van de Heere en niet van ons.
Wij zouden niet op het idee komen en wij zijn als mensen niet aan God gelijkwaardig.
De Heere is groot en heilig, almachtig, zonder zonde, onze Schepper.
Dat er een verbond komt is wel Zijn idee, maar er wordt van ons ook inbreng gevraagd.
Tegen Abram zegt de Heere: Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.
Wandel voor Mijn aangezicht – bedenk dat je bij alles wat je doet een God in de hemel hebt,
die jou het leven heeft gegeven, jou geschapen en jou hier gebracht heeft en jouw God is,
maar die ook vraagt dat je van Hem bent.
Dat je dat je kind leert: je leeft niet voor jezelf, maar voor de Heere.
Dat kun je soms al heel eenvoudig bijbrengen, door je kind te leren bidden,
bijvoorbeeld voor het eten.
Het eten dat op tafel staat, daar heeft mijn hemelse Vader voor gezorgd.
Hoeveel trek ik ook heb, ik neem eerst even de tijd om Hem een zegen te vragen.
Dat ze door te bidden voor de nacht leren om Hem te vertrouwen.
Dat ze over Hem horen in de verhalen van de Bijbel en de liederen die ze leren.
Dat is de Heere. Hij wil ook mijn God zijn.
Dat je ze alles aanreikt, waardoor ze als kind met de Heere bekend kunnen raken.
Dat ze op een kinderlijke manier kunnen geloven.
Daar kun je zelf als ouder ook weer van leren.
Dat is onze kant: Wandel voor Mijn aangezicht – zo je leven leiden, dat je weet van die God,
dat je je Hem bewust bent, dat je Hem gelooft, op Hem vertrouwt, elke dag weer opnieuw.
De Heere zegt er iets achter aan: Wees oprecht.
Dat heeft te maken met hoe je leeft. Dat je je aan Gods geboden houdt.
Dat je niet zomaar wat doet, of dat je jezelf het belangrijkste vindt, maar God boven alles.
dat wij Hem vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel,
in heel ons denken en met al onze krachten.
Verder, dat wij ons van de wereld afkeren, onze oude natuur doden en in een nieuw, godvrezend leven wandelen.
De doop laat zien dat we anders moeten gaan leven: breken met de zonde,
breken met een leven zonder God en dat we ons moeten omkeren naar Hem toe.

Dat nieuwe leven wordt in de doop ook beloofd.
Dat is wat de Heere met het verbond zegt: dat nieuwe leven wil ik je geven.
Als teken van een nieuw leven krijgt Abram een nieuwe naam,
waarin iets van die belofte van God doorklinkt: er zullen vele volken uit je voortkomen.
Die allergrootste belofte, dat er veel later uit jou de Redder, de Messias geboren wordt.
Dat draag je mee in je nieuwe naam: Abraham.
Sommigen van de dopelingen hebben een andere naam dan de roepnaam.
Op catechisatie hoor ik catechisanten wel eens zeggen: Ik heb geen doopnaam.
Maar als je gedoopt ben heb je wel een doopnaam: die is dan dezelfde als je roepnaam.
Welke naam er klonk bij de doop – je roepnaam of een speciale doopnaam –
Die naam geeft aan: dat nieuwe leven kun jij ook krijgen.
Het nieuwe leven dat van Christus komt, door Zijn sterven op Golgotha.
Abraham krijgt nog iets dat herinnert aan het verbond: een teken.
Voor hem is dat de besnijdenis,
die hij moet uitvoeren alle mannen en jongens die bij hem horen.
Dat teken maakt je anders: je hoort nu bij God, je hoort niet meer bij deze wereld.
Dan is bij ons dat teken niet alleen maar voor jongens en mannen en minder pijnlijk.
Het is wel een teken dat zegt: je hoort nu bij de Heere
als een belofte en als een opdracht: de belofte dat God jouw God wil zijn en zal zijn
en tegelijk de opdracht om voor Gods aangezicht te leven, oprecht te zijn.
Opdat zij hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mogen dragen. Opdat zij Hem toegewijd zijn met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.
Een opdracht die zij kunnen gaan vervullen, omdat ze de belofte krijgen van de Geest.
de Heilige Geest, de Geest van God, schenkt ons wat Christus voor ons volbracht heeft aan het kruis. Hij belooft ons dat Hij in ons hart komt wonen, zodat wij de Heere Jezus gaan liefhebben en ons leven elke dag vernieuwd wordt. Dat doet de Heilige Geest tot op de dag, waarop de Heere Jezus weer terugkomt en wij met allen, die bij de Heere Jezus behoren, voor altijd bij Hem zullen zijn in Zijn koninkrijk.

Zo mag je je kind bij de Heere brengen in Zijn verbond,
met deze belofte en met deze opdracht.
Ik wens jullie Gods zegen bij die opdracht en vertrouwen op Zijn belofte. Amen

Preek zondag 5 juli 2020 avonddienst

Preek zondag 5 juli 2020 avonddienst
Schriftlezing: Psalm 16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Uit een onderzoek naar christelijke gebruiken binnen een gezin,
bleek dat van alle gebruiken die er kunnen zijn – lezen, bidden, zingen, naar de kerk gaan –
er één gebruik was die die in bijna alle gezinnen voorkwam,
zelfs in gezinnen die geen band meer hadden met de kerk,
waarvan de ouders geregeld zelfs ook maar weinig van het geloof hadden meegekregen.
In bijna al die gezinnen was er in ieder geval één gebruik waar men toch iets mee deed:
Dat was het avondgebedje met de kinderen.
Dus ook in gezinnen, die zelf niet meer naar de kerk gingen,
waar bij het eten niet meer gebeden werd en er ook geen bijbel of kinderbijbel op tafel kwam
was er toch dat gebruik om als de kinderen naar bed toe gingen
met hen een avondgebedje te doen: een liedje dat gezongen werd,
of een standaardversje dat opgezegd werd.
Ik ga slapen, ik ben moe. ‘k Vouw mijn handjes, ‘k sluit mijn oogjes.
Ook als er niet gedacht wordt aan bidden voor het eten of het lezen in de (kinder)bijbel,
werd dat gebedje toch nog gedaan.
Het verraste de onderzoekers hoe breed dat avondgebedje verspreid was.
De onderzoekers dachten dat het ermee te maken had,
Dat de nacht voor kinderen toch iets spannends heeft – en wellicht voor hun ouders ook.
Of dat ouders aan hun eigen kindertijd dachten
en nog wisten dat zij, omdat zij niet goed durfden te slapen, omdat ze bang waren.
Dan hoop je toch dat er Iemand is die voor je kind zal zorgen in die nacht.

