De verkondiging van Jezus: gebeuren en herinnering

De verkondiging van Jezus: gebeuren en herinnering

De verkondiging van Jezus was een gebeuren. Deze verkondiging had een grote impact. In ieder geval op Zijn volgelingen: Zij geloofden dat Hij Gods Woord verkondigde en dat Hij de Messias was. In de evangeliën schreven Zijn leerlingen op, hoe zij Jezus zagen. In de evangeliën beschreven zij het het gebeuren van Jezus op zo’n manier, dat daarin reeds een verband te zien is met Zijn sterven en opstaan. In de beschrijvingen van Zijn leven lieten ze zien dat al reeds tijdens Zijn leven sprake was dat Jezus de Messias was, de Zoon van God, degene die voor mensen het heil bewerkstelligde.

Onderzoek naar de historische Jezus
In de moderniteit was juist de reden dat de volgelingen van Jezus het aardse leven van hun Heer beschreven vanuit het gebeuren van Goede Vrijdag en Pasen om te twijfelen aan de historische betrouwbaarheid van die beschrijvingen. De historisch-kritische exegese wilde voorbij gaan aan die herinnering, die door het sterven en opstaan van Jezus werd gestempeld, om te kunnen achterhalen hoe de echte Jezus was geweest. Omdat dit reconstructieproces met historische methoden gebeurde, wordt deze proces ook wel de zoektocht naar de historische Jezus genoemd.

Deze zoektocht bestaat uit een aantal fasen:

(1) In de eerste fase maakte men een onderscheid tussen de Jezus zoals die echt geleefd zou hebben en tussen de verkondiging van Christus zoals dat vanaf het ontstaan van de christelijke gemeente gebeurde. Men geloofde dat de christelijke gemeente allerlei geloofswaarheden had geprojecteerd en zo Jezus een veel hogere status had gegeven dan Hij in werkelijkheid zou hebben gehad. Deze projectie gebeurde onder andere, omdat de christenen het abrupte einde van Jezus niet konden verwerken en hun rouw en verdriet over het sterven van Jezus omzetten in een geloof dat Hij verschenen was.

Aan het begin van de 20e eeuw beschreef Albert Schweitzer deze zoektocht vanaf de 18e eeuw tot zijn eigen tijd (Van Reimarus tot Wrede). Daarin liet hij zien dat bij deze zoektocht naar de historische Jezus weliswaar gestreefd werd naar wetenschappelijk objectiviteit, maar in de praktijk de resultaten van dit reconstructieproces een heel subjectief beeld van Jezus opleverden. De historische Jezus kwam overeen met de eigen theologie of de tijdsgeest van de desbetreffende wetenschapper. Schweitzer zelf ging uit van het anders-zijn van Jezus door aan te geven dat Jezus apocalypticus was. (Maar ook dat beeld paste in de apocalyptische stemming die begin 20e eeuw reeds voor het begin van de WO I opgang maakte.)

Dit boek veroorzaakte wel een crisis in de theologie en in de zoektocht naar de historische Jezus. Rudolf Bultmann was bijvoorbeeld van mening dat de theologie wel onderzoek moest doen naar de historische Jezus. Hij schreef daar zelf een boek over. Hij was echter van mening dat deze historische Jezus niet in de theologie verwerkt moest worden. Jezus behoort wel tot de vooronderstellingen, maar als Jood diende de historische Jezus geheel tot het Jodendom gerekend te worden. Hij schreef zijn Theologie van het Nieuwe Testament zonder de historische Jezus. Voor hem was Jezus wel belangrijk, maar dan vooral vanuit de impact in het heden: de existentiële beslissing waarvoor men in het heden is gesteld.

(2) De volgelingen van Bultmann namen het onderscheid dat hij maakte tussen de verkondigde Christus en de historische Jezus. Zij bekritiseerden echter de gedachte dat de historische Jezus geen plek toekwam in de theologie van het Nieuwe Testament. Zijn volgelingen luidden een nieuwe fase van de zoektocht in, omdat zij in de verkondiging van de gemeente zochten naar een verbindend criterium met de verkondiging van de historische Jezus. Vanuit de theologie van de gemeente vroegen zij terug naar de naar de verkondiging van Jezus (Günther Bornkamm, Ernst Käsemann).
Anderen, zoals Joachim Jeremias, startten bij Jezus zelf en gingen uit van de verkondiging van Jezus zelf en zagen een grotere eenheid tussen de verkondiging van Jezus zelf en de verkondiging van de christelijke gemeenten over hem.

(3) De derde fase werd ingeluid door E.P. Sanders en zijn boek over het Jodendom van de tijd van Jezus. In deze fase werd de historische Jezus in de context van Zijn tijd geplaatst. Dat was niet nieuw, want ook in de beide andere fasen werd Jezus als Jood beschreven en werd het toenmalige Jodendom onderzocht op de betekenis voor de historische Jezus (Gerhard Kittel, Adolf Schlatter). Het nieuwe van deze fase zijn de methoden: sociaal-wetenschappelijke methoden, invalshoeken met een hermeneutiek van verdenking (zoals de feministische exegese of de bevrijdingstheologische exegese). Voor een deel van de onderzoekers uit deze fase ligt de nadruk zozeer op het mens-zijn van Jezus dat de verkondiging over Hem uit beeld verdwijnt.

(4) Met de invalshoek van de herinnering zou wel eens een nieuwe fase ingeluid kunnen zijn. Anders dan in de 3e fase is de herinnering van Jezus’ volgelingen geen barrière die gepasseerd moet worden. De herinnering aan Jezus, zoals deze door de volgelingen is opgetekend, is de enige mogelijke weg naar de historische Jezus toe te gaan.
De introductie van de herinnering als toegang tot de historische Jezus werd in 2003 gedaan door James D.G. Dunn (Jesus Remembered ). Dit werd versterkt door het eerste deel van de trilogie van paus Benedictus XVI over Jezus van Nazareth, waarin hij sterk de band tussen Jezus en God benadrukte: de vraag naar Jezus is de vraag naar God.

Mogelijk dat ook het spoor van de ooggetuige bij deze fase past. Nieuwtestamentici als Richard Bauckham, Rainer Riesner en Armin D. Baum willen de overlevering over Jezus serieus nemen, omdat het doorgeven van Jezus’ woorden vaal gebeurde door volgelingen die ook ooggetuige van Jezus’ optreden waren.

De katholieke nieuwtestamenticus Thomas Söding neemt ook de categorie van de herinnering als invalshoek. In de herinnering van de volgelingen van Jezus licht op wat Jezus over zichzelf en over God dacht.

