Preken met het oog op jongeren (3)

Preken met het oog op jongeren (3):
de consequenties van de mediacultuur voor de vorm en inhoud van de preek

De cultuur waarin de jongeren zich bevinden is vol media: sociale media, film, clips, games, internet. De preek is dan het tegenovergestelde van deze fenomenen: geen interactie maar een monoloog, geen of nauwelijks beelden tegenover een stortvloed aan beelden. Op welke manier kan de preek jongeren die in een mediacultuur leven toch bereiken? Moet de preek elementen uit deze mediacultuur overnemen? Dat zijn belangrijke vragen als het gaat om preken met het oog op jongeren, die – in deel 1 genoemde boek – worden gethematiseerd door Johann Pock (hoogleraar voor Pastoraaltheologie in Bonn).
Pock merkt op dat deze mediacultuur volop religieus is. In de Nederlandse situatie zouden wij als recent voorbeeld het Koningslied kunnen nemen. Dit lied heeft een volop religieuze lading: een refrein dat sterk doet denken aan beelden uit Psalm 121, het zingen over een levenstaak, het warme wij-gevoel. In deze mediacultuur zijn dus veel aanknopingspunten te vinden voor een preek.

Hoe moet er gepreekt worden voor jongeren die zich middenin een mediacultuur bevinden? Allereerst moet een preek jongeren wel iets te bieden hebben en daarom inhoud hebben. Bijvoorbeeld door ervaringen van jongeren te verwoorden. Daarbij kan ook aan jongeren de gelegenheid gegeven worden zelf deze ervaringen te verwoorden. Bij de voorbereiding dient overwogen te worden wat de brandende vragen van jongeren zijn en op welke manier het christelijk geloof hen kan helpen bij het vinden van een antwoord. Daarbij hoeft dat antwoord niet alleen bevestigend te zijn, maar kan het antwoord dat vanuit het christelijk geloof gegeven wordt een kritische vraag aan hen zijn. Deze antwoorden zijn vaak onbekend, omdat woorden en beelden onbekend zijn. Voor een predikant is het een uitdaging om nieuwe, hedendaagse beelden en gelijkenissen te vinden voor de ‘oude’ geloofswaarheden.
Inhoud krijgt een preek ook door uit te leggen waar het christelijk geloof voor staat. De denk- en leefwereld van jongeren staat vaak haaks op de officiële leer van de kerk (relaties, seksualiteit, moraal). Jongeren verlangen niet altijd dat zij goedkeuring ontvangen voor hun levensstijl. Zij verlangen ook duidelijke regels en grenzen. Het is een kans om aan jongeren uit te leggen waarom de christelijke leer of ethiek anders is. Dat vraagt wel van de gemeente en de predikant om een authentieke en oprechte levensstijl volgens de normen van het christelijk geloof.
De mediacultuur is alomtegenwoordig omdat in films, clips, reclames, songs e.d. de emoties geraakt worden. Het is mogelijk om uitingen uit de mediacultuur als voorbeeld te nemen bij het maken van de preek. Een fascinerend voorbeeld is de dramaturgische homiletiek van Martin Nicol. Nicol gaat in de leer bij filmregisseurs, schrijvers en componisten. Het mooie van Nicols model is dat de Bijbel en de dogmatiek een heel belangrijke rol krijgen in de preekvoorbereiding.
De mediacultuur heeft ook een negatieve kant: beelden en belevingen gaan zo snel dat men er geen tijd heeft om erbij stil te staan op welke manier men geraakt wordt. En daar liggen juist kansen voor de preek. In de preek kan een bewust tegenaccent gegeven worden. Door bijvoorbeeld jongeren mee te nemen in een concentratie op één beeld en daarmee de diepte in te gaan.

Een laatste boeiende constatering van Pock die ik wil doorgeven is de leeftijd van de predikant. Veelal is het preken voor jongeren uitbesteed aan jonge voorgangers. Dat gebeurt vanuit de gedachte dat zij makkelijker aansluiting hebben bij jongeren en hun leefwereld. Pock wijst erop dat jongeren juist heel enthousiast kunnen worden van een oude(re) spreker. Voor katholieke jongeren waren moeder Theresa en paus Benedictus aansprekende voorbeeldfiguren. Zij hadden door hun woord of daad hen iets te zeggen. En dat geldt ook voor reformatorische jongeren, die graag afkomen op een oude predikant die hen iets te zeggen heeft. Preken met het oog op jongeren is volgens Pock geen kwestie van leeftijd. Er speelt een andere vraag: is deze spreker of predikant in staat om jongeren enthousiast te maken?

N.a.v. Johann Pock, ‘Zwischen Videoclips und SMS. Jugendpredigt unter den Bedingen der Medienkultur’, in: Michael Meyer-Blanck / Ursula Roth / Jörg Seip (Hg.), Jugend und Predigt: Zwei fremde Welten? ÖSP 6 (München: Don Bosco Verlag 2008) 159-169.

Advertenties

Uitleg over Psalm 1

Uitleg over Psalm 1

Psalm 1 is een bijzondere psalm: deze psalm is geen dialoog met de Heere, maar een leerdicht die de luisteraars en lezers aanspreekt om de juiste weg te kiezen. In de Herziene Statenvertaling staat er daarom boven deze Psalm: Twee wegen. Wanneer wij dit opschrift lezen, komt wellicht de gedachte van de brede en de smalle weg boven.

1 Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,

In dit eerste vers wordt er gesproken over goddelozen, zondaars en spotters. Wanneer wij spreken over ‘goddelozen’ denken we al gauw aan mensen die geen geloof hebben. In onze tijd zouden wij dan spreken over atheïsten.
In het Oude Testament wordt met goddelozen echter iets anders bedoeld. Deze mensen hebben wel weet van het bestaan van God, maar het heeft geen gevolgen voor hun daden. Zij geloven niet dat God van hen om een bepaalde manier van leven vraagt. Zij geloven niet dat zij rekenschap moeten afleggen van hun daden. Men spreekt in de uitleg ook wel van praktisch atheïsme: het geloof in God heeft geen enkele consequentie voor hun manier van leven. De goddelozen zijn in de Bijbel diegenen die anderen afpersen, die de zwakken (weduwen en wezen) onderdrukken en uitbuiten. Dat zijn de personen die volgens de Bijbel met God spotten. Dat is de (oud-testamentische) definitie van zondaar.
In dit vers wordt gesproken over een raad van goddelozen. Wij spreken over een raad als we het hebben over toonaangevende personen in een gemeenschap: kerkenraad, gemeenteraad. We kunnen dat ook zien aan het woord zetel: een zetel drukt een voorname plaats uit. De Bijbel legt een grote verantwoordelijkheid neer bij de leidende personen van de gemeenschap. Zij zijn voorbeeldfiguren. Zij gaan voorop.
Dit vers spreekt over wandelen, staan en zitten. Deze woorden geven een nauwe verbintenis aan. De NBV spreekt over meegaan: je gaat zomaar mee in een verkeerde beslissing. Je laat je zomaar meeslepen. De wet van de Heere zorgt ervoor dat je alert en scherp blijft. Er zijn verschillende stemmen die op ons inwerken. Gelukkig diegene die weet te onderscheiden welke van die stemmen de stem van God is!

