Les 15 Bidden

Les 15 Bidden

Lydia heeft een koffieafspraak met een vriendin. Tijdens deze ontmoeting vertelt die vriendin over heel wat zorgen die er in haar leven zijn. Bij het weggaan zegt Lydia: ‘Ik zal voor je bidden!’

Vraag 1: Op welke momenten bid jij?




Vraag 2: Hoe vaak per dag / per week bid jij?



Vraag: 3: Wat betekent bidden voor jou?
Ik zou niet zonder bidden kunnen, omdat….



Uitleg
Bidden doen we niet alleen omdat we daar zelf behoefte aan hebben. Bidden doen we omdat ons dat is opgedragen: Bid onophoudelijk (1 Thessalonicenzen 5:17).
Het bijzondere van bidden is dat je als mens op aarde voor Gods troon in de hemel mag komen. Je mag Hem vertellen wat je bezig houdt. Je mag Hem danken. Bidden betekent ook een beroep op God doen: je vraagt of Hij iets voor jou of voor een ander wil veranderen. Bijvoorbeeld:
– dat iemand geholpen wordt
– dat iemand beter wordt
– dat er vrede op aarde komt
– dat iemand mag gaan geloven

Belemmeringen
Bidden is niet altijd makkelijk. Vooral het volhouden van het bidden niet. Daarom is het goed als er een bepaalde regelmaat is. Dat je een vast moment op de dag of in de week hebt. Dat je een vaste plek hebt. Er zijn allerlei belemmeringen om het bidden vol te houden:

(1) Je bent te druk. Door een drukke planning heb je geen innerlijke rust om te bidden. Of je vergeeft zelfs helemaal om te bidden. Daarom is tijd nemen erg belangrijk.

(2) Je denkt klein van jezelf. Als je bidt, dan besef je hoe groot of hoe heilig God is. Dan voel je jezelf zo klein of zo zondig. Als je jezelf tekort voelt schieten of als je heel klein van jezelf denkt, kun je tegen het bidden opzien. Omdat je dan God onder ogen komt. Of je gaat het helemaal uitstellen, omdat je de Heere niet onder ogen durft te komen. Daarom is het nodig erop te vertrouwen dat God wilt dat je naar Hem toe gaat.

(3) Je weet niet hoe dat moet. Het kan zijn dat het je nooit geleerd is om te bidden. Bij jou thuis werd niet hardop gebeden. Thuis, op school of tijdens de catechisatie is het je nooit geleerd om te bidden. Je kunt in de Bijbel leren, hoe je moet bidden. Zoals het Onze Vader, of in de Psalmen. Je kunt iemand anders vragen hoe hij of zij bidt.

(4) Je kent God niet. Als je God niet, als je niet weet wie Hij is, dan kan het zijn dat je wel wilt bidden. Maar je weet niet tot wie je moet bidden. Het is meer een schreeuw om hulp, maar je weet niet of er iemand is die je hoort. Hoe leer je God kennen? Door je hart voor Hem te openen.

(5) Je bent teleurgesteld geraakt in God. Als je teleurgesteld raakt in God, lukt het je niet meer om te bidden. Je zoekt geen contact met God. Hooguit praat je nog over God. In verwijten. Het gaat erom dat je dan weer leert om tot God te praten. Desnoods door je klachten en je verwijten naar Hem te uiten. Dit gebeurt in de Psalmen ook vaak.

Vraag 4: Welke belemmeringen herken je bij jezelf?



Vraag 5: Wat doe jij om te voorkomen dat de door die belemmeringen niet meer bidt? Wat helpt jou?






Soorten gebeden
Er zijn verschillende soorten gebeden:
– Dankgebed: je dankt God voor wat Hij wie Hij is of voor wat Hij geeft.
– Voorbede: je bidt voor jezelf of voor een ander.
– Uitspreken van vertrouwen in God
– Klacht: je maakt God kenbaar dat je Zijn weg niet begrijpt.
– Schuldbelijdenis: je vertelt wat er mis is in je leven, in je hart.
– Gebed om vergeving
– Je denkt na over God en je neemt de tijd om te luisteren wat Hij tot je wil zeggen.

Je kunt ‘vrij’ bidden, door je eigen woorden te gebruiken. Je kunt ook vaste gebeden gebruiken, bijvoorbeeld door het Onze Vader, een morgengebed, een avondgebed, een gebed bij het eten.


