Preek zondag 17 september 2017

Preek zondag 17 september 2017
Opening winterwerk
Schriftlezing: Johannes 9:1-7, 35-41

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulien is verliefd.
Paulien is verliefd op een jongen uit haar klas: Chris.
Al vanaf de allereerste dag dat hij bij haar in de klas kwam was zij op het verliefd.
Chris is de leukste jongen van haar klas, van de hele school.
Hij maakt leuke opmerkingen tegen de leraren, waar de hele klas om moet lachen.
Overal waar hij is, is een gezellige sfeer.
Paulien heeft echter een probleem, want Chris weet niet dat zij hem leuk vindt.
Ze vraagt zich zelfs af of hij haar wel ziet.
‘s Morgens bij het aankleden bedenkt ze zich welke kleren ze zal aantrekken,
zodat Chris haar ziet staan.
Op school probeert ze zo vaak mogelijk in zijn beurt te staan,
zodat ze met hem in gesprek kan raken.
Ze weet inmiddels welke route hij altijd naar huis gaat
en probeert het zo te regelen dat ze ook die kant op moet gaan.
Maar wat ze ook probeert, Chris heeft niet door.
Het lijkt wel of hij blind is.
Hoe langer ze verliefd is, hoe wanhopiger ze wordt.
Ze zou het wel tegen hem willen roepen: Doe je ogen toch eens open, blinde!
Haar vriendinnen zien het gebeuren.
Ze weten hoe verliefd Paulien is
en ze zien welke pogingen ze onderneemt  zodat Chris haar zal zien.
Ze vinden het zielig voor Paulien, maar ook komisch dat Chris helemaal niets door heeft.
Wat moet Paulien doen, zodat Chris het doorkrijgt dat ze op hem verliefd is?
Hoe gaan de ogen van Chris open?
Hoe krijgt ze Chris zover dat hij ziet dat het hart van Paulien helemaal vol is van hem?
Ze kan het zelf tegen hem zien. Ze kan het vriendinnen laten zeggen.

Vandaag gaat het in deze preek erom hoe onze ogen open gaan voor God.
En dat we zien dat Gods hart helemaal vol is van ons.
Net zoals Chris helemaal geen erg heeft in de verliefdheid van Paulien
kunnen wij als mensen er helemaal geen erg hebben dat God van ons houdt.
Wat moet God doen om ervoor te zorgen dat wij dat wel gaan zien?
We hebben gelezen over iemand die vanaf zijn geboorte blind is.
Deze man heeft nooit de zon kunnen zien, of de maan, de lucht, de bloemen, de vogels.
Nooit heeft hij het gezicht van zijn vader of moeder kunnen zien.
Hij weet niet dat er kleuren zijn.
Als hij ergens komt, waar hij niet bekend is, moet hij voorzichtig lopen om niet te struikelen.
Vaak moet hij bij de hand genomen worden en moet hem de weg gewezen worden.
Als de Heere Jezus met Zijn discipelen deze man tegenkomen,
is het de vraag van de discipelen hoe het komt dat deze man blind is.
Is dat een straf geweest? Hebben zijn vader of zijn moeder ooit eens iets slechts gedaan,
waardoor de Heere hen gestraft heeft met een zoon die niet kan zien?
Of heeft die man zelf ooit eens iets slechts gedaan, waarvoor hij met blindheid is gestraft?
Nee, het is geen van beiden, zegt de Heere Jezus.
Deze man, die vanaf zijn geboorte blind is, moet iets laten zien.
Deze man moet met zijn blindheid laten zien, dat het volk Israël blind is voor wat God doet.
Er zijn heel wat mens in Israël die niet geloven dat Jezus door God gestuurd is.
Er zijn wel gemeenteleden die zeggen:
Als ik in de tijd van de Heere Jezus had geleefd, dan had ik veel gemakkelijker geloofd.
Want dan zag ik de Heere Jezus. Dan zag ik welke wonderen Hij deed.
Dan hoorde ik Zijn stem en hoorde ik de verhalen die Hij vertelde.
Ik weet nietnf of dat veel uit zou maken. Misschien zouden we net zo blind zijn als Chris.
Deze man die blind is vanaf zijn geboorte moet met zijn blindheid laten zien
hoe velen in het volk Israël niet kunnen zien dat Jezus de messias, de Christus is
en dat Hij door God is gestuurd.
Deze man is blind, vertelt de Heere Jezus, zodat Ik kan laten zien
dat Ik gekomen ben om de ogen te openen voor God en voor Mijn taak in deze wereld.
Wat betekent eigenlijk om blind te zijn?
Je kunt geen kleuren zien, je kunt de gezichten van anderen niet zien,
je kunt niet zo makkelijk de weg vinden,
want je kunt niet vooruitkijken welke kant je op moet gaan
en je ziet ook niet welke kuilen er zijn, of welke obstakels waarover je zou struikelen,
Waar je tegenop zou botsen.
tegenwoordig kunnen blinde mensen vaak heel goed meedoen in onze maatschappij,
maar in die tijd moest je door anderen geholpen worden en was je afhankelijk van anderen.
Zo was het volk Israël: ze zagen het Licht van de wereld niet,
want Jezus zei van zichzelf: Ik ben het Licht van de wereld.
Als je in Mij gelooft, hoef je niet in het duister te wandelen.
Maar omdat er geen geloof is, wandelden de meesten in het volk van Israël
wel in het donker, ook al konden ze zien en hadden ze hun ogen open,
maar wat ze moesten zien, dat zagen ze niet.
Zoals Chris niet zag dat Paulien om hem gaf en verliefd op hem was.
Hij zag Paulien heus wel zitten, hij hoorde haar praten, hij zag misschien wat ze aan had.
Maar wat hij moest zien, dat zag hij niet.
Zo zag het volk Israël niet wat ze moesten zien: namelijk de liefde van God
die in de persoon van Jezus op aarde kwam.
Maar deze man, zo zegt Jezus, kan ook laten zien hoe het kan veranderen.
Hoe iemand bij iemand die blind is weer de ogen open kunnen gaan, zodat hij weer zien,
zodat zelf de weg kan vinden, zonder van iemand anders afhankelijk te zijn,
zonder steeds te struikelen, ja wat kun je allemaal niet als je weer kunt zien?
Jezus is gekomen om onze ogen te openen, zodat wij kunnen zien!
Zodat wij God aan het werk kunnen zien en kunnen begrijpen waarom Jezus gekomen is.
Dat Hij door God gestuurd is naar de aarde om voor ons aan het kruis te lijden en te sterven.
Als je dat niet ziet, dan ben je blind, ook al heb je je ogen open.

