Pastoraal preken

Pastoraal preken

In een mensenleven kan veel gebeuren. In gesprekken komt dat ook naar voren. Elk levensverhaal kent wel verdriet, zorgen, tegenslag en teleurstellingen. Als ik op de kansel sta, zie ik mensen voor mij zitten met zo’n levensverhaal. Bij de voorbereidingen merk ik vaak dat ik bepaalde zinnen schrap. Ik krijg die niet uit mijn mond, omdat er ik weet dat er veel mensen met pijn en verdriet in de kerk aanwezig zijn. Bij veel preken duurt het lang voordat ik eindelijk iets op papier krijg. Onlangs gaf het leesrooster, dat ik aanhoud, het verhaal op van de verlamde man die door het dak werd neergelaten. Het was niet gemakkelijk om hier een preek over te maken, met de herinnering aan de bezoeken van gemeenteleden die door een herseninfarct deels of helemaal verlamd waren geworden. Ook is het niet gemakkelijk om deze preek te houden met, als ik op de kansel sta, het zicht op iemand in een rolstoel.

Blokkade
Van Christian Möller heb ik geleerd dat deze blokkade bij het maken van de preek heilzaam is. Deze blokkade is in zijn ogen een ervaring van aanvechting, die mij de mond snoert als het gaat om mijn theologische principes. In de preek gaat het niet om mijn gedachten en principes, maar om het Woord van God dat gebracht moet worden. Aanvechting is noodzakelijk om mij het zwijgen op te leggen en ruimte te bieden voor Gods Woord. Vooral het Woord, dat God zelf spreekt, is troostend en heilzaam. Een pastorale preek is vooral een preek, die God zelf aan het woord laat en niet God voor de voeten loopt met onze meningen over een Bijbeltekst of een situatie, met onze ervaringen of gedachten. Om pastoraal te preken, gaat het er dus om dat ik zelf dat Woord van God verneem, dat ik door het lezen en overdenken van het Woord Christus ontmoet. Een pastorale preek is een preek, waarin God zelf doet wat Hem behaagt (Jesaja 55:10-11).

Ook al klinkt dat bekend in de oren, zo gemakkelijk is dat niet. Want lang niet altijd zie ik er zelf de vrucht niet van. Of heb ik als prediker belang bij een bepaalde uitleg van een gedeelte. Deze uitleg is dan namelijk een belangrijke pijler van mijn traditie en met deze uitleg kan ook een deel van mijn traditie verdwijnen. Als prediker kan ik de scherpe kantjes van het Woord afhalen, of juist de ruimhartigheid van het evangelie beperken. Ook als prediker ben ik nog niet los van het zondarenbestaan, dat Gods goede gaven wantrouwt, of dat zelf de grip wil houden op het effect van dat Woord.

Afwezigheid van God
Om pastoraal te kunnen preken, moeten al die blokkades uit de weg geruimd worden. Anders leg ik Gods eigen spreken het zwijgen op. Ik neem niet God in dienst, maar Hij neemt mij in dienst. In de exegese en in het overdenken van het Bijbelgedeelte gaat het dus om het vernemen van de stem van God. Ik merk dat ook in de exegese vaak uitkom bij het spreken of het handelen van God. In veel Bijbelgedeelten, zeker in de verhalen, is God vaak afwezig en wordt Hij in preken en meditaties ‘erin’ gelezen. In veel Bijbelverhalen is Hij afwezig, maar wordt in preken en meditaties gedaan alsof Hij aanwezig is, als Iemand die op de achtergrond de touwtjes in handen heeft. Maar daarmee wordt verondersteld dat Gods aanwezigheid vanzelfsprekend is. Pastorale prediking kan niet zonder nauwkeurige exegese die er nauwlettend op ziet of God aanwezig is of niet. En als God sprekend of handelend wordt ingevoerd, doet de exegese niet alsof dat vanzelfsprekend is, maar is er oog voor het onverwachte en verrassende van Gods interventie. De aandacht voor de afwezigheid van God of de onvanzelfsprekende aanwezigheid van God in Bijbelverhalen is pastoraal. Pastoraal preken veronderstelt dus een nauwkeurig lezen van de Schrift. Met een gevoeligheid voor Gods aanwezigheid en afwezigheid. Want gemeenteleden hebben vaak de ervaring dat God afwezig is. Het valt mij steeds weer op, dat gemeenteleden hun ervaringen en worstelingen niet kunnen terugvinden in de bijbel. Voor gemeenteleden is het een heilzame ervaring om te merken dat hun ervaringen, hun worstelingen en hun vreugden voor Gods aangezicht worden uitgesproken. Als de preek het levende Woord van God is, gaat het nog verder. In Gods spreken tegen ons (door de prediking) worden onze ervaringen opgenomen. Onze ervaringen zijn bij God bekend, want in zijn spreken verwoordt Hij onze ervaringen.