Hulpmiddel bij het onder woorden brengen van een gebed voor iemand anders (voorbede)

Gebed voor: ……………….

Gebed
Waar wil je voor bidden? Of voor wie?
Hoe wil je God aanspreken?
Wat is er aan de hand?
Wat wil je dat God doet?

Schrijf hier je gebed uit:





Bijbelstudie – Jesaja 38

Vraag 6: Hizkia is het niet eens met het bericht wat hij via Jesaja krijgt. Waarom niet?




Vraag 7: Op welke manier zoekt hij het contact met God? Wat bidt hij?



Vraag 8: Wat is het antwoord van God? Hoe komt dat bij Hizkia?




Vraag 9: Wat kun je voor jezelf van Hizkia leren?




Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechismus

Vraag 116: Waarom hebben christenen het gebed nodig?
Antwoord: Omdat het gebed het voornaamste deel van de dankbaarheid is, die God van ons eist, en omdat God zijn genade en Heilige Geest alleen wil geven aan hen, die Hem met een hartelijk verlangen zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Vraag 117: Wat behoort tot een gebed dat God behaagt en door Hem wordt verhoord?
Antwoord: (1) Dat wij alleen de enige, ware God, die zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons bevolen heeft van Hem te vragen.
(2) Dat wij onze nood en ellende goed en grondig erkennen, opdat wij ons voor zijn majesteit verootmoedigen.
(3) DAt wij deze vaste grond hebben, dat God ons gebed, hoewel wij dat niet waardig zijn, om de wil van Christus, de Here, zeker wil verhoren, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Vraag 129: Wat betekent het woord: amen?
Antwoord: Amen wil zeggen: het is waar en zeker. Want het is veel zekerder dat God mijn gebed verhoort, dan dat ik in mijn hart gevoel dat ik die verhoring van Hem begeer.

Advertenties

Preek biddag 2018

Preek biddag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 6:5-18
Tekst: Geef ons heden ons dagelijks brood (Mattheüs 6:11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u er wel eens gemerkt hoe vreemd het is om in deze tijd te bidden:
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Als we brood nodig hebben, gaan we naar de bakker of de supermarkt.
Wanneer daar het brood op is, kunnen we naar Elburg of Wezep
om daar naar een bakker of een supermarkt te gaan om brood te kopen.
Door de vriezer kunnen we ook nog eens brood in het voren kopen.
’s Morgens haal je het brood eruit en na een kwartiertje is het ontdooid
en als dat te lang duurt, ontdooi je het brood in de magnetron.
Dan bid je voordat je gaat eten: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Wat is er nog aan geven door God bij als we leven in een tijd
waarin we volop brood kunnen krijgen
en waarin het brood dat niet verkocht is dezelfde avond nog wordt afgevoerd
naar bijvoorbeeld een hobbyboer, omdat het niet meer verkocht mag worden?
Hebben de broodfabrieken, de bakkers, de supermarkten en onze vriezers
dit gebed niet overbodig gemaakt?
Hebben we God eigenlijk nog wel nodig in een tijd van zoveel overvloed?
Als we dan toch deze regel bidden,
is het dan niet meer een soort gewoonte, dat we deze regel bidden,
omdat we nu eenmaal het Onze Vader hebben geleerd
en we daarom deze regel niet kunnen overslaan?
Zijn we er als mensen tegenwoordig niet heel goed in geslaagd
om God overbodig te maken op tal van terreinen
en geldt dat ook niet als het er om gaat om elke dag weer brood te kunnen eten?
Het moet wel heel raar lopen als er aan het einde van het groeiseizoen
het graan niet binnengehaald kan worden, de aardappels gerooid, de groenten geoogst.
De koeien kunnen gemolken worden, de melk verwerkt.

En toch, vandaag is het biddag voor gewas en arbeid.
U bent nu vanavond naar de kerk gekomen om te bidden voor het nieuwe groeiseizoen,
om te bidden voor de oogst, voor alles wat groeit en bloeit, voor de planten en de bomen,
voor het graan, voor het fruit en de groente.
En jij bent misschien wel heel speciaal vanavond naar de kerk gekomen,
omdat je weet, gelooft dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat er eten is,
al lijkt het wel zo,
maar dat er een God in de hemel is, die er voor zorgt
dat het brood dat je morgen bij het ontbijt kunt eten
en in je broodtrommel kunt stoppen om dat mee te nemen naar je school of je werk
door God gegeven wordt.

