Preek zondagmorgen 17 juli 2016

Preek zondagmorgen 17 juli 2016
Openbaring 10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het zijn rare tijden waarin we leven.
Een man die door met zijn vrachtwagen in te rijden op een menigte
en daarbij vele mensen doodt en verwondt.
Onrust in Turkije, waarvan we niet goed weten hoe we dat moeten duiden.
Dat komt bij alle onrust en alle aanslagen die er in de afgelopen tijd geweest zijn.
We leven in een rare tijd. Maar is dat echt van de laatste tijd?
Elk jaar verschijnt er een Aanzien met alle gebeurtenissen van het jaar ervoor.
Zulke boeken staan elk jaar weer vol met foto’s
van geweld, van gevoerde oorlogen, van aanslagen en mensen die lijden door geweld.
Als we terug gaan in de geschiedenis
is elke periode wel vol geweld, waarbij grote aantallen mensen aankomen.
De aarde, die door God goed geschapen was, een paradijs, de mooiste plek om te zijn,
Voortdurend weer geteisterd door geweld, door oorlog,
soms kan er op een klein stukje van de aarde het voor even goed zijn,
maar dat is dan een klein eilandje van rust,
in een grotere wereld waarop veel mensen zijn die lijden.

Johannes krijgt een sterke engel te zien, die uit de hemel neerdaalt
en zijn éne voet zet op de aarde en de andere voet op de zee.
De engel zet zijn linkervoet op de aarde, deze aarde vol geweld,
deze aarde waarvan we steeds kunnen zeggen: we leven in rare tijden.
Als er op de ene plek vrede wordt gesloten,
dan is er op een andere plek wel oorlog en geweld.
Op deze wereld zet de engel, die uit de hemel neerdaalt, zijn voet.
Deze wereld, die voor de gemeenten aan wie Johannes moest schrijven,
ook geen makkelijke wereld was om in te leven.
Het Romeinse Rijk dat erop pochte om de hele wereld in de macht te hebben
en dat er niet tegen kon als er mensen waren, die niet in de macht van Rome geloofden.
De christenen, aan wie Johannes schreef, geloofden daar niet in,
omdat hen geleerd was om slechts te buigen voor de enige, ware God die er is,
deze God die een engel naar de aarde stuurde – een sterke engel
en die als overwinnaar zijn voeten neerzette op de aarde en op de zee.
Op die aarde waar Rome over dacht te heersen, de aarde die vol is van geweld.
Daar zet de engel zijn voeten op, om te laten zien dat alles wat op aarde is, moet buigen
voor zijn Zender: de God die hemel en aarde gemaakt heeft.
Op het vasteland van Klein-Azië, waar de gemeenten zijn aan wie Johannes moest schrijven
werd de Romeinse keizer afgebeeld als iemand die zijn ene voet op de aarde heeft
en de andere op de zee, als teken van zijn macht over de gehele bekende wereld.
Nu ziet Johannes door het neerdalen van de engel dat de macht ergens anders ligt:
in de handen van de hoogste Heer, de enige, ware God, die hij dient,
die ook al is Johannes zelf verbannen de macht heeft in hemel en op aarde.
De sterke engel – hij daalt uit de hemel neer, als boodschapper van God, bij God vandaan.
Dat is een andere richting dan vanwaar het beest uit de afgrond vandaan komt,
waarover het volgende hoofdstuk spreekt,
het beest dat oorlog voert tegen de twee getuigen die Gods boodschap verkondigen,
het beest uit de afgrond, dat staat voor de macht op aarde,
die zich steeds weer tegen God keert,
niet van God komt, maar uit de afgrond, uit de onderaardse diepte,
bij Gods grote tegenstander vandaan,
om Gods werk op aarde te dwarsbomen
en ook de macht heeft om de twee getuigen van God te doden.
De gemeenteleden aan wie Johannes geschreven heeft,
zullen wellicht gedacht hebben aan de overheid in het Romeinse Rijk,
waarin ze meer dan een menselijke tegenstander aan het werk zagen: de duivel.
Voordat hij zijn macht op aarde kan laten gelden, is God hem voor.
Als de duivel een bepaald rijk op aarde kan gebruiken in zijn spel tegen God,
is de Heere hem voor om de macht op aarde op te eisen.
Het is aan de engel te zien dat hij uit de hemel komt,
de hemel vanwaar uit God regeert, de machtsbasis van God.
Hij draagt de goddelijke glans en glorie om zich heen:
allereerst vanwege de wolk, die aangeeft dat de goddelijke glorie die de engel meebrengt,
te indrukwekkend is voor mensen om te zien.
Niemand kan God zien en leven.
De wolk schermt zijn hemelse schittering – te indrukwekkend om te zien – voor onze ogen af.
Een regenboog is om zijn hoofd,
de regenboog die volgens het slot van Ezechiël 1 verwijst naar de verschijning van God zelf.
De regenboog die in die tijd teken was van de macht die alles overwint.
De benen die als zuilen van vuur zijn verwijzen naar de uittocht
waarin er zowel overdag een zuil van wolken was en ‘s nachts een zuil van vuur.
Voordat het beest uit de afgrond kan komen
om zich tegen Gods getuigen, tegen Gods dienaren oorlog te voeren, hen te doden,
daalt Gods gezant op aarde
als vertegenwoordiger van God zelf – heenwijzend naar God, zijn Zender
om aan te geven dat God Zijn volk op aarde zal leiden door deze moeilijke tijd
vol duisternis en dreiging, zoals Hij eens Zijn volk leidde door de zee en door de woestijn
en veilig bracht in het beloofde land.
Als het beest uit de afgrond gaat huishouden op deze aarde
mogen de gelovigen weten dat ze geleid en beschermd zullen worden,
ook al krijgen ze met dreiging te maken en zal de dood hen niet bespaard worden,
ze mogen vertrouwen op Gods leiding.

Als vertegenwoordiger van God zelf daalt de engel neer.
Voordat het beest uit de afgrond kan komen als vertegenwoordiger van de boze,
daalt de engel af als degene die de strijd reeds gewonnen heeft
en de zege voor zich opeist
door zijn voet te zetten op de aarde, die het toneel zal worden van dat beest,
en op de zee.
De zee, die in de Bijbel staat voor de chaos, de horror,
de vernietigende kracht die er op aarde kan zijn en alles wat goed is kapot kan slaan.
Wie eens bij storm bij zee gestaan heeft, of de beelden van de tsunami nog kan herinneren
begrijpt waarom de Bijbel de zee koppelt aan de horror, aan vernietigend geweld.
Op de zee plant deze engel zijn voet – namens God.
Zoals Jezus op het water liep, om te laten zien dat Hij deze horrormacht bedwong,
zo staat deze engel vastberaden,
niet als een bange Turkse soldaat op de brug over de Bosporus,
die zich overgeeft als de kansen verkeken zijn,
maar onoverwinnelijk, als een baken van rust voor de gelovigen die op aarde zijn.
Zo mogen degenen die door Christus gewonnen zijn weten dat ze in goede handen zijn,
omdat hun Heer deze wereld bestuurt.
De engel verkondigt dat niet voor niets
dat God de schepper is van de hemel – daar kwam de engel vandaan,
schepper van de aarde, van de zee, de gebieden waar om gestreden gaat worden.
Alles wat er is, zelfs de afgrond waar het beest vandaan komt,
is door God geschapen.
De engel, die zijn voeten plant op de aarde en de zee, met zijn hemelse afkomst,
geeft aan dat God de gebieden die Hij geschapen heeft weer opeist, claimt,
de staatsgreep, de coup van de boze ongedaan maakt.

