Preken als (theo)poëzie

Preken als (theo)poëzie
Preken in een postmoderne tijd

Als kerken maken we een enorme paradigmawisseling mee: de verandering van moderniteit naar postmoderniteit. Deze paradigmawisseling roept door de vele veranderingen ook veel onzekerheid op.

Volgens Paul Scott Wilson is de overgang naar postmoderniteit niet alleen maar een bedreiging voor de kerken en voor de verkondiging van het evangelie.  In zijn Preaching as Poetry (2014) geeft hij aan dat volgens hem de postmoderniteit juist veel kansen voor de verkondiging van het evangelie biedt . Postmoderne denkers zijn op veel punten geen tegenstanders, maar juist welkome bondgenoten. Veel meer dan in de moderniteit is in de postmoderniteit creativiteit en verbeelding van belang bij de verkondiging van het evangelie. Creativiteit en verbeelding zijn niet alleen noodzaak, maar zijn zelf ook een enorme stimulans in de verkondiging.

preaching-as-poetry

Postmoderniteit
In de moderniteit waren de natuurwetenschappen van groot belang. Zij bepaalden het paradigma en gaven de normen aan van beredeneerde waarheid. Logisch nadenken was de norm. Communicatie moest helder en efficiënt (en dus ook reductionistisch) gebeuren. Wilson spreekt daarom van de Age of Math (tijdperk van de mathematica). Postmoderniteit is een reactie op de dominantie van de natuurwetenschappen. In de postmoderniteit wordt niet alleen met de bril van de natuurwetenschappen gekeken, maar ook met de bril van de poëzie: er komt ruimte voor tegenstrijdigheden, voor wat anders is, voor het irreguliere.

Theopoetry
In zijn Preaching as Poetry sluit Wilson aan bij een recente ontwikkeling in de theologie: de opkomst van de theopoetry (L.B.C. Keefe-Perry, James K.A. Smith, Scott Holland, ea).
Theopoetry is een manier van de werkelijkheid zien en waarnemen, zoals poëten de werkelijkheid zien, een manier van waarnemen die ook aandachtig bezig is met Gods aanwezigheid, met Gods handelen in het alledaagse bestaan. Deze waarneming is niet gericht op verklaring van wat er gezien wordt, maar houdt ruimte voor het mysterie, het ongrijpbare in het alledaagse. Een predikant is bij uitstek een theopoëet, iemand die werkzaam is in Gods poëzie. Volgens theopoëten kan het contact met God niet zonder verbeelding
M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet (2009) legt het verschil uit tussen handelen volgens Math en volgens Poetry:

Een ingenieur volgt bij het bouwen van een brug over een diepe ravijn zijn tekstboeken. Men mag hopen dat zo’n ingenieur enorm toegewijd is aan die boeken. De poëet, die over deze brug naar huis rijdt, ‘bouwt’ deze hele dag verzen die het verlangen van de ziel onthullen naar zo’n overbrugging als we staan aan de oevers van een ramp en naar beneden staren in de doodsvallei.

Theopoetry heeft een uitnodigend karakter. Volgens Wilson is een dialoog tussen theopoetry en theologie heel zinvol en verrijkend, ook voor de theologie. Volgens hem is de theopoëtische benadering erg geschikt om in een tijd van diversiteit anderen in contact te brengen met het evangelie. In het getuigen en belijden van Christus mag dankbaar gebruik gemaakt worden van de theopoëtische benadering. In de theopoëtische benadering kan men veel meer aansluiten bij de zoektocht en de aarzeling van de ander en toch door authentiek te getuigen ook over Christus vertellen. Het theopoëtische getuigenis is een creatieve bijdrage aan de kerk.

In zijn boek gaat Wilson de 3 klassieke waarden schoonheid, goedheid en waarheid na. Deze klassieke waarden hebben in de postmoderniteit (Poetry) een heel andere invulling gekregen dan in de moderniteit (Math). (De moeite waard om nog eens afzonderlijk uit te werken! Wie weet…)
De verkondiging kan veel leren van die andere invulling. Wilson werkt eerst de verandering uit in de postmoderniteit. Vervolgens schetst hij hoe de schoonheid, de goedheid en de waarheid van God opgemerkt en verwoord kan worden. Vervolgens geeft hij homiletische aanwijzingen waarbij hij de schoonheid van God en Zijn handelen met Kerst verbindt, Gods goedheid met Pasen en Gods waarheid met Pinksteren. Tussendoor werkt hij zijn eigen homiletische model (onder andere de 4 pagina’s) nog meer uit.

N.a.v. Paul Scott Wilson, Preaching as Poetry. Beauty, Goodness, and Truth in Every Sermon. The Artristry of Preaching Series, 1 (Nashville: Abingdon Press, 2014).

De serie The Artristry of Preaching Series werkt creatieve aspecten van het preken maken uit, die in gebruikelijke boeken over preken maken niet echt aan de orde komen:
deel 2: Scott Hoezee, Actuality. Real Life Stories for Sermons That Matters
deel 3: Peter Jonker, Preaching in Pictures. Using Images for Sermons That Connect 

De taak van de prediking in de postmoderniteit (3)

De taak van de prediking in de postmoderniteit:
God op een eenvoudige manier ter sprake brengen

De taak van de prediking is om God op een eenvoudige wijze ter sprake te brengen. Dat is namelijk de maatschappelijke taak van de kerk: om God ter sprake te brengen. Het is overigens niet eenvoudig om God op een eenvoudige manier ter sprake te brengen.Een beeld voor deze taak is de uitroep, die hij opving tijdens de uitzendingen over de gebeurtenissen in New York op 11-09: O mijn God, o mijn God, o mijn God.

