Preek oudjaarsavond 2017

Preek oudjaarsavond 2017
Genesis 48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We nemen in ons leven heel wat keren afscheid.
Als je van de basisschool verlaat en naar de middelbare school gaat.
Je weet dat al als je aan groep 8 begint: dit is het laatste jaar op deze school
en dat maakt groep 8 een bijzonder jaar.
Het hele jaar is anders: de cito-toets, schoolkamp, de musical.
Je werkt naar het afscheid toe, je leeft ernaar toe dat je naar een nieuwe school gaat.

Je neemt afscheid als je aan een nieuwe baan begint.
Je gaat niet meer naar deze locatie, vaak naar een andere plaats zelfs.
Afscheid van collega’s met wie je soms heel lang hebt samengewerkt.
Afscheid neem je bij een verhuizing: van de buren naast wie je woonde
met wie je soms veel hebt opgetrokken.
Als je naar een andere plaats verhuist,
neem je afscheid van mensen die je geregeld tegen kwam op straat, in de kerk, in winkels.

Afscheid neem je bij een overlijden,
zoals er ook in 2017 heel wat families afscheid moesten nemen
van een vader of een moeder, van een man, een vrouw, van een dochter, een zoon.
Van iemand uit je familie, van een vriend of vriendin, van een goede bekende.

Afscheid nemen is niet altijd makkelijk.
De Fransen hebben het spreekwoord: Afscheid nemen is een beetje sterven.
Bij het afscheid nemen raak je iets kwijt dat iets van jezelf was,
je raakt iets vertrouwds kwijt wat lang niet altijd wordt opgevuld.
Dat begint al als je afscheid neemt van de basisschool.
Je ziet niet iedere klasgenoot terug.
Soms kun je met iemand met wie je veel optrok nooit meer terugzien
omdat hij of zij naar een heel andere school ging.
De juffrouws en de meesters die je op de basisschool
die heel jou goed kende en die voor jou heel vertrouwd waren geven je geen les meer.
Als je van baan verandert kun je bepaalde collega’s gaan missen, de sfeer op het werk,
het doel dat je werk je gaf.
Er zijn er heel wat die als ze met pensioen gaan de moeite hebben om de draai te vinden
of die vervroegd met hun werk moesten stoppen het werk echt missen.
Je kunt buren missen, voor het vertrouwde loopje, even een praatje.
Soms kun je het gevoel hebben dat de hele buurt veranderd is.

En zeker als er iemand overlijdt met wie je een goede band hebt,
dan is afscheid nemen niet alleen maar een klein beetje sterven.
In het afgelopen jaar waren er heel wat van wie het overlijden onverwacht kwam.
Geen tijd om afscheid te nemen, om nog te zeggen wat je wilde zeggen.
Dan gaat de schok lang mee en komt het verlies nog veel harder aan
omdat je niet voorbereid bent op dat afscheid, omdat je nog veel samen had willen doen.

Van Jozef kun je niet zeggen dat hij geen tijd had om afscheid te nemen.
Na jaren waarin hij zijn vader niet heeft kunnen zien, mocht hij met hem verenigd worden.
Een tijd lang heeft Jakob nog in Gosen in Egypte mogen wonen.
Als er dan het bericht komt dat zijn vader ernstig ziek is,
Bedenkt Jozef zich geen moment en gaat naar zijn vader toe, nu het nog kan.
Hij neemt zijn zonen Manasse en Efraïm mee,
zonen die in Egypte zijn geboren terwijl Jozef al onderkoning was geworden.

Het wordt een intiem bezoek, zoals dat wel eens gebeurt
als iemand te horen krijgt dat hij of zij ernstig ziek is,
dat degene in de weken die nog overblijven iets deelt van wat er in hem of haar omgaat.
Het is een gesprek waarvan je hoopt dat zo’n gesprek er komt
in de laatste weken dat iemand nog te leven heeft: persoonlijk en heel intiem.
Ook een terugblik, heel open, over hoe de Heere heeft gewerkt in zijn leven.
De oude Jakob verzamelt nog eens al zijn krachten om te kunnen vertellen:
‘Toen ik het land uit moest vluchten, daar bij Luz, de plek die ik later Beth-El noemde
is God de Almachtige aan mij verschenen.’
God de Almachtige – dat is niet zomaar een naam van God,
maar de naam waarmee Hij Zich ook aan Abraham bekend maakte:
‘Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht.’
Dat was de opdracht voor Abraham. En Abraham kreeg een belofte mee.
Toen Jakob moest vluchten voor zijn broer Ezau verscheen God ook aan hem:
Jakob, Ik ga met je mee en Ik zorg dat je weer terug komt in dit land
en dat jouw nakomelingen dit land zullen bezitten.
God de Almachtige, dat is niet alleen de kracht van God,
maar ook de naam van God die Zijn belofte waarmaakt,
Zijn belofte nog eens meegeeft, juist als het er niet op lijkt dat die belofte in vervulling gaat.
Jakob, die het land dat hem beloofd werd, juist moet ontvluchten.
Hij mocht door Gods leiding, door Gods hulp echter terugkeren.
Degenen die afscheid moesten nemen van het afgelopen jaar, kregen ook de belofte mee
dat God er zal zijn op dagen waarop het gemis er is.
Ik hoop dat deze belofte ook uitgekomen is en dat u de Heere mocht ervaren.
Dat u mocht merken dat de Heere naar u toekwam, dat Hij aan u verscheen.
Of dat je dat, nu terugkijkend het afgelopen jaar op een andere manier mocht ervaren
dat de Heere aan je verscheen, dat Hij er voor je was.
Omdat je een kind mocht ontvangen, omdat je een relatie kreeg, mocht trouwen,
je studie afrondde, een jubileum mocht vieren.

