Preek zondagmiddag 2 december 2018

Preek zondagmiddag 2 december 2018
Dankzegging Heilig Avondmaal.
Schriftlezing: Hebreeën 10:19-39
Tekst: vers 24-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vandaag is het de eerste zondag van Advent.
Advent is niet het teken we over vier weken kerst hebben
en dat we nu kerstliederen mogen gaan draaien
en de kerstboom weer in huis gehaald moet worden
of dat de kerstviering voor school of voor de ouderenmiddag nodig voorbereid moet worden.
Nee, in de periode van Advent gaat het om de Wederkomst van Christus
en dat we ons erop voorbereiden dat we Hem kunnen ontmoeten.
Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet?
En dat niet alleen: dat er een plek is in mijn hart, of dat ik aan het avondmaal kan komen,
maar dat ik Hem kan ontmoeten als Hij verschijnt op de Jongste Dag
als rechter, om te oordelen de levenden en de doden.
dat je hem kunt ontmoeten als je Heer, je Koning, je redder die je van de zonde bevrijdt.
Advent is niet vooruitkijken naar het komende Kerstfeest,
maar vooruitzien naar de dag waarop Christus in al Zijn heerlijkheid verschijnt
omdat Hij uit de hemel teruggekomen is op aarde.

In deze periode houden we elkaar scherp en zeggen we het tegen onszelf:
Er komt een dag waarop onze Heer terugkomt.
Dat kan nog een tijd duren, maar het kan ook morgen al zijn.
Bij alles wat we doen, moeten we er rekening mee houden,
dat er een dag aanbreekt, waarop de tijd op deze wereld voorbij is.
We kunnen dat uit het oog verliezen omdat we het leven hier op aarde wel best vinden.
In deze tijd zeggen we tegen elkaar:
Het leven hier kan best mooie kanten hebben, maar er komt een veel mooier leven,
als Christus terugkomt en Hij al degenen die bij Hem horen meeneemt.
Ga niet teveel op in deze wereld, zodat als Hij komt, je niet verrast wordt door Zijn komst.

Ook het avondmaal is bedoeld om er ons steeds weer aan te herinneren,
dat die dag eens dagen zal, waarop de Heiland zal verschijnen.
We hebben de opdracht om net zolang tot Christus teruggekomen zal zijn
het avondmaal te vieren,
om daarbij terug te kijken hoe Christus voor ons gestorven is op Golgotha
maar ook om vooruit te kijken:
Er komt een dag, waarop we niet meer hoeven te geloven
dat Christus de gastheer is aan de tafel
En brood en wijn aan ons uitreikt als gaven uit Zijn hand,
maar waarop we Hem mogen zien, zichtbaar, lijfelijk in ons midden,
aan het feestmaal van de hemelse bruiloft.

Wat voor verschil maakt het nu in je leven om deze verwachting te hebben?
Wat maakt de Wederkomst van Christus nou voor een verschil in ons leven?
In de brief aan de Hebreeën wordt ook steeds aan de Wederkomst herinnerd:
U ziet de grote dag naderen.
Je kunt al zien, zoals je op een donkere morgen kunt zien, hoe het licht opkomt,
de nacht verdreven wordt, de dag aanbreekt.
Je kunt het waarnemen, zoals na een de koude, kille winter het voorjaar aanbreekt,
De hele natuur ontdooit, de mensen een vrolijkheid en opgewekt krijgen.
Zo kun je de dag vernemen, dat Christus terug zal komen.
Zoals je je instelt op een nieuwe dag, , zoals je je instelt op een nieuw voorjaar,
zo moet je je als gelovige instellen op die dag dat Christus terugkomt.
De viering van het heilig avondmaal helpt om daarop in te stellen – totdat Hij komt.

Wat het verschil maakt, is dat je weet dat dit leven hier op deze aarde maar tijdelijk is.
En dat leven hier kan mooie kanten hebben:
de mensen om je heen, gezin, kinderen, een mooi leven.
Nog mooier zal het zijn in Gods heerlijkheid, het eeuwige leven.
Het leven kan hier moeilijk zijn: met verdriet om iemand die overleden is, die je steeds mist,
om pijn die je hebt door je beperking of omdat je ziek bent,
zorgen die je hebt, waardoor je niet kunt slapen en somber bent over wat nog komt.
Wat er is aan leed op deze wereld kan je diep raken,
juist omdat je gelooft dat God over deze wereld regeert.
In deze periode van advent zeggen we tegen elkaar: en toch, we hebben een God!
Hij zal komen en dan zal alles anders worden.
Dan is het voorbij met de zonde, dan hoeft er niet meer geleden worden, is er geen verdriet.

Hoe vul je dat in je dagelijks leven in?
In Hebreeën 10:23-25 wordt daarover gesproken.
Het is een korte schets van wat de kerk is.
Je zou kunnen zeggen: alles wat we in de kerk doen, heeft te maken met de Wederkomst.
Alles wat we in de kerk doen, is er op gericht
om het geloof dat Christus terugkomt te versterken,
omdat een levend en bewust geloof te laten zijn.
Er wordt gesproken over een belijdenis die we vast moeten houden,
over omzien naar elkaar, om elkaar aan te sporen tot goede werken,
om niet weg te blijven als de gemeente van Christus bij elkaar komt.
Dat is wat de kerk is: het vasthouden aan God, het vasthouden van elkaar,
het versterken en stimuleren van elkaar, zodat we leven met het oog op de Wederkomst.

Allereerst de belijdenis vasthouden.
Er kunnen momenten zijn, waarop je het moeilijk vindt om te geloven dat Jezus terugkomt
en waarop je er niet bij stil staat om je leven op Zijn komst af te stemmen.
Je hebt hier nog zoveel in het leven wat je wilt doen:
Je wilt nog verkering, of als je verkering hebt, dan wil je eens trouwen,
als je getrouwd bent, wil je misschien ook wel kinderen, en als je kinderen hebt,
dan wil je ze ook zien opgroeien en een eigen bestemming krijgen
en dan kan het zijn dat je bij jezelf denkt: laat de Wederkomst nog maar even uitblijven,
Ik hoop dat er nog een tijd hier is.
Je kunt het ook moeilijk vinden om te geloven dat Jezus terugkomt en dat het anders wordt,
als het donker is in je leven: gevangen in een somberheid die zo sterk kan zijn,
waar je jezelf niet aan kunt ontworstelen en het wordt alleen maar erger
en van Gods kant hoor je niets, het is stil van Zijn kant
en je snakt, je hunkert naar en teken van Zijn kant
O kom, o kom Immanuël, verlos Uw volk, Uw Israël.
Dan is het vasthouden aan de belijdenis niet zo eenvoudig,
de belijdenis dat er een dag komt, dat de somberheid die jou gevangen houdt,
Verbroken is, omdat Christus terug gekomen is en Zijn licht over je straalt
en je nooit meer gevangen zult zitten in het donker.
Dan komt er een aansporing om aan die belijdenis vast te houden,
om dat geloof niet op te geven, want juist die belijdenis geeft hoop.
Juist die belijdenis brengt de hoop in je leven, die je zelf niet hebt.
Het is een belijdenis, die onverwrikbaar is.
Hoe je er tegenaan duwt, hoe je er tegenaan schopt,
welke golven er ook overheen slaan, hoe hoog het water ook stuwt
– deze belijdenis blijft overeind staan
Net zo min de hemel ooit uit zijn stand zal wijken,
zo min zal Uw trouw ooit wankelen of bezwijken
Nee, dat is niet altijd makkelijk te geloven.
Vaak zien we en ervaren we het tegendeel
en toch mogen we dat geloof, die belijdenis niet opgeven
– want God heeft Zijn belofte gegeven
en als Hij Zijn belofte geeft, dan mogen we daar niet aan twijfelen.
Avondmaal vieren is tegen jezelf zeggen: Gods belofte is echt waar
En als je het niet tegen jezelf zegt, dan zegt het gebeuren het van het avondmaal het wel:
Vertrouw op God, houd moed, put hoop uit de wetenschap dat Christus weerkomt.
En als je dat vertrouwen niet hebt, als je dat geloof kwijt bent,
laat je dan versterken, laat je geloof dan aanvullen – door God, die komen zal..

Daarom is het ook belangrijk om op elkaar te letten, elkaar in het vizier te houden.
Niet vanuit nieuwsgierigheid, met de neus tegen het raam, met de mond open:
Wat doet hij nu? Waar is zij nu mee bezig? Wat gaat er gebeuren?
Nee, Christus vraagt van ons om elkaar goed in het oog te houden:
Voel je aan dat iemand het vertrouwen in Christus’ komst kwijtraakt.
Merk je het op als iemand de stap naar het avondmaal niet meer kan maken
en wegblijft en zo vergeet zijn geloof aan de tafel te versterken?
Het gaat hier niet om eenrichtingsverkeer: Hoe kan ik de ander verder helpen.
Het gaat hier om een wisselwerking
dat je ook opmerkt wat de ander voorleeft, wat de ander van Christus laat zien.
In de Hebreeënbrief gaat het er ook om dat we Christus in het vizier houden,
Hem niet uit het oog verliezen, het contact niet kwijtraken en ons aan Hem optrekken.
Zo is het de bedoeling, de opdracht, om elkaar in het oog te houden,
Als je de een ziet, put je moed.
Als je de ander ziet, maak je je zorgen en je gaat het contact aan:
Is er wat aan de hand? Kan ik iets voor je betekenen?
Dit naar elkaar omzien krijgt urgentie, omdat je weet dat Christus eens terugkomt.
ER kunnen momenten zijn, waarop er heel wat op je bord ligt
en dat je het er niet bij kunt hebben,
maar dan kun je nog altijd iemand anders inlichten.
Je kunt je er niet achter verschuilen, dat je geen tijd hebt of dat het jou niet aangaat.
Gisteren ving ik even een gesprek aan over een moeilijk onderwerp: zelfdoding.
De psychiater die daarover geïnterviewd gaf aan,
Dat het al helpt om op iemand waar je je zorgen over maakt aan te spreken,
het gesprek aan te gaan: wat gaat er in je om?
Je kunt dat doen, omdat je weet dat als Jezus terugkomt het gedaan is met alle duisternis
en dat je daarom niet hoeft terug te schrikken voor een gesprek,
omdat je weet: zelfs in dit duister kan Christus komen, Hij die in de hel neerdaalde
en zelfs dit duister kan Hij overwinnen, die aan het kruis de duisternis verbrak.
Alleen al door iemand aan te spreken kun je iets van het licht van Christus laten zien.
Al kunnen wij vaak de duisternis niet verdrijven
en kun je je eigen machteloosheid merken – en toch: Hij komt!

Je laat het niet bij omzien naar elkaar.
Omzien kan iets hebben van: alleen maar luisteren.
Dat kan al heel waardevol zijn.
We worden opgedragen om nog verder te gaan.
Om elkaar aan te vuren – tot goede werken.
Dat woord aanvuren heeft iets van: elkaar uitdagen, elkaar provoceren,
het beste in de ander naar boven halen.
Laat dan zien – laat dan zien dat je van Christus bent,
Laat dan zien dat je Christus verwacht, dat je rekening houdt met Christus’ Wederkomst.
Breng het in praktijk.
Daag elkaar uit om de liefde van Christus uit te dragen,
niet alleen met woorden, maar ook in wat je doet.
Maak de liefde van Christus heel praktisch. ZOals in hoofdstuk 13 gebeurt:
* broederliefde      
* Wees gastvrij
* Bezoek gevangenen
* Houd je huwelijk in ere
* Laat je niet door geld leiden.
* Help elkaar
Zo maak je de liefde van Christus heel praktisch.
De liefde van Christus vormt ons hart, heeft invloed op ons karakter.
Met het avondmaal hebben we toch gevierd
dat ons hart gereinigd is van een slecht geweten
daarvoor in de plaats is de liefde van Christus gekomen.
Houdt er rekening mee dat er een dag komt waarop Christus terugkomt
En de Mensenzoon met alle engelen
en dan zal zeggen: Wat je voor de minste van Mijn broeders gedaan hebt,
heb je voor Mij gedaan. Het is niet voor niets!

