Preek zondagmorgen 28 juni 2015

Preek zondagmorgen 28 juni 2015
Efeze 5:1-15
Tekst: Wees dan navolgers van God (vers 1a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Sinds enkele maanden behandelen we in de kerkdiensten de brief aan de Efeze.
Kort na Pasen zijn we hiermee begonnen.
Toen ik aan deze serie begonnen ben,
heb ik aangegeven dat de rode draad in deze brief van Paulus
de groei in geloof is – volwassen worden in het geloof.
Daarbij heb ik ook aangegeven dat Paulus dat op een speciale manier doet,
namelijk door met de gemeente daarover in gesprek te gaan,
door hen aan te spreken.

Dat thema van groeien in het geloof, groei naar een volwassen geloof
pakken we vanmorgen op,
omdat Paulus daar over schrijft:
Wees dan navolgers van God.
Neem God als voorbeeld voor hoe je je hebt te gedragen.
Paulus gebruikt hier een woord dat de betekenis heeft van  nabootsen, nadoen, kopiëren van gedrag.
Neem God als voorbeeld voor je gedrag en doe Hem na, geeft Paulus aan.
We kennen dat nadoen ook uit de ‘gewone opvoeding’.
Een gezin met meerdere kinderen zit aan tafel.
De jongste kinderen houden de oudste in de gaten.
Ze luisteren heel goed welke grappen hij maakt
en merken dat hij opmerkingen maakt die het goed doen.
Ze nemen dat in zich op en als die jongste kinderen in hun eigen vriendengroep zijn
gebruiken ze die opmerkingen ook
en laten daarmee zien dat ze doorhebben hoe het in het leven werkt:
hoe je je in een groep hebt te gedragen, hoe je de lachers op je hand krijgt.
Ze zien hoe hij met hun ouders omgaat, hoe hij over de leraren op school praat,
hoe hij met zijn vrienden omgaat en zijn huiswerk doet (of juist niet).
Ze nemen dat heel goed in zich op en passen dat weer toe als het hen uitkomt.

In een bepaalde leeftijdsfase kunnen dat ook de ouders zijn.
Als we wel eens bij familie vandaan kwamen, zei Rianne op de terugweg:
Heb je gezien hoe de neven op hun vader gericht zijn.
Voortdurend letten ze op hun vader, zijn ze op hem gericht
en je ziet gewoon dat ze het gedrag en de houding van hun vader overnemen.
Zo wil ik ook zijn en daarom let ik goed op wat hij doet.
Dan kan ik mijn vader nadoen.
Dát bedoelt Paulus: let goed op God, zodat je Hem kunt nadoen,
zodat je Gods houding en Gods daden kunt kopiëren.
Wees navolgers van God – doe wat Hij ook doet.
Neem het goed in je op wat God heeft gedaan en wat Hij nog steeds doet.
Hebt u dat wel eens gedaan?
Zo vol aandacht naar Gods daden gekeken
en daarbij gedacht: zo moet ik ook doen en zo moet ik ook zijn? Net als God!
Ik denk dat er maar heel weinig mensen zouden zijn,
die als ze gevraagd worden naar een voorbeeldfiguur in hun leven,
iemand die een voorbeeld voor hen is,
weinig mensen die zouden zeggen: ik zou willen zijn als God.
Dat is nogal hoog gegrepen, vind u niet?

Maar laten we niet te snel terugdeinzen
door te zeggen dat het voor ons te hoog gegrepen is.
Want Paulus zegt niet, dat er enkelen zouden moeten zijn,
voor wie het weggelegd zou zijn om God als voorbeeld te nemen,
die in hun gedrag de Heere kunnen nadoen, kunnen kopiëren.
Deze aansporing om God als voorbeeld te nemen is niet alleen voor de kerkenraad.
Als Paulus zegt: wees navolgers van God, kopieer het gedrag,
leef zoals God zou doen,
dan heeft Hij de gehele gemeente op het oog – niemand uitgezonderd!

Wat heeft Paulus dan op het oog? Waarin kunnen we God dan nadoen?
Dat schrijft Paulus in het laatste vers van hoofdstuk 4:
Wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig
en vergeef elkaar, zoals God in Christus u vergeven heeft.
Zoals God met ons omgaat.
In de manier waarop de Heere met ons omgaat, kunnen we Zijn vriendelijkheid ervaren.
Vriendelijkheid is wel wat tam woord,
omdat we ook iemand die sullig is vriendelijk kunnen noemen.
Als we van God een vriendelijke God maken die een beetje sullig is,
hebben we Paulus niet begrepen.
Met het woord dat Paulus gebruikt, wil Paulus aangeven dat God in Zijn hart laat kijken.
In de manier waarop God met ons omgaat, wordt Gods hart, Gods karakter zichtbaar.
Zo is Hij en niet anders.
In plaats van vriendelijk zouden we ook kunnen zeggen: vol goedheid, genereus,
Hij gunt Zijn schepselen het beste, zelfs diegenen die van Hem niets meer willen weten.
Ook het tweede woord, barmhartig, heeft te maken met Gods hart
en ook daarin, in de manier waarop God met ons omgaat, kijken we God in het hart.
Barmhartig betekent: wat er met ons hier op aarde gebeurt,
dat raakt God diep in het hart.
God is in de hemel niet onbewogen, maar wordt diep geraakt door wat ons overkomt.
Ook in de vergeving, waar Paulus over spreekt, wordt het hart van God zichtbaar
zichtbaar in wat Hij doet.
Vergeving is bij God een royaal gebaar, waarbij Hij mensen uitnodigt
die bij Hem zijn weggegaan,
uitnodigt om weer in Zijn gemeenschap te leven, een royaal gebaar van genade.
Die goedheid van de Heere, Zijn barmhartigheid, Zijn royale uitnodiging
wordt het meest zichtbaar in het kruis op Golgotha, dat is het gebaar van God.
Hebt u dat ook ervaren?
Die vriendelijkheid van God, dat wil zeggen: Zijn goedheid, Zijn gulheid?
Hebt u dat ook ervaren, dat wat u bezighoudt God diep van binnen raakt?
Hebt u ook ervaren dat God u royaal uitnodigt
om bij Hem weer thuis te komen, terwijl we dat niet hebben verdiend?
Onverdiende genade – en dat is nu het hart van God.
Dat moet toch wel?
Dan hebt u ook Gods karakter leren kennen: zo is God!

Wees navolgers van God.
Neem die houding van God als voorbeeld, de manier waarop Hij met ons omgaat.
Neem die vriendelijkheid van God goed in je op,
want zo heb je ook te leven: zo vol vriendelijkheid,
niet met die bijbetekenis dat je een sullig persoon bent,
maar dat de mensen om je heen iets van je karakter ervaren,
dat je het goede met hen voor hebt, dat je bereid bent iets van jezelf te geven.
Neem het goed in je op dat God barmhartig is.
Dat je naar Hem toe kunt gaan met wat je bezig houdt
en dat je dan ook weet en gelooft dat het God tot diep in Zijn hart raakt.
We hebben de uitdrukking dat we ergens mee in de maag zitten,
we lopen ermee rond, we moeten daar steeds aan denken.
Dat is het woord barmhartigheid dat Paulus gebruikt.
Het raakt God wezenlijk, tot diep van binnen.
Met dat verschil dat God niet machteloos is, maar er iets aan kan doen.

Als we ons hart uitstorten voor God, dan luistert God daar aandachtig naar
en met bewogenheid.
Ik maak dat geregeld mee dat gemeenteleden hun hart uitstorten.
Ik kan er wel een boek over schrijven, zeggen ze dan.
Of soms voelen ze zich beschaamd dat ze zo bezig zijn met wat er in hun hart leeft
en dan zeggen ze: ik heb het wel veel over mijzelf,
moeten we het niet ergens anders over hebben.
Nee, zeg ik dan, u stort uw hart uit.
U kent toch het verhaal van Hanna, die door Eli weggestuurd wordt?
Dan zegt zij tegen Eli: Ik heb mijn ziel voor het aangezicht van de Heere uitgestort.
De ziel is dan als een emmer die helemaal vol is van verdriet of zorg
en met die ziel die helemaal vol is, komen we bij God
en in onze radeloosheid en onmacht kiepen we onze ziel uit voor de Heere.
Heere, ik weet niet meer wat ik er mee aan moet, ik hoop dat U er wat mee kunt.
Tegen die gemeenteleden zeg ik dan: U hebt ook uw ziel uitgestort voor God.
Hebt u dat wel eens ervaren, dat u met uw zorg en verdriet bij de Heere terecht kon?
Wees dan navolgers van God.
Laat de zorg en het verdriet van de mensen om u heen u dan ook raken,
tot diep van binnen.
Kijk niet te snel de andere kant op, want dat God ook niet bij u, bij jou.
Onverschilligheid is geen christelijke deugd.
Heb niet te snel een oordeel over anderen klaar,
waarin doorklinkt dat u het toch wel beter gedaan zou hebben
en kijk ook niet op anderen neer, want God kijkt ook u op niet neer.
Wees navolgers van God.
Als u reageert, neem dan God als voorbeeld voor hoe het zou moeten.
Laat u dan niet leiden door uw emoties of driften,
door wat er bij u, bij jou boven komt.
Laat u niet door wrok of boosheid leiden.
Ook niet als je met elkaar overhoop ligt en elkaar niet kunt uitstaan.
Ook niet als de ander je diep gekwetst heeft.
Laat je ook niet leiden door je eigen driften.
Je kunt verliefd worden op een andere man of vrouw,
maar dat wil nog niet zeggen dat je eraan moet toegeven.
Je kunt nog zoveel seksuele spanning in je opbouwen,
maar dat wil nog niet zeggen dat je die moet ontladen.
Je kunt nog zoveel willen hebben,
maar dat moet je niet gaan beheersen, zodat je daar dag en nacht mee bezig bent.

