Preek zondag 13 oktober 2019

Preek zondag 13 oktober 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Genesis 28:10-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je vader of moeder wordt, verandert er veel in je leven.
Je ontvangt iets moois uit Gods hand: een zoon of een dochter,
Waar je gelijk al van houdt, waar je zo mee verbonden bent.
Net of je zoon of dochter er altijd is geweest. Niet meer weg te denken.
Dat je het bijzonder zou vinden om een zoon of dochter te ontvangen
had je van te voren wel kunnen bedenken, maar dat je zó gelukkig zou worden?

Als je een kind mag ontvangen, maakt je dat niet alleen heel gelukkig,
maar ook heel verantwoordelijk.
Dit kind, dat je van de Heere hebt gekregen, is van jou afhankelijk.
En jij als vader of moeder hebt de taak om je kind op te voeden.
Kun je dat wel?
Er komt een moment, waarop je zoon of dochter het huis uit zal gaan.
Je wilt er nu vast nog niet aan denken, zo klein als hij of zij is.
Je wilt eerst van je kind genieten, je kind zien opgroeien.
Dat is voor later pas.

Als je vader of moeder wordt, ga je wel over later nadenken is mijn ervaring.
Hoe zal het leven van je kind zijn? In welke tijd groeit het op?
Wat zul je er zelf als vader of moeder van meemaken?

Als je aan ouders vraagt, wat ze van hun kind willen meemaken,
is het antwoord meestal: Ik wil mijn zoon of dochter zien opgroeien.
Totdat hij of zij volwassen is.
Als ik maar kan meemaken dat hij of zij tot haar bestemming komt.
Niet dat je de tijd daarna niet wilt meemaken,
maar dan kunnen ze in ieder geval op eigen benen staan
En zijn ze niet meer van je afhankelijk
En weet je wat er van je kind terecht komt.

Weten wat er van je kind terecht komt: dat is er voor Izaäk en Rebekka niet bij.
Want ze sturen Jakob weg naar het gebied, aar zijn moeder Rebekka vandaan kwam.
Hij gaat terug over de weg die Abram gegaan was naar Kanaän toe,
op het bevel van de Heere.
Jakob gaat de weg, die Eliëzer de knecht eerder was gegaan,
om voor de vader van Jakob een vrouw te zoeken in het land waar Abram vandaan kwam.
Waarom gaat Jakob weg?
Het is niet zijn eigen idee. Zijn vader en moeder sturen hem op pad.
Rebekka stuurt haar zoon, de zoon van wie ze zoveel houdt, naar haar eigen familie,
omdat ze bang is dat Ezau Jakob zou doden.
Izaäk stuurt Jakob niet weg, omdat hij bang is dat Ezau hem zou doden
zodra Izaäk overleden zou zijn.
Izaäk stuurt Jakob weg, omdat hij bang is dat Jakob net als Ezau
een vrouw zou kiezen hier uit de buurt, een vrouw uit de Kanaänieten.
Blijkbaar zijn de ogen van Izaäk opengegaan voor dat de keuze die Ezau maakte,
geen goede keuze is geweest.
(Het hoofdstuk waarin Izaäk Jakob zegent, terwijl hij Ezau had willen zegenen,
heb ik overgeslagen, omdat ik het niet voor elkaar zou krijgen
een preek te maken in een doopdienst.
Ik ben wel met dat hoofdstuk bezig geweest.
Ik ontdekte de Joodse uitleg, die aangaf dat Izaäk blind geworden was,
omdat hij zo graag keek naar zijn zoon Ezau die steeds verkeerde keuzes maakte,
blindgeworden door de zonde van zijn zoon Ezau door de vingers te zien.)
Nu zijn Izaäk en Rebekka samen in hun besluit om Jakob weg te sturen,
Ze konden het nooit eens worden in de voorkeur voor hun zonen
en konden elkaar tegenwerken, maar nu zijn ze een.
Daar gaat Jakob.
Nu moet hij zijn eigen weg gaan, zonder dat hij weet of hij ooit nog bij zijn ouders terugkomt.
Hij heeft de zegen ontvangen en daarmee de belofte van God dat dit land van hem is.
Nu Jakob gaat, is daar weinig van over.
Veel heeft hij niet bij zich. Alleen gaat hij op pad.
Een eenzame reiziger, die zijn eigen weg moet gaan, zijn eigen bestemming moet vinden.
Een vluchteling misschien zelfs, die er gauw vandoor moet gaan, om zijn leven te redden.
Zo moeten zijn ouders hem laten gaan, zonder dat ze weten of ze hem nog eens zullen zien.
Daar gaat Jakob, een reis vol onzekerheid, zonder te weten wat hem brengt.
De eindbestemming weet hij wel, maar de weg is vol gevaren.
Zal hij komen op de plaats waar zijn ouders hem naar toe gestuurd hebben?

Gaat hij wel alleen? Als gelovigen zullen we toch zeggen dat de Heere meegaat
op de reis die hij gaat afleggen?
Zijn vader heeft hem toch gezegend voor hij weg ging.

De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen.
De Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar.
De Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. 

de Heer zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. 

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen. 

De Heer zij boven u om u te zegenen.
Zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid.

De zegen is in het Oude Testament altijd meer dan een goede wens,
zo’n wens die je als ouders ook kunt hebben voor je kind:
Ik hoop dat mijn zoon of dochter gelukkig wordt, een goed, fijn leven heeft.
De zegen is meer dan zo’n wens.
Met de zegen vertrouw je iemand toe in Gods handen.
Je brengt iemand voor de Heere en zegt: neemt U de zorg voor Uw rekening!
Dat zullen jullie vanmorgen ook tegen de Heere zeggen als het om je kind gaat.
Alleen als we in die verhalen over Jakob lezen tot nu toe,
horen we niet zoveel over wat de Heere doet.
We denken vaak dat de mensen in de Bijbel elke dag Gods stem hoorden,
maar in het leven van Jakob was God aanwezig zoals bij ons.
Je weet dat Hij er is, er zijn momenten dat je Hem ervaart
op momenten van geluk, zoals wanneer je kind geboren wordt, of gedoopt wordt,
of op moeilijke momenten, wanneer je ervaart dat je gedragen wordt.
Jakob moet dat in geloof aannemen, zoals wij dat ook moeten doen,
omdat we over Hem gehoord, omdat je bij anderen en bij jezelf gezien hebt
dat God werkt, maar zonder God gezien te hebben.
Zo moet Jakob gaan, in het geloof dat God meegaat,
door de zegen van zijn vader aan de bescherming van God is opgedragen.

Na een dag reizen gaat de zon onder.
Dat is meer dan alleen een aanduiding van tijd, dat de dag bijna voorbij is.
Het zegt ook iets over hoe het leven van Jakob gaat verlopen.
Dat de zon in zijn leven ontbreekt, dat de tijd dat hij weg is uit het land,
doorbrengt in één lange nacht.
Want pas bij terugkeer in het door God beloofde land wordt verteld dat de zon weer opkomt.
Het is een grote, onzekere tijd voor Jakob, waarbij hij niet weet of God er zal zijn.
Zo legt Jakob zich te slapen als eenzame reiziger in het open veld,
waarbij hij zomaar overvallen kan worden door rovers of wilde dieren.
Misschien heeft hij toen hij daar in slaap viel, met een steen onder zijn hoofd,
wel gedacht aan de tijd dat hij een klein kind was en door zijn moeder ingestopt werd,
waarbij zijn moeder een gebedje voor hem zong:
Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.
Op bepaalde kritieke momenten in je leven kan zo boven komen
wat je als kind van je ouders hebt geleerd, zoals je in de nacht toevertrouwen aan God.
Ook dat weten we trouwens niet of hij gebeden heeft.
Het kan ook zijn dat hij te moe was van het reizen om te bidden en gelijk in slaap viel.

Het wordt wel een bijzondere nacht,
een nacht die hij nooit meer vergeten zal en een nacht die hij nooit meer wil vergeten.
In de Bijbel is geloof vaak niet iets dat je komt aanwaaien als het je voor de wind gaat,
maar dat je vindt als je op een dieptepunt bent aangekomen, op een nulpunt,
Als je zelf niet verder kunt.
Dat je dan geloof vindt, onverwachts. Of nog beter: dat God jou vindt.
Zo is het ook met Jakob.
Als hij daar slaapt in het open veld, als hij op zijn kwetsbaarst is, gaat de hemel open.
Deze plaats is een poort naar de hemel, zal Jakob later zeggen.
Het gebeurt in een droom, maar voor Jakob zo echt dat hij God zelf ontmoet in die droom.
Hij ziet een ladder, of een grote brede trap die uit de hemel naar de aarde wordt geschoven
En op die ladder gaan de engelen van boven naar beneden.
Het moet wel een heel bijzonder moment voor Jakob zijn geweest,
Een intens, een heilig moment,
waarop je alleen maar verbaasd kunt zijn dat je dit mag meemaken.
Of sterker nog, zoals Jakob dat overkomt, dat hij bevreesd is.
Een heilige plek, waar Jakob God zelf krijgt te zien.
Niet helemaal duidelijk waar God staat: of boven aan de trap of op aarde bij Jakob.
Maar wel dat Jakob, die alleen op reis is en al slapend heel kwetsbaar is,
geborgen is in Gods aanwezigheid, veilig in Gods heilige nabijheid.
Dat is ook wat je als ouders in de doop voor je kind op hoopt,
dat je kind zo geborgen is in de aanwezigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest
En zo heel het leven door in Gods aanwezigheid mag leven,
Die in de hemel is, maar ook op aarde.
Dat Hij zo over je waakt.
In de afgelopen week hebben we weer hier in ons dorp kunnen merken,
dat hoe nodig we de bescherming van de Heere hebben.
Ik denk dat de ouders hier voor in de kerk en alle ouders in de kerk
een gebed in hun hart hebben, altijd weer, maar in deze weken helemaal:
Heere, bescherm mijn kind en verlies mijn kind nooit uit het oog.
Wij kunnen ons kind maar tot op zekere hoogte beschermen,
maar de geborgenheid die U biedt, de bescherming die U in de doop belooft:
Om als Vader te zorgen, het kwade te weren
en als dat kwade toch komt, dat doen meewerken ten goede.
Geborgen ook in de genade van Christus, die aan het kruis ging.
Geborgen in het werk van de Heilige Geest, die ervoor kan zorgen
Dat we zo in de nabijheid van God zijn, zoals Jakob daar ligt te slapen en zijn droom krijgt.

Je kunt van alles bedenken over de engelen, die op de ladder op en neer gaan.
Hemelse gezanten van God, die uitgezonden worden om Gods kinderen te begeleiden
op de weg die ze door het leven gaan.
In de uitleg wordt ook wel geopperd dat de engelen die in Kanaän zijn
Jakob overdragen aan de engelen die in Mesopotamië werken
En dat die engelen, die als het morgen wordt over Jakob moeten waken
kennis komen maken met het mensenkind dat aan hun hoede is toevertrouwd.

Ik leerde vroeger als kind dat er aan mijn bed een engel stond om over mij te waken.
Soms was dat een wat griezelige gedachte, als er iemand in je kamer staat die je niet ziet.
Soms was het juist ook een hele geruststellende gedachte,
dat er iemand is die je namens de Heere bewaakt
En als ik ‘s nachts wakker was als mijn ouders sliepen hoefde ik dan niet bang te zijn.
De engelen die bij Jakob zijn, zijn alleen maar een bevestiging dat God zelf
zich over Jakob ontfermt,
Jakob die met zijn moeder zelf ervoor zorgde
dat de zegen van God over hem werd uitgesproken.
Jakob die op weg is naar een ander land, waar hij de weg niet weet; de taal wellicht ook niet.
Waar hij maar moet afwachten hoe hij, vreemdeling, zal worden ontvangen.
En of er een weg naar huis voor hem zal zijn, weet hij niet.
Zoals hij ook niet weet of er wel een vrouw zal zijn en kinderen om de zegen door te geven.