Alleen, je kunt het zo snel weer gewoon vinden, vanzelfsprekend vinden
dat er brood in huis is en in de winkel, dat je brood op voorraad kunt hebben
dat je over enkele dagen gewoon vinden dat er elke dag weer brood is.
Ja, je weet het wel en je bidt ook wel Geef ons heden ons dagelijks brood
maar het kan zo gedachteloos gebeuren,  maar je staat er niet echt meer bij stil.
Biddag voor gewas en arbeid houden betekent
dat je er weer bij stil staat, hoe bijzonder het is, dat de Heere eten geeft en werk
en dat het voor ons nodig is om daar elke keer weer om te bidden,
dat het steeds noodzakelijk is om elke dag weer opnieuw bij de Heere aan te kloppen
of hij ons eten en drinken wil geven, genoeg om van te leven.

Het is nodig om in een tijd waarin we zoveel hebben,
waarin je kunt kiezen uit allerlei soorten brood
en een ruime keuze hebt wat je op brood doet: vleeswaren, kaas, zoet
dat er een God is die je dit geeft
en daarmee wil laten merken dat Hij elke dag voor jou zorgt,
dat het goede gaven uit Zijn hand zijn.
opdat wij daardoor erkennen, dat Gij de enige bron van alle goeds zijt (Heidelberger Catechismus, antwoord 125; Zondag 50).
God is de enige die ons al dit goede geeft.
We hebben dat niet te danken aan het goede inkoopbeleid van de supermarkt,
niet te danken aan het salaris dat wij verdienen,
we hebben dat niet te danken aan onze bakkunsten
of aan zicht en grip op ons uitgavenpatroon,
waardoor we ons dit alles kunnen veroorloven.
Nee, God alleen is de enige bron van al dit goede.

Maar dat is wel iets dat we steeds ons moeten blijven bedenken,
dat is een geloof dat we steeds moeten onderhouden, levend moeten houden,
want het is een grote verleiding, steeds weer opnieuw,
dat je Gods zorg gewoon gaat vinden, dat je er niet van opkijkt, er niet dankbaar voor bent.
Want daarmee raak je God zelf kwijt.
Het luistert heel nauw wat dat betreft.
Want wat gebeurt er, als je niet meer bedenkt dat de Heere de enige bron is,
als je denkt dat je het zelf toch maar weer handig voor elkaar gekregen hebt,
dat het aan je mooie salaris te danken is, dat er eten is,
aan je eigen handigheid
of dat je gedachteloos brood koopt of brood uit de vriezer haalt en ontdooit.
Je raakt God kwijt.
We hebben dat niet gelezen, maar in het gedeelte hierna zegt de HEERE Jezus:
Je kunt niet én God dienen én de mammon.
Weten waar je brood vandaan komt is een kwestie van geloof of ongeloof,
van trouw aan de Heere zijn of afgodendienst.
Door te bidden of God ons elke dag opnieuw brood wil geven trainen wij onszelf
in het geloof dat God onze schepper is, dat Hij het is die voor ons zorgt,
Dat Hij het is, die dit ons allemaal geeft.

Door elke dag te bidden dat God ons brood wil geven,
gaan wij tegelijkertijd in onszelf de strijd aan met de neiging
om steeds weer God te vergeten en Hem in te ruilen voor iets anders,
Dat er iets anders is waar we op vertrouwen,
iets anders waarvan we denken dat dat ons gelukkig maakt.

