Overdenking middagdienst 15 september 2019

Overdenking middagdienst 15 september 2019
Kolossenzen 3:12-17

Twee weken geleden waren we in een klein kerkje in het land van Maas en Waal.
Er waren meer Oldebroekers aanwezig in de diensten op die zondag
omdat Jasper Lensen werd bevestigd tot predikant.
Na afloop van de morgendienst sprak ik met een van de kerkenraadsleden.
Hij had zo genoten van het zingen in de dienst.
Nu kunnen ze daar in Poederoijen zelf ook best zingen,
maar met de aanwezigheid van Oldebroekers had hij echt gemerkt in de kerk.
Het had de vreugde, die er al was door de komst van weer een eigen predikant,
nog meer vergroot.
Als je het hebt over samen gemeente zijn, kun je niet om het bij elkaar komen op zondag
en om het zingen tijdens de dienst heen.
Want samen gemeente zijn gebeurt niet alleen op de Bijbelkring of op gemeenteavonden,
dat zeer zeker ook, en ik ben blij dat ze er zijn,
maar ook op zondag als je bij elkaar komt en samen zingt.

De dichter Willem Barnard verwoordde dat eens in een gedicht:

Tussen het zingende kerkvolk

Soms, als ze hun longen te boven zingen,

het dak bol staat van geluid,

kijk ik mijn ogen uit:

alles verandert, de dingen

staan stil te dansen, het altaar haast swingende,

pinkstertongen worden de kaarsen en de gezichten

van de gewoonste stervelingen glanzen van licht.

Ik verwonder mij tot ik versta:

zonder die tranen in mijn ogen

had de wereld zich niet bewogen,

gingen de dingen niet opgetogen


al dat geloven achterna.


Wat zouden we zijn als we als gelovigen niet meer zouden kunnen zingen?
Dan zou ons geloof heel wat kouder zijn, minder opgetogen, meer wankel.
Hoe vaak gebeurt het niet, dat je iets zingt dat haast niet te geloven is,
maar je zingt het en omdat je het zingt samen met anderen, ga je het weer geloven.
We zongen de geloofsbelijdenis, een versie van Jaap Zijlstra:
Ik geloof in God de Vader
die een bron van vreugde is
Dat kun je gewoon zeggen en dan is het ook waar,
maar als je het zingt, krijgt het nog meer een vorm van lofprijs
en neemt het ons nog meer mee.
Door te lijden en te sterven
– groot is het geheimenis –
schenkt Hij mij het eeuwig leven
dat uit God en tot God is.

Je kunt tobben of dat eeuwige leven wel voor je bestemd is,
maar dan heb je wel net gezongen dat God het ook aan jouzelf geeft:
schenkt Hij mij het eeuwig leven.
Dat getob is even weg en je zingt het met overgave.

We zongen over eeuwig leven.
Er zijn momenten waarop het soms moeilijk te geloven is dat er een eeuwig leven is,
dat je geloof wordt aangevochten.
Dan is het nodig om ervan te zingen, dat je het weer weet, weer gelooft:
Er is een eeuwig leven en God schenkt dat. Hij schenkt het ook aan mij.

Toen mijn opa werd begraven, ik was 12 jaar, het was mijn eerste begrafenis,
zongen we bij het uitdragen van de kist ‘k Heb geloofd en daarom zing ik.
We zongen van genade, van ontferming en verlossing,
door het bloed van Golgotha.
Later in mijn tienertijd werd geloven voor mij moeilijker, omdat ik ging twijfelen
of er wel een God was, of er wel eeuwig leven was.
Ik leerde de eerste regel van het lied,
dat gezongen werd bij de begrafenis van mijn opa en dat ik daarna nooit meer vergat,
om te draaien: Ik zing opdat ik geloof.
Er zijn momenten, tijden in je leven, waarop je niet zingt, omdat je gelooft,
maar zingt om te gaan geloven, om weer moed te krijgen,
om er boven uitgetild te worden.
Het is niet voor niets volgens mij dat veel melodieën van psalmen en gezangen te hoog zijn.
Ik moest een keer een groep mannen begeleiden tijdens een kerstviering.
Ik kon de toonhoogte van het orgel stellen. Ik zette de toonhoogte stukken lager.
De mannen genoten, want nu konden ze bij de juiste toon en konden ze voluit zingen.
Ze hoefde niet meer een octaaf lager te zingen.
Het is niet voor niets, dat de melodieën hoog zijn.
Het is bedoeld om ervoor te zorgen, dat je boven je uit gaat zingen.
Dat als je niet kunt geloven, dat je meegenomen wordt, door de melodie
op de juiste toonhoogte om God te loven.

Kun je nog zingen, zing dan mee.
Zo heette het boekje dat we vroeger gebruikte op de zondagsschool.
Soms kun je niet zingen, omdat het niet kunt geloven.
Als je verdrietig bent, omdat iemand gestorven is,
Als je teleurgesteld bent, in mensen of in God, is het niet makkelijk om te zingen.
Dan mompel je maar wat mee, als je al je mond kunt open doen.
Aan Niek Schumann, hoogleraar Liturgiek in Kampen, werd eens tijdens college gevraagd:
‘Gelooft u nu alles wat u zingt?’
‘Natuurlijk niet! Ik zing het opdat ik het gá geloven.’
We lazen met elkaar enkele verzen uit Kolossenzen:
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
De manier waarop het geschreven is, is vreemd.
Tenminste, je zou er een ‘en zing’ tussen verwachten.
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, en zing psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
Het staat er echter niet. Je kunt ook het zo lezen,
dat je elkaar als gemeenteleden vermaant en onderwijst door te zingen,
Voor de ander te zingen, met de ander te zingen,
zo te zingen dat je de ander meeneemt in de lof op God,
meeneemt in het vertrouwen dat de ander op dat moment niet heeft.
In deze brief komen die woorden onderwijzen en elkaar terecht wijzen ook voor:
in hoofdstuk 1:28: onderwijs en terecht wijzen,
met als doel zodat iedereen volgroeid is in Christus.
Onderwijzen en terecht wijzen hebben met opvoeden te maken,
iemand te laten rijpen tot volwassenheid.
Dat doe je door onderwijs te geven: uitleg over hoe het leven in elkaar zit.
Dat doe je ook iemand terecht te wijzen wanneer dat nodig is.

Ik las een keer bij een hoogleraar Godsdienstpedagogiek,
die een keer een kleinzoon meemaakte tijdens een bruiloft:

Toen mijn oudste kleinzoon 15 jaar oud was, hadden wij een bruiloft van een vriendin van de familie. Tijdens de bruiloft zag ik dat mijn kleinzoon in een boek las. Ik vroeg hem naderhand wat hij gelezen had. Een krimi, zei hij. Vanuit mijn liberaliteit heb ik toen gezwegen en geleden. Later dacht ik: wat heb ik deze mens eigenlijk aangedaan door hem niet te laten merken hoe ik erover dacht? Hoe moet hij sterk worden als hij mij steeds meemaakt met de vriendelijkheid van een weekdier? Toen zei ik tegen hem: “Het was laf en respectloos. Je hebt geen respect getoond voor wat voor anderen heel belangrijk was. Je was laf door erbuiten te blijven staan als het je niets zegt.” Later hebben wij een mooi en ernstig gesprek hierover gehad. Dat had ik heb ontnomen als ik niets had gezegd.

Deze hoogleraar zei: je wordt alleen sterk als je ook weerstand krijgt.
Dat geldt ook voor het geloof in Christus: je groeit alleen naar volwassen geloof,
Als je ook weerstand krijgt.
Als je hoort wanneer je je teleurstelling moet opgeven,
of het blijven hangen in twijfel kinderachtig wordt,
of als je voor de zoveelste keer geen gehoor geeft aan de uitnodiging om aan het avondmaal te gaan, of belijdenis doen weer voor je uitstelt.
Elkaar opvoeden én terecht wijzen. Dat kan dus ook door te zingen.

Een mooi voorbeeld – waar ik mee wil afsluiten – is Paulus zelf.
Toen hij in de gevangenis zat in Filippi.
Daar zitten ze in de inktzwarte duisternis van deze vochtige gevangenis. Onterecht beschuldigd, tot bloedens toe geslagen, hun voeten in blokken. Zij hebben verkondigd hoe Jezus de Heer van de wereld was, de redder van de kosmos. Elk klein hoekje van deze wereld behoort Hem toe. En nu overkomt hen dit.

Paulus stelt voor om te gaan zingen.

‘Zingen? Nou, vooruit,’ zegt Silas weinig enthousiast, ‘jij begint.’

Paulus begint te zingen uit Psalm 9 (misschien was het de oude berijming uit het oude psalmboekje van lang geleden):

Ik zal met al mijn hart den Heer’,

blijmoedig geven lof en eer.

Je kunt Paulus onmiskenbare bas de psalm vol overgave horen zingen. Silas gaat meezingen met een onzekere tenorstem.

Mijn tong zal mijn gemoed verzellen

en al Uw wonderen vertellen.

Twee Joodse mannen van middelbare leeftijd die een thuis zoeken in deze donkere wereld door samen een psalmduet te zingen. Je kunt je erover verbazen. Jezus is Heer van deze wereld. Elk klein hoekje behoort hem toe. Werkelijk!
We hebben elkaar nodig in de gemeente: ook om samen te zingen.
Om gedragen te worden door het geloof van elkaar ook tijdens het zingen.
Als de een niet kan zingen, niet kan geloven, dan zingen wij als anderen voor die ander
en geloven voor die ander, tot hij of zij dat zelf weer kan.
Zo zijn we als gemeente door God aan elkaar gegeven,
om elkaar op te bouwen in het geloof.
Amen

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst
Start van het winterwerk en presentatie doelen diaconale winteractie
Thema: Kom, doe mee! (aangereikt door HGJB). Schriftlezing: Nehemia 2.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is feest in het paleis, een groot feest dat door de koning is georganiseerd.
Voor dit feest heeft Nehemia de opdracht gekregen om voor de wijn te zorgen,
een belangrijke taak die hij heeft gekregen,
Want er mag natuurlijk alleen maar de beste wijn geschonken worden.
De wijn zal er aan bijdragen dat de vreugde van het feest alleen maar groter wordt.
Want wijn verdrijft de somberheid en zorgt ervoor dat mensen vrolijk zijn.
Somberheid kun je tijdens zo’n feest niet gebruiken.
Maar Nehemia is wel somber.
Terwijl iedereen om zich heen vrolijk is en in stemming komt voor het feest
dat straks groots gevierd zal worden, voelt Nehemia zich eenzaam
tussen al die vrolijk gestemde mensen.
Hij kan niet vrolijk zijn.
Ook al is het voor hemzelf deze maand een bijzondere maand,
want in deze maand Nisan wordt Pesach, Pascha gevierd,
het feest waarop Israël viert dat het uit Egypte werd bevrijd en mocht gaan
naar het beloofde land in Kanaän.
Hij is somber, omdat hij moet denken aan die andere feestmaand,
Waarop zijn broer uit het verre Juda bij hem in Susa kwam,
het was de maand kislew, de maand waarin herdacht werd
dat de tempel weer in gebruik genomen werd,
dat er in Jeruzalem weer tot God gebeden kon worden, dat er geofferd kon worden.
Dat was mooi nieuws en het was fijn om zijn broer na zo’n lange tijd weer te zien,
maar wat zijn broer vertelde over Jeruzalem houdt hem nog steeds bezig.
Ook nu tijdens het feest dat de koning organiseert.
Zijn broer vertelde dat de mensen die in Jeruzalem woonden het erg moeilijk hadden.
Het gaat slecht met hen, want ze worden door iedereen bespot,
omdat de stad geen muren en poorten meer had.
De muren en poorten waren verwoest en door het vuur verbrand.
Een teken dat de stad door God gestraft was en in de steek gelaten.
De stad was zonder bescherming.
Wilde dieren konden de stad zomaar binnen komen en voor gevaar zorgen.
Rovers en dieven konden ‘s nachts de stad binnen komen om te stelen.
Het had Nehemia geraakt, want Jeruzalem was niet zomaar een stad,
maar de stad van God.
De Heere had deze plek uitgekozen: daar in Jeruzalem stond Zijn troon op aarde.
Daar kon je naar de Heere toe gaan om raad te vragen in belangrijke kwesties,
om genezing als je ziek was, om bescherming voor als je onderweg moest.
Sinds kort was de tempel weer herbouwd, maar de stad was nog incompleet.
Sterker nog, een gewonde stad, zonder enige bescherming.

