Deuteronomium 26

Deuteronomium 26

Mijn God, hoe snel vergeet met zijn bevrijding.
Blijdschap valt licht ten offer aan ontwijding.
Gij HEER, die heilig zijt en heilig voorging,
vergeten zijn uw heil en uw verhoring. (Psalm 78:14, Nieuwe Berijming)

In Deuteronomium 26 geeft Mozes aan het volk een ritueel mee om de ervaring van bevrijding levend te houden: Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld en aan de Heere worden getoond. Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren. Deze priester representeert God. Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom. Dit land is eigendom van de Heere. Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven. Deze voorouders hadden geen eigen land. Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land. Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk. Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk, maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons. De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land, dat Hij had beloofd aan onze voorouders. Dit land van de belofte is een goed land. Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.’

Van deze eerste opbrengst wordt een feestmaal gemaakt. De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

Als je nadenkt over die eerste oogst: Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten is de eerste opbrengst niet voor jezelf. Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven. Wat er nog is, is niet meer vers. Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken. Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar. Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken. Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven. De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden, zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd. In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben. Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven, wordt nooit eigendom. Het besef eens vreemdeling te zijn geweest, ook in dit land, mag niet vergeten worden. Er is geen ‘garstige breite Graben’ tussen toen en nu. Van de ervaring van de voorouders mag Israël niet zeggen: wij zijn verder in tijd, wij zijn anders, wij wortelen in deze grond.

Vreemden zijn wij, ooit geroepen,
uitgetogen en geen plek
waar wij al thuis zijn. (Gezang 813 Nieuwe Liedboek)

De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons. Al is ons leven anders. Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan. Het verschil is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken, te voelen, te zien. En het moet ook gehoord worden in de woorden die uitgesproken bij het aanbieden van die eerste vruchten: U bracht ons hierheen. Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen. We mogen nog veel verwachten. Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U. Niet wat we overhouden of de restanten, maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen, in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U. Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.

Het eerste is voor God. Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt voor een feestmaal van de hele gemeenschap. De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde. Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.

In de commentaren wordt gesteld dat dit ritueel de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere. Gods volk is een dankbaar volk. Het verse wordt gewijd aan God en gedeeld met anderen. Dit is er wat er elk jaar moet gebeuren.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest, waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd. Om de drie jaar is een tiende voor God. En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben, aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken: de Levieten, de vreemdelinge, de weduwen en de wezen. Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld. Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant. Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is, omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt. In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring steeds een levendig besef te blijven. Dat ligt niet achter ze. Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte die eens vervuld zouden worden, hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte, dat het land en de oogst door God gegeven wordt. In Deuteronomium wordt vaak gesproken over ‘heden’, ‘nu’. Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst, een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen. Dit heden is het heden waarin God werkt, die altijd heeft gewerkt en zal werken. Een heden dat ook een oordeel over de tijd is, als God wordt vergeten. Hoor Israël – Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere. Het volk leeft voor Gods aangezicht. Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt, maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad. Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen, die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend: de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen. Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

In de Gereformeerde traditie is het vreemdeling-zijn bewaard gebleven. Zo ligt aan de Heidelberger Catechismus het vreemdeling-zijn ten grondslag: gevluchte gelovigen die hen heil in Heidelberg kwamen zoeken en daar vluchtelingengemeenten hadden. Ze hadden niets meer, misschien alleen wat handbagage. Hun thuis waren ze kwijt. En of ze ooit konden terugkeren? Wat hadden ze nog? Wat is hun houvast? Dat ze eigendom waren van Jezus Christus, hun getrouwe Zaligmaker. De ervaring van buiten het paradijs gekomen zijn, kon goed uitgelegd worden met hun eigen ervaring van balling-zijn. Waaruit kent u uw ellende (ellende = uitlandig = ballingschap)? De ‘aartsvader’ van de gereformeerde traditie was een vluchteling en verwerkte dat in zijn geschriften, zoals zijn commentaar op de psalmen (vgl. Herman Selderhuis, God in het midden. Calvijns theologie van de psalmen; Idem, Calvijn als vluchteling.)

Gebruikte literatuur
De commentaren op Deuteronomium van:

  • Daniel I. Block (NIVAC)
  • Walter Brueggemann (AOTC)
  • Jack R. Lundbom (Eerdmans)
  • Gerhard von Rad (ATD)

Verder:

  • Jürgen Ebach, ‘“Ein umherziehender Aramäer war mein Vater”. Fremdheitserfahrungen als Identitätsmoment des Volkes Israel. (Vortrag in der Karlskirche Kassel 2010)’, in Idem, Mehrdeutlichkeit. Theologische Reden 9 (Uelzen: Erev Rav, 2011) 128-141.
  • Christian Möller, ‘Gerhard von Rad. Oder: Homiletik als Stimmbildung’, in: Idem, Die homiletische Hintertreppe. Zwölf biograpgisch-theologische Begegnungen (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2007) 11-30.

 

Advertenties

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Al enige tijd staat het missionaire werk op de agenda van de kerk. Daarbij is het het winnen van jongeren voor het evangelie weer een specifieke taak, omdat jongeren vaak zich in eigen leefwerelden bevinden én de afstand tot de kerk vaak groot is. Dat vraagt dan ook weer om een specifieke doordenking en een specifieke aanpak.

Florian Karcher en Germo Zimmermann, die beiden als docent betrokken zijn bij de CJVM-Hochschule (een particulier Duits missionair opleidingsinstituut dat ook door de staat is erkend), hebben een handboek Missionair jongerenwerk geredigeerd. In het eerste hoofdstuk geven zij een aftrap door de doelen, uitgangspunten en dimensies van het missionair jongerenwerk te schetsen.

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c
I. DOELEN

In het beleidsstuk van de EKD waarmee beoogd werd de missionaire uitdaging kerkbreed op te pakken wordt gesteld dat het aanspreken van mensen om hen tot geloof te wekken behoort tot alle terreinen van de kerk. Het missionair jongerenwerk wil dat aanspreken met als bedoeling met geloof in aanraking te brengen of tot geloof bewegen oppakken met het oog op jongeren. Missionair jongerenwerk heeft verschillende doelen:

1.1 Verwerkelijking van de zendingsopdracht van de kerk
Missionair jongerenwerk is afgeleid van het zendingsbevel (Mattheüs 28:16-20). Een missie houdt in dat je gezonden wordt door iemand. In het geval van missionair jongerenwerk door Christus (de missio Dei). Bij een missie wordt je ook naar iemand toe gestuurd. In het geval van missionair jongerenwerk: naar jongeren toe. Missionair houdt in dat er aandacht voor geloof is en dat jongeren uitgenodigd worden om te geloven. Het evangelie hoeft niet achterwege te blijven.

1.2 Sociaal-pedagogische verantwoordelijkheid
Missionair jongerenwerk vindt plaats in een maatschappij die het van groot belang vindt dat jongeren zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen, die hun eigen keuzes kunnen maken en voor hun eigen leven verantwoordelijk zijn. Missionair jongerenwerk heeft tot taak de jongeren in dit proces van subjectwording te steunen en uit te dagen. In het missionair jongerenwerk gaat het niet alleen om aandacht voor het evangelie, maar ook om een bijdrage te leveren aan de persoonlijke vorming en ontwikkeling van jongeren.

