Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Preek zondagavond 2 juli 2017

Preek zondagavond 2 juli 2017
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 36 begint met een innerlijke stem:
De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart.

Er zijn heel wat stemmen in onszelf,
ook als je in een kerkdienst aan de avondmaalstafel zit:
– ‘Heb ik er wel goed aan gedaan om naar de tafel te komen,
Want ik heb er in de afgelopen tijd niet echt naar geleefd.’
– ‘Het avondmaal wordt altijd als iets bijzonders gebracht, maar ik voel van binnen niets.
Hoor ik wel iets te ervaren? Doe ik het niet goed, omdat ik niets binnen in mij merk?’
– ‘Wat is het fijn om bij Christus te zijn en mijn zonden achter te laten.
Ik neem mij voor om de komende tijd echt uit Christus te leven.
Ik was vanmorgen zo heel dicht bij Christus, dat wil ik echt vasthouden de komende tijd.’

Daar is avondmaal ook voor bedoeld, dat je de stem van Christus weer verneemt
En dat je je in de komende tijd ook weer laat leiden door Zijn stem
dat je niet ingaat om de andere stemmen die er zijn, die ook in je kunnen klinken.
Psalm 36 begint ermee dat bij bepaalde personen een andere stem klinkt,
die veel overheersender is, een stem waardoor iemand zich laat leiden.
De zonde die diep van binnen in iemand klinkt,
een stem die van binnen zegt: trek je niets aan van God.
Je hoeft in je doen en laten niet met God bezig te zijn.
Trek je eigen plan, een weg zonder God.
Het is voor iemand die gelooft een afschrikwekkend voorbeeld:
Zo wil je niet leven, zo los van God en alleen je eigen plan,
zonder dat je jezelf rekenschap geeft van God.
Je kunt juist dankbaar zijn, dat er in je eigen leven een andere stem heeft geklonken,
de stem van Christus, die je geroepen heeft om naar Hem toe te gaan,
een stem die in de afgelopen week misschien weer heel duidelijk geklonken heeft:
‘Zondag is het avondmaal. Kom naar de tafel en ontvang van Mij brood en wijn,
als tekenen van Mijn genade,
kom bij Mij aan tafel zitten, maak deel uit van Mijn gemeenschap,
kom een stukje brood nemen, kom een slokje wijn drinken,
proef dan weer Mijn genade, weet dan weer dat Ik voor jou aan het kruis ben gegaan.’

Je zou willen dat deze stem steeds de enige stem is, die in je klinkt,
die je luid en duidelijk de weg wijst, die je steeds meeneemt
en ervoor zorgt dat je naar al die andere stemmen niet meer luistert.
Toch klinken die andere stemmen nog steeds.
En dan zal het vast niet zo extreem zijn als bij de goddeloze,
waarbij alleen de zonde het voor het zeggen heeft
en waarin de stem van God wordt bespot: aan God heb je niets, zonder Hem ben ik beter af.
In de eerste dagen zul je zulke stemmen nog negeren of het zwijgen op willen leggen,
waarbij je aan de afgelopen zondag terugdenkt, en het brood en de wijn haast nog proeft,
en je jezelf nog ziet zitten aan de tafel,
je weet nog wat er door je heen ging, dat het weer indruk op je maakte,
wat Christus voor je heeft over gehad, dat het je weer greep: Christus is voor mij gestorven!
En je herinnert je nog heel duidelijk dat je het had voorgenomen,
om in de komende weken dicht bij Christus te blijven en alleen naar Hem te luisteren.
Misschien ook omdat er in de afgelopen periode juist de klad in gekomen was
en je wist, dat moet ik niet weer laten gebeuren,
want dan gaat het mijn geloof achteruit en dan raak ik Christus uit het oog.
En vanmorgen, bij het avondmaal was Hij er weer,
was er weer Zijn brood en wijn, was er weer die genade,
was het zoals Psalm 36 dat bezingt:
Zij worden verzadigd met de overvloed uit Uw huis;
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.
Het is iets wat je meekrijgt voor de komende weken, waar je op mag teren
en je zou het willen dat het er steeds weer voor je is,
zoals vers 11 in de NBV is vertaald: Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde.
Gedurig: aanhoudend, onophoudelijk, constant.
Laat er geen dag voorbij gaan zonder iets te zien, te merken van die liefde.
Laat mij steeds weer terugkomen bij die bron van het leven.
Want anders drogen wij net zo uit als het gras dat om het huis staat,
het is droog en bruin, het groeit lang niet zo goed als wanneer er water genoeg is.
Zo kunnen wij ook niet zonder die constante aanstroom van liefde.
En als er momenten zijn waarop ik vergeet om naar die bron te gaan,
dagen waarop ik vergeet om dit water van het leven te drinken,
zorg dan dat ik stil kom te staan, laat mij niet verder gaan zonder U.
Dwing mij desnoods om U weer onder ogen te komen,
want al denk ik dat ik zonder U kan, ik houd het echt niet lang uit.

Hoe voorkom je nu dat deze stem verdrongen wordt, door die andere stem
waar de psalm mee begint, de stem die diep van binnen kan klinken,
maar die je juist een andere weg wilt doen gaan, niet Gods weg,
maar bij Hem vandaan.
Ook in de komende tijd zullen we geen volkomen geloof hebben,
ook in de komende tijd zullen we God niet altijd met zo’n ijver dienen als we horen te doen,
ook in de komende tijd hebben we elke dag weer opnieuw strijd te voeren
– strijd omdat ons geloof en vertrouwen vaak zo zwak is,
– strijd omdat we de tekenen om ons heen, die spreken van Gods trouw en liefde niet horen:
hoog als de hemel is Uw liefde en tot de wolken Uw trouw
we horen deze stem die van Gods goedheid en liefde spreekt vaak niet.
er is strijd, omdat ook in ons die zonde blijft spreken,
wij komen daar niet helemaal los van,
We bevinden ons tussen twee werelden:
De wereld van de goddeloze en de wereld van God
en van beide kanten wordt aan ons getrokken:
Als een strijd die om ons gevoerd wordt, van God en de zonde,
van de boze, die aan ons trekt, die ook een stem in ons heeft, en tot ons spreekt,
die verleiding in ons kan laten opvlammen en daarbij ons geweten in slaap sust,
door te suggereren dat het helemaal niet zo erg is dat je je laat gaan.
Want iedereen doet dat, en niemand is perfect, de boog kan toch niet altijd gespannen staan.
Aan het einde van de psalm klinkt het besef door,
dat de boze je kan meetrekken, voor ons te sterk kan zijn.
Er klinkt een gebed om geen nederlaag te hoeven te leiden,
om niet meegesleurd te worden door een machtiger iemand.
Dat kan een mens zijn tegen wie je niet opgewassen voelt,
maar dat kan ook de boze zijn, die het steeds weer probeert
om je van Christus weg te leiden, op een andere weg,
een weg van minder moeiten, minder tegenstand.
Het is een gebed om dan Gods macht te zien, die zichtbaar werd op Golgotha
waar de macht van de boze werd gebroken,
om die macht ook concreet in je eigen leven te zien
als de boze op je afkomt, om je weer zijn kant op te trekken,
om je te doen vergeten dat je het zo goed had aan tafel bij de Heere Jezus,
om je te doen vergeten dat je zo overweldigd was door alles wat de Heere geeft,
de dankbaarheid en verwondering over God die in de psalm doorklinkt
een dankbaarheid en verwondering die er vanmorgen vast ook was,
en vaak in een kerkdienst, de verwondering over Gods trouw.
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Die verwondering en die dankbaarheid kan weg zijn, als die andere stem luider klinkt,
die stem waartegen je moet vechten, maar die geregeld sterker is.
daarom dat naar de Heere toegaan om onder Zijn vleugels te schuilen

Daarom dat gebed: laat het niet gebeuren dat de boze sterker is.
Laat het niet gebeuren dat hij mij weer in zijn greep krijgt.
Ik heb juist vanmorgen aan de tafel toch weer gevierd,
dat ik ben bevrijd uit zijn macht,
dat ik die door de boze overweldigd was, gekidnapt, ontvoerd,
bevrijd ben uit die macht en weer in vrijheid mag leven.
Daar werd Hij gebonden, opdat Hij ons zou losmaken.
Vanmorgen is er gevierd, dat de boeien waarmee de boze u had vastgemaakt,
losgebroken zijn en dat hij u moest laten gaan,
maar hij zal niet rusten voor hij u weer terug heeft in zijn macht,
voordat zijn stem weer in u klinkt en u daaraan gehoor geeft.
Maar u heeft ook avondmaal gevierd om te weten
dat u mag leven onder de bescherming van Christus,
de toevlucht genomen onder de schaduw van Uw vleugels.

Weggehaald uit de wereld van de goddeloze,
al zal het niet voor iedereen zo extreem zijn als hoe de goddeloze wordt beschreven,
maar wel weggehaald uit de macht van de boze
om ons te laten leven in de andere wereld, waar Psalm 36 ook over spreekt,
een totaal tegenovergestelde wereld: die van Gods liefde en trouw,
die over heel de wereld gaat, die ieder mens wil bereiken,
een wereld waarin u nu al mag leven, door Christus’ genade.
Het heeft Christus heel wat gekost om ons daar te krijgen:
Hij gaf daarvoor Zijn eigen leven
en vanmorgen heeft u dat weer mogen vieren, dat Hij dat voor u over had,
dat Hij bereid was om Zijn leven te geven
voor mensen die naar de stem van een ander hadden geluisterd,
die op een weg gingen, die niet door Hem was uitgestippeld, die kozen voor het kwade.

