Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Advertenties

Preek biddag 2017 avonddienst

Preek biddag 2017 avonddienst
Johannes 16:16-33
Tekst: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven (vers 23b).

Thema: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
(1) We zien Hem niet (niet zichtbaar)
(2) Toch is Hij er (wel aanwezig)
(3) We weten dat Hij komt (in aantocht)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
We hebben vandaag biddag, omdat bidden erg belangrijk is voor ons leven met de Heere.
Wij kunnen niet zonder gebed.
We hebben het gebed nodig voor onze relatie met God,
om tegen Hem te vertellen wat ons bezighoudt,
en om omgekeerd te horen wat Hij ons wil zeggen.
We hebben het gebed nodig voor alles wat wij hier op aarde nodig hebben.
Voor alle kleine en grote dingen die we nodig hebben hier in dit leven:
Als je ‘s morgens wakker wordt en aan tafel zit voor het ontbijt (als je daar tijd voor hebt),
ga je eerst bidden. En waar bid je voor?

Je bidt om een zegen voor het eten
en dat gebed om een zegen voor je eten, maakt je bescheiden,
Want je weet dat hoe hard je ook werkt, je dit eten allereerst aan de Heere te danken hebt,
dat is de zorg van de hemelse Vader voor jou, voor ons.

Je bidt om een zegen voor de dag,
want je kunt allerlei plannen hebben, maar je weet niet wat de dag brengt.
Je weet niet of je gezond en bewaard thuis zult komen,
je weet niet wat je onderweg allemaal tegenkomt.
Het maakt je bewust, dat je het leven niet in eigen hand hebt
en in het gebed vraag je om Gods zorg en zegen voor deze dag.

Je bidt om een zegen over je werk.
Want dat je de kracht en de motivatie hebt om te werken,
heb je niet uit jezelf, ook al ben je gezond of heb je goed geslapen.
De kracht die je hebt, krijg je van de Heere.
En wat je nodig hebt aan kennis, aan wijsheid,
je hebt dat wellicht paraat, vanwege je opleiding of je ervaring, omdat je inzicht hebt.
Ook dat hebben we van God ontvangen,
als een talent dat we mogen gebruiken.
En het werk dat we hebben, is niet alleen maar een werk,
maar is ook een roeping, zelfs het meest eenvoudige werk is dienstbaar aan Gods koninkrijk.
Je doet het niet alleen voor je portemonnee, voor je baas, voor de klant, maar ook voor God.

Je bidt dat je zelf tot zegen mag zijn.
Want deze dag zul je weer heel wat mensen tegen komen,
met wie je samenwerkt, voor wie je werkt.
Je bidt dat je in wat je doet voor anderen tot zegen mag zijn, in je werk,
maar ook in je houding, in hoe je tegen anderen doet,
dat je daarin iets van Gods barmhartigheid en liefde mag uitstralen.
Daar bid je toch om voor de dag begint?
En dat je zorgvuldig bent als je over anderen praat.
Dat je niet een roddel de wereld in helpt, die niet waar blijkt te zijn of aangedikt.
Dat je niet te snel met een bepaald oordeel over de ander komt,
maar vanuit bewogenheid en geduld de ander benadert.

In een voorbeeld van een gebed aan het begin van de dag
kunnen we al zien dat we niet zonder gebed kunnen.
Elk moment van de dag hebben we gebed nodig.
Het hoeft helemaal geen lang betoog te zijn, geen lange toespraak naar God toe.
Het kan heel beknopt en eenvoudig, het mogen ook elke morgen dezelfde woorden zijn.

Niet alleen voor onszelf is het gebed belangrijk.
De Bijbel houdt ons steeds voor, dat het gebed ook voor God belangrijk is.
Dat de Heere ons dat als een opdracht geeft
om tot Hem te komen in gebed met alles wat ons bezighoudt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
Dat heeft niet de betekenis van: mocht je God nog eens nodig hebben,
ooit eens een moment waarop je er zelf niet uitkomt.
Nee, een dagelijks contact met God.
En niet als allerlaatste redmiddel, als je er zelf niet meer uitkomt en niet meer weet hoe.
Nee, voordat je iets gaat doen, aan het begin van de dag,
of voordat je gaat eten,
aan het eind evan de dag als je de dag nog eens doorneemt met de Heere,
of tussendoor als je voor een grote beslissing staat.

Zo’n gebed doen we niet alleen, omdat wij dat nodig hebben,
maar ook omdat de Heere dat van ons vraagt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
En daarmee zijn we bij het thema van deze preek:
Jezus draagt ons op om te bidden in Zijn Naam.
Dat is een permissie die Hij ons geeft, een toestemming die Hij ons verleent,
om naar de Vader te gaan en in ons gebed de Naam van Christus te gebruiken
om ons gebed bij de Vader te brengen.
Het is een permissie, een toestemming: doe het maar, het mag! Maak er gebruik van!
Het gaat nog verder: het is ook een opdracht.
Doe het in Mijn Naam. Laat het gebed niet achterwege.
Wie bij Christus hoort, kan en mag het gebed niet achterwege laten.
Wie niet bidt, laat toch iets na, terwijl de Heere Jezus ons dat opdraagt, ons gebiedt.
(2) We zien Hem niet
Hoe zou dat nu komen, dat deze opdracht er zo makkelijk erbij inschiet,
dat we zo snel nalaten, wat de Heere Jezus ons opdraagt.
Waarbij het nalaten van deze opdracht ook nog eens grote schade voor ons geloof heeft.
Zou dat ermee te maken kunnen hebben
met wat de Heere Jezus hier tegen Zijn discipelen zegt over Zijn afscheid:
een korte tijd en ze zullen Hem niet meer zien?
Zou het ermee te maken kunnen hebben
dat we doordat we Christus niet meer voor ons zien,
dat we daardoor ook het idee hebben dat Hij ver weg is? (punt 1)
Tegen de discipelen spreekt de Heere Jezus over het afscheid dat er aan komt,
omdat Hij teruggaat naar de Vader.
Dat weggaan kan op twee momenten slaan:
(1) Dat weggaan kan betrekking hebben op het kruis op Golgotha, op Zijn sterven.
Nog dezelfde avond waarop Jezus deze woorden spreekt,
zal Hij worden gearresteerd, zal er een proces volgen
en de volgende dag zal Hij al worden gedood aan het kruis.
Dat de Heere Jezus Zijn sterven op het oog heeft,
kunnen we opmaken uit vers 20, waarin Hij zegt tegen de discipelen
dat zij door de afwezigheid van Jezus verdriet zullen hebben, zullen huilen en weeklagen.
Daarentegen zal de wereld vrolijkheid hebben, blij zijn met de afwezigheid van Jezus.
Dat zal niet lang duren, zegt Jezus,
want op de dag van de opstanding, nog geen 3 dagen later,
zal het verdriet van de discipelen voorbij zijn,
want dan zal Jezus weer levend in hun midden zijn.

(2) De tijd dat we Jezus niet meer zien,
kan ook te maken hebben met de tijd waarin Jezus in de hemel is.
Hij zal naar de Vader gaan en Zijn discipelen achter laten op aarde.
Dat is de tijd waarin de kerk zich bevindt:
de tijd tussen Jezus’ aanwezigheid op aarde en Jezus’ wederkomst.
We kijken terug op Zijn aanwezigheid en we kijken vooruit naar Zijn komst.
Die tussentijd is geen makkelijke tijd.
De Heere Jezus vergelijkt het met een vrouw die bijna gaat bevallen.
Het gaat niet zozeer op de lichamelijke pijn, die een vrouw moet doormaken,
maar meer de spanning en de bezorgdheid die een vrouw heeft.
Het tegen de bevalling opzien, omdat een vrouw weet dat het een heel gebeuren is
dat niet zomaar even gedaan wordt.
Een spannend moment, ook nu nog,
Vroeger werd er wel gezegd: bij de bevalling sta je als vrouw met één been in het graf.
ook al is de zorg rondom de bevalling verbeterd,
het is een gezegde die nog steeds geldt.
Enkele dagen voor de bevalling van onze eerste begon mijn moeder opeens
allerlei horrorverhalen te vertellen over wat er allemaal mis kan gaan bij de bevalling.
Het was goed bedoeld, om een bepaalde voorbereiding mee te geven.
Maar het kan ook de spanning verhogen.
Die spanning, die bezorgdheid die er kan zijn vlak voor een bevalling,
Waarbij je pas gerust bent als alles achter de rug is
en het kind gezond en wel geboren is, dat is wat de Heere Jezus bedoelt.
Dat is ook de tijd waarin we als kerk ons bevinden.
waarbij die spanning vlak voor de bevalling staat voor de tijd vlak voor de wederkomst.
Het is geen makkelijke tijd, voorspelt Jezus
en je zult als gelovige het idee hebben dat, omdat Jezus niet zichtbaar is,
Hij er niet is om Zijn kerk op aarde te beschermen,
dat Hij er niet is om de juiste weg te wijzen in deze tijd,
waarin juist zoveel leiding door Christus zelf nodig is.

