Preek zondag 13 oktober 2019

Preek zondag 13 oktober 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Genesis 28:10-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je vader of moeder wordt, verandert er veel in je leven.
Je ontvangt iets moois uit Gods hand: een zoon of een dochter,
Waar je gelijk al van houdt, waar je zo mee verbonden bent.
Net of je zoon of dochter er altijd is geweest. Niet meer weg te denken.
Dat je het bijzonder zou vinden om een zoon of dochter te ontvangen
had je van te voren wel kunnen bedenken, maar dat je zó gelukkig zou worden?

Als je een kind mag ontvangen, maakt je dat niet alleen heel gelukkig,
maar ook heel verantwoordelijk.
Dit kind, dat je van de Heere hebt gekregen, is van jou afhankelijk.
En jij als vader of moeder hebt de taak om je kind op te voeden.
Kun je dat wel?
Er komt een moment, waarop je zoon of dochter het huis uit zal gaan.
Je wilt er nu vast nog niet aan denken, zo klein als hij of zij is.
Je wilt eerst van je kind genieten, je kind zien opgroeien.
Dat is voor later pas.

Als je vader of moeder wordt, ga je wel over later nadenken is mijn ervaring.
Hoe zal het leven van je kind zijn? In welke tijd groeit het op?
Wat zul je er zelf als vader of moeder van meemaken?

Als je aan ouders vraagt, wat ze van hun kind willen meemaken,
is het antwoord meestal: Ik wil mijn zoon of dochter zien opgroeien.
Totdat hij of zij volwassen is.
Als ik maar kan meemaken dat hij of zij tot haar bestemming komt.
Niet dat je de tijd daarna niet wilt meemaken,
maar dan kunnen ze in ieder geval op eigen benen staan
En zijn ze niet meer van je afhankelijk
En weet je wat er van je kind terecht komt.

Weten wat er van je kind terecht komt: dat is er voor Izaäk en Rebekka niet bij.
Want ze sturen Jakob weg naar het gebied, aar zijn moeder Rebekka vandaan kwam.
Hij gaat terug over de weg die Abram gegaan was naar Kanaän toe,
op het bevel van de Heere.
Jakob gaat de weg, die Eliëzer de knecht eerder was gegaan,
om voor de vader van Jakob een vrouw te zoeken in het land waar Abram vandaan kwam.
Waarom gaat Jakob weg?
Het is niet zijn eigen idee. Zijn vader en moeder sturen hem op pad.
Rebekka stuurt haar zoon, de zoon van wie ze zoveel houdt, naar haar eigen familie,
omdat ze bang is dat Ezau Jakob zou doden.
Izaäk stuurt Jakob niet weg, omdat hij bang is dat Ezau hem zou doden
zodra Izaäk overleden zou zijn.
Izaäk stuurt Jakob weg, omdat hij bang is dat Jakob net als Ezau
een vrouw zou kiezen hier uit de buurt, een vrouw uit de Kanaänieten.
Blijkbaar zijn de ogen van Izaäk opengegaan voor dat de keuze die Ezau maakte,
geen goede keuze is geweest.
(Het hoofdstuk waarin Izaäk Jakob zegent, terwijl hij Ezau had willen zegenen,
heb ik overgeslagen, omdat ik het niet voor elkaar zou krijgen
een preek te maken in een doopdienst.
Ik ben wel met dat hoofdstuk bezig geweest.
Ik ontdekte de Joodse uitleg, die aangaf dat Izaäk blind geworden was,
omdat hij zo graag keek naar zijn zoon Ezau die steeds verkeerde keuzes maakte,
blindgeworden door de zonde van zijn zoon Ezau door de vingers te zien.)
Nu zijn Izaäk en Rebekka samen in hun besluit om Jakob weg te sturen,
Ze konden het nooit eens worden in de voorkeur voor hun zonen
en konden elkaar tegenwerken, maar nu zijn ze een.
Daar gaat Jakob.
Nu moet hij zijn eigen weg gaan, zonder dat hij weet of hij ooit nog bij zijn ouders terugkomt.
Hij heeft de zegen ontvangen en daarmee de belofte van God dat dit land van hem is.
Nu Jakob gaat, is daar weinig van over.
Veel heeft hij niet bij zich. Alleen gaat hij op pad.
Een eenzame reiziger, die zijn eigen weg moet gaan, zijn eigen bestemming moet vinden.
Een vluchteling misschien zelfs, die er gauw vandoor moet gaan, om zijn leven te redden.
Zo moeten zijn ouders hem laten gaan, zonder dat ze weten of ze hem nog eens zullen zien.
Daar gaat Jakob, een reis vol onzekerheid, zonder te weten wat hem brengt.
De eindbestemming weet hij wel, maar de weg is vol gevaren.
Zal hij komen op de plaats waar zijn ouders hem naar toe gestuurd hebben?

Gaat hij wel alleen? Als gelovigen zullen we toch zeggen dat de Heere meegaat
op de reis die hij gaat afleggen?
Zijn vader heeft hem toch gezegend voor hij weg ging.

De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen.
De Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar.
De Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. 

de Heer zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. 

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen. 

De Heer zij boven u om u te zegenen.
Zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid.

De zegen is in het Oude Testament altijd meer dan een goede wens,
zo’n wens die je als ouders ook kunt hebben voor je kind:
Ik hoop dat mijn zoon of dochter gelukkig wordt, een goed, fijn leven heeft.
De zegen is meer dan zo’n wens.
Met de zegen vertrouw je iemand toe in Gods handen.
Je brengt iemand voor de Heere en zegt: neemt U de zorg voor Uw rekening!
Dat zullen jullie vanmorgen ook tegen de Heere zeggen als het om je kind gaat.
Alleen als we in die verhalen over Jakob lezen tot nu toe,
horen we niet zoveel over wat de Heere doet.
We denken vaak dat de mensen in de Bijbel elke dag Gods stem hoorden,
maar in het leven van Jakob was God aanwezig zoals bij ons.
Je weet dat Hij er is, er zijn momenten dat je Hem ervaart
op momenten van geluk, zoals wanneer je kind geboren wordt, of gedoopt wordt,
of op moeilijke momenten, wanneer je ervaart dat je gedragen wordt.
Jakob moet dat in geloof aannemen, zoals wij dat ook moeten doen,
omdat we over Hem gehoord, omdat je bij anderen en bij jezelf gezien hebt
dat God werkt, maar zonder God gezien te hebben.
Zo moet Jakob gaan, in het geloof dat God meegaat,
door de zegen van zijn vader aan de bescherming van God is opgedragen.

Na een dag reizen gaat de zon onder.
Dat is meer dan alleen een aanduiding van tijd, dat de dag bijna voorbij is.
Het zegt ook iets over hoe het leven van Jakob gaat verlopen.
Dat de zon in zijn leven ontbreekt, dat de tijd dat hij weg is uit het land,
doorbrengt in één lange nacht.
Want pas bij terugkeer in het door God beloofde land wordt verteld dat de zon weer opkomt.
Het is een grote, onzekere tijd voor Jakob, waarbij hij niet weet of God er zal zijn.
Zo legt Jakob zich te slapen als eenzame reiziger in het open veld,
waarbij hij zomaar overvallen kan worden door rovers of wilde dieren.
Misschien heeft hij toen hij daar in slaap viel, met een steen onder zijn hoofd,
wel gedacht aan de tijd dat hij een klein kind was en door zijn moeder ingestopt werd,
waarbij zijn moeder een gebedje voor hem zong:
Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.
Op bepaalde kritieke momenten in je leven kan zo boven komen
wat je als kind van je ouders hebt geleerd, zoals je in de nacht toevertrouwen aan God.
Ook dat weten we trouwens niet of hij gebeden heeft.
Het kan ook zijn dat hij te moe was van het reizen om te bidden en gelijk in slaap viel.

Het wordt wel een bijzondere nacht,
een nacht die hij nooit meer vergeten zal en een nacht die hij nooit meer wil vergeten.
In de Bijbel is geloof vaak niet iets dat je komt aanwaaien als het je voor de wind gaat,
maar dat je vindt als je op een dieptepunt bent aangekomen, op een nulpunt,
Als je zelf niet verder kunt.
Dat je dan geloof vindt, onverwachts. Of nog beter: dat God jou vindt.
Zo is het ook met Jakob.
Als hij daar slaapt in het open veld, als hij op zijn kwetsbaarst is, gaat de hemel open.
Deze plaats is een poort naar de hemel, zal Jakob later zeggen.
Het gebeurt in een droom, maar voor Jakob zo echt dat hij God zelf ontmoet in die droom.
Hij ziet een ladder, of een grote brede trap die uit de hemel naar de aarde wordt geschoven
En op die ladder gaan de engelen van boven naar beneden.
Het moet wel een heel bijzonder moment voor Jakob zijn geweest,
Een intens, een heilig moment,
waarop je alleen maar verbaasd kunt zijn dat je dit mag meemaken.
Of sterker nog, zoals Jakob dat overkomt, dat hij bevreesd is.
Een heilige plek, waar Jakob God zelf krijgt te zien.
Niet helemaal duidelijk waar God staat: of boven aan de trap of op aarde bij Jakob.
Maar wel dat Jakob, die alleen op reis is en al slapend heel kwetsbaar is,
geborgen is in Gods aanwezigheid, veilig in Gods heilige nabijheid.
Dat is ook wat je als ouders in de doop voor je kind op hoopt,
dat je kind zo geborgen is in de aanwezigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest
En zo heel het leven door in Gods aanwezigheid mag leven,
Die in de hemel is, maar ook op aarde.
Dat Hij zo over je waakt.
In de afgelopen week hebben we weer hier in ons dorp kunnen merken,
dat hoe nodig we de bescherming van de Heere hebben.
Ik denk dat de ouders hier voor in de kerk en alle ouders in de kerk
een gebed in hun hart hebben, altijd weer, maar in deze weken helemaal:
Heere, bescherm mijn kind en verlies mijn kind nooit uit het oog.
Wij kunnen ons kind maar tot op zekere hoogte beschermen,
maar de geborgenheid die U biedt, de bescherming die U in de doop belooft:
Om als Vader te zorgen, het kwade te weren
en als dat kwade toch komt, dat doen meewerken ten goede.
Geborgen ook in de genade van Christus, die aan het kruis ging.
Geborgen in het werk van de Heilige Geest, die ervoor kan zorgen
Dat we zo in de nabijheid van God zijn, zoals Jakob daar ligt te slapen en zijn droom krijgt.