N.a.v. van Thomas Söding, Die Verkündigung Jesu – Ereignis und Erinnerung (Freiburg / Basel / Wien: Herder Verlag, 2011)

God in het godsdienstonderwijs

God in het godsdienstonderwijs

In een handleiding voor leraren bij een lesboek over het Thema: God staat: ‘De vraag naar God kan gelden als de kernvraag van elk godsdienstonderwijs.’

Georg Plasger (hoogleraar Systematische theologie) plaatst hier in het Handboek Bijbeldidactiek een kanttekening bij: vanuit Bijbels perspectief gaat het niet op, dat God in het middelpunt staat. Dan zou God slechts een antwoord zijn op een vraag die al eerder is gesteld. In de Bijbel is het andersom: God is Degene die van mensen een antwoord verwacht. God bevraagt de mens.

Gods vrijheid
Vanaf het begin tot het einde van de Bijbel wordt een grote geschiedenis van God verteld: God handelt, regeert, redt. Reeds aan het begin wordt duidelijk dat God handelt. God begint te handelen zonder externe reden: Hij schept de wereld, kiest Israël als Zijn volk, leidt Israël uit de slavernij in Egypte, komt in Zijn Zoon naar deze wereld.
De enige reden voor dit handelen is steeds: omdat God zelf dit wilde. God is niet gedwongen om te handelen. Om in theologische vaktermen te spreken: God handelt in vrijheid. Deze vrijheid is een vrijheid tot handelen (en geen vrijheid als beperking, zoals vrijheid in modernere zin betekent).

Naam
In Exodus 3:14 geeft God een antwoord op de vraag van Mozes naar Gods naam: IK BEN DIE IK BEN (HSV); IK ZAL ER ZIJN (NBV). In het Hebreeuws: JHWH.
Van groot belang is dat hier de naam van God onthuld wordt. Er wordt geen definitie gegeven. De Bijbel gaat ervan uit dat er maar één God is en dat die God deze naam heeft. Het is deze God die als enige te eren en te dienen is.
Vanuit Bijbels perspectief is het onjuist om eerst een (menselijke) definitie of typering van God te bedenken en vervolgens de kenmerken van die ‘god’ op God toe te passen.

Schepper
Deze God kiest Israël als Zijn volk. In het Nieuwe Testament komt de kerk erbij louter en alleen door Gods verkiezend handelen. God is Degene die kiest.
De God die Israël gekozen heeft, is ook de schepper van hemel en aarde. God en mens zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gods handelen stopte niet na de schepping. Na de schepping heeft God de wereld die Hij geschapen had niet losgelaten: vanaf de tijd dat Hij schiep, heeft God is in Zijn zorg met de wereld bemoeit. In theologische termen: God bewaart de schepping. Hij waakt over Zijn schepping.

Het scheppend handelen is niet alleen in het Oude Testament te vinden. Ook in het Nieuwe Testament wordt gesproken over schepping. Aan de ene kant komt Christus naar voren als degene door wie God de wereld geschapen heeft (Jezus Christus als scheppingsmiddelaar, zie Kol. 1:15-20). Aan de andere kant kunnen de wonderen en genezingen van Jezus vanuit de schepping begrepen worden: de schepping is onderdanig aan Jezus en Zijn genezend handelen is een teken van Zijn volmacht en geven aan dat het rijk van God in Hem is aangebroken.

Beelden en beeldverbod
Opvallend is dat de Bijbel vooral over God vertelt. In de Bijbel wordt weinig over Gods ‘zijn’ of ‘wezen’ gespeculeerd. Er wordt vooral verteld hoe Hij door Zijn handelen laat zien wie Hij is. Het Nieuwe Testament volgt dit spoor. In het NT wordt niet gespeculeerd over het ‘zijn’ van Jezus, maar wordt in verhalen verteld hoe Jezus door Zijn handelen laat zien wie Hij is.

In de Bijbel worden veel beelden voor God en Jezus gebruikt: herder (Ps 23), hen (Mt. 23:37), rechter (Ps 7:9), arts (Ex 15:26). Deze beelden laten zien dat God op mensen gericht is. Tegelijkertijd bevat de Bijbel ook een beeldverbod: het 2e gebod van de Tien Geboden. Dit gebod waarschuwt voor het gevaar om God vast te leggen met een bepaald beeld. De begrippen en beelden die voor God gebruikt worden hebben het gevaar van eenzijdigheid in zich en dienen steeds gecorrigeerd te worden door het Bijbelse spreken over God.

God redt
Het is van belang om de concreetheid waarmee de Bijbel over God spreekt niet te verliezen. De rode draad in de Bijbel is het reddend handelen van God. De door God geschapen wereld wordt steeds als een bedreigde wereld getypeerd. Israël wordt bedreigd door vijandelijke buurvolkeren maar vooral door zichzelf.
Ook het Nieuwe Testament laat zien dat mensen bedreigd zijn en nog sterker dan het Oude Testament wordt hier getoond dat de mens door zichzelf wordt bedreigd, omdat hij niet volgens de wil van God en niet in vrede met zichzelf leeft (=zonde).
Typerend voor God is dat Hij zich ontfermt, dat Hij komt om te redden, dat Hij mensen niet aan het verderf overlaat. Zelfs het oordeel is – bij de profeten – een onderdeel van Zijn reddend handelen.

Donkere kanten
En de donkere kanten van God (zie de boeken van Christian Link en Walter Dietrich over De donkere kanten van God). Daarin wordt willekeur en geweld ervaren. Hierbij helpt het ook niet, zoals Luther deed, om een onderscheid te maken tussen de verborgen God (deus absconditus) en de geopenbaarde God. Dit onderscheid roept vragen op: Is Jezus dan de ‘eigenlijke’ God? Heeft de God die wij ervaren en die zich aan ons voordoet ook nog een andere kant? Uiteindelijk is God niet te verklaren.

Drie-enige God
In de Bijbel komen formuleringen tegen die wijzen op een drie-enige God. Een uitgewerkte leer over Gods drie-eenheid kent de Bijbel echter niet. De besluiten die concilies in de Vroege Kerk namen over de drie-eenheid van God en over de verhouding tussen de menselijke en goddelijke natuur in Christus kunnen gezien worden als een commentaar op de Bijbel.

Voor de schrijvers van het Nieuwe Testament is de Schrift niet meer te lezen zonder de ervaring van de gekomen Messias. Daarom is de Zoon van God reeds van eeuwigheid de Zoon van God en niet (op aarde of bij Zijn sterven) tot Zoon gemaakt of geworden. Vanuit christelijk perspectief is de God die in Oude Testament bekend is reeds de drie-enige God. De leer over de drie-enige God integreert verschillende aspecten:

– God is van eeuwigheid reeds een God in relatie
– God heeft de schepping niet nodig gehad om in relatie te leven; toch wilde Hij Zijn schepping
– God verbond Zich onlosmakelijk met Zijn schepping, zodat Zijn schepping niet meer als god-loos te duiden is
– In de Heilige Geest keert God zich tot de individuele mens en tot de kosmos in het geheel

De leer over de drie-enige God is een hulpmiddel bij het begrijpen van de Bijbel. In deze leer gaat het niet om abstracties, maar om de God die zich in reddend handelen tot de wereld wendt en in deze wereld gekomen is.