Er wordt wel het onderscheid gemaakt tussen de kerk hier op aarde
en de kerk die al in de hemel mag zijn.
De kerk hier op aarde is de strijdende kerk
en de kerk in de hemel de overwinnende, de triomferende kerk.
Met de strijdende kerk wordt niet zozeer een heldhaftige kerk bedoeld,
die later in als de gelovigen in de hemel zijn vol trots kunnen kijken
op wat zij op aarde allemaal hebben behaald, wat ze hebben gepresteerd.
Integendeel: strijdende kerk betekent dat de kerk een harde strijd moet voeren
en vaak het idee heeft in die strijd ten onder te gaan, het niet te redden.
En de strijd moet gevoerd worden tegen de duivel,
moet gestreden worden tegen wat er in de wereld is aan verleidingen, aan andere inzichten,
aan ongeloof en twijfel dat je kan aangrijpen en ook doen wankelen,
de strijd gaat ook tegen jezelf, omdat we soms ook maar toegeven en onderuit gaan.

In het gebed na de doop bidden we:
onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen.  Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen.
Maar hoe vaak gebeurt het niet, dat we niet winnen, of zelfs helemaal niet strijden.
De strijdende kerk heeft het gevoel de verliezende kerk te zijn,
het maakt beschaamd: we brengen er niets van terecht, niks geen triomf.
terwijl de wereld vol vrolijkheid is en lacht en zich geen zorgen maakt,
is het de kerk die zich zorgen maakt, de gelovige die het moeilijk heeft,
vertwijfeld kan raken, gespannen kan worden als een vrouw die voor de bevalling staat:
zal het goed gaan, zal er iets moois komen of gaat het mis en zal ik groot verlies hebben?

Zou dat de reden zijn waarom het zo moeilijk is om het gebed als middel te gebruiken
om naar God toe te gaan, om ons geloof te versterken.
Want Jezus zegt wel dat we in Zijn naam moeten bidden,
maar als Hij niet zichtbaar is en als er gestreden moet worden
en je hebt het idee dat je er alleen voorstaat,
dat kan moedeloos maken, verlammend werken.
Bidden in Jezus’ naam en aan de Vader vragen wat we willen?
Daar komt in onze moedeloosheid en zwakten zo weinig van terecht.


(3) Toch is Hij er
En daar is juist die opdracht van Christus voor: de opdracht in Zijn naam te bidden.
Want Hij is dan onzichtbaar, maar Hij is niet afwezig.
Hij heeft niet de boel de boel gelaten,
maar is op een andere manier aanwezig dan toen Hij zichtbaar op aarde rondwandelde.
Hij is nu door de Geest in ons midden
En al is Hij in de hemel bezig – plaatsbereiding, voorspraak  bij de Vader –
Hij heeft Zijn betrokkenheid op de aarde niet afgebouwd en verminderd.
Vraag in Mijn Naam: dat betekent dat Christus tegen ons zegt dat Hij bereikbaar is.
Ook al zijn wij op aarde, we zijn toch met Hem verbonden.
En dat is nu juist wat het geloof uitwerkt: die verbondenheid met Christus.
Dat is wat voor Johannes nu net het geloof is (en ook voor Paulus trouwens)
dat je betrokken bent op Christus, ook letterlijk.
Een hoofdstuk eerder wordt het voorbeeld gebruikt van de wijnstok en de rank:
wij zijn de tak die aan Christus die dan de plant is vast zitten.
Wat er tot ons komt is de Heilige Geest, zoals een plant de sappen doorgeeft aan de takken.
Bidden in Jezus’ naam is heel dichtbij, de Heer met wie we verbonden zijn,
die aan ons Zijn Geest doorgeeft, zoals een boom aan de tak de sappen doorgeeft.

We moeten het nog letterlijker nemen: bidden in de naam van Jezus
betekent een werkelijkheid instappen waar Christus is.
Ook al zijn we hier op aarde, we kunnen toch die werkelijkheid binnenstappen,
zoals je straks je huis binnenstapt, om daar te wonen, koffie te drinken, te slapen,
Te leven, thuis te zijn.
Zo stappen we in het gebed de wereld van Christus binnen, als we bidden in Jezus’ naam.
Bidden in de naam van Jezus betekent: een ruimte binnenstappen waarboven staat Christus.
Waar vanuit de hemel al Zijn macht wordt gemerkt.
De kerk is ook een ruimte waar Christus op de gevel staat, waar Hij is,
Waar we binnen kunnen stappen om er te zijn waar Hij is – letterlijk: in Jezus’ naam.
De Naam van Jezus als een huis om er te wonen.
En dat is niet de enige plek waar Hij op aarde woont en is.
Overal waar Zijn Naam wordt uitgesproken, is die plek er.
En ook waar we die Naam niet kunnen uitspreken, daar kan toch zijn
en kunnen we die ruimte binnenstappen die Zijn naam is
of anders gezegd: daar plaatst Hij Zijn Naam als een ruimte, een huis over ons.
De Naam van Jezus als een plek om naar toe te gaan, er te zijn, te schuilen, te wonen.
Ook al is Hij niet zichtbaar, maar wel aanwezig.
De Naam des Heeren is een veilige toren.

En die veilige toren zullen we nodig hebben.
De strijdende kerk, dat kan immers vervolging inhouden.
De Heere Jezus kondigt dat aan: jullie zullen uiteengedreven worden.
Dat kan betekenen dat je voor je geloof in de gevangenis komt, waar je niet meer wegkomt.
Ook daar is die ruimte er: kun je bidden in Christus’ naam.

Dan wordt ook duidelijk wat Jezus bedoelt met dat we alles mogen vragen in Zijn Naam.
Dat betekent: alles wat wij nodig hebben om die verbondenheid te houden met Christus,
zodat onze tak niet afbreekt van Christus, niet door gemakzucht, niet door druk of vervolging.
Alles bidden in Zijn Naam houdt in: Heere, bescherm mijn geloof, dat zo kwetsbaar is,
Dat vergeet U te zoeken en met U verbonden te blijven,
dat vergeet om Uw Geest op te nemen, in te drinken als water des levens.
Alles bidden in Zijn Naam betekent ook: bidden dat er meer mensen geloven,
meer mensen aan Christus vastgemaakt worden.
Dat Gods koninkrijk uitgebreid wordt.

Kun je dan nog wel bidden voor je werk, zoals we vandaag doen?
Moet je dat dan niet op de tweede plek zetten?
Moet dan het maar niet meer hebben over ons werk
omdat dat iets van die tussentijd is en daarom van minder belang?
Nee, ons werk kan juist in de dienst van God staan,
ook als er geen duidelijke relatie met het geloof te leggen is.
Of dat nu eenvoudig werk is of gecompliceerd werk is dat je niet aan anderen kunt uitleggen,
of het nu eentonig werk is, of dat het werk is waar je je creativiteit kunt ontplooiien,
of het nu werk is waarvan het nut direct zichtbaar is,
of dat je je afvraagt welk nut je werk heeft,
het kan allemaal door God worden gebruikt in Zijn zorg voor deze wereld,
in de weg die Hij gaat met deze wereld, tot Zijn doel,
de dag waarop de Heere Jezus in alle heerlijkheid verschijnt.
Zonder dat we er ons van bewust hoeven te zijn kan God ons in schakelen.
Dat kan zelfs als we aan ons werk helemaal niets goeds beleven,
dat we er op afknappen, of gefrustreerd door raken.
Daarom mogen we ook om een zegen bidden voor ons werk,
want ons werk kan een bijdrage zijn aan de komst van Gods koninkrijk
en een gebed om de zegen over ons werk is niet minder
dan een gebed waarin we bidden: uw koninkrijk kome.
Wanneer we serieus bidden om die zegen en ook zo leven
dat we in ons werk gezegend kunnen zijn en door ons werk anderen tot zegen kunnen zijn
dan is ons gebed om een zegen over ons werk gelijk aan het gebed uw koninkrijk kome.
Want met een zegen over ons werk bidden wij dat ons werk,
wat uit onze handen komt, wat door ons gedaan wordt, onder die Koning mag staan.
en alles wat wij doen, zelfs ons gewone dagelijkse bestaan, ons werk,
onze zorg om eten te hebben, iets voor God mogen betekenen,
iets mogen betekenen voor de uitbreiding van Gods koninkrijk.

Daarom spoort Christus ons aan om te bidden, om te bidden in Zijn Naam,
zodat ook het gebed voor onze dagelijkse benodigdheden
een gebed wordt om de komst van Gods koninkrijk
en dat wij als wij om een zegen bidden over ons werk, over wat wij nu doen,
al in het teken staat van het koninkrijk van God dat komt.
We doen misschien niets anders, maar het kader, het perspectief is anders:
de komst van Gods koninkrijk.