Onze Heer, die alles geschapen heeft, bestuurt deze wereld en ook waar alles naar toe gaat. Dat mogen we ook weten aan de boekrol die deze engel in zijn hand heeft.
Het is dezelfde boekrol die eerst verzegeld was
en die alleen door het Lam geopend kon worden,
de boekrol die vol is van de gebeurtenissen die nog op aarde plaats zullen vinden.
Deze boekrol, die geopend is door het Lam, dat eruit zag als geslacht
Christus, die in een adem de Leeuw van Juda genoemd wordt die overwonnen heeft.
Het Lam dat geslacht is, gedood aan het kruis,
dat kruis dat tegelijkertijd de overwinning bracht – niet alleen op de zonde,
maar ook macht van de duivel en van elke kwade macht brak.
Alles wat er gebeurt, is in Zijn handen.
We kunnen ons meegesleurd voelen in de stroom van wat er gebeurt,
geen duidelijkheid hebben over wat er gebeurt,
we kunnen geschokt zijn door wat er gebeurt ergens anders
en als het onszelf treft verslagen en verbijsterd,
toch is deze wereld in handen van Hem, die zelf de ondergang in ging,
te lijden had onder geweld, gepijnigd en gemarteld werd,
terwijl hij onschuldig was de schoenen in de schuld geschoven kreeg,
Hij onderging dat allemaal, maar kwam als overwinnaar uit de strijd.
De engel daalt op aarde neer om daar weer te aan herinneren,
om de overwinning op aarde uit te roepen
met een machtige stem, die op het gebrul van een leeuw lijkt,
angstaanjagend voor Gods tegenstanders, huiveringwekkend,
maar juist voor wie van God zijn vertrouwen geeft op de redding die komt,
het Lam aankondigt, dat geslacht is, en dat tegelijkertijd de leeuw uit Juda is.
Dat is de boodschap die de engel heeft in de open boekrol:
Laat je, beste gelovige, niet gek maken door welke macht ook.
Laat je geen angst aanjagen, beste christen, want je Heer regeert.
Ook al kun jij zelf Zijn weg op deze aarde niet begrijpen,
al kun je zelf niet begrijpen waarom Zijn kerk met zoveel tegenstand te maken heeft,
Zijn boodschap niet geloofd wordt, Zijn dienaren worden gemarteld en gedood
en het beest uit de afgrond de sterkere lijkt te zijn – wanhoop niet!
Op die rol staat de overwinning reeds beschreven
en alles wat voor de komst van Christus zelf op aarde – zijn Wederkomst – zal gebeuren.
Die gebeurtenissen tot aan de Wederkomst zijn gepland door God zelf,
de toekomst is in Zijn hand.
Niet als een poging om de macht te grijpen, zoals de soldaten in Turkije
een soort wanhoopspoging deden en toen ze geen effect hadden

en het volk niet meekregen, niet wisten wat ze moesten doen.
God weet wat Hij doet.
Hij bepaalt, Hij regeert en het glipt Hem niet uit de hand.
De 7 donderslagen die klinken roepen het over deze aarde uit
dat God regeert en de wereld waarop Gods tegenstander regeert is veroordeeld.
Het vonnis is getekend: dat ze van de aarde verbannen zullen worden, voorgoed geknecht.

Schrijf dat niet op, zegt de engel tegen Johannes.
Maar verzegel het, zegt de engel tegen Johannes.
Daarmee bedoelt de engel niet dat deze kennis geheim moet blijven
en dat Johannes ingewijd wordt in een supergeheim plan dat alleen hij mag weten.
Als er in de Bijbel gesproken wordt over geheim
wordt daarmee het plan van God bedoeld om deze wereld te bevrijden van de zonde, de duivel, de dood, het lijden, welke kwade macht er ook maar is.
Geheim duidt niet op geheimzinnig, mysterieus en duister,
zoals we bij bepaalde regeringsleiders moeten gissen naar het doel van hun werkwijze.
Nee, geheim duidt dat het in Gods handen is
en dat wij als mens niet alles kunnen begrijpen van Gods plan.
Johannes moet het verzegelen
– dat is niet hetzelfde als afsluiten en opbergen, onzichtbaar maken.
Maar dat duidt dat de bedenker van het plan, God zelf, het plan uitvoeren zal – door Christus
Als kerk hoeven we niet alle details te weten.
We hebben er genoeg aan om te weten dat het God niet zal mislukken,
maar dat Zijn plan betrouwbaar is en dat Hij het ook kan en zal uitvoeren.
God weet wat Hij doet. Hij heeft de volledige controle, volledige regie
en dat is voor ons genoeg om te weten.
Het is genoeg om te weten dat het tijd is dat Gods plan helemaal uitgevoerd wordt.
Hoe lang nog – die vraag wordt op aarde gesteld
door de gelovigen die op de proef worden gesteld,
door de heiligen die reeds in de hemel zijn, verlost en gereinigd.
Hoe lang nog? Niet lang meer. Het is de hoogste tijd – Gods tijd!
God bepaalt de tijd.
Geen enkele andere macht kan die tijd bepalen.
Niet de keizer uit Rome, geen hedendaagse leider, geen duivel of kwade macht.
God bepaalt of het tijd is.
Het is de hoogste tijd.

Dat is de boodschap die op aarde moet klinken: de tijd zit er bijna op.
Als je als gelovige zo lijdt, wanhoop dan niet,
de tijd van het lijden is voorbij, van de vervolging, van de tegenstand,
de tijd van de aanvallen van de boze.
Ze zijn bijna voorbij. Hou vol, houd moed, geef niet op!
Hef je hoofd omhoog om te zien dat de Koning komt
en denk aan de engel die nu al de macht van Christus uitroept over de gehele aarde.
De tijd is bijna voorbij – als waarschuwing tegen elke macht
die zich nog tegen Christus keert: je macht, hoe sterk die nu ook lijkt, zal gebroken worden.
Die boodschap moet door Johannes klinken.
Johannes wordt Gods stem op aarde.
Dat geeft de taak van de kerk aan in deze tijd
Daarvoor moet hij eerst dat boek met de plannen van God eten.
Die plannen moet hij helemaal in zich opnemen,
zodat alles wat hij zegt één is aan wat God wil.
(Niet omgekeerd: niet alles wat een dienaar van God zegt is Gods wil)
Johannes, de banneling, veilig weggestopt op een onbetekenend eiland,
verbannen als gevaarlijke tegenstander,
de eenling op het kleine eilandje, onbetekend geworden,
deze onbeduidend gemaakte Johannes wordt de stem van God.
Niet vanuit eigen behoefte om mee te doen,
maar vanuit gehoorzaamheid, omdat God hem geroepen heeft
om een getuige te zijn van Gods plannen,
om die getuigenis, door te vertellen, niet te zwijgen over wat hij heeft gezien.
De eenling, geen partij voor de gouverneur van Klein-Azië of keizer in Rome,
zal profeteren, zal Gods plannen doorgeven, aankondigen, verkondigen
Tegen elke macht die er op aarde is,
tegen elke macht die zich in laat winnen door het beest uit de afgrond
en de verkeerde kant gekozen heeft, tegen God.
Net als Ezechiël moet Johannes dat boekje eten.
Eerst smaakt het zoet
– het smaakt naar de verlossing die Christus zal brengen als Hij verschijnt.
Maar de gevolgen zijn bitter
Bij het Pascha, Pesach is de bitterheid een herinnering aan wat is geweest:
Het lijden in Egypte, de zweepslagen, het harde slavenbestaan, de uitbuiting,
de wens van de Farao om het volk klein te krijgen, te kunnen beheersen.
Deze bitterheid van het boek wijst vooruit
naar de gevolgen voor de gelovigen:
Er staat een bittere tijd te wachten.
De engel kondigt eerst het bittere aan en dan de zoete smaak.
Zo is dat voor de gelovige: een moeilijke tijd eerst, lijden, vervolging, verachting,
De boodschap van God die geminacht en genegeerd wordt.
Maar daarna – als Christus komt – het zoete, omdat er dan redding is, verlossing,
een leven bij God, met God, door onze Heer – die u, jou heeft liefgehad tot het einde toe.
Voor de wereld tegen wie Johannes moet verkondigen is het andersom:
Eerst het zoete – leven zonder God, dat kan op aarde prima.
Je hebt God niet nodig, zonder Christus ben je er blijkbaar beter van af.
Maar het einde is bitter, als het oordeel komt, en het mooie leven voorbij is.
Als de boze voorgoed van deze aarde verbannen wordt
en er geen plek is in Gods koninkrijk voor iedereen die het zonder Christus kon redden.
Zeg het opnieuw.
Deze boodschap moet niet opgeborgen en verzegeld worden.