Dat is het tweede: in de preek als het spreken van God worden mijn ervaringen verwoord. Een mooi voorbeeld vind ik een preek van Klaus-Peter Hertzsch, een Oost-Duitse hoogleraar Praktische theologie, over Lukas 5:1-11. Hij begint zijn preek met: ‘Succesvolle arbeid geeft uiteindelijk vreugde. Ook al is het hard werken geweest. Maar zinloos werk is zeer ontmoedigend. Juist als het hard werken is geweest.’ Met enkele zinnen roept Hertzsch een herkenbare ervaring op en in één zin legt hij de verbinding met het Bijbelgedeelte: Men kan aanvoelen hoe moedeloos en futloos de vissers na deze ervaring op de oever van het meer van Genesareth hun netten spoelen.

Uit dit begin van de preek spreekt verbeeldingskracht en invoelingsvermogen. Pastorale prediking kan niet zonder verbeeldingskracht en invoelingsvermogen. Deze verbeeldingskracht en dit invoelingsvermogen geldt voor zowel het Bijbelgedeelte als onze alledaagse leefwereld. Mij valt het op dat die verbeeldingskracht en dat invoelingsvermogen in veel kinderbijbels ontbreekt. Bij het lezen van de kinderbijbel aan tafel ben ik elke keer weer verbijsterd hoe glad de Bijbelverhalen worden verteld. Alsof het allemaal vanzelfsprekend is wat er zich in de Bijbel afspeelt. Alsof het vanzelfsprekend is dat Daniël uit de leeuwenkuil gered wordt. Alsof het niets met Jozef doet, dat hij in de put gegooid wordt. Ook dat vanzelfsprekende kan het spreken van God doen verstommen. Niets is in onze tijd fataler voor de kerk en de preek dan het vanzelfsprekende als het gaat om God, Zijn handelen en spreken. Met het vanzelfsprekende wordt een drempel opgeworpen, die de Bijbel zelf niet heeft. De Bijbel is een spannend boek, omdat het gaat over de God die verrassend in onze geschiedenis komt en Zich met mijn leven verbindt. En die komst van God doet iets met ons leven en met de situatie waarin wij ons bevinden. Het Woord van God komt van buiten, van God zelf. Wij hebben het niet bedacht, wij ontvangen het slechts.
Dat het Woord van God niet uit onszelf komt, is voor ieder gemeentelid van belang, maar voor degenen die te maken hebben met verdriet en depressiviteit des te meer. Zij kunnen zichzelf niet bevrijden uit de kooi waarin zij gevangen zijn. In die machteloosheid komt het Woord van God.Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen. (Jesaja 9:1) Pastorale prediking laat Gods licht schijnen in onze wereld, over degenen die verdrietig zijn, die gevangen zijn in depressiviteit, die de weg naar God kwijt zijn.

Knap vind ik hoe Hertzsch het evangelie weet te verwoorden als een licht dat het duister dat ons gevangen houdt kan doorbreken: Ook onze geschiedenis is met de vergeefse nachtelijke arbeid niet afgelopen, gaat Hertzsch verder en knoopt aan bij het spreken van Jezus, waardoor de discipelen nogmaals het water op gaan: Maar op Uw woord. Deze vier woorden geven de samenvatting aan van wat pastoraal preken is: het spreken van God, het komen van Christus in ons leven en in onze werkelijkheid en dat een verandering teweeg brengt. We zouden kunnen spreken over het maar van God. Dat maar komt niet van ons uit, maar van God.