Wees navolgers van God – in Zijn barmhartigheid en in Zijn heiligheid.

Paulus zegt daar ook iets bij: wees navolgers van God als geliefde kinderen.
Wat we in Gods houding naar ons toe ervaren is liefde.
Als we in Gods hart kijken, zien we liefde.
Liefde die ons zondaren weer tot Zijn kind maakt.
We hebben het vanmorgen veel over de betekenis van woorden,
ook dit woordt kind heeft een bijzondere betekenis.
Het is een heel intiem woord, van een relatie tussen een vader en een kind.
Een vader die vol bewogenheid en vol liefde spreekt over zijn kind.
Hier de hemelse Vader die Zijn liefde tot voor Zijn kinderen,
kinderen die het heel bont gemaakt hadden
en zelf de band met die Vader hadden verbroken
en waarvan de hemelse Vader zei: en toch blijf je Mijn kind.
Ik doe er alles aan om je weer Mijn kind te maken.
Niet als een dwangmatige vader, want die zijn er
die hun kinderen niet los kunnen laten en met wie de band heel beknellend is,
maar als Vader in de hemel die ziet dat ze zonder Hem
diep ongelukkig en zelfs nog meer: voor eeuwig verloren zijn.
Maar dat niet over Zijn hart kan laten verkrijgen.
Onze verlorenheid raakt Hem tot diep in Zijn hart.
En daarom dat gebaar op Golgotha, een royaal gebaar van God
waarmee Hij zegt: het is vergeven.
Nee, geen goedkope vergeving; dure vergeving: het kostte Hem Zijn eigen Zoon
en die Zoon ging – gedreven door diezelfde liefde als Zijn hemelse Vader.

Wees navolgers van God.
Niet in dat offer, dat kunnen wij niet nadoen.
Maar wel in die liefde, in die houding die God naar ons toe had,
dat is een voorbeeld voor hoe wij met elkaar moeten omgaan.
Gods liefde komt naar ons toe, maar blijft niet alleen bij ons.
De liefde en genade van God die naar ons toekomt, maar van ons geen egoïsten
die alleen maar kunnen denken aan wat zij zelf willen hebben
en als zij het zelf maar goed hebben.
Die ander zoekt het maar uit.
Nee, omdat God ons kind maakt, willen wij dat anderen ook kind van God worden.
Ook al kunnen we ze misschien niet uitstaan.
Maar we hopen het beste voor onze vijanden en bidden zelfs voor hen,
omdat we ook vijanden van God waren,
maar omdat God voor ons alles over had, hebben we dat ook voor anderen.
In ons spreken over anderen,
in onze houding naar anderen toe
laten we zien hoe onze hemelse Vader met ons omgaat.
Aan de ene kant zijn heiligheid.

Als kinderen die de liefde ervaren.
Liefde die meer is dan een gevoel,
maar ook de houding van God naar ons toe,
waarbij God bereid is het hoogste en het liefste dat Hij heeft op te offeren, af te staan
om ons te winnen en weer kind te maken.
Wandel in die liefde, zegt Paulus.
Dat wil zeggen: laat de liefde van God je ook veranderen
zodat Zijn liefde ook van je afstraalt naar anderen toe,
zodat ze aan Gods kinderen mogen zien, Wie God is,
in Zijn heiligheid en in Zijn barmhartigheid, in Zijn zorgvuldige en liefdevolle omgang.

Wie het kruis aanvaardt,
wie gelooft dat Jezus gestorven is voor onze zonden,
kan niet anders dan accepteren dat Christus, die voor ons stierf
ons ook verandert naar Zijn beeld.
Het is allebei: of we geloven én gaan de weg in het spoor van Jezus
ook de weg van liefde en dienen,
of we gaan die weg niet, maar dan missen we ook Jezus.
Of Jezus is in ons hart en dat werkt ook door in onze houding
Of ons hart is niet van Jezus, maar wordt aangedreven door een andere kracht.
In dat geval is het zorgelijk, want dan is het afgodendienst
en kunnen we het koninkrijk van God niet binnengaan.
Zo scherp ligt het, zegt Paulus.
Kijk daarom hoe God is, neem aandachtig waar hoe de Heere met ons omgaat
en neem dat als voorbeeld voor hoe wij hebben te doen.

Maar kunnen we dat wel? God als voorbeeld nemen? Is dat niet te hoog gegrepen?
Dat is een vraag die mij tijdens de voorbereiding steeds weer bezig hield.
Kunnen wij de weg van de liefde wel kiezen, in het spoor van Jezus?
Dat kunnen wij toch niet?
Nee, dat kunnen we niet,
maar dat mag ons er niet vanaf brengen om een andere weg te kiezen.
Want we kunnen het wel tegenhouden,
door niet uit die genade te leven,
en Gods houding alleen maar voor onszelf willen houden
en niet onze houding, ons karakter, ons gedrag laten aanpassen door Christus.
We hebben deze weg te gaan, waarbij anderen aan ons merken
dat in ons hart Christus leeft
en dat er niet een andere macht over ons heerst.
We kunnen niet zonder de Heilige Geest,
die in ons wil komen wonen en ons tot leden van Christus wil  (zal!) heiligen.
De Heilige Geest is de kracht die ons aandrijft,
die ervoor zorgt dat de Heere Jezus in ons hart is
en ervoor zorgt dat de Heere Jezus effect heeft op ons karakter, onze houding
en ons ook aan het werk zet met de opdracht: wandel die weg, in het spoor van Christus.
Hij volbracht het, daarom kunnen wij die weg gaan
maar dan moeten wij die weg ook gaan.
zodat we met de woorden van onze mond en de overleggingen van ons hart
God welgevallig zijn.

Als we die weg niet gaan,
dan is het goed dat we wakker gemaakt worden
Ontwaak gij die slaapt en staat op uit de dood
en laat Christus over u heersen, ook over uw karakter, over uw houding naar anderen toe,
over uw manier van praten over anderen.
Daarom spreekt Paulus ons aan, zodat we groeien in het geloof
en Christus hoe langer hoe meer gestalte in ons krijgt.
amen

Preek zondagavond 28 juni 2015

Preek zondagavond 28 juni 2015
Efeze 5:10-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Amazing grace.
Dat lied haalde president Obama aan,
tijdens de herdenkingsdienst van de vermoorde predikant Clementa Pickney
en hij haalde het lied niet alleen aan,
maar zong het lied ook tijdens de indrukwekkende toespraak.
Amazing grace.
Daarmee volgde hij de opdracht van de apostel Paulus op:
spreek onder elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
We helpen elkaar, geven elkaar steun, bemoedigen en sporen elkaar aan
door de liederen aan te halen, door ze voor elkaar en met elkaar te zingen.
In die herdenkingsdienst van predikant Pickney
werd ook duidelijk welke kracht en troost het geeft
als er onder elkaar psalmen, lofzangen en geestelijke liederen gezongen worden.
In het zingen wordt er een gemeenschap gevormd,
waarbij we elkaar meenemen.
We nemen elkaar mee naar de toon waarop God wordt geloofd en geprezen,
ook al zijn de omstandigheden er niet naar om God te loven,
zoals bij een herdenkingsdienst of afscheidsdienst.
Ik zie dat ook gebeuren bij de rouwdiensten of afscheidsdiensten hier in Oldebroek.
Als de familie die vooraan in de aula zit of vooraan in de kerk
vlak bij de kist met de overleden
door het verdriet niet kan zingen, zingt de gemeente achter hen
met hen en voor hen de liederen die zijn uitgekozen.
Ze worden gedragen door de liederen die de gemeente achter hen zingt.
Ze worden meegenomen, zoals wandelaars die vermoeid zijn
door de rest van de groep wordt meegenomen doordat ze aangespoord worden,
bemoedigd om verder te gaan.

In de kerk zingen we liederen vaak hoger dan normaal.
Dat hebt u vast wel eens gemerkt, omdat u bij bepaalde psalmen of liederen er niet bij kon.
Die hoge toon is niet voor niets:
in de hoge toon worden we meegenomen omhoog, daar waar Christus is.
Laten we onze harten opwaarts heffen, klinkt het voorafgaande aan het avondmaal.
Door op hoge toon te zingen, gaan we naar God toe, heffen we ons hart op.

Zingen helpt ons dat te doen, ons hart omhoog te heffen, naar God toe te gaan
op momenten waarop we het vanuit onszelf moeilijk kunnen.
Het valt me vaak op, dat liederen kunnen doen wat gewone taal, gewoon spreken niet kan.
Tijdens een rouwdienst kan er gezongen worden:
Geloofd zij God met diepst ontzag
Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijne gunstbewijzen
Zelfs de laatste regels kunnen gezongen worden:
Hij kan en wil en zal in nood – zelfs bij het naderen van de dood – volkomen uitkomst geven.
Zo kan er ook in tijden van haat, geweld en racisme
gesproken en gezongen worden van genade: amazing grace.

Liederen geven ons woorden, helpen ons te verwoorden,
helpen ons te geloven, op momenten dat het eigenlijk voor ons te hoog gegrepen is.
Ik heb geloofd en daarom zing ik.
Vaker is het: Ik zing opdat ik geloof.

Paulus geeft we onder elkaar moeten zingen:
we zingen met elkaar, er ontstaat iets gemeenschappelijks.
Maar we zingen ook voor elkaar.
We zingen elkaar toe: Beveel gerust uw wegen.
Doe dat nu maar, vertrouw je wegen toe aan God.
Gezongen verkondiging, waarbij we elkaar toezingen, zodat ons geloof wordt gesterkt.

