Preek zondag 17 november 2019

Preek zondag 17 november 2019
Schriftlezing: 1 Timotheüs 3

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Twee weken geleden werd na afloop van de kerkdienst aan u de zorg meegedeeld
dat de kerkenraad er niet in slaagde de vacatures voor de kerkenraad op te vullen.
Want het zijn toch belangrijke functies binnen de kerk:
de ouderlingen die de mensen thuis opzoeken om hen te stimuleren in het geloof,
de diaken die met het geld van onze gemeente verschillende doelen van geld voorzien.
Er zijn al wel veel meer gemeenten, die ermee te maken hebben
dat ze de vacatures in de kerkenraad moeilijk kunnen opvullen.
Daar hebben wij als wijk 2 ook mee te maken.
Afgelopen week hadden we een gemeenteavond, met een mooie opkomst
en waren we met elkaar in gesprek wat dit ons te zeggen heeft.

Een van de punten die naar voren kwam op die avond, was:
vertel ons wat de taak van een ouderling of een diaken is.
Nu wil ik vanmorgen in deze dienst niet bij de taken van de ouderling of diaken stilstaan,
maar wat er nodig is om ouderling, diaken of ouderling-kerkrentmeester te kunnen worden.
En dan vanuit de Bijbel: kunnen we in het Woord van God aanwijzingen vinden?

Voordat de rest denk: ‘Ik kan geen ouderling of diaken worden’. Of: ‘Ik wil het niet worden.’ –
Wat Timotheüs hier schrijft, geldt voor iedereen die een taak in de gemeente had,
Want in de tijd dat Timotheüs deze brief van Paulus ontving,
bestond de kerk nog niet zo lang
en waren de taken binnen de gemeente nog niet zo duidelijk verdeeld als in onze tijd.
Als Paulus aan Timotheüs schrijft over de ouderlingen of de oudsten binnen de gemeente
kan dat net zo goed gelden voor iemand die een bijbelkring leidt, of meewerkt met een club.
En ook als je geen taak hebt binnen de gemeente:
Wat Paulus hier schrijft over wat er nodig is om leiding te kunnen geven,
geldt bijna in zijn geheel voor alle gemeenteleden, voor jongeren net zo goed.
Want het gaat Paulus niet alleen om de regels die hij voorschrijft,
maar bij die regels die Paulus geeft gaat het om ons hart, om wie we zijn als gelovige.
De preek die ik ga houden kan als volgt worden samengevat:
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Laten we eerst eens kijken hoe dat in het geval van Timotheüs gebeurt.

Timotheüs is iemand die al heel jong de Heere Jezus leerde kennen
En op jonge leeftijd met Paulus meeging op zijn reizen om Paulus te helpen
het evangelie te verkondigen op plaatsen waar ze nog niet over God hadden gehoord.
Paulus vertrouwen in deze jongen gekregen, die met hem meeging en hem meehielp
en stelde hem in een bepaalde gemeente aan voor de gemeente zorg te dragen.
Hij was nog vrij jong, want in het volgende hoofdstuk schrijft Paulus aan Timotheüs
dat Timotheüs zich niet te druk moet maken dat leden hem te jong vinden.
Paulus heeft gehoord over de zorgen die Timotheüs heeft als het om zijn gemeente gaat
en schrijft hem een brief om hem te steunen, een hart onder de riem, ook om hem te helpen.
Een van de zorgen, die Timotheüs heeft, betreft de taken binnen de gemeente.
Te merken is dat er niemand staat te springen om een taak op zich te nemen.
Als hij iemand op het oog heeft en vraagt om iets te doen binnen de gemeente,
krijgt hij te horen dat iemand het niet op zich kan nemen, of niet wil.
In de uitleg worden verschillende opties genoemd:
Er kan kritiek zijn op degenen die wel een taak op zich hebben genomen in de kerk,
waarbij ieder ander weet: als ik ook een taak op mij neem, krijg ik ook die kritiek.
Als je dat van tevoren weet dat je bij voorbaat al kritiek kunt krijgen, bedank je voor de eer.
Het kan ook zijn dat degenen die een taak hebben binnen de kerk dwaalleraars zijn:
ze vertellen de verkeerde dingen over God en brengen de gemeente in verwarring.
Ze vertellen niet meer waar het op staat,
ze draaien er om heen en halen de scherpe kantjes ervan af.
Moet je dan met zulke mensen samenwerken, met wie je voelt dat er geen band is,
omdat ze toch niet hetzelfde geloof hebben, maar een heel andere boodschap?
Een andere reden waarom gemeenteleden zouden kunnen bedanken
is dat het je wat kan kosten om een taak op je te nemen.
Niet zozeer in tijd of in geld, maar dat je de kans loopt om opgepakt te worden
En in de gevangenis gegooid te worden, bedreigd te worden omdat je gelooft in Christus.
Als er sprake is van vervolging zijn meestal de leiders van de kerk het eerst aan de beurt.
Je merkt aan wat Paulus schrijft, dat Timotheüs er niet meer uitkomt: wie moet hij vragen?

Het eerste wat Paulus uitlegt aan Timotheüs is
dat het gezond is als er binnen de gemeente wel een verlangen is,
dat gemeenteleden een taak op zich nemen, zich gaan inzetten.
Dat verlangen dat je dan hebt om iets binnen de gemeente te doen, is gezond verlangen.
Het is in je te prijzen als je iets wilt oppakken.
Paulus zegt het dubbelop: het is een gezond verlangen als je iets wilt doen,
want je voelt dan van binnen, in jezelf een drijfveer om iets van Christus te laten zien.
Paulus noemt een taak binnen de gemeente een goed werk.
In de woorden die hij gebruikt, kun je merken dat hij bedoelt:
Als je een taak op je neemt, dan wil je Christus zichtbaar laten zien.
Dan wil je aan anderen laten zien, dat Hij je Heer is en dat Hij ook Heer van anderen wil zijn.
Met dat verlangen laat je zien dat God in je werkt en dat de Heere je wil gebruiken.
Want over welke taak heeft Paulus het hier?
Bij hoe het vertaald is – ambt van opziener – kun je al snel denken
aan het traditionele beeld van de ouderling in zwart pak, die statig de kerk in komt schrijden.
Iemand die op bezoek komt en dan een hele preek afsteekt,
of als je geluk hebt eerst even vraagt hoe het met je gaat maar dan snel naar de kern wil,
nog voordat je zelf eraan toe bent omdat je niet goed weet wat je allemaal kunt vertellen.
Of je denkt aan ouderlingen aan een streng college waar je eerst toestemming moet vragen
En vrij snel op de rem trappen, omdat ze bang zijn dat het niet passend genoeg is.
Het is echter maar de vraag of Paulus dat bedoelt en of het al een duidelijke omschrijving is.
In het Griekse woord Episkopos (ambt is toegevoegd aan de vertaling) zit een woord
dat wij kennen: scopos. We kennen dat van:
– de telescoop: je kijkt door een kijker, waarmee je zo ver kunt zien dat je sterren kunt zien.
periscoop: een kijker op een onderzeeboot, waarmee onder water boven water de zee kan worden afgespeurd.
bioscoop: in de bioscoop zie je hoe het leven is.
Bij deze taak in de gemeente heeft Paulus iemand op het oog die kijkt naar anderen,
een ander een beetje in de gaten houdt
Zoals ik dat deed met de zus die een jaar jonger was dan ik.
Als we samen ergens naar toe gingen, zorgde ik dat ik met haar mee reed naar huis.
Of zoals een ouder even meekijkt met een van de kinderen bij het huiswerk.
Als een leraar die de kinderen in de gaten houdt of ze allemaal kunnen meekomen.
Hier heeft Paulus eerder iemand op het oog, die als een herder wil zijn,
de andere gemeenteleden in de gaten houdt of ze nog wel mee kunnen komen
in de gemeente, of ze nog wel leven met Christus, of ze wel groeien in geloof.
Iemand die hart voor de gemeente heeft, bij wie je terecht kunt.
De hedendaagse versie van de episkopos is de supervisor, of stagebegeleider.
Iemand die je meekijkt hoe je het doet,
met wie je in gesprek bent of je nog wel op de juiste weg bent.
Ik denk dat er vandaag de dag juist aan zulke supervisoren behoefte is:
als je een tiener bent, dat je iemand hebt bij wie je kunt vertellen waar je mee zit.
Als je vragen hebt over jezelf, over God dat je dan iemand hebt om te praten.
Als je jongvolwassen bent en net verkering hebt, iemand die je uitleg geeft
over relaties en hoe jij in je relatie samen met de dingen van de Heere bezig kunt zijn.
Als je geen relatie hebt en alleengaand bent heb je misschien wel juist behoefte
aan iemand binnen de gemeente om te delen wat je bezig houdt, iemand op wie je aan kan.
Of voor een jong gezin: op de gemeenteavond kwam het even ter sprake
dat niet voor elke gezinnen kerkgang en geloof nog vanzelfsprekend is.
Dan kun je er juist behoefte aan hebben dat je binnen je eigen gemeente gesterkt wordt.
Een episkopos is iemand die met je meeleeft, met je meekijkt en meedenkt.
Als je in je dat verlangen voelt om zo met anderen mee te leven, mee te denken en te kijken
is dat een mooi verlangen, waarin je merkt dat God in je bezig is
en ook een mooi verlangen omdat jij dan mag laten zien wie God is,
Die ook met ons meeleeft, meekijkt en meedenkt
– de wachter van Israël die ook over ons leven waakt.

Wat voor iemand moet je dan zijn als je deze taak op je wilt nemen?
In de afgelopen week las ik dit gedeelte bij de opening van de wijkjeugdraad
(we bespreken daar allerlei thema’s
die met de kinderen en de jongeren in onze kerk te maken hebben.)
en vroeg aan de anderen die er bij waren: hoe lezen jongeren dit gedeelte nu?
Hoe horen ze dit? Zullen ze denken: “Dat is toch niet voor mij. Ik ben toch geen leider!”?
Er was iemand aanwezig die in meerdere gemeenten betrokken is bij het jeugdwerk
En diegene vertelde dat er onder kinderen van ambtsdragers een grote nood is:
‘Er zijn heel wat kinderen van ambtsdragers die als ze dit gedeelte horen
in zichzelf een bepaalde boosheid voelen: je moest eens weten hoe mijn vader thuis is!
Hij zit geregeld voor in de kerk en heeft hij een vroom gezicht, maar thuis is hij een ander.
Voor anderen heeft hij aandacht, maar voor zijn gezin heeft hij geen tijd.’
Ik hoop niet dat het hier in de gemeente bij de jongeren ook zo beleefd wordt.
Het is in ieder geval niet wat Paulus vraagt.
Bij alle eigenschappen die Paulus opsomt gaat het erom, zoals ik al eerder zei,
dat je door de Heilige Geest een ander mens geworden bent
en dat ook je karakter door de Heilige Geest wordt gevormd, wordt vernieuwd.
Als je vroeger opvliegend en driftig was, dat je merkt dat de Geest je rustig maakte.
Als je vroeger snel een oordeel over iemand had, dat je merkt dat je mild geworden bent.
Want als je je karakter niet laat corrigeren, als je nog de oude bent gebleven,
hoe kun je dan aan anderen laten zien wie God is en hoe God werkt?
Hoe kun je dan vertellen over Gods genade, over de verandering in je leven
Als je zelf daar niet een voorbeeld van bent?
Hoe kun je de tieners van de TOVgroep meenemen, als je daar zelf niets van weet.
Want zij hebben er behoefte aan om het niet alleen te horen wat er in de Bijbel staat,
maar dat ook aan je te zien en zo via jou te kunnen zien hoe zij veranderd kunnen worden.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Maar Paulus legt de lat wel hoog: je moet onberispelijk zijn.
Er mag niets op je aan te merken zijn als je een taak op je neemt.
Daar kun je tegenaan hikken, want als je naar jezelf kijkt weet je: dat ben ik niet.
Er valt zoveel op mij aan te merken.
Maar dan moet je bedenken dat Paulus niet zoekt naar de meest perfecte christen,
Want iedereen weet dat je geen perfecte christen kunt zijn. Niemand kan dat zijn.
Waar Paulus naar op zoek is, is iemand die betrouwbaar is, op wie je kunt bouwen.
Iemand die als er vervolgingen komen, zijn functie neerlegt en als eerste weg is.
Of iemand die door te manipuleren zijn zin weet door te drijven binnen de kerk.
Of iemand die een duister verleden heeft, waarvan je weet dat dit kan opspelen.
Iemand die zich in relaties, zoals het eigen huwelijk, betrouwbaar heeft getoond.
Geloofwaardig als echtgenoot, als vader – want als je thuis niet geloofwaardig bent,
hoe kun je dan in de gemeente – die toch van God is – geloofwaardig zijn.
Wat wordt er nog meer gevraagd:
Iemand die in staat is om met een wijs oordeel, een wijs advies kan komen,
waarin je proeft dat iemand de Heere kent en niet de eigen belangen,
maar het geheel van de gemeente op het oog heeft.
Iemand van wie je het geloof afleest, aan alles proeft dat hij of zij integer wil zijn,
omdat je God wil dienen met alles wat je hebt.
Niet zozeer iemand die in alles strak de regie heeft,
maar iemand die in gebed gaat, de handen vouwt en geduldig luistert
naar wat de Heere in deze situatie heeft te geven.
Iemand die zichzelf kent, de eigen fouten en zwakten,
maar daar de strijd mee aangaat
en ze niet goedpraat door te zeggen dat iedereen zijn fouten heeft.
Nee, dat kun je niet uit eigen kracht.
Daarvoor heb je de Heilige Geest nodig, die in je werkt.
En zo, met de Heilige Geest die in je werkt, kun je een middel zijn in Gods hand,
Waarmee Hij ervoor zorgt dat Hij zichtbaar wordt,
door jou aan de kinderen van de zondagschool of de clubs,
door jou aan de tieners aan wie je leiding geeft of mentorcatechese, als je op bezoek gaat.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.
Het is niet je eigen kracht, maar de Heilige Geest.
Hij wekt in je het verlangen om iets te doen voor de Heer van je leven.
Die Geest leert je ook dat je niet perfect kunt zijn, zolang je hier op aarde leeft,
omdat je hier te maken hebt met je worstelingen, met je zwakten, met de duivel die verleidt.
Als God je een ander mens maakt, je hart en je karakter verandert,
zegt Hij je ook dat je niet zonder genade kan:
Die genade is aan de ene kant de Geest die gegeven wordt,
Aan de andere kant de vergeving die je ontvangt als je gaat naar het kruis
en belijd dat je het als mens, als gelovige zo vaak niet de maat haalt die God aanlegt.