1.3. Christelijke opdracht tot vorming en toerusting
In theologisch opzicht vormt vorming en toerusting van jongeren geen bijzaak. Ook voor het missionair jongerenwerk is vorming en toerusting geen bijzaak, maar is vorming en toerusting onlosmakelijk met missionair jongerenwerk verbonden. Die vorming en toerusting gebeurt op veel manieren: door te ervaren, door relaties, door kennisoverdracht, enz. Veelal gebeurt het op een informele manier.

kinder

II. UITGANGSPUNTEN
Jongerenwerk wordt gekenmerkt door een uitnodigende openheid en toegankelijkheid, door vrijwillige deelname, door participatie van jongeren. Missionair jongerenwerk vormt daar geen uitzondering op. In het missionair jongerenwerk zijn in ieder geval de volgende uitgangspunten van belang:

2.1 Respectvolle houding
Missionair jongerenwerk gebeurt in een pluralistische en multireligieuze samenleving. Dat vraagt om:
– een respectvolle benadering van elke jongere, ook van de jongeren die andersgelovig zijn.
– het tegengaan van manipulatie. Jongeren mogen nooit gemanipuleerd worden om gelovig te worden.
– het helpen van de jongeren om ook kritisch op het christelijk geloof te kunnen reflecteren.
– jongeren te zien als subject (dat wil zeggen dat zij over hun eigen leven hun eigen beslissing kunnen nemen en dat zij bepaalde verantwoordelijkheden kunnen dragen).
– een begeleiding naar een eigen, zelfstandig geloof.
– de keuze bij jongeren te laten over wat zij voor zichzelf plausibel en relevant voor hun eigen leven vinden.

2.2. Aandacht voor de verschillende sociale milieus
Missionair jongerenwerk heeft als doel om jongeren te bereiken in hun eigen leefwerelden. Daarbij dient er rekening mee gehouden worden, dat recent onderzoek naar de sociale milieus ervan uitgaat dat er verschillende sociale milieus zijn waartoe jongeren behoren. Er is niet één jongerencultuur. Deze sociale milieus worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van demografische kenmerken.
Deze inzichten in de verschillende sociale milieus waartoe jongeren behoren zijn niet alleen belangrijk om hen te bereiken in hun sociale milieu. Het is ook van belang om voor de jongeren inzichtelijk te maken wat het evangelie concreet voor het dagelijkse leven in dat sociale milieu inhoudt.

zie voor meer informatie: hier

2.3. Mogelijk maken van democratische participatie
In het jongerenwerk – en dus ook in het missionaire jongerenwerk – is van belang dat jongeren zelf mee kunnen werken en mee kunnen denken en bepalen.

2.4 Resource-geörienteerd en YouthEmpowerment
Wanneer we ervan uit kunnen gaan dat elk mens van God gaven en talenten heeft ontvangen, gaat het er in het missionair jongerenwerk erom de bekende gaven en talenten in te zetten (resource-geörienteerd). Daarnaast gaat het erom op het spoor te komen wat een jongere in potentie in zich heeft en dat verder te helpen te ontwikkelen (YouthEmpowerment).

2.5 Relatiegericht
In het missionair jongerenwerk zijn draagkrachtige relaties van belang, waarbij leiders authentiek en betrouwbaar zijn. Vaak zijn degenen die zich inzetten in het missionair jongerenwerk gedreven. Ze hebben een persoonlijke motivatie om het geloof door te geven. Ook al doen zij dat vaak als vrijwilligers, het vraagt wel om een professionele inzet. Zeker met jongeren uit precaire sociale milieus is een professionele houding van belang.
Uit onderzoek is gebleven dat persoonlijke relaties, de ervaring onderdeel te zijn van een gemeenschap, betrokkenheid op sociale milieus en het inzichtelijk maken van wat het evangelie voor iemand persoonlijk kan betekenen een belangrijke bijdrage leveren als iemand tot geloof komt.

III DIMENSIES
Alle dimensies van de kerk kunnen hun bijdrage leveren aan het missionaire werk. Deze dimensies moeten niet behandeld worden als verschillende sectoren binnen de kerk, die niets met elkaar te maken hebben.

3.1 Martyria:
in het missionair jongerenwerk wordt het evangelie van Jezus doorgegeven
Een belangrijke manier om het evangelie door te geven is door erover te spreken. Bijvoorbeeld door een preek in een missionaire dienst, in een overdenking tijdens een jongerenvakantie, in een toespraak tijdens een georganiseerde avond. Er zijn echter veel meer manieren om het evangelie door te geven.
Het doorgeven van het evangelie door middel van een preek, een overdenking of een toespraak gebeurt vaak door leken. Het gevaar is een eenzijdige inhoud of een manipulatieve insteek. Het pluspunt is dat degenen die hier spreken vaak dicht bij de leefwereld van de jongeren staan, die niet bekend zijn met de kerk en het geloof. Het zou jammer zijn als daar geen gebruik van gemaakt wordt. Een (eenvoudige) toerusting door middel van een cursus zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit. (zie bijvoorbeeld de Juleica bij 3.5)
In didactisch opzicht is de preek of de toespraak wel eenzijdig. Er zijn veel andere manieren om het evangelie ook door te geven, bijvoorbeeld te leren door te ervaren (in een viering bijvoorbeeld), door gesprekken, door ervaring van gemeenschap.

3.2 Koinonia
missionair jongerenwerk schept ruimte voor relatie en gemeenschap
Door mee te doen ervaren de jongeren een gemeenschap, waarin ze opgenomen zijn en er helemaal bij horen. Volgens de ontwikkelingspsychologie is het voor jongeren van groot belang om tot een gemeenschap te behoren. Ook al moet ieder individu zelf de keuze maken om al dan niet in te gaan op de uitnodiging vanuit het evangelie, geloof gebeurt altijd in een gemeenschap. Het evangelie kan ook doorgegeven worden doordat jongeren weten dat ze geaccepteerd zijn, dat ze er helemaal bijhoren. Het gaat hier om de ervaring van welkom te zijn en helemaal geaccepteerd te worden zoals ze zijn. Het gaat om contact en aandacht zonder dat het benauwend wordt. Het gaat om betrouwbare relaties waarbij jongeren een voorbeeld hebben van hoe geloof werkt en bij wie ze terechtkunnen voor vragen over zichzelf, over het geloof en deze wereld.

Juki

3.3 Leiturgia
Missionair jongerenwerk biedt ruimte voor geestelijke ervaringen
Jongeren leren het evangelie nooit echt kennen en het christelijk geloof nooit echt begrijpen als het bij alleen maar kennis over het evangelie en over God blijft. Het is van belang om jongeren te helpen bij het ervaren van God. De christelijke traditie kent volop vormen waarin dat mogelijk is: een kerkdienst, een viering. Dat vraagt om aandacht voor rituelen, symbolen, hoogtijdagen, enz. Een viering kan groots, maar ook klein en intiem. Dat kan in een kerkzaal, in een sportkantine, aan een tafel waar samen gegeten wordt, enz. In de godsdienstpedagogiek is er de laatste jaren veel aandacht voor het in aanraking brengen met het geloof door jongeren te laten ervaren. Jongerenkerken en praiseavonden steken volop in op de dimensie van de leiturgia.

M3351M-T013

3.4 Diakonia
Missionaire jongerenwerk stelt zich belangeloos in deze wereld op
Diakonia is de naastenliefde die Jezus vraagt in praktijk gebracht. Voorheen werden een diakonale insteek en een missionaire insteek als concurrenten gezien. Tegenwoordig wordt gezien dat ze elkaar kunnen aanvullen in het bereiken van mensen en in het zich opstellen ten dienste van deze wereld om daarmee iets van Christus te laten zien. In het missionair jongerenwerk kan de diakonale insteek genomen worden door jongeren uit precaire sociale milieus huiswerkcursussen of cursussen voor sociale vaardigheden aan te bieden. Er kan de insteek genomen worden om jongeren uit de precaire milieus te helpen om een baan te vinden. Er kunnen projecten ontwikkeld om kinderen en jongeren uit deze milieus meer zelfvertrouwen en eigenwaarde te geven.

3.5 Paideia
Missionair jongerenwerk stimuleert informele vormingsprocessen
De dimensie van vorming ontbreekt niet in de andere dimensies. ‘Spiritualiteit heeft altijd vorming nodig om zich te kunnen ontvouwen.’ (G. Fermor) Vorming kan er zijn voor de jongeren die niets of weinig over het geloof of de kerk weten, bijvoorbeeld door een missionaire cursus als YouthAlpha. Vorming kan er ook zijn voor de degenen die in het missionair jongerenwerk actief zijn. In Duitsland is het mogelijk dat degenen die in het jongerenwerk actief zijn via scholing of cursussen een certificaat behalen: de Jugendleiter-Card (Juleica, zie voor meer informatie: hier). Ook in het missionair jongerenwerk zijn zulke cursussen te volgen om een Juleica te ontvangen. Daarmee zijn ze gekwalificeerd voor hun taak en kunnen ze zich steeds verder ontwikkelen.

home_2015

3.6. Instrumentarium om te analyseren
Deze vijf dimensies zijn bedoeld om te kijken wat een bepaalde vorm van missionair jongerenwerk goed heeft opgepakt. Daarnaast kan gekeken worden welke dimensies over het hoofd worden gezien.

978-3-7615-6286-4

IV AANDACHTSPUNTEN
Het handboek Missionair jongerenwerk is bedoeld als stimulans om het missionaire jongerenwerk verder te ontwikkelen. Karcher en Zimmermann zien de volgende uitdagingen:
– Meer aandacht voor de dimensie van de diakonia in de concrete vormen van missionair jongerenwerk.
– Het vinden van effectief aanbod en effectieve werkvormen. Daarvoor is het nodig dat missionair jongerenwerk leert van de recente ontwikkelingen en onderzoeken binnen de godsdienstpedagogiek en en de sociaal-pedagogische vakken.
– Betrekken van de ervaring die (partner)organisaties elders op de wereld hebben opgedaan.

Missionair jongerenwerk is geen concept dat werkt als er maar de juiste methode gevonden wordt. Missionair jongerenwerk vraagt om passie en enthousiasme voor zowel het evangelie als voor jongeren.

csm_Florian_Portrait_web_01_aea8ce03f7  csm_Germo_Zimmermann_09-2015_09cbb1be4a
Florian Karcher          Germo Zimmermann

N.a.v. Florian Karcher / Germo Zimmermann, ‘Was ist missionarische Jugendarbeit? Ziele, Leitlinien und Dimensionen’, in: Idem (Hg), Handbuch missionarische Jugendarbeit. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit, Bd. 1 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016) 17-49.

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

In het Reformatorisch Dagblad stond het bericht over de “Niets bijzonders”-prijs: een kerkelijke gemeente waarin weinig verandert zou deze prijs moeten ontvangen. Deze oproep, die oorspronkelijk van Hans Jürgen Luibl komt, werd door Christian Möller opgepakt.
Voor het Reformatorisch Dagblad schreef ik een korte uitleg van Christian Möllers gedachten: Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Een uitgebreidere samenvatting is hier te vinden.
Wikipedia: hier
Informatie bij Vandenhoeck & Ruprecht: hier
Bij universiteit van Heidelberg: hier (inclusief een bibliografie)

Eerdere blogs over Christian Möller:
– Reformatorische spiritualiteit
– Stellingen pastorale prediking
– Alledaagse diakonie
– Houd de kerk in het dorp! (versie 2)
– de norm van Gods koninkrijk: groeitijd
– Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst

Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst
Handelingen 3:1-11.

Intro voor de kinderen:
Stel je voor dat er bij de ingang van de kerk een man zit. De man kan niet lopen. Hij is daar neergezet door familie of vrienden om geld te vragen aan de mensen die naar de kerk gaan. Als je de kerk naar binnen wilt, moet je langs die man. Die man zit niet alleen vandaag. Hij zat er vorige week ook en de week daarvoor. En volgende week zal hij er zitten en de week erop. Als hij er niet zit, is er iets met hem aan de hand.
Wat doe je?
(a) Je vraagt aan je ouders: ‘Pap, mam, kunnen we niet de andere ingang van de kerk nemen, zodat we deze man niet hoeven te zien?’
(b) Je zegt tegen je ouders als je nog thuis bent: ‘Pap, mam, we moeten extra geld meenemen voor de man die bij de deur van de kerk zit.’
(c) Je loopt naar de man toe om hem even gedag te zeggen of een praatje met hem te maken.
(d) Je loopt langs hem zonder hem aan te kijken.
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De man die bij de tempelpoort zit,
heeft in al die jaren de mensen leren kennen
aan de manier waarop zij geld geven.
Er zijn mensen die op hem aflopen, even de tijd nemen, een praatje maken,
hem elke keer groeten als zij weer op weg gaan naar de tempel om te bidden.
Geregeld stoppen zij hem wat toe.
Er zijn ook mensen die hem wel wat geven,
maar dat uit tegenzin doen.
Hij kan aan hun gezicht zien dat ze hem liever niet waren tegengekomen,
maar nu ze hem zo vlak voor de tempelpoort hebben zien zitten,
moeten ze wel wat geven.
Misschien wel om een schuldgevoel af te kopen.

Het doet pijn als er mensen zijn die naar de tempel toegaan of uit de tempel komen,
maar die aan de andere kant van de weg gaan lopen zodra ze hem zien,
met een boog om hem heen lopen en gauw de andere kant opkijken,
zodat ze hem niet hoeven te zien.
Dat ze hem niets geven, dat is het probleem niet, maar dat ze hun hoofd omdraaien
en dat ze net doen of hij niet bestaat, dat doet pijn.

Maar de ergsten zijn degenen die hem verontwaardigd aankijken
of het tegen hem zeggen: ‘Wat doe je hier? Je hoort hier niet te zitten!’
Ze vinden het niet alleen vervelend dat ze in hun vrome gedachten gestoord worden
(ze gaan immers naar de tempel om God te ontmoeten en tot Hem te bidden),
maar ze zijn ook bang dat deze man
de tempel verontreinigd en door zijn bedelen en door zijn handicap de tempel onrein maakt.
Wat doet zo’n man bij de tempel?
Hij mag de tempel niet binnenkomen, want hij is verlamd.
Het zou goed zijn als hij bij de tempel zou worden weggestuurd.

Ja, hij mag niet in de tempel komen, want hij is verlamd.
Al vanaf zijn geboorte.
Nooit heeft hij zelf kunnen lopen.
Al heel zijn leven moet hij worden getild:
als hij naar bed wil gaan of eruit wil komen, als hij naar de wc wil,
als hij naar buiten wil, als hij ergens naar toe moet.
Ook vandaag hebben ze hem gesjouwd.
Ze zeiden tegen hem: we zetten je vandaag in de middag neer bij de tempel,
als de mensen naar de tempel gaan om het middaggebed te bidden.
Door zijn handicap mag hij de tempel niet binnengaan.
Voor de poort, buiten de tempel, moet hij wachten.
Voor hem is er geen ontmoeting met de Heere , want daarom gaan de mensen naar de tempel:
om de Heere te ontmoeten, om Zijn goedheid te ontvangen.
Dat is er voor hem niet bij.
Hij valt er buiten.

Zo dichtbij de tempel en zo ver verwijderd van God.
Op de grens, voor de poort, maar niet bij God kunnen komen.
Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die veraf zijn.
Deze man die bedelt bij de poort van de tempel is iemand die veraf is,
hoe dichtbij hij ook is in Jeruzalem en hoe dichtbij hij ook bij de tempel is.
En toch hoort hij er niet bij door hoe hij is.
Het doet pijn om ver bij God vandaan te zijn,
maar het zal nog meer pijn doen als je dicht bij God bent,
maar dat je niet bij Hem kunt komen door hoe je bent.
Zo vlakbij en dan zo’n grote kloof.
De man heeft de geur van het offer geroken, de rook omhoog zien stijgen,
het zingen in de tempel gehoord, de mensen die opgingen en uit de tempel naar buiten kwamen.
Maar voor hem was het niet.
Allen die veraf zijn.
Lukas gebruikt in zijn evangelie nog een ander woord: verloren.
Verloren schaap, verloren penning.
Verlorenen zijn bij Lukas degenen die naar God toe zouden willen gaan,
naar Hem verlangen, maar niet meer bij Hem kunnen komen door hoe ze zijn.

Maar Lukas laat nog iets zien:
Dat God juist deze verlorenen op het oog heeft.
en dat Jezus voor deze verlorenen gekomen is
om hen bij Zijn Vader terug te brengen.
De mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

Als God de verlorenen op het oog heeft, moeten wij ze ook op het oog hebben.
Wie door God geraakt is, hoort zijn hart open te stellen
voor degenen die er niet bij horen.
Daarom net voor die tempelpoort de man die de tempel niet binnen kan gaan
om Gods aangezicht te zoeken, om de Heere te danken.
Hoe zullen de mensen, die naar de tempel gaan om God te zoeken en te bidden,
hoe zullen zij omgaan met die man die daar niet bij kan komen?
Zullen ze geraakt zijn als ze hem zien, omdat ze zelf geraakt zijn door de goedheid van God?
OF zullen ze hem negeren of afwijzen, zullen ze het hem laten voelen of laten horen:
‘Jij hoort er niet bij! Wat doe je hier?’
De man voor de tempelpoort bedelt.
De Herziene Statenvertaling heeft dat met een mooi woord vertaald:
De man vraagt aan de voorbijgangers om liefdesgaven.
Een gift = gave. Om een gave uit het hart.
In het Grieks klinkt daarin door: geraakt in het hart, bewogen, ontferming,
een gift uit mededogen.
De man laat het aan de voorbijgangers merken:
ik ben van Gods goedheid buitengesloten, maar jullie niet.
Kunnen jullie mij niet laten delen in wat je van de Heere krijgt?
Kun je niet uitdelen van het goede dat je van God ontvangt?
En dan niet door een soort schuldgevoel af te kopen:
omdat je liever niet herinnerd wordt aan lichamen met een gebrek,
omdat je je dan opeens zo bewust wordt van je eigen lichaam / lijf.
Omdat je niet de geur wilt ruiken van iemand die zichzelf niet kan verzorgen en wassen,
maar afhankelijk is van het verschoond worden door anderen.
Kun je iets van Gods mededogen / ontferming aan mij doorgeven?
Het is een vraag naar ons hart?
Wat (wie) leeft er in ons hart en kunnen wij dat doorgeven?
Daar begint diaconie!

Geen wonder dat Lukas er oog voor heeft
dat Petrus en Johannes op weg naar de tempel deze man tegenkomen met deze vraag.
Zij gaan op weg om te bidden, om God te eren.
Wat doen zij? Zullen zij net als de priester en de leviet in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan om de man heen lopen?
Zullen ze hem een geldstuk geven, zodat ze niet meer aan hem hoeven te denken
en hun overige gedachten in de tempel kunnen wijden aan God?
Nee, laat Lukas ons zien, dat kan niet!
Als christen kun je je niet afzonderen van wat er in de wereld gebeurt.
Omgaan met God betekent niet dat je je hart afsluit voor wat er om je heen gebeurt.
Nee, juist het leven met God opent de ogen, opent het hart.
Je ziet de ander! Je kijkt niet meer weg.
Je draait je hoofd niet meer om door net te doen of je de ander niet gezien hebt.
Nee, geloven in Jezus de redder van de verlorenen, betekent juist
dat je je niet meer afsluit.
Geloven in de God van Israël betekent dat je ook zelf geraakt wordt door het onrecht
en het leed dat mensen aangedaan wordt.

Het begint met wat Petrus zegt tegen de man die daar bij de tempel moet bedelen.
‘Kijk mij aan!’
Wat gebeurt er als deze man Petrus aankijkt?
En wat leest Petrus in de ogen van de man die al zijn hele leven
niet kan voortbewegen, afhankelijk is, aan wie vaak voorbij gekeken is,
die alleen maar kan leven als anderen hem wat toestoppen?
Ziet Petrus aan zijn gezicht de verlorenheid? ‘Kijk mij aan!’
Wanneer mensen elkaar echt zien, vindt er contact plaats, een ontmoeting,
wordt de tijd voor elkaar genomen.
Ben je niet meer anoniem. Niet meer ‘die man’, niet meer ‘die zwerver’,
want dan word je weer iemand met een gezicht en vooral een levensverhaal.
Het valt mij op, dat dit ontmoeten vaak overgeslagen wordt
en dat mensen wel denken te weten wie een ander is
omdat ze genoeg zien.
‘Kijk mij aan!’ – woorden die aangeven aan de verlamde man: ‘Je hoort er ook bij,
bij het volk van God en Zijn verbond!’
‘Kijk mij aan!’ – verkondiging dus van Gods goedheid.
Ook degenen die veraf staan van God worden erbij geroepen.
In de houding van Petrus zien wij ook een les voor onze omgang met anderen:
zien wij anderen staan? Zien wij anderen zitten?
Kijken we niet aan hen voorbij omdat we daar eigenlijk niet tegen kunnen?
Zien ze aan ons dat God ook hen als Zijn kinderen wil aannemen?
Is onze houding voor hen een uitnodiging of zelfs een roepstem van God?
Wat bijvoorbeeld als iemand al jaren niet meer in de kerk komt?
Wat leest diegene in onze ogen: je bent er weer niet geweest?
Of: Weet je wel dat het ook voor jou is, Gods genade? Dat ook jij bij God mag horen?

Wanneer er echt een ontmoeting is, waarin ze elkaar aankijken, elkaar zien,
kan er gegeven worden.
Petrus geeft waar de man om vraagt, vanuit zijn hart,
vol bewogenheid, mededogen, ontferming.
Dus niet vanuit de hoogte, maar als vanuit het hart, omdat Petrus een hart vol heeft.
Niet vol zilver of goud. Daar is zijn hart niet vol van.
Niet van het materiële. Het is geen houding van: kijk eens hoe goed ik het heb
en daar mag ik jou nu van laten delen.
Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven.
Petrus’ hart is vol van de Heere Jezus.
Wat ik heb zal ik je geven.
Dat is het mooie van het geloof, van een hart vol met de Heere Jezus:
als je geeft, wordt je alleen maar gelukkiger en nog meer vol van Hem.
Je hart stroomt ervan over.
Wat Petrus de man geeft, is geen zilver, geen goud, zelfs meer dan genezing.
Petrus schenkt de man het mooiste wat er is:
Christus en daarmee ook een samenzijn met God.
Beste man, je verlorenheid is voorbij! Je bent weer gevonden door de Goede Herder.
Ook jij mag van zijn kudde een schaap zijn.
Leeft Christus in uw, jouw hart?
Ben jij vol van Hem? Gun je het ook dat anderen Hem kennen
en door Hem bij God mogen horen?
Wie is de Heere Jezus voor u, voor jou?

Gaat het niet om meer? Gaat het ook niet om het wonder dat Petrus geneest?
Zijn wij er niet verlegen mee en praten wij daar niet te snel overheen?
In de trant van: dat was iets van de allereerste christenen, dat gebeurt nu niet meer?
Petrus geneest de man wel!
De man mag door wat Petrus doet, genezen zijn van zijn verlamming.
Hij kan opstaan, dansen en springen, zijn benen voelen, zelf voortbewegen!
Doet Petrus dat dan?
In de naam van Jezus – dat betekent niet: ik doe het in kracht van Jezus.
Ook niet: ik heb Zijn kracht nu in mij.
In de naam van Jezus betekent: Hij is er nu zelf aanwezig en Hij doet het! Hij geneest!
Ik begrijp het verlangen als christenen zeggen: God geneest nu nog steeds!
Want voor die christenen laat God dan Zijn macht zien en moeten ongelovigen wel inzien
dat God bestaat en dat Hij machtig is en dat Hij gediend moet worden.
De Heere geneest gelukkig nog steeds.
Ook als er voor gebeden wordt.
Maar waar het hier om gaat, is dat de genezing in dienst staat van iets anders.
De genezing laat niet de macht zien van God,
maar Zijn goedheid.
Niet Zijn macht die alle kwade krachten, zoals de ziekte, verslaat.
Maar die ons diepste leed, namelijk de verlorenheid opheft, over de kloof een brug legt.
Deze man was verloren, maar werd gered doordat Petrus op hem afstapte
en Petrus vol bewogenheid deelde van wat er leeft in zijn hart: Jezus.
Wanneer er een wonder plaats vindt, is het naar mijn idee niet
om aan anderen te laten zien hoe groots en indrukwekkend God is,
maar laat dat zien dat degene die het wonder ervaart van God een teken krijgt:
Ook jij mag bij mij horen! Ook voor jou is de kloof overbrugd.
De afstand is overwonnen.
Een wonder is een teken dat God er is, dat Hij naar degene toekomt
die het wonder ervaart.
Lukas laat dat zien in de manier waarop hij over de genezing vertelt:
Met een sprong stond hij overeind.
Van die sprong wordt gezegd: dat is eigenlijk overbodig.
Maar voor Lukas niet, want juist dat woord verwijst naar een Bijbelgedeelte:
Jesaja 35 – de terugkeer van God naar Zijn volk:
* de woestijn zal bloeien
* de verlamden zullen springen.
Deze genezing is een teken, dat Christus er is
en zegt: Jullie zijn weer Mijn volk en Ik ben jullie God.

‘Kijk mij aan!’ zegt Petrus.
In naam van Christus mag Petrus de man genezen en zo terugbrengen bij de Heere.
Ik kan niet genezen, maar ik kan, mag, moet uitstralen
dat er van God een uitnodiging komt, een roeping: voor degenen die ver bij God vandaan zijn.
Al wonen ze wellicht dicht bij mij. Het is ook voor jou! Amen

Preek zondagmorgen 17 november 2013

Preek zondagmorgen 17 november 2013
2 Korinthe 8:9: Want u kent de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

U heeft in de afkondigingen kunnen horen
dat de collecte voor de diaconie volgende week
bestemd is voor noodhulp aan de Filippijnen,
omdat dit land zwaar getroffen is door een tyfoon.
Er is veel verwoest en er is veel noodhulp nodig om erger te voorkomen.
Op veel meer plaatsen op de wereld zal er een inzamelingsactie gehouden worden.

Stel dat er ook op Haïti geld wordt opgehaald voor de Filippijnen
en dat de mensen op Haïti zouden zeggen:
‘Wij weten wat het is, om alles kwijt te raken.
Wij willen graag bijdragen aan deze collecte.
Enkele jaren geleden is ons eiland getroffen door een aardbeving
en toen zijn veel huizen verwoest en veel mensen omgekomen.
Wij weten ook hoe belangrijk hoe gevaarlijk het kan zijn
in de weken na de ramp: de plunderingen, de ziekten die uitbreken.
Maar dat is niet de belangrijkste reden.
Het zijn onze broeders en zusters die getroffen zijn, daar in de Filippijnen.
Ook zij behoren tot het lichaam van Christus
en nu zij te maken hebben met lijden, voelen wij dat ook mee.’
Hoewel zij nog steeds druk zijn met de opbouw van hun land
of misschien nog wel druk met overleven, omdat het land niet opgebouwd is,
hebben ze nu vooral aandacht voor de Filippijnen.
Ze zijn niet bezig met hun eigen zorgen,
de eigen omstandigheden in het land, ze tellen even niet mee.

Het is een voorbeeld, maar op die manier kan ik u uitleggen,
wat Paulus bedoeld als hij de Macedoniërs naar voren schuift als voorbeeld
waarbij de gemeente in Korinthe veel van kan leren.
Of een ander voorbeeld:
De christenen in Syrië – ze zijn de dupe van de burgeroorlog in Syrië.
In het geweld in dat land krijgen zij grote klappen
en veel Syrische christenen vluchten het land uit
en degenen die achterblijven zijn teleurgesteld geraakt in hun broeders en zusters in het Westen
die hen in de steek laten en geen aandacht hebben voor hun lijden.
Stel dat deze christenen zouden zeggen:
Wij dragen bij aan de collecte.
Veel hebben we niet, want we zijn veel kwijtgeraakt.
Maar we delen wat we hebben met onze broeders en zusters op de Filippijnen.

Met andere woorden: als Paulus de gemeenten in Macedonië naar voren schuift
als voorbeeld voor de gemeente in Korinthe,
wijst hij op de armere gemeenten in Macedonië.
De gemeenteleden die het lang niet zo goed hadden als de gemeenteleden in Korinthe
hebben meegedaan met een collecte voor Jeruzalem.
Jeruzalem was getroffen door een hongersnood,
waarbij de christelijke gemeente ook getroffen was.
Hoewel Paulus op een aantal punten anders dacht dan de gemeente in Jeruzalem
en hoewel de christenen in Jeruzalem Paulus nog steeds wantrouwden als apostel,
wilde Paulus een collecte houden in de gemeenten die hij had gesticht.
Om naar beide kanten toe aan te geven dat hij nog steeds met Jeruzalem verbonden is.
Naar Jeruzalem toe wilde hij laten zien:
Ook al ben ik een andere weg gegaan
en begrijpen jullie in Jeruzalem niet waarom ik onder de heidenen werk
en begrijpen jullie niet waarom ik op bepaalde punten afwijk,
ik heb me niet van jullie losgemaakt.
Aan de andere kant wilde Paulus aan de gemeenten die hij had gesticht laten zien:
als christelijke gemeente zijn we niet een losse club, een plaatselijke vereniging,
maar met elkaar zijn we verbonden,
Samen horen wij bij de Heere Jezus en daarom horen wij bij elkaar.
Ook de gemeente in Jeruzalem, ook al zijn dat Joden,
ook al is Jeruzalem ver weg, we zijn wel met hen verbonden.
Vanuit de verbondenheid met de gemeente in Jeruzalem wilde Paulus hulp aanbieden.
Omdat de gemeente in Korinthe leden had, die het goed hadden,
klopte hij bij hen aan en ze waren enthousiast voor Paulus’ plan
om de gemeente in Jeruzalem bij te staan.
Actief begonnen ze met het opzetten van een collecte en maakten een begin.
Alleen … dat enthousiasme bekoelde. De aandacht was weg, de betrokkenheid nam af.
De gemeente in Korinthe had het wel voorgenomen,
maar het kwam er niet van. Uiteindelijk liep de actie helemaal op niets uit
en werd er niets opgehaald.
Gemeenten in de buurt, die hoorden van de collecte in Korinhte,
vroegen aan Paulus of zij mee mochten doen.
Het waren de armere gemeenten uit Macedonië.
In het gedeelte dat we hebben gelezen stelt Paulus deze gemeenten tot voorbeeld.

Het bijzondere is dat Paulus de gemeente in Korinthe niet beveelt
de actie af te ronden en het toegezegde bedrag op te halen.
Dan zou het een mooie anekdote in het gedenkboek van de gemeente in Korinthe zijn
(of van de gemeenten in Macedonië),
of een mooie anekdote uit het leven van Paulus om te laten zien,
hoe slim Paulus kon redeneren, waardoor hij de gemeente in Korinthe alsnog
zo ver kreeg dat het bedrag binnenkwam.
Paulus doet iets anders en dat is ook voor ons als gemeente in Oldebroek een geestelijke les.
Paulus wijst namelijk op iets wat aan de basis stond
van het verzoek van de gemeenten uit Macedonië om mee te mogen doen.
Dat verzoek kwam niet voort uit een met elkaar vergelijken.
Het is niet zo dat de gemeenten in Macedonië niet wilden achterblijven,
dat er een soort trots bij kwam kijken: wat zij in Korinthe kunnen, kunnen wij ook.
Al hebben wij minder, ook wij kunnen een flink bedrag ophalen.
Wij willen niet onderdoen.
Nee het was een andere kracht, die in hen werkte,
Waardoor zij bij Paulus aanklopten om mee te mogen doen:
het is de genade van God, die in hun harten werkte.
En die genade is juist het tegenovergestelde van het met elkaar vergelijken,
totaal anders dan de trots van een gemeente, die niet wil achterblijven
bij een rijkere gemeente, die niet wil onderdoen.
Genade is niet: kijk ons nu eens meedoen!
En ook niet: wij hebben het zelf bedacht om mee te doen.
Nee, genade is de kracht van de Heere Jezus die in de armere gemeenten heeft gewerkt.
Het was geen eigen initiatief van die gemeenten,
maar God zelf stond aan de basis.
Hij opende het hart van de gemeenten voor de nood in Jeruzalem.
Hij werkte in hen, zodat ze voelden: wij kunnen niet achterblijven.
Wij moeten ook meedoen.
Paulus verwoordt dat hij beschaamd is – zo zeggen we dat wel eens:
als een opbrengst van een collecte hoger is dan we verwachten.
Dat wil zeggen: we hadden niet verwacht dat het zó zou leven in de gemeente.
En misschien dachten we ook wel uit de hoogte: wijzelf waren er wel op betrokken.
Wij wilden wel meedoen.
Maar bij het tellen van de opbrengst bleek,
dat velen meer gegeven hadden dan wij zelf in gedachten hadden.
Paulus had niet verwacht dat men in MAcedoniË zo’n groot bedrag kon opbrengen.
Hij kende immers de moeite en de zorg.
Hij wist dat er gemeenteleden waren die niet rond konden komen.
Die financiële tegenslagen hadden, misschien ook wel doordat zij tot geloof gekomen waren
en vonden dat zij bepaald werk niet meer konden doen en daardoor inkomsten misliepen.
OF omdat zij ontslagen werden, omdat zij niet meer mee konden doen
met alle heidense gewoonten en gebruiken.
En toch gaven zij meer dan Paulus had verwacht.
En dat op eigen initatief.
Dat kan je al beschaamd maken – als gemeenteleden meer geven dan je zou verwachten.
En toch is dat niet de belangrijkste reden voor Paulus geweest
om te zien dat de genade van God werkzaam was in hun harten.
Wat Paulus ook ten voorbeeld houdt, is dat de gemeenten in Macedonië
niet alleen een groter bedrag gaven dan Paulus had gerekend,
zij gaven ook op een andere manier: zij gaven zichzelf.
Waar Paulus op doelt is niet helemaal duidelijk, wat de Macedoniërs concreet hebben gedaan
maar wel dat het meer is dan een geldbedrag.
Paulus pakt dat woord genade in vers 9 weer op:
de genade waarmee de Heere Jezus naar de aarde kwam,
die genade werkte ook in het hart van de MAcedoniërs.
Die genade kennen de Korinthiërs ook:
Paulus zegt dat ook tegen de gemeente: de genade van de Heere Jezus kennen jullie ook.
Die hebben jullie zelf in je eigen leven ervaren.
Die werkt ook in jullie gemeente.
Jullie weten wat Christus heeft gedaan.
Hoe het voor Hem was in de hemel, een leven vol heerlijkheid,
maar Hij heeft dat allemaal opgegeven om naar de aarde te komen – Hij is arm geworden.
Christus heeft in de hemel niet gezegd: Mij niet gezien, Ik wil niet naar de aarde toe.
Ik stuur wel iets anders, waardoor ze op aarde toch een beetje geholpen zijn.
Nee, Hij geeft zichzelf. Hij geeft al het mooie dat Hij had, dat gaf Hij op –
om anderen te helpen en bij te staan.
Dat was Hem meer waard dan Zijn hemelse heerlijkheid.
Iets van wat de Heere Jezus heeft gedaan, is er ook in MAcedonië gebeurd.
Ze hebben ervaren wat dat voor hen betekende,
Dat de Heere Jezus heeft gezegd: Mijn heerlijkheid leg ik af.
Zij hebben het in de gemeente ervaren: door de Heere Jezus hebben wij een geweldige rijkdom ontvangen, een rijkdom die niet in geld is uit te drukken.
Ik zei het al, waar Paulus op doelde is niet bekend.
Maar ik denk dat het een betrokkenheid was op Jeruzalem, op het lijden van de broeders en zusters,
waardoor zij bij zichzelf dachten: ach, ons eigen lijden stelt niet veel voor
vergeleken met wat de gemeente in Jeruzalem door moet maken.
Zij hebben het erger dan wij.
In de gemeente ging het dan niet om de plaatselijke zorgen, maar om wat daar in die andere gemeente, in Jeruzalem speelde.
Die zorgen daar, ook al was de gemeente zo ver weg, hield hen bezig.
Al hun aandacht ging daarnaar uit. Medeleven en voorbede.

Het mooie is dat Paulus de gemeente in Korinthe geen verwijt geeft
of dat hij de gemeenten van Macedonië voortrekt,
maar dat hij de gemeenten van MacedoniË naar voren haalt
om erop te wijzen, wat de Heere doet in die gemeenten.
Zie je wat daar gebeurt in Macedonië? Dat doen ze niet zelf!
Dat is de Heere! Daaraan kun je zien dat Zijn genade in hen werkt.
Voor Paulus is het ook geen succesverhaal, waarmee overal op de wereld geworven moet worden voor zijn actie.
Nee, het gaat ook helemaal niet om hem, of om de gemeenten in Macedonië.
Het gaat om de Heere en Zijn werk.
Aan Hem is de gemeente helemaal toegewijd.
Ze zeggen tegen de Heere: Heel ons leven is voor U. Ons geld en ook onze aandacht en betrokkenheid.
We kopen medeleven met onze broeders en zusters niet af
om verder ongestoord met ons eigen leventje verder te kunnen.
We houden de boot niet af, omdat we er niet meer bij kunnen hebben.
Nee, ons leven is van U. Want u hield ook de boot niet af, toen u naar de aarde moest.
De gemeente in MAcedoniË heeft dat begrepen
dat wat Paulus in een eerdere brief schreef over de liefde:
de liefde loopt niet met zichzelf te koop.
Hoeft niet op websites en in kerkbladen te zetten wat de opbrengst van de collecte is
om er vervolgens vol trots op te kunnen wijzen hoeveel wij als gemeente opbrengen.
Nee, het draait niet om ons, maar om Christus.
En daarom geven de Macedoniërs zich. Helemaal. Ze houden niets achter.
Hun hart gaat open: voor Christus, maar ook voor degenen die ook hun leven aan Hem verbonden hebben – al wonen ze ver weg. Opbrengst = bevestiging van die toewijding.
Daarom: Haïti / Syrië: betrokkenheid, meeleven, gebed.

Er is nog iets bijzonders aan wat de Heere doet in de gemeenten van Macedonië.
De Heere neemt de moeilijke omstandigheden niet weg.
De tegenstand, de discriminatie om het geloof, de zorgen worden door de Heere niet weggenomen.
Nee, temidden van alle zorgen gaat het hart van de Macedoniërs open voor anderen.
Zo werkt de Heere.
Dan zegt Paulus tegen de gemeente die het zo goed heeft:
Jullie kennen het evangelie. Jullie weten wat de Heere Jezus voor jullie heeft overgehad.
Daardoor kwamen jullie tot geloof, omdat je ervaarde wat de Heere Jezus voor jullie over had.
U kent die genade!

Nu wil de Heere u gebruiken.
Ook anderen mogen – door u, door uw vrijgevigheid, maar bovenal door uw meeleven, door uw aandacht, door gebed – ervaren: God laat ons niet in de kou staan.
Paulus zegt eigenlijk: Korinthiërs, het geld dat jullie opbrengen,
gaat God gebruiken om Zijn genade nog eens te onderstrepen.
Om te laten zien, dat de genade van Christus waar is en nooit ophoudt:
Dat Christus naar de aarde kwam, in onze ellende, niet op een afstand bleef staan,
maar kwam, neerdaalde, zichzelf prijsgaf, arm werd.

Klacht van de Syrische christenen: geen aandacht van onze broeders en zusters.
Niet het geld, maar de betrokkenheid, meeleven, aandacht.
Niet wegduwen, maar hart open – zoals Christus.
Hoeven wij niet weg te gaan (hoewel: misschien deden bepaalde Macedoniërs dat)
Paulus zegt niet: u moet met zn allen naar het rampgebied zijn,
maar open oog, open hart.
De ogen en hart van Christus – als teken dat de genade in u werkt.
Hij kwam bij ons en diende ons.
Wij willen worden als Hij.
Helemaal kunnen wat dat niet, maar wel iets: de gemeente van Macedonië is ook voor ons een voorbeeld: elkanders lasten dragen wij. Want Christus droeg onze last, onze armoede en nood.
Zijn liefde en genade is zo veel, teveel voor onszelf alleen.
Dat willen wij met anderen delen. Niet om iets in ons, maar door de genade van Christus.
Amen

Liturgie
– Psalm 103: 1,2
Stil gebed. Onze hulp
– Psalm 43: 3, 4
Verootmoediging
– Psalm 25: 3, 4
Gebed om de Heilige Geest
Schriftlezing: 2 Kor 8:1-15
Collecte
– Gezang 27: 7, 8, 9, 10 (NH-Bundel 1938)
Verkondiging
– Op Toonhoogte 94: 1, 3, 4 Hij kwam bij ons heel gewoon
Dankzegging en voorbede
– Psalm 145: 2, 3
Zegen

Alledaagse diakonie

Alledaagse diakonie

 Hoe kan de christelijke gemeente opgebouwd worden tot een diakonale gemeente? Om hier een antwoord op te kunnen geven, moeten we volgens Christian Möller, emeritus-hoogleraar Praktische theologie terug naar de bronnen.

Wanneer we naar de bijbelse bron gaan, worden we bepaald bij de (avondmaals)tafel. Diakonein betekent: ‘bij de tafel opwachten’. In de bijbel heeft diakonaat steeds te maken met de (avondmaals)tafel: de plaats van gemeenschap van Christus met de gemeente en van de gemeente onderling. Niet alleen de kwestie van armoede in de gemeente (Hand. 6:1) en de voetwassing (Johannes 13), maar ook de kwestie van rangorde in de gemeente heeft te maken de avondmaalstafel: wie mag er in het koninkrijk van God tijdens het feestmaal naast Christus aan de tafel zitten (Mk. 10:35-40). De maaltijd (eucharistie, avondmaal) was de kern van het leven en de opbouw van de gemeente.
De gemeenschappelijke viering vloeide over in het gemeenschappelijk delen van de goederen. In 150 na Christus beschrijft Justinus hoe gemeenteleden ten tijde van de viering van het heilig avondmaal goederen, die over waren, bij de leiding van de gemeente werden gebracht. De leiding van de kerk zorgde ervoor dat deze goederen onder armen, de weduwen, de gevangenen en de vreemdelingen werden verdeeld.
Het geven van goederen was een goed werk. Dat wil zeggen: degenen die deze goederen gaven, voelden zich niet verplicht of gedwongen dit te doen, maar brachten het vrijwillig. Ze waren dankbaar voor de overvloed van de genade. Deze vrolijke uitwisseling van goederen vindt haar oorsprong in wat de gelovigen zelf weer van Christus hebben ontvangen: Tenslotte kent u de liefde die onze Heer Jezus Christus heeft gegeven: hij was rijk, maar is omwille van u arm geworden opdat u door zijn armoede rijk zou worden (2 Korinthe 8:9).

Niet aan onszelf denken
Het avondmaal is door deze wisseling gestempeld. Deze wisseling vormt ook de gemeente tot lichaam van Christus. Iedereen in dit lichaam heeft iets te ontvangen en te geven: de sterken en de zwakken, degenen die treuren en degenen die lachen, degenen die beperkt zijn en degenen die niet met beperkingen te maken hebben. De vorming van dit lichaam is het werk van de Heilige Geest (1 Korinthe 12:11), de Geest van Christus die zijn lichaam en bloed gegeven heeft voor de gemeente. Wie in dit lichaam wordt ingelijfd, behoort niet meer aan zichzelf toe, maar wordt door de Geest van Christus in beslag genomen. Daardoor denkt hij niet meer aan zichzelf (zelfvergetelheid), maar vanzelfsprekend aan zijn naaste en kan met zijn naaste delen in het geven en ontvangen.
Een voorbeeld van het niet meer aan zichzelf denken is een moeder die zich tot het uiterste wegcijfert voor haar kind. Zij zal heftig protesteren als iemand zegt dat zij een offer brengt. Het is voor haar vanzelfsprekend dat zij zichzelf wegcijfert. Zij komt pas in de knoei met zichzelf als anderen haar opoffering problematiseert. Voor Möller is dit een voorbeeld hoe de Geest van Christus’ liefde, die voortkomt uit Zijn offerdood, ervoor zorgt dat wij vanzelfsprekend niet meer aan onszelf denken. Doordat de Geest deze liefde in de gemeente brengt, is er diakonaat vanuit de verborgen overvloed van deze liefde. Waar de gemeente door de Geest van Christus gebouwd wordt, is deze overvloed aanwezig in de gemeente.

On-geest
Deze sfeer binnen de gemeente, die door de Geest wordt binnengebracht, kan ook geperverteerd raken. Bijvoorbeeld als de kwestie van taal of nationaliteit in de diakonie sluipt, waardoor de eenheid van de tafelgemeenschap verbroken dreigt te worden. Vandaag de dag kunnen er vele on-geesten zijn, die de tafelgemeenschap kunnen bedreigen. Bijvoorbeeld in het helperssyndroom of messascomplex: op een geraffineerde wijze wordt macht verkregen over hulpelozen. Of een houding waarmee men alleen voor mensen met een beperking wil zorgen – zonder in te zien dat ook deze mensen zelf veel te geven hebben.
Wat moet een gemeente doen als zo’n on-geest in de diakonie binnensluipt en veel schade berokkent? Een appèl doen op de gemeente werkt averechts. Een appèl kan het vuur slechts voor korte tijd doen opvlammen. Maar een appèl zorgt er niet voor dat de liefde, die nodig is om diakonaal te zijn zonder aan onszelf te denken, in ons komt.
De moedergemeente in Jeruzalem gaat, als de onderlinge hulp in gevaar komt, het diakonaat organiseren. Zodat de apostelen zich weer kunnen richten op Woord en gebed. Na de organisatie van de diakonie en het herstel van gebed en Woordverkondiging, breidt het Woord van God zich uit (Handelingen 6:7). Dat Woord van God is een niet alleen woord, maar ook daad. De apostelen moesten in gebed blijven, omdat er door het mopperen van de gemeenteleden een on-geest binnen de gemeente op kwam. Die on-geest kon niet bestreden worden door de organisatie van de diakonie, maar door het vasthouden aan gebed en het Woord. De georganiseerde diakonie zorgt ervoor dat de Woordverkondiging niet bij woorden blijft. De Woordverkondiging bewaart de diakonie ervoor dat zij alleen maar daad is.

Linkerhand
Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet (Mattheüs 6:3). Maar hoeveel gebeurt het niet dat onze linkerhand wèl  weet wat onze rechterhand doet en dat we onszelf heel wat vinden, omdat we dat doen. Hoe kunnen we deze opdracht uit de Bergrede volbrengen? Het wordt spannend als we bedenken, dat we dit vanuit onszelf niet kunnen. Dan gaat Degene die ons de Bergrede gaf in ons werken met de diakonie van Zijn woord. Diakonaat van het woord kan niet slagen zonder diakonaat van de daad. Het gaat erom dat Christus in ons werkzaam is en met Zijn woord ons doordringt en het goede in ons tot stand brengt. Zijn komst en werkzaamheid in ons overweldigt ons op zo’n manier dat onze linkerhand niet weet wat onze rechterhand doet. Om ervoor te zorgen dat Christus met Zijn Geest in ons werkzaam blijft, is het niet genoeg dat in de moedergemeente te Jeruzalem het diakonaat georganiseerd wordt, maar is het nodig dat de apostelen in gebed blijven. God zelf werkt in het verborgen de goede daden in ons.

Praktische mogelijkheden
Om de gemeente diakonale bewustzijn bij te brengen, is het goed om te starten bij de (avondmaals)tafel. Aan de avondmaalstafel is de opgestane Heer present met zijn lichaam en bloed in de gestalte van brood en wijn. Als Diaken van alle diakenen roept hij alle vermoeiden en belasten tot zich. Wat is de belemmering om het startpunt te nemen in dit diakonaat van Christus aan ons? Bij diakonaat denken wij vaak vooral aan wat gedaan moet worden, aan naastenliefde als activiteit aan / voor de ander. Diakonie begint ermee dat onze Heer aan ons schenkt. Zijn liefde vermenigvuldigt zichzelf steeds meer. Het uitdelen aan ons werkt in ons door. In de collecte bijvoorbeeld, die in de dienst wordt ingezameld en op de avondmaalstafel wordt gelegd. In de voorbeden waarin de nood van de wereld bij God gebracht wordt.
Dit diakonaat aan de avondmaalstafel kan overvloeien in ons dagelijks leven. Waarom zou dit delen stoppen bij de kerkdeur? Het delen kan voortgezet worden in een gezamenlijke maaltijd, in gesprekken over de heg, in het bezoeken van zieken en rouwdragenden.

Vrijheid om goed te doen
Christus zat bij zondaars en tollenaars aan tafel. Om uit te leggen, waarom hij dat deed vertelde hij een gelijkenis: In een tijd van grote werkloosheid haalde een eigenaar van een wijnboerderij steeds weer werklozen op om aan de slag te gaan in zijn wijngaard. Aan het einde van de dag, ging hij nog eens op pad om werklozen te halen, die zich de hele dag zorgen hadden gemaakt of zij hun vrouw en kinderen de volgende dag wel te eten konden geven. De clou van deze gelijkenis was niet, dat de eigenaar hen gelijk behandelde, maar de werklozen schonk vanuit zijn goedheid. Degenen die een volle dag hadden gewerkt, kregen een volwaardig dagloon. Degenen die zich de hele dag zorgen hadden gemaakt over het onderhoud van hun gezin kregen evenveel. Dat eigenaar deed dat op eigen kosten. Hij schonk uit de overvloed van zijn goedheid. Juist die uitdelende goedheid roept ergernis op (Mattheüs 20:15).
Diakonie is een vrijheid om goed te doen. Deze vrijheid om goed te doen gaat niet ten koste van gerechtigheid. Deze vrijheid om goed te doen heeft vaak van doen met individuen die toch door de mazen van het sociale vangnet vallen.
Vanuit de vrijheid om goed te doen is er ook geen verschil tussen professional en leek. Beiden zijn in staat om in vrijheid goed te doen. De reformatorische traditie werkt niet met het onderscheid tussen expert en leek, maar werkt vanuit het priesterschap van alle gelovigen. Deze (alledaagse) priesters vertrouwen op hun vrijheid om het goede te doen – juist ook op de momenten waar rechtvaardige wetten geen grip op hebben. Dat vraagt soms bereidheid om risico’s te nemen. Deze vrijheid is verrassend, onconventioneel en bij tijd en wijle ergerniswekkend.
De kerk is een ruimte waar de vrijheid om op deze manier goed te doen niet ten koste gaat van de gerechtigheid. De kerk opent de ruimte(n) van gerechtigheid voor de Heer die komt.

N.a.v. Christian Möller, ‘Alltägliche Diakonie’, in: Christian Möller, Leidenschaft für den Alltag. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart: Calwer Verlag, 2006) 212-232.