God in het godsdienstonderwijs
Het Bijbelse getuigenis over God en de vraag van mensen – en ook van kinderen en jongeren – naar God is te onderscheiden.
Kan men in het huidige onderwijs nog veronderstellen dat kinderen en jongeren naar God vragen? Plasger is sceptisch en vraagt zich af of in de toenemend seculiere maatschappij de verlangens over het leven en de vraag naar de zin van het bestaan nog wel met de vraag naar God geïdentificeerd kan worden. Bovendien: doet dat ook wel recht aan de mens die niet naar God vraagt?

Een belangrijk doel van het godsdienstonderwijs is volgens Plasger: vasthouden aan de vreemdheid van de Bijbelteksten en voorkomen dat Bijbelteksten geclaimd worden. De verhalen vertellen ons geschiedenissen en daarin de ene geschiedenis van God met de wereld. De verhalen dagen ons uit om in gesprek te treden met de Bijbelse overlevering.

Basisonderwijs
In het basisonderwijs (Primarstufe) komen volgens de leerplannen vooral de verhalen uit de Bijbel aan de orde. Van belang is het wel om deze verhalen als geschiedenissen over God te begrijpen. De verhalen zijn vaak concreet, maar in de concreetheid ook verhalen over God.

Wanneer het onderwijs erin slaagt dat de kinderen de verhalen waarnemen als een geschiedenis over God en zij leren om de vragen die zij zelf hebben of de vragen die hen aangereikt worden te stellen aan de hand van de in deze geschiedenis geopenbaarde God, zal de vraag naar God steeds concreter worden.
En dat betekent ook dat de vraag naar de – drie-enige – God steeds meer verweven raakt met het leven van de kinderen.

Onderbouw
Ook in de onderbouw van de middelbare school (Sekundarstufe I) is God steeds opnieuw een thema. Vanuit het perspectief van de Bijbel gaat het erom, dat de in de Bijbel specifieke getuigenis over God een stem is die niet in te wisselen is.
Als het godsdienstonderwijs alleen vanuit een godsdienstwetenschappelijke invalshoek (d.w.z. als een neutrale beschouwing over godsdienst) doet geen recht aan het getuigenis van de Bijbel. Daarom is het goed als de Bijbelse stemmen gehoord worden als een uitdaging. Door middel van de Bijbelse stemmen worden de reeds aanwezige godsbeelden die iedereen in de les aan (Bijbelse) kritiek onderworpen.

Besluit
In het godsdienstonderwijs treffen de veelstemmige Bijbelse getuigenissen over God en de situatie van de scholieren met hun op het heden gerichte vragen elkaar. Dat maakt het godsdienstonderwijs zo uitdagend. Deze ontmoeting of confrontatie kent immers twee kanten: om de vraag van de kinderen en jongeren naar God en om Gods vraag aan hen.

N.a.v. Georg Plasger, ‘Gott’, in: Mirjam Zimmermann & Ruben Zimmermann (Hg.), Handbuch Bibeldidaktik (Tübingen: Mohr Siebeck, 2013) 99-106

Een selectie maken uit de Bijbel voor het onderwijs

Een selectie maken uit de Bijbel voor het onderwijs
Een pleidooi voor de ‘canon van de canon’.

big_25433743_0_333-250

De Bijbel is een omvangrijk boek. Te omvangrijk om als geheel in het godsdienstonderwijs aan de orde te komen. Als men de Bijbel in het onderwijs aan de orde wil stellen, zal men dus een selectie moeten maken.

Nu is het godsdienstonderwijs niet het enige die tegen dit probleem aanloopt. Op veel terreinen van de geloofsopvoeding komt men het probleem van de omvang van de Bijbel tegen: van de kinderbijbel tot de Bijbelgedeelten die in de preken aan de orde komen. In de praktijk wordt reeds een selectie gemaakt.

Kinderbijbel
In een kinderbijbel bijvoorbeeld wordt geregeld een selectie gemaakt van verhalen, waarbij bepaalde delen van de Bijbel niet aan de orde komen. Bij het niet-geselecteerde deel gaat het om een omvangrijk deel van de Bijbel: de voorschriften uit de Pentateuch, de profeten, wijsheidsliteratuur en nieuwtestamentische brieven vallen haast altijd buiten de boot.

Redenen
Er zijn verschillende redenen aan te geven, waarom een groot deel van de Bijbel buiten de boot valt:
– een tekst wordt in cognitief of emotioneel opzicht als te moeilijk voor kinderen en jongeren ervaren.
– wat er in een tekst beschreven is, wordt gezien als in tegenspraak met hedendaagse normen en waarden of wetenschappelijke inzichten.
– een tekst roept (te) moeilijke theologische vragen op, zoals de vraag naar God en het lijden.
De andere kant is dat wat er verwoord wordt, voor kinderen en jongeren niet geheel vreemd is.

Selecteren
Om de Bijbel te kunnen gebruiken, moet er een selectie worden gemaakt. Deze selectie dient niet, zoals vaak het geval is bij leerdoelen voor catechese of godsdienstonderwijs of bij het schrijven van kinderbijbels, subjectief en willekeurig te zijn. Een selectie behoort beredeneerd te zijn.
In de discussie van de Bijbeldidactiek zijn de volgende selecties voorgesteld:
– gebaseerd op basisinformatie (Horst Klaus Berg: ‘Grundbescheide’)
– gebaseerd op de basismotieven (Gerd Theiβen)
– gebaseerd op sleutels om de Bijbel te kunnen lezen.
Recent is op deze selecties kritiek gekomen van degenen die zich geïnspireerd weten door de canonieke exegese: deze selecties doen geen recht aan de Bijbelse canon.