Dat is ook de taak voor de kerk, om deze boodschap uit te dragen:
een oproep tot bekering, een uitnodiging om te geloven nu het nog kan,
om de genade aan te grijpen en tot Christus te wenden,
om niet te vergissen in een leven dat nu zoet is, maar uiteindelijk bitter zal zijn.
Het is de hoogste tijd.
Dat vraagt van ons ook dat we Gods woord eten.
Zonder het uitvoeren van die opdracht kunnen we niet Gods boodschap uitdragen.

Het is de hoogste tijd.
Maar elke keer stelt God het definitieve oordeel uit.
De zevende bazuin moet nog klinken.
Het is alsof God Zijn pas inhoudt – niet uit aarzeling,
maar uit bewogenheid met deze wereld, om nog een kans te geven om te geloven.
Een oordeel, dat is waar, maar zolang Christus nog niet gekomen is,
is het oordeel niet definitief en is het nog mogelijk om tot inkeer te komen.
Dat is onze boodschap voor de wereld waarin wij leven:
God heeft alles in Zijn hand, leidt deze wereld naar Zijn doel.
Wie Hem tegenstaat, zal dat op de laatste dag merken.
Wie Hem nu nog erkent, neerknielt, vindt alsnog het leven in Hem.
We leven niet alleen in een rare tijd, maar ook in een hoopvolle tijd,
omdat we mogen weten dat God regeert en dat Hij komt.
Hoopvol en vol genade.
Amen

Advertenties

Preek zondagmorgen 10 juli 2016

Preek zondagmorgen 10 juli 2016
Openbaring 3:7-13 De brief aan de gemeente van Filadelfia,

Toen de Heere Jezus naar de hemel ging,
heeft Hij niet het contact met zijn kerk op aarde verbroken.
Hij liet geen stilte achter.
Vanuit de hemel communiceert Hij nog steeds met Zijn kerk
en Hij zal dat doen tot aan de Wederkomst, als Hij zelf terugkeert.
Hij verschijnt, Hij spreekt, Hij geeft een opdracht om te schrijven.
De opdracht om te schrijven is om in de gemeente Zijn stem te laten klinken.
Zo is ook de preek bedoeld: om de stem van onze Heer te laten klinken,
zodat Zijn stem door u gehoord wordt.

Spreken is een teken dat Christus leeft.
Ik ben de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.
We dienen een levende Heer, die van zich laat horen.
Hij zwijgt niet.
Spreken is ook een teken van betrokkenheid.
Hij laat van Zich horen, omdat de gemeente Hem aangaat
om ons te laten weten: Ik ben van jullie situatie op de hoogte.
Ik weet wat jullie doormaken. Ik weet wat jullie voor Mij doen.
Spreken vraagt ook om een reactie: luister je wel?
Neem je het wel ter harte, wat Ik tegen je zeg?

Door het op te laten schrijven kan deze boodschap door heel de gemeente worden gehoord.
Schrijf aan de gemeente.
De boodschap en de stem van Christus, ze zijn niet voor een enkeling bedoeld,
voor alleen de top van de kerk, maar heel de gemeente moet  Zijn stem horen.
Zo zijn we vanmorgen bij elkaar, op de plek waar de stem van Christus klinkt.
Daar zijn we vanmorgen verzameld
om naar Hem te horen: Heer, wat hebt U ons te zeggen?
Doordat de boodschap opgeschreven werd, kunnen wij ook nu de boodschap ontvangen
en kunnen ook wij de stem van onze levende Heer horen.

De brief wordt niet rechtstreeks geschreven aan de gemeente,
maar wordt gestuurd aan de engel van de gemeente.
Waarom wordt de leider van de gemeente aangeschreven als engel?
Dat is niet omdat een leider van de gemeente boven de gemeente uitsteekt
omdat hij dichter bij de Heer staat dan een ander gemeentelid.
Engel is hier niet als eretitel bedoeld, niet heiliger dan de overigen.
Engel geeft hier de taak van een leider aan,
als we al van een leider binnen de gemeente kunnen spreken.
Engelen zijn dienstbaar.
Ze worden erop uitgestuurd om Gods boodschap op aarde te brengen.
Om de stem van God door te geven, de communiceren: dit zegt de HEERE.
Dat is de taak van de predikant: om de stem van Christus in het midden te laten klinken.
Om te laten merken dat de woorden uit de Bijbel levende woorden zijn
levende woorden van onze levende Heer.
Woorden die gehoord willen worden, woorden die ons hart zoeken, die je raken.
Als een predikant te vergelijken is met een engel, is het zijn taak
om die grote, heilige woorden van onze Heere te vertalen, kleiner te maken,
meer alledaags, laten zien wat die woorden voor uw dagelijks leven te maken hebben,
zonder af te doen aan de heiligheid, de grootsheid, de ernst van die woorden.
Schrijf aan de engel van de gemeente
En zijn taak binnen de gemeente is dat deze woorden klinken,
tijdens de eredienst als heel de gemeente bij elkaar is
en door iedereen wordt gehoord
en dat die woorden ook mee naar huis gaan, in het hart
en dat ze vandaar uit met heel uw leven verweven raken,
dat u niet meer zonder kunt.
Een gemeente mag van haar predikant verwachten
dat hij zijn best doet om de gemeente te begrijpen,
welke taal ze spreekt, op welke manier ze denkt,
hoe ze het best te bereiken is voor deze woorden.

Christus gaat hier in voor.
Deze 7 gemeenten ontvangen ieder een eigen brief.
Ook al liggen deze gemeenten vlak bij elkaar,
de plaatsen zijn anders en ook de omstandigheden om kerk te zijn verschillen.
Zoals Wezep en Oldebroek en Oosterwolde en Elburg dicht bij elkaar liggen
en toch anders zijn en ook als kerk daarom soms anders zijn,
zo zijn die 7 gemeenten niet allemaal dezelfde gemeenten.
Ze hebben hun eigenheid,
een eigenheid die mede gevormd wordt door de plaats waar ze wonen.
De plaats waar je woont heeft invloed, de plaats waar de kerk staat maakt uit
voor de boodschap die vertelt wordt.
Niet dat de inhoud anders is, maar soms is het nodig om het anders te vertellen,
zodat de boodschap aankomt, het hart raakt.
Christus kent de omstandigheden waarin de kerk zich in een plaats verkeert.
Hij is op de hoogte van onze situatie hier in Oldebroek en ‘t Loo
en Hij ziet hoe wij omgaan met de verantwoordelijkheid die Hij ons gegeven heeft
om hier in Oldebroek en ‘t Loo Zijn gemeenschap te zijn.
Een kerk heeft altijd iets dubbels: iets van de plaats zelf, iets van Oldebroek, van ‘t Loo,
maar ook van Christus en daarom apart gezet.
Bij elkaar gebracht, omdat je bij Christus hoort: de heiligen die er in Oldebroek, ‘t Loo zijn.
Soms is het juist onze taak als kerk om onderdeel van onze gemeenschap te zijn,
met als doel de mensen hier die nog niet van Christus te zijn voor Hem te winnen.
Soms is het nodig om afstand te nemen van je omgeving
omdat je van Christus bent en je niet in alles kunt meedoen
en je niet luistert naar de stemmen om je heen, van je familie of je buren.
De gemeente van Filadelfia had daarmee te maken,
met buren die over Christus hoorden, maar alleen maar negatief waren
en het hoofd omdraaiden, omdat ze niet wilden weten van die van Christus zijn.
Hoe je Jezus nu als God aanbidden?
Ze werden er om uitgelachen, met de nek aangekeken.
Dat kan bij het christenzijn horen, dat je tot diep in je ziel geraakt wordt,
omdat je bij de Heere hoort: ‘Jij ook altijd met je geloof.’