Dat is nu die goedertierenheid, die trouw waar deze psalm zo uitbundig van zingt.
Die zo overweldigend groot is – die tot in de hemel reikt,
waar de hele aarde vol van is, die de sfeer is waarin we mogen leven,
de lucht die we mogen opademen, die we mogen inhaleren, als bevrijde mensen.
Avondmaal vieren is je geluk niet op kunnen,
omdat God zo genadig is geweest je mee te nemen naar Zijn wereld
in het geloof dat die oude wereld eens voorbij zal zijn
en er een nieuwe wereld zal komen, die weer helemaal vol van God zal zijn.
Waar de goddeloze, waar de hooghartige geen plek meer heeft,
Waar de boze er niet meer is, radicaal en voorgoed uit onze werkelijkheid verbannen.

De psalm neemt op die toekomst, die er na de Wederkomst zal zijn, een voorschot.
Het blijft niet bij het gebed, om verlossing en bescherming tegen die machtige vijand.
In het geloof wordt gezien dat degenen die nu macht hebben, geweldenaars zijn,
plaats zullen maken, zullen omvallen, onderuit zullen gaan,
omdat zij niet bestand zijn tegen die sterke Held, die ons terzijde staat.
Door God aan ons toegewezen.

Vraagt gij zijn naam?
Zo weet, dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar op de troon:
de zeeg’ is ons beschoren!

Avondmaal is schuilen bij deze held, die de vijand heeft verslagen,
die ons laat weten, dat we niet meer hoeven te vrezen,
dat we niet meer onder de indruk hoeven te zijn
dat we niet meer gevangen hoeven te zijn, niet meer machteloos.
Al zullen we nog steeds onderuit gaan en zullen we nog steeds verliezen,
we hebben iemand die met ons meestrijdt, die voor ons strijdt
die voor ons gestreden heeft, die de overwinning reeds heeft behaald
en vanuit die overwinning ons reeds geeft
om in de tijd die ons op aarde nog rest te strijden tegen alles
wat ons van de weg van God vandaan houdt.
Gebed en geloof gaan hier hand in hand, zoals zo vaak in het leven
en hoort dat niet altijd zo te zijn?
Dat we steeds bidden, schuilen bij God, vragen om Zijn bescherming
en tegelijk geloven en weten, dat Gods macht er is en zal zijn
en niemand ons uit de hand van Christus zal rukken,
zelfs niet degene die sterker is dan wij.


Dan kunnen we om ons heen nog zo veel zien,
dat tegen God in gaat, dat ons aangrijpt,
Waardoor we ons afvragen, waarom is er zoveel onrecht in deze wereld.
Als Gods macht over heel de wereld is en als Gods liefde over heel de wereld gaat,
waarom is er dan nog plek op deze aarde voor de goddeloze,
waarom kan er dan toch weer iemand opstaan die hooghartig is,
en in zijn hoogmoed tegen God strijdt en tegen de kerk.
Daar kun je aan lijden, zeker als je er zelf mee te maken hebt
dat er tegenstand is omdat je gelooft
Daar kun je aan lijden, omdat je weet dat er op deze wereld
broeders en zusters zijn die het minder riant hebben dan wij,
die weten wat het is om vertrapt te worden, die weten wat het is om opgejaagd te worden.
Waarom?
Als er al een antwoord te geven is, is dat wat de Heere Jezus zegt,
als Hij spreekt over het liefhebben van onze vijanden:
God laat Zijn zon schijnen over goede en slechte mensen
en laat het regenen over rechtvaardige en onrechtvaardige mensen,
zodat de goedheid van God die daaruit spreekt het hart zal raken
en een omkeer te weeg brengt, de ogen opent voor de Heere,
het verlangen opwekt om ook bij deze goede God te horen,
die ook aan mensen die Zijn genade niet verdienen royaal Zijn genade uitdeelt
en hen laat proeven van Zijn goedertierenheid
hen laat drinken uit de bron van het leven,
zodat ook zij de genadige God mogen leren kennen, Hem leren aanbidden,
zijn macht, zijn liefde, zijn trouw gaan bezingen,
samen met al die mensen door al de eeuwen heen
van wie het hart vol is geraakt van deze God,
die er helemaal lyrisch van kunnen worden hoe deze God is.
HEERE Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel
ook ik ben daarmee in aanraking gekomen, het heeft ook mijn hart geraakt,.
Uw trouw is tot in de wolken
zo oneinding groot en toch ook voor mij,
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid voor mij geworden. Ik kan er niet meer buiten.
Daarom keer ik steeds weer terug bij U, elke dag weer, vanwege dat wat U geeft.
De overvloed van Uw huis, Uw beek die vol is, de verrukkelijke gaven.
Want bij U is de bron van het leven – meer hebben wij niet nodig.
U bent voor ons alles geworden.
Amen

Preek zondagmorgen 2 juli 2017

Preek zondagmorgen 2 juli 2017
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36
Tekst: Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensen de toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels
Zij worden verzadigd met het goede van Uw huis
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven (vers 8-9)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als het avondmaal er weer aankomt, word je weer gedwongen om over jezelf na te denken.
Althans zo vergaat mij dat.
Ik ga de afgelopen maanden na: Hoe heb ik geleefd met de Heere?
Je kijkt in als het ware in een spiegel:
Hoe ben ik geweest naar God toe, naar de mensen om mij heen?
Het is altijd weer confronterend, want je kunt altijd wel iets bedenken, wat mis is gegaan.
Ik hoorde een keer iemand zeggen: ‘Het is een heel intensieve week,
maar ik zou die week niet willen missen. Dat intensieve is ook niet erg.’
Het is goed om zo over jezelf na te denken, zeker rondom het avondmaal.
Om eerlijk aan de Heere te belijden als het niet goed zat
en dat niet weg te duwen en te doen alsof dat niet erg is,
maar om daarmee naar de Heere te gaan: Heere, wilt U mij vergeven, mij reinigen?

In de afgelopen weken dacht ik voor mijzelf na over de vraag:
Moet je nu eerst weten dat het mis zit, eerst inzien dat we in ons geloof en wat we doen
tekortschieten en vaak niet doen wat de Heere van ons vraagt?
Of kun je ook eerst onder de indruk zijn van de liefde die de Heere voor ons heeft,
dat je geraakt bent door het besef dat de Heere ook jou genadig wil zijn?
Ik merk bij mijzelf dat ik vaak begin bij de liefde, bij de genade
als ik dan daar over na begin te denken raak ik weer helemaal verwonderd over de Heere.
Dat was voor mij een reden om deze Psalm 36 te kiezen,
omdat deze Psalm zo heel uitbundig over de trouw, de genade van de Heere zingt.
Dan kan ik als ik deze Psalm lees en zing ook verlangen naar het Avondmaal,
waar weer zichtbaar wordt, in het brood dat gebroken wordt, de wijn die uitgegoten wordt,
hoe de Heere Jezus Zich voor mij heeft gegeven,
ondanks mijn fouten en tekorten, ondanks dat ik het er vaak bij laat zitten.
Dan denk ik na over het avondmaal en zie ik de gemeenteleden weer zitten
en weet je dat er voor heel wat gemeenteleden een stap is
om naar voren te lopen en aan het avondmaal te gaan.
Dat gun je ze dan ook, dat ze uitkomen bij de Heere Jezus.
Dat ze niet alleen met zichzelf blijven,
want daar is het avondmaal uiteindelijk niet voor bedoeld dat iemand over zichzelf nadenkt
en er dan niet uitkomt en dan alleen achter blijft met zijn eigen zonden.
Het avondmaal is er niet alleen voor om te laten zien dat het aan onze kant mis zit,
– we hoeven dat niet weg te doen, dat mogen we, moeten we eerlijk onder ogen komen –
maar het avondmaal is er ook voor om ons te laten zien, te laten proeven zelfs
dat God Zijn genade geeft – juist omdat wij die genade nodig hebben
en zonder die genade niet kunnen bestaan.
Dat je naar de Heere toe mag gaan om van je zonden, van je falen los te komen,
omdat bij de Heere vergeving is.
Avondmaal gaat over dat onvoorstelbare: de Heere wil ons vergeven,
Hij wil naar ons toekomen en wij mogen naar Hem toe gaan.
Schuilen onder de schaduw van Uw vleugels, zingt de Psalm.
En dat kan, dat schuilen, dat heel dicht bij Hem komen,
vanwege Zijn goedertierenheid – trouw, liefde, geduld.
Als je bij Hem komt, omdat je Hem nodig hebt, stuurt Hij je niet weg,
De hoge en heilige God, die de zonde niet bij Zich duldt,
duldt wel de mensen in Zijn nabijheid, Hij nodigt hen zelf en roept hen
om naar Hem toe te komen, bij Hem te schuilen.
Hij roept u, Hij nodigt jou uit. Hij wil niets liever dan dat jij, u komt, om bij Hem te zijn.
Dat leeft er in Zijn hart en dat werd zichtbaar op Golgotha
en vanmorgen wordt het weer zichtbaar in dat brood dat gebroken wordt
en waarvan u, jij een stukje mag eten.
Dat wordt zichtbaar in de wijn die wordt uitgegoten
en waarvan u, jij een slok mag drinken.
Dat brood dat gebroken wordt en ook de wijn die uitgegoten wordt,
dat is een uitnodiging: Kom maar, want het zit goed,
het zit goed tussen jou en Mij, want Ik ben een het kruis gegaan
en die plek daar aan die tafel, daarvoor heb Ik gezorgd.
Kom maar bij Mij schuilen, als de zonde tegen je zegt: ‘Daar hoor je niet.’
Kom maar bij Mij schuilen, als je eigen hart je aanklaagt en zegt: ‘Dat is niet voor jou.’
Kom maar hier bij Mij.
Waarom zou je wel luisteren naar de stem die je tegenhoudt
en niet naar de stem die je uitnodigt?
Zie je niet dat Ik het ben, je Heiland, je Redder, je Zaligmaker,
en geloof je dan niet, dat Ik voor jou gestorven ben?
Wijs niet Mij, je Heer, je redder af, maar ontvang dan Mijn genade.
Zie je dan niet, dat die plek daar aan die tafel, de plek bij Mij, er voor jou is
om vergeving te ontvangen, om bij Mij te zijn, brood en wijn tot je nemen
om daarmee aan te geven dat je zonder Mij niet kunt leven?
Als je bij Mij komt, is daar ook het goede dat Ik je wilt geven.
Zij worden verzadigd met het goede van Uw huis
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven
Het is brood dat je mag eten – het brood dat je herinnert aan Golgotha
en door te eten belijd je dat je niet zonder Mijn offer op Golgotha kunt en neem je het aan.
Je hebt er genoeg aan, het is goed voor je, voor je geloof, voor je weg met Mij.
Het is een slokje wijn en als je dat drinkt, mag je weten, dat je drinkt uit de beek van God,
het verkwikt je, het lest je dorst, omdat Christus aan het kruis Zijn leven gaf,
Als je de wijn in je naar binnen voelt stromen, mag je weten
dat Ik jou reinig van binnen reinig van al je zonden.
Kom dan en ontvang van Mij, brood en wijn
Eet en drink, weet, geloof dat jij gereinigd wordt van al je zonden.Amen