Daarom is het wezenlijk dat een preek volop ruimte biedt aan het spreken van God. Het is al heel pastoraal als onze ervaringen voor Gods aangezicht verwoord worden, het is nog pastoraler als Gods maar in onze werkelijkheid klinkt. ‘Ik heb als prediker niet alleen het vertrouwen dat ik in de Bijbeltekst mijn eigen leven herontdekt, maar tegelijk ook het vertrouwen dat het leven er geheel anders uitziet. Het vertrouwde wordt tegelijkertijd vreemd en het bekende verschijnt als nieuw.’ (Klaus-Peter Hertzsch)

Als prediker is het verkondigen van dat maar een hachelijke zaak. Klopt het wel wat ik zeg? Beloof ik niet teveel? Daarom kan dat maar niet zonder de aanvechting, die mij heilzaam doet verstommen. Doordat ik geen woorden meer kan vinden, krijgt God de ruimte om te spreken. Door mij heen. En dat Woord is Zijn scheppende kracht, die mij en de gemeente vanuit de dood tot leven wekt. Hij roept tot aanzijn, wat er nog niet was.

Meer dan troosten
Pastoraal preken is niet alleen troosten. Pastoraat is afgeleid van herder en wijst heen naar Christus die de goede herder is. Deze goede herder heeft zijn leven gegeven voor de zijnen om hen te brengen in zijn gemeenschap. Pastoraal preken is meer dan troosten. Want uiteindelijk gaat het om het bewaren van de gemeenteleden in de gemeenschap van Christus. Pastoraat is niets anders dan gemeenteleden behouden en bewaren binnen deze gemeenschap. Het Nieuwe Testament gebruikt hier het woord parakaleoo voor, een woord dat een scala aan betekenissen heeft: vermanen, troosten, bemoedigen, aansporen, corrigeren, opbeuren.

In de verkondiging gaat het er niet om dat de gemeenteleden tot mijn club of mijn kerk worden teruggeroepen, maar tot de gemeenschap met Christus. Het gaat er daarom ook om, dat Christus zelf spreekt in de verkondiging en de gemeente aanspreekt. Alleen dan is het pastoraal. Een blokkade voor pastoraal preken is als ik mijn mening aan de gemeente voorhoudt of opdring. Een orthodoxe (of Schriftuurlijk-bevindelijke) preek is niet bij voorbaat pastoraal, omdat deze preek orthodox is. Ook als ik een orthodoxe preek houd, kan ik God het zwijgen opleggen. In het overdenken van de Schrift en in het voorbereiden van de preek moet ik zelfs bereid zijn om mijn eigen traditie dogmatiek achterlaten. Overigens niet als verzet tegen deze traditie of verzet tegen deze dogmatiek. Maar omdat een traditie of een dogmatiek mij ook kan afschermen van het Woord van God dat mij aanspreekt. Omdat dogmatiek en traditie de verleiding in zich bergen om Gods Woord te willen beheersen. Dogmatiek en traditie mogen alleen een rol spelen in de preekvoorbereiding voor zover zij mij Gods Woord doet verstaan als Gods Woord.
Een preekvoorbereiding is altijd weer een spannend en een existentieel gebeuren, omdat ik zelf gedaagd wordt om voor Gods aangezicht te verschijnen. Voor God, de Heilige, de Rechter. Wie kan voor Zijn aangezicht bestaan? Wie kan Zijn woorden in de mond nemen? Wie ben ik als mens, dat ik namens deze heilige God, de gemeente aanspreek met Zijn oordeel? Wie ben ik als mens dat ik de gemeente mag vertellen over Gods grote daden? Wie ben ik als mens dat ik de gemeente mag nodigen vanwege Gods ruime barmhartigheid.
De almachtige God is tegelijkertijd de God van het onooglijke Israël, de God die de machtigen van de tronen stoot, de verlamden doet lopen, voor de verdrukten opkomt, gevangenen bevrijd, wees en weduwe opneemt in Zijn gemeenschap. Pastoraal preken betekent de vermoeiden, belasten en beladenen te nodigen tot de gemeenschap met Christus en hen desnoods te dwingen in te gaan, te brengen voor Christus’ voeten.