Je kunt van alles bedenken over de engelen, die op de ladder op en neer gaan.
Hemelse gezanten van God, die uitgezonden worden om Gods kinderen te begeleiden
op de weg die ze door het leven gaan.
In de uitleg wordt ook wel geopperd dat de engelen die in Kanaän zijn
Jakob overdragen aan de engelen die in Mesopotamië werken
En dat die engelen, die als het morgen wordt over Jakob moeten waken
kennis komen maken met het mensenkind dat aan hun hoede is toevertrouwd.

Ik leerde vroeger als kind dat er aan mijn bed een engel stond om over mij te waken.
Soms was dat een wat griezelige gedachte, als er iemand in je kamer staat die je niet ziet.
Soms was het juist ook een hele geruststellende gedachte,
dat er iemand is die je namens de Heere bewaakt
En als ik ‘s nachts wakker was als mijn ouders sliepen hoefde ik dan niet bang te zijn.
De engelen die bij Jakob zijn, zijn alleen maar een bevestiging dat God zelf
zich over Jakob ontfermt,
Jakob die met zijn moeder zelf ervoor zorgde
dat de zegen van God over hem werd uitgesproken.
Jakob die op weg is naar een ander land, waar hij de weg niet weet; de taal wellicht ook niet.
Waar hij maar moet afwachten hoe hij, vreemdeling, zal worden ontvangen.
En of er een weg naar huis voor hem zal zijn, weet hij niet.
Zoals hij ook niet weet of er wel een vrouw zal zijn en kinderen om de zegen door te geven.

Wat Jakob wel mag weten, is dat God meegaat op Zijn weg.
Ik ben met U – dat is nu het kenmerk van onze God,
zoals Hij zich aan Jakob bekend maakte en ook aan ons bekend maakt
en tegen de kinderen zegt die vanmorgen zijn gedoopt: Ik ben met U.
Het is de naam die Jezus ook moet krijgen: Immanuël – God is met jullie.
Je bent niet zonder God. Nooit, op geen enkel moment.
Als je net als Jakob een onbekende toekomst tegemoet gaat
en je niet weet wat je te wachten staat.
We hebben ons leven niet in de hand.
We kunnen onze plannen maken maar hoe ons leven verloopt, dat kan zo heel anders gaan.
Je kunt zo maar door een heel diep dal moeten gaan,
Waarbij je niet weet waarom het je overkomt.
Waarom jij deze weg moet gaan en je niet weet waar je uitkomt.
Eigenlijk zijn we maar heel kwetsbare mensen,
maar wel met een machtig God.
En het bijzondere is dat die machtige God, die hemel en aarde maakte,
Die aan ons en aan de kinderen die geboren zijn het leven gaf, hun leven wilde,
dat die God heel dicht bij ons komt, meegaat op onze weg.
Hoe die ook verloopt.
Dat mogen we geloven, dat hebben we te geloven.
Soms mag je een bijzondere ervaring hebben, zoals Jakob die had,
dat de hemel boven je open ging, juist als je niets meer hebt, als je alles kwijt bent.
En wanneer je zo’n ervaring niet hebt, heb je de verhalen over God,
die vertellen dat Hij er toch is.
Gisteren zag ik een theoloog, iemand die voor zijn beroep veel met de Bijbel bezig is
een kinderboek had geschreven met als titel De maan is rond.
Hij had dat boek geschreven, omdat hij met zijn zoon in het ziekenhuis was geweest
op bezoek bij zijn pas geboren zusje en bij zijn moeder.
Dat pasgeboren zusje overleed echter op dezelfde dag als het geboren werd
en het zoontje vroeg zich af, waarom dat zusje niet mee naar huis ging.
Je zusje is naar de Heere Jezus gegaan, legde zijn vader uit.
Wil mijn zusje dan niet bij ons zijn?
Jawel, zei zijn vader, ze wil heel graag bij ons zijn, maar nog veel liever bij de Heere Jezus.
Het was een heel gesprek dat deze vader had op de weg van het ziekenhuis naar huis.
Opeens vertelde de vader iets over de maan: de maan is altijd rond.
Je ziet niet altijd de ronde maan: soms is de maan een sikkel, dan weer half vol
en een enkele nacht helemaal rond.
Zo, vertelde de vader, is het ook met God.
God is altijd goed, maar je kunt de goedheid van God niet altijd zien.
Al zie je de goedheid van God niet, toch is God wel goed.
Er kunnen nachten zijn, waarin het heel donker is en toch is God goed
en zullen er weer momenten komen, waarop je die goedheid van God weer kunt zien.

Vanmorgen zijn er ook namen voorgelezen van degenen die verkozen zijn
als ouderling, als kerkrentmeester, diaken of jeugdouderling.
De meesten zullen er vast tegen opzien, dat is niet niks.
Ik zou vanmorgen willen zeggen: kijk er niet teveel tegen op.
Je hoeft als ouderling God niet te brengen in een huis,
Want de Heere is er al, zoals Hij bij Jakob stond, die daar in het open veld sliep.
Je hoeft alleen maar als een engel te zijn: te wijzen naar God die er is.
Of misschien helemaal niets zeggen, maar gewoon geloven en uitstralen
dat Hij er is,
al heb je de woorden niet als er iets ergs gebeurd is en kun je alleen maar zwijgen.
Of zoals de vader die steeds met zijn zoontje naar de maan keek,
zo steeds kijken of je de goedheid van God weer ziet.
Niet door het donker weg te praten, maar door te wachten tot God zich weer laat zien.
En samen geloven, dat als het donker is,
de zon als het ware is ondergegaan over iemands leven
dat je weet: er is een open hemel, een ladder naar God, wij zien die ladder nu niet,
maar de hemel is open en in die open hemel kijkt God naar beneden en ziet Hij ons
en zegt Hij, net zoals Hij tegen Jakob zei: Ik ga met je mee.

Ik breng je thuis, zegt God tegen Jakob.
Daar zongen we eerder in de dienst ook over.
Maar dan nog dieper: brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Thuis gebracht worden heeft ook de diepe betekenis
van iemand die de weg met God kwijt was, God uit het oog verloren is,
door God weer gevonden wordt.
De doop geeft aan, dat God zo steeds op zoek is naar iedereen die Hem kwijtgeraakt is.
En zo onverwacht kan komen, dat een plek die heel gewoon lijkt,
een poort naar de hemel kan zijn.
Dat is ons gebed dat het ook met de kinderen die gedoopt zijn mag gebeuren
En met ons allemaal:

Herder, neem uw schaapje aan,
Hoofd, maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

Gij alleen kunt het behouden.
Schrijf de naam door ons gegeven
in het levensboek ten leven.
Amen

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob vertrekt vanuit Berseba naar Haran. Hij gaat de omgekeerde route die Abram eerder ging. Grootvader Abram vertrok op Gods bevel uit Haran weg en kwam uiteindelijk in Beseba terecht. Beseba is het zuidelijkste punt van het Beloofde Land (
van Dan tot Berseba).

Vluchteling of pelgrim?
Is Jakob een vluchteling? Daar wijst de moordzucht van Ezau op. Ook de steen die Jakob gebruikt voor zijn hoofd wijst erop dat hij zonder iets mee te nemen wegtrekt. Als vluchteling heeft Jakob geen enkele bescherming meer. Hij valt buiten alle sociale garanties. Is Jakob een pelgrim met een vast doel voor ogen? Volgens Bruce K. Waltke start hier de pelgrimage van Jacob om op een heel eigen manier patriarch te worden.

Omlijst door onmoeting met God
Aan het begin van de weg naar Haran is er een ontmoeting met God. Dan wel in een droom. Ook bij terugkomst is er een ontmoeting met God. De ontmoeting met God omlijst zijn vertrek naar Haran. In de voorafgaande gedeelten is trouwens weinig te merken van Gods directe ingrijpen. Alleen als Rebekka niet zwanger wordt en Izak in haar nabijzijn bidt en als Rebekka de strijd in haar baarmoeder ervaart en er haast aan onderdoor gaat en tot God bidt, is er melding van Gods ingrijpen. De overige gebeurtenissen staan in het kader van Gods verborgen handelen: de ruil van het eerstgeboorterecht voor de zegen en de zegen die Jakob in de plaats van Ezau ontvangt. Omdat God verborgen handelt, weten we niet of Hij het handelen van Jakob goedkeurt of juist afkeurt.
big_25324832
(bron: Hoschentaschenbibel)

De plaats
Jakob komt op een plaats waarvan de naam niet genoemd wordt. Later blijkt het Bethel te zijn. Het blijkt een bijzondere plaats te zijn, waar hij slaapt in de tegenwoordigheid van God en waar hij de belofte van God meekrijgt. In de exegese wordt nogal eens de link gelegd dat Jakob bij zijn vertrek uit het Beloofde Land de aanwezigheid van God toegezegd krijgt op zijn reis buiten dit land. Dat wordt verbonden aan de gedachte dat goden van lokaal karakter hebben. Deze link is overtrokken, omdat Bethel geen grensplaats is. Wel is er de belofte dat Jakob in dit land terugkeert door Gods toedoen en het land krijgt.
Deze plaats, die nu nog geen naam heeft en later Luz blijkt te heten, wordt door de komst getransformeerd in een cruciale plaats: namelijk de plaats waar God Zijn aanwezigheid laat zien en Zijn toezeggingen doet.

1280px-El_sueño_de_Jacob,_por_José_de_Ribera
(José de Ribera)

’s Nachts
Doordat het donker wordt, kan Jakob niet meer verder reizen. De nacht is gevaarlijk en akelig. In de nacht tijdens de slaap is een eenzame reiziger, een eenzame zwerver kwetsbaar. De zon is ondergegaan. Dat de zon opkomt, wordt pas weer bij terugkomst in het Beloofde Land aangegeven. Je zou kunnen zeggen dat heel de reis, die Jakob onderneemt en zijn verblijf in Paddan-Aram, zich in het donker afspeelt. Waltke: Met deze zonsondergang begint Jakobs duistere reis, waarin hoe moet strijden met medemensen en met God.