O mijn God
Als de maatschappelijke relevantie van de kerk is gelegen in het ter sprake brengen van God, vraagt dat om een nieuwe competentie. De maatschappij heeft andere kenmerken dan de kerk: commercie speelt een grotere rol, de maatschappij is veel pluriformer dan de kerk. Hoe kan de kerk haar kerntaak (namelijk: het gesprek op God brengen) uitvoeren? Volgens Grözinger kan dat als de prediking in gaat op die menselijke schreeuw: o mijn God, o mijn God, o mijn God. Wanneer de prediking dat niet (meer) zou doen, verliest de prediking volgens Grözinger haar protestantse karakter.
Die schreeuw is het begin van alle theologie en vooral het begin van alle theologie in onze postmoderniteit. Deze schreeuw is niet aan een bepaalde stroming toe te schrijven, maar overstijgt elke theologische strijd. In onze postmoderniteit gaat het om de overtuigingskracht van (kleine, dwz persoonlijke) verhalen. Niet in argumenten.
Die uitroep is terug te vinden in:
– de vraag naar God in het lijden: “Waarom ik?”, ‘Waar bent u nu ik dit allemaal doormaak?’
– de roep om Gods ontferming: ‘Zie mij aan! Want als U dat niet doet, wie doet dat dan wel?’
– behoefte om dankbaarheid en verwondering te uiten. Bijvoorbeeld tijdens het ervaren van de schoonheid van deze wereld.
– wanneer iemand zijn of haar vertrouwen stelt op God.

Vreemd
Vandaag de dag speelt het spreken van en over God voor veel mensen nauwelijks nog een rol van betekenis. Voor gelovigen is dat moeilijk te accepteren. Al geeft Eberhard Jüngel in zijn Gott als Geheimnis der Welt aan, dat zo’n leven ook mogelijk is. Wanneer men God ter sprake wil brengen, kan men dus geen beroep doen op de noodzakelijkheid van Gods aanwezigheid in het leven van ieder mens.
Er zijn verschillende redenen waarom de christelijke traditie in een crisis terechtgekomen is:
– Filosofische godsbewijzen overtuigen niet meer en ook voor de ethiek is God niet noodzakelijk.
– Zelfs het grote verhaal van de joods-christelijke traditie is niet meer noodzakelijk.Oa vanwege de toenemende godsdienstige en levensbeschouwelijke pluraliteit. Zo is het monotheïstische geloof bijvoorbeeld niet meer vanzelfsprekend (vgl Odo Marquard en Jan Assmann).
– Terugkijkend blijkt dat het protestantisme in West-Europa te veel met de grote verhalen van bijvoorbeeld nationalisme en kapitalisme is verweven. Omdat de grote verhalen in een crisis terecht gekomen zijn, raakte ook het daarmee verweven protestantisme in een crisis.
Het spreken over God moet niet in de fout vervallen van fundamentalisme of relativisme. Volgens Grözinger is wat Barth aan Von Harnack schreef juist in de postmoderniteit actueel: waarachtige uitspraken over God moeten niet op het hoogtepunt van de cultuur zijn, maar van de openbaring. De (vroege) dialectische theologie kan ons helpen om niet de fout te maken van het zoeken naar maatschappelijke relevantie en noodzakelijkheid van het spreken over God. Het spreken van/over God is niet vanzelfsprekend! (Het zgn ‘Fremde’ van de ‘Gottesrede’). Volgens Grözinger is het ter sprake brengen van God het niet-noodzakelijke en niet-vanzelfsprekende tegoed van de christelijke traditie.
Als mensen kunnen wij niet aansluiten bij de noodzakelijkheid van de aanwezigheid van God in het leven van mensen. Alleen God kan een begin maken. Een preek is daarom volgens Grözinger anfängliches Gottesrede: het begin ligt bij God en is kwetsbaar in mensenhanden. Zoals elke geboorte een herhaling in het klein is van de wonder van de (eerste) schepping, zo is elke preek een herhaling in het klein (namelijk in mensenwoorden) van het machtige spreken van God. Die kwetsbaarheid van het menselijk spreken van/over God kan in de postmoderniteit overtuigend werken.

Wat betekent dat voor de prediking?
Die kwetsbaarheid uit zich in het gebruik van kwetsbare taal: ‘Gottesrede in der Postmoderne’ kenmerkt zich door ‘zarte, schwache und gerade darin die Menschen anmutende und bewegende Rede’.
Om te laten zien wat dit voor de prediking betekent, wijst hij op de kunst en literatuur. Vanuit de esthetiek valt er voor de prediking veel te leren. Preken maken betekent: je scholen in het waarnemen van de dingen waar je mee bezig bent, de wereld om je heen.
De schrijver Peter Handtke spreekt over de logica van de eerste zin. Door de eerste zin van een boek te lezen begint een ontdekkingsreis in het heden. De exegese zou men kunnen doen volgens de logica van de eerste zin. Door weg te dromen kan men tot onverwachte ontdekkingen komen.
Patricia Highsmith, schrijver van thrillers, spreekt over de logica van de lege bladzijde. Een lege bladzijde is het teken van een writer’s block, maar kan ook een nieuwe kans betekenen. Een lege bladzijde betekent immers ook een kans om (opnieuw) te beginnen. Een lege bladzijde creëert een frisse blik. Voor zo’n frisse blik is er wel tijd nodig. Creativiteit gedijt niet onder tijdsdruk. Daarom zegt Grözinger: ‘Er is geen begin van de preek als er geen tijd is om aan de preek te beginnen.’
De schrijver Robert Walser laat de logica zien van het weglopen bij de schrijftafel vandaan. Door weg te lopen en desnoods een wandeling te maken kan de predikant in een andere gemoedstoestand terecht komen, die van belang is om een goede preek te maken. Wanneer je uitgewaaid bent, kijk je weer met frisse blik naar de wereld om je heen: alsof je de wereld om je heen ontdekt, voor het eerst ziet (homiletische Empfindsamkeit).

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Albrecht Grözinger, ‘Anfängliche Predigt als Gottesrede’, in: Idem, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004).

De preek als open kunstwerk

De preek als open kunstwerk
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (1)

Wat kan de prediking betekenen in een multireligieuze maatschappij? En hoe kun je dat als predikant aanpakken? Over deze vragen schreef de praktisch-theoloog Albrecht Grözinger in 2004 een uitgebreid essay: Tolerantie en hartstocht. Over de prediking in een pluralistische maatschappij.