Dan zijn we bij het begin van Psalm 16:
Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen.
Ik dacht eerst dat aan deze psalm een ingrijpende crisis ten grondslag lag:
David, of iemand anders, die in nood is en dringend een schuilplaats nodig heeft.
Dat hoeft helemaal niet.
Het kan ook, net als in het geval van een avondgebedje zo zijn,
dat David, of wie deze psalm gemaakt heeft, op vaste momenten God zoekt:
Bijvoorbeeld aan het begin van de dag, om zo zich voor die dag aan God toe te vertrouwen,
Of als avondgebed, voor hij slapen gaat, even nadenkt over de bescherming die God biedt.
Het kan een soort levensspreuk zijn, zoals je verschillende huizen ziet:
In dit huis hebben we plezier, maken we fouten, zeggen we sorry
Dat David dit op de muur heeft laten aanbrengen:
In dit huis leven we met God, vertrouwen wij ons toe aan de Heere.
Het kan zijn, dat deze psalm een inscriptie is geweest.
Want we weten niet wat de eerste woorden van Psalm 16 betekenen.
Onze vertaling maakt ervan: een gouden kleinood,
maar het kan ook zijn: een inscriptie, of iets dat niet uitgewist kan worden.
Dat zou David het hebben laten ingraveren in een van de muren van zijn paleis.
Onze vertaling heeft gekozen voor een gouden kleinood: iets fijns en kostbaars,
zoals een ketting met een medaillon, waarin een briefje zou zitten met deze tekst.
Iets persoonlijks dat voor jouzelf kostbaar is dat je met je meedraagt.
Zoals sommigen in hun portemonnee een pocketkruisje hebben:
Het kruisje dat ik bij mij draag herinnert mij er telkens aan
dat ik als christen leven wil en op Gods weg wil gaan.
Als een belijdenis voor anderen en als een herinnering voor jezelf.
Dat is in deze psalm ook zo:
Mijn ziel, u hebt tot de Heere gezegd: U bent mijn Heere.
Dat kan op een bepaald moment zijn geweest, dat u zich nog goed kan herinneren.
Maar ook dit kan iets zijn dat je voortdurend tegen jezelf en tegen God zegt:
U bent mijn Heer. Ik leef niet voor mijzelf, maar allereerst voor U.
Je spreekt uit dat je de Heere toegewijd wil zijn. Dat je leven in Zijn dienst staat.
Ik heb U leren kennen. En dat was het mooiste dat mij overkwam.
De laatste regel van vers 2 klinkt in onze vertaling raadselachtig.
Dat komt omdat de manier waarop het in het Hebreeuws verwoord is, niet gebruikelijk is
En dat een vertaling – net als bij het eerste woord – ingewikkeld is
en dat is niet het laatste vertaalprobleem dat in deze psalm voorkomt.
Je zou die laatste regel: Mijn goedheid is niet voor U
ook kunnen vertalen als: Mijn goedheid gaat niet buiten U om.
Alles wat ik heb, heb ik aan U te danken en wat ik ontvangen heb van U is genoeg.
Zoals de Psalm die iets verderop staat en die zoveel raakvlakken heeft met onze Psalm:
Mij ontbreekt niets. Omdat je weet dat de Heere je herder is .
Bij Hem moet ik het zoeken en alleen bij Hem kan ik het vinden.
Ik ken het wel ergens anders gaan zoeken, maar dan loop ik God mis.
Dan wil ik niet zien dat ik een Herder heb in de Heere.
De dichter van deze psalm ziet om ze om zich heen van twee walletjes eten.
Natuurlijk, je ruilt de Heere niet helemaal in.
Hij heeft wel een plekje in hun leven, in hun hart, een klein plekje.
Net genoeg om te zeggen dat je toch nog iets met God hebt.
‘Ik geloof dat er iets is.’ zeggen ze dan.
Of: ‘Je moet niet denken dat ik helemaal zonder God ben.’
Op een verborgen plekje op zolder, of in een stoffig hoekje in de schuur
krijgt Hij een plek, zodat ze Hem, misschien na even zoeken, toch kunnen vinden.
Hun aandacht gaat meer naar iets anders uit.
Ze hebben wel iets met God, maar ze vertrouwen liever op iets anders.
Op het geld dat ze hebben. Een mooie baan of een mooi salaris, een goed leven.
Als ze dat hebben, zijn ze gelukkig.
Ze zijn bereid om daar veel voor te geven.
Of ze zetten hun gezondheid op de eerste plaats en hebben daar alles voor over.
Als hun gezondheid op orde is, komen zij het leven wel door.
Afgoden – Hij ziet hoe anderen hun leven toewijden aan andere goden.
Vaak is het met afgoden zo, dat ze op zichzelf best goed zijn:
gezondheid, geluk, een goede baan, een mooi leven.
Maar het gaat mis als ze de plek van de Heere gaan innemen,
Als zij het leven gaan beheersen en de Heere naar een achterafhoekje verdringen.
Het is een kwestie van vertrouwen: Wie vertrouw je het meest?
God of je baan, je geld, jouw eigen plannen?
Aan wie vertrouw je je toe? Aan de Heere of heb je liever je leven in eigen hand?
Waar denk je aan bij het inslapen: aan alles wat jij nog moet doen
Of aan de Heere die de wacht over je leven houdt.
David zegt: Ik maak een radicale keuze: Ik houd me ver van afgoden.
Ik noem hun namen zelfs niet. Ik wil ze niet teveel eer geven.
Ik wil niet dat ze een invloed op mijn leven hebben. Ik wil alleen van de Heere zijn.
Afgoden zijn alleen maar illusies. Ze brengen je op het verkeerde spoor
en leiden je bij de Heere vandaan en dan ben je alles kwijt.
Ik wil het niet over andere goden hebben,
niet over andere machten die een plek in mijn leven willen.
Ik heb genoeg aan de Heere.
De Heere is mijn herder – mij ontbreekt niets.
Ik heb genoeg van de Heere ontvangen. Hij is mijn alles.
De Heere is mijn enig deel, mijn beker.
We zongen dat vanmorgen in de belijdenisdienst:
Heer, U bent mijn leven, de grond waarop ik sta.
Zoals ik een plek heb waar ik woon, waar mijn huis sta, een adres dat mijn thuis is,
zo is God voor mij mijn thuis, de plek waar ik hoor.
Wat ik aan bezit heb, aan geld, aan goederen – dat heb ik niet zelf voor elkaar geknokt.
Dat heb ik niet zelf bij elkaar gescharreld, dat heb ik niet bij elkaar gespaard.
Dat heeft de Heere mij toegewezen. Een geschenk van Hem.
Een gave uit Zijn Vaderlijke hand, waarmee Hij Zijn goedheid laat zien.
Ik heb het zo slecht nog niet.
Dat is natuurlijk heel makkelijk uit te spreken als je het goed hebt.
Als je geen zorgen hoeft te maken over je baan, omdat je werk genoeg hebt
en in een sector zit die het in deze tijd goed doet.
Of als je goed in je vel zit en gezond hebt.
Als je geen zorgen of verdriet hebt.
Kun je het ook zeggen als je in moeilijke omstandigheden bent?
Ik mijn aantekeningen bij deze Psalm
– ik maak altijd aantekeninngen als ik bij een bijbeltekst iets bijzonders vind –
vond ik een verwijzing naar een verhaal dat ik een keer las:
Een vrouw had gevraagd om in de dienst voorafgaande aan haar begrafenis
deze Psalm als uitgangspunt te nemen: De HEERE is mijn enig deel, mijn beker,
U onderhoudt wat het los mij toewees.
Deze vrouw was getrouwd met een predikant.
Hij overleed echter op jonge leeftijd en zij bleef achter met drie jonge kinderen.
Ze hertrouwde nooit omdat ze zich richtte op de opvoeding van haar kinderen.
Ik kwam het voorbeeld tegen in een boek over preken, waarbij de opdracht stond:
Beeld je het leven van deze vrouw in.
Hoe ze alleen is komen te staan. Alleen in de zorg voor het huishouden,
alleen in de zorg voor de opvoeding van haar kinderen.
Een alleenstaande moeder, die zuinig om moet gaan met haar geld.
Altijd is ze bezig: of ze is aan het werk of ze voedt haar kinderen op.
Geen moment heeft ze voor zichzelf gehad,
of het moet zijn ‘s nachts als ze alleen in het tweepersoonsbed ligt.
Toen ze haar leven overzag, koos ze voor Psalm 16:
De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen.
Ik loos de HEERE, die mijn raad heeft gegeven.
‘s Nachts onderwijzen mij mijn nieren.
De zorg van God die sterker is dan de aardse zorgen en beslommeringen,
ook al kunnen die groot en enorm zijn.
Toch weten dat je God aan je rechterhand hebt, al moet je alleen door het leven gaan.