Giordano_Jacob_31-003_photographer-unknown.jpg
(Luca Giordano – Jacob’s Dream)

Steen
Kenmerk van dit verhaal is dat details niet helder zijn en steeds anders ingevuld kunnen worden. Bijvoorbeeld: bereikt Jakob Bethel toevallig? Stuit hij erop? Of komt hij er gewoon aan? Een ander voorbeeld is de steen. Gebruikt Jakob de steen als kussen? Of heeft de steen een beschermende functie? Slaapt Jakob trouwens in het open veld of heeft hij een beschutte plek? Later wordt de steen rechtop gezet en met olie ingewijd als een herinnering aan Gods aanwezigheid op die plek. Mogelijk zelfs met de gedachte om die steen de kern van een cultus te laten zijn.

jakobs-ladder-kijkbijbel
(Kees de Kort – Kijkbijbel)

Ladder
Op die plek droomt Jakob. Een droom is in Genesis vaker een manier van God om Zich te tonen. Dromen gebeuren in het Oude Nabije Oosten nogal eens op een heilige plaats, waar er een verbinding is tussen hemel en aarde. In zijn droom krijgt Jakob ook iets te zien dat hemel en aarde verbindt. Helemaal duidelijk is het niet wat hij te zien krijgt. Is het een ladder? Is het een brede trap? Is het een soort zikkurat, zoals in het Oude Nabije Oosten vaker werden gebouwd om de aarde met de hemel te verbinden? Wat Jakob in zijn droom te zien krijgt, is het tegenbeeld van de toren die in Babel werd gebouwd. Die toren werd van onderop gebouwd om de hemel te bereiken. Deze trap of ladder wordt vanuit de hemel op de aarde geplaatst.
Michael_Lukas_Leopold_Willmann_001
Michael Willmann – De Jakobsladder (ca. 1691) (in 1945 verloren gegaan)

Engelen
Op die trap gaan de boden van God op en neer. Gaat het om engelen, die de bescherming hebben voor een bepaald gebied, waarbij de engelen van Kanaän Jakob overdragen aan de engelen van Mesopotamië? Zijn het de boden van God die de weg banen waarover God naar Jakob toekomt? Laten de engelen zien dat Jakob op de reis die hij gaat begeleid wordt door de hemelse boodschappers van God?

Aanwezigheid van God
Jakob ziet God zelf. Ook hier is het niet duidelijk wat Jakob te zien krijgt. Staat God bovenaan de ladder? Staat God naast Jakob? Sommige exegeten leggen de nadruk erop, dat het bijzonder is dat God zich toont aan een bedrieger en zien in Gods toezegging aan Jakob om mee te gaan een groter wonder dan de verschijning van God op deze plaats. Het is de eerste keer dat Jakob zelf iets van de Heere verneemt.

Zelfvoorstelling
Zoals vaker wanneer de Heere Zich bekend maakt, begint Hij met een voorstelling van Zichzelf: Ik ben de Heere, de God van je vader Abraham en je vader Izak. Het is de God van (aarts)vaders, die ook de God van het verbond zal zijn. Hij is de soevereine God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij is niet de God van dit stukje land alleen, maar van heel de aarde. Overal waar Jakob zijn voet zal zetten, zal Hij God en Heer zijn.

Belofte aan Abraham
Nadat de Heere bekend maakt, WIe Hij is, zet God de belofte aan Abraham verder. De zegen die Jakob van Izaäk heeft ontvangen wordt door God bevestigd. Alleen ligt hij daar. En toch krijgt Jakob te horen dat hij een groot volk zal worden. Weg uit zijn land moet hij en toch krijgt hij te horen dat hij terug zal keren en dat het land aan zijn familie zal toebehoren. God zal Jakob beschermen en Hij zal Jakob niet verlaten.
the-jacob-s-dream-4.jpg!Large
(Marc Chagall – Jakobs Droom, ca. 1963)

Reactie van Jakob
Als Jakob wakker wordt, beseft hij wat er is gebeurd: hij heeft een ontmoeting met God gehad. Eerbied overvalt hem. Hij wist niet dat deze plek een plek was waar God is. Had hij ooit rekening gehouden met God? Hij groeide op met Gods verborgenheid. Wellicht voelde hij zich verantwoordelijk dat zijn familie zorgvuldig met de zegen van God omging en had hij daarom Ezau de zegen afhandig gemaakt. Nu ontmoet hij de God die hij dient. Jakob is trouwens de eerste van de aartsvaders die vrees kent als hij God ontmoet.

Opgerichte steen
Om Gods aanwezigheid op deze plek te markeren richt Jakob een steen op en zalft die steen. Dat is in het licht van de rest van de Bijbel een merkwaardige handeling, omdat deze handeling overeenkomt met de inwijding van heilige stenen die de aanwezigheid van God op een plek markeren. Met de zalving werd zo’n steen een representant van God zelf. In het verhaal is de steen echter een herinnering aan de aanwezigheid van God. We lezen niet dat de steen later het centrum van een cultus wordt en dat de Heere aanbeden wordt door middel van deze steen. Wel zal later een tempel worden gebouwd op deze plaats. Er is echter geen verbinding tussen de instelling van die tempel en dit verhaal. Dat dit verhaal dan de oorsprong van de cultus in Bethel vertelt lijkt me een niet voor de hand liggende uitleg.
Jacob's_Vow_at__Bethel_1178

Gelofte
Voor Jakob vertrekt, legt Jakob een gelofte af, waarin hij herhaalt wat God hem toezegt. Er zijn uitleggers die in die gelofte zien dat Jakob God niet onvoorwaardelijk vertrouwt en Hem eerst voorwaarden stelt. Ook dit lijkt mij overtrokken. Jakob begint klein: met de alledaagse zorg die hij als reiziger nodig heeft, namelijk eten en drinken en kleding. De allereerste levensbehoeften. Daarna komt de wens dat Jakob in vrede mag terugkeren. Pas als laatste spreekt Jakob over thuiskomen met bezit. Mocht Jakob terugkomen met bezittingen, die hij in dat duistere deel van zijn leven heeft ontvangen, zal dat voor een deel gebruikt worden om de herinnering aan Gods aanwezigheid op deze plaats levend te houden.

Als christen het Oud-Testamentische Bijbelboek Richteren lezen

Als christen het Oud-Testamentische Bijbelboek Richteren lezen

Het bijbelboek Richteren (Rechters) is voor de hedendaagse lezer van de Bijbel een behoorlijke opgave. Het begint met de verovering van het land, waarbij het volk van God de opdracht krijgt om met geweld de reeds aanwezige bewoners te verdrijven. Het eindigt met een bizar verhaal over een (bij)vrouw, die door haar man wordt opgeofferd om verkracht te worden, zodat hij een verkrachting kan ontlopen.

Na een gewelddadige groepsverkrachting blijft de man onverschillig over het lot van de vrouw en snijdt haar bij thuiskomst in stukken, waarbij het voor de lezer niet duidelijk is of de dan nog leeft of reeds overleden is. In de verhalen daartussendoor worden verteld ontbreken de nodige gruwelijke details niet: een koning wiens buik opengesneden wordt, waarbij zijn darmen en de inhoud van zijn darmen naar buiten komen, een legeraanvoerder die door een vrouw aan een tentpin aan de grond genageld wordt, een troonpretendent die zijn 70 halfbroers slacht op een offersteen, een vader die zijn dochter misschien wel letterlijk offert omdat hij dat God beloofd heeft.

Wat moet je als hedendaagse lezer met deze verhalen? Bevestigen deze verhalen niet het beeld dat de Bijbel een gewelddadig boek is? Kun je eigenlijk wel over deze verhalen preken?
Magdel le Roux 1
De Zuid-Afrikaanse hoogleraar Oude Testament Magdel le Roux publiceerde vorig jaar een commentaar op dit bijbelboek in een serie De Prediking van het Oude Testament. In haar uitleg zoekt ze steeds naar de christelijke boodschap van dit bijbelboek. Na elk hoofdstuk verwoordt ze ook wat in haar ogen dit bijbelboek ons als christenen vandaag de dag te zeggen heeft.

653f3698349e6d0dc9009b8f837a0db36d59d576

Het achterhalen van die boodschap moet een hele klus geweest zijn, want de verhalen roepen vaak in eerste instantie vooral verlegenheid op. Hebben bijvoorbeeld de oudere kinderbijbels al niet alle verhalen uit Richteren, in de huidige kinderbijbels komen de verhalen uit Richteren vaak al helemaal niet voor. Als er uit Richteren gepreekt is, zal het hooguit over Deborah, Gideon of Simson zijn geweest.

Verhaal van verval
In haar uitleg laat Le Roux zien dat om Richteren te begrijpen het belangrijk is om oog te hebben voor het geheel van het boek en voor de manier waarop er verteld wordt. Als een hoofdstuk geïsoleerd wordt van het geheel, wordt vaak niet duidelijk wat de bizarre onderdelen van het verhaal te zeggen hebben. Als de lezer geen oog heeft voor de manier waarop er verteld wordt, blijft hij of zij vaak vooral achter met een gevoel van verbijstering en vervreemding.

Volgens Le Roux moet Richteren gezien worden als een verhaal van verval: het volk Israël is bedoeld om een zegen te zijn voor de volken. De Israëlieten hebben de hoge roeping om in het land dat God hen geeft voorbeeldig gedrag te vertonen en zo te laten zien wie God is. Daarvoor moeten wel de Kanaänieten wijken. Daarom geeft God aan de stammen de opdracht om het land in bezit te nemen en de volkeren te verdrijven.

Geen opdracht tot genocide
Daarbij is het van belang om te zien dat het bij die opdracht niet gaat om het uitmoorden van mensen. Wie in die opdracht een oproep tot genocide of een rechtvaardiging van volkerenmoord ziet, mist de clou: het gaat om het uitbannen van de Kanaänitische levensstijl. Dat het niet om volkerenmoord gaat, blijkt wel uit de talloze niet-Israëlieten die de held of zijn of voorbeeldig voor de dag komen. En ook uit de afkeuring van de stam Dan die een vredelievend volk buiten het door God aangewezen gebied veroveren.