Doorgrond mijn hart en ken mijn weg o Heer.
Beproef me en zie wat niet is tot Uw eer.
Is soms de weg niet goed voor mij:
Leid mij op de eeuwige weg, Heer, maakt mij vrij!

O Heer, heb dank, ’k mag de Uwe zijn.
Uw dierbaar bloed, was mij van zonden rein.
Doop mij met vuur, opdat ik mij niet meer schaam.
Ik wil leven, Heer, tot eer van Uwe naam.

Zie, Heer, hier ben ik. Maak mij een vat voor U.
Woon in mijn hart, vernieuw het, doe het nu!
Verbreek mijn wil, maak mij van hoogmoed vrij.
Ik wil in U blijven, Heer. Blijf Gij in mij.
Amen

Preek Dankdag 2019 avonddienst

Preek Dankdag 2019 avonddienst
Schriftlezing: Psalm 147

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je kunt wel merken dat Psalm 147 bedoeld is voor de eredienst,
om door een koor gezongen te worden of als samenzang.
Want je start een gesprek niet snel met halleluja.
Zelfs een kerkdienst wordt niet begonnen met halleluja,
maar met “Goedenavond gemeente, hartelijk welkom in deze dienst…”
Zou je een gesprek of de afkondigingen beginnen met een halleluja,
dan frons je je wenkbrauwen en zet je je innerlijk schrap.
Deze persoon start wel gelijk op een hoogte waar je niet zomaar bij kan.
Wat in een gesprek of in een afkondiging niet kan, kan in een lied wel.
en je kunt er ook nog in meegenomen worden,
want dat is de bedoeling van halleluja,
dat je als luisteraar van dat lied ook mee doet in de lof op God.
Halleluja is een uitnodiging om mee te doen,
een oproep om ook in te stemmen in de lof op God.
Omdat je als mens je bestemming vindt in het loven van God.
Dat zou je kunnen aangeven als het doel waarvoor wij geschapen zijn:
We zijn geschapen om God te loven.
En als je mee doet in de lof op God, doe je dat samen met de engelen in de hemel,
samen met de dieren, de planten, de bergen, de zeeën
en al het andere dat God geschapen heeft.
In heel de schepping is dit halleluja te horen,
de vogels in onze tuin, de bomen die nu van kleur veranderen en hun blad verliezen,
de wolken die door de lucht drijven, de regen die naar beneden valt
– steeds is daar een lof op onze Heere, schepper van hemel en aarde te horen.
De ene keer uitbundig, dan weer intiem: De lofzang is in stilte tot U, o God.
Dan weer in een bulderende storm.
De schepselen die moeite hebben om zo’n halleluja direct aan te heffen zijn de mensen.
Gelukkig hebben we een kerkdienst en zijn er liederen waarin dat wel gebeurt,
die ons meenemen, die ervoor zorgen dat ook wij de Heere loven: Halleluja!

Het is immers goed, zo begint Psalm 147, om God te prijzen.
Goed voor onszelf. We worden er gelukkiger van,
meer mensen van God, mensen zoals God ze bedoeld heeft.
Lieflijk is het, zo gaat de psalm verder.
Als we de Heere loven, krijgt ons bestaan een bepaalde glans, een bepaalde waarde
die we zouden missen als we de Heere niet zouden loven.
Deze psalm begint en eindigt met halleluja,
om ons te laten weten dat alleen zo ons leven kan zijn,
Dat we alleen gelukkig zijn, echt mens zijn, het echte leven hebben als we God loven.

We zijn niet altijd in de stemming om de Heere te loven.
Dat weet de psalm ook.
In de psalm kunnen we iets lezen van de pijn van de verwoesting van Jeruzalem,
inwoners van die stad die weggenomen werden, gedwongen in een vreemd land te wonen.
Dat was zo’n diepe pijn, om de stad verwoest te zien, zelfs de tempel van God in puin
en dat zij zelf als ballingen in een vreemd land moesten wonen,
ook nog eens een land waar de goden en de mensen hen en de Heere uitlachten.
Zo’n diepe pijn en verdriet dat het hart brak – gebroken van hart, zegt de Psalm.
Uit andere psalmen weten we dat ze daar ver weg van de tempel
niet in staat waren om de Heere te loven.

Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

Wij hadden onze harpen gehangen aan de wilgen die daarbinnen zijn. 

Toen zij die ons gevangen hielden,
daar woorden van een lied van ons verlangden,

wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap: Zing voor ons een van de liederen van Sion!

zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land?

Nu toch weer de oproep om de Heere te loven,
omdat Hij zich weer heeft laten zien aan het volk en Zijn eigen volk weer terug bracht
in de stad die Hij had uitgekozen om daar te wonen: Jeruzalem
Bijeengebracht, zoals een herder zijn schapen bij elkaar roept.
Daarin hebben ze mogen ervaren dat de Heere naar hen omzag,
vanuit de hemel liet weten dat Hij hun God was, door hen weer thuis te brengen.
Dat had hen de ogen geopend voor wie de Heere was:
Groot en machtig, die de sterren bij hun naam roept,
Al die sterren stuk voor stuk, ook de sterren die door ons mensen nog niet zijn ontdekt,
Onze God heeft ze geschapen en een plaats gewezen in het heelal.
In dat heelal dat zo onmetelijk groot is, kent Hij Zijn volk Israël, ook al is het in Babel.
En weet Hij wat iedereen in dat volk nodig heeft.
Als een persoonlijke arts, die de kwaal kent, weet hoe de wonden hersteld moeten worden
en die moeite en zorg doet om die wonden te laten genezen:
Hij geneest de gebrokenen van hart,

Hij verbindt hen in hun leed.
Persoonlijke betrokkenheid van deze grote God, die door niemand is na te rekenen,
met niemand te vergelijken.
Niemand kan de concurrentiestrijd aangaan met onze God,
Zelfs niet de goden van het machtige wereldrijk van Babel – ze kunnen niet tegen Hem op.

Nu is het bijzonder als je God kunt loven om Zijn grootheid
en dat gebeurt ook wel in deze psalm.
De psalm looft de Heere ook dat Hij ondanks Zijn grootheid onze God wil zijn,
zich aan mensen verbindt en al Zijn schepselen kent:
ieder mens, elk dier, elke plant, elke boom, elke golfslag en regendruppel.
Betrokken op al Zijn schepselen.
Al Zijn schepselen zijn uit Zijn hand voortgekomen
en als ze leven mogen ze steeds weten dat Hij hen niet uit het oog verliest,
maar hen steeds begeleidt en voor hen zorgt, hen eten geeft.
Als er regen nodig is, laat de Heere wolken door de lucht gaan,
zodat er neerslag kan komen en de regen neerdaalt op het land
en door het water dat neervalt gras kan groeien.
Je kunt dat als een natuurlijk proces analyseren.
Ik heb dat moeten leren bij aardrijkskunde en natuurkunde.
Ik weet nog dat ik in de brugklas aardrijkskunde van mijn vader kreeg,
– hij was aardrijkskundeleraar –
en dat we tijdens een repetitie de waterkringloop moesten uitleggen:
water van de zee dat verdampt, waardoor wolken ontstaan,
wolken die naar het land gingen en boven land hun regen lieten vallen
en dat water stroomt dan weer voor een deel terug naar zee.
We moesten het verschil weten tussen loefzijde en lijzijde van een berg.
Loefzijde was de kant waar de regen viel. Deze kant was begroeid.
De lijzijde was aan de andere kant, waar geen regen viel.
Aan deze kant groeide juist weinig, omdat er nauwelijks neerslag viel.
Het is een natuurlijk verschijnsel en toch kun je daarin ook de hand van God zien.
De betrokkenheid van de Heere op de aarde, die op die manier voor regen zorgt
en door de regen zorgt voor Zijn schepping en zorgt dat graan en groente verbouwd worden.
In deze psalm zet de regen aan tot een halleluja bij de mens:
Laten we de Heere loven om de regen die valt,
Want daarin zien we Zijn liefde, Zijn betrokkenheid op ons.
Elk dier dat er op de aarde is, Gods aarde, wordt door de Heere onderhouden.
Zo zorgt Hij voor de schepping van Zijn hand.
Zelfs dat kleine ravenjong in het nest, dat schreeuwt om gevoed te worden.
Raven stonden niet best bekend.
De meeste mensen hadden een hekel aan raven.
Het waren onreine dieren, dieren die je niet aan de Heere mocht offeren.
Ze aten van alles, zelfs kadavers van dode dieren.
Het waren een soort rovers, waar je je eigen eten voor moest opbergen.
Zelfs dat dier waarvan mensen al gauw zouden zeggen:
Laat maar roepen, ik hoop dat zo’n jong nooit groot wordt,
Want zo’n raaf zorgt alleen voor overlast en ellende.
Zelfs zo’n dier wordt door de Heere gehoord en van eten voorzien.
Als de Heere zo’n dier van eten voorziet, dat niet gewenst is,
zal Hij dan niet voor een ieder van ons zorgen,
Zelfs als iemand van ons zich ook niet gewenst voelt?