Wat is het geheim van zo´n leven, dat je toch ondanks alle tegenslag
de kracht vindt, de kracht krijgt om door te gaan?
Omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
God aan je zijde bij alles wat je doet en bij alles wat je doormaakt.
Niet alleen als het goed gaat, niet alleen als je je toch al gelukkig voelt,
als je het wel kunt zingen: Mij ontbreekt niets,
omdat je je aan stille wateren en op grazige weiden bevindt.
Het gaat verder – vers 10: Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten.
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
Ook hier een link met Psalm 23: Als de schaduw van de dood over het leven valt,
dan is God er bij, dan zal Hij met Zijn stok en staf geleiden, een weg wijzen,
naar het leven dat God geeft – een leven op aarde of in Zijn heerlijkheid.
Daar komt de kracht vandaan om het vol te houden.
Verschillende verzen van PSalm 16 komen in het Nieuwe Testament terug.
Als Petrus de eerste pinksterpreek houdt om uit te leggen wat er gebeurd is,
grijpt hij terug op Psalm 16 en past dat toe op de Heere Jezus Christus.
Christus is de Heilige op wie de dood geen grip kreeg,
die wel de dood inging, maar niet binnen de grenzen van de dood bleef.
Hij daalde af in de allerdiepste diepte, niet omdat Hij de regie over alles kwijt was,
maar omdat Hij daar moest zijn om de macht van de dood te verbreken.
Hij deed dat niet door op een afstand te blijven, maar zelf dat graf in te gaan.
Daardoor geldt die tekst ook voor ons: Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten.
Als ons lichaam ter aarde wordt besteld, als wij begraven worden,
zijn we daar niet alleen, maar worden we neergelegd in de armen van onze Heer,
de goede Herder die zelf de dood inging en de Zijnen door de dood heen draagt.
Als je van die weg weet door de dood heen, heb je ook een weg door het leven.
Dan weet je: Mijn leven eindigt niet bij mijn laatste dag op aarde,
maar als je Hem kent gaat je leven verder bij Hem in Zijn heerlijkheid.
Je gaat nog wel verder in het leven hier op aarde,
maar je weet:  er is een weg- een weg ten leven en die weg is mij nu bekend.
God heeft die niet verborgen gehouden,
maar maakt duidelijk dat die weg in Christus er is, dat Christus zelf die weg is.
Je hebt dan God bij je, in je nabijheid.
In de Psalmen wordt die nabijheid nogal eens weergegeven door te spreken
over het aangezicht van de Heere.
Zo nabij bij Hem, dat je Zijn aangezicht kunt zien, God in de ogen kunt kijken
en omgekeerd, dat je weet: God ziet mijn weg.
Denk aan die bekende woorden uit Psalm 32: Mijn oog zal op U zijn.
Als je de Heere zo dichtbij hebt, kun je zeggen: Mij ontbreekt niets.
Dan kun je het beamen: U bent mijn Alles. Aan U heb ik genoeg
en wat U geeft aan mij is voldoende voor het leven hier op aarde.
Wat u geeft: lieflijkheden in Uw rechterhand voor altijd.
Christus zegt het over Zijn hemelse Vader, onze hemelse Vader:
Of is er iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven, als hij om brood vraagt?

Of als hij hem om een vis vraagt, zal hij hem een slang geven?
Dat zegt Hij als Hij iets vertelt over het bidden
En dan zijn we bij het begin: het gebed – vooral het avondgebed –
dat nog lang in gebruik blijft, omdat ouders dat toch aanvoelen,
Er is er Eén die voor mijn kind kan zorgen, Eén die kan geven wat ik niet kan geven.
Die zekerheid van het slot om zo in nabijheid van God te leven
kan in het aardse bestaan niet zonder het gebed aan het begin,
omdat wij als mensen die weg vaak kwijt raken, omdat wij als mensen kwetsbaar zijn,
omdat wij als mensen niet zonder God kunnen:
Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen.
Amen


Preek zondag 28 juni 2020

Preek zondag 28 juni 2020
Schriftlezing: Psalm 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De meest intense ervaring van God wordt in de Bijbel verwoord met zien, aanschouwen.
Dat kan beide kanten op:
De ervaring dat je door God gezien wordt, maar ook dat jij als mens God ziet.
Zo eindigt Psalm 17 ook:
Ik zal Uw aangezicht aanschouwen en ik zal verzadigd worden met Uw beeld.
God van zo dichtbij ervaren, dat je Hem ziet: Zijn aangezicht, Zijn beeld.
Waardoor je merkt dat het maar niet voor de vorm is dat de Bijbel spreekt
over God die naar je toekomt, maar dat je Hem ook zo van nabij ervaart en zelfs ziet.
Het aanschouwen van Gods aangezicht – dat is een intense ervaring,
meer dan even vluchtig zien,
meer dan even een flits waarvan je je afvraagt of het niet een droom was.
Maar een langdurige ervaring, waarbij je helemaal met God vervuld wordt,
zodat je het gevoel dat je helemaal verzadigd wordt.
Als je dat in het vooruitzicht wordt gesteld, kun je daar al helemaal gelukkig van worden,

zoals dat in de berijming ook gezongen wordt.
Het vooruitzicht zelf kan die vreugde al geven, omdat je weet dat dit je kan overkomen.
Je zou het kunnen betrekken op het moment van overlijden,
als je hier de ogen sluit en je ze in de heerlijkheid van de Heere weer mag opendoen
en dat je dan onze God zelf, de grote, ontzagwekkende God mag zien van nabij
– dat kan kracht geven om die laatste tocht aan te vangen,
De tocht door de dood heen, de doodsjordaan over te steken,
als je weet dat daarna zoiets geweldigs te wachten staat: de ontmoeting met de Heere zelf.
Zo zal dat laatste vers in de berijming ook wel gezongen zijn:
Maar – blij vooruitzicht, dat mij streelt – ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw goddlijk beeld.

Zou dat alleen maar iets zijn voor als je aan het einde van je leven gekomen bent
en afscheid van het leven hier moet nemen en de ogen sluit om heen te gaan
en je ogen open doet in die andere wereld, de wereld van God?

Of zou het ook een ervaring kunnen zijn, die je hier op aarde kan overkomen?
Ik denk dat er heel wat gemeenteleden die zullen zeggen:
‘Zo’n intense ervaring heb ik nog nooit gehad, dat ik de Heere op deze manier mocht zien.’
Soms kunnen ze dan wel vertellen over een vader of een moeder,
die zo’n ervaring heeft gehad, die zorgde voor een hele verandering van hun leven.
Zelf hebben ze het niet meegemaakt en hopen daarop,
omdat je dan zeker weet dat je mag zeggen dat je van Christus bent,
omdat Hij dat dan door een bijzondere ervaring heeft duidelijk gemaakt.