(4) We weten dat Hij komt
Want daar heeft de opdracht van Jezus mee te maken:
met die dag waarop de Heere Jezus terugkomt om Hier Zijn Koninkrijk te brengen.
Dat is wat de Heere Jezus stelt tegenover al die spanning, die zorgen, die aanvechtingen
die er kunnen zijn omdat de Heere Jezus niet zichtbaar aanwezig is.
Er komt, zegt Hij, een dag waarop Ik weer zichtbaar in jullie midden aanwezig zal zijn.
Dat zal een geweldige dag zijn.
en Hij voegt eraan toe: dat Koninkrijk komt dan pas volledig,
maar nu al is er, niet altijd direct zichtbaar, niet altijd direct merkbaar,
maar het is er wel: iets van het Koninkrijk van God.
Jezus spreekt ons moed in: Heb goede moed, want Ik heb de wereld overwonnen.
Wij zijn de strijdende kerk, die geregeld falen, het verkeerd doen,
soms gelukkig door de Geest ook iets goeds,
maar wij hebben de Heere aan onze zijde, die aan het kruis reeds de overwinning behaalde,
die uit het graf opstond, die naar de hemel ging,
om vandaar, aan de rechterhand van de Vader, te regeren.
Bidden in Zijn Naam, is jezelf verbinden met die Overwinnaar,
is vooruitkijken naar die dag waarop Hij komt,
is toch weer moed vinden, moed ontvangen door Hem,
kracht om te bidden.

Daarom is het gebed nodig: voor onszelf,
om daardoor het geloof te voeden, om het weer te weten, dat Christus nu al regeert,
en dat Hij over enige tijd zal komen op deze aarde, zal terugkomen.
Daarom is het belangrijk om het gebed niet te verwaarlozen,
maar het contact steeds te zoeken.
Neem daarom elke morgen, voor je de dag begint, één minuut de tijd,
om die zegen te vragen,
om te vragen of jijzelf ook, door wat je doet en wie je ben, een zegen mag zijn
om te vragen of jij, in wat je doet, dienstbaar mag zijn aan Gods koninkrijk
dat er helemaal, volop zichtbaar zal zijn als Christus terugkomt.
Om te vragen om de komst van Christus: uw koninkrijk kome.
Jezus zegt: Als je dit bidt in Mijn Naam, zal Mijn Vader het geven.
Dat is de belofte waarmee we kunnen bidden, waarmee kunnen leven,
waardoor we het kunnen volhouden, in de strijd op aarde,
tot we getuige mogen zijn van de komst van Hem die overwonnen heeft.
Amen

biddag 2017 – morgendienst

biddag 2017 – morgendienst
Kerkdienst samen met de kinderen van C.N.S. Regenboog
Thema: God hoort!
Schriftlezing: Genesis 21:8-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Robert komt op zaterdag thuis van zijn voetbalwedstrijd
en rent naar zijn moeder toe om te vertellen dat hij gewonnen heeft met voetballen.
‘Mam!’ roept hij, terwijl hij naar binnen rent,
‘Mam, weet je hoeveel het geworden is?’
Als hij zijn moeder vindt, ziet hij dat ze de telefoon tegen haar oor heeft:
ze is in gesprek, ziet hij en hij hoort het ook.
Terwijl Robert wil vertellen hoe het met voetballen is gegaan,
loopt zijn moeder weg, zodat Robert haar even niet kan storen
en doet de deur achter haar dicht.
Als Robert de deur toch open doet, stuurt zijn moeder hem weg: ‘Nu even niet, Robert!’
Robert is teleurgesteld.
Het was juist zo leuk om te vertellen dat ze deze keer gewonnen hebben
en dat hijzelf ook een doelpunt heeft gescoord.
Zou hij nog een kans krijgen om te vertellen hoe de wedstrijd verlopen is?

Er zou ook een andere versie te vertellen zijn,
over Thirza die thuis komt uit school en wil vertellen hoe het was,
maar haar vader die achter de computer zit, bezig met zijn werk
en terwijl Thirza uitgebreid over school vertelt, heeft haar vader het eigenlijk niet gehoord.
‘Pap, heb je wel geluisterd?’
Of over de juf of de meester, die vandaag even geen tijd heeft voor jouw verhaal,
omdat er andere kinderen aan de beurt zijn of meer aandacht vragen.
Je wilt wat vertellen, maar je wordt op dat moment niet gehoord.

Volwassenen luisteren niet altijd naar wat je wilt zeggen:
omdat ze het niet doorhebben dat je iets wilt zeggen,
omdat ze geen tijd voor je hebben, net doen alsof ze naar je luisteren.
Maar God luistert wel altijd naar wat je tegen Hem wilt zeggen,
of wat je aan Hem wilt vragen.
Hij luistert naar je, als je tegen Hem praat als je bidt, of als je in je gedachten aan Hem denkt.
Zelfs als je niet bewust met Hem bezig bent, kan God je horen.
Daarom hebben we ook een speciale biddag,
om er bij stil te staan dat we echt tot God kunnen bidden
en dat de Heere onze gebeden hoort en ook ons hoort,
als we niet bewust tot Hem bidden, maar gewoon wat denken of piekeren.
God hoort!
Maar vaak lijkt het er niet op dat je gehoord wordt.
Dat je net zoals Robert en Thirza tegen hun ouders iets willen vertellen niet door hen gehoord
dat je zo ook iets aan God wil vertellen, iets moois of iets verdrietigs,
maar dat het dan voor jouw gevoel zo is, dat God je toch niet hoort.

In de Bijbel staan staan verhalen waarin aan ons verteld wordt,
dat God naar mensen luistert en hun gebeden verhoord door hen te helpen.
Er staan ook verhalen in de Bijbel, waarin het heel lang duurt voor een gebed gehoord wordt
en dat mensen het idee hebben dat God hen niet hoort.
Denk maar eens aan Abraham:
Abraham was 75 jaar oud, toen hij van de Heere de opdracht kreeg om te verhuizen,
om weg te gaan bij zijn familie en lang onderweg te zijn
omdat de Heere hem een land beloofd had,
aan zijn kinderen, kleinkinderen en allen die na die kleinkinderen kwamen.
Een groot volk.
Alleen had Abraham op dat moment geen zoon.
Hij was al oud, had geen kinderen en toch beloofde God hij vader van een groot volk zou zijn.
Hij dacht eerst dat zijn knecht de hele erfenis zou krijgen,
maar nee, niet via een knecht, echt via een zoon die Abraham zelf zou krijgen.
Toen Abraham maar geen eigen zoon kreeg,
zei zijn vrouw: Abraham, je moet maar een kind krijgen bij mijn slavin.
Ze heet Hagar. Zij kan er wel voor zorgen, dat jij een zoon krijgt.
Misschien dacht Sara aan de belofte van God van een zoon voor Abraham
en dacht ze dat ze God een handje moest helpen,
omdat Hij Zijn belofte vergeten was.
Of dacht ze aan alle bezittingen die Abraham had.
Voor wie zou alles zijn als Abraham geen zoon zou hebben?
Zouden ze dan aangevallen worden door de mensen tussen wie ze woonden,
omdat ze wisten dat Abraham geen opvolger had
en bij zichzelf dachten:
nu is het onze kans om de rijkdom en de spullen van Abraham te krijgen.
Een zoon zou zekerheid en veiligheid geven, ook al is het niet haar eigen zoon.
Als Hagar in verwachting is, gaat het mis tussen haar en haar bazin Sara
en Hagar kan het niet langer uithouden, ze moet weg!
Dan komt God naar haar toe:
Hagar, ga terug en ga je bazin weer dienen.
Ik zal voor jou zorgen en ook voor je zoon.
Ook je zoon zal belangrijk zijn.
Je moet je zoon een speciale naam geven, als herinnering voor jezelf
en ook als herinnering voor Sara en Abraham:
Ismaël – die naam betekent: God hoort.
Dat staat ook voorop op de liturgie en is het thema van deze dienst: God hoort!
Als je zoon geboren wordt, Hagar, dan zegt de naam van je zoon
dat God je nooit vergeet
en ook je bazin Sara zal bij alles wat ze naar jou toe doet weten:
Er is een God in de hemel, dezelfde die Sara ook dient,
Die jouw zuchten hoort, die hoort als jij het moeilijk hebt en verkeerd behandeld wordt.
Als de jongen geboren wordt, noemt Abraham de jongen inderdaad Ismaël.
Voor hem een mooie naam: zie je wel, dat God naar mij hoort!
Eindelijk word ik geholpen.
Eindelijk doet God wat Hij heeft beloofd.
Ik heb een zoon. Door hem zal mijn naam nooit vergeten worden
en zal ik aan het hoofd van een groot volk staan.
En er is iemand die mijn bezittingen overneemt, alles erft.
God hoort! Inderdaad.
Wat zal Abraham gelukkig zijn geweest,
zo gelukkig als iemand die door God wordt gehoord
en weet: God vergeet mij niet. Hij helpt mij, Hij doet wat Hij belooft!

Dan komt God naar Abraham toe:
Abraham, je krijgt een zoon, niet de zoon van Hagar, niet Ismaël,
maar een zoon via Sara.
Voor Abraham zal dat een vreemde ervaring zijn geweest:
zijn oude vrouw Sara wordt moeder.
Hij had toch al een zoon?
Weet je hoe oud Abraham is, als God naar hem toekomt?
Hij is dan 99 jaar.
Abraham, volgend jaar heeft Sara een zoon in de armen.
Je kunt je dat nu misschien niet voorstellen.
Achter in de tent hoort Sara wat God tegen haar zegt:
ze lacht, ze kan het zich niet voorstellen dat zij op haar oude dag een kind in de armen houdt,
een eigen kind.
Een jaar later is het zover: Sara heeft inderdaad een kind gekregen.
Ze is gelukkig, zo intens gelukkig
als iemand van wie een diep verdriet overgaat doordat er iets moois gebeurt.
God hoort!
En God, Hij zorgt ervoor, dat ik weer kan lachen.
Dat wordt de naam van haar kind: Isaak, God maakt dat ik kan lachen.
De lach is terug.
Elke keer als ze haar zoon ziet, komt er een glimlach op haar gezicht.
Nooit meer een chagrijnig gezicht, ze is iemand geworden die altijd dankbaar is, altijd straalt.
Dan komt het moment dat ze de borst niet meer hoeft te geven.
We hebben dat gelezen in het bijbelgedeelte.
Op dat moment wordt er een feest gegeven
en dat heeft een reden: kleine kinderen konden in die tijd gemakkelijk sterven.
Als hij niet meer de borst hoeft te krijgen, betekent dat: Hij is sterk genoeg om te blijven leven.
De lach kan blijven, ze kan nog meer lachen, omdat ze weet: Isaak is niet alleen geboren,
Isaak, haar jongen, zal ook opgroeien en sterk worden en de boel later overnemen.

Er is nog iemand die lacht.
Het is een andere lach dan Sara heeft.
Sara is gelukkig en dat straalt van haar gezicht. Zij geniet op het feest.
Er is iemand die begrijpt dat dit feest een nare kant heeft, voor hem.
Ismaël: er komt een bepaalde hardheid in zijn ogen.
Sara vangt de blik in zijn ogen op, ze ziet de trek om de mond,
en ze leest er een boodschap in, een waarschuwing voor Isaak:
Wacht maar, tot ik je te pakken kan nemen.
Jongen, nu is mijn beurt voorbij. Jij zult alles van mij afpakken en dan heb ik niets meer over.
Denkt Ismaël dat er niemand is, die hem doorziet, niemand die hem hoort?
Niemand van de familie die tijdens het feest aanwezig is
en ook God niet?
Sara heeft niets gehoord, hooguit een lach,
maar als ze die lach hoort, als ze de mond van die jongen ziet, de blik in haar ogen,
dan lopen de rillingen over haar lijf.
Dat gaat mis, Isaak is helemaal niet veilig.
Alle kinderziekten heeft hij overwonnen en we vieren feest omdat hij niet meer bedreigd wordt
maar in ons huis loopt de volgende bedreiging voor Isaak rond: zijn eigen stiefbroer Ismaël.
En ze gaat naar Abraham: Abraham, die andere jongen van jou moet weg.
Als jij er straks niet meer bent en de erfenis verdeeld moet worden,
dan gaat het mis.
Dan zal Ismaël alles naar zich toe trekken en dan zal Isaak misschien wel gedood worden.
Isaak is zijn leven hier niet veilig.
Je moet wat doen! Stuur die andere jongen weg en zijn moeder ook.

Abrahm schrikt en wordt boos: ben je vergeten dat deze jongen mijn zoon is?
Wat moet er van hem terecht komen als hij weggaat. Ik kan hem niet wegsturen!
Abraham wil niet naar Sara luisteren.
God heeft het gesprek van Sara en Abraham gehoord
en ook dat Abraham niet wil luisteren naar Sara.
God spreekt tot Abraham: ‘Abraham, luister naar Sara.
Maak jij je geen zorgen over Hagar en Ismaël. Ik zal er zijn om voor hen te zorgen.’
En Abraham doet het. Hij luistert.
Er staat niet bij hoe hij erover denkt. Wat hij er van vindt.
Hij geeft hen brood en water mee en stuurt hen de woestijn in.
De woestijn betekent niet altijd dat je alleen maar zand hebt, er kunnen ook bergen zijn.
In een woestijn is er geen water en er groeit niets.
Je kunt er niet leven, niet wonen.
Wil Abraham God uittesten door Hagar weg te sturen naar een plek waar ze eigenlijk niet kan leven, om zo God uit de dagen: U belooft toch om voor haar te zorgen?
Nou, dan moet u maar zien dat U dat waar maakt.
Het lijkt gedaan met de zorg van God voor Hagar en Ismaël.
Hij laat Hagar in de woestijn gaan, met Ismaël aan de hand.
Daar gaan ze, de plek in waar niemand kan overleven.
Zou Hagar geweten hebben waarom ze weg moest?
Zou ze gedacht hebben: dit wordt mijn dood?
Ze heeft geen keus dan te gaan.
In de hoop dat er iemand is die voor haar zorgt en voor haar jongen,
daar in de woestijn waar geen water is en geen eten,
waar gevaarlijke wilde dieren zijn als leeuwen, gieren, slangen.
Ze is helemaal alleen met haar zoon.
En dan gaat het ook mis: het water raakt op en Ismaël krijgt dorst.
Er is geen water te vinden en de dorst wordt alleen maar sterker en sterker.
‘Mama, geef me water.’
‘Jongen, er is geen water.’
Hagar voelt dat haar jongen slapper en slapper wordt.
Hij gaat het niet halen! Hij zal sterven!
Dat kan Hagar niet aanzien.
Ze legt Ismaël onder een struik neer, zodat hij toch wat schaduw heeft
en hij niet opvalt voor de gieren die al in de lucht cirkelen.
Een klein eindje verderop gaat ze zitten, ver genoeg om niets meer te horen,
om het gehuil en het geroep van haar kind te horen
en ze huilt zelf ook. Hier houdt het op.
Ze kan niet eens meer bidden, want ze is toch door God weggestuurd bij Abraham vandaan?

Er is een psalm waarin de woorden staan:
Gij weet, o God, hoe ‘k zwerven moet op aard’;
Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard.
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

God hoort! God hoort het geroep en geklaag van Ismaël.
Het is waar, dat God hoort!|
Er komt een engel naar Hagar toe: ‘Hagar, huil niet meer!
Hagar er is troost voor je!
Weet je nog dat je van God je zoon een naam moest geven: Ismaël, God hoort!?
Nou, God heeft gehoord, Hij hoort het roepen, het huilen van Ismaël.
Kijk eens voor je, kijk eens waar je bent.
Daar vlak voor je, daar is water te vinden.
Hier kun je je zoon redden van de dood, hier kun je leven.
En Hagar kan Ismaël water geven en hij kan blijven leven.

God hoort! Vandaag is het biddag.
Een speciale dag om ons eraan te herinneren dat bidden altijd zin heeft,
omdat we een God in de hemel hebben die ons hier op aarde kent
en hoort, ook als je niet hardop praat en alleen maar denkt.
We bidden vandaag dat we eten mogen hebben en dat alles groeit,
we bidden dat er werk is voor je vader en moeder, voor je opa en oma (als ze nog werken)
voor de mensen die geen eten hebben, of geen werk.
God hoort! Dat wil niet zeggen, dat Hij het geeft, of direct geeft.
Soms gaat er lang overheen, bij Abraham 25 jaar
en bij Hagar een dag waarop ze dacht dat haar zoon zou sterven van de dorst.
En toch: God hoort! Ook jouw gebed, hardop of in jezelf. God hoort ook jou!
Je hoeft nooit te denken: ik tel niet mee voor God.
Ik hoor er niet bij, of ik ben te klein. Nee, God hoort ook jou!
En al is er niemand die jou hoort, God hoort jou wel!
Amen

 

Liturgische veranderingen – blog 2

Liturgische veranderingen – blog 2

Laat ik nog even terugkomen op de laatste alinea van blog 1 over liturgische veranderingen. Daar geef ik aan dat ik het dagelijks leven naar de kerk wil halen (in plaats van het reformeren van het dagelijks leven.) Ik zal dat nog wat meer uitwerken. Dat helpt wellicht om ontwikkelingen meer te begrijpen.

Context
In mijn opleiding was er veel aandacht geweest voor de contextualiteit van een gemeente: op welke manier bepaalt de context de gemeente in de samenstelling, in de vragen die er zijn, in waar men mee bezig is. In de jaren dat ik predikant ben heb ik ook veel gelezen over de preekvoorbereiding. Zeker in Amerikaanse literatuur is er aandacht voor wat men noemt ‘de exegese van de gemeente’. Laat ik daar enkele voorbeelden van geven uit de eigen gemeente:

Lezen
* Bij de eerste catechisatieles aan de tieners die gekomen zijn of ze lezen. De oogst is minimaal. Er is af en toe een tiener die naar de bibliotheek gaat om boeken te lenen en te lezen. Meestal komen de tieners niet verder dan de Donald Duck en soms de Voetbal International.
* Tijdens huisbezoek valt het me op eens. Ik zeg dat ook tegen de mensen bij wie ik op bezoek ben: ‘Er valt me iets op.’ ‘Wat dan?’ ‘Ik mis een boekenkast.’ ‘We lezen alleen de krant en de Bijbel.’ Geregeld hoor ik dat de vrouw des huizes voorleest uit de Bijbel, omdat de man de tekst van de Bijbel te moeilijk vindt om voor te lezen.
(De kranten die gelezen worden zijn de huis-aan-huis-bladen, De Stentor en soms de Veluwse Kerkbode. Heel af en toe is er iemand die geabonneerd is op het ND of RD.)