Het roepen van dat ravenjong – in het Hebreeuws is roepen en bidden vaak hetzelfde woord.
Dat kleine raafje roept
zonder dat dat kleine raafje misschien niet eens weet tot wie het roept.
Roept het om een van zijn ouders om hem eten te komen geven?
Of is het zonder dat het jonge raafje dat weet een roepen tot God.
OF een roepen in het wilde weg, help mij, geef mij eten,
een roepen zonder adres, dat toch door de Heere wordt opgepikt.
Zing voor de HEERE een beurtzang met dankzegging,
zing psalmen voor onze God met de harp,
Die aan het vee zijn voedsel geeft en aan de jonge raven wanneer zij roepen.
Dat raafje dat zo afhankelijk is van anderen, en zeker van God.
Het kan alleen maar roepen, zelf nog niet eens voor eten zorgen.
Dat is de voorwaarde om door de Heere geholpen te worden:
gevouwen handen, een roepen naar omhoog naar de Heere,
zoals dat jonge raafje maar roept en roept.
Je hoeft je leven niet op orde te hebben.
Je hoeft geen bijzondere kracht te hebben of iets bijzonders te presteren.
Hij vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Je kunt dat horen als een gewone mededeling over welke voorkeuren de Heere heeft.
In deze psalm is het echter meer.
Je moet er halleluja voor zetten, dan begrijp je het meer:
Halleluja, de Heere vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Halleluja, Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Hier wordt niet de kracht van een trekpaard bedoeld,
zoals hier paarden werden gebruikt voor er trekkers en machines waren.
Het zijn de paarden die in het leger worden gebruikt
en de spierkracht van de man is hier niet de boer die zijn land ploegt
of de bosarbeider die bomen omhangt,
Of het moet de boer zijn die niet kan buigen
of de bosarbeider die zich te sterk voelt om zijn handen te vouwen en de ogen te sluiten.
Als je op je eigen macht vertrouwt, als je het zelf wel redt,
Als je je te goed voelt om de Heere te danken, omdat je niet wilt zien dat Hij je dit alles geeft.
Dan heeft de Heere geen vreugde in je, zegt de psalm.
Alleen als je beseft: Ik krijg dit alles van de Heere, Ik ben niets zonder Hem.
Zonder Hem stel ik niets voor.
Dan ziet de Heere naar je om – goedgezind voor wie Hem vrezen.
Vrezen is: rekening houden met de Heere, zien dat Hij voor je zorgt,
zien dat in de regen die valt Gods vaderlijke hand te zien is,
in het gras dat groeit onze God, die hemel en aarde geschapen heeft,
dat gras laat groeien om voor jou en Zijn andere schepselen te zorgen.
Je kunt Zijn zorg heel concreet zien: dat we in vrede leven,
dat we leven in veiligheid,
Dat je ziet dat jezelf het goed hebt en je kinderen worden gezegend.
Dat er eten is.
Dat de Heere Zijn macht inzet om je te beschermen tegen gevaar.
Alles wat in de natuur gebeurt, is dienstbaar aan de Heere,
kan door Hem worden gebruikt om Zijn plan uit te voeren,
moet naar Hem luistert: zelfs de machtige winter
die met zijn kracht alles kan laten bevriezen, in bedwang kan houden.
Als de winter lang aanhoudt, kunnen zelfs grote rivieren die normaal krachtig zijn,
in bedwang gebracht worden door het ijs dat op de rivier komt te liggen.
Welke macht we ook in de natuur zien, het is geen vreemde duistere macht,
maar een macht die gehoorzaam is aan de Heere
en zich in dienst moet stellen om Gods plan uit te voeren
en dat grote plan is de zorg voor de schepping: voor de mens, voor elk dier.
‘Als God zo eventjes de winter kan veranderen en wegdoen en de zomer terugbrengen,
zodat wij de winter helemaal vergeten
en als Hij dat net zo makkelijk kan doen dat het Hem maar een woord kost,
hoeveel te meer moet je geloven dat Hij jou uit jouw winter en uit alle mogelijke nood
heel gemakkelijk met één woord helpen kan.’ (Luther, geciteerd bij G.Th. Rothuizen).

Die God is de God van Israël – Israël leerde deze God bij name kennen,
mocht een verbond sluiten met deze God.
Mocht de macht en de trouw van deze God ervaren, heel persoonlijk.
En ook wij mogen instemmen met de lof op deze God,
zoals deze psalm begint met Halleluja, mogen wij er ook mee eindigen.
Om daar mee aan te geven, dat heel ons leven omsloten is door dit Halleluja,
dat we tot onze bestemming komen als we instemmen met deze lof op onze God.

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons lied naar U, o God van vrede.

Lof zij uw Naam die oplicht in de nacht,
uw luister staat geschreven in de sterren,
zo hoog van eer, een uitstraling zo zacht,
taal van genegenheid, tijding van verre,
Wij zien verwonderd naar de stille pracht,
zou ooit een mens die heerlijkheid verwerven?

In sierlijk schrift, hoog aan de hemeltrans
hebt Gij de nacht uw signatuur gegeven.
Wij zijn geschreven met dezelfde hand,
dezelfde gratie wekt ook ons tot leven.
De morgenster, zozeer aan U verwant,
Hij heeft het uur der duisternis verdreven.

God van ons hart, Gij die ons zingen doet,
uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen,
uw adem geeft ons innigheid en gloed,
o leid ons uit het huis van schade en schande.
Gij schenkt de sterveling een vergezicht.
Uw stad van licht daalt neer over de landen.
Amen

 

Preek woensdag 6 november 2019 – Dankdag

Preek woensdag 6 november 2019 – Dankdag
Schriftlezing: 2 Koningen 7 (Bijbel in Gewone Taal)
Thema: Goed bericht!

In het Bijbelverhaal dat we gelezen hebben gaat het over honger
en dan geen honger, omdat je een keer weinig gegeten hebt
omdat je het eten niet lustte en dan ‘s avonds net voor het slapen gaan trek krijgt.
En ook geen honger omdat je hard gewerkt hebt of flink gesport
waardoor je best wel wat lust.
Er is honger in de stad, omdat er geen eten meer in de stad kan komen.
De poorten kunnen niet meer opengaan,
omdat er net buiten de poort het leger van de vijand is,
die alle wegen naar de stad hebben bezet en ervoor zorgen
dat niemand meer de stad binnen kan gaan om eten te brengen.
In de eerste weken is er nog eten en drinken, omdat er een voorraad is.
Maar na enige tijd raakt deze voorraad op
en moeten de mensen in de stad steeds minder eten.
Als de kinderen hun bord bijhouden, krijgen ze niet meer vol opgeschept,
maar de helft van wat ze normaal zouden eten.
Als de kinderen ‘s avonds zeggen dat ze nog best wat lusten,
omdat ze anders niet kunnen slapen, krijgen ze te horen dat ze niets krijgen.
Het eten wat er is, raakt steeds meer op.
Dan komen de dagen waarop de kinderen aangeven dat ze niets meer hebben
en dat de moeder en de vader verdrietig aangeven dat er echt niets meer is.
De eerste mensen worden ziek, omdat ze te weinig krijgen.
Op straat zie je steeds minder mensen, omdat ze hun krachten sparen
of omdat ze te zwak zijn om over straat te lopen.
Het is bijna niet meer te doen.
De mensen gaan bepaalde dingen eten, die ze anders nooit zouden eten.
Veel geld wordt er betaald voor een kop van een dode ezel
en als iemand duivenmest gaat verkopen,
blijkt dat er mensen zijn die ook daarvoor willen betalen.
Als de poorten van de stad dicht blijven, zal iedereen nog sterven
omdat ze geen eten meer hebben.
De koning vindt dat het de schuld van de Heere God is
en van Elisa, de profeet die de Heere dient.
Boos roept de koning uit dat hij Elisa zal doden.
En hij gaat ook naar Elisa toe, misschien wel om zijn plan uit te voeren.

Als de koning bij Elisa komt, heeft Elisa voor de koning een bijzondere boodschap.
Morgen om deze tijd zal er eten zijn.
De prijs voor een zak meel, of twee zakken gerst voor niet al te veel geld.
Zou je dat geloven, als je al heel lang niet meer te eten hebt gehad
En je heel veel geld moet neertellen voor iets dat je nauwelijks kunt eten
en je steeds met een lege maag naar bed moet en niet kunt slapen van de honger
en je overdag rustig aan moet doen omdat je geen kracht meer hebt
– zou jij dan geloven dat het morgen weer voorbij kan zijn
omdat de Heere ervoor zal zorgen dat er weer eten is?

Een van de mannen die met de koning mee is,
vindt dat maar moeilijk om te geloven.
Hij lacht de profeet keihard uit en spot ook met God:
Dan moet de Heere wel vensters in de hemel hebben,
luiken waardoor de engelen allemaal koren en gerst naar beneden gooien.
Alleen dan is er voor ons een beetje hoop.
Deze man denkt er misschien al wel over na wat er met hem zou gebeuren
als de poort van de stad open gaan en de inwoners zich moeten overgeven
en de vijand in de stad komt.
Zal hij dan nog blijven leven? Of zullen ze hem dan alsnog doden?
Hij gelooft er niets van, dat de Heere dat zal doen,
want hij, de officier die de koning zo vaak helpt en van advies voorziet,
ziet geen enkele mogelijkheid waarop de Heere zou kunnen helpen.
Dat is nou ongeloof: dat wij als mensen gaan bedenken
Dat de Heere God iets niet kan.
Elisa waarschuwt de man: Omdat u niet gelooft in de macht van God
En omdat u er zo mee spot, zult u het wel zien, maar u zult er niets van krijgen.

Gelukkig kennen de meesten van ons geen honger meer.
In het laatste jaar van de oorlog, nu 75 jaar geleden, was er wel honger,
een hele winter lang: de hongerwinter.
In deze maanden wordt teruggeblikt op 75 jaar bevrijding
en dan zal er vast ook aandacht zijn voor de hongerwinter.
Mijn schoonvader was in die tijd een jongen van een jaar of 8.
Hij woonde in een stad waar je moeilijk aan eten kon komen.
Zijn eigen vader vroeg hem een keer wat hij wilde eten:
Aardappelschillen of een bloembol.
Hij koos voor de aardappelschillen en zijn vader at de bloembol op.
Pas hoorde ik een jongen van 18 uit Zwolle vertellen,
dat hij een tijd op straat leefde, omdat hij geen huis had
En in die tijd echt honger heeft gekend.
Het kan ook in deze tijd in Nederland, waarin veel mensen het goed hebben
dat ze geen geld hebben om eten te kopen.
Daarom zamelen we eten in dat via de voedselbank uitgedeeld kan worden.

Maar als je geen eten hebt, en echt honger moet lijden, kun je dan geloven
dat de Heere je zal helpen en dat je honger weer voorbij kan zijn?
Of als je met iets anders zit en niemand kan meer helpen,
geloof je dan dat de Heere dan alsnog in staat is om te helpen?
Bijvoorbeeld met iemand die ziek is, of als er ergens oorlog gekomen is?
Dat vraagt om geloof, ook als je niet gelijk ziet dat de Heere iets gaat doen.

In het Bijbelverhaal helpt de Heere op een bijzondere manier.
Er zijn buiten de stad 4 mannen.
Zij mogen niet meer in de stad wonen, omdat ze een ziekte hebben
waarvan iedereen denkt dat het heel besmettelijk is
en dat je door hen ook heel ziek kunt worden
en misschien ook wel zou kunnen overlijden aan die ziekte.
Deze mannen hebben ook geen eten meer.
Vanuit de stad zullen ze geen eten meer krijgen
en als ze hier blijven dan zullen ze van de honger gaan sterven.
Er is maar één manier om te kijken of ze nog eten kunnen krijgen.
Daarvoor moeten ze wel naar de vijand
en moeten ze zich overgeven, zich melden bij de vijand.
Het zou best kunnen zijn, dat ze een verrader moeten worden
en dat de vijand tegen hen zal zeggen: vertel ons maar hoe we in de stad kunnen komen.
Maar als je al lang niet gegeten hebt en je voelt dat je niet lang meer kunt,
is dit nog de enige kans om te blijven leven.
Ze gaan als het donker wordt.
En donker is het ook voor hen, want zullen ze goed ontvangen worden
en donker is het voor de stad. Het is niet meer te houden.
Nog even en de stad moet zich overgeven en is de stad verloren
En zullen de soldaten van de vijand de stad in brand steken,
de mooie spullen roven en iedereen als slaaf meenemen.

Voorzichtig gaan ze naar het kamp van de vijand.
Als ze daar aankomen, kijken ze verbaasd: Er staat niemand op wacht.
Als ze nog verder komen, zien ze wel tenten, en paarden
en allerlei spullen op de grond, maar er is helemaal niemand.
Voorzichtig gaan ze verder, bedacht dat er toch iets vreemds kan gebeuren
en zij gesnapt worden en gearresteerd zullen worden.
Maar nee, de eerste tent is wel vol met spullen, en ook met eten.
Ze pakken gauw wat om wat te eten.
Zoiets hebben ze al lange tijd niet meer gegeten.
Er liggen ook waardevolle spullen.
Ze beginnen dat allemaal te pakken en nemen dat mee naar hun schuilplaats.
Zo slepen ze wat af en aan. Voorlopig kunnen ze er tegen.
Op een gegeven moment kijken ze elkaar aan:
He, maar wat we doen is niet goed. Wij hebben hier ontzettend veel eten
en in de stad waar we vandaan komen, sterven er mensen nog steeds van de honger.
We moeten gaan melden dat er eten is.
Ze gaan naar de poort van de stad en roepen de wachter.
Als de wachter hun verhaal hoort, kan hij zijn oren niet geloven.
Dit moet de koning weten en hij gaat naar het paleis met deze boodschap.
Midden in de nacht wordt de koning gewekt en denk je dat hij het gelooft?
Nee hoor, de koning die zo boos was op God vanwege de honger
en in zijn hart net zo spotte als zijn officier. Hij gelooft er niets van.
Dit is een list, een valstrik. Mensen, we moeten opletten.
We worden erin geluisd.
Ook al lijkt er eten te zijn en kan de stad worden gered,
de koning wil het niet geloven, zo bijzonder is het wat er is gebeurd.
Dan komt een van zijn adviseurs: Koning, we hebben nog enkele paarden.
Deze paarden hebben we ondanks de hongersnood steeds goed verzorgd.
Nog even, dan zullen ook deze paarden sterven omdat er geen eten is.
We moeten wat doen.
Laten we met die paarden in ieder geval gaan kijken.
Wellicht zijn het paarden waar de koning veel om geeft
Misschien heeft hij nog wel meer medelijden met zijn mooie paarden
dan met al die mensen in de stad die honger moeten lijden
en zorgt hij voor die paarden wel goed,
terwijl het hem weinig scheelt hoe het met de mensen van de stad gaat.