Paulus geeft aan dat we Psalmen, lofzangen en geestelijke liederen moeten zingen.
De kerk heeft vanaf het begin met de psalmen geleefd.
De Heere Jezus zong in de nacht waarin Hij verraden werd, op de lijdensweg psalmen.
De eerste gelovigen waren als Joden gewend om de psalmen te zingen en te bidden
en gingen daar mee door toen ze christen werden.
Psalmen zijn altijd een school geweest, waarop christenen leerden om te bidden.
Gelovigen namen de psalmen in zich op,
baden als gebed hardop de psalmen
en de woorden van de psalmen hielpen om de eigen gebeden te verwoorden.
En als het niet lukte om zelf te bidden of de lof van God te verwoorden
dan viel men terug op de psalmen.
In de psalmen herkende men de eigen weg, de eigen vragen en worstelingen,
Keek men de gelovige in de ziel.
Psalmen waren liederen én gebeden die van vader op zoon werden doorgegeven
om een omgang met God te vinden.
Zing en spreek psalmen onder elkaar.
Als je merkt dat de één de moed dreigt te verliezen, kun je een psalm aanhalen of zingen.
Om de ander te herinneren aan God,
dat God er ook nog is, al wordt Hij niet ervaren.
Zing en spreek met elkaar psalmen om God weer terug te vinden, te zien waar Hij is.
Het gaat Paulus niet om een formaliteit,
maar om de praktijk van geloven
en dat in een tijd waarin het geloven niet makkelijk is, onder druk staat.
Het is een slechte tijd, zegt hij.
Juist in een slechte tijd moet je zingen, het is dan een daad van geloof en verzet.
Geloof dat God er nog is,
dat wat God in de Bijbel deed nog steeds kan doen,
door te zingen herinner je er weer aan en ga je er weer in geloven.
Al is het vaak een aangevochten geloof.
Het is een daad van verzet, omdat je je vastklampt aan God
en je je niet gewonnen geeft aan deze wereld, die je weer terug wil hebben
je niet gewonnen geeft aan de aanvallen van de boze.

Hoewel de psalmen van grote waarde zijn, hoeft het niet alleen bij psalmen te blijven.
Zing onder elkaar lofzangen.
Dat zijn liederen die verwoorden wat God doet.
Ook in de psalmen zijn deze lofzangen te vinden, die de daden van God in herinnering roepen.
In de psalmen wordt er gezongen over bijvoorbeeld gezongen over de uittocht uit Egypte.
Door daarover te zingen,
wekken we het geloof op dat God opnieuw een uittocht kan bewerkstelligen.
Zo hebben de zwarte kerken in Amerika tijdens de slavernij ook gezongen over de uittocht
in hun negro-spirituals: Go down Moses,
omdat ze geloofden dat God hen kon bevrijden van de onderdrukker van de slavenhandelaars
en de plantage-eigenaren die hen slecht behandelden en hard lieten werken.
Gezongen verhalen waarin de slaven hun eigen leven terug vonden,
maar dan wel verbonden aan wat God doet.

Het is voor ons mensen niet altijd te zien welke weg God gaat.
Ook daaraan herinnerde president Obama de gemeenschap in Charleston.
Hij citeerde een ander lied, dat in Amerika heel bekend is.
God moves in a mysterious way.
In het Nederlands vertaald als: God gaat Zijn onbekende gang / vol donkre majesteit.
De weg die God gaat is niet altijd na te rekenen.
Wat voor ons een slag is, kan God tot zegen laten zijn.
De aanslag in Charleston, zo Obama, kan een goede uitwerking hebben,
omdat God ons laat zien hoe mensen door haat geleid kunnen handelen
en de pijn die door mensen wordt veroorzaakt eindelijk voor iedereen zichtbaar wordt.
Zo zingt het lied in de Nederlandse vertaling verder:
Uit grondeloze diepten put / Hij licht en vreugde uit pijn.
Zo zingen we elkaar deze lofzang toe
Als we de wegen van God niet begrijpen en Hij ons door de diepten voert:
onbegrijpelijk voor ons is de weg die God gaat,
maar Hij gaat Zijn weg en verliest het daarbij niet uit de hand.
Door het voor elkaar te zingen en tegen elkaar te zingen
herinneren we elkaar aan dat het geloof zich vasthoudt aan wat niet gezien kan worden
en toch een vaste grond heeft, zoals Hebreeën 11:1 dat verwoordt:
Het geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet.
Niet zichtbaar en toch een vaste grond – in Christus.
Door de hymnen te zingen, laten we aan elkaar zien
herinneren we er elkaar aan op welke manier God door deze wereld gaat
en in ons eigen leven.
God is getrouw, Zijn plannen falen niet, zingen we,
maar we zien het vaak anders en dan bekruipt ons het gevoel
dat het helemaal misgaat en God er niets aan doet.
Daarom zingen we vaak tegen ons eigen ongeloof in.
We zingen ons moed en vertrouwen in.
Veel psalmen en liederen zijn daarom een gesprek,
waarbij we onszelf of een ander aanspreken, om zo geloof en moed te schenken.

En dan geestelijke liederen: niet helemaal duidelijk wat daarmee wordt bedoeld.
In ieder geval gaat het om de band met de Geest.
zingen voor elkaar en met elkaar is een zichtbaar teken van de Geest,
een effect van de Geest in een mens
en een gemeenschap van mensen die ons het geloof toezingen om ons heen.
Een wapen van de Geest om ons vol van de Geest te laten zijn
in een wereld die vol is van heel veel andere dingen,
Van dronkenschap en dwaas gedrag,
een wapen van de Geest om in een slechte tijd ons hart vol van de Geest te laten zijn.
Om op koers te blijven, in het spoor van de Heere Jezus.

Ik maak me wel eens zorgen om het zingen: het raakt er helemaal uit.
Er wordt weinig gezongen.
Buiten de kerk zijn er nog maar weinig plaatsen waar we met elkaar zingen.
Veel mensen generen zich ervoor om te zingen
en doen het daarom maar niet meer.
Maar daarmee raken we wel een middel kwijt om elkaar op te bouwen in het geloof.
Want stel dat er in de Afro-Amerikaanse gemeenschap geen zang was geweest.
Juist het zingen van Obama was zo indrukwekkend:
Amazing grace.
Juist het zingen raakt het hart, dat dragen we mee.

Ik heb dat gezien in verzorgingstehuizen,
waarbij ik diensten moest leiden voor oudere mensen die dement waren
en niets meer wisten.
Het enige dat ik kon doen was een cd meenemen met bekende liederen
om die te laten horen, waarbij te merken was dat die mensen het herkenden.
Dat kan alleen als het zingen niet alleen binnen de kerk gebeurt.
Want als er alleen nog maar in de kerk gezongen wordt, is er geen verbinding meer met ons alledaagse leven en wordt het zingen iets exotisch, iets vreemds.
Daarom begin ik tegenwoordig elke belijdeniscatechisatie met het luisteren van liederen
waarbij de catechisanten aan elkaar laten horen
welke liederen ze luisteren en bij zich dragen als bron om uit te putten.
We gaan daar dan verder over in gesprek.

Juist omdat het lied Amazing grace onderdeel was
van het dagelijks leven van zoveel gelovigen
raakte het een snaar en maakte het indruk.
Dat lied Amazing grace is een bijzonder lied.
Het is geschreven door een man die zelf een slavenhandel had.
In een storm, waarbij hij bijna omkomt, wordt hij stilgezet
en gaat lezen:  de navolging van Christus (Thomas à Kempis)
en tot zijn verwondering gebeurt er iets met hem: een bekering.
Op een keer verwoordt hij zijn verwondering over zijn bekering in een lied:
Amazing grace

Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.

Het bijzondere is dat dit lied van deze voormalige slavenhandelaar
door de nakomelingen van slaven werd en wordt gezongen.
In de bekering, in het zingen vallen de verschillen weg
en worden we één met elkaar, omdat we voor God niet anders zijn.
Door te zingen, met elkaar en voor elkaar,
houden we het besef levend
dat we allemaal Gods genade nodig hebben
en dat Zijn genade onverdiend is.
Door te zingen met elkaar en voor elkaar
wordt het geloof niet alleen van ons verstand, maar van ons hart
van ons helemaal, worden we op God gericht,
opwaarts in de hemel daar waar onze Heere is.
Amen

Tegendraads en bij de tijd. Verder in het spoor van Bonhoeffer – 1

Tegendraads en bij de tijd. Verder in het spoor van Bonhoeffer – 1

Dit jaar is het 70 jaar geleden dat Dietrich Bonhoeffer werd gedood. Hij leefde in een heel andere tijd. Toch is dr. Wim Dekker van mening dat de gedachten van Bonhoeffer ons in deze tijd van crisis voor kerk en theologie richting kunnen geven.

De titel van het boek is Tegendraads en bij de tijd. Met deze titel wil aangeven dat de gedachten van Bonhoeffer vaak haaks op onze tijd staan, maar dat deze gedachten toch uiterst zinvol zijn en dat Bonhoeffer aangevoeld heeft wat er nodig zou zijn in de tijd die zou komen; de tijd die Bonhoeffer door zijn vroegtijdige dood niet meer kon meemaken.
De titel zegt tegelijkertijd alles over Dekker zelf. Want Dekker geeft niet alleen een samenvatting van de theologie van Bonhoeffer, maar is in de leer bij Bonhoeffer en geeft steeds aan op welke manier hij Bonhoeffers in deze tijd van belang acht.
Door in de leer te gaan bij Bonhoeffer geeft Dekker een mooie getuigenis van wat de gemeenschap der heiligen inhoudt. In de kerk en de theologie zijn personen, die in het verleden geleefd hebben, nooit uit de tijd:

zij spreken en getuigen nog

om ons geloof te sterken,
dat wij omgeven door de wolk
de weg ten einde lopen (Gezang 103:3 LvdK)

In het boek laat Dekker zien dat Bonhoeffer op verschillende manieren is geïnterpreteerd. Allereerst op een moderne manier, waarbij de nadruk lag op de kerk die er vooral voor anderen is en op een niet-religieus spreken over God. Later kwam een meer orthodoxe interpretatie van Bonhoeffer naar voren. In zijn zoektocht door de jaren heen is Dekker geraakt door de moderne interpretatie van Bonhoeffer en je proeft in het boek geregeld de spijt dat de moderne theologie in deze vorm goeddeels voorbij is.
Ook met de orthodoxe en meer evangelicale interpretatie is Dekker in de weer. Hij is loyaal naar deze kant toe. Maar ook bezorgd en vraagt zich af wat er met deze mensen en hun geloof terechtkomt als zij de secularisatie aan den lijve gaan ondervinden. Nu kan Bonhoeffer nog te veel worden gebruikt om een restant van een christelijke zuil overeind te houden.

De gemeente als gemeenschap van Christus
In het eerste hoofdstuk gooit Dekker zijn theologische kaarten gelijk op tafel. De kerk, de gemeente is de gemeenschap rondom Christus, een gemeenschap die ons door God is geschonken. In deze gemeenschap is Christus zelf door de Geest aanwezig.
Als mensen kunnen we die gemeenschap verschillend beleven. Bonhoeffer maakte dan ook een onderscheid tussen een pneumatische gemeenschap en een psychische gemeenschap. De pneumatische gemeenschap is de gemeenschap die door de Geest wordt gesticht. De psychische gemeenschap is de gemeenschap zoals die door ons mensen wordt beleefd. Omdat onze gevoelens en ervaringen, onze mogelijkheden om te interpreteren door de zonde zijn aangetast, kan onze beleving van de gemeenschap geen betrouwbare interpretatie zijn. Tegenover de psychische gemeenschap houdt Bonhoeffer vol dat de kerk allereerst een gemeenschap van de Geest is.
De gemeente is allereerst een gave van God door de Geest. We moeten dan ook dankbaar zijn voor wat de Geest heeft gewerkt onder ons voorgeslacht. De gemeenschap is er niet zozeer voor ons, maar we treden een gemeenschap binnen die er reeds voor ons was en die aan ons gegeven is. In onze tijd van individualisme en keuzemogelijkheden is dit een stelling die dwars op onze cultuur staat. Een keuze voor een kerk kan in wezen niet en is zelfs een vorm van ketterij.
Als de kerk een gemeenschap is die aan ons vooraf gaat, gaat het in de kerk ook niet om een goede onderlinge sfeer, gekenmerkt door gezelligheid. Juist dan moeten we volgens Bonhoeffer waakzaam zijn. Want als het gezelligheid troef is, duikt de psychische gemeenschap op en raakt de pneumatische gemeenschap in de verdrukking.
De gereformeerde gezindte is de verleiding van de psychische gemeenschap niet ongeschonden doorgekomen. De piëtistische hang naar waarachtig geloof en contact met gelijkgezinden heeft zijn sporen getrokken. Van de objectieve zekerheid van waar uit de reformatoren ‘gestart’ zijn, zijn we geëindigd in een subjectieve onzekerheid. Een neveneffect van deze piëtistische hang is het ontstaan van gemeenten van gelijkgezinden. Als de geestelijke band niet werd gevonden, kon een nieuwe gemeenschap worden gesticht.
(wordt vervolgd)

Preek zondag 7 juni 2015

Preek zondag 7 juni 2015
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Efeze 4:17-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een jonge vrouw van eind twintig wordt door vrienden meegenomen naar de kerk.
Na een paar weken vraagt ze een gesprek aan met de predikant van deze gemeente.
Ze geeft te kennen dat ze christen wil worden.
Ze weet zo goed als niets van het christelijk geloof en ze heeft geen enkel benul van wat christen worden inhoudt.
Na het gesprek gaf ze aan dat ze er klaar voor was:
Ze wilde Jezus gaan volgen en gaf aan dat ze gedoopt wilde worden.
Ze wist echter niet zoveel van het geloof.
Ze was nooit naar de kerk geweest, had nooit in de Bijbel gelezen
en was helemaal gestempeld door de omgeving waarin ze opgegroeid was.
Ze deed wat haar vrienden allemaal deden.
Ze vroeg om meer gesprekken.
Er worden gesprekken gepland en om de 2 à 3 weken kwamen ze bij elkaar,
spraken ze met elkaar en bad de predikant voor haar.
In die gesprekken gingen ze samen na wat het nieuwe leven als christen
voor haar zou betekenen.
Het was allemaal fris en nieuw: een innerlijk, geestelijk leven dat ze nooit had gekend,
een gemeenschap waarvan ze niet wist dat die bestond.
Ze was een moderne heiden.
Deze jonge vrouw nam alles in zich op, met vreugde.
Er was alleen één ding wat de predikant in dat contact bezighield.
Ze had steeds kortdurende relaties en woonde dan samen.
Dat samenwonen hield ze vaak maar een half jaar vol.
Ze was niet in een huwelijk geïnteresseerd.
Dat vertelde ze zonder zich te verontschuldigen, het was zoals zij het beleefde.
De predikant vroeg zich af wat er zou gebeuren als hij hier niets van zou zeggen.
Zeker, ze wist dat de christelijke manier van leven ook consequenties heeft voor haar relaties, want ze kwam elke zondag in de kerk en begon zich thuis te voelen
en werd onderdeel van deze gemeenschap.
De predikant wachtte af of zij er zelf mee zou komen.
Na 7 maanden van gesprekken zei de predikant impulsief:
‘We zijn nu al 7 maanden met deze gesprekken bezig. Zou je iets voor mij willen doen?’
‘Natuurlijk! Wat dan?’
‘Zou je een half jaar celibatair willen leven? 6 maanden zonder seks.’
Ze keek hem verrast aan: ‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Omdat ik het je vraag. Vertrouw maar op mij. Ik geloof dat het heel belangrijk voor je is.’
De jongen met wie ze samenwoonde ging al na een week bij haar weg.
Dat vertelde ze niet de eerste keer, maar pas na enkele maanden.
toen vertelde ze: ‘Toen je me vroeg om een half jaar celibatair te leven
had ik geen enkel idee wat je met me van plan was.
Je vroeg me jou te vertrouwen en dat deed ik.
Nu na 2 maanden begin ik te begrijpen wat je aan het doen bent.
Ik voel me vrij. Zo vrij en zo ‘mijzelf’ heb ik mij nog nooit gevoeld.
Totdat je me die opdracht gaf dacht ik: iedereen doet het zoals ik het doe,..
Nu ontdek ik zoveel andere kanten aan de relaties die ik heb met anderen.
Ze zijn meer zuiver en meer authentiek.
Echt ontspannen.
En weet je wat ik nu denk? Dat ik op een zekere dag ga trouwen.
Bedankt voor je opdracht!

Een moderne heiden, was deze jonge vrouw.
Ze had geen kennis van God, van de Bijbel,
of van de manier waarop zij als christen zou moeten leven
en ze liet haar leiden in haar doen en laten leiden door wat de anderen om haar heen deden.
Wat iedereen doet, zo doe je dat ook en je denkt er dan niet te diep over na
of deze manier van leven wel goed voor je is, je echt gelukkig maakt,
of dat deze manier iets kostbaars van je afneemt.
Bij het verhaal van deze jonge vrouw moest ik denken aan de schilderijen van Ans Markus.
Ans Markus schildert vaak vrouwen die ingewikkeld zijn in doeken, in windsels zijn ingepakt.
Niet alleen het lichaam, maar ook de gezichten.
Daar zit een verhaal achter, van een moeilijk huwelijk met veel geweld.
De doeken voor de ogen geven aan de ene kant een gevangenschap aan,
maar aan de andere kant een veilige wereld, een eigen wereld onbereikbaar voor anderen,
ook voor degenen die je pijn doen.
Aan deze schilderijen moest ik denken bij het verhaal van de jonge vrouw:
voor de buitenwereld en voor zichzelf had ze een normaal leven
en had ze een leven zoals iedereen in haar omgeving
en zonder dat ze het wist was ze ingewikkeld, in windsels ingepakt,
Veel minder vrij dan ze zichzelf had gerealiseerd.
En pas vanaf toen ze gevraagd werd om afstand te doen van haar manier van leven
en een half jaar op een heel andere manier te leven
ontdekte ze hoezeer ze gebonden was en ontdekte een bepaalde vrijheid,
vrij om zichzelf te zijn.

Wandel niet meer als de andere heidenen, schrijft Paulus,
want de manier van leven zoals de anderen om je heen doen,
lijkt een vrij leven, omdat het erop lijkt dat je kunt doen en laten wat je zelf wilt,
maar het is maar schijn, want je leeft niet volgens je eigen principes,
maar volgens de wetten en de regels van deze tijd, van onze cultuur
en die laten je helemaal niet vrij, maar binden je
en nemen je je vrijheid af zonder dat je het beseft.
Wandel niet meer als de andere heidenen – dat is geen opgeheven vingertje,
geen nieuwe druk die op je gelegd wordt om je aan te passen aan een nieuwe groep,
de gelovigen, de kerkmensen, om hun normen en waarden,
hun manier van doen over te nemen.
Het is een bezorgdheid van Paulus, om de mens te blijven zoals God die bedoelt had
toen Hij ons als mensen schiep,
De mens die niet met een doek voor de ogen gebonden of gevangen, maar vrij.
Bekering betekent dat die doeken die door onze maatschappij om ons heen gewikkeld zijn
steeds meer en meer worden afgewikkeld en dat daaronder de mens tevoorschijn komt,
zoals God ons geschapen heeft.
Daarom is Christus ook gestorven om ons weer mens te maken,
niet de mens zoals we in onze maatschappij zien,
voor het oog vrij, maar toch – misschien onzichtbaar – gebonden.
Voor de normen van onze eigen tijd, kunnen we ook een ander woord invullen: zonde.
We moeten daarbij niet doen alsof die normen van onze eigen tijd
alleen maar buiten  de kerk voorkomen.
Zonde is niet alleen wat we buiten de kerk tegen komen.
Want niet alleen in de wereld buiten de kerk laat men zich leiden door hun eigen opvattingen.
Gebeurt dat in de kerk ook niet?
Want we kunnen wel net doen dat mensen buiten de kerk heidenen zijn,
maar kunnen we dat in de kerk ook niet zijn?
En dan bedoel ik niet over de kennis van God en de Bijbel, de kerkgang,
maar dan bedoel ik in de keuzes die u maakt, in de gedachten die u hebt,
in wat u ervaart en meemaakt: heeft Christus daarin ook een betekenis?
Laat u zich daarin door Hem leiden?
Als u nadenkt over uw eigen relatie, kijkt u dan naar wat anderen om u heen doen?
Of leest u dan de Bijbel er op na om te zien hoe God uw relatie bedoelt?
Als u naar anderen kijkt en over hen oordeelt, speelt Christus daarin ook een rol?
Als u over anderen spreekt, heeft dat ook iets met uw geloof te maken?

Heiden-zijn houdt in dat we een scheiding maken, tussen ons geloof en leven.
In ons geloof hebben we een band met Christus,
maar in het dagelijks leven is daar niets van te merken,
dan wordt Hij erbuiten gehouden.
Ook voor degenen die geloven is dat een voortdurende verleiding
om Jezus, om God op bepaalde momenten in ons leven er maar buiten te laten.
Omdat we vinden dat Hij daar niets mee te maken heeft:
met onze manier van leven, met onze opvattingen over anderen, onze relaties,
wat we doen met ons lichaam, met drank, met seks.
Heidenen, zegt Paulus, die willen niet dat God daar iets mee te maken heeft
en ze sluiten zich af, op dat gebied voor God.
Maar, waarschuwt Paulus, ze hebben dan niet door, dat ze God overal buiten sluiten.
God neemt geen genoegen met een bijrol in ons leven.
Omdat kunnen God geen hoofdrol in hun leven geven, geeft Paulus aan,
omdat ze hun hart hebben afgesloten voor Hem.
Hun hart is hard geworden, er is daar in hun hart geen plaats meer voor God.
Dat heeft wel grote gevolgen, zegt Paulus:
Als je je hart afsluit voor God, dan is er nergens in je leven meer plek voor God.
In je denken niet. Dan kun je wel nadenken en beslissingen nemen,
maar in je verstand is het donker geworden, omdat het licht van God ontbreekt
en de Geest je geen wijsheid meer geeft.
God heeft zich teruggetrokken uit je verstand.
En dan is er in je gevoelsleven ook geen ruimte meer vor God.
Dan dringt niet alles meer tot je door, omdat je ingewikkeld bent,
De pijn die er is, laat je niet meer tot je doordringen,
je bent er ongevoelig voor geworden, dat je leven niet meer van jezelf is,
zoals die jonge vrouw in het begin, maar van al die mannen die in het leven even voorbij komen en die weer weggaan als ze teveel moeilijkheden ondervinden,
de jonge vrouw die pas als zij op een andere manier gaat leven
doorheeft hoeveel schade haar vorige leven bij haarzelf aanrichtte,
maar ze had het niet door.
Ongevoelig geworden, schrijft Paulus, als een zombie,
je bent niet meer jezelf, maar een omhulsel.
In de voorbereiding van komende week wordt u erop gewezen,
dat ook u, die met Christus leeft of zou moeten leven,
ook zo’n omhulsel kunt zijn waarin de pijn van een verkeerd leven niet meer doordringt,
waarin God afwezig is, hoewel u aan de buitenkant vroom bent.
Er wordt van u gevraagd dat u in de komende week uw zonden en vervloeking zult overdenken, dat houdt in: dat u inziet dat wanneer Christus geen plaats heeft in uw leven
u een leeg en afgestompt leven hebt, zonder gevoel en zonder doel.
Dat kan ik u wel voorhouden,
maar je moet het zelf zien, zodat die jonge vrouw dat zelf moest ervaren en ontdekken.
Dat is niet iets wat ons aangepraat kan worden.

Het doel van dat overdenken is niet dat we een hekel aan onszelf krijgen.
Dat is een valkuil in de voorbereiding, dat je jezelf naar beneden haalt,
het jezelf aanrekent dat je weer in de fout gegaan bent.
Dat is zo, maar dat moet er niet toe leiden dat je alleen maar bezig bent
om jezelf verwijten te maken, waarbij je je terugtrekt in jezelf, in een hoek.
U moet bij Jezus uitkomen, met uw tekorten en uw lege leven,
opdat Hij u kan vervullen met Zijn genade en zegen.
Tegenover dat leven waarin de pijn niet meer wordt gevoeld,
de schade aan de ziel niet wordt opgemerkt,
het leven waarin de hulp van de Geest ontbreekt,
tegenover dat leven zet Paulus iets anders: het kennen van Christus.
Het kennen van Christus is een nieuw leven, waarin de verdoving weg is,
waarin de ziel kan herstellen van de schade die is aangericht.

U kent wellicht de plaat van de brede en de smalle weg.
Aan de linkerkant van de plaat een brede weg,
met daarop alles wat niet goed is voor een gelovige, wat ons bij Christus weghaalt.
wat ons tot zonde verleidt.
Je krijgt wel eens de indruk dat alle leuke dingen aan de linkerkant staan
en voor een christen niet zijn toegestaan.
Die brede weg is een waarschuwing: pas op, ga die weg niet.
Het is een hele fascinerende plaat, die duidelijkheid geeft:
dit hoort bij het leven van een christen, dit moet je vooral niet doen.
Ik vind het ook een gevaarlijke plaat.
Want als je naar die kaart kijkt, denk je al gauw in goed en fout.
Dat wel, dat niet.
Maar die twee wegen, die waarschuwing is er voor bedoeld,
dat u bij Christus komt en knielt aan Zijn kruis en de last van uw zonden bij Hem brengt
en bevrijdt van die last de weg van Hem verder kunt wandelen..
Ik vind het gevaarlijk, omdat er naar mijn idee heel veel aan het begin blijven staan,
nog voor de enge poort, omdat ze daar niet doorheen durven
en daarmee ook op een afstand van Christus blijven staan
en niet durven te knielen bij het kruis.
Hebt u dat ook, dat bij dat eerste, het overdenken van alles wat u verkeerd hebt gedaan,
stokt en niet verder durft te gaan,
omdat u niet gelooft dat het kruis van Christus ook voor u is opgericht?
Dat kruis dat op Golgotha stond, roept het u toe: het is ook voor u gebeurd.
De Heer die aan dat kruis hing, stierf ook voor u.
Wanneer u blijft steken bij alles wat u verkeerd hebt gedaan,
is uw voorbereiding niet af. U moet verder, naar Christus toe!

Volgende week als de tafel klaar staat,
Die tafel is nog eens een bewijs, dat God Zijn Zoon gaf, voor u!

Vlak voor zijn verjaardag zegt een vader tegen zijn kinderen:
ik hoef van jullie geen cadeau.
Ik weet dat jullie om mij geven.
Jullie studeren nog, je hebt nog maar pas werk, je kunt je geld goed gebruiken.
Ik heb bedacht om samen uit eten te gaan om op die manier de band die wij hebben

te vieren en te versterken. Ik betaal voor jullie.
Als er met een van de kinderen lang geen contact is geweest,
omdat hij of zij niet meer thuis wil komen, wat moet de vader dan doen?
Stel dat de zoon of dochter zegt: pa, ik kom deze keer ook.
Wat zal de vader dan zeggen: nee, je bent niet welkom, je hebt me te diep gekrenkt.
De Heere Jezus zegt: als jullie als mensen al je goede kant kunnen tonen,
hoeveel te meer de Vader die in de hemel is.
Het avondmaal is een feestmaal van de Vader, waarbij Hij Zijn kinderen uitnodigt
om hen te laten zien, te laten ervaren hoeveel Hij om hen geeft
en hoeveel Hij voor hen heeft over gehad.
Zodat ze Zijn liefde kennen, opdat u Zijn liefde kent.
Wie die liefde heeft gezien, ervaren in Christus, is welkom
en wordt geroepen om aan de tafel die herstelde band te vieren en te versterken.
Alleen bij Hem vinden we leven, werkelijk leven, zoals God ons heeft bedoeld.
Amen

Voorbeeld van de jonge vrouw komt uit: Eugene H. Peterson, Practice Ressurection.

Volmacht om te verkondigen

Volmacht om te verkondigen

In de verkondiging in de eredienst komt God aan het woord. Hij laat zich in Christus door de Geest kennen. God spreekt door middel van mensenwoorden. De prediker heeft de volmacht om in Gods naam te spreken.

In de leerboeken over preken maken wordt deze volmacht zelden gethematiseerd. Een van de weinige uitzonderingen is de Predigtlehre (1971) van Rudolf Bohren.

Volmacht
Volmacht is een begrip dat heden ten dage vooral in juridische zin wordt gebruikt. Het is de opdracht of de bevoegdheid om in naam van iemand te handelen.
In het Nieuwe Testament is het woord voor volmacht exousía. Bij dit woord gaat het om een van hogerhand gegeven opdracht of toestemming. Het is een handelen in afgeleid gezag. Bij een volmacht telt niet zozeer de innerlijke kwaliteit of de persoonlijke begaafdheid van degene die de volmacht heeft gekregen, maar de status van de volmacht. In een volmacht gaat het niet alleen om een opdracht of toestemming van hogerhand, maar ook om een concreet doel waartoe de volmacht gegeven is. Jezus is bij uitstek de drager van de volmacht.