Preek zondagavond 18 juni 2017

Preek zondagavond 18 juni 2017
Zangdienst met Elburgs Mannenkoor OBK
Schriftlezing: Johannes 10:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen maandag kwam er om 22.15 uur een berichtje in de app-groep van mijn familie:
Help! Wie heeft een fietsendrager en heeft nu tijd?
Jw was een stuk fietsen, maar zijn band is lek.
Hij is ergens in Wageningen.
En ik kan natuurlijk niet autorijden. En ma is in gesprek en pa neemt niet op.
Het is een bericht van mijn zusje die net als de meeste familieleden in Veenendaal woont
en Jw is haar man.
Een andere zus appt terug: ik heb geen fietsendrager.
Maar ik kan wel voor je langs pa rijden voor je.
Maar goed,even later komt het berichtje van mijn zus dat ze mijn moeder aan de lijn heeft
en dat mijn vader mijn zwager gaat halen.
Gelukkig, want anders moest hij 2 uur lopen.
Dan ben je vader en woont je dochter al enkele jaren op zichzelf
en dan nog kun je bijspringen om je schoonzoon op te halen met de auto.
‘Wel mooi makkelijk van je zus,’ zijn mijn vrouw, ‘om zo je vader hiervoor te vragen.’
‘Ach,’ was mijn reactie, ‘hij is toch bij huis en deze zwager komt vaak bij mijn ouders
en mijn vader doet dat graag: anderen helpen als hij dat kan.’
Als vader zet je je in voor je kinderen, ook als ze de 30 zijn gepasseerd
en al enkele jaren uit huis zijn en op zichzelf wonen.

Ik was de avond waarop dat berichtje van mijn zus binnnenkwam,
bezig geweest met Johannes 10 en ik had me steeds afgevraagd
op welke manier ik een beeld uit onze eigen tijd voor de herder zou kunnen gebruiken.
Na dat berichtje had ik er direct een idee bij:
iemand die je komt ophalen als je niet zo makkelijk verder kunt
en daar ook niet moeilijk over doet en direct op weg gaat.
Ik zet mijn leven in voor de schapen, zegt Jezus.
Hij is bereid om je op te zoeken, als je niet meer verder kunt,
zegt hij over de herder in een andere, bekende gelijkenis.
Ophalen en thuisbrengen, er op afgaan en als het moet Zijn leven in de waagschaal stellen.
Nadat ik de berichtjes had gelezen, bedacht ik me ook nog iets anders:
opgehaald worden omdat je niet verder kan en thuis gebracht moeten worden,
je mee laten nemen – dat zegt niet alleen iets over wat Christus voor ons wil doen,
maar dat laat ook iets over onszelf zien:
dat we vaak minder sterk zijn dan we van onszelf denken
en dat we het helemaal niet alleen redden en steeds moeten aankloppen om hulp.
Zo denk ik niet vaak over mijzelf na,
als iemand die opgehaald moet worden en thuisgebracht moet worden,
als iemand die geleid moet worden, omdat ik anders niet thuis kom.
Want als kind droomde ik vaak dat ik een redder zou zijn.
Dan zag ik het voor me, hoe ik de juf die ik had zou redden,
of hoe ik in een oorlog de vijand in mijn eentje tegen zou houden,
zodat de rest zou kunnen vluchten.
Ik fantaseerde dan hoe ik zelf mijn leven zou kunnen inzetten om anderen te redden.
Dat dit niet alleen een fantasie van jongens is,
blijkt wel uit een film die sinds deze week draait: Wonder women,
over een vrouw die een superheld is en steeds voor uitredding zorgt.
De droom om een held te zijn en anderen te redden komt blijkbaar meer voor.

Hier draait Jezus het om: jullie zijn niet de held, die de wereld verandert
die voor redding zorgen en de kwaaddoeners verslaan,
maar jullie zijn eerder een buit, die geroofd kunnen worden.
Schapen zijn jullie op wie veedieven het gemunt hebben,
om jullie weg te roven uit de schaapskudde,
omdat ze niet willen dat je van Mij bent.
Zij zetten zich niet voor je in om je te redden, maar ze willen je stelen om je te verslinden.
Wie zou Jezus bedoelen met die huurlingen, die niet bereid zijn om alles te geven,
ingehuurde krachten, die geen hart hebben voor de kudde,
maar alleen aan zichzelf denken en zichzelf verrijken ten koste van de schapen,
ten koste van u als gelovige.
Dat is allereerst de satan, de tegenstander van Christus.
Dat kunnen ook mensen zijn, die leiding geven over een gemeente
maar ook op andere plekken – een bedrijf, een instelling, een organisatie –
dat alleen maar doen om er zelf beter van te worden.
Dat kunnen verleidingen zijn, die je een gelukkig leven voorspiegelen,
maar je ondertussen in beslag nemen en bij God vandaan voeren.
Dat kan je werk zijn, waardoor je kunt denken:
ik heb het goed, ik kan het zonder God wel redden.
Ik heb niet Iemand nodig die mij thuisbrengt, omdat ik zelf nog wel verder kan
en zelf ervoor kan zorgen dat ik thuis kom.
En zolang mijn hypotheek kan betalen, mijn auto heb afbetaald, op vakantie kan gaan,
de sport en de studie van mijn kinderen kan bekostigen heb ik het hier goed
en hoef ik niet na te denken over het leven dat komt in Gods heerlijkheid.

Afgelopen week was ik bij de opticiën en moest ik mijn ogen weer laten opmeten.
Hij vroeg aan mij: heb je problemen met lezen?
Ik keek hem verbaasd aan, waarop hij naar mijn leeftijd vroeg
en aangaf dat ik inderdaad nog niet aan multifocale glazen hoefde te denken,
maar toch … en of ik medicijnen gebruikte die van invloed waren op de ogen.
Ik had verder niets.
Zolang ik maar gezond ben, hoef ik nergens over na te denken
en zolang ik maar kan gaan en staan waar ik wil, kan ik gedachteloos leven.
Ik ging erover nadenken: een goed leven hebben en gezondheid, dat zijn zegeningen,
maar als je daarbij God vergeet, is het zo’n ingehuurde kracht,
die net doet of die voor je zorgt, maar je erbij laat zitten als er gevaar dreigt
en als je niet oplet, je in een val lokken.
Toen ik studeerde was er spaarproduct, dat je garandeerde dat je inzet zou verdubbelen.
Het werkte met aandelen.
Maar er werd er niet bij verteld dat het geld geleend was, waarmee belegd was
en dat je dat zou terugbetalen
en er werd ook niet goed uitgelegd dat als de aandelen onderuit zouden gaan
ik daar zelf de dupe van zou zijn.
Zelf ontsprong ik redelijk de dans en had er niet veel schade van,
maar een broer van mij heeft jaren geen hypotheek kunnen krijgen,
omdat deze spaarconstructie hem een schuld opleverde.

En dan zegt Jezus:
Mijn schapen hebben door als ze worden verleid.
Ze trappen er niet in.
Is dat zo?
Trapt u er niet in als er iemand op u afkomt
en ook u wilt leiden en u een mooi leven voorspiegelt,
waar van je diep in je hart wel weet dat alleen Christus maar dat kan bieden,
dat je dan tegen jezelf zegt: niet aan meedoen, want het is niet de Heere.
Niet op ingaan, want het is niet de goede Herder,
maar een ingehuurde kracht?
Die van Mij zijn, zegt Jezus, trappen er niet in:
Want ze herkennen Mij aan Mijn stem.
Ze weten het wanneer Ik het ben en ze weten ook wanneer Ik het niet ben.
Die ingehuurde krachten kunnen nog zo’n mooi leven voorspiegelen,
het heeft geen zin om de schapen van Christus te verleiden.
Dat is wel heel stellig, toch?