Als er enkele soldaten samen met de paarden de stad uit gaan,
komen ze bij het legerkamp.
Het is er leeg. Ze horen wel geluid: van wapperende tentdoeken,
Van paarden die staan te hinniken, ezels die balken.
Maar waar ze ook kijken: nergens zien ze een mens.
Ze moeten wel opletten, want straks zitten de soldaten ergens verstopt
en komen ze tevoorschijn als de poort zal opengaan.
Waar ze ook zoeken: ze vinden geen soldaten.
Wel spullen die weggegooid zijn.
Je kunt maar een ding bedenken: de soldaten van de vijand zijn bang geworden.
Ze zijn ergens van geschrokken.
De Bijbel vertelt waar ze van geschrokken zijn:
Ze hebben een geluid gehoord. Ze hebben gehoord dat er een groot leger aankomt.
Dat moeten de Egyptenaren zijn. Of de Hethieten.
Ze hebben vast geld van de Israëlieten gekregen om hen te komen helpen.
Dit gaan ze nooit redden. Ze zullen gaan verliezen.
Als ze niet snel maken dat ze wegkomen, zullen ze allemaal worden gedood.
En daar gaan ze, op hun allerhardst.
De wapens die in de weg zitten, gooien ze van zich weg en ze kunnen alleen maar rennen.
Tot aan de Jordaan, tot buiten de grens van het land is er geen soldaat meer.
De stad is inderdaad bevrijd, door het geluid dat de Heere laat horen.
Er kan weer eten in de stad zijn.
De vorige dag nog had Elisa gezegd dat er eten te koop zou zijn
voor niet al te veel geld.
Nu het donker bijna voorbij is en de zon haast al opkomt, weten ze:
Het is waar. God brengt redding.
Het was moeilijk om te geloven, er moest is nog een lange nacht komen
en toch bij het aanbreken van de morgen kon het hele kamp al leeggehaald worden.
De vijand was weg en er was een genoeg.

De mensen zullen gezongen hebben, zoals het staat in Psalm 118:

In de tenten van de rechtvaardigen klinkt luide vreugdezang, een lied van verlossing:

De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
de rechterhand van de HEERE is hoogverheven,
de rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.
Ik zal niet sterven maar leven,

en ik zal de werken van de HEERE vertellen.
Wat zullen ze blij geweest zijn en de Heere hebben gedankt
en van vreugde hebben gedanst.
Wat een mooi bericht. Wat een goed nieuws kwamen die mannen brengen.
Ongelofelijk, de Heere heeft het toch gedaan.

En de man die niet kon geloven en die hardop lachte en spotte met de Heere?
De koning zet hem bij de poort. Hij moet zorgen dat alles goed verloopt.
Misschien moet hij wel de mensen tegenhouden, omdat de koning het beste wil.
De mensen zijn niet meer te houden en duwen hem aan de kant.
De man valt en alle mensen lopen over hem heen.
Als iedereen de stad uit gegaan is, blijft de officier van de koning liggen.
De man hoorde van het goede bericht, maar heeft er zelfs niets van kunnen nemen.
Stil ligt hij daar en als iemand gaat kijken of hij kan helpen,
blijkt de man overleden te zijn.

Een goed bericht voor de stad: God brengt toch redding,
ook al konden de meesten niet geloven wat Elisa zei.
Dat is nu onze God.

Vanmorgen zijn we bij elkaar om te danken voor de zegeningen die God geeft.
Soms reken je misschien helemaal niet meer op Gods hulp,
en dan toch kan God onverwacht helpen.
Zo groot en zo machtig is God,
dat je soms niet kunt geloven dat de Heere jouw problemen kan zien en wil helpen.
Zoveel dingen die gebeuren

zoveel mensen die treuren

ik kan niet begrijpen waarom
Je zou willen dat God er iets aan doet: dat Hij vrede brengt, of iemand beter maakt.
Is er honger en oorlog

dan vraag ik: waarvoor nog

ik kan niet begrijpen waarom
en toch is God er en kan Hij helpen. Hij doet dat op Zijn manier.
Daarom: Help mij om stil te zijn, zodat ik kan bidden
voor iedereen die het moeilijk heeft
en dat ik kan danken, wanneer God helpt.
Amen

 

Preek zondag 3 november 2019

Preek zondag 3 november 2019
Handelingen 14:19-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulus is er terug en dat is niet alleen goed nieuws, maar ook een wonder.
Want het had niet veel gescheeld of Paulus had het de vorige keer niet overleefd.
In de stad Lystre, waar hij weer teruggekomen is,
was hij nog niet zo lang geleden gestenigd
en was daarbij zo zwaar getroffen dat iedereen dacht dat hij zou overlijden.
En nu is hij weer terug hier in de stad, waar ze hem bijna hadden gedood!

Als de gemeente bij elkaar komt, kijkt Paulus de mensen voor hem stuk voor stuk aan.
Ze hebben Christus nog niet zo lang geleden leren kennen.
Hun geloof is nog maar pril.
Hij weet dat wat hem overkomen is –  de stenen die naar hem gegooid werden – 
ook deze mensen hier voor hem kunnen overkomen.
Hij vraagt zich af, hoe ze dan op zullen reageren.
Hij weet dat ze hem als een wonder van God zien,
omdat hij hier weer levend en wel voor hen verschijnt,
dat hij het aandurft om hier weer te zijn, waar hij bijna werd gedood.
Hij beseft dat hij hen achter moet laten, omdat hij weer verder moet.
Hoe zal het met hen gaan als hij hen voor langere tijd niet zal zien,
of misschien helemaal niet meer terug zal zien.
Wat zal er van hen als jonge gelovigen terechtkomen,
van deze gemeente die nog maar zo pas is ontstaan.
Hij weet dat hij op de Heere mag vertrouwen, die deze mensen deed geloven,
en Die er voor zorgde dat er hier, waar hij de dood in ogen zag,
een gemeente is ontstaan.
Gelovigen die hun hart openden voor Jezus en zich lieten dopen,
omdat ze bij Christus wilden horen.
Het is nog zo pril, het geloof bij deze mensen, en zo kwetsbaar als groep.
Dan hebben ze nog zoveel extra zorg nodig,
zodat hun geloof kan groeien en steviger wordt
zodat ze niet uit het lood raken als ze tegenslag krijgen.
In zijn hart leeft het gebed voor deze jonge gemeenteleden:
Heere, wilt U de band met U verdiepen, zodat ze niet opgeven als het anders loopt.

Ook als een gemeente langer bestaat
waar de leden van die gemeente al heel lang vertrouwd zijn met de verhalen over God
en daar zelfs mee opgegroeid zijn en niet anders weten,
kan het geloof iets kwetsbaars houden.
Een jongeren die graag serieus wil zijn in het geloof en meer wil leren,
maar op catechisatie andere jongeren aantreft, die daar geen zin in hebben
en niet serieus mee doen en voor een sfeer zorgen dat het niet serieus wordt,
waarbij deze jongere naar huis gaat met de vraag: wat heb ik eigenlijk geleerd?
en het echt mist dat het in de eigen gemeente niet serieus over Jezus kan gaan
met de andere leeftijdgenoten die er zijn.

Iemand die op belijdeniscatechisatie heeft gezeten
en heeft genoten van de avonden die er waren,
daar veel van heeft geleerd van de gesprekken met anderen
En de ervaringen waarover de anderen vertelden
en nu het voorbij is, die gesprekken zo mist
en bij zichzelf merkt dat ze het enthousiasme van met de belijdenis kwijtraakt.
Of een van de volwassenen, die wel veel contacten heeft
maar merkt dat de gesprekken eigenlijk oppervlakkig blijven
en nooit de diepte ingaan, waarbij je tijdens dat gesprek iets merkt
van wat God in het leven van die ander doet,
of tijdens het gesprek het gevoel hebt dat Christus zelf aanschuift
en zich in het gesprek mengt
en je na afloop van het gesprek merkte dat God er was op die plek.

Paulus keert naar de gemeente terug, die nog maar zo pas is gaan geloven
–  zo vertelt Lukas in het verhaal – om de zielen van de gelovigen te versterken.
Ik moest daarbij denken aan wat je nu in Groningen kunt zien:
huizen waar er door de aardbevingen scheuren zijn ontstaan,
huizen die daarom gestut moeten worden.
Met houten balken en andere houten stellages tegen de buitenmuur,
om te voorkomen dat de scheuren steeds groter worden
en het gevaar van instorting dreigt.
Deze huizen worden versterkt.
Stevigheid aan de ziel geven, omdat de ziel scheuren heeft opgelopen,
een aardbeving heeft meegemaakt, doordat iemand overleed
of doordat je iemand dacht te vertrouwen, maar die je vertrouwen beschaamde.
Het kan zijn dat u ook op die manier scheuren hebt opgelopen aan uw ziel
en dat jij verlangt dat er iemand is die bij jouw ziel die stevigheid kan geven,
omdat je merkt dat het zo niet langer kan, als het zo doorgaat, gaat het mis.
Of je ziel mist de basis, omdat wat je vroeger zo intens beleefde,
nu kwijt bent, er een heimwee gekomen is naar de tijd dat je zo dicht bij de Heere leefde
dat het haast vanzelf ging: tijd nemen om te bidden, te leven met de Heere,
Dat je merkte dat Hij om je heen was,
dat je zo gelukkig was, omdat je Christus zo dicht bij je had.
Waar is die tijd nu gebleven?
Omdat je Hem zo mist, voel je dat je uit het lood hangt, en dat je Hem zo mist.
Mocht ik dat nog maar eens beleven
en had ik maar iemand die mij de Heere weer in het leven kon brengen,
die ervaring van toen, of mij bij de Heere kan brengen.

Soms heb je daar anderen voor nodig,
met wie je samenkomt om de Heere te zoeken, samen te zingen,
samen te lezen in de Bijbel en te zoeken naar wat de Heere daarin bedoelt,
met elkaar in gesprek om uit te wisselen hoe je dat kunt toepassen in je leven
of vertellen aan de anderen die er zijn hoe de Heere in jouw leven werkte.
Daarom is het goed om elkaar op te zoeken,
om elkaar te stimuleren in het geloof.

Je kunt merken aan hoe Lukas vertelt over de terugkomst van Paulus

bij de gemeente in Lystre, de plek waar hij zo hard behandeld is,
dat hij zich zorgen maakt, dat de kersverse gemeenteleden het kunnen laten lopen.
Hij spoort ze aan en dringt aan dat ze het geloof niet moeten kwijtraken,
nu ze dat zo pas geleden hebben ontvangen.
Dat kwijtraken heeft iets van een bootje, dat niet goed aan de kade is vastgelegd
en langzaam wegdobbert van de kade het meer op
en verder wegdrijft omdat het bootje niet meer vast zit.
Paulus ziet het al gebeuren, dat er enkele gemeenteleden zijn,
die niet meer naar de kerkdiensten komen
of het contact met de andere gemeenteleden kwijtraken,
omdat ze tijdens de dienst niet meer aangesproken worden
en dan een keer besluiten over te slaan
en dan erachter komen dat ze zonder zich best kunnen redden
en dan merken dat ze Christus best kunnen missen
en het toch niet zo diep zat en toch niet zoveel voor hen betekende.
Dat kwijtraken kan zo heel onopgemerkt gaan.
Je probeert het eerst zo en als je het dan toch niet mist
en je ook niet gemist wordt en er ook niet op aangesproken wordt,
kun je zo langzaam wegdobberen, waarbij Christus stilletjes uit beeld raakt.
Paulus waarschuwt de kersverse gemeenteleden dat het zo kan gaan,
zodat ze alert zijn dat ze Christus niet uit het oog verliezen en hun scheepje wegdrijft.
Dat waarschuwen heeft trouwens niet persé een negatieve betekenis.
Het kan ook een bemoediging zijn, dat je bij Christus kan blijven
en dat je door Hem vastgehouden wordt, hoe er ook aan je getrokken wordt
en je onder je een stroom voelt, die je wilt doen laten wegdrijven bij Hem vandaan.
Je blijft bij Hem, je raakt de Heere niet kwijt, omdat Hij je vasthoudt.

Soms heb je het nodig dat iemand uit je eigen gemeente je zo scherp houdt
en je aanspreekt, jou desnoods opzoekt om er met je erover te hebben:
loop jij niet het risico om weg te drijven? Wat heb je nodig dat jij bij Christus blijft?
Dat kan ook door een heel belangstellend gesprek gebeuren,
door iemand die jou uitnodigt om te vertellen hoe je band met Christus nu is
En wat je in de doordeweekse dagen doet om die band te versterken
en met je in gesprek gaat hoe de zondagse eredienst je kan helpen,
zodat je leven met Christus meer diepgang krijgt en je groeit in Hem.
Of iemand bij wie je kunt vertellen wat er allemaal in je leven gebeurt,
naar je luistert en met je zoekt hoe God toch in jouw leven aanwezig is

Geloven gaat je niet makkelijk af, zegt Paulus tegen de gemeenteleden
die nog  moeten ontdekken wat er allemaal komt kijken bij een leven met Christus,
die erachter zullen komen dat geloven gepaard gaat met vallen en opstaan.
Dat is nodig, zegt Paulus tegen hen, dat het niet vanzelf gaat.
Dat moet wel zo gaan, want het is Gods plan dat het zo gaat.
Het is hetzelfde als wat de Heere Jezus tegen de Emmaüsgangers zei:
Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?
Zo zul je ook moeten lijden, je kunt daar niet aan ontkomen.
Dat je het moeilijk zult krijgen, tegenslag zult ondergaan,
dat je leven als gelovige door allerlei stormen zal gaan,
waarbij je levensschip heen en weer geslingerd wordt
en je het zult uitroepen: Meester, ziet U niet dat we vergaan?
Door een nacht hoe zwart hoe dicht, voert Hij mij naar ’t eeuwig licht.
Er is geen andere manier dan die, zo bereidt Paulus hen voor.
Een mooi perspectief dat ons te wachten staat,
maar de weg ernaar toe door dit leven zal geen pleziertochtje zijn.
Je zult schrammen op je ziel oplopen.
Je zult bij tijden de weg niet meer weten
en soms vertwijfeld afvragen of er nog wel een weg is,
of God je niet in de steek heeft gelaten en je zelf de weg moet uitstippelen.

Dat is niet de boodschap waarmee Paulus hen wil achterlaten.
Hij laat het niet bij deze waarschuwingen.
Hij weet dat de gemeenteleden meer nodig hebben om het vol te houden.
Dat ze elkaar moeten opzoeken en elkaar moeten versterken.
Dat er bepaalde mensen in de gemeente zijn die het voortouw nemen
en degenen die dreigen af te haken opzoeken en hen er weer bij halen.
Mensen in de gemeente die het voorleven dat je God zijn kerk niet in de steek laat
en ook jou niet uit het oog verloren is, al is voor je gevoel nog zo donker om je heen.
God bouw de gemeente door middel van zulke mensen.
Ze zijn een instrument in zijn hand, een middel om jou en anderen te steunen.
Afgelopen week hadden we op kerkenraad erover,
wanneer je geschikt bent om zo een middel voor anderen te zijn.
Een van de broeders kwam met een mooie uitspraak:
‘Degenen die zeggen dat ze het niet kunnen, wil God juist gebruiken.’
Want zei deze broeder erachter aan, ‘dan zullen ze het steeds aan de Heere vragen.’
Voordat je op bezoek gaat, eerst even stil worden en contact zoeken met God,
bidden om wijsheid,om de juiste woorden, om te mogen luisteren,
om gebruikt te worden voor Zijn koninkrijk.
Dat is ook wat hier gebeurt: Want als die personen binnen de gemeente aangewezen zijn,
nemen ze eerst de tijd om te bidden en dan niet even een kort gebed,
maar ze slaan ook de maaltijd over, ze vasten, om die tijd met God bezig te zijn.
Om dat aan de Heere voor te leggen: Heere, wat is goed voor deze gemeente?
Wilt U zelf de gemeente bouwen en versterken?
Want wij zijn maar kwetsbare mensen, met een kwetsbaar geloof,
met zoveel scheuren in onze ziel, die het soms zelfs niet weten of we nog wel volhouden.
Wij moeten zelf vastgehouden worden.
Wij worden ingezet in Gods dienst, maar weten dan eigenlijk niet wat we moeten doen
om dat in gebed bij de Heere te brengen: Heere wilt U ons duidelijk maken
hoe U ons kunt gebruiken en wat we moeten doen?
Christus bouwt Zijn kerk en gebruikt daar mensen voor,
mensen die ook kunnen uitglijden als ze leiding geven in de kerk,
en ook geregeld moeten oppassen dat ook zij niet wegdobberen
en het moeten hebben van Christus die hen vasthoudt.

Er ligt niet echt de nadruk op, maar toch heeft het iets moois:
Degenen die aangewezen worden, komen uit de eigen gemeente.
Wellicht hebben ze van zichzelf gedacht: Ik toch niet? Ik kan het niet,
Ik heb nog zo weinig Bijbelkennis en hoe moet ik nu anderen leiding geven?
Het gaat er ook niet om dat ze boven de mensen staan.
Het zou wel eens de bedoeling geweest kunnen zijn,
Dat ze juist naast de mensen staan uit de eigen gemeente,
ook weten van de aanvechtingen en de twijfel,
ervaring hebben met die onderstroom, die je bootje wilt doen wegdrijven
waarbij je Christus langzaam uit het oog verliest
maar dan ook wel ervaren hebben en dat tegen anderen kunnen zeggen:
We hebben een Heer, die je vasthoudt
En soms best op een krachtige manier in je leven ingrijpt,
maar dat wel doet om je bij Hem te houden.
Voor zulke mensen kijken we wellicht graag naar anderen
en denken niet dat wij zo kunnen zijn en zo gebruikt kunnen worden.
Je wordt geroepen zoals je bent,
je hoeft geen supergelovige te worden, die het beter doet dan anderen.
Het is juist goed als je weet van je eigen kwetsbare geloof,
Weet dat ook jij het nodig hebt om je geloof te laten stutten,
zoals dat met de huizen in Groningen gebeurt om te voorkomen
dat ze bouwvallig worden of instorten.
Juist als je je niet boven de anderen verheven voelt, maar naast hen staat,
Juist als je niet wel even weet hoe je het moet doen,
maar bij de Heere aanklopt en zegt: Ik kan het niet, U moet het doen.
Juist dan kun je een instrument worden, om de kerk te mogen bouwen,
om tot je eigen verwondering te mogen merken dat wat jij zegt,
of door hoe jij daar bent in dat gesprek, door wat je laat zien van jezelf,
al is het je eigen zoektocht, dat het die ander helpt, sterkt, bemoedigt
en weer terug doet gaan aan Christus.
God bouwt Zijn gemeente door mensen, door u, door jou, door mij.

Blijf bij ons, Jezus, onze Heer;
de avond daalt op aarde neer;
het helder licht, uw godlijk woord
moog’ bij ons schijnen ongestoord.

Geef ons in deze zware tijd
volharding en standvastigheid,
opdat wij woord en sacrament
bewaren tot aan ’s werelds end.

Bewaar uw kerk, zij is benard,
Want wij zijn boos en traag en hard;
geef vrucht en zegen op uw oord,
maak dat alom het wordt gehoord.

Blijf Heer ons met uw woord nabij
en maak ons van de vijand vrij,
deel aan uw kerk genade mee,
geduld en eenheid, moed en vrêe.

Het is niet onze zaak, o Heer,
’t gaat om uw eeuwig rijk, uw eer.
Wil allen trouw terzijde staan,
die op uw wegen willen gaan.

Uw woord maakt onze harten sterk,
het is de schutsmuur van uw kerk.
Houd ons daarbij, opdat wij Heer,
buiten uw woord niets zoeken meer.

(Gezang 316 Liedboek voor de Kerken 1973)

Amen

 

Preek zondag 27 oktober 2019

Preek zondag 27 oktober 2019
Reformatieherdenking
Schriftlezing: Romeinen 1:1-17 en 1 Korinthe 15:1-11.

Meer dan 500 jaar geleden wordt een jonge monnik op reis gestuurd.
De abt, de overste van het klooster, stuurt hem naar Rome
om de paus in Rome een conflict binnen de kloosterorde in Duitsland op te laten lossen.
Deze monnik, Maarten Luther, draagt niet alleen de brief van zijn abt met zich mee,
maar onzichtbaar in zijn hart draagt hij nog iets anders mee,
een zwaar gevoel dat het tussen hem en God niet goed zit.
Enkele jaren ervoor was hij tijdens een onweersbui overvallen
en had toen een belofte afgelegd dat als hij bewaard zou blijven in het klooster zou gaan.
Die belofte om het klooster in te gaan had hij gehouden.
In het klooster vond hij echter niet de rust die hij zocht, de rust voor zijn hart.
Vol onrust sprak zijn hart in hem: ‘Het zit niet goed tussen jou en God.
Als je nu zult sterven, zul je verloren gaan, voor eeuwig verloren gaan.’
Wat hij ook probeerde in het klooster, door zichzelf te vernederen,
door veel te vasten en te bidden, door hard binnen het klooster te werken,
nergens kon hij die rust vinden die zijn ziel nodig had.
Nu hij op reis gegaan was naar Rome, de meest heilige plek die er dan op aarde was,
kon hij proberen om daar een goed geweten te krijgen,
de geruststelling dat tussen hem en God in orde was gemaakt.
Op zijn blote knieën beklimt hij de Heilige Trap, om door de pijn die hem dat doet
boete te doen voor de zonden die als een last op hem drukken.
Ook deze boetedoening helpt Luther niet.
Na enige tijd als Luther weer terug is uit Rome wordt hij aangesteld
als professor: hij moet studenten lesgeven uit de Bijbel.
Als hij een lessenreeks voorbereidt over de brief van Paulus aan de Romeinen
doet hij een ontdekking die zijn leven op zijn kop zet:
Als mens kun je het niet zelf voor elkaar krijgen dat het weer goed komt met God.
Je bent als zondaar niet in staat om je zonden te compenseren of goed te maken,
zelfs niet door jezelf enorm te pijnigen, of jezelf hard aan te pakken,
door hard te werken om bij God alsnog weer in een goed blaadje te komen.
Daarvoor is de zonde te aangrijpend, teveel een aantasting van Gods eer.
Het kan wel goed komen, doordat de Heere dat uitspreekt over je leven,
als een oordeel door een rechter over je leven geveld
en dan niet zomaar door een rechter, maar door de hoogste Rechter die er is,
die eens het laatste oordeel over ons leven zal uitspreken.
Het bijzondere van deze rechter is dat Hij vrijspraak geeft,
Een oordeel dat het weer goed zit tussen mij en God,
omdat deze Rechter zelf de straf heeft gedragen.
Luther ontdekte dat tijdens het lezen in de Romeinenbrief,
toen hij bezig was met het eerste hoofdstuk, waar hij las over de gerechtigheid van God.
Gerechtigheid is dat het weer helemaal goed zit,
dat de vertrouwensbreuk is geheeld, dat de zonden en de fouten die ik als mens deed
zijn rechtgezet en dat er niets meer tussen mij en God in staat
en we weer bij elkaar kunnen horen.
Luther dacht altijd dat die gerechtigheid – dus dat het weer goed zat tussen mij en God –
door onszelf moest worden hersteld.
Hij ontdekt dat Paulus echter iets anders bedoelde: ik maak het niet goed,
maar God maakt het goed.
Ik kan alleen maar geloven en geloven is alleen maar ontvangen:
de open handen ophouden, zodat God die kan vullen.
Het is genade en genade betekent niets anders dan dat die gerechtigheid,
het oordeel waarin God zegt dat het goed is en dat onze schuld weg is,
een geschenk van God is, dat God geeft aan ons.
Dat geschenk kunnen wij niet kopen, niet verdienen, ook niet door onze prestaties,
alleen maar ontvangen in geloof.

