God laat met Zich spreken. Calvijn over het gebed

God laat met Zich spreken. Calvijn over het gebed

Bidden betekent: spreken met God. God laat met Zich spreken. Zondige, onreine, sterfelijke mensen mogen met de heilige God spreken. Voor de reformator Johannes Calvijn speelt bidden een grote rol in zijn theologie en in zijn praktijk van geloven.

Volgens Calvijn-onderzoeker Eberhard Busch is er in het onderzoek naar Calvijns theologie weinig aandacht geweest voor de betekenis dat bidden voor Calvijn had. Terwijl het wel het wel een belangrijk thema voor Calvijn is geweest. Het grootste hoofdstuk uit de Institutie gaat over bidden.  Ook in zijn uitleg van Bijbelboeken komt Calvijn steeds over bidden te spreken. Voor Calvijn zijn de basiselementen van een eredienst: preek, avondmaal en gebed.

Calvijn spreekt in zijn gebeden God vaak aan als Almachtige. Daarmee bedoelt Calvijn niet zomaar dat God alles kan, maar wil hij aangeven dat God in Zijn genade de zondaar uitnodigt om met Hem in contact te komen en in gemeenschap te treden. Wij zijn op God, onze Schepper, aangewezen. God houdt rekening met onze gebeden.
calvijn
Calvijn

1. Bidden en geloven
Bidden veronderstelt geloven. Calvijn: ‘Wij kunnen niet tot God bidden zonder te geloven.’ Bidden is daarom geen zelfgesprek, maar een gesprek met God.

Is geloof dan een sleutel om in de hemel te komen? Nee, want wij hebben als mensen die sleutel niet in eigen hand. Door te geloven erkennen wij dat ook. Maar God maakt in Zijn Woord de deur van de hemel open. God heeft tot ons gesproken en daarom kunnen wij met God spreken.

Gods Geest maakt het ons mogelijk ons in geloof tot God te wenden. ‘Wie niet door Gods Geest wordt geregeerd, kan niet van harte bidden. Wij weten dat het deze bijzondere gave van de Geest is, die ons hart opwaarts in de hemel opheft. Want wij bidden tevergeefs als wij niet geloven en ons niet bekeren.’

Wij zouden niet kunnen bidden als de Heere niet zelf eerst gesproken had. Daarom gaat geloven aan bidden vooraf. Geloven is de moeder van het gebed, aldus Calvijn. Het spreken van God tot ons en ons geloven in God gaat aan ons bidden vooraf. Gods spreken opent ons oor en ons hart, waardoor wij antwoord kunnen geven. Gods spreken tot ons laat zien dat God bereid is om ons een luisterend oor te bieden. Ons geloven en ons luisteren naar Gods spreken vindt in ons bidden een antwoord: daarmee beamen wij Gods spreken.

Ons bidden als ons antwoord is het hoogste dat wij als mensen kunnen aanbieden: ‘Het voornaamste offer dat God van ons vraagt is het aanroepen van Zijn naam.’ ‘Het aanroepen van Gods naam is de beste oefening van ons geloven en ons hopen.’ ‘Het voornaamste werk van ons geloof is het aanroepen van Gods naam.’ ‘Het beste middel tegen ons vermoeid-worden in geloof is het volhouden in gebed.’ In ons bidden komt naar voren dat de Geest in ons werkt, Die ons tot kinderen van God maakt.

Bidden staat voor Calvijn niet tegenover handelen. Door te bidden ontvangen wij de kracht om moedig te handelen. Het juiste handelen is eerst in gebed gaan. Bidden is de eerste juiste handeling.

Bidden is geen individuele zaak. Bidden is iets gemeenschappelijks. We bidden met elkaar en we bidden voor elkaar. ‘De christenmens heeft zijn gebeden zo vorm te geven dat ze op de gemeenschap betrokken zijn en iedereen insluiten, die in Christus zijn broeder of zuster is. Daarmee sluit hij alle mensen in die op aarde leven.’
Eberhard Busch
Eberhard Busch

2. Het bidden van ons zondaars
De belangrijkste vraag is niet of wij willen bidden, maar of wij mogen bidden. Wij zijn immers zondaars. In geloof komen wij voor Gods aangezicht. Voor Gods aangezicht krijgen wij het juiste inzicht over onszelf: wij fabriceren onze eigen goden die bij ons passen, onze eigen uitvindingen, producten van onze eigen verbeelding. Dat is ongeloof. De ware God schudt ons wakker uit deze waan.

We hebben vergeving nodig voor deze zonde als wij met God willen verkeren. Daarom is voor Calvijn het eerste gebed, dat de gemeente bidt bij het samenkomen, een gebed om vergeving.  Ook onze gebeden zijn zondig, maar in Zijn oneindige goedheid en genade wil God onze gebeden toch aannemen.

De zonde wekt ook vaak in ons de indruk dat onze gebeden niet bij God aankomen en dat wij tevergeefs bij God op de deur kloppen. Dat is een sterke aanvechting, waardoor de drang om te bidden onder druk komt te staan. Volhouden in gebed is geen makkelijke deugd. Ons ongeloof maakt ons wijs dat ons bidden geen zin heeft. Met het verdwijnen van de hoop verdwijnt ook onze ijver om te bidden. Ons vertrouwen toont zich door vol te houden als het gaat om gebed, ondanks deze aanvechtingen.

3. Gebedsverhoring
In Calvijns tijd kon de gedachte geuit worden dat gebedsverhoring afhankelijk is van de reine staat van de bidder. De mens moet zijn bijdrage leveren, zodat God het gebed verhoort. Voor Calvijn is bidden reeds een begin van de gebedsverhoring: onder alle twijfel is er toch de zekerheid dat God hoort.

Voor Calvijn zijn er twee vormen van gebedsverhoring: een voorlopige gebedsverhoring en een toekomstige definitieve verhoring. Dit is de spanning van het reeds en het nog niet.
zusammenlebenVerhoort God verkeerde gebeden? Volgens Calvijn niet. God kan ons niet aanzetten tot egoïstische of tot kwaadwillende gebeden. Bidden gebeurt naar Gods wil. Wie door God verhoord wil worden, moet niet in de eigen zooi blijven steken. Toch laat God Zijn zon schijnen over goede en over slechte mensen.  Gods barmhartigheid is onze troost, want geen enkel gebed komt zuiver voor Gods troon. Zelfs ons stamelen verdraagt God. Daarom bidden we nooit tevergeefs en is ons bidden nooit zinloos. We bidden in hoopvolle verwachting.

Verhoring door God heeft altijd heilzame betekenis. In de uitleg van Psalm 77:10 schrijft Calvijn: ‘Gods goedheid is onlosmakelijk verbonden met Zijn wezen, zodat het voor God onmogelijk is om niet barmhartig te zijn.’

4. Aanwijzing tot het juiste bidden
Er zijn volgens Calvijn wel aanwijzingen nodig voor het juiste bidden. Die aanwijzingen betreffen niet zozeer de vorm als wel het besef tot Wie je bidt. We kunnen niet onze egoïstische wensen uiten die tegen Gods wil ingaan. Alles in ons leven en daarmee ook ons bidden hoort te zijn tot eer van God.
Voor Calvijn zijn dit de aanwijzingen:

  • Bid met een regelmaat. Zoals Daniël driemaal daags op de knieën ging. Wie met regelmaat bidt, vergeet het bidden niet. 
  • Bidden heeft iets gemeenschappelijks, zoals het Onze Vader laat zien. In de eredienst worden daarom psalmen gebeden om het gemeenschappelijke uit te drukken.
  • Calvijn wil dat we bidden met de juiste instelling. Hoe ons hart is, is het belangrijkste bij het bidden. Toch gaat het bidden met het hart niet ten koste van de uiterlijke vorm. Want het is nodig dat ons bidden uitgesproken wordt. Een hardop gebeden gebed laat zien dat de bidder in de gemeenschap van de kerk van alle tijden en plaatsen treedt. We bidden daarom met hart en mond. Het is de plicht van het hart, dat zich uit met behulp van de tong.
  • Mag je voor jezelf bidden? Bidden mag volgens Calvijn nooit iets egoïstisch hebben. Ons bidden moet tot eer van God zijn en naar Zijn wil. We mogen God nooit voor ons karretje spannen. 
  • Bidden voor onszelf mag ook niet ten koste gaan van het bidden voor een ander. In het bidden gaat het om het geheel van de kerk van alle tijden en alle plaatsen. We zijn in ons bidden ook verbonden met degenen die ver van ons af staan.


N.a.v. Eberhard Busch, ‘Gott lässt mit sich reden’, in: Idem, Zum Zusammenleben geboren. Johannes Calvin – Studien zur seiner Theologie (Zürich: Theologischer Verlag Zurich, 2016), p. 9-20.