Welzalig degene die hieraan niet meedoet. Het is niet altijd gemakkelijk om ‘nee’ te zeggen tegen de verkeerde weg. Het is niet gemakkelijk om op de rem te trappen als een raad van advies, een bestuursvergadering of een gemeenteraad de verkeerde kant op gaat. Het kan een eenzame positie geven. Deze Psalm geeft een ander perspectief: je bent gelukkig! In ieder geval in Gods oog (zie ook Psalm 2).

2 maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.


Geregeld wordt de wet gezien als een ballast of als een middel dat ons kort houdt. Zo niet in deze psalm. De wet geeft echte vreugde. Deze vreugde staat in contrast met de vreugde die de goddeloosheid uit vers 1 lijkt aan te bieden.
Wellicht is wet ook geen goede vertaling. Het duidt op een leefregel, een levenswijsheid die ons de weg naar het goede leven wijst. De wet is de wil van God, die ons de weg ten leven wijst.
Dat blijkt ook uit vers 3: wie zich aan deze wet houdt is gelukkig – als een boom die nooit zal uitdrogen, omdat de wortels water uit de Bron halen. Een zinvol leven, een leven vol vrucht.

4 Maar zo zijn de goddelozen niet:
die zijn juist als het kaf, dat de wind wegblaast.
5 Daarom blijven de goddelozen niet staande in het gericht,
de zondaars niet in de gemeenschap van de rechtvaardigen.
6 Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen,
maar de weg van de goddelozen zal vergaan.


Worden de zondaars en de goddelozen gestraft? Dat kan, maar deze Psalm lijkt te suggereren dat de goddelozen en zondaars zo’n leeg en voos bestaan hebben, dat zij vanzelf verdwijnen. Lucht en leegte – alles is leegte. Ze lijken heel wat, maar in de ogen van God zijn zij niet het neusje van de zalm (wat zij waarschijnlijk wel over zichzelf denken), maar zijn ze afvalproduct. Slechts waard om weggegooid te worden. Hun weg vergaat, zoals een zandpad overwoekerd wordt of uitgewist wordt tijdens een overstroming. Dat is een waarschuwing: Gods Woord leert ons wat echt van waarde is: een leven volgens Gods richtlijnen.
In het dagelijks leven lijken deze rechtvaardigen het onderspit te delven. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de rechtvaardigen verdwijnen. Maar nee, de Heere is er ook. Het is de troost voor elke gelovige die trouw is aan de Heere: Hij kent hun weg en daarom zal hun weg (tot in eeuwigheid) blijven bestaan.
De zondaars en de goddelozen lijken aan het langste eind te trekken. Zij hebben echter niet aan God gedacht. Hun leven komt onder Gods oordeel en in dat oordeel kunnen zij niet bestaan.

Preek zondagmorgen 21 april 2013

Preek zondag 21 april 2013 ochtenddienst
Johannes 21:1-19
Tekst: vers 15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat zou u antwoorden als de vraag van de Heere Jezus aan Petrus ook aan u wordt gesteld: “Heb je Mij lief?” Het is nogal een persoonlijke vraag. Zou u daar antwoord op kunnen geven voor uzelf?

Ik wilde eerst anders beginnen. Mijn eerste begin was: Soms ben je blij dat een vraag aan iemand anders gesteld wordt. We zijn blij dat deze vraag aan Petrus gesteld wordt – en niet aan ons.
Maar toen dacht ik: “Stel dat er toch mensen hier in de kerk zijn, die zeggen: ‘Ja, als het aan mij gevraagd zou worden, zou ik zeggen: Ja, ik houd veel van U. Zielsveel.’

Ik dacht aan de kinderen die er in de kerk zouden zijn. Ik dacht eraan wat jullie antwoord zou zijn, als de Heere Jezus aan jullie zou vragen: ‘Houd je van Mij?’ Ik zag zo voor me, dat jullie gezicht zou stralen en dat je zou zeggen: ‘Of ik van de Heere Jezus houd? Nou en of!’

Want ik kom dat in de gemeente gelukkig veel tegen: oprechte liefde voor de Heere Jezus. Die elke dag uit de liefde voor de Heere Jezus willen leven en ook hier vanmorgen gekomen zijn om die liefde weer te versterken.
Mijn Jezus, ik houd van u – is niet voor niets een geliefd lied, zoals wel meer liederen die over de liefde voor de Heere Jezus gaan. Sommigen zijn gisteren naar de Nederland Zingt-dag gegaan waar ook over die liefde gezongen zal zijn. Die liederen zullen vermoedelijk uit volle borst gezongen zijn.

Wat zou u antwoorden op de vraag van de Heere Jezus: Hebt u Mij lief? Het kan best zijn, dat u er over nadenkt en bij uzelf denkt: ‘Ja, ik houd wel van de Heere Jezus, maar of het genoeg is? Of mijn liefde oprecht is? Ik durf dat niet te zeggen.’
Dat antwoord kom ik namelijk ook wel tegen. Gemeenteleden die aarzelen. Die zich herkennen in het antwoord dat Petrus aan de Heere geeft: ‘Of ik van U houd, Heere Jezus? Dat weet u beter dan ik. Ik zou dat van mijzelf niet zeggen.’ Het kan een van de redenen zijn voor het uitstellen van het doen van belijdenis, omdat u er voor uzelf nog niet uit bent, of uw liefde wel oprecht is. Elke keer als u in het kerkblad leest, dat er een mogelijkheid is om belijdenis te gaan doen, denkt u erover serieus over na, maar u stelt het toch weer uit. Elke keer als de ouderling op huisbezoek erover begint, zegt u: “Ik weet niet of ik er aan toe ben.’
De ouderling die u voor uw gevoel u over de streep wil trekken – want geloof me: er is voor een ouderling een bijzondere ervaring om op huisbezoek te mogen horen: wij hebben besloten om belijdenis te gaan doen. Als iemand uit de wijk na lang wikken en wegen, of na een tijd van worstelen toch kan antwoorden: “Ja, Heere Jezus, ik heb U lief met heel mijn hart.”