U roept ons mensen in Uw heerlijkheid,
leven om Jezus’ wil in eeuwigheid.

Waarom roept Hij ons, waarom haalt Hij ons op als we niet verder kunnen?
Om het leven te geven in al zijn volheid, leven geven, zoals alleen Christus dat geeft.

Ook daar had ik de afgelopen week een associatie bij.
Voor de cursus die ik volg waren we naar het fotofestival in Naarden
en een van de series foto’s heette Bank run:
mannen in driedelig pak en vrouwen in mantelpakje- allemaal rennend
waarschijnlijk naar hun volgende afspraak.
Bij die foto’s stond: dat jachtige is hun echte leven
en dan is het leven in de volheid die Christus geeft een contrast met dat jachtige leven.
Al gauw hadden we met elkaar een gesprek of het wel eerlijk was
om deze mensen rennend te fotograferen, want uiteindelijk wist de fotograaf niets van hen
en gebruikte hij alleen maar hen om zijn punt te maken
Zijn niet meer mensen zo druk, dat ze al rennend – misschien figuurlijk- door het leven gaan?
Het leven dat Jezus geeft – biedt wel meer, leven in al zijn volheid
En dat zit niet in materiële voorspoed, niet in rijkdom, gezondheid.
Een christen kan zelfs zingen: ‘t zij vreugde mijn deel of smart mij verteert
‘t is goed wat God doet.
Heer, laat in mijn sterven uw troost mij nabij, ‘t is goed wat God doet.
Een rust, grazige weiden en stille wateren, die de Heere nu al geeft,
omdat je Hem kent en Hij voor je zorgt.
Meer heb je toch niet nodig?


De Heer is mijn Herder!
Hij waakt voor mijn ziel,
Hij brengt mij op wegen
van goedheid en zegen,
Hij schraagt m’, als ik wankel,
Hij draagt m’, als ik viel.
Amen

Preek zondagmorgen 18 juni 2017

Preek zondagmorgen 18 juni 2017
Handelingen 17:15-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus in Athene moet wachten op zijn medereizigers Silas en Timotheüs,
gebruikt hij die tijd om de stad Athene te verkennen.
Hij zwerft door de stad, bekijkt de belangrijke gebouwen die er zijn,
hij bezoekt de verschillende wijken:
de rijke wijken in het centrum waar de belangrijkste mensen wonen,
hij komt in de armere wijken waar de toeristen niet snel zullen komen.
Hij komt bij markten waar handelswaar verkocht wordt
en bij pleinen waar mensen bij elkaar zijn om de laatste nieuwtjes uit te wisselen.
Als hij zo door de stad zwerft, valt hem iets op.
Geloof en godsdienst heeft in deze stad een bijzondere plek.
Geen gebouw, straat of plein, of er staat wel een beeld van een god, een tempel of altaar.
Als hij bij het stadhuis komt, staan daarvoor een groot beeld van de godin Pallas Athene,
de beschermgodin van deze stad, de godin van wijsheid.
En hoeveel tempels Paulus niet is tegengekomen.
Hij kan geen god bedenken, of ze hebben hier in Athene er wel een tempel voor.
En waar hij komt: standbeelden die een god uitbeelden.
Als hij een winkel binnenstapt, of bij een markt kijkt, overal staat er wel een beeld.
Als hij bij het ziekenhuis kijkt, de haven, bij de poorten van de stad, langs de handelsroutes.
Ook als hij in de wijken verder van het centrum komt,
elke straat heeft wel iets, waarmee men een god of godin kan vereren.
Het laat hem niet koud, het raakt hem steeds weer als hij zo’n beeld ziet,
zo’n tempel in het straatbeeld ziet opdoemen.
De mensen zijn hier helemaal niet onverschillig.
Voor alle goden die er op de wereld zijn, is hier een plaats ingeruimd.

Maar of ze God ook kennen – de enige God die er is: Vader, Zoon en Heilige Geest,
die deze wereld geschapen heeft en ook de hemel,
die aan elk mens, ook de Atheners hier, het leven heeft gegeven.
Hij vraagt het ook aan de mensen die hij tegenkomt,
die bij elkaar staan en druk praten over wat hen bezig houdt:
Heb je ook gehoord van Christus, die is opgestaan uit de dood?
Heb je ook gehoord van God die naar de aarde kwam om mens te worden
en te sterven aan het kruis?
Als hij daarover begint met de mensen in Athene kijken ze hem aan.
De reactie is steeds verschillend: de een is verbaasd, nee nooit van gehoord.
Een ander weer verontwaardigd: opgestaan uit de dood, een god?
Hoe kun je zoiets verzinnen?
Een ander bezorgd: Christus, gestorven, waar heb je het over?
Wat voor nieuwerwetse ideeën kom je hier in Athene brengen.
Zulke revolutionaire ideeën horen niet in Athene, de stad van de eerbiedwaardige wijsheid,
die al eeuwen meegaat en over heel de wereld wordt geroemd
en waarvoor de mensen over heel de wereld in deze stad komen als toerist.
Die boodschap wat die Joodse man, die Paulus komt brengen, kan nooit goed zijn.
als Paulus zo verschillende mensen aanspreekt, gebeurt er wat in dat grote Athene.
Mensen beginnen ongerust te worden, nieuwsgierig, maar vooral argwanend.
Wat komt hij doen, welke boodschap en welke God komt hij brengen.
Christus, Opstanding?
Hier moeten we meer van weten.
Dan komen ze bij elkaar,
mensen met bevoegdheid om een oordeel uit te spreken in godsdienstige zaken
en ze gaan Paulus vragen op wat hij nu in deze stad komt doen
en of zijn boodschap passend is bij deze situatie.
Paulus kan er de humor van inzien: jullie vragen naar wat ik kom doen.
Daar zijn jullie steeds mee bezig.
Daar zijn jullie in Athene goed in heb ik gemerkt:
die nieuwsgierigheid, het naadje van de kous willen weten.
Jullie bevragen alles en zagen iedereen door
en nu ik jullie iets kom vertellen over de God die voor julie onbekend is,
een God die jullie ook willen dienen tussen al die goden die jullie hebben,
zijn jullie ineens wantrouwend en wil je meer weten?

Ik ben benieuwd wat Paulus zou constateren als hij in Oldebroek zou komen.
Wat zou hij opmerken, wat zou hem raken
als hij het gemeentehuis binnenstapt, de Emté, Strijkert, de kledingwinkels, de boekhandels,
wat zou hij signaleren bij de bouw van de Boni en de appartementen erboven?
Wat zou hij opmerken als hij de kerken van Oldebroek binnenstapt
en zwerft over de straten van Oldebroek,
Als hij door de Van Pijkerenlaan loopt en over de ds Otto Veeninglaan,
als hij in de nieuwbouw komt, door de buitengebieden,
als hij over via Vierschoten door ‘t Loo komt naar het vakantiepark?
Wat zou hij daarna zeggen over wat hij hier heeft gezien, wat hij opmerkt?
Zou hij ook hier zeggen: ik zie dat jullie heel godsdienstig zijn?
Ik merk dat op elke plek die ik kom?
Grote kans dat Paulus dat kan zeggen.
Zal hij ook moeten zeggen, net als bij de Atheners zich hardop moeten afvragen
Jullie zijn heel godsdienstig, maar kennen jullie de echte God ook:
Vader, Zoon en Geest – de enige God die er is, die regeert tot in alle eeuwigheid?
Of is het het nodig, dat ik over Hem kom vertellen?
Persoonlijk kom ik weinig mensen tegen die niet op de een of andere manier
toch met God verbonden zijn, al is het soms een dun lijntje, het is er.
Ik kan me niet herinneren dat ik een begrafenis heb gehad
waarbij de kinderen of de familie zeiden: met God had hij helemaal niets.
Zou hij iets anders opmerken: Jullie zijn wel godsdienstig
en Christus speelt een grote rol in jullie leven en de kerk ook,
maar wat ik waarneem, is dat het geloof een apart onderdeel is van je leven:
iets dat je vooral op zondagmorgen doet en ‘s avonds voor je je bed instapt,
dat je nog even een gebedje doet en als je niet te moe bent nog een stukje uit de Bijbel.
Ik zie dat jullie veel voor de kerk over hebben, niet beroerd zijn om je in te zetten,
maar wat ik zie is dat je weinig tijd neemt om echt naar de Heere te luisteren.
zou het zo gaan, ik weet het niet, ik ben Paulus niet
en Athene, de wereldstad vol Griekse filosofie is een andere plek
dan een dorp aan de rand van de Veluwe,
waar God nog een belangrijke plek in het dagelijks leven heeft.