Hier in deze psalm gaat het niet om een ervaring die iedereen zou moeten meemaken.
Hier is wat anders aan de hand.
Iemand in nood, die hoopt op de uitredding van God.
David die hoopt dat God partij zal kiezen voor hem.
David die zich niet veilig voelt tussen de mensen om hem heen,
omdat ze van alles over vertellen, waarvan hij weet dat het niet klopt.
Bij al die verhalen die over hem worden doorgefluisterd
voelt David een dreiging op hem afkomen.
Wie kan hij nog vertrouwen? Wie zal de zaken die hij bespreekt niet doorbrieven
naar iemand die deze informatie zal gebruiken tegen David?
Omdat hij niet in staat is om de verhalen die over hem verteld worden te corrigeren,
voelt hij zich machteloos.
Kwetsbaar ben je als er allerlei verhalen over je de ronde doen,
Waarvan je weet dat ze niet kloppen,
maar je bent niet in staat om ze uit de wereld te helpen.
Die verhalen vormen een beeld van je dat niet klopt,
maar de mensen om je heen nemen dat wel over en geloven dat je zo bent.

Dan is er maar Eén die kan helpen
en David richt zijn gebed dan ook tot God,
een smeekbede waarin hij aan de Heere vraagt om voor Hem op te komen.
Heere, luister.
Als de mensen om je heen niet willen luisteren naar wat jij te vertellen hebt
en niet bereid zijn om er bij stil te staan dat jouw verhaal wel eens anders kan zijn
dan de verhalen die ze over jou horen vertellen,
dan is het belangrijk dat de Heere wel naar je luistert
en niet zomaar achteloos aan jouw roepen en smeekbeden voorbij gaat.
Iemand die wel naar je luistert en niet de minste ook,
maar de Heere van hemel en aarde, de hemelse Rechter,
die in staat is om te oordelen of je gelijk hebt, omdat Hij ook je hart doorgrondt.
Hij weet hoe kwetsbaar je bent als er allerlei verhalen over je rondgaan
en de mensen om je heen niet bereid zijn na te gaan of het klopt wat er verteld is.
Maar dan is het wel belangrijk dat de Heere luistert
en dat er iets gedaan wordt, waardoor de situatie van David verbetert.
God zelf moet wat doen: Laat van Uw aangezicht mijn recht uitgaan.
David heeft in zijn eigen ogen een rechtvaardige zaak.
Als de hemelse Rechter een oordeel zal vellen, zal het niet anders zijn
dan dat David in het gelijk gesteld wordt.
Hij heeft voor God niets te verbergen.
Hij doet zich aan de buitenkant niet mooier voor dan hij in werkelijkheid is.
De Heere mag bij hem langs komen om hem aan een oordeel te onderwerpen.
David heeft ook de ervaring dat de Heere langs gekomen is
om na te gaan uit welk hout David gesneden is, ook van binnen:
U hebt mijn hart beproefd, het ‘s nachts doorzocht. U hebt mij getoetst.
Hier is de Heere als een keurmeester die kijkt hoe wij als mensen zijn.
Zoals een goudsmid keurt of het goud dat aangeboden wordt ook echt goud is,
zo kijkt de Heere of David wel met Hem leeft en van Hem is.
David verwoordt nogmaals die ervaring dat God toetst hoe het bij hem voor staat,
of David wel zo integer is als hij beweerd te zijn.
Of David wel zo trouw aan God is als hij in zijn gebeden beweerd.
Psalm 26:2: Beproef mij, Heere, ja stel mij op de proef. Toets mijn nieren en mijn hart.
Ook daar een nagaan hoe het van binnen gesteld is,
In de ruimte van ons hart, die wij voor veel anderen verborgen kunnen houden.
Alleen voor de Heere niet. Als Hij komt, dan moet alles open.
Ook de deur van ons hart en kunnen wij niets voor Hem verborgen houden.
David hoeft dat ook niet. Hij kan voor God verschijnen.

Hier in dit gebed verwoordt David hoe hij zijn best doet om zo te leven
zoals de Heere dat wil en in Zijn geboden voorschrijft.
Je merkt dat David weet dat hij niet perfect is en ook zijn fouten heeft,
maar je proeft ook dat hij zijn best doet, de strijd voert met die kanten in zichzelf:
Wat ik ook moge bedenken, het komt niet uit mijn mond.
David weet ook dat degenen die om hem heen die verhalen over hem rondstrooien
veel minder bezig zijn om hun gedrag door de Heere te laten corrigeren.
Wat de daden van de mens betreft – David stopt maar,
blijkbaar omdat het wat hij zou moeten vertellen te erg voor woorden is.
Hij wil aan God laten zien dat hij zich wel aan Gods geboden houdt.

Het is niet voor niets dat het boek van de Psalmen, dat vooral gebeden kent,
begint een psalm die aangeeft dat het uitmaakt hoe je leeft.
Je kunt meedoen met de mensen die niets om God geven
en je begeven in de kring van de mensen die zich niet houden aan wat God bepaald heeft.
Je kunt met hen meedoen, omdat zij het hier voor het zeggen hebben,
maar bij wie je wel moet accepteren dat zij spotten met wat van God vandaan komt.
Welzalig de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
niet zit op de weg van de spotters.
Het is niet voor niets dat het gebedenboek van het Oude Testament, de psalmen,
met deze zin begint.
Het is de toonsoort, waarin heel het gebedenboek staat.
Met andere woorden: bidden heeft ook te maken met hoe je leeft.
Je kunt niet tot God naderen als je niet bereid bent om Zijn geboden serieus te nemen.
Als je God om hulp vraagt, moet je ook accepteren dat Hij op Zijn beurt ook iets van jou wil:
Dat je aan Hem trouw bent en je leven inricht naar Gods geboden.
David benadrukt dat hier ook: Ik ben trouw geweest. Ik heb me niet laten meeslepen.
Ik ben U niet vergeten, maar heb U bij alles betrokken.
De richtlijnen van de Heere worden in de Psalmen vaak voorgesteld als een weg.
En dan niet als een weg die je moet zoeken,
waarvan je aan het begin niet weet waar je uitkomt.
Nee als een weg die er al ligt, die is aangelegd door de Heere.
Als je over die weg gaat, mag je ook bij Hem aankomen en weet je dat je goed zit.
Denk aan Psalm 23: U leidt mij in het spoor van de gerechtigheid.
In een wereld die zich vaak weinig van God wil aantrekken
en net doet alsof wij zelf de weg door het leven moeten uitzoeken
heeft God al een weg bepaald, waarover wij kunnen gaan.
Als je die weg gaat, weet David ga je in de sporen van God.
God zelf heeft die weg gelopen.
Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend

hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.

Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,

toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Een weg waarop God is voorgegaan.
Het is misschien niet altijd de makkelijkste weg die God wijst,
maar wel een weg waarvan je weet dat je daar goed op loopt.
Het is niet een gevaarlijk bergpad dat zomaar opeens ophoudt,
of een glibberig pad waar je zo onderuit gaat en wegglijdt.
Je weet misschien niet altijd hoe die weg verloopt,
maar je weet wel dat het de goede weg is, Gods weg,
en dat je met Hem gaat.
23 jaar geleden zong ik samen met een aantal anderen deze psalm voor in de kerk.
Het was Tweede Paasdag.
Samen met een aantal andere jongeren deden we belijdenis van het geloof.
We zongen de berijming van vers 3:
Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden.
Niemand die voorin de kerk stond, kon vermoeden hoe de weg verder zou gaan.
Je hoopt allemaal dat je volhoudt op die weg, dat je er niet van afdwaalt.
De gemeente zong ons, belijdeniscatechisanten het vierde vers toe:
Maak Uwe weldaan wonderbaar, Gij die Uw kinderen wilt behoeden,
voor ‘s vijands macht en vreeslijk woeden en hen beschermt in ‘t grootst gevaar.
Die dag erop hoefde ik niet naar school – ik zat in het examenjaar
en werkte die dag in de supermarkt waar ik mijn bijbaan had.
Een groter contrast heb ik zelden gehad: dat bijzondere moment van die maandag,
de dag waarop Christus’ opstanding nogmaals werd gevierd
en wij als groep daar stonden om die Heer die gestorven en opgestaan was te belijden
en die dag erop, toen ik op de winkelvloer stond, de containers uit de vrachtauto reed,
de producten in de schappen zette, met collega’s op trok en klanten hielp.
Weg was het bijzondere gevoel. Nu ging het pas om de praktijk.
Welkom in de strijd wordt er vaak gezegd tegen nieuwe lidmaten.
De gemeente had het die dag ervoor niet voor niets gezongen: Wil hen behoeden,
zorg, Heere, voor hen als voor het meest intieme, het meest kostbare dat U hebt.
Een van de commentaren die ik raadpleegde bij de voorbereiding
gaf ook aan, dat het in deze psalm niet alleen gaat om een conflict tussen mensen,

maar dat in deze psalm de positie van de gelovige wordt beschreven
temidden van allerlei ongelovigen, die niet begrijpen hoe je kunt leven met de Heere.
In ieder geval gaat het om mensen die je tot diep in de ziel kunnen raken
en dat ook bewust doen omdat ze weten dat daar je zwakke plek is,
of je nu overhoop ligt met de mensen om je heen, omdat ze van alles over je zeggen
wat niet klopt en waarvan je merkt dat anderen die verhalen gaan geloven
of dat je kwetsbaar bent omdat er mensen zijn die je geloof belachelijk maken.
Als een loerende leeuw, iemand die er op uit is om je te verscheuren
die machtiger is dan jezelf, een tegenstander die kwaad wil of misschien de boze zelf.
Dan begrijp je dat het niet zomaar een ervaring is waar naar uitgekeken wordt
om God te zien van nabij, om Zijn aanwezigheid heel dichtbij te ervaren.
Het is Zijn aanwezigheid die je beschermt en bewaart,
die laat weten dat je op de goede weg zit, omdat het Zijn weg is,
die je begeleidt als anderen je laten vallen,
die je laat weten: Ik ben je God. Zit er maar niet over in.
Al ben je zelf kwetsbaar en voel je bedreigd, voel je je niet veilig.
Hoe kent Gij al mijn noden, waarin Gij trouw voorziet!

Wie komt tot U gevloden, wien Gij geen hulpe biedt?

U zal ik eeuwig eren, die eeuw’ge goedheid zijt!
U blijv’, o Heer der heren, geheel mijn hart gewijd!
Wat kan ik niet ontberen, wanneer uw hand mij leidt,
wat vuriger begeren dan uwe heerlijkheid.
Amen

Preek zondag 21 juni 2020

Preek zondag 21 juni 2020
Schriftlezingen (Bijbel in Gewone Taal): Psalm 62, Hebreeën 3:12-14, 4:9-11.
Jongerendienst

Deze preek wil ik beginnen met een gedeelte uit Jesaja 58.
Want in dit gedeelte zegt God het Hebreeuwse woord, waar X het over had.
In dit gedeelte zegt God: Hineni – zie, hier ben Ik.
Ik zal het lezen:

8. Als je dat doet, dan zul je echt gelukkig zijn.
Je zult lijken op de zon die stralend opkomt in de ochtend.
Volk van Israël, als jullie zo leven, zal het snel beter met jullie gaan.
En met mijn macht zal ik jullie overal beschermen.
9.Als jullie mij roepen, zal ik antwoord geven (Hineni).
Als jullie mij om hulp vragen, dan kom ik jullie helpen.

Hier zegt God: Hineni – Zie mij, Zie, hier ben ik.
De Heere God zegt dat tegen een volk dat naar Hem op zoek is:
Als jullie mij roepen, als jullie om hulp vragen.
Het is niet zo moeilijk om te bedenken dat je Gods hulp nodig hebt
en dat je soms roept tot God in de hoop dat God je hoort.
Hier zegt God: Als je tot mij roept, dan ben ik er. Hineni. Zie, hier ben Ik.
Als je mijn hulp nodig hebt, dan kom Ik eraan, Ik ben onderweg naar je toe.

Heb je dat in de afgelopen weken bedacht, toen je veel thuis was
en je niet naar school kon, je vrienden niet op kon zoeken?
Dat God er ook toen was. Dat Hij klaar stond om je te helpen?
Hineni – Zie, hier ben ik.

Dat Hebreeuwse woordje Hineni betekent: sta er even bij stil.
Neem even de tijd om dat op je te laten inwerken.
Om te beseffen dat God er ook is. Zelfs als alles helemaal anders is geworden.
Als alles wat vertrouwd is, voor een groot deel verdwenen is, dan is God er nog.
Heb je dat ook in de afgelopen weken gezien?

Ervaren dat Hij er ook dan is en daardoor je gesteund weten,
dat is best lastig als alles heel anders is geworden.
Want als je niet meer naar de kerk kunt, of naar catechisatie of de TOV-groep,
dan moet je dat zelf doen.
Dan moet je dat zelf bedenken dat God er is
en moet je dat zelf tegen jezelf zeggen: God is er ook nog
en alleen bij Hem vind ik rust, Bij Hem ben ik veilig. Hij redt mij altijd. (Ps 62)
Als je niet meer naar school hoeft, of naar de kerk,
dan valt je ritme weg.
Dan blijf je langer op bed liggen en dan mis je ook het moment
dat je als gezin met elkaar de dag begint.
Heb je er zelf aan gedacht om de dag met God te beginnen.
Om even die tijd te nemen, zoals dat Hebreeuwse woordje: Hineni.

Als je geen ritme hebt en geen structuur in de dag, dan schiet dat er gauw bij in.
Dan sla je dat snel over: denken aan God, even wat lezen uit de Bijbel, bidden,
er over nadenken hoe Hij je vandaag kan helpen bij alles.
Als je dat allemaal vergeet en je doet niet mee met de anderen thuis,
of je mist de dagopeningen op school, de gesprekken op catechisatie,
dan is het niet zo makkelijk om vol te houden.

Zoals het lied dat X hoorde aan het begin van de coronatijd
en dat op dat moment behoorlijk indruk op haar maakte:
Lord, there are times when I have to ask, ‘What?’
Heer, er zijn geregeld momenten, waarin ik niet om de vraag heen kan: Wat gebeurt er?

Times when your Love is not easy to ‘Spot’,

What of life’s purpose and what of me here?
Er zijn tijden waarop Uw liefde niet zo makkelijk is te ontdekken,
of waarop het doel van het leven, of waarom ik hier ben, niet zo makkelijk is te ontdekken.

Grant me some answers, Lord, make your will clear.
Geef mij wat antwoorden, Heer, maak Uw wil duidelijk.

Dan zijn we weer bij wat ik las uit Jesaja 58: Als jij roept, dan ben ik er.
Dan zul je Mij zien. Hineni. Zie hier ben Ik.

Je zult vast hebben gemerkt in de afgelopen weken
dat het helemaal niet zo eenvoudig werkt.
Integendeel: als je leven helemaal anders wordt, alles op zijn kop staat,
dan krijg je eerder vragen

Lord, there are times when I have to ask ‘Why?’

