Preek oudjaarsavond 2017

Preek oudjaarsavond 2017
Genesis 48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We nemen in ons leven heel wat keren afscheid.
Als je van de basisschool verlaat en naar de middelbare school gaat.
Je weet dat al als je aan groep 8 begint: dit is het laatste jaar op deze school
en dat maakt groep 8 een bijzonder jaar.
Het hele jaar is anders: de cito-toets, schoolkamp, de musical.
Je werkt naar het afscheid toe, je leeft ernaar toe dat je naar een nieuwe school gaat.

Je neemt afscheid als je aan een nieuwe baan begint.
Je gaat niet meer naar deze locatie, vaak naar een andere plaats zelfs.
Afscheid van collega’s met wie je soms heel lang hebt samengewerkt.
Afscheid neem je bij een verhuizing: van de buren naast wie je woonde
met wie je soms veel hebt opgetrokken.
Als je naar een andere plaats verhuist,
neem je afscheid van mensen die je geregeld tegen kwam op straat, in de kerk, in winkels.

Afscheid neem je bij een overlijden,
zoals er ook in 2017 heel wat families afscheid moesten nemen
van een vader of een moeder, van een man, een vrouw, van een dochter, een zoon.
Van iemand uit je familie, van een vriend of vriendin, van een goede bekende.

Afscheid nemen is niet altijd makkelijk.
De Fransen hebben het spreekwoord: Afscheid nemen is een beetje sterven.
Bij het afscheid nemen raak je iets kwijt dat iets van jezelf was,
je raakt iets vertrouwds kwijt wat lang niet altijd wordt opgevuld.
Dat begint al als je afscheid neemt van de basisschool.
Je ziet niet iedere klasgenoot terug.
Soms kun je met iemand met wie je veel optrok nooit meer terugzien
omdat hij of zij naar een heel andere school ging.
De juffrouws en de meesters die je op de basisschool
die heel jou goed kende en die voor jou heel vertrouwd waren geven je geen les meer.
Als je van baan verandert kun je bepaalde collega’s gaan missen, de sfeer op het werk,
het doel dat je werk je gaf.
Er zijn er heel wat die als ze met pensioen gaan de moeite hebben om de draai te vinden
of die vervroegd met hun werk moesten stoppen het werk echt missen.
Je kunt buren missen, voor het vertrouwde loopje, even een praatje.
Soms kun je het gevoel hebben dat de hele buurt veranderd is.

En zeker als er iemand overlijdt met wie je een goede band hebt,
dan is afscheid nemen niet alleen maar een klein beetje sterven.
In het afgelopen jaar waren er heel wat van wie het overlijden onverwacht kwam.
Geen tijd om afscheid te nemen, om nog te zeggen wat je wilde zeggen.
Dan gaat de schok lang mee en komt het verlies nog veel harder aan
omdat je niet voorbereid bent op dat afscheid, omdat je nog veel samen had willen doen.

Van Jozef kun je niet zeggen dat hij geen tijd had om afscheid te nemen.
Na jaren waarin hij zijn vader niet heeft kunnen zien, mocht hij met hem verenigd worden.
Een tijd lang heeft Jakob nog in Gosen in Egypte mogen wonen.
Als er dan het bericht komt dat zijn vader ernstig ziek is,
Bedenkt Jozef zich geen moment en gaat naar zijn vader toe, nu het nog kan.
Hij neemt zijn zonen Manasse en Efraïm mee,
zonen die in Egypte zijn geboren terwijl Jozef al onderkoning was geworden.

Het wordt een intiem bezoek, zoals dat wel eens gebeurt
als iemand te horen krijgt dat hij of zij ernstig ziek is,
dat degene in de weken die nog overblijven iets deelt van wat er in hem of haar omgaat.
Het is een gesprek waarvan je hoopt dat zo’n gesprek er komt
in de laatste weken dat iemand nog te leven heeft: persoonlijk en heel intiem.
Ook een terugblik, heel open, over hoe de Heere heeft gewerkt in zijn leven.
De oude Jakob verzamelt nog eens al zijn krachten om te kunnen vertellen:
‘Toen ik het land uit moest vluchten, daar bij Luz, de plek die ik later Beth-El noemde
is God de Almachtige aan mij verschenen.’
God de Almachtige – dat is niet zomaar een naam van God,
maar de naam waarmee Hij Zich ook aan Abraham bekend maakte:
‘Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht.’
Dat was de opdracht voor Abraham. En Abraham kreeg een belofte mee.
Toen Jakob moest vluchten voor zijn broer Ezau verscheen God ook aan hem:
Jakob, Ik ga met je mee en Ik zorg dat je weer terug komt in dit land
en dat jouw nakomelingen dit land zullen bezitten.
God de Almachtige, dat is niet alleen de kracht van God,
maar ook de naam van God die Zijn belofte waarmaakt,
Zijn belofte nog eens meegeeft, juist als het er niet op lijkt dat die belofte in vervulling gaat.
Jakob, die het land dat hem beloofd werd, juist moet ontvluchten.
Hij mocht door Gods leiding, door Gods hulp echter terugkeren.
Degenen die afscheid moesten nemen van het afgelopen jaar, kregen ook de belofte mee
dat God er zal zijn op dagen waarop het gemis er is.
Ik hoop dat deze belofte ook uitgekomen is en dat u de Heere mocht ervaren.
Dat u mocht merken dat de Heere naar u toekwam, dat Hij aan u verscheen.
Of dat je dat, nu terugkijkend het afgelopen jaar op een andere manier mocht ervaren
dat de Heere aan je verscheen, dat Hij er voor je was.
Omdat je een kind mocht ontvangen, omdat je een relatie kreeg, mocht trouwen,
je studie afrondde, een jubileum mocht vieren.

God heeft mij gezegend, zegt Jakob.
Gezegend op het moment dat ik het land moest verlaten,
terwijl daar helemaal nog niets van zichtbaar was, wel meegegeven als belofte.
Nu hij oud geworden weer in een vreemd land is, herinnert hij zijn zoon,
die hij jarenlang dood waande en weer terug mocht zien aan deze belofte
dat zijn nageslacht niet hier in Egypte hoort, maar een thuis heeft in Kanaän.
Ook de zonen van Jozef, ook al zijn ze hier in Egypte geboren,
ze horen daar in Kanaän te wonen, dat is het thuis van Egypte.
Zij zullen, als het Gods tijd gekomen is, dit land verlaten,
zoals Jakob ook terugkeerde uit Mesopotamië, waar hij jarenlang Laban diende.

Want deze jongens van jou, die al geboren waren voor ik in Egypte kwam,
het is ook mijn nageslacht, de lijn van mijn lieve vrouw Rachel,
die ik het meest boven alles heb liefgehad.
Deze twee jongens van jou, geboren uit jou en je Egyptische vrouw,
Ze hebben voor mij dezelfde positie als Ruben en Simeon,
Dezelfde positie in het gezin als mijn oudste twee zonen.
Dat is een gevaarlijke beslissing van Jakob: om twee kleinkinderen te promoveren
en dezelfde rechten te geven als de twee oudste zonen.
Jakob wist toch wel dat er in zijn eigen leven ook een gedoe was over de zegen
die voor de eerstgeborene was bestemd,
Dat hijzelf als tweede zoon, en ook nog eens op de tweede plaats gesteld
de zegen ontving, volgens zijn oudere broer de zegen affutselde, aftroggelde.
Toch doet Jakob het, als eerbetoon aan Rachel die hem zo vroeg ontvallen is,
de vrouw van wie hij hield, een blijk van liefde voor deze vrouw voor wie hij 14 jaar werkte.
Wanneer iemand je ontvalt, kan dat gemis een leven lang mee gaan.
Na al die jaren is hij Rachel niet vergeten, ook al moest hij haar al vroeg missen.

