Preek zondag 12 november 2017

Preek zondag 12 november 2017
Schriftlezing: Genesis 3:1-6; Romeinen 7:14-26
Tekst: vers 20-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie is die ‘ik’ waar Paulus over spreekt?
De ik die zegt: Want het goede dat ik wil, doe ik niet,
maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Er zijn twee mogelijkheden:
De ‘Ik’ die hier spreekt is de oude mens, degene die niet van Christus is.
Of: de ‘ik’ is de gelovige, die reeds van Christus is, bij Hem hoort
en nog steeds – ondanks de band met Christus – een innerlijke worsteling in zich herkent:
de worsteling dat je in jezelf nog steeds een neiging hebt
om precies het tegenovergestelde te doen: het goede niet te doen en het kwade wel.
Wie is die ‘ik’ die hier aan het woord is?

Ik heb altijd meegekregen dat de ‘ik’ die hier aan het woord is
de gelovige is, die na verbonden te zijn met Christus
nog steeds in zich heeft om voor het verkeerde te kiezen.
Ook als je in Christus bent gaan geloven, ben je nog niet los
van die neiging die voor het verkeerde kiest.
Binnen in jezelf weet je dat je het niet moet doen,
maar je doet het toch, omdat er iets in jezelf sterker is waardoor je het toch doet.
Je weet dat je niet mag roddelen, maar toch is er die neiging
om dat verhaal toch door te vertellen – ook al ben je met Christus verbonden.
Je weet dat je iemand niet mag haten, en toch je hebt zo’n sterk gevoel
dat je iemand echt niet mag – ook al behoor je Christus toe.
Ook nadat we bij Christus zijn gekomen, aan Hem toebehoren,
heeft ons eigen ‘ik’ een neiging in zich die destructief is, die kapot kan maken,
dat ondanks alle waarschuwingen die je in de wet van God hoort, je er toch voor te kiest
omdat er in jezelf een neiging is die sterker is, die niet van God komt.
En al wil je het zelf niet, je doet het toch.
Een wil, een verkeerde wil, zondig en vijandig tegenover God, die de macht in je overneemt.

De vraag is alleen of deze uitleg wel helemaal recht doet
aan wat Paulus hier schrijft in zijn brief aan de gemeente in Rome.
Paulus is hier namelijk een verschil aan het uitleggen tussen vroeger en nu:
Vroeger in de tijd zonder Christus,
toen je Hem nog niet kende, toen je nog niet aan Hem verbonden was,
Toen je nog leefde in de macht van de zonde,
was je niet jezelf en kon je niet je eigen gang gaan,
maar was er een ander die over je heerste: de zonde was je te sterk.
Er is echter iets veranderd: een nieuw leven, een leven waarin die macht verbroken is.
Dat andere leven is ook zichtbaar gemaakt, gemarkeerd: door de doop.
De doop – ondergegaan in het water – betekent dat je een nieuw leven bent ingestapt.
De doop en ingaan in dat nieuwe leven betekent ook,
dat er ook een Ander gekomen is, die over uw leven heerst.
Niet meer de zonde die alle macht heeft in je leven,
die macht is verbroken en je hebt een andere Heer gekregen: Jezus Christus.
Je bent bevrijd!
Het is de troost waar zondag 1 van de Heidelberger Catechismus over spreekt:
Mijn enige troost in leven en sterven is, dat ik eigendom ben
van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.
Hij heeft mij uit de heerschappij van de duivel verlost.
Geworden van een ander, de eigendom van een ander.
Ik behoor niet meer de zonde toe, maar Christus die voor mij stierf aan het kruis.

Ooit sprak iemand mij aan na een kerkdienst.
In de dienst had ik die eerste zondag van de Catechismus gebruikt als geloofsbelijdenis
en het had geklonken dat het een troost is, dat ik nu eigendom ben van mijn Heer.
Ze sprak mij aan, omdat ze zich stoorde aan het woord eigendom.
Het gaf haar helemaal geen troost dat ze eigendom geworden was van Christus.
Dat benauwde haar.
En toen vertelde ze haar levensverhaal.
Hoe ze vastgelopen was in haar relatie,
en dat ze in die relatie steeds meer zichzelf was kwijtgeraakt.
Ze had het gevoel dat ze steeds meer eigendom werd van haar man.
Die relatie was gesprongen, de breuk was heftig geweest
en nu ze op zichzelf woonde, kon ze weer zichzelf worden, vrij zijn, ademen, opleven.
Dat woord eigendom deed haar denken aan die relatie, waar ze juist net uit was.
Eigendom van Christus – dat gaf haar een benauwd gevoel.

Juist die bevrijding uit een band die knelt, waarin je niet meer jezelf kunt zijn,
maar gedwongen om anders te zijn dan je bent
En anders te doen dat je vanuit jezelf zou willen,
de ervaring van die bevrijding dat is juist wat Paulus hier wil aangeven}
en ook wat de Catechismus in het antwoord op zondag 1 aangeeft.
Nog intenser bij Paulus, bij de Catechismus,
Een echte bevrijding, omdat het oude leven, waarin er een macht over je heerst
verbroken is, de gevangenis van de zonde is opengegaan
En het mogelijk is dat die neiging die in ons is, gestopt wordt,
het niet meer voor het zeggen heeft
en dat het patroon om steeds het verkeerde te doen, het verkeerde dat God verboden heeft,
om dat toch te doen – dat het patroon verbroken is.
Romeinen 7 gaat over het oude leven, het schrikbeeld van een leven zonder Christus,
overgeleverd aan die destructieve macht die over ons wil heersen
en ons tegen God wil laten ingaan.
Zo was het vroeger – nu is het anders; God zij dank.
Dat was het oude leven – nu hebben we een nieuw leven ontvangen.
Door Christus onze redder, die ons bevrijdde uit die macht.
Waarom dan nog aandacht voor dat oude leven?
Waarom nog zo vertellen over dat oude leven, op zo’n levendige manier
waardoor je als gelovige, bevrijd en verbonden aan Christus,
jezelf nog kunt herkennen in wat Paulus hier in Romeinen 7 beschrijft?
Omdat dit oude leven nog op de loer ligt om je terug te trekken,
omdat de zonde je niet zomaar wilt laten gaan.

Onlangs was ik samen met Rianne in het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek.
Toen we binnenkwamen, zei de mevrouw die bij de kassa zat:
Dit is een Bevrijdingsmuseum, geen oorlogsmuseum.
Er wordt wel over de oorlog verteld en dat maakte ook wel indruk.
De strijd die geleverd is in vanaf september 1944 tot in het voorjaar van 1945 in die regio
door de parachutisten en de grondtroepen, de vele soldaten die gesneuveld zijn.
(We zijn later ook bij een grote Canadese begraafplaats geweest,
indrukwekkend om daar te lopen, de leeftijden te zien
en ook te zien dat een aantal na de oorlog is overleden, waarschijnlijk aan verwondingen).
Het museum was een Bevrijdingsmuseum:
Het verhaal van de oorlog wordt verteld om aan de bezoeker te laten weten:
Je vrijheid is bijzonder. Daar is heel wat aan vooraf gegaan.
Er is een groot offer voor gebracht, door soldaten van ver weg,
die hier meestal vrijwillig kwamen om te strijden, om ons te bevrijden van een vijand.
Te bevrijden van een dictatuur.
Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe waardeer je die vrijheid? Hoe vul je die in?
Dat de oorlog veel gekost heeft, dat was mij wel bekend.
Ook in Veenendaal, waar ik opgroeide, was dat besef er.
Omdat dit strijdtoneel geweest is, in de meidagen van 1940
en laat bevrijd als een van de laatste plaatsen.
Daar in dat museum en daar lopend in die regio van Groesbeek
maakte het weer indruk, welk offer er gegeven is.
En kun je het voorstellen hoe het leven er ongeveer uit zal zien
als we die vrijheid verkwanselen.
In een dictatuur terechtkomen zal niet snel gebeuren, daarvoor zit de vrijheid te diep.
Maar ook door onverschilligheid voor anderen, of door gemakzuchtig leven
zonder er bij stil te staan hoe bijzonder het is om in vrijheid te leven
dat we onze bevrijding te danken hebben aan dat offer dat gebracht is.

Zo schrijft ook Paulus over dat offer, dat Christus bracht voor onze bevrijding.
Een groot offer, we zijn bevrijd, we mogen in vrijheid leven.
Waar Paulus over schrijft, die macht die ons beheerste is verleden tijd, voorbij.
Maar pas op. Je moet er niet achteloos van worden.
Je moet scherp blijven, want die onvrijheid kan weer terug komen.
We kunnen onze vrijheid weer kwijtraken, weer in die gevangenschap van de zonde komen.
Daarom spreekt Paulus over deze ‘ik’.
Het is de ik van Adam, en niet alleen van de Adam die uit het paradijs is gestuurd,
maar van elke Adam die sindsdien leefde,
die erachter kwamen welke verwoestende gevolgen de zonde heeft gehad,
niet alleen op onze band met God, maar ook op ons innerlijk, op wat ons aanstuurt, aandrijft.

Hoe kom je er eigenlijk achter, dat de zonde verwoestend is.
Dat die verkeerde neiging er is, dat een ander in jou het stuur heeft overgenomen?
Ontdek je dat zelf? Kom je daar zelf achter, omdat je de negatieve gevolgen ervaart?
Nee, dat de zonde verwoestend werkt, daar kom je niet zelf achter.
Dat ontdek je door de wet.
De wet van God heeft verschillende betekenissen voor een christen.
Een van die betekenissen, een van de functies is dat de wet aanwijst  wat zonde is.
Het is de wet van God die de zonde ontmaskert, die de zonde onthult.
De wet, dat is Gods wil. De wet is heilig en komt bij God vandaan.
In dit gedeelte moet Paulus uitleggen waarom de wet goed is,
want hij heeft gezegd dat de zonde van de wet gebruik maakt om juist de zonde te doen.
Dat werkte aanlokkelijk: Wat je niet mag, dat ga je juist doen.
Wat God in Zijn wet verbood, dat ga je juist opzoeken, dat wil je doen.
Is de wet dan verkeerd, nee: de wet komt bij God vandaan.
Het zijn Gods woorden.
Maar de zonde is er mee aan de haal gegaan.
Toen God Adam verbood in het paradijs om niet van die ene boom te eten
liet God weten dat het niet goed is om te begeren,
dat het niet goed is om iets te pakken wat niet van jezelf is, wat God verboden heeft.
Maar juist daardoor werd die ene vrucht zo aantrekkelijk,
terwijl er duizenden andere vruchten waren, werd juist deze ene vrucht gegeten.
Als je niet mag roken of drinken, dan is het stoer om het wel te doen.
Als je niet veel te hard hard mag rijden of niet zonder licht mag rijden,
dan ga je dat juist wel doen. Om uit te dagen, te provoceren,
om zelf erachter te komen wat er zo slecht is
en dan valt het eerst vaak nog wel mee.
Zo maakt de zonde gebruik van de wet. Provocerend: Kijk mij eens doen wat verboden is
en het valt toch wel mee.

Nee, zegt Paulus het valt niet mee.
Het zorgt ervoor dat je niet meer jezelf bent, je vrijheid kwijt bent,
net als met een verslaving, dat je er niet tegenop gewassen bent, dat je het wel moet doen.
Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik toch. Ik kan niet anders, die macht in mij.
Die macht in mij, die tegen God was, die ik in mijn leven heb toegelaten.
Die zorgt ervoor dat ik Gods wet niet meer kan houden.
Die zorgt voor een verscheurd ik, in mijzelf:

Mijn God, gewapend tot de tanden, voeren twee mannen in mij strijd:
één wil dat ik te rechter tijd voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden en drijft mij tot opstandigheid.

Ik zoek vrede, maar oorlog maak ik, roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat. Naar werken van vrede haak ik,
maar ‘t goede dat ik wil verzaak ik, en doe het kwade dat ik haak.