Zingen
* Vaak hoor ik verhalen over hoe het vroeger ging. ‘Vroeger zongen we op zaterdagavond rondom het harmonium liederen uit de Bundel.’ De Bundel, dat is de bundel van Johannes de Heer. Bij zulke opmerkingen word ik altijd nieuwsgierig: ‘En dan op zondag psalmen met hele noten – hoe paste dat bij elkaar?’ Dat waren andere werelden. Wat je thuis in huis deed, deed je niet in de kerk. De liederen uit de Bundel raken nog steeds een diepe snaar. Ik kan dat merken als we in de kerk of bij een rouwdienst deze liederen zingen. Alleen enkele bekende coupletten uit bekende psalmen raken zo diep.
* Bij doopdiensten laat ik ouders psalmen, gezangen en liederen aandragen, die zij graag willen laten zingen in de dienst waarin hun kind wordt gedoopt. Meestal zijn het liederen uit Op Toonhoogte (afkomstig uit Opwekking). Af en toe dragen ouders ook een psalm aan. Meestal worden de psalmen echter door mij aangedragen. Na een dienst met veel liederen uit Op Toonhoogte is de reactie vaak: ‘Deze liederen begrijpen we tenminste. De psalmen zingen we wel, maar begrijpen we niet.’
* Aan het begin van een traject van belijdeniscatechisatie vraag ik om een psalm, een gezang of een lied mee te nemen. We beluisteren dan enkele van de aangedragen psalmen of liederen. Wat mij opvalt, is dat de belijdeniscatechisanten echt op zoek moeten gaan naar liederen. De bundel Op Toonhoogte wordt doorgebladerd. Er wordt op internet gezocht. Ooit was er iemand die ‘God heb ik lief’ wilde meenemen. Hij wist alleen niet in welke bundel dat lied stond. Via internet kwam hij erachter dat het een psalm was.
* Wat mij opvalt, is dat het zingen er helemaal uit raakt. Zeker bij jongens in de bovenbouw van de basisschool en bij tieners. Het is niet meer vanzelfsprekend dat de kinderen op school een psalm aanleren. Als er liederen geleerd worden, gebeurt dat ook wel eens met behulp van YouTube.

Het gaat mij bij het bovengenoemde er niet om of het goed of fout is. Het gaat mij erom, dat dit de context van de gemeente is. Als predikant heb ik rekening te houden met die context.

Dagelijks leven naar de kerk
Wat bedoelde ik met het dagelijks leven naar de kerk halen? Er zijn verschillende manieren om hier mee om te gaan. Het is goed denkbaar dat er in de kerk een norm is met betrekking tot wat er in de eredienst geschikt is. Dat kan inhouden dat er alleen maar psalmen gezongen worden. Dat kan inhouden dat de liederen die in de kerkdienst gezongen worden een bepaald niveau moeten hebben wat kerkmuziek en inhoud betreft.
Wat ik steeds meer ontdek, is dat die norm niet door iedereen begrepen en gehaald wordt. Het dilemma is dan: houd je als kerk vast aan het niveau of sluit je aan bij het niveau in de gemeente (met het risico de standaard te verlagen). Zelf kies ik er steeds meer voor om meer aan te sluiten bij de gemeente.

Verschil zondag – rest van de week
Ik heb daarvoor een extra argument, die misschien niet direct met de eredienst te maken heeft. Wat ik hier nogal eens tegenkom is het verschil tussen de zondag en de andere dagen van de week. Op zondag mag er minder, maar doordeweeks lijkt haast alles te mogen en te kunnen. Dat is natuurlijk overdreven. Maar het contrast tussen zondag en de andere dagen is erg groot.
Dat geldt ook voor de geloofsbeleving: Op zondag de psalmen (en tegenwoordig ook gezangen en andere liederen). Doordeweeks geen psalmen. Als er geluisterd wordt is dat via een cd of via YouTube naar Opwekking of Sela. Of op zondagavond en vrijdagmorgen naar de geestelijke liederen op de Loco.

Een stapje hoger
Enige tijd geleden volgde ik een cursus mentoraat. Daarin ging het ook over de ‘lerende gemeente’. Toen kregen wij als deelnemers het advies mee: probeer de gemeente die je dient één niveau hoger te krijgen en niet een hele stap hoger. Over dat advies denk ik geregeld na. Ook over wat het zou kunnen betekenen voor de gemeente die ik dien. Hoe kan ik de gemeenteleden een stapje hoger krijgen met betrekking tot liturgische bewustwording? De eerste stap die ik genomen heb, is om meer te gaan zingen. Om het zingen weer wat gewoner te maken. Op catechisatie beginnen we daarom met het zingen van de psalm en het opwekkingslied, dat door de HGJB is uitgezocht bij de les.

Geloofspraktijken aanleren
Nu ik er wat meer mee bezig ben, denk ik: zou ik tijdens de gewone catechisatie en tijdens de belijdeniscatechisatie niet wat uitleg moeten geven over zingen en het zingen wat meer kunnen oefenen. Alleen… ik heb daar geen enkele ervaring mee. Het komt in ieder geval in de lessen niet afzonderlijk aan de orde. Het is blijkbaar net als met bidden: men gaat ervan uit, dat het wel overgedragen wordt. Ik denk dat we in de tijd aanbeland zijn, dat gemeenten het hardop lezen uit de Bijbel, het leren zingen en waarderen van kerkliederen, het stil worden voor God en het bidden weer moeten aanleren. Meer dan een idee, dat nu bij me bovenkomt, is het nog niet. Maar daar begint het wellicht mee.

Vragen en opdrachten bij Psalm 25

Vragen en opdrachten bij Psalm 25

Lees vers 1-3
Welk beeld komt bij je op?
– Voor wie is dit een gebed?
– Zou jij dit bij God brengen? Wat stimuleert / belemmert jou om dit te doen?

Lees vers 4-7
Er wordt gesproken over een weg. Stel je een weg van Psalm 25 voor. Hoe ziet die weg eruit? Is het een rechte weg of een weg met bochten en kruisingen? Zijn er richtingaanwijzers en zo ja, wat staat er op? Zo niet, hoe zou je dan de weg kunnen vinden?
– Bij welke beslissing in je leven zou je willen dat God aan jou duidelijkheid geeft over wat je moet kiezen?
– Hoe zou God een aanwijzing aan jou kunnen geven? Wat is er voor nodig, dat je zo’n aanwijzing oppikt?
– Volg je die aanwijzing ook op? Wat heb je nodig om die aanwijzing op te kunnen volgen?
– Wat gebeurt er als je eerst zelf een keuze maakt en je vergeet te bidden of God de keuze duidelijkheid wil maken?

Lees vers 8-11
De psalm vertelt in lovende woorden over God: God is goed en waarachtig. Hij leidt zachtmoedigen in het recht.
– In welke woorden praat jij over God? Welke woorden zou jij gebruiken als je wilt vertellen over wat God voor jou betekent?
– Maakt het nog uit tegen wie je iets vertelt over God
– Wat vind je makkelijker: praten over God of praten met God? Of is er voor jou geen verschil?
– Heb je een idee waarom gevraagd wordt om de zonde niet meer te gedenken en de ongerechtigheid te vergeven? Zou jij daar zelf om durven bidden?

Lees vers 12-15
Er is sprake van vertrouwdheid met God, maar ook van ontzag: Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen. Wat overheerst bij jou: het vertrouwelijke van God of het ontzag voor Hem? Kun je daar meer over vertellen hoe dat uitwerkt in je kijk op God, in je gebed, in je vertrouwen op Hem?

Lees vers 16-22
Als God vertrouwelijk met degenen die Hem vrezen omgaat, waarom moet er dan nog gebeden worden om door God gezien te worden?
– Kun je een voorbeeld vertellen dat God naar je heeft omgezien?
– Wat doe je als je Gods aanwezigheid niet ervaart?
– Hoe vind je God dan weer terug?