Gegeven volmacht
Jezus laat Zijn leerlingen in deze volmacht delen. Zij vertegenwoordigen Christus en zijn – in de woorden van Luther – de mond van Christus. Aan de leerlingen wordt effect op hun verkondiging beloofd. Effect is echter niet hetzelfde als succes. Net als bij hun Meester kunnen de woorden van de leerlingen op instemming en op afwijzing rekenen.
Volmacht is niet gebaseerd op een bijzondere Geesteskracht of karaktereigenschap, maar op de door Christus of Zijn gemeente gegeven volmacht. De volmacht wordt niet door zwakheid van de gezondene belemmert maar door zonde van de gezondene. Ongehoorzaamheid blokkeert de volmacht: Zonder Mij kunt u niets doen.

Uitblijven van effect?
Voor veel predikanten is het (ogenschijnlijk?) uitblijven van effect een steeds terugkerende aanvechting. Predikanten hebben verschillende argumenten om het uitblijven van het effect te verklaren:
– De tijdgeest beïnvloedt de kerkgangers, waardoor ze niet meer willen horen of geloven.
– Het christelijk geloof vindt geen ingang, omdat andere heilsleren veel populairder zijn.
– De media zorgen ervoor dat mensen niet meer naar een betoog of verhaal kunnen luisteren.
– De kudde van Jezus zal nooit van grote omvang zijn.
Deze verklaringen zijn gevaarlijk, omdat ze laten zien dat de prediker niet meer gelooft in het effect van het Woord. Met zo’n verklaring capituleert de prediker door zijn eigen ongeloof.

Maar op Uw woord …
Lukas 5:1-11 is een bemoediging voor de prediker die weinig van zijn preken verwacht. De strekking van een meditatie met het oog op de prediking zou kunnen zijn: Ik wil iets van mijn verkondiging verwachten!
Petrus komt moe en gebroken van het vissen thuis. Hij heeft niets gevangen. Voor Jezus kan en hoeft hij zijn frustratie niet voor zich te houden. Hij hoeft zich bij Jezus niet groot te houden. Wanneer Jezus hem de opdracht geeft om opnieuw uit te gaan, is dat woord sterker dan de frustratie: Maar op Uw woord! Petrus waagt het, omdat Christus hem die opdracht geeft.
Een predikant kan zeggen: ‘Ik waag het opnieuw om mijn roeping op mij te nemen en er toch iets goeds van te verwachten. Ik ga met scepsis en met mijn angst om teleurgesteld te worden en toch ga ik!’

Gods goedheid
Als Petrus gaat, ervaart hij een diepte die elke predikant tegenkomt: een onverwacht rijke oogst door Gods goedheid. Het is deze overweldigende goedheid die laat zien wie Jezus is.
In Petrus komt de reactie op die veel predikers zullen herkennen: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Is het niet beter voor Uw koninkrijk en de oogst als U een ander zoekt, een ander roept in mijn plaats? Jezus distantieert zich echter niet van zondaars, maar trekt hen nauwer naar zich toe.

Gelijkenis
Hij geeft de discipel een nieuwe opdracht: je zult mensen vangen. Dat woord vangen heeft de betekenis van: vangen om te laten leven, om nieuw leven te schenken; vanuit een wereld waarin het bestaan ten dode is opgeschreven gevangen om een nieuw leven te ontvangen. Zoals een reddingsteam jonge flamingo’s redt uit een drooggevallen poel redt en hen brengt naar een waterrijk gebied, zo zullen de discipelen mensen opvissen die zonder Jezus verloren zijn en verloren gaan. Daarmee wordt de gebeurtenis een gelijkenis: de netten zullen niet leeg blijven als de prediker het waagt op Jezus’ woord. Het loont om op Zijn woord te gaan – ondanks alle teleurstelling. Wie weet of toch niet op een dag de netten dreigen te scheuren vanwege de enorme vangst.

Theologische consequentie
De volmacht is een geschonken volmacht: U zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen en u zult Mijn getuigen zijn.
Er is effect beloofd op de gegeven volmacht. Effect is echter niet hetzelfde als succes. Het is een grote theologische fout als een kerkenraad tegen de predikant zou zeggen: ‘Als u meer volmacht zou hebben, zou het er anders uitzien in de gemeente!’ Aan de andere kant is het eveneens een grote theologische fout om het uitblijven van effect als een normaal gegeven te beschouwen en elke vorm van getalsmatige groei (in de eigen gemeente of bij anderen) verdacht te maken.

Persoonlijke consequentie
Niet zwakheid maar zonde blokkeert de volmacht. De prediker moet telkens opnieuw teruggrijpen op de belofte en de opdracht van de ordinantie, de bevestiging tot het ambt: U bent gevolmachtigd om te verkondigen, te dopen en het avondmaal te bedienen. In eredienst, onderwijs en herderlijke zorg zult u meewerken aan de opbouw van de gemeente en de gemeente bemoedigen tot haar dienst in de wereld.
Wanneer een prediker zich zwak voelt, kan hij – in menselijk perspectief paradoxaal genoeg – van grote betekenis zijn, omdat hij zich dan opent voor het handelen van God.
Wie eigenmachtig handelt, staat het handelen van God in de weg. Daarom is zonde een blokkade; zie het optreden van Achan (Jozua 7).
Het is voor de prediker steeds weer nodig om de balans op te maken door zich te toetsen aan Gods Woord.
Zonder Mij kunt u niets doen, zegt Jezus. Hij zegt daar achteraan: Maar als u in Mij blijft, zult u vrucht dragen.

Homiletische consequentie
Vanwege de volmacht mag de prediker effect verwachten op de verkondiging en daarmee de verkondiging op een hoge plaats zetten. Het blijft voor een gemeente niet verborgen als een predikant weinig van de prediking verwacht. De Geest zal voor effect zorgen, al kan dat ook een afwijzende houding opleveren.
De Geest is op samenwerking uit. Wie de volmacht heeft om te verkondigen krijgt nooit een kant-en-klare preek uit de hemel. De Geest neemt mensen in dienst. Daar is een ordelijke manier van werken voor nodig. De Geest is niet tegen vaste methoden. Integendeel. Wanneer Hij mensen inschakelt, gebruikt Hij zowel hun gaven en talenten, als hun zwoegen.

Consequenties voor de gemeenteopbouw
De verkondiging is op de gemeente gericht. De volmacht wordt namens God door de gemeente gegeven. De gemeente kan ook worden ingeschakeld. Bijvoorbeeld door een consistoriegebed, eventueel door daarbij meerdere gemeenteleden uit te  nodigen. De gemeente kan meewerken door een nagesprek of door tijdens de voorbereiding van een preek mee te denken.
De preek eindigt met een amen. Dat amen wordt door de gemeente overgenomen. De gemeente neemt de preek en het Bijbelwoord van de preek mee naar huis en leeft daar in de komende week uit. Daarom kan het waardevol zijn om het Bijbelgedeelte van de preek te bespreken op Bijbelkring, tijdens catechese of huisbezoek.
Een verkondiging vanuit volmacht geeft effect: er vonkt iets tussen het Bijbelwoord en de aanwezige gemeente en de preek ontvouwt voor de aanwezige gemeente de betekenis van de Bijbeltekst voor het dagelijks leven.

N.a.v. Michael Herbst / Matthias Schneider, … wir predigen nicht uns selbst. Ein Arbeitsbuch für Predigt und Gottesdienst (Neukirchen-Vluyn, 2001) 17-30.

Waar zijn de vaders?

Waar zijn de vaders?

‘Ik ben moeder en [beroep]’. Zo stellen vrouwen zich in christelijke kring en in christelijke media voor. Als mannen zichzelf voorstellen, geven ze zelden aan dat ze naast hun functie ook nog vader zijn. Ik ben trots op onze kinderen en hun komst is een grote verrijking voor mijn leven waar ik dankbaar voor ben. Toch presenteer ik mijzelf als vader alleen als het met mijn kinderen te maken heeft: bij activiteiten van school of sport of iets dergelijks.
Over vaderschap denk ik ook niet veel na. Ik doe mijn best om een vader te zijn en ik hoop oprecht dat ik een goede vader ben. Maar erover nadenken en erover lezen, nou nee. Wanneer het vaderschap in christelijke kring gethematiseerd wordt (op mannendagen enzo) kan ik er op het moment dat ik een aankondiging zie er geamuseerd even over nadenken, maar daarna ben ik er niet meer mee bezig.

Waar zijn de vaders? Dat is een vraag die geregeld bij avonden over (geloofs)opvoeding gesteld wordt. Vaders zijn vaak druk met andere verenigingen en activiteiten. Of hebben ze het idee dat hun vrouw die opvoeding beter af gaat?

Vaders denken ook niet zo over hun vader-zijn na. Alleen als het een problematische kant heeft: als een vader te weinig tijd heeft om aan zijn kinderen te besteden of als een vader uit beeld raakt na een echtscheiding van de ouders. Dan wordt er wel over vaderschap nagedacht. De boeken en artikelen over vaderschap hebben dan ook vaak de insteek bij deze twee problemen.
Dat viel mij op, nadat ik voor de moederkring uit onze kerk werd gevraagd om iets te gaan vertellen over het vaderschap. Eigenlijk was het opgegeven thema: Opvoeden doe je samen. Maar in feite betekent dit thema dat ik de moeders van onze kerk vertel hoe hun man als vader is of hoort te zijn. Moederkring: alleen de naam al kan de suggestie wekken dat de opvoeding vooral bij de moeders ligt. En misschien is dat ook wel zo.
In ieder geval wat de literatuur en het onderzoek betreft. Over vaderschap wordt in tegenstelling tot moederschap weinig geschreven. Er wordt weinig onderzoek gedaan naar vaderschap. Sinds enkele jaren is er een bijzonder hoogleraar, die onderzoek doet naar de rol en de pedagogische betekenis van het vaderschap: Renske Keizer. Deze bijzondere leerstoel wordt gefinancieerd door het Vader Kennis Centrum, zover ik kan zien opgekomen uit de problematiek van vaders die na echtscheiding niet of nauwelijks meer betrokken waren bij de opvoeding van hun kinderen.