Times when catastrophe gives faith the lie.
Heer, er zijn geregeld momenten, waarin ik niet om de vraag heen kan: Wat gebeurt er?
Tijden waarop de de catastrofe de leugen geloofwaardig maakt.

Een van die leugens, die geloofwaardig lijkt in zo’n tijd is de gedachte dat God er niet is
en dat Hij alles maar laat gebeuren en Hij niet alles in de hand houdt
of de wereld in de steek laat.
Volhouden is dan juist moeilijk, want die leugen lijkt zo geloofwaardig
en je bent alleen en je mist dan anderen die tegen je zeggen: Houd vol,
geloof die leugen niet. Zie je dan niet, dat God er is.
Neem de tijd om te zien hoe Hij er toch is.
Neem voor jezelf de tijd om te ontdekken hoe Hij er dan toch is.

We lazen uit Hebreeën 3 en 4.
Vrienden, niemand van jullie mag ongelovig worden. Blijf vertrouwen op de levende God.

Maar hoe doe je dat dan? Hoe houd je vol?
Misschien was dat in de afgelopen weken ook wel voor jou de vraag:
Hoe doe ik dat? Ik wil God ervaren en zien hoe Hij er is.
Ik wil Hem niet kwijt raken, maar nu moet ik het allemaal alleen doen
en ik merk dat ik dat niet volhoud, dat er zo makkelijk de klad in komt
omdat ik helemaal geen structuur in de dag heb en weinig anderen zie.
In deze teksten uit Hebreeën wordt niet verteld hoe je dat doet.
Toch is het handig om te weten, hoe je dat doet, dat volhouden.

Ik zou aanraden om bij de gewone dingen te beginnen.
Om elke keer als je opstaat te bedenken dat je een nieuwe dag begint
en de zon ziet opkomen, dat je dan even bedenkt, al is het een minuut:
Deze dag krijg ik van God. Hij laat daarmee zien dat Hij voor mij zorgt.
Katholieken en Lutheranen slaan een kruisteken als ze de dag beginnen.
Daarmee zeggen ze tegen zichzelf: Ook deze dag ben ik van Christus,
die voor mij aan het kruis gestorven is.
Ik mag weten dat Hij bij mij is, mij helpt en draagt.
En ik weet dat ik de plicht heb om zo te leven, zoals Hij dat zou willen.
Dat zou je kunnen helpen, om zo elke dag met geloof te beginnen.
Of elke dag met een eenvoudig gebed. Al is het elke keer hetzelfde:
Dank U voor deze nieuwe morgen.
Als het je niet lukt om de Heere te zien in de gewone dingen,
dan zal het veel moeilijker zijn om God te zien op die bijzondere momenten,
waarop alles anders is en je bestormd wordt met vragen,
Vragen over de wereld, of vragen over jezelf.
Dan is dat net met een tiener, die zich afvraagt of haar ouders wel van haar houden,
terwijl ze niet zien, dat elke dag de tafel is gedekt, het brood wordt gesmeerd,
hij wordt uitgezwaaid, dat zij bij thuiskomst wordt begroet.

Misschien heb je het in de afgelopen weken ook lastig gevonden
om met God bezig te zijn, juist omdat al het vertrouwde weg was.
En neem je het jezelf kwalijk, of voel je jezelf ook schuldig,
dat je te weinig tijd besteed hebt aan de Heere,
terwijl je wel voor andere dingen de tijd hebt gehad.
Dat kun je ook tegen de Heere zeggen en vragen om vergeving
en vragen of Hij je wilt helpen.
Als er zoveel veranderd, dan lukt het vaak niet gelijk om daar op in te spelen.
Soms reageert het geloof wat trager.
Net zoals je bij een nare opmerking pas soms veel later door kunt hebben
hoe naar die opmerking eigenlijk was.
Zo kan het geloof ook een latere reactie geven.
Alles wordt anders en het lukt je niet om op dat moment God te zien,
en het lukt misschien ook niet om tot Hem te roepen,
want je vraagt je af of Hij je wel zou horen.
Geloven en bezig zijn met geloof gaat niet altijd gelijk goed.
Het is een oefening. Geregeld een les om te beseffen dat je onderweg bent.
Onderweg door het leven naar een ander land, waar er echte rust is.
De echte rust moet dus nog komen voor het volk van God.
10 Want als je Gods nieuwe wereld binnengaat, dan mag je uitrusten van al je werk.
Net zoals God uitrustte van zijn werk.

En dan volgt er weer een oproep, een aansporing om vol te houden:
11Laten wij dan ons uiterste best doen om dat land van rust binnen te gaan!
Er zijn momenten, en mogelijk dat deze tijd ook daarom zo is,
dat de Heere God ons stil zet om ons te laten beseffen:
Weet je dat er een heel andere tijd komt en dat je daar naar toe op weg bent?
Het land van de eeuwige rust.

Als God ons stil zet, is dat niet bedoeld om ons leven hier op te geven,
maar wel om ons eraan te herinneren, dat, ook al heb je nog een heel leven voor je
– en ik hoop dat je in dat leven nog veel mag doen –
dat je ook een toekomst hebt, een eeuwige toekomst.
Volhouden betekent vooral: dat je die toekomst niet uit het oog verliest.
Dat je bezig bent met school, met welk profiel je kiest en daarna welke opleiding,
dat je bezig bent met je werk, je bijbaantje, of een volledige baan,
en dat je weet: dat als allemaal belangrijk voor nu,
maar ik moet ook voorbereid zijn op die andere tijd, die nog komt.
Als je die toekomst in het oog houdt, is het ook makkelijker om het vol te houden.
Je doet het ergens voor, want je leeft ergens voor.
Je leeft voor God. Je leeft nu voor God en je zult straks voor God leven.
Dat helpt ook als je in een lastige tijd zit, waarop alles anders wordt.
Dan weet je: er komt een tijd waarin er helemaal geen zorgen zijn,
een land van rust en vrede, een land waar ik God nooit meer kwijt ben,
omdat ik dan bij Hem mag zijn en Hij bij mij is.
En als je dan God kwijt bent en je kunt Hem niet vinden,
omdat er zoveel vragen zijn, bedenk dan bij jezelf:
Die vragen kunnen hier niet opgelost worden
en ik weet dat er in mijn leven best moeilijke perioden zijn,
waarop het voor mijzelf pittig is.
Maar als ik volhoud en doorzet dan kom ik wel bij God aan.

Het is mogelijk om vol te houden
en dan kom ik weer terug op wat ik aan het begin van de preek las.
Jesaja 58: Als jullie mij roepen, zal ik antwoord geven (Hineni).
Als jullie mij om hulp vragen, dan kom ik jullie helpen.
Amen

 

Preek zondagavond 14 juni 2020

Preek zondagavond 14 juni 2020
Schriftlezing: Psalm 42

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Nadat mijn schoonmoeder overleden was, liet ze een bijbel na.
In deze bijbel ontbraken enkele bladzijden van de berijmde psalmen.
Op die bladzijden die in deze bijbel ontbraken bevatte ook Psalm 42,
de lievelingspsalm van mijn schoonmoeder.
De bladzijden zullen uit de bijbel geraakt zijn
omdat deze psalm tijdens de kerkdiensten veel gezongen is
en waarschijnlijk ook omdat ze thuis deze psalm vaak opgezocht zal hebben.
Zeker toen ze, nog geen 50, met borstkanker te maken kreeg.
Ze zal het vijfde vers vaak opgezocht hebben, al kende ze die uit haar hoofd:
Maar de Heer zal uitkomst geven, Hij die ‘s daags Zijn gunst gebiedt
‘k Zal in dit vertrouwen leven en dat melden in mijn lied.
Dat vertrouwen heeft ze zo vaak gezocht, dat deze bladzijden losgeraakt zijn.
En niet alleen gezocht, maar ook gevonden:
Gods lof zingen in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht
en mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.