Wat Jakob wel mag weten, is dat God meegaat op Zijn weg.
Ik ben met U – dat is nu het kenmerk van onze God,
zoals Hij zich aan Jakob bekend maakte en ook aan ons bekend maakt
en tegen de kinderen zegt die vanmorgen zijn gedoopt: Ik ben met U.
Het is de naam die Jezus ook moet krijgen: Immanuël – God is met jullie.
Je bent niet zonder God. Nooit, op geen enkel moment.
Als je net als Jakob een onbekende toekomst tegemoet gaat
en je niet weet wat je te wachten staat.
We hebben ons leven niet in de hand.
We kunnen onze plannen maken maar hoe ons leven verloopt, dat kan zo heel anders gaan.
Je kunt zo maar door een heel diep dal moeten gaan,
Waarbij je niet weet waarom het je overkomt.
Waarom jij deze weg moet gaan en je niet weet waar je uitkomt.
Eigenlijk zijn we maar heel kwetsbare mensen,
maar wel met een machtig God.
En het bijzondere is dat die machtige God, die hemel en aarde maakte,
Die aan ons en aan de kinderen die geboren zijn het leven gaf, hun leven wilde,
dat die God heel dicht bij ons komt, meegaat op onze weg.
Hoe die ook verloopt.
Dat mogen we geloven, dat hebben we te geloven.
Soms mag je een bijzondere ervaring hebben, zoals Jakob die had,
dat de hemel boven je open ging, juist als je niets meer hebt, als je alles kwijt bent.
En wanneer je zo’n ervaring niet hebt, heb je de verhalen over God,
die vertellen dat Hij er toch is.
Gisteren zag ik een theoloog, iemand die voor zijn beroep veel met de Bijbel bezig is
een kinderboek had geschreven met als titel De maan is rond.
Hij had dat boek geschreven, omdat hij met zijn zoon in het ziekenhuis was geweest
op bezoek bij zijn pas geboren zusje en bij zijn moeder.
Dat pasgeboren zusje overleed echter op dezelfde dag als het geboren werd
en het zoontje vroeg zich af, waarom dat zusje niet mee naar huis ging.
Je zusje is naar de Heere Jezus gegaan, legde zijn vader uit.
Wil mijn zusje dan niet bij ons zijn?
Jawel, zei zijn vader, ze wil heel graag bij ons zijn, maar nog veel liever bij de Heere Jezus.
Het was een heel gesprek dat deze vader had op de weg van het ziekenhuis naar huis.
Opeens vertelde de vader iets over de maan: de maan is altijd rond.
Je ziet niet altijd de ronde maan: soms is de maan een sikkel, dan weer half vol
en een enkele nacht helemaal rond.
Zo, vertelde de vader, is het ook met God.
God is altijd goed, maar je kunt de goedheid van God niet altijd zien.
Al zie je de goedheid van God niet, toch is God wel goed.
Er kunnen nachten zijn, waarin het heel donker is en toch is God goed
en zullen er weer momenten komen, waarop je die goedheid van God weer kunt zien.

Vanmorgen zijn er ook namen voorgelezen van degenen die verkozen zijn
als ouderling, als kerkrentmeester, diaken of jeugdouderling.
De meesten zullen er vast tegen opzien, dat is niet niks.
Ik zou vanmorgen willen zeggen: kijk er niet teveel tegen op.
Je hoeft als ouderling God niet te brengen in een huis,
Want de Heere is er al, zoals Hij bij Jakob stond, die daar in het open veld sliep.
Je hoeft alleen maar als een engel te zijn: te wijzen naar God die er is.
Of misschien helemaal niets zeggen, maar gewoon geloven en uitstralen
dat Hij er is,
al heb je de woorden niet als er iets ergs gebeurd is en kun je alleen maar zwijgen.
Of zoals de vader die steeds met zijn zoontje naar de maan keek,
zo steeds kijken of je de goedheid van God weer ziet.
Niet door het donker weg te praten, maar door te wachten tot God zich weer laat zien.
En samen geloven, dat als het donker is,
de zon als het ware is ondergegaan over iemands leven
dat je weet: er is een open hemel, een ladder naar God, wij zien die ladder nu niet,
maar de hemel is open en in die open hemel kijkt God naar beneden en ziet Hij ons
en zegt Hij, net zoals Hij tegen Jakob zei: Ik ga met je mee.

Ik breng je thuis, zegt God tegen Jakob.
Daar zongen we eerder in de dienst ook over.
Maar dan nog dieper: brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Thuis gebracht worden heeft ook de diepe betekenis
van iemand die de weg met God kwijt was, God uit het oog verloren is,
door God weer gevonden wordt.
De doop geeft aan, dat God zo steeds op zoek is naar iedereen die Hem kwijtgeraakt is.
En zo onverwacht kan komen, dat een plek die heel gewoon lijkt,
een poort naar de hemel kan zijn.
Dat is ons gebed dat het ook met de kinderen die gedoopt zijn mag gebeuren
En met ons allemaal:

Herder, neem uw schaapje aan,
Hoofd, maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

Gij alleen kunt het behouden.
Schrijf de naam door ons gegeven
in het levensboek ten leven.
Amen

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob in Bethel (Genesis 28:10-22)

Jakob vertrekt vanuit Berseba naar Haran. Hij gaat de omgekeerde route die Abram eerder ging. Grootvader Abram vertrok op Gods bevel uit Haran weg en kwam uiteindelijk in Beseba terecht. Beseba is het zuidelijkste punt van het Beloofde Land (
van Dan tot Berseba).

Vluchteling of pelgrim?
Is Jakob een vluchteling? Daar wijst de moordzucht van Ezau op. Ook de steen die Jakob gebruikt voor zijn hoofd wijst erop dat hij zonder iets mee te nemen wegtrekt. Als vluchteling heeft Jakob geen enkele bescherming meer. Hij valt buiten alle sociale garanties. Is Jakob een pelgrim met een vast doel voor ogen? Volgens Bruce K. Waltke start hier de pelgrimage van Jacob om op een heel eigen manier patriarch te worden.

Omlijst door onmoeting met God
Aan het begin van de weg naar Haran is er een ontmoeting met God. Dan wel in een droom. Ook bij terugkomst is er een ontmoeting met God. De ontmoeting met God omlijst zijn vertrek naar Haran. In de voorafgaande gedeelten is trouwens weinig te merken van Gods directe ingrijpen. Alleen als Rebekka niet zwanger wordt en Izak in haar nabijzijn bidt en als Rebekka de strijd in haar baarmoeder ervaart en er haast aan onderdoor gaat en tot God bidt, is er melding van Gods ingrijpen. De overige gebeurtenissen staan in het kader van Gods verborgen handelen: de ruil van het eerstgeboorterecht voor de zegen en de zegen die Jakob in de plaats van Ezau ontvangt. Omdat God verborgen handelt, weten we niet of Hij het handelen van Jakob goedkeurt of juist afkeurt.
big_25324832
(bron: Hoschentaschenbibel)

De plaats
Jakob komt op een plaats waarvan de naam niet genoemd wordt. Later blijkt het Bethel te zijn. Het blijkt een bijzondere plaats te zijn, waar hij slaapt in de tegenwoordigheid van God en waar hij de belofte van God meekrijgt. In de exegese wordt nogal eens de link gelegd dat Jakob bij zijn vertrek uit het Beloofde Land de aanwezigheid van God toegezegd krijgt op zijn reis buiten dit land. Dat wordt verbonden aan de gedachte dat goden van lokaal karakter hebben. Deze link is overtrokken, omdat Bethel geen grensplaats is. Wel is er de belofte dat Jakob in dit land terugkeert door Gods toedoen en het land krijgt.
Deze plaats, die nu nog geen naam heeft en later Luz blijkt te heten, wordt door de komst getransformeerd in een cruciale plaats: namelijk de plaats waar God Zijn aanwezigheid laat zien en Zijn toezeggingen doet.

1280px-El_sueño_de_Jacob,_por_José_de_Ribera
(José de Ribera)

’s Nachts
Doordat het donker wordt, kan Jakob niet meer verder reizen. De nacht is gevaarlijk en akelig. In de nacht tijdens de slaap is een eenzame reiziger, een eenzame zwerver kwetsbaar. De zon is ondergegaan. Dat de zon opkomt, wordt pas weer bij terugkomst in het Beloofde Land aangegeven. Je zou kunnen zeggen dat heel de reis, die Jakob onderneemt en zijn verblijf in Paddan-Aram, zich in het donker afspeelt. Waltke: Met deze zonsondergang begint Jakobs duistere reis, waarin hoe moet strijden met medemensen en met God.

Giordano_Jacob_31-003_photographer-unknown.jpg
(Luca Giordano – Jacob’s Dream)

Steen
Kenmerk van dit verhaal is dat details niet helder zijn en steeds anders ingevuld kunnen worden. Bijvoorbeeld: bereikt Jakob Bethel toevallig? Stuit hij erop? Of komt hij er gewoon aan? Een ander voorbeeld is de steen. Gebruikt Jakob de steen als kussen? Of heeft de steen een beschermende functie? Slaapt Jakob trouwens in het open veld of heeft hij een beschutte plek? Later wordt de steen rechtop gezet en met olie ingewijd als een herinnering aan Gods aanwezigheid op die plek. Mogelijk zelfs met de gedachte om die steen de kern van een cultus te laten zijn.

jakobs-ladder-kijkbijbel
(Kees de Kort – Kijkbijbel)

Ladder
Op die plek droomt Jakob. Een droom is in Genesis vaker een manier van God om Zich te tonen. Dromen gebeuren in het Oude Nabije Oosten nogal eens op een heilige plaats, waar er een verbinding is tussen hemel en aarde. In zijn droom krijgt Jakob ook iets te zien dat hemel en aarde verbindt. Helemaal duidelijk is het niet wat hij te zien krijgt. Is het een ladder? Is het een brede trap? Is het een soort zikkurat, zoals in het Oude Nabije Oosten vaker werden gebouwd om de aarde met de hemel te verbinden? Wat Jakob in zijn droom te zien krijgt, is het tegenbeeld van de toren die in Babel werd gebouwd. Die toren werd van onderop gebouwd om de hemel te bereiken. Deze trap of ladder wordt vanuit de hemel op de aarde geplaatst.
Michael_Lukas_Leopold_Willmann_001
Michael Willmann – De Jakobsladder (ca. 1691) (in 1945 verloren gegaan)

Engelen
Op die trap gaan de boden van God op en neer. Gaat het om engelen, die de bescherming hebben voor een bepaald gebied, waarbij de engelen van Kanaän Jakob overdragen aan de engelen van Mesopotamië? Zijn het de boden van God die de weg banen waarover God naar Jakob toekomt? Laten de engelen zien dat Jakob op de reis die hij gaat begeleid wordt door de hemelse boodschappers van God?