In christelijke kring is vaderschap wel een item. Maar dan meer op basis van enkele oppervlakkige Bijbelse schetsen of eigen ervaring. In de hele godsdienstpedagogische literatuur komt het vaderschap nauwelijks aan de orde. Misschien heeft dat er mee te maken, dat het gezin als zodanig lang buiten beschouwing gebleven is. Sinds enkele jaren is er vol op aandacht voor de betekenis van geloofsoverdracht van gezinnen. Het enige artikel over vaderschap in de godsdienstpedagogische literatuur kon vinden is van Michael Domsgen, als godsdienstpedagoog voortdurend bezig met de band tussen gezin en kerk.

Ook over man-zijn werd er tot voor kort nauwelijks nagedacht. In ieder geval niet op theologisch gebied. Sinds kort is er enige aandacht voor, onder andere door Reiner Knieling en zijn aandacht voor de relatie tussen mannen en de kerk. Mede op zijn initiatief verschijnt binnenkort een tweede deeltje met bijbelverhalen vanuit mannelijk perspectief gezien.

Waar zijn de vaders? Dat is niet alleen een vraag voor de opvoedingsbijeenkomsten. Dat is ook een vraag aan het materiaal over (geloofs)opvoeding. Dit alles betekent dat het voor de presentatie voor de moederkring vooral pionieren wordt. Hopelijk komt er nog eens wat over en voor vaders …

Preek zondag 31 mei 2015

Preek zondag 31 mei 2015

Efeze 4:1-16
Tekst: totdat wij allen komen (…)  tot de maat van de grootte van de volheid van Christus (vers 13)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen week las ik een verhaal van een echtpaar.
Deze man en vrouw waren verhuisd naar een nieuwe plaats.
Om thuis te raken in hun nieuwe woonplaats gingen ze elke dag een stuk wandelen.
Tijdens een van de wandelingen namen ze de omgeving in zich op,
de buurt zoals die eruit ziet en namen ze de vogels en de planten in zich op.
Tijdens een van die wandelingen hadden ze een ontmoeting:
Een man fietste hen voorbij, maar stopte even later, stapte af en wachtte hen op.
Hij stelde hen zonder een reden te geven een onverwachte vraag:
‘Hoe lang zijn jullie getrouwd?’
Ze waren overvallen door deze vraag en een beetje perplex gaven ze het antwoord: 33 jaar.
‘Ik wist het wel,’ zei de man, ‘realiseren jullie je dat je in een perfecte stap naast elkaar loopt? Ik bedoel absoluut synchroon perfect.
Mijn vrouw en ik zijn 5 jaar getrouwd, maar hebben deze stap nog niet te pakken.
Soms zijn we er vlakbij, maar we hebben die stap nog niet.’
Na die opmerking fietste de man weer weg.

Ik kwam dit verhaal tegen bij Efeze 4.
In vers 15 staat dat we toegroeien naar Christus.
Zoals het echtpaar volgens de langsfietsende man een perfecte stap had:
absoluut synchroon perfect – zo vaak samen opgetrokken dat ze in hetzelfde ritme lopen,
op elkaar afgestemd zijn, zonder dat ze het zelf door hebben.

Het verhaal gaat nog verder,
want nadat de man is weggefietst blijft dit echtpaar verrast achter.
Ze worden op iets gewezen waar ze zich helemaal niet bewust van waren,
namelijk dat ze zo lang samen optrekken, dat ze helemaal op elkaar zijn afgestemd.
Zelf hebben ze het niet door, maar door een buitenstaander wordt het opgemerkt.
Verrast waren ze door wat hun samenzijn uitstraalde
en dat het een voorbijganger liet stoppen.
Alleen toen ze samen verder gingen, lukte dat samenlopen niet meer.
Ze gingen het toen proberen om de absolute synchrone perfectie te behalen,
maar juist toen ze daarmee bezig waren, waren ze het ritme van hun stap kwijt.
Alleen als het hun doel niet was om die perfecte stap te verkrijgen, lukte het hen samen,
maar als ze op hun stap gefocust waren, liepen ze niet perfect samen op.

Toegepast op het toegroeien naar de Heere Jezus.
Zozeer zelfs, dat Paulus in vers 13 aangeeft
dat we in dat toegroeien naar de Heere Jezus toe
de maat zouden hebben van de grootte van Christus (HSV).
In dat toegroeien naar de Heere Jezus toe,
krijgt de gelovige de maat die Christus in Zijn volheid heeft.
Het gaat hier om het verkrijgen van een bepaalde leeftijd, waarop je van iemand mag verwachten dat hij of zij voldoende geestelijke bagage heeft om beslissingen te nemen.
Een leeftijd waarop iemand geestelijk rijp en geestelijk voluit volwassen is.
Het gaat ook om een bepaald voorkomen dat iemand heeft, statuur:
Iemand aan wie je ziet en afleest, dat hij of zij geestelijk volwassen is,
een stevige persoonlijkheid is, innemend en toch ook standvastig, betrouwbaar en wijs.
De maat die Christus heeft – daar moeten we naar toegroeien.
De NBV spreekt dan ook over de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.
Zozeer gegroeid dat men de maat, het model van Christus heeft bereikt.
Geestelijk volwassen.

Zou u dat van uzelf of van deze gemeente kunnen zeggen
dat die geestelijke volwassenheid is bereikt?
Dat u zo gegroeid bent?
Groei – daar kunnen we wellicht over spreken in ons eigen leven,
als we terugkijken op de afgelopen tijd, laten we het ruim nemen: de afgelopen jaren.
Kunt u van uzelf aangeven of u in de afgelopen jaren op geestelijk gebied gegroeid bent?
Gegroeid in uw relatie tot de Heere?
Ik denk dat we dankbaar zijn als we kunnen spreken van groei
en dan zullen we het eerder een vorm van voorzichtige groei noemen
dan het bereiken van de geestelijke volwassenheid.
Het zal eerder zijn zoals die man dat zei:
Ik ben 5 jaar getrouwd en het lukt mijn vrouw en mij nog steeds niet
om die perfecte stap naast elkaar te hebben.
Ik leef al zo lang met de Heere Jezus en ik doe mijn best om te doen wat Christus wil,
maar geestelijk volwassen?
Want wie kan dat van zichzelf zeggen? Kunt u dat van uzelf zeggen of van uw gemeente?
Dat schrikt toch af als iemand dat van zichzelf zou zeggen:
Ik ben geestelijk volwassen.
Ik heb de maat bereikt, het model dat Christus ons voorhoudt.
Is dat dan geen arrogantie – en daarmee een vorm van geestelijke onvolwassenheid?
En toch is dat waar de Heere mee bezig is, om ons zover te krijgen
en dan zonder een vorm van arrogantie,
maar met een diep gevoel van dankbaarheid dat Christus in ons woont en werkt
en ons vormt naar Zijn beeld.
Daarom kwam Zijn stem tot u, merkte u dat er iets in u werd gewekt van geloof
dat voorzichtig begon te groeien en daarna sterker werd
waardoor u zover kwam dat u zei: U bent mijn Heer!
Ik kan niet meer zonder U! Mijn leven is van U, mijn Heer, mijn Redder.
Ik moet wel naar Zijn stem luisteren,
want Hij riep mij en ik kon niet anders dan Hem gehoorzamen.
Als ik zijn stem niet gehoorzaamde, ben ik verloren en ga ik verloren.
Dat is toch ook gebeurd in uw leven?
Als dat niet zo is, heeft u dan nooit gemerkt dat Christus u riep?
Heb je nog nooit gemerkt dat de Heilige Geest je onrustig maakte
om je duidelijk te maken dat je zo niet verder kunt als je Christus niet hebt?
Daar stopt Christus niet.
Hij zegt niet: nu ben je van mij en dat is genoeg, daar laat Ik het er maar bij.
Nee, Hij wil ons verder laten groeien totdat we Zijn maat hebben,
de maat van Zijn rijpheid, Zijn volkomenheid.
We kunnen wel zeggen dat we die rijpheid, die maat van Christus nooit zullen bereiken
en dat is waar – dat is geestelijke volwassenheid om dat te erkennen –
maar dat wil niet zeggen dat Christus het er daarom maar bij laat.
Van mensen die eerder zonder God leefden en zelfs vijanden waren,
totaal anders dan God bedoelde, van God afgekeerd.
Waar het als het om groei gaat meer om jezelf gaat, jezelf ontwikkelen naar een hoger doel,
promotie maken, verder komen, meer hebben. Dat is groei in onze maatschappij.
En toen heeft God geroepen, heeft Hij u geroepen om naar Hem toe te komen.
Ik ben altijd geraakt door de manier waarop God mensen geroepen heeft.
Soms gebeurt dat op een heel bijzondere manier,
maar vaker op een heel gewone manier, niet door een bijzondere ervaring,
maar doordat je iemand tegenkomt die Christus op een heel intieme wijze kent,
zoals een vader of een moeder je iets laat merken van dat kostbare geheimenis.
Of je komt iemand tegen met wie je verbonden raakt, vriendschap hebt of een relatie,
die met Christus leeft, die al geroepen is
en op die manier wordt jezelf er ook in meegenomen
en achteraf merk je dat Christus met je bezig was om je naar Hem te leiden.
Daar begint de groei naar geestelijke volwassenheid: dat je je laat meenemen,
dat je gaat gehoorzamen, tot je eigen verrassing wellicht,
dat je stappen in het geloof zet, stappen waarbij je jezelf verrast.
Als dat in je leven gebeurt, dan merk je dat God in je leven bezig is
om je naar Hem te laten groeien, misschien wel van heel veraf en toch naar Hem toe.
Toegroeien naar Hem, zodat we de maat van de volheid van de grootte van Christus hebben;
tot de volle wasdom van de volheid van Christus gekomen.
Dat is heel wat: een grotere stap kan er niet zijn. Zo radicaal als van dood naar levend.
Van verloren naar behouden, van onrein naar schoongewassen, gezuiverd,
van zondaar groeien naar het model van Christus.
Dat groeiproces naar Hem toe is een heel kwetsbaar gebeuren.
Dat vraagt alle betrokkenheid van God,
om Zijn Geest in ons te laten werken, zodat we verder groeien.
Dat vraagt van onszelf uiterste concentratie – niet op onszelf of wat wij doormaken,
maar op Christus.
Dat echtpaar kon alleen maar die perfecte stap samen op hebben
doordat ze op elkaar waren ingespeeld en op elkaar waren gericht,
doordat het opging in elkaar.
Op het moment dat het zich richtte op wat ze zelf moesten voelen,
of wat de volgende stap moest zijn, raakten ze dat gezamenlijke richting kwijt.
Die maat van Christus, de groei in geloof, bereiken we alleen als we opgaan
in het gesprek met Christus, als het om Hem draait – en niet om onszelf.
in alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, door elkaar in liefde te verdragen
Doordat we Christus in ons opnemen, krijgt Christus gestalte in ons
en beginnen wij de vorm, de maat van Christus aan te nemen.
Al is dat voor ons op een bescheiden manier.
Maar de erkenning dat Christus slechts op een bescheiden manier in ons leven gestalte krijgt en de erkenning dat we er nog lang niet zijn en die geestelijke volwassenheid hier op aarde
wellicht nooit zullen bereiken,
mag er niet toe leiden, dat we er genoegen mee nemen met de middelmatigheid
met ons eigen onvermogen, om verder te groeien.
Dat wil Paulus ook niet.
De tweede helft van de brief van Efeze, vanaf hoofdstuk 4 voert Paulus een indringend gesprek om ons op die groei aan te spreken.
Weet je dan niet, dat je van de Heere een waardigheid hebt ontvangen,
toen Hij je tot zich riep?
Hij gaf je de waardigheid om weer Zijn kind te worden, zoals Paulus eerder in de brief toont
of later in zijn brief gebruikt Paulus zelfs het beeld van de geliefde, de bruid:
Christus die de gemeente liefheeft en daarom moet een man zijn vrouw liefhebben.
De enige manier, zegt Paulus, die recht doet aan die waardigheid,
waardoor we de door God gegeven waardigheid waardigheid niet op het spel zetten
is nederigheid en zachtmoedigheid, geduld, het dienen van elkaar door de liefde.
Juist de manier zoals we Christus hebben leren kennen,
die nederig was en zachtmoedig, die met ons geduld heeft keer op keer,
die ons aan het kruis stierf om ons in liefde te dienen.
Geestelijke groei is het afleren en het kwijtraken van onze arrogantie,
van ons ongeduld met anderen en onszelf
en we moeten inzien dat groeien naar volwassenheid een lang proces is,
met vele tussenpauzen, door frustraties en tegenslagen heen.
Waarbij we inzien dat veel discussies die we voeren,
veel zaken waar we ons druk voor maken ook in de kerk niet door die nederigheid,
niet door dat geduld dat Christus met ons heeft, door de vriendelijkheid of de bereidheid
om de ander te dienen worden gestempeld.
In de kerk gaat het om de eenheid – niet om de eenheid die draait om ons,
waarbij iedereen onze kant kiest in de discussie of ons gelijk geeft tav een standpunt
of bij conflicten onze pijn ziet en erkent,
maar de eenheid van God, de eenheid waarin zelfs ook wij worden opgenomen
in de ene gemeenschap die er rondom, die er met Christus is.
Geestelijke groei, groei naar volwassenheid, naar de maat van Christus
kan alleen als we één zijn met Christus
– Hij ons hoofd en wij het lichaam dat aan Hem verbonden is en door Hem groeit.

Wij het lichaam. Wij groeien niet alleen.
We worden niet in ons eentje volwassen, waarbij de anderen achterblijven.
De maat van Christus die we ontvangen, waar we naar toegroeien,
is niet zozeer een individueel gebeuren, maar een gezamenlijk gebeuren:
opdat wij allen tot die maat komen, tot de volheid van Christus.
Niet Paulus in zijn eentje, of een bepaalde ambtsdrager met een geestelijke status,
of een gelovige met een bijzondere getuigenis of belevenis.
Maar allemaal.
Gods zorg en Gods bemoeienis met is met ons ieder afzonderlijk,
zodat we met elkaar, allemaal bij elkaar, groeien naar die maat van Christus,
niemand uitgezonderd.
Niemand kan zeggen: ik word overgeslagen – want dan stop je je oren dicht,
terwijl de Heere je steeds roept en tot je komt.
Niemand kan zeggen: ik ben het niet waard – die waardigheid ontvangen we door Christus.

Met elkaar – we zijn niet alleen op reis, maar aan elkaar gegeven.
Dat we tot een kerk behoren, een gemeenschap van gelovigen om ons heen hebben,
is een zegen, geeft Paulus aan,
is de bijzondere zorg van de Heere voor Zijn kerk op aarde.
Om die gemeente in zijn geheel en ieder afzonderlijk te laten groeien
totdat de maat van Christus is bereikt, daarom geeft de Heere vanuit de hemel
anderen om ons heen, die ons helpen te groeien, die met ons in de weer zijn.
Apostelen – dat zijn degenen die ons in contact met de Heere Jezus brengen,
die met ons in gesprek zijn, zodat ook wij die intieme kennis hebben,
dat de Heere Jezus mijn Heer en Redder wil zijn.
Je hoort ze spreken, maar het zijn niet meer hun woorden,
maar het is de stem van de Heere Jezus zelf, die jou roept bij je naam om tot Hem te komen.
Er zijn profeten, die kunnen vertellen in welke tijd we leven
profeten die aangeven wat wel de stem van Christus is en wat juist een stem is
die ons doet afdwalen en onze band met Christus wil doen verbreken, een verleiding.
Herders geeft de Heere Jezus: mensen die anderen bij de Heere Jezus bewaren
en iets in hun persoonlijke leven laten zien van Christus als de goede Herder.
In de afgelopen week ben ik op reis geweest met ouderen uit onze gemeente,
een busreis naar Friesland.
Bij het instappen heb ik steeds in de bus de aanwezigen geteld,
zodat we er geeneen zouden vergeten en zouden achterlaten.
Herders en leraars – ze richten onze aandacht op de Heere Jezus
en misschien zeggen ze het wel tegen ons:
weet je wel dat je iets weerspiegelt van de zorg van de Heere,
van Zijn betrokkenheid en bewogenheid.
De Heere geeft zulke mensen in de gemeente – uit zorg,
zodat wij allemaal – u, jij en ik, groeien naar Christus toe,
Zijn maat gaan aannemen, met elkaar en niemand die daarin achterblijft.

Is het alleen maar een ideaalplaatje of kan het op aarde ook werkelijkheid hebben
dat we de maat hebben van Christus?
Dat we die waardigheid waar maken?
Ik las een keer over een reden waarom een predikant niet perfect kan en mag zijn.
Soms kun je daar tegen aanlopen als gemeente
dat je predikant zijn beperkingen heeft
of als predikant zelf onder je beperkingen lijden, vooral als je weet wat die beperkingen zijn.
Een predikant die perfect is, stoot af, staat op eenzame hoogte.
Een gelovige die geen enkele fout meer heeft, is niet meer menselijk
en zorgt ervoor dat anderen het erbij laten, want dat halen we toch niet, dat niveau.
Zo iemand vestigt de aandacht op zichzelf – iemand die de perfecte stap naast Christus zet.
Maar haalt de aandacht bij Christus weg.
Mensen zijn niet volmaakt en zijn hier op aarde altijd in de groei
en groei is vaak niet een stap dichter bij de volmaaktheid,
maar eerder een steeds meer erkennen van onze onvolmaaktheid
waardoor we steeds meer beseffen dat we niet zonder Christus kennen
en daardoor, juist door ons gemis, groeien we naar Hem toe.
Zodat we niet meer vol zijn van onszelf, maar Hij groeit in ons.
Misschien is het wel zo, dat anderen opmerken dat we dichter bij de Heere zijn
dan we zelf beseffen,
dat is dan een geschenk, dankbaarheid dat je er iets van mag uitstralen,
dat je in het samenzijn met onze Heere toch naar Hem kunt toegroeien.
Al is het op aarde geen absoluut synchroon perfecte stap,
maar wel een bemoediging voor anderen dat de groei naar Christus mogelijk is.
Ook zo, op die manier, door onbewust iets uit te stralen,
zijn we voor anderen een bemoediging.
Niet alleen door ons spreken of door onze bewuste daden,
maar zoals dat echtpaar in het begin vaker door dat waar we ons niet van bewust zijn
omdat we ons richten op Christus en van Hém vol willen zijn.
Amen

Het verhaal is afkomstig van Eugene H. Peterson, Practices Resurrection. De preek is deels gebaseerd wat Peterson daar schrijft.