‘In de psalmen kijk je de heiligen in het hart.’ (Maarten Luther)
Hij zal daarmee niet alleen bedoeld hebben, dat je in de psalmen ziet
hoe er over het leven van gelovigen allerlei stormen heen kunnen gaan
en hoe zij ook door diepe dalen gaan en dat ze daarin God kwijt kunnen zijn
en moeten zoeken en roepen naar God,
maar ook de Heere gevonden wordt in de donkere nachten die er zijn,
temidden van alle stemmen die het aan je vragen waar God is.
Hier in deze psalm wordt God gevonden in de herinnering en in het lied.
Midden in de nacht klinkt er een lied,
op het moment dat de dreiging het sterkst gevoeld wordt
en de ervaring dat God afwezig is op je neerdrukt,
is het lied, is bijvoorbeeld deze psalm er die je herinnert dat God er ook is,
Zelfs midden in de nacht en dat je dat tegen jezelf moet zeggen:
Hij heeft mij nu ook niet verlaten, al ervaar ik Hem niet
en al ervaar ik vooral een donkerheid en een leegte,
ik mag weten, ik mag erop vertrouwen dat de Heere weer van Zich laten horen.

Ook de herinnering voert naar God.
Eerst is de herinnering vooral pijnlijk, omdat toen God wel ervaren werd
en nu het niet mogelijk is om bij God te zijn,
Een heimwee naar de tijd dat je nog met anderen naar de kerk kon gaan,
dat er gezongen werd en dat je in de vreugde die er was en de zang die er klonk,
dicht bij God was,
zo dicht dat je ervoer dat je voor Gods aangezicht naderde,
dat je in de nabijheid van God kwam en merkte dat Hij er was.
Een pijnlijke herinnering, omdat het nu zo anders is,
en toch, die herinnering van toen, van Gods nabijheid destijds brengt weer bij God terug.
Het begint met het roepen naar God,
zoals een hert roept dat geen water kan vinden en dorst heeft
en hoopt dat er een ander hert is dat hem mee kan nemen naar water,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Dat is geloven op bepaalde momenten: roepen tot God, omdat je Hem niet vindt
en je hoopt dat er iemand is, die je mee kan nemen, naar God toe,
die je kan laten zien hoe God toch in je leven aanwezig is, als jij Hem niet ziet.
Een dorst naar God.
Als je God mist, raakt dat je diep in je bestaan, maakt dat je van slag en kun je niet verder.
Er kunnen allerlei redenen zijn, waarom God er op dat moment niet is.
Het kan zijn door eigen onachtzaamheid: je hebt het leven met de Heere verwaarloosd.
Het kan zijn dat je door diepe dalen gaat, een crisis,
Waarin je niet gelijk de leiding van de Heere ervaart.
Maar nu wordt God wel gemist, als een dorst die niemand anders kan lessen,
dan God alleen met Zijn aanwezigheid.
En zolang Hij er niet is, moet je zoeken en als je Hem niet vindt en je zoekt tevergeefs
wordt het een roepen, tot iemand je meeneemt,
of in de hoop dat je roepen de hemel bereikt en God zelf naar je toekomt.
Juist in de afwezigheid van God, juist als je Hem niet ervaart, niet kunt vinden,
kun je erachter komen hoe belangrijk het is, dat je Hem in je leven hebt.
De levende God – de God van het leven.
De dorst is niet naar een willekeurige God, maar naar de enige God,
de enige die leven kan geven, de enige die er is, de enige die uw roepen kan horen.
Ik heb ooit eens gelezen dat in de bijbel over de levende God wordt gesproken
om het verschil met afgoden aan te geven.
Naar afgoden kun je roepen, maar ze horen je niet.
Je kunt ze voor je zien, maar ze zien jou niet.
Je kunt ze aanraken, maar ze blijven onbewogen bij de crisis die je doormaakt.
Je zoekt hen tevergeefs, ze kunnen je niet helpen, omdat ze niet bestaan.
De levende God kun je niet zien, maar je kunt Hem wel zoeken
en je kunt wel voor Hem komen, in Zijn nabijheid, in Zijn aanwezigheid,
verschijnen voor Gods aangezicht.
Zo God te hebben ervaren is in deze psalm een herinnering, een kostbare herinnering,
maar wel iets van vroeger.
Dat is nu niet meer. Nu is er alleen de dorst, nu is er alleen het verlangen dat onvervuld is.
Nu is er alleen die leegte, waarin je roept en niemand lijkt te horen.
Het wordt er niet makkelijker op, omdat er stemmen zijn, die je zwakke plek weten.
Die je raken, omdat je zoekt en God niet lijkt te vinden
en het tegen je zeggen, al spottend: waar is dan je God?
Je zoekt Hem en je vindt Hem niet. Wat zegt dat over jou?
Heeft God nog wel een plek voor jou? Is Hij je niet vergeten?
Heeft Hij je niet uit Zijn gedachten verdreven?
Nu je het zo moeilijk hebt en God er niet blijkt te zijn: Wat zegt dat over God?
Heb je tevergeefs op God gebouwd?
Kun je niet beter op zoek gaan naar een ander die je wel hoort?
Het kunnen mensen zijn die zelf weinig met geloof hebben
en niet kunnen begrijpen dat je het zoeken naar God niet opgeeft,
omdat zij geen idee hebben van hoe het is om bij God te zijn
en niet weten wat je mist als je God niet hebt.
Het kan een stem in jezelf zijn, een stem van iemand die tegen je zegt:
Dat is niet voor jou weggelegd. Beeld je maar niets in dat jij God gaat vinden.

Een herinnering aan vroeger, toen je onbezorgd kon zingen van Gods goedheid.
En er andere mensen om je heen waren in de kerk, met wie je samenzong.
Je zong mee met de gemeente die de lof op God bezong.
Je trok samen op, met in je hart Psalm 122:
Ik ben verblijd wanneer men mij, godvruchtig opwekt, zie wij staan
gereed om naar Gods huis te gaan.
Je kwam in Gods huis, daar was Hij te vinden.
Misschien was het wel een avondmaalszondag, waarop u God zo sterk hebt ervaren
toen u in de kerk was en ervoer hoe Christus voor uw zonden gestorven was
en wist: Hij is ook voor mij gegaan. Ook mijn zonden heeft Hij weggedragen op Golgotha.