God heeft mij gezegend, zegt Jakob.
Gezegend op het moment dat ik het land moest verlaten,
terwijl daar helemaal nog niets van zichtbaar was, wel meegegeven als belofte.
Nu hij oud geworden weer in een vreemd land is, herinnert hij zijn zoon,
die hij jarenlang dood waande en weer terug mocht zien aan deze belofte
dat zijn nageslacht niet hier in Egypte hoort, maar een thuis heeft in Kanaän.
Ook de zonen van Jozef, ook al zijn ze hier in Egypte geboren,
ze horen daar in Kanaän te wonen, dat is het thuis van Egypte.
Zij zullen, als het Gods tijd gekomen is, dit land verlaten,
zoals Jakob ook terugkeerde uit Mesopotamië, waar hij jarenlang Laban diende.

Want deze jongens van jou, die al geboren waren voor ik in Egypte kwam,
het is ook mijn nageslacht, de lijn van mijn lieve vrouw Rachel,
die ik het meest boven alles heb liefgehad.
Deze twee jongens van jou, geboren uit jou en je Egyptische vrouw,
Ze hebben voor mij dezelfde positie als Ruben en Simeon,
Dezelfde positie in het gezin als mijn oudste twee zonen.
Dat is een gevaarlijke beslissing van Jakob: om twee kleinkinderen te promoveren
en dezelfde rechten te geven als de twee oudste zonen.
Jakob wist toch wel dat er in zijn eigen leven ook een gedoe was over de zegen
die voor de eerstgeborene was bestemd,
Dat hijzelf als tweede zoon, en ook nog eens op de tweede plaats gesteld
de zegen ontving, volgens zijn oudere broer de zegen affutselde, aftroggelde.
Toch doet Jakob het, als eerbetoon aan Rachel die hem zo vroeg ontvallen is,
de vrouw van wie hij hield, een blijk van liefde voor deze vrouw voor wie hij 14 jaar werkte.
Wanneer iemand je ontvalt, kan dat gemis een leven lang mee gaan.
Na al die jaren is hij Rachel niet vergeten, ook al moest hij haar al vroeg missen.

Die zegen speelt een belangrijke rol in deze familie.
Deze familie is niet alleen begonnen met de opdracht van God om weg te trekken,
maar ook met de zegen van God
en de zegen van God is een rode draad in de geschiedenis van deze familie:
Abraham krijgt deze zegen.
Izak geeft deze zegen door aan Jakob, zijn tweede zoon
en nu gaat Jakob deze zegen weer doorgeven.
Het gezin waaruit Jakob en Jozef komen is een gezin waarin de zegen wordt doorgegeven.
Deze zegen is de dragende grond onder dit gezin, al die geslachten door.
Jakob heeft voor al zijn zonen een zegen.
Geen enkele van de 12 wordt buitengesloten van de zegen, niemand loopt de zegen mis.
Nu het einde van Jakob gekomen is, gaat hij de zegen ook weer doorgeven.
Bijzonder, zo’n gezin met de zegen van God als rode draad, als familieverhaal.
Bijzonder, om afscheid te nemen met de zegen,
om je kinderen, je kleinkinderen de zegen op te leggen.
Want de zegen opleggen, dat is God meegeven,
God die met jou meegegaan is, een leven lang, ook als je daar niet altijd de leiding van zag.
Je geeft de kracht van God door, de aanwezigheid van God door.
Je geeft door hoe God er voor jou was aan degene die na je komt.

Deze kleinzonen, ze betekenen niet alleen veel voor hem
omdat dit het nageslacht is van zijn lievelingsvrouw, de vrouw die hij zo moet missen,
maar deze twee jongens die met Jozef meegekomen zijn voor hem ook zichtbaar teken
van Gods leiding, dat God inderdaad de Almachtige is, zoals Hij aan hem verscheen:
God die Zijn beloften waarmaakt.
Die zijn leven zo geleid heeft dat hij niet alleen zijn zoon in de armen kon sluiten,
maar ook zijn kleinzonen.
Deze leiding, deze belofte geeft hij door aan de kinderen,
die voor hem het zichtbare teken zijn dat God leidt en werkt.
Zo gaat Jakob afscheid nemen van dit aardse leven,
door deze God en Zijn leiding door te geven.
Bij het afscheid nemen van 2017 willen wij zo aan elkaar Gods leiding en zorg doorgeven.
We nemen afscheid met een zegen, al wens u ik toe dat het niet betekent
dat we afscheid moeten nemen van het aardse leven,
maar dat de Heere ons nog veel gezegende jaren geeft.