De laatste aansporing betreft het bezoek van de eredienst:
Laat je plaats niet leeg.
Ik weet: deze tekst kan nogal misbruikt worden, om iemand onder druk te zetten.
Hier gaat het om wegblijven omdat het vertrouwen op God weg is.
Als er teleurstelling is, als er geen hoop meer is,
dan kan dat tot gevolg hebben dat iemand denkt: Ik ga maar niet meer naar de kerk.
Mij zien ze daar niet meer. Mijn plek blijft leeg.
Soms blijven mensen weg in de hoop dat ze opgemerkt worden, als signaal
dat ze iets missen voor hun geloof, of dat het met hun geloof niet goed gaat.
In de tijd van deze brief kan dat ook te maken hebben met de moeilijke omstandigheden,
waarin de kerk zich bevond, de tegenstand die er was voor de gelovigen.
Het kan ook zijn dat ze het vanwege die druk niet meer konden opbrengen om te komen.
als er een plek is, waar je geloof gevoed wordt, dan is dat bij Christus.
Het kan best zijn dat de stijl van de kerkdienst je niet aanstaat,
het kan best zijn dat de mensen je niet liggen.
Daar valt best over te praten,
maar door je je te onttrekken breng je je eigen geloof in gevaar.
dan heb je niet meer de mensen om je heen, die je voorleven, die het je laten zien
dat er een dag komt dat Christus komt.
Je moet het dan van jezelf hebben.
Geloven zonder naar de kerk te gaan is uiteindelijk moeilijker
dan een groep mensen om je heen, met wie je dezelfde weg gaat, de weg van Christus.
Die kerkdienst is geen doel op zich.
Het gaat er niet om zoveel mogelijk mensen naar de kerk te krijgen,
omdat het dan fijn zingt, of omdat je dan niet hoeft na te denken of het anders moet,
nee, het gaat erom dat je samen, met elkaar Christus verwacht.
Sion hoort de wachter zingen,
zij voelt zich ’t hart van vreugde springen,

z’ ontwaakt met spoed, staat haastig op.
Uit de hemel daalt Hij neder,
in waarheid sterk, in liefde teder:
haar licht verschijnt, haar ster gaat op.
Kom Heiland, ’s aardrijks kroon,
Heer Jezus, ’s Vaders Zoon!
Amen

Advertenties

Preek zondagmorgen 2 december 2018

Preek zondagmorgen 2 december 2018
Viering Heilig Avondmaal.
Hebreeën 10:19-39
Tekst: Laten wij tot Hem naderen … nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten (vers 22)

 

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De viering van het Heilig Avondmaal bepaalt ons er weer bij,
wat de Heere Jezus voor ons heeft gedaan.
In de brief aan de Hebreeën wordt dat als volgt verwoord:
Nu ons hart gereinigd is van een verkeerd geweten.
Doordat Christus stierf aan het kruis, daar op Golgotha Zijn leven gaf,
kunnen wij innerlijk worden gereinigd, van binnen schoongemaakt worden, in ons hart.
In ons hart is alles opgeslagen wat we hebben gedaan, of juist hebben nagelaten.
In ons hart is opgeslagen wat onze gedachten zijn geweest,
welke keuzes we hebben gemaakt en wat daaraan vooraf gegaan is.
In ons hart zijn ook onze verkeerde keuzes opgeslagen:
keuzes waarbij we niet aan de Heere hebben gedacht,
of waarbij we een keuze gemaakt hebben die tegen de Heere inging.
En daar in ons hart, waar ze opgeslagen liggen, kunnen ze als een zware lust drukken.
Wij kunnen ze niet ongedaan maken, onze verkeerde daden, keuzes, gedachten.
Wij krijgen ze niet weg in ons hart
En in onze relatie met de Heere belemmeren ze ons om naar Hem toe te gaan.
Ze vormen een drempel, ze zorgen ervoor dat je aarzelt om naar de Heere te gaan,
want je merkt in jezelf dat je zo niet voor de Heere kunt verschijnen,
met wat je hebt gedacht, met wat je hebt gedaan.
Zo kun je niet voor de heilige God verschijnen.
Daar is de Heere te heilig voor
om met je zonden die je gedaan en gedacht hebt voor Hem te komen.
Al zijn ze in het verborgen gedaan en heeft niemand er weet van,
ze klagen je aan als je voor de Heere wilt komen.
Alleen als je daarvan bevrijd wordt, als ze van je weggenomen worden,
als je van binnen wordt gereinigd van je zonden, kun je komen.
Alleen dan kun je leven met de Heere, in Zijn nabijheid komen.
Die zonden kunnen weggenomen worden, omdat Christus stierf aan het kruis.
Omdat Hij Zijn leven gaf, omdat Hij daar op Golgotha uw schuld, jouw schuld weg droeg,
wordt wat je verkeerd hebt gedaan, verkeerd hebt gedacht van je afgenomen.
Je wordt van binnen gereinigd, schoongemaakt.
Vanmorgen vieren we met het avondmaal dat onze zonden van ons afgenomen zijn,
Dat ze geen last meer zijn, geen belemmering meer zijn om te komen tot de Heere.
Als je in de afgelopen week je hebt voorbereid op het avondmaal
dan heb je vast ook nagedacht over wat er leeft in je hart.
Je kunt in jezelf de aanklacht hebben gehoord: je hebt van alles verkeerd gedaan.
Het kan ook zijn dat je daarbij dacht aan iets wat je hebt gedaan in de afgelopen tijd,
of dat je je weer bewust was van wat er in de afgelopen tijd in je gedachten omging.
In de afgelopen week heb je gerealiseerd dat het echt niet kon, wat je hebt gedaan.
Dat de gedachten die je had echt niet paste bij een leven met Christus.
Hoe langer je erover nadacht, hoe meer last je ervan kreeg.
Het kan in de afgelopen dagen door je heen gegaan zijn: Maak mij rein voor U.
Omdat je merkt dat het je relatie met Christus belast.
Je hebt nagedacht over het Heilig Avondmaal
en je weet wel: dat avondmaal laat zien dat Christus Zijn leven ook gaf voor mijn zonden,
maar je hebt gemerkt dat je zo makkelijk de fout in gaat.
Wordt het dan niet heel goedkoop als je zo naar het avondmaal gaat
om vergeving te vragen?
Het is een worsteling: je hebt Zijn vergeving nodig, maar toch, de last die op je drukt.
Maak mij rein voor U, was mijn leven schoon, vergeef mijn zonden.
Ik wil het niet goedkoop maken
en toch wil ik wijzen op de belofte die het avondmaal in zich heeft,
doordat het avondmaal herinnert aan het sterven van Jezus voor ons en onze zonden:
in de voorbereiding op het avondmaal wordt ook gevraagd
om de belofte van de Heere te geloven, de belofte die betrouwbaar is,
waar we op aan kunnen, waar we op kunnen rekenen, dat deze belofte waar is:
dat onze zonden ons vergeven zijn vanwege het kruis daar op Golgotha.
Deze belofte is er van Gods kant.
Van onze kant wordt er door de Heere gevraagd om die belofte te geloven,
dat het waar is, dat we gereinigd kunnen worden,
dat we er niet tevergeefs om vragen, maar dat die vergeving ons geschonken wordt,
omdat Christus gestorven is,
dat jij, dat u van binnen gereinigd, schoongemaakt kunt worden.
Ik hoop dat u in de afgelopen week om die reden uitgekeken hebt naar het avondmaal,
dat je in jezelf een verlangen voelde, om hier aan de tafel te zitten
bij de Heere Jezus, onze Heer, onze Redder,
en dat je het brood aanneemt, dat wijst naar het offer op Golgotha
dat ook voor jou gebracht is,
dat je van de beker drinkt, het wijn dat erop wijst, dat ook jouw zonden afgewassen worden.
Dat je niet alleen je zonde onder ogen zag, de ernst van wat er mis ging,
Van de verkeerde keuzes, de verkeerde gedachten en daden,
maar dat je ook de vreugde al ervoer, dat er een nieuw begin mogelijk is.
Niet omdat wij een nieuwe kans verdienen,
maar omdat we een God hebben die ons reinigt, die onze schuld van ons overnam,
die onze zonden van ons afwast,
waardoor we kunnen komen, waardoor we hier aan de tafel kunnen zitten
en brood en wijn kunnen eten,
niet alleen maar uit schaamte, niet alleen maar met een besef van schuld, dat ook,
maar dat er daarbij ook een dankbaarheid, een intense vreugde is,
ik ben hier bij mijn Heer, zoveel had Hij voor mij over, dat Hij Zelf ging
en straks als mijn tijd gekomen is om voor Hem te staan,
dan zal de zonde mij aanklagen,
dan zal de duivel zeggen dat ik geen recht heb om de hemel binnen te gaan.
Maar dan zal Hij opstaan en zeggen: Ik heb de schuld betaald,
door mijn bloed kunnen ze binnen gaan.
Hier aan de tafel vieren we dat de deur openging, dat we een toegang hebben tot God.
Amen

Preek zondagmorgen 25 november 2018

Preek zondagmorgen 25 november 2018

Voorbereiding viering Heilig Avondmaal
Hebreeën 10:19-39
Tekst: vers 22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de tijd dat ik predikant was in Noord-Holland had ik een begrafenis
van iemand die wel lid was van de kerk, maar nooit de kerkdiensten bezocht.
Ik had de man nooit gekend en moest de informatie van de familie hebben.
Boven de rouwkaart stond een leus die kenmerkend voor de man geweest was:
I did it my way – Ik heb mijn leven op mijn eigen eigenzinnige manier geleefd.
Ik trek mij niets aan van anderen vinden. Ik trek mijn eigen plan, het is mijn eigen leven.
Ik kwam dat daar wel meer tegen (natuurlijk niet bij iedereen, maar ik proefde het wel):
de angst dat iemand iets van jouw leven vindt.
Je bemoeide je maar niet met hoe het er bij je buurman aan toe ging,
zelfs niet als het echt mis ging op een boerenerf,

want stel dat de buurman dacht hij zich ook met jouw leven kon bemoeien.

I did it my way – Ik kom dat hier niet zo snel tegen.
Er zullen er weinigen zijn die zullen zeggen:  
Ik doe mijn leven op mijn eigen eigenzinnige manier
en wat anderen daarvan vinden, daar heb ik niets mee te maken.
Hier telt toch mee wat je doet voor elkaar, dat je je inzet voor de gemeenschap.
Het telt positief als je betrokken bent bij een van de sportverenigingen,
als je meedoet met de muziek of als je je voor de kerk inzet, of voor een van de kernen.
Dat heeft iets moois, als je elkaar veel tegen komt en met elkaar kunt meeleven,
Je kunt iets voor elkaar doen en je hoort ergens bij: bij de gemeenschap op het dorp.
Het kan ook iets beklemmends hebben als anderen veel van je zien.
Het kan je een druk geven dat je iets moet doen wat je eigenlijk niet kan,
dat je veel ballen in de lucht moet houden, omdat anderen dat ook doen:
je gezin, je werk, de familie en vrienden, de sportvereniging die wat van je verwacht, de kerk.
Eigenlijk is het te veel, maar toch ga je maar door, want anderen doen het ook.
Anderen lijken het ook te kunnen, dus je moet niet zeuren en de schouders eronder zetten.
Van de week hoorde ik het voorbeeld:
Ik kan overdag geen boek lezen, want stel dat ik met een uurtje met een boek op de bank zit
en de postbode komt langs en die ziet dat ik alleen maar in een boek zit te lezen,
wat zal die postbode dan wel niet denken?
Wie zo denkt, zal niet denken: ik ga het eens op mijn eigen manier doen
en trek me lekker niets aan van wat anderen van mij vinden,
maar houdt rekening met wat anderen vinden.
Geen I did it my way, maar Zo doen we dat hier! We!

