Eugene Peterson was pastor voor predikanten

Eugene Peterson was pastor voor predikanten

Op 22 oktober overleed Eugene H. Peterson. Hij werd 85 jaar. Met zijn boeken, lezingen en interviews wordt Peterson gezien als een pastor voor predikanten. Van zijn boeken zijn alleen de eerste boeken vertaald, zoals
Een zaak van lange adem, Dragende delen en Onder de wonderboom. Met een Nederlandse vertaling van zijn eigen Bijbelvertaling The Message is men bezig.

peterson-square

Peterson was 26 jaar lang predikant van dezelfde gemeente: de Christ Our King Church in Bel Air (Maryland). Hij stichtte deze gemeente namens de Presbyteriaanse Kerk (PCUSA). Daarna werd hij hoogleraar Spirituele Theologie aan het Regent College in Vancouver. Hij publiceerde meer dan 30 boeken op het gebied van spiritualiteit. Het was vanwege zijn spirituele theologie, die hij in zijn boeken verwoordde, dat hij een pastor voor predikanten werd. Zijn boeken hielpen predikanten om spiritualiteit als het belangrijkste onderdeel van hun predikantschap te zien.

Spiritualiteit
Voor Peterson zijn spiritualiteit en theologie niet van elkaar los te maken. Spiritualiteit kan niet zonder theologie en theologie is alle onderdelen spiritualiteit. Spiritualiteit is voor Peterson leven met de levende God. Hij signaleerde dat spiritualiteit een modewoord was, maar dan wel een hele vage, elitaire invulling kreeg. Spiritualiteit had voor Peterson te maken met Jezus, die God-in-ons-midden is. Door Jezus is de spiritualiteit heel alledaags en concreet. Spiritualiteit heeft te maken met bidden, lezen in de Bijbel, werken, relaties binnen het gezin en vriendschap. Spiritualiteit is voor hem niets anders dan christelijk leven, een leven tot eer van God.

Kwijtgeraakt
Tijdens zijn predikantschap merkte Peterson dat de Amerikaanse kerk de alledaagse, door Jezus gevormde en op de levende God gerichte spiritualiteit was kwijtgeraakt. Zijn gemeenteleden waren meer Amerikaan dan christen, meer consument dan discipel. Christenen en kerk waren onderdeel van een consumptiemaatschappij, waarin alles snel voorhanden is en verlangens en behoeften direct bevredigd konden worden. Peterson begon daar discipelschap tegenover te stellen. Discipelschap was een zaak van lange adem: een moeizame weg van gehoorzaamheid die om volharding vraagt. God is niet ons idee of ons project.

1001004001376993
Afgoderij
Wanneer we de levende God vervangen door ons idee of ons project vervallen we in afgoderij, een verleiding die volgens Peterson de kerk voortdurend bedreigt. Snelle doelen kunnen in het geloof niet worden gehaald. Elke kleine stap die je zet is al een aankomst. Predikanten hield hij voor zich niet te laten imponeren door de megakerken, die vaak de media halen. Zulke megakerken zijn volgens hem bij uitstek gevoelig voor afgoderij en de consumptiementaliteit, die het moeilijk maakt om discipel te zijn. Predikanten doen er beter aan om trouw te zijn aan de lokale gemeenschap en daar in kleine kring het evangelie te leven, trouw en volhardend, puttend uit de Bijbel en steeds weer in gebed, in vertrouwen op God die werkt. De predikant leeft het evangelie van de opgestane Heer. Predikantschap heeft met de ziel te maken. Het woord ziel is uit de gratie geraakt en werd een term die alleen maar binnen geestelijke kring werd gehanteerd. Ziel was vervangen door zelf en dat onthult veel over de maatschappij waarin we leven. Wanneer we over ziel spreken, heeft onze identiteit met de levende God te maken. Wanneer we het hebben over zelf, is onze identiteit ik-gericht.
Peterson was zelf predikant geweest en kende de eenzaamheid en de verleidingen van het predikantschap. Na 6 jaar in zijn gemeente gestaan te hebben, raakte hij in een crisis. In die crisis kwam hij niet bij modellen en methoden uit, maar bij de traditie van de kerk. Vanaf die tijd wilde hij de rijke spirituele traditie doorgeven. Om zijn gemeente te helpen meer discipel dan Amerikaan te worden, vertaalde hij de brief van Paulus op een eigentijdse manier. Uit deze Galatenvertaling groeide een hele Bijbelvertaling: The Message.

Interview met Eugene H. Peterson over de vraag waarom hij The Message vertaalde

In een van de levensbeschrijvingen die ik las in de afgelopen dagen wordt Peterson beschreven als een protestantse monnik. Hij had ook iets wereldvreemds. Nadat hem gemeld werd, dat Bono van U2 met hem in contact wilde komen, vroeg hij verbaasd wie dat was. Toen zijn vertaling The Message miljoenen keren verkocht werd, vroeg hij een vriend wat hij eigenlijk met het geld moest doen dat hij met de verkoop verdiende.