Als hij tijdens het feest rondloopt om te kijken of het goed gaat met de wijn
en om te kijken of hij voor de koning nog wijn kan inschenken,
moet hij denken aan de stad Jeruzalem
en ziet voor zich hoe de graven van zijn voorouders door rovers zijn geplunderd.
Hij kan gewoon niet vrolijk zijn.
Toen zijn broer bij hem gekomen was met dat verhaal over Jeruzalem,
de stad die nog steeds verwoest was, vroeg hij zich af waarom hij hier in Susa was,
zoveel duizenden kilometers van Jeruzalem vandaan.
Waarom was hij niet daar in Jeruzalem? Daar in de stad van God zou hij iets kunnen doen!
Is er soms een reden, waarom hij hier aan het hof van de koning een belangrijke taak heeft,
zoals later Esther gekozen werd tot koningin om het volk te redden?
Nehemia besluit om dat aan de Heere voor te leggen, de God Israël,
de God van zijn voorvaderen, de Heere die Jeruzalem heeft uitgekozen om er te wonen.
We hebben daar een naam voor, voor het tijd nemen voor God om je vragen voor te leggen:
Stille tijd.
Hij heeft een speciale vraag aan God:
Wilt U ervoor zorgen dat de koning helpt om mijn plannen uit te voeren.
Nu loopt hij op het feest, terwijl hij denkt aan Jeruzalem en ook aan zijn gebed.
Hij voelt spanning in zich: zou de koning hem willen helpen?

De koning ziet dat er met Nehemia iets aan de hand is.
Hij ziet dat het gezicht van Nehemia anders staat.

Zou er iets met hem aan de hand zijn? Zou hij ziek zijn?
Hij vraagt het aan Nehemia: “Wat is er met je aan de hand? Je ziet er zo anders uit!”
Nehemia had wel gehoopt dat de koning hem zou willen helpen,
maar of hij erop had gerekend?
In zijn hart is er een gebed tot God in de hemel, Die hoger is dan iedereen
En ook in staat is om het hart van de koning aan te sturen,
zodat de koning van Perzië bereid is om Nehemia te helpen
met zijn plan om iets voor Jeruzalem, dat zoveel verder ligt.
Nehemia heeft de hulp van de koning nodig,
want hij zal heel wat tegenslag krijgen onderweg.
Er zullen mensen zijn die niet willen dat de muur overeind komt
En het juist mooi vinden als Jeruzalem zo kwetsbaar is.
Dan kunnen zij van buitenaf de baas spelen over Jeruzalem, of makkelijk aanvallen.
Hij beseft dat hij daarom ook niet zonder Gods hulp kan.
Daarom bidt hij tot God, een gebed in zichzelf.
De aardse koning hoort het niet, maar de hemelse koning, de God van de hemel wel.

De koning stemde ermee in,
maar nu was het zijn beurt om somber te worden.
Hij was blijkbaar op Nehemia gesteld.
Een muur is niet zo maar gebouwd, dat kost veel tijd.
Een muur bouwen kun je niet alleen.
Het bouwen van een muur is net als in de werken in de kerk: dat kun je niet alleen.
Je hebt anderen nodig.
Bij de bouw van een muur, en ook bij het werken in de kerk, heb je een team nodig.
Je hebt elkaar nodig: door samen te werken kun je pas echt wat bereiken.
Soms is het wel nodig als er een is die begint, het voortouw neemt,
zoals Nehemia het gevoel krijgt dat hij iets moet doen voor Jeruzalem, de stad van God.
Of iemand die begint met het idee om een gemeentedag te organiseren,
waarbij anderen kunnen aanhaken en kunnen meedoen.
Daarom: Kom doe mee!
We hebben elkaar nodig als gemeenteleden, om de weg van Christus te gaan
en met Gods hulp de gemeente helpen bouwen.

Na een lange reis komt Nehemia aan.
Bij zijn aankomst weet niemand wat hij komt doen.
Zouden ze aangevoeld hebben wat Nehemia kwam doen?
Of was het niet opgevallen.
Nadat hij is aangekomen, doet Nehemia de eerste paar dagen niets.
Waarschijnlijk moet hij uitrusten van de reis.
Enkele dagen nadat hij is aangekomen, wil Nehemia toch weten
Wat er aan de hand is, hoe de stad erbij ligt.
Hij heeft gehoord dat de stad er niet best bij lag, van zijn broer.
Hij heeft er iets van gezien toen hij in de stad kwam.
Nu wil hij met eigen ogen kijken wat er nodig is,
Hij is hier niet gekomen om niets te doen. Er is actie nodig.
Want anders blijft de situatie zo.
Als Nehemia iets wil gaan doen, moet hij wel eerst weten wat er nodig is.
Er moet een aanpak komen, idee voor wat er allemaal nodig is.
Je kunt niet zomaar beginnen.
Dat geldt voor het werk in de gemeente ook:
Soms is er ook actie nodig, moet er wat gedaan worden:
Een tov-groep geleid, catechisatie gegeven, huisbezoeken afgelegd.
Daar heb je voorbereiding voor nodig.
Je moet weten wat er nodig is, wie je moet bezoeken of wat je moet vertellen over God.
Er is dit seizoen ook een andere actie: De diaconale winteractie.
Elk jaar weer halen we geld op voor goede doelen.
Ook dit jaar weer 3 doelen, waarmee we organisaties steunen die het geloof uitdragen.

Die nacht gaat Nehemia op pad.
Hij gaat ‘s nachts, omdat hij nog niet wil dat anderen weten, waarom hij hier is.
Hij wil de stad rond om te zien hoe het met de muur is,
om te zien wat er allemaal gedaan moet worden.
In het donker gaat hij op pad.
Onderweg schrikt hij en zijn schrik wordt steeds groter.
De hele stad is een ruïne, de stad van God ligt er onbeschermd bij.
Op bepaalde plekken kan hij niet komen door de stenen die er liggen.
Nehemia had gehoord dat het erg was met de muur, maar zo erg?
De volgende morgen gaat Nehemia vertellen over het doel van zijn komst,
Dat hij gekomen is om de muur van de stad te herbouwen.
Dat hij dat niet alleen kan maar ook de hulp van de inwoners nodig heeft.
Samen kunnen ze bouwen.

Er zijn ook mensen, die als ze van het plan horen, er niet blij mee zijn.
Die mensen wonen niet in Jeruzalem, maar ergens anders in het land.
Zij vonden het wel prettig als de muur van de stad niet was herbouwd.
Want dan konden zij de baas spelen over Jeruzalem,
of dreigen de stad aan te vallen.
Er ontstaat ruzie tussen Nehemia en de mensen die buiten de stad wonen.
Zij zeggen tegen Nehemia: Wat jij doet is verkeerd.
Je wilt in opstand komen tegen de koning van Perzië.
Je mag de muur van de stad niet herbouwen.
Nehemia is echter niet bang, want hij heeft iets bijzonders: Rust in God.
Hij weet: de Heere heeft mij hier gebracht. Hier is mijn taak.
En als God mij roept om deze taak uit te voeren, zal Hij mij helpen en beschermen.
Door de muur om de stad heen, heeft de stad weer een toekomst:
Ze zijn veilig achter de muur.
De muur is meer dan een stenen muur alleen.
De muur staat voor de bescherming die God geeft.
Er was al een tempel in de stad: God woonde er al. Hij had er al Zijn huis.
Nu is er ook een muur: een teken dat God de stad beschermt.
Je kunt naar God toe als je bescherming zoekt: Toevlucht.
De psalmen zingen er steeds van (en ook andere liederen)
dat we een toevlucht bij God kunnen vinden.

Dit verhaal van Nehemia kun je ook toepassen op wat een gemeente nodig heeft.
Ook de gemeente heeft een muur nodig: bescherming tegen gevaar van buitenaf.
Daarmee bedoel ik niet de mensen van buitenaf,
zoals Nehemia last had van mensen die buiten de stad woonden.
Maar een muur, die ons beschermd tegen gevaar van de duivel,
die de gemeente wil binnendringen en mensen wil weghalen bij God vandaan.
Kom doe mee, zegt Nehemia tegen de leiders van Jeruzalem.
Ik kan het niet alleen, ik heb jullie hulp nodig, zoals ik ook de hulp van de koning nodig heb.
MEt de hulp van anderen kunnen we zien dat God helpt.
Zo hebben we in de gemeente ook de hulp van elkaar nodig.
We kunnen het niet alleen. Het geldt ook voor de gemeente: Kom doe mee.
Daarom: Kom, doe mee. Zet je in voor de gemeente,
Om je handen uit de mouwen te steken en je steentje bij te dragen,
maar ook om je handen uit de mouwen te steken om te bidden.
Wat is er dan nodig?
Gebed, toewijding aan God, zoals Nehemia ook steeds aan de Heere dacht}
en eerst alles aan de Heere voorlegde.
Daarom beginnen we de kerkdienst ook in de kerk,
omdat we niet zonder Gods zegen en kracht kunnen.
Om de gemeente te bouwen zijn er twee dingen nodig: bidden en werken.
Als je bidt, moet je niet met de armen over elkaar gaan zitten.
Want het kan zijn, dat God juist jou iets wil laten doen.
Onze actie kan ook niet zonder gebed. Want als we wel aan de slag gaan,
Wij bouwen – maar we kunnen het niet alleen.
Als God de stad niet bouwt, zegt Psalm 127, bouwen we tevergeefs.
Als God de gemeente niet opbouwt, is alles tevergeefs wat we doen in de kerk.
Hoe hard we ook werken, hoeveel activiteiten we hebben, hoeveel geld we ophalen.
Daarom zingen we ook:
Heft uw handen naar omhoog,
slaat naar het heiligdom uw oog
en knielt eerbiedig voor Hem neer.
Dan mogen we van de Heere ook iets verwachten:
De zegen van de Heere, die over ons daalt. Zijn gunst die uit Sion over ons straalt.
Amen

Preek jongerendienst 8 september 2019

Preek jongerendienst 8 september 2019
Thema: Eerst dit! Over tijd nemen voor God
Schriftlezing: 1 Koningen 19:1-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dé plek waar jongeren gretig zijn naar stilte.
Kun jij je dat voorstellen?
Dat je op een plek bent waar het heel stil is
en dat die stilte je goed doet,
dat je in die stilte God ervaart
En dat je daarom meer van die stilte zou willen hebben?
Kun jij je dat voorstellen?