Pastoraal preken kan heel ernstig en bewogen zijn. Tegelijkertijd zijn ernstige preken niet per definitie pastoraal te zijn. Ook ernst kan een verleiding zijn. Net als verdriet heeft ernst de neiging om machteloos te maken. Wanneer die machteloosheid heenwijst naar Gods handelen gaat het goed. Want dan komt er ook weer zicht op dat maar, dat God zelf brengt. Dat maar dat als een zonlicht onze duisternis verbreekt. Lange tijd heb ik Okke Jager niet begrepen, toen hij dichtte O God geef ons theologen die geabonneerd zijn op de zon. Totdat ik bij Luther ontdekte dat zwaarmoedigheid de grootste vijand is van het geloof. De zwaarmoedigheid van mij kan vaak alleen maar van buitenaf doorbroken worden. Zoals het licht dat van God komt soms op speelse wijze de nacht verdrijft, is kan Gods komst op een speelse en verrassende wijze zijn – om mijn ongeloof en kleingeloof te beschamen. Dat licht dat van God komt en aan onze dag, onze week en ons leven structuur biedt, een heenwijzing ook naar de opstanding van Christus. Zoals Van der Graft ooit een gedicht plaatste aan het einde van een bundel over eenzaamheid, rouw, onmacht en geloofstwijfel:

Hoe nauw luistert het licht!
In het duistere huis, het
verduisterde huis

treedt het omzichtig binnen,
zelfs achterdochtige hoeken

glimlachen. Hoe het gebeuren kan
weet ik niet, maar het gebeurt.

Een mooiere omschrijving van pastoraal preken is er niet te geven.

Verder lezen:
Christian Möller, Seelsorglich predigen. Die parakletische Dimension von Predigt, Seelsogre und Gemeinde (Göttingen, 1992).
– Kirche, die bei Trost ist. Plädoyer für eine seelsorgliche Kirche (Göttingen, 2005).
– Die homiletische Hintertreppe. Zwölf biographisch-theologische Begegnungen (Göttingen, 2007).

Eerder verschenen in IZB Areopagus

Focus niet op verandering, maar werk aan een ervaarbare kerk

Focus niet op verandering, maar werk aan een ervaarbare kerk

De meeste kerken in West-Europa verkeren in een crisis door het verlies aan leden. De verwachting is dat die crisis in de komende decennia nog verder zal doorzetten. Om het tij te keren of te kunnen opvatten, probeert de kerkleiding in te zetten op verandering van de kerk. Onder andere door de structuur van de kerk te veranderen.

FILAGO_db2_3945_M_00
De Duitse theoloog Christian Möller, emeritus-hoogleraar Praktische theologie aan de universiteit van Heidelberg, bekritiseert deze veranderingen. Hij is van mening dat die veranderingen de kerk op een afstand van de kerkmensen plaatst. Hij pleit voor een ‘kerk op de hoek’, een ‘kerk op loopafstand’: een zichtbare, ervaarbare kerk, als een plek waar God ontmoet kan worden. Een kerk die ook best eenvoudig mag zijn.

Niet alleen de veranderingen worden door Möller bekritiseerd. Ook de taal waarin die veranderingen worden voorgesteld, wordt door hem bekritiseerd. Hij haalt de Duitse linguïst Uwe Pörksen aan, die sprak van ‘kunststofwoorden’. Kunststofwoorden zijn woorden met een hoge abstractiegraad: kwaliteitsontwikkeling, mentaliteitsverandering, hervormingen, herorganisatie, communicatie. De top van de organisatie gebruikt deze woorden om veranderingen op het grondvlak te kunnen doorvoeren. Het probleem met deze woorden is dat ze heel abstract zijn en daarom van alles kunnen betekenen. Pörksen geeft daarbij ook aan dat deze woorden bepaalde dictatoriale trekken bevatten. Omdat deze woorden in de media en het bedrijfsleven volop worden gebruikt, krijgen ze een dwingende kracht. Niemand is tegen kwaliteit of hervormingen. Alleen omdat de woorden heel abstract zijn, weet niemand wat de concrete inhoud is.


Möller pleit juist voor concrete taal binnen de kerk en een concrete vorm van de kerk, ervaarbaar en om de hoek. Hij doet dat door associatief aan te sluiten bij de vijf zintuigen. Het horen betrekt hij op het kerklied dat door het angstig hart wordt gehoord. Midden in de moeitevolle omstandigheden wordt de gelovige in het lied aangesproken het hart ‘opwaarts te heffen’ naar God in de hemel. De zorg en de moeite worden niet genegeerd, maar vanuit de zorg en moeite wordt de gelovige meegenomen naar God. Deze liederen geven troost, omdat ze aan God herinneren. Troost heeft ook het karakter van verzet: de moeitevolle omstandigheden hebben niet de overhand, maar God regeert alles. Möller is vooral een liefhebber van de gezangen van Paul Gerhardt. Deze liederen zijn als het ware balladen, vertellende liederen over de grote daden van God: over de schepping en over het sterven van Christus aan het kruis. De liederen bevatten veel coupletten, die beeldend zijn verwoord. Daardoor worden de liederen een weg die de gelovige aflegt, waarbij de grote daden zichtbaar worden. De abstracte dogmatiek over schepping, verzoening en rechtvaardigmaking wordt in de liederen van Gerhardt concreet en ervaarbaar.