Verwondering
Als predikant hield hij de maandag vrij. Dan hield hij zijn sabbat, omdat hij door te preken op zondag niet aan rust toe kwam. Dan trok hij er samen met zijn vrouw op uit. Eerst lazen ze iets uit de Bijbel, dan wandelden ze een hele tijd. Na afloop noteerden ze iets in hun dagboek. Maar meer dan wat ze onderweg gezien hadden aan vogels en planten was het niet. Peterson was ook dichter en schreef zelf gedichten. Steeds weer komt in zijn boeken de verwondering over God die overal terug te vinden is naar voren. In zijn boeken leert hij zijn lezers om oog te krijgen voor Gods werk in onze nabije omgeving. Peterson was ook lezer. Hij vond het als predikant van belang om grote literaire werken te lezen. In zijn agenda noteerde hij twee keer per week een blok van twee uur voor een gesprek met FD. Dan las hij Fjodor Dostowjeski om zijn gemeenteleden beter te begrijpen.

Eugene-Peterson-04

Gesprek
Gesprek is een kernwoord in Petersons spiritualiteit. Zijn boeken waarin hij zijn spirituele theologie uiteenzette noemde hij conversaties in spirituele theologie. Hij benadrukte dat gesprekken de alledaagse vorm is waarmee Jezus optrad. In zijn boeken benadrukt hij dat in een cultuur waarin het geloof niet meer bekend is, gesprekken over God, geloof, ziel minstens net zo belangrijk zijn als preken en onderwijs. Net zoals Jezus in Samaria (Lukas hoofdstuk 9-19) vooral gelijkenissen vertelde en gesprekken aanging. De boeken van Peterson zijn vaak met een twinkeling geschreven, hoopvol van toon en vol mooie anekdotes. Zijn werk blijft de komende tijd de moeite waard.

Gepubliceerd op 31 oktober 2018 in het Friesch Dagblad

Andere blogs over Peterson:
– Over zijn memoires ThePastor: blog over The Pastor
– Over Tell it Slant (deel 1): Tell it Slant deel 1
– Over Tell it Slant (deel 2): Tell it Slant deel 2
– Over Run with the Horses (Jeremia): Run with the Horses
– Over Een zaak van lange ademEen zaak van lange adem

Kerst en Epifaniën

Kerst en Epifaniën

Morgen is het Eeuwigheidszondag, de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Volgende week op de eerste zondag van Advent start er weer een nieuw kerkelijk jaar.


In de Adventsperiode zal er vast ook weer een discussie over de oorsprong van Kerst starten. Net als de kritiek op de kerstfolklore tot de kerstfolklore behoort, behoort de stelling dat het Kerstfeest van heidense oorsprong is inmiddels ook tot die folklore. Nu is het niet gemakkelijk om de oorsprong van het Kerstfeest te achterhalen. Toch is de gedachte van een heidense oorsprong op basis van bronnen uit de 4e eeuw nauwelijks te handhaven:

Sol Invictus?
Soms wordt gesteld dat het Romeinse Sol Invictus-feest ten grondslag ligt aan de datum van 25 december. Uit apologetische motieven (om de Romeinen wind uit de zeilen te halen), zou de kerk hebben gekozen voor deze datum met Kerst als concurrerend feest.
Probleem is hierbij is dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat dit Sol Invintus-feest heeft bestaan. Bovendien is er in de oudste preken, die bewaard gebleven zijn, geen polemiek tegen de Romeinse cultus te vinden. Die polemiek duikt pas eeuwen later op.

Mithras-cultus
In de 2e eeuw komt er een cultus rondom de zon. Bij soldaten wordt de Mithrascultus populair. Ook voor dit feest zijn er geen bewijzen gevonden, dat de Mithrascultus ten grondslag ligt aan de opkomst van het Kerstfeest. Onderzoekers als Hans Förster en Martin Walraff zien de opkomst van de Mithrascultus als een parallelle ontwikkeling aan de opkomst van het Kerstfeest. Ze zien in de 2e-3e eeuw een ontwikkeling, waarbij de zon veel meer wordt vereerd dan voorheen. Vanuit de eigen traditie, waarbij Christus al in de Bijbel als de zon wordt getypeerd, heeft de kerk in deze tijd een sterke troef waarbij men kan ingaan op de tijdgeest. Het Kerstfeest raakt, gezien de snelle verspreiding, een snaar.
Heidense invloed is echter twijfelachtig. In en buiten de kerk waren er christelijke stromingen die de kerk bekritiseerden. Wanneer het Kerstfeest opkomt vanuit een pagane achtergrond, zouden deze stromingen hun kritiek niet onder stoelen of banken hebben gestoken. In de bronnen van deze stromingen is echter niets te vinden over kritiek op het ontstaan van het Kerstfeest.