Leeftijdspecifiek?
Binnen de Bijbeldidactiek is er vooral veel discussie over de selectie van gedeelten uit het Oude Testament. In de discussie komt men tegengestelde resultaten tegen. Zo kan bij de ene methode het verhaal van Noach gekozen worden vanwege de constructieve betekenis, bij de andere methode juist overgeslagen omdat de betekenis destructief is. In de ene methode geldt het verhaal van Job als geschikt voor kinderen; de andere methode vindt dat kinderen daarbij overvraagd worden.

big_25324840

Canon voor het onderwijs van de Bijbel
Eigenlijk zou er – analoog aan de canon van de geschiedenis – een canon voor het onderwijs van de Bijbel moeten komen. Een bereflecteerde ‘canon binnen de canon’ zogezegd. (Het geheel van de Bijbel heet immers ook ‘canon.) Zo’n ‘canon van de canon’ laat het elementaire van de Bijbel zien en kan door deze selectie en reductie tot het wezenlijke een brug slaan naar de leefwereld van de leerlingen. Dit pleidooi voor de ‘canon van de canon’ sluit aan bij het inmiddels in de Duitse godsdienstpedagogiek niet meer weg te denken principe van de elementarisering.
In die canon’ voor het onderwijs van de Bijbel zouden zowel bekende als onbekende teksten opgenomen moeten worden. Ook voor Bijbelverhalen en Bijbelteksten geldt dat het vreemde meer aantrekkingskracht heeft dan het (over)bekende.

canon

Canon voor de geschiedenis als voorbeeld
Een voorbeeld voor de canon voor het onderwijs van de Bijbel zie ik zelf in de canon voor de geschiedenis. Ook voor de Bijbelse canon zouden 50 vensters opgesteld kunnen worden. Bij die vensters zou aangegeven kunnen worden op welke manier deze thematiek, dit verhaal of deze personen verder in de Bijbel voorkomen. Bij een kenmerkend verhaal wordt een elementaire uitleg gegeven, waarbij uitgelegd wordt op welke manier er een brug geslagen kan worden naar de leefwereld van de kinderen en jongeren. Bij zo’n venster zou ook opgenomen kunnen worden hoe een verhaal, passage of persoon in kunst, literatuur, songs of (andere) media-uitingen aan de orde is gesteld.
De uitgeverij De Lubas heeft naar aanleiding van de canon voor de geschiedenis kinderboeken uitgebracht, die in de tijd van een bepaald venster spelen: de serie Terugblikken. Het zou mooi zijn als zo’n canon voor het onderwijs van de Bijbel een uitdaging voor kinderboekenschrijvers vormt om een verhaal bij een venster te schrijven. Ook zou het mooi zijn als zo’n canon bijdraagt tot een meer evenwichtigere kinderbijbel, waarbij onderbelichte delen van de Bijbel ook aan de orde komen.

N.a.v. Sabine Pemsel – Maier, ‘Der Kanon im Kanon’, in: Mirjam Zimmermann & Ruben Zimmermann (Hg.), Handbuch Bibeldidaktik (Tübingen: Mohr Siebeck, 2013) 91-99.

Kerkpedagogiek

Kerkpedagogiek
In aanraking brengen met het christelijk geloof door het kerkgebouw te laten ervaren

Een kerkgebouw fascineert. Zowel van de buitenkant als van de binnenkant. Zeker een oude, monumentale kerk. In de afgelopen tijd is bij kerken het besef ontstaan dat mensen zich graag laten rondleiden om meer van het gebouw te weten te komen, om de sfeer te proeven of om het effect van het kerkgebouw te ondergaan.

dyn001_original_640_427_jpeg_2546155_82896877c7d6f079dbece222aef25da3

De populariteit van rondleidingen binnen kerken is niet onopgemerkt gebleven. In de afgelopen tijd is er een heuse stroming kerkpedagogiek opgekomen. Dat is een stroming binnen de godsdienstpedagogiek, die uitgaat van de pedagogische kracht van het kerkgebouw. Het belangrijkste kenmerk van deze kerkpedagogiek (of pedagogiek van de kerkruimte) is dat men de bezoekers van het kerkgebouw deze ruimte wil laten ervaren.

Geloof
Het kerkgebouw getuigt in de opbouw, in de ruimte en in het gebruik door de eeuwen heen. Juist het gebouw kan degenen, die niet met het christelijk geloof bekend zijn, in aanraking brengen met kernelementen van het geloof. Door het kerkgebouw te ervaren, kunnen bezoekers ook een idee krijgen van wat het geloof inhoudt. Voor veel van onze tijdgenoten is het kerkgebouw de eerste kennismaking met het christelijk geloof en met de kerk. Het kerkgebouw zelf spreekt van het geloof. Christian Möller schreef eens over de prediking van de stenen.

In de afgelopen jaren zijn enkele publicaties verschenen op het terrein van de kerkpedagogiek:

Symbool voor de onzichtbare kerk
Het eerste boek over kerkpedagogiek verscheen in 1998: de godsdienstpedagoog Jörg Ohlemacher schreef samen met kunstenares Margarete Luise Goecke-Seischab het boek Krichen erkunden – Kirchen erschlieβen. Hierin wordt de lezer door zelf te oefenen ingewijd in de methoden van het ontsluiten van een kerkgebouw en de betekenis ervan.
De auteurs nemen hun uitgangspunt in de symboliek van de kerk. Het zichtbare kerkgebouw is een symbool voor de onzichtbare kerk. De betekenis van de architectuur wordt gekoppeld aan de grote heilshistorische lijnen en aan de Bijbel:

* als afbeelding van het hemelse Jeruzalem
* als een weg die de gelovige voert van het donker naar het licht
* als gebouw dat een eeuwige harmonie van de getallen in de kosmos symboliseert
* als plaats waar het kruis van Christus herinnert aan Zijn lijden en opstanding.

De auteurs laten aan de hand van de verschillende stijlperioden (barok, classicisme, enz) zien hoe men in die tijd geloofde en welke voorstellingen men van God en geloof had. Een kerkgebouw is dan niet zozeer een afbeelding van het hemelse Jeruzalem, maar een afbeelding van hoe mensen in een bepaalde tijd dat hemelse Jeruzalem voorstellen.

250px-05787_Ilpendam_PKN._vm.NHK._15e_Kerkstraat_19_NH._opname_23-08-1997_foto._Alie_Stok-Britting._Krommenie_(8)

‘Bezoek’ aan de Bijbel
Juist de kritische reflectie op hoe men in een bepaalde tijd kijkt, kan een stap zijn om de Bijbel erbij te pakken. De ‘tekst’ van het kerkgebouw kan met de ‘oertekst’ van de Bijbel vergeleken worden. Het kerkgebouw kan leiden tot een instap in bepaalde Bijbelgedeelten. Door het kerkgebouw te laten ervaren, kan men ook bezoekers van een kerkgebouw ook uitdagen om een ‘bezoek’ aan de Bijbel te brengen.