Kom mijn verscheurde hart genezen, o Heer, door uw genade groot;
Ik ben het zelf die weerstand bood. Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen wie eens slaaf was van de dood.

Christus is gekomen, zegt Paulus – God zij dank.
Die verscheurdheid is niet het enige verhaal meer voor wie gelooft,
Die macht over je, die heeft niet meer het laatste woord over jou.

En toch is het goed om dat verleden, dat wat eens was, niet te vergeten,
omdat je er nog mee kunt worstelen,
Zoals er na de oorlog niet gelijk een nieuw bestaan was,
maar de schade hersteld moest worden van de steden die vernield waren,
huizen die bijgebouwd moesten worden, een woningnood die lang aanhield
En in Duitsland degenen die in Hitler en het nationaal-socialisme hadden geloofd
dat gedachtengoed uit hun hoofd moesten krijgen en anders moesten gaan denken,
anders leven, anders handelen, nu gericht op vrede en democratie.
Een nieuw leven, maar niet door dat oude leven te vergeten,
maar te herinneren als het verleden waar we vandaan kwamen, wat achter ons ligt
en wat ons steeds weer kan bedreigen als we losraken van Christus.

Ik kwam tegen dat dit gedeelte gelezen zou kunnen worden
bij een voorbereiding van het avondmaal.
Om weer helder te hebben waarom Christus moest komen, moest lijden, moest sterven
voor onze zonde die over ons leven gekomen was, omdat wij God inruilden
voor die andere macht, meer luisterden naar de slang dan naar God.
En dan dit gedeelte als verootmoediging.

Dit gedeelte zou ook gelezen kunnen worden als herinnering aan onze doop.
Meestal doen we niet zoveel met onze doop. Wellicht als er een doopdienst is.
Maar je zou op de dag waarop je gedoopt bent, dit gedeelte kunnen lezen.
Dat wat ik lees was mijn oude leven. Ik mag nu een nieuw leven hebben.
Maar ik moet wel waakzaam blijven.
Niet denken dat ik dat oude leven heb overwonnen,
maar dat ik dat nieuwe leven heb gekregen – genade van God, door Christus.
Dan lezen we dit gedeelte ook vanuit dankbaarheid.
zoals Paulus eindigt met dankbaarheid:
Ik ellendig mens, wie zou mij kunnen verlossen? Ik dank God, door Jezus Christus.
Ook bij de kinderdoop gaat het om dat verleden, dat wat eens was, dat oude leven
en het nieuwe leven dat gegeven wordt.
Belijd u dat deze kinderen, hoewel ze in zonde ontvangen en geboren zijn,
toch in Christus geheiligd zijn en daarom gedoopt horen te worden.
Ook voor onze kinderen mag het gelden: de macht van de zonde is al verbroken.
Dat nieuwe leven is er ook voor hen.
Ze zullen die strijd wellicht herkennen, maar ze hoeven niet hopeloos te zijn
als ze weer een nederlaag lijden, en toch weer een verkeerde keuze maken
en gehoor geven aan die neiging.
De zonde heeft de macht verloren – die neiging kan soms weer opvlammen,
die innerlijke strijd kan er zijn, je kunt er moedeloos van worden.
En toch, je mag danken, ook al lijkt het voor jezelf moedeloos,
Ik dank God, in Christus. Ons staat een sterke held terzij, die God ons heeft verkoren.
De strijd is reeds gestreden, de overwinning reeds behaald
en het is mogelijk om daar reeds in te delen,
maar dan moet je er wel naar leven.
Het verbond, dat ook met de doop twee kanten heeft: een leven in gehoorzaamheid.
Dat kan – ook al voel je vaak die neiging van de zonde.
Het kan, omdat Christus gekomen is, overwonnen heeft
en jou, u bevrijd heeft en Zijn Geest geeft om het goede te leren,
het goede te doen, te leven naar de richtlijnen en de geboden van God.
Dan wordt de wet niet alleen maar iets wat aanwijst waar het fout gaat
en de zonde onthult, ontmaskert, maar ook een aanwijzing voor hoe wij
moeten en ook kunnen leven – tot eer van God.
Ik kan dat niet uit mijzelf – ik was ten dode opgeschreven,
maar God kwam, in Christus, om mij te bevrijden en dat nieuwe leven te geven.

We vieren onze bevrijding door Christus:

W’ ontkwamen haast des vogelvangers net,

Den lozen strik, tot ons bederf gezet:

De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.

De Heer’ is ons tot hulp op ons gebed;

Die God, die aard’ en hemel heeft gemaakt.


Amen


Advertenties

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst
Schriftlezing: Mattheüs 5:13-16 / Mattheüs 21:28-32.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is tussen de middag en Thessa zit samen met haar moeder en broertje aan tafel.
Na het eten zegt haar moeder: ‘Thessa, ruim jij de tafel af?’
Thessa zucht: ‘Waarom moet ik altijd helpen?’
Ze gaat gauw naar de wc en als ze klaar is gaat ze gauw even naar haar kamer
om zogenaamd iets voor school te pakken.
Dan gaat ze naar beneden en trekt ze haar jas aan.
‘Mam,’ roept ze, ‘het is tijd. Ik ga. Doei!’
En in de kamer staat de tafel nog steeds gedekt. Thessa heeft niet opgeruimd.

Uit school gaat Thessa naar een vriendinnetje, Lisa.
Tegen etenstijd krijgt de moeder van Thessa de vraag
of Thessa mag blijven eten bij Lisa. Het mag.
Na het eten wordt Thessa thuisgebracht.
De moeder van Lisa is enthousiast:
Tegen de moeder van Thessa zegt ze:
‘Je hebt een leuke dochter en ze is zo behulpzaam!
Na het eten heeft ze geholpen met tafel afruimen en de keuken opruimen!
Nou, als ik iets aan Lisa vraag, dan voert ze niets uit.
Nu met Thessa erbij hielp ze mee. Thessa was een goede hulp!
Je hebt je dochter een goede opvoeding gegeven!’

Wat moet de moeder van Thessa nu:
Moet ze boos zijn omdat ze thuis niet hielp
of moet ze blij zijn dat Thessa bij een ander wel geholpen heeft?
Want Thessa heeft door te helpen wel voor een goede naam gezorgd.

Zo moeten jullie ook een stralend licht zijn voor de mensen.
Als Thessa door te helpen bij Lisa ervoor zorgt
dat de moeder van Lisa positief is over de opvoeding van Thessa,
dan laat ze iets zien, dat ze iets van haar moeder heeft geleerd
en dat wat haar moeder belangrijk vindt ook in praktijk brengt.
Dat is hoe wij hebben te leven als we geloven in de Heere Jezus,
als we de Heere Jezus kennen en van Hem houden en bij Hem willen horen.
Dan kunnen wij iets van de Heere Jezus laten zien.
Dan kunnen wij, dan kunnen jullie iets van de Heere Jezus uitstralen,
een licht in de wereld.
En zo’n licht zijn, de Heere Jezus laten zien aan andere mensen,
kan door wat je doet, wat je moet doen van de Heere Jezus.

Als je ruzie hebt bijvoorbeeld met iemand
en je gaat naar de kerk om de Heere God te danken
en Hem iets te geven omdat je dankbaar bent,
dan moet je naar huis gaan, voordat je iets geeft
en het goedmaken met die persoon met wie je ruzie hebt.

Of je kunt je heel erg boos maken om iemand die een moord heeft gepleegd.
Daarover zegt de Heere Jezus: Dat is ook heel erg verschrikkelijk.
Mijn Vader in de hemel heeft dat niet voor niets verboden.
Maar als je op iemand kwaad bent, is dat niet minder erg.
Een ander ziet dat niet, aan de buitenkant kun je heel erg aardig doen.
Maar van binnen kun je allerlei lelijke gedachten hebben over degene
op wie je kwaad bent, of zelfs allerlei verschrikkelijke dingen doen in je gedachten.

Of als je ruzie hebt en het loopt op vechten uit
en iemand slaat je in je gezicht, dan moet je niet terugslaan
maar je moet je hoofd omdraaien, want dan kan die ander je nog een keer slaan.
Je hebt mensen aan wie je een hekel hebt
of mensen die aan jou een hekel hebben.
Die jou steeds pesten, die zich naar gedragen.
Je moet van die mensen houden, zegt de Heere Jezus
en zelfs voor hen bidden. Bijvoorbeeld of de Heere hen anders wil maken
en ervoor wilt zorgen dat ze zich wel aardig gedragen.
Want dan doe je net als de Heere God.
De Heere God maakt ook geen verschil tussen mensen die goed leven
en mensen die slecht leven.
Als het regent, dan regent het ook voor slechte mensen
en als de zon schijnt, kunnen ook mensen die slecht leven van de zon genieten.
Als er koren is, kunnen slechte mensen eten krijgen
en als er vrede is, hebben ook mensen die slecht leven vrede.
God is goed voor iedereen, voor iemand die goed leeft én voor iemand die slecht leeft.

Dat is niet makkelijk: van iemand houden die je steeds dwarszit
en voor iemand bidden die je pijn doet of pest.
Het is niet makkelijk om eerst je boosheid kwijt te zijn of eerst iets goed te maken
voordat je de Heere God dankt.
Geen wonder dat er mensen zijn, die net als Thessa zeggen: Ik heb er geen zin in.
Net als die leerling die zijn huiswerk niet wil maken.
Het kost teveel moeite. Ik moet er teveel voor doen
en dan kan ik ondertussen veel leukere dingen doen.

Het is ook niet makkelijk om zo te leven.
Dat weet de Heere Jezus ook.
Daarom vertelt Hij een verhaal over twee zonen.
De ene zoon krijgt een opdracht. Hij zegt “Ja!” maar uiteindelijk doet hij het niet.
Een andere zoon krijgt ook de opdracht.
Deze zegt eerst “Nee!” maar doet het toch.
Wie is er dan het meest gehoorzaam?
Dat is toch degene die het uiteindelijk wel doet,
ook al zegt hij eerst nee?

Als je het doet, als je doet wat de Heere Jezus van je vraagt,
Dan ben je een licht, dan schijnt je licht voor alle mensen.
Als de Heere Jezus over licht spreekt, dan is dat niet zomaar een woord,
maar het licht hoort bij God. God is licht, staat er in de Bijbel.
En de Heere Jezus heeft eens gezegd: Ik ben het licht van de wereld.
In het begin van de Bijbel, bij de schepping, lezen we dat God als eerste licht maakt.
Nadat Hij de hemel en de aarde heeft geschapen,
wil Hij dat er allereerst licht is.
Op de aarde mag geen donker zijn, geen duisternis.
Geen nare dingen als ziekte of pijn, of liegen en iemand bedriegen,
geen mensen die slecht zijn of verkeerde dingen doen.
Alles is goed, helemaal vol van het licht van God.
Duisternis mocht er niet zijn.
Maar die is er wel gekomen, jullie weten dat vast wel
en je kunt dat ook merken, om je heen, bij anderen uit de klas, of in de straat,
zelfs bij je vrienden of vriendinnen, zelfs in je eigen familie
en ook bij jezelf, in je eigen hart.
Dat wij als mensen allemaal in staat zijn om slechte dingen te doen:
Soms liegen we als dat beter uitkomt, soms zijn we lui als we geen zin hebben,
soms ongehoorzaam, of soms zijn we zomaar gemeen tegen iemand,
soms vertellen we zomaar iets door over een ander dat niet klopt
maar ja, het is zo’n leuk verhaal.