Anti-arianisme
Volgens sommigen is dat het Kerstfeest opgekomen vanwege de strijd tegen het Arianisme. De volgelingen zien in Jezus een lagere godheid dan de Vader. In de strijd tegen de Arianen ontstaat er behoefte om de goddelijkheid van Jezus uit te dragen door middel van feesten. In die tijd ontstaat er een behoefte om aan de verschillende momenten van Jezus’ leven een feest te verbinden. Voorheen werd met Pasen het sterven en opstaan van Christus tegelijk gevierd. Deze momenten worden uit elkaar gehaald. Analoog hieraan ontstaat vanuit de eigen liturgie ook een Kerstfeest. Het ontstaan van het Kerstfeest is gebaseerd op het willen uitdragen van Jezus’ goddelijkheid. De duiding van Jezus als de Zonne der gerechtigheid geeft aan de tegenstanders van de Arianen een extra motief om de goddelijkheid van Jezus te benadrukken.
De vroegste aanwijzingen voor Kerst duiden op een viering in Rome rond 336, vrij recent na het concilie van Nicea. Op dit concilie koos de kerk voor de goddelijkheid van Jezus en wees men het Arianisme af. Dat de opkomst van het Kerstfeest aan de strijd tegen de Arianen is de danken, is waarschijnlijker dan een ontstaan vanuit een pagane achtergrond. De liturgie ontwikkelt zich vanuit de analogie met de Paasviering.
Tegen deze gedachte pleit echter dat er ook uit Ariaanse stromingen kerstpreken bewaard zijn gebleven.

Epifaniën
In het oosten ontstaat in dezelfde tijd het Kerstfeest op 6 januari. Ook hieraan ligt geen heidens feest ten grondslag, maar de strijd tegen de Arianen. Het oosten en het westen nemen elkaars feesten over. Athanasius, een felle bestrijder van Arius, zou mede de oorzaak kunnen zijn van een verspreiding van een feest op 6 januari in het westen. Vanuit Egypte wordt hij naar Trier verbannen. Daarnaast zou de opkomende pelgrimage naar Israël een reden zijn tot verspreiding van de beide data.
Omdat er vrij kort ervoor een discussie is geweest over de juiste datum van Pasen, kan de snelle overname van beide data door beide kanten van het rijk gezien worden als een streven naar eenheid in de liturgie. Daarbij wordt 25 december de datum voor Kerst en 6 januari de datum voor Epifaniën. (Armenië, dat geen onderdeel uitmaakt van het Romeinse Rijk, houdt echter het Kerstfeest op 6 januari.)
De invulling van Epifaniën verschilt: in het westen wordt Epifaniën gekoppeld aan de heidense magiërs, waarbij de heiland van de heidenen verschijnt en in het oosten aan de doop van Jezus. In beide gevallen wil Epifaniën de godheid van Jezus benadrukken. Met Kerst wordt dan gevierd dat God mens geworden is, met Epifaniën Zijn verschijning.

 

In de kantine deel je levensvragen

In de kantine deel je levensvragen
Interview met dr. H.C. van der Meulen over geestelijke begeleiding

nachdenken

Nog steeds gooit de geluksindustrie hoge ogen. Happinezz, The Secret, boeken van Dan Brown… Van dr. H.C. van der Meulen is het boek: Om het geheim van het leven. Over geestelijke begeleiding.

Wat was uw drijfveer om u te verdiepen in geestelijke begeleiding?
“Ik heb mij vaak afgevraagd waarom mensen weglopen met de religieuze thrillers van Dan Brown of boeken als The Secret. Iemand die niet naar de kerk ging, hoorde ik enthousiast over The Secret praten. Zij zocht houvast.
The Secret suggereert dat het leven een code heeft die te ontcijferen is. Plato en Einstein hebben er al iets over opgemerkt, maar nu wordt het ten volle geopenbaard. Zo staat het echt in het boek.
Maar er is een veel kostbaarder boek, de Bijbel, waarin ook over het geheim van het leven wordt geschreven. Over waar het vandaan komt en naar toe gaat. Dat is het verhaal van de Levende. Als mensen uitkomen bij The Secret komt daar een verlangen in naar voren. Dat neem ik serieus. Ik wil dat verlangen en het verhaal van Christus bij elkaar brengen.”

images

Wedervraag
U bent in 1992 gepromoveerd op een onderzoek naar Helmut Thielicke. Wat heeft u van hem geleerd?
“Heel veel. Thielicke was predikant in Hamburg en trok 3.000 mensen, van havenarbeiders en prostituées tot geleerden. Waren zijn preken dan zo geweldig? Nee, maar hij sprak over wat de mensen bezighield.
Bij vragen van mensen stelde hij een wedervraag en kwam dan uit bij het evangelie. Zo plaatste hij de vragen in een nieuw perspectief. Jezus deed dit ook. Hij neemt de rijke jongeling heel serieus, maar Hij brengt het gesprek wel verder door een wedervraag te stellen.”