Belangrijke publicaties na dit boek zijn:
– Hartmut Rupp (Hg.), Handbuch der Kirchenpädagogik (2006)
– Birgit Neumann / Antje Rösener, Kirchenpädagogik (2003)
(Zie ook het artikel van Hartmut Rupp, ‘Bibel und Kirchenraum, in: Mirjam Zimmermann / Ruben Zimmermann (Hg.), Handbuch Bibeldidaktik (Tübingen: Mohr Siebeck, 2013) 582-589)

KIA050422_cf30f

Theologische betekenis van de kerkruimte
Binnen de protestantse traditie is nog lang niet iedereen doordrongen van de theologische betekenis van de kerkruimte. In 2002 werd over deze betekenis een bundel Kirchen – Raum – Pädagogik uitgegeven onder redactie van Sigrid Glockzin – Bever en Horst Schwebel. In deze bundel komen veel tegengestelde meningen aan het woord.

Niet heilsnoodzakelijk
In dat boek geeft Horst Schwebel aan dat een kerkgebouw geen theologische betekenis heeft, want een gebouw is niet heilsnoodzakelijk. Volgens hem is een gebouw geen middel dat het heil doorgeeft (medium salutis) en is het gebouw ook niet noodzakelijk voor de verhouding tot God. De betekenis van een gebouw is vooral die er door mensen aangegeven wordt (antropologisch). Kerkpedagogiek is voor hem wel van belang, omdat een gebouw het geloof uit het verleden laat zien en die distantie kan ook voor ons vandaag de dag heilzaam zijn.

watergang_wkansel-01

Sporen
In diezelfde bundel kiest Klaus Raschzok een ander spoor. Hij benadrukt dat de gemeente een gebouw nodig heeft om over een langere tijd de eredienst te kunnen houden. Dan is een kerkgebouw wel degelijk van belang voor de relatie met God. Raschzok gaat nog een stap verder: in een kerkgebouw zijn sporen te vinden van de eredienst, van het gebed en ook van de aanwezigheid van Christus. Hoe nadrukkelijker die sporen aanwezig zijn, hoe meer een gebouw met kracht geladen is.
Deze gedachte roept gelijk een aantal vragen op: om welke kracht gaat het en wat zijn die sporen? Werkt de kracht in het gebouw of in de gemeente die in dit gebouw samenkomt om te bidden, te zingen, de sacramenten te gebruiken? Wat is ervanuit de Bijbel hierover te zeggen?

In ieder geval is het duidelijk dat een kerkpedagogiek op basis van Raschzoks spirituele verstaan van een kerkgebouw er anders uitziet dan een kerkpedagogiek op basis van het antropologische model van Schwebel.

N.a.v. Werner Weiland, ‘… mehr als ein Schweinestall. Kirchenraum und Kirchenpädaogik’, Theologische Beiträge 38/1 (2007) 41-47.

Zie ook: uw kerk vertelt van geloof

Is de kerkdienst een missionaire kans?

Is de kerkdienst een missionaire kans?

Is de kerkdienst een missionaire kans? Daar zijn de meningen over verdeeld. De een vindt dat elke kerkdienst een missionaire kans is. De ander vindt dat de kerkdienst dan gebruikt wordt op een manier waarvoor de kerkdienst niet is bedoeld.

Juki

Liturgiek
In de afgelopen 2 decennia is er veel aandacht geweest voor liturgie en missionaire ontwikkeling afzonderlijk. In de afgelopen jaren is liturgiek bij uitstek hét vak in de praktische theologie geweest. Leerstoelen liturgiek werden er opgericht. Veel onderwerpen binnen de praktische theologie werden vanuit liturgisch (of ritueel-antropologisch) gezichtspunt onderzocht. In 1999 kwam in Duitsland een nieuwe opzet voor de eredienst binnen de EKD. (In 1998 kwam Dienstboek, een proeve uit).

IMG_1514_fuer_Plakat_geeignet

Missionaire bewustwording
In diezelfde tijd kwam er een nieuwe missionaire bewustwording op gang. De synode van 1999 in Leipzig was voor de EKD een kantelpunt: vanaf dat jaar stond de missie volop in de schijnwerpers. In de afgelopen jaren kwamen ook meer missionaire initiatieven. In 2004 werd onder leiding van Michael Herbst, die in de jaren-’80 promoveerde op missionaire gemeenteopbouw in de volkskerk, een Instituut voor Evangelisatie en Gemeenteontwikkling opgericht.
Johannes Zimmermann, een onderzoeker van dit instituut, wil de beide thema’s op elkaar betrekken.

Luther
In hele grove streken schetst Zimmermann de geschiedenis van deze thematiek. Volgens Zimmermann was de kerkdienst voor Luther een missionaire en pedagogische gelegenheid. In de kerkdienst kon het gewone volk horen wat het evangelie inhoudt en worden de kerkgangers door het Woord van God geroepen.

Leer en handelen
In de 17e eeuw (de tijd van de Orthodoxie) werd in de kerkdienst de ware leer (vera doctrina) doorgegeven. Het missionaire verdween en het pedagogische kreeg meer nadruk. In de 18e eeuw had de kerkdienst ook een pedagogisch doel, maar lag de nadruk veel meer in het opvoeden tot een bepaald ethisch handelen (Verlichting). Een kerkdienst kan dan wel een missionair doel hebben: het overbrengen van een bepaalde visie of een bepaalde handelswijze.
Peter Cornehl, een van de toonaangevende liturgiewetenschappers, ziet in de ontwikkeling van de Orthodoxie en de Verlichting wel het grote gevaar dat de eredienst functioneel en instrumenteel wordt opgevat. Het gevaar is dat de kerkdienst niet meer een ontmoeting met God is, maar een middel om een bepaald (pedagogisch) doel te bereiken.

Vieren
In de 19e eeuw verzette Schleiermacher zich tegen een functionele en instrumentele kerkdienst. De kerkdienst heeft in zijn ogen geen doel: geen doel om een bepaalde dogmatische visie over te dragen en ook geen doel om een bepaalde moraal aan te leren. Hij legde de nadruk op het vieren van de gemeente. Een kerkdienst is dan geen missionaire kans; missionaire activiteiten zijn vooral pastorale activiteiten.
De (oudere) liturgische beweging aan het begin van de 20e eeuw greep op Schleiermacher terug. Voor Julius Smend en Friedrich Spitta lag de waarde van de kerkdienst in de kerkdienst zelf. Ze gaven wel aan dat de kerkdienst een aantrekkende werking kon hebben. Het kan niet de intentie van een kerkdienst zijn om missionair te zijn; wel kan de missionaire aantrekkingskracht een- eventueel onbedoeld – effect zijn.

Toch weer missionair
Bij Friedrich Niebergall krijgt de kerkdienst juist een expliciet missionair karakter. De kerkdienst heeft de taak om degenen die van de kerk vervreemd zijn weer naar de kerk terug te leiden.
Vanaf de jaren-’60 tot de jaren-’80 streven veel binnen de kerk naar een kerk die er voor anderen is. Alles wat de kerk doet, inclusief de kerkdienst, wordt gemeten aan deze missie. Geregeld kreeg de kerkdienst een politiek karakter, zoals het politieke avondgebed in Keulen.