Preek biddag 2020 morgendienst

Preek biddag 2020 morgendienst

Samen met de kinderen van CNS Looschool.
Thema: Vraag gerust!
Schriftlezing: Lukas 11:1-13 (Bijbel in Gewone Taal)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In februari was er een filmpje op Jeugdjournaal van een zekere Max.
Max is een jongen van 11 jaar die in Tilburg woont.
Al 2 jaar lang maakt hij de haven schoon van alle afval die daar rondslingert.
Hij kwam op het idee om de haven schoon te maken omdat hij tijdens het zwemmen
ontdekte hoeveel afval er in het water, in het riet en op de kant lag.
Nadat hij een tijdje bezig was, had hij een klein bootje gekregen,
zodat hij makkelijker het water op zou kunnen.
Die dag waarop het Jeugdjournaal langs komt om hem te filmen is voor een bijzondere dag:
Max weet dat er een belangrijk persoon langs komt om te kijken
hoe hij als 11jarige met dat bootje van hem de haven schoon maakt.
Hij weet niet wie er zal komen. Hij vermoedt dat de burgemeester zal komen
en dat is toch wel een belangrijk persoon: de baas van de gemeente.
Misschien heeft de burgemeester zelfs wel een minister meegenomen.
Dan komt een vrouw van de gemeente en zegt tegen Max:
‘We hebben een verrassing voor je. Weet je wie er echt komt?’
Max heeft geen idee wie er komt.
Dan vertelt de mevrouw van de gemeente: de koning komt.
Max het eerst niet geloven en dan als het nieuws tot hem doordringt
vraagt hij of hij zijn moeder mag bellen:
‘Mam, weet je wie er echt komt? De koning. Ja echt!’
Even later stapt komt de burgemeester eraan
en inderdaad de burgemeester heeft koning Willem-Alexander
en Max mag aan de koning uitleggen hoe hij met zijn bootje de haven schoonmaakt
door alle rommel uit het water te vissen.
Max had niet gevraagd om de komst van de koning.
Stel dat Max had gewild dat de koning zou komen om zijn opruimwerkzaamheden te zien
dan zou hij dat tegen zijn moeder gezegd hebben en zijn moeder zou gelachen hebben:
‘Het is belangrijk werk wat je doet, maar denk maar niet dat de koning zomaar komt.’
Hij zou een brief naar de burgemeester kunnen schrijven of naar de van de koning.
Hoeveel brieven hij ook zou schrijven en hoe hij ook actie zou voeren,
de kans was maar heel klein dat de koning zou komen als Max dat graag wilde.
Omdat het zo bijzonder is, had Max dat vast zelf niet maar niet in zijn hoofd gehaald.
Dat gaat echt niet gebeuren: dat de koning speciaal naar hem zou komen.

Dat kan de ervaring van jullie als kinderen zijn:
JeJe kunt heel wat willen en heel wat vragen,
maar zeker als kind krijg je niet altijd wat je zou willen.
Als er een bal op het dak geschoten is dan legt niet elke vader zijn werk neer
om een ladder te pakken en de bal van het dak te halen omdat jij dat vraagt.
Grote kans dat je vader zegt: ‘Even wachten.’ Of: ‘Ik kom als ik tijd heb.’
Of een juf zegt: ‘Even wachten. Ik kom zo, ik ben bezig.’
Of: ‘Eerst je vinger opsteken.’
Of je weet tijdens een training niet wat je moet doen en je loopt naar je trainer toe
en die zegt: ‘Nu even niet. Straks.’
Vraag gerust, zeggen volwassenen dan, maar als je dan iets wilt vragen,
hebben ze niet altijd de tijd om naar je vraag te luisteren.

En hoe zit het dan met de HEERE God?
Want vandaag zijn we bij elkaar in de kerk omdat het biddag is,
een speciale dag waarop we nadenken over het bidden en tijd nemen om te bidden.
Bidden is ook vragen aan God.
Wat doet de HEERE God als je een vraag aan Hem hebt?
Zal Hij zeggen: Nu even niet, want Ik heb het nu druk.
Of misschien denk je wel: Ik kan beter mijn vraag aan de HEERE God niet stellen,
want Hij is te druk voor mij.
Hij moet het Coronavirus stoppen en de zieke mensen beter maken.
Hij moet de oorlogen die er zijn beëindigen en vrede brengen.
Er is zoveel wat de HEERE God op deze wereld zou kunnen doen
en dan kom ik met mijn vraag bij Hem aan. Zou Hij naar mij willen luisteren?

Vraag gerust!
Als je een vraag hebt aan de HEERE God, die je Hem zou willen stellen,
stel die vraag dan aan Hem door te bidden, hardop of in je gedachten.
Vraag gerust, want Jezus houdt ons voor dat we alles mogen vragen.
Jezus kent Zijn hemelse Vader, kent onze Vader in de hemel,
omdat Hij zelf bij de Vader uit de hemel vandaan kwam en op aarde werd gestuurd.
Jezus geeft uitleg hoe wij kunnen bidden.
Dat is belangrijk dat je geleerd wordt om te bidden.
Bij jullie op school mogen kinderen ook zelf bidden, dan mag je naar voren komen in de klas
en dan mag je samen met andere kinderen een gebed bidden.
Als je het niet geleerd wordt om te bidden, dan weet je niet hoe je dat moet doen.
Ik sprak pas enkele jongeren over bidden.
Ik vroeg hen wat ze baden voordat ze ‘s avonds gingen slapen.
Ze gaven aan dat ze dan niet meer baden.
Als kind hadden ze dat wel gedaan.
Ze hadden een kindergebedje geleerd, een liedje, maar nu waren ze geen kind meer
en deden dat gebedje niet meer.
Ze hadden ook geen ander gebed en daarom lieten ze het maar achterwege.
Daarom is het belangrijk dat je leert om te bidden.
Dat je weet hoe je moet bidden en dat je weet wat je mag vragen aan de HEERE God.
Laat je niet tegen houden! Vraag gerust.

Jezus vertelt een verhaal om ons te leren dat je moet volhouden,
dat je niet zomaar moet opgeven, ook als je denkt dat God je niet hoort
en dat je helemaal niet moet denken: mijn vraag is niet belangrijk genoeg voor God.
Het verhaal gaat over een man, die midden in de nacht bezoek krijgt.
Dat zal niet zo vaak gebeuren dat je midden in de nacht bezoek krijgt
en dat bezoek is ook nog eens onverwacht, want de man heeft er niet op gerekend.
Anders had hij wel gezorgd dat er genoeg eten in huis is,
maar nu heeft hij een lege koelkast en voorraadkast en kan de gast niets aanbieden.
Dat is niet fijn als je een goede vriend of vriendin krijgt, die je niet vaak ziet
en dat je die vriend of vriendin niets kunt voorzetten.
Ook als het midden in de nacht is, dan maak je eten en drinken klaar
om je onverwachte gast goed te verzorgen en welkom te heten.
Het is al vervelend als je iemand mee naar huis neemt om samen te spelen
en je moeder of vader kijkt je aan en zegt: we hebben helemaal niets in huis.
Geen koek of snoep, geen eten of drinken.
En als je dan nog eens van ver komt, dan lust je wel wat.
Deze man moet daar midden in de nacht iets op verzinnen.
De winkels zijn niet open. Overal in het dorp zijn de huizen donker. Iedereen slaapt.
De man weet maar één oplossing. Hij moet naar een vriend dichtbij.
Hij gaat er gauw naar toe en staat aan de deur:
Hij doet zo zachtjes mogelijk om niet de kinderen wakker te maken.
Dan roept hij wat harder en gaat net zolang door tot zijn vriend wakker wordt
en het hoofd door het raam naar buiten steekt: Wat is er aan de hand?
Dan legt die vriend die aan de deur staat uit dat hij zijn hulp nodig heeft.
Hij heeft wat eten en drinken nodig vanwege die onverwachte gast.
Veel hoeft het niet te zijn. Als hij maar een eenvoudige maaltijd kan voorzetten.

Hoe zou die man die in zijn slaapkamer is reageren?
Zou hij zeggen: doe normaal? Weet je wel hoe laat het is? Hoe durf je?
Ik moet er morgen vroeg uit en ook mijn kinderen moeten morgen uitgeslapen zijn?
Zou hij zeggen: Sorry, ik kan je niet helpen, want ik heb alles al op slot gedaan?
Kom morgenochtend maar weer terug?
Nee, de man zal uit bed komen, naar beneden komen en de deur opendoen
en de man binnenlaten om hem wat te geven.
Een vriend laat je niet in de kou staan. Zeker niet als hij een gastheer moet zijn.
Die vriend doet open, omdat hij zijn vriend wil helpen.
Een vriend help je omdat je om hem geeft, hem niet in de steek wil laten,
niet voor schut wil laten zetten.
De man had ook om een andere reden kunnen helpen.
Hij had ook kunnen denken: Ik heb er geen zin in, maar als die vriend zo blijft roepen
is straks iedereen wakker, mijn kinderen, de buren, de hele buurt.
Wat zullen ze wel niet over mij denken als ik hem niet wilde helpen?
Nee, hij helpt omdat hij een goede vriend is.
Als wij als mensen elkaar al helpen, waarom zou God ons dan niet helpen?
Waarom zou God als we bidden (bij wijze van spreken)
de raam van Zijn slaapkamer dicht doen en zich nog eens omdraaien en zeggen:
Het komt nu niet uit. Ik heb er nu geen zin in om je te helpen, geen tijd voor.
Nee, zo zal God nooit reageren.
Altijd heeft Hij tijd. Altijd wil Hij helpen. Altijd zal Hij luisteren. Vraag gerust.

Stel dat je thuis aan het spelen bent en het is nog geen etenstijd
en je zegt tegen je vader of moeder: mag ik wat eten?
En je vader of moeder komt naar je toe en legt iets in je hand.
Je dacht dat hij of zij met een koekje of een snoepje zou komen, of iets gezonds,
maar het blijkt een steen te zijn. ‘Hier, eet maar op.’
Geen goede ouder zou dat serieus bedoelen.
Als je aan je moeder of vader vraagt als die aan het koken is: Wat eten we?
En je denkt dat er komt: lasagne, bami, bloemkool, of stiekem patat of pannenkoeken
en hij zou zeggen: chemisch afval, of iets anders giftig.
Dat zou een flauw grapje zijn en als je moeder of vader dat echt zou menen,
dan zouden we ons zorgen moeten maken over je vader of moeder.
Als je ouders al goed voor je zorgen, of in ieder geval proberen te zorgen,
dan zal de HEERE God helemaal goed voor ons zorgen.
Want wij als mensen kunnen nog wel eens iets oneerlijks hebben,
of zelfs iets gemeen, maar de HEERE is alleen maar goed
En dat zul je merken wanneer je aan Hem je vraag voorlegt.
Vraag gerust.