In het avondmaalsformulier en ook in Hebreeën 10 gaat het over wij.
Opdat wij tot onze troost het avondmaal vieren mogen
Geen verhaal over dat je het op je eigen manier kunt doen.
Geen: op je eigen manier omgaan met het avondmaal
en ook niet: wat zij daar in de kerk doen op de avondmaalszondag,
maar ik ben thuis en laat het aan mij voorbij gaan.
Wij beproeven onszelf – ieder gaat het weliswaar voor zichzelf na,
maar we gaan allemaal na hoe we in het geloof staan,
hoe wij tegenover de Heere staan en wat wij er van hebben gemaakt in de afgelopen tijd,
Wij allemaal zien onze zonde eerlijk onder ogen.
Niemand kan zeggen: Ik hoef niet in de spiegel te kijken, ook niet mijn eigen hart na te gaan
want het avondmaal is niets voor mij.
En ook niet: ik weet toch wel dat het bij mij goed zit.
Wie blijven daarbij ook niet staan, maar gaan verder, om bij Christus uit te komen.
Dat kan en dat moet ieder voor zichzelf afzonderlijk doen, ieder voor zich,
maar we komen daar wel met elkaar uit, daar horen we gezamenlijk uit te komen,
zodat we komende zondag met elkaar als gemeenschap van Christus hier in Oldebroek
met elkaar, samen, daar aan de tafel te zitten, samen ook met onze Heere Jezus Christus.

Moet je daar niet eerst voor jezelf ervaren dat je mag komen?
Dan komen het ‘wij’ uit Hebreeën 10 om de hoek kijken.
Wij hebben die vrijmoedigheid ontvangen – laten wij dan naderen.
Ook hier een gezamenlijkheid, met elkaar, samen.
De vrijmoedigheid om aan het avondmaal te gaan
En daar te zitten om te gedenken en te vieren dat Christus voor je zonden gestorven is,
is niet een vrijmoedigheid die aan een enkel gemeentelid alleen gegeven wordt.
Wij hebben vrijmoedigheid om tot God in de hemel te naderen.
Als wij die permissie hebben, als we toestemming hebben, mogen komen
tot God die in de hemel is, dan hebben we ook de permissie, toestemming om te komen
tot Hem hier op deze aarde en aan Zijn tafel te zitten.
Christen-zijn is het privilege om het hemels heiligdom binnen te gaan,
geloven, christen-zijn is het voorrecht om bij de heilige God in de hemel te komen
en voor Hem te staan..
Juist als over die permissie, toestemming wordt gesproken om voor God te mogen komen
wordt er gesproken over wij en over broeders&zusters.
Wij hebben dat voorrecht, dat privilige.
Broeders: we spreken elkaar dringend er op aan om van dat privilege gebruik te maken.
Werp voor jezelf geen barrières op. Doe voor jezelf geen deuren dicht die God opent.

Broeders&zusters: slechts enkele keren in Hebreeën.
We horen bij elkaar en zijn er voor elkaar en zijn aan elkaar gegeven.
Niet omdat we hier samen in Oldebroek wonen of omdat veel mensen ergens familie zijn,
maar omdat Jezus naar de aarde kwam en geboren werd als mens,
omdat Hij stierf aan het kruis, Zijn leven gaf,
is iedereen die in Hem gelooft familie van elkaar.
Je behoort tot hetzelfde gezin: het gezin van onze Hemelse Vader.
Avondmaal vieren is ook vieren dat we door Christus en om Christus heen één gezin zijn.
Hier in Oldebroek gaan er gelukkig veel naar de kerk.
Ook hier in de kerk zullen er zijn, die als het gaat om geloven en naar de kerk gaan
de enige van het gezin of zelfs  van de hele familie te zijn.
Maar voor de meesten is het gelukkig zo, dat ze met meerderen zijn
en dat je uit de kerk met elkaar kunt praten over hoe het in de kerk was
en samen kunt spreken over het leven met de Heere Jezus Christus.
Maar als je als de omgeving vijandig is,
als je familie niet accepteert dat je christen geworden bent,
sta je er alleen voor en heb je medechristenen nodig die voor jou een gezin vormen.
Komende week gaat het op de moederkring over christenzijn en zendeling zijn
in een land dat hoog staat in de lijst van landen waarin christenen vervolgd worden.
In zulke landen is een gemeenschap van broeders en zusters van belang
om de weg te gaan, om het vol te houden, om ervaringen te delen, elkaar te bemoedigen,
om als je het even niet ziet zitten, aangespoord te worden om de weg te vervolgen.
Ook hier in Oldebroek, waar er veel meer vrijheid is om naar de kerk te gaan
hebben we elkaar nodig en is het van belang om samen gemeenschap te vormen.
Laten wij tot Hem naderen. Samen.
Want we delen met elkaar in de vrijmoedigheid.
Wat is vrijmoedigheid?
Zonder angst naar iemand toe gaan, je weet dat je mag komen.
Als je op de middelbare school je teamleider moet hebben.
Je hebt gehoord dat je mag komen en dan sta je voor een deur die dicht is.
Zal ik kloppen? Wie weet komt het helemaal niet uit?
Hoe zal ze het vinden als ik aanklop? Ze zegt het wel, maar ben ik echt welkom?
Laat ik maar kloppen, want ik heb haar nodig op dit moment.
Dat is vrijmoedigheid. Dat je doorzet, ondanks allerlei aarzelingen en gedachten.

Die aarzelingen en gedachten kunnen er ook zijn als je naar God toe wilt gaan,
je wilt bij Hem op de deur kloppen, maar je denkt: Mag ik wel?
God is zo heilig en ik doe zoveel zonden.
Ik heb al zo vaak geprobeerd om te leven zoals Hij dat wil, maar toch is het weer misgegaan.
Zal Hij me niet afwijzen en zeggen: Breng eerst je leven maar op orde.
We hebben vrijmoedigheid, toestemming van God zelf om te komen tot Hem.
Tot God komen – dat is nogal een weg. Hoe kom je daar, vanuit de aarde in de hemel?
Het is een vraag die kinderen bezig kan houden als een opa of oma overleden is.
Hoe kan opa of oma, die in de kist ligt, in de hemel komen.
Hoe kunnen wij als mensen, die hier op deze aarde leven, in de hemel komen,
waar de troon van God staat?
In de tijd van het Oude Testament was de tempel de plek waar de aarde open was
Voor de hemel, waar er een plek op aarde was, waar je de hemel kon binnengaan.
Er was één stuk van de tempel waar niemand mocht komen,
dat was te heilig – het allerheiligste, het heilige der heiligen.
Daar stond de ark met de engelen (cherubim) – de troon van God.
God die troont op de cherubim.
God was te heilig om zomaar even naar toe te gaan.
Alleen één keer per jaar mocht alleen de hogepriester die ruimte binnentreden.
Op de Grote Verzoendag, als er vergeving voor alle zonden van het volk werd gevraagd.
Al die andere dagen was de ruimte afgesloten met een gordijn: het voorhangsel.
Er is in het Oude Testament een sterk verlangen om tot God te naderen,
maar er is altijd wel een afstand, het gaat alleen maar via-via: via offers, via priesters.

We hebben toegang tot God, omdat er op Golgotha een kruis stond, waar Jezus hing,
Waar Hij Zijn leven gaf voor ons, waar Hij stierf voor onze zonden,
waar Hij onze schuld op zich nam, waardoor we niet hoeven te steken bij de eerste stap,
het overdenken van onze zonde, maar dat we verder mogen gaan naar de vergeving.
Laten we dan tot Hem naderen.
Het bijzondere van het kruis op GOlgotha is, dat er daardoor een weg is
van de aarde naar de hemel om bij God te komen.
Zowel praktisch, dat je van de aarde God in de hemel kunt bereiken,
maar dat er ook de toestemming is.
Hoe kom je daar dan?
Christus is de weg – een nieuwe weg, een weg die er eerst nog niet was.
Vroeger ontstonden wegen doordat mensen er vaak overheen liepen.
Je ziet dat nu nog als je ergens een stukje kunt afsnijden met de fiets,
dan zie je in het gras een pad ontstaan.
In de Romeinse tijd, de tijd waarin Hebreeën geschreven is,
legden Romeinen op veel plaatsen nieuwe wegen aan, waar geen wegen waren,
zodat soldaten en handelaars zich makkelijk konden verplaatsen.
Zo’n weg was niet goedkoop.
Er waren daarom sponsors, die het mogelijk maakten dat er zo’n weg was.
Bij de opening van de weg werd de naam van de sponsor met ere genoemd
En misschien ook wel een bord met de naam of de weg naar de sponsor genoemd.
Een nieuwe weg door Christus. De weg draagt Zijn naam, want Hij is die weg.
Aan het kruis op Golgotha heeft Hij die weg naar de Vader, Zijn vader, ingewijd.
Volgende week zondag vieren we dat er een weg is, dat Hij die weg is,
dat Hij die weg, die er eerst niet was, aanlegde, en dat wij daarover mogen gaan
om bij God aan te komen en bij Hem te zijn.
Hoe kom je dan van de aarde in de hemel bij God in de hemel voor Zijn troon?
Daar komen we door de Heere Jezus.
Omdat we met Hem verbonden zijn, kunnen we over die weg.
Om over die weg te gaan, hoeven we niet te wachten totdat we sterven
om van een aards bestaan op een hemels bestaan over te gaan,
maar kunnen we nu al voor God komen – door te bidden
en omgekeerd: God komt naar ons toe als we als broeders en zusters,
als Zijn gemeenschap, Zijn gezin samen komen, om Hem te loven en te aanbidden.
Als we avondmaal vieren, hebben we al een stukje hemel op aarde,
net als elke kerkdienst dat is, omdat dan het verschil tussen hemel en aarde even wegvalt
omdat God in ons midden aanwezig is en Christus aan het hoofd van de gezinstafel zit.
Hij nodigt, Hij deelt uit, het is op kosten van Hem!
Laten wij dan naderen.

Dat naderen is niet persé een bijzondere ervaring, geen mystiek-intense ervaring,
zoals je volgende week bij het avondmaal niet persé een intense ervaring hoeft te hebben.
Het kan zijn dat je op dat moment heel intens bewust bent van je zonden,
of juist van de nabijheid van Christus,
het kan zijn dat je op dat moment weinig of niets ervaart en dat het toch goed is
dat je daar bent – laten we naderen!

Om te kunnen komen aan het avondmaal, maar ook om tot God in de hemel te komen
heb je wel wat nodig: een waarachtig hart.
Een hart dat uit één stuk bestaat: alleen maar op God gericht.
Geen hart dat daarbij ook de neiging heeft om bij God weg te lopen,
I did it my way – op mijn eigen eigenzinnige wijze en niet de weg die Christus is.
Ons hart is het probleem – ons hart dat ons leven aanstuurt, dat maakt wie we zijn.
De eerste stap in de voorbereiding van het avondmaal is
inzien, onderkennen dat er vanuit je hart een neiging is
om het allemaal niet zo nauw te nemen, of bij God vandaan te vluchten,
door te denken dat je helemaal niet voor God hoeft te komen, want je hebt je leven hier.
Een waarachtig hart is een hart dat gereinigd is door het bloed van Christus,
Die niet alleen de weg baande om waarover wij kunnen gaan,
maar ook ons veranderde, reinigde waardoor we voor de heilige God kunnen staan
en aan de heilige tafel van Christus kunnen zitten,
de waardigheid die God ons schenkt.
Dat waarachtig hart, de zekerheid die we hebben in geloof, het geweten gereinigd,
we ontvangen dat uit Gods hand.
Gemeente, broeders en zusters, we hebben het,
we hebben het omdat we het hebben gekregen, ontvangen.
Daarom hebben we het nog wel – hebt u het. Het wordt u, jou gegeven.
We hebben Jezus Christus en daarmee hebben we alles gekregen wat we nodig hebben.
Laten we naderen – laten we elkaar aansporen om te gaan, om te komen
En er geen genoegen mee nemen dat we het op onze eigen manier doen.
Niet door elkaar de druk op te leggen – zo doen we het hier,
maar om te merken dat Christus het zo voor elkaar heeft gemaakt en het zo geeft.
In het gedeelte is er een vrolijkheid over Christus,
Wij hebben een hogepriester in het huis van God.
Wij hebben iemand bij God door Wie we bij God mogen komen en die ons daar brengt.

Door uw genade, Vader, mogen wij hier binnengaan.
Niet door rechtvaardige daden, maar door het bloed van het Lam.