Kanaänitische levensstijl
Die afkeuring wordt niet verteld, maar in de narratieve opbouw van het verhaal bijna aan het einde van Richteren wordt duidelijk dat het optreden van Dan een nog erger dieptepunt is dan het optreden van Simson, die van alle richters al de meest ontspoorde richter was. De Kanaänitische levensstijl is een egoïstische, hardvochtige en onderdrukkende levensstijl, die zijn oorsprong vindt in de afgodendienst. Maar in plaats van voorbeeldig te leven en tot zegen van de volkeren te zijn, willen de Israëlieten dat niet.

De Kanaänitische levensstijl is aantrekkelijker dan het leven volgens Gods richtlijnen. Het begint al in hoofdstuk 1: de stammen volgen de opdracht slechts halfslachtig op, laten de Kanaänieten in hun midden en vermengen zich zelfs met hen.

Grote richters laten de neergang zien
Op de basisschool heb ik de namen van de richters uit mijn hoofd moeten leren. Daarbij leerde ik het onderscheid tussen kleine en grote richters. Le Roux laat echter zien, dat die benaming juist omgekeerd is. De verhalen over de zogenaamde ‘grote’ richters laten juist de neergang zien: Barak durft niet alleen op de vijand af. Gideon laat de 300 mannen die hij overhoudt niet alleen voor de Here strijden maar ook voor zichzelf. Als hij niet door de stad Pnuël geholpen wordt, keert hij na de overwinning terug om de stad met de grond gelijk te maken. Hij slaat weliswaar de koningstitel af, maar laat zich wel als koning behandelen en voert de afgodendienst weer in.

Jefta, die door zijn broers verbannen is, wil alleen helpen als hij de aanvoerder van het volk wil zijn. Zijn overwinning leidt zijn roekeloze belofte in, die uitloopt op het misschien wel letterlijk offeren van zijn enige dochter. Dat die belofte en dat offer door de verteller afgekeurd wordt, blijkt wel uit het vervolg, waarbij hij zijn conflict met de Efraïmieten laat uitlopen op een burgeroorlog.

De meest erge
De allerlaatste ‘grote’ richter is de meest erge. Hij wordt door God voorbestemd tot nazireeër, een aan God gewijd persoon. Simson lapt echter alle regels die bij een nazireeër horen aan zijn laars: ondanks dat hij geen wijn mag drinken, betreedt hij een wijngaard. De leeuw die hij daar tegenkomt, wordt door hem verscheurd. Ondanks dat hij als nazireeër geen dode dieren of dode mensen mag aanraken haalt hij honing uit de dode leeuw. Zijn kracht gebruikt hij om zichzelf te wreken. ‘De wijze van optreden van Simson deed denken aan een bedorven brok voedsel’, schrijft Le Roux. Niet Simson is de geloofsheld, maar zijn moeder is in die hoofdstukken het vrome voorbeeld.

Epiloog
Als je denkt als lezer dat je niet dieper kunt zinken, komt de epiloog van hoofdstuk 17-21: Micha die zijn eigen moeder besteelt en een eigen privéheiligdom bouwt en zijn eigen priester aanstelt. De privétempel van Micha wordt echter leeggeroofd door een groep Danieten die daarmee hun veroveringstocht van een gebied waarin mensen onbeschermd wonen van een vrome legitimering voorzien. Daarna worden de bladzijden nog zwarter: de Benjaminieten die weigeren om gastvrij te zijn naar een eigen volksgenoot en hem willen verkrachten en uiteindelijk maar hun gang gaan met zijn bijvrouw als ze hem niet te grazen kunnen nemen.

Vrouwen
Vrouwen spelen vaker een kenmerkende rol in dit bijbelboek. Een enkele keer gaan ze mee in de harde, wrede werkelijkheid, zoals de moeder van Sisera, die ervan uitgaat dat haar zoon nog niet thuiskomt omdat hij eerst enkele meisjes als oorlogsbuit moet uitzoeken. Soms komen de vrouwen voor als slachtoffer, zoals in de hoofdstukken 17-21. Geregeld komen ze juist verrassend daadkrachtig naar voren, zoals Achsa die haar erfenis opeist, Deborah die Barak aanzet tot de bevrijding, Jaël die zichzelf beschermt en daarmee Israël verlost van een onderdrukker, de naamloze moeder van Simson die de engel gelooft.

Falen van Gods volk
Richteren is het falen van Gods volk. Het lukt Israël niet om te leven zoals God vraagt. De wereld is aantrekkelijker: men kiest steeds weer voor de egoïstische, op genot en bevrediging gerichte levensstijl. Le Roux is realistisch genoeg om te beseffen dat christenen het niet beter doen. Ze leest Richteren vooral als christen. Ze ziet hoe door de ontrouw van het volk God steeds weer verrassend genadig is en Zijn volk redt.

Geregeld ziet ze in de afwijzing door het volk en de kwetsbare weg van God om met dit steeds weer ongehoorzame volk het kruis van Christus opdoemen. Aan dat kruis lijdt Christus voor de zonde, aan de onverschilligheid van de mensen en overwint Hij het kwade. Lezend in het commentaar van Le Roux besef ik: als christen moet ik Richteren niet aan de kant leggen, maar juist grondig bestuderen, omdat ik daar zie hoe God in deze wereld vol zonde, afwijzing, wreedheid en onrecht genadig Zijn weg gaat.

Verschenen in CW Opinie

N.a.v. dr. Magdel le Roux, Richteren. Serie: De Prediking van het Oude Testament (Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2018).

Preek zondag 25 augustus 2019

Preek zondag 25 augustus 2019
Genesis 25:19-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn begintijd in Oldebroek, nu bijna 8 jaar geleden, had ik een manier
om te achterhalen hoe het wonen in Oldebroek werd beleefd.
Ik vroeg aan de stelletjes, die ik ging trouwen
of ze blij waren om in Oldebroek te kunnen wonen
of dat ze juist blij waren om weg te kunnen uit Oldebroek.
In het ene geval zei het toekomstige bruidspaar: ‘We zijn blij om weg te zijn.’
In het andere geval: ‘We willen voor geen goud weg uit Oldebroek.’
Twee heel tegengestelde reacties.

Wellicht herken je je in een van die reacties:
Als ik straks voor mijzelf kan kiezen, dan ben ik blij dat ik weg kan gaan.
Helemaal opnieuw beginnen, zonder dat de anderen hier al weten wie ik ben,
me in een hokje stoppen waar ik niet in pas
en als ik iets geks doe daar gelijk over beginnen te roddelen.
Ik wil zo snel mogelijk weg hier.

OF je hebt juist die andere reactie: Ik moet er niet aan denken om weg te gaan.
Hier ben ik opgegroeid. Hier heb ik mijn familie en vrienden.
Ik weet hier hoe de mensen in elkaar zitten.
Dit is mijn thuis. Hier hoor ik.
Hier kom ik weg, veur mien hiele leben

Ben ‘k met dizze horizon verweben


In dit verhaal over Ezau en Jakob gaat het om de vraag:
Hoe kijk je naar de plek waar je vandaan komt?
Hoe waardeer je de plek waar je geboren bent en opgegroeid?
Is dat een plek, die je zo snel je kunt achter je wilt laten,
op zoek naar een plek waar je jezelf kunt zijn, zonder de beperkingen van hier?
Of ben je blij dat je hier geboren bent en ervaar je dat de Heere je hier geplaatst heeft?

Dan niet zozeer deze locatie, maar vooral je thuisbasis in geloof:
Wat je meegekregen hebt thuis aan geloof, aan kennis over God, het leven in de Bijbel, bidden, geloven, het leven met de Heere.
Je krijgt het wel van je ouders mee, maar het pakt je niet, het doet je niets,
je ziet niet in waarom het voor jou is, je zou dat liever achter je laten
en op zoek gaan naar wat wel bij je past.

In het verhaal is Ezau degene die het thuis niet kan vinden.
Ezau heeft een andere levensstijl dan zijn ouders en zijn broers.
Ezau heeft namelijk een bepaalde kennis die zijn ouders niet hebben:
Hij heeft kennis van het jagen. Hij is goed thuis in de jacht.
Daarbij moeten we niet denken aan een hedendaagse jager,
die het jagen vaak als hobby heeft, naast zijn baan, een vaste woonplaats heeft
en alleen op bepaalde dagen gaat jagen.
In Oldebroek heb ik heel wat verhalen gehoord van de oudere generatie,
die zelf jaagden of meehielpen bij de jacht: samen een dag de polder in
en dan afsluiten met een gezamenlijke borrel en dan weer naar huis.
Ezau’s levensstijl is een andere.
Het is een thuis niet kunnen aarden bij zijn ouder en broer.
Dat was geen probleem geweest als hij niet uit een bijzondere familie kwam,
een familie die door de Heere uit een heel ander deel van de wereld hier gebracht was,
een land dat aan hen beloofd was, om hier op deze plek voor andere volken tot zegen te zijn
door het leven met de Heere voor te leven,
te laten zien wie God is en te laten zien welke manier van leven de Heere vraagt.
Als oudste zoon is hij de drager van de erfenis en toch kiest hij ervoor om erop uit te trekken
en thuis voor thuis te laten en alleen maar bezig te zijn met zichzelf.
Koningen in het Oude Nabije Oosten lieten zich graag als jagers afbeelden
om te laten wat voor een geweldenaar ze waren,
Dat niemand tegen hen opgewassen was en niemand aan hen kon ontsnappen.
Hier in dit gedeelte zegt het gegeven dat Ezau kennis van de jacht heeft
ook dat hij voor zichzelf leeft, dat zijn familie hem niets ze zeggen heeft
En al helemaal de zegen van God niet.
Van zijn familie los, van God los. Ik leef voor mijzelf alleen.
De anderen kunnen mij niet schelen.
De roeping die God mij en mijn familie geeft – ik heb er niet zoveel mee.
Ik stippel mijn eigen weg wel uit. Ik ben baas over mijn eigen leven.
De opdracht van God om tot zegen te zijn beperkt mij om te leven zoals ik wil.
Ik hoef mijn thuis niet in God te hebben, maar ik trek rond in de wereld
op zoek naar wat mij aanspreekt, waarvan ik vind dat het mij gelukkig maakt.
Misschien is het jagen ook wel zo aantrekkelijk, omdat je voelt dat je leeft.
De spanning die je hebt als je op jacht gaat: kom ik een dier tegen dat ik kan schieten,
of zal ik met mijn val erin slagen om een dier in de valstrik te lokken?
Op zijn zwerftochten als jager zal hij tot ver in de omgeving hebben rondgetrokken
en gezien hoe het leven bij de Kanaänieten was.
Dat blijkt ook wel later, als hij een vrouw uit de Kanaänieten neemt
en daarmee helemaal openlijk aangeeft, dat hij voor de wereld kiest en niet voor God.
Dat hij zijn achtergrond prijsgeeft, zijn opvoeding van thuis
en dat hij liever kiest voor de Kanaänitische levensstijl,
de stijl die in de Bijbel altijd egocentrisch is, op jezelf gericht, hard en wreed voor anderen,
een levensstijl om de ander te onderwerpen.

Die gevoeligheid voor die harde, wrede stijl van de Kanaänieten zal er al jong in.
Als hij geboren wordt, ziet hij er rood uit.
Dat heeft niet met zijn haar te maken, maar met zijn huid.
Een rode huid is een teken, dat er iets bijzonders is.
Deze jongen kan uitgroeien tot een held. Je mag bijzondere verwachtingen hebben.
Hij heeft ook een andere kant: harig.
En dat geeft hem iets dierlijks.
Twee kanten: een heldhaftige kant en een dierlijke kant – welke kant van hem zal winnen?
Zal hij inderdaad de held worden en iedereen versteld doen staan?
Of zal hij iemand zijn die je vreest, waar je voor uitkijkt, waar je voor uit de weg gaat?
Als hij jager wordt, heeft dat er veel van weg dat het dierlijke aspect wint.
Iemand waar je voor op de hoede moet zijn, die zijn instincten volgt,
op jacht gaat naar een prooi.

In dit verhaal gaat het ook om ons.
Ook wij kunnen twee kanten hebben: een kant die ons boven onszelf doet uitstijgen.
Dan zweef ik op de wind, gedragen door uw Geest en door de kracht van uw liefde.
Of zoals in Psalm 18 staat: Want met U ren ik door een legerbende,

met mijn God spring ik over een muur. (Psalm 18:30)

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
Sinds de zondeval ook een andere kant: dat dierlijke,
geneigd om onze driften hun gang te laten gaan,
ons te laten leiden door onze boosheid of verongelijktheid, onze lust, onze pijn.
Een leven zoeken waarop wij meer krijgen voor onszelf,
al moeten we daarvoor ons met de ellebogen omhoog werken
en anderen naar beneden trappen.
Welke kant heeft in ons de overhand. Wat wint er bij ons?
Twee wegen: Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen.
Of de weg van mijn manier?
Worden we een Jakob of een Ezau?

Ja, Jakob staat er niet goed op, omdat hij op een zwak moment van Ezau,
als hij uitgeput, meer dood dan levend, het tentenkamp behaalt
en Jakob zijn kans grijpt om Ezau iets afhandig te maken,
dat alleen Ezau heeft en Jakob zo graag zou willen hebben:
de eerste plek in het gezin en daarmee de erfenis:
het bezit van zijn vader dat later voor een groot deel van Ezau zal zijn.
Jakob wordt vaak gezien als iemand die zijn plek niet kent en meer wil
en niet in staat is om te wachten tot God geeft,
Wat de Heere voor hem, Jakob, bedoeld heeft.
Ik houd ook een andere uitleg voor mogelijk.
Jakob die ziet dat Ezau zijn verantwoordelijkheid als oudste zoon ontloopt
en niets geeft om de opdracht van God om tot zegen te zijn
en zijn schouders ophaalt bij de zegen die God beloofd heeft.
En Jakob maakt zich zorgen, dat als Ezau zo doorgaat,
het gedaan is met zijn familie, zich vermengt met de mensen in de omgeving
en oplost, niet meer bestaat.
En daarmee is ook de weg van God een mislukking – einde voor God op aarde.
Jakob neemt die verantwoordelijkheid wel door niet erop uit te trekken
en voor eten te zorgen.
Dan op een keer ziet hij dat Ezau thuiskomt.
Het kan zijn dat hij Ezau er wel op aangesproken heeft:
Ezau, jouw manier van leven berokkent ons schade, is een minachting voor God,
Ezau, je bent mijn broer, maar jouw manier van leven brengt je niets.
Want de weg van de goddeloze loopt dood.
Ezau, op de weg die jij gaat, vind je de dood. Daar vind je het leven niet.
Het brengt je niets.
Er is een bijzonder gezang voor het Liedboek voor de Kerken,
dat sinds ik het voor het eerst hoorde mij altijd is bijgebleven,
omdat het iets van het rusteloze zoeken van mensen verwoordt:
Hij overmant de wilde dieren,
vaart uit op zeeën en rivieren,
doorzoekt der aarde donkre schoot.
Ja, hij snelt voort op hoge winden
om de allerlaatste grens te vinden.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Altijd maar op zoek gaan. Altijd maar kijken of je niet meer kunt vinden.
Als een grens wordt aangegeven, niet stoppen, maar kijken of je toch verder kunt.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Zo is het met Ezau ook: meer dood dan levend komt hij aan.
Zijn manier van leven, zijn kennis van de jacht, levert het niets op,
laat hem gruwelijk in de steek.
Het scheelt niet veel of zijn leven is voorbij.
In die conditie klopt hij thuis aan.
Als een verloren zoon, die beseft dat hij te ver gegaan is,
met zijn manier van leven zo’n groot risico genomen heeft,
maar dat risico altijd weggewuifd heeft, omdat hij in zichzelf geloofde.
Hij hoefde God niet, want hij kon zichzelf wel bedruipen.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Maar dan is thuis er nog. Zo klopt hij thuis aan,
De man die niet thuis wilde zijn, maar erop uit trok om elders te vinden.
Nu heeft hij thuis nodig om in leven te blijven, om überhaupt te kunnen bestaan.
Maar zijn manier van thuiskomen heeft iets onverschilligs:
Geef me dat rode daar.
En als Jakob voorstelt om het eten te ruilen voor het eerstgeboorterecht,
laat hij zien dat het eerstgeboorterecht hem niets kan schelen,
zo gefixeerd is hij op het eten:  als hij maar in leven blijft.
Het dierlijke komt in hem boven. Hij wil dat rode opschrokken, als een dier.
Al het menselijke is hij kwijt.
Meer een wolf, die leeft door zijn instinct om te eten en zo in leven te blijven.
Dan maakt het niet uit wat je eet en welke prijs je ervoor betaald.
Ik sluit niet uit, dat het een test van Jakob is,
een provocatie om tot Ezau door te dringen.
Ezau, jager die ondanks al je kennis van de jacht met lege handen thuis komt,
lucht en leegte, alleen meer leegte, jouw manier van leven.
Weet je dan niet dat je hier een taak hebt,
Een taak die God je opgedragen heeft, omdat je als eerste geboren werd.
Wat maak je ervan waar?
Steeds zijn er twee wegen, twee manieren van leven waaruit je als mens kunt kiezen.
De ene is de weg die God wijst, die de Heere opdraagt om te gaan.
De andere is de weg, die je als mens zelf kiest, omdat je Gods weg niet wil gaan,
Gods opdracht om op zijn manier te leven als een beperking wordt ervaren
en niet als een manier van leven, waarop je door God gezegend wordt,
omdat Hij meegaat.

Wat Jakob hier Ezau voorhoudt, zijn ook de twee wegen
die Christus voorhoudt uit Mattheüs 7: de brede en de smalle weg.
De brede weg is makkelijk te vinden en velen kiezen voor die weg.
De smalle weg is moeilijk te vinden, die ga je voor je gevoel alleen,
niemand die met je meegaat.
Het is de opdracht die Jozua voorhoudt: Kies heden wie u dienen wilt.
Welke weg kiest u, kies jij?
Er is één weg die het leven brengt, de weg van God.
Jakob begreep dat, al was ook hij gevoelig om zelf zijn weg uit te stippelen.
Ezau haalde zijn schouders op/
Het wordt ons niet verteld om nu eens een stevige mening over Ezau te hebben,
maar zodat wij naar onszelf gaan kijken.
Het is God die ons die keuze voorhoudt.
Het is Christus die ons roept om de juiste weg te gaan,
die de juiste weg heeft voorgeleefd en voor ons gebaand.
Zodat ook wij die weg kunnen gaan.

 

Heer, wijs mij uw weg en leid mij als een kind

dat heel de levensweg slechts in U richting vindt. 

Als mij de moed ontbreekt om door te gaan,

troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.

 

Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend

hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.

Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,

toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Amen

 

Jakob en Ezau en de ruil met een bord linzensoep

Jakob en Ezau en de ruil met een bord linzensoep
Uitleg van Genesis 25:19-34

Het verhaal van Ezau en Jakob is het verhaal van twee rivaliserende broers. Wie het verhaal ooit in een kinderbijbel heeft gelezen, zal er een moralistische uitleg van het verhaal hebben meegekregen: Jakob die zijn broer Ezau slinks het eerstgeboorterecht afneemt.

Nu kan ik dat bij een kinderbijbel nog wel begrijpen, omdat die vaak geschreven zijn in een tijd waarin er nog geen aandacht was voor bijbelse vertelkunst. Doordat in die kinderbijbels geen aandacht wordt geschonken aan de manier waarop er verteld wordt, wordt er in het verhaal vaak een moralistische boodschap meegegeven. Ook veel hedendaagse commentaren, die wel aandacht hebben voor de manier waarop er verteld wordt, geven aan het verhaal van Ezau, die zijn eerstgeboorterecht inruilt voor een bord soep, een moralistische draai en verwijten Jakob dat hij een zwak moment van Ezau gebruikt om hem uit te schakelen. In de manier waarop het verhaal verteld wordt, zitten echter genoeg aanwijzingen voor een andere boodschap.

Nageslacht van Izaäk
Allereerst begint het verhaal met de aanwijzing dat het nu over het nageslacht (toledoth) van Izaäk gaat. Dit is de 8e keer dat het gebeurt. Met de toledoth van Izaäk, die in feite over Jakob gaan, begint het achtste hoofdstuk van Genesis. Deze achtste inzet volgt op het nageslacht van Ismaël, de oudste zoon van Abraham. Voor deze oudste zoon, geboren uit de slavin Hagar, is de erfenis van Abraham niet. Die erfenis van Abraham bestaat niet alleen uit het bezit van Abraham, maar ook uit Gods belofte aan en opdracht voor Abraham (Genesis 12).

Ismaël blijkt een groot nageslacht te krijgen: net zoveel zonen als Jakob zal krijgen. Zijn zonen brengen koningen voort, die over een groot gebied regeren. Het nageslacht van Izaäk steekt daar schril bij af. Izaäk trouwt vrij laat: op zijn 40e. De eerste twintig jaren van het huwelijk komen er ook nog eens geen kinderen. Izaäk moet een appèl doen op God voor zijn vrouw.

Broederstrijd
Als Rebekka uiteindelijk wel zwanger wordt, wordt zij tijdens haar zwangerschap verscheurd door de strijd tussen de twee zonen. Zij gaat bijna aan die strijd ten onder en in haar wanhoop roept ze het uit: Als dit zo is, waarom overkomt mij dit? Haar lijden noopt haar om de Heere te raadplegen. Het antwoord van God is weinig geruststellend: de strijd zal na de geboorte zich voortzetten, zelfs in de strijd tussen twee volkeren. De jongste zal net zo lang strijden tot hij de oudste de baas is.

Ambivalent
Dan wordt de tweeling geboren: twee jongens. De eerste jongen is een bijzondere jongen: hij is rood van kleur. Die rode kleur heeft geen betrekking op zijn haren, maar op zijn huid. Een rode huid is het teken van een speciale voorbestemming. Deze pasgeborene zou wel eens een bijzonder leven kunnen krijgen, zelfs uitgroeien tot een held.

Deze jongen heeft echter een ander kenmerk, dat juist een heel tegengestelde weg doet vermoeden: deze jongen is heel harig. Dat geeft de jongen iets dierlijks. Ezau heeft vanaf zijn geboorte al iets ambivalents: zal hij uitgroeien tot een held, of zal net bij als koning Nebudnezar het dierlijke de overhand krijgen? Ezau is iemand tegen wie je op gaat kijken en tegelijkertijd iemand voor wie je op je hoede bent.

Jakob
Als zijn broer geboren wordt, blijkt hij de hiel van Ezau vast te hebben. Is dat al een signaal dat de strijd na de geboorte verder gaat? Zijn ouders hebben daar wel iets bijzonders in gezien, want ze geven een naam die dat vasthouden van de hiel in herinnering houdt: Jakob. Overigens, bij de verklaring die in het Oude Testament gegeven worden bij een naam gaat het vaak niet om een letterlijke betekenis, maar om een associatieve overeenkomst. De naam Jakob zou eerder met Jakob-El in verband gebracht kunnen worden. Dan is de betekenis: “God die beschermt”.

Jager
De oudste zoon wordt jager. Of zoals verteld wordt: een kenner van de jacht, een man van het veld. Jagen heeft in het Oude Testament niet iets onschuldigs: Nimrod was een jager. Het gegeven dat Ezau jager wordt, geeft aan dat hij trekken van de nakomelingen van Kaïn krijgt, in de buurt komt van Nimrod. Hij zwerft zoveel rond, dat hij de omgeving kent. Als oudste zoon had zijn plek thuis moeten zijn: als rechterhand van zijn vader had hij mede de leiding over de groep nomaden met hun vee, in een gebied waarin je als nomade op de hoede moest zijn voor de andere volkeren die er wonen. Denk aan de vele conflicten, onder andere over het gebruik van land en van bronnen.

Opvoeding op losse schroeven
Ezau ontloopt die verantwoordelijkheid en trekt rond. Daarmee wordt hij als jager een persoon, die zich niet aan zijn thuis gelegen laat. En daarmee ook zijn opvoeding op losse schroeven zet en laat zien dat wat zijn ouders hem meegegeven en de identiteit van de groep hem weinig deren. Brengt hij met de jacht en het verwaarlozen van de leiding geen schande over deze groep nomaden? Laat hij niet zien dat hij zich liever buiten deze groep plaatst dan met hen op te trekken en hun lot te delen? Daarmee geeft hij aan, dat hij ook niets geeft om de belofte dat ze van God een plek hebben gekregen. En ook dat hij er niets om geeft dat ze van God een opdracht hebben gekregen om als nageslacht van Abraham tot zegen van de volkeren te zijn.

Individualist
Ezau is een individualist, die alleen aan zichzelf en zijn eigen passies denkt. Zijn afkomst is voor hem niet belangrijk en de zegen die Abraham beloofd is legt voor hem nauwelijks gewicht in de schaal. Een jager is ook iemand, die er niet voor terugdeinst om geweld te gebruiken. Dat Ezau individualist is, blijkt ook wel als hij vrouwen neemt hij de volken in de buurt. Ezau is een kameleon, die oplost in de wereld en zijn status als apart-gezet opgeeft, omdat hij daar de waarde niet van inziet. De wereld is is zijn thuis, niet  de zegen van God. Opvallend trouwens dat de liefde voor Izaäk naar Ezau uitgaat. Er is daar een reden voor: Ezau brengt vlees van de jacht mee. Hij houdt van zijn zoon om wat hij doet, wat hij inbrengt.

Afkomst
Voor Jakob daarentegen is zijn afkomst wel belangrijk. Hij blijft bij zijn tent en als een echte oudste zoon voelt hij de verantwoordelijkheid voor de zegen die aan deze familie is meegegeven. Hij is geen doetje, want gaat de strijd aan met zijn iets oudere broer. De liefde van Rebekka gaat naar Jakob uit. Voor haar liefde wordt geen verklaring gegeven. Ze houdt dus niet van hem, omdat hij bij de tent is en wel zijn verantwoordelijkheid neemt. Ze houdt van hem.

Oprecht
Ondanks de verantwoordelijkheid die Jakob neemt voor de plek die ze van God gekregen hebben, de roeping die ze als familie te leven hebben, staat hij er niet goed op. De ruil van het eerstgeboorterecht voor een bord soep zal daarmee te maken hebben. Bijna elke uitlegger valt over deze handeling, omdat Ezau op sterven na dood thuis komt. Het probleem is echter dat Jakob oprecht (Hebreews: tm)  genoemd wordt. Dit woord betekent eigenlijk overal oprecht, rechtschapen, integer. De meeste commentaren geven aan, dat tm hier anders vertaald zou moeten worden, omdat het een contrasterend parallel wordt gezien met Ezau als jager. Dan zou het betekenen dat Jakob stil is, of geciviliseerd.

Nu kan een woord in een bepaalde context een andere betekenis krijgen, maar die uitleg is niet sterk als het woord elders niet die betekenis krijgt.  In Spreuken gaat het bij “tm” om mensen die in staat zijn om te kiezen tussen het goede en het kwade, om het vrezen van God duidelijk weten te onderscheiden van een dwaze levensstijl. Genesis is geen wijsheidsliteratuur. Maar toch: het wekt de suggestie dat het om de 2 menstypen uit Spreuken (of Psalm 1) gaat. Het verhaal van de rivaliteit tussen Ezau en Jakob is de rivaliteit van de twee wegen uit Psalm 1. Of van de rivaliteit van Kaïn en Abel. Daarbij valt op dat God steeds voor de zwakkere kiest (Izaäk ipv Ismaël, Jakob ipv Ezau) en niet voor de geweldenaar.

Redeloos dier
Opvallend is dat geen enkele uitleg van de mogelijkheid uitgaat, dat Jakob Ezau uittest. Ezau komt thuis van de jacht. Meer dan uitgeput. De jager is net zelf een hijgend hert dat aan de jacht is ontkomen. Meer dood dan levend komt hij aan. Daar zit een ironie in: Zijn levensstijl brengt hem niets, brengt hem in de buurt van de dood. Dat had hem tot nadenken moeten stemmen. Maar Ezau is net een redeloos dier. Hij denkt alleen maar aan eten. Hij valt binnen en wijst op het eten. Er zit weinig beschaving in Ezau: hij kan van het eten alleen maar de kleur noemen en wil het als een dier verorberen. Het woord voor eten dat Ezau in de mond neemt, wordt alleen gebruikt om het eten van dieren aan te geven: verorberen, slobberen, vreten.

Ruil
Als Jakob voorstelt om een bord linzensoep te geven in ruil voor het eerstgeboorterecht, weet hij natuurlijk wel dat het een onbehoorlijk voorstel is. Maar zou het ook niet een provocatie van Jakob zijn aan Ezau om te zien hoe hij over zijn thuisbasis denkt? Is het tentenkamp, waar Ezau de leiding over hoort te hebben, alleen een hotel, waarbij hij kan binnenvallen om te eten? Nu zijn manier van leven faalt, klopt hij thuis aan om wat te krijgen. Als ze hem iets geven, kan hij daarna zijn vrije, ongebonden leven voortzetten en is thuis er alleen voor geval van (echte) nood.

Als een dier aanvallen
Dat thuis hem niet echt interesseert, blijkt wel uit hoe hij over het eten van Jacob praat. Hij benoemt alleen de kleur en wil als een dier aanvallen. Hoe noem je het hoe een dier eet? Slobberen? Vreten? “Laat mij slobberen, vreten van dat rode.” De test van Jakob is of Ezau echt om zijn thuisbasis geeft of hij zijn thuis alleen als ‘hotel’ ziet. De vraag is of Jakob zelf weet had dat in de Godsspraak het eerstgeboorterecht voor hem was bestemd. Het gaat niet om aftroggelen maar om te laten zien waar Ezau’s taak ligt. Wat de ruil waard is, moet nog blijken. Ook al is ze door Ezau met een eed bekrachtigd. Wanneer zijn vader de zegen wil doorgeven, geeft Ezau niet aan dat hij zijn plek heeft afgestaan, maar is hij boos als Jakob er alsnog met de zegen vandoor gaat.

Twee wegen
Als het in dit verhaal inderdaad om de twee wegen gaat, de twee wegen van Psalm 1, van Spreuken, de keuze tussen een leven als Kaïn of een keuze voor een leven als Abel, dan is dat ook de boodschap voor ons? Voor welk leven kiezen we? Worden we een zwerver, net als Ezau, die de geloofsopvoeding van thuis loslaat en de wereld intrekt en niets aan het onderwijs over God heeft en de thuisbasis, de geestelijke verworteling zomaar inruilen voor iets onbenulligs, dat ons voor eventjes in leven lijkt te houden? Of kiezen we voor het leven van Jakob, die zijn verantwoordelijkheid neemt, omdat hij beseft dat hij in Kanaän, waar hij zijn familie maar een kleine minderheid vormt, geroepen is om het leven te laten zien dat God heeft bedoeld?

Psalm 82

Psalm 82

Psalm 82 is een bekende psalm in de uitleg van het Oude Testament, omdat er gesproken wordt over de raad van goden die in de hemel bij elkaar komt. Uit de omringende culturen is zo’n raad van goden bekend. Net als de aardse koning had de hemelse hoofdgod een hofhouding, waarbij allerlei lagere goden als adviseurs en uitvoerders aanwezig waren om de troon van deze god. In deze psalm wordt zichtbaar dat het Oude Testament oud-oosterse kenmerken heeft.

De vraag bij deze psalm is: gaat het om hetzelfde fenomeen: rondom God een raad van lagere goden? Dat is om twee redenen een vraag:
– Men geloofde in het oude Israël toch dat er maar één God is? Waarom kan men dan spreken over een raad van goden?
– Als dit bij andere, omringende goden bekend is, heeft het oude Israël dan iets van hen overgenomen? Met andere woorden: is men beïnvloed door de omringende Kanaänitische godsdiensten?

In de uitleg wordt er vaak gekozen voor 3 opties:

  1. In deze psalm gaat het om de dood van de goden, die hun plicht als goden niet nagekomen zijn.
  2. In de psalm gaat het om aardse rechters die geen recht spreken en aan hun einde komen.
  3. De keuze is een verkeerde, omdat bij onderdrukking door aardse machthebbers er altijd goden achter hen staan en bij goden die hun aardse plicht niet nakomen dat altijd tot uiting komt door middel van aardse machthebbers.

Wie is er in deze psalm aan het woord?
Een belangrijke vraag bij deze psalm is wie er aan het woord is. Duidelijk is dat in vers 8 een mens aan het woord is. Meestal wordt aangenomen dat in het begin de God van Israël aan het woord is. Het is echter ook mogelijk om er vanuit te gaan dat in de hele psalm er een mens aan het woord is.

Gaat deze psalm over de God van Israël?
Meestal wordt in het Oude Testament de God van Israël aangeduid als HE(E)R(E). In deze psalm ontbreekt deze naam. De vraag is of deze psalm wel over de God van Israël gaat. Omdat deze psalm in het boek van de Psalmen is opgenomen mag je daar toch vanuit gaan. Er zijn ook wel meer psalmen waar niet over HEER, maar over God gesproken wordt. Blijkbaar maakt dat in poëtische teksten als de psalmen niet uit.

Wat doet de God van Israël in deze psalm?
In deze psalm wordt niet verteld dat de God van Israël de raad van de goden voorzit. Dan zou hij zitten. Aangezien hij staat, heeft hij de rol van aanklager. Hij klaagt de andere goden aan dat zij hun taak niet nakomen. De God van Israël roept hen ter verantwoording.

Waarom wordt er over de raad van goden gesproken?
Het is vreemd dat er over een raad van goden gesproken wordt, omdat in veel gevallen het Oude Testament ervan uit gaat dat er maar één God is. De andere goden kunnen wel in de gedachten van mensen bestaan en worden wel vereerd, maar ze zijn lucht en leegte, hebben oren maar horen niet.
Hier wordt over de raad van goden gesproken omdat de andere goden worden aangeklaagd. Die goden staan symbool voor de landen om Israël heen, die allemaal hun eigen beschermgoden hebben. Deze goden worden door de God van Israël aangeklaagd voor hun onverschilligheid en wreedheid.
Het gaat hier niet om een abstract of leuk theorietje over goden in de hemel, maar het gaat hier wat er op aarde gebeurt. De psalm staat in de buurt van psalmen die spreken over de inval van andere volken in Israël (Psalm 74, 79, 80). Israël heeft te lijden onder het geweld van de andere goden, omdat hun onderdanen in Israël huishouden. Terwijl het de taak voor een god is om te zorgen voor de armen, de weduwen en andere kwetsbaren in het land (vers 3-4)
Doordat de goden hun taak niet nakomen is de gehele wereld in gevaar: het is duister en de fundamenten van de aarde wankelen. In het Oude Nabije Oosten was er een verband tussen het slechte gedrag van de mensen en het voortbestaan van de wereld: door slecht gedrag (onderdrukking, uitbuiting, oorlog, plundering) raken de fundamenten uit het lood en dreigt de wereld in te storten. De goden doen niets. Nu moet de God van Israël wel ingrijpen. met het einde voor die andere goden als gevolg. Zij stortten ter aarde. Zij verliezen hun macht en hun einde is nabij. Het einde van een god wordt zichtbaar in het einde van een rijk of dynastie. Hoe machtig de landen zich nu tonen (en daarmee hun goden), het einde van die wereldrijken komt er aan en wordt door de God van Israël bewerkstelligt.

Psalm 82 gaat dus over de val van de wereldrijken vanwege hun geweld. Dat wordt verteld in de vorm van goden die hun onsterfelijkheid kwijt raken. Het gaat dus om het tegenovergestelde van apotheose: hoe machtig een wereldrijk is, er komt een einde aan als de God van Israël dat bepaalt.

Een vergelijkbare tekst is: Jesaja 14, waar de val van het rijk van Babylon wordt verteld als een val van de god van Babylon uit de hemel. De zo onsterfelijk geachte god valt van zijn hemelse troon en komt in het dodenrijk terecht. Zijn we daar altijd zo bang voor geweest, vragen de anderen in het dodenrijk zich verbaasd af.

 

Preek zondagavond 28 april 2019

Preek zondagavond 28 april 2019
Schriftlezing: Psalm 30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Met Pasen vieren we dat Jezus is opgestaan uit het graf, dat Hij de dood overwon.
Hij was sterker dan de dood. Het graf kon Hem niet vasthouden.
Dat Hij de dood overwon en sterker is dan de dood, heeft ook voor ons betekenis.
Wie in Christus gelooft, zal eens opstaan uit het graf en een nieuw leven ontvangen.
Zoals Jezus een nieuw, een verheerlijkt lichaam kreeg,
zullen ook wij een nieuw, verheerlijkt lichaam ontvangen.
Dat zal later zijn, als Christus terugkomt en ons uit het graf zal doen opstaan.
Ook als we hier nog op aarde leven, kan God laten zien dat Hij sterker is dan de dood.
We zingen dat graag:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naadren van de dood volkomen uitkomst geven.

Van zo’n ervaring zingt Psalm 30 ook: de dood in ogen gezien,
het had niet veel gescheeld of er moest afscheid genomen worden van het leven.
Met één been in het graf
En dan ook nog eens onverwacht: : in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Als je onverwacht opeens stil gezet wordt, moet ervaren dat je leven kwetsbaar is,
dan is dat vaak een hele schok.
Als je altijd goed gekund hebt en je krijgt opeens gezondheidsklachten,
kan dat hard aankomen, helemaal van slag zijn.
OF als je jong bent en nog allerlei plannen hebt en allerlei idealen,
dan weet je ergens wel dat je geen eeuwig leven hebt
En dat het ooit een keer ophoudt, maar als je altijd goed kunt,
schuif je die gedachte voor je uit. Dat komt later wel.
Totdat er opeens wat gebeurt, iets onverwacht, met jezelf of met iemand anders.

Hier in deze Psalm is ook iemand aan het woord, die er ook niet op gerekend had
en een crisis overvalt hem en alle zekerheid die hij had, bleek niets te zijn.

in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Iemand die het leven neemt als een vanzelfsprekendheid.
Vanzelfsprekend ben ik gezond. Dat hoort bij mijn leeftijd.
Vanzelfsprekend bruis ik van energie. Dat hoort bij deze levensfase.
Vanzelfsprekend dat ik alles kan.
Ook het geloof kreeg iets vanzelfsprekends: God is er.
Je bidt om Gods zegen en Hij geeft die.
Je hebt het goed en daarin mag je de zegen van God zien,
als bevestiging dat je op de goede weg bent.
Mij kan niet gebeuren – dat zeg je vaak als je in de kracht van je leven bent,
Als je merkt dat allerlei plannen hebt, die je ook tot uitvoer kunt brengen.
Je denkt bij jezelf: Ik kan de hele wereld aan.
Alleen als het vanzelfsprekend gaat worden, dan ga je denken dat het altijd zo zal zijn
Het leven zoals je hebt als vanzelfsprekend nemen,
Dan denk je er niet over na dat het wel eens anders zou kunnen zijn.
Realiseert u zich wel eens, dat je leven zoals je nu hebt, helemaal op de kop kan staan?
En ben jij je ervan bewust dat je leven wel eens helemaal kan veranderen
Als je vader ziek wordt, of je leven heel anders zou zijn als je een beperking zou hebben
en alles wat je nu kunt doen helemaal niet zo vanzelfsprekend is?
Hoe zou je erop reageren?