Stilte is meestal toch iets ongemakkelijks.
Als je alleen thuis bent, dan luister je iets via Spotify of kijk je iets via Netflix
om de stilte maar niet op te merken.
Het eerste wat je doet als je wakker wordt, is muziek opzetten,
of je telefoon aandoen om te kijken of er nog berichten voor je zijn.
Je wilt niet stil worden en stil zitten, omdat je iets wilt doen, je wilt actie,
je wilt verder, voelen dat je leeft. Stil worden vertraagd alleen maar, is saai.

Dé plek waar jongeren gretig zijn naar stilte.
Het is een bericht over een docent op de middelbare school,
die elk jaar een reis organiseert voor zijn leerlingen,
Waar ze een klooster bezoeken, waar stilte een onderdeel is van het bestaan.
Die docent weet ook dat zijn leerlingen niet enthousiast zullen worden
bij het idee dat ze naar een plek gaan waar het vaak stil is
En waar ze leren om de stilte te waarderen.
Daarom zijn er altijd leerlingen, die de vorige keer geweest zijn
om de nieuwe groep enthousiast te maken voor de reis.
Het klooster van Taizé waar de reis naar toe gaat, kent drie momenten van gebed.
Drie keer luiden de klokken om iedereen te roepen naar de kerk om daar te bidden.
In de kerk nemen de meesten een plek op de grond.
Tijdens de dienst worden er eenvoudige liederen gezongen, die geregeld worden herhaald.
Nadat die liederen gezongen zijn, volgen er 10 minuten van stilte.
De hele kerk, gevuld met een grote groep, is stil.
De eerste paar keer is die stilte voor de nieuwkomers ongemakkelijk.
Maar na een paar dagen krijgt de stilte betekenis en raakt het de jongeren diep.
In die stilte ervaren ze: ze ervaren zichzelf, ze ervaren God.
Een paar reacties na afloop van de leerlingen:

  • De stilte is zo intiem, ook al ben je met heel veel.
  • De stiltes geven me zoveel inzicht.
  • Eerst keek ik naar anderen, maar toen ik mijn ogen sloot kwam ik thuis bij mezelf.
  • In de stilte voel ik wat mijn hart te zeggen heeft.
  • In de stilte leerde ik bidden.

Stilte is moeilijk te bereiken.
Niet alleen om je heen – dat is al ingewikkeld. Of een groep stil krijgen.
Het moeilijkste is misschien wel: jezelf, van binnen stil krijgen.
Van binnen, innerlijk stil worden.
Want van binnen gebeurt er van alles.
Als het stil wordt komt dat naar boven, soms wel een heel gevecht,
discussies met anderen, of soms een heel gevecht met jezelf,
of misschien wel met God.
Zou dat de reden zijn, waarom het moeilijk is, om tijd te nemen voor God.
Niet omdat we druk zijn en er niet aan denken,
maar omdat we niet durven: niet durven te luisteren naar wat er van binnen gebeurt.
De gevechten die er zijn, met anderen, met jezelf, met God.
Als het stil wordt om je heen en je niet meer afgeleid wordt door de geluiden om je heen
merk je wat er van binnen gebeurt, het gevecht dat er kan zijn.
Durf jij die stilte aan?

Elia staat in de stilte, waarin hij voelt dat God er is, een stilte waarin hij God hoort spreken.
Waarin hij weet nu ben ik echt bij God,
hier is Hij.
Het had wel even geduurd voor hij hier in de stilte bij God was aangekomen
en de Heere zelf kon ontmoeten.
Het was een lange weg, een weg waarop hij in gevecht was met God.
Op die weg waren er ook momenten waarop hij dacht het hoeft niet meer.
Hij had niet gedacht dat hij hier zou aankomen,
want het begon met de bode van Izebel.

Die bode had een triomfantelijke  blik in de ogen, alsof hij tegen Elia wilde zeggen
je kunt de strijd wel tegen Baal aangaan, maar je verliest het toch.
Je bent maar een eenling en wat kun je nu in je eentje beginnen tegen een god
Soms kan een enkele opmerking,
of een enkele blik je helemaal van de kaart brengen
en zorgen dat al het vertrouwen dat je had in God,
en de ervaring dat Hij er is, is dan zomaar weg.
Van je geloof is niet veel meer over op dat moment.

Het overkomt Elia ook als die bode van Izebel daar staat.
Er knakt iets in hem.
Alle ervaringen van eerder, toen Achab hem met de dood bedreigde
en hij door God verborgen werd gehouden bij de beek Krith
en gevoed werd door de raven,
toen hij bij de weduwe in Zarfath was en daar veilig was en te eten had,
dat is allemaal vergeten, het helpt hem op dit moment niet meer.

Zo kan alles wat je aan ervaringen met God hebt opgedaan opeens weg zijn.
Als de bode met die boodschap bij Elia komt, raakt hij in paniek.

Dan gaat hij op de loop.
We weten niet of hij wegvlucht, zo ver mogelijk bij Izebel vandaan
en de dreiging die van haar uitgaat of dat Elia naar God toe gaat.
Misschien is het ook wel allebei: op de vlucht voor Izebel en op zoek naar God.
En misschien is het ook wel zo,
dat hij op zoek is naar God,
niet om bij Hem te schuilen,
maar om Hem de waarheid te zeggen,
het uit te roepen waarom het allemaal niet opschiet bij zijn volk,
Dat ze maar niet willen luisteren naar hem en naar God, niet willen geloven.
Het zou best kunnen zijn dat Elia weggaat, niet om de stilte te vinden,
maar om het gevecht met God aan te gaan: waarom doet U mij dit aan.
Waarom mag ik geen succes hebben.
Het leek net wat te worden en nu wordt het ondergraven door Izebel
die haar bode stuurt.

Wat wil Elia eigenlijk vinden? Wil hij God vinden?
Als hij de woestijn inloopt, is daar niets te vinden,
op de geluiden van de wind na, de stilte, zelfs geen reactie van God.

God die hem naar Achab stuurde om aan te zeggen dat het 3 jaar droog zou zijn,
naar de beek stuurde, naar Zarfath, later weer naar Achab.
Nog maar net op de Karmel liet hij zo geweldig van zich horen,
dat iedereen die er bij was uitriep: De Heere is God.

Maar nu hij God weer nodig heeft, is het stil.
Hij verneemt niets van God.
Hij gaat het gevecht met God aan: neem mij maar weg, laat mij maar sterven.

Nu gaat het er in deze jongerendienst
om dat je tijd neemt voor God
en niet zomaar doorholt met waar je mee bezig bent.
Want voor je er erg in hebt ben je zo druk, dat je ‘s avonds op bed ligt
en bij jezelf denkt: o, ja, ik heb helemaal geen tijd gehad om aan God te denken.

En dat je op dat moment te moe bent om je lamp aan te doen, te lezen en te bidden.
Daarom is het goed om een vast moment te nemen
Waarop je tijd besteedt aan de Heere God.
Ik weet wel, als je net begint aan de dag en je moet naar school,
dan heb je daar niet altijd tijd voor.
En als er anderen in huis zijn, dan geneer je je misschien ook wel om die tijd te nemen.
Wat zullen ze wel niet van me denken.

Je wilt het wel, maar het voelt zo ongemakkelijk om er overdag mee bezig te zijn.
Of je zou wel willen, maar je weet niet hoe dat moet.
Maar het kan ook zo zijn, dat al besteedt je niet heel nadrukkelijk tijd,
dat je wel bezig bent met God, dat je op zoek bent om iets te merken,
net zoals Elia wel iets van God zou willen merken omdat hij Hem nodig heeft.

Ook als je niet uit de Bijbel leest en vergeet te bidden
kun je in gevecht zijn met God, van binnen, zonder dat anderen dat merken.
Dat je het liefste net als Elia naar Hem toe zou willen gaan
en dat je het uitroept wat je dwarszit en dat je zou merken dat God je hoort.
Soms kun je zo druk bezig zijn met God, willen dat Hij naar je luistert
En dat je iets van Hem merkt, dat je niet merkt dat Hij er al is.

Elia ligt onder de struik te wachten tot zijn einde komt.
Tot God hem haalt, of een engel stuurt om hem te begeleiden naar de hemel.
Er komt wel een engel, maar niet om hem te halen, om hem mee te nemen,
maar om hem nieuwe kracht te geven: sta op.

Dat is hier meer dan dat Elia wakker gemaakt wordt om te gaan eten,
maar sta op uit je ongeloof, je paniek, je wanhoop,
begin opnieuw maar nu weer met God, begin een nieuw leven.
Opstaan heeft hier iets van opstaan uit de dood.

Maar als Elia gegeten heeft, rolt hij zich weer op zijn zij en slaapt verder.
Opnieuw komt de bode van God, die niet zoals de bode van Izebel komt zeggen
Dat zijn leven bijna voorbij is, maar dat hij verder moet gaan, in Gods kracht:
Sta op en eet, Elia je hebt nog lang te gaan.

Daar was God al om hem, Elia, nieuwe kracht te geven,
Genoeg om een aantal dagen vooruit te gaan, om bij God aan te komen.
Als hij bij God op de berg komt, dan is hij nog niet klaar om God te ontmoeten.
In zijn hart is nog dat gevecht, de vraag waarom moet mij dit overkomen.

Waarom kan het niet op een andere manier? God, waarom laat U het zomaar gebeuren?
Als God vraagt aan Elia: Wat doe je hier.
moet Elia eerst het een en ander aan verwijten eruit gooien.
Israël heeft uw verbond verbroken en ik ben de enige.

Over bidden wordt gezegd dat het praten met God is.
Het is dan niet een gesprek zoals wij hebben, omdat de Heere niet terugpraat.
Is midden vaak niet meer: praten tot God, roepen en schreeuwen,
misschien niet hard, maar in jezelf zonder dat iemand het hoort, tot God.
Net zoals Elia eerst moet aangeven wat hem dwarszit, tot 2 keer toe.

Dan komt reactie van God, anders dan Elia had verwacht:
God laat zich niet zien in een geweldige storm,
ook niet in een aardbeving, of vuur.
Storm, aardbeving en vuur komen vaak voor als GOd zich van zijn geweldige kant laat zien,
als Hij wat doet, als Hij orde op zaken stelt, als koning alles rechtzet.
Maar daarin is God niet.
De Heere is in een nauwelijks hoorbaar briesje, je merkt het niet op na zoveel natuurgeweld.
Als Elia uitgeraasd is, kan hij Gods stem horen. Elia, het is niet voorbij.
Als je niets van Mij merkt, wil nog niet zeggen dat ik er niet ben.
Ik ben er juist onopvallend,
zoals je die engel bijna niet opmerkte, en je weer omdraaide en verder sliep.
En nu in deze stilte, bijna niet hoorbaar.