U roept ons in uw nabijheid en dankzij uw Zoon;
dankzij het bloed dat ons vrijpleit, komen wij voor uw troon.         

Nooit konden wij zonder zonde    voor U staan.
Maar in uw Zoon zijn wij schoon door het bloed van het Lam.      

Laten wij naderen.
Amen

Preek Dankdag 2018

Preek Dankdag 2018
Schriftlezing: Jesaja 49:8-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bent u dankbaar? Ben jij God dankbaar?
Je zong dat net: Gedachtig aan de milde overvloed van uwe gunst.
Daarmee gaf je aan, dat je Gods goede zorg, die Hij voor je heeft, steeds weer ziet,
dat je opmerkt, ziet dat God royaal geeft
en dat je daarin Gods gunst ervaart – Hij heeft het beste met mij voor.
Je zegt: Ja en daarom ben ik juist in de kerk, om onze hemelse Vader te danken
voor Zijn goede zorg in dit afgelopen jaar.
Ik ben dankbaar voor Zijn zegeningen.

Dankbaarheid – dat is wel een van de eerste dingen die erbij inschiet
Als je druk bent en door allerlei bezigheden opgeslokt wordt.
Alleen daarom al is het goed om vanavond bij elkaar te zijn om de Heere danken,
om er bij stil te staan, om terug te kijken in dankbaarheid: God heeft voor mij gezorgd.
Dankbaarheid kan er ook bij inschieten als je verdrietig bent, of als je zorgen hebt.
Soms zijn er van die momenten, waarop je even niet dankbaar kunt zijn.
Je kunt vanavond bijvoorbeeld in de kerk zitten – omdat het Dankdag is –
terwijl je niet een dankbaar gevoel hebt.
Helemaal wegblijven kon je ook niet en je zou ook wel dankbaar willen zijn,
maar het verdriet, de zorg is op dit moment te groot.

Het gaat mij vandaag ook niet om een dankbare stemming.
Ik kan me voorstellen dat er bepaalde momenten zijn,
Waarop een dankbare stemming teveel gevraagd is.
Bij dankbaarheid gaat het mij vanavond om iets anders:
Zien dat God aan het werk is in je leven, ook als je verdrietig bent of vol zorgen,
Niet alleen op momenten waarop je vrolijk en opgetogen bent,
Zo zullen vanavond ook wel gemeenteleden hier in de kerk zitten:
dankbaar en gelukkig met de zorg die God heeft gegeven.
Je kijkt in dankbaarheid terug: God heeft mij gezegend in de afgelopen tijd.

Kun je ook dankbaar zijn, terwijl je verdrietig bent, of vol met zorgen?
Ik hoor het wel eens terug, dat een tijd waarin je afscheid moet nemen
van iemand van wie je veel houdt een verdrietige tijd is,
maar ook een mooie tijd, waarin je de steun van God kunt ervaren.
Hij is er – met Zijn kracht en troost, je wordt gedragen.

Daar is het Jesaja ook om te doen: dat je ziet hoe God er toch ook is,
met je meegaat, je helpt en ondersteunt, je gebeden verhoort
op het moment dat het helemaal niet zo goed met je gaat.
En het zijn niet de eigen woorden van Jesaja,
het is een boodschap die namens God komt – Zo zegt de HEERE.
De woorden die we gelezen hebben, zijn Gods eigen woorden:
In de tijd van het welbehagen heb ik U gehoord.
Welbehagen betekent hier: Ik heb gezien dat je het moeilijk hebt
en Ik kom naar je toe om je te helpen, bij te staan.
Welbehagen betekent hier: Ik kom weer naar je toe,
De tijd dat je zonder je God moest doen is voorbij,
Mijn hart staat open voor je noden, Ik laat me (weer) raken door wat er met je gebeurt.|
NBV: Tijd van genade – Genade: een sterkere die een zwakkere bijstaat.
De almachtige God die het verzwakte, door nood geplaagde Israël bijstaat.
Het uur van welbehagen / genade: er is een andere tijd aangebroken,
een tijd waarin God er is, waarin Hij gebeden verhoort, weer verhoort.

Het verhoren, dat betekent hier in vers 8 dat je ook concreet een reactie krijgt van God.
Hij hoort het niet alleen, maar je merkt er zelf ook iets van dat Hij je gebed gehoord heeft.
Het is bijzonder dat God onze gebeden hoort – en wil horen.
Soms kunnen we de ervaring hebben, dat onze gebeden niet verder komen
dan het plafond en blijven hangen in de kamer, waar we zitten.
Nee, zegt de Heere, Ik heb je gehoord en Ik zal laten merken dat Ik je hoorde.
Je krijgt van mij een reactie, die zul je vernemen, opmerken.
Er komt hulp en redding – je wordt geholpen en die hulp dat is Mijn hand.
Wat er gaat gebeuren is gebedsverhoring.
Dat bidden kan op verschillende manieren gebeurd zijn.
Als een roepen naar omhoog,
maar lang niet altijd lukt het om in wanneer je in een crisis zit om te bidden
en dan is het meer een zuchten, een roepen naar omhoog,
het uitspreken van een klacht: God, waar bent U, waarom merk ik niets van U?
Ook dat heeft God gehoord, ook daar is Zijn handelen een reactie op.

Jesaja moet tegen het volk zeggen,
dat op dat moment nog niets verneemt van de genadetijd, de tijd van welbehagen,
maar nog diep in treurnis is: er komt een nieuwe tijd, omdat God terugkomt.
En het blijft niet bij mooie woorden alleen.
Het land Israël dat er troosteloos bij ligt, omdat er geen boer meer is die het bewerkt,
waarop de gevolgen van de oorlog die er was, toen Israël werd afgevoerd naar Babel,
nog zichtbaar zijn,
het land zal weer hersteld worden, weer bebouwd en bewerkt kunnen worden,
zo zal het heel concreet zichtbaar worden dat God Zijn verbond weer in ere herstelt.
Al degenen die gevangen zitten daar in het verre Babel, ze mogen vrij, naar huis!
Het is nog niet zover, maar de profeet moet het wel aankondigen
en we kunnen voorstellen dat Zijn boodschap niet gelijk op geloof stuit.
Net zoals wij te maken hebben met zorg en verdriet
en je hebt heel wat gebeden naar God opgezonden, gesmeekt, geworsteld
en je gebed is toch niet uitgekomen.
Wat de profeet hier moet zeggen, is dat het volk al voorbereid moet zijn
voor het moment van God,
net zoals het volk in Egypte klaar moest zijn om uit Egypte te kunnen gaan.
Maar is het vaak niet zo: eerst zien, dan geloven
eerst maar zien dat de Heere echt wat doet en dan gaan we mee.
Om je al in te stellen op wat God gaat doen, dan moet je zeker weten
dat God ook iets gaat doen, dat Hij je gaat bijstaan en helpen, dat er redding is.
Nu zegt God tegen Israël: Ik vraag het andersom. Maak je klaar, wees voorbereid
en dan zul je merken dat ik kom.
Tegen degenen die in duisternis zitten: kom tevoorschijn, het licht breekt aan!

Tijdens het vak pastoraat vertelde onze docente,
dat ze werkte in een psychiatrische inrichting met mensen,
die totaal geen hoop meer hadden, die in hun leven niets merkten van God.
We vroegen als studenten wat ze dan tegen zulke bewoners zei.
Ze antwoordde: ‘Je bent gedoopt.’
Met andere woorden: als jezelf geen houvast, geen hoop hebt, houdt God je vast
Als jezelf geen licht ziet, gaat God over je op als een licht.

Wat Jesaja dan aankondigt over God kunnen we in twee woorden samenvatten:
Herderlijke zorg en moederliefde.
Er wordt hier één bepaald iemand aangesproken.
Iemand die wordt aangesteld, die het geloof bij het volk moet terugbrengen,
die de gemeenschap moet aanspreken,
die moet werken om het vertrouwen op God weer terug te krijgen.
De knecht des Heren – als christenen kunnen we daarin ook het werk van Christus zien.
Hij is onze Herder, Hij gaat ons voor,
over de bergen die er in dit leven zijn,
waar je zuchtend tegen opklimt, het kost je veel moeite
en je vraagt je af of er geen andere weg is die je kunt gaan.
Waar je al huiverend overheen gaat, omdat je je afvraagt: is de weg begaanbaar?
Je ziet naast je de afgrond, eens
Als je die weg al ploeterend naar boven klimt, vraag je je af:
Kan ik nog wel op krachten komen?
Ja, want deze Herder zorgt ervoor, dat hoe kaal een berg ook is
er altijd te eten zal zijn,
al is de weg niet makkelijk, je krijgt eten: Hij leidt je naar grazige weiden en stille wateren,
zodat je op krachten kunt komen en gesterkt weer verder kunt gaan.
Je zult door de diepe dalen gaan,
waar je niet gerust op bent, omdat er schaduwen overheen vallen,
die je het zicht op de zon benemen, je bent je oriëntatie kwijt, stuurloos,
het gaat je niet in de kouwe kleren zitten, Psalm 23: het dal van de schaduw van de dood.
Er is een herder, die je met Zijn stok en staf voorgaat.
Je hoeft niet bang te zijn, want Hij gaat mee, Hij gaat voorop.

Als u terugkijkt naar de afgelopen tijd – hebt u ervaren, dat Hij op deze manier voorgaat?
Heb je gemerkt, dat Hij je meenam, door dat diepe dal in je leven,
Waar je dacht dat je zelf niet meer uitkwam?
Dankdag is dat je ziet, of als je het niet ziet, leert in te zien,
Dat de Heere je herder is en je dan meeneemt, voorop gaat, verder leidt.
Dat – ook al is de weg door het leven niet zo makkelijk –
dat je niets tekort komt, geen honger en geen dorst,
de hitte zal je niet kwellen. Wat hitte is, hebben we de afgelopen zomer kunnen merken
en ik denk dat de meesten hopen, dat die hitte niet meer terugkomt,
omdat je dan niets kunt en omdat de natuur er zo onder geleden heeft.
Als deze herder met je meegaat, als Hij voor je zorgt, dan kun je verder gaan.
Van over heel de wereld komen ze,
er zal geen obstakel zijn: bergen worden geplet en dalen worden opgevuld,
geen enorme pieken waar je je overheen worstelt meer,
geen diepe dalen waar je al zoekend en schuifelend door heen hoeft te gaan,
omdat Christus voor je een weg baant.
Bergen kunnen een belemmering zijn – er als een berg tegenop zien,
je moet omlopen, een hele weg om.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen – kan ook betekenen: Ik kan niet verder.
In een rouwdienst in mijn vorige gemeente, waarvan een vrouw die maar een dochter had,
heb ik ooit gezegd dat mensen ook een berg kunnen zijn:
een belemmering op weg naar God.
Hier veranderen de bergen van een obstakel in stimulansen:
Ze juichen mee, ze zijn blij, ze zijn dankbaar dat er voor jou een weg is,
Dat God naar je omziet, dat Christus in jouw leven voorop gaat en de weg baant
en ze roepen je toe: Volg je Heer, ga achter Hem aan, je herder.
Want de HEER heeft Zijn volk getroost.
Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
NBV: De HEER heeft zijn volk getroost, hij heeft zich over de armen ontfermd.
Dankdag: De Heere is mijn herder!
Dankdag: dat je dat ziet, opmerkt.