Op welke manier de HEERE God geeft en op welke manier Hij helpt,
dat kan anders zijn dan we zelf hadden gedacht.
Je bidt dat iemand beter mag worden en toch sterft iemand.
Je bidt dat er vrede mag komen en toch blijft er oorlog
en moeten mensen op de vlucht. Nog steeds.

Je bidt dat er overal eten en drinken zal zijn
en toch gebeuren op deze wereld rampen:
In bepaalde delen in Afrika zijn er zoveel sprinkhanen, een hele plaag.
Deze sprinkhanen eten alles op en er is straks niets meer voor de mensen over.
Er kunnen zoveel gebeden en vragen zijn, waarvan je denkt dat God ze niet hoort.
Doet Hij er niets mee. Dat weet ik niet. Ik weet alleen dat God wel onze gebeden hoort.
Op een keer waren we mijn kleine broertje vergeten toen we op vakantie waren.
We zouden naar het strand gaan,
maar hadden niet door dat hij in het vakantiehuis achterbleef.
Halverwege de rit naar het strand kwamen we erachter. We waren al een kwartier weg.
Toen we bij het huis terugkwamen, konden we hem horen.
Hij had ons wel zien weggegaan en had alleen maar kunnen roepen,
net zo lang tot er iemand hoorde.

Bij het gebed belooft God te luisteren en niet alleen te luisteren, maar ook te komen:
Denk nog even aan Max.
Hij vond het mooi dat er een burgemeester zou komen.
Daar had hij misschien ook wel aan gedacht.
Maar hij had nooit durven dromen dat de koning naar hem toe zou komen.
Zo kan de HEERE God ook naar jou toe komen en je helpen
op een onverwachte manier, een manier waarop je helemaal niet gerekend had,
Waar je helemaal niet om gevraagd had.
Zo kan God op een onverwachte manier komen. Je rekent er niet op,
je hebt er misschien niet eens om gevraagd,
of je vroeg het, maar je durfde niet geloven dat God zou luisteren en zou komen.
Jezus zegt: Vraag gerust. Want God hoort je bidden. Amen

Preek biddag 2019 avonddienst

Preek biddag 2019 avonddienst
Lukas 18:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen twee verhalen van de Heere Jezus, waarin Hij aangeeft
dat bidden voor ons niet makkelijk is.
Het eerste verhaal dat onze Heere vertelt heeft een speciale groep mensen op het oog,
namelijk de mensen die gestopt zijn met bidden
en in het tweede verhaal komt een man voor, wel bidt,
maar dat met zo’n grote aarzeling doet, dat je proeft: komt mijn gebed wel in de hemel aan?
Bidden is niet makkelijk, dat is wat Jezus bij Zijn volgelingen tegenkomt.
Wat de overeenkomst is in de beide verhalen, is de stilte die volgt op het gebed.
Je spreekt je gebed uit naar God toe, je brengt bij Hem wat er in je hart leeft,

maar van de andere kant komt er geen reactie.
Je gaat ervan uit dat je gebed bij God in de hemel aankomt,
want je gelooft dat God je hoort als je bidt.
En er kunnen ook momenten zijn, dat je ervaart dat je gebed bij de Heere aankomt,
Dat je tijdens het bidden merkt dat je bij Hem bent, dat Hij heel dichtbij is.
Dan heb je geen stilte of dan is de stilte om je heen de manier waarop God tot je komt.
Of je ontdekt enige tijd later dat de Heere je gebed verhoord heeft.
Dat zijn tijden, waarin je verbaast opkijkt als iemand zegt dat bidden niet makkelijk is.
Jouw ervaring is op dat moment heel anders.
Onze Heere kent ons echter goed genoeg om te weten
dat zulke momenten waarop je in je gebed heel dicht bij Hem bent vaak maar tijdelijk zijn.
Wat Hij meer tegenkomt, is dat Zijn volgelingen worstelen met gebed.

Dat moet voor Hem zelf een vreemde ervaring zijn geweest,
dat het bidden voor Zijn volgelingen niet zo eenvoudig is geweest.
De evangelist Lukas, die ons deze twee verhalen van onze Heer aan ons vertelt,
laat steeds zien hoe de Heere Jezus zich afzondert om te bidden,
om het contact met Zijn Vader in de hemel te zoeken,
om Zijn leven in de hand van Zijn Vader te leggen.
Hij komt aan bij Zijn Vader: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dan treft Hij bij Zijn leerlingen moeite met bidden aan en meer dan moeite:
want Hij merkt dat Zijn leerlingen vaak het bidden opgeven,
niet meer doen, omdat ze er geen verwachting meer van hebben.
Ze hebben het een aantal keer geprobeerd, maar het hielp niets.
In de stilte die volgde op hun gebed volgde niet de stem van God,
maar een irritante stem, die je het zwijgen zou willen opleggen,
omdat die stem het geloof en vertrouwen ondermijnde: Waar blijft God?
Het is de vraag van Psalm 42: Waar is dan je God?
En als je die vraag steeds hoort tijdens je gebed of in de stilte na je gebed
dan kan het op een gegeven moment je eigen vraag worden: Waar is mijn God dan?
Als die vraag sterker en sterker wordt, dan ga je je afvragen wat de zin van bidden nog is
en je gaat het nalaten. Je laat het erbij.
Bidden is noodzakelijk, zegt Jezus met dat eerste verhaal:
Noodzakelijk voor onszelf en ook voor God.
Niet dat God afhankelijk is van ons gebed en Hij niets meer doet als wij stoppen met bidden.
Op de een of andere manier is ons gebed een onderdeel van Gods plan met deze wereld.
Als wij stoppen met bidden, valt er een cruciale schakel van ons gebed weg.
Daarmee hoeft het werk van God niet stil te vallen.
Hij kan andere wegen vinden om Zijn werk hier in deze wereld ten uitvoer te brengen.
Ons gebed kan niet gemist worden en daarom kan de Heere Jezus het er niet bij laten
als wij het bidden opgeven.
Daarom vertelt Hij een verhaal, om ons zover te krijgen dat we het bidden weer oppakken
en dat als we het bidden weer hebben opgepakt vol blijven houden met bidden
en niet meer denken dat de stilte die op ons bidden volgt Zijn afwezigheid is,
maar dat de stilte die volgt op ons bidden de tijd aangeeft waarin God werkzaam is.

Het is een verhaal over een onverschillige rechter, die zich nergens van aantrekt.
Van God niet en van de mensen om zich heen niet.
Een onverschillige man, een koud hart.
Juist die onverschilligheid en zijn koude hart brengen hem veel.
Want als hij een beslissing neemt, dan weet hij dat er niemand komt,
die verhaal komt halen, want ze weten allemaal dat het geen zin heeft
om met hem in gesprek te gaan, om een klacht bij hem in te dienen.
Hij komt nooit op zijn standpunt terug.
Op een keer krijgt hij een zaak onder zijn hoede van een weduwvrouw.
Haar man is gestorven en ze is kwetsbaar in financieel en maatschappelijk opzicht.
Ze heeft niemand die in haar levensonderhoud voorziet en niemand die voor haar opkomt.
Ze staat er helemaal alleen voor.
Wellicht heeft de zaak ook met het geld of het land van haar man te maken
en is dat van haar afgenomen.
Misschien hebben ze haar zoon weggehaald en staat ze nu helemaal alleen op de wereld.
In ieder geval is ze oneerlijk behandeld en is ze gedupeerd.
Ze kaart het bij deze rechter aan, maar de rechter heeft geen zin om haar gelijk te geven.
Hij denkt er mooi vanaf te zijn.
Hij heeft immers een reputatie opgebouwd een hardvochtig en onbuigzaam man te zijn.
Iemand die nooit toegeeft, nooit een knieval maakt, nooit zijn fouten erkent.
Maar dan kent hij deze vrouw nog niet.
Bij elke rechtszaak is ze aanwezig.
En bij elke rechtszaak gilt ze boven alle andere aanwezigen uit,
zodat hij ‘s nachts over haar gaat dromen en elke keer als hij een rechtszaak heeft
en het publiek nadrukkelijk aanwezig is en instemming of afkeur laat horen
hoort hij boven al het andere geschreeuw nog haar stem.
Voordat hij aan een rechtszaak begint, staat ze hem op te wachten.
Ze volgt hem als hij klaar is met zijn rechtszaak.
Hoe meer hij wil negeren, hoe luidruchtiger en aanweziger zij is.
Hoe meer hij haar uit de weg wil gaan, hoe meer ze zich aan hem opdringt.
Hoe meer hij haar van zich af wil duwen, hoe agressiever ze wordt.
Hij merkt dat hij, die voor niemand, zelfs voor God niet bang is, bang wordt voor haar.
Hij is bang geworden voor haar emotie, haar boosheid, die zich steeds agressiever toont,
boosheid die voortkomt uit de grove schending van haar recht.
De vrouw vliegt hem nog een keer aan en zal hem helemaal in elkaar slaan.
En hij merkt dat hij zijn reputatie begint kwijt te raken,
zijn reputatie als hardvochtige man, die zich nergens druk om maakt,
omdat de omstanders zien dat hij niet opgewassen is tegen deze vrouw.
Er komen barsten in zijn reputatie en hij merkt dat de mensen hem minder serieus nemen
En niet meer zo bang zijn als eerst voor hem
en dat de manier hoe hij met deze vrouw omgaat zich tegen hem gaat keren.
Hij kan haar beter gelijk geven en of ze gelijk heeft dat maakt niet uit.
Alleen dan is hij van haar af.