In Athene wordt Paulus ook kritisch bevraagd,
terwijl Paulus hier misschien met open armen ontvangen zou worden
en hier een bereidheid zou zijn om serieus naar zijn woorden te luisteren,
nieuwsgierig naar wat Paulus over onze situatie zou vertellen als gezant van Christus.
In Athene wordt Paulus met argwaan ontvangen: waar kom je ons mee opzadelen?
Paulus grijpt zijn kans om over God te vertellen,
aan mensen die heel wat andere goden kennen,
maar de kennis over de enige, de ware God missen.
‘Ik heb door jullie stad gelopen en ik heb heel wat gezien.
Wat ik vooral gezien heb is dat religie een belangrijke plek in jullie leven inneemt.
Maar ik wil het hebben over die ene God voor wie jullie een altaar hebben neergezet,

de God die voor jullie onbekend is.
Dat is de God over wie ik kom vertellen en die ik jullie kom bekendmaken.
Jullie hadden die God kunnen kennen, want Hij is het die de hemel en de aarde maakte.
Hij is het die aan jullie het leven gaf.
Deze God is zo groot, dat de wereld Hem niet kan bevatten.
En wat voor een tempel jullie ook voor Hem zouden bouwen, Hij zou er niet in passen.
Er is van Hem geen beeld te maken, want materiaal dat in mensenhanden is geweest,
is niet in staat om iets weer te geven van deze God:
Wij als schepselen zijn niet in staat om iets af te kunnen beelden van onze Schepper.
Hij heeft alles geschapen en heeft ook aan alle mensen een plek toegewezen.
Dat jullie hier in Athene wonen en dat Athene in de geschiedenis een belangrijke stad is,
vanwege die enorme historische erfenis door de Romeinen met eerbied behandeld,
anders dan de andere steden die door de Romeinen veroverd zijn,
dat hebben jullie aan deze God te danken.
En dat heeft Hij gedaan, zodat ieder mens die op aarde leeft
op zoek zou gaan naar God, op zoek naar Degene die de Schepper is,
die aan het begin van ons leven staat, die er voor gezorgd heeft dat we er zijn,
die ons bestaan heeft gewild.
Zijn jullie naar Hem op zoek geweest, echt gezocht, omdat je meer wilde weten,
of was het uit voorzorg, stel je voor dat je Hem zou vergeten
en met dat altaar hebben we ons dan mooi ingedekt.
Soms kunnen godsdienstige vormen zo geruststellend werken,
dat je vergeet om op zoek te gaan naar God.
Al doe je maar een poging, als zoek je tastend naar God.
Deze God is voor jullie onbekend, maar er is zoveel om je heen dat iets van God laat zien.
Hij is helemaal niet ver weg.
Je hoeft geen grootse wereldreis te maken, geen lange pelgrimstocht.
Kijk maar omje heen en je ziet dat deze wereld geschapen is door God.

Paulus zal dat waarschijnlijk niet tegen iedereen zeggen,
want niet iedereen, zeker niet in onze tijd, zal dat onderschrijven.
Zeker in onze tijd zijn er heel wat die zeggen: er is geen God
en de wereld om ons heen is mooi, maar ik zie daar niet de hand van een God in.
Paulus kan dat tegen de Atheners zeggen,
omdat zij zelf ook geloven in goden en ook geloven dat de wereld er niet zomaar is.
Paulus kan zich daarbij aansluiten.
Nu vandaag zijn er veel mensen in ons eigen land,
die niet geloven en God ook niet missen.
Lange tijd was gedacht dat mensen die zonder God leven wel wanhopig moeten zijn
en ik hoor het in gesprekken ook geregeld:
Ik zou niet weten, hoe iemand die niet gelooft in God dit kan doorstaan,
Want ik kon dit alleen met Gods kracht doorstaan.
God wordt echter door veel mensen niet gemist.
Evangelisten merken dat en misschien merk je dat onder medeleerlingen of collega’s ook.
Waar zou je in onze tijd bij aan kunnen sluiten?
Is er nog wel iets wat een brug vormt naar het geloof in God?
Misschien is het hoogst haalbare dat anderen horen over God en gaan nadenken over God
door jouw aanwezigheid en doordat jij gelooft zich opeens gaan afvragen:
Is er dan een God? Wie zou die God dan zijn? Hoe zou ik die God dan kunnen kennen?
Het is een uitdaging en een taak om te zien waar in onze tijd
iets te vinden is van God, waar we mensen die van God niet weten
toch kunnen vertellen over Hem, al is het maar iets.
Hij is niet ver weg, vertelt Paulus, en ieder mens over heel de wereld kan Hem leren kennen.
Ook iemand die niet gelovig is opgevoed en vanuit zichzelf er helemaal niet mee bezig was
kan God leren kennen.

Paulus heeft een aanknopingspunt, hij heeft iets in Athene ontdekt,
waarbij Hij kan aansluiten om over God te vertellen.
Dat is al heel wat en als Paulus het daarbij had gelaten,
hadden we het heel knap kunnen vinden, heel origineel om een dichter aan te halen,
iemand uit Athene zelf, met veel gezag voor de Atheners,
zoals nu het ook kan helpen als een voetballer, een zanger een geleerde of een politicus
iets vertelt waardoor je gaat nadenken over God.
Of waarin je iets hoort, waarvan je denkt: dit kan alleen God doen.
Ooit had ik een begrafenis, waarbij tijdens de dienst
er ook liederen van Andrea Bocelli en Marco Borsato werden gedraaid.
Liederen waarin gezongen werd, dat het afscheid niet voorgoed zou zijn
omdat je altijd aan de overledene denkt en hoopt op een weerzien.
Waarvan ik dacht: is dat niet te mooi en is de dood toch niet een breuk
en alleen God kan het waarmaken dat Hij altijd aan ons denkt en opzoekt,
en alleen de opstanding van Christus uit de dood maakt een weerzien in de hemel mogelijk,
omdat Hij door Zijn sterven de deur naar het paradijs geopend wordt.
En dan kan er wel een trein naar dat paradijs rijden volgens het lied
– alleen Christus is de weg.
Paulus is ook kritisch.
Hij knoopt eerst bij ze aan.
Bij wat de Atheners weten en geloven,
maar dan geeft hij aan, dat het niet onschuldig is wat ze doen:
zoveel goden vereren en overal in de stad beelden van goden neerzetten.
Dat kun je niet maken. Je gaat als schepsel in tegen God,
Wij kunnen niet bepalen hoe God eruit ziet.
Onze handen vormen God niet – Hij heeft ons gevormd.
Paulus heeft alle reden om kritisch te zijn op het geloof van de Atheners,
Want hij kwam niet als toerist naar Athene
en hij wandelde niet alleen uit interesse voor de stad rond,
maar hij heeft een boodschap van God, die onbekend is voor de Atheners:
dat ze alleen deze God echt kunnen leren kennen als ze zich omkeren
en naar deze God gaan, echt op zoek.
Want er komt een dag dat er een einde komt aan heel deze wereld
en ook aan al die tempels en al die goden in Athene.
Op die dag zal de Christus over wie ik vertelde
ook aan jullie vragen wat je met deze God hebt gedaan.
Of je naar Hem op zoek bent geweest en of je je leven voor Hem wilde open stellen.
Er komt een oordeel over heel deze wereld, over iedereen, een rechtvaardig oordeel.
Dat er een oordeel komt, weet ik omdat Christus is opgestaan uit de dood.
Deze Christus leeft en regeert en zal komen om te oordelen de levenden en de doden.
Aan Zijn rijk zal geen einde komen.

Tot dan toe hebben ze serieus naar Paulus geluisterd,
misschien wel net zo kritisch naar Paulus toe als Paulus was naar hen toe.
Maar als Paulus het heeft over Christus die opstond uit de dood,
schieten ze in de lach en kunnen ze het niet meer houden.
Dat kunnen ze zich niet voorstellen, hoe geleerd deze mensen ook zijn.
Dat er een God is die in staat zijn om het lot te doorbreken,
dat er een God is die in het rijk van de dood neerdaalde en weer levend terugkwam,
een God die sterker is dan de dood.
Absurd en ongeloofwaardig – dat past niet in hun manier van denken.
Ik moet ook wel zeggen, dat ik er soms als ik bij het graf sta
het door me heen flitst: zal het allemaal wel waar zijn, van die opstanding
en dat leven in Gods heerlijkheid.
En afgelopen week ging het tijdens de cursus ook over angst voor het sterven
en werd van ons gevraagd of het vreemd is om angstig te zijn voor de dood.
Ik heb toen dat zelf aangegeven, dat ik dat niet vreemd vind,
omdat het wel eens door mij heen schiet: als ik sterf, zal God er dan wel zijn?
Zal Christus er dan staan om mij door de dood te geleiden?
Gelukkig is dat niet een aanvechting die ik altijd heb
en ook niet een twijfel die het laatste woord heeft
en kan ik troost en rust vinden in Christus die is opgestaan uit de dood.
Maar het is wel een heel geloof en in Athene zien we dat dit geloof niet voor iedereen geldt.
Dankbaar ben ik al die keren dat ik het wel kan geloven
en ik zie het als mijn taak om dat geloof in Christus die is opgestaan
en Christus die voor ons uit gegaan is om een weg te banen door de dood
om ons mee te nemen door de dood heen naar het Vaderhuis waar een woning is
ook weer steeds te voeden.
Ook het geloof dat Christus zal oordelen trouwens.
Daar denk ik geregeld over na – en misschien hebt u dat ook wel.
Daar kan ik ook wel tegen op zien – en misschien ook wel,
maar tegelijkertijd mogen we weten, dat juist omdat Hij stierf en opstond
degene die gelooft niet meer hoeft te vrezen en mag uitkijken om Christus te ontmoeten.