Aanwezigheid van God
Jakob ziet God zelf. Ook hier is het niet duidelijk wat Jakob te zien krijgt. Staat God bovenaan de ladder? Staat God naast Jakob? Sommige exegeten leggen de nadruk erop, dat het bijzonder is dat God zich toont aan een bedrieger en zien in Gods toezegging aan Jakob om mee te gaan een groter wonder dan de verschijning van God op deze plaats. Het is de eerste keer dat Jakob zelf iets van de Heere verneemt.

Zelfvoorstelling
Zoals vaker wanneer de Heere Zich bekend maakt, begint Hij met een voorstelling van Zichzelf: Ik ben de Heere, de God van je vader Abraham en je vader Izak. Het is de God van (aarts)vaders, die ook de God van het verbond zal zijn. Hij is de soevereine God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij is niet de God van dit stukje land alleen, maar van heel de aarde. Overal waar Jakob zijn voet zal zetten, zal Hij God en Heer zijn.

Belofte aan Abraham
Nadat de Heere bekend maakt, WIe Hij is, zet God de belofte aan Abraham verder. De zegen die Jakob van Izaäk heeft ontvangen wordt door God bevestigd. Alleen ligt hij daar. En toch krijgt Jakob te horen dat hij een groot volk zal worden. Weg uit zijn land moet hij en toch krijgt hij te horen dat hij terug zal keren en dat het land aan zijn familie zal toebehoren. God zal Jakob beschermen en Hij zal Jakob niet verlaten.
the-jacob-s-dream-4.jpg!Large
(Marc Chagall – Jakobs Droom, ca. 1963)

Reactie van Jakob
Als Jakob wakker wordt, beseft hij wat er is gebeurd: hij heeft een ontmoeting met God gehad. Eerbied overvalt hem. Hij wist niet dat deze plek een plek was waar God is. Had hij ooit rekening gehouden met God? Hij groeide op met Gods verborgenheid. Wellicht voelde hij zich verantwoordelijk dat zijn familie zorgvuldig met de zegen van God omging en had hij daarom Ezau de zegen afhandig gemaakt. Nu ontmoet hij de God die hij dient. Jakob is trouwens de eerste van de aartsvaders die vrees kent als hij God ontmoet.

Opgerichte steen
Om Gods aanwezigheid op deze plek te markeren richt Jakob een steen op en zalft die steen. Dat is in het licht van de rest van de Bijbel een merkwaardige handeling, omdat deze handeling overeenkomt met de inwijding van heilige stenen die de aanwezigheid van God op een plek markeren. Met de zalving werd zo’n steen een representant van God zelf. In het verhaal is de steen echter een herinnering aan de aanwezigheid van God. We lezen niet dat de steen later het centrum van een cultus wordt en dat de Heere aanbeden wordt door middel van deze steen. Wel zal later een tempel worden gebouwd op deze plaats. Er is echter geen verbinding tussen de instelling van die tempel en dit verhaal. Dat dit verhaal dan de oorsprong van de cultus in Bethel vertelt lijkt me een niet voor de hand liggende uitleg.
Jacob's_Vow_at__Bethel_1178

Gelofte
Voor Jakob vertrekt, legt Jakob een gelofte af, waarin hij herhaalt wat God hem toezegt. Er zijn uitleggers die in die gelofte zien dat Jakob God niet onvoorwaardelijk vertrouwt en Hem eerst voorwaarden stelt. Ook dit lijkt mij overtrokken. Jakob begint klein: met de alledaagse zorg die hij als reiziger nodig heeft, namelijk eten en drinken en kleding. De allereerste levensbehoeften. Daarna komt de wens dat Jakob in vrede mag terugkeren. Pas als laatste spreekt Jakob over thuiskomen met bezit. Mocht Jakob terugkomen met bezittingen, die hij in dat duistere deel van zijn leven heeft ontvangen, zal dat voor een deel gebruikt worden om de herinnering aan Gods aanwezigheid op deze plaats levend te houden.

Preek zondag 25 augustus 2019

Preek zondag 25 augustus 2019
Genesis 25:19-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn begintijd in Oldebroek, nu bijna 8 jaar geleden, had ik een manier
om te achterhalen hoe het wonen in Oldebroek werd beleefd.
Ik vroeg aan de stelletjes, die ik ging trouwen
of ze blij waren om in Oldebroek te kunnen wonen
of dat ze juist blij waren om weg te kunnen uit Oldebroek.
In het ene geval zei het toekomstige bruidspaar: ‘We zijn blij om weg te zijn.’
In het andere geval: ‘We willen voor geen goud weg uit Oldebroek.’
Twee heel tegengestelde reacties.

Wellicht herken je je in een van die reacties:
Als ik straks voor mijzelf kan kiezen, dan ben ik blij dat ik weg kan gaan.
Helemaal opnieuw beginnen, zonder dat de anderen hier al weten wie ik ben,
me in een hokje stoppen waar ik niet in pas
en als ik iets geks doe daar gelijk over beginnen te roddelen.
Ik wil zo snel mogelijk weg hier.

OF je hebt juist die andere reactie: Ik moet er niet aan denken om weg te gaan.
Hier ben ik opgegroeid. Hier heb ik mijn familie en vrienden.
Ik weet hier hoe de mensen in elkaar zitten.
Dit is mijn thuis. Hier hoor ik.
Hier kom ik weg, veur mien hiele leben

Ben ‘k met dizze horizon verweben


In dit verhaal over Ezau en Jakob gaat het om de vraag:
Hoe kijk je naar de plek waar je vandaan komt?
Hoe waardeer je de plek waar je geboren bent en opgegroeid?
Is dat een plek, die je zo snel je kunt achter je wilt laten,
op zoek naar een plek waar je jezelf kunt zijn, zonder de beperkingen van hier?
Of ben je blij dat je hier geboren bent en ervaar je dat de Heere je hier geplaatst heeft?

Dan niet zozeer deze locatie, maar vooral je thuisbasis in geloof:
Wat je meegekregen hebt thuis aan geloof, aan kennis over God, het leven in de Bijbel, bidden, geloven, het leven met de Heere.
Je krijgt het wel van je ouders mee, maar het pakt je niet, het doet je niets,
je ziet niet in waarom het voor jou is, je zou dat liever achter je laten
en op zoek gaan naar wat wel bij je past.

In het verhaal is Ezau degene die het thuis niet kan vinden.
Ezau heeft een andere levensstijl dan zijn ouders en zijn broers.
Ezau heeft namelijk een bepaalde kennis die zijn ouders niet hebben:
Hij heeft kennis van het jagen. Hij is goed thuis in de jacht.
Daarbij moeten we niet denken aan een hedendaagse jager,
die het jagen vaak als hobby heeft, naast zijn baan, een vaste woonplaats heeft
en alleen op bepaalde dagen gaat jagen.
In Oldebroek heb ik heel wat verhalen gehoord van de oudere generatie,
die zelf jaagden of meehielpen bij de jacht: samen een dag de polder in
en dan afsluiten met een gezamenlijke borrel en dan weer naar huis.
Ezau’s levensstijl is een andere.
Het is een thuis niet kunnen aarden bij zijn ouder en broer.
Dat was geen probleem geweest als hij niet uit een bijzondere familie kwam,
een familie die door de Heere uit een heel ander deel van de wereld hier gebracht was,
een land dat aan hen beloofd was, om hier op deze plek voor andere volken tot zegen te zijn
door het leven met de Heere voor te leven,
te laten zien wie God is en te laten zien welke manier van leven de Heere vraagt.
Als oudste zoon is hij de drager van de erfenis en toch kiest hij ervoor om erop uit te trekken
en thuis voor thuis te laten en alleen maar bezig te zijn met zichzelf.
Koningen in het Oude Nabije Oosten lieten zich graag als jagers afbeelden
om te laten wat voor een geweldenaar ze waren,
Dat niemand tegen hen opgewassen was en niemand aan hen kon ontsnappen.
Hier in dit gedeelte zegt het gegeven dat Ezau kennis van de jacht heeft
ook dat hij voor zichzelf leeft, dat zijn familie hem niets ze zeggen heeft
En al helemaal de zegen van God niet.
Van zijn familie los, van God los. Ik leef voor mijzelf alleen.
De anderen kunnen mij niet schelen.
De roeping die God mij en mijn familie geeft – ik heb er niet zoveel mee.
Ik stippel mijn eigen weg wel uit. Ik ben baas over mijn eigen leven.
De opdracht van God om tot zegen te zijn beperkt mij om te leven zoals ik wil.
Ik hoef mijn thuis niet in God te hebben, maar ik trek rond in de wereld
op zoek naar wat mij aanspreekt, waarvan ik vind dat het mij gelukkig maakt.
Misschien is het jagen ook wel zo aantrekkelijk, omdat je voelt dat je leeft.
De spanning die je hebt als je op jacht gaat: kom ik een dier tegen dat ik kan schieten,
of zal ik met mijn val erin slagen om een dier in de valstrik te lokken?
Op zijn zwerftochten als jager zal hij tot ver in de omgeving hebben rondgetrokken
en gezien hoe het leven bij de Kanaänieten was.
Dat blijkt ook wel later, als hij een vrouw uit de Kanaänieten neemt
en daarmee helemaal openlijk aangeeft, dat hij voor de wereld kiest en niet voor God.
Dat hij zijn achtergrond prijsgeeft, zijn opvoeding van thuis
en dat hij liever kiest voor de Kanaänitische levensstijl,
de stijl die in de Bijbel altijd egocentrisch is, op jezelf gericht, hard en wreed voor anderen,
een levensstijl om de ander te onderwerpen.

Die gevoeligheid voor die harde, wrede stijl van de Kanaänieten zal er al jong in.
Als hij geboren wordt, ziet hij er rood uit.
Dat heeft niet met zijn haar te maken, maar met zijn huid.
Een rode huid is een teken, dat er iets bijzonders is.
Deze jongen kan uitgroeien tot een held. Je mag bijzondere verwachtingen hebben.
Hij heeft ook een andere kant: harig.
En dat geeft hem iets dierlijks.
Twee kanten: een heldhaftige kant en een dierlijke kant – welke kant van hem zal winnen?
Zal hij inderdaad de held worden en iedereen versteld doen staan?
Of zal hij iemand zijn die je vreest, waar je voor uitkijkt, waar je voor uit de weg gaat?
Als hij jager wordt, heeft dat er veel van weg dat het dierlijke aspect wint.
Iemand waar je voor op de hoede moet zijn, die zijn instincten volgt,
op jacht gaat naar een prooi.

In dit verhaal gaat het ook om ons.
Ook wij kunnen twee kanten hebben: een kant die ons boven onszelf doet uitstijgen.
Dan zweef ik op de wind, gedragen door uw Geest en door de kracht van uw liefde.
Of zoals in Psalm 18 staat: Want met U ren ik door een legerbende,

met mijn God spring ik over een muur. (Psalm 18:30)

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
Sinds de zondeval ook een andere kant: dat dierlijke,
geneigd om onze driften hun gang te laten gaan,
ons te laten leiden door onze boosheid of verongelijktheid, onze lust, onze pijn.
Een leven zoeken waarop wij meer krijgen voor onszelf,
al moeten we daarvoor ons met de ellebogen omhoog werken
en anderen naar beneden trappen.
Welke kant heeft in ons de overhand. Wat wint er bij ons?
Twee wegen: Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen.
Of de weg van mijn manier?
Worden we een Jakob of een Ezau?

Ja, Jakob staat er niet goed op, omdat hij op een zwak moment van Ezau,
als hij uitgeput, meer dood dan levend, het tentenkamp behaalt
en Jakob zijn kans grijpt om Ezau iets afhandig te maken,
dat alleen Ezau heeft en Jakob zo graag zou willen hebben:
de eerste plek in het gezin en daarmee de erfenis:
het bezit van zijn vader dat later voor een groot deel van Ezau zal zijn.
Jakob wordt vaak gezien als iemand die zijn plek niet kent en meer wil
en niet in staat is om te wachten tot God geeft,
Wat de Heere voor hem, Jakob, bedoeld heeft.
Ik houd ook een andere uitleg voor mogelijk.
Jakob die ziet dat Ezau zijn verantwoordelijkheid als oudste zoon ontloopt
en niets geeft om de opdracht van God om tot zegen te zijn
en zijn schouders ophaalt bij de zegen die God beloofd heeft.
En Jakob maakt zich zorgen, dat als Ezau zo doorgaat,
het gedaan is met zijn familie, zich vermengt met de mensen in de omgeving
en oplost, niet meer bestaat.
En daarmee is ook de weg van God een mislukking – einde voor God op aarde.
Jakob neemt die verantwoordelijkheid wel door niet erop uit te trekken
en voor eten te zorgen.
Dan op een keer ziet hij dat Ezau thuiskomt.
Het kan zijn dat hij Ezau er wel op aangesproken heeft:
Ezau, jouw manier van leven berokkent ons schade, is een minachting voor God,
Ezau, je bent mijn broer, maar jouw manier van leven brengt je niets.
Want de weg van de goddeloze loopt dood.
Ezau, op de weg die jij gaat, vind je de dood. Daar vind je het leven niet.
Het brengt je niets.
Er is een bijzonder gezang voor het Liedboek voor de Kerken,
dat sinds ik het voor het eerst hoorde mij altijd is bijgebleven,
omdat het iets van het rusteloze zoeken van mensen verwoordt:
Hij overmant de wilde dieren,
vaart uit op zeeën en rivieren,
doorzoekt der aarde donkre schoot.
Ja, hij snelt voort op hoge winden
om de allerlaatste grens te vinden.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Altijd maar op zoek gaan. Altijd maar kijken of je niet meer kunt vinden.
Als een grens wordt aangegeven, niet stoppen, maar kijken of je toch verder kunt.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Zo is het met Ezau ook: meer dood dan levend komt hij aan.
Zijn manier van leven, zijn kennis van de jacht, levert het niets op,
laat hem gruwelijk in de steek.
Het scheelt niet veel of zijn leven is voorbij.
In die conditie klopt hij thuis aan.
Als een verloren zoon, die beseft dat hij te ver gegaan is,
met zijn manier van leven zo’n groot risico genomen heeft,
maar dat risico altijd weggewuifd heeft, omdat hij in zichzelf geloofde.
Hij hoefde God niet, want hij kon zichzelf wel bedruipen.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Maar dan is thuis er nog. Zo klopt hij thuis aan,
De man die niet thuis wilde zijn, maar erop uit trok om elders te vinden.
Nu heeft hij thuis nodig om in leven te blijven, om überhaupt te kunnen bestaan.
Maar zijn manier van thuiskomen heeft iets onverschilligs:
Geef me dat rode daar.
En als Jakob voorstelt om het eten te ruilen voor het eerstgeboorterecht,
laat hij zien dat het eerstgeboorterecht hem niets kan schelen,
zo gefixeerd is hij op het eten:  als hij maar in leven blijft.
Het dierlijke komt in hem boven. Hij wil dat rode opschrokken, als een dier.
Al het menselijke is hij kwijt.
Meer een wolf, die leeft door zijn instinct om te eten en zo in leven te blijven.
Dan maakt het niet uit wat je eet en welke prijs je ervoor betaald.
Ik sluit niet uit, dat het een test van Jakob is,
een provocatie om tot Ezau door te dringen.
Ezau, jager die ondanks al je kennis van de jacht met lege handen thuis komt,
lucht en leegte, alleen meer leegte, jouw manier van leven.
Weet je dan niet dat je hier een taak hebt,
Een taak die God je opgedragen heeft, omdat je als eerste geboren werd.
Wat maak je ervan waar?
Steeds zijn er twee wegen, twee manieren van leven waaruit je als mens kunt kiezen.
De ene is de weg die God wijst, die de Heere opdraagt om te gaan.
De andere is de weg, die je als mens zelf kiest, omdat je Gods weg niet wil gaan,
Gods opdracht om op zijn manier te leven als een beperking wordt ervaren
en niet als een manier van leven, waarop je door God gezegend wordt,
omdat Hij meegaat.

Wat Jakob hier Ezau voorhoudt, zijn ook de twee wegen
die Christus voorhoudt uit Mattheüs 7: de brede en de smalle weg.
De brede weg is makkelijk te vinden en velen kiezen voor die weg.
De smalle weg is moeilijk te vinden, die ga je voor je gevoel alleen,
niemand die met je meegaat.
Het is de opdracht die Jozua voorhoudt: Kies heden wie u dienen wilt.
Welke weg kiest u, kies jij?
Er is één weg die het leven brengt, de weg van God.
Jakob begreep dat, al was ook hij gevoelig om zelf zijn weg uit te stippelen.
Ezau haalde zijn schouders op/
Het wordt ons niet verteld om nu eens een stevige mening over Ezau te hebben,
maar zodat wij naar onszelf gaan kijken.
Het is God die ons die keuze voorhoudt.
Het is Christus die ons roept om de juiste weg te gaan,
die de juiste weg heeft voorgeleefd en voor ons gebaand.
Zodat ook wij die weg kunnen gaan.

 

Heer, wijs mij uw weg en leid mij als een kind

dat heel de levensweg slechts in U richting vindt. 

Als mij de moed ontbreekt om door te gaan,

troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.

 

Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend

hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.

Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,

toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Amen

 

Jakob en Ezau en de ruil met een bord linzensoep

Jakob en Ezau en de ruil met een bord linzensoep
Uitleg van Genesis 25:19-34

Het verhaal van Ezau en Jakob is het verhaal van twee rivaliserende broers. Wie het verhaal ooit in een kinderbijbel heeft gelezen, zal er een moralistische uitleg van het verhaal hebben meegekregen: Jakob die zijn broer Ezau slinks het eerstgeboorterecht afneemt.

Nu kan ik dat bij een kinderbijbel nog wel begrijpen, omdat die vaak geschreven zijn in een tijd waarin er nog geen aandacht was voor bijbelse vertelkunst. Doordat in die kinderbijbels geen aandacht wordt geschonken aan de manier waarop er verteld wordt, wordt er in het verhaal vaak een moralistische boodschap meegegeven. Ook veel hedendaagse commentaren, die wel aandacht hebben voor de manier waarop er verteld wordt, geven aan het verhaal van Ezau, die zijn eerstgeboorterecht inruilt voor een bord soep, een moralistische draai en verwijten Jakob dat hij een zwak moment van Ezau gebruikt om hem uit te schakelen. In de manier waarop het verhaal verteld wordt, zitten echter genoeg aanwijzingen voor een andere boodschap.

Nageslacht van Izaäk
Allereerst begint het verhaal met de aanwijzing dat het nu over het nageslacht (toledoth) van Izaäk gaat. Dit is de 8e keer dat het gebeurt. Met de toledoth van Izaäk, die in feite over Jakob gaan, begint het achtste hoofdstuk van Genesis. Deze achtste inzet volgt op het nageslacht van Ismaël, de oudste zoon van Abraham. Voor deze oudste zoon, geboren uit de slavin Hagar, is de erfenis van Abraham niet. Die erfenis van Abraham bestaat niet alleen uit het bezit van Abraham, maar ook uit Gods belofte aan en opdracht voor Abraham (Genesis 12).

Ismaël blijkt een groot nageslacht te krijgen: net zoveel zonen als Jakob zal krijgen. Zijn zonen brengen koningen voort, die over een groot gebied regeren. Het nageslacht van Izaäk steekt daar schril bij af. Izaäk trouwt vrij laat: op zijn 40e. De eerste twintig jaren van het huwelijk komen er ook nog eens geen kinderen. Izaäk moet een appèl doen op God voor zijn vrouw.

Broederstrijd
Als Rebekka uiteindelijk wel zwanger wordt, wordt zij tijdens haar zwangerschap verscheurd door de strijd tussen de twee zonen. Zij gaat bijna aan die strijd ten onder en in haar wanhoop roept ze het uit: Als dit zo is, waarom overkomt mij dit? Haar lijden noopt haar om de Heere te raadplegen. Het antwoord van God is weinig geruststellend: de strijd zal na de geboorte zich voortzetten, zelfs in de strijd tussen twee volkeren. De jongste zal net zo lang strijden tot hij de oudste de baas is.

Ambivalent
Dan wordt de tweeling geboren: twee jongens. De eerste jongen is een bijzondere jongen: hij is rood van kleur. Die rode kleur heeft geen betrekking op zijn haren, maar op zijn huid. Een rode huid is het teken van een speciale voorbestemming. Deze pasgeborene zou wel eens een bijzonder leven kunnen krijgen, zelfs uitgroeien tot een held.

Deze jongen heeft echter een ander kenmerk, dat juist een heel tegengestelde weg doet vermoeden: deze jongen is heel harig. Dat geeft de jongen iets dierlijks. Ezau heeft vanaf zijn geboorte al iets ambivalents: zal hij uitgroeien tot een held, of zal net bij als koning Nebudnezar het dierlijke de overhand krijgen? Ezau is iemand tegen wie je op gaat kijken en tegelijkertijd iemand voor wie je op je hoede bent.

Jakob
Als zijn broer geboren wordt, blijkt hij de hiel van Ezau vast te hebben. Is dat al een signaal dat de strijd na de geboorte verder gaat? Zijn ouders hebben daar wel iets bijzonders in gezien, want ze geven een naam die dat vasthouden van de hiel in herinnering houdt: Jakob. Overigens, bij de verklaring die in het Oude Testament gegeven worden bij een naam gaat het vaak niet om een letterlijke betekenis, maar om een associatieve overeenkomst. De naam Jakob zou eerder met Jakob-El in verband gebracht kunnen worden. Dan is de betekenis: “God die beschermt”.

Jager
De oudste zoon wordt jager. Of zoals verteld wordt: een kenner van de jacht, een man van het veld. Jagen heeft in het Oude Testament niet iets onschuldigs: Nimrod was een jager. Het gegeven dat Ezau jager wordt, geeft aan dat hij trekken van de nakomelingen van Kaïn krijgt, in de buurt komt van Nimrod. Hij zwerft zoveel rond, dat hij de omgeving kent. Als oudste zoon had zijn plek thuis moeten zijn: als rechterhand van zijn vader had hij mede de leiding over de groep nomaden met hun vee, in een gebied waarin je als nomade op de hoede moest zijn voor de andere volkeren die er wonen. Denk aan de vele conflicten, onder andere over het gebruik van land en van bronnen.

Opvoeding op losse schroeven
Ezau ontloopt die verantwoordelijkheid en trekt rond. Daarmee wordt hij als jager een persoon, die zich niet aan zijn thuis gelegen laat. En daarmee ook zijn opvoeding op losse schroeven zet en laat zien dat wat zijn ouders hem meegegeven en de identiteit van de groep hem weinig deren. Brengt hij met de jacht en het verwaarlozen van de leiding geen schande over deze groep nomaden? Laat hij niet zien dat hij zich liever buiten deze groep plaatst dan met hen op te trekken en hun lot te delen? Daarmee geeft hij aan, dat hij ook niets geeft om de belofte dat ze van God een plek hebben gekregen. En ook dat hij er niets om geeft dat ze van God een opdracht hebben gekregen om als nageslacht van Abraham tot zegen van de volkeren te zijn.

Individualist
Ezau is een individualist, die alleen aan zichzelf en zijn eigen passies denkt. Zijn afkomst is voor hem niet belangrijk en de zegen die Abraham beloofd is legt voor hem nauwelijks gewicht in de schaal. Een jager is ook iemand, die er niet voor terugdeinst om geweld te gebruiken. Dat Ezau individualist is, blijkt ook wel als hij vrouwen neemt hij de volken in de buurt. Ezau is een kameleon, die oplost in de wereld en zijn status als apart-gezet opgeeft, omdat hij daar de waarde niet van inziet. De wereld is is zijn thuis, niet  de zegen van God. Opvallend trouwens dat de liefde voor Izaäk naar Ezau uitgaat. Er is daar een reden voor: Ezau brengt vlees van de jacht mee. Hij houdt van zijn zoon om wat hij doet, wat hij inbrengt.

Afkomst
Voor Jakob daarentegen is zijn afkomst wel belangrijk. Hij blijft bij zijn tent en als een echte oudste zoon voelt hij de verantwoordelijkheid voor de zegen die aan deze familie is meegegeven. Hij is geen doetje, want gaat de strijd aan met zijn iets oudere broer. De liefde van Rebekka gaat naar Jakob uit. Voor haar liefde wordt geen verklaring gegeven. Ze houdt dus niet van hem, omdat hij bij de tent is en wel zijn verantwoordelijkheid neemt. Ze houdt van hem.

Oprecht
Ondanks de verantwoordelijkheid die Jakob neemt voor de plek die ze van God gekregen hebben, de roeping die ze als familie te leven hebben, staat hij er niet goed op. De ruil van het eerstgeboorterecht voor een bord soep zal daarmee te maken hebben. Bijna elke uitlegger valt over deze handeling, omdat Ezau op sterven na dood thuis komt. Het probleem is echter dat Jakob oprecht (Hebreews: tm)  genoemd wordt. Dit woord betekent eigenlijk overal oprecht, rechtschapen, integer. De meeste commentaren geven aan, dat tm hier anders vertaald zou moeten worden, omdat het een contrasterend parallel wordt gezien met Ezau als jager. Dan zou het betekenen dat Jakob stil is, of geciviliseerd.

Nu kan een woord in een bepaalde context een andere betekenis krijgen, maar die uitleg is niet sterk als het woord elders niet die betekenis krijgt.  In Spreuken gaat het bij “tm” om mensen die in staat zijn om te kiezen tussen het goede en het kwade, om het vrezen van God duidelijk weten te onderscheiden van een dwaze levensstijl. Genesis is geen wijsheidsliteratuur. Maar toch: het wekt de suggestie dat het om de 2 menstypen uit Spreuken (of Psalm 1) gaat. Het verhaal van de rivaliteit tussen Ezau en Jakob is de rivaliteit van de twee wegen uit Psalm 1. Of van de rivaliteit van Kaïn en Abel. Daarbij valt op dat God steeds voor de zwakkere kiest (Izaäk ipv Ismaël, Jakob ipv Ezau) en niet voor de geweldenaar.

Redeloos dier
Opvallend is dat geen enkele uitleg van de mogelijkheid uitgaat, dat Jakob Ezau uittest. Ezau komt thuis van de jacht. Meer dan uitgeput. De jager is net zelf een hijgend hert dat aan de jacht is ontkomen. Meer dood dan levend komt hij aan. Daar zit een ironie in: Zijn levensstijl brengt hem niets, brengt hem in de buurt van de dood. Dat had hem tot nadenken moeten stemmen. Maar Ezau is net een redeloos dier. Hij denkt alleen maar aan eten. Hij valt binnen en wijst op het eten. Er zit weinig beschaving in Ezau: hij kan van het eten alleen maar de kleur noemen en wil het als een dier verorberen. Het woord voor eten dat Ezau in de mond neemt, wordt alleen gebruikt om het eten van dieren aan te geven: verorberen, slobberen, vreten.

Ruil
Als Jakob voorstelt om een bord linzensoep te geven in ruil voor het eerstgeboorterecht, weet hij natuurlijk wel dat het een onbehoorlijk voorstel is. Maar zou het ook niet een provocatie van Jakob zijn aan Ezau om te zien hoe hij over zijn thuisbasis denkt? Is het tentenkamp, waar Ezau de leiding over hoort te hebben, alleen een hotel, waarbij hij kan binnenvallen om te eten? Nu zijn manier van leven faalt, klopt hij thuis aan om wat te krijgen. Als ze hem iets geven, kan hij daarna zijn vrije, ongebonden leven voortzetten en is thuis er alleen voor geval van (echte) nood.

Als een dier aanvallen
Dat thuis hem niet echt interesseert, blijkt wel uit hoe hij over het eten van Jacob praat. Hij benoemt alleen de kleur en wil als een dier aanvallen. Hoe noem je het hoe een dier eet? Slobberen? Vreten? “Laat mij slobberen, vreten van dat rode.” De test van Jakob is of Ezau echt om zijn thuisbasis geeft of hij zijn thuis alleen als ‘hotel’ ziet. De vraag is of Jakob zelf weet had dat in de Godsspraak het eerstgeboorterecht voor hem was bestemd. Het gaat niet om aftroggelen maar om te laten zien waar Ezau’s taak ligt. Wat de ruil waard is, moet nog blijken. Ook al is ze door Ezau met een eed bekrachtigd. Wanneer zijn vader de zegen wil doorgeven, geeft Ezau niet aan dat hij zijn plek heeft afgestaan, maar is hij boos als Jakob er alsnog met de zegen vandoor gaat.

Twee wegen
Als het in dit verhaal inderdaad om de twee wegen gaat, de twee wegen van Psalm 1, van Spreuken, de keuze tussen een leven als Kaïn of een keuze voor een leven als Abel, dan is dat ook de boodschap voor ons? Voor welk leven kiezen we? Worden we een zwerver, net als Ezau, die de geloofsopvoeding van thuis loslaat en de wereld intrekt en niets aan het onderwijs over God heeft en de thuisbasis, de geestelijke verworteling zomaar inruilen voor iets onbenulligs, dat ons voor eventjes in leven lijkt te houden? Of kiezen we voor het leven van Jakob, die zijn verantwoordelijkheid neemt, omdat hij beseft dat hij in Kanaän, waar hij zijn familie maar een kleine minderheid vormt, geroepen is om het leven te laten zien dat God heeft bedoeld?

Preek oudjaarsavond 2017

Preek oudjaarsavond 2017
Genesis 48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We nemen in ons leven heel wat keren afscheid.
Als je van de basisschool verlaat en naar de middelbare school gaat.
Je weet dat al als je aan groep 8 begint: dit is het laatste jaar op deze school
en dat maakt groep 8 een bijzonder jaar.
Het hele jaar is anders: de cito-toets, schoolkamp, de musical.
Je werkt naar het afscheid toe, je leeft ernaar toe dat je naar een nieuwe school gaat.

Je neemt afscheid als je aan een nieuwe baan begint.
Je gaat niet meer naar deze locatie, vaak naar een andere plaats zelfs.
Afscheid van collega’s met wie je soms heel lang hebt samengewerkt.
Afscheid neem je bij een verhuizing: van de buren naast wie je woonde
met wie je soms veel hebt opgetrokken.
Als je naar een andere plaats verhuist,
neem je afscheid van mensen die je geregeld tegen kwam op straat, in de kerk, in winkels.

Afscheid neem je bij een overlijden,
zoals er ook in 2017 heel wat families afscheid moesten nemen
van een vader of een moeder, van een man, een vrouw, van een dochter, een zoon.
Van iemand uit je familie, van een vriend of vriendin, van een goede bekende.

Afscheid nemen is niet altijd makkelijk.
De Fransen hebben het spreekwoord: Afscheid nemen is een beetje sterven.
Bij het afscheid nemen raak je iets kwijt dat iets van jezelf was,
je raakt iets vertrouwds kwijt wat lang niet altijd wordt opgevuld.
Dat begint al als je afscheid neemt van de basisschool.
Je ziet niet iedere klasgenoot terug.
Soms kun je met iemand met wie je veel optrok nooit meer terugzien
omdat hij of zij naar een heel andere school ging.
De juffrouws en de meesters die je op de basisschool
die heel jou goed kende en die voor jou heel vertrouwd waren geven je geen les meer.
Als je van baan verandert kun je bepaalde collega’s gaan missen, de sfeer op het werk,
het doel dat je werk je gaf.
Er zijn er heel wat die als ze met pensioen gaan de moeite hebben om de draai te vinden
of die vervroegd met hun werk moesten stoppen het werk echt missen.
Je kunt buren missen, voor het vertrouwde loopje, even een praatje.
Soms kun je het gevoel hebben dat de hele buurt veranderd is.

En zeker als er iemand overlijdt met wie je een goede band hebt,
dan is afscheid nemen niet alleen maar een klein beetje sterven.
In het afgelopen jaar waren er heel wat van wie het overlijden onverwacht kwam.
Geen tijd om afscheid te nemen, om nog te zeggen wat je wilde zeggen.
Dan gaat de schok lang mee en komt het verlies nog veel harder aan
omdat je niet voorbereid bent op dat afscheid, omdat je nog veel samen had willen doen.

Van Jozef kun je niet zeggen dat hij geen tijd had om afscheid te nemen.
Na jaren waarin hij zijn vader niet heeft kunnen zien, mocht hij met hem verenigd worden.
Een tijd lang heeft Jakob nog in Gosen in Egypte mogen wonen.
Als er dan het bericht komt dat zijn vader ernstig ziek is,
Bedenkt Jozef zich geen moment en gaat naar zijn vader toe, nu het nog kan.
Hij neemt zijn zonen Manasse en Efraïm mee,
zonen die in Egypte zijn geboren terwijl Jozef al onderkoning was geworden.

Het wordt een intiem bezoek, zoals dat wel eens gebeurt
als iemand te horen krijgt dat hij of zij ernstig ziek is,
dat degene in de weken die nog overblijven iets deelt van wat er in hem of haar omgaat.
Het is een gesprek waarvan je hoopt dat zo’n gesprek er komt
in de laatste weken dat iemand nog te leven heeft: persoonlijk en heel intiem.
Ook een terugblik, heel open, over hoe de Heere heeft gewerkt in zijn leven.
De oude Jakob verzamelt nog eens al zijn krachten om te kunnen vertellen:
‘Toen ik het land uit moest vluchten, daar bij Luz, de plek die ik later Beth-El noemde
is God de Almachtige aan mij verschenen.’
God de Almachtige – dat is niet zomaar een naam van God,
maar de naam waarmee Hij Zich ook aan Abraham bekend maakte:
‘Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht.’
Dat was de opdracht voor Abraham. En Abraham kreeg een belofte mee.
Toen Jakob moest vluchten voor zijn broer Ezau verscheen God ook aan hem:
Jakob, Ik ga met je mee en Ik zorg dat je weer terug komt in dit land
en dat jouw nakomelingen dit land zullen bezitten.
God de Almachtige, dat is niet alleen de kracht van God,
maar ook de naam van God die Zijn belofte waarmaakt,
Zijn belofte nog eens meegeeft, juist als het er niet op lijkt dat die belofte in vervulling gaat.
Jakob, die het land dat hem beloofd werd, juist moet ontvluchten.
Hij mocht door Gods leiding, door Gods hulp echter terugkeren.
Degenen die afscheid moesten nemen van het afgelopen jaar, kregen ook de belofte mee
dat God er zal zijn op dagen waarop het gemis er is.
Ik hoop dat deze belofte ook uitgekomen is en dat u de Heere mocht ervaren.
Dat u mocht merken dat de Heere naar u toekwam, dat Hij aan u verscheen.
Of dat je dat, nu terugkijkend het afgelopen jaar op een andere manier mocht ervaren
dat de Heere aan je verscheen, dat Hij er voor je was.
Omdat je een kind mocht ontvangen, omdat je een relatie kreeg, mocht trouwen,
je studie afrondde, een jubileum mocht vieren.

God heeft mij gezegend, zegt Jakob.
Gezegend op het moment dat ik het land moest verlaten,
terwijl daar helemaal nog niets van zichtbaar was, wel meegegeven als belofte.
Nu hij oud geworden weer in een vreemd land is, herinnert hij zijn zoon,
die hij jarenlang dood waande en weer terug mocht zien aan deze belofte
dat zijn nageslacht niet hier in Egypte hoort, maar een thuis heeft in Kanaän.
Ook de zonen van Jozef, ook al zijn ze hier in Egypte geboren,
ze horen daar in Kanaän te wonen, dat is het thuis van Egypte.
Zij zullen, als het Gods tijd gekomen is, dit land verlaten,
zoals Jakob ook terugkeerde uit Mesopotamië, waar hij jarenlang Laban diende.

Want deze jongens van jou, die al geboren waren voor ik in Egypte kwam,
het is ook mijn nageslacht, de lijn van mijn lieve vrouw Rachel,
die ik het meest boven alles heb liefgehad.
Deze twee jongens van jou, geboren uit jou en je Egyptische vrouw,
Ze hebben voor mij dezelfde positie als Ruben en Simeon,
Dezelfde positie in het gezin als mijn oudste twee zonen.
Dat is een gevaarlijke beslissing van Jakob: om twee kleinkinderen te promoveren
en dezelfde rechten te geven als de twee oudste zonen.
Jakob wist toch wel dat er in zijn eigen leven ook een gedoe was over de zegen
die voor de eerstgeborene was bestemd,
Dat hijzelf als tweede zoon, en ook nog eens op de tweede plaats gesteld
de zegen ontving, volgens zijn oudere broer de zegen affutselde, aftroggelde.
Toch doet Jakob het, als eerbetoon aan Rachel die hem zo vroeg ontvallen is,
de vrouw van wie hij hield, een blijk van liefde voor deze vrouw voor wie hij 14 jaar werkte.
Wanneer iemand je ontvalt, kan dat gemis een leven lang mee gaan.
Na al die jaren is hij Rachel niet vergeten, ook al moest hij haar al vroeg missen.

Die zegen speelt een belangrijke rol in deze familie.
Deze familie is niet alleen begonnen met de opdracht van God om weg te trekken,
maar ook met de zegen van God
en de zegen van God is een rode draad in de geschiedenis van deze familie:
Abraham krijgt deze zegen.
Izak geeft deze zegen door aan Jakob, zijn tweede zoon
en nu gaat Jakob deze zegen weer doorgeven.
Het gezin waaruit Jakob en Jozef komen is een gezin waarin de zegen wordt doorgegeven.
Deze zegen is de dragende grond onder dit gezin, al die geslachten door.
Jakob heeft voor al zijn zonen een zegen.
Geen enkele van de 12 wordt buitengesloten van de zegen, niemand loopt de zegen mis.
Nu het einde van Jakob gekomen is, gaat hij de zegen ook weer doorgeven.
Bijzonder, zo’n gezin met de zegen van God als rode draad, als familieverhaal.
Bijzonder, om afscheid te nemen met de zegen,
om je kinderen, je kleinkinderen de zegen op te leggen.
Want de zegen opleggen, dat is God meegeven,
God die met jou meegegaan is, een leven lang, ook als je daar niet altijd de leiding van zag.
Je geeft de kracht van God door, de aanwezigheid van God door.
Je geeft door hoe God er voor jou was aan degene die na je komt.

Deze kleinzonen, ze betekenen niet alleen veel voor hem
omdat dit het nageslacht is van zijn lievelingsvrouw, de vrouw die hij zo moet missen,
maar deze twee jongens die met Jozef meegekomen zijn voor hem ook zichtbaar teken
van Gods leiding, dat God inderdaad de Almachtige is, zoals Hij aan hem verscheen:
God die Zijn beloften waarmaakt.
Die zijn leven zo geleid heeft dat hij niet alleen zijn zoon in de armen kon sluiten,
maar ook zijn kleinzonen.
Deze leiding, deze belofte geeft hij door aan de kinderen,
die voor hem het zichtbare teken zijn dat God leidt en werkt.
Zo gaat Jakob afscheid nemen van dit aardse leven,
door deze God en Zijn leiding door te geven.
Bij het afscheid nemen van 2017 willen wij zo aan elkaar Gods leiding en zorg doorgeven.
We nemen afscheid met een zegen, al wens u ik toe dat het niet betekent
dat we afscheid moeten nemen van het aardse leven,
maar dat de Heere ons nog veel gezegende jaren geeft.

Jakob geeft de zegen aan de twee zonen die Jozef heeft meegebracht.
Er wordt in de uitleg een heuse discussie gevoerd
of het nog maar jongens zijn of volwassen zonen.
Zijn ogen zijn dof geworden, maar zijn kleinzonen zien als zichtbaar teken kan hij nog wel.
Jozef zegt het ook: Het zijn de zonen die God mij gegeven heeft hier in Egypte.
Ook in Egypte werkt God, zoals Hij ook in Mesopotamië werkte.
Hij laat zich niet door grenzen tegenhouden.
De zegen die Jakob aan zijn kleinzonen meegeeft, zijn een lofprijzing op God.
God is mijn herder geweest, mijn leven lang.
Hij gaf mij een engel die voor mij uitgegaan is om mij op mijn weg te beschermen.
Moge die God die voor mij een herder was ook jullie herder zijn,
Moge Hij ook voor jullie Zijn engel vooruitsturen.’
Twee kleinzonen die daar voor de oude man op de knieën liggen,
De oude man voor wie het leven erbij op zit, die heel wat meegemaakt heeft
en ook mag terugkijken op Gods leiding in Zijn leven.
Hij legt zijn handen die heel wat hebben meegemaakt en vastgepakt, oud en gerimpeld,
op de hoofden van deze twee jongens om de zegen op hen te leggen.

Dan wil Jozef ingrijpen, als de zegen al achter de rug is.
‘Het is verkeerd, vader,’ zegt Jozef, ‘u zegent de verkeerde.’
Jozef pakt de handen die de zegen geven al op om ze te verwisselen,
maar nee, zegt Jakob, ik ken je jongens, ik weet wat ik doe.
Ik weet dat ik de jongste de belangrijkste zegen geef,
zoals ik als jongste ook de belangrijkste zegen krijg.
De eerste plaats is niet voor wie er recht op heb, maar voor de mindere.
Niet degene die vooraan staat, niet degene die de beste papieren heeft.
God kiest niet voor de hoogstgeplaatste, voor degene van wie de weg reeds is uitgestippeld
niet voor de rechtmatige opvolger, maar voor wie op het tweede plan is geraakt.
God doorbreekt de menselijke vanzelfsprekendheden.
Degene die het minst de zegen verwacht, krijgt de zegen.
Toch krijgen ze allebei de zegen.
Zegen is niet altijd direct resultaat.
Op de vervulling kan geregeld lang moeten worden gewacht.
Maar de zegen is wel de zegen: De kracht van God, Zijn bijstand,
Zijn aanwezigheid, Zijn leiding.
Het is een zegen die het verlangen opwekt om ook zo de zegen te ontvangen.
Moge God u maken als Manasse en als Efraïm.
Moge Hij voor u een herder zijn, moge Hij Zijn engel voor u uitsturen.
OOk in het komende jaar.
Zo nemen we van dit jaar afscheid als met Gods zegen, als gezegende mensen.
Amen

biddag 2017 – morgendienst

biddag 2017 – morgendienst
Kerkdienst samen met de kinderen van C.N.S. Regenboog
Thema: God hoort!
Schriftlezing: Genesis 21:8-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Robert komt op zaterdag thuis van zijn voetbalwedstrijd
en rent naar zijn moeder toe om te vertellen dat hij gewonnen heeft met voetballen.
‘Mam!’ roept hij, terwijl hij naar binnen rent,
‘Mam, weet je hoeveel het geworden is?’
Als hij zijn moeder vindt, ziet hij dat ze de telefoon tegen haar oor heeft:
ze is in gesprek, ziet hij en hij hoort het ook.
Terwijl Robert wil vertellen hoe het met voetballen is gegaan,
loopt zijn moeder weg, zodat Robert haar even niet kan storen
en doet de deur achter haar dicht.
Als Robert de deur toch open doet, stuurt zijn moeder hem weg: ‘Nu even niet, Robert!’
Robert is teleurgesteld.
Het was juist zo leuk om te vertellen dat ze deze keer gewonnen hebben
en dat hijzelf ook een doelpunt heeft gescoord.
Zou hij nog een kans krijgen om te vertellen hoe de wedstrijd verlopen is?

Er zou ook een andere versie te vertellen zijn,
over Thirza die thuis komt uit school en wil vertellen hoe het was,
maar haar vader die achter de computer zit, bezig met zijn werk
en terwijl Thirza uitgebreid over school vertelt, heeft haar vader het eigenlijk niet gehoord.
‘Pap, heb je wel geluisterd?’
Of over de juf of de meester, die vandaag even geen tijd heeft voor jouw verhaal,
omdat er andere kinderen aan de beurt zijn of meer aandacht vragen.
Je wilt wat vertellen, maar je wordt op dat moment niet gehoord.

Volwassenen luisteren niet altijd naar wat je wilt zeggen:
omdat ze het niet doorhebben dat je iets wilt zeggen,
omdat ze geen tijd voor je hebben, net doen alsof ze naar je luisteren.
Maar God luistert wel altijd naar wat je tegen Hem wilt zeggen,
of wat je aan Hem wilt vragen.
Hij luistert naar je, als je tegen Hem praat als je bidt, of als je in je gedachten aan Hem denkt.
Zelfs als je niet bewust met Hem bezig bent, kan God je horen.
Daarom hebben we ook een speciale biddag,
om er bij stil te staan dat we echt tot God kunnen bidden
en dat de Heere onze gebeden hoort en ook ons hoort,
als we niet bewust tot Hem bidden, maar gewoon wat denken of piekeren.
God hoort!
Maar vaak lijkt het er niet op dat je gehoord wordt.
Dat je net zoals Robert en Thirza tegen hun ouders iets willen vertellen niet door hen gehoord
dat je zo ook iets aan God wil vertellen, iets moois of iets verdrietigs,
maar dat het dan voor jouw gevoel zo is, dat God je toch niet hoort.

In de Bijbel staan staan verhalen waarin aan ons verteld wordt,
dat God naar mensen luistert en hun gebeden verhoord door hen te helpen.
Er staan ook verhalen in de Bijbel, waarin het heel lang duurt voor een gebed gehoord wordt
en dat mensen het idee hebben dat God hen niet hoort.
Denk maar eens aan Abraham:
Abraham was 75 jaar oud, toen hij van de Heere de opdracht kreeg om te verhuizen,
om weg te gaan bij zijn familie en lang onderweg te zijn
omdat de Heere hem een land beloofd had,
aan zijn kinderen, kleinkinderen en allen die na die kleinkinderen kwamen.
Een groot volk.
Alleen had Abraham op dat moment geen zoon.
Hij was al oud, had geen kinderen en toch beloofde God hij vader van een groot volk zou zijn.
Hij dacht eerst dat zijn knecht de hele erfenis zou krijgen,
maar nee, niet via een knecht, echt via een zoon die Abraham zelf zou krijgen.
Toen Abraham maar geen eigen zoon kreeg,
zei zijn vrouw: Abraham, je moet maar een kind krijgen bij mijn slavin.
Ze heet Hagar. Zij kan er wel voor zorgen, dat jij een zoon krijgt.
Misschien dacht Sara aan de belofte van God van een zoon voor Abraham
en dacht ze dat ze God een handje moest helpen,
omdat Hij Zijn belofte vergeten was.
Of dacht ze aan alle bezittingen die Abraham had.
Voor wie zou alles zijn als Abraham geen zoon zou hebben?
Zouden ze dan aangevallen worden door de mensen tussen wie ze woonden,
omdat ze wisten dat Abraham geen opvolger had
en bij zichzelf dachten:
nu is het onze kans om de rijkdom en de spullen van Abraham te krijgen.
Een zoon zou zekerheid en veiligheid geven, ook al is het niet haar eigen zoon.
Als Hagar in verwachting is, gaat het mis tussen haar en haar bazin Sara
en Hagar kan het niet langer uithouden, ze moet weg!
Dan komt God naar haar toe:
Hagar, ga terug en ga je bazin weer dienen.
Ik zal voor jou zorgen en ook voor je zoon.
Ook je zoon zal belangrijk zijn.
Je moet je zoon een speciale naam geven, als herinnering voor jezelf
en ook als herinnering voor Sara en Abraham:
Ismaël – die naam betekent: God hoort.
Dat staat ook voorop op de liturgie en is het thema van deze dienst: God hoort!
Als je zoon geboren wordt, Hagar, dan zegt de naam van je zoon
dat God je nooit vergeet
en ook je bazin Sara zal bij alles wat ze naar jou toe doet weten:
Er is een God in de hemel, dezelfde die Sara ook dient,
Die jouw zuchten hoort, die hoort als jij het moeilijk hebt en verkeerd behandeld wordt.
Als de jongen geboren wordt, noemt Abraham de jongen inderdaad Ismaël.
Voor hem een mooie naam: zie je wel, dat God naar mij hoort!
Eindelijk word ik geholpen.
Eindelijk doet God wat Hij heeft beloofd.
Ik heb een zoon. Door hem zal mijn naam nooit vergeten worden
en zal ik aan het hoofd van een groot volk staan.
En er is iemand die mijn bezittingen overneemt, alles erft.
God hoort! Inderdaad.
Wat zal Abraham gelukkig zijn geweest,
zo gelukkig als iemand die door God wordt gehoord
en weet: God vergeet mij niet. Hij helpt mij, Hij doet wat Hij belooft!

Dan komt God naar Abraham toe:
Abraham, je krijgt een zoon, niet de zoon van Hagar, niet Ismaël,
maar een zoon via Sara.
Voor Abraham zal dat een vreemde ervaring zijn geweest:
zijn oude vrouw Sara wordt moeder.
Hij had toch al een zoon?
Weet je hoe oud Abraham is, als God naar hem toekomt?
Hij is dan 99 jaar.
Abraham, volgend jaar heeft Sara een zoon in de armen.
Je kunt je dat nu misschien niet voorstellen.
Achter in de tent hoort Sara wat God tegen haar zegt:
ze lacht, ze kan het zich niet voorstellen dat zij op haar oude dag een kind in de armen houdt,
een eigen kind.
Een jaar later is het zover: Sara heeft inderdaad een kind gekregen.
Ze is gelukkig, zo intens gelukkig
als iemand van wie een diep verdriet overgaat doordat er iets moois gebeurt.
God hoort!
En God, Hij zorgt ervoor, dat ik weer kan lachen.
Dat wordt de naam van haar kind: Isaak, God maakt dat ik kan lachen.
De lach is terug.
Elke keer als ze haar zoon ziet, komt er een glimlach op haar gezicht.
Nooit meer een chagrijnig gezicht, ze is iemand geworden die altijd dankbaar is, altijd straalt.
Dan komt het moment dat ze de borst niet meer hoeft te geven.
We hebben dat gelezen in het bijbelgedeelte.
Op dat moment wordt er een feest gegeven
en dat heeft een reden: kleine kinderen konden in die tijd gemakkelijk sterven.
Als hij niet meer de borst hoeft te krijgen, betekent dat: Hij is sterk genoeg om te blijven leven.
De lach kan blijven, ze kan nog meer lachen, omdat ze weet: Isaak is niet alleen geboren,
Isaak, haar jongen, zal ook opgroeien en sterk worden en de boel later overnemen.

Er is nog iemand die lacht.
Het is een andere lach dan Sara heeft.
Sara is gelukkig en dat straalt van haar gezicht. Zij geniet op het feest.
Er is iemand die begrijpt dat dit feest een nare kant heeft, voor hem.
Ismaël: er komt een bepaalde hardheid in zijn ogen.
Sara vangt de blik in zijn ogen op, ze ziet de trek om de mond,
en ze leest er een boodschap in, een waarschuwing voor Isaak:
Wacht maar, tot ik je te pakken kan nemen.
Jongen, nu is mijn beurt voorbij. Jij zult alles van mij afpakken en dan heb ik niets meer over.
Denkt Ismaël dat er niemand is, die hem doorziet, niemand die hem hoort?
Niemand van de familie die tijdens het feest aanwezig is
en ook God niet?
Sara heeft niets gehoord, hooguit een lach,
maar als ze die lach hoort, als ze de mond van die jongen ziet, de blik in haar ogen,
dan lopen de rillingen over haar lijf.
Dat gaat mis, Isaak is helemaal niet veilig.
Alle kinderziekten heeft hij overwonnen en we vieren feest omdat hij niet meer bedreigd wordt
maar in ons huis loopt de volgende bedreiging voor Isaak rond: zijn eigen stiefbroer Ismaël.
En ze gaat naar Abraham: Abraham, die andere jongen van jou moet weg.
Als jij er straks niet meer bent en de erfenis verdeeld moet worden,
dan gaat het mis.
Dan zal Ismaël alles naar zich toe trekken en dan zal Isaak misschien wel gedood worden.
Isaak is zijn leven hier niet veilig.
Je moet wat doen! Stuur die andere jongen weg en zijn moeder ook.

Abrahm schrikt en wordt boos: ben je vergeten dat deze jongen mijn zoon is?
Wat moet er van hem terecht komen als hij weggaat. Ik kan hem niet wegsturen!
Abraham wil niet naar Sara luisteren.
God heeft het gesprek van Sara en Abraham gehoord
en ook dat Abraham niet wil luisteren naar Sara.
God spreekt tot Abraham: ‘Abraham, luister naar Sara.
Maak jij je geen zorgen over Hagar en Ismaël. Ik zal er zijn om voor hen te zorgen.’
En Abraham doet het. Hij luistert.
Er staat niet bij hoe hij erover denkt. Wat hij er van vindt.
Hij geeft hen brood en water mee en stuurt hen de woestijn in.
De woestijn betekent niet altijd dat je alleen maar zand hebt, er kunnen ook bergen zijn.
In een woestijn is er geen water en er groeit niets.
Je kunt er niet leven, niet wonen.
Wil Abraham God uittesten door Hagar weg te sturen naar een plek waar ze eigenlijk niet kan leven, om zo God uit de dagen: U belooft toch om voor haar te zorgen?
Nou, dan moet u maar zien dat U dat waar maakt.
Het lijkt gedaan met de zorg van God voor Hagar en Ismaël.
Hij laat Hagar in de woestijn gaan, met Ismaël aan de hand.
Daar gaan ze, de plek in waar niemand kan overleven.
Zou Hagar geweten hebben waarom ze weg moest?
Zou ze gedacht hebben: dit wordt mijn dood?
Ze heeft geen keus dan te gaan.
In de hoop dat er iemand is die voor haar zorgt en voor haar jongen,
daar in de woestijn waar geen water is en geen eten,
waar gevaarlijke wilde dieren zijn als leeuwen, gieren, slangen.
Ze is helemaal alleen met haar zoon.
En dan gaat het ook mis: het water raakt op en Ismaël krijgt dorst.
Er is geen water te vinden en de dorst wordt alleen maar sterker en sterker.
‘Mama, geef me water.’
‘Jongen, er is geen water.’
Hagar voelt dat haar jongen slapper en slapper wordt.
Hij gaat het niet halen! Hij zal sterven!
Dat kan Hagar niet aanzien.
Ze legt Ismaël onder een struik neer, zodat hij toch wat schaduw heeft
en hij niet opvalt voor de gieren die al in de lucht cirkelen.
Een klein eindje verderop gaat ze zitten, ver genoeg om niets meer te horen,
om het gehuil en het geroep van haar kind te horen
en ze huilt zelf ook. Hier houdt het op.
Ze kan niet eens meer bidden, want ze is toch door God weggestuurd bij Abraham vandaan?

Er is een psalm waarin de woorden staan:
Gij weet, o God, hoe ‘k zwerven moet op aard’;
Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard.
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

God hoort! God hoort het geroep en geklaag van Ismaël.
Het is waar, dat God hoort!|
Er komt een engel naar Hagar toe: ‘Hagar, huil niet meer!
Hagar er is troost voor je!
Weet je nog dat je van God je zoon een naam moest geven: Ismaël, God hoort!?
Nou, God heeft gehoord, Hij hoort het roepen, het huilen van Ismaël.
Kijk eens voor je, kijk eens waar je bent.
Daar vlak voor je, daar is water te vinden.
Hier kun je je zoon redden van de dood, hier kun je leven.
En Hagar kan Ismaël water geven en hij kan blijven leven.

God hoort! Vandaag is het biddag.
Een speciale dag om ons eraan te herinneren dat bidden altijd zin heeft,
omdat we een God in de hemel hebben die ons hier op aarde kent
en hoort, ook als je niet hardop praat en alleen maar denkt.
We bidden vandaag dat we eten mogen hebben en dat alles groeit,
we bidden dat er werk is voor je vader en moeder, voor je opa en oma (als ze nog werken)
voor de mensen die geen eten hebben, of geen werk.
God hoort! Dat wil niet zeggen, dat Hij het geeft, of direct geeft.
Soms gaat er lang overheen, bij Abraham 25 jaar
en bij Hagar een dag waarop ze dacht dat haar zoon zou sterven van de dorst.
En toch: God hoort! Ook jouw gebed, hardop of in jezelf. God hoort ook jou!
Je hoeft nooit te denken: ik tel niet mee voor God.
Ik hoor er niet bij, of ik ben te klein. Nee, God hoort ook jou!
En al is er niemand die jou hoort, God hoort jou wel!
Amen

 

Genesis 3: een verhaal over de zonde?

Genesis 3: een verhaal over de zonde?

Noem Genesis 3 en de doorgewinterde Bijbelkenner weet om welk hoofdstuk het gaat: het verhaal van de slang die de vrouw en de man in de hof van Eden verleidt om de verboden vrucht te nemen. Hierin wordt de zondeval beschreven.

Adam_en_Eva_hof_van_Eden-Wenzel_Peter

Is dat wel zo? Gaat Genesis 3 wel over de zondeval? Volgens Jürgen Ebach niet. Hij wijst erop, dat zowel het woord ‘zonde’ als ‘val’ niet in dit hoofdstuk voorkomen. Volgens hem is ook het verdrijven uit de tuin geen straf, maar een gevolg van de verkozen autonomie.
Ebach is een oudtestamenticus die ik, zodra hij over een tekst of onderwerp geschreven heeft, altijd raadpleeg. Door zijn manier van exegetiseren (vooral het stellen van vragen) weet hij de tekst dichtbij te brengen. Zijn uitleg is vaak uitdagend en provocatief. In zijn exegese van Genesis 3 overtuigt hij mij niet. Naar mijn idee laat hij zich teveel leiden door het genderaspect en ziet hij belangrijke kenmerken van de tekst over het hoofd.
Voor mij gaat Genesis 3 wel degelijk over de zondeval. Ook al worden de woorden niet letterlijk ‘zonde’ en ‘val’ niet genoemd, dit hoofdstuk is een narratieve hamartiologie (hamartiologie = de technische term voor zondeleer):

* Het woord ‘zonde’ wordt niet letterlijk genoemd in dit gedeelte, maar er komen wel woorden en begrippen voor die een plaats hebben in de christelijke leer over de zonde:
– In de tuin staat een boom van kennis van goed en kwaad. Dat woord kwaad heeft in de Bijbel de betekenis van goddeloosheid. Goddeloosheid heeft in de Bijbel de betekenis: bij het handelen bewust geen rekening houden dat er ook een God is die oordeelt; een vorm van praktisch atheïsme.
– Al bij de inzet van het hoofdstuk wordt duidelijk, dat het erom gaat de mensen uit de gemeenschap van de HEERE God te halen. De slang, die de vrouw aanspreekt, wordt getypeerd als ‘sluw’. In Spreuken kan dat een positieve betekenis hebben (‘wijs’), maar in de rest van het Oude Testament is de betekenis negatief. Volgens NIDOTTE betekent dit woord dan: kennis die tegen God ingaat.
– De slang spreekt een halve waarheid, die een hele leugen is. Hij suggereert dat God een verbod voor alle bomen heeft opgelegd en suggereert daarmee dat God de mens niets gunt. Door deze halve waarheid creëert de slang bewust een negatief beeld van God.
– De man en vrouw eten van de vrucht, terwijl dat door de HEERE verboden is. Het overtreden van het gebod van de HEERE is in de Bijbel altijd een vorm van zonde.
– De tuin waarin de mensen geplaatst zijn, is niet alleen een mooie tuin. In deze tuin leven de mensen samen met de HEERE God. De HEERE wandelt in deze hof. De mensen zullen ook met de HEERE hebben gewandeld, want zij verbergen zich op het moment dat zij de HEERE horen wandelen. Wandelen met de HEERE is in het Oude Testament ook een ethische formulering: je houden aan Gods geboden en inzettingen. De mens wordt buiten deze hof, waarin zij met de HEERE verkeerden, geplaatst en de toegang geblokkeerd.
Voor mij zijn dit signalen dat het in dit hoofdstuk wel degelijk om een ‘zondeval’ gaat: een door eigen handelen uit de gemeenschap van de HEERE geraken en dat door een handeling die tegen de HEERE ingaat. Door deze handeling werd de mens van bondgenoot een tegenstander van de HEERE.

lucas-cranach-d.-ae.-adam-und-eva-02044

* In dit gedeelte wordt een sprekende slang opgevoerd. Omdat het een bekend gedeelte is, ben je als lezer geneigd om hier overheen te lezen. Toch is het uitzonderlijk dat er een sprekend dier wordt opgevoerd. Zo vaak komt dat niet voor in de Bijbel: de ezelin van Bileam is net als de slang een uitzondering.
De sprekende slang laat zien dat het in dit gedeelte gaat om het aanspreken van de mens. Door wie laat de mens zich aanspreken: door de HEERE God of door een andere stem, die de mens op het verkeerde pad brengt (een weg die niet de weg van de HEERE is)? Op welke stem gaat de mens in? Dit motief wordt versterkt door het roepen van God, de HEER: ‘Adam, waar zijt gij?’ Een belangrijk onderdeel van de christelijke antropologie (de christelijke leer over de mens) is dat de mens leeft door het aanspreken van de HEERE. De HEERE roept de mens en vraagt om zijn antwoord in woord en daad.

* De slang spreekt als eerste de vrouw aan. Waarom eigenlijk? Dat heeft te maken met het vorige hoofdstuk, waar de vrouw aan de man is gegeven als ‘hulp tegenover’. Deze hulp tegenover is geen sloof of dienstmeisje, maar iemand die de man recht in zijn gezicht kijkt en hem stimuleert en corrigeert. De vrouw als hulp tegenover spreekt haar man aan. Volgens Ebach (en hierin volg ik hem wel) is de vrouw niet uit de rib van Adam geschapen, maar uit zijn zijde: de vrouw hoort bij haar man en is van hem, maar wezenlijk een ander: een tegenover, een aangezicht, nadrukkelijk geen projectie of verlengstuk, maar iemand die tegen hem in durft te gaan. (Daarmee is deze tekst niet voor niets een basistekst voor het christelijk huwelijk.)
Waarom wordt deze hulp tegenover aan de man geschonken? Omdat het God, de HEER, opvalt dat de mens alleen is. Het valt de mens zelf niet op. De hulp tegenover wordt geschonken vanwege de boom van kennis van goed en kwaad. De hulp tegenover moet de mens behoeden om de vrucht van die boom te eten. De hulp tegenover is dus geschonken om de ander te behoeden buiten de gemeenschap van God te geraken. De hulp tegenover is geschonken om te behoeden voor de zondige daad, om de keuze voor een weg bij de HEERE vandaag te blokkeren.
Juist deze hulp tegenover wordt door de sluwe slang aangesproken. Het is daarom de vraag of het Adam te verwijten is dat hij de schuld afgeschoven heeft op de vrouw. De door de HEERE gegeven hoedster van de man faalde. (Ik ben van mening dat het genderaspect in geen enkel opzicht relevant is voor dit gedeelte. Het had ook omgekeerd kunnen gebeuren: de door de HEERE gegeven hoeder van de vrouw faalde. Het accent ligt niet op het genderaspect, maar op de hulp die door de HEERE gegeven is en de opgedragen taakstelling niet nakomt.)

* Opvallend is het gebruik van de Godsnamen: de verteller spreekt steeds over God, de HEERE (Elohim JHWH) of de HEERE God (JHWH Elohim), maar de slang laat de Godsnaam JHWH weg. Naar mijn idee laat de slang deze naam bewust weg. Het is de naam wijst vooruit naar het verbond dat gesloten gaat worden, de God van Abraham, Izaäk en Jacob, de God van Israël. De slang maakt van de God van Israël een algemene god. De slang degradeert de God van het verbond, de enige God die er is, tot een algemene, inwisselbare god.
De slang suggereert dat de mensen kunnen worden als deze algemene god. (Merkwaardig genoeg vertaalt de NBV ‘Elohim’ in vers 6 als ‘goden’; een misser die de NBV ook in Genesis 6:1 maakt.)

* De slang suggereert dat de mensen kunnen worden als God. Want God kent goed en kwaad. Als de slang hier wel de waarheid spreekt, is dat een spannend theologisch gegeven: God kent het goede dat van Zijn kant komt, maar kent ook het kwaad van de goddeloosheid. De slang suggereert dat de mens incompleet is en door deze god wordt kleingehouden. Om echt kennis te hebben, moet je ook de zonde en het kwaad kennen. Om juist te kunnen handelen moet je ook weten wat het verkeerde is. De slang suggereert dus dat het nodig is om zonde en kwaad vanuit ervaring te kennen. Alleen dan kan de mens juist handelen.

* Hij suggereert ook dat de ogen zullen opengaan. Voor het eerst ziet de vrouw de boom. Tot dan toe heeft zij de boom genegeerd. Zij had genoeg aan wat de HEERE gaf. Nu de slang de aandacht op de boom vestigt ziet zij hoe aanlokkelijk de vrucht van de boom is. Bovendien is er in haar een verlangen om nog wijzer te zijn dan zij al is. De boom zou haar die wijsheid kunnen schenken.
Na het plukken, het eten en het delen merken zij beiden dat zij naakt zijn. Daarmee komt naast het kwaad van het overtreden van het gebod van de HEERE er niet alleen distantie tot de HEERE maar ook tot elkaar. Zij schamen zich niet alleen voor de HEERE, maar ook voor elkaar. De eenheid tussen de man en zijn zijde, de eenheid tussen de mens en zijn tegenstem is verbroken. Dat blijkt al in het doorgeven van de schuld: man en vrouw zijn geen eenheid meer; de schuld wordt niet meer gedeeld maar doorgeschoven. De mensen voelen zich niet meer verantwoordelijk voor elkaar (Genesis 4:9)
Ook de eenheid met de HEERE is verbroken. De komst van de HEERE roept vrees op. Normaal gesproken betekent ‘vreze des HEEREN’: liefde en ontzag voor de HEERE. Deze vreze is veranderd in vrees. De mensen verbergen zich voor de HEERE.

* Door het overtreden van het gebod van de HEERE komen de mensen buiten de tuin terecht. De zegen wordt vervangen door de vloek. Zegen en vloek zijn belangrijke trefwoorden in het Bijbelboek Genesis. Wanneer exegeten dit buiten-de-tuin-geraken duiden als een autonoom worden, geven zij aan deze verbanning wel een erg positieve draai. Volgens mij is die duiding ook niet houdbaar met wat er in Genesis 3 en in het vervolg wordt gedeeld. (Zo blijft er een hang naar de tuin: Kaïn trekt weg naar het oosten, de kant op van de tuin.)

* Ebach heeft gelijk dat er geen sprake is van straf. Hij ziet over het hoofd dat er wel sprake is van vloek. Is vloek niet hetzelfde fenomeen als de toorn van God. Ook de toorn is niet persé straf of woede. Vloek is in mijn ogen een door de mens over zichzelf afgeroepen effect van zijn daden. Omdat de gevolgen een vloek inhouden en negatief zijn, ligt het naar mijn idee wel dicht tegen straf aan. In ieder geval houdt de vloek in dat de mens deze over zichzelf heeft afgeroepen.

bsgd0011

* Ondanks de vloek is er toch sprake van Gods genade. Allereerst blijft God, de HEERE, zich met Zijn verbondsnaam vertonen. Hij sticht bovendien vijandschap tussen het nageslacht van de slang en het nageslacht van de vrouw. Daarbij zal de suggestie zijn, dat de HEERE partij kiest voor het nageslacht van de vrouw. Ondanks hun overtreding worden zij niet aan hun lot overgelaten. Hij blijft mensen aanspreken (Genesis 4:9). Hij blijft hen gedenken door hen nakomelingen te geven. Hij laat zich aanroepen (Genesis 4:26). En wellicht is ook de verbanning uit de tuin een daad van barmhartigheid: om te voorkomen dat de mens eet van de levensboom. In ieder geval gaat Hij Zijn weg met het nageslacht van de vrouw. Een weg die uitmondt in Abraham en in Israël, een keuze die tot zegen is bedoeld voor heel de mensheid.

Genesis 3 gaat naar mijn idee dus wel degelijk over zonde. Maar als tegenhanger ook over de genadige trouw van de HEERE.