Het is niet voor niets, denk ik, dat Luther zich zo in Paulus herkende.
Hij zich in Paulus iemand die net als hij worstelde met schuld.
En dan niet een schuld naar medemensen toe, maar schuld naar God toe.
In de brief aan de Korinthe schrijft hij dat hij niet trots op zichzelf kan zijn
en dat hij zijn positie als apostel niet heeft verdiend door zo geweldig te presteren.
Integendeel, hoezeer het aan de buitenkant erop leek dat hij heel gelovig was
en hoezeer hijzelf ook dacht dat hij met zijn manier van leven God diende,
had hij God buiten zijn leven geplaatst, God buiten zijn hart gesloten
en zijn houding naar God toe werd gekenmerkt door puur wantrouwen.
Wat hij niet door had, was dat hij zich verzette tegen God
en van de Heere zijn vijand had gemaakt.
Als een rebel in opstand leefde tegen de God die Hem geschapen had.
En dan verschijnt Christus als Opgestane, de Heer die de dood overwon, aan hem, Paulus!
Aan hem, Paulus, die niets van die Jezus moest weten
en zijn volgelingen met alle mogelijke inzet vervolgde
omdat hij dacht dat hij daarmee God een goede dienst bewees.
Aan hem, die het werk van God op aarde wilde verwoesten,
die als een brullende leeuw tekeer ging, tegen de kerk van God op aarde,
verscheen Christus.
In die ontmoeting besefte Paulus wie hij was en hoe het ervoor stond met God.
Dat wat hij deed, helemaal geen dienst aan God was,
maar dat hij zich verzette tegen God en zijn hart voor hem had afgesloten.
Een ontijdig geborene noemt Paulus zich – NBV: een misbaksel.
Dat kan zijn dat de tegenstanders van Paulus in de kerk hem zo noemden
als ze het over Paulus had: Paulus was een gevaarlijk monster,
een tegenstander van God een middel in hand van de duivel.
Paulus kon je toen niet vertrouwen en kun je nog steeds niet vertrouwen
al doet hij of hij apostel is en het evangelie over Christus vertelt.
Het kan zijn dat Paulus daarmee bedoelde
dat Christus zo onverwacht in zijn leven is gekomen
dat Paulus het niet heeft zien aankomen.
Overrompeld door de komst van Christus in zijn leven
en dat zijn leven niet meer hetzelfde is als voorheen.
Mogelijk ook – het is niet helemaal duidelijk – dat Paulus hier doelt
op een baby die te vroeg geboren is en het daardoor niet overleefd heeft.
Dat hij zich in de periode van verzet tegen Christus zo ziet
en dat hij door de komst van Christus in zijn leven weer tot leven kwam,
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dood – dat is een vrij scherp beeld en het past bij wat Paulus hier zegt.
Ik was dood zonder Jezus en ik leef alleen omdat de Opgestane, de levende
naar mij toekwam en zich liet zien,
liet zien dat Hij de dood had overwonnen, echt ook Gods Zoon was.
Paulus spreekt hier niet alleen over de opstanding,
maar ook over wat er daarvoor gebeurde: dat Jezus in het graf werd gelegd,
dat Hij echt de dood is ingegaan.
En dat daarmee de opstanding echt een bijzonder gebeuren is,
een daad van God, een overwinning van onze Heere op de dood.
En het gaat Paulus ook om wat ervoor gebeurde:
Dat Jezus stierf aan het kruis voor onze zonden, zoals in de Schriften staat.
Christus, die door Paulus werd tegengewerkt, van wie Paulus niets moest hebben,
kwam Paulus vertellen dat Hij, Christus, voor Paulus aan het kruis was gegaan
en dat daar aan het kruis ook zijn zonden zijn weggedragen.
Dat daar aan het kruis het oordeel van God werd gedragen
door de gekruisigde Christus.
In die verschijning van Christus aan de grootste tegenstander,
de minste van de apostelen, die helemaal geen enkel recht heeft om apostel te zijn.

Dat kan Paulus wel over zichzelf zeggen, maar als je eens naar die anderen kijkt:
Petrus (Kefas, zoals hij hier genoemd wordt).
Kan hij vooraan in de rij staan van de apostelen en zeggen:
Ik ben zo’n geweldige apostel, want ik heb Jezus gevolgd tijdens zijn reizen.
Ik ben met hem meegeweest naar Jeruzalem en heb daar Zijn lijden en sterven gezien.
Ik had ook gezegd dat ik Hem tot in de dood zou volgen.
Nee, in de verschijning van Petrus komt dezelfde genade naar voren, die Paulus ontving:
Gods geschenk, waarbij Gód het weer goedmaakte,
verklaarde dat de schuld weg is, omdat Christus die door Petrus werd verloochend
aan het kruis ook de zonde van de verloochening heeft gedragen
en dat Christus bij Petrus kwam om dat te zeggen, dat verkondigen
en om te vragen om geloof: Geloof je Mij, Petrus, dat Ik ook voor jou stierf
en dat die schuld van verloochening,
die grote zonde waardoor Ik je voor altijd had kunnen wegsturen bij Mij vandaan,
maar Ik doe het niet. Ik kom je opzoeken en je weer bij Mij terug te brengen
en als je in Mij gelooft, dan is je schuld weg en is het weer goed met God.

En de twaalf dan – even afgezien van de vraag of hier Matthias bij gerekend moet worden.
Waar waren zij op het moment dat Jezus werd opgepakt?
Waar waren zij toen Jezus werd gekruisigd?
Lieten ze Hem niet allemaal in de steek?
En Jakobus – waarschijnlijk de broer van Jezus.
Deze broer van Jezus heeft niet in Jezus geloofd tijdens Jezus’ leven.
Pas nadat Jezus de dood inging en opstond en naar Jakobus toeging
om Zich aan Jakobus te laten zien, ging deze broer van Jezus geloven.
Welk recht heeft Jakobus om een apostel te zijn
als hij een groot deel van zijn leven niet wilde geloven dat Jezus Gods Zoon was
en pas ging geloven nadat hij Jezus als de Opgestane mocht zien.
Is dat niet eveneens genade?

En nu wijzelf: hoe zit het met ons? Met u, met jou, met mij?
Geldt wat voor Paulus geldt, en voor Petrus, en voor Jakobus
ook niet voor ons,
dat als wij geloven het alleen maar een geschenk is
omdat Christus in ons leven gekomen is.
Dat het alleen maar genade is als we geloven?
Maar dan ook even verder:
Want stel dat Christus niet gekomen was in jouw leven,
of als u niet zou geloven – misschien doe je dat ook wel niet
en is Christus nog niet in je leven gekomen – wat dan?
Wat dan als je voor God moet verschijnen en Hij een oordeel over je leven velt.
Als je wilt weten waar de Reformatie, de Hervorming van de kerk
met namen van Luther, Zwingli, Calvijn en zoveel anderen om gaat,
dan is dat wel een van de belangrijkste vragen geweest:
Hoe krijg ik een genadig God? Wanneer velt God over mij een genadig oordeel
als ik voor Hem verschijn en laat Hij mij binnen in Zijn koninkrijk?
Hoe kan ik voorkomen dat ik verloren ga?
Of anders gezegd: wanneer zal God anders besluiten en mij niet verloren laten gaan?
Van nature ben ik geneigd om God en mijn naaste te haten,
zegt de Heidelbergse Catechismus.
Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God ons zo geschapen heeft
in dat verzet tegen Hem, zelfs het haten van Hem.
Maar dat wij daar nog in leven, in die haat, als Christus nog niet gekomen is in ons leven.
De ontdekking van de Reformatie was,
dat wij allemaal dezelfde schuld hebben, als Paulus had, als Petrus had, als Jakobus had.
En dat niemand vanuit zichzelf kan zeggen: Ik kan uit mijzelf bij God komen.
Ik kan voor Hem verschijnen en het zelf weer goed maken, alle schuld bijleggen,
Ik kan zelf wel het wantrouwen en ongeloof uit mij aan de kant schuiven
en mij het geloof en vertrouwen geven waar God recht op heeft.
Nee, het kan alleen gegeven worden
en als het gegeven wordt, dan is het een groot geschenk,
zo’n groot geschenk dat je opgewekt wordt uit de dood, dat je van dood levend wordt
Een geschenk dat God wil geven, zonder dat wij van tevoren prestaties moeten afleveren,
vanuit onze eigen kracht onszelf omhoog werken, buiten de zonde stappen.
Dat kunnen we niet.
We kunnen alleen maar gered worden.
En dat wil God doen. Met u, met jou, met mij.
Door dat kruis dat op Golgotha stond.
U hoeft het alleen maar aan te nemen, te geloven,
dankbaar te zijn dat God u dit geschenk wil geven,
en dat ik in ruil voor het geschenk dat Hij mij geeft
aan Hem mijn oude leven mag geven, mijn schuld, mijn zonden
en dat die door Christus reeds zijn weggedragen aan het kruis.
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Amen

Preek zondag 13 oktober 2019

Preek zondag 13 oktober 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Genesis 28:10-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je vader of moeder wordt, verandert er veel in je leven.
Je ontvangt iets moois uit Gods hand: een zoon of een dochter,
Waar je gelijk al van houdt, waar je zo mee verbonden bent.
Net of je zoon of dochter er altijd is geweest. Niet meer weg te denken.
Dat je het bijzonder zou vinden om een zoon of dochter te ontvangen
had je van te voren wel kunnen bedenken, maar dat je zó gelukkig zou worden?

Als je een kind mag ontvangen, maakt je dat niet alleen heel gelukkig,
maar ook heel verantwoordelijk.
Dit kind, dat je van de Heere hebt gekregen, is van jou afhankelijk.
En jij als vader of moeder hebt de taak om je kind op te voeden.
Kun je dat wel?
Er komt een moment, waarop je zoon of dochter het huis uit zal gaan.
Je wilt er nu vast nog niet aan denken, zo klein als hij of zij is.
Je wilt eerst van je kind genieten, je kind zien opgroeien.
Dat is voor later pas.

Als je vader of moeder wordt, ga je wel over later nadenken is mijn ervaring.
Hoe zal het leven van je kind zijn? In welke tijd groeit het op?
Wat zul je er zelf als vader of moeder van meemaken?

Als je aan ouders vraagt, wat ze van hun kind willen meemaken,
is het antwoord meestal: Ik wil mijn zoon of dochter zien opgroeien.
Totdat hij of zij volwassen is.
Als ik maar kan meemaken dat hij of zij tot haar bestemming komt.
Niet dat je de tijd daarna niet wilt meemaken,
maar dan kunnen ze in ieder geval op eigen benen staan
En zijn ze niet meer van je afhankelijk
En weet je wat er van je kind terecht komt.

Weten wat er van je kind terecht komt: dat is er voor Izaäk en Rebekka niet bij.
Want ze sturen Jakob weg naar het gebied, aar zijn moeder Rebekka vandaan kwam.
Hij gaat terug over de weg die Abram gegaan was naar Kanaän toe,
op het bevel van de Heere.
Jakob gaat de weg, die Eliëzer de knecht eerder was gegaan,
om voor de vader van Jakob een vrouw te zoeken in het land waar Abram vandaan kwam.
Waarom gaat Jakob weg?
Het is niet zijn eigen idee. Zijn vader en moeder sturen hem op pad.
Rebekka stuurt haar zoon, de zoon van wie ze zoveel houdt, naar haar eigen familie,
omdat ze bang is dat Ezau Jakob zou doden.
Izaäk stuurt Jakob niet weg, omdat hij bang is dat Ezau hem zou doden
zodra Izaäk overleden zou zijn.
Izaäk stuurt Jakob weg, omdat hij bang is dat Jakob net als Ezau
een vrouw zou kiezen hier uit de buurt, een vrouw uit de Kanaänieten.
Blijkbaar zijn de ogen van Izaäk opengegaan voor dat de keuze die Ezau maakte,
geen goede keuze is geweest.
(Het hoofdstuk waarin Izaäk Jakob zegent, terwijl hij Ezau had willen zegenen,
heb ik overgeslagen, omdat ik het niet voor elkaar zou krijgen
een preek te maken in een doopdienst.
Ik ben wel met dat hoofdstuk bezig geweest.
Ik ontdekte de Joodse uitleg, die aangaf dat Izaäk blind geworden was,
omdat hij zo graag keek naar zijn zoon Ezau die steeds verkeerde keuzes maakte,
blindgeworden door de zonde van zijn zoon Ezau door de vingers te zien.)
Nu zijn Izaäk en Rebekka samen in hun besluit om Jakob weg te sturen,
Ze konden het nooit eens worden in de voorkeur voor hun zonen
en konden elkaar tegenwerken, maar nu zijn ze een.
Daar gaat Jakob.
Nu moet hij zijn eigen weg gaan, zonder dat hij weet of hij ooit nog bij zijn ouders terugkomt.
Hij heeft de zegen ontvangen en daarmee de belofte van God dat dit land van hem is.
Nu Jakob gaat, is daar weinig van over.
Veel heeft hij niet bij zich. Alleen gaat hij op pad.
Een eenzame reiziger, die zijn eigen weg moet gaan, zijn eigen bestemming moet vinden.
Een vluchteling misschien zelfs, die er gauw vandoor moet gaan, om zijn leven te redden.
Zo moeten zijn ouders hem laten gaan, zonder dat ze weten of ze hem nog eens zullen zien.
Daar gaat Jakob, een reis vol onzekerheid, zonder te weten wat hem brengt.
De eindbestemming weet hij wel, maar de weg is vol gevaren.
Zal hij komen op de plaats waar zijn ouders hem naar toe gestuurd hebben?