De geur koppelt Möller aan de zondag, die de geur van de eeuwigheid in de tijd verspreidt. Bij Möller bleef ooit de zin van de Oostenrijkse schrijver Peter Rosegger hangen: ‘Geef de ziel een zondag en de zondag een ziel.’ Deze zin gaat door zijn hoofd als hij op zondag toch wat werk wil oppakken, zoals het verder schrijven aan een boek. De zondag echter verdwijnt steeds meer in het weekend. Daardoor verliest de zondag aan heilzame kracht. Hoe meer de zondag wordt gevierd als een contrast met het alledaagse bestaan, des te verrassender is het effect van de zondag op de mens. De zondag is een heilzame, bevrijdende onderbreking van het alledaagse bestaan, waarbij Gods schepselen op adem mogen komen. De zondag is ook de dag van God, waarop de eredienst plaatsvindt. Daarom is de zondag, de dag van de opstanding van Christus, ook de dag waarop de eeuwigheid in de tijd doorbreekt.

In de kerkdienst is de goedheid van de HEER te zien (Psalm 27). Daarom verbindt Möller de eredienst aan zien. In de kerkdienst spreekt God de gemeente aan: Luister vandaag naar zijn stem (Psalm 95). Dit vandaag is niet het vandaag van het journaal, maar van God die komt tot Zijn gemeente. Dat komen van God tot Zijn gemeente heeft ook een uitwerking naar het dagelijks leven. Reformatorische spiritualiteit, aldus Möller, is passie voor het alledaagse. Die passie voor het alledaagse verbindt Möller aan de smaak. In het alledaagse krijgt het geloof gestalte. In dit hoofdstuk komt de Duitse volksschrijver Johann Peter Hebel (1760-1826) aan het woord. Hebel was een van de eersten die in dialect gedichten uitgaf. In de verhalen van Hebel zijn de hoofdpersonen niet  de groten der aarde, maar gewone mensen. Daardoor kunnen die hoofdpersonen voorbeeld of spiegel zijn voor gewone gelovigen. Met zijn verhalen en gedichten wilde Hebel zijn lezers vertrouwen in Gods leiding geven en in de zorg van de Schepper voor Zijn schepping.

De tastzin tot slot staat voor Möller voor de lokale kerk als een kerk om de hoek, in de nabijheid van de gewone gelovigen. Veranderingsprocessen, zoals fuseren van gemeenten, zorgt ervoor dat de kerk bij het gewone kerkvolk weggroeit en zij zich minder betrokken voelen. Daarnaast mag de aandacht voor de toekomst van de kerk niet ten koste gaan van de kerk vandaag de dag. Want de zorg voor de toekomst verlamt en kan ertoe leiden dat de kerk meer macht toeschrijft aan de ontwikkelingen die gebeuren dan aan de Heer die de kerk regeert. Het zijn de heidenen die zich zorgen maken om de toekomst. Gelovigen vertrouwen op de leiding van de Heer.

N.a.v. Christian Möller, Kirche mit allen Sinnen. Plädoyer für eine Gemeinde mit Herzen, Mund und Händen. (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2015). 128 pag. ISBN: 978-3-7887-2922-6. Prijs: 19,90.