Daarom is dit gebed elke dag nodig.
Het is ook een gebed voor elke dag.
In de versie van Mattheüs is dit gebed om dagelijks brood
een gebed voor het begin van de dag:
Heere, ik ga nu aan de dag beginnen, ik doe dat niet zonder U.
Vandaag heb ik eten nodig, ik kan niet zonder voedsel.
Wilt U ervoor zorgen dat ik voor vandaag genoeg heb?
Het is niet een gebed voor morgen, of voor het weekend, of voor volgend jaar,
maar voor nu, voor vandaag.
Het gaat erom, dat we in het nu leven
en dat het nu, het heden als tijd waarin God voor ons zorgt
en dat we ook zien, hoe God ons van eten en drinken voorziet.
Een van onze kinderen heeft wel eens bij Intravert (sociaalvaardigheidstraining op school)
moeten leren stil te staan bij wat ze eet.
Ze is zo vol met allerlei gedachten, die ratelen door haar hoofd,
maar daardoor vergeet ze wel eens dat er voor haar een bord staat, met eten erop
en kan ze met heel veel dingen druk zijn, waardoor ze niet aan eten denkt.
Het koelt af en het kan bij wijze van spreken nog een kwartier onaangeroerd zijn.
Zo kunnen we als mensen met allerlei dingen bezig zijn,
kunnen onze gedachten vooruit gaan,
naar het einde van de maand: is er dan nog wel genoeg geld op de rekening voor het eten?
naar over een half jaar: Wat als mijn éénjarig contract afloopt en er niet verlengd wordt?
Gedachten kunnen uitgaan naar de problemen in deze wereld,
terug naar de lastige tijd van de crisis, vooruit naar de tijd dat je kinderen opgroeien
en er een studie voor hen betaald moet worden.
Allerlei zorgen, die je in beslag kunnen nemen.
Begrijpelijke zorgen.
Het is ook geen verbod op zulke gedachten.
Maar de opdracht van de Heere Jezus om aan het begin van elke dag te bidden
of onze Vader in de hemel er voor wil zorgen dat er ook vandaag weer eten is,
is ook voor onszelf een les, een oefening om te zien dat God ervoor zorgt
om te geloven dat de Heere God dat morgen ook zal doen en overmorgen.
Aan het begin van de dag, als wij aan het begin staan, een planning hebben gemaakt
allerlei taken nog hebben te doen:
Hemelse Vader, er is er Eén die voor mij zorgt en dat bent U.
Wilt U dat ook vandaag doen?
Als je de Vader vraagt om een brood
Geeft Hij je zeker nooit een steen
Al je gebeden klein of groot heus
Hij vergeet er niet één
Als je dat vergeet, dat de hemelse Vader voor je zorgt,
Als je vergeet om bij Hem aan te kloppen,
als je de dag begint zonder je leven die dag in Gods handen te leggen
en ook je levensonderhoud van Hem te verwachten,
Hoe kun je dan christen zijn?
Hoe kan dan Gods naam worden geheiligd,
als Zijn kinderen het niet nodig vinden om bij Hem aan te kloppen
omdat ze denken dat er toch wel genoeg is en dat ze het zelf wel redden?
Hoe kan Zijn naam dan worden geheiligd, als we Hem niet meer zien
als de bron van al het goede, als Degene die ons dat alles geeft?
Hoe kan dan Gods koninkrijk komen, als degenen die Hem zouden moeten dienen
een leven kunnen leiden, waarin God niet echt een rol heeft,
een leven waarin Hij er niet echt is, zonder dat we Hem missen.
Hoe kan Zijn wil worden gedaan,
als we ons niet houden aan het gebed dat Hij ons leerde.
De bede Geef ons heden ons dagelijks brood is niet voor niets
een onderdeel van het Onze Vader, van het gebed dat de Heere Jezus ons leerde bidden.
Het zet ons apart van de wereld, die God niet nodig heeft,
die zichzelf wel redt, die alleen de weelde en de welvaart ziet,
zonder de Gever te zien, zonder Degene die het geeft te danken.