Gaat hij wel alleen? Als gelovigen zullen we toch zeggen dat de Heere meegaat
op de reis die hij gaat afleggen?
Zijn vader heeft hem toch gezegend voor hij weg ging.

De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen.
De Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar.
De Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. 

de Heer zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. 

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen. 

De Heer zij boven u om u te zegenen.
Zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid.

De zegen is in het Oude Testament altijd meer dan een goede wens,
zo’n wens die je als ouders ook kunt hebben voor je kind:
Ik hoop dat mijn zoon of dochter gelukkig wordt, een goed, fijn leven heeft.
De zegen is meer dan zo’n wens.
Met de zegen vertrouw je iemand toe in Gods handen.
Je brengt iemand voor de Heere en zegt: neemt U de zorg voor Uw rekening!
Dat zullen jullie vanmorgen ook tegen de Heere zeggen als het om je kind gaat.
Alleen als we in die verhalen over Jakob lezen tot nu toe,
horen we niet zoveel over wat de Heere doet.
We denken vaak dat de mensen in de Bijbel elke dag Gods stem hoorden,
maar in het leven van Jakob was God aanwezig zoals bij ons.
Je weet dat Hij er is, er zijn momenten dat je Hem ervaart
op momenten van geluk, zoals wanneer je kind geboren wordt, of gedoopt wordt,
of op moeilijke momenten, wanneer je ervaart dat je gedragen wordt.
Jakob moet dat in geloof aannemen, zoals wij dat ook moeten doen,
omdat we over Hem gehoord, omdat je bij anderen en bij jezelf gezien hebt
dat God werkt, maar zonder God gezien te hebben.
Zo moet Jakob gaan, in het geloof dat God meegaat,
door de zegen van zijn vader aan de bescherming van God is opgedragen.

Na een dag reizen gaat de zon onder.
Dat is meer dan alleen een aanduiding van tijd, dat de dag bijna voorbij is.
Het zegt ook iets over hoe het leven van Jakob gaat verlopen.
Dat de zon in zijn leven ontbreekt, dat de tijd dat hij weg is uit het land,
doorbrengt in één lange nacht.
Want pas bij terugkeer in het door God beloofde land wordt verteld dat de zon weer opkomt.
Het is een grote, onzekere tijd voor Jakob, waarbij hij niet weet of God er zal zijn.
Zo legt Jakob zich te slapen als eenzame reiziger in het open veld,
waarbij hij zomaar overvallen kan worden door rovers of wilde dieren.
Misschien heeft hij toen hij daar in slaap viel, met een steen onder zijn hoofd,
wel gedacht aan de tijd dat hij een klein kind was en door zijn moeder ingestopt werd,
waarbij zijn moeder een gebedje voor hem zong:
Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.
Op bepaalde kritieke momenten in je leven kan zo boven komen
wat je als kind van je ouders hebt geleerd, zoals je in de nacht toevertrouwen aan God.
Ook dat weten we trouwens niet of hij gebeden heeft.
Het kan ook zijn dat hij te moe was van het reizen om te bidden en gelijk in slaap viel.

Het wordt wel een bijzondere nacht,
een nacht die hij nooit meer vergeten zal en een nacht die hij nooit meer wil vergeten.
In de Bijbel is geloof vaak niet iets dat je komt aanwaaien als het je voor de wind gaat,
maar dat je vindt als je op een dieptepunt bent aangekomen, op een nulpunt,
Als je zelf niet verder kunt.
Dat je dan geloof vindt, onverwachts. Of nog beter: dat God jou vindt.
Zo is het ook met Jakob.
Als hij daar slaapt in het open veld, als hij op zijn kwetsbaarst is, gaat de hemel open.
Deze plaats is een poort naar de hemel, zal Jakob later zeggen.
Het gebeurt in een droom, maar voor Jakob zo echt dat hij God zelf ontmoet in die droom.
Hij ziet een ladder, of een grote brede trap die uit de hemel naar de aarde wordt geschoven
En op die ladder gaan de engelen van boven naar beneden.
Het moet wel een heel bijzonder moment voor Jakob zijn geweest,
Een intens, een heilig moment,
waarop je alleen maar verbaasd kunt zijn dat je dit mag meemaken.
Of sterker nog, zoals Jakob dat overkomt, dat hij bevreesd is.
Een heilige plek, waar Jakob God zelf krijgt te zien.
Niet helemaal duidelijk waar God staat: of boven aan de trap of op aarde bij Jakob.
Maar wel dat Jakob, die alleen op reis is en al slapend heel kwetsbaar is,
geborgen is in Gods aanwezigheid, veilig in Gods heilige nabijheid.
Dat is ook wat je als ouders in de doop voor je kind op hoopt,
dat je kind zo geborgen is in de aanwezigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest
En zo heel het leven door in Gods aanwezigheid mag leven,
Die in de hemel is, maar ook op aarde.
Dat Hij zo over je waakt.
In de afgelopen week hebben we weer hier in ons dorp kunnen merken,
dat hoe nodig we de bescherming van de Heere hebben.
Ik denk dat de ouders hier voor in de kerk en alle ouders in de kerk
een gebed in hun hart hebben, altijd weer, maar in deze weken helemaal:
Heere, bescherm mijn kind en verlies mijn kind nooit uit het oog.
Wij kunnen ons kind maar tot op zekere hoogte beschermen,
maar de geborgenheid die U biedt, de bescherming die U in de doop belooft:
Om als Vader te zorgen, het kwade te weren
en als dat kwade toch komt, dat doen meewerken ten goede.
Geborgen ook in de genade van Christus, die aan het kruis ging.
Geborgen in het werk van de Heilige Geest, die ervoor kan zorgen
Dat we zo in de nabijheid van God zijn, zoals Jakob daar ligt te slapen en zijn droom krijgt.

Je kunt van alles bedenken over de engelen, die op de ladder op en neer gaan.
Hemelse gezanten van God, die uitgezonden worden om Gods kinderen te begeleiden
op de weg die ze door het leven gaan.
In de uitleg wordt ook wel geopperd dat de engelen die in Kanaän zijn
Jakob overdragen aan de engelen die in Mesopotamië werken
En dat die engelen, die als het morgen wordt over Jakob moeten waken
kennis komen maken met het mensenkind dat aan hun hoede is toevertrouwd.

Ik leerde vroeger als kind dat er aan mijn bed een engel stond om over mij te waken.
Soms was dat een wat griezelige gedachte, als er iemand in je kamer staat die je niet ziet.
Soms was het juist ook een hele geruststellende gedachte,
dat er iemand is die je namens de Heere bewaakt
En als ik ‘s nachts wakker was als mijn ouders sliepen hoefde ik dan niet bang te zijn.
De engelen die bij Jakob zijn, zijn alleen maar een bevestiging dat God zelf
zich over Jakob ontfermt,
Jakob die met zijn moeder zelf ervoor zorgde
dat de zegen van God over hem werd uitgesproken.
Jakob die op weg is naar een ander land, waar hij de weg niet weet; de taal wellicht ook niet.
Waar hij maar moet afwachten hoe hij, vreemdeling, zal worden ontvangen.
En of er een weg naar huis voor hem zal zijn, weet hij niet.
Zoals hij ook niet weet of er wel een vrouw zal zijn en kinderen om de zegen door te geven.

Wat Jakob wel mag weten, is dat God meegaat op Zijn weg.
Ik ben met U – dat is nu het kenmerk van onze God,
zoals Hij zich aan Jakob bekend maakte en ook aan ons bekend maakt
en tegen de kinderen zegt die vanmorgen zijn gedoopt: Ik ben met U.
Het is de naam die Jezus ook moet krijgen: Immanuël – God is met jullie.
Je bent niet zonder God. Nooit, op geen enkel moment.
Als je net als Jakob een onbekende toekomst tegemoet gaat
en je niet weet wat je te wachten staat.
We hebben ons leven niet in de hand.
We kunnen onze plannen maken maar hoe ons leven verloopt, dat kan zo heel anders gaan.
Je kunt zo maar door een heel diep dal moeten gaan,
Waarbij je niet weet waarom het je overkomt.
Waarom jij deze weg moet gaan en je niet weet waar je uitkomt.
Eigenlijk zijn we maar heel kwetsbare mensen,
maar wel met een machtig God.
En het bijzondere is dat die machtige God, die hemel en aarde maakte,
Die aan ons en aan de kinderen die geboren zijn het leven gaf, hun leven wilde,
dat die God heel dicht bij ons komt, meegaat op onze weg.
Hoe die ook verloopt.
Dat mogen we geloven, dat hebben we te geloven.
Soms mag je een bijzondere ervaring hebben, zoals Jakob die had,
dat de hemel boven je open ging, juist als je niets meer hebt, als je alles kwijt bent.
En wanneer je zo’n ervaring niet hebt, heb je de verhalen over God,
die vertellen dat Hij er toch is.
Gisteren zag ik een theoloog, iemand die voor zijn beroep veel met de Bijbel bezig is
een kinderboek had geschreven met als titel De maan is rond.
Hij had dat boek geschreven, omdat hij met zijn zoon in het ziekenhuis was geweest
op bezoek bij zijn pas geboren zusje en bij zijn moeder.
Dat pasgeboren zusje overleed echter op dezelfde dag als het geboren werd
en het zoontje vroeg zich af, waarom dat zusje niet mee naar huis ging.
Je zusje is naar de Heere Jezus gegaan, legde zijn vader uit.
Wil mijn zusje dan niet bij ons zijn?
Jawel, zei zijn vader, ze wil heel graag bij ons zijn, maar nog veel liever bij de Heere Jezus.
Het was een heel gesprek dat deze vader had op de weg van het ziekenhuis naar huis.
Opeens vertelde de vader iets over de maan: de maan is altijd rond.
Je ziet niet altijd de ronde maan: soms is de maan een sikkel, dan weer half vol
en een enkele nacht helemaal rond.
Zo, vertelde de vader, is het ook met God.
God is altijd goed, maar je kunt de goedheid van God niet altijd zien.
Al zie je de goedheid van God niet, toch is God wel goed.
Er kunnen nachten zijn, waarin het heel donker is en toch is God goed
en zullen er weer momenten komen, waarop je die goedheid van God weer kunt zien.

Vanmorgen zijn er ook namen voorgelezen van degenen die verkozen zijn
als ouderling, als kerkrentmeester, diaken of jeugdouderling.
De meesten zullen er vast tegen opzien, dat is niet niks.
Ik zou vanmorgen willen zeggen: kijk er niet teveel tegen op.
Je hoeft als ouderling God niet te brengen in een huis,
Want de Heere is er al, zoals Hij bij Jakob stond, die daar in het open veld sliep.
Je hoeft alleen maar als een engel te zijn: te wijzen naar God die er is.
Of misschien helemaal niets zeggen, maar gewoon geloven en uitstralen
dat Hij er is,
al heb je de woorden niet als er iets ergs gebeurd is en kun je alleen maar zwijgen.
Of zoals de vader die steeds met zijn zoontje naar de maan keek,
zo steeds kijken of je de goedheid van God weer ziet.
Niet door het donker weg te praten, maar door te wachten tot God zich weer laat zien.
En samen geloven, dat als het donker is,
de zon als het ware is ondergegaan over iemands leven
dat je weet: er is een open hemel, een ladder naar God, wij zien die ladder nu niet,
maar de hemel is open en in die open hemel kijkt God naar beneden en ziet Hij ons
en zegt Hij, net zoals Hij tegen Jakob zei: Ik ga met je mee.

Ik breng je thuis, zegt God tegen Jakob.
Daar zongen we eerder in de dienst ook over.
Maar dan nog dieper: brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Thuis gebracht worden heeft ook de diepe betekenis
van iemand die de weg met God kwijt was, God uit het oog verloren is,
door God weer gevonden wordt.
De doop geeft aan, dat God zo steeds op zoek is naar iedereen die Hem kwijtgeraakt is.
En zo onverwacht kan komen, dat een plek die heel gewoon lijkt,
een poort naar de hemel kan zijn.
Dat is ons gebed dat het ook met de kinderen die gedoopt zijn mag gebeuren
En met ons allemaal:

Herder, neem uw schaapje aan,
Hoofd, maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

Gij alleen kunt het behouden.
Schrijf de naam door ons gegeven
in het levensboek ten leven.
Amen

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een apostel, die blij is dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt.
Hoe kan Paulus daar nu blij mee zijn, dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt?
Trouwens, de opluchting dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt,
zal in de tijd dat hij werkte een heel ander gevoel zijn geweest:
een gevoel van hard moeten ploeteren zonder veel resultaat te halen.
Een tijd lang daar in Korinthe moeten werken,
zonder te merken dat zijn boodschap zo veel had uitgewerkt.
Slechts een enkeling uit Korinthe die ging geloven.
Pas nadat Paulus na een lange tijd van bijna vruchteloos evangelisatiewerk verder trok
en na hem andere apostelen kwamen, zoals Apollos en Petrus,
begon de gemeente te groeien doordat mensen tot geloof kwamen
en zich lieten dopen in de naam van Jezus Christus.
Paulus moet wel een sterke persoonlijkheid geweest zijn met een ruim hart
als hij niet jaloers wanneer Apollos komt met enthousiaste verhalen
over hoeveel mensen er onder zijn prediking tot geloof komen en zich lieten dopen.
Paulus heeft alleen maar geplant en Apollos mocht begieten.
Paulus strooide het zaad van het evangelie en Apollos mocht oogsten
en mocht het water van de doop over de nieuwe gelovigen gieten.
Vanwege de ruime oogst, die Apollos mocht binnenhalen,
stond Apollos in hoger aanzien dan Paulus. Ze hadden liever dat Apollos kwam dan Paulus.
Ondanks alle kritiek die veel gemeenteleden hadden op Paulus
en duidelijk lieten blijken dat zij meer hadden met Apollos,
heeft Paulus wel een zwak voor deze gemeente
en is hij dankbaar voor wat er in de gemeente gebeurt,
voor wat de Heere in de gemeente doet.
Daar dankt Paulus elke keer de Heere royaal voor.
Als Paulus zegt, dat hij blij is dat hij zo weinig mensen heeft gedoopt,
is dat niet een zure opmerking, waarbij hij tussen de regels door
wil laten merken dat de houding van de Korinthiërs hem kwetst,
dat hij ook een mens is met gevoelens, die gekwetst kan worden.
Het gaat Paulus om het grotere doel: dat er in Korinthe een gemeente is ontstaan,
volwassenen en kinderen, die bij Christus zijn gaan horen,
die de doop hebben ontvangen,
waardoor zichtbaar werd dat ze het oude leven achter zich lieten
en een nieuw leven in Christus ontvingen.
Dat zijn bijdrage maar klein geweest is, dat houdt hem niet zo bezig.
Hij heeft gezaaid. Dat is voor hem genoeg geweest.
Hij is vooral dankbaar dat er nu een oogst mag zijn, dat er vrucht is, geloof in Christus.
Hij ziet daarin dat God in de gemeente werkt,
dat de genade van God ook in de gemeente van Korinthe ontvangen mag worden.
Vanavond zijn we bij elkaar gekomen om God te danken voor wat Hij gegeven heeft.
We kunnen dankbaar zijn voor wat wij zelf, persoonlijk hebben ontvangen.
We kunnen in deze dienst van dankzegging ook kijken
hoe Gods genade hier in de gemeente uitgedeeld mag worden.
Gemeenteleden die vanmorgen met ons hun zonden bij het kruis brachten
om bij Christus genade en vergeving te ontvangen.
Het is bijzonder om te zien dat ook in onze gemeente het kruis een kracht heeft
om gemeenteleden te roepen tot Christus, tot de gemeenschap aan Zijn tafel.
Steeds weer is het bijzonder om te merken dat de roepstem van het kruis
gehoor vindt in onze gemeente.
Daar mogen we de Heere voor danken, voor die genade die ons als gemeente gegeven is.
Die dank voor wat God in de gemeente doet gaat bij Paulus altijd voorop.
Hij kan heel wat aan te merken hebben op de gemeente – en dat blijkt ook wel,
maar het eerste wat Paulus doet als hij de gemeente een brief schrijft,
is om te laten merken dat hij dankt voor Gods werk.
Het avondmaal vieren helpt ons ook om te zien, dat de Heere hier in de gemeente werkt.
We kunnen heel wat op de gemeente aan te merken
en toch is het goed om allereerst de blik omhoog te doen en te zien hoe God hier bezig is.
We kunnen dat gemakkelijk uit het oog verliezen.
De neiging kan er zijn om eerst te kijken naar wat niet zo goed gaat,
Wat je als gemeentelid mist, wat je voor je geloof tekort komt aan gevoed worden.
Ik heb dat wel meegemaakt, dat in een bepaalde gemeente gevraagd wordt
naar één punt waar men dankbaar is  als het om de eigen gemeente gaat
en een punt van zorg of kritiek,
dat de lijst met zorg en kritiek al snel een hele waslijst werd,
maar dat het moeilijk werd om iets aan te dragen waarvoor men dankbaar was
in deze gemeente – alsof er niets was om dankbaar voor te zijn.
Danken betekent dat je oog krijgt voor wat heel gewoon lijkt
en toch heel bijzonder is omdat je dat kunt rekenen tot wat de Heere nu hier doet.
Dat uzelf naar voren kwam en dat u zag dat degenen die naast u zaten ook gingen.
Dat degenen, die niet naar voren kwamen, omdat ze de moed niet hadden,
stilletjes in hun eigen hart avondmaal gevierd hadden.
Ze zagen hoe gemeenteleden vooraan zaten aan de tafel van Christus,
Ze zaten weliswaar zelf niet aan,
maar brachten zelf ook hun zonden aan de voeten van Christus.
Daar kunnen we de Heere niet genoeg voor danken.
Die dank is ook belangrijk, want het helpt ons ook te zien hoe God in onze tijd werkt.
Er kan een behoefte zijn om te zien waar de Heere werkt.
Vaak wordt daarbij wat in onze ogen gewoon is over het hoofd gezien,
Want dat vinden we gewoon en zien het bijzondere er niet van.
Paulus ziet in de gemeente van Korinthe wel het bijzondere,
Wat voor de gemeenteleden van Korinthe zelf misschien niet eens bijzonder meer is.
Paulus is dankbaar voor iedereen, die in de gemeente betrokken is geraakt,
voor iedereen, die is gaan geloven en de doop mocht ontvangen,
al was de echte groei van de gemeente pas gekomen nadat hij was weggegaan
En zal hij bij de doop van veel gemeenteleden niet zelf aanwezig zijn geweest

en alleen van horen zeggen wie er bij de gemeente zijn gekomen
doordat ze gedoopt werden in de naam van Christus.

Danken voor de gemeente wil niet zeggen dat je geen kritiek mag hebben.
Paulus schrijft zijn brieven steeds uit bezorgdheid over hoe het in de gemeente gaat.
Die bezorgdheid heeft te maken met de dank voor de gemeente,
met de genade die aan de gemeente geschonken is,
aan het zichtbaar zijn van het werk van God in die gemeente.
De eerste brief aan Korinthe is een vrij lange brief, waaraan we kunnen merken
Dat er best wat in de gemeente heeft gespeeld
En wie de brief doorleest, zal merken dat de gemeenteleden of de kerkenraad
niet altijd onder ogen heeft willen zien welke problemen er zijn.
De gemeente, waar Paulus voor dankt,
de gemeente waar Paulus op een afstandje zoveel ziet van het effect van genade,
Van kracht dat het kruis heeft – een kracht tot behoud, schrijft hij in vers 18.
Een gemeente die onderdeel is van de gemeenschap met Christus.
Toch zorgt die dankbaarheid er niet voor dat Paulus de ogen sluit voor de misstanden.
We lazen over groepen in de gemeente:
De ene groep die naar Apollos trekt, de andere groep die Petrus op het schild heft,
Een andere groep die de voorkeur uitspreekt voor Paulus,
Een vierde groep die weer een heel andere keuze heeft
en zegt dat ze met de kerkleiding die er is niets te maken heeft,
niet met Paulus, niet met Petrus, niet met Apollos,
maar puur en alleen aan Christus verbonden is
en schermt met die verbondenheid met Christus,
alsof zij binnen die gemeente een exclusieve groep zijn,
die zich van anderen niets hoeven aan te trekken, met hen niet hoeven samen te komen,
en niet met de anderen hoeven mee te leven.
Ik ben van Christus
– dan niet in de zin van dankbaarheid dat ze gered zijn van een verloren bestaan,
en dat ze beseffen dat ze in het oordeel van God vrijgesproken kunnen worden,
maar als een groep die hen exclusief maakt en apart zet van andere gelovigen.
Als een soort elite binnen de gemeente, een speciaal niveau,
een hoog level dat je niet zomaar bereikt.
Dan maak je van genade een status
En redding van verlorenheid een exclusief gebeuren, waarin jij alleen speciaal wordt.
Dat is nu precies het omgekeerde.
Daarmee doe je als gelovige het kruis tekort en doe je de betekenis teniet.
Want Christus stierf niet voor onze zonden om ons nu eens op het schild te heffen,
Want dan zouden we zwak blijven voor de zonde van hoogmoed
en van neerkijken op anderen
en de zonde om toch uiteindelijk niet voor God te willen knielen.
Paulus heeft ontdekt dat het kruis je nederig maakt.
Dat was een harde, confronterende les, waarbij hij alles wat hij dacht te hebben,
kwijtraakte, zelfs zijn status als gelovige moest inleveren,
omdat het alleen maar buitenkant was, schijn.
Hij dacht God te hebben en God te dienen,
maar toen hij Christus ontmoette besefte hij dat het leeg was bij hem van binnen.
En toch was er ook voor hem genade
zelfs voor hem, die de gemeente van Christus vervolgde
En daarmee Gods werk dwarsboomde.
De genade ging zelfs nog verder: Hij werd geroepen om als apostel te dienen.
Om erop uit te gaan het verhaal te vertellen over Christus,
van het kruis en de opstanding, van de straf die Christus droeg
en de vrijspraak in het oordeel die is te ontvangen.
Misschien is het wel die eigen ervaring,
die intense ervaring, die heel zijn leven op zijn kop zette
wel die hem fijngevoelig maakt voor de genade die in de gemeente werkt
en waardoor hij haarscherp aanvoelt hoe die genade
binnen de gemeente onder druk kan komen te staan.

Zo komt de vreemde uitspraak van Paulus, dat hij blij is
dat hij er maar weinig gedoopt heeft in de gemeente in een ander licht te staan.
Het gaat er niet om wie er gedoopt heeft.
Natuurlijk, je mag een speciale band hebben met een predikant
die je kinderen doopte, bij wie je zelf belijdenis deed, met wie je in de kerkenraad zat.
Paulus zal met bepaalde mensen ook een speciale band gehad hebben.
Hij had in ieder geval contact met Chloë en degenen die bij haar hoorden,
haar huisgezin, of degenen die met of voor haar werkten.
En van hen krijgt hij informatie over hoe het in de gemeente gaat.
Het gaat er niet om, wie er doopt of bij wie je belijdenis doet.
Het gaat allereerst om Christus, wiens naam je belijdt, in wiens naam gedoopt wordt.
Dat je in Hem gelooft, dat je toetreedt tot de gemeenschap met Hem, onze Heere.
Dat je van Hem wordt – Jezus Christus mijn getrouwe heiland eigen ben.
Je kunt niet bij de hemelpoort komen en zeggen: Ik ben door die dominee gedoopt.
Of bij die predikant heb ik belijdenis gedaan.
Het gaat erom of je van Christus bent, dat je verbonden bent aan Hem,
die Zijn leven gaf op Golgotha, die vanmorgen brood en wijn aanreikte.
Die de genade in de gemeente laat werken.
DAt je op de dag waarop Christus terugkomt, voor Hem kunt verschijnen:
onberispelijk, zegt Paulus.
Dat er niets op je aan te merken is.
Dat kan allleen maar als je met Hem verbonden bent, van Hem geworden bent.
Als dat zo is, dan mag je aan het avondmaal,
dan is de toegang tot het koninkrijk van God open en mag je binnengaan
omdat Christus je binnenlaat: voor jou ben ik aan het kruis gegaan.
Dan mogen we voor eeuwig loven en prijzen.
Dat loven, die dankbaarheid, de lofprijzing begint nu al, omdat we nu al mogen merken
dat God werkt en Zijn genade geeft en dat die genade ontvangen wordt
opgenomen wordt met dankbaarheid en blijdschap, geloofd wordt.
Amen