Verschenen in het Friesch Dagblad

 

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

In het Reformatorisch Dagblad stond het bericht over de “Niets bijzonders”-prijs: een kerkelijke gemeente waarin weinig verandert zou deze prijs moeten ontvangen. Deze oproep, die oorspronkelijk van Hans Jürgen Luibl komt, werd door Christian Möller opgepakt.
Voor het Reformatorisch Dagblad schreef ik een korte uitleg van Christian Möllers gedachten: Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Een uitgebreidere samenvatting is hier te vinden.
Wikipedia: hier
Informatie bij Vandenhoeck & Ruprecht: hier
Bij universiteit van Heidelberg: hier (inclusief een bibliografie)

Eerdere blogs over Christian Möller:
– Reformatorische spiritualiteit
– Stellingen pastorale prediking
– Alledaagse diakonie
– Houd de kerk in het dorp! (versie 2)
– de norm van Gods koninkrijk: groeitijd
– Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Onmogelijk

Onmogelijk

Is het voor volwassenen wel mogelijk om te worden als een kind? Kunnen volwassenen eigenlijk wel gehoor geven aan deze oproep van Jezus (Mattheüs 18:3)? In een adventspreek van Christian Möller kwam ik daarover deze opmerking tegen: ‘Het eerlijke antwoord moet luiden: Ik kan niet meer worden als een kind en ik moet me ook niet inbeelden alsof ik dat wel zou kunnen’ In de preek vertelt hij dat het vaak overkomt dat hij in kerstnachtdiensten volwassenen stilletjes ziet huilen. Zijn eerste gedachte was dat zij geraakt waren door de sfeer, maar later realiseerde hij zich dat deze volwassenen huilden omdat zij juist met de kerstdagen beseften dat zij hun kindertijd zijn kwijtgeraakt. Ooit hadden zij wellicht als kind hun dromen of hun hoop, maar deze dromen en deze hoop hebben zij beetje bij beetje begraven.

Het is voor volwassenen dus niet meer mogelijk om als een kind te worden. Möller koppelt deze oproep aan de opdracht aan de rijke jongeling, die ook geen gehoor kon geven aan de opdracht van Jezus. Deze opdrachten zijn onmogelijke opdrachten, die wij niet kunnen volbrengen. Hoe kunnen volwassenen dan zalig worden? ‘Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk voor God’, zegt Jezus tegen zijn discipelen als de rijke jongeling weggaat. Waarom geeft Jezus dan deze onmogelijke opdracht? Omdat het een boeteprediking is. ‘Dit is waarschijnlijk de enige boeteprediking die volwassenen helpt de weg naar hèt Kind, het Kind van Bethlehem te vinden.’

Deze adventspreek kwam ik ‘zomaar’ tegen en ik besloot vanwege deze woorden de preek op de 2e adventszondag te houden naar aanleiding van Mattheüs 18:3. In deze dienst was het ook dopen en dat ook de kinderen in de dienst aanwezig waren. Bij de voorbereiding besloot ik de preek niet allereerst de doopouders in het vizier te hebben, maar de kinderen die in de kerk waren. Daarbij hopend dat de doopouders ook in het geloof opgebouwd werden.
Halverwege de preek vertelde ik de kinderen, dat wat de Heere Jezus hier vraagt heel ongewoon is. Kinderen willen meestal als volwassenen zijn. In ieder geval nooit andersom. Welke meester of juffrouw wil zijn als de kinderen in de klas? Welke voetbaltrainer wil zijn als de pupillen die hij traint? Zouden de doopouders willen veranderen en willen worden als hun kindje dat die dienst werd gedoopt? Welke vader of moeder wil zijn als een van hun kinderen? Ik besloot om aan de kinderen de opdracht mee te geven: vraag aan je vader of hij wel kind zou willen worden.

Onze kinderen konden die morgen niet in de kerk aanwezig zijn. Ik vertelde aan hen welke opdracht ik aan de kinderen gegeven had: ‘Vraag eens aan je vader of hij zou willen worden als jij.’ De ogen van onze dochter van 4 begonnen te glimmen en ze zei lachend: ‘Dat kan toch helemaal niet. Je bent eerst klein, dan word je groot en daarna word je nog groter. Iemand die groot is kan toch niet weer klein worden?’ Onze zoon van 6 zei: ‘Wel hoor, dat kan. Als je helemaal oud geworden bent. Dan word je weer kleiner.’

Ik was benieuwd of de andere kinderen, die wel in de kerk aanwezig waren, de opdracht hadden uitgevoerd. Ik vroeg het na. Het bleek dat verschillende kinderen de opdracht thuis hadden uitgevoerd. De kinderen waren het er wel over eens, dat het niet kon, dat volwassenen weer zouden worden als een kind.