Liturgische renaissance
In de afgelopen decennia is er sprake van een renaissance van de liturgie. Aan het begin van dit blog heb ik dat al aangegeven. Veel aandacht is er in de afgelopen decennia ook geweest voor kerkdiensten met een bijzondere invulling of op een bijzondere plaats.

dyn001_original_640_427_jpeg_2546155_82896877c7d6f079dbece222aef25da3

Wat zijn eigenlijk de argumenten in deze discussie?

Argumenten tegen
(1) Een kerkdienst heeft een waarde en doel in zichzelf. Ook al is evangelisatie heel belangrijk, een kerkdienst kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan het missionaire doel.
(2) Een kerkdienst is een ‘eredienst van de in de naam van Jezus verzamelde gemeente’ (Peter Brunner). Deze gemeente is niet alleen de gemeente die er op uitgezonden wordt om anderen tot discipel van Jezus te maken (Mt 28:20), maar komt ook bijeen in de naam van Jezus (Mt 18:20. Dat spreekt ervoor om de samenkomst niet missionair in te vullen.

Argumenten voor
(1) Volgens 1 Korinthe 14 kwamen in de kerkdiensten van de eerste christenen ook buitenstaanders. Paulus roept de gemeente in dat hoofdstuk op de eredienst voor die buitenstaanders begrijpelijk te laten zijn.
(2) Het doel van de eredienst is dat God handelt aan mensen. In de eredienst komt God tot ons met Zijn belofte en roept Hij op om in Hem te geloven en op Hem te vertrouwen. In dat opzicht is elke eredienst missionair, omdat in elke eredienst opgeroepen wordt tot geloof.
(3) Ook in het missionaire werk gaat het erom dat God handelt: het missionaire werk is onderdeel van Gods missie. In die zin is er geen verschil tussen missionair handelen en de eredienst, omdat in beide onderdelen van het kerkenwerk God allereerst handelt.

Preek of hele dienst?
Als de kerkdienst missionair wordt ingevuld, welk deel van de dienst is dan missionair gericht: de preek of de hele dienst?
Vaak wordt gekeken naar de preek. In ieder geval door protestanten. Dat is voor hen het hoofdmoment van de dienst. In de preek heeft de prediker ook de meeste kans om zich op buitenstaanders te richten. In de laatste tijd wordt er nogal eens gekeken naar de hele dienst. Want een kerkdienst omvat meer dan de preek.
Fascinerend is in dit opzicht het verschil tussen protestant en katholiek. Protestanten hebben de neiging om nieuwe vormen van kerkdienst te ontwikkelen waarbij men streeft naar begrijpelijkheid. In protestantse kring wil men nauw bij het leven aansluiten. Katholieken hebben de neiging om het sacrale meer te nadrukken en om de liturgische schatten uit de traditie der eeuwen op te diepen. In katholieke kring ligt meer de nadruk op het vreemd-zijn en anders-zijn van de christelijke vormen en komt meer het geheimenisvolle tot uitdrukking.

Meenemen
Een kerkdienst kan in ieder geval een missionaire uitwerking hebben. De pro-argumenten voor een missionaire invulling van de kerkdienst laten zien, dat elke kerkdienst een missionaire uitwerking kan hebben. De vraag is alleen op welke manier dat gebeurt. Protestanten en katholieken leggen allebei een goed te verdedigen nadruk.
Daarbij komt dat de nieuwe missionaire invulling van de kerkdienst niet gericht is op een snelle bekering. Nieuwe missionaire diensten hebben meer het karakter van het meenemen in de Godsontmoeting of het laten ervaren van de vormen van die ontmoeting. Velen die niet bekend zijn met het christelijk geloof hebben een lange weg te gaan voor zij zich overgeven aan Christus. In een al dan niet missionaire kerkdienst hebben zij de gelegenheid en de ruimte om zich thuis te voelen in de eredienst en zo vertrouwdheid te krijgen met de ontmoeting met God. Een kerkdienst krijgt dan het karakter van een voorbereiding van de ontmoeting met God (praeparatio evangelii).

Luther-Predigt-LC-WB

Modellen
Zimmermann onderscheidt 3 modellen van missionaire kerkdiensten:

(1) Het evangelistische model: in de context van de volkskerk, waarin kerkdienst en onderdelen van het christelijk geloof niet geheel onbekend zijn wordt men aangesproken op de doop. De beperking van dit model is dat het alleen functioneert in een omgeving waarin men nog (enige) bekendheid met het christelijk geloof kan veronderstellen.

(2) Het pedagogisch-missionaire model: door aan-sprekende diensten mensen te zin en gevoel te geven door hen (regelmatig) een kerkdienst te laten ervaren. Zulke gelegenheden doen zich vaak voor bij trouw- en rouwdiensten.

(3) Het korinthische model: de kerkdienst wordt vormgegeven als vieren van de gemeente, waarbij men bewust rekening houdt met het missionaire neveneffect. Niet alles van de kerkdienst hoeft te worden uitgelegd. Van belang is dat de nieuwkomer gastvrij onthaald wordt en zich ook gast kan voelen. De gemeente wordt aangesproken op haar christen-zijn, maar de gast behoudt de ruimte om er anders in te staan. In dit model is het wel van belang goed na te denken over de spanning in de dienst tussen de gemeente en de gasten.

Zimmermann benadrukt dat in de praktijk deze 3 modellen niet voorkomen, maar dat er sprake is van mengvormen. Voor de missionaire praktijk is juist de verscheidenheid van de praktijk van groot belang.

N.a.v. Johannes Zimmermann, ‘Ist der Gottesdienst eine “missionarische Gelegenheit”? Überlegungen zum Verhältnis von Gottesdienst und Mission’, Theologische Beiträge 39/1 (2008) 6-23.