Preek biddag 2016 – avonddienst

Preek biddag 2016 – avonddienst
Lukas 12:13-21
Lukas 22: 39-46

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het gebed dat de Heere Jezus gegeven heeft om te bidden,
geeft Hij ook gebeden die over onszelf gaan.
Geef ons heden ons ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren
en leid ons niet verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Een gebed om elke dag ons brood te mogen ontvangen
laat zien dat de Heere oog heeft voor ons alledaagse leven.
In ons gebed worden we opgedragen
om ook aandacht bij de Heere te vragen voor dat alledaagse leven van ons.
Biddag voor gewas en arbeid is dan ook een herinnering voor onszelf
dat we mogen bidden om eten te ontvangen en werk te hebben
en dat we onze alledaagse zorgen bij de Heere mogen brengen.
Biddag is voor ons ook een dag waarop we dat doen:
speciaal bidden voor het brood dat de Heere ons elke dag wil geven
Heere, ook wat betreft ons eten zijn we elke dag afhankelijk van U.
Wilt u ons dat vandaag ook weer geven?
En niet alleen aan ons, maar ook aan ieder op deze wereld die niet heeft?
Vandaag bidden we voor ons werk in het bijzonder:
Heere, zegen het werk dat we doen:
het werk waarvoor we betaald krijgen
én het werk dat we doen uit zorg voor de mensen om ons heen.
Geef dat we voldoening hebben in ons werk
en dat we door ons werk voor anderen tot zegen mogen zijn.
Als we bidden om dagelijks eten te ontvangen
en als we bidden om een zegen op ons werk
dan laten we zien dat we ook voor ons eten en voor ons werk van de Heere afhankelijk zijn,
van Zijn zorg voor ons.
Alles wat we hebben, hebben we aan de Heere te danken.

Naast het bidden om ons dagelijks brood
leert Christus ons ook te bidden om vergeving van onze schuld
en om te bidden om bewaring voor verleiding.
Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Door dit gebed leert de Heere Jezus ons
dat we in de verleiding komen om te vergeten bij de Heere aan te kloppen
en dat we er niet aan denken
om bij de keuze voor een vervolgopleiding of een nieuwe baan
of om de zegen over onze huidige baan bij de Heere aan te kloppen.
Bij wie kloppen we dan aan om wijsheid, om zegen?
Of denken we dat wij dat zelf wel aankunnen.
Vandaag bidden wij. Heere, bewaar ons voor de verleiding dat we U vergeten,
Bewaar ons voor de verzoeking om de zegen ergens anders te halen
waarbij we U uit het oog verliezen.
Behoed ons ervoor om ergens anders aan te kloppen
voor ons dagelijks brood en een zegen op ons werk.
voor beslissingen die wij te nemen hebben.

We kunnen in de verleiding komen om pas achteraf, als wij ons plan al klaar hebben
en weten hoe het er aan toe moet gaan,
dat we dan nog even naar de Heere gaan,
want Hij moet natuurlijk onze plannen wel zegenen.
Bewaar ons voor de verleiding om zelf eerst onze plannen klaar te hebben
en ons leven al uitgestippeld te hebben
en dat we dan pas bij de Heere aankomen.

Wanneer we het gebed na gaan laten,
als we ons alledaagse leven niet meer aan de Heere voorleggen
en Hem niet meer betrekken in de keuzes die we maken,
dan kunnen we in de verleiding komen
om te denken dat ons leven van onszelf is
en dat wij zelf hebben te zorgen voor ons eten, voor een goede baan,
voor een zinvol en gezegend leven.

We zien dat in de gelijkenis die de Heere Jezus vertelt
over iemand die door de overvloed die hij heeft
denkt dat zijn leven zijn eigen eigendom is, van hemzelf is, zijn bezit.
Dat we gaan denken dat ons leven van onszelf is,
is een grote verleiding.
Zo voor het oog lijkt het er ook op,
dat ons leven van onszelf is en dat wij daar de baas over zijn.
Maar dat is een van de verleidingen, waar de Heere Jezus ons voor wil waarschuwen
Dat we zo gaan denken
en dat we gaan handelen alsof ons leven alleen maar van onszelf is.
Dan vertelt hij over iemand die inderdaad zo denkt en zo leeft:
Alles wat ik heb, is van mij en heb ik zelf opgebouwd.
En wanneer ik een onverwachte meevaller heb,
dan is dat voor mij een uitdaging om daar een goede investering mee te doen,
zodat ik weer verder kan om mijn bedrijf uit te bouwen.
Hij heeft reeds een groot bedrijf
en is enorm vermogend.
Bijna iedereen in het dorp is van hem afhankelijk wat inkomen betreft.
Als de oogst dan veel groter is dan verwacht,
houdt hij het voor zichzelf.
Het is immers zijn eigen bedrijf, zijn eigendom.
En alles wat zijn grond opbrengt, is van hem.
Hij is er maar druk mee om te bedenken wat hij ermee kan:
Wat moet ik doen?
Hoe kan ik met deze onverwacht grote oogst, deze gigantische meevaller
mijn bedrijf nog meer uitbouwen, nog rendabeler maken?
Hij wil niet inzien
dat deze oogst hem gegeven is om anderen te gedenken, bij te staan,
de mensen in het dorp die weinig hebben en nauwelijks rondkomen.
Maar daar heeft hij geen oog voor, verblind door zijn bezit.

Leid ons niet in verzoeking
betekent dat wij de Heere er voortdurend om vragen
of Hij ons ervoor wil behoeden
dat wat wij hebben als puur en alleen ons eigendom zien,
Waar alleen maar wij recht ophebben.
Het is de verzoeking die ons ervoor de ogen sluit
dat wij onze rijkdom in God hebben te zoeken.
We zijn rijk als we God hebben
en we zijn gezegend als we met God leven
en van Hem onze zegen verwachten.

Het is niet zozeer de bedoeling dat de man alles weggeeft,
wel dat hij er blijk van geeft dat de Heere deze grote oogst hem niet zomaar geeft,

dat hij door een deel van die enorme oogst,
boven op de rijkdom die hij toch al had,
had kunnen gebruiken om anderen, die minder hadden, te dienen.
Niemand leeft voor zichzelf alleen, schrijft Paulus.
Maar de man leeft wel voor zichzelf alleen
en kan alleen maar denken aan zichzelf
en aan een goed leven voor zichzelf, voor hem alleen.
Als ik het maar goed heb.
Hoe die anderen dat redden, dat is hun zorg.
Dat is niet mijn verantwoordelijkheid.
Hadden ze maar net zo hard moeten werken als ik.
Of net zoveel geluk moeten hebben als ik.

De verleiding om alles voor zichzelf te houden
hangt samen met een andere verleiding:
te denken dat je zelf verantwoordelijk bent voor je geluk.
Ik kan mijn geld niet weggeven aan anderen,
want stel dat ik dan tekort kom, een stap terug moet doen,
niet meer kan genieten van mijn rust.
Daar heb ik toch recht op?
De verleiding om het geld voor jezelf te houden
houdt ook verband met de verleiding
te denken dat het leven hier op deze aarde alles is.
Je leeft maar eens – YOLO
en je bent een ongelooflijke loser als je niet genoten hebt tijdens dat leven.
Dan moet je wel alles naar te toe halen
en voor jezelf houden,
krampachtig voor jezelf houden, uit angst om alles kwijt te raken.
Want als je je geld kwijtraak,
raak je ook je leventje kwijt, raak je je positie kwijt
en wat houd je dan nog over?
Dat is niet alleen een verleiding voor vandaag,
hoewel die verleiding vandaag ook sterk aanwezig is.
Een verleiding van alle tijden – laat de Heere Jezus zien met deze gelijkenis,
namelijk de gedachte dat wij zelf moeten streven naar ons geluk
en dan vooral een geluk hier op deze aarde.

Het is de mythe van een perfect leven,
een leven dat voor slechts heel weinigen is weggelegd
Deze man van de gelijkenis kan in die mythe van een perfect leven in het hier en nu geloven
omdat hij die luxe heeft
en daardoor ziet hij niet hoe leeg en hoe plat dat is.

Het is de mythe van een perfect leven,
een leven dat voor slechts heel weinigen is weggelegd
en wie misgrijpt en dat leven niet kan bereiken
zal dan de last moeten dragen van een leven dat niet geslaagd is
een last die ook als een schuld naar jezelf toe kan voelen.
Niet iedereen die meegenomen wordt in de verleiding van een perfect leven is oppervlakkig.
Heel vaak zijn het hele serieuze mensen, die de verantwoordelijkheid voelen
om van hun leven wat te maken,
ook in hun verantwoordelijkheid naar de Heere toe.

Afgelopen week hoorde ik hiervan nog een voorbeeld op de radio.
Een moeder die een verslag deed van het overlijden van haar dochter,
die zelf ervoor koos om niet meer verder te leven.
Deze dochter was weliswaar somber geweest,
maar had het verder goed: fijne contacten, bepaalde dromen die ze wilde verwerkelijken,
behoorlijke ambities,
maar ze legde, zonder dat haar omgeving dat door had,
voor zichzelf de lat wel erg hoog.
Zo hoog, dat ze het niet meer aankon.
Ik denk dat deze druk in onze tijd steeds sterker wordt
omdat we als mensen steeds meer verantwoordelijk worden
om onszelf gelukkig te maken.
Een sterke verleiding in een cultuur waarin veel mensen het goed hebben
en doelen kunnen nastreven en ambities kunnen formuleren.
Als je leeft in een maatschappij waar veel mogelijk is,
dan moet je dat ook allemaal waarmaken,
Want stel je voor dat je een kans mist.