Ik ben Mijn kracht en die kracht kan ik laten zien, maar ik doe het niet altijd.
Als jij het gevoel hebt, dat je nog de enige bent die overgebleven is,
wil nog niet zeggen dat het met Mij is afgelopen.

Daarom is het goed voor ons om stil te worden,
om goed te luisteren en te zoeken waar God is.
Eerst dit: manieren om stil te worden zoeken.

Soms in hele indrukwekkende dingen, maar vaker in de stilte,
dat je Hem nauwelijks opmerkt, dat je denkt: 

Hij gaat juist aan mij voorbij.
Er is een verhaal in het nieuwe testament over Jezus die ook voorbij loopt
zonder dat de discipelen merken dat Hij het is.

Het stormt en ze zijn bang en ze denken dat Jezus een spook is.
Dan zegt Jezus: Ik ben het.
Stil worden voor God, tijd nemen betekent, dat je naar Gods stem luistert:
dat God tegen je zegt: Ik ben het. Ik ben hier voor jou.
Ik geef je nieuwe kracht. Je staat er niet alleen voor.
Open je hart voor mij.
Amen

Na votum en groet
In mijn kindertijd hadden we thuis in christelijk maandblad voor kinderen.
Daarin stond altijd een stripje over Kobus.
De ene keer kwam hij dommig uit de hoek, de andere keer had de strip een serieuze toon.
Een stripje was ik nooit vergeten:
De strip begint ermee dat hij ‘s morgens wakker schrikt door zijn wekker.
Daarna zie je hem alleen maar rennen en haasten.
Op alle plaatjes is hij druk met activiteiten: snel aankleden, eten, tanden poetsen,
naar school, thuis huiswerk maken, sport.
Op het laatste plaatje ligt hij moe in bed en schiet opeens overeind:
Ik heb de hele dag niet aan God gedacht.
Eerst dit!


Dé plek waar jongeren gretig zijn naar meer stilte

Het wonder van Taizé: duizenden stille jongeren in een kerk. Deze docent gaat er ieder jaar met een groep leerlingen naartoe en verklaart wat er precies gebeurt.

Ieder jaar gaan mijn collega en ik in de eerste week van de zomervakantie met een groepje bovenbouwleerlingen naar Taizé. De uitnodiging gaat al in januari uit. Wat vertellen we ze over die bijzondere plek in Bourgondië, waar ieder jaar duizenden jongeren elkaar ontmoeten? Dat het een onvergetelijke ervaring is? Dat de ontmoetingen met mensen van allerlei nationaliteiten de moeite waard zijn? Dat je er stil kunt zijn? Het is steeds weer moeilijk de juiste woorden te vinden.

Zoiets zweverigs zeker?

Gelukkig zijn er de Taizé-gangers van vorig jaar. Zij maken graag een rondje door de klassen en hebben geen moeite met het uiten van hun enthousiasme. Hun lichaamstaal is duidelijk en hun woorden eenduidig: je moet er écht naar toe – en eenmaal daar begrijp je wel waarom. Reacties krijgen ze nauwelijks. Niemand denkt erover zijn nek uit te steken en te reageren op zoiets zweverigs. Daar wil je niet bij horen.

Daarna de voorlichtingsbijeenkomst. De leerlingen druppelen langzaam binnen. Het lokaal is nooit te klein. We houden een praatje, vertellen hoe een dag in Taizé eruitziet, dat het gaat om ontmoeten, vieren, gebed en stilte. En dan is de pauze weer voorbij. De eerste stap is gezet. En elk jaar denken we: zou het lukken dit jaar? Waarom willen we dit, waarom al die moeite voor een kleine groep leerlingen? De belangrijkste vraag van collega’s is vaak: ‘Hoeveel gaan er mee?’

Maar diep in ons hart weten we het heel goed: we hoeven maar te denken aan de leerlingen van de afgelopen jaren, aan hun verhalen, hun emoties. En de vele oud-leerlingen die we altijd weer in Taizé ontmoeten.

Gretig naar meer stilte

In Taizé roepen de klokken drie keer op een dag op tot gebed in de kerk waar bijna iedereen op de grond zit. Wij, begeleiders zoeken de enkele bankjes die langs de kant staan op, niet alleen vanwege hun hoogte, maar ook om op een bescheiden plaats aan de zijkant te zitten. En na de mooie gezangen, die vaak herhaald worden en in weinig woorden een snel te begrijpen werkelijkheid uitdrukken, is het tien minuten stil. Waar je als docent in een klas met dertig soms de rust moet afdwingen, gaat dat hier vanzelf. In die grote kerk met wel drieduizend aanwezigen. Omdat ze met zoveel zijn, geeft die stilte ze geen spanning. Ze gaan er haast gretig voor zitten en ondergaan de stilte intens. In de loop van de week verdiept hun gevoel zich hierbij en krijgen die tien minuten moeiteloos hun invulling.

Taizé ontroert

Ook ’s avonds laat zijn er in halfdonkere kerk vooral jonge mensen, zittend op de vloer. De kaarsen branden nog. Ze zingen met elkaar de mooie Taizé-liederen. Heel zachtjes en met veel gevoel. Een enkeling begeleidt subtiel op gitaar of fluit. Tussendoor is het stil, echt stil. Langs de zijkant, iets hoger hebben we uitzicht op al deze jonge mensen. Het ontroert ons steeds weer. Sommigen lopen samen even weg en komen weer terug. Soms geëmotioneerd. Het kan allemaal. Ze ervaren de stilte en daarin verbinding. Die voelen wij begeleiders zelf ook; we zij niet zomaar toeschouwers.

De broeders van Taizé geven woorden aan die stilte en onze leerlingen onderschrijven deze woorden met overtuiging. Ze vertellen ons dat dit is wat ze hier, met of zonder God, ten diepste zoeken, in hun bestaan met zoveel dilemma’s.

Een vorm van eenvoud

De broeders schrijven:

Hoe kunnen we die innerlijke stilte bereiken? Soms zwijgen we, maar binnen in ons woedt een heftige discussie met denkbeeldige gesprekspartners of zijn we in een gevecht gewikkeld met onszelf. Rust creëren in de ziel veronderstelt een vorm van eenvoud. Stilte maken in mijzelf, dat is toegeven dat mijn zorgen niet veel kunnen uitrichten. Stilte maken, dat is aan God overlaten wat buiten mijn bereik en vermogen ligt. Een moment van stilte, hoe kort ook, is als een sabbatrust, een onderbreking die je als zaligmakend ervaart, even een moment om jouw zorgen aan de kant te schuiven.

Reflectie op Taizé door de jongeren

Op een grasveldje in Ameugny, even buiten Taizé, reflecteren ze aan het eind van de week op hun beleving van de stilte:

  • De stilte is zo intiem, ook al ben je met heel veel.
  • De stiltes geven me zoveel inzicht.
  • Eerst keek ik naar anderen, maar toen ik mijn ogen sloot kwam ik thuis bij mezelf.
  • In de stilte voel ik wat mijn hart te zeggen heeft.
  • In de stilte leerde ik bidden.

Ze vinden elkaar in de gesprekken die hierop volgen, in herkenning en in een gevoel van saamhorigheid. De bereidheid om naar elkaar te luisteren is groot. En wij begeleiders voelen grote dankbaarheid voor wat we weer met onze leerlingen mogen beleven.

 

Preek zondag 25 augustus 2019

Preek zondag 25 augustus 2019
Genesis 25:19-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn begintijd in Oldebroek, nu bijna 8 jaar geleden, had ik een manier
om te achterhalen hoe het wonen in Oldebroek werd beleefd.
Ik vroeg aan de stelletjes, die ik ging trouwen
of ze blij waren om in Oldebroek te kunnen wonen
of dat ze juist blij waren om weg te kunnen uit Oldebroek.
In het ene geval zei het toekomstige bruidspaar: ‘We zijn blij om weg te zijn.’
In het andere geval: ‘We willen voor geen goud weg uit Oldebroek.’
Twee heel tegengestelde reacties.

Wellicht herken je je in een van die reacties:
Als ik straks voor mijzelf kan kiezen, dan ben ik blij dat ik weg kan gaan.
Helemaal opnieuw beginnen, zonder dat de anderen hier al weten wie ik ben,
me in een hokje stoppen waar ik niet in pas
en als ik iets geks doe daar gelijk over beginnen te roddelen.
Ik wil zo snel mogelijk weg hier.

OF je hebt juist die andere reactie: Ik moet er niet aan denken om weg te gaan.
Hier ben ik opgegroeid. Hier heb ik mijn familie en vrienden.
Ik weet hier hoe de mensen in elkaar zitten.
Dit is mijn thuis. Hier hoor ik.
Hier kom ik weg, veur mien hiele leben

Ben ‘k met dizze horizon verweben


In dit verhaal over Ezau en Jakob gaat het om de vraag:
Hoe kijk je naar de plek waar je vandaan komt?
Hoe waardeer je de plek waar je geboren bent en opgegroeid?
Is dat een plek, die je zo snel je kunt achter je wilt laten,
op zoek naar een plek waar je jezelf kunt zijn, zonder de beperkingen van hier?
Of ben je blij dat je hier geboren bent en ervaar je dat de Heere je hier geplaatst heeft?

Dan niet zozeer deze locatie, maar vooral je thuisbasis in geloof:
Wat je meegekregen hebt thuis aan geloof, aan kennis over God, het leven in de Bijbel, bidden, geloven, het leven met de Heere.
Je krijgt het wel van je ouders mee, maar het pakt je niet, het doet je niets,
je ziet niet in waarom het voor jou is, je zou dat liever achter je laten
en op zoek gaan naar wat wel bij je past.

In het verhaal is Ezau degene die het thuis niet kan vinden.
Ezau heeft een andere levensstijl dan zijn ouders en zijn broers.
Ezau heeft namelijk een bepaalde kennis die zijn ouders niet hebben:
Hij heeft kennis van het jagen. Hij is goed thuis in de jacht.
Daarbij moeten we niet denken aan een hedendaagse jager,
die het jagen vaak als hobby heeft, naast zijn baan, een vaste woonplaats heeft
en alleen op bepaalde dagen gaat jagen.
In Oldebroek heb ik heel wat verhalen gehoord van de oudere generatie,
die zelf jaagden of meehielpen bij de jacht: samen een dag de polder in
en dan afsluiten met een gezamenlijke borrel en dan weer naar huis.
Ezau’s levensstijl is een andere.
Het is een thuis niet kunnen aarden bij zijn ouder en broer.
Dat was geen probleem geweest als hij niet uit een bijzondere familie kwam,
een familie die door de Heere uit een heel ander deel van de wereld hier gebracht was,
een land dat aan hen beloofd was, om hier op deze plek voor andere volken tot zegen te zijn
door het leven met de Heere voor te leven,
te laten zien wie God is en te laten zien welke manier van leven de Heere vraagt.
Als oudste zoon is hij de drager van de erfenis en toch kiest hij ervoor om erop uit te trekken
en thuis voor thuis te laten en alleen maar bezig te zijn met zichzelf.
Koningen in het Oude Nabije Oosten lieten zich graag als jagers afbeelden
om te laten wat voor een geweldenaar ze waren,
Dat niemand tegen hen opgewassen was en niemand aan hen kon ontsnappen.
Hier in dit gedeelte zegt het gegeven dat Ezau kennis van de jacht heeft
ook dat hij voor zichzelf leeft, dat zijn familie hem niets ze zeggen heeft
En al helemaal de zegen van God niet.
Van zijn familie los, van God los. Ik leef voor mijzelf alleen.
De anderen kunnen mij niet schelen.
De roeping die God mij en mijn familie geeft – ik heb er niet zoveel mee.
Ik stippel mijn eigen weg wel uit. Ik ben baas over mijn eigen leven.
De opdracht van God om tot zegen te zijn beperkt mij om te leven zoals ik wil.
Ik hoef mijn thuis niet in God te hebben, maar ik trek rond in de wereld
op zoek naar wat mij aanspreekt, waarvan ik vind dat het mij gelukkig maakt.
Misschien is het jagen ook wel zo aantrekkelijk, omdat je voelt dat je leeft.
De spanning die je hebt als je op jacht gaat: kom ik een dier tegen dat ik kan schieten,
of zal ik met mijn val erin slagen om een dier in de valstrik te lokken?
Op zijn zwerftochten als jager zal hij tot ver in de omgeving hebben rondgetrokken
en gezien hoe het leven bij de Kanaänieten was.
Dat blijkt ook wel later, als hij een vrouw uit de Kanaänieten neemt
en daarmee helemaal openlijk aangeeft, dat hij voor de wereld kiest en niet voor God.
Dat hij zijn achtergrond prijsgeeft, zijn opvoeding van thuis
en dat hij liever kiest voor de Kanaänitische levensstijl,
de stijl die in de Bijbel altijd egocentrisch is, op jezelf gericht, hard en wreed voor anderen,
een levensstijl om de ander te onderwerpen.

Die gevoeligheid voor die harde, wrede stijl van de Kanaänieten zal er al jong in.
Als hij geboren wordt, ziet hij er rood uit.
Dat heeft niet met zijn haar te maken, maar met zijn huid.
Een rode huid is een teken, dat er iets bijzonders is.
Deze jongen kan uitgroeien tot een held. Je mag bijzondere verwachtingen hebben.
Hij heeft ook een andere kant: harig.
En dat geeft hem iets dierlijks.
Twee kanten: een heldhaftige kant en een dierlijke kant – welke kant van hem zal winnen?
Zal hij inderdaad de held worden en iedereen versteld doen staan?
Of zal hij iemand zijn die je vreest, waar je voor uitkijkt, waar je voor uit de weg gaat?
Als hij jager wordt, heeft dat er veel van weg dat het dierlijke aspect wint.
Iemand waar je voor op de hoede moet zijn, die zijn instincten volgt,
op jacht gaat naar een prooi.

In dit verhaal gaat het ook om ons.
Ook wij kunnen twee kanten hebben: een kant die ons boven onszelf doet uitstijgen.
Dan zweef ik op de wind, gedragen door uw Geest en door de kracht van uw liefde.
Of zoals in Psalm 18 staat: Want met U ren ik door een legerbende,

met mijn God spring ik over een muur. (Psalm 18:30)

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
Sinds de zondeval ook een andere kant: dat dierlijke,
geneigd om onze driften hun gang te laten gaan,
ons te laten leiden door onze boosheid of verongelijktheid, onze lust, onze pijn.
Een leven zoeken waarop wij meer krijgen voor onszelf,
al moeten we daarvoor ons met de ellebogen omhoog werken
en anderen naar beneden trappen.
Welke kant heeft in ons de overhand. Wat wint er bij ons?
Twee wegen: Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen.
Of de weg van mijn manier?
Worden we een Jakob of een Ezau?

Ja, Jakob staat er niet goed op, omdat hij op een zwak moment van Ezau,
als hij uitgeput, meer dood dan levend, het tentenkamp behaalt
en Jakob zijn kans grijpt om Ezau iets afhandig te maken,
dat alleen Ezau heeft en Jakob zo graag zou willen hebben:
de eerste plek in het gezin en daarmee de erfenis:
het bezit van zijn vader dat later voor een groot deel van Ezau zal zijn.
Jakob wordt vaak gezien als iemand die zijn plek niet kent en meer wil
en niet in staat is om te wachten tot God geeft,
Wat de Heere voor hem, Jakob, bedoeld heeft.
Ik houd ook een andere uitleg voor mogelijk.
Jakob die ziet dat Ezau zijn verantwoordelijkheid als oudste zoon ontloopt
en niets geeft om de opdracht van God om tot zegen te zijn
en zijn schouders ophaalt bij de zegen die God beloofd heeft.
En Jakob maakt zich zorgen, dat als Ezau zo doorgaat,
het gedaan is met zijn familie, zich vermengt met de mensen in de omgeving
en oplost, niet meer bestaat.
En daarmee is ook de weg van God een mislukking – einde voor God op aarde.
Jakob neemt die verantwoordelijkheid wel door niet erop uit te trekken
en voor eten te zorgen.
Dan op een keer ziet hij dat Ezau thuiskomt.
Het kan zijn dat hij Ezau er wel op aangesproken heeft:
Ezau, jouw manier van leven berokkent ons schade, is een minachting voor God,
Ezau, je bent mijn broer, maar jouw manier van leven brengt je niets.
Want de weg van de goddeloze loopt dood.
Ezau, op de weg die jij gaat, vind je de dood. Daar vind je het leven niet.
Het brengt je niets.
Er is een bijzonder gezang voor het Liedboek voor de Kerken,
dat sinds ik het voor het eerst hoorde mij altijd is bijgebleven,
omdat het iets van het rusteloze zoeken van mensen verwoordt:
Hij overmant de wilde dieren,
vaart uit op zeeën en rivieren,
doorzoekt der aarde donkre schoot.
Ja, hij snelt voort op hoge winden
om de allerlaatste grens te vinden.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Altijd maar op zoek gaan. Altijd maar kijken of je niet meer kunt vinden.
Als een grens wordt aangegeven, niet stoppen, maar kijken of je toch verder kunt.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Zo is het met Ezau ook: meer dood dan levend komt hij aan.
Zijn manier van leven, zijn kennis van de jacht, levert het niets op,
laat hem gruwelijk in de steek.
Het scheelt niet veel of zijn leven is voorbij.
In die conditie klopt hij thuis aan.
Als een verloren zoon, die beseft dat hij te ver gegaan is,
met zijn manier van leven zo’n groot risico genomen heeft,
maar dat risico altijd weggewuifd heeft, omdat hij in zichzelf geloofde.
Hij hoefde God niet, want hij kon zichzelf wel bedruipen.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Maar dan is thuis er nog. Zo klopt hij thuis aan,
De man die niet thuis wilde zijn, maar erop uit trok om elders te vinden.
Nu heeft hij thuis nodig om in leven te blijven, om überhaupt te kunnen bestaan.
Maar zijn manier van thuiskomen heeft iets onverschilligs:
Geef me dat rode daar.
En als Jakob voorstelt om het eten te ruilen voor het eerstgeboorterecht,
laat hij zien dat het eerstgeboorterecht hem niets kan schelen,
zo gefixeerd is hij op het eten:  als hij maar in leven blijft.
Het dierlijke komt in hem boven. Hij wil dat rode opschrokken, als een dier.
Al het menselijke is hij kwijt.
Meer een wolf, die leeft door zijn instinct om te eten en zo in leven te blijven.
Dan maakt het niet uit wat je eet en welke prijs je ervoor betaald.
Ik sluit niet uit, dat het een test van Jakob is,
een provocatie om tot Ezau door te dringen.
Ezau, jager die ondanks al je kennis van de jacht met lege handen thuis komt,
lucht en leegte, alleen meer leegte, jouw manier van leven.
Weet je dan niet dat je hier een taak hebt,
Een taak die God je opgedragen heeft, omdat je als eerste geboren werd.
Wat maak je ervan waar?
Steeds zijn er twee wegen, twee manieren van leven waaruit je als mens kunt kiezen.
De ene is de weg die God wijst, die de Heere opdraagt om te gaan.
De andere is de weg, die je als mens zelf kiest, omdat je Gods weg niet wil gaan,
Gods opdracht om op zijn manier te leven als een beperking wordt ervaren
en niet als een manier van leven, waarop je door God gezegend wordt,
omdat Hij meegaat.

Wat Jakob hier Ezau voorhoudt, zijn ook de twee wegen
die Christus voorhoudt uit Mattheüs 7: de brede en de smalle weg.
De brede weg is makkelijk te vinden en velen kiezen voor die weg.
De smalle weg is moeilijk te vinden, die ga je voor je gevoel alleen,
niemand die met je meegaat.
Het is de opdracht die Jozua voorhoudt: Kies heden wie u dienen wilt.
Welke weg kiest u, kies jij?
Er is één weg die het leven brengt, de weg van God.
Jakob begreep dat, al was ook hij gevoelig om zelf zijn weg uit te stippelen.
Ezau haalde zijn schouders op/
Het wordt ons niet verteld om nu eens een stevige mening over Ezau te hebben,
maar zodat wij naar onszelf gaan kijken.
Het is God die ons die keuze voorhoudt.
Het is Christus die ons roept om de juiste weg te gaan,
die de juiste weg heeft voorgeleefd en voor ons gebaand.
Zodat ook wij die weg kunnen gaan.

 

Heer, wijs mij uw weg en leid mij als een kind

dat heel de levensweg slechts in U richting vindt. 

Als mij de moed ontbreekt om door te gaan,

troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.

 

Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend

hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.

Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,

toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Amen

 

Preek 21 juli 2019 avonddienst

Preek 21 juli 2019 avonddienst
1 Johannes 2:18-23, 1 Johannes 4:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de brief die Johannes schrijft gaat het steeds over het kennen van God.
Nu zijn er, schrijft Johannes ook mensen, die ons een verkeerd beeld van God willen geven.
Ze doen dat expres, bewust.
Want ze willen dat we het beeld dat we van God hebben wordt ingeruild
voor een ander beeld.
In het beeld dat ze willen schetsen, past Christus niet.
Als je aan God denkt, moet je Christus weg-denken.
Als je aan God denkt, moet je niet aan Christus denken
en helemaal niet aan een Christus die hangt aan het kruis,
Die daar voor jou hangt.
Ze willen ons doen geloven, dat het beeld dat Johannes ons schetst, een omweg is,
een overbodige omweg,
want voor Johannes kunnen we God alleen kennen als we via Christus gaan.
Wil je buiten Christus om bij God komen, dan is dat niet mogelijk.
Als Johannes schrijft, dat we moeten bidden in de naam van Jezus
– dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: om Jezus’ wil, om Christus’ wil –
is dat niet een beleefde zin, die je nu eenmaal hoort te zeggen.
Nee, we zeggen dat we dit gebed alleen maar kunnen bidden
omdat we dat via Christus doen, omdat Hij voor ons de weg is tot God,
omdat we Hem hebben leren kennen.
Nu schrijft Johannes over mensen, die dat onzin vinden, overbodig.
Je kunt wel zonder dat om-Jezus’-wil.
Er is een weg buiten Jezus om tot God.
Je moet Christus inruilen. In plaats van Christus moet je God nemen.
In plaats van is in het Grieks: anti.
Anti-Christ betekent: je ruilt Christus in voor iets of iemand anders.
Antichrist kan ook betekenen: iemand die de plek van Christus overneemt
en Christus aan de kant schuift.
De antichrist komt eraan en er zijn nu al veel antichristen gekomen, schrijft Johannes.
Eén persoon, of één macht die groter is dan één persoon
die komt om de plek van Christus over te nemen en Hem overbodig te maken.
En die ene persoon of die ene macht krijgt grote invloed,
omdat voor de komst van die macht er al velen zijn, die zich laten beïnvloeden
en de plek, die Christus in hun leven innam, ingeruild hebben
en daarmee een lege plek hebben gecreëerd
die door die ene macht zo ingenomen kan worden.
Johannes legt niet uit, wie of wat hij op het oog heeft met die macht.
Dat kan bewust zijn, zodat we niet naar één kant kijken
en daardoor niet het gevaar zien dat van de andere kant komt.
Je wordt in de rug aangevallen.
Of je wordt beïnvloed zonder dat je er op bedacht bent
omdat je de tactiek niet kent die nu gebruikt wordt
om Christus in jouw leven van Zijn plek te krijgen.

