Preek zondagavond 14 oktober 2018

Preek zondagavond 14 oktober 2018
Richteren 1:1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen in de Bijbel om onze band met de Heere te versterken,
om meer over de Heere te leren en Hem beter te leren kennen,
om van de Heere aanwijzingen te ontvangen hoe wij moeten leven
door middel van een toepassing van wat we gelezen hebben.

En dan is Richteren 1 een keer aan de beurt.
Omdat het aangegeven staat in het dagboekje dat gebruikt wordt,
of omdat het aan de beurt is als je de Bijbel hoofdstuk na hoofdstuk leest.
Je leest dat met elkaar aan tafel na het eten, of voor het slapen gaan om de dag af te sluiten
of aan het begin van de dag om de dag met God te beginnen.
Je hebt het gelezen, maar dan … wat moet je ermee?
Wie in de afgelopen weken een Bijbelkring gevolgd heeft over dit eerste hoofdstuk
heeft vast ontdekt dat dit Bijbelgedeelte de boodschap niet zomaar prijsgeeft.
Geregeld bevat de Bijbel gedeelten waar je niet zomaar klaar mee bent,
waar je niet bij de eerste keer als je het leest, weet wat het te zeggen heeft.
Ook als je er met elkaar op Bijbelkring over gesproken hebt,
kunnen er nog vragen overblijven bij dit gedeelte.

In Richteren worden steeds verhalen verteld,
waarbij de boodschap meegegeven wordt in de manier waarop het verteld wordt.
Dat kan ik uitleggen aan de hand van een alledaagse gebeurtenis.
Een vrouw komt thuis, bijvoorbeeld uit haar werk of is met vriendinnen op pad geweest.
Ze vertelt aan haar man wat ze heeft meegemaakt
De man luistert naar het verhaal van zijn vrouw, hij volgt het verhaal wel,
maar begrijpt niet waarom ze het vertelt en reageert daarom niet op wat zijn vrouw vertelt.
Zijn reactie blijft uit.
Op dezelfde manier kan bij het lezen van dit gedeelte de reactie uitblijven.
Je leest het wel, je hoort wel wat er verteld wordt,
maar je weet eigenlijk niet waarom dit verhaal verteld wordt
en daarom ontgaat je de betekenis.
Om te weten wat de Heere ons hier te zeggen heeft, moeten we nauwkeurig gaan lezen
en gaan letten op de manier waarop deze gebeurtenissen aan ons verteld worden.

Het allereerste vers: Het gebeurde na de dood van Jozua
Hier wordt gelijk al de toon gezet voor de rest van het Bijbelboek Richteren.
Jozua – wie was dat ook al weer en waarom wordt hij hier genoemd?
Als je niet zo thuis bent in de Bijbel, dan sta je hier op achterstand
en is het nog lastiger om de boodschap die God door wil geven te horen.
Jozua wordt voor de eerste keer in de Bijbel genoemd
als het volk Israël door de Amalekieten wordt aangevallen.
De Amalekieten vallen Israël in de rug aan, waar de ouderen lopen, de kwetsbaren, lafhartig.
Jozua is dan de aanvoerder van de soldaten van Israël die de strijd aangaan met Amalek.
Jozua won deze strijd op een bijzondere manier: steeds als Mozes zijn handen ophief
en zich tot God uitstrekte, streed de Heere zelf voor het volk.
Op die manier doet Jozua zijn intrede in de geschiedenis van Israël:
Op het moment dat er tot de Heere gebeden wordt en de Heere voor Zijn volk strijdt.
Zo leert Jozua de Heere kennen: God strijd voor Zijn volk Israël en brengt het in Kanaän.

Onderweg maakt Jozua nog heel wat mee.
Als het volk Israël bij de Sinaï komt, de berg waar God is, mag Jozua mee omhoog
en de 40 dagen dat Mozes bij de Heere is om de geboden te ontvangen,
wacht Jozua bovenaan de berg tot Mozes mee naar beneden gaat.
Jozua heeft gezien hoe het mogelijk is om naar de Heere toe te gaan,
om Hem te ontmoeten, om tot Hem te bidden,
om geboden van God te ontvangen, die aanwijzingen geven hoe je moet leven.

Jozua werd met Kaleb en 10 anderen uitgekozen om het land te onderzoeken,
het land dat de Heere hen in Egypte al beloofd had,
en waar ze naar op weg waren, het land van Abraham, Izak en Jakob.
Ze raakten onder de indruk van wat het land allemaal te bieden had:
een vruchtbaar land met indrukwekkende opbrengsten,
een land waarover de Heere Zijn zegen gegeven heeft.
Maar nog meer waren de meeste van deze verspieders onder de indruk
van de steden die er waren en de mensen die er woonden:
Grote steden, met imposante muren, goed verdedigd,
Kanaänieten die er woonden die lieten zien dat ze onverslaanbaar waren.
Zelfs met God aan onze zijde wordt het niets.
Hoe snel kan de moed in de schoenen zinken, ook als je weet dat de Heere bij je is.
Het vertrouwen dat Hij zal leiden, dat Hij Zijn belofte waar maakt, is dan weg.
Jozua heeft dat steeds weer gezien, toen hij met het volk Israël meetrok door de woestijn,
toen hij getuige was van het gemopper van de Israëlieten,
maar ook getuige was van Gods trouw en leiding, Gods geduld, steeds weer.
Jozua wilde in geloof gaan, we kunnen gaan, Kanaän in, want God is aan onze zijde.
En toch, ze gingen niet, want er was geen vertrouwen in God.
We kunnen Kanaän niet binnentrekken, dat wordt onze ondergang!
Toen kwam het oordeel van God: het volk moet langer in de woestijn blijven
en van de huidige generatie mogen alleen Jozua en Kaleb het land binnen gaan.
Onder Jozua’s leiding trok het volk de Jordaan over en veroverden ze Jericho.
Nu is Jozua gestorven: Jozua de uittocht uit Egypte nog had meegemaakt,
De reis door de woestijn, die onderweg zoveel van God had gezien
en wist hoe de Heere Zijn volk steeds weer hielp.
Hoe gaat het verder als die kennis over God verdwijnt,
als niemand die geschiedenis zelf nog heeft meegemaakt
en het alleen van horen zeggen heeft.
Na de dood van Jozua – hoe gaat het met Gods volk als de weg van God
slechts nog een verhaal is dat niemand meer zelf heeft meegemaakt.
Kan het volk dat aan? Blijft het op Gods weg gaan?
Het is ook een vraag aan ons – wat gebeurt er met ons geloof en onze kerkgang
als er steunpilaren in het geloof wegvallen?
Wat gebeurt er als er iemand is, die voor jouw geloof van grote betekenis is geweest,
Verhuist of overlijdt – kun je dan op eigen benen staan, of ga je onderuit?

Het lijkt eerst goed te gaan: de Israëlieten vragen de Heere om raad.
Hier worden ze gepresenteerd als eensgezind: niet als onderlinge rivalen,
die elkaar niet willen helpen en met elkaar in gevecht raken, zoals verderop in Richteren.
Israëlieten – de naam die verwijst naar de bijzondere roeping,
om in het land Kanaän als volk van God te leven, naar Gods geboden,
Israël, niet alleen een bijzondere status als volk door God uitgekozen,
maar ook een volk met een roeping, om tot zegen te zijn,
om in een donkere wereld te laten zien hoe God deze wereld heeft bedoeld.
Ze vragen God om raad, om advies.
Heeft u dat ook wel eens gedaan bij een ingrijpende keuze?
Als u nadenkt over een ander huis of een andere baan?
Heb jij dat ook gedaan toen je een keuze moest maken wat je na je school ging doen?
Of toen je verliefd was en verkering kreeg, heb je God erbij betrokken, om advies gevraagd?
En hoe krijg je daar antwoord op? Je krijgt dat zelden rechtstreeks,
misschien eerder als je rust krijgt op een beslissing en je ervaart dat het goed was.
Maar als je wel antwoord krijgt van God zelf op wat je moet doen?
De Israëlieten krijgen antwoord: Juda moet als eerste gaan en dan ga Ik mee.
Het land dat voor Juda bestemd is, zal Ik geven.
Het land ligt klaar – Juda hoeft alleen maar te gaan
om het geschenk van God aan te nemen, voor Juda bestemd.
Geen woord over strijd die geleverd moet worden, geen opdracht om geweld te gebruiken.
Alleen maar: Ga! Ga in vertrouwen en het komt goed, daar zal Ik voor zorgen.
Is dat genoeg?
Juda gaat, maar doet eerst iets anders. Simeon wordt meegevraagd.
Hoe moeten we dat zien? Is dat de zorg van Juda voor zijn broer.
Samen optrekken. Zoals we nog wel eens zingen:
Schouder aan schouder in Uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Of is het anders? Het zou ook wel eens een gebrek aan vertrouwen kunnen zijn
God zegt wel dat Hij ons dat land geeft, dat het klaar ligt,
maar wonen er geen Kanaänieten? Zal er geen strijd geleverd moeten worden?
Moeten we niet wat hulp zoeken om sterker te staan.
Het lijkt heel mooi, maar het is een eerste stap bij de Heere vandaan.
Het inslaan van een weg bij de Heere vandaan gaat vaak heel subtiel.
Niet openlijk met een grote stap, maar met ontbreken van vertrouwen,
je gaat wel met God op pad, maar voor de zekerheid regel je toch iets anders.
zorg je ervoor dat je iets hebt, voor het geval God je niet zo blijkt te helpen als beloofd.
Hier bouwt Juda niet alleen een extra zekerheidje in voor het geval God niet thuis geeft,
maar grijpt Juda ook nog eens naar het middel van de macht.
Ik moet sterker staan, dan kan ik die Kanaänieten de baas.
Desnoods met geweld, samen staan we sterker.
Juda heeft succes en dan kunnen we zeggen dat God met hem is.
Zo verkeerd is het blijkbaar niet om Simeon mee te vragen.
Een klinkende overwinning: 10.000 man verslagen!
Een complete overwinning.
De vijand die zo sterk werd geacht, waardoor er extra steun nodig zou zijn:
wordt vernietigend verslagen.

Hoe kan dat nu, dat geweld in de Bijbel?
En dan ook nog eens geweld in naam van God?
Er zijn heel wat Nederlanders die als het gaat om geweld in de Koran zeggen:
maar in de bijbel kunnen ze er ook heel wat van.
We zien dat hier: alle Kanaänieten moeten worden gedood. Zodat Israël het land krijgt.
Maar is dat wel zo? Geeft de Bijbel hier een vrijbrief voor geweld?
Ook hier is het nodig om goed te lezen:
De koning die verslagen wordt, was zelf een geweldenaar, die nergens voor terugdeinsde:
70 koningen aangevallen en verslagen en hen hardhandig aangepakt.
De levens van die koningen die overwonnen waren, waren niet in tel.
Om te voorkomen dat ze in opstand zouden komen, worden de duimen en tenen afgehakt.
Doordat ze geen duimen meer hadden, konden ze geen speer of zwaard vasthouden
en zonder de grote tenen konden die koningen niet meer goed lopen.
Koning Adonibezek, die 70 koningen overwonnen heeft, maakt ze bespottelijk.
Ze zijn voor hem niet meer waard dan honden die de kruimels opeten die van de tafel vallen.
Het zijn geen mensen meer voor hem, maar uitschot.
Misschien kent u wel de verhalen van hoe Syriërs
worden gemarteld in de gevangenissen van Assad.
Niet meer in tel als mens.
Dan zegt Adonibezek, de koning die verliest van Juda: Nu dit met mij ook gebeurt,
is dat een straf van God. Boontje komt om zijn loontje.
Had ik maar niet zo wreed moeten zijn, ik moet niet raar opkijken dat God mij dit aandoet.
Maar vertelt Richteren dit aan ons door om te laten zien hoe God het onrecht straft?
Nee, er is een andere reden:
Juda gaat nog verder de fout in. Het begon al klein, bij gebrek aan vertrouwen,
Nu in de behandeling van de overwonnen koning zien we
dat het grote gevolgen kan hebben als je God uit het oog verliest.
Want het afhakken van duimen en tenen is de stijl van Kanaän.
Israël was bedoeld om te laten zien dat het anders kan: Gij geheel anders.
In een wereld van geweld, van wreedheid, het recht van de sterkste,
was Israël geroepen om te laten zien dat God een andere weg gaat.
Het kwetsbare Israël. Eén stam alleen die moet optrekken zonder hulp van anderen.
God kiest niet de weg van macht, van grote aantallen
En hoewel er vaak in de Bijbel gesproken wordt van geweld,
gebeurt dat niet omdat God geweld verheerlijkt en een gewelddadige God is.
Eén van de twaalf stammen wordt op pad gestuurd, kleiner dan het volk in zijn geheel.
Het is wat Paulus later noemt: Gods kracht wordt in zwakheid volbracht.

De Kanaänieten staan voor een andere levensstijl: geweld, minachting van je vijand,
ontmenselijken van je tegenstander, als een dier, een hond behandelen.
De Kanaänieten zijn daarom vijand van God, zoals Egypte dat ook is, de farao,
Die een hard bewind voerde en niemand ontzag,
zoals Assyrië, een andere grootmacht, met enorm veel geweld landen veroverde
En Babylon door veel wreedheid te gebruiken de wereld kon veroveren.
Kanaänieten, zijn net als de Egyptenaars en Babyloniërs machten van de dood,
die alleen de taal van geweld en onderdrukking kennen.
Om te laten zien dat God geen geweld hoeft te gebruiken, moet Juda alleen gaan,
zoals David, de kleine jongen, alleen ging tegen de reus Goliath.
Als David naar Goliath toegaat, zegt hij tegen de reus: Ik win van je,
omdat God wil laten zien dat je geen wapens nodig hebt om te winnen.
Vertrouwen op de levende God, de Heere van de legermachten,
die aan het hoofd van duizenden engelenlegers staan, dat vertrouwen is genoeg.
Maar wat doet Juda, als het de koning gevangen genomen heeft?
Juda hanteert de stijl van Kanaän.
Juda, geroepen om als volk van God een licht in een donkere wrede wereld te zijn,
heeft nog niet eens heel het land gekregen dat God zou geven
of hij gedraagt zich als Kanaäniet. Juda, zoon van Israël toont zich een heiden.
Ik ken verhalen uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente Oldebroek
Waarop het net zo ging: als het ging om welke richting het op moest gaan.
Dan konden er verschillende middelen ingezet worden om het doel te bereiken.
Hier houdt Juda een spiegel voor: Ook binnen de kerk kunnen we zomaar
Kanaäniet worden. Dan zeggen we: het doel is zo heilig – de eer van God!
De zuiverheid van de kerk! Of juist de andere kant op: meer ruimte voor ervaring, liederen.
We gaan dan niet meer als broeders en zusters met elkaar om,
maar verlaten de aanwijzingen van Christus
en vertrouwen er niet op dat Christus de gemeente bouwt,
maar dat wij dat maar moeten doen, ook al gaat dat niet al te christelijk aan toe.
Dan kunnen we zeggen: er is geen andere manier.
Wie de leiding heeft, moet vuile handen maken, moet wel eens beslissingen nemen,
en een aanpak hebben die niet altijd even sjiek is, niet zo christelijk.

Nee, zegt Richteren: het is de stijl van Kanaän.
Geweld is een gevaarlijk middel en als je denkt dat je in Gods naam moet handelen
maak je snel brokken.
Geweld kan je verteren, je kapot maken, al lijkt je strijd nog zo heilig.
Maar uiteindelijk is het ongeloof: je denkt dat God het niet doet,
dat de God van IsraËl niet strijdt, dat Christus Zijn gemeente niet bouwt
en dat we het daarom maar zelf moeten doen.

Maar is de weg van Israël dan wel te gaan?
Een weg in vertrouwen en het niet zelf uitvechten en voor elkaar maken
maar wachten totdat God het doet?
Kun je in de wereld vol Kanaänieten wel een Israëliet zijn?
Dat is toch de enige optie? Je kunt je niet ontrekken toch aan hoe het er aan toe gaat?

Daarom wordt ook het verhaal van Achsa verteld.
Achsa wordt de vrouw van Otniël, de eerste richter. Zoon van Kenaz.
Kenaz geeft aan dat Otniël bij de Kenieten hoort, een stam die Israël tegen kwam op reis,
Deze mensen hoorden niet bij Israël,
maar waren onder de indruk gekomen van de God van Israël.
Zij geloofden en traden toe tot het volk Israël en gingen erbij horen.
Hen tellen als in Israël ingelijfd en doen de naam van Sions kinderen dragen.
Zij geeft ook een voorbeeld voor hoe het moet.
Als ze een stuk land krijgt, dat niet zo vruchtbaar is, omdat er geen bronnen zijn,
kaart ze dat bij haar schoonvader aan.
Ze doet dat op een bijzondere manier: Ze zegt niet: “Ik heb er recht op!”
“Dat valt me van u tegen!” “U scheept me af!”
Nee, ze vraagt om een zegen – de zegen dat is Gods zorg en aandacht voor het land.
Gods betrokkenheid – Aan Gods zegen is alles gelegen.
Achsa houdt de spiegel voor: je kunt echt in vertrouwen op God gaan
en dan zal Hij ook Zijn zegen geven.
Je hoeft dat niet te bevechten als een Kanaäniet,
je hoeft dat niet op te eisen als een mopperende Israëliet.
Bidt en u zal gegeven worden, zoek en u zult vinden, zegt Jezus.
Achsa maakt het heel concreet. Zo houdt ze ook ons een spiegel voor.
Achsa biedt hoop: Als Israël een verkeerde weg inslaat
en niet laat zien hoe Gods volk hoort te zijn in deze wereld brengt God iemand,
Soms een enkele persoon om te laten zien dat het kan, in vertrouwen gaan.
Om met de woorden van de Bergrede te spreken: zout der aarde, licht op een berg.

In Richteren is er een profeet aan het woord,
De joden rekenen Richteren tot de (Vroege) Profeten die aan ons vraagt:
Leef je wel met God? Heb je echt dat vertrouwen?
Laat je je hart wel veranderen door God? Bepalen Zijn wetten je doen en laten
of kijk je naar wat je in de wereld om je heen tegenkomt.
Is aan je manier van omgaan met anderen te zien, dat je anders bent, anders hoort te zijn
of ben je Kanaäniet, net als alle anderen in deze wereld: Met jezelf bezig,
om je er boven op te werken, desnoods met je ellebogen, als jouw doel maar gehaald wordt,
een doel dat heel belangrijk kan zijn, heel heilig.
Het gaat om ons hart – bekering is niet alleen maar dat ons gevoel verandert
en dat we nadenken over God en Hem overal betrekken,
maar dat – zoals de doop dat zegt – we van binnen worden gereinigd.
De Kanaäniet in ons wordt uitgebannen en volk van God zijn in deze wereld
om te laten zien dat het anders kan.
Niet de weg van macht, niet de weg van mijn eigen gelijk, van wreedheid,
over lijken gaan, maar het in Gods handen leggen. Want Hij regeert.
Geef vrede, Heer, geef vrede, bekeer ons felle hart.
Deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart,
die onze mond leert spreken en onze handen leidt.
Maak ons een levend teken: uw vrede wint de strijd! Amen

Advertenties

Preek zondag 30 september 2018

Preek zondag 30 september 2018
Jesaja 43:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen zijn 4 kinderen gedoopt, die alle vier welkom waren.
Kinderen waarvan gehouden wordt.
Onze lieve zoon Renze Gerrit is geboren!

Op het kaartje van Jesse staat: Klein is de mens,
een zandkasteeltje langs het strand
maar kostbaar genoeg, om als parel te mogen liggen
in Uw eeuwige sterke vaderhand.

Bij Diede: Dat je hier bent, heb je niet zelf bedacht.
Er was een kracht die je ter wereld bracht.
We hopen dat je die kracht, die liefde heet,
overbrengt van mens tot mens. Dat is onze wens.

Heel trots zijn we op ons prachtige dochtertje Gerieke.

Mooi dat deze kinderen welkom zijn, er gelijk helemaal bij horen,
Dat van hen gehouden wordt,
dat ze iets kostbaars hebben: voor jullie en voor God.
Dat ze ook iets kostbaars hebben voor God is niet alleen iets
dat duidelijk wordt op de geboortekaartje.
Dat is vanmorgen ook zichtbaar geworden in het teken van de doop,
waarin God tegen deze kinderen heeft gezegd: Mijn liefde is ook voor jullie.
De liefde van God die jij hebt leren kennen, is er ook voor je kind.
We lezen over die liefde ook in Jesaja 43:1,
een tekst die vaker met de doop van een kind in verband wordt gebracht:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij. Gods kind!

Nu moet daar wel iets bij gezegd worden, zowel over de liefde die in Jesaja klinkt
als de liefde van God die zichtbaar wordt in de doop:
Het is een liefde die herstelt, Gods liefde die weer goed maakt wat verstoord was,
heelt wat gebroken is geweest.
In het formulier wordt als eerste over de doop gezegd,
dat de doop laat zien dat wij van binnen schoon gewassen moeten worden, gereinigd,
omdat we geen rein, geen zuiver hart hebben.
Ook onze kinderen ontkomen daar niet aan.
Net zoals zij delen in de liefde die God voor ons heeft, delen ze ook in onze zonde.
Ook zij hebben Gods vergeving nodig, ook voor hen moest Christus aan het kruis gaan.
En dat is ook gebeurd – Gerieke, Jesse, Renze, Diede,
je bent gedoopt in de naam van de Zoon: Hij stierf voor jou aan het kruis.

Ook in Jesaja 43 is er sprake van liefde die weer goed maakt, wat verstoord was,
Weer heel maakt in een relatie wat gebroken was, de relatie tussen Israël en God.
Als we deze tekst los nemen,
is het een mooie tekst bij hoe meestal tegen de doop wordt aangekeken:
Dat God van je houdt en dat Hij als schepper voor je wil zorgen.
Maar dan gaan we eraan voorbij dat deze tekst hier in Jesaja niet bedoeld is
voor kinderen die in een warm nest geboren worden, die welkom zijn,
die met open armen worden ontvangen en in liefde en geborgenheid kunnen opgroeien.
Deze woorden komen tot het volk Israël, dat de weg kwijt is
en dat zich vertwijfeld afvraagt of God ooit nog wel iets van zich laat horen.
Een volk in crisis, omdat echt alles tegen zit.
De Israëlieten zijn uit eigen land weggehaald, gedwongen,
het was niet eens hun eigen keuze, het was niet eens een vlucht, maar gedeporteerd,
zoals in de oorlog veel mensen, waaronder ook bijna alle Joden, zijn gedeporteerd.
In hun hart leeft nog de herinnering aan hun vaderland, het door God beloofde land.
Dan zagen ze echter niet de mooie glooiende heuvels met de wijngaarden erop,
de uitgestrekte vlakten waar de schapen en koeien op graasden,
De steden schitteren in de zon.
Nee, ze zagen in hun herinnering hoe de huizen waarin ze woonden
in vlammen opgingen, aangestoken door de soldaten die hen dwongen weg te gaan,
en langs de weg veel dode mensen, die omgekomen waren door het oorlogsgeweld,
of uit pure wreedheid door de vijanden waren vermoord.
Een situatie waarvan je hoopt dat je die nooit hoeft mee te maken
en dat je kind zulke ellende bespaard blijft,
waarvan we weten dat er heel wat kinderen op deze wereld dat wel meemaken:
opgroeien in een oorlog, de ouders gedood, zelf kindsoldaat.
En dan zegt Jesaja, de profeet: Israël dat is niet zomaar iets dat je toevallig overkomt.
Nee, al die ellende, dat is de hand van God.
Het is geen vreemde die je dit aandoet, maar je eigen God.

Wie heeft Jakob tot buit gegeven en Israël overgeleverd aan rovers?
Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?
Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan en niet luisteren naar Zijn wet (Jesaja 42:24)

Is dit een beeld van God die je aan je kind wil meegeven?
Je wilt toch een positief beeld van God meegeven aan je kind,
zodat je kind de Heere ook gaat leren kennen, gaat geloven,
zijn of haar weg met Hem gaat – aan Zijn hand door het leven?
Maar niet alleen de mooie dingen komen uit Gods hand.
Soms kan ook als het tegenzit in je leven dat uit Gods hand komen.
Ik zeg niet dat dit altijd zo is: dat als je leven ingrijpend verandert
Door een overlijden, door een scheiding, doordat je ontslagen wordt op je werk
dat altijd de hand van God is.
Hier zegt God dat tegen Israël wel: het is wel een hardhandige manier,
maar het is om je wakker te schudden,
om te beseffen dat je geen plek in je leven hebt voor Mij.
Als kinderen waren wij thuis denk ik niet altijd de makkelijkste voor mijn moeder.
Dan dreigde ze nogal eens: als je nu niet luistert, dan pak ik mijn koffers en ga ik weg.
Wij lachten altijd, want dat zou ze nooit doen. Een moeder doet dat niet.
Totdat ze op een keer ook echt weg ging. Weliswaar niet voor lang,
maar toch, om te laten weten dat ze ook echt wel weg kon gaan.

Door al die ingrijpende gebeurtenissen die Israël overkomen, wil God laten weten:
Jullie kunnen niet zonder Mij. Als je aan Mij voorbij gaat, dan blijft er weinig van je over.
Het schok-effect, de Heere die Zijn volk verlaat, heeft een ander effect op het volk:
God geeft niets om ons.
Wij zijn voor Hem niets waard. Hij ruilt ons zo in voor een ander volk,
dat veel sterker is, aantrekkelijker, echt meetelt in de wereldpolitiek:
Egypte met zijn indrukwekkende geschiedenis,
Nubië aan de rand van de wereld met de lange mensen die daar wonen,
een volk van dappere strijders,
Seba, een rijk en welvarend land.
Vergeten, in de steek gelaten door God.
Wat is er nog over van dat verbond, die eeuwig durende afspraak die de Heere maakte?

En dan komt de ommekeer: Maar nu.
Vanaf nu wordt alles anders. Wat je overkomen is, al die ellende, dat is nu voorbij.
Er komt een nieuwe tijd.
Als je vertalingen naast elkaar legt, dan is er een verschil in tijd.
In de NBV is het een verlossing die nog moet komen: Ik zal je vrijkopen. (toekomst)
In de HSV is het een verlossing die al geweest is: Ik heb u verlost (het is al gebeurd).
De eerste is: je merkt er nu nog niets van. Je zit midden in de ellende, de wanhoop.
De tweede is: terwijl jij er niets van merkt, is God allang bezig met je redding.
Net zoals dat bij de tweede belofte ook klonk, de belofte van de Zoon:
Ik ben voor jou aan het kruis gegaan. Dat is al gebeurd
En toch kun je nog zoveel narigheid meemaken, verkeerde keuzes maken,
ermee worstelen dat het nog niet zo is als het zo moeten in je relatie met God.
Ik ben al aan het kruis gegaan – Ik heb je al verlost.
Ik heb wel degelijk een bijzondere band met je, zegt de Heere
Dat is geen inbeelding: Ik zeg dat met gezag tegen je. Zo zegt de HEERE.
Ik heb een bijzondere band met je, Israël: Ik ben je Schepper, Ik heb je gevormd.
Mijn hand is in jouw leven te zien, Ik ben persoonlijk op je betrokken.
Jou heb Ik bij je naam geroepen, omdat Ik je wilde laten weten dat je bij Mij hoort,
dat je van Mij bent. Ik je God.
Ook al heb je er niets van gemaakt, heb je alles verknoeid,
was je niet met Mij bezig en ging je een groot deel van je leven aan Mij voorbij,
Ik noem je nog steeds met die bijzondere naam, die Ik je gaf: Israël.
Vanmorgen zijn de namen van de kinderen ook genoemd, bij de doop.
Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent niet alleen van je ouders, maar ook van de HEERE.

Dat is maar niet voor even, voor nu alleen, maar voor een heel leven.
De belofte klonk dat de hemelse Vader voor je kind zorgt, dat Hij meegaat op de levensweg.
Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn.
Door rivieren, ze zullen u niet overspoelen.
In september wordt altijd de Slag om Arnhem herdacht met soldaten die aan een parachute
uit het vliegtuig naar beneden komen, als herinnering aan de Britten en Polen uit 1944.
De parachutisten waren nodig om de bruggen te veroveren.
zonder brug was het niet mogelijk om over de rivier heen te gaan.
Zo kunnen er in ons leven heel wat barrières zijn, waar je moeilijk overheen komt
en kan het zijn dat je kind, dat nu gedoopt is, voor een rivier staat waar hij niet over kan.
Of door het water moet waden, waar een gevaarlijke stroming staat die je mee kan sleuren.
Er zijn heel wat dingen waar je je kind voor wilt bewaren:
Voor het gevaar thuis of onderweg, voor pijn die anderen kunnen aandoen, voor pesten.
Er kan heel wat in een leven gebeuren:
je kind kan ziek worden en behandelingen of operaties moeten ondergaan
en je zit er naast en je kunt er weinig aan doen, alleen maar toekijken en steunen.
Of je wordt zelf ziek en kunt er niet meer zijn voor je gezin zoals je zou willen.
Er kan een oorlog komen, of een slechte toekomst voor de kerk.
Ik denk dat elke ouder naast de dankbaarheid voor de komst van een kind
ook altijd wel de zorg heeft: wat komt er van mijn kind terecht?
In welke tijd groeit ze op? In welke wereld gaat hij verkeren?
Wat zullen ze allemaal meemaken?

Wanneer je door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, geen vlam zal u aansteken.
Dat is een garantie die geen enkele ouder aan zijn of haar kind zal geven.
Je kunt het wel zeggen: Ik zal er altijd voor je zijn. Ik sta altijd voor je klaar.
Ik zal je overal voor beschermen.
Dat kunnen wij niet waarmaken.
En dan is er God, die zich vanmorgen bij de doop aan deze kinderen verbond.
Als Vader, Zoon en Heilige Geest.
Wat er ook in je leven komt, het zal je nooit helemaal kapot kunnen maken,
Hoe diep je ook moet gaan, je zult er nooit aan onderdoor gaan.
Hoeveel littekens er ook komen op je huid of op je ziel.
Er zijn momenten waarop dit te stellig overkomt.
Als je man heel onverwacht overlijdt en je nog zoveel samen had willen meemaken,
als het leven van je vader abrupt voorbij is.
Of je zoon komt vertellen dat zijn huwelijk over is en weggaat bij zijn vrouw
als je te horen krijgt dat je een ingrijpende operatie moet ondergaan
of chemokuren en je weet niet of je er ook echt baat bij zult hebben.
Juist in de afgelopen weken was het nieuws vol met ongelukken en rampen:
Oss nog niet zo lang geleden, gisteren Sulawesi, een aanslag maar net voorkomen.
En toch zegt de HEERE: IK ben bij je, Ik zal je niet verlaten.
Ik sta aan je zijde, hoe diep je ook moet gaan, hoe erg je ook moet lijden, je bent niet alleen.
Als ouder heb je je kind heel wat uit te leggen over God, over geloof.
Ook moeilijke vragen, zoals waarom mensen ziek worden of sterven.
Waarom er zulke rampen en drama’s gebeuren.
Ik denk niet dat je daar een goed antwoord op kunt geven:
Alleen maar dat wat er ook gebeurt God je niet los laat.
Een van de commentaren die ik nalas bij dit gedeelte:
Hier in deze tekst in Jesaja 43 komt het fundamentele geloof van Israël weer boven.
Dit is God, zoals Israël de Heere leerde kennen:
Na tijdenlange onderdrukking in Egypte ging de deur open.
Na jarenlange deportatie mochten ze terug naar huis, naar hun eigen land.
Juist als je je vertwijfeld afvraagt of er wel een God is, dan is Hij er.
Geloof op het nulpunt. Als je niet verder kunt zakken, niet dieper kunt gaan.
Het dodenrijk, de hel – ook daar ben Ik, zegt de Heere en Ik zal je eruit leiden.
Het is geen garantie van een zorgeloos leven.
Dat heeft bijna niemand.
Bijna iedereen kan wel meespreken over zorg, of gemis, of teleurstelling.
En toch is deze belofte niet een lege belofte.
Het is hier een concrete belofte aan Israël dat de verwoestingen in het land
Israël niet helemaal van de kaart hebben geveegd en dat Israël niet helemaal kapot is,
ook al is het ernstig beschadigd door het oorlogsgeweld.
Ik zie hier ook iets in van de dopeling die aan het kruis van Christus wordt verbonden,
maar ook aan de opstanding van Christus.
Wat er ook in je leven komt, je valt niet uit Gods hand, maar voor eeuwig geborgen.
Zelfs de dood, waar je tegen op kunt kijken, krijgt je niet uit Gods hand.
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.
Amen

Preek zondagavond 9 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018
Nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u zichzelf wel eens als heilige gezien?
Ik denk dat niemand zo over zichzelf denkt,
ook niet degenen die vanmorgen aan het avondmaal zijn aangegaan.
Of misschien u juist dan niet, omdat u uzelf zondaar weet
en de genade van Christus nodig hebt, vergeving van zonden.
Als ik zou vragen of u uzelf als zondaar ziet,
dan zou het antwoord eerder instemmend zijn,
of omdat u dat herkent bij uzelf,
of omdat u dat zo vaak gehoord hebt dat u dat bent, dat u dat met moet geloven.

Paulus spreekt de gemeente in Korinthe wel zo aan:
De gemeente is gemeente van God,
dus niet zomaar een groep mensen, maar een groep bij elkaar gebracht door God,
waarin Hij met Zijn Geest werkt, vrijgekocht door het bloed van Christus,
apart gezet om voor Hem te leven.
Een gemeente van mensen die niet van zichzelf zijn, maar van God.
Een gemeente van heiligen – aan de heiligen in Achaje.
Kun je dat wel van een gemeente zeggen,
van de gemeente van toen in Korinthe en van Oldebroek nu,
een gemeente van God, heiligen in Achaje, in de omgeving van Oldebroek?
Zijn er niet onder ons die te weinig serieus geloven en er te weinig werk van maken?
In het verleden lag het ook gevoelig.
Toen ds. Noordegraaf hier in de jaren-’60 predikant werd,
kreeg hij ook met kritiek te maken toen hij zijn preek begon met: ‘Gemeente van Christus’.
Ad rem als hij altijd was, zei hij: ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: “Gemeente des duivels”?’
De gemeente aanspreken als gemeente van God, of als gemeente van Christus
is een lofzang – niet zozeer op de gemeente zelf, maar op God,
de God die deze gemeente uitgekozen heeft, bij elkaar gebracht heeft en onderhoudt.
Wat de gemeente is, dat heeft de gemeente alleen maar aan God te danken,
de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting,
de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Als u als gemeente van Christus aangesproken wordt,
is dat allereerst een dank aan de Heere:
Dank U, dat U Uw Zoon naar deze wereld zond, de dood in, om onze schuld te dragen.
Dank U wel, dat U hebt bent, die ons bij elkaar brengt
naar ons toe komt en ons aanspreekt, in ons midden wil zijn, onze God! mijn Vader!
Als de gemeente aangesproken wordt als gemeente van onze Heere Jezus Christus,
dan is dat ook een herinnering aan wat u bent, hoe jij hier zit.
Je bent hier, omdat God in je leven werkt, omdat Christus voor jou gestorven is,
omdat de Heilige Geest met jou bezig is, om in jouw hart te werken,
zodat jij ook gaat geloven in God, zodat je ook gaat beseffen: Ik hoor bij Hem.
Om zichtbaar te maken dat we gemeente van Christus zijn, wordt het avondmaal gevierd.
De tafel voor in de kerk een gewone tafel met gewone lakens er op,
wel met bijzondere schalen en bijzondere bekers,
en tegelijkertijd is het de tafel van Christus,
De koster heeft alles klaar gezet en toch: Christus is de gastheer.
Hij is aanwezig, Hij nodigt u, Hij reikt aan jou het brood aan en de wijn krijg je van Hem.
Met brood en wijn geeft Hij zichzelf: als herinnering aan wat Hij deed op Golgotha,
maar ook als bevestiging dat je nog steeds van Hem bent,
ondanks je fouten en tekortschieten, dat Hij je niet loslaat, al maak je er weinig van.
Hij reinigt je en begint met jou opnieuw.
Daarom: gemeente van God, daarom: heilig.
Je bent heilig.

Dat is niet om je een extra status te geven,
maar is bedoeld om je te laten weten: God is met je bezig.
Hij verandert je. Hij vergeeft en reinigt je van je zonden.
Heilig betekent: de Geest is in jou aan het werk, met jou aan de slag.
Heilig, dat betekent, zoals het avondmaalsformulier dat zegt,
dat je de waardigheid die je nodig hebt om bij Christus te komen aan tafel,
dat je die waardigheid ontvangt.
Die hebben we niet van onszelf.
Naar het avondmaal gaan is niet laten zien, hoe goed je het doet als gelovige,
nee, dat we daar kunnen zitten hebben we alleen aan Hem te danken.
We krijgen die waardigheid geschonken om het brood te mogen eten
en de wijn te kunnen drinken.
Als u vanmorgen niet kon aangaan, moet u dat eens voor uzelf bedenken.
De plek daar aan de tafel en de mogelijkheid om aan te gaan,
wordt u door Christus zelf aangeboden. Het is voor u betaald!
Maar misschien hebt u in de bank gezeten en gekeken en in uw hart meegedaan.
Of hebt u thuis bij de kerkradio de dienst gevolgd.
Soms hoor ik dat thuis op een eigen manier avondmaal meegevierd wordt.
De waardigheid om het avondmaal te vieren gaat niet pas in werking
als u naar voren loopt en aan de tafel aanschuift en brood pakt en wijn drinkt.
Nee, de waardigheid is er omdat Christus zichzelf gegeven heeft.
Vanaf het kruis op Golgotha stond wordt de waardigheid aangeboden.
U hoeft er alleen maar gebruik van te maken.
De enige voorwaarde is, dat u gelooft dat het ook voor u is,
maar dat betekent niets anders dan de waardigheid aannemen,
dat betekent niets anders dan u zichzelf door Christus met heiligheid te bekleden,
dat is niets anders dan accepteren dat de Geest ook met jou aan de slag is.

De gemeente waar Paulus aan schreef, daar in de havenstad Korinthe,
was echt niet de ideale gemeente, zodat ze van zichzelf konden zeggen
wij zijn nu echt het voorbeeld van hoe een gemeente van Christus moet zijn,
nee, ik denk dat ze zelf ook wel verbaasd waren dat Paulus hen aansprak
als gemeente van God, gemeenschap van heiligen.
Want ze hadden van Paulus gehoord dat er nogal wat aan te merken was
op hun geloof, te weinig vertrouwen in de opstanding van Christus.
op hun levenswandel, onder andere doordat een gemeentelid een relatie onderhield
die binnen een gemeente van God niet te accepteren was.
op hun omgang met elkaar, waar de liefde soms ver te zoeken was.
En toch: gemeente van God. En toch: heiligen in Achaje.
Dat bent u als gemeente en als gelovige ook: van God en heilig.
Niet om uzelf op de borst te kloppen: dat hebben we nu zelf bereikt,
nee: het is gegeven, niet omdat u, jij of ik daar recht op heb, niet zelf verdiend,
maar omdat Christus aan het kruis ging en onze schuld droeg
en het goed gemaakt is – verzoend met God: de breuk die er was, is geheeld.
Je bent weer van God en omdat God heilig is, wordt je ook weer heilig – heilig gemaakt.
Dat is een van de weldaden, waar het formulier over spreekt: gerechtigheid.
We ontvangen de gerechtigheid, die van Christus is.
Al blijft dat hier op aarde een proces, een werk dat nooit af is.
Zolang we hier op aarde zijn, heeft de Geest aan ons werk
om ons heilig te maken en heilig te houden.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan leggen we het aardse leven af
En ontvangen we een nieuw lichaam, een eeuwig lichaam, verheerlijkt,
bekleed met de heerlijkheid die Christus heeft en van Christus komt.
Ook weer zo’n weldaad van Christus, waar het formulier over spreekt.

 

Zover is het nog niet.
Moet je al verlangen naar een leven in heerlijkheid?
In de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus: als ik leef, leef ik voor Christus,
en als ik sterf ga ik er alleen maar op vooruit, dat is voor mij winst.
Hij zou daar al willen zijn, daar bij Christus in Zijn heerlijkheid,
maar beseft dat hij dan de gemeente op aarde moet achterlaten
en zolang hij op aarde is, kan hij de gemeente dienen, het geloof versterken, bemoedigen.


Zo’n sterk geloof heeft Paulus niet altijd gehad.
In de verzen die we leven, kunnen we opmaken dat Paulus door een diepe crisis is gegaan.
We baden vanmorgen, voordat we het avondmaal vierden:
Schenk ons ook Uw genade dat wij getroost ons kruis op ons nemen

Als we ons kruis hebben te dragen, dan hebben we die troost nodig.
Alleen kunnen we het niet.
Voor de een is kruis dat gedragen moet worden dat je ziek geworden bent,
voor een ander ruzie en verdeeldheid binnen het gezin,
of de zorg die je hebt voor je man of vrouw,
Kruis dragen is een weg die God met je gaat, die je niet begrijpt en die veel kost,
een weg die je alleen met Gods kracht kunt gaan,
getroost door de Vader, de God van alle vertroosting.
In mijn jeugd hoorde ik een keer een preek, volgens mij ook over deze brief.
Het thema was: Maximaal laadvermogen.
En de preek ging erover, dat de Heere nooit een last op je legt die je niet kan dragen.
Hij overbelast je niet. Hij overvraagt je niet.
Paulus zal dat, na de ervaring die hij heeft gehad, niet meer nazeggen.
Hij overzag het niet meer. Hij dacht dat hij het niet meer zou overleven.
Hij kon het niet meer aan en al het vertrouwen dat hij had was hij kwijt.
Het is niet helemaal duidelijk of Paulus hier verwijst
naar een van de keren dat hij in de gevangenis zat
en dacht dat het vonnis uitgesproken was en dat hij ter dood veroordeeld was,
of dat we moeten denken aan een ingrijpende ziekte, die hij maar net overleefde.
Toen hij weer verder mocht leven, uit de gevangenis kwam of herstelde van zijn ziekte,
ontdekte hij dat hij gedragen was.
Hij mocht weer verder leven: leven in genadetijd.
Hij was als het ware uit de dood opgestaan
en dat hij weer mocht verder leven, dat de Heere met hem verder wilde,
heeft hem iets geleerd en dat heeft hem enorm in zijn geloof gesterkt:
God wekt de doden op.
Al had ik het niet overleefd, ik was in goede handen,
dan zal mijn toekomst alleen maar beter zijn.
Ik hoor dat familieleden nog wel eens zeggen, als ze waken
bij hun man of vrouw, bij hun vader of moeder: hij, zij kan er alleen maar op vooruitgaan.
Als mijn vader beter wordt, is dat een zegen van de Heere, tijd die geschonken wordt,
maar als hij het niet haalt, als zijn tijd is aangebroken om te gaan,
dan gaat hij naar een plek waar het beter is dan hier, waar geen pijn is, geen verdriet,
bovenal waar de Heere is.
Wat hij geleerd heeft, geeft Paulus aan de gemeente door:
We moeten leren om ons leven uit handen geven.
Dat Jezus is gestorven aan het kruis en daarna uit het graf is gekomen,
dat is niet alleen maar een mooi verhaal,
maar dat zegt ook iets over onszelf.
In de brief aan de gemeente in Rome, die hij waarschijnlijk later schreef,
Zal hij geloven ook omschrijven als sterven met Christus en opstaan met Hem.
We zijn verbonden met Christus.
Als je als gelovige het moeilijk hebt, een kruis hebt te dragen,
verbindt je dat met de Heere Jezus die ook een kruis droeg.
Kruis dragen betekent niet dat God je losgelaten heeft.
Dat je het allemaal niet meer begrijpt en dat je niets meer van God hoort,
dat betekent nog niet dat de Heere Zich terug getrokken heeft.
Het kan ook zijn dat Hij je wil leren om echt op Hem te vertrouwen,
om je leven in Zijn hand te leggen,
dat je zegt: wat er ook komt – mijn leven is in goede handen.
Als ik er morgen niet meer ben, dan hoef ik niet bang te zijn,
hoef ik niet in paniek te raken en te denken dat ik heel wat zal mislopen.
God wekt de doden op.
De dood is voor ons een macht waar we niet tegen op kunnen,
waar je ook bang voor mag zijn, het is de laatste vijand,
maar je mag ook weten dat die laatste vijand verslagen is door Christus.
Er is er Eén die bestuurt.
Paulus past dat ook toe op de gemeente: je kunt als gemeente een moeilijke tijd doormaken.
Een tijd met veel overlijdens, of een tijd waarin mensen afhaken,
een tijd waarin je weinig ambtsdragers kunt vinden en weinig vrijwilligers beschikbaar zijn,
dat het allemaal doods is, dat je verlangt naar een opleving
maar dat je het niet meer verwacht van deze gemeente, omdat het leven helemaal weg is.
Vertrouw niet op je eigen kracht, verwacht het ook niet van mensen,
maar vertrouw op de Heere, geloof dat Hij de doden opwekt
en ook een doodse gemeente tot leven kan wekken.

Het kan zijn dat je nu geen kruis te dragen hebt.
Wat heeft dit gedeelte je dan te zeggen?
Dat je je voorbereid bent voor het moment dat de tegenslag, de crisis wel komt.
Laat je je daar niet door overvallen.
In de vorige gemeente zat een jongen bij de marine.
Hij werd voorbereid op een oorlog, om dan als soldaat ons land te verdedigen.
Dan was hij weer een aantal weken niet in de kerk en op catechisatie
en vertelde hijzelf of zijn moeder dat hij naar Noorwegen was voor oefening.
Oefenen in de kou, om te leren om in moeilijke omstandigheden paraat te zijn
en de opdracht te kunnen uitvoeren.
Zo moeten we als christen ook voorbereid zijn,
je in een goede tijd voorbereiden op de tijd dat je geloof onder druk komt te staan.
Steeds vaker ging deze jongen op training en steeds zwaarder werd de opleiding.
Hij wilde een training gaan doen die nog specialer zou zijn
dan de trainig voor marinier al was.
Hij kreeg echter een ongeluk waarbij zijn duim verbrijzeld werd.
De nog zwaardere training mocht hij niet meer doen
en hij moest binnen defensie zelfs naar een andere functie omkijken
en liet zich omscholen en ging de medische tak in.
Wij kunnen ons voorbereiden, maar als de crisis komt, als aan ons geloof geschud wordt,
kan het zijn dat ondanks al je voorbereidingen je toch onderuit gaat.
Dan worden we niet afgekeurd of afgedankt.
Hij weet wat maaksel we zijn, dat we stof zijn – zongen we vanmorgen.
God vraagt van ons niet dat we helden zijn, die boven onszelf uitstijgen
En meer kunnen leveren dan we van tevoren hadden gedacht.
Nee, Hij vraagt geen helden.
Alleen gelovigen die bereid zijn zich te laten troosten, die de troost aannemen,
die niet naar zichzelf kijken en hun eigen kracht of zwakheid,
maar alleen maar kunnen denken aan Christus
en die daaraan genoeg hebben
en weten: Hij is niet alleen gestorven voor mij, maar ook voor mij opgewekt.
Wat er ook met mij gebeurt – Hij zal ook mij opwekken.
Of dat nu overeind helpen is als je na een crisis onderuit gaat
of overeind helpen uit het graf. Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.Amen

Preek zondagmorgen 9 september 2018

Preek zondagmorgen 9 september 2018
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus de Heere prijst, wijst hij nadrukkelijk op het karakter van God:
Geprezen zij God (..) de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting.
Als er iemand barmhartig is, is dat God wel
en daarom hebben wij alle redenen om Hem te eren en te prijzen.
Vanmorgen in deze dienst van avondmaal wordt Gods barmhartigheid zichtbaar,
door de stoelen die om de tafel staan als nodiging om te komen tot Hem.
In het brood en de wijn die doorgegeven komt Zijn barmhartigheid tot ons.
Barmhartigheid, dat betekent dat de Heere met Zijn hart naar ons kijkt
en Zijn hart laat spreken.
Hij ziet dat wij tekortschieten in onze liefde voor Hem,

dat ons karakter zo afwijkt van Zijn karakter,
dat we ons zomaar mee laten slepen door verleidingen, omdat we er niet tegen bestand zijn.
Hij weet dat het komt, omdat er diep in ons, van nature, iets mis zit,
de zonde, waardoor wij Hem niet kunnen dienen zoals het behoort
en dat we daardoor niet bij Hem kunnen horen, de heilige God die geen zonde duldt.
God is niet alleen heilig, Hij is ook barmhartig: Hij laat Zijn hart spreken.
De barmhartigheid van God, waar Paulus hier over spreekt, komen we ook tegen in het OT:
Steeds is daar weer die ervaring dat God barmhartig is.
Dat Hij het volk niet wegstuurt en afwijst, achterlaat in de woestijn
als het een gouden kalf heeft gemaakt en dat beeld aanbidt als de Heere, hun bevrijder.
Hij gaat toch mee, verder de woestijn in naar het beloofde land.
Dan, als de Heere voor het volk uitgaat, op weg naar Kanaän,
roept Hij uit Wie Hij is en zegt Hij over Zichzelf:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw
Steeds komt dat terug in het Oude Testament,
een ervaring die het volk door alle eeuwen heeft:
de ervaring dat de Heere hen niet laat zitten, niet in de steek laat
als het zelf wel bij de Heere vandaan gegaan is en andere goden ging dienen,
als het geen vertrouwen had in Israëls God en daarom steun zochten bij sterke landen.
Steeds kwam de Heere weer terug bij Zijn volk
– al kon het tijden duren en moest het volk erom bidden – uiteindelijk kwam de Heere
en vergaf de fouten, herstelde het volk en zorgde dat het volk weer kon leven.
De Vader van alle barmhartigheid – schrijft Paulus:
Als iemand barmhartig is, dan is dat de Heere wel.
Hij had het zelf ervaren, toen zijn verzet gebroken was op weg naar Damaskus
en het goed gemaakt werd tussen hem en Christus – de breuk geheeld, verzoend.
Zo is God inderdaad, zegt Paulus, ik heb het zelf ervaren.
Ik hoop dat u die barmhartigheid van God ook hebt mogen ervaren.
Dat Hij in uw leven kwam.
Daar hoeft het niet van af te hangen, want in de Bijbel wordt er steeds over verteld.
Ook als u dat zelf nog niet zo ervaren heeft, is het waar: God is barmhartig!
Dat betekent, dat Hij niet eerst naar uw zonden kijkt, maar u wil vergeven,
dat Hij u niet weg wil sturen, bij Hem vandaan, maar juist wil dat u komt tot Hem.
Het avondmaal laat niet alleen zien hoe wij tekortschieten, falen, zondigen,
maar ook hoe graag de Heere ons bij Zich wil hebben, bij Hem aan tafel, in Zijn gezin.
Als we ergens Zijn barmhartigheid kunnen zien, kunnen ervaren is dat bij het avondmaal,
want het avondmaal wijst op Christus, die alles volbracht heeft op Golgotha.
Gods barmhartigheid heeft een naam: Jezus Christus.
Paulus schrijft over God als de Vader van alle barmhartigheid.
Onze Vader in de hemel is de bron van alle barmhartigheid.
De liefde, de bewogenheid die er in Gods hart is, stroomt naar ons toe.
Vanmorgen in de tafel, waar u aan mag zitten, het brood en de wijn die u mag ontvangen,
die heenwijzen naar hoe deze barmhartigheid van God spreekt op Golgotha,
daar aan het kruis van Golgotha spreekt Gods barmhartigheid.
Het is dan ook niet voor niets dat Paulus spreekt over de Vader van alle barmhartigheid
en de Vader van onze Heere Jezus Christus – en dat in één zin.
Voor Paulus is dat gelijk: onze Heere Jezus Christus  en alle barmhartigheid.
In Christus wordt Gods barmhartigheid zichtbaar.
als je in het hart van God wilt kijken en als u wilt weten hoe Hij over u denkt,
kijk dan naar Christus, naar Christus aan het kruis
en Christus hier aan de avondmaal, die u uitnodigt om bij Hem te komen, bij Hem te zijn.
Als je over Christus nadenkt, kun je dat alleen maar verbinden met barmhartigheid.
Geen wonder dat Paulus de mond vol heeft over God en de Heere moet prijzen.
Hij nodigt ons uit om ermee in te stemmen en zo ook de Heere te loven:
Geprezen zij de God,
de Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader van alle barmhartigheid.
Dit is nu de Heer die wij dienen, over wie wij steeds horen.
Zo is Hij vanmorgen aanwezig in ons midden: Barmhartig, nodigend
kom hier bij Mij, het brood van genade halen, de wijn van barmhartigheid,
want Ik ben aan het kruis gestorven, voor jouw zonden, voor uw fouten
en al is er heel wat dat je aanklaagt, al kun je heel wat redenen bedenken
waarom er geen plek aan het avondmaal voor jou zal zijn:
Kom, je wijst Zijn barmhartigheid toch niet af?
Wat heb je meer nodig?
Kun je er dan niet mee instemmen, met de lof die Paulus aanheft:
Heere, U bent geprezen, ik loof Uw grote naam – U bent zo bijzonder goed voor mij.
Als je steeds over de barmhartigheid van de Heere hoort,
Als je elke zondag weer te horen krijgt, hoe God zich juist ook over u wilt ontfermen
En dat ook jij bij Hem mag horen, dat er ook voor u plaats is bij Hem,

dan kunt u toch niet uw plaats leeg laten hier aan de tafel.
Dan kan het toch niet anders dan dat er een verlangen is gegroeid,
dat je bij je Heer en Heiland wil zijn: Mijn Vader die barmhartig is, mijn Heere Jezus Christus
Amen


Preek zondagavond 2 september 2018

Preek zondagavond 2 september 2018
Schriftlezing: Jesaja 40:12-31
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een oma maakt zich zorgen over haar kleinkinderen,
omdat ze niet meer naar de kerk gaan en weinig meer aan het geloof doen.
Ze zegt: ‘Mijn kleinkinderen hebben het te goed. Ze hebben God niet nodig.
EIgenlijk hebben ze het nodig dat het eens niet voor de wind gaat, dat het tegen zit.
Dan zullen ze merken dat ze God wel nodig hebben!’

Zou het?
Klopt het wat deze oma zegt, dat een crisis je dichter bij God brengt?
Ik begrijp het wel hoe het komt dat deze oma er zo over denkt.
Ze is zelf opgegroeid in een tijd waarin er heel weinig was,
Er werd hard gewerkt en weinig verdiend
En het weinige dat er was, werd gebruikt om het gezin te onderhouden.
Ze zal zelf als kind in die tijd tot de Heere gebeden hebben,
Dat Hij zal zorgen voor eten, voor werk, voor gezondheid
en ze zal het dankbaar als zegen ervaren hebben dat ze het zelf beter had
en dat haar eigen kinderen niet de armoede kenden die ze zelf had.

Dat een ingrijpende crisis je niet gelijk bij de Heere brengt, kunnen we zien bij het volk Israël:
Mijn weg is voor de Heere verborgen.
Dat is niet zomaar een klacht dat de Heere hen uit het oog verloren is,
maar de klacht dat God Zijn eigen volk de rug toegekeerd heeft
en niets meer met hen te maken wil hebben.
God heeft ons verstoten, zegt het volk, want dat zien we aan wat ons overkomt.
Wat hebben wij aan God? Hij heeft ons laten zitten, juist nu wij Hem zo nodig hebben!
Hier bij het volk Israël zorgt de tegenslag en de crisis er niet voor
dat ze God waren kwijtgeraakt en dat ze Hem weer moeten opzoeken,
maar is er verbittering gekomen, teleurstelling in God.
Waar bent U, nu we U zo nodig hebben?
Je hebt mensen, die als ze een konijn of een hond hebben
en daarvan af willen die niet naar een asiel brengen maar meenemen naar het bos
En daar in het bos hun konijn of hun hond achterlaten.
Of dat konijn of die hond dat niet overleeft, is hun zorg niet. Zij zijn er vanaf.
Zo voelt Israël zich: gedumpt door God, aan hun lot overgelaten.

Wat is er aan de hand?
Aan de woorden die hier gebruikt worden, kunnen we denken aan de ballingschap.
Het volk is niet meer in Kanaän, maar onder dwang weggevoerd naar Babel,
een vreemd en ver land, een trots land,
dat ook in alles laat merken dat het succes aan hun kant ligt.
Tegen hun goden is niemand opgewassen, ook de God van Israël niet.
Israël is maar een volk van stumperds, met een God van niks.
En bovenop het bittere gevoel dat ze door de Heere in de steek zijn gelaten
komt nog de vernedering van de Babyloniërs.
Op de middelbare school had ik een jongen in de klas, die wat merkwaardig was:
hij viel op, dikke brillenglazen, liep wat sloffend door de gangen,
als hij schreef kon je dat bijna niet lezen,
en hij had ook nog eens de pech dat hij klein was.
Het gebeurde wel dat oudejaars zijn tas te pakken kregen
en zijn tas neerlegden op een plek waar hij niet bij kon.
Hij moest wachten tot ze zijn tas teruggaven of tot ze weg waren
en een ander zijn tas kon teruggeven.
Zo voelde het volk Israël zich klein tussen de mensen van Babylon,
die hen op allerlei manieren lieten weten dat ze maar stumperds waren,
die nooit zo sterk en groot en succesvol konden zijn als zij.
Samen met hun goden stonden ze aan de top van de wereld.
Zij bepaalden hoe het er in deze wereld aan toe gaat. Zij hebben de touwtjes in handen.
Door die houding heen heeft hun geloof een extra knauw gekregen.
Israël bestaat nog wel, maar nog even, dan is het voorbij
Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.


Dan komt deze profeet: Waarom zeggen jullie dat eigenlijk?
Hoe komt er bij jullie zo’n negatieve stemming?
Heb je niet door dat het zelfbeklag is, dat je jezelf zielig vindt?
Weet je het dan niet?
Met zijn woorden wil de profeet het volk wakker schudden:
doe je ogen open en kijk om je heen!
Nou, dat is wat het volk juist steeds gedaan heeft: om zich heen kijken
en ze werden er alleen maar moedeloos van.
Onderworpen aan een machtig volk, waar ze niet tegen opgewassen worden
en geen enkel teken van God.

Nee, echt niet? Kijk dan nog eens beter!
Kijk eens naar de wereld waarin je leeft.
Jullie daar in Babel zijn misschien wel onder de indruk geraakt van hoe groot de wereld is.
Als je nooit ver weg hoeft te gaan, nooit op reis, dan kan de wereld overzichtelijk zijn.
Maar als je door de wereld trekt, al is dat gedwongen:
Als je door woestijnen en steppen moet, eindeloze vlakten waar geen eind aan komt
als je langs allerlei bergen moet en allerlei dalen, voel je je klein – wat is de mens?
Dan besef je iets van de grootheid van het universum.
Weet je het dan niet?
Je hebt in Babel voor de brede rivier de Eufraat gestaan
en je kon daar niet zomaar overheen, alleen via een pont, een brug of doorwaadbare plek.
En ze hadden wellicht nog herinneringen aan de zee, die uitgestrekt aan de kust lag.
Dat water, een nauwelijks te overwinnen barrière voor de mens
– God meet en weegt dat in Zijn handpalm.
En als je naar de hemel kijkt, kun je je klein voelen, het ontzaglijke heelal.
Het is voor God niet meer dan een span – afstand tussen duim en wijsvinger.
Het zand van de woestijnen en de eindeloze vlakten
– God heeft er alleen maar een maatschepje voor nodig om het af te meten.
De bergen die zo imponerend zijn, waar jij je zo klein bij voelt,
het zijn voor God niet meer dan gewichtjes die je nodig hebt voor een weegschaal.

Hier wordt de grootheid van God als troost gebruikt, als bemoediging.
Want de gedachte van Israël kan zijn dat voor de grote God, de schepper van het heelal,
ISraël te klein is om aandacht te schenken.
De laatste tijd is er aandacht voor de twee Armeense kinderen, Lily en Howick,
die uitgezet gaan worden naar Armenië.
Ze hadden een beroep gedaan op de minister, omdat hij een speciale bevoegdheid heeft
om ze toch hier in Nederland te laten,
maar de minister heeft al laten weten dat hij dat niet doet
En ook rechters hebben aangegeven dat zij naar Armenië gestuurd mogen worden.
In een poging om hier te mogen blijven hebben ze ook de koning aangeschreven.
Maar we kunnen ons voorstellen dat de koning zich er niet mee bemoeit,
zich de vingers er niet aan brandt, zich niet bemoeit met het beleid van het kabinet
en misschien ook wel meer heeft te doen dan hier aandacht voor te hebben.
Zo kan ook de gedachte zijn dat God te groot is om zich met mijn leven bezig te houden.
Maar nee, juist die grootheid van God is de troost.
Want voor ons kan de wereld waarin wij leven soms een ongelooflijke chaos zijn:
armoede die maar niet op te lossen valt, de dreiging van terreur waarin we al jaren leven,
miljoenen mensen die op de vlucht zijn voor oorlog, natuurrampen of honger.
Wat moeten wij nu van de burgeroorlog in Jemen denken, of van de sores in Venezuela?
Gisteren was het 14 jaar geleden dat er honderden kinderen omkwamen
tijdens een gijzelingsactie van school nr. 1 in Beslan.
Als je steeds verhalen hoort en beelden ziet van zulke ellende,
kun je wel gaan twijfelen of God bestaat en of Hij alles nog wel in de hand heeft.

Voor Israël kwam de twijfel ook op door wat ze zagen: immense beelden van goden,
van hout gemaakt en met goud overtrokken – indrukwekkend om te zien.
Als je die beelden zou zien, zou je het zo geloven: zij regeren.
Ho, wacht even, zegt de profeet.
Zo’n beeld? God?
Weet je niet dat de hemel te klein is voor God?
Hoe kan zo’n beeld, waar jij onder de indruk van bent, nu iets van God laten zien?
God is te groot voor zo’n beeld.
Je ziet de glimlach om de mond van de profeet.
Je weet toch hoe ze zo’n beeld maken?
En hoe ze met veel moeite zo’n beeld op de top van een berg plaatsen.
Ze hebben er van tevoren wel veel werk aan om te voorkomen,
dat zo’n beeld niet omkukelt, of niet door verslijt door de gevolgen van weer en wind.
Moet je nu om zulke goden druk maken?
Weet je dan zo weinig van je eigen God,
dat Hij de enige is die er is, dat alles uit Zijn hand komt?
Dat Hij hemel en aarde gemaakt heeft, en alles bestuurt?
Je kunt wel onder de indruk zijn van wat er in deze wereld gebeurt
En bang worden voor de toekomst, bijvoorbeeld vanwege de klimaatverandering.
Maar de Heere is in staat met één handbeweging het hele klimaat te veranderen.
Er zijn tijden waarin je bang kunt zijn voor terrorisme
En je afvragen wanneer Nederland aan de beurt is voor zo’n aanslag.
In het verleden is er wel vaker angst geweest voor iets dat zou gaan komen:
een derde wereldoorlog, de angst dat de Russen West-Europa zouden binnenvallen,
de dreiging dat er ooit ergens een kernbom zou vallen.
Ik wil niet zeggen, dat zulke angst onterecht is of onzinnig,
maar wel dat als de Heere het niet wil, dat het dan niet gebeurt.
Geen enkele macht, hoe dreigend ook, is in staat om verder te gaan
Als God de grens trekt en “Ho!” zegt.

Bij degenen die de macht over hen hadden, de Babyloniërs, zagen de Israëlieten
dat zij ook geloofden in de orde in de wereld.
Het was de orde van wie de sterkste is.
Dat was zo bepaald door de goden.
Overal zagen de Babyloniërs goden: in de zon, in de maan, in de sterren.
Vanuit het universum stuurden zij deze wereld aan
En zorgden zij dat de legers van Babylon onoverwinnelijke machten waren,
niet te stoppen, een grootmacht die alles verpletterde wat tegen hem in verzet kwam.
Kijk nou eens omhoog, naar de zon, naar de maan en de sterren?
Zijn dat echt goden?

Er is een kinderliedje van vroeger:
Weet gij hoeveel sterren kleven aan de blauwe hemelboog?
Weet gij hoeveel wolken zweven boven alle bergen hoog?
Al die duizenden tezamen, roept de Heer bij hunne namen.

Een iets afwijkende versie:

Weet gij hoeveel held’re sterren aan de blauwe hemel staan’

Weet gij hoeveel donk’re wolken boven alle bergen gaan’

Al die duizenden te zamen, Roept de Heer bij hunnen namen

En niet een ontglipt Zijn oog, en niet een ontglipt Zijn oog.

Een leger door God aangestuurd. Hij beveelt en ze gehoorzamen.
Of misschien moeten we bij wat Jesaja hier denken aan een kudde,
Zoals een herder zijn schapen bij elkaar roept,
zo roept de Heere de sterren tot zich en verzamelt ze.
Ze luisteren naar Zijn stem. Hoe kun je denken dat het goden zijn?

Geeft het troost en houvast als je weet dat God de wereld bestuurt?
Dat Hij alles in de macht heeft, dat Hij grenzen trekt?
Niet als God een anonieme macht is, die te groot is voor ons mensen,
Die geen rekening houdt met onze persoonlijke situatie,
die aan wat ons overkomt voorbij gaat.
Nee, zegt Jesaja: God is geen anonieme macht.
Hij kent de zon, de maan en de sterren bij hun naam.
Zo kent Hij ook jouw bij je naam en spreekt je aan, heel persoonlijk:
Jakob, waarom zeg je dat. Israël, waarom beweer je dat?
Zo gaat Hij ook met een ieder van ons persoonlijk het gesprek aan,
omdat Hij ons kent. Weet je niet dat ik jouw God ben?


Voordat je gaat denken dat God te groot is, dat Hij alleen maar van een afstand toekijkt
en aan jou voorbij gaat, het kinderlied gaat verder:
Aan die duizend-, duizendtallen heeft de Heer een welgevallen

En ook mij bemint Hij tee-eer, en ook mij bemint hij teer.
En ook de profeet gaat verder:
De Heere blijft niet van een afstand staan en haalt niet Zijn schouders op.
Nee, met Zijn grootheid en Zijn macht, komt Hij jou helpen.
Weet je, hoe sterk een leger ook is, ze moeten een keer halt houden
om uit te rusten en bij te tanken.
In de Tweede Wereldoorlog hielden de Duitse tanks net voor Duinkerken stil
omdat ze moesten bijtanken
en honderdduizenden Engelse en Franse soldaten konden ontkomen naar Engeland.
Een jaar later waren de Duitse soldaten vlak bij Moskou,
maar toen de herfst inviel, moest het leger stoppen, omdat er nauwelijks meer benzine was,
dat moest van ver worden aangevoerd.
Een van de redenen, waarom Nederland in 1944 niet helemaal was bevrijd,
was omdat de benzine, de tanks en vrachtwagens en soldaten
via Franse havens aangevoerd moesten worden.
Het lukte de Amerikanen, de Engelsen, Canadezen en de Polen niet
om de brug bij Arnhem te veroveren en zo een oversteek over de Rijn te hebben.
En wat voor legers geldt, geldt ook voor mensen.
Eens is de kracht op.
Als je jong bent, houdt je daar geen rekening mee.
Want moe word je alleen na een intensieve inspanning, zoals een (hardloop)wedstrijd.
Maar wie een bepaalde leeftijd passeert, komt er vroeg of laat achter,
Dat je niet meer alles kunt. Dat je bepaalde dingen moet laten schieten,
of dat je een beroep op de kinderen moet doen om het huis schoon te krijgen.
Moe kun je worden van tegenslag of verdriet, van een kruis dat je moet dragen.

God draait het om, zegt de profeet.
Wie sterk is, wordt moe – maar wie moe is, krijgt nieuwe kracht.
Degenen die denken nog heel wat in hun mars te hebben, moeten erkennen:
Hier is mijn grens, verder kan ik niet.
Je kunt onder de indruk zijn van de vitaliteit en de kracht van iemand anders.
Het is maar tijdelijk, zegt de profeet.
Je kunt onder de indruk raken van alles wat hier macht heeft – ook dat is maar tijdelijk.
Je kunt beter omhoog kijken naar God.
Ik hef mijn ogen op naar de bergen – waar komt mijn hulp vandaan?
Mijn hulp is van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft.
De adelaar – eigenlijk gaat het hier om een gier, met een spanwijdte van meer dan 3 meter.
Een indrukwekkende vogel – koning van de dieren, die zijn vleugels uitslaat
En  op machtige wijze door de lucht zweeft op zoek om toe te slaan.
Dat ben je, Israël, als je op God vertrouwt.

Vertrouw je weg maar aan de Heere toe,
Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan,
zal ook wel wegen vinden, waarlangs uw voet kan gaan.
Waar voor ons mensen geen weg is, baant God een weg,
Israël mocht uit Babel wegtrekken, zoals eerder uit Egypte, terug naar huis,
een nieuwe uittocht.
Zelfs door de dood heen is er een weg, omdat Christus daarin afdaalde
en een weg baant en ons draagt door de dood heen.
Als Hij ons dan kan dragen tot in het Vaderhuis, kan Hij ons ook dragen
in het leven hier op deze aarde.
Amen

 

Preek zondagmorgen 2 september 2018

Preek zondagmorgen 2 september 2018
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11. Tekst: vers 4.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als predikant heb ik al heel wat gezien van families hier in Oldebroek,
doordat ik een rol had bij een begrafenis, bij een trouwerij
of langs kwam tijdens een jubileum of een verjaardag.
Bijzonder vind ik het altijd als er onderling een hele hechte band is binnen de familie.
Als je merkt dat vader en moeder met de kinderen, of broers en zussen,
samen een hele hechte band hebben.
Als ze er echt voor elkaar zijn als het nodig is.
Bij een bruiloft zijn ze aanwezig op een receptie, of komen ze naar de kerk.
Bij condoleren of een begrafenis zijn ze er.
Het doet me altijd goed als je merkt dat iemand afkomstig is uit een hecht gezin,
een familie waarin je de warmte, de betrokkenheid op elkaar voelt.
Misschien weet je wel dat het bijzonder is als je tot zo’n fijn gezin behoort.
Misschien kun je je het helemaal niet voorstellen dat het niet voor iedereen geldt.
Dat er gezinnen zijn, waarin ouders geen contact hebben met een of meerdere kinderen,
families, waarin broers of zussen elkaar al jaren niet meer gezien hebben.
Zulke verhalen raken mij diep, als je verhalen hoort van zo’n breuk binnen de familie.
De pijn die over en weer aangedaan kan zijn,
de boosheid en onbegrip over de houding van de ander,
de onmacht dat er geen manier gevonden kan worden om weer bij elkaar te komen.
Dan moet er heel wat gebeuren om weer bij elkaar te komen.
Dan moet je elkaar weer zien, dan moet er heel wat bijgepraat en uitgepraat worden.
Daarom gebeurt het vaak ook niet
en zelfs met begeleiding van een buitenstaander komt men niet bij elkaar.

Wat is het geheim van een hechte familie?
Dat is niet dat je elkaar regelmatig opzoekt – het kan wel bijdragen aan de versterking.
Het geheim van een hechte familie is naar mijn idee,
dat wat je samen hebt en samen doet ook steeds weer bijdraagt aan de verdieping
van de onderlinge band die er is.
Je bent er voor elkaar, je waardeert elkaar, je stimuleert elkaar of steunt elkaar.
En wat je samen gedeeld hebt, is de volgende keer niet vergeten.

Ik begin hiermee, omdat het in het geloof ook om een band gaat: de band met Christus.
We kunnen dat bij het avondmaal zien: je komt aan de tafel van de Heere Jezus,
Waar Hij de gastheer is,
zoals kinderen hun ouders opzoeken op bepaalde momenten om samen te eten.
Ook al woon je ergens anders, je hoort nog wel bij elkaar
en door elkaar op te zoeken en samen te zijn, samen te eten, versterk je de band.
Nu doe je dat als gezin vaak, omdat de band al hecht is
en door samen te komen, vier je eigenlijk ook die hechte band.
Als de band niet goed is, dan werkt misschien eerder averechts.
In het avondmaal gaat het ook om het versterken van de band die er is met Christus,
maar daarbij is – zeker als we het formulier lezen – er aandacht voor
dat de band niet zo hecht is als die zou moeten en kunnen zijn
en dat er van alles is, dat er tussen God en ons in de weg staat
en als je daaraan voorbij gaat, dan kun je wel bij elkaar komen en bij elkaar zijn,
maar dan versterk je niet de band, maar dan voer je eigenlijk een toneelstuk op,

de toneelstuk van een hechte familie.
En je wordt pas iets hechter als je de tijd neemt om aan elkaar uit te leggen wat er mis is,
niet om dat alleen maar als verwijten te uiten, maar om te begrijpen wat er gebeurt.

Paulus, de apostel die de brief geschreven heeft, ziet het als zijn taak
om bij te dragen aan de band tussen de gemeenten van Christus en hun Heer.
De hele brief is er op gericht om de band weer hecht te krijgen
en Paulus doet dat onder andere door oog te hebben voor wat die relatie heeft verstoord.
Niet dat Paulus het zelf voor elkaar krijgt, maar hij ziet zich als instrument,
Hij weet zich geroepen en ingeschakeld om de gemeente weer bij Christus te brengen.
Hij gebruikt daar een bijzonder woord voor,
voor zijn taak een bijdrage te leveren aan het weer hechter worden
van de band van de gemeente met Christus.
Het woord dat Paulus gebruikt wordt hier vertaald met troost,
maar in de vertaling had ook voor een ander woord gekozen kunnen worden.
Het woord troost komt hier enkele keren voor: God troost ons
en die troost geven we aan elkaar door
en Paulus geeft de troost die hij van de Heere gekregen heeft door aan de gemeente.
Dat woord kan op verschillende manieren vertaald worden.
Troost is hier een van de mogelijke vertalingen.
Je kunt ook vertalen met aansporen, bemoedigen, corrigeren, terechtwijzen.
Een breed spectrum van een positieve, bemoedigende aanpak
tot een behoorlijk confronterende aanpak, waarin je echt terecht gewezen wordt.
Er had ook vertaald kunnen worden: God spoort ons aan en die aansporing geven we door,
onze hemelse Vader vermaant ons en wij geven die vermaning aan elkaar door.
Er kan vertaald worden dat God ons corrigeert, of juist bemoedigt
en dat we daarom elkaar weer corrigeren of juist bemoedigen.
Wat al die betekenissen gemeen hebben is dat het gaat om de band met Christus.
Bij al die betekenissen gaat het erom, dat we als gelovige bij Christus gehouden worden.
Bij al die aspecten gaat het om één ding: bij Christus gehouden worden.
De één heeft daarvoor de troost nodig, omdat er heel wat is gebeurd.
Een ander een aansporing, omdat hij nogal gemakzuchtig is in het geloof
Weer een ander stimulans, omdat zij niet gedoopt is en steeds maar afvraagt
wanneer het juiste moment is om alsnog gedoopt te worden.
Iemand heeft tot je verbazing nog geen belijdenis gedaan – dat komt hier nogal voor.
en je spreekt iemand er op aan en nodigt diegene uit om belijdenis te komen doen,
maar die houdt de boot af: ik heb nog te weinig kennis, nog niet aan toe.
Weer iemand zegt: ik kan niet aan het avondmaal, wat daar hoor ik niet,
of dat doen we binnen onze familie niet.
Als je dat denkpatroon doorbreekt en zo iemand bij Christus weet te brengen,
omdat je de blokkades die iemand zelf heeft opgeworpen,
dan is dat ook hetzelfde als hier gebeurt met troost.
Troost is hier dat je erop gewezen wordt, dat Christus er is.
Dat kan confronterend: hoe heb je nu kunnen vergeten dat je een Heer hebt?
Hoe heb je dat contact met Hem kunnen verwaarlozen?
Natuurlijk, je had het moeilijk, je overzag het niet en je kwam er niet uit,
maar wist je dan niet dat je een Heer hebt die jouw leven in Zijn hand heeft?
Troost kan ook in de vorm van een aanmoediging: maak nou gebruik van het avondmaal,
want daar zul je je Heer en Heiland vinden.

Aan het begin van het avondmaalsformulier werd het ook gezegd dat het avondmaal er is
tot onze troost – om ons weer bij Christus te brengen en ons bij Hem te houden.
En dan kan het best zijn dat er heel wat uit de weg geruimd moet worden,
omdat je nu niet zo close met Christus bent, maar dat er een afstand is, een verwijdering,
Dat kan openlijk, je doet er nu niet zoveel mee, je gaat wat minder naar de kerk
en je laat wat vaker je bijbel dicht,
maar dat kan ook van binnen, zonder dat iemand het ziet.
Je bent er wel, maar in je hart ben je aan het afhaken, het geloof glijdt van je af,
het doet je niet zoveel meer en het zegt je minder dan voorheen.
Dat kan heel wat oorzaken hebben:
drukte in je dagelijks leven, waardoor je er niet meer aan toe komt,
of je hebt het wat verwaarloosd en je ontdekt dat het weinig verschil maakt
en dat je zonder Christus het ook allemaal prima kunt redden.
Of je vindt dat het allemaal wel veel kost en je zoekt naar hoe het gemakkelijker kan.
Jezelf op het avondmaal voorbereiden betekent dat je naar jezelf kijkt
wat er op dit moment allemaal mis is in je relatie met Christus,
waarom de band niet zo hecht is als die zou moeten en hoe dat komt.
Het kan zijn dat er in het afgelopen half jaar, in de afgelopen drie maanden,
vanaf de vorige avondmaalsviering wat gebeurd is, waardoor de band anders is.
Het kan zijn dat er al langer wat is, waardoor er iets tussen jou en God staat.
Het avondmaalsformulier zegt tegen ons: Als je over jezelf nadenkt,
kom je bij uit dat er in de basis iets niet goed zit, niet goed is,
waardoor je geen hechte band met Christus kunt hebben:
we hebben als mens de band die er was met God op het spel gezet, verbroken,
door te kiezen voor een leven zonder God.
En misschien is dat in jouw leven nog steeds wel zo, dat je als je eerlijk bent
nog steeds leeft zonder God. Dat mag je niet zomaar accepteren!
Daar mag je het niet bij laten!

Nu spreekt Paulus tegen mensen die Christus hebben leren kennen en zijn gaan geloven.
Ze waren al bij Christus teruggebracht, als verloren schapen terug bij de kudde.
Als leden van een gezin die al tijden geen contact meer hadden met hun familie,
omdat ze op zichzelf waren geraakt en met wie de band weer is hersteld.
Maar het is net of ze de draai niet helemaal kunnen vinden, of er toch nog wat is.
Ze horen wel bij Christus, terug in het gezin van God, maar toch… er is iets.
Er gebeuren nogal wat ingrijpende dingen in hun gemeente,
Waardoor het vertrouwen dat er was gekomen in Christus toch was geschokt.
Ze waren eerst blij om bij Christus aangekomen te zijn, opgenomen in de gemeenschap.
Maar door die ingrijpende gebeurtenissen, die hen niet in de kouwe kleren waren gaan zitten

gingen ze toch weer twijfelen: hadden ze er wel goed aan gedaan, is dit wel de juist weg.
Ze raken de moed kwijt.
En juist in deze periode hadden ze weinig aan Paulus.
Want Paulus zat zelf in een crisis – hij moest nee verkopen aan de gemeente van Korinthe.
Paulus had zijn eigen worsteling, zijn eigen strijd
en de gemeente van Korinthe moest de eigen worsteling met Christus zelf maar alleen doen,
zonder dat ze daarbij begeleiding en perspectief van Paulus kregen.
Dat had de band die er was, die toch al niet zo denderend was, geen goed gedaan.
Een wantrouwen mbt Paulus, dat er op een gegeven moment gekomen was,
was sterker geworden en ze konden van Paulus weinig aannemen.
Hij was voor hen niet de juiste man om hen bij Christus te houden.
Ze hadden iemand anders nodig, die hun geloof kon stutten, kon ondersteunen,
die het enthousiasme, dat weggezakt was, weer kon terug brengen door preken
die je weer enthousiast maakte voor Christus,
waardoor je weer wist waarom je in Christus geloofde.
En dan zagen ze Paulus, dan dachten ze al zuchtend:
nee, van hem moeten we het niet verwachten. Hij is voor ons niet de juiste persoon.
Dan maar een ander.
In de eerste brief staat dat ze eens gevraagd hadden om Apollos maar te sturen.
Dan, terwijl de band met tussen Korinthe en Paulus niet zo denderend is,
en de band met Christus ook onder druk staat, schrijft Paulus weer een brief.
Hij schrijft over genade en vrede, over troost, over barmhartigheid en ontferming.
Hij zegt tegen de gemeente: Ik heb in de afgelopen tijd iets geleerd
en wat ik geleerd heb, mag ik aan jullie doorgeven, om jullie geloof te versterken.
Mijn ervaring mag jullie helpen, om zelf ook weer die band met Christus te ervaren,
mijn verhaal mag jullie helpen om zelf ook weer bij Christus uit te komen.
Ik heb troost gekregen en dat mag ik weer aan jullie doorgeven.

Het is bijzonder dat Paulus begint over de troost spreekt,
Want hij was het echt kwijt.
Paulus heeft, toen hij heel diep ging – hij ging heel diep want zag de dood in ogen,
en dat was voor hem een huiveringwekkende ervaring,
waarin hij dacht dat hijzelf afgebroken werd
en misschien ook wel dat van het werk dat hij deed er niets meer overbleef.
Juist toen hij zo diep ging, leerde hij Christus nog meer kennen dan hij al deed.
Hij werd zelf getroost – getroost in de diepe betekenis van bij Christus bewaard.
Die ervaring dat – op het moment dat alles je uit de handen glipt
en van je eigen werk niets meer overblijft
en dat je je vertwijfeld afvraagt: God, hoe moet het nu met Uw kerk –
dat op dat moment Christus er wel degelijk is, niet in de vorm van succes,
maar in de vorm van genade – Mijn genade is u genoeg,
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht,
Mijn glorie zichtbaar gemaakt door mensen die helemaal niet perfect zijn,
zoals aan het avondmaal niet alleen maar perfecte mensen hoeven te zitten, zonder zonde,
maar juist zondaars die weten van hun zonde en daar zelf niet van los komen.
Afgebroken worden – dat kan ook als het echt tot je doordringt wat het betekent
om zondaar te zijn en dat je helemaal daar niet aan tafel kunt zitten volgende week
en dat – als God niets had gedaan er niemand had kunnen zitten.
Maar juist als je helemaal niets overhoudt, alleen maar de aanklacht voor jezelf
dat er van alles aan je geloof schort, dat er niets klopt, dat er geen plek is voor je
– juist dan is er die plek bij de Vader van alle barmhartigheden, de God van alle troost,
die je niet laat zitten als de zonde je aanvliegt, maar wijst op Golgotha:
daar heeft Mijn Zoon gehangen, ook voor jou.
Ik hoop dat we elkaar de komende week zo elkaar – in Christus’ naam kunnen troosten.

Vaste grond – een eeuwig anker – geen storm kan mij losrukken,
geen zonde of aanklacht kan mij bij Christus wegslaan,
Steeds weer vind ik daar die barmhartigheid, het hart van de hemelse Vader,
omdat Christus daar stierf op Golgotha, ook voor u, voor jou en voor mij.

Daarop wil ik gelovig bouwen

getroost, wat mij ook wedervaart
Amen




Preek zondagavond 26 augustus 2018

Preek zondagavond 26 augustus 2018
Viering 100 jaar Maranathakerk

Schriftlezing (1): 2 Kronieken 29:20-30
Dit gedeelte werd gelezen in de inwijdingsdienst van 17 december 1966, waarbij het orgel en de uitgebreide Maranathakapel (weer) in gebruik werd genomen.
Ds. H.A. van Bemmel sprak hierover. Orgel en kerk werden overgedragen aan dhr. B. Brink, president-kerkvoogd. Ds. A. Noordegraaf sprak een dankwoord uit.

Schriftlezing: 1 Korinthe 16:13-24.
Bij de officiële opening op 11 augustus 1918 sprak ds. G.H. Beekenkamp over 1 Korinthe 16:22. De andere predikant, ds. Vonk, had ook zullen spreken, maar kon door ziekte niet aanwezig zijn.

Zie voor de geschiedenis van de Maranathakerk

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vandaag staan we er als Hervormde Gemeente Oldebroek – ‘t Loo erbij stil
dat de Maranathakerk 100 jaar geleden in gebruik werd genomen.
Op 8 augustus 1918 werd dit gebouw in gebruik genomen,
eerst als lokaal waarin kerkdiensten gehouden werden en zondagsschool.
Eerst was het een evangelisatiegebouw,
gericht op de mensen uit de buurtschappen om de Maranathakerk heen:
’t Loo, Stuivezand, Vreeweg, Vierschoten, de Lapstreek en de Hogenbrink.
Na de verbouwing was het eerst een kapel en met de torenspits een echte kerk.
De reden waarom de kerk gebouwd werd – het was eerst een gebouwtje van de diaconie,
was dat ds. Beekenkamp, de toenmalige predikant, in deze buurtschappen
heel wat mensen tegenkwam die niet naar de Dorpskerk kwamen.
De afstand was te groot, of men was te arm, had geen geld voor schoenen of een muts.
Deze predikant bracht dat op de kerkenraad ter sprake
en er werd voor deze mensen een gebouwtje neergezet, bij hen in de buurt.
Ik vind het een mooie gedachte: Als de mensen niet naar de kerk kunnen gaan,
moeten de mensen maar naar de kerk gaan,
als kerk zijn waar de mensen zijn.
Als er de afstand een belemmering is om te gaan,
zorgen voor een ruimte bij hen in de buurt

zodat ze in hun eigen nabijheid een plek hebben om een eredienst te hebben.
Een gebouwtje, een lokaal was het eerst nog, waar ze konden komen
met klompen aan, als ze geen geld hadden voor schoenen,
waar de vrouwen konden komen zonder een muts, waar het geld niet voor was.
100 jaar lang al een eenvoudig gebouw, later uitgebouwd tot kapel en kerk
een tastbare herinnering dat een kerkelijke gemeente de leden hoort op te zoeken,
ook al ze uit zichzelf niet komen,
want ook de leden die niet komen zijn schapen van de kudde van de Goede Herder.
Daarmee gaf de gemeente een goed beeld van haar Herder,
die ook op zoek ging naar dat ene schaap dat verloren was geraakt.

In 1966 las ds. Van Bemmel
(de predikant die na zijn vertrek op jonge leeftijd zou overlijden,

nog voor hij in Huizen bevestigd werd,)
bij de ingebruikname een gedeelte uit 2 Kronieken 29.

Het lokaal was weer eens uitgebreid, het harmonium vervangen door een pijporgel.
Uit het gedeelte dat ds Van Bemmel had uitgekozen, kunnen we opmaken
hoe belangrijk het was dat de Maranathakerk – toen nog gebouw of kapel –
een plek was om erediensten te kunnen houden.
Het gedeelte gaat over offers die worden gebracht:
verschillende soorten offers, die gebracht werden vanuit het besef
dat het volk steeds weer opnieuw vergeving en reiniging van de zonde nodig had.
Dat het weer goed komt met het volk, nadat het eerst was afgedwaald.
Verzoening van het volk met God.
verzoening betekent dat de breuk weer is geheeld, dat het goed gemaakt is.
niet door het offer. Het offer is alleen een vraag aan de Heere, of Hij het goed wil maken.
Door daar bij die splitsing, tussen de verschillende buurtschappen in
een ruimte te maken waar erediensten gehouden kunnen worden,
liet de kerkenraad weten dat het ook voor de mensen die hier woonden
het noodzakelijk is dat het weer goed kwam tussen hen en de Heere.
Ik weet niet hoe het beeld in die tijd was van ‘t Loo, Stuivezand, de Lapstreek, Vierschoten, Hogenbrink
maar het signaal was: ook voor de mensen hier is het nodig
dat ze weer bij Christus komen, dat ze horen dat Christus ook voor hen gestorven is
en dat ze dat niet alleen horen, maar ook zien en ervaren,
doordat er in hun eigen nabijheid een gebouw komt voor erediensten,
waar zij op hun eigen manier tot de Heere kunnen naderen.
Een eredienst is ook een plek waar gezongen wordt.
We lezen over priesters en Levieten die voor muziek zorgden.
Koperblazers en koren.
Ook de Maranathakerk kreeg een orgel om de gemeentezang te begeleiden
en er waren koren die in de zalen bij elkaar kwamen om te repeteren
en nog steeds op de zaterdagavond het uurtje zingen hier in de kerk.
Nu vandaag staan we er als gemeente bij stil dat dit gebouw 100 jaar wordt gebruikt
op deze manier, als een plaats om God te ontmoeten en te eren en te prijzen
als een herinnering hier bij de mensen in de buurtschappen
dat God onder mensen wil wonen, ook tussen hen.
100 jaar lang gebruikt de Heere dit gebouw voor Zijn koninkrijk
en vandaag willen we Hem daarvoor eren.

En toch … natuurlijk, feest, terecht feest. En toch … knaagt er iets.
Want die naam Maranatha betekent een oproep aan Christus om te komen:
Kom Heere Jezus!
Bij alle dankbaarheid voor de 100 jaar dat dit gebouw wordt gebruikt,
betekent ook dat er 100 jaar lang gewacht wordt op de Wederkomst
en dat Christus nog steeds niet is gekomen
en wij nog net zo als ds. Beekenkamp en de kerkenraad destijds uitkijken
naar de dag dat Christus terugkomt om bij ons te zijn.
Honderd jaar geleden werd er al naar uitgekeken
en het is bijzonder en mooi dat het ons samenbindt met de hervormden van die tijd.
Wat was het mooi geweest als we dit jubileum niet hadden,
omdat het niet meer nodig was dat er een tempel was of een kerkgebouw,
maar Christus zelf bij ons, teruggekomen uit de hemel tot Zijn gemeente, Zijn bruid.
Honderd jaar lang is de naam een herinnering, een heenwijzing
dat de wereld niet blijft zoals deze wereld is, maar dat er een betere wereld wacht,
de tijd die aanbreekt als Christus hier op aarde komt,
een mooi vooruitzicht voor degenen die Hem verwachten,
maar een waarschuwing voor hen die zonder Christus leven.

Ik weet niet wat de inhoud was van wat ds Beekenkamp sprak
tijdens de opening in 1918.

Koos hij dit gedeelte, omdat dit het enige gedeelte in de Bijbel was
waarin het woord Maranatha voorkomt?
Of koos hij dit gedeelte ook vanwege de waarschuwing die er naar voren komt?
Als iemand de Heere Jezus niet liefheeft, laat hij dan vervloekt zijn.
Dat zijn woorden die je niet bij de opening van een kerkgebouw zou verwachten.
Misschien had ds. Beekenkamp ontdekt wat een van u ooit eens tegen mij zei:
‘Je hoeft er niet omheen te draaien. Als het nodig is, moet je ons bij de lurven grijpen.’
De waarschuwing hoort er ook bij.
voor wie de Bijbel kent is en weet welke woorden er staan voor het woord Maranatha,
beseft dat dit gebouw met deze naam ook een vermaning is, een waarschuwing:
Leef niet zonder Christus! Kies niet voor een leven waarin je Hem buitensluit.
U kunt dat niet uit de vertaling halen,
maar de manier waarop Paulus deze waarschuwing verwoordt, is bijzonder.
Als Paulus schrijft over liefde, gebruikt hij meestal het woord agapè.
Dat woord heeft voor hem de betekenis van dienen, belangeloos leven tov de ander.
Maar dat woord gebruikt Paulus niet.
Als Paulus hier schrijft: wie de Heer niet liefheeft, bedoelt hij:
wie bewust kiest voor een leven waarin je Christus buiten sluit,
je hart expres voor Hem dicht doet, je wilt Hem gewoon niet in je leven.
Het gaat hier niet om tekort aan liefde,
waar je je als gelovige schuldig onder kunt voelen,

maar om je verzetten tegen deze Heer.
Zoals Paulus dat eerst ook deed, toen hij nog niet geloofde in Christus,
al was hij zich er toen niet bewust van
en moest Christus dat hem hardhandig duidelijk maken op weg naar Damaskus.
Zo staat het gebouw er ook als waarschuwing:
Het gaat wel ergens naar toe.
Kun je straks deze Heer, van wie deze kerk is, ontmoeten?
Of heb je hem buiten gesloten? Leef je zonder Hem?
Maar wat gebeurt er dan met je, als Hij terugkomt en je hart niet van Hem is?
Weet je dan niet wat er met je gebeurt, als Christus terug komt?
Je hoort er dan niet bij.
Je bent dan net als die 5 meisjes, die tevergeefs aankloppen op de deur
en tegen wie de bruidegom zegt: Ik ken jullie helemaal niet.
Maranatha – Christus die komt, is niet alleen de goede Herder,
maar is ook de hemelse rechter.
Je zult rekenschap afleggen van wat je met je leven hebt gedaan.
Van wat het woord dat je hier in de kerk hebt gehoord in je uitwerkte.
Van al die keren dat je langsfietste of langsreed en je eraan herinnerd werd
dat er een Heer is, die zich bekommert om jou en deze verloren wereld,
die afdaalde om je te redden en ook voor jou kwam.
In de vakantie liepen wij langs verschillende indrukwekkende kerken in Rouen,
heuse kathedralen, met indrukwekkende beelden aan de buitenkant.
Boven de kerkdeur was een troon, met daarop Christus – rechter!
In de kerk gaat het wel ergens om: Om wat er van jou gaat worden
En om hoe je nu bent, van wie jij nu bent, wie er woont in jouw hart
en de baas is in jouw leven.

Dat kan natuurlijk heel gemakkelijk opgevat worden
als een deur die dicht gedaan wordt,

De suggestie gewekt: als je niet tot onze club behoort,
als je je niet kunt vinden in onze manieren dan hoor je er niet bij.
Maar nee, voor Paulus gaat het hier niet om een deur die dicht gegooid wordt,
maar om een allerlaatste waarschuwing:
Als je zo leeft, dan loop je alles mis.
Maar daarmee sluit hij de brief niet af.
Als hij schrijft, dat wie zonder Christus leeft, bewust, opzettelijk, er niet meer bij hoort,
niet bij Christus hoort en daarom niet in de hemel kan komen,
doet hij dat niet om eens haarfijn te laten voelen dat hij goed zit.
Integendeel, hij weet maar al te goed dat je verkeerd kunt zitten.
Nee, hij doet juist de deur weer helemaal open, een brede uitnodiging,
want hij gaat spreken over de genade van Christus.
En die genade is er niet voor een enkeling, nee:
voor heel de gemeente, voor ieder die deze woorden hoort en leest:
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u.
Opeens, royaal, de genade uitgestrooid, als een uitnodiging voor iedereen:
Pak die uitgestoken hand, kom aan boord! Ook voor jou is er een plek.
Je moet die verzen niet los van elkaar lezen, maar ze horen bij elkaar.
Zonder Christus heb je niets, en moet je vrezen voor het oordeel,
en Hij komt! Ook om te oordelen,
maar zolang Hij nog niet gekomen is, is er hoop.
Ook voor jou en voor u, voor iedereen die van Hem wil weten,
voor de mensen in de buurtschappen die niet naar de kerk konden komen
en voor wie de kerk naar hen komt,
omdat deze genade de kerk dringt om hier naar toe te komen,
Bij de mensen te zijn om hen te vertellen, te laten horen en te laten ervaren
dat die genade er ook voor hen is.
Zodat de dag waarop Christus komt niet een dag die met vrees tegemoet gezien wordt,
maar een dag van verlangen:
O hoe blijde zal ik wezen, op te trekken met die stoet,
juichend met ontelbre zaalgen, onze Bruigom tegemoet.

Jezus leeft in eeuwigheid en als Hij komt, mag ik binnen gaan,
voor Zijn troon staan en vol dankbaarheid zingen, waar ik nu al van mag zingen,
alsof ik dat nu al heb, maar dan volledig zal krijgen:
Hij is de Heer van mijn leven, het loflied omdat mijn verlangen is vervuld,
het verlangen dat zovelen hadden en hebben: Maranatha.
Heer, U bent gekomen. Uw sjaloom wordt werkelijkheid.
Amen