En toch – helemaal een mislukking is Paulus’ werk in Athene niet.
Het is geen groot aantal, slechts twee namen worden er genoemd: Dyonisius en Damaris.
Waar over Christus wordt verteld, daar werkt de Geest ook
en al is het resultaat voor het oog niet groot, de Geest kan overal een gemeente vormen
zodat die boodschap steeds weer wordt doorverteld,
zodat er in die godsdienstige plaats er ook een groep is,
die de enige, ware God – Vader, Zoon en Heilige Geest – eert en dient.
Ik heb in de loop van de jaren geleerd om ook dat ogenschijnlijk kleine resultaat te waarderen
want elke bekering, elke omkeer is een wonder, een teken dat de Geest werkt.
In Athene, in Oldebroek en tot de dag van Christus’ wederkomst,
tot de dag dat het oordeel waar Paulus over spreekt komt
zal de Geest bezig zijn om mensen te winnen voor die Christus.
Met u is Hij bezig, met jou, met mij – zodat we voor die dag niet bang hoeven te zijn,
maar dankbaar en blij onze Heere mogen ontmoeten.
Amen

Preek zondag 11 juni 2017

Preek zondag 11 juni 2017
Kinderdienst. Thema: Maak me nog één keer sterk!
Richteren 16:21-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat is zijn leven veranderd! Elke dag is nu hetzelfde.
Het begint ermee dat ze hem ophalen uit de gevangenis.
Elke morgen weer merkt hij dat ze bang voor hem zijn.
Ze zijn altijd met meer en hebben ontzag voor hem.
Elke morgen controleren ze eerst of hij goed vastgebonden is aan sterke kettingen
zodat hij zich niet kan bewegen en geen mogelijkheid heeft om te ontsnappen.
Dan pas durven ze hem mee te nemen naar de werkplaats
waar hij zwaar werk moet doen: het malen van graan.
Wat is er veel veranderd, want hij voelt zich zwak.
Hij denkt nog vaak aan de kracht die hij vroeger had.
Dan dacht hij aan de leeuw die hem aanviel
en dat hij die leeuw met zijn blote handen wist te doden.
Dan dacht aan de keren dat hij vocht tegen de Filistijnen,
die al zo lang de baas waren en neer keken op de Israëlieten
en hen gemeen behandelden, haast net alsof ze slaven waren.
Heel wat keren had hij tegen die Filistijnen gevochten
en had hij gewonnen door Filistijnen te doden.
Hij dacht aan die keer dat ze dachten dat ze hem gevangen hadden genomen
in de stad Gaza, de poorten gingen op slot en ze waren van mening dat ze hem hadden.
Maar midden in de nacht ging hij naar de poort, die gesloten was.
Hij duwde de zware poort open en haalde die zware deur uit de poort
en nam die deur op zijn rug en tilde die poort op
en een heel eind verder plaatste hij die deur op een berg.
Nu heeft hij die kracht niet meer en de vrijheid ook niet meer. Hij is net als ieder ander
en hij weet ook hoe dat komt, dat hij zijn geheim heeft prijsgegeven.
Hij heeft aan iemand verteld, hoe het kwam dat hij zo sterk was.
Waar hij zijn kracht vandaan haalde.
‘Als je mijn haar afknipt ben ik mijn kracht kwijt,
want ik ben een bijzonder iemand, ik ben aan God gewijd
met een speciale taak die ik van God heb gekregen, daar heb ik mijn kracht voor gekregen.’
Maar zijn geheim was niet veilig bij de vrouw tegen wie hij dit vertelde
en de vrouw knipte zijn haar af en verraadde Simson aan zijn vijanden
en kreeg daar geld voor.
Daarna werd Simson opgeborgen in een gevangenis, vastgemaakt met sterke kettingen.
En zijn ogen is hij ook kwijtgeraakt, om Simson nog hulpelozer te maken.
Wanneer Simson hulpeloos is, dan kan hij ook niet meer gevaarlijk worden.
Ze hebben die gevaarlijke Simson maar mooi uitgeschakeld.
Elke dag moet Simson nu hetzelfde werk doen, zwaar en vernederend werk.

Wat zal Simson hebben gedacht, toen hij in de gevangenis zat,
zonder dat hij zichzelf eruit kon redden?
Wat zou hij gedacht hebben tijdens het malen van het graan tot meel?
Vaak is het zo, dat als iemand gedwongen is om stil te zitten,
als iemand is opgenomen in het ziekenhuis, of een been of een arm gebroken heeft,
dat iemand gaat nadenken. Nadenken over wat er gebeurd is
en je gedachten komen dan ook bij waar je eigenlijk helemaal niet over na wilt denken
wat je diep hebt weggestopt bijvoorbeeld door hard te werken of veel te sporten.
Zou Simson diep hebben nagedacht over hoe hij zijn kracht is kwijtgeraakt?
Zou hij er spijt van hebben dat hij zijn geheim verraden heeft?
Zou hij ook gaan nadenken over God? Nu het tegen zit, waarom moest dat zo gebeuren?
Misschien is hij eerst op God boos geweest en dacht hij bij zichzelf:
dat ik mijn geheim verraden heb, is toch helemaal niet zo erg,
waarom dan een zware straf, dat ik hier voor altijd zat?
Soms gebeurt dat, als er iets gebeurt waarop je niet gerekend had en het zit tegen,
dat je dan boos wordt op God: waarom moest dat gebeuren?
Misschien heeft hij een tijdje uit boosheid niet gebeden.
God, U hebt ervoor gezorgd dat ik hier kwam, haal me er dan ook maar uit.
Als hij er dan een tijdje zat ging hij verder nadenken en begon hij er iets van te begrijpen:
mijn kracht zit niet in mijn haar,
maar het is God die mij kracht geeft, van Hem komt mijn kracht.
Toen ik mijn geheim verteld heb, heeft God mij verlaten, daarom zit ik hier in de gevangenis
Hij wil mij iets leren.
Hij wil mij leren dat ik op Hem vertrouw, ook nu ik hier in de gevangenis ben
ook nu ik zelf niets meer kan veranderen aan mijn situatie.
Simson merkt zelf ook iets op: zijn haar begint weer aan te groeien.

Op een dag gaat het anders dan anders.
Het begint al ‘s morgens vroeg: hij hoort dat er feest gevierd wordt.
Zelfs in de gevangenis komt het geluid van het feest binnen.
Als hij wordt opgehaald, gaat hij ook een andere kant op dan anders.
Hij wordt nu mee naar buiten genomen.
Het geluid van het feest komt steeds dichterbij
en dan komt Simson dichter bij de plek waar het feest gevierd wordt.
Als Simson eraan komt, beginnen alle Filistijnen te juichen
en ze lachen Simson uit: waren we nou zo bang voor hem?
Moet je hem zien, die zwakkeling.
En onze god Dagon is sterker, heeft de God van Simson overwonnen.
Simson hoort het hoongelach van de Filistijnen, de spot die hem raakt.
‘Wij zijn nu de baas over Simson, want onze god Dagon heeft ervoor gezorgd
dat hij in onze macht kwam!’
De plek waar het feest gevierd wordt, is een tempel.
Er zijn heel wat mensen bij elkaar: in de tempel, op het plein,
zelfs op de tempel staan heel veel mensen: wel 3.000 bij elkaar.
Al die mensen zijn vrolijk omdat ze Simson zien in zijn zwakheid,
hulpeloos: hij kan niets.
En Simson, maakt de spot hem nog zwakker dan hij anders al is?
Of is het een plan die in hem naar boven komt.
Hij zegt tegen degene die hem meeneemt:
Laat me even uitrusten bij de pilaren van de tempel.
Het gejoel wordt alleen maar harder, want de mensen zien dat Simson moe is, zonder kracht.
Als Simson bij de pilaar staat, voelt hij eens aan de pilaar.
En dan heeft Simson een gebed voor God:
Heer, U ziet me hier in deze tempel bij de pilaar.
Wilt U mij niet vergeten. Denkt U alstublieft toch aan mij.
En dan heeft Simson nog één diepe wens, die hij ook als gebed uitspreekt:
Maak me nog één keer sterk.
Nog één keer die kracht, die hij altijd heeft gehad
en die hij kwijtraakte, toen hij zijn geheim verried.
Zou het dan toch zo zijn, dat als je in moeilijkheden bent, je tot God kunt bidden?
WIl God ook naar je luisteren, ook al heb je zelf alles verknoeid?
Ja, ook dan wil God naar je luisteren en je gebed verhoren
en ook dan geven waar je om bidt.
kijk maar naar wat er met Simson gebeurt.

Eerst voelt hij voorzichtig aan de pilaren.
Hij tast, eerst lijkt hij nog zwak en hulpeloos.
De Filistijnen hebben alleen maar meer pret om die zwakke Simson.
En gebeurt het: Simson voelt de kracht in zich terugkomen
en met de kracht die hij heeft, die hij van God terugkreeg, duwt hij de pilaren uit elkaar
waardoor het gebouw geen steun meer heeft.
De pilaren waar het gebouw op steunt, dat zijn niet zomaar pilaren,
ze beelden ook uit dat heel de wereld daarop rust.
Die pilaren geven aan dat Dagon over heel de wereld regeert
en zijn macht overal kan gelden, overal stevigheid en stabiliteit brengt.
Maak me nog één keer sterk.
Simson bidt dat niet alleen voor zichzelf,
maar bidt om de Filistijnen een slag toe te brengen
en vooral om Dagon onderuit te schoppen, de god van de Filistijnen.
En God denkt aan Simson
en misschien moest Simson wel gevangen genomen worden
om deze laatste daad te kunnen doen,
om zoveel Filistijnen te doden
en vooral om de pilaren onder de tempel van Dagon weg te duwen
om zo aan te geven dat DAgon helemaal geen god is
en helemaal niet sterker is dan de Heere, maar dat de Heere uiteindelijk wint.
Om te winnen heeft God Zijn kracht niet altijd nodig,
soms kan Hij ons juist gebruiken als we zwak zijn en niet weten hoe het verder moet.
Juist dan kan Hij ons helpen, omdat we dan naar Hem toe gaan
en net als SImson bidden: Heere wilt U mij niet vergeten.
Help mij deze keer nog.
Ook al ben ik U al heel vaak vergeten.
Maak mij nog één keer sterk.