Als dat toen kon, waarom nu niet meer?
Natuurlijk, er wordt veel gemist als je weinig andere kerkgangers ziet
en je zit alleen op de bank of met je gezin, zonder dat je de anderen kunt zien vanavond.
Maar als God toen kon werken, als je toen Zijn aanwezigheid kon ervaren,
Waarom nu dan niet? Dat is toch niet afhankelijk van een kerkgebouw,
al helpt het wel om in een kerkgebouw te zijn, samen te kunnen zingen,
het orgel te horen, met andere kerkgangers even te kunnen spreken.
Maar ook nu we als gemeente niet samen komen, kan God er zijn.
Er zijn momenten dat je als gelovige jezelf ook weer tot de orde moet roepen.
Dat je jezelf moet wijzen op God,
jezelf eraan moet herinneren dat wat de Heere toen kon doen, dat Hij dat net zo kan doen.
Waarom dan die onrust? Geloof je niet dat God de wereld leidt?
Geloof je dan niet, dat de Heere u ziet?
Denk je nu echt dat je aan de aandacht van de Heere ontsnapt,
dat je uit Zijn hand gevallen bent en dat er niemand is die je opvangt.
Wat buigt u zich neer mijn ziel en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
Het bijzondere van deze psalm is dat het een tweegesprek is,
een dialoog van binnen, die je als mens met jezelf voert.
Aan de ene kant de twijfel die er soms kan zijn, het kwijt zijn van God,
die ervaring van vroeger zo missen, toen je zo dicht bij God was en nu niet meer
en tegelijkertijd aan de andere kant jezelf aanspreken, toespreken:
Hoe diep ik ook ga, God is aan mijn zijde
en ik mag op Hem hopen. Hij zal mij kracht geven, Hij zal mij uitredden.
Ik ken God en ik weet dat Hij mij niet laat zitten, want dat heeft Hij nooit gedaan.
Als ik aan de bijbel van mijn schoonmoeder denk,
dan is dat een tastbare herinnering dat ze zo de Heere steeds heeft gezocht en gevonden,
niet alleen omdat er bladzijden ontbreken, maar ook omdat je ziet dat hij veel gebruikt is.
Zo zal ze de Heere hebben gezocht en gevonden, als ze weer voor een chemokuur stond,
of als ze weer een boodschap kreeg dat het niet goed ging
en ze wist dat er een moment zou aanbreken dat ze afscheid moest nemen
van haar man, van haar kinderen en kleinkinderen.
Hoop op God – ook dan, want dan zal Hij ook voor hen zorgen en hen dragen,
zoals ze zichzelf gedragen wist door haar Heere.
Volkomen verlossing, misschien niet hier in dit leven,
maar wel in het leven in Gods heerlijkheid, omdat God Zijn Zoon had gezonden
die de schuld had betaald, een nieuw leven heeft verworven en toegang bood.
Ik zal Hem weer loven, omdat ik dat vooruitzicht heb.
Omdat ik weet dat als mijn leven hier ten einde gaat er een toekomst is,
een eeuwige toekomst bij de Heere,
waardoor ik mij kan overgeven in Zijn handen.
Hoe mijn leven verloopt, door welke dalen ik moet gaan, wat ik nog moet meemaken:
Het is goed zo, omdat het de Heere is Die mijn leven leidt.
Hij weet wat goed voor mij is.

Dat geloof hebben we niet altijd. We kunnen dat ook geregeld weer kwijtraken.
Zo is deze psalm heel realistisch in de verwoording
dat we geregeld heen en weer geslingerd kunnen worden:
De ene keer het vertrouwen en het geloof dat het goed komt en we geborgen zijn
en de andere kant weer dat gemis, de heimwee, God die ver weg lijkt.
Net of je een balling, ver bij God vandaan –
Ik denk aan u vanuit het land van de Jordaan: verder weg kan ik niet zijn.
Meer bij U vandaan kan niet. De uiterste grens.
De vraag is of ik nog ooit terug kom bij de Heere.
Weet Hij waar ik zit? Kan Hij mij hier vinden?
Hier lijken er andere machthebbers te zijn.
De duivel die je geloof aanvalt en die sterk je in de macht lijkt te krijgen.
De pijn die je doormaakt omdat je lichaam niet meer wil.
De zorg die je hebt omdat je weet dat je ziek bent geworden.
Die zorgen en die pijn, die worstelingen kunnen je doen lijken
dat andere machten sterker zijn dan God, als machtige bergen opdoemen.
De berg Hermon, de berg buiten Israël, die ook claimt een berg te zijn
waarop een god woont die de wereld lijkt te beheersen
en de Heere buitenspel lijkt te hebben gezet.
Als die zich sterk voordoet, lukt het niet om jezelf bij God terug te brengen,
om jezelf tot de orde te roepen en te herinneren dat God er zal zijn,
voor je zal zorgen en je zal dragen, dat wat er ook gebeurt het goed is,
omdat je in Gods hand bent.
Je ziet alleen maar wat anders. Je ziet jezelf heen en weer geslingerd.
Je ervaart niets van God, maar wel golven die over je heen slaan,
die op je leven inbeuken, die je alle houvast benemen.
Het kan er zelfs op gaan lijken dat God zich tegen je keert:
al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan.
Hier wordt de ervaring verwoord dat de hele wereld vergaat,
de chaos de baas lijkt te zijn in de wereld,
of zelfs dat God je van Hem af wil duwen en je niet wilt redden,
Dat je weggedreven wordt op krachtige golven bij God vandaan.

Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij.
Maar de Heer’ zal uitkomst geven.
Het maar dat de gelovige houvast geeft en vertrouwen,
omdat je leven geen speelbal is van allerlei machten,
maar dat je leven geborgen is in de God die hemel en aarde schiep,
Die de machten die er zijn beheerst en in toom houdt.
Want Hij spreekt en het is er. Híj gebiedt en het staat er.
God zegt: tot hier toe. En dan heeft elke macht te gehoorzamen.
Ze kunnen niet over de grens die de Heere trekt.
Ik zal Zijn lof, zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.
Zingen is iets bijzonders.
Zingen is geloven dat de stormen in je leven niet het laatste woord hebben,
maar dat er een God in de hemel is, de levende God, die alles in Zijn hand heeft.
Zelfs in de nacht, waarin je alles lijkt kwijt te raken, waarin er geen toekomst lijkt te zijn,
kun je van deze God zingen, omdat Hij uitkomst geeft.
Zijn gunst gebiedt, zingt de berijming die we zingen. Overdag genadig is.
Je niet los laat, je vergeeft, je in Zijn gemeenschap opneemt, bergt in Zijn trouw.
Dat geloof kan alleen de Heere je geven.
Maar je kunt er wel wat voor doen. Zeker op momenten dat het goed met je gaat.
In mijn eigen bijbel, waarin ik aantekeningen schrijf bij teksten,
kwam ik een aantekening tegen, wat ik eerder in een boek had gelezen:
In de nacht over en tot God zingen kan alleen diegene die zingt
en die in vroeger tijden heeft geleerd om de gemeenschappelijke ervaring met God
door zang en muziek uit te drukken.
Dat vertrouwen voeden hoeft niet pas als je het moeilijk hebt.
Het begint ermee dat je dat geloof en vertrouwen voedt op moment dat je daar tijd voor hebt
en niet pas als je midden in de crisis zit.
Dat je weet hoe je God kunt vinden en dat je die ervaring koestert en onderhoudt.
Dat is geen garantie dat je de Heere in een crisis gelijk vindt, maar het scheelt wel.
Het begint al heel klein: dat je elke dag bij het opstaan de tijd neemt,
al is het een minuut, om te beseffen dat je deze dag van de Heere krijgt,
de schepper van hemel en aarde, dat je ook deze dag, wat er ook komt, geborgen bent,
dat je deze hele dag die volgt met deze God te maken hebt,
zoals Hij je ook in de afgelopen nacht beschermd en behoed heeft.
Het is belangrijk dat je mensen om je heen hebt, die je dit voorleven,
Dat je soms heel tastbaar iets hebt, zoals een bijbel die laat zien
hoe iemand met de Heere heeft geleefd en de Heere steeds heeft gezocht.
Zodat je weet dat jij, dat u dat ook kunt: de Heere vinden in die nacht
en dat je kunt zien hoe die gunst, die genade er overdag is
en dat je weet, dat wat je overkomt, je weet dat je een God hebt.
En mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.
Amen