En dan moederliefde.
Als God aangeeft, dat Hij als een herder zal zijn,
of dat er iemand komt die namens Hem een herder zal zijn,
de knecht die laat zien dat God Zijn volk niet in de steek laat,
Raakt dat aan een pijnpunt, een pijnlijke snaar.
Zo snel laat Israël zich niet overtuigen.
Het klinkt als: makkelijk praten. Ik ben toch verlaten? Ik ben toch vergeten?
En dan komt de moederliefde. Een diepe tekst:
Kan een vrouw haar zuigeling vergeten?
Het kind dat je 9 maanden bij je gedragen hebt.
Ik heb heel wat verhalen gehoord, dat moeders hun kind inderdaad nooit vergeten hebben,
zelfs als het jaren terug kort na de geboorte als baby is overleden,
In mijn vorige gemeente een vrouw, die jarenlang op zoek was geweest
naar het graf van haar kind, overleden net na de geboorte
om te weten welke naam haar man dit kind gegeven had.
Al werd er niet over gesproken, het werd niet vergeten.
of zelfs als het overleden is tijdens de zwangerschap, het is er wel geweest,
vaak wordt dat kind ook meegerekend, geteld, al is het er niet, het hoort er wel bij,
bij je leven, je zou het nog eens willen zien.
Hoe kun je dat vergeten?
Een van de pijnlijkste dingen die gezegd kan worden is: je hebt toch nog andere kinderen?
Al is het contact verbroken, dan nog vergeet je je kind niet.
Ik heb wat dat betreft ook schrijnende verhalen gehoord en gezien.
Een zoon die niet meer thuis mocht komen na een ruzie met zijn vader
En de vader die op zijn sterfbed aan zijn vrouw vroeg de zoon nooit toe te laten.
De vrouw heeft haar verdere leven geleden.
Hoe kun je harteloos zijn tegen je kind?
Hoe kun je geen liefde voelen voor een kind dat je zelf gedragen hebt, onder je hart?
Hoe moeilijk zo’n kind ook kan zijn, het blijft je kind.
Moederliefde is onverklaarbaar, moederliefde gaat ook nooit meer over.
Zelfs al zou een moeder vergeten, zelfs al zou een moeder geen liefde meer hebben,
We kunnen het ons niet voorstellen.
Dan nog: God – Ík zal u nooit vergeten.
Heeft God Israël niet gedragen?
Hoe kan God ons vergeten, als Hij bij onze geboorte betrokken is?
Als Hij ons op de wereld gezet heeft, omringd met Zijn liefde uw leven.
Ik vergeet jou nooit! Schrijf dat in uw hart,
wat je van de Bijbel ook vergeet, dit alsjeblieft niet, want dit is nu God.
Zie, Ik heb u gegraveerd, in Mijn beide handpalmen.
We kunnen denken aan een tatoeage, die niet meer ongedaan gemaakt kan worden,
zoals iemand zijn liefde tot uitdrukking wil brengen, door de naam te tatoeëren.
(Alleen: tatoeage wordt in de Bijbel afgewezen als een heidens gebruik).
We kunnen ook denken aan sporen: de hand van God, die op de muren gerust hebben
en nog steeds rusten, zelfs nu ze een ruïne zijn – ingekerfd,
Zoals je als je ergens lang op zit, dat ook op je huid afgetekend ziet worden,
of als langer nog: het worden littekens:
Zo is Gods hand op de muren van Jeruzalem, al die eeuwen door,
beschermend en zegenend, bewakend, wachtend tot het volk weer terugkomt
om het dan met open armen te ontvangen.
God denkt steeds aan Jeruzalem – al zou Hij kunnen vergeten,
Hij krijgt Israël niet uit Zijn gedachten. De muren: nieuwe toekomst of ruïnes? (beide!)

En dan de oproep: Zie! steeds in het gedeelte door, een appèl op ons.
Sluit je ogen er niet voor, neem het waar, doe je ogen open, geloof het,
laat je erdoor versterken in je geloof, God is je zichtbaar niet vergeten.
Dankdag betekent een oefening in kijken, in zien
en een oefening in het versterken van ons geloof door te zien. Sla uw ogen op en zie!
Amen

Preek Dankdag 2018 morgendienst

Preek Dankdag 2018 morgendienst
Thema: Alles geef ik U!
Samen met de leerlingen van CNS Looschool

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste kinderen,

Alles geef ik U!
Is dat niet een beetje veel?
Denk eens na over wat je hebt:

 

  • Geld in een spaarpot of geldkistje
  • Geld op de bank
  • Speelgoed
  • Kleren

 

    • Schoolspullen

 

  • Eten

 

Alles geef ik U! Is dat niet een beetje veel?
We kunnen toch niet alles aan God (terug)geven?
We hebben toch iets nodig om te kunnen leven?

We hebben een zoon in groep 8 zitten.
We hadden pas een gesprek met hem wat hij zou doen met de Lego,
waar hij niet meer mee speelt.
Toen hij in groep 4 en 5 zat kreeg hij voor zijn verjaardag en sinterklaas
vaak Lego en dat bouwde hij.
Dat bouwen vond hij wel leuk, maar er mee spelen niet.
Hij bleek liever te spelen met playmobil (ridders) en met soldaatjes.
Hij had best wat Lego, waar hij niets meer mee doet.
Hij wilde dat gaan verkopen.
Maar wij zeiden tegen hem: ‘Wacht nog maar even.
Tot je op de middelbare school zit.
Dan heb je het geld, wat je er dan mee verdient, misschien harder nodig.’

Als het al moeilijk is om speelgoed weg te doen,
waar je niets meer mee doet, hoe kun je dan alles weggeven?
Ook al is dat aan God?
Jezus heeft gelijk:
Eerst kijken we naar wat we nodig hebben en daarom niet kunnen missen.
Maar er is nog zoveel wat we niet direct nodig hebben
en wat we toch niet kunnen wegdoen of weggeven.
Want denk eens wat er op je kamer ligt of in de la van je bureau of nachtkastje.
Daar liggen vaak spullen, die je niet meer nodig hebt,
maar die je niet wilt wegdoen. Je bewaart ze.
Heel veel mensen bekijken eerst wat ze allemaal zelf nodig hebben
en bewaren heel veel spullen, die ze niet willen wegdoen, al heb je ze niet nodig,
maar je weet maar nooit.
Straks krijg je spijt dat je een medaille van de avondvierdaagse weggooit,
Of de tekeningen die je vorig jaar gemaakt hebt,
je bent zuinig op de bal van Owios die je kreeg toen je pupil van de week was.
Of je eerste turnpakje, dat je niet zomaar weg doet.

Het verhaal uit de Bijbel gaat over een vrouw die wel alles geeft, wat ze heeft.
Het is niet veel, maar een paar cent.
Dat geld heeft ze op die dag bij elkaar verdiend door te bedelen, of een klein klusje.
Als ze er mee naar de winkel zou gaan, zou ze er eigenlijk niets mee kunnen kopen.
(Ik heb in een supermarkt gewerkt en wel eens uitgezocht wat het goedkoopste was,
wat je in die winkel zou kunnen kopen: een klein blikje tomatenpuree van 0,19.)
Je kunt daar niet eens een normale maaltijd van kopen
en dus ook niet van leven.
En als een vrouw dat kleine beetje doet in de collectebus,
dan zegt Jezus dat deze arme vrouw meer heeft gegeven
dan al die mensen die een groot bedrag in de collectebus stopten.
Die arme vrouw gaf meer dan iemand die 50,- erin stopte of zelfs 1000,-.

Moet je voorstellen dat jullie als school een actie voor het goede doel gaan doen.
Met het geld dat opgehaald wordt, willen jullie het adoptiekind steunen,
of helpen waar een ramp of een oorlog is geweest.
Timo komt met een bestuurbare auto, waar hij niet meer mee speelt.
De auto doet het nog wel en kan best wat opbrengen.
Milan zegt dat hij zijn waveboard gaat verkopen,
want zijn ouders willen dan vast een nieuw waveboard voor hem kopen
als ze merken dat hij bereid is dat weg te geven om anderen te helpen.
Het bedrijf van de vader van Danique geeft een groot bedrag om te sponsoren.
Ook Minar, afkomstig uit Syrië en een paar jaar geleden hier gekomen,
wil meehelpen en wil iets geven voor de actie.
Ze heeft alleen niets om te geven, alleen maar haar eigen knuffel.
Het is een oude knuffel, die de lange, spannende reis vanuit Syrië heeft overleefd,
helemaal versleten en niet meer schoon te krijgen, al was je die knuffel nog zo vaak,
En dan zegt de juf dat niet Timo of Milan of de vader van Danique het meeste geven,
maar dat Minar, met die oude, versleten knuffel, die je niet meer kunt verkopen.
Omdat Minar niet meer heeft
en ook omdat die knuffel van Minar veel meer waarde heeft dan een waveboard
en ook meer waarde dan het geld dat de vader van Danique wil geven,
omdat Minar zonder die knuffel niet in slaap kan komen,
de knuffel die nog haar enige herinnering is aan het land waar ze geboren is.
Minar geeft het meest, omdat ze niet eerst kijkt wat ze over heeft,
maar het weinige dat ze heeft wil geven.

Alles geef ik U!
Dat geldt voor de arme vrouw waar Jezus over praat.
Die arme vrouw zal niet eens opgevallen zijn.
Als Jezus zijn discipelen er niet bij geroepen hadden,
dan hadden ze zich vast die arme vrouw niet herinnerd.
Wel die mensen die een groot bedrag gaven.
Ze zullen er met elkaar over praten, nog onder de indruk
van de grote bedragen gegeven worden.
Nee, zegt Jezus.
Het gaat niet om de grootte van de bedragen.
Het gaat niet om hoeveel je geven kunt,
maar wat je kunt missen.
Dat je niet eerst aan jezelf denkt: als ik maar niet tekort kom.
Als ik echt genoeg heb, dan kan ik ook iets aan iemand anders geven.
(uitleggen aan de hand van de producten voor de voedselbank)

Jezus zegt tegen Zijn discipelen: jullie moeten anders kijken.
Die arme vrouw geeft het meest.
Wanneer ben je eigenlijk arm?

 

 

  • Als je geen geld hebt?

 

    • Als je geen nieuwe kleren kunt kopen?

 

  • Als je geen eten kunt kopen?

 


Ik weet gelukkig niet wat het is om echt arm te zijn.
Ik heb wel een keer meegemaakt, dat we niet veel geld hadden.
We waren net getrouwd en ik moest boodschappen doen voor het avondeten,
maar ik kon uit de winkel niets meenemen,
omdat er geen geld meer op de rekening stond.
Ik stond bij de kassa en ik ging pinnen, maar het apparaat gaf aan: saldo ontoereikend.
Ik schaamde me heel erg
en elke keer voor ik boodschappen ging doen, ging ik eerst kijken hoeveel geld ik had
En in de winkel steeds uitrekenen wat alles kostte.
Voor de vrouw waar Jezus op wijst was het nog veel erger:
Zij had helemaal niets meer. Ik werkte enkele dagen en mijn vrouw werkte ook.
We zouden weer geld krijgen,
maar de vrouw, die de paar centen die ze heeft in de collectebus van de tempel stopt,
wist niet wanneer ze iets zou krijgen.
Haar man was gestorven
en als ze een boerderij had of een stukje grond, werd dat afgenomen
en ging dat naar andere familieleden
en de vrouw moest maar wachten of die familieleden haar iets wilden geven.
Voor de rest moest ze maar geld bij elkaar krijgen door te bedelen
of door kleine klusjes te doen, die niemand anders wilde doen,
waar ze hooguit maar een paar cent mee verdient
en juist die paar cent die ze heeft stopt ze in de collectebus.
Waarom zou ze dat doen?
Waarom zou ze niet gaan sparen, beetje bij beetje, tot ze wat eten kon kopen bijvoorbeeld?
Jezus zegt: dat heeft ze over voor God.
Alles geef ik U! Ook al heb ik niet zoveel.
Waarom doet ze dat?
In de Bijbel is alles wat op deze wereld is van God.
De bomen en de planten zijn van God.
De wind die waait is van God.
Ook wij zijn Gods eigendom, Hij is onze ‘baas’, onze Heer.
Hij heeft recht op ons leven.
Niet alleen ons leven is van Hem, maar ook alles wat we hebben.
Als je in een huis woont, kun je zeggen: dat is mijn huis, omdat je het gekocht hebt
en toch – het is ook van God.
En als je geld krijgt, omdat je ervoor gewerkt hebt, is het ook van God.
Wat we hebben, is niet van onszelf, hoeveel we ook hebben.
Wat we hebben, is door God aan ons uitgeleend.
Dat klinkt misschien vreemd, want het is toch van ons?
Je hebt er toch zelf voor gewerkt, toch zelf bij elkaar gespaard?
Nee, we krijgen het van de Heere God
En Hij geeft het aan ons, niet om het voor ons zelf te houden,
maar om er anderen mee te helpen,
bijvoorbeeld anderen die het slechter hebben dan wij.