De Heere Jezus plaatst er een andere rijkdom tegenover:
niet de rijkdom van veel geld of van veel bezit,
rijkdom heeft te maken met het kennen van God.
Wie God kent, weet dat hij rijk is
en wie zich eigendom weet niet van zichzelf, maar van God
weet dat God voor geluk zal zorgen.
Die rust die de man zelf dacht te bereiken, zegt de Heere Jezus, geef Ik,
want Ik zorg voor jou.
Laat je niet in de verleiding brengen dat jij daar verantwoordelijk voor bent.

Toch zijn we als christenen ook vatbaar voor verleidingen,
Verleidingen die sterk zijn in onze maatschappij.
We zijn als christenen geen morele giganten, die alle verleidingen zomaar de baas zijn.
We voeren vaak een strijd waarin we ten onder dreigen te gaan.
Leid ons niet in verzoeking
is daarom ook een gebed aan God
of Hij ons niet wil loslaten
en ons de ogen wil openen voor de verleiding
en als we de verleiding niet doorhebben en verstrikt raakt,
dat Hij ons dan verlost van de boze.

In de tuin van Gethsemané waarschuwt Christus nogmaals voor de verleiding,
dubbelop zelfs.
Maar de discipelen, ze horen de beide waarschuwingen niet.
Ze zijn teveel bezig met hun eigen weg en eigen gedachten,
hun eigen verdriet waardoor ze in slaap vallen.
‘Als we slapen, verzinken we in een eigen wereld,
onbewust van Gods handelen.’ (Eugene H. Peterson)
Als we op deze manier slapen en vol zijn van onszelf
staan we, als we wakker worden weer op,
vatbaar voor de verleiding om het zelf weer te moeten doen.

In de tuin van Gethsemané gaat Jezus de strijd aan
met de verleiding die er voor Hem is:
om terug te deinzen voor de weg die de Vader voor Hem uitstippelde.
Vader, neem deze beker weg van mij,
De beker van uw oordeel
over alle verleidingen waarvoor de mensen zijn gevallen
en waardoor ze in slaap zijn gesukkeld, vermoeid door hun eigen onmacht, verstrikt.
Terwijl zijn leerlingen slapen en Hem hadden moeten steunen,
worstelt Jezus
om niet voor de verleiding te bezwijken: niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde.
Hoe zwaar de druk ook is
– de angst overvalt Hem, ondanks de steun die de engel biedt
en zijn bloed komt over als bloed,
dat kan geduid worden als het zichtbaar worden van zijn innerlijke worsteling
maar ook een teken van bereidheid om de slagen te ondergaan
op weg naar het kruis.
God zij dank zag Christus zijn leven niet als een bezit
Dat alleen maar voor Hem zelf was,
maar zag Hij zichzelf als een offer
en was Hij bereid om zichzelf als dat offer te geven
waarmee Hij betaalde voor al die momenten
Waarop wij voor de verleiding bezweken waren.
Hier zegt Jezus tegen Zijn Vader: Ja, Ik ga
om hen vrij te kopen
en tegen ons: Ja, Ik ga om jullie vrij te kopen.

Wat is uw enige houvast in leven en sterven.
Dat ik het eigendom ben – niet van mijzelf en ook niet van de satan,
maar van mijn getrouwe zaligmaker Jezus Christus
die mij vrijkocht van alles waarin ik verstrikt was
mij vrijkocht door zelf zijn leven te geven
en daarom bestand was tegen die verleiding,
omdat Hij niet aan zichzelf dacht, maar aan iedereen die Hij zou kunnen vrijkopen en redden.
Amen

Preek biddag 2016 – morgendienst

 

Preek biddag 2016 – morgendienst
Dienst samen met C.N.S Looschool
Thema: Rust bij de Vader
Schriftlezing: Markus 1:29-39

Als kind las ik een keer een strip over een jongen,
Kobus heette deze jongen.
In het eerste plaatje zag je dat Kobus om 7 uur wakker schrok.
Daarna had hij alleen maar haast.
Je zag hem snel aankleden, snel wat ontbijten, naar school rennen.
De hele dag door was hij zich aan het haasten en rennen.
Op het laatste plaatje zag je hem op bed liggen
en je zag aan zijn gezicht dat er iets tot hem doordrong:
ik ben de hele dag druk geweest,
maar ik heb niet eens de tijd gehad om God te danken voor deze dag.

Ik denk wat er met die Kobus gebeurde in heel veel gezinnen gebeurt.
Ik zie dat ook bij ons thuis.
Haasten om je aan te kleden, om de tassen voor school klaar te maken,
om te eten,
soms is er geeneens tijd om met elkaar te eten.
Of tijd om met elkaar de Heere God te danken voor deze dag
en te bidden om kracht en wijsheid,
om te bidden of Hij mee wil gaan en wil beschermen en bewaren.

Wat mis je eigenlijk
als je vergeet om te bidden?
Je mist het contact met de Heere God.
Je kunt Hem vertellen dat je dankbaar bent
dat je van Hem weer een nieuwe dag gekregen hebt,
Hem danken dat je weer eten en drinken hebt, en kleren om aan te trekken, gezondheid,
danken dat je naar school kunt gaan.
Als je de tijd neemt om te bidden – en veel tijd kost dat niet eens,
dan sta je er even bij stil dat de Heere God er is,
Dat Hij je niet vergeet en voor je zorgt,
dat Hij meegaat, jou kracht geeft en beschermt.
Als je tijd neemt om te bidden, herinner je jezelf eraan
dat je niet alleen bent, maar dat God er ook is.

We hebben gelezen dat Jezus tijd neemt om te bidden.
Ook al is Hij heel druk geweest met het genezen van zieke mensen
en kan Hij de volgende dag direct weer beginnen met genezen,
Hij neemt de tijd om te bidden:
Hij zoekt rust bij de Vader.
En Hij doet dat door heel vroeg op te staan, terwijl het nog donker is.
Om te begrijpen waarom de Heere Jezus dat doet,
moeten we kijken naar de dag ervoor.
We hebben daar iets over gelezen.
De Heere Jezus die in het huis van Petrus komt
en daar ontdekt dat de schoonmoeder van Petrus ziek is
en haar geneest.
Dat vraagt wel wat uitleg,
Want als in onze tijd iemand koorts heeft, dan blijf je thuis om uit te zieken
en als je er niet overheen komt, ga je naar de dokter
en krijg je een medicijn.
In de tijd van de Heere Jezus werd koorts gezien als een kwade geest
en men dacht dat die kwade geest je dan besprong en de baas over je werd.
Als iemand koorts had,
dan moest je maar een beetje uit de buurt blijven,
want stel je voor dat die demon ook jou besprong
en jou in de macht kreeg.

Als Jezus uit de synagoge komt
en met Petrus en de anderen meeloopt naar hun huis,
hoort hij hen bezorgd praten over de schoonmoeder van Petrus.
Misschien hebben ze de Heere Jezus wel willen waarschuwen:
Denk erom: er is een kwade geest bij ons in huis.
Weet je zeker dat je meekomt? Durft u dat wel?
Of misschien hadden ze juist moed gekregen,
want in de synagoge had Jezus ook iemand genezen die een kwade geest had.
Hij was sterker.

Een kwade geest, daar hebben we tegenwoordig niet zo snel meer over.
Als het in de Bijbel gaat om een kwade geest,
Dan wordt daarmee bedoeld dat er iets in je is
Dat jou iets verkeerds wil laten denken of doen,
waardoor je niet meer aan God durft te denken.
Vandaag de dag zou zo’n kwade geest zijn
dat je bij jezelf denkt:
‘Ik kan helemaal niets.’
‘Het was beter als ik er maar niet was, dan had niemand last van mij.’
‘Iedereen vindt mij stom.’
‘Alleen als ik mij heel gek ga gedragen, als een clown, als anderen om mij lachen
dan heb ik de aandacht.’
Je kunt ook denken aan een vloek in je hoofd.
Je wilt dat niet denken en toch gebeurt het.
Dat zijn gedachten die je misschien helemaal niet wilt,
maar ze zijn sterker dan jezelf
En je kunt er niets aan doen,
ze besluipen je opeens en worden jou de baas.
En ze willen je dan ook doen geloven
dat je voor God niets waard bent
en dat Hij niets met je kan.
Die verkeerde gedachten willen jou doen geloven
dat je niet bij God kunt komen, kunt horen
omdat het verkeerd is wat je denkt.
Dat is een kwade geest.

De hele dag is Jezus bezig geweest
om zulke kwade geesten het zwijgen op te leggen.
Om te laten zien dat Hij sterker is dan zo’n kwade geest
en dat Hij gekomen is
om bevrijding te brengen,
Waardoor de mensen, die eerst zo’n kwade geest hadden,
opgelucht adem konden halen
en gingen geloven: ik mag ook weer bij God horen.
Hij is weer mijn Vader.
Ik mag weer bidden en aan Hem denken.
Ik mag weer rust vinden bij de Vader.