Als zo’n man al overstag gaat, die zijn hele bestaan baseerde op onverschilligheid,
niet luisteren naar de werkelijke nood.
Als zo’n man al gaat luisteren en gaat helpen,
dan moet de hemelse Vader dat toch helemaal doen?
Want onze hemelse Vader is totaal anders – radicaal anders, helemaal het tegenovergesteld:
Onze hemelse Vader is niet hardvochtig en onverschillig.
Hij stopt Zijn oren niet voor ons roepen en loopt niet weg als we voor Hem verschijnen.
Hij slaat de deur niet met een klap dicht als we aankloppen.
Dit is Gods karakter, zo is God ten diepste, dat Hij geen bidder laat staan.

Maar waarom dan ophouden met bidden?
Omdat we niet zien dat God iets voor ons doet.
Omdat we niet merken dat God ons hoort en verhoort.
Je bidt voor de christenen in Noord-Korea en je blijft alleen maar verhalen horen
hoe moeilijk het is om christen te zijn
en al jaren staat dit land op nummer 1 van de ranglijst van christenvervolging.
Je bidt voor Noord-Korea, maar het blijft stil na je gebed
En na een tijd begin je die stem te horen: Waar is je God?
Je bidt al jaren voor vrede in Jemen, de burgeroorlog begon al 4 jaar geleden
en al enkele jaren geleden was de situatie voor de mensen daar echt schrijnend
En de oorlog gaat maar door, zonder aandacht voor de mensen daar.
De beelden van uitgehongerde kinderen en volwassenen blijven maar komen.
Je bidt dat er vrede mag komen, de wapens zullen zwijgen, de mensen worden geholpen
en je bidt en je bidt en het blijft stil, op die stem na die je hoort: Waarom?
Waarom doet God er niets aan?
Is dat zo? Doet God er niets aan?
We geloven toch dat Hij eens terugkomt om te oordelen de levenden en de doden?
Als Jezus ons opdraagt om niet te stoppen met bidden,
bedoelt Hij hier allereerst het bidden dat Gods koninkrijk komt,
de Zoon des mensen die komen zal om met spoed recht te verschaffen,
Zegt Jezus na het eerste verhaal.
Doet God niets? Vandaag kwam ik een bericht tegen over Jemen:
Daarin stond dat christenen in Jemen het niet makkelijk hebben
en dat er toch, desondanks, in die moeilijke jaren moslims hun geloof vaarwel zeggen
omdat ze Jezus hebben leren kennen.
De schatting is 5.000-10.000.
Ze kunnen niet bij elkaar komen als gemeente, maar hebben via social media contact.
Doet God niets? Waar is dan je God?
En dat er nog steeds christenen zijn in Noord-Korea en dat ze het volhouden in de kampen:
Doet God niets? Waar God is?
Alleen daarom al is ons gebed nodig, om hen niet in de steek te laten.
Wij voor wie het bidden niet makkelijk is, omdat we de stilte van God ervaren
als een beklemming, als afwezigheid, als God die deze wereld heeft losgelaten.
Als dat zo zou zijn, dan horen we als christenen niet het bidden op te geven, zegt Jezus,
maar dan moeten we met elkaar naar God gaan, om te roepen, net als die weduwe
roepen en roepen en roepen, God steeds voor de voeten lopen, op het oneerbiedige af.
Het is niet oneerbiedig – het is God aan Zijn woord houden: U hebt het beloofd.

Er is nog een reden, waarom bidden niet eenvoudig is.
Dat is het tweede verhaal.
Dat gaat over een andere stem die je tijdens of na je gebed kunt horen
En als je die stem vaak hoort, kun je ook je gebed opgeven, stoppen met bidden.
Het is een stem, waardoor je op afstand blijft staan,
omdat de stem tegen je zegt: Dit mag je niet doen. Je mag hier niet komen.
Je kunt de stem niet onderscheiden: Is het de duivel, die je tegenhoudt om te komen
of is het God zelf, die je wil laten weten wat er mis is in je leven.
Is het bidden wat die tollenaar doet?
Eerder een soort mompelen, als iemand die zijn excuus moet aanbieden
omdat hij iets verkeerd heeft gedaan maar de ander niet recht in het gezicht durft te kijken.
Hij kijkt bij God weg.
Hij is hier wel, maar blijft zover mogelijk op een afstand staan.
Wel een soort verlangen om te komen, maar tegelijkertijd een drempel.
Toen hij nog thuis was en nog niet zo dicht bij God, dacht hij dat hij wel kon gaan,
als de verloren zoon, die wist dat het bij de vader beter was dan in dat verre land.
Hij trekt de stoute schoenen aan, maar hoe dichter hij bij God komt,
Hoe meer schroom, hoe meer besef dat hij er zoveel aan verkeerd heeft gedaan.
Wat hij wilde bidden, lukt niet meer, alleen maar een verzuchting:
Als ik straks voor Uw troon kom te staan, heilige God, dan kan ik daar niet staan.
Ik kan niet voor U verschijnen, omdat U mij wel moet veroordelen, voor eeuwig verloren.
Ik kan alleen maar bidden: Heer, doe het niet.
Laat er genade voor mij zijn.
Hij zal de volgende keer, als hij weer het verlangen in zich voelt om naar God te gaan,
tegen zichzelf zeggen: ga maar niet, daar hoor je niet.
Hij zal thuisblijven en zich schamen dat hij toen wel ging.
Hoe kon ik dat in mijn hoofd halen?
Bijzonder dat juist de tollenaar als hij in de tempel komt, tot een ander inzicht komt,
een appèl doet op Gods barmhartigheid: Heer, hier ben ik.
Ik weet zelf eigenlijk niet wat ik hier doe. Ik ben hier zomaar verzeild geraakt.
Ik leg mijn leven in Uw hand, wat U beslist is goed.
Maar, Heer, stuur mij niet weg, ondanks mijn zonden.
Opvallend trouwens in deze gelijkenis: de man die wel kan bidden,
omdat hij weet wat bidden is – althans dat denkt hij – hij blijft dezelfde, onveranderd.
De man die niet bidden kan, wordt veranderd.
Beiden komen ze in de eredienst: de een blijft dezelfde, komt onaangedaan thuis
de ander komt, haast tot zijn eigen verrassing, verdwaald in de tempel,
zoals je dat wel kunt hebben: je zit opeens in de kerk, opeens lees je in de Bijbel, bid je.
Voor beiden komt de stilte na hun gebed.
De man die weet hoe het geloof werkt, die zich daaraan overgeeft
hoort in de stilte een schouderklopje van God: Goed gedaan, mijn zoon.
De man die komt met zijn schuld, durft niet te horen wat het antwoord van God is.
Hij zou er niet raar van opkijken als God tegen hem uitvaart en zegt: Ga weg jij, zondaar!
Ze hebben geen van beiden gelijk.
Bidden is niet jezelf etaleren voor God, niet jezelf verheffen boven een ander.
Bidden is ook niet de schuld die op je leven ligt nog eens bevestigd horen door God.

Nee, bidden is niet makkelijk. Je zit gauw mis en je geeft gauw op.
Maar het is Jezus zelf, die onze moeite met bidden aankaart,
zodat we er ook vanaf komen en vandaag en morgen en heel ons leven kunnen bidden.
Amen

Les 15 Bidden

Les 15 Bidden

Lydia heeft een koffieafspraak met een vriendin. Tijdens deze ontmoeting vertelt die vriendin over heel wat zorgen die er in haar leven zijn. Bij het weggaan zegt Lydia: ‘Ik zal voor je bidden!’

Vraag 1: Op welke momenten bid jij?




Vraag 2: Hoe vaak per dag / per week bid jij?



Vraag: 3: Wat betekent bidden voor jou?
Ik zou niet zonder bidden kunnen, omdat….



Uitleg
Bidden doen we niet alleen omdat we daar zelf behoefte aan hebben. Bidden doen we omdat ons dat is opgedragen: Bid onophoudelijk (1 Thessalonicenzen 5:17).
Het bijzondere van bidden is dat je als mens op aarde voor Gods troon in de hemel mag komen. Je mag Hem vertellen wat je bezig houdt. Je mag Hem danken. Bidden betekent ook een beroep op God doen: je vraagt of Hij iets voor jou of voor een ander wil veranderen. Bijvoorbeeld:
– dat iemand geholpen wordt
– dat iemand beter wordt
– dat er vrede op aarde komt
– dat iemand mag gaan geloven

Belemmeringen
Bidden is niet altijd makkelijk. Vooral het volhouden van het bidden niet. Daarom is het goed als er een bepaalde regelmaat is. Dat je een vast moment op de dag of in de week hebt. Dat je een vaste plek hebt. Er zijn allerlei belemmeringen om het bidden vol te houden:

(1) Je bent te druk. Door een drukke planning heb je geen innerlijke rust om te bidden. Of je vergeeft zelfs helemaal om te bidden. Daarom is tijd nemen erg belangrijk.

(2) Je denkt klein van jezelf. Als je bidt, dan besef je hoe groot of hoe heilig God is. Dan voel je jezelf zo klein of zo zondig. Als je jezelf tekort voelt schieten of als je heel klein van jezelf denkt, kun je tegen het bidden opzien. Omdat je dan God onder ogen komt. Of je gaat het helemaal uitstellen, omdat je de Heere niet onder ogen durft te komen. Daarom is het nodig erop te vertrouwen dat God wilt dat je naar Hem toe gaat.

(3) Je weet niet hoe dat moet. Het kan zijn dat het je nooit geleerd is om te bidden. Bij jou thuis werd niet hardop gebeden. Thuis, op school of tijdens de catechisatie is het je nooit geleerd om te bidden. Je kunt in de Bijbel leren, hoe je moet bidden. Zoals het Onze Vader, of in de Psalmen. Je kunt iemand anders vragen hoe hij of zij bidt.

(4) Je kent God niet. Als je God niet, als je niet weet wie Hij is, dan kan het zijn dat je wel wilt bidden. Maar je weet niet tot wie je moet bidden. Het is meer een schreeuw om hulp, maar je weet niet of er iemand is die je hoort. Hoe leer je God kennen? Door je hart voor Hem te openen.

(5) Je bent teleurgesteld geraakt in God. Als je teleurgesteld raakt in God, lukt het je niet meer om te bidden. Je zoekt geen contact met God. Hooguit praat je nog over God. In verwijten. Het gaat erom dat je dan weer leert om tot God te praten. Desnoods door je klachten en je verwijten naar Hem te uiten. Dit gebeurt in de Psalmen ook vaak.

Vraag 4: Welke belemmeringen herken je bij jezelf?



Vraag 5: Wat doe jij om te voorkomen dat de door die belemmeringen niet meer bidt? Wat helpt jou?






Soorten gebeden
Er zijn verschillende soorten gebeden:
– Dankgebed: je dankt God voor wat Hij wie Hij is of voor wat Hij geeft.
– Voorbede: je bidt voor jezelf of voor een ander.
– Uitspreken van vertrouwen in God
– Klacht: je maakt God kenbaar dat je Zijn weg niet begrijpt.
– Schuldbelijdenis: je vertelt wat er mis is in je leven, in je hart.
– Gebed om vergeving
– Je denkt na over God en je neemt de tijd om te luisteren wat Hij tot je wil zeggen.

Je kunt ‘vrij’ bidden, door je eigen woorden te gebruiken. Je kunt ook vaste gebeden gebruiken, bijvoorbeeld door het Onze Vader, een morgengebed, een avondgebed, een gebed bij het eten.


Hulpmiddel bij het onder woorden brengen van een gebed voor iemand anders (voorbede)

Gebed voor: ……………….

Gebed
Waar wil je voor bidden? Of voor wie?
Hoe wil je God aanspreken?
Wat is er aan de hand?
Wat wil je dat God doet?

Schrijf hier je gebed uit:





Bijbelstudie – Jesaja 38

Vraag 6: Hizkia is het niet eens met het bericht wat hij via Jesaja krijgt. Waarom niet?




Vraag 7: Op welke manier zoekt hij het contact met God? Wat bidt hij?



Vraag 8: Wat is het antwoord van God? Hoe komt dat bij Hizkia?




Vraag 9: Wat kun je voor jezelf van Hizkia leren?




Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechismus

Vraag 116: Waarom hebben christenen het gebed nodig?
Antwoord: Omdat het gebed het voornaamste deel van de dankbaarheid is, die God van ons eist, en omdat God zijn genade en Heilige Geest alleen wil geven aan hen, die Hem met een hartelijk verlangen zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Vraag 117: Wat behoort tot een gebed dat God behaagt en door Hem wordt verhoord?
Antwoord: (1) Dat wij alleen de enige, ware God, die zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons bevolen heeft van Hem te vragen.
(2) Dat wij onze nood en ellende goed en grondig erkennen, opdat wij ons voor zijn majesteit verootmoedigen.
(3) DAt wij deze vaste grond hebben, dat God ons gebed, hoewel wij dat niet waardig zijn, om de wil van Christus, de Here, zeker wil verhoren, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Vraag 129: Wat betekent het woord: amen?
Antwoord: Amen wil zeggen: het is waar en zeker. Want het is veel zekerder dat God mijn gebed verhoort, dan dat ik in mijn hart gevoel dat ik die verhoring van Hem begeer.

Preek biddag 2018

Preek biddag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 6:5-18
Tekst: Geef ons heden ons dagelijks brood (Mattheüs 6:11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u er wel eens gemerkt hoe vreemd het is om in deze tijd te bidden:
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Als we brood nodig hebben, gaan we naar de bakker of de supermarkt.
Wanneer daar het brood op is, kunnen we naar Elburg of Wezep
om daar naar een bakker of een supermarkt te gaan om brood te kopen.
Door de vriezer kunnen we ook nog eens brood in het voren kopen.
’s Morgens haal je het brood eruit en na een kwartiertje is het ontdooid
en als dat te lang duurt, ontdooi je het brood in de magnetron.
Dan bid je voordat je gaat eten: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Wat is er nog aan geven door God bij als we leven in een tijd
waarin we volop brood kunnen krijgen
en waarin het brood dat niet verkocht is dezelfde avond nog wordt afgevoerd
naar bijvoorbeeld een hobbyboer, omdat het niet meer verkocht mag worden?
Hebben de broodfabrieken, de bakkers, de supermarkten en onze vriezers
dit gebed niet overbodig gemaakt?
Hebben we God eigenlijk nog wel nodig in een tijd van zoveel overvloed?
Als we dan toch deze regel bidden,
is het dan niet meer een soort gewoonte, dat we deze regel bidden,
omdat we nu eenmaal het Onze Vader hebben geleerd
en we daarom deze regel niet kunnen overslaan?
Zijn we er als mensen tegenwoordig niet heel goed in geslaagd
om God overbodig te maken op tal van terreinen
en geldt dat ook niet als het er om gaat om elke dag weer brood te kunnen eten?
Het moet wel heel raar lopen als er aan het einde van het groeiseizoen
het graan niet binnengehaald kan worden, de aardappels gerooid, de groenten geoogst.
De koeien kunnen gemolken worden, de melk verwerkt.

En toch, vandaag is het biddag voor gewas en arbeid.
U bent nu vanavond naar de kerk gekomen om te bidden voor het nieuwe groeiseizoen,
om te bidden voor de oogst, voor alles wat groeit en bloeit, voor de planten en de bomen,
voor het graan, voor het fruit en de groente.
En jij bent misschien wel heel speciaal vanavond naar de kerk gekomen,
omdat je weet, gelooft dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat er eten is,
al lijkt het wel zo,
maar dat er een God in de hemel is, die er voor zorgt
dat het brood dat je morgen bij het ontbijt kunt eten
en in je broodtrommel kunt stoppen om dat mee te nemen naar je school of je werk
door God gegeven wordt.

Alleen, je kunt het zo snel weer gewoon vinden, vanzelfsprekend vinden
dat er brood in huis is en in de winkel, dat je brood op voorraad kunt hebben
dat je over enkele dagen gewoon vinden dat er elke dag weer brood is.
Ja, je weet het wel en je bidt ook wel Geef ons heden ons dagelijks brood
maar het kan zo gedachteloos gebeuren,  maar je staat er niet echt meer bij stil.
Biddag voor gewas en arbeid houden betekent
dat je er weer bij stil staat, hoe bijzonder het is, dat de Heere eten geeft en werk
en dat het voor ons nodig is om daar elke keer weer om te bidden,
dat het steeds noodzakelijk is om elke dag weer opnieuw bij de Heere aan te kloppen
of hij ons eten en drinken wil geven, genoeg om van te leven.

Het is nodig om in een tijd waarin we zoveel hebben,
waarin je kunt kiezen uit allerlei soorten brood
en een ruime keuze hebt wat je op brood doet: vleeswaren, kaas, zoet
dat er een God is die je dit geeft
en daarmee wil laten merken dat Hij elke dag voor jou zorgt,
dat het goede gaven uit Zijn hand zijn.
opdat wij daardoor erkennen, dat Gij de enige bron van alle goeds zijt (Heidelberger Catechismus, antwoord 125; Zondag 50).
God is de enige die ons al dit goede geeft.
We hebben dat niet te danken aan het goede inkoopbeleid van de supermarkt,
niet te danken aan het salaris dat wij verdienen,
we hebben dat niet te danken aan onze bakkunsten
of aan zicht en grip op ons uitgavenpatroon,
waardoor we ons dit alles kunnen veroorloven.
Nee, God alleen is de enige bron van al dit goede.

Maar dat is wel iets dat we steeds ons moeten blijven bedenken,
dat is een geloof dat we steeds moeten onderhouden, levend moeten houden,
want het is een grote verleiding, steeds weer opnieuw,
dat je Gods zorg gewoon gaat vinden, dat je er niet van opkijkt, er niet dankbaar voor bent.
Want daarmee raak je God zelf kwijt.
Het luistert heel nauw wat dat betreft.
Want wat gebeurt er, als je niet meer bedenkt dat de Heere de enige bron is,
als je denkt dat je het zelf toch maar weer handig voor elkaar gekregen hebt,
dat het aan je mooie salaris te danken is, dat er eten is,
aan je eigen handigheid
of dat je gedachteloos brood koopt of brood uit de vriezer haalt en ontdooit.
Je raakt God kwijt.
We hebben dat niet gelezen, maar in het gedeelte hierna zegt de HEERE Jezus:
Je kunt niet én God dienen én de mammon.
Weten waar je brood vandaan komt is een kwestie van geloof of ongeloof,
van trouw aan de Heere zijn of afgodendienst.
Door te bidden of God ons elke dag opnieuw brood wil geven trainen wij onszelf
in het geloof dat God onze schepper is, dat Hij het is die voor ons zorgt,
Dat Hij het is, die dit ons allemaal geeft.

Door elke dag te bidden dat God ons brood wil geven,
gaan wij tegelijkertijd in onszelf de strijd aan met de neiging
om steeds weer God te vergeten en Hem in te ruilen voor iets anders,
Dat er iets anders is waar we op vertrouwen,
iets anders waarvan we denken dat dat ons gelukkig maakt.

Daarom is dit gebed elke dag nodig.
Het is ook een gebed voor elke dag.
In de versie van Mattheüs is dit gebed om dagelijks brood
een gebed voor het begin van de dag:
Heere, ik ga nu aan de dag beginnen, ik doe dat niet zonder U.
Vandaag heb ik eten nodig, ik kan niet zonder voedsel.
Wilt U ervoor zorgen dat ik voor vandaag genoeg heb?
Het is niet een gebed voor morgen, of voor het weekend, of voor volgend jaar,
maar voor nu, voor vandaag.
Het gaat erom, dat we in het nu leven
en dat het nu, het heden als tijd waarin God voor ons zorgt
en dat we ook zien, hoe God ons van eten en drinken voorziet.
Een van onze kinderen heeft wel eens bij Intravert (sociaalvaardigheidstraining op school)
moeten leren stil te staan bij wat ze eet.
Ze is zo vol met allerlei gedachten, die ratelen door haar hoofd,
maar daardoor vergeet ze wel eens dat er voor haar een bord staat, met eten erop
en kan ze met heel veel dingen druk zijn, waardoor ze niet aan eten denkt.
Het koelt af en het kan bij wijze van spreken nog een kwartier onaangeroerd zijn.
Zo kunnen we als mensen met allerlei dingen bezig zijn,
kunnen onze gedachten vooruit gaan,
naar het einde van de maand: is er dan nog wel genoeg geld op de rekening voor het eten?
naar over een half jaar: Wat als mijn éénjarig contract afloopt en er niet verlengd wordt?
Gedachten kunnen uitgaan naar de problemen in deze wereld,
terug naar de lastige tijd van de crisis, vooruit naar de tijd dat je kinderen opgroeien
en er een studie voor hen betaald moet worden.
Allerlei zorgen, die je in beslag kunnen nemen.
Begrijpelijke zorgen.
Het is ook geen verbod op zulke gedachten.
Maar de opdracht van de Heere Jezus om aan het begin van elke dag te bidden
of onze Vader in de hemel er voor wil zorgen dat er ook vandaag weer eten is,
is ook voor onszelf een les, een oefening om te zien dat God ervoor zorgt
om te geloven dat de Heere God dat morgen ook zal doen en overmorgen.
Aan het begin van de dag, als wij aan het begin staan, een planning hebben gemaakt
allerlei taken nog hebben te doen:
Hemelse Vader, er is er Eén die voor mij zorgt en dat bent U.
Wilt U dat ook vandaag doen?
Als je de Vader vraagt om een brood
Geeft Hij je zeker nooit een steen
Al je gebeden klein of groot heus
Hij vergeet er niet één
Als je dat vergeet, dat de hemelse Vader voor je zorgt,
Als je vergeet om bij Hem aan te kloppen,
als je de dag begint zonder je leven die dag in Gods handen te leggen
en ook je levensonderhoud van Hem te verwachten,
Hoe kun je dan christen zijn?
Hoe kan dan Gods naam worden geheiligd,
als Zijn kinderen het niet nodig vinden om bij Hem aan te kloppen
omdat ze denken dat er toch wel genoeg is en dat ze het zelf wel redden?
Hoe kan Zijn naam dan worden geheiligd, als we Hem niet meer zien
als de bron van al het goede, als Degene die ons dat alles geeft?
Hoe kan dan Gods koninkrijk komen, als degenen die Hem zouden moeten dienen
een leven kunnen leiden, waarin God niet echt een rol heeft,
een leven waarin Hij er niet echt is, zonder dat we Hem missen.
Hoe kan Zijn wil worden gedaan,
als we ons niet houden aan het gebed dat Hij ons leerde.
De bede Geef ons heden ons dagelijks brood is niet voor niets
een onderdeel van het Onze Vader, van het gebed dat de Heere Jezus ons leerde bidden.
Het zet ons apart van de wereld, die God niet nodig heeft,
die zichzelf wel redt, die alleen de weelde en de welvaart ziet,
zonder de Gever te zien, zonder Degene die het geeft te danken.

We bidden om brood.
Je zou net zo goed om beschuit of crackers kunnen bidden, om havermout of Brinta,
of bidden dat er vandaag groente op je bord ligt of er fruit is om te eten.
alleen je moet wel bedenken
Dat brood een herinnering is aan de weg die Israël ging door de woestijn.
Elke morgen lag er manna op de grond, een soort brooddeeg,
waarmee de Heere God liet zien dat Hij Zijn volk door de woestijn geleidde
tot het in het Beloofde Land was aangekomen en daar akkers zou hebben en weilanden,
waardoor ze zichzelf weer konden onderhouden.
Manna – God zorgt: brood uit de hemel.
Maar elke keer was er dat verlangen naar ander eten:
de vleespotten van Egypte.
Ze hadden niet genoeg aan wat God gaf, ze wilden meer, gevarieerder, rijker.
En alle ellende uit Egypte werd uit de herinnering weggeduwd
en alleen de herinnering aan het luxueuze van Egypte bleef in hun gedachten.
Dat was nog eens een leven, daar in Egypte.
We bidden om brood voor elke dag.
Niet om een driegangendiner, niet om een feestmaal elke dag.
Want dan zouden we ons alleen maar aan deze aarde hechten
en het leven hier op aarde voor ons een paradijs zijn
en dan zouden we vergeten dat we op weg zijn naar een ander thuis,
een Huis in de hemel, het Vaderhuis met de vele woningen.
Daar zal het altijd feest zijn, een feestmaaltijd, ter ere van Hem
die kwam en stierf en Zijn leven gaf voor ons om ons daar een plaats te bieden.
Brood voor elke dag, genoeg om van te leven. Meer hebben wij niet nodig.
Meer leidt alleen maar af.
Meer is een verleiding om hier te wortelen, om de hemel uit het zicht te verliezen,
daar waar onze Vader is, die over alles regeert.
Leven bij de dag en niet verder kijken, is een leven in afhankelijkheid van God,
in het besef dat God ons eens kan roepen tot hoger heerlijkheid,
Dat we mogen zijn daar in de hemel, waar onze Vader is,
die we steeds bidden om dat brood voor elke dag.
Dat is genoeg, want U geeft het en wat hebben we nog meer nodig dan U.
Niet voor niets spreekt de Heere Jezus ook over vasten:
Er zijn momenten waarop we niet eten, om juist te beseffen dat God dit geeft.

Nog één ding: We bidden niet alleen voor onszelf.
We bidden niet: Geef mij het brood dat ik nodig heb.
Nee, Geef ons heden ons dagelijks brood.
Ons – ik ben niet alleen.
Ik ga deze weg door het leven niet alleen.
Ik heb mensen om mij heen.
Medechristenen die ook die weg gaan.
En ik bid dat ook zij brood mogen krijgen, dat zij genoeg hebben om van te leven.
Of ze nu hier dichtbij wonen of ver weg in Afrika of Syrië.
Dan is het een gebed dat de Heere eten wil geven waar tekort is.
Het is een gebed voor de christenen die het goed hebben en welvarend zijn.
Dan is het een gebed om bewaring van hun geloof,
zodat ze niet in de verleiding komen God uit het oog te verliezen
en dat de welvaart en de goede omstandigheden hen niet laks maken in het geloof.
Ons brood – mijn gebed, ons gebed is ook voor de mensen die God niet kennen
of God niet willen kennen of belijden.
En daarmee voegen we ons in ons gebed in de lijn van de hemelse Vader,
die het laat regenen over mensen die eerlijk leven en de mensen die slecht leven,
die de zon laat schijnen over mensen die trouw zijn aan Hem
én over de mensen die kwaad in de zin hebben.
God sluit in Zijn zorg niemand uit, al sluit iemand anders zijn hart wel af voor God.
en daarom mogen wij in ons gebed ook niemand uitsluiten
en daarmee is het ook een gebed om bekering,
om de ogen te openen, om te zien dat er een God is die voor dit alles zorgt.
En wanneer die bekering achterwege blijft, blijven we bidden,
omdat God geduldig is én omdat we weten dat wij ook niet altijd zien
dat God voor ons zorgt, dat Hij het is die ons dit brood geeft,
en dat ook geeft als wij vergeten daar om te bidden en daar voor te danken.

Geef ons heden ons dagelijks brood:

Ons oog is op uw Zoon, die ons tot uwe troon
als Middelaar wil leiden. Al wat ons hart begeert,
gelijk zijn voorschrift leert, dat mag ’t geloof verbeiden. (Gezang 198:3 NH BUndel 1938)
Amen

Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Preek biddag 2017 avonddienst

Preek biddag 2017 avonddienst
Johannes 16:16-33
Tekst: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven (vers 23b).

Thema: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
(1) We zien Hem niet (niet zichtbaar)
(2) Toch is Hij er (wel aanwezig)
(3) We weten dat Hij komt (in aantocht)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
We hebben vandaag biddag, omdat bidden erg belangrijk is voor ons leven met de Heere.
Wij kunnen niet zonder gebed.
We hebben het gebed nodig voor onze relatie met God,
om tegen Hem te vertellen wat ons bezighoudt,
en om omgekeerd te horen wat Hij ons wil zeggen.
We hebben het gebed nodig voor alles wat wij hier op aarde nodig hebben.
Voor alle kleine en grote dingen die we nodig hebben hier in dit leven:
Als je ‘s morgens wakker wordt en aan tafel zit voor het ontbijt (als je daar tijd voor hebt),
ga je eerst bidden. En waar bid je voor?

Je bidt om een zegen voor het eten
en dat gebed om een zegen voor je eten, maakt je bescheiden,
Want je weet dat hoe hard je ook werkt, je dit eten allereerst aan de Heere te danken hebt,
dat is de zorg van de hemelse Vader voor jou, voor ons.

Je bidt om een zegen voor de dag,
want je kunt allerlei plannen hebben, maar je weet niet wat de dag brengt.
Je weet niet of je gezond en bewaard thuis zult komen,
je weet niet wat je onderweg allemaal tegenkomt.
Het maakt je bewust, dat je het leven niet in eigen hand hebt
en in het gebed vraag je om Gods zorg en zegen voor deze dag.

Je bidt om een zegen over je werk.
Want dat je de kracht en de motivatie hebt om te werken,
heb je niet uit jezelf, ook al ben je gezond of heb je goed geslapen.
De kracht die je hebt, krijg je van de Heere.
En wat je nodig hebt aan kennis, aan wijsheid,
je hebt dat wellicht paraat, vanwege je opleiding of je ervaring, omdat je inzicht hebt.
Ook dat hebben we van God ontvangen,
als een talent dat we mogen gebruiken.
En het werk dat we hebben, is niet alleen maar een werk,
maar is ook een roeping, zelfs het meest eenvoudige werk is dienstbaar aan Gods koninkrijk.
Je doet het niet alleen voor je portemonnee, voor je baas, voor de klant, maar ook voor God.

Je bidt dat je zelf tot zegen mag zijn.
Want deze dag zul je weer heel wat mensen tegen komen,
met wie je samenwerkt, voor wie je werkt.
Je bidt dat je in wat je doet voor anderen tot zegen mag zijn, in je werk,
maar ook in je houding, in hoe je tegen anderen doet,
dat je daarin iets van Gods barmhartigheid en liefde mag uitstralen.
Daar bid je toch om voor de dag begint?
En dat je zorgvuldig bent als je over anderen praat.
Dat je niet een roddel de wereld in helpt, die niet waar blijkt te zijn of aangedikt.
Dat je niet te snel met een bepaald oordeel over de ander komt,
maar vanuit bewogenheid en geduld de ander benadert.

In een voorbeeld van een gebed aan het begin van de dag
kunnen we al zien dat we niet zonder gebed kunnen.
Elk moment van de dag hebben we gebed nodig.
Het hoeft helemaal geen lang betoog te zijn, geen lange toespraak naar God toe.
Het kan heel beknopt en eenvoudig, het mogen ook elke morgen dezelfde woorden zijn.

Niet alleen voor onszelf is het gebed belangrijk.
De Bijbel houdt ons steeds voor, dat het gebed ook voor God belangrijk is.
Dat de Heere ons dat als een opdracht geeft
om tot Hem te komen in gebed met alles wat ons bezighoudt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
Dat heeft niet de betekenis van: mocht je God nog eens nodig hebben,
ooit eens een moment waarop je er zelf niet uitkomt.
Nee, een dagelijks contact met God.
En niet als allerlaatste redmiddel, als je er zelf niet meer uitkomt en niet meer weet hoe.
Nee, voordat je iets gaat doen, aan het begin van de dag,
of voordat je gaat eten,
aan het eind evan de dag als je de dag nog eens doorneemt met de Heere,
of tussendoor als je voor een grote beslissing staat.

Zo’n gebed doen we niet alleen, omdat wij dat nodig hebben,
maar ook omdat de Heere dat van ons vraagt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
En daarmee zijn we bij het thema van deze preek:
Jezus draagt ons op om te bidden in Zijn Naam.
Dat is een permissie die Hij ons geeft, een toestemming die Hij ons verleent,
om naar de Vader te gaan en in ons gebed de Naam van Christus te gebruiken
om ons gebed bij de Vader te brengen.
Het is een permissie, een toestemming: doe het maar, het mag! Maak er gebruik van!
Het gaat nog verder: het is ook een opdracht.
Doe het in Mijn Naam. Laat het gebed niet achterwege.
Wie bij Christus hoort, kan en mag het gebed niet achterwege laten.
Wie niet bidt, laat toch iets na, terwijl de Heere Jezus ons dat opdraagt, ons gebiedt.
(2) We zien Hem niet
Hoe zou dat nu komen, dat deze opdracht er zo makkelijk erbij inschiet,
dat we zo snel nalaten, wat de Heere Jezus ons opdraagt.
Waarbij het nalaten van deze opdracht ook nog eens grote schade voor ons geloof heeft.
Zou dat ermee te maken kunnen hebben
met wat de Heere Jezus hier tegen Zijn discipelen zegt over Zijn afscheid:
een korte tijd en ze zullen Hem niet meer zien?
Zou het ermee te maken kunnen hebben
dat we doordat we Christus niet meer voor ons zien,
dat we daardoor ook het idee hebben dat Hij ver weg is? (punt 1)
Tegen de discipelen spreekt de Heere Jezus over het afscheid dat er aan komt,
omdat Hij teruggaat naar de Vader.
Dat weggaan kan op twee momenten slaan:
(1) Dat weggaan kan betrekking hebben op het kruis op Golgotha, op Zijn sterven.
Nog dezelfde avond waarop Jezus deze woorden spreekt,
zal Hij worden gearresteerd, zal er een proces volgen
en de volgende dag zal Hij al worden gedood aan het kruis.
Dat de Heere Jezus Zijn sterven op het oog heeft,
kunnen we opmaken uit vers 20, waarin Hij zegt tegen de discipelen
dat zij door de afwezigheid van Jezus verdriet zullen hebben, zullen huilen en weeklagen.
Daarentegen zal de wereld vrolijkheid hebben, blij zijn met de afwezigheid van Jezus.
Dat zal niet lang duren, zegt Jezus,
want op de dag van de opstanding, nog geen 3 dagen later,
zal het verdriet van de discipelen voorbij zijn,
want dan zal Jezus weer levend in hun midden zijn.

(2) De tijd dat we Jezus niet meer zien,
kan ook te maken hebben met de tijd waarin Jezus in de hemel is.
Hij zal naar de Vader gaan en Zijn discipelen achter laten op aarde.
Dat is de tijd waarin de kerk zich bevindt:
de tijd tussen Jezus’ aanwezigheid op aarde en Jezus’ wederkomst.
We kijken terug op Zijn aanwezigheid en we kijken vooruit naar Zijn komst.
Die tussentijd is geen makkelijke tijd.
De Heere Jezus vergelijkt het met een vrouw die bijna gaat bevallen.
Het gaat niet zozeer op de lichamelijke pijn, die een vrouw moet doormaken,
maar meer de spanning en de bezorgdheid die een vrouw heeft.
Het tegen de bevalling opzien, omdat een vrouw weet dat het een heel gebeuren is
dat niet zomaar even gedaan wordt.
Een spannend moment, ook nu nog,
Vroeger werd er wel gezegd: bij de bevalling sta je als vrouw met één been in het graf.
ook al is de zorg rondom de bevalling verbeterd,
het is een gezegde die nog steeds geldt.
Enkele dagen voor de bevalling van onze eerste begon mijn moeder opeens
allerlei horrorverhalen te vertellen over wat er allemaal mis kan gaan bij de bevalling.
Het was goed bedoeld, om een bepaalde voorbereiding mee te geven.
Maar het kan ook de spanning verhogen.
Die spanning, die bezorgdheid die er kan zijn vlak voor een bevalling,
Waarbij je pas gerust bent als alles achter de rug is
en het kind gezond en wel geboren is, dat is wat de Heere Jezus bedoelt.
Dat is ook de tijd waarin we als kerk ons bevinden.
waarbij die spanning vlak voor de bevalling staat voor de tijd vlak voor de wederkomst.
Het is geen makkelijke tijd, voorspelt Jezus
en je zult als gelovige het idee hebben dat, omdat Jezus niet zichtbaar is,
Hij er niet is om Zijn kerk op aarde te beschermen,
dat Hij er niet is om de juiste weg te wijzen in deze tijd,
waarin juist zoveel leiding door Christus zelf nodig is.

Er wordt wel het onderscheid gemaakt tussen de kerk hier op aarde
en de kerk die al in de hemel mag zijn.
De kerk hier op aarde is de strijdende kerk
en de kerk in de hemel de overwinnende, de triomferende kerk.
Met de strijdende kerk wordt niet zozeer een heldhaftige kerk bedoeld,
die later in als de gelovigen in de hemel zijn vol trots kunnen kijken
op wat zij op aarde allemaal hebben behaald, wat ze hebben gepresteerd.
Integendeel: strijdende kerk betekent dat de kerk een harde strijd moet voeren
en vaak het idee heeft in die strijd ten onder te gaan, het niet te redden.
En de strijd moet gevoerd worden tegen de duivel,
moet gestreden worden tegen wat er in de wereld is aan verleidingen, aan andere inzichten,
aan ongeloof en twijfel dat je kan aangrijpen en ook doen wankelen,
de strijd gaat ook tegen jezelf, omdat we soms ook maar toegeven en onderuit gaan.

In het gebed na de doop bidden we:
onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen.  Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen.
Maar hoe vaak gebeurt het niet, dat we niet winnen, of zelfs helemaal niet strijden.
De strijdende kerk heeft het gevoel de verliezende kerk te zijn,
het maakt beschaamd: we brengen er niets van terecht, niks geen triomf.
terwijl de wereld vol vrolijkheid is en lacht en zich geen zorgen maakt,
is het de kerk die zich zorgen maakt, de gelovige die het moeilijk heeft,
vertwijfeld kan raken, gespannen kan worden als een vrouw die voor de bevalling staat:
zal het goed gaan, zal er iets moois komen of gaat het mis en zal ik groot verlies hebben?

Zou dat de reden zijn waarom het zo moeilijk is om het gebed als middel te gebruiken
om naar God toe te gaan, om ons geloof te versterken.
Want Jezus zegt wel dat we in Zijn naam moeten bidden,
maar als Hij niet zichtbaar is en als er gestreden moet worden
en je hebt het idee dat je er alleen voorstaat,
dat kan moedeloos maken, verlammend werken.
Bidden in Jezus’ naam en aan de Vader vragen wat we willen?
Daar komt in onze moedeloosheid en zwakten zo weinig van terecht.


(3) Toch is Hij er
En daar is juist die opdracht van Christus voor: de opdracht in Zijn naam te bidden.
Want Hij is dan onzichtbaar, maar Hij is niet afwezig.
Hij heeft niet de boel de boel gelaten,
maar is op een andere manier aanwezig dan toen Hij zichtbaar op aarde rondwandelde.
Hij is nu door de Geest in ons midden
En al is Hij in de hemel bezig – plaatsbereiding, voorspraak  bij de Vader –
Hij heeft Zijn betrokkenheid op de aarde niet afgebouwd en verminderd.
Vraag in Mijn Naam: dat betekent dat Christus tegen ons zegt dat Hij bereikbaar is.
Ook al zijn wij op aarde, we zijn toch met Hem verbonden.
En dat is nu juist wat het geloof uitwerkt: die verbondenheid met Christus.
Dat is wat voor Johannes nu net het geloof is (en ook voor Paulus trouwens)
dat je betrokken bent op Christus, ook letterlijk.
Een hoofdstuk eerder wordt het voorbeeld gebruikt van de wijnstok en de rank:
wij zijn de tak die aan Christus die dan de plant is vast zitten.
Wat er tot ons komt is de Heilige Geest, zoals een plant de sappen doorgeeft aan de takken.
Bidden in Jezus’ naam is heel dichtbij, de Heer met wie we verbonden zijn,
die aan ons Zijn Geest doorgeeft, zoals een boom aan de tak de sappen doorgeeft.

We moeten het nog letterlijker nemen: bidden in de naam van Jezus
betekent een werkelijkheid instappen waar Christus is.
Ook al zijn we hier op aarde, we kunnen toch die werkelijkheid binnenstappen,
zoals je straks je huis binnenstapt, om daar te wonen, koffie te drinken, te slapen,
Te leven, thuis te zijn.
Zo stappen we in het gebed de wereld van Christus binnen, als we bidden in Jezus’ naam.
Bidden in de naam van Jezus betekent: een ruimte binnenstappen waarboven staat Christus.
Waar vanuit de hemel al Zijn macht wordt gemerkt.
De kerk is ook een ruimte waar Christus op de gevel staat, waar Hij is,
Waar we binnen kunnen stappen om er te zijn waar Hij is – letterlijk: in Jezus’ naam.
De Naam van Jezus als een huis om er te wonen.
En dat is niet de enige plek waar Hij op aarde woont en is.
Overal waar Zijn Naam wordt uitgesproken, is die plek er.
En ook waar we die Naam niet kunnen uitspreken, daar kan toch zijn
en kunnen we die ruimte binnenstappen die Zijn naam is
of anders gezegd: daar plaatst Hij Zijn Naam als een ruimte, een huis over ons.
De Naam van Jezus als een plek om naar toe te gaan, er te zijn, te schuilen, te wonen.
Ook al is Hij niet zichtbaar, maar wel aanwezig.
De Naam des Heeren is een veilige toren.

En die veilige toren zullen we nodig hebben.
De strijdende kerk, dat kan immers vervolging inhouden.
De Heere Jezus kondigt dat aan: jullie zullen uiteengedreven worden.
Dat kan betekenen dat je voor je geloof in de gevangenis komt, waar je niet meer wegkomt.
Ook daar is die ruimte er: kun je bidden in Christus’ naam.

Dan wordt ook duidelijk wat Jezus bedoelt met dat we alles mogen vragen in Zijn Naam.
Dat betekent: alles wat wij nodig hebben om die verbondenheid te houden met Christus,
zodat onze tak niet afbreekt van Christus, niet door gemakzucht, niet door druk of vervolging.
Alles bidden in Zijn Naam houdt in: Heere, bescherm mijn geloof, dat zo kwetsbaar is,
Dat vergeet U te zoeken en met U verbonden te blijven,
dat vergeet om Uw Geest op te nemen, in te drinken als water des levens.
Alles bidden in Zijn Naam betekent ook: bidden dat er meer mensen geloven,
meer mensen aan Christus vastgemaakt worden.
Dat Gods koninkrijk uitgebreid wordt.

Kun je dan nog wel bidden voor je werk, zoals we vandaag doen?
Moet je dat dan niet op de tweede plek zetten?
Moet dan het maar niet meer hebben over ons werk
omdat dat iets van die tussentijd is en daarom van minder belang?
Nee, ons werk kan juist in de dienst van God staan,
ook als er geen duidelijke relatie met het geloof te leggen is.
Of dat nu eenvoudig werk is of gecompliceerd werk is dat je niet aan anderen kunt uitleggen,
of het nu eentonig werk is, of dat het werk is waar je je creativiteit kunt ontplooiien,
of het nu werk is waarvan het nut direct zichtbaar is,
of dat je je afvraagt welk nut je werk heeft,
het kan allemaal door God worden gebruikt in Zijn zorg voor deze wereld,
in de weg die Hij gaat met deze wereld, tot Zijn doel,
de dag waarop de Heere Jezus in alle heerlijkheid verschijnt.
Zonder dat we er ons van bewust hoeven te zijn kan God ons in schakelen.
Dat kan zelfs als we aan ons werk helemaal niets goeds beleven,
dat we er op afknappen, of gefrustreerd door raken.
Daarom mogen we ook om een zegen bidden voor ons werk,
want ons werk kan een bijdrage zijn aan de komst van Gods koninkrijk
en een gebed om de zegen over ons werk is niet minder
dan een gebed waarin we bidden: uw koninkrijk kome.
Wanneer we serieus bidden om die zegen en ook zo leven
dat we in ons werk gezegend kunnen zijn en door ons werk anderen tot zegen kunnen zijn
dan is ons gebed om een zegen over ons werk gelijk aan het gebed uw koninkrijk kome.
Want met een zegen over ons werk bidden wij dat ons werk,
wat uit onze handen komt, wat door ons gedaan wordt, onder die Koning mag staan.
en alles wat wij doen, zelfs ons gewone dagelijkse bestaan, ons werk,
onze zorg om eten te hebben, iets voor God mogen betekenen,
iets mogen betekenen voor de uitbreiding van Gods koninkrijk.

Daarom spoort Christus ons aan om te bidden, om te bidden in Zijn Naam,
zodat ook het gebed voor onze dagelijkse benodigdheden
een gebed wordt om de komst van Gods koninkrijk
en dat wij als wij om een zegen bidden over ons werk, over wat wij nu doen,
al in het teken staat van het koninkrijk van God dat komt.
We doen misschien niets anders, maar het kader, het perspectief is anders:
de komst van Gods koninkrijk.

(4) We weten dat Hij komt
Want daar heeft de opdracht van Jezus mee te maken:
met die dag waarop de Heere Jezus terugkomt om Hier Zijn Koninkrijk te brengen.
Dat is wat de Heere Jezus stelt tegenover al die spanning, die zorgen, die aanvechtingen
die er kunnen zijn omdat de Heere Jezus niet zichtbaar aanwezig is.
Er komt, zegt Hij, een dag waarop Ik weer zichtbaar in jullie midden aanwezig zal zijn.
Dat zal een geweldige dag zijn.
en Hij voegt eraan toe: dat Koninkrijk komt dan pas volledig,
maar nu al is er, niet altijd direct zichtbaar, niet altijd direct merkbaar,
maar het is er wel: iets van het Koninkrijk van God.
Jezus spreekt ons moed in: Heb goede moed, want Ik heb de wereld overwonnen.
Wij zijn de strijdende kerk, die geregeld falen, het verkeerd doen,
soms gelukkig door de Geest ook iets goeds,
maar wij hebben de Heere aan onze zijde, die aan het kruis reeds de overwinning behaalde,
die uit het graf opstond, die naar de hemel ging,
om vandaar, aan de rechterhand van de Vader, te regeren.
Bidden in Zijn Naam, is jezelf verbinden met die Overwinnaar,
is vooruitkijken naar die dag waarop Hij komt,
is toch weer moed vinden, moed ontvangen door Hem,
kracht om te bidden.

Daarom is het gebed nodig: voor onszelf,
om daardoor het geloof te voeden, om het weer te weten, dat Christus nu al regeert,
en dat Hij over enige tijd zal komen op deze aarde, zal terugkomen.
Daarom is het belangrijk om het gebed niet te verwaarlozen,
maar het contact steeds te zoeken.
Neem daarom elke morgen, voor je de dag begint, één minuut de tijd,
om die zegen te vragen,
om te vragen of jijzelf ook, door wat je doet en wie je ben, een zegen mag zijn
om te vragen of jij, in wat je doet, dienstbaar mag zijn aan Gods koninkrijk
dat er helemaal, volop zichtbaar zal zijn als Christus terugkomt.
Om te vragen om de komst van Christus: uw koninkrijk kome.
Jezus zegt: Als je dit bidt in Mijn Naam, zal Mijn Vader het geven.
Dat is de belofte waarmee we kunnen bidden, waarmee kunnen leven,
waardoor we het kunnen volhouden, in de strijd op aarde,
tot we getuige mogen zijn van de komst van Hem die overwonnen heeft.
Amen