Overigens, de eerste keer vraagt de Heere Jezus niet zomaar naar de liefde van Petrus voor Hem. Hij vraagt Petrus om zich te vergelijken met de andere discipelen. Petrus, is jouw liefde voor Mij groter dan die van de andere discipelen? Petrus, is jouw liefde het grootst van allemaal?
Ik kom nogal eens tegen dat gemeenteleden hun geloof vergelijken met die van een ander. En dan komen zij er zelf uit die vergelijking niet zo goed af. Ik heb niet zo’n groot geloof als de ouderlingen voor in de kerk.
Een ander zegt weer: ik heb niet zo’n groot geloof als mijn zuster, want die veranderde heel haar leven toen zij tot bekering kwam. Alles ging de deur uit. Zo ver ben ik nog niet. Ik zit nog teveel vast aan het aardse. Er moet nog heel wat gebeuren in mijn leven voor ik zover ben…
Wie op zo’n manier zijn eigen geloof vergelijkt, blijft steken. die zegt: het is onmogelijk, dat ik veel verder kom.
De Heere Jezus vraagt echter niet aan Petrus en ook niet aan u: hoe staat uw geloof ervoor als u uzelf vergelijkt met iemand anders?
Als de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelt: Is jouw liefde groter dan die van de anderen? is deze vraag bedoeld om Petrus naar Zich toe te krijgen, dichter bij Hem te krijgen. Dat doet de Heere door naar Zijn liefde te vragen.

Eigenlijk is het maar een rare vraag van de Heere Jezus aan Petrus. En wellicht hebben de andere discipelen ook hun wenkbrauwen gefronst toen de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelde: welke kant wilde de Heere Jezus met Petrus naar toe? Want als je ziet wat Petrus allemaal doet: hoe hij die morgen in de weer is geweest, dan is het toch duidelijk dat Petrus de Heere Jezus liefheeft en alles voor Hem overheeft. Petrus was overboord gesprongen om zo snel mogelijk bij de Heere Jezus te zijn. Dat was toch een teken van Petrus’ liefde voor Christus? En later, toen zij met z’n allen om het kampvuur zaten en de Heere Jezus vroeg om de vissen te brengen die zij gevangen hadden, was het Petrus toch die aan de slag ging met de vissen?
Goed, Petrus heeft eerder bij een kolenvuur gezeten en daar bij dat kolenvuur in het hof van de hogepriester heeft hij de Heere Jezus verloochend. Maar valt hen allemaal niet iets te verwijten? Hadden ze niet allemaal de Heere Jezus in de steek gelaten?
Misschien hadden ze wel gedacht: ik ben blij dat de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelt en niet aan mij. Want wat had ik moeten antwoorden? Het antwoord zou niet veel anders zijn dan dat van Petrus: Heere, u weet dat.

De vraag van de Heere Jezus is een vraag naar de motieven van Petrus, waarom hij dit deed: waarom hij overboord sprong, waarom hij het werk van de discipelen overnam door het vis te sorteren. Petrus, deed je dat om te laten zien, dat je toch weer om Mij geeft? Petrus, wil je laten zien dat je voor Mij toch barrières weet te overwinnen? In de voorbereiding kwam ik discussie tegen of Petrus wel kon zwemmen.
We lazen met elkaar dat Petrus, zodra hij weet dat het de Heere is, zich geen moment bedenkt,
zijn mantel pakt en overboord springt. In de uitleg van Johannes 21 is er een discussie over de vraag of Petrus wel kon zwemmen. In deze discussie wordt ook verwezen naar Mattheüs 14, waarin verteld werd dat Petrus op het water wandelde: Toen ging Petrus Jezus tegemoet.

Petrus is uit op een ontmoeting met de Heere Jezus, want hij slaat zijn mantel om. De kinderen hier in de kerk weten wel dat zwemmen met kleren moeilijker is dan zwemmen in een zwembroek. Je zwemt makkelijker als je niets aanhebt. Met kleren aan zwemmen is zwaar. Dat doe je niet in de eerste lessen van de zwemles, maar pas op het eind als je bijna af moet zwemmen voor diploma.
Omdat Petrus de Heere Jezus wil ontmoeten, trekt Petrus zijn mantel aan. Petrus doet dat niet zomaar. Er wordt ook een verklaring voor gegeven: want hij was naakt.
Bij zijn werk op het schip was dat geen probleem, maar als hij de Heere Jezus gaat ontmoeten, wanneer hij de Heere Jezus tegemoet snelt, valt het hem op eens op: ik ben naakt. Als Johannes zulke details geeft, moeten we altijd opletten.
Want het is een herinnering aan de allereerste keer dat de mens besefte naakt te zijn: in het paradijs, nadat Adam en Eva hadden gegeten van de boom. Jezus die verschijnt en zichzelf onthult – Petrus die het te horen krijgt dat het Jezus is en zijn naaktheid verhult. Petrus, die beseft: zo kan ik niet voor de Heere verschijnen. En toch ook getrokken. Want er zit nog meer in dat omdoen van het bovenkleed.
Het verwijst ook terug naar de voetwassing, waarbij de Heere Jezus ook iets omdeed. Johannes gebruikt in zijn evangelie een woord dat alleen nog bij die gebeurtenis terugkomt.
In deze daad van Petrus – het omdoen van zijn mantel en het overboord springen – ligt veel besloten. Het is een ambivalente daad, hinken op twee gedachten: moet ik mij verbergen voor de Heere – of moet ik overboord springen om Hem te dienen zoals Hij mij gediend heeft? En wellicht is dat ambivalente, dat hinken op twee gedachten wel kenmerkend voor het geloofsleven: aan de ene kant worden wij getrokken, de bereidheid en het verlangen om de Heere te dienen en aan de andere kant: de neiging om ons te verstoppen, te camoufleren.
O, Heer verberg U niet voor mij, wanneer ik mij verberg voor U.
Gij weet het, ik ben bang voor U, ontwijk u en verlang naar U –
o ga niet aan mijn hart voorbij.

Petrus, heb jij Mij lief – dat is een andere vraag dan de vraag die Adam kreeg toen hij zich verstopte voor de Heere. Adam kreeg de vraag: Adam waar ben je? Adam werd tevoorschijn geroepen. Ook Petrus wordt naar voren geroepen. Petrus, de liefde voor Mij – is die liefde er werkelijk? Of is het een soort compensatiegedrag? Afkopen? Deed Petrus het om zijn liefde te bewijzen? Om te laten zien, hoeveel hij van Jezus houdt? Om Jezus te pleasen?