Dan zegt de Heere Jezus: je moet anders leven.
Je moet daar niet aan mee doen: niet aan pesten, niet aan liegen,
niet aan gemene dingen doen of verhalen over anderen vertellen die niet kloppen.
Als je zo leeft, ben je een licht.
Als heel veel mensen om je heen, misschien wel allemaal, iets verkeerd doen
of iets slechts in zich hebben, of iets gemeen doen, dan ben jij anders.
In een wereld die donker is, omdat er zoveel slechtheid of oneerlijkheid is,
ben jij anders en daarom straal je iets uit: het licht van God.
De mensen om je heen zien iets aan je,
namelijk dat er een God is en ze gaan over God nadenken,
omdat ze aan jou merken, dat er een God is, die voor deze wereld zorgt.
Het geeft gevolg – net zoals de leerlingen voor een huiswerk leren,
er iets voor doen er een beter cijfer mee krijgen,
zo heeft het ook gevolg wat we doen, wat we in naam van de Heere Jezus doen.
Niet dat andere mensen over ons gaan praten
en ons zo bijzonder vinden, maar ze gaan nadenken over God
En ze gaan nadenken of ze zelf ook niet aan de Heere moeten denken, moeten geloven
en of zij zelf ook niet anders moeten gaan leven.
Wees een stralend licht – straal iets van God uit, door wat je doet.
Dat doe je allereerst voor God, en ook voor de mensen om je heen.
Nogmaals, het is niet makkelijk.
Het is niet makkelijk om niet mee te doen, als de hele klas wel meedoet,
als er kinderen uit je klas ruziezoeken met kinderen van een andere school.
Of als iedereen uit de klas wel meedoet met pesten
en je durft niet te stoppen, omdat je bang bent voor wat de anderen dan met jou doen.
De Heere Jezus zegt er ook niet bij dat het makkelijk is,
maar wel dat je het niet voor jezelf doet,
of dat je het doet om er zelf beter van te worden.
Je doet het voor God, om Hem te dienen.

Je mag ook weten dat de Heere God ziet, als je niet meedoet terwijl anderen dat wel doen.
Je mag ook weten, dat de Heere ziet wat het je kost,
dat het je niet gemakkelijk afgaat.
Hier op aarde heb je het dan misschien niet makkelijk,
maar er komt ook een ander leven, als ons leven op aarde voorbij is.
Dan is er het echte geluk.
Het echte geluk is dan voor jou, als je weet dat je God nodig hebt.
Of zoals het ook gezegd kan worden: Zalig de armen van Geest.
Want dan mag je bij God in Zijn koninkrijk komen.
Het echte geluk is voor wie verdriet heeft, want God zal je troosten.
Het echte geluk is voor jou als je vriendelijk bent, als je doet wat God wil
en als je vindt dat wat God wil het allerbelangrijkste is, dan zal God je moeite belonen.
Voor mensen die eerlijk zijn, die vrede sluiten, die lijden omdat ze doen wat God wil.
Je hoort bij de Heere en daarom wil je zo leven.
Dan wordt het misschien niet door de mensen om je heen gezien.
Maar God ziet het wel en Hij vergeet het niet. Je doet het niet voor niets.

Wees een stralend licht – misschien wel tussen allerlei mensen, die geen licht laten zien.
Mensen van de kerk, mensen hier in het dorp, kinderen uit je eigen klas.
Je kunt niet zeggen: ja maar iedereen deed mee,
Of niemand deed wat U vroeg. Iedereen deed als Thessa of als die ene leerling,
als die oudste zoon die zei ik doe het, maar het uiteindelijk toch niet deed.

Als je bij een voetbalclub hoort, heb je een tenue die je aan hebt met wedstrijden.
Als je bij die club hoort, ben je er trots op dat je dit tenue mag dragen.
Misschien draag je dat ook wel eens doordeweeks.
Maar als je bij een voetbalclub hoort, heb je nog meer, heb je regels.
Ik kom wel eens bij voetbalclubs en dan zie je bij de ingang of bij de kantine altijd regels:
Dat je respect hebt voor je medespelers én voor je tegenstander én voor de scheids.
Dat je niet scheldt en vloekt, dat je sportief bent
en dat je niet steeds je tegenstander expres hard onderuit schopt.
Soms hangt er ook iets over hoe ouders zich langs de lijn hebben te gedragen.
Eigenlijk zijn die regels bij elke voetbalclub hetzelfde:
Of je nu bij Owios zit of bij VSCO, bij CSV of Westerholte, DOS of Go Ahead.
Maar dat zijn regels aan de muur, regels op papier.
Het gaat er om wat er op het voetbalveld mee gebeurt:
Wat je als team doet, wat de ouders bij de wedstrijd doet, of een scheids eerlijk is.
zo is het ook met de woorden van de Heere Jezus:
Je moet ze doen, je moet ze opvolgen, gehoorzamen,
want anders straal je geen licht uit
En zeggen de mensen: hoort hij nu bij God? Ik merk er anders niets van.

Het gaat niet altijd fout.
Toen ik bij een supermarkt begon te werken, zei iemand van die supermarkt:
We nemen graag jongelui aan die bij de kerk horen,
want die zijn vaak eerlijk en betrouwbaar, die zijn bereid om hard te werken.
Die kun je goed in een winkel hebben.
Dan laat je een lichtstraal zien.
De Heere Jezus zegt erbij: Het kan ook veranderen.
Je kunt een lamp ook ergens onder zetten. Onder je bed, of onder een emmer.
Dan is er wel licht, maar je hebt er niets aan.
Dat kan eigenlijk niet, net zoals zout zijn smaak verliest.
Daar heb je niets meer aan, dat gooi je weg.
Zout werd in die tijd gebruikt om eten te bewaren (ze hadden geen koelkasten)
maar ook om de grond vruchtbaar te maken.
Eigenlijk kan het niet, dat zout niet meer zout is.
Ja, in die tijd was zout vaak vermengd met zand, of gruis van de rotsen.
Echt zuiver zout had je vaak niet.
Je leeft als christen ook tussen mensen die niet goed leven,
en dat kunnen ook gelovigen zijn. Het kan eigenlijk niet, maar het gebeurt wel.
Daar wil de Heere Jezus voor waarschuwen.
Wees een stralend licht – het is ook een waarschuwing.
Stop dat licht niet weg.
Dat doe je als je wel meedoet met pesten, wel kwaad blijft en het niet wil goed maken.
Overigens – soms zijn er redenen waarom je wel kwaad mag blijven.
Als iemand pijn gedaan is, of als het oneerlijk aan toegaat.
En toch … juist dan kun je een stralend licht zijn, omdat je weet: God heeft het gezien,
dat het niet eerlijk aan toeging – ik geef het maar aan God,
Hij moet er dan voor zorgen en nu hier op deze aarde,
of later als Hij terugkomt het goed maken.

Nog één ding: de goede dingen die je doet, zullen ervoor zorgen,
dat de mensen om je heen de hemelse Vader eren.
Hemelse Vader- die naam van God die kennen we, die kennen jullie
namelijk: uit het gebed: Onze Vader die in de hemelen zijt, trouwe Vader in de hemel.
Op een goede manier leven, eerlijk zijn, trouw, vriendelijk – en bidden
het hoort bij elkaar.
Je kunt niet oneerlijk zijn, gemeen, slecht – en bidden.
Dat kan wel, maar toch past dat niet. Dan moet je eerst je hart veranderen,
laten veranderen door de Heilige Geest, die ons nieuw wil maken.
Maar ook omgekeerd, als je bidt dan kun je niet zeggen:
nu zit mijn taak erop, ik hoef niets meer te doen.
Ja, soms kun je er niets meer aan doen.
Maar bidden maakt niet lui. Bidden en doen – dat hoort bij elkaar.
Bidden betekent ook, dat je God steeds om kracht vraagt:
Help mij om een stralend licht te zijn,
laat mij een zegen zijn.
Bidden betekent dat je aan de Heere vraagt om vergeving
als je geen licht was, niet durfde te zijn, niet wilde te zijn:
Wilt U mij vergeven en help mij om toch weer een licht te zijn.
Wilt U mij weer gebruiken om iets van uw licht uit te stralen?
Bidden betekent ook vragen om wijsheid, of God wil uitleggen, duidelijk maken
op welke manier jij als een licht kunt stralen, zodat de mensen om je heen zien:
Er is een God, dat zien we aan hem, aan haar.
Bidden betekent: dat je tegen God zegt:
Er komt een nieuwe wereld, waarop alles weer licht zal zijn.
Al het donker van zonde, van verkeerde dingen, van ziekte en pijn,
van oneerlijkheid en slechtheid, geen oorlog of geweld – het zal er niet meer zijn
en iedereen die van de Heere Jezus houdt en bij Hem hoort
mag daar zijn in het land van alleen maar licht, het land van Hem, bij God in de hemel.
Bidden betekent: dat je vraagt of God dat land, die wereld wilt laten komen
en dat je vraagt: Heere Jezus, wilt U komen met Uw koninkrijk, met dat land?
En tot die tijd zal het vaak donker zijn op deze wereld.
U hebt dat niet gewild.
En in die donkere wereld mogen wij een licht zijn, mogen wij stralen,
zodat de mensen weten: Er is een God in de hemel, die ons niet vergeten is.
Mogen ook wij Hem leren kennen?
Zodat de mensen weten: Er komt een andere tijd, waarop alles weer goed zal zijn:
de wereld en de mensen, zoals God heeft bedoeld.
amen


Preek Dankdag 2017

Preek Dankdag 2017
Deuteronomium 26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je lang ergens woont, kan het heel gewoon worden dat je er woont.
Het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je weet dat het hier mooi wonen is en je geniet er bij tijd en wijle ook wel van,
maar toch, het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je kijkt er niet meer van op, dat de bomen van kleur veranderen,
want je woont in een boomrijke omgeving en dan is het vanzelfsprekend
dat als het herfst wordt de bladeren verkleuren en nu of iets later gaan afvallen.
De polder met de weilanden vallen je niet meer op, omdat je ze zo vaak hebt gezien
– elke dag haast, het hoort er gewoon bij, bij deze omgeving, bij jouw leven.
De vogels die hier in de lucht vliegen, die je niet overal in Nederland vindt,
maar die hier heel gewoon zijn: de roofvogels, de uil, de specht.
Je kijkt er niet meer van op.
Je kijkt er pas weer van op, als je weet dat de omgeving ook anders kan zijn.

Dankdag is er voor bedoeld, dat je je weer verwondert over wat je hebt
en over wat er om je heen is.
Dat wat vaak heel gewoon is, dat je daar bij stilstaat, dat het niet gewoon is.
Dat het bijzonder is dat je werk hebt – een zegen.
Dat het bijzonder is dat je eten en drinken hebt, een huis hebt om in te wonen
– allemaal zegeningen van de Heere onze God.
Als het allemaal gewoon wordt, vanzelfsprekend,
dan merk je niet meer zo snel de hand van God erin op.
Dan is de wisseling van de seizoenen, die je in de bomen ziet,
iets dat bij deze tijd van het jaar hoort en niet meer Gods trouw aan de schepping,
waarmee Hij zorg draagt voor de seizoenen, elk jaar weer opnieuw.
Dat er herfst komt en winter en straks weer lente en zomer,
dat is Gods trouw aan deze aarde, zoals Hij aan Noach had beloofd na de zondvloed.
De weilanden, de vogels, andere dieren hier in deze omgeving,
ze laten iets van de Schepper zien, van Zijn grootheid, van Zijn zorg,
maar je hebt er geen oog voor als je het als vanzelfsprekend beschouwt.

Deze dankdag is er om de verwondering weer te hebben:
dit is allemaal wat God geeft, het is helemaal niet vanzelfsprekend.
Het is een zegen, het is een geschenk.
De Heere heeft er recht op dat we Hem daarvoor danken
en dat we dat niet alleen vandaag doen,
maar dat we die dankbaarheid en die verwondering altijd hebben.
Dat dankbaarheid, verwondering onze levenshouding is.
Christenen zijn dankbare mensen – horen dankbare mensen te zijn,
horen elke dag weer opnieuw met verwondering en dankbaarheid aan de dag te beginnen,
vanuit die verwondering en dankbaarheid te werken en te leven.