Jakob geeft de zegen aan de twee zonen die Jozef heeft meegebracht.
Er wordt in de uitleg een heuse discussie gevoerd
of het nog maar jongens zijn of volwassen zonen.
Zijn ogen zijn dof geworden, maar zijn kleinzonen zien als zichtbaar teken kan hij nog wel.
Jozef zegt het ook: Het zijn de zonen die God mij gegeven heeft hier in Egypte.
Ook in Egypte werkt God, zoals Hij ook in Mesopotamië werkte.
Hij laat zich niet door grenzen tegenhouden.
De zegen die Jakob aan zijn kleinzonen meegeeft, zijn een lofprijzing op God.
God is mijn herder geweest, mijn leven lang.
Hij gaf mij een engel die voor mij uitgegaan is om mij op mijn weg te beschermen.
Moge die God die voor mij een herder was ook jullie herder zijn,
Moge Hij ook voor jullie Zijn engel vooruitsturen.’
Twee kleinzonen die daar voor de oude man op de knieën liggen,
De oude man voor wie het leven erbij op zit, die heel wat meegemaakt heeft
en ook mag terugkijken op Gods leiding in Zijn leven.
Hij legt zijn handen die heel wat hebben meegemaakt en vastgepakt, oud en gerimpeld,
op de hoofden van deze twee jongens om de zegen op hen te leggen.

Dan wil Jozef ingrijpen, als de zegen al achter de rug is.
‘Het is verkeerd, vader,’ zegt Jozef, ‘u zegent de verkeerde.’
Jozef pakt de handen die de zegen geven al op om ze te verwisselen,
maar nee, zegt Jakob, ik ken je jongens, ik weet wat ik doe.
Ik weet dat ik de jongste de belangrijkste zegen geef,
zoals ik als jongste ook de belangrijkste zegen krijg.
De eerste plaats is niet voor wie er recht op heb, maar voor de mindere.
Niet degene die vooraan staat, niet degene die de beste papieren heeft.
God kiest niet voor de hoogstgeplaatste, voor degene van wie de weg reeds is uitgestippeld
niet voor de rechtmatige opvolger, maar voor wie op het tweede plan is geraakt.
God doorbreekt de menselijke vanzelfsprekendheden.
Degene die het minst de zegen verwacht, krijgt de zegen.
Toch krijgen ze allebei de zegen.
Zegen is niet altijd direct resultaat.
Op de vervulling kan geregeld lang moeten worden gewacht.
Maar de zegen is wel de zegen: De kracht van God, Zijn bijstand,
Zijn aanwezigheid, Zijn leiding.
Het is een zegen die het verlangen opwekt om ook zo de zegen te ontvangen.
Moge God u maken als Manasse en als Efraïm.
Moge Hij voor u een herder zijn, moge Hij Zijn engel voor u uitsturen.
OOk in het komende jaar.
Zo nemen we van dit jaar afscheid als met Gods zegen, als gezegende mensen.
Amen

Advertenties

biddag 2017 – morgendienst

biddag 2017 – morgendienst
Kerkdienst samen met de kinderen van C.N.S. Regenboog
Thema: God hoort!
Schriftlezing: Genesis 21:8-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Robert komt op zaterdag thuis van zijn voetbalwedstrijd
en rent naar zijn moeder toe om te vertellen dat hij gewonnen heeft met voetballen.
‘Mam!’ roept hij, terwijl hij naar binnen rent,
‘Mam, weet je hoeveel het geworden is?’
Als hij zijn moeder vindt, ziet hij dat ze de telefoon tegen haar oor heeft:
ze is in gesprek, ziet hij en hij hoort het ook.
Terwijl Robert wil vertellen hoe het met voetballen is gegaan,
loopt zijn moeder weg, zodat Robert haar even niet kan storen
en doet de deur achter haar dicht.
Als Robert de deur toch open doet, stuurt zijn moeder hem weg: ‘Nu even niet, Robert!’
Robert is teleurgesteld.
Het was juist zo leuk om te vertellen dat ze deze keer gewonnen hebben
en dat hijzelf ook een doelpunt heeft gescoord.
Zou hij nog een kans krijgen om te vertellen hoe de wedstrijd verlopen is?

Er zou ook een andere versie te vertellen zijn,
over Thirza die thuis komt uit school en wil vertellen hoe het was,
maar haar vader die achter de computer zit, bezig met zijn werk
en terwijl Thirza uitgebreid over school vertelt, heeft haar vader het eigenlijk niet gehoord.
‘Pap, heb je wel geluisterd?’
Of over de juf of de meester, die vandaag even geen tijd heeft voor jouw verhaal,
omdat er andere kinderen aan de beurt zijn of meer aandacht vragen.
Je wilt wat vertellen, maar je wordt op dat moment niet gehoord.

Volwassenen luisteren niet altijd naar wat je wilt zeggen:
omdat ze het niet doorhebben dat je iets wilt zeggen,
omdat ze geen tijd voor je hebben, net doen alsof ze naar je luisteren.
Maar God luistert wel altijd naar wat je tegen Hem wilt zeggen,
of wat je aan Hem wilt vragen.
Hij luistert naar je, als je tegen Hem praat als je bidt, of als je in je gedachten aan Hem denkt.
Zelfs als je niet bewust met Hem bezig bent, kan God je horen.
Daarom hebben we ook een speciale biddag,
om er bij stil te staan dat we echt tot God kunnen bidden
en dat de Heere onze gebeden hoort en ook ons hoort,
als we niet bewust tot Hem bidden, maar gewoon wat denken of piekeren.
God hoort!
Maar vaak lijkt het er niet op dat je gehoord wordt.
Dat je net zoals Robert en Thirza tegen hun ouders iets willen vertellen niet door hen gehoord
dat je zo ook iets aan God wil vertellen, iets moois of iets verdrietigs,
maar dat het dan voor jouw gevoel zo is, dat God je toch niet hoort.