Aan het begin van zijn essay signaleert Grözinger dat predikanten weinig vertrouwen hebben in de prediking. Tegelijkertijd merkt hij dat predikanten op zoek zijn naar de betekenis van de prediking in de hedendaagse samenleving. Om predikanten te helpen bij die zoektocht schreef Grözinger zijn boek.
Wie zich vandaag de dag wijdt aan de prediking dient afscheid te nemen van veel vanzelfsprekendheden. Het homiletische landschap is fundamenteel veranderd. De pluraliteit van onze samenleving kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Aan de andere kant dient een prediker zich ook bewust te zijn van de hedendaagse gevaren en de oppervlakkigheden. Daarvoor is moed en vertrouwen nodig.
De huidige tijd wordt ook wel getypeerd als postmoderniteit. Grözinger vindt dat de postmoderniteit een positieve ontwikkeling is die veel nieuwe kansen en ruimten biedt voor de prediking. Om die kansen te laten zien, voert Grözinger een postmodern begrip in: het kwetsbare denken.
Dit begrip is afkomstig van de filosoof Gianni Vattimo. Het kwetsbare denken staat sceptisch tegenover ontologische claims en aannames. Wie op een kwetsbare manier denkt gaat niet uit van vast uitgangspunt, maar heeft een beweeglijke manier van denken. Interpretaties zijn principieel onaf. Een interpretatie is geen definitieve visie, maar opent een nieuw perspectief. Waarheid is geen bezit, maar wordt steeds weer opnieuw ontdekt.
Een essay is daarom bij uitstek geschikt om na te denken over de rol van de prediking in de postmoderniteit.

Als een kunstwerk
Als praktisch-theoloog heeft Grözinger veel nagedacht over het waarnemen (esthetiek). Volgens hem kan een preek op dezelfde manier worden waargenomen als een kunstwerk.
Tegenwoordig wordt een kunstwerk gezien als een autonoom object. Dat houdt in dat een kunstwerk niet hoeft te verwijzen naar een realiteit, maar zelf een werkelijk creëert. Een kunstwerk bevat niet een enkele boodschap, maar roept verhalen (story, Geschichte) op. Daarvoor bevat een kunstwerk bepaalde symbolen en codes. Die codes en symbolen vormen een eigen taal. Op basis van die codes, symbolen en taal ontvouwt een kunstwerk zijn werking.
Een kunstwerk is kwetsbaar. Doordat de gebruikte codes, symbolen en taal meerduidig zijn, kan iedereen zijn eigen verhaal ervan maken. Een kunstwerk is principieel open voor meerdere interpretaties. De definitieve interpretatie bestaat niet. Het kunstwerk ontvouwt zich voor wie zich openstelt voor (de werking van) het kunstwerk.
Wat voor een kunstwerk geldt, geldt ook voor de preek. Ook de preek is open voor meerdere interpretatie. Dat komt door de gebruikte codes, symbolen en taal. Hierdoor ontvouwt een preek zijn werking voorde luisteraar. Een preek verwijst wel naar de werkelijkheid: de werkelijkheid van God.
Toch is ook de preek autonoom. In een preek gaat het om wat de hoorder oppikt en niet wat de prediker eigenlijk bedoelde. Het effect van een preek kan niet afgedwongen worden. Een preek is vooral bedoeld als een uitnodiging om in de wereld van de preek binnen te stappen.

De impliciete luisteraar
De gemeente die bij elkaar komt, bestaat uit een gemengd publiek. Het open karakter van de preek doet recht aan de verscheidenheid van de gemeente en biedt voor al die verscheidene aanwezigen de mogelijkheid om de wereld van de preek binnen te stappen.
Als de preek vergelijkbaar is met een kunstwerk, kan men ook de preek als een kunstwerk bestuderen en analyseren. Net zoals Rudolf Bohren dat deed in zijn indrukwekkende Predigtlehre (1971), ontleent Grözinger inzichten aan de literatuurwetenschap. In de literatuurwetenschap is er sprake van de impliciete lezer.
Elk boek creëert zijn eigen lezer(s). Een schrijver heeft zijn boek voor deze lezer(s) geschreven. Volgens Grözinger is het een uitdaging om deze gedachte homiletisch (d.w.z. met het oog op de prediking) te doordenken: Is er een impliciete luisteraar? Welke luisteraar had de prediker op het oog toen hij deze preek voorbereidde? Welke signalen zendt hij uit naar deze impliciete luisteraar?
Grözinger wil de gedachte van de impliciete luisteraar uitbuiten. De prediker kan zich bewust gaan richten op die impliciete luisteraar. De onverwachte gast In deze multireligieuze samenleving is de impliciete luisteraar een onverwachte gast (Fremde Gast): iemand die voor eerst ergens komt, zomaar binnenstapt en er niet automatisch bijhoort, misschien wel verdwaald is en deze taal, symbolen en rituelen voor het eerst ondergaat.
In deze multireligieuze samenleving weten de luisteraars immers weinig van het christelijk geloof. Er is sprake van een breuk met de traditie.
Niets is meer vanzelfsprekend. Alle vanzelfsprekendheden zijn verdampt in het proces van individualisering en globalisering (Grözinger komt hier later op terug als hij de gedachte van Peter L. Berger over de gedwongen keuze verder uitwerkt). Het is niet meer vanzelfsprekend om christen te zijn. De samenleving is seculier geworden. De volkskerk bestaat niet meer.
We zijn vreemden geworden in wat eerst ons thuisland was. Daarbij zijn we vreemden voor onszelf geworden. Voor Grözinger is dat niet alleen negatief! Ook al is het leven als vreemde gast niet altijd even gemakkelijk, het kan wel veel vreugde bieden.
Een preek zou zich op deze onverwachte gast moeten richten: een gastvrije preek. Zodat die onvermoede gast ook de wereld van de preek binnen kan stappen en niet belemmerd wordt door een traditie waarmee hij niet vertrouwd is. Grözinger is niet tegen traditie, maar denkt vooral na hoe iemand die niet vertrouwd is met de traditie, toch kan deelnemen aan de preek. Zo’n gastvrije preek is volgens Grözinger ook geschikt voor iemand die zijn of haar thuis heeft in het kerkelijke milieu.

Kwetsbaar in een mediacultuur
Heeft de preek nog betekenis in een mediacultuur? Een preek is immers een kwetsbaar werk dat door de allerhande media gewoon verpulverd kan worden.
Grözinger denkt dat er ruimte is voor de prediking. De preek is een vreemde eend in de bijt. Door de vreemdheid kent de preek ook een zekere dwarsheid. Die vreemdheid en die dwarsheid bieden de preek een plaats in de postmoderne samenleving. De preek kan de luisteraar tijd geven. De preek kost niet alleen tijd, maar geeft ook tijd:
* De preek verbindt de luisteraar met een eeuwenoude traditie: godsdienstige en theologische kennis van generaties geleden worden op een eenvoudige manier doorgegeven. De luisteraar hoeft daar niet extreem veel moeite voor te doen.
* De preek kent een ernst, die in deze samenleving nauwelijks meer gevonden wordt. In de preek krijgt de luisteraar de tijd om na te denken over wat er in het leven echt toe doet. In de prediking moet aan ernst recht gedaan worden. Net zoals Martin Nicol wijst Grözinger erop dat schrijvers en journalisten, colleaga’s als het gaat om het gebruik van taal, vaak meer respect hebben voor de preek en aan de preek meer waarde aan de preek hechten dan predikanten.
* De luisteraar die naar de kerk komt, wil graag iets te weten komen. Over zichzelf of over God. De prediker spreekt voor een geïnformeerd publiek dat nog meer meegenomen en ingewijd wil worden. In de kwaliteit van de preek schuilt de aantrekkingskracht.
Wanneer de prediker weet waarover hij spreekt en ook concreet is, heeft de preek een niet te onderschatten waarde in deze multireligieuze en postmoderne samenleving.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 9-33.

Niet de crisis van de cultuur, maar de crisis van de prediking

Niet de crisis van de cultuur, maar de crisis van de prediking

Prof. dr. A. van de Beek is op de GB-conferentie Geestelijk leiding geven in een tijd van crisis gevraagd om te spreken over profetische prediking. Deze crisis is niet zozeer crisis van de cultuur, maar van de prediking.

Van de Beek start met de vraag waar de crisis het ergst is. Waar moet op ingezet worden? Op  brood en spelen? Op atheïsten? Zo’n inzet zou de standpunten alleen nog maar bevestigen. Er moet niet bij de cultuur worden ingezet, maar bij de prediking. De prediking moet de cultuur bereiken. Niet andersom Voor je het weet bepaalt de cultuur wat er kan en mag gezegd worden.

Verkondiging
Daarom is de vraag die gesteld moet worden: Wat is prediking? De crisis is dat de prediking waarschijnlijk niet meer onder kritiek wordt gesteld. Daarmee stuiten we op een paradox: door te streven naar maatschappelijke relevantie maak je jezelf overbodig, want je verkoopt prietpraat. Er is een goede theologie nodig!
De kerk moet nadenken over de inhoud van de verkondiging: “De dood is overwonnen.” Het gaat om de verbijstering over Gods grote daden. Veel mensen vieren Pasen en Pinksteren, omdat deze bij de rituelen horen. De kerk moet vandaag de dag beginnen te geloven dat Gods grote daden waar zijn.
We moeten verlost worden van de vraag of dit op de cultuur ingaat. De vraag die de predikant zichzelf moet stellen is: geloof ik het zelf nog? De boodschap van Jezus Christus en die gekruisigd is geen wijsheid van deze wereld. Aansluiten bij de cultuur loopt uit op een nonsenseverhaal dat alsnog christelijk wordt geduid.

Kritiek op verbondstheologie
Van de Beek heeft kritiek op de verbondstheologie, zoals die binnen de Gereformeerde Bond leeft. Deze is hem – paradoxaal genoeg – te subjectief en te weinig objectief. De term berit is sterker dan ons woord verbond, want het gaat om een testament. De verbondstheologie suggereert alsof Nederland vergeleken kan worden met Israël. In de hermeneutiek van Van de Beek kan men niet rechtstreeks putten uit de oud-testamentische profeten. Deze profetieën zijn in Christus vervuld en moeten dus ook als reeds in Christus gepreekt worden.
Zonder Christus moeten we ons bij Elia voegen. Net als Mozes sterft hij buiten het  beloofde land. Bij de Nebo, waar het volk Israël zich te buiten ging. (Tijdens de bespreking gaf Van de Beek aan, dat hij steeds meer ontdekt hoe de structuren van OT en NT op elkaar lijken.)
Als we ons zouden richten op de (nationale) samenleving moeten we putten uit het Nieuwe Testament en niet het Oude.
De crisis in de prediking is volgens Van de Beek veroorzaakt door slechte hermeneutiek. Men is vergeten – volgens kritiek is nadrukkelijk voor de groep bestemd! – dat Christus de waarheid is. Men heeft een voorzienigheidsprediking die Christus dreigt te verdringen. Men vergeet dat het om de voorzienigheid van het lam gaat: God zelf zal in een brandoffer voorzien.

identiteit in Christus
De eerste pinksterpreek gaat over Christus, die gij gekruisigd hebt. De kruisiging is een oordeel. Van Christus zijn betekent je leven verliezen in een nieuwe identiteit. De grootste vreugde voor een christen is dat hij bevrijd wordt van zichzelf en je identiteit ontvangt van Christus. Je bent als christen niet meer het subject van je geschiedenis.
Dit dient het kader te zijn van waaruit gesproken wordt over de cultuur. En dat is niet gemakkelijk.

Verlichting

Van de Beek gaat kritisch in op de zelfbevestiging die er in onze cultuur aanwezig is. In de Verlichting werd er een verschil gemaakt tussen hoe de mens is (sein) en hoe de mens behoort te zijn (sollen). Er is een discrepantie: eigenlijk is mijn werkelijkheid nog geen werkelijkheid. De meeste aanhangers van de Verlichting waren optimisten, die geloofden dat de mens deze werkelijkheid uit zichzelf kon bereiken. Kant was pessimistischer: je zult er toch eens aan sterven.
Volgens Genesis 1 is de bij een discrepantie tussen hoe de mens is en hoe hij behoort te zijn het menszijn dood en het komt niet meer goed. Er is een verschil tussen werkelijkheid en goddelijk gebod. Het leven is geen menselijk leven meer en daar worden wij juist van bevrijd. Alleen door de dood van Christus is er redding mogelijk.
De verleiding is om wel de discrepantie te zien en optimistisch te zijn over het toewerken naar hoe de mens moet zijn. Daarbij wordt Christus vergeten.

Postmoderniteit
Vandaag de dag is er een andere discrepantie: die tussen zijn en mensen. Het gaat niet meer om wat we hebben, maar om wat we willen hebben; niet meer om het goede, maar om het gewenste.
Hebben mensen er eertijds naar gejaagd om vroom te leven en daarna om goed te leven, nu jaagt men naar alles wat men wil, niet het goede, maar het gewenste. Wat zijn de onderwerpen die het doen? Dat zijn sport, reizen, spelletjes, moderne muziek, internet. Wat ze allemaal gemeenschappelijk hebben, is dat ze ons weghalen uit de gewone werkelijkheid. Om niet het gesprek met jezelf te hoeven aan te gaan.
Onder dit zoeken van verstrooiing zit in wezen een diepe ver­achting van de werkelijkheid. Mensen willen weg uit hun werkelijkheid. De wereldverachting van de christen valt in het niet bij de wereldverachting van de postmoderne mens.
De schuld van de ander is dat mijn wensen niet worden vervuld. Ik heb het recht om… Ik heb de vrijheid om… De ander en de overheid dienen te zorgen voor de vervulling van mijn wensen, maar ze mogen de verantwoordelijkheid en de rekening niet bij mij neerleggen.
De postmoderne mens kan daarom niets meer met de instellingswoorden bij het Heilig avondmaal. Hij kan avondmaal alleen nog maar vieren als een agapè-maaltijd die verstrooiing biedt. De verstrooiing staat lijnrecht tegenover de theologia crusis.

Prediking
Er zijn twee wegen: of we preken in lijn met de hedendaagse mens met zijn behoefte aan troost. De prediking en de liederen versterken de oppervlakkigheid. Het spreekt de mensen aan omdat het niets meer zegt.
De andere mogelijkheid is de confrontatie. Dat ook de postmoderne mens als zondaar bevrijd moet worden. Niet door wetten en regels, maar door confrontatie met de gekruisigde Christus. Jezus dwingt je om na te denken over de verborgen ruimte in je leven waarvoor je wegvluchtte. In Jezus leer je jezelf te verliezen zonder verloren te gaan. De prediking loopt een risico over het leven te preken zonder het afsterven. We kunnen door de veranderde tijd niet meer hetzelfde zeggen. Een moreel beroep werkt niet meer. De inhoud verandert niet, maar wel de woorden en de vormen.
Christenzijn betekent een nieuw leven; geen emancipatiebeweging of anti-emancipatiebeweging. In de Vroege kerk had de prediking te maken met het dagelijks leven: met overgave tot de dood, met het leven zo te leven dat er geen abortus nodig is, door de afwijzing van de militaire dienst (we hoeven niet meer voor ons behoud te vechten). We moeten het in de prediking weer aandurven om die dingen te zeggen die confronterend zijn: confronterend voor mensen die van zonde niet meer willen weten én confronterend voor mensen die een ogenschijnlijk solide christelijke wijze van bestaan voor ogen hebben, die echter slechts onze eigen vorm van zelfhandhaving is.
Deze laatste confrontatie –met wat we denken dat christen-zijn is– kon in onze kringen wel eens de hardste zijn, maar als we die confrontatie aandurven, zou dat ongetwijfeld meer mensen raken dan de aanpassende prediking vol compromissen die nu dreigt.

Aanvulling tijdens de discussie
Je moet de cultuur kennen om te weten hoe de christen sterft aan zichzelf. Waarom is Van de Beek vaak zo kritisch op de cultuur? Cultuur houd je af van sterven, omdat het veiligheid biedt. De startpunt is wat wij te zeggen hebben over Jezus. Paulus sluit op de Areopagus aan bij de cultuur om de cultuur de nek om te draaien. Van de Beek bepleit het belang van het avondmaal. De christen is aan de avondmaalstafel meer thuis dan aan de keukentafel. Wat betekent het om de dood van Christus te vieren? Het begint met een boodschap die confronterend is, een vraag aan mijn leven omdat mijn leven reeds geoordeeld is.
Geestelijk leiding geven betekent de gemeente bewaren in de waarheid van de apostelen. Predikanten moeten de gemeente het niet altijd aanzeggen. De gemeente is geen heiden. Dat vindt Van de Beek te Barthiaans.
De prediking gaat niet alleen in tegen idealen en vooruitgang, maar ook tegen de angsten. Wat kan ons schaden, wat kan ons scheiden? Christus is opgewekt! – daar moet het in de prediking over gaan.
In de prediking moet het niet gaan om het concrete wereldgebeuren. Het doet er niet meer toe en daarom moet er in de prediking erover gesproken worden om te zeggen dat het er niet meer toe doet. De gemeente gaat over tot de orde van de Grote Dag.
Wij zijn geen profeet, want de profetieën zijn in Christus vervuld. Bovendien is de duiding te selectief. We hebben het wel over een vliegtuig met 100 mensen dat neerstort, maar niet over de miljoenen die in Congo en Uganda omkomen.

M.J. Schuurman

In het Reformatorisch Dagblad stond deze samenvatting: http://www.refdag.nl/opinie/opinie/predikant_moet_weer_durven_confronteren_met_ongeloof_1_481125

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond. 

Oevermans zet gelijk in met een kritische vraag: ‘Waarom zouden de hervormd-gereformeerden hun identiteit moeten bewaren?’ Het begrip identiteit is volgens niet eens zo oud: afkomstig van de psycholoog Erikson. ‘Misschien is de Geest bezig om vormen af te breken.’
De eenheid van het leven is verdwenen. Voorheen deed je als gelovige alles binnen de zuil. Oevermans wijst erop, dat er een verlangen is om die eenheid terug te willen. Een voorbeeld hiervan vindt hij het boek van Bart-Jan Spruyt over ds. J.T. Doornenbal. Hij vraagt zich af of dat verlangen naar die eenheid ermee te maken heeft, dat voor het gevoel van de aanwezige predikanten dit de enige context waarin te preken valt over zonde en genade.

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om op de conferentie, die de Gereformeerde Bond en de IZB hadden belegd over Geestelijk leiderschap in tijden van crisis te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond.

Welke factoren maken de Gereformeerde Bond onrustig?
Volgens Oevermans maken we nu het ineenstorten mee van de utopie van het neokapitalisme. Oevermans verwijst naar de boeken van Hans Achterhuis (De utopie van de vrije markt) en van Ton Lemaire (De val van Prometheus). Op basis van deze auteurs wijst hij op de spirituele crisis, die ten grondslag ligt aan de economische crisis. Christenen moeten volgens hem aan de bak. Dat geldt ook voor de milieucrisis. De seculariserende machten die in deze crises aanwezig zijn, zijn reële machten die invloed hebben (Ad Verbrugge spreekt over sferische machten).
Progressie is niet altijd positief. Oevermans verwijst naar de meditatie van Walter Benjamin over een schilderij van Paul Klee. Dit schilderij, getiteld Angelus novum, was voor Benjamin de verbeelding van de engel van de geschiedenis. De engel kijkt achteruit, maar wordt door de wind van de vooruitgang weggeblazen uit het paradijs. De engel is ziet er geschonden uit.

Netwerksamenleving
De tijden zijn veranderd. Aan de verdwijning van de eenheid van het leven liggen 3 factoren ten grondslag: (1) democratisering, (2) het verdwijnen van de standenmaatschappij, (3) de verdwijning van de burgerlijke waarden.
De levensstijl van de huidige dertigers past bij de netwerksamenleving. In de hectiek van deze samenleving zijn zij op zoek naar kwaliteit. De zondagse eredienst moet voor hen kwaliteit hebben. 60% van de CHE-studenten gaan, voordat zij zich aansluiten bij een gemeente, eerst op zoek naar een kerk die bij hen past. Volgens Oevermans moeten we dit zoeken naar een eigen gemeente niet veroordelen.
De veranderde levensstijl heeft gevolgen. Ongemerkt kan men de kerk uitglijden. Niet omdat men het plotseling niet meer geloofd. Het geloof is langzaamaan van hen afgegleden. Oevermans wijs op een interview dat hij voor Wapenveld hield met de historicus Peter van Rooden, die theologie studeerde om predikant te worden.

Welke intuïties uit de gereformeerde traditie kunnen helpen?
Prof. dr. A.van de Beek hield op de CHE een lezing over het verschil tussen evangelischen en reformatorischen. Dat verschil moest niet overdreven worden. Het werkelijke verschil tussen hen zit in de antropologie. Bij de reformatorischen gaat het (in tegenstelling tot de evangelischen niet om de activiteit van de mens), maar om de receptiviteit. De mens is een ontvangend wezen. Het gaat om ontvankelijk, om aanspraak. Zoals Van de Beek in zijn boek Jezus Kurios zegt, dat hij gelooft omdat hij aangesproken is.
Deze receptiviteit kan in het beeld gevangen worden van het leven als een reis. Deze reformatorische gedachte kan de hedendaagse mens aanspreken. Het leven is geen project dat ik zelf moet verwerkelijken, zoals de postmoderniteit zegt, maar een reis. Of, zoals reformatorischen ook zeggen: een voortdurend afsterven en opstaan.
(Overigens, Oevermans gaf dat niet aan, maar volgens de socioloog Peter L. Berger is het levensproject niet iets waar de hedendaagse mens voor kiest. De postmoderne mens wordt gedwongen om het project van zijn eigen leven te voltooien.)
Hij wijst op 3 publicaties waarin het beeld van de reis voorkomt:
* Kluun, Komt een vrouw bij de dokter, waarin de hoofdpersoon na onstuimig leven in Australië tot zichzelf komt.
* Susanne van der Schot, De minnaar, de monnik en de rebel. In dit boek doet Van der Schot verslag van haar zoektocht naar discipelschap. Zij leest het Markusevangelie. Voordat zij dit boek schreef, had Van der Schot (die zonder geloof is opgevoed) enige tijd in het klooster gezeten.
* Gerard Visser, een filosoof die van huis uit katholiek was. Deze filosoof is bezig met onder andere levensfilosofie. In een essay over de ziel, dat hij schrijft aan de hand van een bespreking van het gedicht Awater van Martinus Nijhoff geeft Visser aan, dat er in het leven niets kado is.

M.J. Schuurman

NB: Deze lezing is mijn eigen samenvatting. Het is de bedoeling dat de lezingen van de GB-conferentie worden gepubliceerd.

De ethische relevantie van verhalen

De ethische relevantie van verhalen

Onlangs zag ik de film A Courageous Heart, over een Poolse verpleegster die 2500 Joodse kinderen wist te redden uit het getto van Warschau. Volgens de achterflap zou worden getoond hoe de verpleegster steeds inventievere manieren moest bedenken om de kinderen uit het getto te smokkelen. Daar zat in de film echter nauwelijks ontwikkeling in. De film liet zien, hoe deze verpleegster tot haar keuze kwam. Op het einde na was het een goede film, die de kijker laat nadenken over de eigen keuzes. Zou ik mijn kinderen afstaan? Wat zou ik doen als in de rol van deze verpleegster zou zijn?
De situatie is nu denkbeeldig. Toch is het van belang om deze verhalen te zien en te verfilmen. Een verhaal heeft namelijk de kracht om na te laten denken over de eigen keuze. Verhalen hebben een ethische relevantie.
Deze postmoderne tijd wordt wel eens getypeerd als ethisch onverschillig. Dat is een halve waarheid. Wanneer de postmoderniteit vooral wordt gezien als belevenismaatschappij (G. Schulze) of als een samenleving van het dikke ik (H. Kunneman) zou dat wel eens kunnen. Voor belangrijke postmoderne filosofen als Derrida of Lyotard gaat dat niet op. Hun pleidooi voor een postmoderniteit, waarin de grote verhalen hun geloofwaardigheid hadden verloren, heeft zijn oorsprong in de Tweede Wereldoorlog en de bloedige Onafhankelijkheidsoorlog van Algerije. Het pleidooi voor een postmoderniteit heeft juist een ethische oorsprong. De grote verhalen (eigenlijk geen goed woord: beter zou zijn de overkoepelende theorieën of systemen) hadden juist geleid tot de Tweede Wereldoorlog of die onafhankelijkheidsoorlog.
Op veel terreinen kwam er aandacht voor het ‘kleine verhaal’: de eigen biografie, de verhalen van de gemarginaliseerden, de verhalen van slachtoffers. Aandacht voor die verhalen is volop ethiek.
De kerk zou in verkondiging en pastoraat meer aandacht kunnen hebben voor de ethiek van levensverhalen. Dat gebeurt al – vooral in de kringen van (post)moderne theologie. Denk bijvoorbeeld aan het contextueel pastoraat, dat expliciet aandacht vraagt voor de ethiek in de relaties met de eigen ouders en kinderen. Denk ook aan een ethicus als Stanley Hauerwas.
In veel theologische disciplines (bijbelse theologie, systematische theologie, praktische theologie) wordt de verbinding al gelegd. Voor de reformatorische theologie valt hier nog genoeg winst te behalen. Door de ethische kant van (levens)verhalen komt er meer ruimte om de betekenis van de rechtvaardiging van de goddeloze te laten zien voor de biografie. Niet als een systeem, maar als een hulpmiddel bij uitstek om de biografie te begrijpen en spanningen bloot te leggen. Volgens Jüngel is het kenmerk van de zonde zelfbedrog (Lebenslügen). Het oordeel van God prikt door dat zelfbedrog heen.
Ethiek heeft ook te maken met (be)oordelen. Juist het oordeel van God is het meest rechtvaardige en het meest genadige oordeel over ons leven. Vanuit dat oordeel kan de ethiek van een levensverhaal op waarde worden geschat.

ds. M.J. Schuurman

Wie meer wil lezen over de ethiek van verhalen: Marco Hofheinz / Frank Mathwig / Matthias Zeindler (Hg.), Ethik und Erzählung. Theologische und philosophische Beiträge zur narrativen Ethik (Zürich: Theologischer Verlag, 2009).

Het gesprek met de postmoderne cultuur

Het gesprek met de postmoderne cultuur

Wie na wil denken over de plaats van het christelijk geloof in de postmoderniteit dient na te denken over de relatie kerk / theologie en cultuur. Want postmoderniteit is vooral een cultureel fenomeen. Albrecht Grözinger biedt in dit gedeelte de theorie en praktijk van het gesprek met de postmoderne cultuur

In de Duitse theologische traditie is er een stroming geweest, die zich bezig hield met deze relatie: het zogenaamde Kultuprotestantismus. De naam van deze stroming is door buitenstaanders bedacht. In wezen gaat in deze stroming om een bond palet van theologen, die streefden naar een modernisering van de inhoud en de vormgeving van het christendom. Dat was in hun ogen nodig, omdat de tijden razendsnel veranderden. Het kenmerkende van deze stroming was, dat men op zoek was naar een synthese tussen cultuur en christendom. Richard Rothe sprak in 1865 over een verzoening tussen godsdienst en cultuur.
 Een verzoening tussen godsdienst en cultuur kan er ook toe leiden, dat de godsdienst te veel aan de maatschappij wordt aangepast. Dat is de conclusie die Werner Elert in 1921 trekt in zijn De strijd om het christendom. Ook Karl Barth was in zijn eerste druk van de Römerbrief kritisch op het cultuurprotestantisme.

Doordenking relatie
Grözinger wil daarom niet uitgaan van de eenheid van de cultuur, maar een theologische doordenking die ruimte laat voor differentie. Zowel godsdienst als cultuur vormen beide geen eenheid, maar een bont palet van verscheidenheid.
Hij wijst eerst nog op een verschil tussen Karl Barth en Paul Tillich – twee theologen die beroemd zijn geworden vanwege hun kritiek op het cultuurprotestantisme.
Barth sprak meer over de cultuur. Een voorbeeld hiervan is zijn lezing in 1949, waarin hij een christologische cultuurtheorie uiteenzet. Dit model gaat echter over de hoofden van de aanwezige geleerden heen.
Tillich was iemand die zich bevond in de kringen van geleerden en kunstenaars. Tillich kon de estethische waarneming meer dan Barth een plaats in zijn theologie geven. Tillich ging alleen nog teveel van de synthese uit. Hij was op zoek naar een alles integrerende theorie, waarbij godsdienst een grote rol speelt: Die tragende Gehalt der Kultur ist die Religion und die notendige Form der Religion ist die Kultur. Tillich kon de humanistische cultuur ook bestempelen als de ‘latente kerk’.
Volgens Grözinger was de reden, waarom theologen uit die tijd werkten met het begrip godsdienst, dat zij op die manier een alles omvattende en alles overkoepelende theorie konden bieden. Godsdienst en theologie zou daardoor onmisbaar zijn. Men zag daardoor echter niet dat er een religieuze onverschilligheid was ontstaan. Dus geen synthese, maar wat dan wel?

Protestants oerinstinct
Grözinger introduceert wat hij noemt een protestants oerinstinct. Martin Luther gaf de voorkeur aan mondelinge communicatie boven schriftelijke vastlegging en overlevering. Esthetisch gezien is deze tegenstelling niet houdbaar. Wel is zijn nadruk op het mondelinge karakter van het Woord van God bruikbaar. Het Woord van God is aan actueel woord, dat steeds weer opnieuw waargenomen moet worden. Het Woord van God valt niet vast te leggen – ook niet in de vorm van bijbelse canonisatie. Dit sluit aan bij de postmoderne verdenking van de grote verhalen.
Aan de andere kant hecht Luther aan het publiekelijke van het waarnemen van Gods Woord. Het waarnemen van dit Woord gebeurt niet heimelijk of in geheimzinnige taal, maar in een publieke ruimte. Met deze twee begrippen: het mondelinge en het publieke karakter heeft Luther een spannende dynamiek ontdekt. Waar het Woord van God actueel wordt, ontstaat een ruimte om waar te nemen. Deze ruimte kan niet van tevoren worden bepaald, maar ontstaat in het moment van de waarneming. Het opgemerkte Woord van God brengt zijn eigen publiciteit mee.
Luther heeft dus geen definitie van godsdienst of een theologische omschrijving van cultuur nodig om betrokken te zijn op de cultuur. Maar is dit protestantse oerinstinct ook in postmoderne omstandigheden bruikbaar? Kan dit instinct een theologische esthetiek opleveren? De postmoderne cultuur is immers autonoom en radicaal pluraal geworden?

Theologische esthetiek
Een theologische esthetiek kan niet bij voorbaat uitgaan van de relevantie van het grote verhaal van het christendom. Ook kan een theologische esthetiek zich niet beroepen op de indrukwekkende culturele traditie van het christendom. Een theologische esthetiek kan alleen maar onderdelen van het grote verhaal van het christendom relevant maken wanneer deze onderdelen met het levensverhaal van postmoderne mensen in verband gebracht kunnen worden. Het gaat hierbij om actuele constellaties en ensceneringen. Hier raakt de postmoderniteit aan het protestantse oerinstinct.
Voor de theologische esthetiek gaat het om de waarneming hoe in bepaalde constellaties (iets van) de geschiedenis van God baanbreekt. Voor de theoloog gaat het erom, deze bepaalde geschiedenis van God en niet een of ander nieuw cultureel fenomeen te belichten[1]. De reflectie slaagt niet bij voorbaat en is telkens weer opnieuw een waagstuk – het protestantse oerrisico. Want je weet niet wat er uit (de analyse van) de constellatie komt. Toch gaat Grözinger dat waagstuk graag aan – vanwege die geschiedenis van God.

Het belang van traditie
De postmoderniteit heeft ambivalente houding ten opzichte van geschiedenis en traditie. Geschiedenis wordt vaak gezien als een constructie, die geen recht doet aan de werkelijkheid. Aan de andere kant is geschiedenis nodig vanwege het gedenken. Grözinger geeft het voorbeeld van de herinrichting van Berlijn na de Wende van 1991. In de architectuur en de media is hierover fel gedebatteerd wat er van het verleden bewaard moest blijven (en waarom) en wat vernieuwd mocht worden (en waarom en hoe).
Bovendien is een traditie nodig om het kader te leveren aan de hand waarvan men fenomenen kan duiden. Deze traditie dient wel opnieuw verwerkt te worden. Alleen een levende traditie kan vernieuwd worden.

Taak van het christendom in de postmoderne samenleving
Het christendom heeft de taak door innovatieve aanwezigheid de bijbels-christelijke traditie te bewaren en de geloofwaardigheid van deze traditie steeds te laten zien. Met een speelse moed kunnen ze het culturele terrein betreden. Waar de christelijke inhoud niet meer door een autoriteitsclaim institutioneel wordt gewaarborgd, ontstaat er ruimte voor nieuwe waarneming:
* Wie hangt daar in de kerk die in tijdens de vakantie heb bezocht aan het kruis?
*  Waarom zet Joh. Seb. Bach de Joden zo scherp neer in de Mattheüs-Passion? Wat zeggen hedendaagse theologen daarover?
* Waarom heeft de Leeuwekoning in de film van Walt Disney een hemelse stem als hij Simba verkiest?
Wanneer theologie en kerk deze vragen onbevangen horen en niet diskwalificeren, kunnen ze op een aandachtig gehoor rekenen. Deze werkwijze hoeft niet ten koste te gaan van de uniciteit van het christelijk geloof. Maar die uniciteit kan alleen worden gehandhaafd als ook het niet-vanzelfsprekende en het weerstand-oproepende van het christendom wordt benadrukt.

Het christendom is in zekere zin anachronistisch, maar daardoor ook aantrekkelijk. Wanneer mensen ergens in hun levensgeschiedenis op deze eeuwenoude traditie stuiten, kunnen ze ook nieuwsgierig worden. Als een anachronisme gehandhaafd wordt omdat het meer dan de gebruikelijke mode geeft, kan het ook een basis worden voor iets nieuws.
 
 n.a.v.: Albrecht Grözinger, Die Kirche – ist sie noch zu retten? Anstiftungenfür das Christentum in postmoderner Gesellschaft (1998) p. 49-83.


[1] Volgens Günter Figal zijn er 3 hermeneutische modellen:
* Een hermeneutiek die het traditieproces analyseert. In dit model vertrouwt men op de continuïteit van de tradities (vgl. H.-G. Gadamer).
* Een hermeneutiek die de verschillende perspectieven integreert. In dit model is er geen overkoepelende traditie, maar een veelheid aan symbolen en duidingen (de deconstructie van J. Derrida).
*  De hermeneutiek die de constellaties die opduiken analyseert – het model waar Grözinger zelf voor pleit.

ds. M.J. Schuurman