Het volk Israël krijgt van Mozes een hulpmiddel mee
om die verwondering en dankbaarheid vast te houden,
om niet te vergeten dat wat ze hebben gekregen ten diepste een geschenk van God is.

Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld
en aan de Heere worden getoond.
Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren.
Deze priester representeert God.
Als je nadenkt over die eerste oogst:
Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten
is de eerste opbrengst niet voor jezelf.
terwijl je er hard voor hebt gewerkt en er naar hebt uitgekeken.
Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven.
Wat er nog is, is niet meer vers.
Of misschien was je voorraad wel op en had je moeten bijkopen bij een andere boer.
Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken.
Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar.
Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken.
Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven.
De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden,
zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd.
Wij geven het U, uit uwe hand.
In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is
en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben.
Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven,
wordt nooit eigendom.
We kunnen nooit zeggen: Dit is mijn land.
Hoe lang het ook in onze familie is, het blijft Gods aarde, Zijn land.
We blijven hier gasten op deze aarde, ook op dit stukje grond waar ik al zo lang woon,
waar ik vergroeid mee ben, waar mijn familie een thuis gevonden heeft.

Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst
moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom.
Dit land is eigendom van de Heere.
Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven.
Deze voorouders hadden geen eigen land.
Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land.
Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk.
Wij – de geschiedenis van onze voorvader is onze geschiedenis.
Ik maak daar onderdeel van uit.
De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons.
Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk,
maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons.
De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land,
dat Hij had beloofd aan onze voorouders.
Dit land van de belofte is een goed land.
Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken
en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.
Al is ons leven anders.
Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan.
Het verschil met onze voorouders is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken,
te voelen, te zien.
U bracht ons hierheen.
Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen.
We mogen nog veel verwachten.
Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U.
Niet wat we overhouden of de restanten,
maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen,
in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U.’

Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.
Het eerste geven van wat je krijgt
omdat je beseft, ik heb het van God gekregen, hoeveel ik er ook zelf aan heb gedaan,
welke arbeid ik er aan besteed heb.
Als je dat naar nu zou toehalen:
Het eerste van de vergoeding van een groot project dat je aan het afronden bent.
Het eerste deel van mijn salaris.
Ik denk dat er ook heel wat gelovigen zo in het leven staan,
dat je niet alleen kijkt naar wat je eigen gezin nodig hebt,
maar dat je ook kijkt wat je voor God kunt bestemmen,
omdat je teruggeeft van wat je zelfs hebt ontvangen.

Het eerste is voor God.
Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt
voor een feestmaal van de hele gemeenschap.
De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde.
Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.
De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest,
waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd.
Om de drie jaar is een tiende voor God.
En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben,
aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken:
de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.
Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard
dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld.
Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant.
Geen afdankertjes of afschuivertjes.
Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is,
omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In de commentaren wordt gesteld dat deze rituelen
de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere.
Gods volk is een dankbaar volk.
In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt.
In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring
steeds een levendig besef te blijven.
Dat ligt niet achter ze.
Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte
die eens vervuld zouden worden,
hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte,
dat het land en de oogst door God gegeven wordt.
Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst,
een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen.
Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere.
Het volk leeft voor Gods aangezicht.
Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt,
maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad.
Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen,
die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend:
de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen.
Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

Zodat anderen ook kunnen zingen:

Zij zullen, uit de volheid van ’t gemoed,

Gedachtig aan den milden overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheen.

De Heer’ is goed en vriendlijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

Amen

 

Preek dankdag 2017 – morgendienst

Preek dankdag 2017 – morgendienst
Dienst met de kinderen van C.N.S. De Regenboog

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je ergens komt, waar je niet eerder bent geweest of waar je de weg niet kent,
dan heb je een plattegrond nodig, of iemand die de weg wijst,
Dat zal de man uit Ethiopië ook nodig gehad hebben op zijn reis.
Het was een lange reis die hij moest ondernemen, misschien wel maanden
om vanuit Ethiopië in Jeruzalem te komen.
Lange stukken door de woestijn, onder de warme zon met weinig water bij de hand.
Het was niet zomaar een reis, die deze man maakte.
Hij had gehoord van een God, die ver weg in Jeruzalem een tempel had,
waar je naar toe kon gaan om te aanbidden, de God van Israël.D
Deze man ging op reis.
Het belangrijke werk dat hij deed liet hij achter.
Misschien had hij wel eerst toestemming moeten vragen aan zijn koningin
Of hij wel mocht gaan op de gevaarlijke reis en of hij zo lang weg mocht blijven.
Onderweg had hij heel wat meegemaakt.
Hoe verder hij kwam, hoe meer er naar hem gekeken werd.
Hij merkte dat de mensen hem dan wat uit de weg ging, bang keken,
omdat hij er zo anders uitzag, een heel andere huidskleur: een heel donkere huid.
Hij was ook langer dan de meeste mensen die hij onderweg tegenkwam
en hij merkte dat de mensen tegen hem opkeken, onzeker en soms bang,
ook wel met bewondering (zie: Jesaja 18)
en hij voelde dat ze bij zichzelf dachten: Wat een sterke man is dat.
En hoe verder hij kwam, hoe verbaasder de mensen keken:
Waar komt deze zo heel donkere, grote, sterke man vandaan?
Het is niet zomaar een man, aan zijn kleding en aan zijn manier van reizen
merkte je dat deze man in zijn eigen land een rijke man was, een belangrijke baan heeft.

Deze man moet wel verwachten iets bijzonders in Jeruzalem aan te treffen,
want anders onderneem je niet die lange gevaarlijke tocht,
waarop je onderweg rovers kon tegenkomen,
waarop je dagenlang in de hitte moest reizen, honger en dorst kon lijden.
Reizen deed je vaak niet voor je plezier.
Daar in Jeruzalem zou hij de God van Israël ontmoeten, voor God mogen komen.
Onderweg zou hij steeds gevraagd moeten hebben:
Hoe kom ik in Jeruzalem uit? Of steeds de route hebben uitgestippeld:
Eerst naar naar de Nijl en dan naar Egypte en vanuit Egypte naar Jeruzalem,
steeds begeleid door mensen die voor dat stukje de weg kenden
en voor hem een gids konden zijn
of konden uitleggen welke weg hij moest nemen, waar hij moest stoppen,
Welk stuk van de weg gevaarlijk was, welk weer hij kon verwachten, hoe lang hij moest.
En dan komt hij aan in Jeruzalem, na een lange reis.
Toen hij vlakbij de stad kwam, kon hij de stad zien liggen, op een berg
en de muren van de tempel zien schitteren in de zon.
Wat een prachtig gezicht, indrukwekkend!
Hij wist het nu al, deze reis had hij niet voor niets gemaakt.
We weten niet of hij in de tempel mocht komen.
Als hij geen Jood was, niet besneden, dan mocht hij alleen aan de buitenste rand staan:
Het voorhof waar de heidenen mochten staan.
Zo konden ze er toch wat van meemaken en was zijn reis niet voor niets.
Bijzonder om er te zijn, om hier bij de God van Israël te zijn,
de dienst in de tempel een keer te mogen meemaken.
Een ervaring die hij nooit zou vergeten, die hij zijn leven lang met zich meedraagt.

Voor hij teruggaat naar huis, weer de lange weg terug,
koopt hij een boekrol waarop een stuk van de Bijbel staat.
Als herinnering aan zijn tijd in Jeruzalem
en om onderweg en thuis ook bezig te zijn met de God van Israël.
Zo gaat hij de weg weer terug.
Had hij de weg wel goed nagevraagd?
Op de terugweg gaat hij op een weg die helemaal leeg is,
een verlaten weg. Niemand die de weg ook kiest.
Dan ben je kwetsbaar als er rovers komen. Wie weet wat hij onderweg tegenkomt.
Hij is verdiept in zijn boek.
Zoals het de gewoonte was in die tijd, las hij hardop voor uit de boekrol.
Dan blijkt er nog een man op die verlaten weg te zijn,
want terwijl hij leest en probeert te begrijpen wat hij leest,
is er een man die bij de wagen loopt en tegen hem begint te praten.
‘Begrijp je wel wat je leest?’
Zou het plagerig bedoeld zijn? Of echte interesse?
Jij, man uit een heel andere land, andere cultuur,
jij die vast een lange reis hebt ondernomen,
je leest uit een bijzonder boek, uit het boek van God.
De man uit Ethiopië kijkt op wie hem aanspreekt.
Verbaasd: ‘Nee, hoe kan ik begrijpen wat er staat.
Ik heb toch niemand die mij uitlegt wat deze woorden betekenen.
Kunt u niet bij mij komen zitten en mij uitleggen waar die woorden over gaan?
Want moet u horen wat ik lees:

“Hij zweeg, hij deed zijn mond niet open.
Hij was zo stil als een lam dat geschoren wordt.
Hij werd meegenomen als een schaap dat geslacht gaat worden.
De mensen hebben hem slecht behandeld, maar God heeft hem gered.
Nu is zijn leven op aarde voorbij. Wie zal er nog over hem vertellen?”

en terwijl ik die woorden lees, vraag ik me af over wie de profeet het heeft.
Gaan die woorden over hemzelf? Of gaan ze over een ander?
Wie is die man die zwijgt? Wie is die man die op een lam lijkt, op een schaap.
door de mensen slecht behandeld, maar door God gered?
Ik moet meer over deze man weten? Kunt u mij daar meer over vertellen?’

En de man die in de wagen erbij komt zitten, kan dat inderdaad.
‘Ik ben Filippus, ik ben hier niet zomaar, maar er was een engel van God,
die tegen mij zei: Filippus je moet deze weg nemen.
Eerst begreep ik niet, waarom ik deze weg moest nemen,
maar nu ik u tegenkom, weet ik waarom de engel mij de opdracht gaf
om op deze weg te gaan lopen.
Weet u wie de man is over wie Jesaja het heeft?
Hij heeft het niet over zichzelf,
maar over iemand die nog niet zo lang geleden hier in dit land heeft geleefd.
Een bijzondere man, die heel veel mensen kon genezen
en bijzondere verhalen kon vertellen over God.
Hij kon dat, omdat Hij zelf door God was gestuurd en bij God vandaan kwam
uit de hemel, omdat Hij zelf God was, de Zoon van God, die een mens was geworden.
Hij is gestorven hier in Jeruzalem, nog niet zo lang geleden.
Maar na 3 dagen gebeurde er iets bijzonders: Hij werd weer levend!
Hij stond op uit de dood! God wekte hem weer tot leven
en Hij kon zich weer laten zien aan degenen die bij Hem hoorden.
Hij is inderdaad niet meer op aarde, maar nu in de hemel,
naast de troon van God, aan de rechterhand van God.
Hij is het, die samen met de Vader, over alles regeert,
ook over uw leven, over uw land.
Hij heeft ervoor gezorgd, dat u de reis naar Jeruzalem wilde gaan
en Hij heeft er ook voor gezorgd dat we elkaar ontmoeten,
zodat ik u over Hem kan vertellen.
Want wat deze Jezus, over wie deze woorden van de profeet gaat,
heeft er voor gezorgd dat mensen die heel ver van Jeruzalem wonen
en nu nog niet bij het volk van God horen wel mogen horen bij het volk van God.
Ook de mensen die aan de rand van de wereld horen
en voor hun gevoel ver bij God vandaan zijn,
deze Jezus heeft ervoor gezorgd dat ook zij bij God mogen horen.
Ook als je er niet mee opgevoed bent, of als je er nu voor het eerst over hoort.’
Als de man uit Ethiopië deze woorden hoort,
Dan beginnen zijn ogen te glinsteren.
De reis wordt nog mooier dan hij al was.
Hier op de terugweg krijgt hij iets extra’s wat hij in Jeruzalem nog niet had.
Dat hij bij het volk van God mag horen.
Dat wil hij ook, want de God van Israël is een bijzondere God.
Hij wil geen andere God meer dienen. Alleen maar deze God.
‘Wat een bijzonder verhaal over deze Jezus.
En mag ik doordat Jezus gestorven is ook bij God horen?’
‘Ja’,  zegt Filippus, als je het gelooft, dan mag je er ook bij horen.
‘Dat wil ik ook. Kan ik gedoopt worden?’
Wat bijzonder voor deze man, wat bijzonder voor Filippus.
En dan gebeurt het: de man wordt ook gedoopt.
De man gaat het water in, helemaal onder water, en komt weer boven:
Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Als ik hier in de kerk kinderen doop – dat is afgelopen zondag nog gebeurd –
geef ik hen altijd een Bijbeltekst mee, die speciaal voor hen is bedoeld.
Deze man zou de woorden van Petrus mee kunnen krijgen op de Eerste Pinksterdag:
Want u komt belofte toe, en uw kinderen, en allen die veraf zijn.
zovelen als er door de Heere onze God naar Hem worden toegeroepen.