De Heere Jezus geneest een blinde man, zodat hij weer kan zien.
Dat is bijzonder.
In het Oude Testament zijn er geen verhalen over een blinde die genezen wordt.
En in de tijd van de Heere Jezus hoor je wel van andere mensen die konden genezen,
maar verhalen over iemand die genezen wordt van een blindheid zijn heel zeldzaam.
Genezen van een blinde was alleen iets dat God kon doen.
In het Oude Testament zijn er wel profeten die aankondigen dat blinden zullen zien en
dat als dat een gebeurt het een teken is dat er een bijzondere tijd van God is aangebroken.
Een tijd waarin je merkt dat God er voor Zijn volk is
een tijd waarin God bij Zijn volk op aarde woont.
Open je ogen, dat is wat Jezus de mensen om zich heen voorhoudt,
zie je niet dat in Mij God zelf aan het werk is.
God heeft Mij gestuurd, niet zomaar als boodschapper, maar als Zijn Zoon.
Met Jezus is God zelf op aarde gekomen.

Is het je trouwens opgevallen op welke manier de Heere Jezus geneest?
Met wat spuug maakt Hij modder en smeert dat op de ogen van de man die blind is.
Waarom zou de Heere Jezus dat doen.
Waarom legt Hij hem niet de handen op.
Waarom zegt Hij het niet gewoon: ‘Doe je ogen open, want ze zijn genezen.’
Ik begreep dat we daarvoor ook naar het Oude Testament moeten.
Ik hoor wel eens gemeenteleden zeggen dat zij het Nieuwe Testament mooier vinden
dan het Oude Testament, meer van deze tijd, of begrijpelijker.
Om het Nieuwe Testament te begrijpen moet je ook het Oude Testament kennen.
Je moet daarvoor helemaal naar het begin van de Bijbel.
Niet de allereerste bladzijde, maar het tweede hoofdstuk.
Daar staat hoe de Heere God de mens maakte. Adam, gemaakt uit stof.
Door van dat zand dat op de grond ligt modder te maken, een soort klei
laat de Heere Jezus zien dat Hij ook schepper is net als Zijn Vader.
Het scheppen van God heeft ook iets van boetseren,
iets moois van klei maken: een kruik of een mooi figuur, kunstig gemaakt.
Ook dat de man naar Siloam wordt gestuurd dat zou niet zomaar kunnen zijn.
Siloam heeft al een betekenis: dat betekent gestuurd.
Daarmee zou de Heere Jezus willen zeggen: Zie je niet dat Ik ben gestuurd?
Dat Ik gestuurd ben om van jou een heel nieuw mens te maken,
Ik was vroeger blind, maar nu kan ik zien.

Open je ogen.
Het zou ook best zo kunnen zijn dat jij geholpen moet worden om God bezig te zien.
Dat je nu helemaal niet met God bezig bent.
Je bent bezig met school, of met je sport, je bent bezig met het kiezen van een beroep.
Daarom zijn er clubs en is er catechisatie,
die zijn er om je te helpen.
Ze zijn er om tegen je te zeggen: doe je ogen open! Open je ogen!
Of als je wel kijkt, maar het niet kan zien, om je te helpen hoe je God bezig kunt zien
in jouw leven, waar Hij is in deze wereld als je niets van God ziet.
Dan zijn de clubs en de catechisaties er om jou te helpen met kijken.
Omdat de leiding en misschien ook wel de anderen op clubs of catechisatie
mensen zijn die zelf ook hebben moeten leren kijken.
Ze kunnen je vertellen hoe dat bij hen gegaan is, dat ze hebben leren kijken,
dat ze hebben leren zien hoe God aan het werk is, in deze wereld, in hun eigen leven.

Open je ogen.
Dat is een thema die landelijk is afgesproken bij de HGJB,
een christelijke organisatie voor jongeren, die er voor jongeren is
maar ook kerken wil helpen bij om de jongeren te leren geloven
en tieners en jongeren een plek te geven in de gemeente,
om met volwassenen, kinderen, ouderen God te leren kennen en Hem te dienen.
Deze commissie heeft het thema niet alleen uitgekozen om te zien
waar God aan het werk is – open je ogen … voor God,
maar ook dat je leert kijken, zoals de Heere Jezus,
die deze blinde man zag.
Want je kunt het ook gewoon vinden
en hoeveel mensen zullen er niet gedachtenloos langs hem heen gelopen zijn.
Ik weet dat van mijzelf dat toen ik met de trein naar de universiteit ging,
dan stonden er mensen te bedelen om geld, vaak zwervers.
In het begin keek ik altijd langs hen heen, ik wilde hen niet zien,
ook niet omdat ik geen geld wilde geven.
Maar ik leerde op een gegeven moment, dat het heel kwetsend is om je hoofd weg te draaien en iemand bewust niet te zien.
Toen ben ik maar begonnen om iedereen die stond te bedelen in ieder geval te begroeten
en een fijne dag te wensen.
Of het voor die mensen anders werd weet ik niet, wel voor mijzelf.
Ik ging hen als echte mensen zien. Ik ging ze zien
en toen ik ze vaker zag ging ik ze herkennen en dan leer je mensen steeds meer kennen.
Waarom is dat nou belangrijk?
Omdat je als christen ook iets van God laat zien.
Iemand die niets van God ziet, kan aan jou zien hoe God is.
Dat is niet de enige manier die de Heere God gebruikt,
maar het is wel een manier die Hij kan gebruiken.
Dat iemand die God niet kent, iets van God gaat zien,
omdat jij iets van God laat zien, omdat je hebt leren kijken, zoals de Heere Jezus keek.
Niet de mensen voorbij kijken, maar hen zien,
hen niet uit de weg gaan, maar op hen afstappen.
Daarom hebben wij elk jaar een winteractie, die gaat ook vandaag weer beginnen.
Niet alleen om geld op te halen, maar ook om met anderen bezig te zijn
niet om hen alleen te zien als zielig, die ons geld nodig hebben,
– We hebben het beter en we hebben meer, maar we zijn niet beter en we zijn niet meer – . maar als mensen, die ook door God geschapen zijn, voor wie Jezus ook gekomen is.
Open je ogen … voor God en voor de ander die net als jij God nodig heeft.
Amen




Advertenties

Preek kerkproeverij, 10 september 2017

Preek kerkproeverij, 10 september 2017

Komende zondagmorgen mag ik een kerkdienst leiden in Broek op Langedijk. De gemeente doet mee met “kerkproeverij”. Daar heb ik deze preek voor geschreven

Schriftlezing: Romeinen 1:1-17, tekst: vers 16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, gasten in ons midden,

Waarom zou u of jij eigenlijk van de kerk moeten proeven?
Is dat net als bij verschillende verenigingen om leden te krijgen,
omdat de vereniging anders niet meer kan draaien?
Mijn vrouw wilde met een vrienden samen wat tennissen.
Dat kon op de plaatselijke tennisbaan,
maar ze moest wel eerst lid worden van de tennisvereniging
en toen ze nog maar kort lid was kreeg ze al de vraag of ze in het bestuur wilde.
Ze heeft dat niet gedaan.
Is dat de reden, omdat de kerk hier wel wat extra mensen kan gebruiken
om het gebouw te vullen op zondagmorgen of zondagavond,
of straks in het bestuur van de kerk zitting kunnen nemen
Of mee kunnen helpen met activiteiten van de kerk?