In de Bijbel staan staan verhalen waarin aan ons verteld wordt,
dat God naar mensen luistert en hun gebeden verhoord door hen te helpen.
Er staan ook verhalen in de Bijbel, waarin het heel lang duurt voor een gebed gehoord wordt
en dat mensen het idee hebben dat God hen niet hoort.
Denk maar eens aan Abraham:
Abraham was 75 jaar oud, toen hij van de Heere de opdracht kreeg om te verhuizen,
om weg te gaan bij zijn familie en lang onderweg te zijn
omdat de Heere hem een land beloofd had,
aan zijn kinderen, kleinkinderen en allen die na die kleinkinderen kwamen.
Een groot volk.
Alleen had Abraham op dat moment geen zoon.
Hij was al oud, had geen kinderen en toch beloofde God hij vader van een groot volk zou zijn.
Hij dacht eerst dat zijn knecht de hele erfenis zou krijgen,
maar nee, niet via een knecht, echt via een zoon die Abraham zelf zou krijgen.
Toen Abraham maar geen eigen zoon kreeg,
zei zijn vrouw: Abraham, je moet maar een kind krijgen bij mijn slavin.
Ze heet Hagar. Zij kan er wel voor zorgen, dat jij een zoon krijgt.
Misschien dacht Sara aan de belofte van God van een zoon voor Abraham
en dacht ze dat ze God een handje moest helpen,
omdat Hij Zijn belofte vergeten was.
Of dacht ze aan alle bezittingen die Abraham had.
Voor wie zou alles zijn als Abraham geen zoon zou hebben?
Zouden ze dan aangevallen worden door de mensen tussen wie ze woonden,
omdat ze wisten dat Abraham geen opvolger had
en bij zichzelf dachten:
nu is het onze kans om de rijkdom en de spullen van Abraham te krijgen.
Een zoon zou zekerheid en veiligheid geven, ook al is het niet haar eigen zoon.
Als Hagar in verwachting is, gaat het mis tussen haar en haar bazin Sara
en Hagar kan het niet langer uithouden, ze moet weg!
Dan komt God naar haar toe:
Hagar, ga terug en ga je bazin weer dienen.
Ik zal voor jou zorgen en ook voor je zoon.
Ook je zoon zal belangrijk zijn.
Je moet je zoon een speciale naam geven, als herinnering voor jezelf
en ook als herinnering voor Sara en Abraham:
Ismaël – die naam betekent: God hoort.
Dat staat ook voorop op de liturgie en is het thema van deze dienst: God hoort!
Als je zoon geboren wordt, Hagar, dan zegt de naam van je zoon
dat God je nooit vergeet
en ook je bazin Sara zal bij alles wat ze naar jou toe doet weten:
Er is een God in de hemel, dezelfde die Sara ook dient,
Die jouw zuchten hoort, die hoort als jij het moeilijk hebt en verkeerd behandeld wordt.
Als de jongen geboren wordt, noemt Abraham de jongen inderdaad Ismaël.
Voor hem een mooie naam: zie je wel, dat God naar mij hoort!
Eindelijk word ik geholpen.
Eindelijk doet God wat Hij heeft beloofd.
Ik heb een zoon. Door hem zal mijn naam nooit vergeten worden
en zal ik aan het hoofd van een groot volk staan.
En er is iemand die mijn bezittingen overneemt, alles erft.
God hoort! Inderdaad.
Wat zal Abraham gelukkig zijn geweest,
zo gelukkig als iemand die door God wordt gehoord
en weet: God vergeet mij niet. Hij helpt mij, Hij doet wat Hij belooft!

Dan komt God naar Abraham toe:
Abraham, je krijgt een zoon, niet de zoon van Hagar, niet Ismaël,
maar een zoon via Sara.
Voor Abraham zal dat een vreemde ervaring zijn geweest:
zijn oude vrouw Sara wordt moeder.
Hij had toch al een zoon?
Weet je hoe oud Abraham is, als God naar hem toekomt?
Hij is dan 99 jaar.
Abraham, volgend jaar heeft Sara een zoon in de armen.
Je kunt je dat nu misschien niet voorstellen.
Achter in de tent hoort Sara wat God tegen haar zegt:
ze lacht, ze kan het zich niet voorstellen dat zij op haar oude dag een kind in de armen houdt,
een eigen kind.
Een jaar later is het zover: Sara heeft inderdaad een kind gekregen.
Ze is gelukkig, zo intens gelukkig
als iemand van wie een diep verdriet overgaat doordat er iets moois gebeurt.
God hoort!
En God, Hij zorgt ervoor, dat ik weer kan lachen.
Dat wordt de naam van haar kind: Isaak, God maakt dat ik kan lachen.
De lach is terug.
Elke keer als ze haar zoon ziet, komt er een glimlach op haar gezicht.
Nooit meer een chagrijnig gezicht, ze is iemand geworden die altijd dankbaar is, altijd straalt.
Dan komt het moment dat ze de borst niet meer hoeft te geven.
We hebben dat gelezen in het bijbelgedeelte.
Op dat moment wordt er een feest gegeven
en dat heeft een reden: kleine kinderen konden in die tijd gemakkelijk sterven.
Als hij niet meer de borst hoeft te krijgen, betekent dat: Hij is sterk genoeg om te blijven leven.
De lach kan blijven, ze kan nog meer lachen, omdat ze weet: Isaak is niet alleen geboren,
Isaak, haar jongen, zal ook opgroeien en sterk worden en de boel later overnemen.