Dus je beantwoordt een vraag met een wedervraag en je bent er vanaf?
“Dergelijke wedervragen moeten natuurlijk wel met een pastoraal hart gesteld worden, anders maak je je er gemakkelijk van af. Iemand wil een antwoord, hij wil verder kunnen met zijn leven. Maar soms zijn de vragen te moeilijk, zoals: waarom laat God lijden toe?
Bij de wedervraag gaat het niet om iemand iets te verkopen of iemand op te roepen tot navolging, maar om eerst iemand in de juiste positie te brengen. Om in voetbaltermen te spreken: als het standbeen niet goed staat, wordt het schieten niets. Je moet eerst in goede positie komen.”

fussball

Geef eens een voorbeeld
“Er bestaat een anekdote over G. van der Leeuw uit de tijd net na de Tweede Wereldoorlog. Hij zit op een bankje, een vrouw komt naast hem zitten en verzucht: “Och, och, waar gaat het heen?” Van der Leeuw: “Maar mevrouw, wie heeft gezegd dat het ergens heen moet gaan?” Zijn wedervraag wijst erop, dat de vraag van de vrouw een heilshistorische visie veronderstelt. Daar zou hij op door kunnen gaan door te vragen waar ze dat vandaan heeft.”

oesterreich_wandern

Zijn de vragen van mensen gemakkelijk met het verhaal van God te verbinden?
“De ene keer is het gemakkelijker dan de andere keer. Want het roept de vraag op: trek ik de ander niet teveel mijn kant op? Als God Zijn schepping gewild heeft en niet vergeet, draagt de schepping merktekenen van Zijn bedoeling. Ik zeg het voorzichtig: het is niet onmogelijk om sporen aan te wijzen van Gods bemoeienis. Dat is het geheim van het leven: Gods bemoeienis met onze zoekende aarde.”

Houdt dat geheim van het leven ook jongeren bezig?
“Ik kom het ook bij jongeren tegen, ja. Het raakt aan hun vragen: Houdt God van ons? Heeft Hij weet van mijn sores? Weet Hij van mijn hobby’s? Kent God mij? Als je nooit jongeren tegenkomt, die deze vraag stellen, moet je een andere fiets kopen.
Ik heb lang gevoetbald en na afloop van de wedstrijd dronken we nog wat in de kantine: de derde helft. Over welke thema’s gaat het dan? Thema’s die existentieel van aard zijn. Ouders die uit elkaar gaan. Een vriend die is overleden. Dan schokt het levenshuis. Achter alle stoerheid zie je het menselijk hart. Daarin leven vragen als: Wat houdt mij overeind? Wat moet ik als mijn ouders uit elkaar gaan en ik ze bij elkaar zou willen houden? Wat geeft mij houvast als alles afbrokkelt? Als je als predikant deze vragen nooit tegenkomt, doe je echt iets verkeerd.

Ze sturen dus geen mail naar de dominee waarin staat: ik heb iets vervelends meegemaakt?
“Het wordt in de kantine gedeeld. Ik ben daar niet alleen de dominee, maar ook gewoon voetballer Henk. Wie het over God, hemel of hel wil hebben, heeft het niet gemakkelijk in deze tijd. Maar zo’n voetballer die na een doelpunt gescoord te hebben dat doelpunt opdraagt aan zijn vader, wat doet hij? Heeft de Bijbel daar niets over te vertellen?

Drachen Drache blauer Himmel Flugdrache Lenkdrache 2

Ik speel thuis het lied De vlieger van André Hazes wel eens op mijn orgel en dan roept mijn vrouw: hou daarmee op! Ik ben door dit lied gefascineerd, want ik denk dat het een moderne vorm van bidden is. Wat moet je doen als niemand je geleerd heeft hoe je bidden moet? De vragen van de jongen gaan naar een ruimte toe om beantwoord te worden. De moeder kan die vragen niet beantwoorden, maar een Ander kan het wel! Je kunt je afvragen of dat liedje van De vlieger te plat of te sentimenteel is, maar het stelt wel een wezenlijke vraag: Doen mijn gebeden ertoe? Komen mijn gebeden aan? Paulus zegt: wij weten. Hoe weet Paulus dat? Het komt van de Andere kant. Deze kennis is hem van Godswege geopenbaard. Het is een corrigerend antwoord, maar wel een antwoord. Ik weet iets!
Over de vragen kun je met jongeren in gesprek raken. Jezus vertelt een gelijkenis over 100 schapen, waarbij de herder de 99 achterlaat in de woestijn om die ene te zoeken. Ik zou dat nooit gedaan hebben. Ik zou eerst gebeld hebben om een vrachtwagen en die 99 schapen veilig thuis afleveren en dan pas zoeken. Maar Jezus zegt kennelijk: die 99 schapen zijn sterk genoeg om het alleen uit te houden! Jongeren moeten er zich van vergewissen: er is er Eén naar hen op zoek. Dat gaat verder dan de boodschap: jij mag er zijn. Jij interesseert Mij!