Met die macht (of die persoon) die komt om de plek van Christus in te nemen,
wordt nog helderder waarom het kennen van God voor ons zo belangrijk is.
Alleen als je God kent, ben je in staat om te zien wat echt van God is.
Alleen dan ben je in staat om te zien dat wat je hoort echt door God gezegd wordt.
Heb je nu echt God in je leven? Of heb je de verkeerde in je hart?
Dat maakt nogal uit.
en als gelovige moet je, zegt Johannes, dat verschil kunnen zien.
Je moet in staat zijn als gelovige om onderscheid te maken
tussen wat wel van God komt en niet van God komt.
Dat zou wel eens een aardig criterium kunnen zijn
om te zien of iemand belijdenis van het geloof kan afleggen:
kun je bij iets aangeven of je met God te maken hebt of niet?
En zeker van ambtsdragers mag je ervan uit gaan,
dat ze dat verschil kunnen aangeven.
Iemand vertelt op huisbezoek een stukje levensverhaal,
allerlei gebeurtenissen die iemand meegemaakt heeft
En als ambtsdrager moet je in staat zijn om te zien of daarin God aan het werk is
of juist niet.
En dat is belangrijk, want er is in deze wereld een macht aan de gang
die ons juist bij God vandaan wil hebben en ons zover brengt dat we Christus inruilen
of een macht die de plek van Christus in ons leven wil overnemen.
Iemand die je – om het plat te zeggen – beduvelt.
Of om het anders te zeggen: de duivel die nog één probeert om een slag te slaan.
Want bewust een verkeerd beeld over God neerzetten,
en willen dat je Christus inruilt en uit je leven wegdoet
en via valse boodschappen invloed op je leven willen krijgen,
moeten we dat niet herleiden op de duivel die God tegenwerkt.

Dat is niet iets om ons bang te maken,
Want juist als de duivel zich roert, zegt Johannes,
mag je weten dat de Wederkomst dichtbij is: de laatste uur.
Daarom moeten we niet onder de indruk raken,
maar scherp blijven: beproef de geesten of ze uit God zijn.
De toets op basis waarvan je kunt bepalen of je met God te maken hebt
is dat je het in verband kunt brengen met Christus.
Dat je het kunt verbinden aan de komst van Christus op aarde.
In de afgelopen dagen is er veel aandacht geweest voor de eerste landing op de maan.
Er zijn in totaal 6 maanlandingen geweest.
Op de vierde missie ging James B. Irwin mee,
Een astronaut die zich later een wedergeboren christen noemde.
Hij zei: Op de maan werd het mij duidelijk dat het belangrijker is dat Christus
een voet op de aarde heeft gezet dan dat de mens een voet op de maan zette.
We kunnen als mens nog zulke technologische hoogstandjes creëren,
maar het belang ervan haalt het niet bij de komst van Christus op aarde.
Dat Christus een voet op aarde zette en dat daarmee God mens werd
en uit de hemel kwam en in onze wereld en onder ons kwam,
zodat we Hem konden zien en konden aanraken,
dat we konden zien hoe Hij de tekenen deed en vooral Zichzelf gaf aan het kruis:
dat is God – daar kennen we God.
Als je dat niet kunt accepteren, als je dat niet kunt geloven,
dan heb je God zelf ook niet.
Geen God zonder Christus, hoe mooi de verhalen over God ook gebracht worden.
Niet alles wat over God gezegd wordt komt ook echt van God.
Kun je dat in onze tijd ook nog merken, dat er over God gesproken wordt
zonder dat je echt iets merkt van Christus,
gelovigen voor wie het niet nodig was dat Jezus naar de aarde kwam?
Je kunt dan naar hele moderne kerken kijken, waar nauwelijks over Jezus gesproken wordt.
Of naar juist hele behoudende kerken waar Christus zo ver weg is
en het kruis zo onbereikbaar, dat je er niet komt.
Ik denk alleen niet dat het goed is om naar anderen te kijken,
maar naar de gevaren die wij zelf lopen, hier in onze omgeving
en binnen de kerk zoals we die hebben.
Om te voorkomen dat we in slaap vallen
en zonder dat we er erg in hebben gevaar lopen.

Nu kun je denken dat in slaap vallen niet zo erg is.
Als dat achter je bureau is of in een luie stoel is dat misschien niet erg.
Maar wel als je in een auto zit en onderweg bent en je ogen vallen dicht.
Dan raak je van de weg en bots je tegen een ander op of duik je een greppel in.
Daar wil Johannes ons voor waarschuwen, zodat we wakker zijn,
net als die 5 wijze meisjes, die voorbereid waren op de komst van de bruidegom.

Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij Uw komst verbeid’,
Daar ’t in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.

Bescherm ons, in den bangen tijd
Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den bozen vijand toe,
Dat hij ons enig’ hinder doe.
Amen

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst
Schriftlezing: 1 Johannes 5:13-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bij iets voor een ander vragen kunnen we denken aan enkele meiden uit groep 8,
die samen op een groepje jongens afstappen.
Een van de meisjes heeft laten merken dat ze verliefd is op een bepaalde jongen,
maar ze durft het zelf niet te laten merken en zeker niet te vragen.
De vriendinnen durven het wel voor haar te vragen.
Ze gaan naar het groepje jongens toe en spreken de bewuste jongen aan:
‘Wil je verkering met haar?’
Het meisje zelf durft het niet te vragen en daarom doen zij het.
En de jongen om wie het gaat? Dat hangt ervan af.
Als hij haar leuk vindt, kan hij ermee instemmen.
Het kan ook zijn dat hij helemaal nog niet toe is aan verkering
en niet goed weet wat hij met deze vraag moet.

Je kunt ook denken aan iemand die voor een ander een baan of een stageplaats regelt.
Als je de opleiding dierenverzorging wil doen,
moet je al stage gelopen hebben bij een dierenarts.
Als je zelf geen dierenarts kent, kun je een beroep doen op iemand die wel contact heeft.
Je gaat naar diegene toe en vraagt:
‘Zou jij niet wat voor mij doen? Jij kent die dierenarts?
Kun je niet zorgen dat ik daar stage kan lopen? Want ik wil die opleiding graag doen!’

Soms kun je iemand nodig hebben die iets voor je doet, iets voor je vraagt.
Omdat je het zelf niet durft, of omdat je niet hoe je dat moet doen of waar je moet zijn.

In zijn brief schrijft Johannes over iets vragen voor een ander.
Dat kan zonder dat die ander het weet dat je het vraagt.
Je vraagt dat ook aan Iemand die je kent, niet iemand hier op aarde, maar aan God.
Als je de brief van Johannes leest, is dat iets dat je niet zomaar even doet:
naar God toe gaan om iets voor een ander te vragen.
Daar is moed voor nodig – vrijmoedigheid, een onbevangenheid,
waarbij je je niet laat terugschrikken voor de grootheid van God, voor Zijn heiligheid,
maar dat je in gebed gaat om tot Hem te naderen.
Of misschien zeg je wel: moed? Ik mag toch tot God gaan en bidden?
Als ik bid in de naam van Jezus mag ik dat toch doen?
En ik mag Hem toch alles vragen?
Dat heeft Jezus toch zelf gezegd en dat schrijft Johannes toch?
Ook al is God groot en heilig, ik mag toch naar Hem toe gaan omdat Hij dat zelf aangeeft?

Hier geeft Johannes een specifieke reden aan om naar God toe te gaan.
Om voor iemand uit de gemeente, waarvan je weet dat die gezondigd heeft
naar God te gaan – om te bidden om vergeving,
om niet uit de gemeenschap met God gezet te worden, maar om vernieuwing van het hart.
Je ziet dat iemand uit je gemeente op de verkeerde weg is,
of iemand die je kent van wie je weet dat hij of zij met Christus wil leven.
Je weet dat zonde betekent dat iemand de band met God doorsnijdt, bij God vandaan gaat.
Je weet ook: God ziet het ook en de Heere kan er voor kiezen om die ander weg te sturen.
Als de Heere dat zou doen, staat Hij in het gelijk.
Maar wat moet er dan terecht komen van diegene? Die ernst weet God toch ook?
Mag je dan een beroep doen op God, ook al weet je dat iemand zo tegen God is ingegaan?
Iemand die de richtlijnen van God kent? Die het leven met de Heere kent?
Die heeft ontdekt dat Christus redding en bevrijding geeft?
Iemand die de liefde van Christus ervaren heeft en ook nog beaamd heeft: U bent mijn Heer.
Ik kies niets boven U, naast U – geen enkele afgod kan mij bij U vandaan krijgen.
Je weet wellicht ook nog wel het moment dat diegene belijdenis deed.
Of je hebt op bijbelkring iemand zoiets geweldigs horen vertellen over de Heere
en nu dit…