Er is nog iemand die lacht.
Het is een andere lach dan Sara heeft.
Sara is gelukkig en dat straalt van haar gezicht. Zij geniet op het feest.
Er is iemand die begrijpt dat dit feest een nare kant heeft, voor hem.
Ismaël: er komt een bepaalde hardheid in zijn ogen.
Sara vangt de blik in zijn ogen op, ze ziet de trek om de mond,
en ze leest er een boodschap in, een waarschuwing voor Isaak:
Wacht maar, tot ik je te pakken kan nemen.
Jongen, nu is mijn beurt voorbij. Jij zult alles van mij afpakken en dan heb ik niets meer over.
Denkt Ismaël dat er niemand is, die hem doorziet, niemand die hem hoort?
Niemand van de familie die tijdens het feest aanwezig is
en ook God niet?
Sara heeft niets gehoord, hooguit een lach,
maar als ze die lach hoort, als ze de mond van die jongen ziet, de blik in haar ogen,
dan lopen de rillingen over haar lijf.
Dat gaat mis, Isaak is helemaal niet veilig.
Alle kinderziekten heeft hij overwonnen en we vieren feest omdat hij niet meer bedreigd wordt
maar in ons huis loopt de volgende bedreiging voor Isaak rond: zijn eigen stiefbroer Ismaël.
En ze gaat naar Abraham: Abraham, die andere jongen van jou moet weg.
Als jij er straks niet meer bent en de erfenis verdeeld moet worden,
dan gaat het mis.
Dan zal Ismaël alles naar zich toe trekken en dan zal Isaak misschien wel gedood worden.
Isaak is zijn leven hier niet veilig.
Je moet wat doen! Stuur die andere jongen weg en zijn moeder ook.

Abrahm schrikt en wordt boos: ben je vergeten dat deze jongen mijn zoon is?
Wat moet er van hem terecht komen als hij weggaat. Ik kan hem niet wegsturen!
Abraham wil niet naar Sara luisteren.
God heeft het gesprek van Sara en Abraham gehoord
en ook dat Abraham niet wil luisteren naar Sara.
God spreekt tot Abraham: ‘Abraham, luister naar Sara.
Maak jij je geen zorgen over Hagar en Ismaël. Ik zal er zijn om voor hen te zorgen.’
En Abraham doet het. Hij luistert.
Er staat niet bij hoe hij erover denkt. Wat hij er van vindt.
Hij geeft hen brood en water mee en stuurt hen de woestijn in.
De woestijn betekent niet altijd dat je alleen maar zand hebt, er kunnen ook bergen zijn.
In een woestijn is er geen water en er groeit niets.
Je kunt er niet leven, niet wonen.
Wil Abraham God uittesten door Hagar weg te sturen naar een plek waar ze eigenlijk niet kan leven, om zo God uit de dagen: U belooft toch om voor haar te zorgen?
Nou, dan moet u maar zien dat U dat waar maakt.
Het lijkt gedaan met de zorg van God voor Hagar en Ismaël.
Hij laat Hagar in de woestijn gaan, met Ismaël aan de hand.
Daar gaan ze, de plek in waar niemand kan overleven.
Zou Hagar geweten hebben waarom ze weg moest?
Zou ze gedacht hebben: dit wordt mijn dood?
Ze heeft geen keus dan te gaan.
In de hoop dat er iemand is die voor haar zorgt en voor haar jongen,
daar in de woestijn waar geen water is en geen eten,
waar gevaarlijke wilde dieren zijn als leeuwen, gieren, slangen.
Ze is helemaal alleen met haar zoon.
En dan gaat het ook mis: het water raakt op en Ismaël krijgt dorst.
Er is geen water te vinden en de dorst wordt alleen maar sterker en sterker.
‘Mama, geef me water.’
‘Jongen, er is geen water.’
Hagar voelt dat haar jongen slapper en slapper wordt.
Hij gaat het niet halen! Hij zal sterven!
Dat kan Hagar niet aanzien.
Ze legt Ismaël onder een struik neer, zodat hij toch wat schaduw heeft
en hij niet opvalt voor de gieren die al in de lucht cirkelen.
Een klein eindje verderop gaat ze zitten, ver genoeg om niets meer te horen,
om het gehuil en het geroep van haar kind te horen
en ze huilt zelf ook. Hier houdt het op.
Ze kan niet eens meer bidden, want ze is toch door God weggestuurd bij Abraham vandaan?

Er is een psalm waarin de woorden staan:
Gij weet, o God, hoe ‘k zwerven moet op aard’;
Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard.
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

God hoort! God hoort het geroep en geklaag van Ismaël.
Het is waar, dat God hoort!|
Er komt een engel naar Hagar toe: ‘Hagar, huil niet meer!
Hagar er is troost voor je!
Weet je nog dat je van God je zoon een naam moest geven: Ismaël, God hoort!?
Nou, God heeft gehoord, Hij hoort het roepen, het huilen van Ismaël.
Kijk eens voor je, kijk eens waar je bent.
Daar vlak voor je, daar is water te vinden.
Hier kun je je zoon redden van de dood, hier kun je leven.
En Hagar kan Ismaël water geven en hij kan blijven leven.

God hoort! Vandaag is het biddag.
Een speciale dag om ons eraan te herinneren dat bidden altijd zin heeft,
omdat we een God in de hemel hebben die ons hier op aarde kent
en hoort, ook als je niet hardop praat en alleen maar denkt.
We bidden vandaag dat we eten mogen hebben en dat alles groeit,
we bidden dat er werk is voor je vader en moeder, voor je opa en oma (als ze nog werken)
voor de mensen die geen eten hebben, of geen werk.
God hoort! Dat wil niet zeggen, dat Hij het geeft, of direct geeft.
Soms gaat er lang overheen, bij Abraham 25 jaar
en bij Hagar een dag waarop ze dacht dat haar zoon zou sterven van de dorst.
En toch: God hoort! Ook jouw gebed, hardop of in jezelf. God hoort ook jou!
Je hoeft nooit te denken: ik tel niet mee voor God.
Ik hoor er niet bij, of ik ben te klein. Nee, God hoort ook jou!
En al is er niemand die jou hoort, God hoort jou wel!
Amen

 

Genesis 3: een verhaal over de zonde?

Genesis 3: een verhaal over de zonde?

Noem Genesis 3 en de doorgewinterde Bijbelkenner weet om welk hoofdstuk het gaat: het verhaal van de slang die de vrouw en de man in de hof van Eden verleidt om de verboden vrucht te nemen. Hierin wordt de zondeval beschreven.

Adam_en_Eva_hof_van_Eden-Wenzel_Peter

Is dat wel zo? Gaat Genesis 3 wel over de zondeval? Volgens Jürgen Ebach niet. Hij wijst erop, dat zowel het woord ‘zonde’ als ‘val’ niet in dit hoofdstuk voorkomen. Volgens hem is ook het verdrijven uit de tuin geen straf, maar een gevolg van de verkozen autonomie.
Ebach is een oudtestamenticus die ik, zodra hij over een tekst of onderwerp geschreven heeft, altijd raadpleeg. Door zijn manier van exegetiseren (vooral het stellen van vragen) weet hij de tekst dichtbij te brengen. Zijn uitleg is vaak uitdagend en provocatief. In zijn exegese van Genesis 3 overtuigt hij mij niet. Naar mijn idee laat hij zich teveel leiden door het genderaspect en ziet hij belangrijke kenmerken van de tekst over het hoofd.
Voor mij gaat Genesis 3 wel degelijk over de zondeval. Ook al worden de woorden niet letterlijk ‘zonde’ en ‘val’ niet genoemd, dit hoofdstuk is een narratieve hamartiologie (hamartiologie = de technische term voor zondeleer):

* Het woord ‘zonde’ wordt niet letterlijk genoemd in dit gedeelte, maar er komen wel woorden en begrippen voor die een plaats hebben in de christelijke leer over de zonde:
– In de tuin staat een boom van kennis van goed en kwaad. Dat woord kwaad heeft in de Bijbel de betekenis van goddeloosheid. Goddeloosheid heeft in de Bijbel de betekenis: bij het handelen bewust geen rekening houden dat er ook een God is die oordeelt; een vorm van praktisch atheïsme.
– Al bij de inzet van het hoofdstuk wordt duidelijk, dat het erom gaat de mensen uit de gemeenschap van de HEERE God te halen. De slang, die de vrouw aanspreekt, wordt getypeerd als ‘sluw’. In Spreuken kan dat een positieve betekenis hebben (‘wijs’), maar in de rest van het Oude Testament is de betekenis negatief. Volgens NIDOTTE betekent dit woord dan: kennis die tegen God ingaat.
– De slang spreekt een halve waarheid, die een hele leugen is. Hij suggereert dat God een verbod voor alle bomen heeft opgelegd en suggereert daarmee dat God de mens niets gunt. Door deze halve waarheid creëert de slang bewust een negatief beeld van God.
– De man en vrouw eten van de vrucht, terwijl dat door de HEERE verboden is. Het overtreden van het gebod van de HEERE is in de Bijbel altijd een vorm van zonde.
– De tuin waarin de mensen geplaatst zijn, is niet alleen een mooie tuin. In deze tuin leven de mensen samen met de HEERE God. De HEERE wandelt in deze hof. De mensen zullen ook met de HEERE hebben gewandeld, want zij verbergen zich op het moment dat zij de HEERE horen wandelen. Wandelen met de HEERE is in het Oude Testament ook een ethische formulering: je houden aan Gods geboden en inzettingen. De mens wordt buiten deze hof, waarin zij met de HEERE verkeerden, geplaatst en de toegang geblokkeerd.
Voor mij zijn dit signalen dat het in dit hoofdstuk wel degelijk om een ‘zondeval’ gaat: een door eigen handelen uit de gemeenschap van de HEERE geraken en dat door een handeling die tegen de HEERE ingaat. Door deze handeling werd de mens van bondgenoot een tegenstander van de HEERE.

lucas-cranach-d.-ae.-adam-und-eva-02044

* In dit gedeelte wordt een sprekende slang opgevoerd. Omdat het een bekend gedeelte is, ben je als lezer geneigd om hier overheen te lezen. Toch is het uitzonderlijk dat er een sprekend dier wordt opgevoerd. Zo vaak komt dat niet voor in de Bijbel: de ezelin van Bileam is net als de slang een uitzondering.
De sprekende slang laat zien dat het in dit gedeelte gaat om het aanspreken van de mens. Door wie laat de mens zich aanspreken: door de HEERE God of door een andere stem, die de mens op het verkeerde pad brengt (een weg die niet de weg van de HEERE is)? Op welke stem gaat de mens in? Dit motief wordt versterkt door het roepen van God, de HEER: ‘Adam, waar zijt gij?’ Een belangrijk onderdeel van de christelijke antropologie (de christelijke leer over de mens) is dat de mens leeft door het aanspreken van de HEERE. De HEERE roept de mens en vraagt om zijn antwoord in woord en daad.

* De slang spreekt als eerste de vrouw aan. Waarom eigenlijk? Dat heeft te maken met het vorige hoofdstuk, waar de vrouw aan de man is gegeven als ‘hulp tegenover’. Deze hulp tegenover is geen sloof of dienstmeisje, maar iemand die de man recht in zijn gezicht kijkt en hem stimuleert en corrigeert. De vrouw als hulp tegenover spreekt haar man aan. Volgens Ebach (en hierin volg ik hem wel) is de vrouw niet uit de rib van Adam geschapen, maar uit zijn zijde: de vrouw hoort bij haar man en is van hem, maar wezenlijk een ander: een tegenover, een aangezicht, nadrukkelijk geen projectie of verlengstuk, maar iemand die tegen hem in durft te gaan. (Daarmee is deze tekst niet voor niets een basistekst voor het christelijk huwelijk.)
Waarom wordt deze hulp tegenover aan de man geschonken? Omdat het God, de HEER, opvalt dat de mens alleen is. Het valt de mens zelf niet op. De hulp tegenover wordt geschonken vanwege de boom van kennis van goed en kwaad. De hulp tegenover moet de mens behoeden om de vrucht van die boom te eten. De hulp tegenover is dus geschonken om de ander te behoeden buiten de gemeenschap van God te geraken. De hulp tegenover is geschonken om te behoeden voor de zondige daad, om de keuze voor een weg bij de HEERE vandaag te blokkeren.
Juist deze hulp tegenover wordt door de sluwe slang aangesproken. Het is daarom de vraag of het Adam te verwijten is dat hij de schuld afgeschoven heeft op de vrouw. De door de HEERE gegeven hoedster van de man faalde. (Ik ben van mening dat het genderaspect in geen enkel opzicht relevant is voor dit gedeelte. Het had ook omgekeerd kunnen gebeuren: de door de HEERE gegeven hoeder van de vrouw faalde. Het accent ligt niet op het genderaspect, maar op de hulp die door de HEERE gegeven is en de opgedragen taakstelling niet nakomt.)

* Opvallend is het gebruik van de Godsnamen: de verteller spreekt steeds over God, de HEERE (Elohim JHWH) of de HEERE God (JHWH Elohim), maar de slang laat de Godsnaam JHWH weg. Naar mijn idee laat de slang deze naam bewust weg. Het is de naam wijst vooruit naar het verbond dat gesloten gaat worden, de God van Abraham, Izaäk en Jacob, de God van Israël. De slang maakt van de God van Israël een algemene god. De slang degradeert de God van het verbond, de enige God die er is, tot een algemene, inwisselbare god.
De slang suggereert dat de mensen kunnen worden als deze algemene god. (Merkwaardig genoeg vertaalt de NBV ‘Elohim’ in vers 6 als ‘goden’; een misser die de NBV ook in Genesis 6:1 maakt.)

* De slang suggereert dat de mensen kunnen worden als God. Want God kent goed en kwaad. Als de slang hier wel de waarheid spreekt, is dat een spannend theologisch gegeven: God kent het goede dat van Zijn kant komt, maar kent ook het kwaad van de goddeloosheid. De slang suggereert dat de mens incompleet is en door deze god wordt kleingehouden. Om echt kennis te hebben, moet je ook de zonde en het kwaad kennen. Om juist te kunnen handelen moet je ook weten wat het verkeerde is. De slang suggereert dus dat het nodig is om zonde en kwaad vanuit ervaring te kennen. Alleen dan kan de mens juist handelen.

* Hij suggereert ook dat de ogen zullen opengaan. Voor het eerst ziet de vrouw de boom. Tot dan toe heeft zij de boom genegeerd. Zij had genoeg aan wat de HEERE gaf. Nu de slang de aandacht op de boom vestigt ziet zij hoe aanlokkelijk de vrucht van de boom is. Bovendien is er in haar een verlangen om nog wijzer te zijn dan zij al is. De boom zou haar die wijsheid kunnen schenken.
Na het plukken, het eten en het delen merken zij beiden dat zij naakt zijn. Daarmee komt naast het kwaad van het overtreden van het gebod van de HEERE er niet alleen distantie tot de HEERE maar ook tot elkaar. Zij schamen zich niet alleen voor de HEERE, maar ook voor elkaar. De eenheid tussen de man en zijn zijde, de eenheid tussen de mens en zijn tegenstem is verbroken. Dat blijkt al in het doorgeven van de schuld: man en vrouw zijn geen eenheid meer; de schuld wordt niet meer gedeeld maar doorgeschoven. De mensen voelen zich niet meer verantwoordelijk voor elkaar (Genesis 4:9)
Ook de eenheid met de HEERE is verbroken. De komst van de HEERE roept vrees op. Normaal gesproken betekent ‘vreze des HEEREN’: liefde en ontzag voor de HEERE. Deze vreze is veranderd in vrees. De mensen verbergen zich voor de HEERE.