Moet je dan ook geld geven, of zelfs al je geld, zoals die vrouw dat deed?
Ik heb van huis uit geleerd dat je ook aan goede doelen moest geven.
Als ik bijvoorbeeld met oud en nieuw vuurwerk ging kopen,
moest ik de helft van het bedrag aan de zending geven.
En mijn ouders leerden mij ook dat ik, toen ik 18 jaar werd,
zelf geld aan de kerk moest geven en zelf allerlei goede doelen moest steunen.
Een van onze kinderen wilde ook van het gespaarde geld een deel geven
aan de arme mensen. Er werd 20,- gegeven.
Moet je alles wat je hebt geven aan God?
al je geld, al je kleren, al je speelgoed?
Ik denk niet dat dat de bedoeling is.
Je kunt ook andere dingen geven. Je kunt tijd geven aan de Heere
door na schooltijd, terwijl andere kinderen gaan spelen, bij iemand helpen.
Of bij iemand op bezoek gaan bij iemand die eenzaam is,
een kopje thee drinken bij iemand die geen familie of vrienden heeft.
Je kunt je hart aan Jezus geven – Heer, ik ben helemaal van U,
het is niet mijn leven, maar mijn leven is van U.
Wat Jezus wil leren, is dat we niet eerst aan onszelf denken,
maar zien wat anderen nodig hebben.
Er was een regel in Israël, dat er niemand arm mocht zijn.
Met het geld en de akkers, de koeien en schapen die je had, moest je anderen helpen.
Daarom steunen we als christenen ook goede doelen,
sparen we voor adoptiekinderen, geven voor mensen ver weg
en hebben we spullen meegenomen voor de voedselbank meegenomen.
Waarom doen we dat?
Omdat we weten: het is niet van ons, maar van God
en we geven er iets van terug, omdat we de Heere God dankbaar zijn.
Wat geef jij? Amen

Preek zondagmorgen 21 oktober 2018

Preek zondagmorgen 21 oktober 2018
Jesaja 44:1-8. Tekst: vers 3.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dit jaar hebben we een heel droog jaar en de droogte is nog steeds niet voorbij.
Toen wij afgelopen zomer terug kwamen van vakantie
was het of we bij de grens met Nederland niet ons eigen land binnen kwamen rijden,
maar Spanje of een ander land rond de Middellandse Zee:
Nergens was meer groen gras te vinden, alles was bruin geworden.
Bomen waren verkleurd en lieten soms het blad al vallen.
De gevolgen van de droogte werden zichtbaar.
Aan het einde van de zomer was het de vraag: zijn die gevolgen blijvend?
Of komt de natuur er weer bovenop als er regen valt?
Zal er voor de boeren genoeg gras en maïs zijn, of zullen ze minder hebben?

Nu er in de tussentijd weer regen gevallen is, kunnen we zeggen
dat de natuur zich op een aantal plaatsen weer behoorlijk hersteld heeft.
Wel zijn er zorgen dat de droogte die nog steeds aanhoudt gevolgen heeft voor volgend jaar.
Dat de natuur toch ontregeld is, de bossen en de weilanden schade lijden
door de lage stand van het grondwater,
dat er voor de dieren in de natuur minder water en voedsel te vinden is.
Op een aantal plaatsen heeft de natuur zich aardig hersteld.
Of kunnen we zeggen: is door de zorg van God,  onze hemelse Vader,
de natuur weer opgeleefd – door de regen waardoor de natuur nieuwe kracht ontving.
Door God gestuurd om de natuur, Zijn schepping, weer te doen opleven.
Zeker in gebieden, zoals in Israël waar de natuur afhankelijk is van de regen die valt,
is het verschil goed te zien wat de regen doet:
Als de regen weer valt, dan loopt alles weer uit,
de planten die bruin geworden zijn worden weer groener.
De regen is de kracht van God die alles weer tot leven wekt, zegt Jesaja.
Wanneer de regen dan weer komt na een droge periode, wordt dat als een wonder ervaren.
Het dorre, doodse, komt weer tot leven, wordt groen en fris, draagt vrucht.
Zoals God door de regen de schepping weer tot leven kan wekken,
zo kan de Heere mensen weer tot leven wekken door de Heilige Geest.
Zoals een overvloedige regenbui op een verdroogd stuk land weer nieuw leven brengt,
brengt de Geest, die over ons kan worden uitgestort, ons weer tot nieuw leven.

 

Het kan zijn dat je hier nu zit en bij jezelf denk: zo zou ik ook wel opgefrist willen worden,
ik zou ook weer helemaal opnieuw tot leven willen komen.
De laatste tijd lukt het allemaal niet zo met je studie of opleiding, met je werk, in je relatie.
Zoals de weilanden en tuinen er afgelopen zomer bij lagen, zo droog en dor,
zo voel je jezelf eigenlijk ook wel.
Je was vol goede moed begonnen, je had er zo’n plezier in, het deed je zo goed.
Maar nu komt er niets meer uit je handen, het lukt niet meer op je werk,
je krijgt het niet meer voor elkaar met je studie,
je komt in je relatie niet dichter tot elkaar. Eerder het omgekeerde:
steeds meer verwijdering en onbegrip, ruzie.
En je weet zelf niet meer hoe het anders kan, hoe het weer de goede kant op kan gaan.

Als het met jezelf niet goed gaat, als je naar beneden getrokken wordt,
gaat het vaak met je geloof ook niet goed,
Juist als je dan de Heere zo nodig hebt, dan kun je Hem zo moeilijk bereiken,
dan lijkt het wel of Hij er niet is.

O, Heer, mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land
dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen.
Er kan net als in Psalm 63, die we voor de preek zongen, een heimwee zijn naar vroeger
toen je floreerde en dicht bij God leefde.
Het kan voor je zo dor en droog in je geloof zijn, dat je je afvraagt of het ooit nog goed komt.

Je hebt misschien alle hoop al wel opgegeven.

Is het dan mogelijk om weer opnieuw op te leven, om ook in je geloof opgefrist te worden?
Dat je weer als nieuw wordt, dat het weer gaat lukken

en dat je weer, net als voorheen, dicht bij God leeft?

Het kan zijn, dat je zulke vragen nooit hebt, omdat je altijd dicht bij de Heere leeft
en je zorgt dat je geestelijk niet uitdroogt
en je bouwt een voorraad op voor als er een moeilijke periode gaat komen,

waarop het wel eens dor en droog zou kunnen worden,
zodat je voorbereid bent en het je niet overvalt en niet wegduwt bij God vandaan.
Het zou zelfs kunnen zijn, dat je je verbaast over anderen, hier in de kerk of vrienden,
met wie je spreekt en die aangeven dat ze het moeilijk hebben in het geloof
en dat je je bij jezelf afvraagt: hoe kunnen ze de Heere zo verwaarlozen
en waarom hebben ze geen geestelijke voorraad opgebouwd,
waar je op kunnen terugvallen als ze tekort gaan komen.
Je zegt maar niets, want je weet ook dat het je opmerking verkeerd kan vallen,
dat je niet begrepen wordt.   
Kun je daar zelf iets aan doen, dat je weer helemaal opleeft,
dat je geloof helemaal weer groen en fris is, levend geworden,
of dat wat in de afgelopen tijd op je werk, met je opleiding of in je relatie niet meer lukte
weer gaat lopen, dat het weer goed gaat, dat je weer vertrouwen hebt.

Als het gaat om relatie, opleiding, werk dan kun je daar misschien nog zelf aan werken.
Hoewel het nooit zo eenvoudig ligt, vaak is er wat aan de hand,
speelt er van alles en heb je dat niet zomaar door
en heb je tijd nodig, misschien ook wel hulp van iemand anders,
om helder te krijgen wat je zo dwars zit en waarom het niet wil lukken.
Als het gaat om ons geloof kunnen wij dat niet zelf voor elkaar krijgen.
Dat is alleen maar Gods werk, we zijn van Hem afhankelijk.
Daarmee bedoel ik niet dat je maar met de armen over elkaar moet gaan zitten
en wachten tot God komt, tot Hij naar je toekomt.
Zo weer opleven, in je relatie met God een ander mens worden,
dat is alleen een wonder, zoals God dat alleen kan doen – en ook wil doen,
net zoals de regen het gras dat verdord was, weer helemaal groen kan maken.
De regen die het leven weer terugbrengt
– zo zal Ik Mijn Geest uitgieten over je nakomelingen.
Je denkt dat het afgelopen is met je, en dat jij geen toekomst meer hebt.
Misschien denkt u wel aan uw kinderen of kleinkinderen,
die niet meer naar de kerk gaan, of zelfs helemaal niets meer van willen weten.

Ze komen straks wel langs, ze weten dat u naar de kerk gegaan bent,
maar u moet maar niet over de preek beginnen, over de dienst.
Wat God hier belooft, is dat niet alleen uzelf, of jij weer kunt opleven,
maar dat het verder gaat dan alleen maar jouw persoonlijke leventje,
dat de Geest als zo’n overvloedige regenbui kan komen, zo overdadig,
zo alles vervullend, stromen van levend water, dat het teveel is voor u alleen
en dat het verder gaat dan jou alleen, maar dat het doorstroomt naar anderen.
Niet maar één persoon bij wie wat gebeurt, niet maar een enkeling die iets verneemt,
maar een hele gemeenschap die tot leven komt.
Pasen en Pinksteren op één dag.
Pasen – nieuwe kracht die in je komt
en niet zomaar nieuwe kracht, maar de kracht van Christus die je opwekt uit de dood,
Christus die zelf in de dood geweest is en de macht van de dood verbrak
en u, jou meeneemt een nieuw leven in.

Een hele gemeenschap waar de vitaliteit uit weg was, staat weer op, wordt weer levend,
krijgt de Geest weer over zich heen en verneemt hoe de Geest over de akkers stroomt,
de dorstige grond weer van water, levend water, voorziet.
Pinksteren: zelf nieuwe kracht ontvangen door deze Geest,
die verder gaat en ook anderen bereikt, verder stroomt.
De Geest over de nakomelingen, over de nazaten, de telgen.
Dat is net zo’n wonder geweest als wanneer hier kinderen of kleinkinderen
die niet meer naar de kerk gaan, weinig of niets meer met geloof op hebben,
zich weer gaan bezighouden met God, gegrepen worden door de Heere
en daarmee tot leven worden gewekt, het nieuwe leven in Christus.
In Israël waar deze profeet tegen spreekt, is er  in ieder geval weinig vertrouwen meer
in een toekomst met God
en ziet men dat de kinderen en de kleinkinderen er de brui aan geven.
Aan God heb je niets, aan de God van mijn vader of moeder zeker niet.

Moet je zien hoe God het volk weer van nieuwe kracht voorziet, het vitaal maakt.
Door ze aan te spreken: Jakob, Mijn knecht, Israël, Mijn dienaar,
luister nou toch eens naar Mijn woorden, naar je God die dit leven heeft gegeven
en die in staat is om de natuur weer tot leven te wekken,
het droge en verdorde weer kan laten uitlopen, zodat er bloesem komt
en straks de vrucht, die geplukt kan worden.
Ook nu kan dat de Heere uw geloof weer tot leven wekken door u aan te spreken,
door met jou in gesprek te gaan.
Op verschillende manieren kan de stem van de Heere tot je komen.
Dat kan doordat iemand in een gesprek met je iets tegen je zegt,
jou ergens op aanspreekt, waardoor je geraakt wordt en er over na gaat denken.
De stem van God komt tot je als je voor jezelf in de Bijbel leest,
je leest stil in jezelf of je leest hardop uit de Bijbel,
je denkt na over wat die woorden te zeggen hebben.
Daar mag je ook best tijd voor nemen, om die woorden op je in te laten werken.
Juist als het niet goed met je gaat, dan lukt het vaak niet goed om in de Bijbel te lezen
en dan mis je juist wat je zo nodig hebt: de stem van God die je aanspreekt.
Is het vaak niet zo, dat als je het moeilijk hebt dat je Gods stem wilt horen,
maar dat de manieren waarop de Heere je anders aanspreekt dan niet raken?
Dat het lezen in de Bijbel je weinig zegt
en dat liederen die je anders graag luistert je weinig doen.
DAt je wel in de kerk zit en maar er niet echt bij bent, omdat je hart te vol is van zorgen
En dat je niet naar de preek kunt luisteren,
terwijl dat ook een manier is waarop de stem van God tot je komt.
Luister dan! Maar nu, luister!
Een ommekeer, zoals God alleen maar kan doen,
waarbij je niet alleen maar aangesproken wordt, maar nieuwe kracht ontvangt,
weer tot leven komt, een levend geloof, fris en groen,
omdat de Geest als een overvloedige regenbui over je komt.