Dan komt de boodschap van Christus:
Je bent niet zomaar gemeente. Je bent door mij uitgekozen.
Bij elkaar gebracht. Gekozen, bij elkaar gebracht – dat is wat het woord gemeente betekent.
Een kostbare verzameling.
Misschien in uw eigen ogen een vreemde verzameling:
Een verzameling die u zelf niet zou hebben uitgekozen.
Deze verzameling mensen heeft Christus uitgekozen, om Hem trouw te zijn, Hem te dienen,
in Hem te geloven, deze Heer te belijden.
We staan er niet alleen voor: we hebben deze gemeenschap om ons heen.
Soms is het vervelend om samen met anderen te zijn: geloof in Christus maakt op zichzelf iemand geen interessante gesprekspartner of stimulerend gezelschap (Eugene Peterson).
Maar toch is het niet mogelijk om Christus los te hebben van de kerk.
De enige weg van Christus naar de hemel en de strijd tegen de zonde loopt via de kerk.
Daar in Filadelfia, met al de tegenstand,
wellicht dat familieverbanden verbroken waren,
is er toch een gemeenschap die zichzelf niet bij elkaar heeft gebracht,
maar door Christus bij elkaar is gebracht,
een gemeente die het niet makkelijk heeft, maar wel probeert vol te houden, in de trouw.
Deze gemeente, met die druk en tegenstand, die de best moet doen om overeind te houden
krijgt een boodschap van de Heer,
waarin Hij eerst verteld wie Hij is: de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft.
Ik ben de Heilige – de naam waarmee God zich ook liet horen aan Israël:
Ik ben de Heilige van Israël. Wees heilig, want Ik ben heilig.
Heilig – die naam geeft aan, dat er maar één God is,
en dat de God die wij dienen, de enige, de echte God is,
die deze wereld geschapen heeft en een claim heeft op deze wereld.
Deze wereld is mijn wereld en iedereen op deze wereld hoort Mij te eren, te dienen.
Voor de gemeenteleden die een heidense achtergrond hebben,
horen in de naam een appèl om dat oude leven niet meer op te zoeken,
niet meer die andere goden, waar de familie nog wel wat mee heeft,
die goden bleken niet te bestaan. Doods. Afgoden = nepgoden.
In de stad Filadelfia waren verschillende tempels die allemaal aan een godheid waren gewijd
Dat is nog wel wat anders dan hier in Oldebroek, met de verschillende kerken.
Het geloof lag op straat, maar dan wel dat andere geloof – in die doodse goden, die niet bestaan, waar ze mee opgegroeid waren en waar de familie nog in gebleven is.
Door de familie werden ze gezien als verraders, die de wereld in gevaar brachten,
omdat ze niet meer meededen in de dienst aan die goden.
Ik ben de Heilige – er is maar één God,
zo klinkt de levende stem van Christus – om moed te geven.
Je bent niet dwaas, niet achterlijk. Je hebt er goed aan gedaan om je aan Mij te geven.

Ik ben de Waarachtige – betrouwbaar, echt.
Op Mij bouw je niet tevergeefs. Echt, je hebt je niet vergist,
wat je vrienden en je familie ook beweren.
Op Mij kun je je leven bouwen en met Mij kun je sterven.
Het is geen vergissing om in Mij te geloven, je houdt jezelf niet voor de gek.
Als je familie nou naar je toekomt en zegt dat je God niet op de juiste manier dient,
laat je je dan niet van slag brengen.
Want Ik leef en Ik heb deze boodschap voor jou, voor de gemeente waartoe je behoort:
Ik ben de Heilige en Ik vraag je ook heilig te leven, alles te geven.
Ik ben betrouwbaar, de Waarachtige.
Ik vraag je het met Mij te wagen
en afstand te doen van al die andere goden die er zijn.
We kunnen ons niet voorstellen wat het inhoudt om te moeten kiezen
tussen verschillende goden,
dat we voor onszelf moeten zien uit te maken, wie de ware God is.
Op veel plaatsen op deze wereld hebben christenen daar wel mee te maken.
Dan kun je zeggen: wat maakt al die goden nou uit.
Er zijn verschillende wegen die naar Rome leiden.
Er zijn verschillende manieren om in de hemel te komen:
de ene via Jezus, de ander via Mohammed, de ander via de weg van Boeddha.

Nee, zegt de enige Heer die er is, de enige, ware God,
de Schepper van hemel en aarde.
Er is maar één weg, die weg die loopt via Mij.
Ik bepaal wie er komt.
Het zijn niet mensen die kunnen bepalen of iemand in de hemel komt.
Mensen gaan er niet over of iemand er juist niet komt.
Alleen Ik, zegt Christus, gaat daar over.
Dat is hier in tegen de gemeente van Filadelfia als bemoediging bedoeld:
Ik heb de sleutel van David – Ik heb de bevoegdheid om iemand tot de Koning toe te laten.
Ik heb de bevoegdheid om jou, om u toe te laten tot het Koninkrijk van God.
Als Ik de deur voor je open, dan hoef je niet bang te zijn
dat iemand die deur voor je kan sluiten.
Ook al zijn er genoeg op deze aarde die denken te weten
wie er wel en wie er niet in de hemel komen en die dat ook nog eens zeggen.
Ze gaan er niet over. Alleen Ik.
En als Ik de deur sluit, kunnen zij die deur niet open maken.
Mogelijk dat hier op de achtergrond speelt,
dat de gemeenteleden die door Christus bij de gemeente zijn gevoegd
de gevolgen hiervan ondervinden, omdat ze uit de familie zijn gezet, uit de synagoge.
Dan zegt de HEER: ze kunnen de band op aarde verbreken,
maar de band die er tussen ons is, kunnen ze niet verbreken. Daar ga Ik alleen over.
Die deur staat voor jullie open, zegt de HEER tegen de gemeente van Filadelfia.

De gemeenteleden in Filadelfia hadden het er niet gemakkelijk mee.
Ik ken uw werken, zegt de Heer. Ik weet wat je overkomt.
Ik zie wat je doet om toch te blijven geloven, trouw te blijven
om je niet van het spoor af te brengen.
Alle inspanningen die je doet om trouw te blijven,
wat je er voor jezelf aan doet, wat je binnen de gemeente doet, het wordt gezien.
Al denk je zelf dat het niets is, omdat de gemeente zo klein is,
in die grote wereld bij al die mensen die er niets aan doen,
al is de gemeente van geringe omvang, al lijkt het allemaal op niets uit te lopen
en lacht iedereen om dat kleine groepje dat bij elkaar gekomen is,
het is de gemeente van Christus, die dood was en levend geworden is,
die gekomen is en die zal komen – denk nooit te klein van een gemeente.
Al bestaat een gemeente maar uit enkele mensen,
wanneer dat kleine groepje het Woord van Christus bewaard,
dat koestert, daaruit leeft! – Ik ken uw werken, Ik weet wat je eraan doet en dat telt!
Blijf voor Mijn Naam staan, blijf in Mij geloven.

Want je zult bijzondere dingen meemaken:
– Je zult meemaken, dat degenen die je nu buiten de deur hebben gezet,
zullen komen in eerbied voor jullie keuze, voor de Heer die jullie dienen
en ze zullen het beamen: wat we zien is Christus liefde voor jullie.
Jullie zijn door Hem geliefd. Wij missen die liefde, jullie hebben die liefde.
– Je zult meemaken dat er een moeilijke tijd komt,
niet alleen voor jullie, maar voor heel de wereld,
maar je zult merken dat Ik jullie staande houdt, dat Mijn kracht in jullie is
en dat je geloof niet ophoudt.
Die moeilijke tijd die komt er niet zomaar,
maar die komt er omdat Ik alle macht in hemel en op aarde heb.
Dat komt uit Mijn hand, om te kijken wie er bij Mij wil horen,
wie Mij in die moeilijke tijd opzoekt en in Mij gelooft.
Als je het moeilijk hebt en je je afvraagt of je het volhoudt,
denk er dan aan dat Ik bijna kom. Het duurt niet lang meer voordat Ik kom, zegt Christus.
Ik kom er al aan. Houd je daaraan vast!
Als je gelooft, dan heb je nu al zoveel.
Wat je in de hemel krijgt, wat je van Mij krijgt, dat kan je niet meer ontgaan.