* Door het overtreden van het gebod van de HEERE komen de mensen buiten de tuin terecht. De zegen wordt vervangen door de vloek. Zegen en vloek zijn belangrijke trefwoorden in het Bijbelboek Genesis. Wanneer exegeten dit buiten-de-tuin-geraken duiden als een autonoom worden, geven zij aan deze verbanning wel een erg positieve draai. Volgens mij is die duiding ook niet houdbaar met wat er in Genesis 3 en in het vervolg wordt gedeeld. (Zo blijft er een hang naar de tuin: Kaïn trekt weg naar het oosten, de kant op van de tuin.)

* Ebach heeft gelijk dat er geen sprake is van straf. Hij ziet over het hoofd dat er wel sprake is van vloek. Is vloek niet hetzelfde fenomeen als de toorn van God. Ook de toorn is niet persé straf of woede. Vloek is in mijn ogen een door de mens over zichzelf afgeroepen effect van zijn daden. Omdat de gevolgen een vloek inhouden en negatief zijn, ligt het naar mijn idee wel dicht tegen straf aan. In ieder geval houdt de vloek in dat de mens deze over zichzelf heeft afgeroepen.

bsgd0011

* Ondanks de vloek is er toch sprake van Gods genade. Allereerst blijft God, de HEERE, zich met Zijn verbondsnaam vertonen. Hij sticht bovendien vijandschap tussen het nageslacht van de slang en het nageslacht van de vrouw. Daarbij zal de suggestie zijn, dat de HEERE partij kiest voor het nageslacht van de vrouw. Ondanks hun overtreding worden zij niet aan hun lot overgelaten. Hij blijft mensen aanspreken (Genesis 4:9). Hij blijft hen gedenken door hen nakomelingen te geven. Hij laat zich aanroepen (Genesis 4:26). En wellicht is ook de verbanning uit de tuin een daad van barmhartigheid: om te voorkomen dat de mens eet van de levensboom. In ieder geval gaat Hij Zijn weg met het nageslacht van de vrouw. Een weg die uitmondt in Abraham en in Israël, een keuze die tot zegen is bedoeld voor heel de mensheid.

Genesis 3 gaat naar mijn idee dus wel degelijk over zonde. Maar als tegenhanger ook over de genadige trouw van de HEERE.

Als een hulpe tegenover hem

Als een hulpe tegenover hem

Komende zondagavond ga ik in de avonddienst verder met de serie over Genesis. Aan de orde is Genesis 2:4-25.
Afgelopen zondag gaf ik aan dat God de mens naar Zijn beeld geschapen heeft om tot zegen van de medemensen en medeschepselen te zijn. Geroepen om als ambassadeur van de Schepper op de aarde te handelen.
Komende zondag gaat het opnieuw over de schepping van de mens. Opnieuw mag duidelijk worden dat de mensen bedoeld zijn om elkaar tot zegen en tot steun te zijn. Dit keer wordt dat uitgewerkt aan de hand van het geschenk van het huwelijk. De tekst zal vers 18 zijn: Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.

Enkele jaren geleden was ik door een echtpaar gevraagd om aan de hand van deze tekst in hun trouwdienst te preken. Door dit verzoek kwam ik erachter dat hier een mooi beeld wordt gegeven van wat een huwelijkspartner is: een hulp tegenover. Niet een hulp die onderdanig is, maar een vrouw die de man recht in het gezicht kijkt en haar man durft te corrigeren en aan te spreken indien dat nodig is. Op die manier is de vrouw tot steun voor haar man. Zo wordt het ook in sommige vertalingen weer gegeven: die als een hulpe tegenover hem zei (Statenvertaling), als iemand tegenover hem (Herziene Statenvertaling), ik maak voor hem een hulp als zijn tegenover (Naardense Bijbel). Minder gelukkig ben ik daarom met de vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling: als een helper die bij hem past.

Omgekeerd vertelt de Schrift op deze plaats niets over de taak van de man. Dat wil niet zeggen dat de man geen taak heeft binnen het huwelijk. Maar wellicht komt het overeen met wat ik vaak zie: dat de vrouwen in het huwelijk vaak ‘verder’ zijn dan hun echtgenoot. Zij nemen vaak de beslissingen. Zij zetten vaak als eerst stappen op de weg van het geloof. Ik kom geregeld tegen dat van een echtpaar dat nog geen belijdenis heeft gedaan de vrouw eigenlijk wel wil, maar de man er nog niet aan toe is. Wellicht is ook hier de taak van de vrouw om een hulp tegenover haar man te zijn en hem uit te nodigen verder te gaan op de weg naar het belijden toe.