We bidden om brood.
Je zou net zo goed om beschuit of crackers kunnen bidden, om havermout of Brinta,
of bidden dat er vandaag groente op je bord ligt of er fruit is om te eten.
alleen je moet wel bedenken
Dat brood een herinnering is aan de weg die Israël ging door de woestijn.
Elke morgen lag er manna op de grond, een soort brooddeeg,
waarmee de Heere God liet zien dat Hij Zijn volk door de woestijn geleidde
tot het in het Beloofde Land was aangekomen en daar akkers zou hebben en weilanden,
waardoor ze zichzelf weer konden onderhouden.
Manna – God zorgt: brood uit de hemel.
Maar elke keer was er dat verlangen naar ander eten:
de vleespotten van Egypte.
Ze hadden niet genoeg aan wat God gaf, ze wilden meer, gevarieerder, rijker.
En alle ellende uit Egypte werd uit de herinnering weggeduwd
en alleen de herinnering aan het luxueuze van Egypte bleef in hun gedachten.
Dat was nog eens een leven, daar in Egypte.
We bidden om brood voor elke dag.
Niet om een driegangendiner, niet om een feestmaal elke dag.
Want dan zouden we ons alleen maar aan deze aarde hechten
en het leven hier op aarde voor ons een paradijs zijn
en dan zouden we vergeten dat we op weg zijn naar een ander thuis,
een Huis in de hemel, het Vaderhuis met de vele woningen.
Daar zal het altijd feest zijn, een feestmaaltijd, ter ere van Hem
die kwam en stierf en Zijn leven gaf voor ons om ons daar een plaats te bieden.
Brood voor elke dag, genoeg om van te leven. Meer hebben wij niet nodig.
Meer leidt alleen maar af.
Meer is een verleiding om hier te wortelen, om de hemel uit het zicht te verliezen,
daar waar onze Vader is, die over alles regeert.
Leven bij de dag en niet verder kijken, is een leven in afhankelijkheid van God,
in het besef dat God ons eens kan roepen tot hoger heerlijkheid,
Dat we mogen zijn daar in de hemel, waar onze Vader is,
die we steeds bidden om dat brood voor elke dag.
Dat is genoeg, want U geeft het en wat hebben we nog meer nodig dan U.
Niet voor niets spreekt de Heere Jezus ook over vasten:
Er zijn momenten waarop we niet eten, om juist te beseffen dat God dit geeft.

Nog één ding: We bidden niet alleen voor onszelf.
We bidden niet: Geef mij het brood dat ik nodig heb.
Nee, Geef ons heden ons dagelijks brood.
Ons – ik ben niet alleen.
Ik ga deze weg door het leven niet alleen.
Ik heb mensen om mij heen.
Medechristenen die ook die weg gaan.
En ik bid dat ook zij brood mogen krijgen, dat zij genoeg hebben om van te leven.
Of ze nu hier dichtbij wonen of ver weg in Afrika of Syrië.
Dan is het een gebed dat de Heere eten wil geven waar tekort is.
Het is een gebed voor de christenen die het goed hebben en welvarend zijn.
Dan is het een gebed om bewaring van hun geloof,
zodat ze niet in de verleiding komen God uit het oog te verliezen
en dat de welvaart en de goede omstandigheden hen niet laks maken in het geloof.
Ons brood – mijn gebed, ons gebed is ook voor de mensen die God niet kennen
of God niet willen kennen of belijden.
En daarmee voegen we ons in ons gebed in de lijn van de hemelse Vader,
die het laat regenen over mensen die eerlijk leven en de mensen die slecht leven,
die de zon laat schijnen over mensen die trouw zijn aan Hem
én over de mensen die kwaad in de zin hebben.
God sluit in Zijn zorg niemand uit, al sluit iemand anders zijn hart wel af voor God.
en daarom mogen wij in ons gebed ook niemand uitsluiten
en daarmee is het ook een gebed om bekering,
om de ogen te openen, om te zien dat er een God is die voor dit alles zorgt.
En wanneer die bekering achterwege blijft, blijven we bidden,
omdat God geduldig is én omdat we weten dat wij ook niet altijd zien
dat God voor ons zorgt, dat Hij het is die ons dit brood geeft,
en dat ook geeft als wij vergeten daar om te bidden en daar voor te danken.

Geef ons heden ons dagelijks brood:

Ons oog is op uw Zoon, die ons tot uwe troon
als Middelaar wil leiden. Al wat ons hart begeert,
gelijk zijn voorschrift leert, dat mag ’t geloof verbeiden. (Gezang 198:3 NH BUndel 1938)
Amen

Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Preek biddag 2017 avonddienst

Preek biddag 2017 avonddienst
Johannes 16:16-33
Tekst: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven (vers 23b).

Thema: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
(1) We zien Hem niet (niet zichtbaar)
(2) Toch is Hij er (wel aanwezig)
(3) We weten dat Hij komt (in aantocht)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
We hebben vandaag biddag, omdat bidden erg belangrijk is voor ons leven met de Heere.
Wij kunnen niet zonder gebed.
We hebben het gebed nodig voor onze relatie met God,
om tegen Hem te vertellen wat ons bezighoudt,
en om omgekeerd te horen wat Hij ons wil zeggen.
We hebben het gebed nodig voor alles wat wij hier op aarde nodig hebben.
Voor alle kleine en grote dingen die we nodig hebben hier in dit leven:
Als je ‘s morgens wakker wordt en aan tafel zit voor het ontbijt (als je daar tijd voor hebt),
ga je eerst bidden. En waar bid je voor?