En kijk eens naar het antwoord van Petrus: Heere, u weet het… U weet hoe ik het bedoelde, toen ik overboord sprong, toen ik die vissen haalde. U prikt erdoor heen. Heere, U voelt haarfijn aan hoe ik het bedoel… Nu ga ik ervoor, maar wellicht komt er een moment waarop ik U weer teleurstel, U weer verloochen. In het antwoord van Petrus zit een dubbelheid: ja – zegt hij. Maar tegelijkertijd zwakt hij het wel af. Ja, maar liefde is misschien wel een te groot woord.

Petrus zwakt zijn antwoord af. Waar de Heere Jezus hem op zijn liefde bevraagt, vraagt of zijn liefde alles overstijgt, geeft Petrus aan: liefde is misschien een te groot woord. Want liefde moet ook in praktijk gebracht worden. Het is gemakkelijk om te zeggen dat ik van U houd, maar het moet ook wel uit mijn daden blijken.
Zoals dat gemeentelid dat zegt: ik kan wel zeggen dat ik van de Heere Jezus houd, dat ik belijdenis wil doen, maar ik zit nog te vast aan het aardse. Het moet wel blijken of mijn geloof echt is. Petrus zwakt het dan maar af: Kan ik nog zeggen dat ik U liefheb? Heb ik nog wel het recht om tegen U te zeggen dat ik van U houd? U kent Mij! Laten we het erop houden dat ik een vriend van u ben. Of ik U liefheb? Ja, ik wil u als een vriend bijstaan en helpen.

Dan geeft de Heere Jezus een verrassend antwoord. Voor Petrus is het een afzwakken van zijn liefde.
Een aarzeling: je weet maar nooit of ik nog eens faal, of ik nog eens uitglijd. Maar de Heere Jezus geeft aan deze Petrus, die het niet volmondig kan toegeven, een taak. Petrus als je voor mij een vriend bent, als je een slag om de arm houdt omdat je van jezelf niet zeker bent, dan heb ik een taak voor jou. Want als je Mijn vriend ben, dan weet je Wie ik ben, dan weet je waarom Ik in deze wereld gekomen ben.
Voor ons is dat een vreemde gewaarwording, dat iemand als Petrus zo’n belangrijke taak krijgt: het weiden van de lammeren. De zorg voor de kleintjes, de zwakken, de beginnelingen in het geloof.
Wanneer wij iemand in het bedrijfsleven voor een functie gevraagd wordt, moet hij of zij er in geloven, in zichzelf, of geloven dat hij of zij het kan leren. In het koninkrijk van God werkt het anders: degene die van zichzelf weet – liefde is een te groot woord, want wie weet zullen wij falen op een moment waarop wij er moeten staan.
Jezus had hoge verwachtingen van Petrus gehad. Hij noemde hem een rots, een man op wie Hij kon bouwen. Uitgerekend deze steunpilaar viel om, liet Jezus vallen.
Maar uitgerekend deze Petrus op wie niet gebouwd kon worden, mag opnieuw een steunpilaar worden.
De man die viel mag voorkomen dat anderen vallen, de man die niet hield, mag anderen steunen.
Petrus degene die Jezus verloochende krijgt een belangrijke taak. Bemoediging voor ambtsdragers!
Hoe zingt het koningslied – mocht je de weg verliezen – Christus!

En dat niet omdat de liefde van Petrus toch zo groot bleek te zijn. Nee, omdat Jezus liefhad. Omdat de Heere Jezus werkelijk een vriend was, waar Petrus faalde, ging de Heere Jezus door. Waar Petrus omviel, bleef de Heere Jezus overeind.
Zijn liefde voor ons geeft aan ons de mogelijkheid om Hem lief te hebben.

Wat zou ons antwoord zijn op de vraag van de Heere Jezus? Heb jij Mij lief? Als u aarzelt, als u niet weet of uw liefde oprecht is, kunt u zeggen: ik weet niet of ik u liefheb. Ik weet niet of ik mij Uw vriend mag noemen. Ik weet wel, dat U van mij houd.

Petrus krijgt nog een kans om te laten zien dat hij van de Heere Jezus houdt. Voor Zijn sterven kondigde de Heere Jezus aan, dat Petrus Hem zou verloochenen. Nu gaat de Heere Jezus bijna weg – nu kondigt de Heere Jezus aan dat Petrus zou stand houden. Voor Petrus komt er ook een kruis. Net als Jezus zal Petrus de kruisbalk dragen, zal Petrus wel standhouden en zijn dood zal velen bemoedigen en sterken. In zijn sterven zal hij de Heere Jezus verheerlijken. Petrus, jij die faalde mag een voorbeeldfiguur zijn. Vanaf nu mag je het aan beginnelingen laten zien wat het betekent om bij Mij te horen, mag je hen onderwijzen en hen begeleiden – zelfs tot in je dood.

De Heere Jezus durfde het aan met Petrus, die Hem verloochende en zelfs na de opstanding iets dubbels in zijn houding naar Jezus had. Hij durft het ook aan met u en met jou.Misschien aarzelt u nog wel. Houd ik oprecht van de Heere Jezus? Ben ik Zijn vriend? Heere, u weet alles. Dan zal Hij zeggen: kijk maar naar Mijn handen, de littekens, Ik deed dit voor jou / u.

Heb jij Mij lief?
Amen

Preken met het oog op jongeren (2) Friedrich Schweitzer

Preken met het oog op jongeren (2)

Hoe komt het dat jongeren een preek vaak saai vinden? Volgens de godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer zijn hiervoor duidelijke redenen aan te wijzen:

Letterlijk
(1) Jongeren nemen godsdienstige taal en symbolen nog heel letterlijk. Als in een preek metaforische taal wordt gebruikt, kunnen zij hiervan niet de diepere betekenis begrijpen.
Jongeren vatten een bijvoorbeeld gelijkenis vaak niet op als een verhaal dat iets wil duidelijk maken over het Koninkrijk van God. Zij vatten de gelijkenis vaak letterlijk op, als een waar gebeurd verhaal uit die tijd dat gaat over bijvoorbeeld familieproblemen. Zij merken vaak niet op, dat deze gelijkenissen iets wil duidelijk maken over God. Ook als jongeren luisteren naar een preek, pikken zij geregeld de diepere laag niet op. Hun begrip is nog niet zover ontwikkeld. Doordat zij deze diepere betekenis niet oppikken, missen zij een toegang tot de preek. De preek gaat over hun hoofd en hart heen en daarom ervaren zij de preek als saai.

Afscheid van het kindergeloof
(2) Jongeren bevinden zich in een fase van “afscheid nemen van het kindergeloof”. Jongeren gaan zich kritisch verhouden met de beelden van God die zij in hun kindertijd hebben meegekregen. Zij reageren kritischer op wat er in de Bijbel wordt verteld en beschreven. Kinderlijke voorstellingen van de hemel maken plaats voor een meer door de natuurwetenschappen gestempeld wereldbeeld. Ook het beeld dat jongeren hebben van Jezus wijkt vaak af van de traditie. Wanneer jongeren luisteren naar een preek, kan er – als zij al een preek begrijpen – een botsing zijn tussen hun eigen denkbeelden en de denkbeelden die in de preek naar voren komen. Overigens is nog amper onderzocht wat voor geloof er komt na het afscheid nemen van het kindergeloof. Ook is nog niet duidelijk welke beelden in de ogen van jongeren plausibel zijn. De gegevens die nu bekend zijn, wijzen er op dat jongeren veel eerder voorzichtig en aftastend zijn.

Onderdeel van een groep
(3) Jongeren zijn gevoelig voor de mening van de omgeving waarin zij zich bevinden. Zij willen graag bij een bepaalde groep horen en kunnen ook de mening van anderen overnemen. Zij willen geloven op de manier waarop de anderen van de groep geloven. Schweitzer trekt hieruit de conclusie, dat een preek die zich richt op jongeren hen aan de ene kant serieus moet nemen in hun individuele onafhankelijkheid, maar aan de andere kant hen serieus moet nemen als onderdeel van een bepaalde sociale groep.

Rechtvaardig
Jongeren maken een ontwikkeling door. Een ontwikkeling die al in de kindertijd begint, maar voor jongeren belangrijk wordt is een gevoel voor rechtvaardigheid. Gaat het in de kindertijd vooral er nog om dat alles eerlijk wordt verdeeld en dat iedereen gelijk behandeld wordt, in jeugdfase gaan ook intenties en de eigen ervaringen van (on)eerlijkheid meespelen. Een preek kan aansprekend worden als er een aansluiting gezocht wordt bij een gevoel voor rechtvaardigheid, die voor jongeren relevant en daardoor uitdagend is.

Ontwikkeling
Schweitzer houdt zich in zijn onderzoek sterk bezig met de ontwikkeling die kinderen en jongeren doormaken als het gaat om geloof, denkbeelden over God, de wereld, de kerk en zichzelf. In het nadenken over de preek heeft men de gegevens van de verschillende stadia in de ontwikkeling tot nu toe nog niet opgenomen. In de reflectie op godsdienstonderwijs en de catechese worden deze inzichten al wel verwerkt. Op dit terrein is men bezig hoe teksten en thema’s op een basale manier bij jongeren gebracht kunnen worden en omgekeerd: hoe jongeren op een basale manier een tekst of een thema leren ontsluiten. Schweitzer pleit ervoor om deze kennis ook toe te passen in de preekvoorbereiding. De preek werkt daarbij mee aan de vorming in de ontwikkeling van de jongeren.

N.a.v. Friedrich Schweitzer, ‘”Todlangweilige Predigt?” Jugendhomiletische Konsequenzen aus den entwicklungspsychologischen Erkenntnissen über das Jugendalter’, in: Michael Meyer-Blanck / Ursula Roth / Jörg Seip (Hg.), Jugend und Predigt. Zwei fremde Welten? (München: Don Bosco Verlag, 2008) 149-158.

Geschreven voor HWConfessioneel1

Preek zondag 7 april 2013

Preek zondag 7 april 2013
Preek over 1 Korinthe 15:12-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Hoe kunnen sommigen onder u zeggen dat er geen opstanding van de doden is?
Als we in de kerk zitten en luisteren naar een preek, willen we graag uit de Bijbel een boodschap krijgen die ons raakt en waar we in meegenomen worden. En dan vooral een boodschap die nieuw of verfrissend is. Alleen … de boodschap over de opstanding is overbekend. De meesten van ons zijn er als kind al mee opgevoed, op school, op zondagschool, in de kinderbijbel de verhalen over de opstanding van de Heere Jezus. En u gelooft er ook in, anders was u hier niet in de kerk. U hebt vorige week met grote dankbaarheid Pasen gevierd. Ik kan me zo voorstellen dat u bij uzelf denkt: Wat Paulus tegen de gemeente in Korinthe zegt, dat verwijt, dat hoeft hij ons als gemeente toch niet te maken?
‘Er zijn er onder u,’ zo schrijft Paulus aan de gemeente van Korinthe, ‘die zeggen dat er geen opstanding uit de doden is.’
We komen er wel mee in aanraking. Er zijn er genoeg die er moeite mee hebben met de gedachte dat er een moment komt dat ons lichaam dat gestorven is en is vergaan zal opstaan. Wellicht heeft u zulke gesprekken ook gehad rond de Paasdagen. Collega’s die horen over de betekenis van Pasen, horen dat de Heere Jezus uit de dood is opgestaan en dat die collega’s zeiden: ‘Nou, ik geloof er niets van. Hoe kan iemand die gestorven is, nu terugkomen uit de dood? Er is toch nooit iemand terug gekomen? En hoe zit het dan met alle mensen die verbrand zijn, of verdronken, of vermist? dat kan toch niet?’
Door zo’n zulke opmerkingen word je wel gedwongen om erover na te denken. Zeker als iemand het vol overtuiging zegt, dan kun je bij jezelf gaan nadenken waardoor je het opeens ook allemaal niet meer weet. De zekerheid die er voorheen was, raak je langzaamaan kwijt en kan er zomaar een stemmetje in je hoofd komen die het je influistert tijdens de kerkdienst: dat geloof je toch niet meer? Dan kan je soms zo ernaar verlangen dat er iemand is, die je weer die zekerheid geeft: Twijfel niet, Christus is echt opgestaan. Hij leeft!
Of het moment dat je aan een geopend graf staat en de kist is gedaald, waarop er veel door je heen gaat en er iemand naast je komt staan en de hand op je schouder legt, je moed inspreekt en het tegen je zegt: “Kijk niet alleen naar beneden, kijk verder naar de dag waarop Christus terugkomt. Dan zal ook dit graf opengaan en de overledene zal uit het graf herrijzen. De dood heeft niet het laatste woord!”
Ik weet niet of u dat ook heeft, maar voor mij zijn het momenten waarop ik het merk: nu komt het erop aan, dat het waar is, dat Christus is opgestaan. Want als Christus niet is opgestaan, als er niets van klopt, dan is het maar een troosteloze bedoening bij het graf. Dan heeft de dood het laatste woord, die harde, kille, wrede dood en is er voor ons geen hoop. Dan mag je hopen dat je hier op deze aarde geluk hebt gehad met een goed leven. Dat is dan je enige troost.
Als je bij een graf staat, dan besef je hoe wezenlijk de opstanding van Christus is, maar ook hoezeer dat geloof, dat Hij leeft, kan worden aangevochten. Daarom is het ook van belang dat wij in dat geloof gesterkt worden. Dat we vasthouden dat Jezus de levende is, dat Hij nu als de Levende bij ons is. Als voorbode van onze opstanding, de opstanding van ons lichaam uit het graf en de opstanding van elk lichaam uit het graf.

(2) … dan is Christus ook niet opgewekt
We kunnen dat niet los van elkaar zien: de opstanding van Christus en onze opstanding. Het is van tweeën één: of er klopt niets van, maar dan hoeven we ons ook geen illusies te maken over een leven na de dood, want dat is er dan niet.
Of het is waar, dat Christus is opgestaan en dan hoort er ook bij dat ook wij in een nieuw lichaam, een verheerlijkt lichaam zullen opstaan. We kunnen niet, als dat stemmetje ons bekruipt en het ons influistert: opstanding van het lichaam? Dat geloof je toch niet meer in? – we kunnen dan niet meer vasthouden aan de opstanding van Christus. Dan moeten we ook over de berichten van de opstanding zeggen: mooie verhalen, maar niet geloofwaardig. We kunnen niet zeggen: Jezus kwam uit het graf – Hij stond op uit de dood, maar de rest, van de andere mensen – dat geloven wij niet. Dat wij zelf ooit nog eens zullen opstaan, nee dat gaat er bij ons niet in.
Maar – zo houdt Paulus ons voor – dat is helemaal geen onschuldige kwestie. Dat raakt het christelijk geloof heel diep en dat zet alles op het spel. Dan moet je alles loslaten: je geloof, je zekerheid, je houvast in leven en sterven. Alles – ook God. Want als je twijfelt aan de opstanding, twijfel je ook aan God. Want de opwekking van Christus uit de dood was toch een daad van God?
Of je gelooft dat Hij Christus opgewekt heeft en dat Hij ook ons kan opwekken uit de dood, of je gelooft dat God het niet kan, dat Hij het met Christus niet kon en dat Hij het met ons ook niet kan.
Maar dan moet je ook eerlijk zijn en zeggen dat het met de dood is afgelopen. En dan moet je ook zeggen, dat het leven is zoals het is. Als je geluk hebt, mag je in je handen knijpen en heb je dat niet? Dan heb je pech gehad. Dan is het zuur als je slachtoffer bent van een oorlog, als je je man en je kinderen voor je ogen hebt zien dood gaan, of slachtoffer van een verkrachting en je leven van je afgenomen omdat iemand zijn lusten niet kon inhouden, want dan is er geen God die het laatste oordeel over alles uitspreekt en het onrecht dat op aarde is aangedaan wordt niet rechtgezet.
Dan is je leven uitgewist als je verdrinkt in een rivier en je lichaam is niet terug te vinden Dan is je leven zinloos geweest als je verongelukt terwijl je nog niet hebt kunt laten zien, wat je in je mars hebt, want dan is er geen God die je een nieuw leven biedt in Zijn heerlijkheid.

Als Paulus de opstanding van de doden verdedigt – en hij doet dat hartstochtelijk – gaat het hem niet om een alleen leven na de dood. Er staat meer op het spel: God zelf. De Heere zoals Hij zich in Zijn woord heeft laten zien.

(3) … dan is onze prediking zonder inhoud
Dan is er ook helemaal niets van waar, van wat er over God is verteld. Dan is het niet waar, dat Hij zich ontfermt over weduwen en wezen, dan is het niet waar dat de Heere zich druk maakt over degenen hier op deze aarde die geen recht hebben, die leven in de sloppenwijken, omdat er voor hen geen werk is. Dan schreeuwen de kinderen die kinderarbeid verrichten wel naar de hemel, maar vervluchtigt hun stem in de ruimte – want dan is er ook geen hemel waar onze gebeden doordringen, want er is geen God. Dan is het gebed van de vluchteling, van huis en haard verdreven door soldaten in een wrede oorlog, dan is zijn gebed een neerdwarrelende vlieger, want er is niemand die de gebeden opvangt. Een lege hemel en een onrechtvaardige wereld.
Dan zijn de mensen in rampgebieden afhankelijk van onze hulp en steun. Dan hebben ze geluk hun ramp op tv beter is te verkopen, zoals bij Haïti waarbij er 70 miljoen werd opgehaald, en hebben ze pech gehad omdat het nieuws over Syrië ons heeft afgestompt.
En dan kunnen wij er ook maar beter mee stoppen – met geloven en met de kerkdienst. Want als er geen opstanding is, is er geen God en als er geen God is, is de hele kerkdienst maar poppenkast, een ritueel dat even troost geeft, maar dan ons dan weer alleen laat. Dan kunnen we beter Toon Hermans opzetten want dan heb je een lach en een traan, of een tv-quiz en alle ellende op de wereld vergeten, want daar is niets meer aan te doen. Dan heeft het geen zin op de ogen op te slaan en onze hulp van de Heere te verwachten. Dan ga je een operatie in en hoop je op goed geluk. Dan is er niemand die je opvangt als je in het diepe valt.

Maar gemeente, dat geloven we toch niet: dat er geen God is, dat alles zinloos is, dat alles alleen maar van het toeval afhangt? We geloven toch, dat Christus is opgestaan? En niet omdat de kerk het ons voorschrijft, maar omdat Hij de levende is? Omdat God heeft laten zien, dat Hij deze wereld niet heeft losgelaten, maar trouw is gebleven? Omdat God trouw houdt, omdat de Heere niet prijsgeeft wat Zijn hand begon, daarom wekte Hij Christus op uit de dood. En daarom zal Hij ook onze lichamen, waaraan we nu nog merken dat we sterfelijk zijn en sommigen merken dat heel sterk dat hun lichaam broos is, kwetsbaar, daarom zal Hij ook onze lichamen opwekken uit de dood.
Hij heeft Zijn macht toch laten zien? Toen Hij deze wereld schiep. Toen Hij ons het leven gaf. Toen Hij Zijn Zoon naar onze aarde stuurde. Toen Hij Zijn Zoon riep uit het graf en Christus, Gods Zoon, opstond uit de dood. We hebben Pasen gevierd – omdat het waar is – we kunnen het niet bewijzen, maar we geloven het, dat Christus opstond, dat Hij de dood overwon, omdat we vertrouwen op God.
En we geloven dat de Heere ons niet voor de gek houdt.