Dat kan je bidden, als het bij jou anders loopt dan je dacht.
Als je net als Simson uitgelachen wordt.
Of als je net als Simson merkt, dat je niet meer zoveel kunt als je vroeger kon.
soms kunnen mensen in hun hoofd ook met zoveel zorgen te maken hebben,
dat het wel een gevangenis lijkt waar ze niet meer uitkomen.
Haal mij uit de gevangenis en als dat niet gebeurt Heere, maak mij nog één keer sterk
om dit alles te kunnen dragen.
Als het tegenzit op school en je ouders hebben dat helemaal niet door
en je durft dat niet tegen hen te zeggen, want je weet niet hoe ze reageren.

Als je bang bent of onzeker, als je ´t even niet meer ziet.

Als je somber bent of eenzaam of verdrinkt in je verdriet.

Weet – zijn deur staat altijd open. Als je wilt ga dan maar gauw.

Je kunt zomaar binnenlopen, er is altijd plaats voor jou.

Bij personen uit het Oude Testament wordt vaak nagedacht of ze op de Heere Jezus lijken.
Lijkt Simson op de Heere Jezus?
Simson, ruig en sterk, totdat hij geknipt werd met lange, wilde haren,
misschien wel woest uiterlijk, iemand die je niet graag tegenkomt.
En toch laat Simson iets van de Heere Jezus zien.
Aan het kruis overwon de Heere Jezus ook
en versloeg Hij de grootste vijand, de duivel
en brak hij de poort open, die ons gevangen hield,
waardoor wij vrij konden worden.
Machtig God, sterke Rots, U alleen bent waardig.

Maar wat als het goed met je gaat,
als je helemaal geen tegenslagen hebt en niet in de gevangenis zit, zoals Simson?
Wat kun je dan leren van Simson? Dat Simson zijn kracht van God kreeg
en dat Simson om die kracht moest bidden. En dat er maar één God is: de Heere.
Als iemand anders belooft, om je sterk te maken, en dan misschien niet één keer,
maar meerdere keren, maar het is niet de Heere, dan moet je er niet naar luisteren
maar tegen strijden.
Die God van Simson is ook onze God. Met Simson had God een plan.
Met de kracht die Hij Simson gaf, wilde God de Filistijnen verslaan
en ook de God van de Filistijnen, om te laten zien dat alleen Hij God is.
Hij heeft met jullie allemaal een plan.
Voor de één een heel bijzonder plan, net als Simson, om te bevrijden
om op een bijzondere manier iets te kunnen – Simson was bijzonder sterk
voor anderen op een heel gewonen manier,
Waardoor je je af kunt vragen of God wel een plan heeft.
En toch, of het plan nu bijzonder is of heel gewoon:
Ook jij kunt God dienen, de God van Simson die ook onze God wil zijn.
Machtig God, sterke Rots U alleen bent waardig.
Aard en hemel prijzen U, glorie voor Uw naam.Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2017

Preek Tweede Pinksterdag 2017
Schriftlezing: Kolossenzen 1:1-11
Tekst: vers 8-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Er komt een schip uit Kolosse in de haven aan!’
Bij dat bericht kijkt Paulus vol verwachting op.
Zou Epafras op dat schip aanwezig zijn?
Dat zou mooi zijn, want dan kan hij eindelijk weer eens horen,
hoe het in de gemeente van Kolosse gaat.
Paulus gaat naar de haven toe, om te kijken wie er allemaal op het schip zijn meegekomen.
En inderdaad, fijn!, daar ziet hij Epafras ook op het schip.
Hij is naar hem toegekomen om voor overleg
en Paulus bij te praten over hoe het met de gelovigen in Kolosse gaat.
Als Epafras van het schip komt, volgt er een hartelijke begroeting
en Epafras wordt door Paulus meegenomen naar zijn huis,
Waar hij ervoor zorgt dat Epafras van eten en drinken wordt voorzien.
Ondertussen brandt Paulus van nieuwsgierigheid:
hoe gaat het met Epafras zelf, hoe gaat het in de gemeente waarin hij werkzaam is.
Epafras vertelt hoe de reis verlopen is, hoe het met hemzelf gaat
en over de gemeente kan hij veel goede dingen vertellen.
Ik stel het me zo voor, dat Epafras vertelt over hoe de gemeente bij elkaar komt.
‘Paulus, je weet dat we in Kolosse maar met een kleine groep zijn,
maar je moest eens weten hoe moedig ze zijn, zonder dat ze dat zelf zo zouden zeggen.
Ken je Patricius nog? Weet je nog dat zijn familie niets meer van hem moest weten?
Dat is nog steeds zo, maar hij heeft in de gemeente een nieuw thuis gevonden.
De gemeente is voor hem als een nieuw gezin geworden.
Het is mooi om te zien hoe ze met z’n allen klaar staan om hem op te vangen.
Had je al gehoord Felix overleden is?
Zijn vrouw en kinderen worden door de gemeenteleden opgevangen.
Het is best een offer dat de gemeenteleden moeten brengen, maar ze doen het met alle liefde.
En weet je wat ook zo mooi is, Paulus?
Elke keer als we met elkaar avondmaal vieren, nemen alle gemeenteleden iets extra’s mee.
Als ze een mantel over hebben of een paar schoenen, nemen ze het mee.
En dat wordt dan nog steeds uitgedeeld aan de mensen in de stad die niets hebben.
Ook de mensen die het niet zo breed hebben, dragen hun steentje bij.
Ze nemen wat eten mee om dat ook door te geven.
Je zou hun gezichten eens moeten zien, als ze dat meebrengen.
Daarmee laten ze hun dankbaarheid zien, voor wat Christus aan het kruis heeft gedaan.
Er zijn sinds je weg bent, best wat mensen bij gekomen.
Sommigen hebben van ons gehoord, doordat we uitdelen aan de armen
en anderen worden door gemeenteleden meegenomen.
Ze worden met open armen ontvangen in de gemeente.
Een aantal van hen heeft ook al bezoek vanuit de gemeente ontvangen
om hen meer te over Christus.
Paulus, en weet je wat Filemon gedaan heeft, toen hij van jou die brief kreeg
de brief die jij hem schreef over zijn slaaf die weggelopen was en bij jou was aangekomen?
De eerstvolgende keer dat we als gemeente bij elkaar kwamen
stond hij tijdens de dienst op, om aan te geven dat hij iets wilde vertellen.
Hij zei: “Ik heb een brief gekregen van Paulus en die brief gaat over een slaaf van mij.
Jullie weten daar vast iets van, dat mijn slaaf Onesimus is weggelopen.
Ik heb een brief van Paulus gekregen waarin hij vertelt
Dat Onesimus bij hem is aangekomen
en dat Onesimus, op wie ik zo gemopperd heb omdat hij weggelopen was,
voor Paulus van grote betekenis is. Ik ben nu blij dat ik dat weet
en ik dank God er in Christus voor dat het zo heeft moeten lopen.’

Ik stel me zo voor, dat terwijl Epafras aan het vertellen is over de gemeente in Kolosse,
Dat zijn ogen steeds meer gaan glinsteren en dat hij blij en dankbaar is
voor het verslag dat Epafras over de gemeente van Kolosse vertelt.
Die ogen glinsteren, omdat de gemeenteleden de boodschap goed begrepen hebben,
die Paulus hen had verteld,
Dat geloven niet alleen maar iets van het hoofd is, maar ook van de handen,
dat het niet alleen voor de zondag is, maar ook voor de doordeweekse dagen.
Dat geloven ook betekent dat je naar elkaar omziet
en in je daden iets van de liefde van Christus laat zien.
De ogen van Paulus glinsteren helemaal, omdat hij weet,
dat wat er in de gemeente gebeurt, het werk van de Heilige Geest is.
‘Weet je, Epafras,’ zegt Paulus, ‘we moeten onze Heere daarvoor danken.
Want ik hoor, dat de Heilige Geest in hen de liefde wekt.
Wat je vertelt, dat is liefde door de Geest.
Daar moeten we de Heere voor danken.
En weet je, Epafras, ik zal elke dag danken voor de gemeente in Kolosse
en dan steeds danken dat de Heilige Geest in de gemeente werkt
en de gemeente gebruikt om Christus uit te stralen.’
En Paulus doet dat ook elke dag.
Er gaat geen dag voorbij, of Paulus dankt de Heere
voor het werk van de Heilige Geest in de gemeente van Kolosse.
Als hij voor de gemeente dankt, dan ziet hij de mensen weer voor zich:}
Patricius, de weduwe van Felix en haar kinderen, Filemon.
Hij ziet het voor zich hoe de gemeente avondmaal viert
en na afloop de goederen uitdeelt onder de armen
en hoe er daardoor een vreugde in de gemeente is.
Paulus moet wel danken en elke dag opnieuw doet hij dat.
De week gaat voorbij, de maand gaat voorbij:
er gaat geen dag voorbij zonder dankgebed voor de gemeente in Kolosse,
geen enkele keer vergeet hij te danken voor wat de Heilige Geest daar doet.
Na een tijd zegt Paulus tegen Epafras:
‘Ik wil dat de gemeente dat weet, dat ik elke dag voor hen dank.
Ik wil dat er enkele mensen naar hen toe gaan.
Jij blijft hier, maar ik zal Tychicus sturen, die ons hier zo trouw helpt.
Dan kan hij vertellen dat ik elke dag voor hen dank.
Weet je wat ik ook zal doen? Ik zal Onesimus meesturen,
dan kunnen ze met eigen ogen zien, hoe hij is gegroeid in zijn geloof.
Hij is er één van hen. Wat zullen ze opkijken, als ze zien wat hij nu betekent.
Ze zullen zijn komst als een bemoediging ervaren.
Ik wil hen nog meer laten weten.
Ik wil hen ook laten weten, dat ik voor hen een speciaal gebed heb:
dat zij helemaal vol worden van Gods wil,
en dat ze alle wijsheid van de Heilige Geest ontvangen,
die ze nodig hebben om als gelovige daar in die grote stad Kolosse te leven
en dat ze van de Geest wijsheid ontvangen om kerk te zijn daar in Kolosse.
Ze moeten weten dat ik daar elke dag bij God om vraag
en elke dag weer opnieuw aan de Heere vraag, of Hij die wijsheid wil geven
en of Hij hen steeds duidelijk wil maken,
wat ze daar moeten doen in Kolosse, wat Gods wil voor hen is,
Dat ze die wil te weten mogen komen.’
Zo gaan Tychicus en Onesimus op pad.
Wat een vreugde zal dat geven in de gemeente van Kolosse.
Wat zullen ze zich bemoedigd en gesterkt voelen.
Denkt u niet?