Waar je concreet aan moet denken? Johannes noemt: Een zonde niet tot de dood.
Hij zegt niet, wat hij daarmee bedoelt.
Een zonde – niet tot de dood, betekent: niet helemaal met God breken.
Je wilt niet helemaal van God af.
In je hart ben je nog verbonden, maar je manier van leven staat er haaks op.
Denk aan: vreemdgaan, fraude, diefstal, als baas je personeel uitbuiten.
Johannes zegt: je moet over geen enkele zonde licht denken.
Er is geen enkele zonde, waarbij je je schouders moet ophalen
en kan denken: ach, dat is zo erg niet.
Maar er is wel verschil: Er zijn zonden, waarbij je de band met God bewust doorsnijdt.
Als bijvoorbeeld je bewust afscheid neemt van het geloof en breekt met Christus.
Je wilt geen christen meer zijn. Je geeft je geloof op.
In veel gevallen is zo, hoe erg ook, niet altijd een bewuste breuk met God.
Hij kan dan wel op een afstand staan, je kunt op dat moment niet aan Hem denken.
Als je bijvoorbeeld penningmeester van een club bent
en je merkt dat je niet gecontroleerd wordt en je staat er financieel niet goed voor
en je gaat op een verkeerde manier om met het vertrouwen dat je hebt gekregen
door een deel van de rekening naar jezelf over te maken,
breek je dan op dat moment met Christus?
Je laat wel merken, dat Christus niet meer alles bepaalt in je leven
en dat er een macht is die sterker is: de macht van het geld
of wellicht de schaamte dat je bepaalde dingen niet meer kunt afbetalen.
Om die ene zonde te verbergen heb je meerdere zonden nodig.
Je begeeft je op de verkeerde weg
en de weg naar God toe wordt moeilijker.
Als je beseft wat de gevolgen zijn van je daad, dan kun je moeilijk meer naar God gaan.
Of je verbergt je fout naar de Heere toe en bent niet eerlijk, niet open.
Of je weet dat je verkeerd zit en je blijft daarom maar weg bij God.
Daarom is ons gebed voor zo iemand nodig,
omdat hij of zij dan helemaal kan afhaken en kan wegraken bij God
of denkt in gemeenschap met God te leven, maar buiten die relatie staat
En niet verbonden is met de Heere.
Een gebed om vergeving voor iemand anders,
net zoals Mozes en Samuël voor het volk baden – zoals we zongen in Psalm 99.
Mozes die van de berg kwam en hoorde dat het volk danste voor een afgodsbeeld.
Nadat de Heere aangaf niet verder met het volk te gaan,
ging Mozes in gesprek met de Heere en zei dat ze zonder Hem niet verder kunnen gaan.
Zoals vrienden onder elkaar in gesprek zijn, deed Mozes een beroep op God:
Wij kunnen niet zonder U. Gaat U alstublieft mee met ons.
Bid voor die ander, zegt Johannes, zodat je de Heere op andere gedachten brengt
En Hij die ander niet loslaat, niet prijsgeeft, maar terugkeert
en verder gaat met Zijn werk in zijn of haar leven
– ondanks de fout die hij of zij heeft begaan.

Wat Johannes hier schrijft is bijzonder.
Allereerst het zien van wat de ander doet.
Dat is geen nieuwsgierigheid, niet zien wanneer je de ander op een fout betrapt,
Zodat je van jezelf weet dat je het beter doet.
Zien betekent hier betrokkenheid op elkaar, je hoort bij elkaar, je houd elkaar in het oog,
omdat je niet wilt dat die ander de weg met God kwijtraakt.
Wanneer het gaat om de ander zien, om zien wat de ander doet,
moet ik altijd denken aan de kassacursus die ik moest volgen.
Ik werkte vanaf mijn 16e in een supermarkt en moest ook kassa kunnen draaien.
Tijdens die cursus liet de hoofdcassière mij een aantal klanten afrekenen.
Op een gegeven zei ze: Vertel me nu hoe de afgelopen 3 klanten eruit zagen.
Een cassière moet de klanten zien
– dat werd mij ook al geleerd toen ik aantrad bij de vulploeg.
Dat geeft allereerst binding, maar had ook een tweede reden:
Wanneer je klanten ziet, heb je ook eerder winkeldiefstal door.
Dat gebeurt juist, wanneer medewerkers niet oplettend zijn en je anoniem behandelen.
Bij alle taken die je hebt, zoals het scannen van de producten en vragen om de flessenbon,
moet je ook zien wie de mensen zijn die bij je afrekenen.
Ik heb dat altijd onthouden en ik denk dat het ook voor de kerk van belang is:
Om je mensen te zien, de schapen die aan je toevertrouwd zijn op te merken,
niet aan ze voorbij te kijken, omdat je druk bent met andere activiteiten.
Zodat ze gezien zijn en zich gekend voelen,
maar ook om te voorkomen dat ze een verkeerde kant op gaan.
Uit bescherming voor hen. Niet uit bemoeizucht, maar uit bescherming.
De ander zien: vorig jaar hebben we verschillende doelen gesteund.
Toen ze op catechisatie kwamen vertellen wat ze deden,
lieten ze filmpjes zien van verschillende mensen,
Waarvan we zeggen: ze leven aan de rand van de samenleving,
zoals mensen die op straat zwerven, mensen die verslaafd zijn
en de vraag was: hoe kijk je naar hen? Wat zie je in hen?
Kun je nog zien dat het schepselen van God zijn,
die ook door Christus thuisgebracht moeten worden
en ook – net als wij – aan een nieuw leven moeten beginnen,
het nieuwe leven in Christus.
Vandaag hebben we geld opgehaald voor Stichting Ontmoeting,
‘Vastgelopen mensen worden door Ontmoeting ondersteund om hun leven weer op orde te krijgen. We leren hen om weer op eigen benen te staan, relaties aan te gaan en te onderhouden en de juiste keuzes te maken. Zo krijgen ze weer perspectief in hun leven.’
Hulp verlenen en bij te staan door ze te ontmoeten,
in de ogen te kijken, te zien wie ze zijn en wat ze hebben meegemaakt.

Wat de ander doet gaat je aan – heeft ook met u te maken.
Daarvan kunt u niet zeggen: dat is voor een dominee, wijkouderling, bezoekzuster.
Daar kunt u op z’n minst voor bidden.
Als je iemand niet durft aan te spreken, kun je het bij de Heere brengen.
Moet je het zelfs bij de Heere brengen – als je bewogen met die ander bent.
Je bent niet voor niets broeder en zuster. Dat betekent ook dat je voor elkaar bidt.
In veel gevallen kunnen wij de zonde niet uit iemand krijgen:
We zijn lang niet altijd in staat om een misstap van een ander goed te maken.
Wij zijn vaak niet in staat om iemand die verslaafd is van zijn verslaving af te helpen.
Door te bidden gaan we wel de strijd aan met de verleiding die op de ander vat heeft,
het gevecht met de zonde, door diegene om wie het gaat, bij de Heere te brengen.

Ook om een andere reden is het bijzonder, dat Johannes opdraagt om te bidden.
Want als je een ander uit je kerk een misstap ziet maken, ziet zondigen,
kun je ook teleurgesteld in die ander raken.
als de teleurstelling gaat overheersen, dan kun je niet meer goed kijken naar die ander.
Dan is alles wat die ander doet verkeerd.
Overal zoek je iets achter. Je kunt niets meer van die ander hebben.
Je kunt je gaan afzonderen van die ander, die ander gaan ontwijken.
Nee, zegt Johannes, niet ontwijken en ook niet afschrijven.
Ga in gebed voor die ander, voordat die ander nog verder wegdrijft bij God vandaan.
In de gemeente, waar Johannes aan schrijft,
heeft zich mogelijk een kerkscheuring voorgedaan:
een groep mensen stapte eruit, omdat ze andere opvattingen hadden over Christus,
Dan kun je als groep die achterblijft, daar sterk door geraakt zijn.
Dan kun je het gevoel hebben, dat die ander op jouw manier van geloven neerkijkt
En een andere kant op gaat, zich te goed voelt voor jou.
Of je voelt je in de steek gelaten.
Dan is het niet gemakkelijk om voor diegene te bidden en die ander bij de Heere te brengen.
Je moet wat in jezelf overwinnen.
Je trots, of je gekrenkt-zijn, je frustratie, je gevoel dat de ander je in de steek liet.
Ook dat mogen we bij God brengen, zoals we onszelf bij God brengen,
ook als we er zelf niet uit komen en overhoop liggen met onszelf,
omdat we merken dat er in onszelf allerlei gedachten en emoties zijn,
die niet goed zijn voor onszelf en voor ons geloof.
Johannes zegt er in een kleine zin iets groots bij: door te bidden geef je die ander het leven.
Je behoudt die ander in het leven door te bidden.
Zoveel kracht kan je gebed hebben, dat het de Heere bereikt
en de Heere iets doet, ingrijpt, de ander terugbrengt bij Hem.
Onderschat het gebed niet – ook niet in de strijd tegen de verleiding,
die vat op een ander lijkt te krijgen of heeft gekregen.

Dat bidden voor die ander heeft ook gevolgen voor onszelf:
Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.
Dat kan overkomen als een wat onverwachte, abrupte afronding van de brief.
Maar het is hetzelfde als wat we doen in gebed voor die ander:
De strijd aangaan met de verleiding, die we tegen kunnen komen,
die vat op ons probeert te krijgen.
Lieve kinderen – Johannes spreekt ze aan op de band die ze met Christus hebben:
door Christus geliefd en door Zijn liefde kind van God geworden.
Als je die liefde kent, als je weet dat je kind van God geworden bent,
hoort daar ook strijd bij: strijd om jezelf te bewaren, te beschermen tegen verleiding.
Als je weet dat een weg niet goed voor je is, dan moet je die niet gaan.
Als je weet dat een keuze je bij de Heere vandaan brengt, moet je die tegengaan.
Je kunt je er niet achter verschuilen dat je ook maar een mens bent,
dat je ook je fouten maakt, want als je niet oppast, praat je je eigen fouten goed.
In de strijd tegen die verleiding, om onszelf te bewaren voor die afgoden,
hebben wijzelf ook gebed nodig.
Daar mag je best bij een medegelovige om vragen,
dat je broeder of zuster voor jou bidt en omgekeerd jij voor hem of haar.

Een paar weken geleden waren we als collega’s bij elkaar,
uitgenodigd door de IZB – ik heb volgens mij al eerder naar die ontmoeting verwezen
aan het einde van de morgen werden we gevraagd om degene met wie we in gesprek waren
in gedachten mee naar huis te nemen en een week voor die collega te bidden,
om volharding in het geloof, om vreugde in Christus, om te delen in de zorgen
En na een week eventueel op te bellen om te vragen hoe het gaat.
Het is een notie die in onze reformatorische traditie van groot belang is:
de zorg voor elkaar, voor elkaars geloof, elkaars zieleheil.
We zijn niet zomaar gemeente, maar als gemeente aan elkaar gegeven.
Broeders en zusters, die voor elkaar gaan – ook naar God gaan in gebed.
Zodat u, jij de mensen in de kerk om je heen draagt
en omgekeerd: jij ook wordt gedragen door de gebeden om je heen.
Het zou goed zijn als u, jij zo voor elkaar bidt
en niet wacht tot iemand gezondigd heeft,
maar al preventief bidt, zoals Jezus bad voor Simon:
Simon, Simon, zie, 

de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe.

Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt.
Amen

 

Preek zondag 14 juli 2019

Preek zondag 14 juli 2019
Bediening Heilige Doop
1 Johannes 4:7-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je nieuwsgierig bent, hoe een stel bij elkaar gekomen is, kun je vragen:
‘Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen?
Die vraag kan ook aan jullie, doopouders, gesteld worden:
vertel eens hoe het met jullie begon.
Als je elkaar wat beter kent en als je je nieuwsgierigheid niet kunt bedwingen,
kun je ook vragen: wie was nou de eerste? Wie zag wie nou staan?
Bij de een kun je een verhaal horen dat het liefde op het eerste gezicht was.
Bij een ander kun je een verhaal horen dat er een hele tijd overheen ging,
dat iemand echt zijn of haar best moest doen om de ander voor zich in te winnen.

Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen? En wie is er begonnen?
Dat is een vraag, die je ook kunt stellen aan iemand die gelooft?
Wanneer is je relatie met God nu begonnen? Wanneer ben je gaan geloven?
Kun je iets vertellen over hoe je van God bent gaan houden?

Misschien heb je dat wel heel duidelijk wanneer dat begon.
Niet iedereen kan dat heel duidelijk aanwijzen, maar het kan wel.
En wie is dan de eerste: ben jij begonnen en moest je op God wachten?

Of is de Heere begonnen met jou en moest Hij op jouw antwoord wachten?
Moest Hij wel heel lang met je bezig zijn, je misschien wel wel veroveren?

God is begonnen, zegt Johannes in zijn brief.
God was als eerste met Zijn liefde voor ons en is naar ons op zoek gegaan
om ons hart te winnen voor Hem, net zolang tot we geloven,
tot we van Hem houden.
Ik denk dat iedereen dat wel kan beamen, als je nadenkt over wie er begonnen is:
Dat is de Heere. Hij was het eerst.
In je kindertijd en je jeugd is over Hem verteld en je hebt altijd al gelooft,
als kind al en je geloof groeide met je mee
terwijl je tiener was en later volwassen werd.

Of je hebt een tijd gehad, waarin het je niets zij, het raakte je niet, het liet je koud.
En later, als tiener, of nog later, toen je volwassen werd, was Hij daar
En kon je niet om Hem heen en ben je gaan geloven.
Of je nu als kind altijd al geloofde, of dat je later bent gaan geloven,
nog voor jij met God bezig bent geweest, is Hij al met jou bezig.
Of wellicht is de Heere nog met je bezig, omdat je nog niet gelooft.
Want dat kan ook, dat je je hart nog niet voor Hem hebt open gedaan.

God is de eerste in ons leven.
Dat is een van de redenen voor ons als gemeente om kleine kinderen te dopen.
Dat God de eerste is, begint al bij onze geboorte.
Want wij hebben er niet zelf voor gezorgd dat we er zijn.
En dat we er zijn, dat we geboren werden,
hebben we niet allereerst aan onze ouders te danken.

Dat we er zijn, dat we geboren zijn, hebben we aan God te danken.
Wij hebben allemaal ons bestaan aan de Heere te danken.
Hij wilde dat wij er zouden zijn.
Dat is nog niet genoeg reden om te dopen,
want dan zou doop een soort geboorteritueel zijn
een manier om een kind, dat net geboren is welkom te heten.
Dan zou het een soort kerkelijk kraamfeest zijn.

In de doop gaat het echter om meer.
Dat God niet alleen wilde dat wij er zouden zijn, maar ook dat we zouden geloven,
Geloven dat Jezus voor ons gestorven is
En dat we ons leven aan Hem geven,
van Hem houden en met Hem leven.
Ook daarin is God de eerste en daarom dopen we zo’n klein kind,
al begrijpt zo’n klein kind er niets van
en moeten zijn ouders de vragen beantwoorden.

Met de doop geven we aan dat we geloven in de Heilige Geest,
Die bij de doop de belofte geeft, ook al aan zo’n klein kind,
dat Hij in het leven van zo’n klein kind zal werken,
zodat zo’n klein kind ook gaat geloven,
om, zoals Johannes dat schrijft, zal belijden
dat Jezus de Zoon van God is,
zodat God in hem blijft en hij in God.

Natuurlijk is dat heel gewaagd, want we kunnen allemaal
voorbeelden aandragen
van personen, die ook als kind zijn gedoopt e
n die er niets meer van willen weten
of er niets meer aan willen doen.
Een reden waarom heel wat christenen moeite hebben met dopen van kinderen,
Want je moet als mens toch eerst aangeven, dat je Jezus als je Heer belijdt,
Dat je met God wil leven en dat Hij in je leven gekomen is
om de doop te kunnen ontvangen.

Dan is de doop pas mogelijk als wij ons antwoord hebben gegeven op God
En is de doop ons antwoord aan God,
een manier om te laten zien dat wij ons aan Hem geven.
Haal je dan de waarde van de doop niet naar beneden als je alle kinderen doopt
ook als je weet dat er een kans bestaat dat zo’n dopeling niet gaat geloven?

Nee, want we dopen omdat God de eerste is
en we dopen vanwege de belofte die God geeft bij de doop:
Dat de Heilige Geest ook in dit jonge kind zal gaan werken,
Zoals Hij dat bij een ieder van ons gedaan heeft en nog steeds doet.
Al betekent dat niet, dat iedereen gelooft.

Dat kan een van de raadsels zijn van het geloof: Waarom gelooft mijn kind niet.
Ik heb hem of haar toch ten doop gehouden, ook voor in de kerk gestaan,
ook geloofd dat Gods belofte voor mijn kind gold.
Dat je je kind hebt laten dopen en dat je veel gebeden hebt voor je kind
en dat je kind er niets meer mee doet, of zelfs er helemaal niets van wil weten,
kan een verdriet zijn voor ouders, kan het voor jezelf ook wel moeilijk maken
om zo onbevangen te geloven als je deed toen je je kind liet dopen.

NAtuurlijk geloofde je toen dat Jezus de Zoon van God was
en dat Hij door de Vader gestuurd was om ook voor jouw kind aan het kruis te gaan
en zo vergeving van de zonden van je kind te brengen.
Nu zeg je het voorzichtiger en zou je in ieder geval willen, dat je er iets van zag
dat de belofte die God deed, in het leven van je kinderen zou uitkomen.

Moeten we dan maar stoppen met het dopen van kinderen
en dat pas gaan doen als we zeker weten dat ze gaan geloven?

Ik denk het niet, want dan doen we tekort aan de belofte die God geeft
En dat is nu juist de basis: dat God de eerste is
en dat je als ouders steeds bij de Heere mag aankloppen:
Heere, U hebt het beloofd, als Vader, Zoon en Heilige Geest,

Dat U met ons kind bezig zou zijn, het geloof zou geven,
liefde voor U in zijn, haar hart zou wekken.
We blijven net zo lang bidden tot U het doet.

We hebben het steeds over het liefhebben van God en dat God de eerste is.
Maar er is ook een andere kant: dat wij die liefde afwezen
En dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat God ons liefheeft
En als eerste naar ons toekomt.

Dat is ook de reden waarom we kleine kinderen laten dopen.
Niet alleen omdat we geloven dat God de eerste is en Zijn belofte geeft,
maar ook omdat er aan onze kant iets mis is,
waardoor die liefde van God alle vanzelfsprekendheid voor ons mist.
We kunnen dat wel Johannes nazeggen: God is liefde.
Maar dan moeten we er wel bij zeggen, dat als het aan ons ligt,
wij die liefde niet hadden beantwoord.

En dat is ook nog een reden waarom we kinderen jong dopen,
om daarmee aan te geven dat ze die neiging, die wij als volwassenen ook kunnen hebben
en soms maar al te goed kennen: wat we aan die liefde van God voorbij gaan
en dat we ons tegen God keren, God overbodig verklaren
en Hem op het hart trappen door Hem in te ruilen
en niet Hem lief te hebben, maar het leven zoals we dat hier op aarde hebben/

Daar begint het doopformulier ook mee.
Het is alsof er wordt gezegd: ja ja, mooi allemaal een nieuwgeboren baby

zeer zeker een wonder waar je God dankbaar voor mag zijn
en je mag daarin verwonderd zijn over God als Schepper, die je dit kind geeft.

Maar besef wel, dat je kind ook kan deelt in de afwijzing van Gods liefde.
Alleen als God zelf er iets aan verandert, in zijn hart werkt, het geloof geeft,
alleen dan zal er wat aan veranderen.
En dan wordt ook het bijzondere van Gods liefde zichtbaar.
Dat God komt in een wereld, die niet op Hem zit te wachten,
ook al heeft Hij deze wereld geschapen.

Dat God geeft om een wereld die Hem de rug kan toekeren.
Gods liefde is wel sterker en daarom is ook dit kind gedoopt:
vanuit het geloof dat God ook in dit kind de zonde en de neiging tot zonde kan overwinnen

En een hart kan geven dat wel van God houdt en Hem gehoorzaam wil zijn en wil belijden.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest
verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen
en dat Hij ons tot leden van Christus heiligen wil.

God is de eerste – en dat God de eerste wordt zichtbaar in de doop,
maar gaat nog verder terug: naar het kruis op Golgotha
en nog verder terug: naar de kribbe in Bethlehem
en nog verder terug: naar het paradijs, waar God Adam en Eva opzocht
en een belofte gaf dat de macht van de zonde verbroken zal worden
en dat ze eens weer vrije mensen zullen zijn.

Die belofte is al uitgekomen voor wij geboren werden.
Er is maar één woord dat echt kan weergeven wat er gebeurde: liefde.
En dan niet liefde zoals wij daarover spreken en denken.
Als je vader of moeder wordt, houd je van je kind
en die liefde is er al voor je kind geboren is en je je kind nog niet hebt gezien.

Wat is die liefde dan?
Dat je om je kind geeft en dat je kind belangrijker is dan jezelf.
Dat als er iets met je kind is, dat je diep raakt.
En dat je niet zonder je kind kunt en dat je tot veel bereid bent om je kind gelukkig te maken.

Als Johannes spreekt over de liefde die God heeft,
Dan denkt Johannes aan de bereidheid dat Jezus wilde komen, uit de hemel op aarde,
aan de bereidheid dat Jezus zichzelf als offer wilde geven.,
Dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in Zijn gemeenschap.
Liefde.

Die liefde van God voor ons – zichtbaar geworden aan het kruis
en op ons leven betrokken in de doop – vraagt om onze liefde.
Onze liefde tot God en tot andere christenen.

Die liefde tot andere christenen laat ik nu even rusten (omdat ik daar pas over preekte)
En richt me nu op de liefde tot God,
ons antwoord op Zijn liefde voor ons,
ons antwoord op het kruis dat op Golgotha staat, jouw antwoord op de doop die je kreeg.

Want de doop vraagt om een antwoord, om wat jij ermee doet.
Je ouders hebben je laten dopen, maar dat is bedoeld
om jou te laten antwoorden op de liefde van God.
Johannes spreekt over belijden, belijden dat Jezus de Zoon van God is.
Wat is dat belijden dan? Dat je “ja” zegt tegen God,
Hier ben ik Heer, Ik kniel voor U neer

omdat ik U iets zeggen wil

het zit heel diep in mij, het maakt me soms zo blij

en dan weer even stil

 

Ik wil U graag vertellen dat ik zoveel van U hou

het klinkt misschien eenvoudig maar ‘t is alles wat ik zeggen wou
Belijden is je liefde verklaren aan God, omdat Hij van jou houdt
en de eerste is en steeds naar jou op zoek is, om jou voor zich te winnen.
U alleen, U behoor ik toe.
Belijden is dat je zegt: Heere, ik wil het nu zelf,
De reden waarom mijn ouders mij hier bij de doopvont brachten om gedoopt te worden.
Ik ben van U, ik wil van U zijn. Ik wil niet meer bij U weggaan, maar leven met U.

Leven met U, altijd. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast.
Amen