Preek zondagmorgen 13 juli

Preek zondagmorgen 13 juli
Thema: God is dag en nacht bereikbaar

Schriftlezing: Lukas 7:1-10.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Peter heeft een belangrijke vraag.
Hij moest aan die vraag denken toen hij gisteravond naar bed ging.
Toen hij vanmorgen wakker werd,
had hij nog steeds die vraag en wist nog steeds het antwoord niet.
Misschien zou mijn vader wel een antwoord weten, dacht hij.
Hij kwam uit bed om naar zijn vader toe te gaan,
maar zag dat zijn vader al druk bezig was om zijn spullen te pakken.
Hij zou zo dadelijk naar zijn werk gaan.
Peter zag het al aan het gezicht van zijn vader: geen tijd.
Zijn moeder riep hem al: Opschieten, Peter, je moet zo naar school.
Hmm, ook niet iemand aan wie hij zijn vraag zou kunnen stellen.
Zwijgend at hij zijn brood op.
Op school kwam het er ook niet van om die vraag te stellen.
Die middag kwam hij thuis – zonder antwoord op de vraag.
Hij wilde het aan zijn moeder vragen, maar die was aan het eten koken.
‘Zie je dan niet dat ik bezig ben?’ vroeg zij.
Toen Peter ’s avonds op bed lag, had hij die vraag nog steeds.
Hij vroeg zich af of hij de vraag aan God zou kunnen stellen.
Zou God naar hem willen luisteren?
Of zou God net als zijn vader zeggen: het komt nu niet uit, maar zaterdag,
dan kunnen we het er over hebben.
Of net als zijn moeder: Zie je dan niet dat ik het druk heb?
Zo twijfelt Peter of hij zijn vraag aan God zou stellen.
Is God niet te groot voor Peter?
Zou God zeggen: Peter, jij bent nog een kleine jongen. Later, als je belangrijker geworden bent,
zal ik naar je luisteren.
Er zijn op deze wereld zoveel mensen die tot God bidden,
komen ze allemaal wel aan?
En beantwoordt de Heere ze allemaal zelf?

Ja, God is dag en nacht bereikbaar.
In de Bijbel geeft de Heere dat zelf aan.
Psalm 121 bijvoorbeeld: De Heere sluimert niet en slaapt niet.
In de nacht wanneer bijna alle mensen slapen, is het de Heere die wakker is.
Dan waakt Hij over de mensen die slapen
en dan luistert Hij naar de mensen die niet kunnen slapen in die nacht.
Wanneer er veel gebeden bij Hem aan komen in de hemel,
kan Hij toch alle gebeden horen en een antwoord geven.
Wanneer niemand naar je wil luisteren
en geen tijd heeft voor je vragen,
weet de Heere al waar je aan denkt.
God is dag en nacht bereikbaar.
Hoe is God dan bereikbaar?
Wanneer je je vader of moeder nodig hebt,
kun je naar ze toegaan
of wanneer ze weg zijn, kun je ze ook bellen met de telefoon.
God kun je bereiken door te bidden,
door je handen te vouwen, door het tegen Hem te zeggen (hardop of in gedachten).

en weet je wat het mooie van de Heere is?
Hij is er al, voordat je er erg in hebt.
Hij komt al naar jou toe.
Kijk maar naar wat de Heere Jezus doet.
Hij is die dag druk bezig geweest.
Er waren veel mensen naar Hem toegekomen.
Ze kwamen met zieken naar Hem toe
en vroegen aan Hem: Heere, wilt u hen genezen.
Ze kwamen naar Hem toe om naar Hem te luisteren.
Jezus kan hen vertellen, hoe zij moeten leven.
Wat zij moeten doen, zodat God blij met hen wordt.
Veel heeft Hij verteld.
Wanneer Hij klaar is, zegt Hij niet: Ik stop er voor vandaag mee,
het is nu goed geweest, ik ga nu rusten.
Nee, Hij gaat op weg naar Kapernaüm.
Misschien wist Hij wel dat Hij daar nodig was.
Dat Hij naar Kapernaüm moest gaan,
om ervoor te zorgen dat die Romeinse commandant naar Hem toe zou kunnen gaan.
Zodat de commandant met de vraag die hij heeft bij Jezus terecht kan.
Dat zou mij niet verbazen, dat Jezus om die reden naar Kapernaüm gaat.
De Heere Jezus weet, wanneer Hij nodig is
en dan zorgt Hij ervoor dat Hij dáár is.
Nu zorgt Hij ervoor dat Hij in Kapernaüm is.
Jezus zorgt ervoor, dat Hij bereikbaar is.
Geen voicemail, geen telefoon die uitstaat,
geen opmerking: nu even niet, want ik heb een drukke dag gehad en ik moet nu uitrusten.
Nee, Jezus zorgt ervoor dat Hij bereikbaar is,
Dat de mensen die Hem nodig hebben, naar Hem toe kunnen komen.

In de afgelopen week moest ik eraan denken:
de Heere Jezus gaat naar Kapernaüm toe
omdat Hij voelt of weet dat Hij daar nodig is.
In deze week hebben we heel veel berichten over mijn schoonvader gehad.
Dan belde de ene zus op en dan de andere zus.
Vaak waren de berichten nog zorgelijker dan de vorige keer.
Als wij baden, of dat nu aan tafel was of voor het naar bed gaan of tussendoor,
werd er voor hem gebeden.
Bidden betekent: wij gaan naar de Heere toe, naar de Vader, naar de Heere Jezus toe,
met onze vragen.
Opeens dacht ik: de Heere Jezus gaat naar Kapernaüm voor die commandant en zijn zieke knecht.
Zodat die man met zijn vraag bij de Heere Jezus kan komen.
En ik dacht aan ons eigen gezin en aan ons eigen bidden
en ik wist opeens: de Heere Jezus is er al, bij ons, om ons heen.
Hij is er niet pas als wij naar Hem toegaan.
Hij is niet pas bereikbaar wanneer wij met onze vraag bij Hem komen.
Hij komt al veel eerder naar ons toe.
En ik geloof dat het ook voor jullie zo is.
Je hebt een vraag, je zou willen bidden.
Dan kun je denken: ik ben pas bij de Heere Jezus als ik bid.
Maar ik geloof: De Heere Jezus is al bij je en daarom kun je bidden.
Daarom hoort Hij je gebed – al is er niemand om je heen die je vraag wil horen.
Hij wel en Hij is er al – al heb je dat misschien niet eens door.

De commandant heeft een vraag voor de Heere Jezus.
Niet over zichzelf, maar over een knecht.
Een knecht die voor deze commandant heel veel betekent.
Deze knecht is heel ziek en de commandant is heel ongerust.
Steeds als hij bij zijn knecht gaat kijken, schrikt hij.
Hij denkt bij zichzelf: het zal niet lang meer duren of deze knecht zal overlijden.
Dan gaat hij bij zijn knecht zitten, stil en kijkt hij naar zijn knecht.
Hij denkt aan al die momenten dat ze samen waren
en dan weet hij: dat is nu voorbij.
Mijn knecht zal mij niet meer kunnen helpen.
Hij zal geen opdracht meer voor mij uit kunnen voeren.
Wanneer ik een moeilijke klus heb, waarbij ik iemand moet kunnen vertrouwen,
zal deze knecht mij niet meer kunnen helpen.
Hij zal mij geen advies meer kunnen geven.
Als hij dan bij zijn knecht gaat kijken of erbij gaat zitten, voelt hij zich steeds weer verdrietig.
Maar dan hoort de commandant dat Jezus in Kapernaüm gekomen is.
Opeens staat hij op en heeft hij haast.
Hij roept een aantal van zijn vrienden: Snel, willen jullie voor mij naar Jezus toegaan?
Willen jullie aan Hem vragen: Kom alstublieft, wij hebben U nodig.
Kom mijn knecht genezen, kom hem redden, want anders zal hij sterven. Snel!
Ik kan naar de Heere Jezus toe! Hij is er. Hij is bereikbaar!
Zo gaan de vrienden van deze man op weg.
Zij gaan het voor de commandant aan de Heere Jezus vragen.
Dat is het mooie van bidden:
We kunnen niet alleen voor onszelf vragen,
maar we kunnen bij de Heere Jezus ook aankloppen met onze vragen voor anderen.
Wanneer je voor iemand anders bidt, voor je opa of oma,
voor iemand anders die je kent,
ben je net als de vrienden van die Romeinse commandant,
die aan de Heere Jezus vragen: Kom, wilt u naar hem toegaan?