Weet u, wat ik zo mooi vind aan dit gedeelte?
Die verbondenheid.
Paulus, die elke dag voor de gemeente dankt en bidt.
Paulus die geen enkele dag overslaat.
Het is een vast ritueel geworden, een vast onderdeel van zijn dag.
Paulus, die zoveel te doen heeft.
Kolosse is niet de enige gemeente die zijn aandacht vraagt.
En toch, hij neemt de tijd om aan deze gemeente te denken,
om deze gemeente bij God te brengen
om te bidden om de Heilige Geest voor deze gemeente,
om te bidden of deze gemeente Gods wil mag leren kennen
en dat ze die wil ook in praktijk gaan brengen.
Paulus schreef ooit dat de gemeente een lichaam was: Christus was het hoofd

en iedere gelovige was een deel van dat lichaam, dat niet gemist kon worden.
Nu begrijp ik, dat dit bij Paulus niet alleen maar een mooi beeld is,
maar dat hij door middel van dat beeld wil uitleggen, hoe hijzelf de gemeente ervaart
en hoe hijzelf omgaat met de gemeente.
Hij voelt zich verbonden met de gemeente, in welke plaats die ook is.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Laodicea als met de gemeente van Kolosse,
Terwijl in die tijd Laodicea de stad Kolosse aan het voorbijstreven was.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Filippi, die hem steeds ondersteunt,
Als met de gemeente van Korinthe, met wie hij steeds overhoop ligt
en die vinden dat hij te weinig charisma heeft.
Met de gemeente van Rome is hij verbonden, ook al is hij er nog nooit geweest.
Voor Paulus is dat niet een sentiment, een gevoel alleen,
Dat is voor hem een principieel punt: want het is het werk van de Geest,
die gemeenteleden met elkaar verbindt, omdat ze aan Christus verbonden zijn.
Wie van Christus is, leert dat het leven niet om jezelf draait,
niet om je eigen belangen of prioriteiten, niet om alles uit jezelf te halen,
maar dat je leven om Christus draait en daarmee ook om andere mensen.
Dat laat de samenvatting van de wet ook zien:
God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf.
Dat is wat God vraagt
en Paulus vraagt steeds in zijn gebed of God het duidelijk wil maken
wat het in Kolosse betekent om God lief te hebben boven alles
en wat het betekent om je naaste lief te hebben als jezelf.
Dat kan in Kolosse iets anders betekenen dan in Efeze.
Dat heeft in Korinthe andere consequenties dan in Rome.
Maar wat in alle plaatsen hetzelfde is, dat het de Geest is,
Die ervoor zorgt dat het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste
in praktijk wordt gebracht, heel praktisch wordt gemaakt
in de zorg voor mensen die het moeilijk hebben,
in het uitdelen aan mensen die niets hebben,
in dankgebed en voorbede voor gemeenteleden.D
De Geest verandert daarvoor het hart, zodat er liefde komt
en we vanuit de liefde die God heeft voor ons in het leven staan
en dat die liefde door ons heen naar anderen toegaat,
zodat de mensen die deze liefde niet kennen, via ons Gods liefde leren kennen.
Wij zijn Gods visitekaartje – Paulus gebruikt het beeld van de leesbare brief:
De mensen die helemaal onbekend zijn met God
kunnen aan ons gedrag, onze houding zien wie God is,
wat Christus op aarde kwam doen en dat Christus ook voor hen gekomen is.
Verbondenheid en zorg voor elkaar – dat is de gemeente.
Onderling, binnen de gemeente, maar ook naar andere christenen over de wereld.
Ook al kennen wij die niet persoonlijk.
Christenen die in gebieden leven, waar we misschien nog niet eens van hebben gehoord.
De Geest verbindt ons hier in Oldebroek en ‘t Loo met gelovigen
die in Kirgizië leven en Bangladesh, op de Filippijnen en in Noord-Siberië.
Of wij hun taal spreken, of wij hun gewoonten begrijpen, of wij hun omstandigheden kennen,
dat maakt niet uit,we zijn met elkaar verbonden
en dat is niet alleen iets dat we zeggen, maar ook in praktijk hebben te brengen.
Door een zendingskrant te lezen, door de gebedskalender van Open Doors te gebruiken,
door voor bepaalde zendelingen te bidden en de nieuwsbrieven te lezen.
Door zendingswerk ook financieel te steunen.
dat je met de ogen van een zendeling naar je eigen plaats gaat kijken.
Wat kan ik heel praktisch doen, om het evangelie hier uit te dragen,
om hier iets van Christus te laten zien, niet alleen in woorden, maar ook door mijn houding
en mijn manier van leven, door hoe ik ben,
dat het evangelie mijn hart en mijn leven verandert, dat andere mensen merken
dat er in mij een andere Geest is: de Heilige Geest.

Paul Phillipi, een hoogleraar theologie die lesgaf over diaconaat deed een klein experiment.
Hij vroeg de mensen, wat de belijdenis over de kerk zei.
Hij was een Luthers theoloog en vroeg naar de Augsburgse Confessie.
Aan mensen die hun eigen traditie redelijk kenden vroeg hij:
‘Wat vertelt de Augsburgse Confessie over de kerk.‘
Ze kregen weinig bedenktijd, want dan zeiden ze wat ze zich levendig kunnen herinneren.
Het antwoord kwam: ‘De kerk is daar waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Dat was bijna goed: er waren enkele woorden overgeslagen:
De kerk is de gemeenschap der heiligen waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Met het antwoord dat uit het geheugen gegeven werd, draaide de kerk alleen om de eredienst
in de geloofsbelijdenis is de kerk meer dan dat.
De eredienst is wel het hart, de zondagse en ook de eredienst in huis,
maar de kerk is ook een gemeenschap.
We zijn geen losse individuen, maar aan elkaar verbonden, aan elkaar gegeven door Christus.

In de Heidelberger Catechismus is de kerk ook die gemeenschap.
Wat gelooft gij aangaande de heilige katholieke kerk?
Antwoord: Dat de Zoon van God van het begin tot aan de wereld zich uit de gehele mensheid
een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en instandhoudt; en dat ik daarvan een levend lid ben.

Paulus gaf het voorbeeld, het voorbeeld dat hijzelf van de Heilige Geest leerde.
En de gemeente van Kolosse nam dat voorbeeld over,
niet alleen omdat Paulus dat voorbeeld gaf, maar omdat de Geest hen dat leerde,
in hun hart de liefde wekte.
Paulus ziet het werk van de Geest in dankbaarheid in de gemeente van Kolosse.
We mogen vandaag ook danken voor wat de Geest allemaal in onze gemeente doet,
hoe Hij hier liefde wekt en verbondenheid met elkaar.
Wij zijn hier niet de ideale gemeente.
Dat zal pas in de hemel zijn.
Hier op aarde zijn we onvolmaakt en niet altijd gericht op Gods wil.
Daarom dat gebed van Paulus: om Gods wil heel concreet in Kolosse kenbaar te maken.
En Paulus kan er gelijk ook voor danken.
Als we bidden om hier Gods wil te mogen verstaan,
Hoe wij hier God kunnen dienen, mogen wij onze ogen niet sluiten
voor wat de Geest reeds doet, en daar net als Paulus elke dag weer opnieuw voor danken.
Dankbaarheid voor wat de Geest doet
en gebed, zodat de Geest steeds weer opnieuw duidelijk maakt wat God vraagt
gaat samen op, horen bij elkaar.
zodat u wandelt op een wijze de Heere waardig, Hem in alles behaagt, in elk goed werk  vrucht draagt en groeit in de kennis van God terwijl u met alle kracht bekrachtigd wordt, overeenkomstig de sterkte van Zijn heerlijkheid, om met blijdschap in alles te volharden en geduld te oefenen. (vers 10-11) Amen