Je bidt om een zegen voor het eten
en dat gebed om een zegen voor je eten, maakt je bescheiden,
Want je weet dat hoe hard je ook werkt, je dit eten allereerst aan de Heere te danken hebt,
dat is de zorg van de hemelse Vader voor jou, voor ons.

Je bidt om een zegen voor de dag,
want je kunt allerlei plannen hebben, maar je weet niet wat de dag brengt.
Je weet niet of je gezond en bewaard thuis zult komen,
je weet niet wat je onderweg allemaal tegenkomt.
Het maakt je bewust, dat je het leven niet in eigen hand hebt
en in het gebed vraag je om Gods zorg en zegen voor deze dag.

Je bidt om een zegen over je werk.
Want dat je de kracht en de motivatie hebt om te werken,
heb je niet uit jezelf, ook al ben je gezond of heb je goed geslapen.
De kracht die je hebt, krijg je van de Heere.
En wat je nodig hebt aan kennis, aan wijsheid,
je hebt dat wellicht paraat, vanwege je opleiding of je ervaring, omdat je inzicht hebt.
Ook dat hebben we van God ontvangen,
als een talent dat we mogen gebruiken.
En het werk dat we hebben, is niet alleen maar een werk,
maar is ook een roeping, zelfs het meest eenvoudige werk is dienstbaar aan Gods koninkrijk.
Je doet het niet alleen voor je portemonnee, voor je baas, voor de klant, maar ook voor God.

Je bidt dat je zelf tot zegen mag zijn.
Want deze dag zul je weer heel wat mensen tegen komen,
met wie je samenwerkt, voor wie je werkt.
Je bidt dat je in wat je doet voor anderen tot zegen mag zijn, in je werk,
maar ook in je houding, in hoe je tegen anderen doet,
dat je daarin iets van Gods barmhartigheid en liefde mag uitstralen.
Daar bid je toch om voor de dag begint?
En dat je zorgvuldig bent als je over anderen praat.
Dat je niet een roddel de wereld in helpt, die niet waar blijkt te zijn of aangedikt.
Dat je niet te snel met een bepaald oordeel over de ander komt,
maar vanuit bewogenheid en geduld de ander benadert.

In een voorbeeld van een gebed aan het begin van de dag
kunnen we al zien dat we niet zonder gebed kunnen.
Elk moment van de dag hebben we gebed nodig.
Het hoeft helemaal geen lang betoog te zijn, geen lange toespraak naar God toe.
Het kan heel beknopt en eenvoudig, het mogen ook elke morgen dezelfde woorden zijn.

Niet alleen voor onszelf is het gebed belangrijk.
De Bijbel houdt ons steeds voor, dat het gebed ook voor God belangrijk is.
Dat de Heere ons dat als een opdracht geeft
om tot Hem te komen in gebed met alles wat ons bezighoudt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
Dat heeft niet de betekenis van: mocht je God nog eens nodig hebben,
ooit eens een moment waarop je er zelf niet uitkomt.
Nee, een dagelijks contact met God.
En niet als allerlaatste redmiddel, als je er zelf niet meer uitkomt en niet meer weet hoe.
Nee, voordat je iets gaat doen, aan het begin van de dag,
of voordat je gaat eten,
aan het eind evan de dag als je de dag nog eens doorneemt met de Heere,
of tussendoor als je voor een grote beslissing staat.