Maar dan moet u zich wel laten aanspreken.
Wat doet u als de stem van de Heere tot u komt,

Laat u zich wel aanspreken?
Het is wel God die het zegt!
Of zit uw hart te dicht, omdat u niet meer gelooft dat het nog anders kan worden.
Heb je er geen vertrouwen in dat de Heere met jou nog wat kan beginnen.
Dat is vaak al het begin van ongeloof: dat je niet gelooft dat God met jou iets kan beginnen,
omdat je zo moedeloos geworden bent,
geloof je dat God niet krachtig genoeg is, om het verlammende in jou te doorbreken,
Dit is wat God zelf zegt: Luister nu, doe je oren open, open je hart,
neem deze woorden op, zoals een droog stuk land het water opneemt.
als God komt is het niet met een klein beetje, is het niet te weinig,
maar is het overvloedig, royaal, zodat je echt genoeg hebt,
zodat je dorst naar God gelest wordt, zodat je weer in bloei komt,
als gelovige ook vrucht mag dragen.
Je bent niet afgeschreven maar verkoren,
vanaf dat je geboren bent en nog daarvoor, een speciale plek in Gods hart.
OOk met jou gaat de Heere Zijn weg.
Al heb je het in je leven verbruid, al was er in je leven geen plaats voor Hem
en is dat de oorzaak van de geestelijke droogte in je leven
en is dat de reden waarom alles zo verpieterd is – God geeft niet prijs wat Zijn hand begon.

Er wordt al aangekondigd dat het spreken van God echt effect heeft.
Als Hij Zijn Zoon kan roepen uit het graf, tot leven kan wekken,
dan kan Hij ook ons tot leven wekken.
Die Zoon die ons de Geest beloofde en daarmee aangaf dat die opstandingskracht

ook ons kan bereiken en in ons kan wonen.
Ik merk nogal eens dat gemeenteleden maar moeilijk een beeld van de Geest hebben,
zich weinig kunnen voorstellen van de Heilige Geest.
We hebben kunnen zien in de afgelopen maanden hoe het bruine gras weer groen werd,
hoe toch nog gewassen konden worden geoogst, ondanks de droogte.
Je zou het nu bijna weer gewoon vinden.
Zo werkt de Geest. Het is bijna net zo gewoon als een regenbui
En de groei die door de regenbui wordt veroorzaakt in de natuur.
Zo werkt de Geest bijna net zo gewoon,
maar als we er over nadenken is het net zo’n bijzondere wederopstanding
als wat de regen doet in de natuur – weer tot leven.
De profeet kondigt ook aan, wat er zal gebeuren, welk effect de Geest heeft.
Mensen die dachten dat God hen afschreef, gaan zeggen: Ik hoor bij Hem.
Mensen die zich onbereikbaar achten voor God, zeggen: Ik merk Hem in mijn leven.
Ik hoor bij Hem. Ik ben van Hem.
Ze schrijven het ook op om het nog eens officieel te maken,
Vergelijkbaar met onze belijdenis: je zegt het in een kerkdienst,
je spreekt je ja uit tegen de Heere. Ik ben van Hem.
Dat is wat de Heere kan doen.

Gelooft u dat Hij het ook kan doen in uw leven?
Daar zou u nog ‘nee’ op kunnen zeggen en dan is deze hele preek voor niets geweest.
Eigenlijk is het niet de goede vraag, omdat het nog ruimte open laat voor uw ‘nee’.
Merk je, zie je dat God in je leven bezig is.
Hoor je Zijn stem dan niet die je roept, die met je bezig is, die in je werkt,
zoals het water van de regenbui in de grond naar beneden zakt om de wortels te bereiken
zo is God bezig in jou door te dringen, Zijn Geest komt in je.
Het hangt niet af van of je het gelooft, of je het merkt.
De Heere is daar niet afhankelijk van. Hij werkt, zelfs ondanks ons ongeloof,
ook als we het niet opmerken.

 

Zie Heer, hier ben ‘k, maak mij een vat voor U,
woon in mijn hart, vernieuw het, doe het nu.
Verbreek mijn wil, maak m’ook van hoogmoed vrij.
‘k Wil in U blijven Heer, blijf Gij in mij.

O, heil’ge Geest, kom tot uw heerschappij,
schenk een herleving en begin bij mij.
Zegen uw volk,
maak ’t als een bruid bereid,
wachtend op Jezus’ komst in heerlijkheid.
Amen

Preek zondagavond 14 oktober 2018

Preek zondagavond 14 oktober 2018
Richteren 1:1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen in de Bijbel om onze band met de Heere te versterken,
om meer over de Heere te leren en Hem beter te leren kennen,
om van de Heere aanwijzingen te ontvangen hoe wij moeten leven
door middel van een toepassing van wat we gelezen hebben.

En dan is Richteren 1 een keer aan de beurt.
Omdat het aangegeven staat in het dagboekje dat gebruikt wordt,
of omdat het aan de beurt is als je de Bijbel hoofdstuk na hoofdstuk leest.
Je leest dat met elkaar aan tafel na het eten, of voor het slapen gaan om de dag af te sluiten
of aan het begin van de dag om de dag met God te beginnen.
Je hebt het gelezen, maar dan … wat moet je ermee?
Wie in de afgelopen weken een Bijbelkring gevolgd heeft over dit eerste hoofdstuk
heeft vast ontdekt dat dit Bijbelgedeelte de boodschap niet zomaar prijsgeeft.
Geregeld bevat de Bijbel gedeelten waar je niet zomaar klaar mee bent,
waar je niet bij de eerste keer als je het leest, weet wat het te zeggen heeft.
Ook als je er met elkaar op Bijbelkring over gesproken hebt,
kunnen er nog vragen overblijven bij dit gedeelte.

In Richteren worden steeds verhalen verteld,
waarbij de boodschap meegegeven wordt in de manier waarop het verteld wordt.
Dat kan ik uitleggen aan de hand van een alledaagse gebeurtenis.
Een vrouw komt thuis, bijvoorbeeld uit haar werk of is met vriendinnen op pad geweest.
Ze vertelt aan haar man wat ze heeft meegemaakt
De man luistert naar het verhaal van zijn vrouw, hij volgt het verhaal wel,
maar begrijpt niet waarom ze het vertelt en reageert daarom niet op wat zijn vrouw vertelt.
Zijn reactie blijft uit.
Op dezelfde manier kan bij het lezen van dit gedeelte de reactie uitblijven.
Je leest het wel, je hoort wel wat er verteld wordt,
maar je weet eigenlijk niet waarom dit verhaal verteld wordt
en daarom ontgaat je de betekenis.
Om te weten wat de Heere ons hier te zeggen heeft, moeten we nauwkeurig gaan lezen
en gaan letten op de manier waarop deze gebeurtenissen aan ons verteld worden.

Het allereerste vers: Het gebeurde na de dood van Jozua
Hier wordt gelijk al de toon gezet voor de rest van het Bijbelboek Richteren.
Jozua – wie was dat ook al weer en waarom wordt hij hier genoemd?
Als je niet zo thuis bent in de Bijbel, dan sta je hier op achterstand
en is het nog lastiger om de boodschap die God door wil geven te horen.
Jozua wordt voor de eerste keer in de Bijbel genoemd
als het volk Israël door de Amalekieten wordt aangevallen.
De Amalekieten vallen Israël in de rug aan, waar de ouderen lopen, de kwetsbaren, lafhartig.
Jozua is dan de aanvoerder van de soldaten van Israël die de strijd aangaan met Amalek.
Jozua won deze strijd op een bijzondere manier: steeds als Mozes zijn handen ophief
en zich tot God uitstrekte, streed de Heere zelf voor het volk.
Op die manier doet Jozua zijn intrede in de geschiedenis van Israël:
Op het moment dat er tot de Heere gebeden wordt en de Heere voor Zijn volk strijdt.
Zo leert Jozua de Heere kennen: God strijd voor Zijn volk Israël en brengt het in Kanaän.

Onderweg maakt Jozua nog heel wat mee.
Als het volk Israël bij de Sinaï komt, de berg waar God is, mag Jozua mee omhoog
en de 40 dagen dat Mozes bij de Heere is om de geboden te ontvangen,
wacht Jozua bovenaan de berg tot Mozes mee naar beneden gaat.
Jozua heeft gezien hoe het mogelijk is om naar de Heere toe te gaan,
om Hem te ontmoeten, om tot Hem te bidden,
om geboden van God te ontvangen, die aanwijzingen geven hoe je moet leven.

Jozua werd met Kaleb en 10 anderen uitgekozen om het land te onderzoeken,
het land dat de Heere hen in Egypte al beloofd had,
en waar ze naar op weg waren, het land van Abraham, Izak en Jakob.
Ze raakten onder de indruk van wat het land allemaal te bieden had:
een vruchtbaar land met indrukwekkende opbrengsten,
een land waarover de Heere Zijn zegen gegeven heeft.
Maar nog meer waren de meeste van deze verspieders onder de indruk
van de steden die er waren en de mensen die er woonden:
Grote steden, met imposante muren, goed verdedigd,
Kanaänieten die er woonden die lieten zien dat ze onverslaanbaar waren.
Zelfs met God aan onze zijde wordt het niets.
Hoe snel kan de moed in de schoenen zinken, ook als je weet dat de Heere bij je is.
Het vertrouwen dat Hij zal leiden, dat Hij Zijn belofte waar maakt, is dan weg.
Jozua heeft dat steeds weer gezien, toen hij met het volk Israël meetrok door de woestijn,
toen hij getuige was van het gemopper van de Israëlieten,
maar ook getuige was van Gods trouw en leiding, Gods geduld, steeds weer.
Jozua wilde in geloof gaan, we kunnen gaan, Kanaän in, want God is aan onze zijde.
En toch, ze gingen niet, want er was geen vertrouwen in God.
We kunnen Kanaän niet binnentrekken, dat wordt onze ondergang!
Toen kwam het oordeel van God: het volk moet langer in de woestijn blijven
en van de huidige generatie mogen alleen Jozua en Kaleb het land binnen gaan.
Onder Jozua’s leiding trok het volk de Jordaan over en veroverden ze Jericho.
Nu is Jozua gestorven: Jozua de uittocht uit Egypte nog had meegemaakt,
De reis door de woestijn, die onderweg zoveel van God had gezien
en wist hoe de Heere Zijn volk steeds weer hielp.
Hoe gaat het verder als die kennis over God verdwijnt,
als niemand die geschiedenis zelf nog heeft meegemaakt
en het alleen van horen zeggen heeft.
Na de dood van Jozua – hoe gaat het met Gods volk als de weg van God
slechts nog een verhaal is dat niemand meer zelf heeft meegemaakt.
Kan het volk dat aan? Blijft het op Gods weg gaan?
Het is ook een vraag aan ons – wat gebeurt er met ons geloof en onze kerkgang
als er steunpilaren in het geloof wegvallen?
Wat gebeurt er als er iemand is, die voor jouw geloof van grote betekenis is geweest,
Verhuist of overlijdt – kun je dan op eigen benen staan, of ga je onderuit?