Jezus zei: ‘Wie zich niet verandert en wordt als een kind, kan het koninkrijk der hemelen niet binnengaan.’ Omdat volwassenen niet meer kunnen worden als een kind, kunnen zij het koninkrijk van God niet meer binnengaan. De deur is voor hen gesloten. In zijn preek wijst Möller er op dat God wel kind werd en in handen gaf van mensen. Wat voor mensen onmogelijk is, deed God zelf wel. Wij volwassenen moeten zeggen na een opdracht van Jezus: “Wij kunnen het niet!” Omdat wij dat niet kunnen, kwam Jezus. Waar het voor ons onmogelijk is, deed onze Heere door te komen als een kind de deur naar het koninkrijk der hemelen open.

Er is een mooi schilderij van Rembrandt over de wijzen uit het Oosten. Terwijl de wijze door de knieën is gegaan en zich buigt voor het kleine kindje, is het teken van zijn waardigheid, van zijn tulband afgevallen. Deze wijze wordt bij het zien van hèt Kind, het Kind van Bethlehem zelf ook een kind en knielt in aanbidding neer.

Geschreven voor HWConfessioneel

De preek van Chr. Möller staat in: Christian Möller, Leidenschaft für den Alltag. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart: Calwer Verlag, 2006) 107-110

Reformatorische spiritualiteit

Reformatorische spiritualiteit

Volgens Christian Möller kent de reformatorische spiritualiteit 7 kenmerken:
(1) Reformatorische spiritualiteit wordt in de doop

(2) Reformatorische spiritualiteit is een pastorale spiritualiteit

(3) Reformatorische spiritualiteit leeft uit de dynamiek van zingen en verwoorden

(4) Reformatorische spiritualiteit verwacht de komst van Christus

(5) Reformatorische spiritualiteit is gestempeld door geduld (Gelassenheit)

(6) Reformatorische spiritualiteit onthult het werkelijke karakter van de zonde (macht die Sünde groß) in het licht van het Evangelie

(7) Reformatorische spiritualiteit is passie voor het alledaagse.

Deze kenmerken komen terug in de viering van de eredienst, in het gebruik van de sacramenten, in de dagelijks omgang met gebed en meditatie van de Heilige Schrift.

Zie voor de uitwerking: Christian Möller, Leidenschaft für den Alltag. Impulse reformatorischer Spiritualität) (Stuttgart: Calwer Verlag, 2006).

Stellingen pastorale prediking

Stellingen pastorale prediking

1.) Pastorale prediking veronderstelt dat de preek méér is dan mensenwoorden, maar dat God zelf aan het Woord is. In de prediking komt Christus zelf tot de gemeente. (de sacramentaliteit van de preek) Vooral het woord dat van buiten komt, van Godswege, in mijn leven is pastoraal.

2.) Wil een prediking pastoraal zijn, dan is Christus meer dan een voorbeeld, maar is Hij ook heiland en redder (verschil tussen Christus als exemplum en als sacramentum).

3.) Pastorale prediking veronderstelt dat geloof gemeenschap met Christus is. Pastorale prediking is er op gericht de hoorders te brengen of te behouden bij die gemeenschap.
Het nieuwtestamentische woord dat laat zien wat pastorale prediking is, is parakaleoo (dat zowel vertroosten, vermanen, aansporen als bemoedigen betekent).

4.) De kennis van de levensverhalen van de mensen die voor ons zitten tijdens de kerkdienst doet ons verstommen. Dit verstommen is een aanvechting. Als aanvechting is het niet alleen een ingrijpende, maar ook heilzame ervaring. Als ons de woorden ontbreken, krijgt God zelf de gelegenheid te spreken.

5.) Pastorale prediking veronderstelt verbeeldingskracht en invoelingsvermogen – zowel met betrekking tot het Schriftgedeelte als tot de hoorders.

6.) Pastorale prediking is niet alleen ernstige prediking. Het geloof dat Christus heeft overwonnen en dat Zijn rijk komt, brengt relativering en ontspannenheid: de omstandigheden hebben niet het laatste woord. Ik kan niet en hoef niet te volbrengen wat Christus volbracht.

ds. M.J. Schuurman

De uitwerking van deze stellingen komt een dezer dagen in een artikel van het internet-tijdschrift IZB Areopagus Magazine. www.izb.nl

Verder lezen: Christian Möller, Seelsorglich predigen. Die parakletische Dimension von Predigt, Seelsorge und Gemeinde. Derde druk verkrijgbaar bij www.hartmutspenner.de