Wie overwint … dat is een bijzondere zin,
want de overwinning is niet uit ons, die krijgen wij niet voor elkaar.
Het is ook niet onze overwinning.
Het is Christus’ overwinning. Als u bij Christus blijft, als jij blijft geloven
ondanks alle moeilijkheden die er zijn – geloven is niet makkelijk –
dan mag je delen in de overwinning.
Zo’n halve eeuw werd de stad Filadelfia door een aardbeving verwoest.
Ook de vele tempels die er waren,
ondanks de zuilen die er waren, de zuilen die stonden voor de stabiliteit
waar het huis van die goden op rustten: orde, trouw, houvast.
Ook die tempels werden – ondanks de zuilen – verwoest.
Als je overwint, Ik maak je tot een zuil in de tempel in de hemel, Gods heiligdom,
een heiligdom dat nier verwoest kan worden.
Je zult dan nooit meer onderuitgaan.
Geen enkele schok kan je meer onderuit krijgen. Je staat stevig, op een ereplaats
Niet door mensen opgebouwd, maar door de HEER zelf.
Die nieuwe stad komt uit de hemel, door God gemaakt
en komt op aarde, omdat God onder mensen wil wonen,
Zijn schepselen, die Hem kwijt waren, maar weer terug gewonnen.
Iedereen mag zien dat je bij de HEERE hoort,
omdat Zijn naam op je staat.
Je wordt erbij gerekend – je hebt je op aarde al zo gedragen dat je bij Hem hoorde,

De overwinning  is gegeven, we mogen daarop vertrouwen, in de kracht van onze HEER.
Alleen als we die overwinning verkwanselen, verliezen we.
Daarom een aansporing tot slot –
Als Christus Zijn gemeente aanspreekt en aanspoort,
is dat omdat Hij Zijn gemeente binnen die poort, waar Hij de sleutel van heeft, wil houden:
daar waar het leven in Hem te vinden is,
een open poort, waardoor we kunnen binnen gaan,
een poort die alleen Hij sluit – achter ons kan sluiten om ons tegen gevaar te beschermen
een poort die Hij opent – ook voor u, voor jou, om in geloof daardoor heen te gaan.
Amen

Zangdienst 10 juli 2016

Zangdienst 10 juli 2016

Zingen: Gezang 143: 1, 2 Op bergen en in dalen

Stil gebed. Gebed

Reisdoel: Jeruzalem
In het leven zijn we op reis.
Het kan zijn dat we ons hele leven op dezelfde plek blijven wonen
en dat we nooit op vakantie gaan
toch zijn we op reis.
We blijven hier niet op deze aarde.
We zijn op weg naar een eeuwig leven.

Waar gaat de reis naar toe?
Die vraag stel je als je merkt dat iemand voorbereidingen voor vakantie maakt.
De een gaat naar Zeeland, de ander naar Duitsland, of Frankrijk.
Meestal heeft een reis een doel, een bestemming.
Je wilt ergens naar toe.

Ook de reis door het leven heeft een doel: Jeruzalem.
Dan niet het Jeruzalem op aarde, maar het hemels Jeruzalem,
de stad van God, die de Heere bij de Wederkomst uit de hemel laat neerdalen.D
De stad waar Hij zelf woont
Jeruzalem – waar God tussen de mensen wil wonen.
Dat is het doel van de reis.
Een reis met een bijzondere bestemming: het hemels Jeruzalem.
Gaat u mee op reis?
Als u mee gaat op reis naar dat einddoel – Jeruzalem – bent u een pelgrim.
Een pelgrim is iemand die reist naar een bijzondere plek,
waar hij verwacht God te ontmoeten.
Zo gaan we naar Jeruzalem, door dit leven naar de stad van God.
Gaat u mee op reis?

Zingen: Psalm 122: 1, 2, 3

In het boek van de Psalmen staan ook pelgrimsliederen,
psalmen die werden gezongen tijdens de reis naar Jeruzalem.
Liederen Hamaäloth (Psalm 120-134) – liederen van de opgang, het omhoog klimmen.
Jeruzalem, de stad met de tempel, het huis van God, lag op een berg.
Daar te komen was een hele klim,
een reis met inspanning.

Deze pelgrimsliederen, de liederen Hamaäloth, liederen van de opgang
beginnen met het startpunt: waar we vandaan komen.
Dat kun je vragen aan de mensen die je onderweg tegenkomt:
Waar kom jij vandaan?
En dan vertellen ze, wat ze achter hebben gelaten.
Wat hun thuis is.
Ik ken iemand, die bij het vertrek al heimwee heeft.
Hij gaat op vakantie mee voor zijn vrouw.
Niet langer dan een week en niet te ver weg.
Het mooiste moment is als hij zijn straat weer inrijdt – hij komt weer thuis.
In Psalm 120 is er geen thuis.
De pelgrim die vertrekt naar Jeruzalem is blij te kunnen gaan:

– Lezen van Psalm 120 –

Mesech – dat is een plaats die we moeten zoeken in Noord-Turkije, bij de grens met Rusland
Kedar – een stam van bedoeïenen, in de woestijn in Arabië.
De rand van de bewoonde wereld.
‘Zij vertegenwoordigen het vreemde, het vijandige.’ (Eugene Peterson)
We zouden ook kunnen zeggen: Ik woon te midden van de relschoppers en de halve wilden.
Deze wereld is niet mijn thuis; ik wil hier weg.
Een pelgrim woont en leeft hier wel, maar heeft hier geen thuis.
Het thuis, dat is in de stad van God, in Jeruzalem.
Onze bestemming, dat zal ons thuis zijn, thuis bij God.
Daarom gaan we op reis, op weg naar ons thuis.
We nemen elkaar mee op deze reis, daarom zingen we:

Gezang 217: 1, 2, 3 Komt, laat ons voort’gaan, kind’ren

Gebed

De weg naar Jeruzalem hebben we niet zelf bedacht.
Soms is het wel zoeken naar die weg, maar die weg is er al.
En er gaat iemand voor op die weg: Jezus.
Zonder Zijn hulp kunnen we niet. We gaan achter Hem aan.

Zingen: Op Toonhoogte 403 ‘k Heb Jezus nodig

Ik ga op reis en neem (niet) mee
Op reis kun je niet alles meenemen.
Je kunt wat je hier hebt voor even meenemen,
maar er komt een moment waarop we al onze spullen die dierbaar zijn achterlaten.
Alles wat je hier verzameld hebt, al je geld, je huis, je bezit – je kan niets meenemen.
Als we aankomen, moeten we zelfs afscheid nemen van familie,
van vader, moeder, kind, broer, zus, vriend, vriendin.
Dat is misschien wel het allermoeilijkste van het pelgrim-zijn.
Wat we wel meenemen is onszelf.
We kunnen zwak, belast en beladen zijn en neergedrukt door de zorgen die we zijn.
We stoppen, omdat we de kracht niet hebben om verder te gaan.
We zie het niet zitten.
We kunnen de weg kwijtraken of de weg die Christus ons wijst niet willen gaan.
Maar goed dat we in Christus een vriend hebben,
die onze schuld op zich heeft genomen,
die verlossing geeft, ons lijden draagt.
Vergeet u Hem niet mee te nemen op de reis
en Hem om hulp te vragen?

Zingen: Op Toonhoogte 165 Welk een vriend is onze Jezus

Bergen onderweg
Een reis maken is niet altijd makkelijk.
Soms is dat juist een uitdaging, om met de verrassingen onderweg om te gaan.
Soms heb je te maken met tegenslagen.
Je hebt een bepaalde route gekozen, maar die weg blijkt niet mogelijk.
Op weg naar Jeruzalem waren er bergen, die op de weg stonden
en een blokkade vormden.
Er kunnen verschillende bergen zijn:
Dat kan een mens zijn, die voor jou de weg naar God belemmert.
Dat kan je eigen zwakte zijn, die je niet weet te overwinnen.
Je kan van slag raken van de tegenslagen en tegenstand onderweg.
Kijk ik omhoog naar die bergen, dan weet ik niet hoe ik daar overheen moet komen.
Ik zie alleen maar machtige bergen, die een enorme blokkade vormen.
Wie zal mij helpen?
Wie zal mij beschermen onderweg?

– lezen Psalm 121 –

Hij, onze Heere, onze bewaarder, zal onze weg leiden,
tot we bij Hem uitkomen.
We zingen: Johannes de Heer 5 Al de weg leidt mij mijn Heiland

Belijdenis
Wat moet gij noodzakelijk weten om in met deze houvast godvruchtig te leven en vol vertrouwen te sterven?
Drie dingen: Allereerst dat ik een balling ben, ver van huis, ver van God.
Dat is mijn ellende. Oorspronkelijk betekent dit woord ook uit-landig.
Ik ben ver mijn vaderland, ik ben niet meer thuis.
Dat is mijn misère.
Maar er is ook iemand die mij thuisbrengt en daarom mij verlost mijn van ellende,
mijn ballingschap opheft en mij in het hemels Jeruzalem zal brengen.
Daarom zal ik mijn hele leven verder God dankbaar zijn voor deze redding en verlossing.

We zingen: Op Toonhoogte 150: 1, 4 Heer, U bent mijn leven

Samen
Ik zou nooit alleen op reis kunnen gaan.
Dat is saai, maar bovenal veel moeilijker dan een reis samen.
Goed, als je samen bent, moet je ook wel eens op elkaar wachten,
maar als je samen bent, kun je ook elkaar helpen, aanspreken, stimuleren, meenemen.
Daarom heeft Christus ons een gemeente gegeven,
die met ons meegaat,
anderen door wie wij meegenomen worden
en anderen die wij weer meenemen.

We zingen: Gezang 116: 1, 2, 3, 7 Door de nacht van strijd en zorgen

Schriftlezing: Psalm 84

Zingen: Psalm 84: 3, 4 (collecte)

Overdenking: “Daar zal ik mijn Heer ontmoeten”
Onderweg kunnen we al een hele voorstelling maken van ons reisdoel.
Hoe zal het zijn om daar aan te komen?
Hoe zal het zijn, daar in het hemels Jeruzalem?
Hoe zal het zijn om God daar te ontmoeten?
En degenen die er nu al zijn, die ons zijn voorgegaan, hoe zullen zij het hebben?
Dat einddoel, dat hemels Jeruzalem, dat trekt:
Hoe lieflijk zijn uw woningen

Als ik er aan denk hoe het is om bij U te zijn, dan voel ik de liefde die er in Uw huis is.
Een weldadigheid om bij U te zijn,
daar is heel Uw huis vol van.
Wat verlang ik er naar om daar te zijn, in die atmosfeer van Uw liefde,
waarmee heel Uw huis vervuld is.
Ik zou geen betere plek op aarde weten.
Dat verlangen om U te ontmoeten en bij U te zijn,
niet alleen gast te zijn, maar voor altijd bij U thuis,
dat verlangen dat brandt in mijn ziel als een kracht, die mij voortdrijft naar U.
Met heel mijn bestaan verlang ik naar U.
Nu in de geest, in mijn gedachten beeld ik mij in hoe het is om U te ontmoeten,
om bij U te zijn.
Wat moet het bijzonder zijn om U ook van aangezicht tot aangezicht te mogen zien,
U te ontmoeten waar U bent.
Zolang ik niet bij U ben, roepen mijn ziel en mijn lichaam om U.
Als een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar U.
U alleen kunt mijn hart vervullen, mijn aanbidding is voor U.

Ik denk eraan, wie er allemaal bij U zijn.
Ze komen overal vandaan.
Daar, bij U, daar zijn de zwaluwen, die over heel de wereld hebben gezworven,
trekvogels, die veel van de wereld hebben gezien
en veel over Uw wereld kunnen vertellen.
Ze hebben op deze wereld maar één plek, waar ze echt thuis zijn: daar bij U.
Ze kunnen uitvliegen en veel zien op Uw wijde wereld,
maar er is één plek die ze bindt en een thuis geeft: bij U, in Uw woning.
Daar zijn de musjes.
Ze vallen bijna niemand op.
Niemand kan de musjes van elkaar onderscheiden, ze lijken zo op elkaar.
En toch, ze zijn niet te eenvoudig om bij U te zijn.
Al die duizenden tezamen, roept de Heer bij hunne namen.
En niet één ontglipt Zijn oog.
Aan die duizenden tezamen heeft de Heer een welgevallen
en ook u bemint Hij teer.
Wat verlang ik er naar om daar te zijn, in die atmosfeer van Uw liefde,
waarmee heel Uw huis vervuld is.
Ik zou geen betere plek op aarde weten.
Als je daar woont, dan kun je toch niet anders dan gelukkig zijn.
Wat moet je gelukkig zijn, om daar te komen,
in Jeruzalem, bij God. Daar zal ik mijn Heer ontmoeten.
Terwijl ik nog onderweg ben, voel ik al dat ik die ontmoeting mij trekt, vooruit helpt.
Nu al, onderweg, merk ik al Zijn aanwezigheid,
en ervaar ik, dat Hij mij beschermt, de weg wijst, een plek is om te zijn, te schuilen.
In gedachten snel ik al vooruit, naar dat moment, dat ik Hem ontmoet,
mijn Heer, mijn heiland.
In mijn hart is er maar één bestemming, die mijn leven de richting aanwijst.

Makkelijk is de reis niet.
Een weg over bergen heen, door dalen.
Een reis, waar soms de zon ongenadig brandt,
in deze wereld, de wereld van Mesech en Kedar is er niet altijd een plek
waar over U verteld wordt, waar men met U rekent en op U hoopt.
En daarom is er niet altijd een plek om op krachten te komen,
mijn geloof te versterken, weer nieuwe moed en hoop te krijgen.
Een dal vol dorheid – en toch, daar bent U reeds.
Niet pas in het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel komt,
maar hier, in dat dal bent U het, die mij nieuwe kracht geeft,
een weldadige bron, waar ik mijn dorst naar U kan lessen.
De woestijn die ik om mij heen zie, die er nog steeds is,
het is voor mij niet meer een gebied om te wanhopen en de moed te verliezen,
maar dat blijft voor altijd een plek om te herinneren,
omdat U daar was, juist toen ik niet verder kom,
was U daar – het dal van de wanhoop, van de vertwijfeling,
waar ik gestopt zou zijn, werd een dal waar U zelf verscheen.
Door U gesterkt ga ik weer verder, op weg, naar Jeruzalem,
om daar voor altijd bij U te zijn.

De weg is nog lang, Heere. Ik vraag U: geef mij vaker zo’n oase van Uw komst,
zodat ik gesterkt verder kan gaan en niet stilval.
Laat elke keer als de leegte om mij heen mij overvalt, mij bij U uitkomen.
Verlies mij nooit uit het oog.
Als U uit de hemel kijkt over Uw wereld, zie mij dan ook.
Zie dan hoe ik Uw weg wil gaan en wees er dan bij, op Uw weg, die ik wil gaan.
Ik wil niet in Mesech blijven wonen, in Kedar,
waar men U niet kent, waar men er niet om rouwt niet bij u te zijn.
Hoe mooi ze het leven zonder U ook voorspiegelen,
Ik zou dat nooit willen, ik kan dat niet.Dat is voor mij geen leven.
Er is voor mij maar één levensdoel: Jeruzalem. Daar zal ik mijn Heer ontmoeten.

Want God, de HEERE, is een zon en een schild.
De Heere zal genade en eer geven, Hij zal het goede niet onthouden
Wie in oprechtheid Zijn weg gaat.
HEERE van de legermachten. welzalig Hij die op U vertrouwt.Amen



Zingen: Psalm 89: 7, 8

Aankomen
Voor de een kan de reis heel lang zijn, omdat ze een gezegende leeftijd bereiken.
Voor een ander een korte reis.
Hoe lang of hoe kort de reis door het leven ook duurde,
de aankomst zal een bijzonder moment zijn.
Hier hebben we heel ons leven naar verlangd,
of als we later zijn gaan geloven: dit is ons reisdoel geworden.
Op weg naar de stad van God, het hemels Jeruzalem.
Wat zal het zijn, om daar voor de poort te mogen staan
en dan bij de Heere te komen, de poort die open staat
en dan Hem, onze Heere te mogen ontmoeten.
We gaan daarover zingen: Ik zie een poort wijd open staan

Gebed

Lichtstad met uw paarlen poorten

Zegen



 

Preek zondag 3 juli 2016
Psalm 119: 37: Wend mijn ogen af, zodat zij niet zien wat nutteloos is.
Maak mij levend door Uw woord.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Enige tijd geleden hoorde ik Robert Maaskant, een voetbaltrainer, vertellen
dat een van de taken van een trainer is: het in concentratie brengen van een speler.
Die taak is voor elke wedstrijd van belang,
maar helemaal in een wedstrijd waar er wat op het spel staat:
als een elftal kampioen kan worden.
Hij vertelde dat hij dan lette op de kleine details: of iemand zijn sokken anders doet,
naar de kapper is geweest voor een bijzonder kapsel om op te vallen
en dan iemand aansprak: Hou je kop erbij, want je bent al met iets anders bezig:
met de roem en de glorie van de overwinning,
terwijl de wedstrijd nog gespeeld moet worden.
Concentratie is het belangrijkste in sport – stelde hij.
Hoe waar die woorden waren, bleek die middag toen het Ajax niet lukte
om van De Graafschap te winnen en de concurrent PSV – onverwacht – toch kampioen werd.

Ik vind zulke gesprekken van groot belang, omdat ik daar veel van kan leren over geloof.
Het in concentratie brengen is een belangrijke taak voor de zondagse eredienst,
van de preek, van het huisbezoek.
Concentratie: je kop erbij houden.
We zouden ook kunnen zeggen: innerlijke discipline, je gedachten in de hand hebben,
leven in het nu – en niet alvast vooruit.
Dus nu bezig met het luisteren naar de preek, bezig met Gods woord
En als u alvast vooruit denkt naar de komende week,
bezig zijn met wat u nu hoort, kunt meenemen naar de volgende week.
Het valt me op in de kerk dat we vaak bezig zijn met de toekomst,
met wat nog moet komen, in plaats van wat er nu van ons gevraagd wordt.
We denken na over kerk2025 – en dat is heel belangrijk,
maar niet om kerk2016 te ontlopen.
We kunnen ook nadenken over een toekomst, waarvan we weten
dat het niet reëel is om dat te verwachten, maar we hopen er wel op:
Als het koor van de Dorpskerk maar weer eens vol zit.
Als degenen die zich hebben laten overschrijven naar andere kerken eens terugkomen.
Die verwachting kan opspelen als een predikant in een gemeente beroepen wordt:
Deze predikant zal ervoor zorgen dat de kerk weer vol is met jeugd, met jonge gezinnen.
Het zijn begrijpelijke verlangens,
maar ze kunnen het zicht benemen op wat er nu van ons gevraagd wordt:
We kunnen onze taak verwaarlozen, omdat we niet bezig zijn
met wat nu in deze tijd, vandaag, morgen, van ons gevraagd wordt, als kerk, als gelovige.
Wanneer we bezig zijn met de toekomst, zonder bezig te zijn met nu
zijn we kwetsbaar in ons geloof en kunnen we afgeleid worden,
zoals Engeland niet gefocust was op de wedstrijd tegen IJsland
en België dacht Wales wel even opzij te zetten na de vorige makkelijke overwinning.
Ook in het leven met Christus zijn we dan kwetsbaar
en kunnen we verrast te worden door Gods tegenstander
omdat we de concentratie niet hebben, onze kop er niet bij, geen innerlijke discipline,
maar alvast vooruit bezig zijn.
We zijn bezig met een toekomst, die we nog niet hebben
en die we daardoor – door dat gebrek aan concentratie – kunnen mislopen
en afgeleid worden van de weg, die Christus ons wijst
en die wij in gehoorzaamheid dienen te gaan.

Dat is verleiding.
Dat woord – verleiding – betekent: je wordt van de juiste weg af gebracht,
door een advies dat iemand geeft op het verkeerde been gezet: af-geleid van de weg.
Verleiding heeft ook iets: het wordt je mooier voorgespiegeld dan het is.
In het boek Spreuken kan dat een vrouw zijn:
Je ziet een vrouw, die er knap uitziet en je gaat als man op haar avances in,
omdat ze de suggestie wekt dat er iets spannends kan ontstaan tussen jullie.
Je bent al bezig met die fantastische toekomst met jullie samen.
Zonder dat je haar echt kent, ga je op haar avances in en ga je mee
en word je van de weg afgeleid.
Tijdens de woestijnreis is dat een beeld van God.
Als we een beeld maken van God, dan weten we zeker dat Hij in ons midden is.
Dan hebben we iets te zien,
dan is Hij concreet, zichtbaar en tastbaar in ons midden
en kan de glans van dat beeld over ons heen vallen.
Alle juwelen die het volk heeft worden afgestaan om dit beeld te maken.
Het volk dacht God nu eindelijk in het midden te hebben.
Niet meer daar hoog op de berg, onbereikbaar voor het volk, alleen via Mozes contact.
Het wist zeker: als dit beeld meegaat, dan weten we dat de HEERE meegaat.
Een optische illusie: je denkt iets te zien, maar je houdt je voor de gek.
Een lege huls: je hebt de buitenkant – een gouden beeld, maar er zit geen god in,
zelfs geen leven.
Je wordt ver-leid: je hebt het idee, dat je God bij je hebt, maar je bent Hem kwijt.
Je hebt alleen een prachtig beeld, zonder inhoud, leeg, doods.
IJdel – heet dat in de oude Statenvertaling.
Dat komt van idel (vruchteloos, zonder effect, het lijkt wat maar je hebt er niets aan).
We kennen dat nog als we het nu over ijdel hebben: iemand die voordoet alsof hij heel wat is, maar ondertussen zichzelf belangrijker maakt dan hij is.

En toch kunnen we er intrappen: dat we niet doorhebben dat het ijdel, leeg is,
dat je er in meegaat en dat je het niet doorhebt
dat je op die manier van de weg wordt af-geleid, dat je wordt ver-leid.
De afgoden, in het Hebreeuws het woord ‘ijdel’, ‘leegte’
– ze werden elke keer weer van stal gehaald, omdat ze de illusie gaven
van God binnen handbereik, een aanraakbare God – niet ver weg of hoogverheven.
En daarmee is een gelukkig leven, is zegen binnen handbereik.
Als het niet voor een tijd zou werken, zou het geen verleiding zijn.
De duivel maakt gebruik van leegte die heel wat lijkt
om ons van de weg af te leiden
en is er heel goed in om ons voor te spiegelen dat het heel wat is.
Hij is er goed in om de leegheid, de doodsheid te camoufleren, te verbergen
door het heel wat te laten lijken, maar het is nutteloos, leeg, ijdel.

Wees daarom kritisch op wat uw ogen zien, zodat u niet in de optische illusies trapt.
En leer uw kinderen kritisch te kijken naar wat ze zien
op tv, op internet, op reclameborden langs de weg, wat vrienden of klasgenoten laten zien.
Leer hen de discipline die nodig is voor een discipel van Christus:
de discipline om niet te ver vooruit te kijken, niet weg te dromen,
niet alleen met een verre toekomst bezig te zijn,
maar met de weg die God je wijst.

Daarom wordt gebeden om bescherming voor onze ogen,
zodat onze ogen niet de optische illusie opvangen,
een concentratie op de weg is, zodat we er geen oog voor hebben
voor wat ons van de weg van Christus kan afhouden.
Houd mijn ogen af van wat leeg is (NBV) – Wend mijn ogen af van wat nutteloos is.
Laat mijn ogen dat beeld niet opvangen, want anders loop ik het risico
dat ik er toch iets in ga zien en dat ik er in meega en zo afdwaal van de weg.
Verleiding heeft te maken met betovering: het fascineert.
Je ogen vangen het op en je gaat er over fantaseren: als ik het heb, als ik meedoe.
Of je vormt in jezelf er een innerlijk beeld van: als ik heb heb, als ik er aan meedoe,
dan heb ik het pas goed, dan leef ik echt, dan voel ik dat ik leef.
Reclame – zeker op tv – maakt daar volop gebruik van
door een ideale wereld voor te stellen: een harmonieus gezin, een prettige stemming,
pijn, zorgen, ingewikkelde keuzes – ze zijn niet nodig; je kunt voelen dat je leeft
en het is binnen handbereik. Zo te verkrijgen.
Er wordt een appèl gedaan op verlangen.
Het verlangen is terecht, maar niet zo makkelijk te vervullen als voorgesteld
en daarom een leegte, ijdel.
Als je er teveel oog voor hebt, kan het schadelijk voor je zijn.
Als je alleen maar beelden van een gelukkige familie ziet
– een vader, moeder en natuurlijk een zoon en een dochter –
kun je twijfelen of je het zelf in je eigen gezin wel goed doet, met die spanningen
je verlangt naar een harmonie, zoals die alleen bij geslaagde reclames bestaat,
waardoor je vergeet je af te vragen of God er een bedoeling mee heeft
met jouw geworstel met het bestaan dat verre van perfect is,
Waar je het zelf moeilijk mee hebt, omdat je niet weet hoe je het goed doen.
Terwijl dat juist een reden kan zijn, waarom de Heere u deze taak geeft.

Een afgod en ook de verleiding die de duivel gebruikt is vaak het voorspiegelen
van een perfect leven, een leven waarin je geslaagd bent,
waar je niet tegen je tekorten oploopt,
geen last hebt van je ongeloof of onvermogen om God met ijver te dienen.
De suggestie wordt gewekt dat het je goed afgaat.
Een leegte, omdat het hier niet bereikt wordt.
Nutteloos, omdat je iets najaagt, wat je hier niet kunt bereiken, omdat het pas in de hemel is.
Houd mijn ogen af van wat leeg is – dat is ook een gebed
om te mogen zien wat mijn taak is in het hier en nu,
in dat leven dat verre van perfect is, maar wel een leven waarin de Heere mij leidt
en mij vraagt in dit spoor te gaan, dat Hij mij wijst
en niet een weg die kiezen, dat iets mooiers belooft, maar wel een weg bij God vandaan.

Verleiding heeft te maken met betovering: het fascineert.
Je ogen vangen het op en je gaat er over fantaseren: als ik het heb, als ik meedoe.
Of je vormt in jezelf er een innerlijk beeld van: als ik heb heb, als ik er aan meedoe,
dan heb ik het pas goed, dan leef ik echt, dan voel ik dat ik leef.
Je kunt er kwetsbaar voor zijn, machteloos voor de beïnvloeding.
We zijn niet altijd zo sterk.
Het vraagt om een strijd tegen deze wereld, die vaak zoveel belooft,
maar als het er op aankomt, die belofte niet waarmaakt.
Het is de strijd tegen de duivel, die van die listen gebruik maakt,
omdat hij onze zwakheden kent en het ons niet gunt
dat we een gelukkig leven het Christus hebben, die onze ogen opent voor die illusies.
We vechten tegen onszelf, die vaak er toch intrappen.
Het willen geloven dat die illusie waar is, ook al weten we dat het niet kan.
Alleen redden we het niet.
Daarom is het een gebed, een vraag aan God die sterker is dan de verleiding,
die de listen van deze wereld doorziet.
Een vraag aan God dat Hij ons leven zo bestuurt,
Dat we niet in verleiding komen
Onze Heere heeft ons leren bidden: – leid ons niet in verzoeking
Wij kunnen dat niet aan.
Wij doorzien niet.
En dat kan ook zo van onszelf tegenvallen.
Overkomt het me weer, trap ik er weer in
en ik probeer nog zo mijn best te doen, scherp te zijn.
Ik scoor het eerste doelpunt en gelijk denk ik wel dat ik het weer kan
en dan, terwijl ik denk dat ik het aankan, kantelt de wedstrijd
en ben ik niet meer scherp en verlies ik in korte tijd mijn concentratie,
mijn gerichtheid op Christus.

We hebben een macht in ons nodig, die ons helpt,
die voor ons de illusies ontmaskert, de schone schijn doorprikt.
Die laat zien wat echt leven is
en dat dat echte leven alleen bij God te vinden is.
Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.
Een gebed om God, dat Hij de teugels in handen neemt, ook van onze zintuigen.
Stuur onze ogen een andere kant op.
Laat onze ogen niet alle prikkels opvangen die er zijn in deze wereld.
Maar geef ons een concentratie, een innerlijke concentratie op het leven met u.
En als we met onze hoofd ergens anders zijn,
verkeerd kijken, te ver vooruit, zorg er dan voor dat we onze kop erbij houden.

Het is tegelijkertijd een gebed om inzicht – om openbaring, d.w.z. bekendmaking
van de weg: laat mij zien wat mijn weg is – uw weg die u mij wijst.
Laat die weg mij voor mij aanlokkelijk zijn, zodat het leven met U
hier op deze aarde al zo goed is, dat ik die weg wil gaan,
met heel mijn hart, met al mijn kracht, met alles wat ik heb.
Dat de Geest ons laat zien dat het leven met Christus fascineert, betovert.
Dat het voor ons als gelovige net zo is als bij Mabinty Bangura.
Zij woonde in een weeshuis
Toen zij 4 jaar oud was, zag zij een foto die haar leven veranderde.
Het was een westers magazine, met een foto van een ballerina.
‘Zo wil ik worden!’ dacht ze.
Ze scheurde de foto uit en stopte die in haar onderbroek,
zodat ze die foto altijd bij haar had en nooit zou kwijtraken.
Deze foto verbeeldde voor haar de hoop op een ander leven, op vrijheid,
op een langer leven dan in een Sierra Leoons kindertehuis gebruikelijk was.
Er kwam een Joods echtpaar uit de VS
dat haar meenam en haar een nieuwe naam gaf: Michaela DePrince.
Zo kwam Mabinty in New Jersey te wonen.
Daar bleek ze niet alleen liefde voor ballet te hebben, maar ook talent.
16 jaar nadat ze de foto zag, tekende ze een contract bij het Dance Theatre of Harlem
en was ze professioneel ballerina.

Een foto fascineert, aantrekkingskracht heeft,
een richting aangeeft en ook hoop op een ander leven biedt.
Laat mij uw wegen gaan en leven.
Voor christen is dat Christus – ik richt mij op Hem.
Laat mij op Hem geconcentreerd zijn.
Jezus die zelf ook verzocht werd door de duivel in de woestijn,
voor hij begon aan zijn rondwandeling.
Om van stenen brood te maken,
om van de tempel te springen,
om voor de duivel te knielen en zo alle koninkrijken op aarde te verkrijgen.
Laat mij elke dag het voorbeeld van Christus
en de strijd van onze Heer mij tot voorbeeld zijn.
Maar Hij is meer dan een voorbeeld alleen.
Hij kwam ook om ons te redden van een leeg leven, van een nutteloos leven,
een leven dat doods was, verloren.
Mijn Jezus, mijn redder.
Ik ben vrijgekocht en de prijs was hoog: Hij moest dat met Zijn leven betalen.
Het heeft Hem veel gekost, om ons vrij te kopen en te redden.
Laat mij het pad van uw geboden gaan.
Laat mij de strijd aangaan
en als ik dan toch weer in zonde val, toch kijk
en toch weer geloof in die illusie en van de weg naar het leven afwijk,
omdat ik gekozen heb voor een heilloze weg
open dan mijn ogen, roep mij terug, zet mij met mijn beide voeten op de grond.
Neem de illusie van mij af, ook al zal dat op dat moment een groot verlies zijn.
Laat mij niet aan de genade twijfelen en in de zonde blijven,
maar geef mij dan weer Uw Geest, zodat ik Uw weg ga, de weg naar het leven.
Maak mij levend door Uw Woord.
Het is een gebed – om uit de dood op te staan, uit het zinloze leven
en het echte leven, met God, in Christus weer te mogen hebben.
Geef mij de discipline, de concentratie op Christus.
Spreek mij aan, roep mij terug op uw weg, noem mij bij mijn naam.

En of een mens al diep verloren
en ver van U verzworven is,
Gij noemt zijn naam, hij is herboren,
vernieuwd door uw getuigenis.
Uw woord, dat spreekt uit alle talen,
heeft uit het graf ons opgericht,
doet ons in vrijheid ademhalen
en leven voor uw aangezicht.
Amen