Ook de koorts van de schoonmoeder van Petrus werd gezien als een kwade geest.
Die schoonmoeder moest maar in een kamertje apart.
Je kunt beter maar niet bij haar komen
en ze hoeft ook niet meer te denken, dat God haar gebeden hoort,
Want de kwade geest is de baas over haar
en die wil niet meer dat ze naar God toe roept.
Als Jezus over de zieke schoonmoeder hoort, zegt Hij:
Ik ga naar haar toe.
Ik laat haar niet in dat aparte kamertje,
Waar ze geen hoop meer heeft.
Jezus maakt contact: Hij gaat op haar af en is niet bang om haar aan te raken.
Hij is niet bang dat die koorts op Hemzelf overspringt.
Hij weet: Ik ben sterker.
Als Hij haar aanraakt, voelt die zieke schoonmoeder: Ik hoor er weer bij.
Bij mijn gezin, maar ook weer bij God.
En ze voelt doordat Jezus haar aanraakt, dat de kracht van Jezus in haar komt.
Als Markus dit voorval vertelt, het zijn maar een paar zinnen,
Geeft hij aan: Wat er met die schoonmoeder gebeurt, is bijzonder.
Het is alsof ze weer uit de dood opstaat.
Niet meer de macht van de koorts; ze is helemaal gezond.
Ze kan voor Jezus en zijn discipelen zorgen.
Ze heeft een nieuw leven, waarbij ze van betekenis mag zijn voor de Heere Jezus.
Ze mag Hem dienen.
Ze heeft nu een nieuwe Heer: niet meer de koorts, maar Jezus als haar Heer.
Wat zal ze dankbaar zijn geweest
En dat dienen is vast ook manier om te laten merken dat ze dankbaar is.

Als het donker is, nacht al,
komen er nog meer mensen.
Mensen voor wie het donker is in hun leven.
Ze zijn er slecht aan toe, zegt de Bijbel.
Ze hebben allemaal zo’n kwade geest in zich
die tegen hen zegt:
‘Je hoort er niet bij.’
‘Denk jij dat God om jou geeft?’
‘Je bent voor God niets waard. Je kunt jezelf beter iets aandoen, want God zorgt toch niet voor je.’
Merk je hoe zo’n kwade geest iemand kapot kan maken?
Ze komen bij Jezus – al die mensen die er slecht aan toe zijn
en voor wie het altijd nacht is.
Ze komen bij Jezus en Hij verdrijft voor hen de nacht die hen gevangen houdt.
Jezus is ook gekomen om de strijd aan te binden tegen al die kwade geesten
die het leven van mensen kapot willen maken.
Bij Jezus is een rust te vinden, genezing.

Als deze dag voorbij is, waarop Jezus heel wat kwade geesten heeft moeten verdrijven,
heeft Hij het nodig om weer nieuwe krachten op te doen.
Hij doet dat niet door te gaan slapen,
misschien heeft hij dat wel even gedaan, want de Heere Jezus blijft was ook echt mens.
Die nieuwe kracht wil Hij vooral bij Zijn Vader halen.
Heel vroeg staat Hij op
en gaat Hij naar buiten: buiten de stad, in de eenzaamheid.
Dat is niet alleen maar voor de concentratie,
want dat had vast ook wel gelukt in een huis waar iedereen slaapt.
Nee, hij gaat naar buiten, in de nacht.
Bidden op de plek waar men in die tijd dacht dat de kwade geesten woonden.
Waar je als mens kwetsbaar bent voor die kwade geesten.
Daar gaat Hij bidden.
Waarmee Hij wil laten zien aan die kwade geesten:
Weet je wie Ik ben? Ik ben de Zoon van God
en Ik ga de strijd met jullie aan en Ik zal jullie verslaan,
Want dat is een van de doelen, waarom Ik op aarde gekomen ben.
Jezus is eerder in de wildernis geweest en toen werd Hij door de satan op de proef gesteld.
Nu gaat Hij opnieuw de wildernis in, om te bidden.
Om contact te zoeken met God.
Vader, dit is toch de missie waarvoor Ik naar de aarde ging?
Vader, geef Mij kracht om deze Missie te volbrengen.
Bewaar Mij tegen verleidingen die zullen komen,
waardoor de kwade geesten voor Mij te sterk zullen zijn
en waardoor Ik hen niet meer kan verdrijven.

Weet je waar ik aan moest denken?
Ik moest denken aan een coach van een sporter of een sportploeg.
Een goede coach neemt van tevoren een strijdplan door,
een plan om te winnen, om de tegenstander te verslaan.
Halverwege de wedstrijd kom je als voetballer even naar de kant om te vragen:
coach, houden wij ons nog aan ons plan?
En dan zegt je coach: Ja, het gaat goed, hou vol zo, doorzetten.
Of een schaatscoach, zoals op televisie, die zijn duim omhoog steekt:
Je bent op de goede weg, zo ga je de rit winnen!
Dat is de rust die Jezus bij Zijn Vader zoekt,
de zekerheid dat Hij het goed doet, op de overwinning afkoerst.
Rust bij de Vader, is vooral een concentratie,
concentratie op God en op het doel.

Dat zou voor ons ook goed zijn.
Wij hebben dan niet zoveel macht als Jezus,
maar in de rust die we bij de Vader kunnen vinden,
kunnen we ook de kracht van de Heere ontvangen,
De rust en de concentratie,
en de zekerheid dat de Heere Jezus ook nu nog steeds bij ons, bij jou
die kwade geesten willen verdrijven
en je vrij wil maken.

Er is iemand die Jezus in zijn gebed in de stilte komt storen.
Daar heeft Petrus helemaal geen erg in dat hij een stoorzender is.
Hij is juist onder de indruk van Jezus gekomen
en weet dat er veel meer mensen onder de indruk zijn.
Heer, U moet komen, er zijn zoveel mensen die naar U op zoek zijn.
Petrus heeft Jezus gevolgd,
maar niet als discipel,
maar meer als een jager, als iemand die ontdekt heeft
Dat Hij van Jezus een beroemd persoon kan maken.
Petrus heeft die hele nacht wellicht gedroomd over de beroemdheid van Jezus
en bij die Jezus mag hij dan horen.
Je zou kunnen zeggen, dat het ook een soort kwade geest is,
het verlangen om heel beroemd te zijn.
Voor Jezus is dat in ieder geval wel.
Daarom was Hij die nacht alleen, in de eenzaamheid.
Daar doet Hij vaak Zijn beste werk.

Later zal Hij aan het kruis hangen.
Ook eenzaam.
Al zou je dat niet zeggen, want er zijn veel mensen om Hem heen.
Maar al die mensen lachen Hem uit en bespotten Hem:
Jezus, je hebt zoveel mensen bevrijd en gered.
Bevrijd jezelf nu eens. Kun je dat wel? Heb jij wel die macht?

En God? Die is er ook niet.
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?
Jezus kon al die mensen helpen, die zich door God verlaten voelden,
omdat er een kwade geest in hen was.
Maar daar aan het kruis lijkt het of de kwade geesten alsnog winnen.
Maar nee, gelukkig niet.
Jezus sterft wel.
Maar als Hij weer uit het graf komt, is dat een teken
Dat de kwade machten voorgoed overwonnen zijn
En dat er niets meer ons bij God kan weghouden.
De rust die Jezus bij de Vader vond,
die mag er daarom voor jullie ook zijn.
Dat is het goede nieuws, waar Jezus over wilde vertellen
en het goede nieuws dat er door Hem gekomen is.
Voor dat goede nieuws moest Hij de eenzaamheid in
om rust te zoeken bij de Vader.

En die Kobus? Wat zou hij missen als hij vergeet te bidden?
En jij? Wat mis je als je te druk bent om te bidden?
Dan vergeet je dat die kwade geesten overwonnen zijn.
Als je niet oppast, ga je daar in geloven
en worden ze de baas over jou.
De rust bij de Vader, door te bidden en op God te concentreren, mag je weten en geloven:
Jezus wil ook jouw Heer zijn,
net zoals Hij dat was voor de schoonmoeder van Petrus.
Je mag rust bij de Vader zoeken, door te bidden.
En dan mag je weten, dat de Vader je dat wil geven.
Daar heeft Jezus voor gezorgd, dat je weer bij God mag horen.
Als je van die kwade gedachten in je hebt,
moet je niet gaan denken: ik heb een kwade geest in mij,
maar mag je geloven:
wat ik ook heb – de Heere Jezus is sterker
en ook al kan ik ze niet de baas, die nare gedachten,
de Heere Jezus kan ervoor zorgen dat ze verdwijnen.
Hij kan ze verdrijven.
Toen Hij in die eenzaamheid was, heeft Hij vast ook gebeden voor zijn discipelen.
Vader, bewaar hen.
Jezus is nu niet meer eenzaam, ook niet meer op aarde.
Hij is nu in de hemel.
Hij is wel in gebed.
En Hij bidt voor iedereen op aarde.
Voor degenen die in Hem geloven
en voor degenen die niet in Hem geloven.
Zodat iedereen in Hem gaat geloven
en de rust en het geloof zoekt en vindt in Zijn Vader. Ook jij.
Amen