Hier in deze psalm verwoordt David, dat hij er niet op bedacht was
en dat toen alle vanzelfsprekendheid uit zijn leven weg was
hij in een diepe crisis belandde: in een donker gat viel.
Hij spreekt over een graf, een kuil waarin hij terecht gekomen is.
David spreekt over de Sjeool, het dodenrijk.
Dat is ongeveer het ergste wat je kan overkomen,
want dan ben je afgesneden van alles en iedereen, onbereikbaar en je kunt niet meer terug.
Het is een duister waarin je gevangen wordt gehouden,
Waarin alles wat je hebt afgebroken wordt, er blijft niets van je over.
In de psalmen wordt geregeld verwoord, dat je daar zo diep weggezonken bent,
dat je voor je gevoel zelfs niet meer door God bereikt wordt
En dat als je roept naar God je het idee hebt dat je stem gesmoord wordt
en je noodkreet niet aankomt bij God.
Het aangrijpende hier is dat deze crisis door God gestuurd wordt.
Je kunt dat lang niet van alle crises zeggen.
Vaak weet je niet, waarom je iets overkomt, waarom je zo in een donker gat valt.
Hier heeft het te maken met die vanzelfsprekendheid,
vergeten dat je leven een geschenk is, dat Hij dit alles heeft gegeven,
dat wat je hebt aan gezondheid en kracht van de Heere komt,
dat Hij de basis van je leven is.
De crisis heeft hier een oorzaak: toen U Uw aangezicht verborg.
Dat is een huiveringwekkende ervaring,
want dat is zoiets als dat God zich uit je leven terugtrekt en je loslaat
en wat blijft er dan van je over?
De grond valt onder je voeten weg, er blijft niets meer van je over.
Alle bescherming is weg.
Waarschijnlijk moeten we denken aan een ernstige ziekte.
Iemand die kerngezond is, getroffen wordt door een virus of bacterie,
Waardoor hij opeens moet vechten voor zijn leven en hij zo hard achteruitgaat
Dat je je afvraagt of iemand het nog haalt.
Het gaat hier in deze psalm om een crisis waarin alles afgenomen wordt:
gezondheid, vertrouwen in jezelf en zelfs geloof en zelfs de aanwezigheid van God.
Want het graf, de kuil waarin hij dreigt weg te zinken, het dodenrijk,
dat is een gebied waar God niet komt, waar je onbereikbaar bent voor God.
Althans, dat is een gedachte die vaker opduikt in de psalmen.

Toch vanuit de plaats waar David onbereikbaar was voor God, zo was zijn ervaring,
komt zijn noodkreet toch bij God aan en hij werd door God vastgepakt en eruit getrokken.
Dat is al een eerste teken van Pasen:
dat je als mens ook in de diepste duisternis niet onbereikbaar bent voor God,
dat Hij je eruit omhoog kan trekken en je met beide voeten op de grond kan zetten.
Dat de duisternis niet meer de macht over je heeft
En dat de gevangenis, waarin je gevangen zat, open blijkt te zijn:
uit het graf gered, uit de kuil omhoog getrokken. Uit het dodenrijk uitgeleid.
Al wordt de naam van Christus hier niet genoemd,
we kunnen hier wel iets zien van wat Pasen betekent:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Dat roept wel de vraag op: als Davids gebed in de hemel aankomt
en God aanzet tot redding van David, hoe zit het dan met de andere gebeden,
die ook opgezonden zijn, maar die niet verhoord zijn.
Of de momenten waarop er geen tijd meer was voor gebed, zelfs geen schietgebed,
zoals de drie kerken die afgelopen zondag, die tijdens de paasdiensten,
tijdens de viering van de opgestane Heer, werden getroffen door aanslagen.
Ik denk dat iedereen hier wel kan aanvullen met verhalen
over iemand uit je eigen familie- of vriendenkring.
Het is beide waar: die kleine lichtpuntjes, waarmee er iets van Pasen zichtbaar wordt.
Iemand die ernstig ziek is en moet vrezen voor haar leven
en toch onverwacht er bovenop komt of nog een tijd krijgt om te leven,
na een ernstig hartfalen toch weer opknapt en weer mag opkrabbelen.
Tegelijkertijd is dat andere waar: dat er anderen zijn voor wie het te laat was,
die het niet overleefden.
Het wonder en de tragedie – ze zijn allebei waar,
waarbij het wonder ons hoop geeft, iets laat zien van de opstanding van Christus
en de tragedie iets laat zien van de wereld die nog zucht.
De worsteling die er kan zijn, een roepen naar God: Hoor, Heere, red mij,
laat mij niet neerzinken.

Hier in deze psalm wordt verhaald van het wonder, de uitredding,
God die vastgrijpt en optrekt.
Er gebeurt meer dan redding alleen.
De relatie met de Heere wordt hersteld.
Het wordt heel subtiel verwoord en je zou er bijna overheen lezen.
Met het vastgrijpen en omhoogtrekken brengt God David niet terug in zijn vorige leven
dat voor hem vanzelfsprekend was.
Het is niet de bedoeling dat David zijn vanzelfsprekende leven verder voortzet.
Er moet wel iets veranderd zijn, namelijk dat vanzelfsprekende weg.
DAt David zijn lesje geleerd heeft, kunnen we zien aan hoe hij God aanspreekt.
Hij zegt: Heere, mijn God: vers 3, vers 13.
In de duisternis die hem overviel, de crisis waar hij in raakte,
begon het hem te dagen dat hij God kwijt was, dat God zich verborgen hield.
Hij miste God in zijn leven.
Dat was de reden waarom dit hem overkwam.
De Heere kan soms voor ons gevoel een harde manier kiezen om te komen in ons leven.
Dat doet Hij niet bij iedereen, maar Hij kan het wel.
Als we zelf een heel leven opgebouwd hebben,
dat zo vanzelfsprekend is dat we er geen plek voor God hebben,
kan Hij dat vanzelfsprekende leven afbreken.
Niet omdat Hij een hekel aan ons heeft, maar omdat Hij ziet
dat het vanzelfsprekende leven een luchtkasteel is,
dat we ons iets voorspiegelen, dat helemaal geen waarde, geen houvast heeft.
Hij breekt dat af, niet om een leven met leegte te geven,
maar om ons op Hem te bouwen, om ons echte vastigheid te geven,
een fundament onder ons bestaan.
De vreugde die hier verwoord wordt, is niet alleen een vreugde om langer te mogen leven,
om te merken dat God inderdaad kan, wil en zal redden van de dood.
Het is de vreugde om God weer terug te hebben, om van Hem te zijn
om te kunnen zeggen: mijn God, we zijn weer samen.
Vanuit die ervaring wil David opnieuw beginnen met zijn leven.
In vers 1 staat dat dit lied geschreven is voor de inwijding van Davids huis.
Zijn huis moet aan God gewijd worden.
Dat kan een huis van hout of steen zijn dat net is afgebouwd.
Dat gebeurt in bepaalde christelijke tradities wel,
dat bij de bouw van een huis of bij de intrek in een nieuw huis
dat nieuwe huis wordt ingewijd met Gods zegen of met gebed.
Hier gaat het allereerst om de inwijding van een huis van hout of steen.
Maar vanuit de ervaring dat hij weer opnieuw mag beginnen,
dat hij van de Heere een tweede kans krijgt, wil hij zijn hele bestaan aan God wijden.
Waar ik thuis ben, dat is niet meer van mij, maar van U.
Vanuit het besef dat wat ik heb, heb ik alleen maar gekregen van U.
Het is een geschenk. Het is niet van mijzelf. Ik heb het hooguit in bruikleen gekregen
en als U het terug vraagt moet ik het zonder mankeren terug kunnen geven.

Een andere manier om te oefenen in het besef dat je leven niet vanzelfsprekend is,
maar dat wat je gekregen hebt van de Heere komt
En dat kun je oefenen door God te loven: Uw naam wil ik groot maken, prijzen.
Loven heeft twee kanten: het is allereerst aan God gericht, dankbaarheid naar Hem toe.
Loven is ook gericht aan de gemeenschap: je roept anderen op om in te stemmen,
mee te doen, zodat zij ook zien dat wat ze hebben van God hebben.
Dat ze niet een crisis nodig hebben om te weten te komen wie God is
en welke plek Hij in je leven inneemt.
Loven is ook vertellen: wat God doet. Dat Hij je heeft gered.
Dat jij in je eigen leven een glimp van Pasen mocht opvangen,
Dat je zelf mocht ondervinden wat Pasen kan betekenen.
Dat je het leven terug krijgt en door Gods genade opnieuw mag beginnen.
Er is verandering gekomen in je leven, door God.
Van verdriet in vreugde, van toorn in liefde, van tranen in gejuich,
de klacht weggenomen en nu kun je dansen van vreugde.
Je hoeft geen rouwkleed meer te dragen, niet meer te treuren,
omdat de tranen zijn gedroogd en het rouwkleed voor een mantel van vreugde is ingeruild.
Geen afstand meer tot God, maar Heere, mijn God.
Niet meer God die Zijn aangezicht voor je verbergt en je in het diepe stort,
maar de Heere, die Zijn hand uitsteekt en je omhoog tilt en een hernieuwd leven geeft.
Niet meer de vanzelfsprekendheid, maar de wetenschap: U hield mij in het leven.
Wat gebeurd is, de donkerheid, de crisis hoeft niet weggestopt te worden,
maar wordt mee doorverteld, maar wel binnen het grote verhaal,
dat God in liefde en zorg op ons leven betrokken is,
Zijn liefde die een echo vindt in ons, opgevangen en beantwoord wordt.
De Psalmen zijn het antwoord van Israël op wat God doet.
Hier is het antwoord: dankbaarheid.
Hier is het antwoord: nooit meer vergeten dat het leven eens zo vanzelfsprekend was
dat er geen plek meer voor God was.
Nooit meer vergeten dat wanneer God zich terugtrekt er niets meer van me overblijft.
OOk altijd blijven herinneren, dat hoe diep ik ook zink, Hij neerdaalt om mij te redden.
Hij ging zelf het graf in, liet zich binden, ging de duisternis binnen,
om die macht te breken en een weg eruit te banen.
Legde ik mij in het rijk van de dood, ook daar bent U.
Overal waar ik ben, elke plek op deze aarde is een plek waar GOd kan komen
waar Hij machtiger is dan welke vijand ook, sterker dan de dood, de duivel of welke macht.
De psalm eindigt met een persoonlijke vreugde – ik hoop dat het ook uw vreugde is:
Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen. Heer, mijn God ik wil U eeuwig loven.
Amen