Je hoeft jongeren niet naar de mond te praten. Je hoeft ook niet overal een antwoord op te weten. Als je hen maar serieus neemt. Dan mag je het hen best ongemakkelijk maken. Je kunt zelfs net als Paulus zeggen: ik zou willen dat je was zoals ik, een dienaar van Christus. Toen ik predikant was, ging een meisje uit de gemeente trouwen met een jongen uit het oosten van Turkije. Zijn vader was imam. Zij vroeg of ik hen in de kerk wilde trouwen. Ik heb gezegd dat we eerst moesten uitmaken in wiens Naam de zegen ontvangen wordt. Haar vriend heeft een oriëntatie op Mekka, maar daar heb ik niets te zoeken. Wij worden gezegend vanuit Sion.”

Ds. Matthijs Schuurman

9789023926849

Dr. Henk C. van de Meulen is docent Praktische theologie aan de Protestantste Theologische Universiteit (PThU). Vanaf is hij predikant. Hij promoveerde in 1992 op Helmut Thielicke. Hij schreef verschillende boeken over pastoraat, waaronder Om het geheim van het leven (2013).

Dit interview is eerder gepubliceerd in Maandblad Réveil en HWConfessioneel

Reformatorische spiritualiteit

Reformatorische spiritualiteit

Volgens Christian Möller kent de reformatorische spiritualiteit 7 kenmerken:
(1) Reformatorische spiritualiteit wordt in de doop

(2) Reformatorische spiritualiteit is een pastorale spiritualiteit

(3) Reformatorische spiritualiteit leeft uit de dynamiek van zingen en verwoorden

(4) Reformatorische spiritualiteit verwacht de komst van Christus

(5) Reformatorische spiritualiteit is gestempeld door geduld (Gelassenheit)

(6) Reformatorische spiritualiteit onthult het werkelijke karakter van de zonde (macht die Sünde groß) in het licht van het Evangelie

(7) Reformatorische spiritualiteit is passie voor het alledaagse.

Deze kenmerken komen terug in de viering van de eredienst, in het gebruik van de sacramenten, in de dagelijks omgang met gebed en meditatie van de Heilige Schrift.

Zie voor de uitwerking: Christian Möller, Leidenschaft für den Alltag. Impulse reformatorischer Spiritualität) (Stuttgart: Calwer Verlag, 2006).

Vergeef mij mijn stomme gebeden en leer mij bidden als Paulus en Calvijn

Vergeef mij mijn stomme gebeden
en leer mij bidden als Paulus en Calvijn

Een van de mooiste publicaties van het Calvijnjaar 2009 was voor mij het gebedenboekje van Rudolf Bohren: Beten mit Paulus und Calvin.

In dat boekje, een van Bohrens laatste publicaties, ging hij in de leer bij Paulus en Calvijn om zich te oefenen in bidden. Want gebed moet geoefend worden. Bohren oefent zich aan de hand van Paulus’ tweede aan Timotheüs én aan de hand van Calvijns commentaar op deze brief. Want Bohren had gelezen dat de reformator Calvijn van alle Bijbelboeken het meest van deze brief hield.

Zonder oefening zijn het stomme gebeden in dubbel opzicht: dumme Gebete. Woorden worden niet meer gevonden, waardoor het bidden veranderd in zwijgen en het zwijgen mondt uit in het achterwege blijven van het gebed. Stom zijn deze gebeden ook, omdat ze waardeloos zijn. En de waardeloze gebeden zijn aan mijzelf te wijten.
Daarom is het eerste gebed ook een gebed om vergeving en vernieuwing. Hij luistert allereerst naar de vermaning van Paulus over het gebed: Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen (1 Timotheüs 2:1).

Zuallererst

Herr,
vergib mir meine dummen Gebete.
Dumm war mein Beten,
weil’s bei mir blieb –
jenseits deiner Gebete.

Lehre mich anders beten:
Der Apostel und der Reformator
haben durch Beten ihre Welt verändert
Lehre mich beten wie sie.

In het commentaar op dit vers roept Calvijn op om Gods verbazingwekkende goedheid, die Hij dag aan dag toont, te prijzen. Deze goedheid is niet alleen voor gelovigen, maar ook voor ongelovigen: dag aan dag laat God Zijn zon opgaan over goede en slechte mensen. Zo, zegt Calvijn, moeten wij in onze liefde en gebeden niet alleen ons richten op de gelovigen en de mensen die ons liggen, maar ook op degenen die onwaardig zijn. In navolging van Gods goedheid.

Leer mij anders bidden. Leer mij bidden als Paulus en Calvijn. Bohren schaamt er zich niet voor om bij hen in de leer te gaan.
Bohren schaamt er zich ook niet voor om bij zijn eigen leerling in de leer te gaan, als het om bidden gaat. Van zijn Japanse leerling Tsuneaki Kato leerde hij om voor zijn bidden van Calvijn te leren. Bij een bezoek aan Japan zij Kato: ‘Ik heb steeds op mijn ouderlingen gefoeterd vanwege hun gebeden. Wij hebben toen bij Calvijn bidden geleerd.’ En de gebeden die Bohren schreef en publiceerde, zijn bedoeld om zijn lezers te oefenen in bidden.

Geloven vereist een sportieve spiritualiteit, meent Bohren: een oefenen zoals sporters steeds oefenen. Het tweede gebed heet daarom ook: Spirituele gymnastiek. Waarbij het anders dan bij sporters niet om een prestatie gaat, maar om aanname, rechtvaardiging en vernieuwing door God:

Spirituele gymnastiek

Oefen jezelf in een vroom leven (1 Tim. 4:7)

Graag zou ik vroom willen zijn
alleen de vroomheid
die ik bij mijzelf en anderen waarneem
behaagt mij niet.

Heilige God. Ik heb reden om aan te nemen
dat zij U helemaal behaagt.

Laat ons niet traag en lauw blijven
bij het bidden
maar worden wat wij nog niet zijn.

Laat mij bidden als – Bohren schrijft niet: als Paulus en Calvijn. Hij schrijft: als de apostel en de reformator. Het gaat niet om hun naam, maar op de manier waarop zij in Gods dienst stonden en door God werden gebruikt. Leer mij bidden als hen – betekent niet: laat mij het niveau bereiken van Paulus en Calvijn. Maar veeleer: maak mij helemaal eigendom van U, mijn getrouwe Zaligmaker. Zoals het Paulus en Calvijn niet te doen was om hun naam, maar om Gods eer.
Het gaat ook (of juist!) in mijn bidden er om, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet, waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt (antw. 1 HC).

Twee soorten kerken – twee manieren van Bijbel lezen

Twee soorten kerken – twee manieren van Bijbel lezen

Ik heb iets met Fulbert Steffensky. Al sta ik soms in theologisch opzicht redelijk ver van hem af, toch grijp ik steeds weer op zijn boeken terug. De reden daarvoor is dat hij zich steeds weer laat provoceren en tegenspreken door de Bijbel. En dat levert vaak teksten op die tot nadenken stemmen en ook uitdagen om mijzelf door de Bijbel te laten tegenspreken.

Hierbij een voorbeeld:

‘Wie is de kerk die de Bijbel leest? Misschien is het antwoord: de kerk is de gemeenschap die in Woord en sacrament verenigd zijn. Daarmee is nog niet veel gezegd. Men moet doorvragen: wie zijn die gelovigen? Wat verdienen zij en wie dienen zij? Welke interesses hebben zij? Wie zien zij en wie worden er door de kerk over het hoofd gezien? Dat bepaalt namelijk hoe deze kerk de Bijbel leest. Ik beschrijf twee kerken met beiden een andere manier van Bijbel lezen:

In Hamburg stonden twee kerken dicht bij elkaar. De ene, de Katharinenkirche, staat er nog steeds. Een mooie en rijke kerk. Deze kerk was omgeven door patriciërhuizen. Vandaag de dag de kerk er nog steeds uit als een schip dat niet ten onder kan gaan.
de andere kerk, de St. Anna, stond op een steenworp afstand, aan de andere kant van het Tolkanaal, is juist wel ondergegaan. Het was een onopvallende en kleine kerk. Alleen een straatnaam herinnert nog aan deze kerk: Bei St. Annen. Het was een Assepoester-kerk, omgeven door daglonerhuisjes. Zo’n 18.000 mensen woonden er op het kleine stukje om deze kerk heen. Dagloners, die zich elke dag weer opnieuw verhuurden. Een kleine stad, volgestouwd met mensen, honden, katten en ratten.
Twee kerken, gescheiden door een kwaadaardige kloof (garstige Graben) die niet de naam Tolkanaal draagt, maar armoede en rijkdom. Wat hebben deze twee kerken met elkaar te maken? Is deze tolkloof zo gemakkelijk te overbruggen als de kleine scheur tussen het katholicisme, het protestantisme, de orthodoxie en de andere dialecten van het christendom? Wordt in deze kerken dezelfde God aanbeden? Wordt daar dezelfde God toegezegd? Laten we niet te snel “Ja!” zeggen! God is niet een God aan beide zijden van deze kloof en steeds boven de partijen. Hij is een partijdige God, hij houdt van St. Anna, de kerk van de armen en de bedelaars. Laten wij beide kerken met elkaar in gesprek brengen.
Katharina kent de zin van de apostel Paulus uit de brief aan Efeze: Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken (Efeze 2:14). Ze zegt het tegen Anna: “Het zijn toch kleine dingen die ons scheiden? Het zijn slechts materiële zaken. God kijkt slechts naar het hart en niet uiterlijkheden, zoals tanden, geld en rijkdom.
Anna zucht. Zij zou zo graag een met Katharina zijn. Maar zij is poetsvrouw bij Katharina en krijgt zo weinig betaald. Haar man is vuilnisman, die het afval van Katharina ophaalt en verdient niet veel. Katharina is goed opgeleid en heeft haar woordje klaar. Anna had geen tijd en geld voor een opleiding. Anna leest de Bijbel iets langzamer. Zij begint niet met de verzoening en de vrede. Allereerst leest zij tot haar troost, dat God de armen liefheeft. Dat God een God van de rechtelozen is, van de mensen zonder land of bezit, van de gebondenen. Kan het zijn dat, zo vraagt zij zich af, dat het evangelie ons niet samenbindt? Dat het evangelie geen laffe vrede wil? Dat het evangelie de werkelijke confessionele kloof openbaar maakt: die tussen arm en rijk, tussen slachtoffers en daders, tussen diegenen die slagen toebrengen en degenen die de slagen ontvangen?
Anna zucht. Zij zou graag willen instemmen met Paulus’ hoge lied over de liefde, waarin hij tot vrede oproept en haar zegt dat de liefde zich niet laat verbitteren. Maar hoe kan zij niet verbitterd raken en niet zelfzuchtig zijn zoals de apostel vermaant, als zij geen brood voor haar kinderen heeft? Hoe kan zij niet zelfzuchtig zijn als zij haar huur niet meer kan betalen? Hoe kan zij niet verbitterd raken als zij in de krant leest dat men de sociaal-politieke uitwassen wil bezuinigen? Dat men afscheid moet nemen van de valse metafysica van de individuele gelijkheid? Dat het nu afgelopen moet zijn met de romantiek van de gerechtigheid? Anna fronst haar wenkbrauwen en vraagt zich af of het niet tot de vriendelijkheid tegenover haar eigen kinderen behoort om niet alles te verdragen, niet alles te geloven en niet alles te dulden. Zij vraagt zich af of bij de liefde en de toekomstige vrede niet de hedendaagse scepsis met betrekking tot de corrupte werelden behoort, de loochening van alle mooi geschminkte goden. Anna vraagt zich af of Paulus ook niet de provocatie, het ongeduld en de strijd als deugden had moeten noemen. En het gemis. Het gemis aan brood van de armen, het gemis van zonlicht dat de blinden hebben, het gemis aan taal van degenen die het zwijgen opgelegd zijn.
Geen jaloezie alsjeblieft! Zegt Katharina. Voor God zijn we tenslotte allemaal arm en ook degenen die welvarend zijn hebben hun zorgen. En voor God zijn we allemaal zondaars, als rijken en armen zijn we allereerst zondaars voor God. Voor God is iedereen gelijk: de reder en de werkloze, de poetsvrouw en de vorstin von Thurn und Taxis. Het gaat om innerlijke waarden: geduld, verdraagzaamheid, vriendelijkheid, oprecht geloof.
Anna verbaast zich over Katharina, die toch kan teruggrijpen op boeken, theologen en kerkenraadsleden, maar toch zo’n blasfemische taal kan uitslaan. Verwonderd vraagt zij zich af, waarom de kerktoren niet op Katharina’s hoofd valt.
Het lijkt wel of Anna en Katharina beiden een andere Bijbel hebben. In ieder geval lezen beiden de Bijbel op een andere manier. De kerk is niet overal hetzelfde. Niet overal wordt op dezelfde manier in de Bijbel gelezen.
Anna leest wat zij nodig heeft. Katharina leest in haar Bijbel wat dienstbaar is aan haar en wat niet dienstbaar is verzwijgt zij. Lezen in de Bijbel kan op die manier een ondernemen worden waarmee men wil legitimeren wat men al wist. Dat kan men vooral doen door te verzwijgen wie de eerste geadresseerden van de Bijbel waren: de armen en gebondenen, de weduwen en de wezen, de vluchtelingen en degenen zonder land en bezit. Er is een boek in het boek en dat is de goede boodschap, het evangelie voor de armen. Als de kerk de Bijbel leest, wordt zij niet alleen getroost en opgebouwd. Zij moet het aandurven om de Bijbel tegen zichzelf te lezen. Zij moet het wagen om zich te laten verwikkelen in tegenspraak.’

Uit: Fulbert Steffensky, Der Schatz im Acker. Gespräche mit der Bibel (Stuttgart: Radius Verlag, 20112) p. 17-20

Bidden met kinderen

bidden_meisje_groot
Bidden met kinderen

‘Here, dank U voor de roze bloemetjes, voor de prinsessen, voor eten van de prinsessen en het kasteel van de prinsessen, om Jezus’ wil, amen.’ Zo bidt onze jongste dochter van 3 geregeld na de maaltijd. Onze zoon van 5 dankt geregeld na het eten: ‘Dank u voor het eten en voor de brandweer en de ambulances dat zij niet in brand vliegen, om Jezus’ wil, amen.’ Het geeft soms een ongemakkelijk gevoel. Maar het laat ook weer mooi zien wat bidden is: alles waar je aan denkt, alles wat je bezig houdt bij God brengen.

Vast ritueel
Bidden is voor kinderen belangrijk. Zeker als het voor hen een vast ritueel is. Ik hoor wel eens dat kinderen van hun (oppas)opa en (oppas)oma leren bidden. De eigen vader en moeder leren hen niet meer bidden. Terwijl deze ouders het wel in hun opvoeding hebben meegekregen. Komen zij bij opa en oma waar bidden voor het eten een vast ritueel is, dan nemen de kleinkinderen dat over en willen zij ook thuis voor het eten bidden.
Bidden verdwijnt vaak niet helemaal uit de opvoeding. Ook al gaan ouders niet meer naar de kerk en hebben ze overdag geen moment waarop er als gezin gebeden wordt, ’s avonds voor het slapen gaan wordt er vaak wel gebeden. Dit ritueel van het avondgebed is voor zowel kinderen als voor ouders een belangrijk moment. Dit gebed biedt de gelegenheid om terug te kijken op de afgelopen dag en de gelegenheid om rust en vertrouwen voor de nacht te vinden.

met kinderen bidden
Met kinderen bidden is van groot belang. De godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer vertelt in een van zijn boeken, dat jongvolwassenen aangeven dat het gezamenlijk gebed in hun gezin ontbrak en dat zij het gemist hebben dat hun vader en moeder met hen gebeden hebben.
Kinderen luisteren vaak goed naar gebeden. Geregeld krijgen wij na het bidden een vraag van een van onze kinderen. ‘Heeft God een vader?’ vroeg onze jongste dochter pas. Deze vraag leidde tot een kort gesprek over de Here Jezus die wel een Vader in de hemel had. Schweitzer geeft aan, dat kinderen door het bidden leren, dat God geen anonieme macht is, maar een levende Persoon met wie gesproken kan worden.

bidden opent de ogen
Bidden opent ook de ogen voor de wereld om ons heen. Voor de schepping bijvoorbeeld: Onze dochter die geregeld bidt voor de roze, de blauwe, de gele bloemetjes. Of voor de medemens in nood: Toen wij een keer baden voor degenen die geen huis hadden om in te wonen en onder een brug moesten slapen, sprak dat erg tot de verbeelding. Lange tijd baden onze kinderen ook voor de mensen die onder de brug moesten slapen. En ook dat riep vragen op: waar moesten deze mensen zich wassen? Na enig nadenken kwamen ze met een oplossing: ze moesten zich in de sloot wassen. Zonder dat het onze bedoeling was, leerden onze kinderen daardoor dat er ook in ons eigen land armoede is en dat wij ook een zekere verantwoordelijkheid hebben voor arme mensen.
Uit onderzoek blijkt dat de gedachte van kinderen over bidden meegroeit met hun persoonlijke ontwikkeling. Tot 7 jaar hebben ze vaak geen duidelijk beeld. Wel merken ze dat bidden te maken heeft met God. Verder zijn ze vooral bezig met de uiterlijke vormen: handen samen, ogen dicht, stil zijn, bepaalde vaste gebeden uitspreken, het overnemen van woorden van anderen. Vanaf 7 jaar groeit de verwachting dat God ook iets doet met de gebeden die uitgesproken worden. Vanaf 9 jaar worden de uiterlijke vormen minder belangrijk, maar wordt het gebed steeds meer gezien als een persoonlijk gesprek met de Here. Wanneer deze ontwikkeling door ouders en leerkrachten gestimuleerd wordt, helpen zij om de kinderen een eigen geloof, een eigen relatie met God te vinden.

geschreven voor HWConfessioneel