Nee, u moet het eerder vergelijken met de muziekvereniging bij ons op het dorp.
Onze muziekvereniging wil tot de beste muziekkorpsen van ons land behoren,
doet ook mee met nationale concoursen en wint eindigt vaak heel hoog, soms zelfs eerste.
Om kwaliteit te blijven behouden, steken ze veel tijd in de opleiding van jeugd.
Ze betrekken kinderen en jongeren enorm om hen de waarde van muziek te laten ervaren.
Mijn dochter van 8 kreeg via een school een uitnodiging om te komen kijken,
Ze mocht aan aantal instrumenten uitproberen en kwam enthousiast terug
met de mededeling dat ze of bugel of schuiftrombone zou kunnen spelen.
Daar ben ik erg blij mij, want ik heb zelf wel iets met muziek
en vind het mooi als mijn dochter niet alleen maar muziek kan beluisteren,
maar zelf ook actief muziek kan beoefenen. Dat is voor haar een hele verrijking.
Zo is het ook met de kerk: we hebben iets voor u, voor jou dat je leven verrijkt.
En dat is: het leren kennen van God en leren om God in je leven een plek te geven.
Niet dat wij God in de aanbieding hebben,
maar net als de muziek, dat mijn dochter geholpen wordt om muziek te maken
om helemaal op te gaan in de muziek,
kunnen wij u helpen om in aanraking te komen met God
en kunnen wij u, jou helpen om meer van God te weten te komen
en kunnen wij meehelpen en meedenken, wat jij, wat u nou aan God kunt hebben.

Nu bent u, ben jij  meegekomen, omdat je een uitnodiging hebt gehad.
Je kunt best geaarzeld hebben: kerk, geloof, God – is dat wel iets voor mij?
Een van die aarzelingen zou kunnen zijn dat je bij jezelf denkt:
Ik ben niet zo gelovig en als je in een kerk komt,
dan heb je toch mensen die alles goed weten
die heel stellig zijn, over God, over wat je wel mag en wat je niet mag.
Maar zo is het niet: de kerk is niet een club mensen die alles over God zo goed weten,
wel een groep mensen bij elkaar, een gemeenschap,
die samen op zoek is naar God en meer over Hem wilt weten
en die elkaar wilt helpen, door elkaar te vertellen hoe je iets beleeft,
door elkaar op te zoeken en samen te luisteren naar een verhaal over God,
samen te zingen en bij dat alles iets van God te ervaren.
In de kerk weten we dat God er is en dat je naar God toe kunt gaan,
maar dat wil niet zeggen dat iedereen elke dag God heel duidelijk ervaart.
Ook voor mensen hier in de kerk kan God heel ver weg zijn.
Ik bezoek vaak mensen namens de kerk
en als er dan iets moeilijks in hun leven gebeurt, dan vragen ze zich af:
Waar is God nu?
Ze kunnen teleurgesteld raken, bij een echtscheiding, als iemand ziek die ze goed kennen
en die dan veel moet lijden en niet beter kan worden.
Pas sprak ik iemand die ouderling geweest is.
Hij zei tegen mij: het geloof zegt me niet zo veel meer.
Als ik naar het nieuws kijk, dan vraag ik me af waar God is en waarom Hij er niets aan doet.
Ik ga nog wel naar de kerk, maar ik verwacht er niet veel meer van.
Ik verwacht niet dat er in de kerk iets met mij gebeurt.
Dat is juist wel de reden waarom de meesten naar de kerk gaan.
Om toch iets van God te ervaren:
De een, omdat hij of zij in de week met zoveel zorgen te maken heeft
en die wil die zorgen kwijt, of even rust, even op adem, even bijtanken.
Een ander is weer heel dankbaar en wil juist dat tegen God zeggen.
Geloven kun je misschien wel alleen doen, maar juist met elkaar kun je elkaar helpen.
Als ik God niet begrijp, kan ik als iemand op bezoek komt
of op een avond waarop we bij elkaar zijn om de Bijbel te lezen, mijn vragen stellen.
Dan wordt er geluisterd en dat is al fijn.
Door bij elkaar te komen, zoals nu vanmorgen, dan denk je er weer aan
En samen zing je, je haalt geld met elkaar op voor een goed doel,
je luistert naar een verhaal waarvan je iets wilt leren
en na de dienst spreek je nog even met elkaar om te horen hoe het gaat.
Maar het gebeurt vooral, omdat je wilt dat God een plek in je leven heeft,
omdat er die ontdekking is geweest: als ik God geen aandacht schenk, dan mis ik iets.

Om dat uit te leggen kom ik terug bij wat we in de Bijbel hebben gelezen.
We hebben met elkaar een brief gelezen, die Paulus aan een gemeente schreef,
deze mensen woonden in de grote wereldstad Rome.
Paulus schreef deze brief onder andere om uit te leggen waarom hij nooit gekomen is,
ondanks dat hij dat had beloofd.
Toen Paulus nooit kwam, waren er christenen in Rome die begonnen te lachen om Paulus.
Paulus is een angsthaas, hij durft niet.
Hij geneert zich voor zijn boodschap.
Omdat hij die boodschap niet durft te vertellen, daarom komt hij maar niet.
Hij is bang dat hij hier bij ons in zijn hemd staat.
Nee, zegt Paulus, ik schaam mij niet
en dan legt Paulus iets uit over het geloof.
Het geloof heeft een kracht – nou niet het geloof zelf,
maar de boodschap van God, Paulus noemt dat evangelie
en dat betekent goed nieuws. Goed nieuws over God,
waarvan je opveert, waardoor je opgelucht wordt,
Waardoor je echt een heel ander mens wordt, omdat er een last van je afvalt.
Die boodschap die God voor ons heeft, is goed nieuws
en niet alleen nieuws waarvan je blij wordt,
maar ook nieuws waardoor je veranderd wordt, een ander mens wordt.
Er gebeurt iets met je, het raakt je, niet alleen maar als gevoel,
maar dat nieuws over God en van God gaat ook bepalen hoe je naar jezelf kijkt.
Dat evangelie is een kracht, en niet zomaar een kracht, maar tot behoud, tot zaligheid.

Nu kun bij kracht denken aan iets dat geweldig is, iets dat je echt merkt.
Paulus schreef in het Grieks en het woord dat hij gebruikt, dynamis, daar zit dynamiet in.
Het evangelie heeft een enorme kracht.
Sommigen merken da t als het alsof de bliksem bij hen inslaat, opeens dat besef:
er is een God en ik kan niet zonder God en ik moet zorgen dat ik Hem leer kennen.
Maar vaak is die kracht veel minder sterk te merken,
haast een onmerkbare kracht, eerder heel stil en zacht,
doordat je erover na gaat denken, hé wat als er een God zou zijn
en je gaat er meer over nadenken, je zoekt op internet,
of praat met een vriend of vriendin die gelovig is om meer te weten,
je neemt een uitnodiging aan om mee te gaan naar de kerk.
Allemaal grote stappen, maar het gebeurt, zonder dat je er zelf op uit bent,
je wordt meegenomen, het gebeurt.
Een kracht, een kracht die in je werkt, want je houdt het niet tegen.

In de kerk gaat het niet alleen over God, maar ook over Jezus,
of zoals zijn andere naam: Christus.
Met deze Jezus of deze Christus heeft dat goede nieuws over God alles te maken.
Want dat verhaal van Jezus betekent, dat God niet in de hemel bleef zitten
toen het op aarde mis ging.
God, die mensen had geschapen en heel de wereld, die de wereld bestuurt,
werd zelf mens: en dat gebeurde met Jezus. God werd mens, geboren uit een mens,
de familie van David.
God kwam in onze wereld
en waarom kwam Hij?
Omdat er bij ons mensen iets was gebeurd, waardoor we niet meer bij God konden horen.
Er zit in ons mensen ook een andere kracht: een kracht van jaloezie of haat,
een kracht waarmee het mooie dat er is kapot kunnen maken,
of een kracht die ons meeneemt op de verkeerde weg,
een kracht die ervoor zorgt dat we aarzelen als het om God gaat,
of Hem uit de weg gaan.
Er is iets misgegaan tussen God en ons, en dat lag niet aan God, maar aan ons.
Maar met Jezus die op aarde kwam zegt God: Ik maak het weer goed
en ik betaal daar zelf voor, Ik offer mijzelf op, om het weer goed te maken
waardoor jij weer bij Mij kan komen, bij Mij mag horen.
Al jouw fouten, naar God toe of naar mensen om je heen,
Heb ik weggedaan, dat gebeurde aan het kruis en dat kruis stond op Golgotha.
Sindsdien is er vanuit God een uitnodiging:
Kom weer naar Mij toe, je mag bij Mij horen. Ik wil jouw God zijn.
Er staat niets meer tussen ons in.

Dat we bij God mogen horen, is een geschenk. Hij geeft dat aan ons
En we hoeven er niets voor terug te betalen,
je hoeft het alleen maar aan te pakken.
Ik vergelijk het nogal eens met het busje van TNTPost, dat bij ons in de straat komt.
Bijna elke dag wel, want we wonen op een dorp met weinig winkels
En de winkelcentra zijn verder weg.
Elke dag is er wel iemand die een bestelling heeft gedaan,
die gebracht moet worden.
Stel dat er zo’n busje in de straat komt en stopt voor uw huis.
Er wordt aangebeld, ook al heb je zelf geen pakketje besteld.
Je doet open, omdat je denkt dat er voor je buren iets moet worden aangepakt.
Maar nee, jouw naam staat erop, het is voor jou.
Zou je dat weigeren? Ik denk dat je nieuwsgierig zou zijn, het zou aanpakken.
Zo is geloof ook een geschenk,
een geschenk van God, voor jou bestemd.
Je hebt het zelf misschien niet eens besteld, maar het is wel voor jou.
Je hoeft het alleen maar aan te pakken
en dat doe je door in jezelf te zeggen: ‘Voor mij? Dankuwel.’
En als je het aanpakt, dan hoor je weer bij God.
Dan heb je niet alleen zolang je leeft iets met God,
maar ook als je leven op aarde voorbij is.
Dan mag je later bij Hem in de hemel komen.
Maar niet alleen voor de hemel, maar zolang je hier op aarde leeft,
mag je dan met God leven.
Amen

Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Preek zondagmorgen 3 september 2017

Preek zondagmorgen 3 september 2017
Romeinen 1:16b –  Viering Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als we het eerste deel van het avondmaalsformulier lezen,
eindigen we altijd met een zin die niet zo makkelijk te begrijpen is:

wij zullen  er nochtans ten volle van verzekerd zijn dat geen zonde of zwakheid, die nog tegen onze wil in ons overgebleven is, ons kan verhinderen dat God ons in genade aanneemt en ons zo deze hemelse spijs en drank waardig en deelachtig maakt.

God maakt ons het brood en de wijn waardig en deelachtig.
Het is jammer dat die zin zo onbegrijpelijk is – ik moet die zin eens gaan aanpassen,
want juist die zin is de clou van de uitleg die over het avondmaal wordt gegeven.
Er wordt bedoeld dat God ons de waardigheid geeft om aan het avondmaal te gaan.
We hebben die waardigheid niet uit onszelf,
want de zonde heeft ons tegenover God geplaatst.
Door die zonde kunnen we niet meer bij God horen.
Maar er is iets gebeurd, waardoor God aan ons – ondanks onze zonde-
de waardigheid wil geven om te komen, om aan te gaan.
Niemand heeft uit zichzelf die waardigheid,
niemand kan zeggen: ik ben waardig genoeg, heilig genoeg, gelovig genoeg.
Niemand heeft die waardigheid, maar we kunnen die waardigheid wel krijgen.
Die waardigheid wordt gegeven.
Gegeven aan iedereen die gelooft, dat de Heere Jezus genoeg gedaan heeft,
iedereen die gelooft: Christus is ook voor mij gestorven,
Mijn zonden kunnen mij vergeven worden, van mij afgenomen worden,
want Christus stierf voor mijn zonden, in mijn plaats.
Aan het kruis nam Hij mijn zonden mee, Hij nam mijn zonden over.
Het is een ruil van Christus, eigenlijk een ongelofelijke ruil,
omdat Christus zoveel inlevert bij deze ruil.
Hij neemt onze zonden over – dat is wat Hij van ons krijgt,
en wat wij van Hem krijgen is zo ontzettend veel meer:
We krijgen Zijn heiligheid, Zijn waardigheid.
Wie aan het avondmaal zit daar alsof je Christus zelf bent
De waardigheid om aan de tafel te zitten wordt ons door Christus gegeven.
Hij geeft die aan ons, zonder dat we er recht op hebben
en we hebben er niet veel tegenover te stellen dan alleen onze zonden, een hele berg,
Maar Christus zegt: kom maar, geef maar, geef Mij maar je zonden,
want die heb ik meegenomen op Golgotha
en ik heb ook wat voor jou, dat veel beter is dan je zonden, veel beter dan je oude mens.
Geef die maar aan Mij en je krijgt er iets veel mooiers voor terug,
waardoor je bij Mij en bij Mijn Vader aan tafel mag zitten.
Het is als met de entree bij een feest: eigenlijk mag je er niet komen,
niet eens omdat je daar het geld niet voor hebt, maar ook omdat je een gebiedsverbod hebt:
je mag er niet komen – weggestuurd uit het paradijs,
maar daar is Christus en Hij komt op ons af:
Ik heb een uitnodiging voor jou, voor u.
Je had er wellicht helemaal niet op gerekend, maar je mag komen.
Ik zeg dit namens Mijn Vader en ik heb het in orde gemaakt
en Mijn Vader, die je ooit eens weg moest sturen, is het er mee eens,
het is zelfs Zijn idee om jou, om u uit te nodigen.
Hij wil niets liever dan dat je komt,
dat je komt om je zonden af te geven en mijn heiligheid te ontvangen,
de waardigheid te ontvangen om bij Mij aan tafel te zitten.
Ook je zonden niet, die je niet weg hebt kunnen krijgen in de afgelopen tijd,
waaraan je vast zat en waar je zo mee worstelde,
Waardoor je voelde: zo kan ik niet bij God komen
– kom maar, want die zonde kan die waardigheid niet wegnemen.
Ook als je beseft, mijn geloof schiet tekort – het maakt de uitnodiging niet ongedaan.
Kom maar, want het avondmaal is er juist voor
om je geloof te versterken,
om bij Mij te zijn – alleen dat al: bij Mij aan tafel, je hoort weer bij Mij,
je houdt weer van Mij – omdat ik van jou, van u houdt
en Mijn liefde heeft in jou, in u die liefde weer gevonden,
je hebt Mijn liefde beantwoord, misschien heel schuchter, of aarzelend.
Kom maar, want Ik ben het die je dat brood geeft – brood uit de hemel dat Ik je zelf aanreik.
En als je het aanpakt en proeft, denk er dan aan hoe Ik voor je gestorven ben.
Wijn dat je eraan herinnerd hoe Ik Mijn bloed gegeven hebt
Als je dat proeft, dan weet je weer: Mijn zonden zijn van me afgewassen. Ik ben van Hem!
Het evangelie is een kracht tot behoud,
want het zorgt ervoor dat je weer bij God kunt komen,
niet meer tegenover Hem, niet meer halfslachtig, op een afstand,
maar bij Hem aan tafel, omdat je bij Hem wilt horen van Hem wil zijn.
Het is een kracht die in je werkte, misschien heel klein begonnen,
omdat je iets ging missen in je leven, omdat er geloof voorzichtig begon te groeien
en het groeide door, omdat je ontdekt hebt: ik kan niet zonder Christus,
want zonder Christus ben ik zonder God en mis ik het belangrijkste
en kan ik God niet onder ogen komen, nu niet en ook niet als mijn leven ten einde is,
maar nu heb ik iets ontvangen, waardoor ik mag komen, nu
en ook straks als mijn leven voorbij is en ik voor God moet verschijnen,
ook dan kijkt Hij naar mij alsof ik Christus ben en mag ik komen,
niet omdat ik het zelf verdiend heb, maar omdat ik het gekregen heb.
Waardigheid ontvangen – en ook deelachtig gemaakt:
Dat betekent niets anders dan dat je het brood en de wijn ontvangt
van Christus zelf, dat ze je in gedachten meenemen naar Golgotha
en dat je het voor je ziet: Christus, die daar hangt, met je zonden.
Niet alleen bedoeld als een beeld dat je confronteert met wat er mis is, dat ook,
maar vooral ook om je te laten weten: Daar op Golgotha werden je zonden weggedragen.
Daar op Golgotha is het gebeurd, waardoor je nu mag komen,
bij Christus, bij Hem hier ook aan de tafel. Het wordt ons geschonken: Kom! Amen

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017
Schriftlezing: Romeinen 1:1-20
Tekst: 1:5

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze preek gaat over genade, het mooiste, het diepste waar het in de kerk over kan gaan!
Genade betekent: iets dat je krijgt, zonder dat je er recht op hebt of verdient,
sterker nog: je verdient het helemaal niet, je hebt er geen recht op en toch krijg je het.
Voor Paulus heeft genade alles te maken met God, die deze genade geeft.
Hij geeft aan mensen, aan ons, aan jou, aan u, aan mij, iets
Waar we geen recht op hebben
– een goedheid die God laat zien, zonder dat Hij daartoe verplicht is.

Genade als een geschenk, een cadeau van God, is bijzonder,
omdat het een breuk herstelt,
een breuk die ontstaan is tussen God en ons door onszelf.
Die breuk is er niet door God gekomen, maar door ons.
Die breuk is er gekomen – tussen God en ons, doordat wij als mensen hebben gezegd:
Wat God geeft is op zich wel best, maar niet genoeg,
we hebben meer nodig om echt een keuze te kunnen maken
tussen wat verkeerd is en wat goed is.
Wij willen dat zelf kunnen bepalen, zelf een inschatting kunnen maken
en dat God aan ons die keuze niet gegeven heeft,
laat zien dat God eigenlijk geen hoge pet van ons op heeft.
Weet je niet, zei de slang, dat je om echt mens te zijn, zelf de keuze moet kunnen maken
tussen wat goed is en verkeerd, dat je de keuze kunt overzien – God kan dat ook.
God heeft dat alleen maar achter gehouden, omdat Hij dat jullie niet gunt.
Zo werd er twijfel in ons hart gezaaid over God, twijfel dat wantrouwen werd:
Hoe kunnen wij God nu vertrouwen als Hij iets wezenlijks achterhoudt,
waardoor we echt mens zouden kunnen zijn
en zonder die keuze zijn we maar half.
Het is misschien goed bedoeld, ter bescherming van ons, maar we kunnen het zelf.
De breuk die er kwam, tussen God en ons, had ermee te maken
dat we niet meer onbevangen naar God konden kijken
en niet meer onbevangen, als dankbare schepselen, zijn zegeningen konden aanvaarden.
Sindsdien is het: bedoelt God het wel echt goed, zit er niet iets achter,
of houdt Hij niet iets achter, wat Hij ons niet wil geven?
We willen wel van God aannemen, maar onszelf niet helemaal overgeven aan hem.
OF er kan ook het effect zijn, dat we ons helemaal van God afkeren,
Dat we niets van hem willen weten en dat je tegenover Hem staat,
niet meer als iemand die bij Hem hoort, maar als iemand die vijandig gezind is, een tegenstander.
Het ingewikkelde alleen is, dat we dat kunnen camoufleren met heel veel godsdienst:
in de brief aan de Romeinen zijn dat aan de ene kant de heidenen,
die hun vijandige houding naar God toe verbergen onder het dienen van afgoden.
Heel gelovig, heel vroom, maar niet de echte God, niet de enige God die er is:
Vader, Zoon en Heilige Geest, maar nepgoden.
Voor Paulus is dat een manier om te verbergen dat je met God eigenlijk helemaal niets wil.
een andere manier, die ook in deze brief naar voren komt is die van de Joden,
die hun vijandschap verpakken in een vroom en toegewijd leven,
maar een leven zonder Christus en daarmee zonder God.
Er is op deze hele wereld niemand die uit zichzelf bezig is met God, met hoe God echt is.
Niemand die uit zichzelf God zoekt.

En dan genade: met genade grijpt God in, in het leven van mensen,
om die vijandigheid weg te doen,
om mensen die zich tegenover Hem hebben gesteld, in afwerende positie, in verzet,
– of dat nu openlijk is of gecamoufleerd –
te openen voor Hem,
zodat ze bij Hem gaan horen, zodat ze naar Hem toe gaan komen,
in Hem gaan geloven, Hem wel vertrouwen.
Onverdiend is het, wij konden uit onszelf niet zeggen:
U moet ons weer terugnemen!
Als dat al bij ons op kwam, dan hadden we geen enkele recht om aan te kloppen.
Wij, mensen, wij hadden het contact verbroken, wij gingen onze eigen weg,
Als we dat van onszelf al bewust waren, dat het een verloren weg was,
een weg bij God vandaan.
Genade is juist dat God komt, dat Hij dat wantrouwen wegdoet,
dat Hij alles herstelt wat door ons kapotgemaakt is
– Hij maakt het weer goed, Hij herstelt – terwijl wij het hadden vergooid, verbruid.
Genade is dat God een diepe knieval maakt, om onze rotzooi, onze puinhoop weg te doen
En daar zelf de rekening voor te betalen,
dat zelf te dragen.

Genade heeft alles te maken met Christus, Jezus Christus de Zoon van God,
die naar de aarde kwam, naar de mens geboren uit het geslacht van David
Jezus Christus, die niet alleen maar mens was, maar God
en wie dat niet zag bij het kruis kon dat zien bij de opstanding,
toen Jezus uit het graf kwam, Hij die in de dood was, de macht van de dood verbrak,
weer levend werd, toen werd het helemaal zichtbaar wie Christus was: de Zoon van God.
Paulus spreekt hier nog niet over het kruis op Golgotha,
maar dat hoort er voor hem volop bij.
Dat Jezus opgewekt werd uit de dood, werpt wel een nieuw licht op het kruis.
Toen Jezus uit het graf kwam en de macht van de dood bleek te hebben overwonnen,
was het duidelijk dat het kruis op Golgotha geen mislukking is,
geen fatale afloop van wat iets moois had kunnen worden,
maar dat het kruis onderdeel was van het plan van God
om genade aan mensen te geven.
Al onze zonden zijn vergeven, zegt het avondmaalsformulier,
en dat is enkel en alleen gebeurd, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is helemaal betaald, de schuld is helemaal weg, er hoeft niets meer bij.
En dat wordt ons nu gegegeven: alsof u dat zelf voor elkaar had gekregen.
Genade is dat God niet naar ons oude leven kijkt, waar die breuk is,
een kloof tussen God en ons die wij zelf hebben veroorzaakt
en die wij zelf niet kunnen overbruggen,
maar dat God naar ons kijkt, alsof Hij naar Christus kijkt.
Hij kijkt naar ons en ziet Christus staan.
Hij ziet geen zondaren meer, geen mensen die Hem afwijzen of uit de weg gaan,
geen mensen die niet bij Hem horen,
maar Hij ziet mensen naar wie Zijn liefde uitgaat:
geliefden van God, zo worden de gemeenteleden in Rome genoemd.
En daarmee bedoelt Paulus niet dat God van hen houdt,
omdat deze mensen zijn gaan geloven,
nee Gods liefde was er eerst en deze mensen hebben gehoor gegeven aan Zijn liefde,
hebben zich laten winnen door de liefde van God
Geliefden van God, als er al iets van hun kant in zit, is dat die liefde in hun hart is gekomen,
dat ze vanuit die liefde zijn gaan leven,
dat Gods liefde in hun hart gekomen is,
dat hun hart door Christus wordt bewoond en niet meer door de zonde.
Bij deze mensen in Rome is gebeurd, wat er ook bij Paulus is gebeurd:
Genade – genade dat je bij God mag horen, dat je in Zijn dienst mag komen,
dat Zijn liefde in je hart komt,
dat je alleen van Hem nog wilt zijn en van niets of niemand anders.
Elke keer als Paulus daarover spreekt, is er verwondering, verbazing,
dat die genade er ook voor hem is,
Want als er iemand is, die deze genade niet verdiende, die tegen God inging,
die God tegenwerkte was hij dat wel en toch: ook voor hem genade.
En die verwondering heeft Paulus ook, als hij ziet dat in Rome
er ook mensen zijn die deze genade ontvingen, voor wie het ook was.
Ik hoop ook, dat u, dat jij die verwondering kent, dat je verbaasd bent,
op een positieve manier verrast, dat God ook in jouw leven wilde komen,
dat die genade er ook voor u is.
Al mijn zonden vergeven, alleen om het lijden en sterven van Christus.
Dat wordt mij geschonken!
En volgende week mag ik in alle verwondering aan de tafel gaan,
de tafel van Christus, de tafel waarop de genade zichtbaar wordt:
– in het brood dat gebroken wordt,
Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– de wijn die wordt uitgegoten
De beker van de dankzegging, waarover wij de dank uitspreken
is de gemeenschap met het bloed van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
is vergoten tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– in de vele plaatsen die er om die tafel zijn: ook voor u, voor jou de genade van Christus!

Om die genade te ontvangen zijn er geen voorwaarden.
Ja, het avondmaalsformulier noemt 3 voorwaarden:
dat je ziet hoe hopeloos het met je gesteld is zonder Christus,
dat je de genade wilt aannemen
en dat je je door die genade laat veranderen tot een nieuw mens,

Die voorwaarden laten alleen maar zien, dat het zo, zonder genade, zonder Christus
niet verder kan en dat er iets moet veranderen
en dat er ook iets kan veranderen, omdat God dat heeft gedaan,
omdat Christus op aarde is gekomen.

Soms kun je weten dat er iets met je mis is, omdat je dat zelf merkt.
Iemand die last van zijn gezondheid heeft, gaat naar de dokter toe,
voor een onderzoek, voor medicijnen, voor een behandeling.
zo gaan we naar Christus toe, voor die genade.
Maar niet altijd weet je dat er iets met je mis is,
omdat je op dat moment nog niet iets verneemt.
Ik heb dat wel gezien dat mensen met een onderzoek meededen
en verwachtten dat er niet zo veel zou uitkomen, want ze voelden zich goed
en dat er uit het onderzoek heel iets ingrijpends naar voren komt.
Dat is wat het avondmaal ook laat zien:
Het zit goed fout en als er niets gebeurt, gaat het de verkeerde kant op,
dan kom je, als je leven ten einde gaat niet door het oordeel heen
en is er geen plek in de hemel.
Maar die uitslag, dat inzicht is bedoeld om er wat aan te doen
om van Christus die genade te ontvangen,
het formulier bij het avondmaal is heel scherp, niet om ons weg te sturen,
maar juist om wat mis is aan het licht te brengen, zodat er wat aan gedaan kan worden,
zodat Christus, onze arts, ons kan genezen, Zijn medicijn kan geven: Zijn genade.

Als je inziet, dat het zo – zonder Christus  – niet kan,
dan wijst God je niet af, maar dan neemt Hij je aan, dan neemt Hij je in genade aan,
dan is er een plek aan de tafel,
om dat medicijn te ontvangen: brood waarin je de liefde van Christus proeft,
waarmee je het weer weet, weer proeft, hoe daar op Golgotha
Jezus zich gegeven heeft,
wijn waarmee je weer weet, dat alles wat verkeerd is, wat jij verkeerd gedaan hebt,
weggewassen kan worden doordat Jezus gestorven is, Zijn bloed heeft gegeven.
Het is een geschenk – een kostbaar geschenk, dat je mag ontvangen,
dat er voor u is, het wordt gegeven:
Neem het aan. Ontvang het!

Het is een kostbaar geschenk: God heeft er alles voor over gehad,
Christus heeft alles gegeven.
Er zijn cadeau’s, bijvoorbeeld met een verjaardag, of een afscheid,
die je niet gebruikt, die je hebt staan, waarmee je niets doet, staan in de weg,
maar als iemand zo’n groot geschenk geeft, als iemand zijn leven geeft,
om jou alles te geven, om je te redden van een verkeerde weg,
dan kun je dat toch niet anders dan aannemen,
dat kun je dan toch niet naast je neerleggen, daar niets mee doen?

Ja, kostbaar is het, genade is niet goedkoop.
Het wil ook effect op ons hebben: gehoorzaamheid.
We moeten gaan luisteren naar God, alleen maar van Hem zijn.
U alleen, U behoor ik toe.
In het avondmaal gaat het er niet om, dat we foutloos zijn,
dat we die gehoorzaamheid in praktijk kunnen brengen,
zonder dat we dan nog enige fout maken.
Het gaat om een verlangen, dat we gehoorzaam willen zijn.
Dat is al genoeg voorwaarde: dat je niets meer anders wilt
en dat wanneer je dat niet kunt zijn, gehoorzaam, dat je er dan aan lijdt,
omdat je weet: ik doe God tekort, ik doe mijn Redder, mijn Heiland tekort.
Gehoorzaam zijn is ook dat je komt naar het avondmaal,
ook al is je hart bezwaart en durf je het niet, omdat je al je zonden ziet.
want dan doe je alsof die genade er niet voor je is,
alsof er voor u geen vergeving is.
Uiteindelijk is dat een uit de weg gaan van God,
ook al neem je God heel serieus.
Avondmaal zegt: God wil ons niet uit de weg gaan,
Hij neemt ons serieus, ook in onze zonde,
want daarvan wil Hij ons juist bevrijden en reinigen.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

Amen

Preek zondagmorgen 20 augustus 2017

Preek zondagmorgen 20 augustus 2017
Afsluiting VakantieBijbelWeek 2017 (T)op Survival

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijna twaalf uur en het begint al warm te worden,
te warm om nog iets te doen.
Toch loopt er iemand door de warmte om een klus te doen.
Het is een vrouw met een kruik om water te putten.
Je zou benieuwd zijn, waarom deze vrouw op dit tijdstip naar de put gaat
want water putten met deze warmte is geen doen.
Zou ze dat doen, om geen andere andere vrouwen tegen te komen?
vrouwen die over haar spottend aan kunnen kijken: ‘Jij hier, jij durft!’
vrouwen die verontwaardigd kunnen reageren als zij bij de put komt: ‘puh!’
of die met elkaar gaan smoezen en betrapt kijken,
omdat zij de roddels over haar toch opvangt.
Zou ze dat doen, om andere mensen uit de weg te gaan,
mensen die met haar geen raad weten, omdat ze een relatie met een man heeft,
waar het hele dorp over praat: ‘ze is niet getrouwd, moet je zien hoe ze leeft.’
‘Ik snap niet dat die man het bij haar uit houdt.
Ze heeft al 5 andere mannen gehad. Die mannen houden het niet bij haar uit.
Dan moet ze wel een vrouw zijn met wie je moeilijk samen kunt leven.’

De vrouw loopt daar door die warmte over de weg naar de waterput.
Af en toe schuilt ze misschien in de schaduw, maar ze gaat verder.
Het is voor haar een hele survival om daar te komen, een zware tocht,
met een kruik een eind lopen terwijl het warm is
En dan terug met een volle kruik water, een hele tocht.
En het zou best kunnen zijn dat haar hele leven een survival is,
dat er allerlei lastige hindernissen zijn, die ze steeds weer moet overwinnen,
de nare dingen die de mensen om haar heen over haar zeggen,
dat ze voelt dat er over haar geroddeld wordt,
en dat ze er niet in slaagt om een relatie goed te houden,
Dat de mannen met wie ze getrouwd is overlijden, of bij haar weg gaan.
Dat zal haar reputatie geen goed gedaan hebben
en dat geeft aan, dat het leven voor haar niet makkelijk is,
een overlevingstocht met veel hindernissen, elke dag weer een survival.

Ook in Oldebroek zijn er mannen en vrouwen, kinderen en jongeren
voor wie het leven elke dag weer een survival is,
een gescheiden moeder, die alleen de zorg voor de kinderen heeft
en daarnaast ook nog moet werken,
een gezin dat te weinig geld heeft om eten te kopen,
omdat er schulden zijn, of omdat beide ouders niet kunnen werken.
Volwassenen die zich schamen voor zichzelf, omdat ze een verslaving hebben
en daarom helemaal bedenken wanneer zij het beste naar de Emté kunnen gaan
om niemand anders tegen te komen.
Dat kan een tiener zijn, die het idee heeft: ‘Ik ben voor niemand belangrijk.
Niemand die mij ziet, niemand die mij echt kent.’

800_300_1_239031_0_nl_2017_vbw_map_web

Dan komt ze bij de put.
Wat zal ze geschrokken zijn dat daar een man zat.
Net zoals je als tiener bij jezelf kunt denken: ‘Als hij maar niet iets tegen mij zegt.’
En als hij dat wel doet, dat je voelt dat je rood wordt
en niet goed weet wat je moet zeggen.
Zo zal het ook bij deze vrouw geweest zijn.
Ze aarzelt om naar de put te gaan, want ze ziet dat het een man is, een Joodse man,
en ze weet dat het Joden niet toegestaan is om met mensen zoals zij om te gaan,
ze is een Samaritaanse
– dat heeft in deze tijd de betekenis ongeveer van een christelijke man
die een moslima of een vrouw die Jehova-getuige is tegenkomt.
En misschien weet ze ook wel, dat er Joodse geleerden waren in die tijd,
die heel streng waren en van mening waren
dat je als man niet een gesprek mocht beginnen met een vrouw.
Als hij me maar niet aanspreekt …

…. en dat doet hij toch: “ Geef mij water.”
Verbaasd kijkt ze de man aan: “ Hoe kunt u dat aan mij vragen.
U ziet toch dat ik een vrouw ben en ook nog een Samaritaanse.
Dat mag u toch helemaal niet aan mij vragen.”
“Je kent me niet, zegt de man, “anders had je aan mij die vraag gesteld.
Dan had je aan mij gevraagd: “ Geef mij te drinken.”
Ze snapt er helemaal niets van:
“ Nee, ik ken u niet en ik zie niets waarmee u water uit de put zou kunnen halen.”
“ Ik geef je ander water,”  zegt de man, “water dat je niet uit deze put kunt halen.
En het water dat ik je geef, is zo bijzonder, je krijgt daar nooit meer dorst van.
Het is zulk bijzonder water: je wordt er zelf een bron van,
anderen kunnen van jou dat water krijgen.”
Nooit meer dorst hebben, dat lijkt deze vrouw wel wat.
Dan hoeft ze nooit meer die zware tocht, nooit meer die survival te ondernemen
om hier bij de bron water te putten.

Wat zou dat voor water zijn, waar deze man over spreekt?
Zou er echt iets bestaan, waardoor je nooit meer dorst zou krijgen?
Over welke dorst zou deze man het hebben?
Over gewone dorst?
Of zou het gaan om iets waarmee ze graag geholpen wil worden.
Iets wat haar zelf niet lukt, maar wat ze wel graag zou willen.
Iemand die haar helpt om een goede relatie te houden,
zodat de mannen niet bij haar weg gaan, of sterven,
dat ze iemand wordt die wel iets voor elkaar krijgt,
al is het maar om gelukkig te zijn met een man
en gelukkig te zijn, zonder dat anderen in haar omgeving haar veroordelen.
Zou het om nog een ander verlangen gaan?
Verlangen om bij God te mogen horen?

Als een hert dat verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar U,
U alleen kunt mijn hart vervullen.

Je weet niet wie ik ben, zegt de man tegen die vrouw.
We weten het wel, we hebben het gelezen: het is de Heere Jezus.
Hij moest daar zitten, hier bij de put, om deze vrouw te ontmoeten.

Het is twaalf uur als deze vrouw en Jezus elkaar ontmoeten
en met elkaar in gesprek gaan.
Er is in het evangelie van Johannes nog een keer sprake van 12 uur.
Wie weet dat?
Het staat in Johannes 19:14.
Om twaalf uur wordt het startsein gegeven om Jezus te kruisigen.
Dat Jezus zal sterven aan het kruis, heeft met deze vrouw te maken.
Aan het kruis neemt Jezus alle zorgen van deze vrouw mee,
al het verdriet, alle pijn die ze heeft, alle spot en vernedering die ze heeft meegemaakt,
en ook de afstand tot God, alle fouten die zij heeft gemaakt in haar leven.
De Heere Jezus neemt dat allemaal mee, naar Golgotha.
Er zijn 7 kruiswoorden: 7 zinnen die de Heere Jezus aan het kruis heeft gezegd.
Misschien heb je ze wel geleerd op school, of thuis.
Ik denk dat er wel volwassenen zijn, misschien de ouderen, die ze hebben moeten leren.
Ik ben op zoek naar het vijfde kruiswoord.

“ Mij dorst” Ik heb dorst.
Dat is eigenlijk wat die vrouw had: dorst.
Jezus zegt: Ik ken je dorst om gelukkig te worden, om echt gezien te worden,
om bij God te horen, je verlangen dat je fouten van je afgenomen worden
en het verkeerde wordt weggedaan,
je dorst om eindelijk echt iets goed te doen, iets te kunnen betekenen voor God,
voor je vader of moeder, voor je man of vrouw, voor je vriend of vriendin.
Het kruis wordt een bron.
Misschien ben je in de vakantie wel bij water geweest:
aan zee, aan een beek of bij een waterval.
al dat water komt ergens vandaan: elke beek heeft een bron
van waaruit het water langs je stroomt.
Zo wordt Jezus aan het kruis een bron: levend water komt naar je toe.
Dat levend water is: Gods liefde, is de Heilige Geest.
Dat zegt Jezus tegen deze vrouw: je krijgt van Mij Gods liefde, je krijgt de Heilige Geest.
Ook al ben je een vrouw, ook al ben je een Samaritaan.
Je bent niet minder: al waren geleerden niet zo positief over vrouwen,
bij de Heere Jezus zijn ze wel belangrijk,
na de opstanding zijn de vrouwen de eersten die Jezus zien als levende
en de eersten die over Hem vertellen.
Ook deze vrouw gaat terug om over Jezus te vertellen.
Ook je afkomst is geen belemmering,
en ook als je niets goed kunt doen in het leven, als alles mislukt,
dan zegt Jezus tegen je:
Gods liefde is er ook voor jou, ook jij mag de Heilige Geest ontvangen.
Ook al is je leven een survival, elke dag enorme hindernissen die je moet overwinnen
Jezus zegt ook tegen jou: als je eens wist wat ik je zou geven,
als je eens wist, dat je Gods liefde, als je de Heilige Geest van mij kan krijgen,
dan zou je er om vragen.

maxresdefault

Nu kun je bij deze vrouw denken: zij heeft veel problemen in haar leven
en als zij haar problemen bij Jezus brengt, dan lost Hij ze op.
En dan denk je bij jezelf: ik heb helemaal niet zulke grote problemen.
Met mij gaat het eigenlijk best goed,
heb ik dat levend water van Jezus dan wel nodig?
Ja, iedereen heeft dat water nodig, dat levend water, die liefde van God en de Heilige Geest.
Niemand kan zonder God, niemand kan zonder de Heilige Geest en zonder Gods liefde.
Aan het kruis wordt Jezus een bron, zodat die liefde, zodat de Heilige Geest
naar iedereen toe kan stromen, naar jou, naar alle mensen op deze wereld.
Er is geen enkele belemmering meer om bij God te mogen komen.

Hij heeft voor mij een routeboek.
En als ik toch een keer verdwaal,
gaat Hij zelf naar mij op zoek.

Ik ga achter Jezus aan, hoe de weg ook gaat.
Hij is de beste Gids die er bestaat (Themalied VBW 2017)
Amen

Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.