Het lijkt eerst goed te gaan: de Israëlieten vragen de Heere om raad.
Hier worden ze gepresenteerd als eensgezind: niet als onderlinge rivalen,
die elkaar niet willen helpen en met elkaar in gevecht raken, zoals verderop in Richteren.
Israëlieten – de naam die verwijst naar de bijzondere roeping,
om in het land Kanaän als volk van God te leven, naar Gods geboden,
Israël, niet alleen een bijzondere status als volk door God uitgekozen,
maar ook een volk met een roeping, om tot zegen te zijn,
om in een donkere wereld te laten zien hoe God deze wereld heeft bedoeld.
Ze vragen God om raad, om advies.
Heeft u dat ook wel eens gedaan bij een ingrijpende keuze?
Als u nadenkt over een ander huis of een andere baan?
Heb jij dat ook gedaan toen je een keuze moest maken wat je na je school ging doen?
Of toen je verliefd was en verkering kreeg, heb je God erbij betrokken, om advies gevraagd?
En hoe krijg je daar antwoord op? Je krijgt dat zelden rechtstreeks,
misschien eerder als je rust krijgt op een beslissing en je ervaart dat het goed was.
Maar als je wel antwoord krijgt van God zelf op wat je moet doen?
De Israëlieten krijgen antwoord: Juda moet als eerste gaan en dan ga Ik mee.
Het land dat voor Juda bestemd is, zal Ik geven.
Het land ligt klaar – Juda hoeft alleen maar te gaan
om het geschenk van God aan te nemen, voor Juda bestemd.
Geen woord over strijd die geleverd moet worden, geen opdracht om geweld te gebruiken.
Alleen maar: Ga! Ga in vertrouwen en het komt goed, daar zal Ik voor zorgen.
Is dat genoeg?
Juda gaat, maar doet eerst iets anders. Simeon wordt meegevraagd.
Hoe moeten we dat zien? Is dat de zorg van Juda voor zijn broer.
Samen optrekken. Zoals we nog wel eens zingen:
Schouder aan schouder in Uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Of is het anders? Het zou ook wel eens een gebrek aan vertrouwen kunnen zijn
God zegt wel dat Hij ons dat land geeft, dat het klaar ligt,
maar wonen er geen Kanaänieten? Zal er geen strijd geleverd moeten worden?
Moeten we niet wat hulp zoeken om sterker te staan.
Het lijkt heel mooi, maar het is een eerste stap bij de Heere vandaan.
Het inslaan van een weg bij de Heere vandaan gaat vaak heel subtiel.
Niet openlijk met een grote stap, maar met ontbreken van vertrouwen,
je gaat wel met God op pad, maar voor de zekerheid regel je toch iets anders.
zorg je ervoor dat je iets hebt, voor het geval God je niet zo blijkt te helpen als beloofd.
Hier bouwt Juda niet alleen een extra zekerheidje in voor het geval God niet thuis geeft,
maar grijpt Juda ook nog eens naar het middel van de macht.
Ik moet sterker staan, dan kan ik die Kanaänieten de baas.
Desnoods met geweld, samen staan we sterker.
Juda heeft succes en dan kunnen we zeggen dat God met hem is.
Zo verkeerd is het blijkbaar niet om Simeon mee te vragen.
Een klinkende overwinning: 10.000 man verslagen!
Een complete overwinning.
De vijand die zo sterk werd geacht, waardoor er extra steun nodig zou zijn:
wordt vernietigend verslagen.

Hoe kan dat nu, dat geweld in de Bijbel?
En dan ook nog eens geweld in naam van God?
Er zijn heel wat Nederlanders die als het gaat om geweld in de Koran zeggen:
maar in de bijbel kunnen ze er ook heel wat van.
We zien dat hier: alle Kanaänieten moeten worden gedood. Zodat Israël het land krijgt.
Maar is dat wel zo? Geeft de Bijbel hier een vrijbrief voor geweld?
Ook hier is het nodig om goed te lezen:
De koning die verslagen wordt, was zelf een geweldenaar, die nergens voor terugdeinsde:
70 koningen aangevallen en verslagen en hen hardhandig aangepakt.
De levens van die koningen die overwonnen waren, waren niet in tel.
Om te voorkomen dat ze in opstand zouden komen, worden de duimen en tenen afgehakt.
Doordat ze geen duimen meer hadden, konden ze geen speer of zwaard vasthouden
en zonder de grote tenen konden die koningen niet meer goed lopen.
Koning Adonibezek, die 70 koningen overwonnen heeft, maakt ze bespottelijk.
Ze zijn voor hem niet meer waard dan honden die de kruimels opeten die van de tafel vallen.
Het zijn geen mensen meer voor hem, maar uitschot.
Misschien kent u wel de verhalen van hoe Syriërs
worden gemarteld in de gevangenissen van Assad.
Niet meer in tel als mens.
Dan zegt Adonibezek, de koning die verliest van Juda: Nu dit met mij ook gebeurt,
is dat een straf van God. Boontje komt om zijn loontje.
Had ik maar niet zo wreed moeten zijn, ik moet niet raar opkijken dat God mij dit aandoet.
Maar vertelt Richteren dit aan ons door om te laten zien hoe God het onrecht straft?
Nee, er is een andere reden:
Juda gaat nog verder de fout in. Het begon al klein, bij gebrek aan vertrouwen,
Nu in de behandeling van de overwonnen koning zien we
dat het grote gevolgen kan hebben als je God uit het oog verliest.
Want het afhakken van duimen en tenen is de stijl van Kanaän.
Israël was bedoeld om te laten zien dat het anders kan: Gij geheel anders.
In een wereld van geweld, van wreedheid, het recht van de sterkste,
was Israël geroepen om te laten zien dat God een andere weg gaat.
Het kwetsbare Israël. Eén stam alleen die moet optrekken zonder hulp van anderen.
God kiest niet de weg van macht, van grote aantallen
En hoewel er vaak in de Bijbel gesproken wordt van geweld,
gebeurt dat niet omdat God geweld verheerlijkt en een gewelddadige God is.
Eén van de twaalf stammen wordt op pad gestuurd, kleiner dan het volk in zijn geheel.
Het is wat Paulus later noemt: Gods kracht wordt in zwakheid volbracht.

De Kanaänieten staan voor een andere levensstijl: geweld, minachting van je vijand,
ontmenselijken van je tegenstander, als een dier, een hond behandelen.
De Kanaänieten zijn daarom vijand van God, zoals Egypte dat ook is, de farao,
Die een hard bewind voerde en niemand ontzag,
zoals Assyrië, een andere grootmacht, met enorm veel geweld landen veroverde
En Babylon door veel wreedheid te gebruiken de wereld kon veroveren.
Kanaänieten, zijn net als de Egyptenaars en Babyloniërs machten van de dood,
die alleen de taal van geweld en onderdrukking kennen.
Om te laten zien dat God geen geweld hoeft te gebruiken, moet Juda alleen gaan,
zoals David, de kleine jongen, alleen ging tegen de reus Goliath.
Als David naar Goliath toegaat, zegt hij tegen de reus: Ik win van je,
omdat God wil laten zien dat je geen wapens nodig hebt om te winnen.
Vertrouwen op de levende God, de Heere van de legermachten,
die aan het hoofd van duizenden engelenlegers staan, dat vertrouwen is genoeg.
Maar wat doet Juda, als het de koning gevangen genomen heeft?
Juda hanteert de stijl van Kanaän.
Juda, geroepen om als volk van God een licht in een donkere wrede wereld te zijn,
heeft nog niet eens heel het land gekregen dat God zou geven
of hij gedraagt zich als Kanaäniet. Juda, zoon van Israël toont zich een heiden.
Ik ken verhalen uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente Oldebroek
Waarop het net zo ging: als het ging om welke richting het op moest gaan.
Dan konden er verschillende middelen ingezet worden om het doel te bereiken.
Hier houdt Juda een spiegel voor: Ook binnen de kerk kunnen we zomaar
Kanaäniet worden. Dan zeggen we: het doel is zo heilig – de eer van God!
De zuiverheid van de kerk! Of juist de andere kant op: meer ruimte voor ervaring, liederen.
We gaan dan niet meer als broeders en zusters met elkaar om,
maar verlaten de aanwijzingen van Christus
en vertrouwen er niet op dat Christus de gemeente bouwt,
maar dat wij dat maar moeten doen, ook al gaat dat niet al te christelijk aan toe.
Dan kunnen we zeggen: er is geen andere manier.
Wie de leiding heeft, moet vuile handen maken, moet wel eens beslissingen nemen,
en een aanpak hebben die niet altijd even sjiek is, niet zo christelijk.

Nee, zegt Richteren: het is de stijl van Kanaän.
Geweld is een gevaarlijk middel en als je denkt dat je in Gods naam moet handelen
maak je snel brokken.
Geweld kan je verteren, je kapot maken, al lijkt je strijd nog zo heilig.
Maar uiteindelijk is het ongeloof: je denkt dat God het niet doet,
dat de God van IsraËl niet strijdt, dat Christus Zijn gemeente niet bouwt
en dat we het daarom maar zelf moeten doen.

Maar is de weg van Israël dan wel te gaan?
Een weg in vertrouwen en het niet zelf uitvechten en voor elkaar maken
maar wachten totdat God het doet?
Kun je in de wereld vol Kanaänieten wel een Israëliet zijn?
Dat is toch de enige optie? Je kunt je niet ontrekken toch aan hoe het er aan toe gaat?

Daarom wordt ook het verhaal van Achsa verteld.
Achsa wordt de vrouw van Otniël, de eerste richter. Zoon van Kenaz.
Kenaz geeft aan dat Otniël bij de Kenieten hoort, een stam die Israël tegen kwam op reis,
Deze mensen hoorden niet bij Israël,
maar waren onder de indruk gekomen van de God van Israël.
Zij geloofden en traden toe tot het volk Israël en gingen erbij horen.
Hen tellen als in Israël ingelijfd en doen de naam van Sions kinderen dragen.
Zij geeft ook een voorbeeld voor hoe het moet.
Als ze een stuk land krijgt, dat niet zo vruchtbaar is, omdat er geen bronnen zijn,
kaart ze dat bij haar schoonvader aan.
Ze doet dat op een bijzondere manier: Ze zegt niet: “Ik heb er recht op!”
“Dat valt me van u tegen!” “U scheept me af!”
Nee, ze vraagt om een zegen – de zegen dat is Gods zorg en aandacht voor het land.
Gods betrokkenheid – Aan Gods zegen is alles gelegen.
Achsa houdt de spiegel voor: je kunt echt in vertrouwen op God gaan
en dan zal Hij ook Zijn zegen geven.
Je hoeft dat niet te bevechten als een Kanaäniet,
je hoeft dat niet op te eisen als een mopperende Israëliet.
Bidt en u zal gegeven worden, zoek en u zult vinden, zegt Jezus.
Achsa maakt het heel concreet. Zo houdt ze ook ons een spiegel voor.
Achsa biedt hoop: Als Israël een verkeerde weg inslaat
en niet laat zien hoe Gods volk hoort te zijn in deze wereld brengt God iemand,
Soms een enkele persoon om te laten zien dat het kan, in vertrouwen gaan.
Om met de woorden van de Bergrede te spreken: zout der aarde, licht op een berg.

In Richteren is er een profeet aan het woord,
De joden rekenen Richteren tot de (Vroege) Profeten die aan ons vraagt:
Leef je wel met God? Heb je echt dat vertrouwen?
Laat je je hart wel veranderen door God? Bepalen Zijn wetten je doen en laten
of kijk je naar wat je in de wereld om je heen tegenkomt.
Is aan je manier van omgaan met anderen te zien, dat je anders bent, anders hoort te zijn
of ben je Kanaäniet, net als alle anderen in deze wereld: Met jezelf bezig,
om je er boven op te werken, desnoods met je ellebogen, als jouw doel maar gehaald wordt,
een doel dat heel belangrijk kan zijn, heel heilig.
Het gaat om ons hart – bekering is niet alleen maar dat ons gevoel verandert
en dat we nadenken over God en Hem overal betrekken,
maar dat – zoals de doop dat zegt – we van binnen worden gereinigd.
De Kanaäniet in ons wordt uitgebannen en volk van God zijn in deze wereld
om te laten zien dat het anders kan.
Niet de weg van macht, niet de weg van mijn eigen gelijk, van wreedheid,
over lijken gaan, maar het in Gods handen leggen. Want Hij regeert.
Geef vrede, Heer, geef vrede, bekeer ons felle hart.
Deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart,
die onze mond leert spreken en onze handen leidt.
Maak ons een levend teken: uw vrede wint de strijd! Amen