Dan zijn er momenten, dat we het niet kunnen geloven. Dat het te groots is, te onbegrijpelijk. Of omdat er veel op ons afkomt, we veel ingrijpende dingen mee maken, of omdat we toch dat stemmetje geloven dat in ons spreekt en het zegt: het is niet waar en we vallen …
De gemeente is een plek waar we elkaar oprapen, omdat we van elkaar weten: Ook wij gaan geregeld onderuit. We zeggen dan niet: het maakt niet zoveel uit, maar we rapen elkaar op en we spreken elkaar moed in en we wijzen op Christus: zie Hij leeft!
Omdat we van elkaar weten dat we ook geregeld onderuit gaan, dat het stemmetje in ons te sterk is of dat we geen antwoord hebben op die collega die zegt: Ik geloof er niets van, hoe kan dat nou, daarom hoeven we ons ook niet voor elkaar groot te houden. Geloof in Christus betekent niet dat wij ons groot houden voor de ander, maar dat wij steun zoeken voor onszelf, bij de ander. Dat we zoals Thomas toch die gemeenschap opzoeken, want wie weet gebeurt het toch dat ons ongeloof van ons afvalt, dat Christus zich toont. Maar vooral dat we steun zoeken bij Christus zelf – de levende.
Want geloven dat Christus de levende is, dat Hij is opgestaan en dat wij zullen opstaan, veronderstelt toch dat wij hier in dit leven al met Hem leven? Dat we hier al die gemeenschap met Hem opzoeken?
Het is heel gemakkelijk om met elkaar te praten, maar met de Heere praten? En we kunnen ons wel heel druk maken over anderen die het niet meer kunnen geloven, maar het helpt ons niet verder als wij het alleen maar orthodox zijn in onze woorden, in onze leer en de levende omgang met de Heere verwaarlozen.

Leeft u ook elke dag met Hem? Geven we Hem ook de tijd om bij ons te komen zitten, zoals Petrus op het strand, en dat ook aan ons de vraag gesteld wordt: Heb jij Mij lief? Heb jij Mij liever dan de anderen?

(6) En bent u nog in uw zonde
Er is voor Paulus nog iets dat op het spel staat als de opstanding wordt losgelaten en waarvoor hij, Paulus, de hele wereld is rondgetrokken. Dan bent u nog in de zonde.
Als Christus niet was opgewekt en als ons lichaam niet zal worden opgewekt, dan heeft het geen enkele zin om te spreken over verlossing van de zonde. Dan heeft het geen enkele zin om te hopen dat wij eens vrij van de zonde zullen zijn. Dan zullen wij in de macht van de zonde blijven. Elke gedachte over God, over een leven met de Heere, over gemeenschap met Hem, is een droom over iets dat voor ons onbereikbaar is, dat voor ons niet is weggelegd. Dan rest alleen nog de verlorenheid. Voor eeuwig en altijd. Redding is niet mogelijk. O ja, we zullen er naar snakken en op hopen – maar tevergeefs. Ons leven is dan net als de schepping aan de zinloosheid onderworpen – zonder uitzicht op beter. Dan zuchten wij net als de schepping – een onophoudelijk zuchten, omdat er geen einde aan kan komen.
Wat valt er dan van ons nog te zeggen? Dan zijn we mensen die leven in een illusie, want we leven in een vervloekt bestaan, maar we ontkennen het en we zien niet dat we als slaaf dienen onder de macht van de zonde. Als we al het goede zouden willen doen, dan kunnen we het niet. Dan is ook elke hoop, dat wij een ander mens zullen worden, een illusie –we beelden ons maar in. Dan is elke gedachte dat iemand tot inkeer komt, een crimineel zijn fouten toegeeft, een oorlogsmisdadiger zijn fouten inziet, niet mogelijk, want een nieuw leven is er niet. Niemand die de schuld wegdraagt – ook onze schuld niet. Dan was je beter af als je niet geloofde – of misschien wel beter af als we er nooit hadden geweest.

Maar nu, Christus is opgewekt!
Maar nu – dat is het evangelie, dat in ons leven gekomen is en ons de ogen geopend heeft voor de macht van de Heere, ons getrokken heeft in die gemeenschap met Hem, de liefde tot Hem heeft doen ontvonken en ons deed knielen voor Hem – Heere, hier ben ik, neem mij zondaar aan.
Maar nu – deze woorden zijn de begintonen van een indrukwekkende lofzang op de Heere – Maar nu Christus is opgewekt. Om voor ons dat nieuwe leven te geven – een leven waarvan wij vrij van zonde mogen zijn, als wij op mogen staan in een nieuw en verheerlijkt lichaam. En we zeggen het vol verwondering over de trouw van God, die Zijn macht voor ons gebruikte. En we zeggen het vol dankbaarheid met degenen die ons zijn voor gegaan en die met de Heere hebben geleefd – het is waar, Christus is opgewekt. Voor jullie is er redding en voor ons ook. De dood is in deze wereld gekomen en is nog machtig, maar er is een die machtiger is dan de dood. We hoeven niet te zijn als mensen zonder hoop, want Christus is onze hoop, ons leven, onze redding.
Die hoop mogen wij meedragen de moeilijke momenten in: als we een chemokuur moeten ondergaan, als we aan het graf staan, die hoop mogen we meedragen als collega’s het tegen ons zeggen op een spottende manier: Ik geloof er niets meer in en jij toch ook niet! Want we worden door Christus overeind gehouden. We hoeven niet zonder hoop naar het journaal te kijken. Al worden we wel moedeloos van onze machteloosheid en vragen we ons af: hoe lang nog Heere?
Want de tijd van Christus komt, zo waar Hij is opgestaan. Hou vol en zie naar Hem uit naar de dag dat Hij komt en de dood ieder moet laten gaan.

De dag waarop degenen die er hier niets van moesten weten, moeten erkennen: Hij is toch opgestaan en zij zullen het met vrees zeggen. Maar ik hoop dat u bij die andere groep mag staan, die vol blijdschap opstaat, omdat Hij er is – onze Heere, die gestorven is om ons leven te geven, die door de dood heen ging en opstond om ook ons het nieuwe leven te geven.

Wat een dag moet dat zijn, om onze Heere te mogen begroeten en Hem zonder twijfel, zonder zonde en zonder schroom mogen dienen en loven.
Amen

Geloof in een eeuwig leven

Geloof in een eeuwig leven

Het christelijk geloof gaat uit van een eeuwig leven na de dood. Dit geloof is altijd omstreden geweest. Ook in de laatste eeuwen stuit dit geloof op kritiek. Ook vanuit de theologie. De kritiek op dit geloof in een eeuwig leven na de dood is, dat (1) het eeuwig leven onwenselijk is en (2) dat een eeuwig leven onvoorstelbaar is geworden.

Onwenselijk
Als wij eeuwig leven ontvangen, zouden wij ons op den duur niet gaan vervelen? En vinden wij ons niet te belangrijk door ons een eeuwig leven toe te dichten? Hebben wij niet onze identiteit doordat wij beperkte mensen zijn met een beperkte levensduur?
In de jaren-’60 kwam er nieuwe kritiek op het geloof in een eeuwig leven na de dood. Dit geloof zou de waarde van het leven hier op deze aarde miskennen. Wie dit geloof aanhing, zou alleen gericht zijn op het eeuwige leven. Dit is echter een te oppervlakkige kritiek op het geloof in een leven na de dood. Het geloof in een leven na de dood kan goed samengaan met aandacht voor het hier en nu.

Onvoorstelbaar
Een belangrijk theoloog als Adolf von Harnack bijvoorbeeld vond dat wij ons geen voorstelling meer kunnen maken van een leven na de dood. De voorstellingen van vroeger zijn fantasievoorstellingen geworden.
Von Harnack was wel van mening, dat het christendom niet zonder geloof in een leven na de dood kon. Wanneer het christendom het geloof in een leven na de dood zou loslaten, zou de godsdienst zozeer van karakter veranderen dat het een andere religie is geworden. Het geloof in een leven na de dood raakt volgens hem ook het geloof in God. Wie het geloof in een leven na de dood opgeeft, geeft ook zijn geloof in God op.

Nadenken
Het christelijk geloof kan daarom niet zonder een geloof in een leven na de dood. Dat betekent niet dat eventuele bezwaren tegen dit geloof genegeerd kunnen worden. Daarvoor zijn de bezwaren en de vragen te serieus.
Binnen het christelijk geloof kunnen we niet op een algemene manier spreken over een leven na de dood. We kunnen hier alleen over spreken vanuit onze relatie tot God, onze Schepper, Verzoener en Verlosser.
Deze aanduidingen voor God wijzen op onze geschiedenis met God. Hij heeft ons geschapen. Wij vielen van Hem af, maar Hij verzoende en verloste ons door Jezus Christus.
Jezus werd opgewekt uit de dood. In de verhalen over zijn verschijningen na de dood blijkt dat Hij enerzijds dezelfde is gebleven en anderzijds is veranderd. Hij is Jezus gebleven. Hij is de gekruisigde gebleven. Maar toch had Hij een verheerlijkt lichaam.

Gemeenschap door de dood heen
Zijn sterven en opstanding schenkt ons mensen de mogelijkheid om in gemeenschap met God te leven. Deze gemeenschap begint al voor de dood, hier in dit leven. Deze gemeenschap met Christus in God bewaart ons door de dood en schenkt ons het eeuwig leven. Ook voor ons zal het eeuwige leven enerzijds hetzelfde zijn: wij zullen onze identiteit behouden. Anderzijds zullen we een verheerlijkt lichaam ontvangen.

Wanneer wij vanuit het christelijk geloof nadenken over een leven na de dood komen daar nog vraag bij: Willen wij ook die verzoening ontvangen die Christus heeft bewerkstelligd?

N.a.v. Eginhard Meijering, ‘De verwachting van het eeuwige leven in theologie en prediking’, in: Klaus Berger, Désanne van Brederode, Marius van Leeuwen, Eginhard Meijering e.a. (ed.), De dood leeft! Denken over na de dood en ons leven vóór de dood (Kampen, 2010) 10-20.

Een pastorale ontmoeting: de Emmaüsgangers (Lukas 24)

Een pastorale ontmoeting: de Emmaüsgangers (Lukas 24)

Het Bijbelse verhaalvan de Emmaüsgangers biedt een goede weergave van een pastoraal gesprek. Twee mannen die vanuit Jeruzalem op weg zijn naar Emmaüs. Het is Pasen, maar het goede nieuws van Jezus’ opstanding heeft hen alleen nog maar treuriger gemaakt. Door de berichten over de opstanding hebben zij besloten om naar huis te keren.

road-to-emmaus

(1) Pastoraat is allereerst begeleiding op de weg die mensen afleggen. Meelopen op de weg is een bekend beeld in het nadenken over het pastoraat. Dit beeld houdt in, dat de ander de weg bepaalt en dat de pastor meeloopt en allereerst volgt. De pastor past zich aan het tempo van de ander aan.

(2) Als Jezus spreekt, doet Hij dat allereerst om de ander uit te nodigen om te vertellen. Deze twee mensen op weg naar Emmaüs moeten zich eerst uitspreken. In de geestelijke begeleiding heeft de pastor vaak de taak om de ander te laten beginnen met vertellen. Vaak is het begin het moeilijkste.
Jezus laat hen uitspreken en onderbreekt hen ook niet door te vertellen dat hun verdriet overbodig is geworden. Pastoraat is een geduldig, actief en waakzaam luisteren.

(3) Jezus plaatst wat de anderen vertellen in het licht van de Schrift. Maar Hij doet dat pas nadat de anderen zijn uitgesproken. Hij onderbreekt het gesprek niet of brengt het gesprek niet op een ander thema, maar plaatst wat de anderen vertellen in een nieuw kader. Hij verbindt het luisteren naar mensen met het luisteren naar God.
De Bijbelwoorden die Hij spreekt, zijn geen clichés of algemene waarheden, maar Geest en leven. Dit gesprek van Jezus laat ook zien dat een kritisch en confronterend gesprek in het pastoraat nodig kan zijn om denkbeelden waarmee men vastloopt te doorbreken. Door Zijn kritische vragen veranderden de trage harten zich in brandende harten.

(4) Jezus gaat: Bij het pastorale gesprek behoort ook afscheid nemen en het loslaten van de ander.

(5) Het was Jezus die meeliep. Niet in alles kan het gesprek van Jezus voor ons tot voorbeeld zijn, omdat er een wezenlijk verschil tussen ons en Jezus blijft. In het pastorale gesprek mag men wel ervaren dat Jezus meeloopt. In het pastorale gesprek mag er zelfs de ervaring zijn dat je als pastor door Jezus gebruikt wordt om met een ander mee te lopen op de weg.

N.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchen-Vluyn, 2012) 29-34