Ik mag erbij horen. De man hoort het en weet het doordat hij wordt gedoopt.
Blij verrast: Ook ik ben van God.
Ze mogen dan nog wel naar mij kijken alsof ik een vreemde ben,
iemand met een andere huidskleur, waar je tegenop kijkt, of waar je bang voor bent,
iemand die heel anders lijkt en toch: ook ik mag bij de Heere horen.
Blij verrast gaat hij naar huis.

Vandaag is het dankdag.
Jullie en wij allemaal zijn in de kerk gekomen
om vandaag op deze dag speciaal de Heere te danken
te danken voor wat Hij geeft: eten en drinken, kleding, werk voor je vader en moeder.
Als de Heere dat allemaal geeft, heeft Hij daar een bedoeling mee:
Dat we van Hem gaan houden, dat we zien dat Hij ook onze God wil zijn
en voor ons wil zorgen, voor alles wat we nodig hebben om hier op aarde te kunnen leven,
maar ook voor later, als ons leven voorbij is
om dan bij Hem in de hemel te mogen komen.
Zalig Hij die in dit leven – Jakobs God ter hulpe hebt.
Dan mogen ook wij blij verrast zijn vanwege alles wat God ons geeft.
Amen


 

Preek zondag 29 oktober 2017

Preek zondag 29 oktober 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Romeinen 5:1-11; tekst: vers 3-4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Als vader sta ik wel eens te kijken langs de lijn bij het voetbal.
Soms zijn er wedstrijden waarbij je kunt genieten van het spel.
Er zijn ook wedstrijden bij, waarin het minder goed gaat.
Het lukt niet om te scoren, er wordt minder overgespeeld
en bij de tegenstander lukt het allemaal wel.
Dat is dan meestal een wedstrijd die verloren wordt,
omdat het geloof er niet is en de tegenstand te groot.
Tijdens zo’n wedstrijd denk ik dan dat het goed zou zijn
dat je als vader, of als trainer van het team, er goed doet om weerstand aan te leren,
om niet te snel op te geven als het niet wil lukken.
Dat geldt niet alleen voor sport, maar ook voor andere zaken:
dat je niet te snel in paniek raakt als het niet wil met schoolwerk en goede cijfers uitblijven.
Of: Ik weet niet goed hoe ik vrienden moet maken en daarom wacht ik maar af.

Kun je je kind dat wel aanleren: weerstand?
Kun je leren dat ze niet te snel moeten opgeven of niet te snel de moed moeten kwijtraken?
Dat is het spannende aan opvoeden:
Je kunt ze iets voorhouden, maar uiteindelijk moeten ze het zelf doen.
Moet dat een onderdeel van hun karakter, van hun houding worden
dat ze niet te snel van slag zijn als het tegenzit.

Die weerstand en het niet te snel opgeven is ook voor het geloof van belang.
Voor Paulus is weerstand en niet opgeven een houding die een gelovige kenmerkt.
Als gelovige heb je een stevigheid, waardoor je niet onderuit gaat
als je te maken krijgt met tegenstand,
of als je het niet in de hand hebt hoe je leven zich ontwikkelt.
De gelovige, zo geeft Paulus hier aan, heeft een bepaalde houding, heeft karakter.
Het is geen karaktereigenschap die we vanuit onszelf hebben,
niet iets dat we in huis hebben en waarvan we tegen anderen kunnen opscheppen:
Kijk eens wat we doen. Nee, dat karakter, die houding
die we als gelovige hebben, hebben we aan God zelf te danken.
Geloof in God geeft je als gelovige een stevigheid,
waardoor je niet de moed opgeeft, waardoor je overeind blijft staan.

Dat we die moed en die kracht hebben om overeind te blijven staan,
hebben we te maken door onze band met God.
Geloven betekent dat je aan God verbonden bent.
En dat is niet een band die wij zelf leggen, vanuit onze kant,
maar het is een band van God, die Hij aan ons geeft,
waardoor wij ons vast kunnen maken aan Hem.
Dat is nu het verbond wat in de doop gesloten wordt
tussen God en jullie kind: een hechte band die God schenkt,
waarbij de Heere jullie kind aan Zich vastmaakt.
Waarom laat je je kind dopen? Om je kind zo aan God vast te maken,
Of anders gezegd: het  teken van het verbond mee te geven,
Waardoor je kind weet: dat verbond met God is er ook voor mij,
ook ik mag daarin opgenomen zijn, ook voor mij is er die hechte band met God.
Zo verbonden met God, vastgemaakt aan God, kan jouw kind ook die weerstand krijgen waar Paulus over spreekt, dat overeind blijven staan in moeilijke omstandigheden.

Paulus schrijft in het gedeelte met iets andere woorden over dat verbond, die band met God.
Hij heeft het over toegang krijgen tot God
En die toegang tot God die is er door Christus, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is weer in orde gekomen met God: er is weer vrede met God,
we kunnen weer bij elkaar horen, omdat Christus onze zonde uit de weg heeft geruimd.
Dat weer bij God mogen horen, van God mogen zijn, aan Hem verbonden zijn
– dat is de basis van die weerstand, van dat karakter dat Paulus graag ziet.
Want als je bij God hoort, mag je hoop en vertrouwen hebben,
omdat je weet: Ik sta er niet alleen voor, mijn leven is in Gods hand
en niets of niemand is meer in staat mij van God, van Christus’ liefde te scheiden.

Kun je dat zo wel aan een klein kind meegeven,
dat helemaal nog geen verstand heeft van geloven?
Een kind die nog nooit de verhalen uit de Bijbel heeft gehoord
en nog niet zelf heeft kunnen kiezen voor de God van de Bijbel?
Moet je dan niet wachten tot een kind een eigen keuze heeft gemaakt,
want maak je zo’n kind dan niet te gemakzuchtig
en gaat een kind door de doop niet te gemakkelijk geloven dat het wel goed zit?
Er is een reden waarom we als gemeente kleine kinderen dopen.
En dat is niet omdat de eigen keuze niet belangrijk
en ook niet om aan te geven dat het allemaal al goed zit en er niets meer hoeft te gebeuren.
Er moet wel wat gebeuren:
het is de bedoeling dat je kind wat God belooft gaat eigen maken, gaat geloven.
Maar als kerk dopen we kinderen nog voordat ze hun keuze kunnen maken,
omdat we geloven dat het God is die kiest, voor je kind, die de band legt.
Die niet wacht op je kind, tot hij of zij die keuze maakt, maar al bezig is in zijn of haar leven.
Omdat die toegang er al is, voordat wij kunnen nadenken,
omdat die toegang er al gekomen is, voordat wij er als mensen al waren.

De doop geeft aan dat we op elk moment van ons leven die toegang mogen gebruiken,
de toegang tot God die er is gekomen, omdat Christus aan het kruis stierf.
Er is geen grens: geen leeftijdsgrens en ook niet een grens van het eerst begrijpen,
zelfs niet van het eerst geloven of er voor kiezen.
God legt als eerste die band en wat wij, wat u, wat jij, wat die dopelingen kunnen doen,
is het beamen, ontvangen, eigen maken.
De doop geeft ook aan dat u, dat jij, dat deze dopelingen dat moeten gaan doen.
Dat is onze kant van die verplichting, onze zijde van het verbond, van die binding met God.
Je kunt er ook voor kiezen om niets met die band te doen,
maar dan heb je ook niets.
Als je gaat geloven – en geloven is het aannemen van wat God geeft –
dan hoort er ook bij dat je toekomst hebt.
Je mag vooruitkijken en je mag weten: ik sta er niet alleen voor.
God is er – in mijn leven, voor mij
en Hij heeft voor mij een toekomst,
een toekomst hier op aarde en ook een toekomst voor later, als mijn leven voorbij is:
Paulus noemt dat: hoop op de heerlijkheid van God.
Je mag delen in Gods wereld – later, in de hemel, maar ook hier op aarde.
En als je deelt in Gods wereld, als je van Hem bent, bij Hem hoort,
dan heb je die hoop, dan hoef je daar niet meer over te twijfelen
en hoef je ook niet meer onzeker te zijn over de toekomst,
want jouw toekomst en de toekomst van de hele wereld is in Gods hand.

Een christen wordt gekenmerkt door hoop,
omdat je opgenomen bent in de gemeenschap van God,
die alles geschapen heeft en over alles regeert, ook deze wereld.
Als vader, als moeder mag je je kind over deze God vertellen,
maar opvoeden in het geloof houdt ook in, dat je zelf ook die hoop voorleeft,
dat je die hoop hebt, dat je die weerstand hebt,
niet als een eigenschap van jezelf, maar als een gegeven kracht, door God.
Zelfs in moeilijke omstandigheden. Paulus noemt dat: verdrukking.
Ik denk dat de meesten van jullie ooit te maken gehad hebt met tegenslag.
Je leven liep anders dan je van tevoren had gedacht.
Als kind droomde je misschien wel over hoe het later zou zijn als je moeder was, of vader.
Maar in die tussentijd kan er heel wat gebeurd zijn,
Waardoor het onbezorgde uit je leven wegraakte, omdat het leven heel anders verliep.
Je vader overleed, je moeder is er niet meer,
het duurde veel langer dat een kinderwens werd vervuld
en dat bracht spanning en verdriet in je leven.
Die spanning en verdriet kunnen je hoop ook op de proef stellen.
Er zijn momenten waarop je het niet meer ziet zitten
en misschien had je ook niet meer geloofd als het aan jou lag,
omdat er heel wat gebeurde en je geen hoop meer kon hebben,
omdat je niets zag van Gods leiding in deze wereld, niets van Gods zorg voor jou.
Maar juist bij die tegenslagen, juist als het anders loopt,
dan is er opeens die kracht van God, waardoor je weer hoop hebt,
waardoor je toch weer met God verder gaat, gesterkt.
Niet dat je die moeilijkheden wegduwt, niet dat het verdriet of die spanning weg is,
maar in die spanning, in de moeilijkheden, in het verdriet
merk je dat het zo is dat je er niet alleen voorstaat, maar dat je gedragen wordt,
dat God van zich laat merken.

En als je terugkijkt, kunnen die tegenslagen je ook heel erg gevormd hebben.
Leek het eerst erop dat je verder bij God vandaan kwam,
uiteindelijk ging het de goede kant op en werd je band met God juist dieper en sterker,
je weet niet goed hoe dat gebeurde, maar het gebeurde.
Volharding noemt Paulus dit, je houdt vol, je geeft niet op,
ook niet bij tegenslag, ook niet als het anders gaat dan je verwacht,
ook als het niet zo lukt, maar je wordt juist sterker door de kracht die je van God krijgt.
Die tegenslagen doen wel wat met je, het gaat niet in je koude kleren zitten,
het is niet zo dat die tegenslagen je niet raken,
maar ze krijgen je er niet onder, je gaat niet onderuit, maar je blijft staan,
je houdt vol en je gaat strijden, nog meer strijden dan je deed,
omdat je juist nu ervaart, dat er ook die kracht van God is die je sterkt,
Waardoor je het kan, waardoor je groeit in je band met Christus.
Volharding is een vorm van geduld, geen geduld van maar afwachten,
met de armen over elkaar, maar kijken naar God, naar hoe Christus geleden heeft
en je gaat je je meer en meer hechten aan Christus, je vastmaken aan hem,
weten dat je het niet ergens anders moet, nergens anders kunt zoeken.
Je wordt er als gelovige sterker van, omdat je naar Christus toegroeit,
dwars door die moeilijke omstandigheden heen.

Daarom leidt die volhardig tot wat Paulus ondervinding noemt.
Ervaringskennis, zouden we kunnen zeggen.
Ondervinding betekent, dat je er zelf doorheen gegaan bent en dat je daarvan geleerd hebt,
die volharding is niet een makkelijk praten van iemand die niets heeft meegemaakt,
geen grootspraak van iemand die geen benul heeft, waar hij over praat,
Nee, ondervinding betekent: het is door je heen gegaan.
Je hebt geleerd door wat je meemaakte.
Zoals jezelf misschien ook wel heel erg gevormd bent in die moeilijke periode
na het overlijden van je moeder of vader, de tijd die eigenlijk nooit eindigt
in deze tijd van geboorte, opvoeding, op deze hoogtijdag voel je het gemis extra.
Gevormd in de moeilijke periode van het wachten op een kind.
Dat kan je vormen, een levenswijsheid geven,
ondervinding: kennis door het zelf mee te maken.
Ik kwam tegen dat er een Engelse vertaling is die hier met karakter vertaald.
Het vormt je als mens, je hebt er veel van geleerd.
Het was niet fijn om mee te maken en jammer dat het gebeurde,
maar je bent er ook erg door gevormd, wijzer geworden, meer een persoon, een karakter.
Je bent iemand geworden – dat had je vader moeten zien, je moeder.
Als je merkt dat je zo gevormd bent, weet je dat een moeilijke periode
niet alleen een aanslag op je geloof kan zijn,
maar weet je ook dat er een andere kant is, van gedragen worden,
van God die er op een verrassende, niet gedachte wijze toch is, een houvast dat je hebt.
Je hebt hoop – de cirkel is rond: het begon met hoop en het eindigt met hoop.
Geen makkelijke weg, maar wel een weg met God, een weg met toekomst,
voor hier op deze aarde, de tijd die je hier op aarde nog gegeven wordt
(en we hopen dat het nog een mooie tijd is, samen met je kind en je gezin),
maar ook hoop voor de toekomst als dit leven voorbij is.

Houden we onszelf niet voor de gek?
Geven we onze kinderen niet iets mee, wat uiteindelijk toch geen houvast biedt?
Nee, zegt Paulus, die hoop beschaamt niet,
en ik hoop dat het niet alleen woorden van Paulus zijn
maar dat je dat zelf ook kunt geloven, kunt onderschrijvn, kunt doorgeven aan je kind:
Nee, de hoop is er niet voor niets, is geen lege huls of bedenksel,
maar ik weet waar ik over praat als ik over hoop praat,
want ik ken God en ik weet Zijn kracht in mij.
De kracht die ik kreeg doordat er ook de Heilige Geest is die in mij werkt
en die ook in mijn kind kan, zal werken.
We weten dat we ons niet voor de gek houden,
omdat we niet alleen van onszelf hebben gemerkt, dat wij gegroeid zijn,
maar dat God er ook was, en is en zal zijn.
We zijn verbonden met God en dat weten we diep van binnen,
dat is een kostbaar iets, dat in ons hart leeft, een liefde die we koesteren,
Zoals we ook de liefde van onze ouders koesteren en daar steeds uit leven,
zo koesteren we Gods liefde in ons hart en weten:
Het is waar
en daarom geven we het ook graag door,
omdat het de moeite waard is, waardevol,
omdat je dit ook aan je kind wil meegeven: dat er een God is, die Zijn weg met je gaat.
Dat je sterk mag zijn, omdat je gesterkt bent
en dat je mag staan, gerust in Gods bescherming, dat je mag bouwen op God
en dat als je gaat, samen met God gaat, in Zijn naam.
Je voelt wel je eigen zwakheid.
Juist in de strijd tegen die vijand, de duivel die je onderuit wil halen, van God los wil maken,
maar toch: daar is God en Zijn kracht.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad.
Daarom een lied van overwinning,
niet omdat wij triomferen, maar omdat er Iemand is, die voor ons de strijd aangaat,
door voor ons de overwinning heeft behaald
En in Wie we ons geborgen mogen weten, veilig en beschermd, opgenomen in Zijn hoede.
Ik bouw op U, mijn Schild en Mijn verlosser.
Amen


Preek zondag 1 oktober 2017 Israëlzondag

Preek zondag 1 oktober 2017 Israëlzondag
Romeinen 9:1-24

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen donderdagmorgen had ik een morgen gepland
voor ouderen uit onze gemeente die nog geen belijdenis hadden gedaan.
Ik had een aantal van hen uitgenodigd om op deze morgen bij mij thuis te komen.
Omdat ik niet wist hoeveel er zouden komen, waren er extra koeken in huis gehaald.
Om kwart voor 10 zette ik een pot koffie, zodat als er om 10 uur gemeenteleden waren
ze gelijk aan de koffie zouden kunnen zitten en we zouden beginnen.
In de woonkamer had ik de stoelen in een kring gezet, ik zette de voordeur open.
Alles was klaar.
Om 5 voor 10 was er het nog stil.
Ik liep naar buiten en keek de straat uit: niemand te zien.
Ik dacht aan de vorige keer dat ik eenzelfde morgen had georganiseerd.
Daar was niemand op af gekomen. Hoe zou dat nu zijn?
Ik had me verheugd op een mooie morgen
om van gemeenteleden te horen waarom zij nog geen belijdenis hadden gedaan
en ik hoopte dat zij toch nog eens de stap zouden nemen dat te gaan doen.
Om 10 uur stond ik nog een keer bij de voordeur en keek de lege straat in.
Ik moest denken aan die gelijkenis, die de Heere Jezus eens vertelde
van een koning die een grote maaltijd had laten aanrichten
vanwege de bruiloft voor zijn zoon.
Hij had veel mensen uitgenodigd – en niemand kwam.
Iedereen had zijn redenen om niet te komen
en het gevolg was dat de feestzaal van deze koning leeg bleef
en het feest ter ere van zijn zoon een grote mislukking zou zijn.
Dan was heel wat erger dan wat er met mij gebeurde op die donderdagmorgen.
Het enige dat jammer was,
was de volle pot koffie die ik gezet had en bijna helemaal kon weggooien.
Nou ja, ook op het gesprek had ik me wel verheugd en de gesprekken die zouden volgen.
Maar voor mij was het minder pijnlijk dan die koning met die lege feestzaal.
Dat er donderdagmorgen niemand kwam, had wellicht te maken met de manier
met mijn voorbereidingen: de uitnodiging was niet goed,
of mijn inschatting dat er behoefte was om over belijdenis doen na te denken was verkeerd.
In die gelijkenis ging het erom, dat de genodigden die koning echt lieten zitten
en daarmee die koning in de steek lieten. Ze wilden niet komen.
Die koning met die lege feestzaal, geen van de genodigden die kwam opdagen –
dat verhaal ging over Jezus zelf, ging over de vraag
waarom Zijn eigen mensen, Zijn eigen volksgenoten niet in Hem geloofden,
een kritische spiegel: door Mij, Jezus af te wijzen, wijs je God, de Vader die Mij zond, af.

Die afwijzing van Jezus door de Joodse volksgenoten houdt ook Paulus diep bezig.
Een belangrijk thema voor hemzelf, waarom zijn eigen broeders en zusters
niet willen inzien, niet willen geloven dat Jezus de door God beloofde messias is.
Jullie hebben zoveel van God ontvangen: (hij verwoordt dat in vers 4)
Jullie zijn het volk dat door God apart is gezet om voor alle volken een zegen te zijn.
Als jullie je geschiedenis nagaat, dan zijn er zoveel momenten geweest
waarop God in jullie midden was en jullie Zijn heerlijkheid hebben mogen zien,
Gods aanwezigheid zelf, in jullie midden.
Hoe vaak heeft God niet het verbond dat Hij gesloten heeft met Abraham bevestigd,
aan Izak, aan Jakob, aan Mozes, aan David.
Jullie hebben van God Zijn wetten en richtlijnen ontvangen.
Jullie weten hoe je God kunt dienen.
En je kunt God ook dienen in de eredienst in de tempel, in de synagoge, in je eigen huis.
Jullie? Voor Paulus is zijn het broeders en zusters, hij is één van hen.
Hij spreekt hen ook aan met de erenaam: Israëlieten,
niet zomaar met Joden, maar met de naam van Israël,
om aan te geven dat hij gelooft dat God een bijzondere weg gaat met dit volk, Zijn volk is.

Hij zal wel het verwijt hebben gekregen, dan hij met zijn broeders en zusters gebroken had,
Dat met de weg van Christus een nieuw boek begonnen is,
en het andere boek met de weg van God met Israël was dichtgeslagen,
dat verbond was voorbij, omdat de Israëlieten voor een groot deel Jezus afwezen.
Ze hadden gehoord dat Paulus dat vertelde: alleen door Jezus kun je worden gered
van het oordeel dat God over deze wereld zal gaan spreken – het laatste oordeel.
Over alle mensen? Ja, over alle mensen.
Ook over Joden? Ja, ook over Joden.
Maar zij zijn toch Gods volk, zij horen toch bij God – vanwege het verbond?
En leven zij niet naar Gods wil door de wet van God te houden?
Ja, toch ook zij zullen worden geoordeeld, want zij wijzen Jezus af.
Dat is wat de mensen van Paulus hoorden
en ze trokken zelf hun conclusie: God is opnieuw begonnen.
Het verhaal met Israël is voorbij, dat boek is gesloten, over en uit.
Dat verwijt zal ook bij Paulus gekomen zijn.
Hij zal gehoord hebben, dat degenen die zijn boodschap horen, deze conclusie trekken,
namelijk dat God volgens Paulus het volk waarmee Hij begon had afgeschreven
omdat ze Jezus hadden afgewezen, Jezus de door God beloofde messias.

Het is een verwijt dat Paulus diep raakt en laat dat ook zien.
Dat zijn broeders en zusters niet willen geloven, dat stemt Paulus steeds droevig,
het is een intense pijn die hij met zich meedraagt, hij ligt er ‘s nachts wakker van.
En dat zegt hij niet opeens nu hij dit verwijt gekregen heeft,
maar hij is oprecht, integer. Christus, Zijn Heer, is getuige dat hij dit niet opeens zegt
omdat er kritiek gekomen is.
Maar nu die kritiek komt, geeft hij een inkijkje in zijn hart, in zijn gebedsleven,
zijn worstelingen met de afwijzing van zijn broeders en zusters.
Dat gaat zo diep, dat als het aan hem ligt, bereid is om zijn zaligheid op te geven.
Hij weet wel, dat kan niet.
Dat offer kan hij niet brengen.
Hij kan niet zeggen: God haal mij maar uit uw boek en schrijf mijn volksgenoten erin.
Als God iemand eenmaal in het boek des levens geschreven heeft,
dan kan die naam nooit meer uit dat boek worden geschrapt.
Misschien heeft Paulus dat wel net als Mozes gezegd tegen God:
Haal mijn naam maar uit Uw boek, streep mijn naam maar door,
maar plaats anderen er maar in.
Hij weet ook zo’n gebed nooit verhoord kan worden,
omdat er maar één Mens is die uit het boek des levens geschrapt kon worden
en dat was Jezus, zijn Heer – en dat was juist zijn redding.
Waarom grijpen volksgenoten deze reddingsboei niet?
Dat is niet zomaar een vraag – het is een vraag naar God.
Als Hij mij het geloof kan geven, als Hij zo hardhandig in het leven van Paulus kwam,
stilgezet op de weg naar Damaskus, terwijl Paulus vijand was,
Waarom kan Hij dat dan niet bij zijn broeders en zusters?
Waarom geeft Hij dan dat geloof niet aan hen?
Waarom loopt het volk van God kans om verloren te gaan, Gods eigen volk?
Of is God veranderd en heeft Hij afscheid genomen van Zijn volk?
Dat kan niet – want als God Zijn beloften niet houdt, dan is Hij toch niet betrouwbaar?
Dan God ook ons als degenen die in Jezus Christus zijn, laten vallen?

Het zijn vragen die voor een aantal ouders ook herkenbaar zijn,
die ermee worstelen dat hun eigen kinderen niet meer geloven.
Hun kinderen die eens het teken van het verbond hebben ontvangen,
kinderen over wie God heeft uitgesproken dat zij erbij horen,
dat Christus voor hun zonden is gestorven aan het kruis,
dat de Heilige Geest in hun harten zal werken en daar ruimte voor Christus maakt,
dat ze verbonden zullen zijn met Christus als hun Heer.
En wat is er van die belofte, die God over die kinderen heeft uitgesproken waar geworden?
Dat kan dezelfde pijn geven als bij Paulus
om te zien dat Christus in wie u uw vertrouwen gevonden hebt, Hij is uw Heer geworden,
door degenen met wie u zo verbonden bent, uw eigen kinderen, wordt afgewezen.
Misschien hebt u wel diezelfde gedachte als Paulus:
Als ik nu eens kon ruilen, als zij eens gingen geloven, al kostte dat mijn eigen zaligheid…
Want wat gebeurt er met hen, als hun leven voorbij is
en als zij voor God verschijnen? Gaan zij dan verloren? Is het dan voorbij?
Misschien worstelt u ook wel net als Paulus met die vraag:
Wat zegt het dan over God? Heeft Hij dan afscheid genomen?
Heeft God gezegd: dat boek is gesloten, Ik heb het geprobeerd, maar het is voorbij?
De vraag naar het nee van mensen is een vraag naar God zelf, naar Gods karakter.
God zelf staat op het spel – waarom geeft Hij het geloof niet als Hij dat kan?
Wat is er toch?
Heeft God Zijn gena vergeten? Nooit meer van ontferming weten?
Dat kan je al raken als het je eigen vraag is, als je zelf ervaart dat de hemel gesloten is
En God niet van zich laat horen,
maar nog dieper raakt die vraag je, als je ervaart dat die genade er niet meer is
voor je kinderen, de kinderen die God je gaf, een verbondenheid die God gaf.

Het kan zijn dat u door zulke vragen ook moeite hebt gekregen om te geloven.
Als God aan mijn kinderen het geloof niet geeft, als zij niet verbonden zijn,
Wat heb ik dan zelf te zoeken in Gods nabijheid?
Straks als ik in de hemel kom, wat moet ik daar als ik weet dat mijn kinderen verloren zijn?

Als het gaat om zijn Israëlitische broeders, dan maakt Paulus het zich niet gemakkelijk.
Hij zwakt zijn boodschap niet af,
het is ook niet zijn boodschap, maar een boodschap die hij brengt namens Christus.
Er is maar één manier om aan het oordeel van God te ontkomen.
Voor zijn eigen broeders en zusters is er geen speciale weg,
omdat zij tot Gods volk behoren, omdat zij opgenomen zijn in het verbond.
Ook zij kunnen niet om Christus heen. Wij trouwens ook niet.
Het feit dat we over wij en zij praten, laat al zien dat er een diepe scheur is,
waar we ons niet bij neer mogen leggen,
Waarvan we niet kunnen zeggen: dat gaat ons niet aan.
De Romeinse christenen hadden er wellicht ook belang bij om dat verschil te hebben:
Wij christenen en zij Joden.
Wellicht heeft het te maken met een persoonlijke wet door de keizer uitgevaardigd
waardoor alle Joden uit de hoofdstad Rome weg moesten, Rome moesten verlaten.
Maar wij zijn geen Joden – al dienen wij wel de God van Israël, wij zijn anders.
Het is niet zeker of dat zo is, maar mogelijk is dat wel een aanleiding om dit te schrijven.
Zo van Israël afzonderen, dat kan niet
en doen alsof Gods beloften voor Israël niet meer gelden ook niet.
God is niet alleen onze God, maar allereerst de God van Israël.
Het is alleen maar genade, onverdiende genade dat het verbond voor ons is open gegaan.
Dat is niet ten koste van Israël gebeurd.
De kerk heeft Israël nooit vervangen.

Alleen kunnen wij als mensen niet aangeven, wie Israël is, wie daartoe behoort of niet.
Dat kan alleen maar God.
Je kunt als mens niet zeggen: Ik stam uit die familie, dus hoor ik bij God.
Ook niet: Ik ben in dat volk geboren en daarom ben ik van God.
Dat bepaalt niet onze familie, dat bepaalt niet een aardse lijn,
maar God door middel van zijn belofte – allereerst aan Israël, die belofte blijft staan.
God bepaalt.
We kunnen die lijn ook doortrekken naar onze kinderen.
Ze mogen bij God horen, ze zijn opgenomen in Gods verbond
en hebben als teken daarvan de doop ontvangen.
Niet omdat ze uit ons geboren zijn – niet omdat er aan onze kant iets van is.
Gods belofte is echter zo groots en wijds, onze kinderen worden daarin opgenomen.
Want u komt de belofte toe en allen die veraf zijn, zo velen als onze God roepen zal.
Dat we van onze kinderen zeggen
en dat u van uzelf kunt zeggen dat u tot het verbond behoort
is alleen maar omdat we geloven in God die een verbond sloot,
met Abraham en Sara, met Izak en Rebekka, met Jakob en zijn kinderen.
Dat verbond is niet voorbij.
Alleen wij kunnen niet aangeven wie tot dat verbond behoren.
Wij kunnen niet aangeven, wie wel, wie niet.
Zelfs de profeten in Israël gaven aan: niet iedereen van het volk hoort bij God.
Vaak was een groot deel van het volk ontrouw aan God
en koos het eigen wegen.
En toch heeft God nooit Zijn verbond opgezegd met het volk Israël.
God is niet veranderd.
God kan zich laten afwijzen en toch barmhartig zijn.
Steeds op de afwijzing volgt een daad van God.
Na de vrucht in het paradijs was er niet alleen de straf van wonen buiten het paradijs,
maar ook de belofte dat iemand uit het geslacht van Eva de slang zal vermorzelen.
Na het gouden kalf bij de berg Sinaï was er meer dan de straf,
ja de Heere dreigde wel het volk te vernietigen en met Mozes verder te gaan,
Maar uiteindelijk liet God zich overhalen – verbidden! – door Mozes
om bij het volk te blijven en het volk mocht enige tijd later getuige zijn
hoe de God van hemel en aarde, die heilige God, uit de hemel neerdaalde
en intrek nam in die tent die in het midden van het volk stond.
Hij was in hun midden en gaf dat aan, ondanks hun zonden.
In het land kwamen er vijandelijke volken als ISraël God vergat,
maar er kwamen ook weer richters die het volk bevrijdden in naam van God.
Er is de aankondiging van het oordeel,
profeten die zeggen: Jullie zijn mijn volk niet meer
en een hoofdstuk later is het: Jullie zijn toch mijn volk, Ik kom weer terug
en Ik geef jullie iets, waardoor jullie Mij trouw blijven, Mijn Heilige Geest in je hart.
Altijd weer toont God zich barmhartiger en genadiger dan wij voor mogelijk houden.
Waar wij denken dat het afgelopen is, gaat God door.
Waar wij denken, dat een menselijk nee definitief is, breek God door – Paulus is zelf getuige.
Wat God doet, weten wij niet.
Maar sluit niet uit, dat God zich van Zijn genadige kant laat zien.
Paulus die zelf merkte hoe Christus in zijn leven kwam, ondanks zijn afwijzing,
is uiteindelijk hoopvol gestemd: Wat met mij kon gebeuren, kan met iedereen gebeuren.
God is zo groot – juist in Zijn genade,
juist in Zijn barmhartigheid die niemand van ons verdient.
Al die moeilijke vragen, die Paulus zelf diep raken, die ons bezig kunnen houden,
die gaan over God zelf, Paulus weet ze niet op te lossen,
maar kan ze alleen maar in Gods handen leggen – wel in vertrouwen.
Al die vragen eindigen met een lofzang op God,
God die zo wijs is – wij kunnen er met ons verstand niet bij.
God die zo verrassend kan zijn in Zijn oordeel – misschien kan u daar zelf over meepraten,
veel barmhartiger dan wij verwachten, veel meer ruimte dan wij ons kunnen indenken.
Wij kunnen Zijn wegen niet altijd uitstippelen, omdat ze anders gaan,
vaak een opening weten te vinden, een nieuwe weg, die voor ons afgesloten was.
Eén weg is afgesloten, omdat God zelf die weg niet wil gaan:
Zijn verbond opzeggen – al zijn er nog maar 30, nog maar 20, nog maar 10.
Wat Zijn hand ooit begon, zal Hij nooit prijsgeven
En dat is ons houvast, voor wie gelooft in Christus, voor wie kinderen of familie, vrienden heeft die niet geloven, of niet meer kunnen geloven, voor ISraël, Gods eigen volk.
eeuwig Zijn verbond gedenken, steeds weer van kind op kind wordt dat bevestigd,
het verbond dat met Abraham gesloten werd
en waarin wij door Christus genade mogen delen – Zijn verbond tot in eeuwigheid. Amen

Preek zondag 24 september 2017

Preek zondag 24 september 2017
Romeinen 2:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulien en Chris zijn toch bij elkaar gekomen;
(Zie in de introductie van de preek van vorige week over Johannes 9)
hij heeft Paulien zien staan en het is wat geworden.
Ze zijn allebei wel heel verschillend.
Vaak is dat heel boeiend en kunnen ze daar van genieten.
Er zijn echter ook momenten waarop ze elkaar niet begrijpen.
Ook als ze een tijdje bij elkaar zijn en elkaar steeds beter gaan begrijpen,
zijn er momenten waarop het mis gaat tussen hen.
‘Als het weer een keer mis gaat, roept Paulien het wanhopig uit:
Je kan echt niet naar jezelf kijken; je legt de schuld altijd bij een ander neer.
Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is.’

Dat is ook het verwijt dat Paulus maakt tegen zijn gesprekspartner:
‘Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is. Je kijkt alleen maar naar de fouten van een ander.’
Paulus heeft net hiervoor geschreven
dat je aan de manier waarop heidenen leven kunt zien dat ze van God los zijn.
Ze hebben de levende God ingeruild voor afgoden,
hun natuurlijke driften, op het vlak van de seksualiteit kunnen ze niet beheersen.
Paulus is daarmee nog niet klaar met het aanwijzen van de fouten onder de heidenen:
Ze zijn vervuld van allerlei ongerechtigheid, hoererij, boosaardigheid, hebzucht, slechtheid. Ze zijn vol afgunst, moord, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid
Kwaadsprekers zijn het, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, bedenkers van slechte dingen, ongehoorzaam aan hun ouders,
onverstandigen, trouwelozen, mensen zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig.
Dat is nogal een hele lijst.
Tijdens deze opsomming zijn er mensen die tijdens het luisteren zijn gaan knikken:
‘Paulus heeft het maar eens goed gezegd. Zo is het.
Hij draait er tenminste niet om heen, maar heeft alles eerlijk benoemd.
In zo’n tijd leven we. Goed dat Paulus daar iets van zegt en daartegen waarschuwt.’
Er zijn ook kerkmensen die,
wanneer er verteld wordt wat er in onze samenleving of kerk niet deugt
vooral aan anderen denken en niet bij zichzelf nagaan op welke manier zijzelf betrokken zijn.
Terwijl Paulus al deze zonden opnoemt, zeggen ze in zichzelf  ‘Goed zo, Paulus!’
en in andere kerken zouden ze opgestaan zijn en zouden ze ‘Amen!’ roepen met applaus.

Ze hebben niet op het gevolg van de preek van Paulus gerekend,
want terwijl zij instemmen met de preek, spreekt Paulus juist die mensen aan
die Paulus hardgrondig beamen bij het opnoemen van al die zonden:
‘Maar jij moet niet denken dat je goed zit.
Jij kijkt alleen naar de fouten van een ander, maar je ziet je eigen aandeel over het hoofd.
Denk maar niet dat jij op deze manier voor God kunt verschijnen!’
Nou, dat hadden ze vast gedacht dat ze dat wèl konden.
Zij behoorden immers tot het volk van God en waarom zou God Zijn eigen volk veroordelen?
De mens die Paulus hier aanspreekt is naar alle waarschijnlijkheid een Jood,
die kan wijzen op zijn geboorte als Jood en dat nog eens bevestigd door de besnijdenis.
Ik behoor tot het volk van God – dan zit ik toch goed?
Ik heb de wet van God, die houd ik, alle geboden.
Met mijn manier van leven die zuiver en oprecht is, verantwoord, kom ik toch in de hemel?
Denk maar niet dat jij, mens, te verontschuldigen bent
en dat jij aan Gods oordeel over je leven kunt ontsnappen omdat je Jood bent
en dat je na jouw sterven in de hemel komt omdat je je aan Gods wet houdt.

Je moet altijd heel voorzichtig zijn
om een vergelijking te maken tussen het Joodse volk en de kerk
maar houdt Paulus hier ook niet een spiegel voor als je van jezelf vindt
dat je in de hemel kan komen, omdat je zo goed leeft, of omdat je bent gedoopt
en tegelijkertijd van anderen vindt dat zij daar echt niet kunnen komen?
In ieder geval houdt Paulus ons voor om voorzichtig te zijn met een oordeel over anderen
en dan vooral het oordeel wie er wel en wie er niet een oprechte gelovige is
en een oordeel wie er wel en wie er niet in de hemel zal komen.
Dat oordeel komt ons niet toe.
Dat oordeel komt Christus toe.
En als je over anderen oordeelt, dan ga je op de plek van Christus zitten
en doe je dan niet net als die anderen, die ongelovigen, die een afgod dienen
of die de levende God hebben ingeruild voor iets anders?
Er is een uitspraak van de Heere Jezus, waarin Christus hetzelfde verwoordt:
Oordeelt niet opdat u niet geoordeeld wordt.
want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.
Wat Paulus verwoordt, is de boodschap die Zijn meester ook had:
Wie zelf het oordeel velt over mensen,
die zal zelf aan het oordeel van God onderworpen worden.

Dit is toch een heel andere Paulus dan die wij rondom het avondmaal hadden,
Paulus die sprak over het evangelie als kracht van God tot behoud,
over vergeving van zonden en een nieuw leven dat door Christus mogelijk is.
Waarom eigenlijk?
Waarom houdt Paulus het niet bij die mooie boodschap, die je opbeurt?
Wat mij zelf altijd weer voorzichtig maakt met preken over God die oordeelt,
is dat er gemeenteleden zijn die te vaak hebben gehoord van een God die oordeelt,
zo vaak dat ze God alleen nog maar kunnen zien als een oordelende God
En vooral een God die hen veroordeelt en voor altijd afwijst.
Maar toch kunnen we er niet om heen,
want God oordeelt ook over wat wij doen, hoe wij in het leven staan.
Het was voor mij een verrassing om die tekst bij Paulus tegen te komen,
waarin Paulus aangeeft dat onze daden meetellen in het oordeel
dat God over ons leven uitspreekt als wij gestorven zijn,
wanneer wij voor God komen en God ons leven nagaat hoe we hebben geleefd.
God zal ieder vergelden naar zijn werken.
Ik dacht dat in het oordeel over ons leven het er alleen om gaat,
of je gelooft in de Heere Jezus en wanneer je gelooft dan ben je behouden,
dan mag je wanneer God als rechter over jouw leven oordeelt achter Hem schuilen
omdat Hij voor je zonden gestorven is en mag je de hemelse heerlijkheid binnengaan.
Nee, zegt Paulus, het doet ertoe hoe je hebt geleefd
En dan niet alleen maar in wat bij andere mensen zichtbaar is,
maar vooral ook hoe je van binnen bent geweest,
hoe je naar andere mensen gekeken hebt, welke mening je over hen had,
door welke emoties en driften jijzelf je liet beheersen.
Want je kunt wel zeggen dat je Gods wet houdt,
maar als dat alleen maar aan de buitenkant is,
als dat alleen maar is wat de mensen ervan zien
dan houd je die wet helemaal niet.
En je kunt wel zeggen dat je Jood bent, omdat je besneden bent
en daarmee het teken van het verbond hebt ontvangen,
maar daarmee red je het niet als er niet van binnen, in je hart niet iets is weggesneden,
Waardoor de zonde binnen in je leeft.
Daar eindigt het hoofdstuk ook mee: Jood-zijn zit niet aan de buitenkant,
maar van binnen, omdat daar – net als bij de besnijdenis – iets is weggesneden:
Alles wat je op het verkeerde pad brengt
en dat is veel vaker onzichtbaar voor de mensen om je heen.
Alleen God kent je hart en weet wat daar vanbinnen in je omgaat.
Ook als je van jezelf vindt dat het goed zit
en tegelijkertijd van mening bent dat het bij een ander goed mis zit,
heb je eraan te denken hoe God erover denkt en welk oordeel Hij velt,
over die ander, maar ook over jezelf.

Waarom begint Paulus daarover? Want ik heb daar nog geen antwoord op gegeven.
Omdat er als gelovige ook een trots kan komen,
Waarbij je vindt dat je het als mens, als gelovige beter doet dan die ander
Of waarbij je vindt dat jij als gelovige het evangelie beter hebt begrepen
en je jezelf omhoog werkt, hoger plaatst dan die ander, veel dichter bij God,
waarbij je bij jezelf denkt: zoals ik ben, zoals ik leef, zoals ik denk,
dan moet ik wel een plaatsje in de hemel krijgen.
Het gevaar om tevreden te zijn met jezelf, dat is wat Paulus wil bestrijden,
dat je denkt dat je op deze manier zo wel God onder ogen kunt komen na je sterven.
Dat is niet alleen gevaarlijk omdat je jezelf beter vindt dan een ander,
maar ook ervan uit gaat je wel in de hemel zult komen
zonder dat er over je geoordeeld wordt.
Ja, wel over die ander, maar niet over jezelf.
Je gaat eraan voor bij dat je alleen in de hemel kunt komen,
als je gelooft in de Heere Jezus, dat Hij voor je zonden gestorven is,
als je vrijgesproken bent van door God zelf.
Én je gaat eraan voorbij, dat het geloof in de Heere Jezus ook iets van je vraagt,
iets met je doet en dan niet alleen als gevoel iets doet,
dat je een warm gevoel van binnen krijgt, een enthousiasme voor God (dat kan zeker),
maar dat er iets gebeurt met hoe je naar jezelf kijkt, naar anderen kijkt, naar de wereld kijkt.
Dat je niet alleen maar de fouten van een ander kijkt,
maar ook inziet op welke manier jijzelf mis zit, naar God toe, naar anderen toe.
Dat je niet beter bent en het niet beter doet, alleen maar omdat je naar de kerk gaat,
alleen maar omdat je uit de Bijbel leest, alleen maar omdat je bent gedoopt.
Dat is allemaal goed, maar als het je niet verandert, niet een ander mens maakt,
blijf je zelf buiten schot en dat kan niet.
Want wat er moet iets met je gebeuren. Paulus gebruikt ergens anders een radicaal beeld.
De oude mens sterft en een nieuw mens staat op.
Zoals je nu bent, zo kun je niet blijven, want zo kun je niet voor God komen.
Er moet een ander hart komen, gereinigd van de zonde.
Je hart, dat gaat over de intentie waarmee je iets doet, je echte doel.

Nog even terug naar Paulien en Chris.
Chris kan een relatie met Paulien beginnen, waarbij hij aan zichzelf denkt,
om aan vrienden te laten zien bijvoorbeeld om zijn reputatie waar te maken
dat hij goed bij de meisjes ligt en makkelijk verkering krijgt.
Dan is het hem helemaal niet om Paulien te doen,
maar alleen hoe anderen naar hem kijken.
Wanneer het serieus wil worden, moet er iets bij Chris van binnen veranderen,
waardoor het echt iets wordt, dat de liefde leeft in het hart van Chris.
zo kan iemand zich aan de buitenkant gelovig voordoen,
maar van binnen in het hart niet met God bezig zijn, maar met zichzelf.
dan moet er van binnen iets veranderen, in het hart, waardoor echte liefde komt voor God
Daar hoort wel bij dat je inziet, dat je de liefde van God eerder hebt genegeerd,
Dat je niet open stond voor de boodschap die God had,
dat Hij in je leven wilde komen, dat Hij wat je verkeerd gedaan had wilde vergeven,
dat Hij je een nieuw mens wil maken.
Dat inzicht dat je verkeerd zat, dat hoeft geen voorwaarde vooraf te zijn,
Dat kan ook groeien in de loop van je leven met de Heere.
De relatie die wij hebben met de Heere, die wij krijgen,
is anders dan die tussen vriend en vriendin, een andere relatie dan die van Paulien en Chris.
Want God is degene die ons gemaakt heeft, Hij staat boven ons,
Hij is onze Heer – onze Meester, onze Chef, onze Baas. Wij zijn geen gelijke.

De preek begon ik met Paulien en Chris die af en toe niet op één lijn zitten.
Dat kan gebeuren, juist omdat ze zo verschillend zijn.
Maar als het goed is leren ze wel van die conflicten die ze hebben
en groeien ze in hun relatie.
Wanneer Chris van Paulien te horen krijgt
dat hij alle schuld buiten zichzelf legt en alleen maar naar anderen wijst,
Dan zal hij daar wellicht eerst boos over zijn,
maar al als het goed is er wel over nadenken, of Paulien toch niet ergens gelijk heeft.
Dat is wat Paulus ook beoogt met dit scherpe stuk in de brief aan Rome.
Zijn doel is dat de mensen die hij aanspreekt over zichzelf gaan nadenken
en hem gelijk geven dat ze zelf mis zitten.
Het is Paulus er niet om te doen om dat er fijntjes in te wrijven dat ze fout zitten.
Zijn doel is anders: Hij wil hen bij Christus brengen, dat is wat Hij beoogt.
Want alleen door de Heere Jezus kun je gered worden van het oordeel.
Hij hoopt door aan te geven dat ze mis zitten,
dat ze tot het inzicht komen dat er iets met hen moet gebeuren
en dat ze aan het juiste adres zullen zoeken: bij Christus die voor de zonde stierf.
Dat is ook de reden waarom we in de kerk over zonde praten.
Niet om ons daardoor beter dan anderen te voelen,
maar uit bewogenheid, zodat degenen die nog zonder de Heere Jezus leven
tot het besef komen, dat ze zonder hem niet kunnen leven, niet kunnen sterven.

We houden ons daarmee niet buiten schot,
Want we weten dat we niet beter zijn,
We weten dat uit de Bijbel, uit onze eigen ervaring,
Wat we wel weten is waar we het moeten zoeken
om bevrijd te worden, los te komen, om een ander mens te worden.
Bij Christus.
Vgl dankgebed doopformulier:  en onbevreesd voor de rechterstoel van Uw Zoon, Jezus Christus, mogen verschijnen

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Wiens wanbedrijf , waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed;

Geen snood bedrog maar blank’ oprechtheid voedt.

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Amen