Waarom gaat de Romeinse commandant eigenlijk niet zelf naar de Heere Jezus toe?
Waarom haalt hij eerst zijn vrienden?
Waarom rent hij niet zelf de Heere Jezus tegemoet
om Hem mee te sleuren?
Omdat hij van zichzelf denkt: Ik kan niet bij de Heere Jezus komen.
Ik ben maar een Romeinse commandant.
Ik hoor er eigenlijk helemaal niet bij, bij het volk van God.
Maar mijn vrienden wel. Als ik hen stuur, zal Jezus misschien mij willen helpen.
Misschien herken je dat ook wel.
Je hebt zelf een vraag voor de Heere en je weet dat Hij dag en nacht bereikbaar is.
Maar je durft niet naar Hem toe te gaan.
Want God is zo groot en zo heilig.
Kan ik wel naar Hem toegaan?
Ja, anderen die horen veel meer bij de Heere.
Naar hen zal Hij wel willen luisteren, maar naar mij?

Weet je wat de Heere Jezus doet, als de vrienden bij Hem komen?
Hij gaat mee.
Hij zegt niet: dat is een Romein, daar hoor Ik helemaal niet naar toe te gaan.
Want het kon gebeuren, dat als Hij naar die Romein toe zou gaan,
dat hij dan een tijdje niet in de synagoge of in de tempel mocht komen.
Hij was namelijk dan in aanraking gekomen met iemand die niet bij de Heere hoorde
en dan hoorde je er zelf ook een tijdje niet bij.
Maar de Heere Jezus laat zich daardoor niet tegenhouden.
Het is belangrijker dat de knecht genezen, gered wordt.
Maar de Romeinse commandant denkt daar wel aan.
Stel je voor dat Jezus toch komt en bij mij in huis komt,
wat betekent dat dan voor Jezus.
Hij hoeft helemaal niet te komen.
Hij kan toch zeggen dat mijn knecht genezen moet worden?
Ik ben ook een commandant: ik kan mijn soldaten opdrachten geven.
En Jezus, die is nog veel meer dan ik.
Hij is de Heer – Heer over alles. Niemand is er hoger dan Hij.
Dan hoeft Hij niet te komen, maar hoeft alleen maar te zeggen: Word beter.
Of ziekte – ga weg!
Daarom stuurt de commandant nog een keer vrienden naar de Heere Jezus toe.
Kom maar niet, want u hoeft alleen maar iets te zeggen
en mijn knecht is genezen.

Als de Heere Jezus dat hoort, is hij onder de indruk.
Wat heeft deze man een geloof.
En dat begon al, toen de man hoorde over Jezus
en wist: bij Jezus moet ik zijn met mijn vraag.
Hij kan genezen en Hij wil genezen!
De man weet: zelfs al hoor ik er eigenlijk niet bij, toch mag ook ik aankloppen bij de Heere Jezus.
Dat is geloof: Dat je toch aanklopt bij de Heere Jezus.
Dat is geloof: ook al hoor je er voor jouw gevoel niet bij en weet je niet of je wel bij de Heere kan aankomen, dat je het toch aan Hem vraagt,
omdat je weet: alleen de Heere kan mij echt helpen.

God is dag en nacht bereikbaar!
Wanneer je een telefoon hebt, moet je zorgen dat je bereik hebt.
Als mijn familie komt, is het eerste wat ze doen:
zorgen dat ze de WiFi-code weten, zodat ze hun mobiel kunnen gebruiken.
Zo moet je het gebed ook gebruiken:
Want God is dag en nacht bereikbaar, maar dan moet je wel gebruik van Hem maken.
Wat heb je aan Gods bereikbaarheid, wat heb je aan bidden
als je er geen gebruik van maakt.
Dat is nog erger dan wanneer je een iPhone hebt, maar je niet druk maakt
om het bereik en de verbinding.
Dan zeggen we: dat is zonde, nutteloos, dat doe je toch niet?

Nog één ding: de knecht van de Romeinse commandant werd genezen.
God geneest niet altijd.
Waarom Hij niet altijd geneest, weten we niet.
Als wij bidden voor mijn schoonvader dan zou het fijn zijn
als hij beter werd of nog een tijdje te leven heeft.
Maar we weten dat één ding nog belangrijker is: dat de Heere Jezus er is.
Dan is het goed, wat er ook gebeurt.
Want ook als het niet goed afloopt, ook dan is de Heere Jezus erbij.
God is niet alleen bereikbaar wanneer het goed gaat,
maar juist dan als het slecht gaat, zorgt Hij dat Hij erbij is.
Zoals Jezus naar Kapernaüm kwam.
God is dag en nacht bereikbaar!
Ga daarom dag en als je ’s nacht s kunt slapen ook ’s nachts naar Hem toe.
Want Hij is ook voor jou bereikbaar, dag en nacht!
Amen

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

In het Reformatorisch Dagblad stond het bericht over de “Niets bijzonders”-prijs: een kerkelijke gemeente waarin weinig verandert zou deze prijs moeten ontvangen. Deze oproep, die oorspronkelijk van Hans Jürgen Luibl komt, werd door Christian Möller opgepakt.
Voor het Reformatorisch Dagblad schreef ik een korte uitleg van Christian Möllers gedachten: Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Een uitgebreidere samenvatting is hier te vinden.
Wikipedia: hier
Informatie bij Vandenhoeck & Ruprecht: hier
Bij universiteit van Heidelberg: hier (inclusief een bibliografie)

Eerdere blogs over Christian Möller:
– Reformatorische spiritualiteit
– Stellingen pastorale prediking
– Alledaagse diakonie
– Houd de kerk in het dorp! (versie 2)
– de norm van Gods koninkrijk: groeitijd
– Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige