Missionair jongerenwerk

Missionair jongerenwerk

Een missionaire houding staat volop in de aandacht van kerk en theologie. Ook het missionair jongerenwerk. Vorig jaar verscheen er een Duits handboek missionair jongerenwerk, als eerste deel van een serie over missionair jongerenwerk.

In dat handboek wordt het missionair jongerenwerk bewust tweeledig gepositioneerd: theologisch, maar ook sociaal-pedagogisch. Missionair jongerenwerk is volgens dit handboek niet alleen in aanraking brengen met christelijk geloof, maar ook een bijdrage aan persoonsvorming van jongeren om in deze maatschappij te leven.

978-3-7615-6286-4

In het handboek wordt er ook gepleit om recente ontwikkelingen in de (Duitse) godsdienstpedagogiek te verwerken, zoals meer aandacht voor beleving, ervaring en viering.

Een tweede deel in deze serie is inmiddels verschenen met 50 godsdienstpedagogische concepten en methoden toegepast op het (missionaire) jongerenwerk binnen kerk, school en jongerenwerk: “Selbst glauben”.

978-3-7615-6395-3

Een recensie volgt (bedoeld voor het Friesch Dagblad) en wellicht aandacht voor een aantal afzonderlijke bijdragen.
Advertenties

Preek Hemelvaartsdag 2017

Preek Hemelvaartsdag 2017
Kolossenzen 1:12-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn eerste maanden als predikant, nu zo’n 10 jaar geleden,
kreeg ik een mentor toegewezen.
Deze mentor moest mij ni de eerste maanden als beginnend predikant wat op weg helpen.
Tijdens de ontmoetingen deelden we wat we meemaakten.
Een voorval, die hij tegen mij vertelde, ben ik nooit vergeten
En ik heb er geregeld wat aan gehad, wat die oudere collega mij vertelde.
Hij was in het ziekenhuis bij het bed van iemand die in coma lag.
De dienstdoende zuster zei tegen hem:
‘U hoeft niet meer met haar te bidden, want ze hoort het toch niet.’
Waarop hij antwoordde: ‘Maar Hij hoort het wel.’ En hij wees naar boven.

Dit voorval dat hij mij toen vertelde, kwam weer bij mij boven,
toen ik erover nadacht wat de hemelvaart van onze Heere Jezus Christus voor ons betekent.
Dat voorval, bedacht ik, dat laat iets zien van de hemelvaart.
Dat je als gelovige, waar je je ook bevindt, dat je dan niet alleen bent,
maar dat Christus er ook is.
Hij is niet zichtbaar, maar Hij is er wel.
Hij is niet alleen bij je, naast je, maar je bent zelf als gelovige in de werkelijkheid van Christus
en die werkelijkheid is altijd meer dan je ziet.
Wat je ziet, is dat er iemand in bed ligt, aan de beademing is aangesloten, de ogen dicht,
Iemand die niet meer lijkt te reageren als ze wordt aangesproken,
niet meer reageert op een aanraking, ze leeft nog wel maar onbereikbaar.
Ik heb best wat keren zo aan een ziekenhuisbed gestaan
en dan steeds gedacht: ‘Maar Hij hoort het wel!’
Altijd dankbaar voor dat kleine voorval dat door mijn collega werd doorverteld.
Dat is voor mij hemelvaart:
Dat we als gelovige hier op aarde al in de werkelijkheid van Christus zijn,
een werkelijkheid die meer is dan we met onze ogen kunnen zien,
een werkelijkheid waarin Christus regeert, Heer en meester is over heel onze aarde,
over heel het universum
en vanuit de hemel Zijn macht op aarde laat merken, als teken van Zijn betrokkenheid
op onze wereld, die Zijn schepping is.

Hemelvaart, dat is: er wordt geregeerd – vanuit de hemel.
Onze aarde dobbert niet stuurloos rond in een eindeloos leeg heelal,
maar vanaf de allereerste scheppingsdag is er boven de aarde een hemel.
Ik heb mij afgevraagd, waarom er in het allereerste vers van de Bijbel staat:
In het begin schiep God de hemel en de aarde
en mijn vraag daarbij, was waarom God als eerste de hemel schiep en dan pas de aarde.
Voor mijzelf ontdekte ik het antwoord:
Nooit is er een minuut waarop de aarde zonder de hemel erboven geweest is
En dan de hemel, waarin de troost stuurt,
de hemel van waaruit God de aarde en heel het ontzaglijke universum overziet en bestuurt.
Boven het paradijs was er de hemel en God daalde geregeld af
om in het paradijs onder de mensen te zijn, Hij zocht hen op.
Ook bij en na de zondeval was er een hemel boven de aarde:
God keerde zich niet van de aarde af, ook niet toen de mensen op aarde
zich van God hadden losgemaakt.
Ook in de tijd van voor de zondvloed, toen de slechtheid op aarde de overhand kreeg,
Ook tijdens de zondvloed was er boven de aarde een hemel, waarin God was
En die zicht hield op de aarde en toch – ook in het oordeel –
de aarde niet aan haar lot overliet, omdat deze aarde door Hem geschapen is,
met liefde en zorg uit Zijn hand voortkwam
en God het niet over Zijn hart kon verkrijgen om de aarde te verwoesten of weg te doen.
Dat God schepper is, betekent niet alleen dat Hij de aarde een begin gegeven heeft,
maar vanaf de allereerste dag, tot aan de laatste dag van deze geschiedenis
zich verantwoordelijk weet voor het lot van de aarde.
Vanaf de allereerste dag, zolang de aarde bestaat, zal er een hemel zijn
van waaruit wordt geregeerd over deze aarde.
En de aarde zal er altijd zijn,
alleen vanaf de wederkomst en het laatste oordeel wel een vernieuwde aarde
en toch diezelfde aarde, die door God nooit is of zal worden afgeschreven.

Er wordt geregeerd, er is een hemel boven de aarde, waarin de troon van God staat,
Dat is wat we met hemelvaart vieren.
En we vieren dat, omdat niet alleen met ons hoofd te weten,
maar dat we elke dag leven met die werkelijkheid dat Christus regeert
en elke dag leven in die werkelijkheid van Christus, als een wereld om in te leven.
Want als we dat niet vieren, dan kunnen we heel snel gaan kijken naar onze wereld
als een wereld zonder God, waarin niet wordt geregeerd.
Kolossenzen 1 geeft een antwoord wie er in de hemel regeert: Christus.
Om de gelovigen bij de zorgen die er zijn in de gemeente omhoog te wijzen.
De gelovigen die zich helemaal niet sterk voelen staan.
Weet je wel, dat de Heer die je bent gaan dienen, alle macht heeft in hemel en op aarde.
Misschien is het al even dat je dat ervaren hebt
en zie je er op dit moment helemaal niets van,
Er is meer dan je op dit moment ziet en meer dan je nu kunt ervaren,
want een deel is nog toekomstmuziek:
We hebben een erfenis in de hemel.
Waar Jezus nu naar toe gegaan is, terug naar de hemel,
daar zullen we als gelovigen ook mogen komen.
Dat ligt al klaar, dat staat te wachten: de erfenis (vers 12).
Daar in de hemel zijn er al heel wat, die eerst op aarde hebben geleefd,
die gestorven zijn met Christus en nu al bij Hem mogen zijn.
Daar mag je ook komen, omdat God alle belemmeringen heeft weggenomen,
De breuk die er was geheeld en wat er nog aan ontbrak aangevuld.
God heeft ons bekwaam gemaakt, schrijft Paulus en hij bedoelt daarmee,
dat het zondige van ons afgewassen is, het verkeerde weggenomen is
en dat we door Christus, die nu in de hemel is, heilig gemaakt zijn,
We zijn geschikt gemaakt, we zijn veranderd, door Christus om in de hemel te komen.
Hemel-waardig gemaakt.
Dat was wel een hele overgang: van de duisternis naar het licht,
van de afgrond naar de heerlijkheid, van de zonde en de duivel naar God en Christus,
van onheilig en onwaardig naar heilig gemaakt, de waardigheid ontvangen.
Overgebracht naar de werkelijkheid van Christus – dat geldt nu al.
Nu al verbonden met Christus die in de hemel is, die regeert.
De wereld is niet stuurloos,
het is niet zoals met een kabinetsformatie, dat God moet onderhandelen met andere machten,
of dat Hij wegloopt, omdat Zijn punten niet binnengehaald kunnen worden.
Het is niet zo dat God de brui eraan gegeven heeft, omdat Hij niets voor elkaar krijgt,
integendeel, als er Eén is, die macht heeft, alle macht, dan is dat God.
Zelfs aan het ziekbed, waarin iemand die in coma ligt niet meer voor ons bereikbaar is,
zelfs in een tijd van oorlog, waarin er geen vrede lijkt te komen.
zelfs in een tijd waarin iedereen bang is dat het einde van de wereld komt.
Zelfs als de kerk achteruit gaat: er wordt geregeerd in de hemel.

Dat is niet altijd gemakkelijk om te geloven.
Afgelopen dinsdag gaf ik een lezing voor studenten over de toekomst van de kerk.
In de discussie over die lezing vroeg één van de studenten:
Wat als de kerk zo klein geworden is, dat het evangelie niet meer doorgegeven kan worden,
Wat komt er van de kerk terecht?
Misschien is dat ook wel een vraag die de jongeren vandaag ook wel bezighoudt:
Als wij ouder geworden zijn, zal er nog een kerk zijn, een gemeenschap
van mensen, die geloven dat Christus regeert
of zal het helemaal voorbij zijn, het geloof gedoofd en zal het toch niet waar blijken te zijn
dat er in de hemel wordt geregeerd.
En is onze geschiedenis niet vol momenten, waardoor je kunt gaan twijfelen
of er wel wordt geregeerd in de hemel.
In Amsterdam werd Jan Wolkers gevraagd om een monument te maken
ter gedachtenis aan de Shoa, de moord op de meer dan honderdduizend Nederlandse Joden.
Hij maakte een monument met gebroken spiegels die op de grond liggen.
Hij gaf aan: Je vraagt je af of er wel een hemel was boven Auschwitz,
in ieder geval kun je niet meer ongebroken naar de hemel kijken.
Het lijkt er vaak op dat heel wat andere machten heersen:
in het groot oorlog, geweld en onrecht, moord,
in het klein, jaloezie, ruzie, ziekte om verschillende te noemen.

Nee, zegt Paulus, al die machten moeten het afleggen tegen Christus,
Hij heeft God zichtbaar gemaakt en door te komen naar de aarde
en door te sterven aan het kruis nog eens laten weten,
dat Hij sterker is dan die machten, door ze te verslaan
en door Zijn heerschappij op aarde weer te vestigen:
Christus maakt zichtbaar dat er een God is, dat onze God heerst.
Al die machten die er zijn, die zijn door God geschapen,
al zijn er ook machten, die van God zijn afgevallen, die zich hebben afgekeerd,
die gericht zijn op het stuk maken van de schepping, van Gods wereld.
Maar uiteindelijk is geen van de machten tegen Christus, tegen God opgewassen,
want Christus heeft al overwonnen,
kijk maar naar het kruis, kijk maar hoe Hij kwam uit het graf.
Nu Hij in de hemel is weten we het zeker: het komt weer goed.

Want met Christus laat God ook zien, wat Hij met deze wereld wil:
eerstgeborene van heel de Schepping.
Zoals Christus is, zo had God ons bedoeld en zo zal Hij ons weer maken.
Hij heeft alles gemaakt, Hij heeft getriomfeerd en Hij zal de kerk en u als gelovigen
bewaren tot de dag van Zijn wederkomst en dan mag u, mag jij bij Hem zijn.
we hebben een Heer in de hemel, die ons in Zijn werkelijkheid heeft overgezet
en ons daar voor altijd bewaart, wat er ook op aarde met ons en met de wereld gebeurt.
Als Paulus schrijft over Christus en over Zijn macht,
dan wordt Hij lyrisch, vol van al het bijzondere van Christus,
in de hoop dat de gemeenteleden in Kolosse en wij er in mee gaan,
dat het niet alleen theoretische kennis is over Christus,
maar dat we hoop hebben en vertrouwen en ons aan Christus kunnen overgeven
omdat we weten: uiteindelijk komt het goed.
Wat er met mij ook gebeurt: ik ben bij Hem geborgen, in de hemel, veilig.
Onze taak, onze roeping is om dat nooit te vergeten en zo te leven,
in dat vertrouwen op God.

Het is geen gemakkelijk gedeelte, ook omdat Paulus woorden en beelden gebruikt,
die de gemeente van Kolosse helpen om weer moed te hebben, hoop vestigen op Christus
met Hem en uit Hem leven.
Ik kwam een mooi verhaal tegen van Barend Kamphuis,
tot voor kort hoogleraar in Kampen, de universiteit van de vrijgemaakte kerken.
Hij is niet alleen theoloog maar ook vogelaar.
Hij mocht onlangs mee naar wat hij noemde het raarste en smerigste eiland van Nederland.
IJsseloog. Ik had er niet van gehoord,
Maar IJsseloog is een kunstmatig eiland net voor Kampen
waar de IJssel in het Ketelmeer komt, gevormd door een dijk in een cirkel,
bedoeld om in die cirkel giftig slib dat onder andere via de IJssel komt wordt gedumpt.
Een slibdepot, een vuilstortplaats voor de giftigste grond van Nederland.
Bedoeld om zorgvuldig opgeborgen en afgeschermd te worden.
Het bijzondere is dat om die smerige put een prachtig natuurgebied is ontstaan.
Deze Kamphuis schrijft erover, omdat hij er pas naar toe mocht.
Hij zag daar nachtegalen, zwartkopjes, karekieten, grasmussen en andere zangvogels.
Af en toe zelfs een ijsvogeltje, krooneenden.
Bij het bezoek moest hij denken aan deze tekst, omdat hij – zo schrijft hij –
naast vogelaar ook theoloog blijft.
Beeld van de onzichtbare God, alles is door Hem geschapen
De schepping vertoont het gelaat van Jezus Christus.
Alle machten zijn aan Hem onderworpen.
Ook de macht van zware metalen en dodelijk gif.
Daarom zingen nachtegalen boven smerig slib.
Ze bezingen het Leven, Jezus Christus, ze bezingen Hem die sterker is dan de dood.

Het paradijs wordt echter toch nog steeds bedreigd door de dood.
Dit keer niet in de gedaante van de slang, maar van de vos.
Toen het een aantal jaren geleden eindelijk weer een beetje winter was,
vroor ook het Ketelmeer dicht.
Voetje voor voetje slopen vossen over het dunne ijs, naar dat interessante eiland.
Sinds hun komst is het afgelopen met de meeuwenkolonies.
Er broeden ook geen ganzen meer op IJsseloog.
En de weidevogels, toch al zo bedreigd, zijn ook hier uitgeroeid.
Midden in het leven blijken we toch weer omringd door de dood.

Ook IJsseloog is daarom een roep om vrede en verzoening door het bloed van Christus.
Weer Kolossenzen 1: “In Hem (Christus) heeft heel de volheid willen wonen en door Hem en voor Hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis”.

Verzoening gaat niet alleen over de relatie van God en mens.
Het gaat om alles in de hemel en alles op aarde.
Door het kruis van Christus slaapt straks niet alleen de wolf bij het lam,
maar ook de vos bij de grutto. Niets en niemand sticht dan nog onheil.
Pas dan is het smerigste eiland van Nederland werkelijk een paradijs.
(theologenblog RD)

Er wordt geregeerd, in de hemel door deze Heer, die hemel blijft altijd boven de aarde,
Hoeveel gebroken spiegels er ook zijn en hoeveel vragen er rijzen,
ze nemen de werkelijkheid van Christus niet weg.
Eens komt de dag, dat deze Heer terugkomt

Kroon Hem, de Vredevorst, wiens macht eens heersen zal,
van pool tot pool,van zee tot zee, ’t klink’ over berg en dal.
Als alles voor Hem buigt en vrede heerst alom,
wordt d’aarde weer een paradijs. Kom, Here Jezus, kom.

Dat is toekomstmuziek en toch … Zijn macht heerst al. Hij regeert nu al.}
Wij mogen die vreude nu al hebben en zingen van Zijn grootheid, Zijn macht,
om het weer te weten, het weer te geloven,
ons geloof dat soms moedeloos is weer te versterken,
om mee te zingen met het koor van de engelen, met al degenen die nu al voor Zijn troon zijn
en die uitzien tot wij daar ook zullen zijn.
In het loflied zijn we, ondanks dat zij in de hemel zijn en wij op aarde, verbonden
En we weten dat we eens verenigd zullen zijn, als Hij terugkomt.

Looft des Heeren grote macht,
In den hemel Zijner kracht;
Looft Hem, om Zijn mogendheden,
Looft Hem, naar zo menig blijk
Van Zijn heerlijk koninkrijk,
Voor Zijn troon en hier beneden.
Amen


Lid zijn van de kerk van de toekomst

Lid zijn van de kerk van de toekomst
Lezing Emèt Qenee, C.S.F.R. Dispuut Eindhoven
23 mei 2017

Door de studentenvereniging Emèt Qenee uit Eindhoven (onderdeel van de C.S.F.R.) was ik gevraagd om een lezing te geven over de toekomst van de kerk. Ik heb daarbij stil gestaan bij de rol die deze studenten daarin kunnen hebben.

Voor vanavond ben ik gevraagd om te spreken over hoe jullie als christelijke studenten je kunt voorbereiden op de cultuur die komt. Na wat doorvragen begreep ik dat het er vooral om ging om in jullie eigen omgeving waarin je nu verkeert, het evangelie te kunnen delen. Daar wil ik graag met jullie over nadenken. De uitnodiging om hier voor jullie te komen spreken heeft mij wel verrast. Ik ben sinds 2011 predikant in één van de meest kerkelijke regio’s van Nederland.  Uit een plaatselijk onderzoek van de Christenunie bleek  dat 30% van de inwoners van onze burgerlijke gemeente een kerk bezoekt. Mensen die geen lid van de kerk zijn, zijn een minderheid. Daarnaast ben ik ook predikant in een dorp, waarbij weinig jongeren gaan studeren. Dan mag ik met jullie nadenken hoe je christen kunt zijn  in een academische, veelal seculiere context.

Missionaire wending
Daar ben ik niet voor opgeleid: dat nadenken over het evangelie in een cultuur waar geloven niet meer vanzelfsprekend is. De huidige Protestantse Theologische Universiteit is daar gelukkig meer mee bezig dan de theologische faculteit in mijn studententijd. Binnen de kerk heb ik dat ook niet meegekregen.
In Veenendaal, waar ik opgroeide was het gewoon om naar de kerk te gaan en mensen die niet gingen, hadden vaak hun redenen om niet te gaan en zetten zich nogal eens af tegen de kerk.
Ook binnen heel veel kerken in Europa is er een omslag gekomen, waarbij het besef gekomen is, dat een kerk niet zonder het uitdragen van de boodschap kan. De Anglicaanse Kerk nam een rapport in 2004 aan Mission-Shaped Church en stimuleert Fresh expressions of Church, waarbij andere Engelse kerken meegingen. De toonaangevende theoloog Eberhard Jüngel verklaarde voor een synode van de EKD in 1999 dat missie tot het wezen van de kerk behoorde. Daarop volgde een Imulspaper “Kirche der Freiheit” (2006) en werd een Instituut voor Onderzoek naar Evangelisatie en Gemeenteontwikkling dat bewust werd verbonden aan een universiteit die in het onkerkelijke Oost-Duitsland is. Ook de Protestantse Kerk in Nederland heeft  vanaf haar start in 2004 een missionaire kerk willen zijn. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat andere kerken, zoals de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, hier al veel meer mee bezig waren met gemeentestichtingen.

Zoektocht
Binnen kerk en theologie zijn we bezig met een omslag naar een meer missionaire kerk. Dat is wel een zoektocht voor kerken, ambtsdragers en gelovigen. Wat steeds meer gebeurt, is dat ervaring uit de zending en uit de zoektocht naar een meer missionaire kerk  verwerkt wordt binnen de kerken en de theologie, zoals meer oog voor onze cultuur en dat verwerken in het uitdragen van het evangelie, meer aandacht voor discipelschap, dwz: het evangelie tonen door je houding, door je daden in het leven van alledag.
Naar mijn idee kan een missionaire houding ook weer leren van discussies binnen de meer klassieke terreinen van de praktische theologie, zoals homiletiek, liturgiek, pastoraat,  cultuurduiding, enz.

Keuzedwang
Voor ik dat uitwerk, eerst nog even dit: De omslag naar een meer missionaire kerk heeft onder andere te maken dat de kerken kleiner worden en dat dit proces bij lange na nog niet gestopt is. In onze tijd is het niet meer vanzelfsprekend om te geloven en al helemaal niet meer bij een kerk te horen. Wie nu wel blijft geloven, maakt meestal toch ergens een min of meer bewuste keuze. Tegelijkertijd komen we in een tijd, waarin de manieren van vroeger niet altijd meer werken. Het is noodzakelijk om na te denken over de vormen van kerkzijn en geloven,  en ook over de inhoud van dat geloof. Je kunt dus niet zomaar meer terugvallen op wat je van thuis hebt meegekregen. Je hebt in je leven een scala aan mogelijkheden om uit te kiezen: van actief kerklid, tot randlid, tot afzijdig, onverschillig, atheïst of een ander geloof.
In 1981 publiceerde de socioloog Peter L. Berger al Zwang zur Häresie. Daarin gaat het erom, dat omdat er zoveel is om te kiezen, je moet kiezen en je haast niet ontkomt om verkeerd te kiezen. Die enorme mogelijkheden om te kiezen, kom je op heel veel terreinen tegen.

Het leven als project
Omdat jouw leven anders is dan die van je ouders en helemaal die van je grootouders, kun je je in je maatschappelijke carrière en je beroep niet meer spiegelen aan wat zij deden. Je moet je eigen leven uitstippelen, bewust erover nadenken, wat jij met je leven doet met het risico, dat je ook verkeerd kunt kiezen. Dat is zowel een voorrecht als een last als een mogelijkheid.
Het is een voorrecht om verder te studeren. Ik zie dat in Oldebroek: de oude generatie heeft alleen lagere school. Die generatie heeft veel geld opzij gelegd om hun kinderen te laten doorleren. Die middengeneratie heeft de middelbare school afgerond. Hun kinderen konden weer met het geld van ouders doorleren een vervolgopleiding doen. De financiële positie en de levensomstandigheden zijn enorm verbeterd: emancipatie!
Het geeft wel een generatiekloof: de kinderen en kleinkinderen maken door hun verbeterde maatschappelijke en financiële positie andere keuzes dan (groot)ouders zouden doen: met keuze voor werk, werkdruk, vakanties enz.
De last is dat de middengeneratie en de huidige generatie moet nadenken over wat zij willen. Zij mogen gaan doen wat zij willen, want daar is vaak de mogelijkheid voor, maar ze moeten ook hun eigen leven uitstippelen. Het leven wordt zo een eigen project, waar jij zelf verantwoordelijk voor bent. Als jouw levensproject slaagt, dan heb je het goed gedaan, maar als het project van jouw leven misloopt, ben je zelf verantwoordelijk, of misschien wel schuldig.
Zelf zie ik deze generatie zoveel ballen tegelijk in de lucht houden, omdat je het haast niet kunt permitteren om er een te laten vallen, want stel je voor dat juist die bal die je hooghoudt je gelukkig maakt. Dat project van het leven met de verantwoordelijkheid om dat zelf vorm te geven en de mogelijkheid om te mislukken en vast te lopen, doet een enorm appèl op coaching en (geestelijke) begeleiding.
Mocht je wat willen betekenen als gelovige voor je medestudenten,  dan heb je hier een  belangrijk terrein: zorg en aandacht voor hoe iemand zijn eigen leven vorm moet geven of vormgeeft. Het valt mij steeds meer op, hoe belangrijk de levensbiografie van iemand is. Om een theoloog te begrijpen, zoek ik op internet vaak iets de biografie op en in pastorale gesprekken laat ik mensen eerst vertellen wie ze zijn. Dat is op zichzelf al verkondiging – iemand laten vertellen, maar daar kom ik nog op terug.

Persönlichkeitsspezifik Credo
Als je een ander leven hebt dan je ouders of grootouders, Dan kun je ook niet zomaar meer terugvallen op hoe zij het geloof beleefden en verwoordden. Het gaat er nu om, wat jij gelooft en wat jij aan jouw geloof hebt. Dat is niet alleen van belang, omdat jouw leven anders is dan die van de mensen voor jou, maar ook omdat de tijd anders is:  Geloof, kerk, geloofsbelijdenis, Bijbel – het is allemaal niet meer bekend. Je kunt niet meer volstaan met: ‘Mijn kerk zegt…’, ‘De Bijbel zegt…’
Het kan ook zijn, dat je nu in deze fase van je leven niet alles  voor je rekening neemt,  dat je een slag om de arm houdt met betrekking tot bepaalde punten. In het nadenken over het pastoraat wordt er gesproken over een persönlichkeitsspezifik Credo: het geloof, zoals jij op dit moment voor je rekening kunt nemen, wat je zelf onderschrijft. Je gelooft wordt daardoor authentieker, meer van jezelf. Doordat het geloof meer authentieker is, maak je de drempel voor de ander lager: Ook jouw geloof is niet perfect, ook jij als gelovige worstelt met vragenen hebt niet overal een antwoord op. Dat kan voor de ander de ruimte bieden om ook over geloof na te denken: Je hoeft niet alles gelijk te snappen en je mag ook mis zitten. In de kerkgeschiedenis is er niemand geweest die een perfect geloof heeft. Ook de grootste theologen hebben hun worstelingen gehad en de meeste gelovigen hebben hun twijfels en aanvechtingen. Het gaat er alleen hoe je er mee omgaat.
Dat kan het zwakke van dit persönlichkeitsspezifik Credo zijn, wanneer je niet in gesprek blijft met God, met de Bijbel of met anderen. Wanneer je geloof, zoals je dat beleeft, een soort status quo wordt en twijfel gekoesterd wordt als een fase waar je niet uit hoeft te komen. Voor mijzelf als predikant betekent dat dit authentieke Credo ook steeds in gesprek moet zijn met de Bijbel, met het credo van de kerk en met grote theologen uit verleden en heden. Voor mij was het een eyeopener om te ontdekken dat de Bijbel veel meer worstelde dan ik in mijn Schriftuurlijk-bevindelijke opvoeding meekreeg in preken en op catechisatie. Zelf merk ik dat ik steeds meer gereformeerder wordt, dan wel op een authentieke manier.
Om met anderen over het geloof te spreken,  mag je dus je eigen, niet-perfecte, soms fragmentarische geloof hebben. in onze traditie heet dat theologie van het kruis: God kiest de weg van de ondergang en vernedering, niet alleen met Christus, maar ook met Zijn koninkrijk. Als dat geloof maar een zoeken naar God blijft en naar een omgang met God blijft.

Wortelen
Wie in de zending gaat, krijgt eerst een uitgebreide kennismaking  met de cultuur van het gebied en moet daarin gaan wortelen. Wil je in deze tijd het evangelie kunnen uitdragen, dan betekent op z’n minst dat je je best doet om deze cultuur te begrijpen. Nog mooier is als je de cultuur ook echt aanvoelt, iets van jezelf wordt,  als je erin wortelt, als het je habitat wordt, als je van deze cultuur gaat houden. Dat geldt ook voor mij als predikant: ik kan niet goed preken maken als ik de cultuur niet snap, niet peil. Dat geldt ook voor de plaatselijke cultuur.  Ik kan geen goed predikant zijn als ik niet een bepaalde affiniteit heb met de plek waar mijn gemeenteleden wonen, als ik er niet onderdeel van ben.Inburgeren, aarden in een cultuur, is van belang. Voor jullie dat je inburgert in de studentencultuur, in de academische wereld. Je hoeft echt niet helemaal één te worden, in alles mee te doen, als je hen maar begrijpt, in wat hen bezighoudt, of probeert te begrijpen. Als je maar probeert de taal, de manier van leven,
van denken en reageren probeert te begrijpen. Als je er onderdeel van bent, dan zie je ook de schaduwzijden en kun je dat soms aan de orde stellen, maar dat werkt vaak het beste vanuit
verbondenheid en interesse voor de ander en de cultuur voor de ander.
Gebruik je academische houding om je cultuur te doorgronden, om dieper te peilen. Of om verrassende dwarsverbanden te leggen. Een van de verrassende dwarsverbanden, waar ik veel aan heb,  is het onderzoek van Motivaction: het onderzoek naar levensstijlen, dat in Nederland en vooral uit Duitsland benut wordt om na te denken, wat de verschillende levensstijlen betekenen voor het doorgeven van het evangelie.

Incarnationeel
Zending is vaak ook een beweging naar de ander toe. Soms letterlijk, dat je iemand anders opzoekt in zijn huis of op zijn kamer. In de 10 jaar dat ik predikant ben, heb ik gemerkt hoe bijzonder mensen het vinden als je de moeite neemt om hen op te zoeken. Dat heeft ook theologische betekenis. In het missionaire debat wordt de vergelijking gemaakt met de komst van Christus: Hij kwam naar de aarde, Hij zocht ons op, Hij deelde ons bestaan, onze manier van leven. In Christus liet zien dat God ons als mensen opzoekt. In het bezoeken van een ander kun je iets laten zien dat God mensen opzoekt, ook mensen die vanuit zichzelf niet zo snel een kerk binnenstappen, vanuit zichzelf niet zomaar over geloof zouden beginnen of zich open zouden stellen van God. Geregeld heb ik de indruk, als ik met gemeenteleden spreek, dat zij niet alleen met mij maar via mij ook met God in gesprek zijn. Je moet niet onderschatten op welke manier jullie voor iemand die niet gelooft een beelddrager kunt zijn van God, of zoals Paulus dat zegt: een leesbare brief. Iemand die God niet kent, die de Bijbel niet kent, ziet aan jullie wie God is. Jullie zijn voor diegene een zichtbare Bijbel, een belichaming van het evangelie.

Weerspiegelen van Christus

Dat vraagt veel van je houding: In je houding naar anderen toe weerspiegel je iets van Christus. Vandaar dat in de brieven in het Nieuwe Testament veel aandacht is voor onze levenshouding. Die keren dat ik erover preek, valt het me vaak op dat ik daar zelf zo weinig over hoorde. Vaak lag de nadruk op het eerste deel van de brieven,  op de rechtvaardiging van de goddeloze, op het komen tot Christus, niet op het groeien in Christus – uit angst wellicht voor werkheiligheid, dwz dat je eigen prestaties ertoe leiden dat je in de hemel mag komen. In de Bijbel ligt veel nadruk op integer zijn, op bereid zijn om de ander te dienen,
om de ander hoger te achten dan jezelf, om je niet door haat of jaloezie te laten leiden. Vanuit het besef dat je hier op aarde voor Gods aangezicht leeft en dat je bevrijd bent uit de macht van de zonde. Met een bepaalde levensstijl plaats je jezelf dan weer in die macht. Eugene H. Peterson, één van mijn theologische helden, legt veel nadruk op op de groei in geloof: tot de maat van de statuur van Christus, gezond in God en robuust in liefde (Efeze 4:13, 15). HSV: totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen  man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.
De Geest is bezig om ons daarin te vormen naar het beeld van Christus. Dat volledige, volkomen, perfecte beeld zullen we pas in de hemel hebben, maar dat wil niet zeggen dat we hier niets iets kunnen uitstralen. Paulus die scherp elke menselijke prestatie om bij God uit te komen afwijst, heeft ook juist veel aandacht voor het wonder van de Geest in ons leven, de Geest die aan ons leven vrucht laat groeien: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing – niet misschien, maar zal laten groeien.
Ik zeg er altijd bij: die vrucht, die zie je vaak niet, maar een ander ziet die wel. Die vrucht is zelden, wat jij wil uitdragen – want onze beste werken zijn met zonde bevlekt – maar wat je zelf niet doorhebt, wat voor jezelf haast gewoon is, dat straal je uit.

Basishouding
Ik maak nu een stap naar drie grondbeginselen die uit de psychologie van Carl Rogers komen en die in het pastoraat overgenomen zijn: echtheid, aanvaarding, empathie. Deze voorwaarden zijn niet helemaal een uitwerking van de vrucht van de Geest. Ik had ook kunnen kijken naar ethici voor wie karaktervorming belangrijk is (Alisdair McIntyre, Stanley Hauerwas, Samuel Wells), maar daar ben ik niet zo in thuis.

  • Echtheid (authenticiteit) is een voorwaarde voor communicatie met de ander.
    Echtheid is dat je in het hier en nu weet wat er in je omgaat en dat je vandaar uit communiceert.
  • Aanvaarding: je aanvaardt de hele persoon, met zijn positieve en negatieve kanten. Je veroordeelt niet iemand op wie hij is, wat zij zegt of doet, wat iemand bij je oproept. Zonder persé eens te zijn met de ander.
  • Empathie: proberen manier van denken en leven van de ander te begrijpen, alsof je de ander bent.

Deze 3 basishoudingen zijn niet het evangelie, maar wel behulpzaam om in gesprek te zijn met anderen, want ze leren je:
– authentiek te zijn, eerlijk over wat je zelf denkt en gelooft
– open en nieuwsgierig te zijn naar wat een ander beweegt, zonder direct in een kramp te schieten wat de ander aangeeft te moeten veroordelen en zorgen ervoor dat je in de ander meer ziet dan zijn opvattingen of haar levensstijl, maar de mens.die de ander is.

Levensverhaal
De mens die de ander is – in deze tijd is de biografie van grote betekenis. Ik heb dat al eerder iets over gezegd. Wat mij steeds weer opvalt, hoe bijzonder mensen het vinden als je over zichzelf kunnen vertellen, hun levensverhaal kunnen delen, als er iemand is die luistert naar wie ze werkelijk zijn. (Margriet van der Kooi: Tevoorschijn luisteren. Psalm 116:1 Want die getrouwe Heer, hoort mijn stem. Hij neigt Zijn oor.)
Wanneer je voor iemand iets wilt betekenen, heb dan oog en oor voor iemand levensverhaal. Wie een levensverhaal kan vertellen, bij iemand de openheid en belangstelling en ook de zorgvuldigheid vindt waarmee iemand omgaat met wat verteld wordt, opent een deur voor het evangelie. Dat evangelie zit allereerst in de luisterende, niet-veroordelende houding, maar ook in de vragen die gesteld worden en de overige interventies die gepleegd worden.
Dat vraagt soms een fijngevoelig instrumentarium en dat moet je ook ontwikkelen. In mijn tweede gemeente heb ik pas geleerd wat het betekent als iemand aangaf dat hij in Nederlands-Indië is geweest, welke gruwelijke ervaringen iemand heeft meegemaakt welke trauma’s hij heeft opgelopen, welke verliezen en welke teleurstellingen daarna.
Voor het luisteren naar levensverhalen is een zekere historische kennis van groot belang net als het signaleren van woorden, die de betekenis van iets aangeven. Vaak als je daarop doorgaat, gaat er een deur naar iemands hart open. Als je weet wat het overlijden van een ouder of broer of zus kan betekenen, als je weet hoe diep een teleurstelling er in kan hakken. Als je weet dat depressiviteit niet zomaar even iets is, maar een ongrijpbaar gebeuren, dat je in de greep houdt, zonder dat je er aan ontworstelt.

Niveau’s in het gesprek
1) Feiten: naam, geboortedatum, opleiding, achtergrond, levensloop.
2) Ervaring en gevoel

Wanneer iemand iets vertelt, kan het heel waardevol zijn om stil te staan bij wat het met de ander heeft gedaan. Een mogelijke reactie zou kunnen zijn:

– ‘Dat is nogal wat, wat je mij vertelt!’

– ‘Wat naar voor je!’

– ‘Ik zie dat het je nog steeds bezighoudt!’

– ‘Wat een mooi bericht!’

– ‘Het lijkt me nogal ingrijpend wat je mij vertelt. Hoe ben je er zelf onder.’
– Bijzonder dat je dat volhoudt

3) Betekenis en zin

Wanneer iemand iets vertelt, kan het heel waardevol zijn om stil te staan bij wat het voor de ander betekent. De ander kan een verlangen hebben, dat nu niet meer in vervulling kan gaan. Een droom die vervliegt. Of juist een droom die uitkomt, een blijde gebeurtenis.

– ‘Hoe ga je er mee om?’

– ‘Heeft deze gebeurtenis je veranderd?’

– ‘wat betekent dit voor je?’

– ‘Dat is net wat je nodig had, toch?’
– Waar gaat dat heen?

Soms weten mensen niet hoe ze er betekenis aan kunnen geven. De geloof en bijbel kan helpen om er betekenis aan te geven. Soms kan de betekenis ook zinloosheid en vertwijfeling zijn. In de klaagpsalmen worden ingrijpende gebeurtenissen verwoord. Wanneer mensen ontdekken dat dit in de bijbel staat, kan hen dat erkenning geven voor wat hen overkomt.

Op de opleiding kreeg ik een tip, voor als we in gesprek zouden komen met iemand van wie we niet weten, of hij of zij gelooft. We zouden dan kunnen vragen: “Waar haal je je kracht vandaan?”

4) Geloof

Na aandacht voor wat het met de ander doet en wat het voor de ander betekent, kan er ruimte ontstaan om iets over God te vertellen of naar Hem te vragen. Bij zulke vragen is het wel verstandig om God zelf te kennen en te leven uit de Bijbel.

– ‘Zou het je helpen als je wist dat er een God was?’

– ‘Hoe denk je dat God zou reageren op wat je meemaakt?’

– ‘Wat je nu vertelt, doet me denken aan iets uit de Bijbel. Mag ik je dat vertellen?’

(5) Christus)
Misschien moet er aan niveau worden toegevoegd: in Christus, als een ruimte waarin je komt,
nadat je gaat geloven of het geloof eigen maakt, geroepen uit de duisternis tot Zijn licht.

Verboden en verborgen
Die niveau’s helpen mij om twee redenen:  Allereerst laten ze zien dat het spreken over het geloof niet zomaar gaat. Dat er heel wat nodig is aan vertrouwen, aan onderweg zijn in een  gesprek. De praktisch-theoloog Manfred Josuttis spreekt over het heilige en dat is een verboden en verborgen zone. In onze tijd, die vaak seculier is, mag je daar niet zomaar komen (verboden) en veel mensen weten niet meer de weg naar dat heilige (verborgen). Wat je als gelovige kunt betekenen, is dat je een gids bent, die iemand meeneemt op dat verboden en verborgen terrein, omdat je zelf weet welke fijngevoeligheid er nodig is om geloof, het leven met God, het leven in Christus aan de orde te stellen. Daarnaast helpen deze fasen mij juist als een weg om het geloof wel aan de orde te stellen. Het volgen van die niveau’s brengt diepgang in het gesprek, een openheid voor de ander, Voor wat de ander denkt en beleeft, welke betekenis hij of zij aan zijn of haar leven geeft. Om een voorbeeld te geven: Je komt in contact met een medestudent: je vertelt aan elkaar hoe je heet, welke richting je volgt, misschien waar je woont en waar je vandaan komt. In het tweede niveau geef je daar een waardering aan in positieve of nieuwsgierige zin, als een erkenning, waarmee je laat zien dat je je in een ander wilt verdiepen. Dat kan een uitwisseling zijn van hoe je de studie beleeft.
Vaak blijven de gesprekken op deze manier steken en als het klikt ga je misschien op een andere keer verder.
Niveau 3 gaat over de betekenis voor iemand, de zingeving. Misschien betekent zo’n studie heel wat,  ligt er een soort persoonlijke roeping aan ten grondslag, of is het een soort emancipatie. Misschien juist vanuit het gevoel dat iemand niet weet wat hij of zij met het leven aan moet. De studie kan verrijkend zijn, waardoor je als persoon groeit, je kunt tijdens de studie vastlopen, afstompen, een gevoel: is dit nu. Zorgvuldig luisteren op de eerste 3 niveau’s, naar de woorden met een diepere betekenis – ‘symbolen’ die meer verraden – geven een openheid voor de persoon. wanneer er genoeg openheid en vertrouwdheid is, kan het ook mogelijk worden om het geloof te delen, op een voorzichtige manier,  meer tastenderwijs, vragenderwijs of het voor de ander iets kan betekenen.

Empathieve spiritualiteitskritiek
Misschien hoor je wel allerlei dingen, waar je zelf niet gelukkig van wordt, die je zelf liever anders zou zien, een soort vage spiritualiteit, of een mix aan allerlei vormen, een andere godsdienst. Van de godsdienstsocioloog Paul Zulehner heb ik het woord empathieve spiritualiteitskritiek geleerd: Je hebt kritiek op de spiritualiteit van de ander, maar je doet wel je best om het denkkader en manier van leven te begrijpen en vanuit dat begrip reageer je, niet om de ander onderuit te halen, maar juist om de ander verder te helpen. Het is kritisch op een respectvolle manier, ten dienste van de ander.

Levende relatie
Kun je zomaar wat inbrengen, kun je het met de ander zomaar over God en geloof hebben? Wie psychologie studeert, leert misschien wel dat het inbrengen van iets nieuws wat buiten het denkkader of manier van leven van de ander zorgvuldig moet gebeuren. Je moet zelf weten wat je doet. Tegelijkertijd leert iemand als persoon vooral door nieuwe inzichten, door in contact te komen met een vreemde wereld. Inbrengen in een gesprek werkt vooral vanuit een authentieke houding en vanuit respect én zorgzaamheid voor de ander. Hier weer dat persönlichkeitsspezifik Credo, je reageert authentiek vanuit je eigen omgang met God. Vanuit wat voor jezelf belangrijk is, vanuit waar je zelf nog niet uit bent of begrijpt. Om het geloof uit te kunnen dragen, is het nodig  om zelf een levende relatie met Christus te hebben. Om het geloof niet te zien als een systeem van waarheden dat verdedigd moet worden, Maar als een samenzijn met God dat je de ander ook zou gunnen.
Dat is van belang om te onthouden, dat het geloof niet een systeem is,  een levensbeschouwing alleen, een set van waarheden en regels waaraan je je houdt. Geloven is een manier van leven, met rituelen, zoals bidden en Bijbellezen, kerkgang, zegen ontvangen, het goede over anderen doorgeven, verduren en ondergaan. Die manier van leven raakt steeds meer naar de achtergrond, omdat er weinig aanraking meer is met vormen van christelijk geloof. Tegelijkertijd zijn er nog steeds zulke aanknopingspunten: Iemand die op tv the Passion ziet, een concert bezoekt met muziek van Bach of Händel, de trouwdienst van een studiegenoot of een collega bezoekt. Een uitdaging en een taak om ook hier te laten zien,
dat het christelijk geloof misschien wel een kwetsbaar, niet voor de hand liggend geloof is,
maar nog steeds levend, een manier om God te ontmoeten,  om met Hem in aanraking te komen, om van Hem te horen en met Hem te leven. Als het gaat om het beleven van het christelijk geloof, het levend houden door viering, kunnen we juist veel leren van andere christelijke tradities.
In onze protestantse traditie hebben we heel wat vormen weggedaan, waardoor God op een afstand is komen te staan,  geloven veel meer een intellectueel gebeuren is geworden, minder een manier om de werkelijkheid van God ‘binnen te gaan’. Het is een uitdaging om vormen te vinden, die in deze tijd helpen om God te beleven en te vinden. Tish Harrison Warren – Liturgy of the Ordinary heeft een boek geschreven, waarbij ze alledaagse rituelen verbondt aan rituelen uit de christelijke traditie: bed opmaken, kruisje bij het opstaan, tanden poetsen als gebed. Die vormen helpen ook om voor anderen te bidden, bij God te brengen. Die vormen helpen ook met wachten op Gods tijd. (Markus 4:26)
(Warren werd later studentenpastor en gaf als advies dat je als student goed moet slapen en je nachtrust moet nemen. Ze zegt erbij: het is altijd het beste geestelijke advies dat ik kan geven.

Samaria
Eugene H. Peterson schreef in Tell It Slant over de reis van Jezus naar Jeruzalem (Lukas 9-19). Deze weg gaat door Samaria. Samaria is het gebied, waarin mensen vijandig of onverschillig zijn ten opzichte van God. Op de weg door Samaria doet Jezus iets bijzonders. Hij voert gesprekken. Hij vertelt verhalen over het gewone alledaagse leven, gelijkenissen die – zonder dat ze over God gaan – aan het nadenken zetten over God. Geen verkondiging of onderwijs, maar alledaagse gesprekken, alledaagse verhalen. Dat is wat we in Samaria kunnen doen. Niet prediken of betweterigheid, maar ruimhartige gesprekken met aandacht voor de vragen die mensen hebben. Ons laten bevragen op ons geloof. Verhalen vertellen die tot nadenken stemmen over God. Niet speciaal geestelijke verhalen, maar gewone alledaagse verhalen die toch iets onthullen over Gods liefde, Gods geduld en barmhartigheid, een uitnodiging zijn om ook kennis te maken met de Heere.












Preek zondagmorgen 21 mei 2017

Preek zondagmorgen 21 mei 2017:
de Geest als Aanmoediger, als Opvanger en Confronteerder

Johannes 14:15-31
Tekst: Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam,  Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb (Johannes 14:26)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Tijdens een voetbalwedstrijd gaat het eerst goed met een team.
Er worden enkele doelpunten gescoord en de ouders langs de kant juichen bij elk doelpunt,
maar halverwege de eerste helft gaat er iets mis.
Opeens scoort de tegenpartij en de tegenpartij gaat daarna beter voetballen.
Weer een doelpunt van de tegenpartij. Als het rust is, is het bijna gelijk.
De trainer roept de voetballers bij elkaar en spreekt hen toe:
‘ Het ging eerst zo goed. Kom op, deze ploeg kunnen we best aan.’
Als de tweede helft begonnen is, moedigt hij samen met de ouders het team aan.
De woorden van de trainer lijken te hebben geholpen.
Het team voetbalt beter en uiteindelijk wordt het een overwinning.

Ingrid heeft hard geleerd voor haar examens.
Het is best spannend om de examens te maken,
want het kan nog alle kanten op:
met een beetje geluk slaagt ze; als het tegenzit zakt ze.
Nadat ze de examens heeft afgerond, denkt ze dat het redelijk is gegaan,
maar ze weet het niet zeker.
Op de dag dat de uitslag bekend wordt gemaakt, wordt ze gebeld.
Ze heeft het niet gehaald. Ook een herkansing zal geen zin hebben.
Ze is er helemaal van slag van. Hier had ze niet op gerekend.
De moeder van Ingrid had er voor de zekerheid gezorgd dat ze thuis was.
Als haar dochter geslaagd was, kon ze gebak halen en feestvieren, de vlag uithangen.
Als ze het niet haalde, was ze er om haar dochter op te vangen.
Dat laatste, dat opvangen blijkt nodig te zijn.
Ze loopt op de dochter, slaat een arm om haar heen.

De ouders van Jort worden opgebeld: of ze in de Boni langs willen komen.
Daar aangekomen, worden ze meegenomen naar het kantoor van de bedrijfsleider.
Er zit ook twee agenten en de ouders schrikken en ze begrijpen waarom ze moesten komen.
Jort is betrapt op winkeldiefstal.
En dan horen ze dat Jort al een tijdje in de gaten werd gehouden,
omdat het winkelpersoneel al het vermoeden had, dat hij stal.
Nu hebben ze hem op heterdaad betrapt en de politie gewaarschuwd.
Daarna hebben ze ook de ouders van Jort ingelicht.
Thuisgekomen gaan ze het gesprek met Jort aan.
Hij krijgt een aantal beperkingen: een maand lang krijgt hij geen zakgeld, geen spelcomputer
en moet de boete helemaal terug betalen
Na school een week lang niet naar vrienden, maar direct naar huis.
Als het weer voorvalt, dan zal de straf strenger zijn.

Het zijn drie verschillende voorbeelden, maar in het Grieks van het Nieuwe Testament

kan er één woord voor worden gebruikt
En dat is het woord dat in onze tekst is weergegeven met Trooster,
een woord dat verschillende betekenissen heeft:
– aanmoedigen en stimuleren als je de moed verliest, om toch door te gaan, zoals in het voorbeeld van het voetbalteam, dat eerst goed gaat, maar daarna inzakt.
– je opvangen en troosten als het tegenzit, zoals bij Ingrid, die een teleurstellend resultaat behaalt bij haar examens.
– je corrigeren en terugroepen, vermanend toespreken,
of zelfs straffen in de hoop dat je inziet wat er misgegaan is, zoals dat bij Jort nodig was.

Dat zijn ook allemaal taken die de Heilige Geest doet.
Zijn taak als onze Trooster is dat Hij ons zowel aanmoedigt, als opvangt en troost,
als corrigeert en weer op het juist pad brengt.
We zouden ook kunnen weergeven als: de Heilige Geest als Aanmoediger, Moed-inspreker,
de Geest als Opbeurder,
de Geest als degene die je laat weten dat het zo niet kan.
Dat kan allemaal in het Grieks in één woord worden weergegeven
en wat al die verschillende betekenissen bij elkaar houdt,
dat is dat we bij Christus behouden worden,
verbonden aan Christus, bewaard in Zijn gemeenschap.

Het is Zijn taak om ons als mensen aan de Heere Jezus te verbinden,
vast te maken aan Hem,
een band hebben met Christus die in de hemel is
en Christus, die in de hemel is in ons woont.
De Geest legt die band aan en maakt de verbinding,
zodat we gaan geloven in de Heere Jezus, die nu in de hemel is
En zodat we met Hem leven, zodat we Zijn woorden ook in praktijk brengen.
Dat is geloof: dat je verbonden met Christus,
of nog sterker: dat je in Christus bent, als de ruimte waarin je hier op aarde al leeft.
Hij is daar ook met u en met jou mee bezig, om die band te leggen,
om je bij Christus te brengen en aan Hem te verbinden.

Waar het hier in dit gedeelte om gaat, is dat de Geest er ook voor is
om ons bij de Heere Jezus te houden.
Om ervoor te zorgen, dat die band blijft bestaan, een levende relatie is en blijft,
een hartelijke band, een band van liefde tussen Christus en ons.
Het is Zijn taak ook om ons bij Christus te houden, zodat we niet van Christus losraken.
Het is Zijn taak om u en jou bij Christus te houden.

Bij de een kan de band met Christus losser worden, als het geloven tegenzit.
Eerst was een enthousiasme, wilde je bezig zijn met God,
je probeerde om meer in de Bijbel te lezen, om meer over Christus na te denken,
meer tijd om te bidden
en meer in je doen en laten iets van Christus te laten zien.
Totdat er de klad in kwam: je sloeg het bidden over,
er waren dagen waarop je de Bijbel niet pakte.
En waarom? Ja, zeg met maar.
Een paar dagen van heel veel drukte op het werk, waardoor je moe thuis kwam
en je de energie er niet meer voor had.
Je hebt het zelf niet eens door, maar opeens is er iets,
je weet het zelf niet zo goed, misschien alleen maar een gedachte,
of je ziet je Bijbel liggen op je nachtkastje en je beseft: die heb ik al dagen niet open gehad.
Het is net als de trainer die je in de pauze bij het voetbalelftal de voetballertjes aanspreekt:
Kom op, ga er tegenaan, pak het weer op, zoals je eerst deed.
Het is de Heilige Geest als trooster, als Aanmoediger, die met je bezig is,
Want Hij weet, dat als jij het Bijbel lezen erbij laat zitten,
als jij uit jezelf niet het patroon doorbreekt, dat je langzaam losraakt van Christus,
zonder dat je het wellicht nog door hebt ook.
Hij is dan een Aanmoediger, een trooster, want Hij wil je bij Christus houden
en spreekt je juist aan op wat je nodig hebt.

Of er gebeurt iets in je leven waarop je niet had verwacht,
en ook al wil je het niet, je raakt door die gebeurtenis zomaar ver van Christus vandaan.
Je wilt wel bidden, maar het lukt niet om de handen te vouwen
en je gedachten op God te richten, om de aandacht bij het Bijbel lezen te houden.
Je hebt de Bijbel een aantal minuten op je schoot liggen.
Je ogen zoeken de letters op, je leest ze ergens wel,
maar de woorden bereiken je hart niet, omdat je je zorgen maakt om het huwelijk van je zoon,
omdat je in spanning wacht op de uitslag van het onderzoek,
omdat je net het bericht hebt gekregen, dat de operatie die je moet ondergaan
heel spannend is en dat er ook behoorlijke risico’s aan verbonden zijn.
Of je hebt het gevoel dat de grond onder je voeten is weggeslagen,
Dat je wegzinkt en dat niemand je kan opvangen.
Dan is de Geest er om je op te vangen, om je op te beuren,
om je te laten weten, dat wat er ook in jouw, in uw leven gebeurt,
dat het niet bij machte is om je bij Christus weg te slaan,
dat je niets van de liefde van Christus kan scheiden, geen leven of dood,
geen engelen, geen krachten of machten die op je leven losbeuken of je meesleuren,
maar dat jouw leven door de Heilige Geest zo sterk aan Christus is verbonden,
dat je in Christus verankerd bent, verzekerd bent in Christus.
Een houvast, die je misschien niet voelt, maar die er wel is.
Dan is de Geest een opbeurder, een trooster, zoals de moeder van Ingrid haar dochter
moest opvangen en troosten toen het tegenvallende bericht van het examen kwam.
Zo is de Heilige Geest ook onze Opbeurder en Trooster,
want Hij wil ons bij Christus houden
en weet dat op zulke momenten de tegenstander van Christus
ook van je zwakte gebruik kan maken, door je het gevoel te geven dat je van Christus losraakt.
Dan zal de Heilige Geest je herinnering brengen,
dat Christus aan jou een belofte heeft gedaan:
Dat je van Hem bent, en dat Hij voor je bidt, dat je geloof niet op zal houden,
dat je geborgen blijft in Zijn gemeenschap
en dat je weer weet, weer gelooft, dat ook al is Christus in de hemel
en niet zichtbaar voor ons is, dat je niet onbereikbaar bent en zeker niet los van Hem bent,
maar verbonden en dat het geloof, ook al wordt het op de proef gesteld
door de Geest wordt versterkt
en dat die moeilijke periode, waarin zo aan je geschud wordt, een verdieping voor je wordt,
omdat je in die periode merkt of daarna, dat je toch wordt vastgehouden.
Dat je toch moed hebt, dat je er niet alleen voorstaat.

Er is nog een manier om van Christus los te raken, de manier van Jort uit het begin,
Die de regels overtrad.
Ook in het leven met Christus zijn er regels.
Een van die regels wordt hier in het hoofdstuk ook genoemd:
de geboden van Christus houden, liefde die ook moet blijken in je houding naar anderen toe.
Er kunnen momenten zijn, waardoor je je niet door die liefde laat leiden.
Als je een roddel over iemand anders doorverteld,
Als je bewust een verhaal over iemand de wereld in helpt, dat niet klopt,
omdat je die persoon niet mag, als je je laat leiden door haat of jaloezie.
Als je dat doet, zegt de Heere Jezus tegen Zijn leerlingen,
dan laat je zien dat je niet met Mij verbonden bent,
en dan ben je van Mij losgeraakt.
Je kunt daar door de Geest op aangesproken worden,
maar soms is er meer nodig, dan alleen maar aangesproken worden,
omdat je anders met het verkeerde gedrag doorgaat.
Soms heb je nodig, om door een duidelijke confrontatie van de Heilige Geest,
zoals de ouders van Jort hem ook confronteerden,
niet alleen om te straffen, maar ook om door die straf bewustwording op gang te brengen.
Zo kan de Geest ook ons aanpakken, als het nodig is.
Dat doet Hij om ons weer bij Christus te brengen en aan Hem te verbinden,
want Hij weet dat als we losraken doordat we de regels niet houden,
dat dat niet goed voor ons is en steeds verder van Christus afgaan.
Daarom grijpt Hij in.

Voortdurend is de Geest met ons bezig
om ons bij Christus te brengen en bij Hem te houden.
Het moeilijkste is wanneer dat tegen onze eigen inzichten ingaat.
Als de Geest het nodig vindt om ons aan te sporen, als wij geneigd zijn
om het geloof er wat bij te laten hangen, omdat het allemaal tegenzit
en het niet meer lukt, zoals in het begin,
als een voetbalteam die niet meer gelooft in de overwinning
en daardoor niet meer zo fanatiek voetbalt en maar wat over het veld sloft.
Dat kan ook in het geloof, dat we het er maar wat bij laten hangen,
omdat we denken dat het toch niet veel meer wordt met ons, met de kerk, met Gods Koninkrijk
en dat de Geest ons dan toespreekt en dat kan net zo streng zijn als een trainer dat doet
omdat we dat nodig hebben, want zonder dat wat de Geest zou doen,
zouden we afdrijven en Christus meer en meer kwijtraken.

Of dat de Geest, wanneer Hij troost, Hij niet direct met een oplossing komt,
maar een weg gaat door die teleurstelling heen,
omdat de Geest van mening is dat deze weg ons vormt in het geloof
en ons toch meer verbindt met Christus, zoals soms bij gelovigen zo is,
dat tegenslag hen meer besef geeft dat ze het bij Christus moeten zoeken.

Of wanneer je een andere weg gaat dan God je gewezen heeft,
of wanneer je de regels van de liefde bewust overtreedt,
dat je stil gezet wordt en dat je eerst nog tegensputtert, beledigd haast, waarom God dat doet,
maar later zie je in dat je op een verkeerde manier bezig was,
en kun je zelfs dankbaar zijn dat de Geest je zo confronteerde,
omdat je wist: als ik op die manier verder ging, ging ik verder van Christus af.

De Geest – Hij herinnert je aan Christus en als Hij in je leven bezig is,
merk je dat omdat je Christus ervaart en ziet, Zijn stem hoort, Zijn hand in je leven opmerkt,
Zijn vergeving ervaart, en steun vindt in Zijn overwinning op de dood.
Christus die op aarde sprak en nu in de hemel is.
In de hemel, dat lijkt een afstand, maar juist die afstand wordt door de Geest overwonnen,
waardoor wij hier op aard verbonden zijn met Christus in de hemel, in Hem.
En dat Christus omgekeerd ook in ons is.
De Geest – Hij verbindt je aan Christus, Hij houd je bij Christus.
Niet dat we daarbij met de armen over elkaar zitten.
De Geest spoort ons aan, ook om zelf te zoeken, om onszelf te verbinden,
om zelf alles te doen om uit Christus te leven en bij Hem te blijven.
Maar het is een geruststelling én een aansporing tegelijk, dat de Geest daar ook mee bezig is.
Geruststelling, omdat als wij er niet alert op zijn, de Geest wel ingrijpt
en een aansporing, omdat een van de manieren van de Geest is: ons aan het werk te zoeken.
De Geest die gestuurd is door God de Vader en de Zoon, vanuit hun onderlinge band,
om ons die band op te nemen en te bewaren.

Gij zijt de Trooster, die ons leidt,
de gave, die ons God bereidt,
de bron, waaruit het leven vloeit,
het vuur, dat heel ons hart doorgloeit. (NH Bundel 1938 Gezang 78:2)
Amen

Preek zondagavond 14 mei 2017

Preek zondagavond 14 mei 2017
Kolossenzen 2:16-3:11
Tekst: vers 20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Welkom in de strijd,’ zeiden gemeenteleden na afloop van de dienst
tegen mij en de anderen die in die dienst belijdenis hadden afgelegd.
Dat was niet het enige wat er gezegd werd.
Sommigen zeiden: “Gefeliciteerd!’ of: ‘Fijn dat je dit gedaan hebt.’
Ook al had onze dominee uitgelegd dat gemeenteleden dat tegen ons konden zeggen
en had hij ook uitgelegd wat die uitspraak betekende,
op dat moment vond ik het een vreemde uitdrukking.
Het doen van belijdenis was een moment waar ik juist naar toeleefde,
een moment om tegen iedereen die ik kende aan te geven
dat mijn leven niet meer van mijzelf was, maar toegewijd was aan Christus,
en daarna mocht ik ook deelnemen aan het avondmaal.
Ik had nog niet helder wat ik mij moest voorstellen van de periode na de belijdenis,
aan strijd dacht ik niet.
Als ik die uitdrukking hoorde, dacht ik eerder aan een Romeinse soldaat,
die met zijn schild de brandende pijlen die op hem afvuurt tegenhoudt,
een afbeelding die op de voorkant van boekje stond met verhalen uit de kerkgeschiedenis.
Was de periode na mijn belijdenis tot nu toe een onbezorgde tijd,
een tijd zonder strijd?
Nee, helemaal niet.
Maar omdat ik geen goed beeld had van de geestelijke strijd die te wachten stond,
was ik er ook niet op voorbereid op wat er komen gaat,
was ik er ook niet op voorbereid dat mijn band met Christus onder druk kwam te staan
en dat de band met Hem losser kan zijn dan goed voor mij is.
Je kunt in het geloof terugglijden.

Terugglijden – dat beeld kwam ik tegen
bij de Amerikaanse predikant en later hoogleraar Eugene H. Peterson.
Deze Peterson groeide als kind aan de voet van de Rocky Mountains,
het gebergte in het westen van de Verenigde Staten,
in een omgeving waar bergbeklimmers actief waren.
In de gemeente waarin hij opgroeide,
paste men bepaalde uitdrukkingen uit het bergbeklimmen ook toe op het geloof.
Terugglijden dat deed je als je je voeten niet goed had neergezet,
je grip verloor en daardoor een stuk naar beneden teruggleed.
Je had voor een deel voor niets geklommen
en dat terugglijden was vaak ook te voorkomen, als je je van tevoren goed voorbereidt
en oefent en jezelf met bergbeklimmersgereedschap vastzette, zoals haken.
Wanneer je dat niet deed, liep je het risico naar beneden te glijden.
In een van zijn boeken vertelde hij over zijn oom Harry, die ook zo’n terugglijder werd.
Deze oom Harry was een betrokken, gepassioneerde christen.
Toen hij midden veertig was, kreeg hij een stuk land in handen, dat niet zo bruikbaar was.
Hij had die grond nog maar net in bezit
of in  Washington besloot men om een stuwdam te bouwen op onder andere dat stuk land.
Plotseling was deze man heel rijk geworden.
Dat was nog niet het enige, ook het geld verdienen kreeg hem in de greep.
Hij kwam minder vaak naar de kerk,
hij werd moeilijker in de omgang, ook voor zijn vrouw en kinderen.
Dit nieuwe leven hield hij niet vol: hij kreeg last van hoge bloeddruk
en kreeg een hartaanval die hij niet overleefde
en zijn overlijden bleek een opluchting te zijn voor zijn gezin.
Deze Peterson voegt eraan toe: dat terugglijden is niet zozeer een fout die je maakt,
maar iets dat je overkomt, waar je niet op bedacht bent en dus ook niet op voorbereid.
Dan ben je net als een bergbeklimmer die te weinig oefent, te weinig uitrusting meeneemt
of tijdens het klimmen te weinig tijd neemt om zichzelf echt goed neer te zetten.
Iets wat je overkomt, omdat je niet geconcentreerd genoeg bent, niet genoeg voorbereid.
Als je daar niet op voorbereid bent, is je geloof kwetsbaar.

Dat is ook – denk ik –  wat de gemeenteleden tegen mij en tegen anderen zeiden:
‘Welkom in de strijd!’ dat ze bedoelden, dat je er nog lang niet bent
Al denk je rondom belijdenis er misschien wel te zijn en voor altijd zo te leven.
Wat ze ook bedoelden was, denk ik: je staat er niet alleen voor.
Je hebt belijdenis gedaan in het midden van de gemeente
en die gemeente staat om je heen, wij als leden van de gemeente bidden voor je
en wij als wat oudere gemeenteleden met wat meer ervaring in het leven en in het geloof
weten ervan dat je ook terug kunt glijden.
Omdat wij die ervaring hebben, dat je ook kunt terug glijden,
willen wij je er op voorbereiden, je ervoor waarschuwen, zodat het jou niet overkomt,
dat je voorbereid bent, dat wat wij geleerd hebben van onze fouten jou kan bewaren.
In de jaren dat ik predikant ben heb ik steeds meer waardering voor de gemeente gekregen
als een gemeenschap die om je heen staat, met je meeleeft en ervaringen deelt,
ook de ervaringen van het terugglijden.
Wij erkennen dat wij nog vele zonden en gebreken in onszelf aantreffen, namelijk dat wij geen volkomen geloof hebben, en ons er niet toe zetten God met zo’n ijver te dienen als wij behoren te doen, maar dagelijks strijd hebben te voeren met de zwakheid van ons geloof en onze verderfelijke begeerten.

Dat mooie van de kerk als gemeenschap die met je meeleeft, op je betrokken is
en ons wil behoeden voor het terugglijden zie ik in Kolossenzen.
Een brief die Paulus schrijft aan christenen in de grote stad Kolosse,
die nog maar pas zijn gaan geloven en daarom een heel pril geloof hebben.
Ze hebben wel die bijzondere ervaring dat ze gingen geloven,
dat Christus hun Heer en redder is,
maar wat hen nu overkomt, is nieuw voor ze.
Dat nadat ze de keuze hebben gemaakt, nadat ze gingen geloven en gedoopt werden,
dat het er daarna niet rustiger werd, dat ze in een strijd terecht kwamen
een strijd die ze wellicht niet hadden zien aankomen.
Er is namelijk bij de christenen die nog maar pas zijn gaan geloven twijfels gerezen
of ze het wel goed doen, of er niet iets aan hun geloof ontbreekt.
Een twijfel die mogelijk veroorzaakt is, door een groep christenen
die in die gemeente zijn of die later bij de gemeente langs kwamen,
die aangaven dat er aan hun manier van christenzijn nog het nodige ontbrak.
Christenen met een Joodse achtergrond die aangaven
dat de Joodse gebruiken ook gehouden moesten worden.
Als je christen bent geworden, moet je je ook aan de sabbat houden.
Dan moet je je ook aan de Joodse feestdagen houden.
Ze raken onder de indruk van die argumenten die aangedragen worden
en van de manier waarop het gebracht wordt.
Dan zal het wel zo zijn.
Ze komen in aanraking met mensen die veel voor hun geloof nalaten.
Mensen die tijden lang niets eten, een streng leven leiden, waarin ze zich veel ontzeggen.
Het maakt indruk en het roept de vraag op: moeten wij ook zo leven?
Als wij niet zo leven, zijn we dan geen echte christenen?
Ze komen in aanraking met mensen die allerlei bijzondere ervaringen vertellen,
Waarvan je ook niet goed weet wat je ermee aan moet.
Verhalen over engelen die ze zien,
bijzondere dromen die ze krijgen en die een betekenis hebben.

Waar komen ze die verhalen tegen?
Misschien binnen de gemeente, waarbij de gemeenteleden onderling als het ware
tegen elkaar opbieden in de bijzondere ervaringen die er zijn.
Of het zijn de vrienden en de familieleden uit het oude, vorige leven
die nog eens een sterk staaltje vertellen over de goden die ze eerst dienden,
om de jonge christenen te laten weten dat de keuze voor dat nieuwe geloof
een onverstandige keuze is geweest, waarbij ze heel wat mislopen.

Waarom eigenlijk die kritiek op die Joodse gebruiken
en waarom het afwijzen van die bijzondere ervaringen?
Is er iets mis met vaste vormen,
die hebben christenen toch ook met doop en avondmaal
en ook christenen hebben hun eigen feestdagen?
En ook het christelijk geloof is toch niet zonder ervaring.
Wat er allereerst mis is, is dat het bij de Joodse gebruiken en die ervaringen
niet om Christus gaat.
Hoe bijzonder het ook mag lijken, als je Christus niet hebt, dan heb je nog weinig.
Dan kun je dat wel gaan opvullen met allerlei Joodse gebruiken,
dan kun je dat wel camoufleren met verhalen over allerlei bijzondere ervaringen
over engelen of dromen die je gehad hebt, maar je hebt eigenlijk niets.
Je richt je dan niet op de kern,
je richt je niet op wie de kerk in het leven roept en bij elkaar houdt,
Christus is dan niet het hoofd, niet van de schepping, niet van de kerk, niet van jouw leven.
Wat wij hebben, hebben we dat niet aan Christus te danken?
Heeft Christus je niet meegenomen naar het kruis en het graf in,
ben je als je gelooft niet met Christus gestorven en opgestaan?
Als dat zo is, waarom maak je je dan nog druk om allerlei andere zaken
die Christus uit het centrum verdringen?
Paulus zegt het tegen de gemeenteleden in Kolosse: Heb je niet door wat je met Christus hebt
hoe je door Christus bevrijd bent, niet alleen van je schuld voor God,
maar ook van alle machten die nog een claim op je kunnen leggen.
We hebben dat niet gelezen, maar in het 15e vers schrijft Paulus
dat Christus aan het kruis ook alle machten die er op aarde zijn, heeft onttroond,
ze hebben hun macht verloren, ze hebben op wie gelooft geen zeggenschap meer.
Je hoeft er niet meer van onder de indruk te raken.
Waarom Paulus zich zo zorgen maakt, is dat ze Christus kwijtraken en weer terugglijden
omdat ze van andere dingen onder de indruk zijn
en daarvoor Christus zonder dat ze het doorhebben inruilen.
Je glijdt dan ongemerkt terug – wees daarop bedacht, wees daarop voorbereid,
wees bij de les.

Er is maar een manier om niet onder de indruk te raken
en terug te glijden en onderuit te gaan in het geloof.
Dat is naar boven kijken.
Als je naar boven kijkt, naar de troon van God,
Waar Christus aan de rechterhand van God is, dan kun je niet meer opzij kijken
om onder de indruk te zijn van wat mensen om je heen doet,
dan zie je je Heer, die voor jou naar de aarde kwam en stierf aan het kruis
en jouw zonden op zich nam en jou het nieuwe leven gaf
en nu in de hemel jouw leven bewaart tot je tijd op aarde voorbij is.
Uw leven is in Christus verborgen bij God.

Je moet je niet druk maken om wat mensen om je heen doen,
behalve als je merkt dat ze terugglijden, dan heb je ze te waarschuwen.
Maak je alleen druk om jouw band met Christus – en ook om die van anderen met Christus.
Want dat is ook een reden waarom Paulus de gemeente waarschuwt
en hen leert om op een andere manier te kijken, namelijk naar omhoog, naar Christus.
Wanneer je niet naar omhoog kijkt, wanneer je niet gefocust bent op Christus,
dan ben je kwetsbaar.
Net als een bergbeklimmer het doel voor ogen moet hebben
om de top van de berg te bereiken een bepaald geduld heeft en rust,
zo heeft de gelovige ook rust en concentratie op wat echt nodig is: Christus.
Want anders krijgen andere machten grip op je.
Dan kun je een weg inslaan die niet goed voor je is, je oude leven weer,
Waar je net van losgekomen bent, waaraan je gestorven bent.
een weg waarbij je niet bij God uitkomt
en bij God vandaan gaat en wat je hebt ontvangen in Christus weer kwijtraakt:
de vrijspraak, de vergeving en de bevrijding.

Daarom: reken erop dat je moet strijden
tegen iedereen die je bij Christus weg doet gaan, al is het ongemerkt.
Tegen de duivel, tegen de wereld met al zijn verleidingen en tegen jezelf, wat binnenin je leeft.
Paulus schrijft daar ook iets over:


Dood dan  uw leden die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid,  hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht,  die afgoderij is.
legt ook u dit alles af, namelijk toorn, woede, slechtheid, laster, en schandelijke taal uit uw mond.
Lieg niet tegen elkaar, aangezien u de oude mens met zijn daden uitgetrokken hebt,

Het is niet meer nodig, daar was je van bevrijd, je had een nieuw leven gekregen.
Gestorven aan deze machten, die je willen beheersen en leiden naar de ondergang
waar de veroordeling door God wacht.
Dat is niet nodig: je hebt toch een ander leven leren kennen, een andere Heer?
Er klinkt verbijstering in de woorden van Paulus door: waarom dan toch?
Het is de enige vraag die Paulus in deze brief stelt, om hen wakker te schudden:
Waarom dan toch dat terugglijden?
Zie je dan niet, wat je in Christus allemaal ontvangen hebt?

Gemeente, misschien bent u nu niet aan het terugglijden.
Toch is het goed om ook geregeld deze waarschuwing uit bezorgdheid te horen.
Om weer alert te zijn, om weer bewust te zijn wie werkelijk onze Heer is:
Christus of toch wat deze wereld ons biedt, de machten die hier zijn,
die verslagen zijn door Gods Zoon.
Om als het niet goed zit, dat te belijden,
daar vergeving om vragen en de strijd weer aan te gaan.
En wanneer wij soms uit zwakheid in zonde vallen, moeten wij niet aan Gods genade twijfelen en ook niet in de zonde blijven liggen.
Het hoofd omhoog – het hart naar boven, daar waar Christus Jezus is.
Amen

Preek zondagmorgen 14 mei 2017

Preek zondagmorgen 14 mei 2017
Schriftlezing: Handelingen 10: 24-48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Stelt u zich voor dat u opgebeld wordt of dat er iemand aan de deur staat,
wat aarzelend maar in de hoop dat u kunt helpen
en dat degene die bij u aanklopt, vraagt of u zou willen komen.
U vraagt: ‘Waarom wil je dat ik naar je toe kom?’
Het antwoord: ‘Wij willen meer over God te weten komen.
We zijn op zoek naar iemand die meer over Hem zou kunnen vertellen.
Wij hebben gehoord dat u er meer over zou kunnen vertellen.’
Na enig aarzelen besluit u om mee te gaan
en onderweg wordt verteld dat ze niet zomaar bij u hebben aangeklopt,
maar dat God zelf dat tegen hen gezegd had
dat ze bij u moesten aankloppen en dat ze u moesten vragen
om met hen mee te gaan om aan hen te vertellen wie God is.
Als u bij het huis aankomt, blijkt het hele huis vol te zitten.
Op de stoelen, op de grond, op de trap, elk plekje is bezet.
Degene die bij u aan de deur staat, heeft iedereen die hij kent
bij zichzelf thuis uitgenodigd:
‘Je moet komen, er komt straks iemand bij mij thuis
die ons meer kan vertellen over God.
Daar moet je bij zijn!’
Ja, daar sta je dan. Wat vertel je over God? Waar begin je?

Het kan zijn dat u daar mee te maken hebt gehad,
omdat uw zoon of dochter met iemand thuis kwam, die niet opgevoed was
met het christelijk geloof en met de Bijbel
en daar helemaal niets van weet
en na een tijdje meegedraaid te hebben in uw gezin de vraag stelt:
‘Vertel mij eens meer over God. Hoe kan ík God leren kennen?’
In mijn werk als predikant heb ik geleerd dat er nog al wel eens mogelijkheden zijn,
die ik zelf niet heb opgezocht, maar die er zijn,
die ik door onoplettendheid aan mij voorbij laat gaan en niet als kans gebruik
om er op in te gaan en meer over Christus te vertellen.
In de vorige gemeente een jongen die naar mij toeloopt terwijl ik de kerk afsluit:
‘Moet je betalen om naar de kerk te gaan?’
Een vrouw die haar moeder moet begraven en tegen haar man zegt als ik er ben:
We hebben nu een deskundige in huis, je kunt nu de vraag stellen.
Wat is het verschil tussen het Oude en Nieuwe Testament?
Gaat het Oude Testament over het sterven van Jezus en het Nieuwe over zijn verrijzenis?
Momenten die ik achteraf gezien als kans heb gemist om meer te vertellen.
Ik denk dat God ook zulke kansen aan u en jou geeft:
Een vriend of collega die meer wil weten. Vertel eens, nieuwsgierig benieuwd,
maar omdat het je overvalt, er niet op ingaat. God geeft zulke momenten steeds!

Het overkomt Petrus.
Hij had net op het dak van het huis tijdens het bidden een vreemde ervaring gehad.
Het was eigenlijk tijd om te eten en Petrus merkte dat hij honger had.
Terwijl er beneden in het huis waar hij was eten voor hem klaargemaakt werd,
zag hij dat er hem ook uit de hemel eten werd aangeboden:
er kwam een groot linnen doek uit de hemel met daarin allerlei soorten dieren.
‘Petrus,’ zo klonk er een stem, ‘Petrus, pak er wat van, slacht het en eet het op.’
Petrus kijkt eens goed tussen al die dieren.
Hij kan daar zomaar niet wat van nemen,
Want verschillende dieren die in dat doek zijn, mag hij volgens Gods wet niet eten.
Onrein. Geen denken aan!
Petrus was een gelovige die zich nauwgezet aan Gods wet hield.
Ook nadat Christus was opgestaan en de Geest was uitgestort
en Petrus door het land trok om over Christus te vertellen
was hij een gelovige die zich hield aan de gebruiken van de wet van God.
‘Wat U mij voorstelt, dat heb ik nog nooit gedaan. Dat kunt u niet van mij vragen.’
En dan volgt er een antwoord dat heel onverwacht voor Petrus is:
‘PEtrus, hoe kun je Mij tegenspreken?
Als Ik je toesta om er iets van te eten, dan betekent dat Ik, God, je Heer, het niet onrein vindt.’

Drie keer hoorde Petrus deze uitspraak en voordat Petrus iets deed,
was het laken weer in de hemel opgenomen.
Petrus wist niet wat hij er van moest denken.
Had hij gedroomd op een klaarlichte dag?
Had deze gebeurtenis hem iets te zeggen? Maar wat dan?
Petrus, hij was helemaal in verwarring. Hij wist niet wat hij ermee aan moest.
Op dat moment wordt er beneden aan de deur  geklopt.
Ze komen voor Petrus.
Petrus was met zijn gedachten nog in een andere wereld.
Hij was nog steeds aan het nadenken wat dat doek met die dieren hem te zeggen had.
Weer hoorde hij een stem. Het was de Heilige Geest die tegen hem sprak:
‘PEtrus, er komen mannen voor jou. Ga met hen mee zonder te aarzelen.
Want ze komen niet zomaar. Ik heb hen naar je toegestuurd.
Ze hebben een boodschap voor jou.’
Petrus gaat op deze mannen of, die naar hem gestuurd zijn:
‘Ik ben de man die jullie zoeken. Waarom zijn jullie gekomen.’
Dan hoort hij de vraag: Wilt u met ons mee komen?
Wij willen meer weten over God. Over hoe wij God kunnen dienen.
Wij zijn naar u toegestuurd, omdat u ons daar meer over kan vertellen.
Als Petrus deze mannen mee naar binnen uitnodigt, krijgt hij het verhaal te horen
van de man die hen gestuurd heeft: de Romeinse legerofficier Cornelius.

In de Bijbel wordt niet veel over Cornelius verteld,
maar op basis van wat er verteld wordt, krijgen we de indruk
dat Cornelius een sympathieke, integere man is.
Een man die uit een ander werelddeel afkomstig is, met een heel andere opvoeding.
Opgegroeid wellicht in Italië
en daar het geloof in de verschillende Romeinse goden meegekregen
en nadat hij met het leger naar Israël is gestuurd, komt hij in aanraking met een ander geloof.
Misschien was hij al voor hij naar Israël gestuurd, al op zoek
naar wat de waarheid is,
een gevoel van binnen dat het met zijn eigen godsdienst niet goed zat,
dat de verhalen over zijn eigen goden iets misten.
Of misschien gebeurde dat pas toen hij in Israël kwam
en daar in aanraking met het Joodse volk ging nadenken over hun God
en onder de indruk kwam van hun geloof, hoe zij leefden en wie hun God was.
Het had hem geraakt.
Hij wilde er meer van weten. Hij ging zich er in verdiepen.
Hij raakte steeds meer onder de indruk van de God van Israël
en hij ging in zijn doen en laten rekening houden met de God van Israël.
Het ging hem niet alleen om het nadenken over God,
om bepaalde vragen over God of over zijn eigen leven, waarover hij na moest denken
en waarvan hij merkte dat de God van Israël hem daarin verder hield.
Het doet ook iets met hem: hij gaat steeds meer geloven. Godvrezend.
Hij gaat er steeds meer naar leven.
Petrus krijgt het te horen: de man die ons gestuurd heeft,
Heeft grote eerbied voor de God die u dient,
Hij bidt tot uw God. Er zijn tijden dat hij niet eet en dat hij dan zijn gedachten richt op God.
Door zijn interesse voor God is hij ook een integer mens geworden:
hij leeft volgens de wetten van uw God.

Hoe intens onze Cornelius ook verlangd om de Heere te dienen
en zijn leven te wijden aan de God van Israël:
er is wel een afstand die hij niet kan overbruggen.
Hij kan wel in God gaan geloven en hij kan er naar leven,
er blijft voor voor hem een belemmering om volledig bij God te horen:
Hij behoort niet tot het volk van God.
Nu begrijpt Petrus waarom hij die droom heeft gehad met al die dieren in dat laken.
Hij werd daarin voorbereid om mee te gaan met deze mannen
die hem komen halen om meer over God te vertellen.
We kunnen ons misschien amper meer voorstellen
hoe ingrijpend de beslissing van Petrus was om toch mee te gaan.
Stel je voor dat er in dat huis toch ergens nog een afgodsbeeld is.
Of stel dat het eten niet op de juiste manier is klaargemaakt, niet kosher,
dan kan het gebeuren dat hij een tijd niet in de synagoge of de tempel zou mogen komen,
een tijd lang zou hij dan niet bij God kunnen komen.
Kunnen wij ons nog voorstellen dat er bepaalde belemmeringen zijn,
die je tegenhouden om naar God te gaan.
Al zegt de hele Bijbel dat die belemmeringen er niet meer zijn,
ze kunnen toch bij iemand leven, waardoor hij of zij niet de stap naar de Heere durft te zetten.
Dat kan zijn omdat je er niet in opgegroeid bent,
je mist de kennis, die een ander wel heeft, die thuis, op school, op zondagsschool, in de kerk
de verhalen uit de Bijbel heeft horen vertellen.
Pas als ik meer kennis van de Bijbel heb, dan kan ik pas een stap verder gaan.
Nu kan ik niet voluit zeggen dat ik geloof en belijdeniscatechisatie is nog veel te ver.
Pas als ik meer weet, dan pas ik die stap zetten.
Of soms hoor ik het ook van iemand die als kind niet de doop heeft ontvangen:
hoor ik er eigenlijk wel helemaal bij?
De verhalen die in de Bijbel staan, wat de Heere Jezus heeft gedaan,
mag ik daar ook in geloven, ook al ben ik niet gedoopt?
Of zoals ik ben, met mijn achtergrond en mijn verleden, is dat geen belemmering?
Je moest eens weten wat voor een leven ik vroeger had,
Wat ik allemaal heb uitgespookt, dan had je een heel ander beeld van mij.

Petrus wordt op stap gestuurd om bij Cornelius die belemmering te overwinnen.
Eerst moet bij hemzelf een belemmering worden weggenomen.
Dat kan ook gebeuren: dat voor je naar een ander toe gaat,
er eerst bij jezelf een obstakel wordt weggenomen, omdat je anders denkt:
Naar die persoon ga ik echt niet toe.
Als een goed christen kan ik het niet maken om die persoon te bezoeken.
Zal dat wel goed zijn voor mijn eigen relatie met de Heere?
Petrus aarzelt niet, hij weet – door de droom die hij had – dat hij moet gaan.
Hij gaat niet alleen.
Hij neemt enkele mensen uit de gemeente van Joppe mee.
Dat is een mooie gedachte: wat Petrus gaat ondernemen, raakt ook de gemeente
waar hij op dat moment is.
Petrus is niet iemand die alleen maar zijn eigen weg gaat
zonder rekening te houden met anderen.
Het is niet een individuele roeping, maar het raakt de gehele gemeente.
De mannen gaan mee en samen met Petrus zullen ze heel wat beleven.
Een ervaring die ze nooit zullen vergeten.

Als ze daar in Caesarea aankomen bij Cornelius, zien ze dat er een grote groep hen opwacht.
Cornelius heeft al zijn familie en vrienden, alle mensen met wie hij optrok
bij elkaar verzameld, hen uitgenodigd: je moet ook komen!
straks krijg ik iemand die meer kan vertellen over God en daar moet je bij zijn.
Deze Petrus komt niet alleen voor mij, ook voor jullie is deze boodschap.
Wat moet Petrus wel niet hebben gedacht, toen hij het huis van Cornelius binnenstapte
en daar al die mensen vol verwachting naar hem zien opkijken?
Deze man komt ons vertellen hoe we moeten leven, hoe we bij God kunnen horen.
Ze zijn niet zomaar bij elkaar, zonder dat ze weten wat een gemeente is,
zijn ze al als gemeente bij elkaar en zonder dat ze weten wat een kerkdienst, eredienst is,
houden ze al een kerkdienst, een eredienst,
want ze zeggen tegen Petrus: we zijn niet zomaar bij elkaar.
We zijn hier in aanwezigheid van God bij elkaar, in tegenwoordigheid van God.
We zijn op de plek waar God ons wil hebben en waar God ook in ons midden is.
Zo werkt de Heere.
Vaak denken wij dat wij de Heere God ergens moeten brengen,
maar vaak is het zo dat de Heere God allang ergens bezig is
en dat wij als mensen alleen maar gebruikt worden voor het laatste stukje
niet eens om de mensen zover te krijgen dat ze gaan geloven.
Vaak zijn ze daar al mee bezig, of groeit dat.
Wat onze taak veel meer is is om zo’n gelovige of een groep beginnende gelovigen
een plek te geven binnen de kerk, hen onderdeel van de kerk te maken
en hen uit te leggen hoe zij een plek kunnen hebben bij Christus.
Vertel maar op, wat heb je ons te vertellen over de Heere.
Bijzonder toch gemeente dat verlangen om over God te horen.
Misschien moet je daar ook een beginnend gelovige voor zijn,
niet opgegroeid met het geloof en onbekend met God en de verhalen uit de Bijbel
om zo intens naar informatie en kennis over God te verlangen, om meer te willen weten
en dat kan ook beschamend voor ons zijn,
iemand die er niet in is opgegroeid, die zo leergierig is en meer wil weten.
Ik kom die leergierigheid ook binnen de gemeente tegen.
Vaak ook bijvoorbeeld op belijdeniscatechisatie.
Wat er hier nogal is gebeurt, is dat jongeren met 16-18 jaar niet meer naar de kerk gaan
en de kerk een tijdje uit het oog verliezen
en na een tijdje beginnen ze het weer op te pakken
en op een gegeven moment begint het geloof meer te leven, willen ze meer weten,
beginnen ze met het lezen in de Bijbel en gaan de stukjes uit de Bijbel hen iets zeggen.
Ik vind het altijd bijzonder om betrokken te zijn bij de groei in geloof van gemeenteleden.
Ik merk dat bij de belijdeniscatechisanten elk jaar weer.
In het begin komen ze vaak aarzelend binnen,
vaak nog niet eens zeker of ze wel belijdenis willen doen
maar ze willen wel graag een stap verder zetten.
Bijzonder om te zien hoe ze – elk jaar weer opnieuw – er naar toe groeien
om toch belijdenis af te leggen, dat er steeds meer een verlangen komt
wat de mensen in Caesarea ook hadden: vertel ons meer over God.
Vertel ons hoe Hij voor ons iets te betekenen heeft
en hoe wij steeds dichter bij Hem kunnen komen, hoe Hij een plek in ons leven krijgt.

Dan gaat Petrus vertellen, nog vol verwondering over de weg die God gaat
door ook deze mensen op te nemen in Zijn gemeenschap.
Ook zij mogen behoren tot de kerk,
tot de weg die God is begonnen in deze wereld met Zijn volk Israël.
Maar die weg wordt uitgebreid en ook deze mensen mogen nu bij God horen.
dan gaat Petrus vertellen over Christus.
Wil je weten wie God is en of jij ook bij God mag horen,
dan kun je niet om de Heere Jezus heen.
Want het verhaal van Jezus is voor jou goed nieuws,
net als voor Cornelius en al de mensen die hij heeft uitgenodigd.
Goed nieuws van vrede met God.
Het is ook voor jullie: de blokkade om bij God te horen is weg,
Want ik heb jullie iets te vertellen over de Heere Jezus.
Hij is niet alleen maar Heer van één bepaald volk, maar van alle mensen over heel de wereld.
Omdat Hij naar deze aarde kwam, is niemand meer uitgezonderd.
Hoeft niemand van zichzelf te denken: het is niet voor mij.
Het is niet voor mij omdat ik te weinig kennis ben,
het is niet voor mij omdat ik er niet in opgegroeid ben
Het is niet voor mij omdat ik niet gedoopt ben.
Nee, zegt Petrus, Christus is Heer over alle mensen. Ook over jou en over u.
Dat is het evangelie, dat is het goede nieuws
en het goede nieuws houdt ook in dat er door Hem vrede is met God
Onze zonde, ons verleden – het is geen belemmering meer, want Jezus nam dat weg.
Dan vertelt Petrus over Christus.
Dat was voor mij de reden om dit gedeelte voor deze zondag te kiezen.
Petrus vertelt over hoe Christus aan het kruis werd gehangen,
een dood stierf waar je niet trots op kon zijn, maar bespottelijk was, vernederend,
maar God deed Hem opstaan uit de dood.
Die Christus die Heer over alle mensen is, is gestorven
maar ook weer teruggekomen uit de dood.
Ik heb Hem mogen zien en nu ben ik hier gekomen om jullie over Hem te vertellen.
Je zou willen dat je er bij was, bij Petrus, wat hij vertelde
en de reactie in de ogen van de mensen willen zien.
Maar ik denk dat het niet een extra indrukwekkende toespraak is,
wat Petrus doet is niet meer dan vertellen over de Heere Jezus.
En dan gebeurt er wat. Op het moment dat hij over Christus vertelt,
getuigt dat Jezus stierf en opstond uit de dood en dat Hij terugkomt,
Dan gebeurt er wat: de Heilige Geest komt over deze mensen.
Deze mensen die naar Petrus luisteren als hij vertelt over Christus,
ze worden vol van God, vol van die Christus waar Petrus over vertelt.
Je zou dat willen meemaken en toch is dat niet iets dat alleen maar toen gebeurde.
Ook nu als de kerkdienst er is, de eredienst, we bij God zijn, in Zijn aanwezigheid,
ook nu, nu er vertelt wordt over Christus, dat Hij stierf en opstond,
ook nu kan de Geest komen en u en jou helemaal vol maken van Christus.
Zo vol dat je alleen maar God dankbaar kunt zijn, Hem kunt prijzen.
Geweldig Heere, dat ook ik bij U mag horen, dat U het laat weten dat ik ook van U mag zijn.
Wat ontzettend fijn dat we U mogen kennen
en dat we ervan overtuigd mogen zijn dat ook wij bij U mogen horen.
Als ze de Heilige Geest ontvangen, dan mogen ze er helemaal bij horen.
Dan moeten ze ook de doop ontvangen als teken, als bevestiging dat ze van Christus zijn.
Kunt u voorstellen welk geluk er geweest moet zijn bij Cornelius en al die mensen,
mogen ervaren dat God je helemaal vervuld, en dan ook gedoopt worden,
nog eens de bevestiging: alle belemmeringen zijn weg, het is ook voor jullie!
En PEtrus, hij blijft nog een tijdje – nog een extra bevestiging dat zij onderdeel zijn geworden
Van de gemeente die de Geest verzameld door alle tijden heen,
mensen die van Christus geworden zijn, voor wie de belemmeringen weggevallen zijn
omdat Christus die door Zijn dood en opstanding zelf wegruimde.
Wat een dankbaarheid, wat een vreugde over God moet daar zijn geweest.
Wat een dankbaarheid en vreugde mag er zijn als wij ook God mogen kennen. Amen

Preek zondagavond 7 mei 2017

Preek zondagavond 7 mei 2017
Psalm 139:6-12 + 1 Petrus 3:17-4:6
Heidelberger Catechismus vraag & antwoord 44
Thema: Nedergedaald ter helle

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Kerk heeft nu meer dan ooit de roeping om te belijden
tot haar troost en kracht: Nedergedaald ter helle.

Het zijn woorden die midden in de oorlog worden geschreven
door Gerrit Cornelis van Niftrik.
Deze predikant uit Rijnsburg – later zal hij hoogleraar worden –
was gevraagd om materiaal te schrijven voor godsdienstonderwijs op wat nu de pabo is.
Doordat hij ‘s avonds na 8 uur niet meer op straat kan komen,
heeft hij tijd om het boek uit te werken.
De oorlog gaat niet langs hem heen.
De woorden vóór de zin waarmee ik de preek begon, laten dat ook zien:

Hier wordt de hel óók openbaar. De hel middenin het moderne leven. En wij zouden er ongelukkig aan toe zijn als wij niet konden belijden, dat Christus in die hel is nedergedaald. Wellicht dat ge nu iets gaat beseffen van de actualiteit van dit deel der belijdenis. Wij hebben een oorlog meegemaakt… Steden zijn tot puin geworden … miljoenen zijn gedood … een hel van verschrikking is over ons losgebarsten. De Kerk heeft nu meer dan ooit de roeping om te belijden tot haar troost en kracht: Nedergedaald ter helle.

De woorden uit de oorlog geven aan,
dat hoe vreemd de belijdenis ook mag zijn dat Christus ook is neergedaald tot in de hel,
er juist in deze belijdenis een intense troost te vinden is
in een intense tijd, waarin veel ingrijpende dingen gebeuren,

zo ingrijpend dat je je kunt afvragen of God alles nog wel in Zijn hand heeft.
De oorlog van 1940-1945 werd zo’n tijd:
de dreiging van razzia’s en concentratiekampen, de beschietingen door vliegtuigen,
de hongerwinter, de dreiging van oorlog.
En steeds weer opnieuw zijn er gebieden op deze wereld,
waar het misschien nog wel heftiger is dan toen hier in de oorlog,
Waar het een hel op aarde is door de dictatuur, door het geweld dat er is.

Soms kun je in je eigen leven zo diep gaan,
Dat je van jezelf denkt: wat blijft er van mij nog over?
Ben ik in alle ellende die mij overkomt, nog wel bereikbaar voor God?
Weet Hij mij hier te vinden?
Of ga ik nu zo diep, dat ik voor God onbereikbaar geworden ben?
We belijden tot onze troost en kracht, dat Christus nederdaalde in de hel.
Dat zelfs als ik het idee heb, dat ik voor God onbereikbaar ben omdat ik zo diep ga
En voor mijn idee voor niemand meer bereikbaar ben, zelfs voor God niet,
dat we dan nog steeds belijden: Christus is ook hier geweest, neergedaald in de hel.
Al legde ik mij neer in de hel, ook daar bent U.

Al zei ik dat de duisternis mij mag opslokken, dan is de nacht licht om mij heen.
Nooit zijn we onbereikbaar meer voor God,

omdat Christus neerdaalde, zelfs tot in de hel.


De belijdenis dat Christus neerdaalde in de hel
is opgenomen in de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Bij de Apostolische Geloofsbelijdenis gaat het er niet om
dat deze belijdenis is geformuleerd en opgesteld door de apostelen.
Deze belijdenis is oorspronkelijk ontstaan vanuit de belijdenis, die klonk bij de doop
als mensen tot geloof komen en de overstap maken naar het nieuwe geloof, in Christus
en als teken daarvan zich laten dopen.
De allereerste belijdenis is dat Jezus Heer is: Hij is de Heer van mijn leven.
Hij regeert over hemel en aarde en ook over mijn leven.
Steeds komt er een stukje belijdenis bij: bijvoorbeeld dat God de schepper is,
een toevoeging die erbij komt als in de cultuur een grote groep mensen
die niet kan geloven dat God deze aarde geschapen heeft.
Aan de belijdenis wordt toegevoegd dat Christus geleden heeft en begraven is, opgestaan.
Uiteindelijk komt er, als een van de laatste toevoegingen erbij,
dat Christus niet alleen geleden en gestorven is, maar ook neerdaalde in de hel.
Dan zijn we in de 4e eeuw.
De christenen hebben vervolgingen meegemaakt, heftige vervolgingen,
Waarbij een deel van de christenen in de arena voor de leeuwen gegooid werd
en ook een deel de druk niet aankon en toch het geloof vaarwel zei
om het leven niet te verliezen.
Waarom de regel over het neerdalen tot in de hel toegevoegd wordt aan de belijdenis
is onduidelijk, maar blijkbaar is er wel behoefte om iets eraan toe te voegen
en is het niet genoeg om te spreken over het sterven aan het kruis en de begrafenis.
Het zou goed kunnen dat deze belijdenis – nedergedaald ter helle –
wil aangeven wat de reikwijdte is van het kruis waaraan Christus stierf
en om aan te geven wat het betekende dat Jezus daar na het kruis in het graf verbleef.
Dat kruis was geen nederlaag, maar aan het kruis werd de satan verslagen
en elke macht, die tegen zich tegen God verzet
en dus ook elke macht die de mensen van God vervolgt, is door Christus verslagen.
De macht die het Romeinse Rijk liet zien in de vervolging:
het is maar een beperkte macht – Christus is sterker, Hij is heer,
Zelfs Heer in het terrein van de duivel, de hel.

Is het de hel of het rijk van de dood?
Beide versies van deze regel zijn in omloop.
Toen ik hier net predikant was, vroeg Jan van de Poll om bij begrafenissen aan het graf
de geloofsbelijdenis uit te spreken, om daar aan het graf te belijden
dat de dood is overwonnen door onze Heer.
In het begin gebruikte ik steeds de versie van ‘neergedaald ter helle’,
maar na een tijdje en zeker bij een begrafenis waarin veel mensen niet zo kerkelijk waren
verving ik de regel door die anderen: nedergedaald in het rijk van de dood.
De hel is zo’n scherp woord, te scherp wellicht voor bij het graf.
Toch merkte ik dat het voelde als een afzwakking:
de hel is wel een realiteit en al noem ik dat niet, ik kan het niet wegnemen.
Toen ik weer overstapte op die andere belijdenis: neergedaald tot in de hel
merkte ik dat die belijdenis toch iets extra’s heeft.
Hoe diep wij ook dalen, zelfs in de hel, zijn we bereikbaar voor onze Heer.
Het is wellicht een krasse formulering, maar soms heb je zo’n sterke formulering nodig,
dat staande aan het graf we belijden,
dat zowel de macht van de dood als de macht van de hel zijn verslagen.

Ook het graf is geen nederlaag, waar Christus uiteindelijk zich toch gewonnen moest geven
aan een macht die sterker is dan Hij, bijvoorbeeld de dood, of toch de duivel.
Nee, terwijl Hij in het graf was, begraven, liet Hij daar in het rijk van de dood, in de hel,
Zijn macht gelden en konden ook die machten niet tegen Hem op.
Veel mensen in het Romeinse Rijk geloofden in de macht, die de dood had.
De god die heerste in het dodenrijk, Hades, liet nooit iemand gaan.
Er zijn allerlei verhalen over bij de Grieken en Romeinen.
Een van die verhalen gaat over Orpheus, die zijn geliefde Eurykide uit het dodenrijk wil halen.
Het is een gedurfde poging, want Hades laat niemand gaan.
Orpheus is echter zo wanhopig en intens verdrietig, dat hij zijn geliefde niet kan loslaten.
Geraakt door het intense verdriet krijgt hij de mogelijkheid om zijn geliefde op te halen.
Onder één voorwaarde: hij mag op weg niet achterom kijken of zijn geliefde volgt.
Steeds vraagt Orpheus of Eurykide hem volgt, maar ze zegt niets.

Tot hij het niet meer kan uithouden en vlak voor het einde kijkt hij om
en moet haar toch weer achterlaten en mag haar niet meenemen.
Er zijn verhalen bij Grieken en ook bij Egyptenaren, waarbij iemand na een tijdje
toch weer terug moet naar het dodenrijk. Niemand kan voorgoed terugkeren.
Tegen de achtergrond van die verhalen zegt de Bijbel
dat Christus de macht over de dood heeft en ook de sleutels van het rijk van de dood
en in staat is om dat rijk te openen.
Nadat Hij gestorven is daalde Christus niet naar dit rijk af omdat Hij toch de nederlaag leed
en ook niet om solidair te zijn met al degenen die overleden zijn,
maar om daar, in het hol van de leeuw, aan de duivel en aan de dood te laten weten

wie de macht heeft in de hemel en op aarde en ook over de hel.
Nedergedaald ter helle, dat betekent niets minder dan dat God neerdaalt
op de plek waar de satan woont om hem daar in zijn eigen gebied aan te kondigen
dat zijn macht voorbij is en dat er een dag aanbreekt,
dat hij al degenen die hij nu gevangen heeft zal moeten laten gaan.
Nedergedaald ter helle – betekent: er is geen enkel gebied waar Gods macht niet geldt.

Er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht.
Aan zijn rijk zal geen einde komen – zegt een andere belijdenis.
Er is geen grens in tijd, geen beperking in ruimte. In heel het universum.
Zelfs de hel valt onder de macht van God
en ook de duivel is niet in staat om tegen Christus te zeggen
dat hij Hem niet in de hel wil hebben.
Ook niet de grens die de duivel wil stellen, ook hij zal zich gewonnen moeten geven
En ook voor hem zal er een dag aanbreken, dat hij, samen met ieder ander
de knie zal moeten buigen als Christus terugkomt.
Neergedaald in de hel – Gods vijanden zijn verslagen.
God is naar de hel gegaan. En dat was nodig, want daar bevonden zich veel mensen en daar bevond zich de brandhaard van het kwaad. (dr. A. van de Beek)

Er zijn niet veel teksten om deze belijdenis te onderbouwen
en één van die teksten, de tekst uit 1 PEtrus 3:19 is zo’n ingewikkelde tekst,
Dat je er voorzichtig mee moet zijn.
De tekst in PEtrus staat in het kader van lijden waar de gelovigen mee te maken hebben
omdat ze in Christus geloven; ze lijden vanwege Christus.
Dat roept vragen op: als Christus dan Heer is en over alles regeert,
waarom moeten wij dan lijden? Waarom krijgen wij met spot en vervolging te maken?
Is het dan zo dat Christus toch niet Heer over alles is
zijn goden waar we afscheid van genomen hebben, is de keizer in Rome dan toch sterker?
Hebben we wel de goede keuze gemaakt, of zitten we mis
en blijkt Christus helemaal geen Heer te zijn?

Wat Petrus in zijn brief doet, is aandacht vragen voor de manier waarop Christus stierf.
Het was een echte dood, geen schijndood, echt ook begraven en echt ook in de dood.
Maar de machten die Hem dood wilden hebben, konden Hem niet houden.
Zijn lichaam stierf, wat betreft zijn lichaam, zijn aardse bestaan,
en toch was dat het einde niet en kwam er zelfs een nieuw bestaan,

voor Christus zelf en voor degenen die in Hem geloven.
Hoewel Christus echt dood was, echt gestorven, kreeg de dood geen vat op Hem.
Christus daalde neer, waar de geesten waren in de gevangenis
– wat Petrus daarmee bedoelde zijn verschillende versies van gekomen.
Het zouden de aartsvaders geweest zijn, die Christus nog niet hadden gezien,
maar Hem wel hadden verwacht.
Het zouden juist degenen zijn geweest die niet geloofden
en daardoor de ark van Noach niet wilden binnengaan.
Het zouden ook de geesten kunnen zijn, die ongeloof werkten
en daardoor de mensen in de tijd van Noach influisterden om niet naar Noach te luisteren.
Dat zouden dan ook de geesten zijn, handlangers van de duivel,
die in de tijd van het Romeinse Rijk de keizer en andere toonaangevende mensen
zover kregen om de kerk te vervolgen
en een bepaalde invloed en macht over mensen hebben.
Hoe invloedrijk die geesten ook kunnen zijn, de handlangers van de duivel,
Ze winnen het niet, ze krijgen van Christus te horen, op hun eigen terrein,
in het hol van de leeuw, dat hun tijd voorbij is en hun macht gebroken
en dat de macht die ze hebben alleen maar hen door God wordt toegestaan.
Niet zij stellen de grens voor de macht van God,
maar God bakent hun macht af en stelt een grens.
Nedergedaald in de hel – dat is de eerste stap waarop Christus weer omhoog gaat,
na de vernedering aan het kruis, een vernedering dat al begon
toen Christus uit de hemel kwam en mens werd om op aarde te lijden en te sterven,
Een weg naar beneden, van afgebroken worden,
maar waar je zou verwachten dat de weg niet dieper zou kunnen gaan,
gaat Christus wel dieper, maar dan als overwinnaar: de duivel is verslagen en onttroond
en hij krijgt het te horen op eigen terrein.

Na zijn dood, als alles volbracht is, kan Jezus als bevrijder van het eigen domein van het kwaad binnengaan en de verlossing verkondigen van hen die onder de macht van de duivel gevangen zaten. Het is de eerste plek waar Pasen gevierd wordt. Net als bij de komst van Jezus in de wereld de demonen de eersten waren die Hem erkenden als de Heilige Gods, zo is na zijn volbrachte werk het rijk van het kwaad het eerste dat het bericht van Jezus’ overwinning hoort. Hij komt de boodschap er persoonlijk brengen. Want het is zijn domein en niet dat van een andere God, net als het hout van het kruis dat door Hem geschapen is.

Nu hebben we in deze dienst ook iets gelezen uit de Heidelberger Catechismus.
Waarom volgt daar: nedergedaald ter helle?

Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

De catechismus volgt hier Calvijn na, die de volgorde van de belijdenis omkeert
en het neerdalen in de hel niet niet koppelt aan het graf, maar aan het kruis
En ook al eerder in de hof van Gethsemané.
Daar in de hof en aan het kruis, daar gaat Christus de hel in,
omdat Hij daar aan het kruis door God verlaten wordt:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?
Neergedaald in de hel – dat is voor Calvijn, dat Christus het volledige oordeel van God draagt
aan het kruis en daar aan het kruis door God wordt verworpen – in onze plaats.
– zodat wij kunnen worden aangenomen.
Neergedaald in de hel – dat is niet de eerste stap van de verhoging, maar de laagste trap,
zo diep is Christus gegaan voor ons – Hij stapte de totale godverlatenheid in,
zodat wij nimmermeer door God verlaten zouden worden.
Calvijn had er verschillende redenen voor:
Allereerst dat Christus aan het kruis riep: het is volbracht.
Dan hoeft er in het graf nog niet iets extra’s te gebeuren, geen extra overwinning.
De overwinning is al aan het kruis behaald, daar werd de duivel verslagen.
Een tweede reden was dat mensen hier op aarde allerlei speculaties kregen over
wat er met geliefden gebeurt na de dood.
Dan zou je een vagevuur nodig hebben, waar mensen zouden moeten wachten
tot hun volkomen redding of op hun gang richting de hel
en dat zou een mogelijkheid geven om na de dood nog een andere bestemming te krijgen.
Nu geloof ik dat God inderdaad zo machtig is, dat Hij ook die andere bestemming kan geven.
Maar God vraagt ook in dit leven Zijn liefde te beamen en ons gewonnen te geven.

De “Nederdaling ter helle”is een zeer wezenlijk en ten volle doorworstelen van het lijden der helle geweest, een uitdrinken van meer dan den tijdelijken dood, ja een sterven van den eeuwigen dood, in de klare verlatenheid van God. Het was een lijden, dat den Christus dreigde heel zijn aanzijn op aarde door, en dat het eerst met de Opstanding uit het graf geheel wierd afgesneden. Alzoo is het een wezenlijk stuk onzer zaligheid, omdat zonder deze nederdaling ter helle de eeuwige dood en het lijden der helle nog voor onze rekening zou liggen. (Kuyper)

Maakt het veel verschil?
Dat is maar de vraag:
De overeenkomst is dat God bij elke stap die Christus deed, de regie had.
Ook op de allerlaagste trap in de vernedering liep het Hem niet uit de hand,
de laagste trap van de vernedering is tegelijkertijd de eerste stap van de verhoging
op weg naar dat eeuwige koningschap, op het diepst, daar regeert God ook.
Hoe we die belijdenis exact invullen, of we het nu verbinden aan het kruis of aan het graf,
het gaat om hoe diep Christus is gegaan: in het rijk van de dood, in de hel,
Voor ons, te laten zien, hoe definitief zijn macht is
en dat de macht van al zijn tegenstanders definitief is verbroken, Christus triomfeert.
JEzus Christus, triomfator, mijn verlosser, middelaar
En dat geeft ook de Catechismus aan: ik heb troost en houvast,
hoe diep ik ook door een crisis moet gaan en welke intense aanvechtingen er ook zijn.
Daarom hoeven we voor niets en niemand bang te zijn,
zelfs niet voor degenen die ons lichaam kunnen doden.

Diezelfde Christus daalde af in de hel en stond waarlijk op, op de derde dag; vervolgens steeg Hij op naar de hemel, opdat Hij aan de rechterzijde van de Vader zou zitten, een eeuwig zou regeren en heersen over alle schepselen. Hij zal degenen die in Hem geloven heiligen, door in hun hart de Heilige Geest te zenden, die hen regeert, troost en levend maakt, en hen beschermt tegen de duivel en de kracht van de zonde.
(Augsburgse Confessie)

Practisch beteekent het artikel over de hellevaart van Christus voor ons de zekerheid, dat Christus in alle aanvechting en leed, ook in de hel van de oorlog en verschrikking, niet verre van ons maar bij ons is als Triomfator, die heeft overwonnen. Dood en hel zijn Zijn verwonnelingen. (Van Niftrik!)

Geen aardse macht begeren wij,

die gaat welras verloren.

Ons staat de sterke Held ter zij,

die God ons heeft verkoren.

Vraagt gij zijn naam? Zo weet,

dat Hij de Christus heet,

Gods eengeboren Zoon,

verwinnaar op de troon:

de zeeg’ is ons beschoren!

Amen