Die zegen speelt een belangrijke rol in deze familie.
Deze familie is niet alleen begonnen met de opdracht van God om weg te trekken,
maar ook met de zegen van God
en de zegen van God is een rode draad in de geschiedenis van deze familie:
Abraham krijgt deze zegen.
Izak geeft deze zegen door aan Jakob, zijn tweede zoon
en nu gaat Jakob deze zegen weer doorgeven.
Het gezin waaruit Jakob en Jozef komen is een gezin waarin de zegen wordt doorgegeven.
Deze zegen is de dragende grond onder dit gezin, al die geslachten door.
Jakob heeft voor al zijn zonen een zegen.
Geen enkele van de 12 wordt buitengesloten van de zegen, niemand loopt de zegen mis.
Nu het einde van Jakob gekomen is, gaat hij de zegen ook weer doorgeven.
Bijzonder, zo’n gezin met de zegen van God als rode draad, als familieverhaal.
Bijzonder, om afscheid te nemen met de zegen,
om je kinderen, je kleinkinderen de zegen op te leggen.
Want de zegen opleggen, dat is God meegeven,
God die met jou meegegaan is, een leven lang, ook als je daar niet altijd de leiding van zag.
Je geeft de kracht van God door, de aanwezigheid van God door.
Je geeft door hoe God er voor jou was aan degene die na je komt.

Deze kleinzonen, ze betekenen niet alleen veel voor hem
omdat dit het nageslacht is van zijn lievelingsvrouw, de vrouw die hij zo moet missen,
maar deze twee jongens die met Jozef meegekomen zijn voor hem ook zichtbaar teken
van Gods leiding, dat God inderdaad de Almachtige is, zoals Hij aan hem verscheen:
God die Zijn beloften waarmaakt.
Die zijn leven zo geleid heeft dat hij niet alleen zijn zoon in de armen kon sluiten,
maar ook zijn kleinzonen.
Deze leiding, deze belofte geeft hij door aan de kinderen,
die voor hem het zichtbare teken zijn dat God leidt en werkt.
Zo gaat Jakob afscheid nemen van dit aardse leven,
door deze God en Zijn leiding door te geven.
Bij het afscheid nemen van 2017 willen wij zo aan elkaar Gods leiding en zorg doorgeven.
We nemen afscheid met een zegen, al wens u ik toe dat het niet betekent
dat we afscheid moeten nemen van het aardse leven,
maar dat de Heere ons nog veel gezegende jaren geeft.

Jakob geeft de zegen aan de twee zonen die Jozef heeft meegebracht.
Er wordt in de uitleg een heuse discussie gevoerd
of het nog maar jongens zijn of volwassen zonen.
Zijn ogen zijn dof geworden, maar zijn kleinzonen zien als zichtbaar teken kan hij nog wel.
Jozef zegt het ook: Het zijn de zonen die God mij gegeven heeft hier in Egypte.
Ook in Egypte werkt God, zoals Hij ook in Mesopotamië werkte.
Hij laat zich niet door grenzen tegenhouden.
De zegen die Jakob aan zijn kleinzonen meegeeft, zijn een lofprijzing op God.
God is mijn herder geweest, mijn leven lang.
Hij gaf mij een engel die voor mij uitgegaan is om mij op mijn weg te beschermen.
Moge die God die voor mij een herder was ook jullie herder zijn,
Moge Hij ook voor jullie Zijn engel vooruitsturen.’
Twee kleinzonen die daar voor de oude man op de knieën liggen,
De oude man voor wie het leven erbij op zit, die heel wat meegemaakt heeft
en ook mag terugkijken op Gods leiding in Zijn leven.
Hij legt zijn handen die heel wat hebben meegemaakt en vastgepakt, oud en gerimpeld,
op de hoofden van deze twee jongens om de zegen op hen te leggen.

Dan wil Jozef ingrijpen, als de zegen al achter de rug is.
‘Het is verkeerd, vader,’ zegt Jozef, ‘u zegent de verkeerde.’
Jozef pakt de handen die de zegen geven al op om ze te verwisselen,
maar nee, zegt Jakob, ik ken je jongens, ik weet wat ik doe.
Ik weet dat ik de jongste de belangrijkste zegen geef,
zoals ik als jongste ook de belangrijkste zegen krijg.
De eerste plaats is niet voor wie er recht op heb, maar voor de mindere.
Niet degene die vooraan staat, niet degene die de beste papieren heeft.
God kiest niet voor de hoogstgeplaatste, voor degene van wie de weg reeds is uitgestippeld
niet voor de rechtmatige opvolger, maar voor wie op het tweede plan is geraakt.
God doorbreekt de menselijke vanzelfsprekendheden.
Degene die het minst de zegen verwacht, krijgt de zegen.
Toch krijgen ze allebei de zegen.
Zegen is niet altijd direct resultaat.
Op de vervulling kan geregeld lang moeten worden gewacht.
Maar de zegen is wel de zegen: De kracht van God, Zijn bijstand,
Zijn aanwezigheid, Zijn leiding.
Het is een zegen die het verlangen opwekt om ook zo de zegen te ontvangen.
Moge God u maken als Manasse en als Efraïm.
Moge Hij voor u een herder zijn, moge Hij Zijn engel voor u uitsturen.
OOk in het komende jaar.
Zo nemen we van dit jaar afscheid als met Gods zegen, als gezegende mensen.
Amen

Advertenties

Preek zondag 19 november

Preek zondag 19 november
Psalm 68:5-21 en Romeinen 8:18-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zal in dit vertrouwen leven – zongen we net.
Doet u dat eigenlijk?
Leven in het vertrouwen dat God uitkomst kan geven?
Dat dit geloof, dat God er zal zijn en redding zal brengen, u, jou overeind houdt
zelfs als het er niet op lijkt,
als het om je heen donker is, zo duister dat je er zelf niet meer uitkomt
en zo dreigend dat je zelf niet meer verder kan,
dat je niet de moed verliest en dat je daarom kunt zingen,
zelfs in de nacht, waarin alle licht om je heen weg is,
wanneer je wakker ligt van alle zorgen en allerlei piekergedachten in je rondspoken,
dat je kunt zingen van God, die er is,
in dat donker, terwijl je die zorgen hebt en niet kunt slapen
en zelf niet meer weet hoe het verder moet,
maar dat je weet: God zal zorgen dat het goed komt.
Leeft u wel uit dat vertrouwen?
Is dat wat jou opbeurt als je het moeilijk hebt?

Ik heb altijd bewondering als mensen zo kunnen leven,
zo op de Heere kunnen vertrouwen, dat ze altijd op Hem rekenen, in alle omstandigheden.
Ook je om je heen kijkt en zo weinig van God lijkt te merken.
Als het nieuws vol is van allerlei ellende, waarbij je denkt als je dat ziet:
Kan de Heere dat niet tegenhouden?
Je gaat haast denken dat er geen God meer is.
je hebt al je handen vol aan je eigen leven en je hebt tegenslag op tegenslag te verwerken.
Zingen? Dat kan ik niet meer, laat staan in de nacht, want die nacht is zo donker,
Ik zie zelf geen uitkomst meer – en waar is dan God?

En toch, het christelijk geloof is een geloof van hoop
– hoop dat God er is, dat de Heere ingrijpt, verandering brengt.
En dan niet in de vorm van een wens, waarvan je aanvoelt dat het onmogelijk is,
maar een overtuiging, rotsvast, omdat je weet dat God dat beloofd heeft
en die belofte zal waarmaken.

Van die hoop getuigen de beide Schriftlezingen:
Zing voor God, houdt Psalm 68 ons voor, want Hij blijft niet stil in de hemel zitten wachten
en zelfs als je het hier in deze wereld niet voor het zeggen hebt
en door veel mensen niet wordt gezien, voorbijgelopen wordt,
omdat je een weduwe bent, geen ouders meer hebt,
dan is er God die je ziet, die niet aan je voorbijgaat,
maar die voor jou, voor u uit de hemel neerdaalt en in actie komt.
Als niemand je ziet en je eenzaam bent,
Dan is God er die je eenzaamheid opheft omdat Hij mensen om je heen geeft,
bij wie je in huis mag komen, onderdeel mag worden van het huisgezin.
En tegelijkertijd de mensen die denken dat ze zich alles kunnen permitteren
en door niemand een strobreed in de weg gelegd worden
en hun gang maar lijken te kunnen gaan, die zich verrijken ten koste van anderen,
zij komen God op hun pad tegen en God stopt hun praktijken.
En berg je je maar als God niet vóór je opkomt, maar je tegenstander is,
want ontzagwekkend is God, krachtdadig en niet te stoppen, door niemand.
En toch wéér niet té groot voor een klein, eenvoudig mens die op de Heere vertrouwt.
Juist dan is er de Heere voor u, die voor u strijdt
Juist dan is God er die je niet alleen laat.
De sterkste macht zal verliezen van God, het onderspit delven
en God zal overwinnen.
Zelfs de dood, waar wij niet tegenop kunnen, waar wij ons gewonnen moeten geven,
Zelfs de dood, die machtige laatste vijand kan niet tegen God op.
Die God is een God van volkomen zaligheid (uitredding)
Bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
Je kunt er van zingen, ook als je zelf de dood in de ogen kijkt.
Ook als je weet dat je zelf niet meer lang te leven hebt.
Hij kan, en wil en zal zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Gelooft u dat ook?
Daarom zingen we erover, steeds weer opnieuw,
zodat we daar ook uit leven, dat God bij het naderen van de dood uitkomst geeft,
volkomen uitkomst.
Niet dat we onsterfelijk worden, of dat ons niets zal overkomen
of dat we geen angst meer hoeven te hebben,
maar wel dat we weten dat in het rumoer van de strijd,
als we de dood in de ogen zien,
als je weet dat je niet lang meer te leven hebt,
dat je weet dat God sterker is, sterker dan deze voor ons zo machtige vijand.
De dood en de angst voor de dood – dat wordt niet weggeduwd,
maar er wordt wel een weg gewezen naar God die ons kan beschermen, zal dragen,
die zelfs in de dood en door de dood heen een weg zal wijzen
naar een nieuw leven met Hem.

Die hoop op dat nieuwe leven dat God ons geeft ná de dood
Zien we ook in Romeinen 8.
Zoals Psalm 68 opkijkt naar de hemel en daar God verwacht,
die uit de hemel neerdaalt om te strijden, die komt,
ZO kijkt Romeinen 8 ook vooruit, naar Christus die komt, op de laatste dag,
de dag dat Christus wederkomt en er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen
de wereld die nieuw geschapen wordt.
Op die dag zal Gods heerlijkheid geopenbaard worden
en mag wie gelooft die heerlijkheid zien en zelf ook ontvangen,
Bekleed worden met deze heerlijkheid
en leven in deze heerlijkheid, de glans en glorie van God in de hemel.
Het is nog niet zover, maar het komt wel, we kijken er naar uit!
Dat is nu hoop, zegt Paulus, het is er nu nog niet.
Je ziet er om je heen nog niet veel van, maar je weet dat het zal komen,
Je weet dat Christus zal komen, dat die nieuwe hemel en die nieuwe aarde zullen komen.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde.
Ja, stil maar, wacht maar,
Dat is niet met de armen over elkaar zitten, maar dat is uitkijken naar Zijn komst.
Dat is op Hem je hoop vestigen, je leven bouwen.
Ook in tijden waarin je er weinig van ziet.
Als je alleen maar – zoals Paulus dat noemt – het lijden van je eigen tijd kunt zien.
Lijden, omdat deze wereld niet meer is zoals God die bedoelde bij de Schepping.
Je hoeft maar je ogen ervoor open te doen om het lijden te zien.
Ver weg, de ellende die door het nieuws, door internet of door een krant wordt gedeeld:
Oorlog, geweld, natuurrampen, klimaatverandering
of dichtbij iemand die ziek wordt, onverwacht overlijdt,
Heel de schepping zucht, want lijdt ook aan de zonde
en heel de schepping kijkt uit naar die dag waarop de schepping vrij mag zijn.
En toch – ook al is het nog niet zo ver: toch kan er nu al van gezongen worden,
Alsof het al zover is. Alsof die nieuwe wereld er al is,
omdat we weten dat die er – door God – zál komen.
Ook al zuchten we onder dat juk van de zonde, ook al kunnen wij onszelf niet bevrijden,
we weten dat Christus onze bevrijder is en zal zijn.
Naar Hem kijken we uit als het leven te zwaar wordt.
Daar is geen dood, geen rouw, geen leed, geen zielsangst meer,

maar eeuw’ge blijdschap wacht de ziel, daarboven bij de Heer.
We krijgen het alleen maar beter.
Ook al is ons leven nog zo mooi hier,
En soms kan dat ook zo zijn, maar dat is maar kwetsbaar,
het valt mij op in gesprekken
dat er altijd wel iets valt te delen van verdriet, van zorg, spanning.
Voor de buitenwereld lijkt iemand een mooi leven te hebben, zonder problemen,
maar als je bij iemand in huis stapt en zijn of haar verhaal hoort,
Dan weet je dat de uitdrukking: Ieder huis heeft zijn kruis niet zomaar is.
Maar ook als je het wel goed hebt, geldt: Je krijgt het alleen maar beter.
Het is niet alleen iets om naar uit te kijken als je diep in problemen zit,
maar een toekomst voor iedereen om naar uit te kijken, te grijpen.
Doe je dat ook? Doet u dat ook?
Wij verwachten het met volharding, zegt Paulus.
We zien het nog niet gebeuren, maar houden er wel rekening mee.
Heel ons leven is daarop afgestemd – op God die komt.
Het is een lied dat met je meegaat, dat je leven begeleidt, kleur geeft:
Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons ’t eeuwig, zalig leven;
Amen

Preek Dankdag 2017

Preek Dankdag 2017
Deuteronomium 26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je lang ergens woont, kan het heel gewoon worden dat je er woont.
Het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je weet dat het hier mooi wonen is en je geniet er bij tijd en wijle ook wel van,
maar toch, het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je kijkt er niet meer van op, dat de bomen van kleur veranderen,
want je woont in een boomrijke omgeving en dan is het vanzelfsprekend
dat als het herfst wordt de bladeren verkleuren en nu of iets later gaan afvallen.
De polder met de weilanden vallen je niet meer op, omdat je ze zo vaak hebt gezien
– elke dag haast, het hoort er gewoon bij, bij deze omgeving, bij jouw leven.
De vogels die hier in de lucht vliegen, die je niet overal in Nederland vindt,
maar die hier heel gewoon zijn: de roofvogels, de uil, de specht.
Je kijkt er niet meer van op.
Je kijkt er pas weer van op, als je weet dat de omgeving ook anders kan zijn.

Dankdag is er voor bedoeld, dat je je weer verwondert over wat je hebt
en over wat er om je heen is.
Dat wat vaak heel gewoon is, dat je daar bij stilstaat, dat het niet gewoon is.
Dat het bijzonder is dat je werk hebt – een zegen.
Dat het bijzonder is dat je eten en drinken hebt, een huis hebt om in te wonen
– allemaal zegeningen van de Heere onze God.
Als het allemaal gewoon wordt, vanzelfsprekend,
dan merk je niet meer zo snel de hand van God erin op.
Dan is de wisseling van de seizoenen, die je in de bomen ziet,
iets dat bij deze tijd van het jaar hoort en niet meer Gods trouw aan de schepping,
waarmee Hij zorg draagt voor de seizoenen, elk jaar weer opnieuw.
Dat er herfst komt en winter en straks weer lente en zomer,
dat is Gods trouw aan deze aarde, zoals Hij aan Noach had beloofd na de zondvloed.
De weilanden, de vogels, andere dieren hier in deze omgeving,
ze laten iets van de Schepper zien, van Zijn grootheid, van Zijn zorg,
maar je hebt er geen oog voor als je het als vanzelfsprekend beschouwt.

Deze dankdag is er om de verwondering weer te hebben:
dit is allemaal wat God geeft, het is helemaal niet vanzelfsprekend.
Het is een zegen, het is een geschenk.
De Heere heeft er recht op dat we Hem daarvoor danken
en dat we dat niet alleen vandaag doen,
maar dat we die dankbaarheid en die verwondering altijd hebben.
Dat dankbaarheid, verwondering onze levenshouding is.
Christenen zijn dankbare mensen – horen dankbare mensen te zijn,
horen elke dag weer opnieuw met verwondering en dankbaarheid aan de dag te beginnen,
vanuit die verwondering en dankbaarheid te werken en te leven.

Het volk Israël krijgt van Mozes een hulpmiddel mee
om die verwondering en dankbaarheid vast te houden,
om niet te vergeten dat wat ze hebben gekregen ten diepste een geschenk van God is.

Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld
en aan de Heere worden getoond.
Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren.
Deze priester representeert God.
Als je nadenkt over die eerste oogst:
Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten
is de eerste opbrengst niet voor jezelf.
terwijl je er hard voor hebt gewerkt en er naar hebt uitgekeken.
Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven.
Wat er nog is, is niet meer vers.
Of misschien was je voorraad wel op en had je moeten bijkopen bij een andere boer.
Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken.
Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar.
Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken.
Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven.
De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden,
zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd.
Wij geven het U, uit uwe hand.
In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is
en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben.
Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven,
wordt nooit eigendom.
We kunnen nooit zeggen: Dit is mijn land.
Hoe lang het ook in onze familie is, het blijft Gods aarde, Zijn land.
We blijven hier gasten op deze aarde, ook op dit stukje grond waar ik al zo lang woon,
waar ik vergroeid mee ben, waar mijn familie een thuis gevonden heeft.

Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst
moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom.
Dit land is eigendom van de Heere.
Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven.
Deze voorouders hadden geen eigen land.
Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land.
Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk.
Wij – de geschiedenis van onze voorvader is onze geschiedenis.
Ik maak daar onderdeel van uit.
De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons.
Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk,
maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons.
De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land,
dat Hij had beloofd aan onze voorouders.
Dit land van de belofte is een goed land.
Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken
en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.
Al is ons leven anders.
Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan.
Het verschil met onze voorouders is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken,
te voelen, te zien.
U bracht ons hierheen.
Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen.
We mogen nog veel verwachten.
Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U.
Niet wat we overhouden of de restanten,
maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen,
in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U.’

Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.
Het eerste geven van wat je krijgt
omdat je beseft, ik heb het van God gekregen, hoeveel ik er ook zelf aan heb gedaan,
welke arbeid ik er aan besteed heb.
Als je dat naar nu zou toehalen:
Het eerste van de vergoeding van een groot project dat je aan het afronden bent.
Het eerste deel van mijn salaris.
Ik denk dat er ook heel wat gelovigen zo in het leven staan,
dat je niet alleen kijkt naar wat je eigen gezin nodig hebt,
maar dat je ook kijkt wat je voor God kunt bestemmen,
omdat je teruggeeft van wat je zelfs hebt ontvangen.

Het eerste is voor God.
Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt
voor een feestmaal van de hele gemeenschap.
De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde.
Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.
De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest,
waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd.
Om de drie jaar is een tiende voor God.
En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben,
aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken:
de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.
Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard
dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld.
Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant.
Geen afdankertjes of afschuivertjes.
Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is,
omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In de commentaren wordt gesteld dat deze rituelen
de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere.
Gods volk is een dankbaar volk.
In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt.
In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring
steeds een levendig besef te blijven.
Dat ligt niet achter ze.
Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte
die eens vervuld zouden worden,
hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte,
dat het land en de oogst door God gegeven wordt.
Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst,
een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen.
Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere.
Het volk leeft voor Gods aangezicht.
Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt,
maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad.
Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen,
die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend:
de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen.
Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

Zodat anderen ook kunnen zingen:

Zij zullen, uit de volheid van ’t gemoed,

Gedachtig aan den milden overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheen.

De Heer’ is goed en vriendlijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

Amen

 

Deuteronomium 26

Deuteronomium 26

Mijn God, hoe snel vergeet met zijn bevrijding.
Blijdschap valt licht ten offer aan ontwijding.
Gij HEER, die heilig zijt en heilig voorging,
vergeten zijn uw heil en uw verhoring. (Psalm 78:14, Nieuwe Berijming)

In Deuteronomium 26 geeft Mozes aan het volk een ritueel mee om de ervaring van bevrijding levend te houden: Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld en aan de Heere worden getoond. Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren. Deze priester representeert God. Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom. Dit land is eigendom van de Heere. Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven. Deze voorouders hadden geen eigen land. Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land. Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk. Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk, maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons. De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land, dat Hij had beloofd aan onze voorouders. Dit land van de belofte is een goed land. Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.’

Van deze eerste opbrengst wordt een feestmaal gemaakt. De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

Als je nadenkt over die eerste oogst: Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten is de eerste opbrengst niet voor jezelf. Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven. Wat er nog is, is niet meer vers. Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken. Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar. Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken. Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven. De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden, zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd. In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben. Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven, wordt nooit eigendom. Het besef eens vreemdeling te zijn geweest, ook in dit land, mag niet vergeten worden. Er is geen ‘garstige breite Graben’ tussen toen en nu. Van de ervaring van de voorouders mag Israël niet zeggen: wij zijn verder in tijd, wij zijn anders, wij wortelen in deze grond.

Vreemden zijn wij, ooit geroepen,
uitgetogen en geen plek
waar wij al thuis zijn. (Gezang 813 Nieuwe Liedboek)

De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons. Al is ons leven anders. Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan. Het verschil is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken, te voelen, te zien. En het moet ook gehoord worden in de woorden die uitgesproken bij het aanbieden van die eerste vruchten: U bracht ons hierheen. Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen. We mogen nog veel verwachten. Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U. Niet wat we overhouden of de restanten, maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen, in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U. Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.

Het eerste is voor God. Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt voor een feestmaal van de hele gemeenschap. De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde. Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.

In de commentaren wordt gesteld dat dit ritueel de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere. Gods volk is een dankbaar volk. Het verse wordt gewijd aan God en gedeeld met anderen. Dit is er wat er elk jaar moet gebeuren.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest, waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd. Om de drie jaar is een tiende voor God. En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben, aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken: de Levieten, de vreemdelinge, de weduwen en de wezen. Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld. Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant. Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is, omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt. In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring steeds een levendig besef te blijven. Dat ligt niet achter ze. Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte die eens vervuld zouden worden, hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte, dat het land en de oogst door God gegeven wordt. In Deuteronomium wordt vaak gesproken over ‘heden’, ‘nu’. Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst, een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen. Dit heden is het heden waarin God werkt, die altijd heeft gewerkt en zal werken. Een heden dat ook een oordeel over de tijd is, als God wordt vergeten. Hoor Israël – Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere. Het volk leeft voor Gods aangezicht. Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt, maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad. Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen, die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend: de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen. Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

In de Gereformeerde traditie is het vreemdeling-zijn bewaard gebleven. Zo ligt aan de Heidelberger Catechismus het vreemdeling-zijn ten grondslag: gevluchte gelovigen die hen heil in Heidelberg kwamen zoeken en daar vluchtelingengemeenten hadden. Ze hadden niets meer, misschien alleen wat handbagage. Hun thuis waren ze kwijt. En of ze ooit konden terugkeren? Wat hadden ze nog? Wat is hun houvast? Dat ze eigendom waren van Jezus Christus, hun getrouwe Zaligmaker. De ervaring van buiten het paradijs gekomen zijn, kon goed uitgelegd worden met hun eigen ervaring van balling-zijn. Waaruit kent u uw ellende (ellende = uitlandig = ballingschap)? De ‘aartsvader’ van de gereformeerde traditie was een vluchteling en verwerkte dat in zijn geschriften, zoals zijn commentaar op de psalmen (vgl. Herman Selderhuis, God in het midden. Calvijns theologie van de psalmen; Idem, Calvijn als vluchteling.)

Gebruikte literatuur
De commentaren op Deuteronomium van:

  • Daniel I. Block (NIVAC)
  • Walter Brueggemann (AOTC)
  • Jack R. Lundbom (Eerdmans)
  • Gerhard von Rad (ATD)

Verder:

  • Jürgen Ebach, ‘“Ein umherziehender Aramäer war mein Vater”. Fremdheitserfahrungen als Identitätsmoment des Volkes Israel. (Vortrag in der Karlskirche Kassel 2010)’, in Idem, Mehrdeutlichkeit. Theologische Reden 9 (Uelzen: Erev Rav, 2011) 128-141.
  • Christian Möller, ‘Gerhard von Rad. Oder: Homiletik als Stimmbildung’, in: Idem, Die homiletische Hintertreppe. Zwölf biograpgisch-theologische Begegnungen (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2007) 11-30.

 

Psalm 80

Psalm 80

Het Common Revised Lectionary geeft voor de 4e zondag van het Jaar A Psalm 80 op als psalmlezing. In het Dienstboek is Psalm 80 de psalm van de zondag van de tweede zondag van advent.

Psalm 80 begint waar Psalm 79 eindigt: met de Heer, die zijn volk als herder hoedt. Dat is niet de enige overeenkomst met Psalm 79. Net als de voorafgaande psalm is Psalm 80 een gebed, waarin naar God toe wordt geklaagd over de omstandigheden waarin het volk en het land zich bevinden. De psalm doet dat in een krachtig beeld: het land ligt open en weerloos, zoals een wijngaard zonder beschuttende omheining. Iedereen die langskomt, met goede of kwade intenties, heeft vrij spel: voorbijgangers plukken hem leeg, wilde zwijnen wroeten hem om, velddieren vreten hem kaal. Dit beeld doet vermoeden dat de psalm ontstaan is in een tijd, waarin het land werd veroverd door vijandelijke legers. Deze vijandelijke legers hebben in het land huisgehouden en het volk was machteloos.
Psalm 80 is zowel een appèl naar God toe om redding als een klacht naar God toe waarom hij dit heeft laten gebeuren. In dit gebed klinkt zelfs door dat God zich tegen het volk heeft gekeerd. In de vijandelijke legers die gekomen zijn en Israël hebben overwonnen wordt de toorn van God zichtbaar. De psalm is daarom een gebed, waarin de nood naar God toe wordt geschilderd, om hem tot ingrijpen te bewegen. De psalm is een klacht over de handelswijze van de Heer, die niet meer aan de zijde van zijn volk staat en voor zijn volk opkomt. De uittocht uit Egypte en de intocht in het land worden naar voren gehaald, waarin God zijn zorg voor het volk liet zien. Israël wordt vergeleken met een wijnstok. De vergelijking met de wijnstok of een wijngaard wordt gebruikt als een beeld voor het verbond dat de Heer met Israël gesloten heeft. In deze psalm functioneert dit beeld op een dubbele manier: Het wordt gebruikt als een herinnering aan het verleden, waarin Gods trouwe zorg zichtbaar was: als een wijnstok die was uitgegraven in Egypte en in Kanaän een nieuwe plek kreeg. Tegelijkertijd wordt dit beeld gebruikt om de hopeloze situatie van het heden uit de doeken te doen: een wijngaard die omver geploegd is door wilde zwijnen.
In deze psalm komt steeds is er een refrein: God, keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat. Dit refrein wordt steeds meer uitgebreid in Godsnamen: God (vers 4), God van de hemelse machten (vers 15), HEER, God van de hemelse machten (vers 19). De aanduiding van de Heer als God van de hemelse machten geeft de macht van de Heer over heel de wereld aan. Dat wordt in deze psalm nog eens benadrukt door van de Heer te zeggen dat hij troont op de cherubim. In de tempel in Jeruzalem stond een ark als representant van deze troon in de hemel. Deze Godsnamen worden niet voor niets gebruikt: ze spreken God aan op zijn macht over de geschiedenis en op zijn verbond met Israël. Hij is het die de vijanden deed komen. Hij is het ook die hen weer kan weg doen gaan en redding kan brengen. Dat deze Godsnamen in een klacht naar de Heer toe worden gebruikt, geeft aan dat aan de basis van deze psalm een diep geloof in de Heer ligt: alleen hij is in staat om in te grijpen. Alleen hij heeft die macht. Alleen die macht wordt niet ervaren. De psalm is daarom een appèl om de omstandigheden te veranderen. De psalm vraagt om een theofanie, om een verschijning van God in zijn luister ten gunste van het volk. De psalm vraagt om de terugkeer van de Heer naar zijn volk, die hij had losgelaten. Het lichtend gelaat laten zien is een gracieus gebaar van een hoger geplaatste ten gunste van een ondergeschikte. Het is een gebed om een genereuze interventie om Israël redding te geven.

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

In de kerk moet het Oude Testament volop klinken. Daardoor wordt elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. En daarvan mag de christelijke gemeente zich wel wat meer bewust zijn, schrijft Jürgen Ebach

Heeft het Oude Testament een minderwaardige plaats in het christelijk geloof? Nee! is het stellige antwoord van Jürgen Ebach, die tot 2010 hoogleraar Oude Testament aan de universiteit van Bochum was. In de christelijke eredienst komt het Oude Testament volop tot klinken. Daardoor wordt het elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. Daar mag de christelijke gemeente zich wel meer bewust van zijn, vindt Ebach.

csm_DEKT_Juergen_Ebach_wide_90073f50b9

Concrete eredienst
In zijn boek gaat hij de zondagse liturgie stap voor stap door vanuit de vraag: waar en hoe klinkt het Oude Testament in de concrete eredienst? Haast elke stap en elke formulering in de eredienst is te herleiden op of te verdiepen vanuit het Oude Testament. Een belangrijke vraag daarbij is: hoe kunnen we in de christelijke eredienst woorden en zinsneden uit het Oude Testament opnemen, zonder daarbij het Oude Testament van Israël af te pakken? Het gaat hem er vooral om verdieping door inzicht, dat het Oude Testament zoveel betekent voor de concrete eredienst.

Vragen
Dat doet hij steeds weer door vragen te stellen, bij de antwoorden die christenen geven. Dat is de theologische stijl die hem kenmerkt. Deze stijl van steeds weer vragen stellen heeft hij geleerd in het gesprek met Israël.

62061103

Waar woont God?
Ebach start zijn uiteenzetting met het kerkgebouw. Hij doet dat vanuit de vraag: waar woont God? Kun je zeggen dat er ruimten zijn waarin God dichter bij ons is en ook ruimten waar Hij verder is? Hij wijst erop, dat er in het Oude Testament verschillende stemmen zijn, die naast elkaar klinken en die niet geharmoniseerd moeten worden.

Er is een tempel waar het volk een cultus heeft om God te eren. Die tempel is echter te klein om God te kunnen bevatten, want als de hemelen al te klein zijn om God te kunnen bevatten, is een aards gebouw dat zeker. Het volk heeft wel een plek nodig om God te kunnen dienen, om te weten dat God in hun midden is. Het kerkgebouw is er voor de gemeente, om een plek te hebben bij God te komen.

Als de gemeente bij elkaar is in de naam van de Heer dan betreedt ze de ruimte van Gods zegen en bescherming. Het is kenmerkend voor de God van Israël dat Hij zowel in de hemel woont als op de laagste plaatsen, bij de minsten op aarde. God is benaderbaar, maar Hij wordt geen bezit. Zelfs niet van Israël.

Genderneutraal
Ebach spreekt niet zomaar over Hij als het gaat om God, maar wisselt tussen Hij en Zij. Ebach streeft naar een genderneutraal spreken over God. Hij is ook betrokken geweest bij de Bibel in gerechter sprache. God is niet mannelijk of vrouwelijk en in het Oude Testament zijn er ook vrouwelijke beelden van God, zoals God die als een hen is, die de kuikens verzamelt. Daarom is God meer dan een vader. Aan het begin van een kerkdienst kan volgens Ebach beter klinken: Wij vieren deze eredienst in de naam van God, die voor ons Vader en moeder is. Dat is voor Ebach geen meewaaien met genderneutrale winden, maar een gevolg van nauwkeurig luisteren naar de Schrift.

Naam
Op de weergave van de naam van God met Heer is Ebach dan ook kritisch. Liever heeft Ebach de weergave van Adonaj. Uit respect voor de Joodse traditie en om vast te houden dat de naam van God onuitspreekbaar is.

Psalmen
Ongelukkig is Ebach met de manier waarop psalmen in het Evangelische Gesangbuch terechtgekomen zijn. De onderdelen die weggelaten zijn, zijn voor Ebach juist wat de psalmen maken tot liederen van Israël: de zinnen over achtervolgd worden, over de goddelozen. Daarmee spreekt de kerk impliciet uit, dat die frasen stammen uit een primitievere fase van geloven, die de kerk is ontgroeid en waarin het Jodendom nog is blijven steken.

Schriftlezing
Als het gaat om de Schriftlezing voert Ebach een pleidooi voor zowel een oudtestamentische als een nieuwtestamentische lezing. Hij is blij met voorstellen om meer aandacht te geven aan het Oude Testament, zoals de nieuwe perikopenordening die meer oudtestamentische lezingen voorstelt.

383_08242_168870

Geloofsbelijdenis
Ook de apostolische geloofsbelijdenis brengt Ebach in gesprek met het Oude Testament. Hij wil deze belijdenis niet aanpassen, maar wel vragen stellen bij de belijdenissen, vragen bij de antwoorden, die hem, mondig mens, helpen om zijn geloof te belijden.

Een bijzonder voorstel is om de almacht van God te doordenken vanuit het berouw van God. Hij snapt de moderne kritiek op de almacht van God en wil die ook serieus nemen, maar gaat niet zover om te spreken over de onmacht van God. De almacht van God bestaat voor Ebach hierin, dat God in staat is om zijn eerder aangekondigde oordeel uit te stellen of op te heffen. God hoeft zich niet krampachtig aan de macht vast te houden of zich te laten leiden door de regels van de macht. God heeft de macht over de macht. En dat is volgens Ebach juist almacht.

Collecte
Veel aandacht besteedt Ebach aan de collecte, omdat de collecte zichtbaar maakt dat het in het dienen van God om gerechtigheid gaat. De Bijbelse gerechtigheid is geen iustitia, waarbij iedereen het zijne krijgt. Gerechtigheid is z’daka: iemand die zich solidair toont met een lager geplaatst iemand, die voor hem of haar op komt en zorgt dat er hem of haar recht gedaan wordt. In de Bijbel kan gerechtigheid niet los gezien worden van recht krijgen of recht gedaan worden.

Verkondiging
Kort gaat Ebach ook in op de verkondiging vanuit het Oude Testament. Hij wijst een een manier van preken af, die in het Oude Testament iets voorlopigs ziet, iets dat minder is of alleen maar belofte is en dat in het Nieuwe Testament compleet gemaakt wordt of vervuld wordt. Het gaat om een nauwkeurig lezen van de Schrift. Om te ontdekken wat de Schrift in en over onze tijd te zeggen heeft. Het gaat niet om goedkope actualisering, maar om de eigen tijd te begrijpen in het licht van de tekst.

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad van 12 augustus 2017

N.a.v. Jürgen Ebach,
Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes. Gütersloher Verlagshaus, 2016.

Preek zondagavond 2 juli 2017

Preek zondagavond 2 juli 2017
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 36 begint met een innerlijke stem:
De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart.

Er zijn heel wat stemmen in onszelf,
ook als je in een kerkdienst aan de avondmaalstafel zit:
– ‘Heb ik er wel goed aan gedaan om naar de tafel te komen,
Want ik heb er in de afgelopen tijd niet echt naar geleefd.’
– ‘Het avondmaal wordt altijd als iets bijzonders gebracht, maar ik voel van binnen niets.
Hoor ik wel iets te ervaren? Doe ik het niet goed, omdat ik niets binnen in mij merk?’
– ‘Wat is het fijn om bij Christus te zijn en mijn zonden achter te laten.
Ik neem mij voor om de komende tijd echt uit Christus te leven.
Ik was vanmorgen zo heel dicht bij Christus, dat wil ik echt vasthouden de komende tijd.’

Daar is avondmaal ook voor bedoeld, dat je de stem van Christus weer verneemt
En dat je je in de komende tijd ook weer laat leiden door Zijn stem
dat je niet ingaat om de andere stemmen die er zijn, die ook in je kunnen klinken.
Psalm 36 begint ermee dat bij bepaalde personen een andere stem klinkt,
die veel overheersender is, een stem waardoor iemand zich laat leiden.
De zonde die diep van binnen in iemand klinkt,
een stem die van binnen zegt: trek je niets aan van God.
Je hoeft in je doen en laten niet met God bezig te zijn.
Trek je eigen plan, een weg zonder God.
Het is voor iemand die gelooft een afschrikwekkend voorbeeld:
Zo wil je niet leven, zo los van God en alleen je eigen plan,
zonder dat je jezelf rekenschap geeft van God.
Je kunt juist dankbaar zijn, dat er in je eigen leven een andere stem heeft geklonken,
de stem van Christus, die je geroepen heeft om naar Hem toe te gaan,
een stem die in de afgelopen week misschien weer heel duidelijk geklonken heeft:
‘Zondag is het avondmaal. Kom naar de tafel en ontvang van Mij brood en wijn,
als tekenen van Mijn genade,
kom bij Mij aan tafel zitten, maak deel uit van Mijn gemeenschap,
kom een stukje brood nemen, kom een slokje wijn drinken,
proef dan weer Mijn genade, weet dan weer dat Ik voor jou aan het kruis ben gegaan.’

Je zou willen dat deze stem steeds de enige stem is, die in je klinkt,
die je luid en duidelijk de weg wijst, die je steeds meeneemt
en ervoor zorgt dat je naar al die andere stemmen niet meer luistert.
Toch klinken die andere stemmen nog steeds.
En dan zal het vast niet zo extreem zijn als bij de goddeloze,
waarbij alleen de zonde het voor het zeggen heeft
en waarin de stem van God wordt bespot: aan God heb je niets, zonder Hem ben ik beter af.
In de eerste dagen zul je zulke stemmen nog negeren of het zwijgen op willen leggen,
waarbij je aan de afgelopen zondag terugdenkt, en het brood en de wijn haast nog proeft,
en je jezelf nog ziet zitten aan de tafel,
je weet nog wat er door je heen ging, dat het weer indruk op je maakte,
wat Christus voor je heeft over gehad, dat het je weer greep: Christus is voor mij gestorven!
En je herinnert je nog heel duidelijk dat je het had voorgenomen,
om in de komende weken dicht bij Christus te blijven en alleen naar Hem te luisteren.
Misschien ook omdat er in de afgelopen periode juist de klad in gekomen was
en je wist, dat moet ik niet weer laten gebeuren,
want dan gaat het mijn geloof achteruit en dan raak ik Christus uit het oog.
En vanmorgen, bij het avondmaal was Hij er weer,
was er weer Zijn brood en wijn, was er weer die genade,
was het zoals Psalm 36 dat bezingt:
Zij worden verzadigd met de overvloed uit Uw huis;
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.
Het is iets wat je meekrijgt voor de komende weken, waar je op mag teren
en je zou het willen dat het er steeds weer voor je is,
zoals vers 11 in de NBV is vertaald: Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde.
Gedurig: aanhoudend, onophoudelijk, constant.
Laat er geen dag voorbij gaan zonder iets te zien, te merken van die liefde.
Laat mij steeds weer terugkomen bij die bron van het leven.
Want anders drogen wij net zo uit als het gras dat om het huis staat,
het is droog en bruin, het groeit lang niet zo goed als wanneer er water genoeg is.
Zo kunnen wij ook niet zonder die constante aanstroom van liefde.
En als er momenten zijn waarop ik vergeet om naar die bron te gaan,
dagen waarop ik vergeet om dit water van het leven te drinken,
zorg dan dat ik stil kom te staan, laat mij niet verder gaan zonder U.
Dwing mij desnoods om U weer onder ogen te komen,
want al denk ik dat ik zonder U kan, ik houd het echt niet lang uit.

Hoe voorkom je nu dat deze stem verdrongen wordt, door die andere stem
waar de psalm mee begint, de stem die diep van binnen kan klinken,
maar die je juist een andere weg wilt doen gaan, niet Gods weg,
maar bij Hem vandaan.
Ook in de komende tijd zullen we geen volkomen geloof hebben,
ook in de komende tijd zullen we God niet altijd met zo’n ijver dienen als we horen te doen,
ook in de komende tijd hebben we elke dag weer opnieuw strijd te voeren
– strijd omdat ons geloof en vertrouwen vaak zo zwak is,
– strijd omdat we de tekenen om ons heen, die spreken van Gods trouw en liefde niet horen:
hoog als de hemel is Uw liefde en tot de wolken Uw trouw
we horen deze stem die van Gods goedheid en liefde spreekt vaak niet.
er is strijd, omdat ook in ons die zonde blijft spreken,
wij komen daar niet helemaal los van,
We bevinden ons tussen twee werelden:
De wereld van de goddeloze en de wereld van God
en van beide kanten wordt aan ons getrokken:
Als een strijd die om ons gevoerd wordt, van God en de zonde,
van de boze, die aan ons trekt, die ook een stem in ons heeft, en tot ons spreekt,
die verleiding in ons kan laten opvlammen en daarbij ons geweten in slaap sust,
door te suggereren dat het helemaal niet zo erg is dat je je laat gaan.
Want iedereen doet dat, en niemand is perfect, de boog kan toch niet altijd gespannen staan.
Aan het einde van de psalm klinkt het besef door,
dat de boze je kan meetrekken, voor ons te sterk kan zijn.
Er klinkt een gebed om geen nederlaag te hoeven te leiden,
om niet meegesleurd te worden door een machtiger iemand.
Dat kan een mens zijn tegen wie je niet opgewassen voelt,
maar dat kan ook de boze zijn, die het steeds weer probeert
om je van Christus weg te leiden, op een andere weg,
een weg van minder moeiten, minder tegenstand.
Het is een gebed om dan Gods macht te zien, die zichtbaar werd op Golgotha
waar de macht van de boze werd gebroken,
om die macht ook concreet in je eigen leven te zien
als de boze op je afkomt, om je weer zijn kant op te trekken,
om je te doen vergeten dat je het zo goed had aan tafel bij de Heere Jezus,
om je te doen vergeten dat je zo overweldigd was door alles wat de Heere geeft,
de dankbaarheid en verwondering over God die in de psalm doorklinkt
een dankbaarheid en verwondering die er vanmorgen vast ook was,
en vaak in een kerkdienst, de verwondering over Gods trouw.
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Die verwondering en die dankbaarheid kan weg zijn, als die andere stem luider klinkt,
die stem waartegen je moet vechten, maar die geregeld sterker is.
daarom dat naar de Heere toegaan om onder Zijn vleugels te schuilen

Daarom dat gebed: laat het niet gebeuren dat de boze sterker is.
Laat het niet gebeuren dat hij mij weer in zijn greep krijgt.
Ik heb juist vanmorgen aan de tafel toch weer gevierd,
dat ik ben bevrijd uit zijn macht,
dat ik die door de boze overweldigd was, gekidnapt, ontvoerd,
bevrijd ben uit die macht en weer in vrijheid mag leven.
Daar werd Hij gebonden, opdat Hij ons zou losmaken.
Vanmorgen is er gevierd, dat de boeien waarmee de boze u had vastgemaakt,
losgebroken zijn en dat hij u moest laten gaan,
maar hij zal niet rusten voor hij u weer terug heeft in zijn macht,
voordat zijn stem weer in u klinkt en u daaraan gehoor geeft.
Maar u heeft ook avondmaal gevierd om te weten
dat u mag leven onder de bescherming van Christus,
de toevlucht genomen onder de schaduw van Uw vleugels.

Weggehaald uit de wereld van de goddeloze,
al zal het niet voor iedereen zo extreem zijn als hoe de goddeloze wordt beschreven,
maar wel weggehaald uit de macht van de boze
om ons te laten leven in de andere wereld, waar Psalm 36 ook over spreekt,
een totaal tegenovergestelde wereld: die van Gods liefde en trouw,
die over heel de wereld gaat, die ieder mens wil bereiken,
een wereld waarin u nu al mag leven, door Christus’ genade.
Het heeft Christus heel wat gekost om ons daar te krijgen:
Hij gaf daarvoor Zijn eigen leven
en vanmorgen heeft u dat weer mogen vieren, dat Hij dat voor u over had,
dat Hij bereid was om Zijn leven te geven
voor mensen die naar de stem van een ander hadden geluisterd,
die op een weg gingen, die niet door Hem was uitgestippeld, die kozen voor het kwade.

Dat is nu die goedertierenheid, die trouw waar deze psalm zo uitbundig van zingt.
Die zo overweldigend groot is – die tot in de hemel reikt,
waar de hele aarde vol van is, die de sfeer is waarin we mogen leven,
de lucht die we mogen opademen, die we mogen inhaleren, als bevrijde mensen.
Avondmaal vieren is je geluk niet op kunnen,
omdat God zo genadig is geweest je mee te nemen naar Zijn wereld
in het geloof dat die oude wereld eens voorbij zal zijn
en er een nieuwe wereld zal komen, die weer helemaal vol van God zal zijn.
Waar de goddeloze, waar de hooghartige geen plek meer heeft,
Waar de boze er niet meer is, radicaal en voorgoed uit onze werkelijkheid verbannen.

De psalm neemt op die toekomst, die er na de Wederkomst zal zijn, een voorschot.
Het blijft niet bij het gebed, om verlossing en bescherming tegen die machtige vijand.
In het geloof wordt gezien dat degenen die nu macht hebben, geweldenaars zijn,
plaats zullen maken, zullen omvallen, onderuit zullen gaan,
omdat zij niet bestand zijn tegen die sterke Held, die ons terzijde staat.
Door God aan ons toegewezen.

Vraagt gij zijn naam?
Zo weet, dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar op de troon:
de zeeg’ is ons beschoren!

Avondmaal is schuilen bij deze held, die de vijand heeft verslagen,
die ons laat weten, dat we niet meer hoeven te vrezen,
dat we niet meer onder de indruk hoeven te zijn
dat we niet meer gevangen hoeven te zijn, niet meer machteloos.
Al zullen we nog steeds onderuit gaan en zullen we nog steeds verliezen,
we hebben iemand die met ons meestrijdt, die voor ons strijdt
die voor ons gestreden heeft, die de overwinning reeds heeft behaald
en vanuit die overwinning ons reeds geeft
om in de tijd die ons op aarde nog rest te strijden tegen alles
wat ons van de weg van God vandaan houdt.
Gebed en geloof gaan hier hand in hand, zoals zo vaak in het leven
en hoort dat niet altijd zo te zijn?
Dat we steeds bidden, schuilen bij God, vragen om Zijn bescherming
en tegelijk geloven en weten, dat Gods macht er is en zal zijn
en niemand ons uit de hand van Christus zal rukken,
zelfs niet degene die sterker is dan wij.


Dan kunnen we om ons heen nog zo veel zien,
dat tegen God in gaat, dat ons aangrijpt,
Waardoor we ons afvragen, waarom is er zoveel onrecht in deze wereld.
Als Gods macht over heel de wereld is en als Gods liefde over heel de wereld gaat,
waarom is er dan nog plek op deze aarde voor de goddeloze,
waarom kan er dan toch weer iemand opstaan die hooghartig is,
en in zijn hoogmoed tegen God strijdt en tegen de kerk.
Daar kun je aan lijden, zeker als je er zelf mee te maken hebt
dat er tegenstand is omdat je gelooft
Daar kun je aan lijden, omdat je weet dat er op deze wereld
broeders en zusters zijn die het minder riant hebben dan wij,
die weten wat het is om vertrapt te worden, die weten wat het is om opgejaagd te worden.
Waarom?
Als er al een antwoord te geven is, is dat wat de Heere Jezus zegt,
als Hij spreekt over het liefhebben van onze vijanden:
God laat Zijn zon schijnen over goede en slechte mensen
en laat het regenen over rechtvaardige en onrechtvaardige mensen,
zodat de goedheid van God die daaruit spreekt het hart zal raken
en een omkeer te weeg brengt, de ogen opent voor de Heere,
het verlangen opwekt om ook bij deze goede God te horen,
die ook aan mensen die Zijn genade niet verdienen royaal Zijn genade uitdeelt
en hen laat proeven van Zijn goedertierenheid
hen laat drinken uit de bron van het leven,
zodat ook zij de genadige God mogen leren kennen, Hem leren aanbidden,
zijn macht, zijn liefde, zijn trouw gaan bezingen,
samen met al die mensen door al de eeuwen heen
van wie het hart vol is geraakt van deze God,
die er helemaal lyrisch van kunnen worden hoe deze God is.
HEERE Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel
ook ik ben daarmee in aanraking gekomen, het heeft ook mijn hart geraakt,.
Uw trouw is tot in de wolken
zo oneinding groot en toch ook voor mij,
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid voor mij geworden. Ik kan er niet meer buiten.
Daarom keer ik steeds weer terug bij U, elke dag weer, vanwege dat wat U geeft.
De overvloed van Uw huis, Uw beek die vol is, de verrukkelijke gaven.
Want bij U is de bron van het leven – meer hebben wij niet nodig.
U bent voor ons alles geworden.
Amen