Zo’n gebed doen we niet alleen, omdat wij dat nodig hebben,
maar ook omdat de Heere dat van ons vraagt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
En daarmee zijn we bij het thema van deze preek:
Jezus draagt ons op om te bidden in Zijn Naam.
Dat is een permissie die Hij ons geeft, een toestemming die Hij ons verleent,
om naar de Vader te gaan en in ons gebed de Naam van Christus te gebruiken
om ons gebed bij de Vader te brengen.
Het is een permissie, een toestemming: doe het maar, het mag! Maak er gebruik van!
Het gaat nog verder: het is ook een opdracht.
Doe het in Mijn Naam. Laat het gebed niet achterwege.
Wie bij Christus hoort, kan en mag het gebed niet achterwege laten.
Wie niet bidt, laat toch iets na, terwijl de Heere Jezus ons dat opdraagt, ons gebiedt.
(2) We zien Hem niet
Hoe zou dat nu komen, dat deze opdracht er zo makkelijk erbij inschiet,
dat we zo snel nalaten, wat de Heere Jezus ons opdraagt.
Waarbij het nalaten van deze opdracht ook nog eens grote schade voor ons geloof heeft.
Zou dat ermee te maken kunnen hebben
met wat de Heere Jezus hier tegen Zijn discipelen zegt over Zijn afscheid:
een korte tijd en ze zullen Hem niet meer zien?
Zou het ermee te maken kunnen hebben
dat we doordat we Christus niet meer voor ons zien,
dat we daardoor ook het idee hebben dat Hij ver weg is? (punt 1)
Tegen de discipelen spreekt de Heere Jezus over het afscheid dat er aan komt,
omdat Hij teruggaat naar de Vader.
Dat weggaan kan op twee momenten slaan:
(1) Dat weggaan kan betrekking hebben op het kruis op Golgotha, op Zijn sterven.
Nog dezelfde avond waarop Jezus deze woorden spreekt,
zal Hij worden gearresteerd, zal er een proces volgen
en de volgende dag zal Hij al worden gedood aan het kruis.
Dat de Heere Jezus Zijn sterven op het oog heeft,
kunnen we opmaken uit vers 20, waarin Hij zegt tegen de discipelen
dat zij door de afwezigheid van Jezus verdriet zullen hebben, zullen huilen en weeklagen.
Daarentegen zal de wereld vrolijkheid hebben, blij zijn met de afwezigheid van Jezus.
Dat zal niet lang duren, zegt Jezus,
want op de dag van de opstanding, nog geen 3 dagen later,
zal het verdriet van de discipelen voorbij zijn,
want dan zal Jezus weer levend in hun midden zijn.

(2) De tijd dat we Jezus niet meer zien,
kan ook te maken hebben met de tijd waarin Jezus in de hemel is.
Hij zal naar de Vader gaan en Zijn discipelen achter laten op aarde.
Dat is de tijd waarin de kerk zich bevindt:
de tijd tussen Jezus’ aanwezigheid op aarde en Jezus’ wederkomst.
We kijken terug op Zijn aanwezigheid en we kijken vooruit naar Zijn komst.
Die tussentijd is geen makkelijke tijd.
De Heere Jezus vergelijkt het met een vrouw die bijna gaat bevallen.
Het gaat niet zozeer op de lichamelijke pijn, die een vrouw moet doormaken,
maar meer de spanning en de bezorgdheid die een vrouw heeft.
Het tegen de bevalling opzien, omdat een vrouw weet dat het een heel gebeuren is
dat niet zomaar even gedaan wordt.
Een spannend moment, ook nu nog,
Vroeger werd er wel gezegd: bij de bevalling sta je als vrouw met één been in het graf.
ook al is de zorg rondom de bevalling verbeterd,
het is een gezegde die nog steeds geldt.
Enkele dagen voor de bevalling van onze eerste begon mijn moeder opeens
allerlei horrorverhalen te vertellen over wat er allemaal mis kan gaan bij de bevalling.
Het was goed bedoeld, om een bepaalde voorbereiding mee te geven.
Maar het kan ook de spanning verhogen.
Die spanning, die bezorgdheid die er kan zijn vlak voor een bevalling,
Waarbij je pas gerust bent als alles achter de rug is
en het kind gezond en wel geboren is, dat is wat de Heere Jezus bedoelt.
Dat is ook de tijd waarin we als kerk ons bevinden.
waarbij die spanning vlak voor de bevalling staat voor de tijd vlak voor de wederkomst.
Het is geen makkelijke tijd, voorspelt Jezus
en je zult als gelovige het idee hebben dat, omdat Jezus niet zichtbaar is,
Hij er niet is om Zijn kerk op aarde te beschermen,
dat Hij er niet is om de juiste weg te wijzen in deze tijd,
waarin juist zoveel leiding door Christus zelf nodig is.

Er wordt wel het onderscheid gemaakt tussen de kerk hier op aarde
en de kerk die al in de hemel mag zijn.
De kerk hier op aarde is de strijdende kerk
en de kerk in de hemel de overwinnende, de triomferende kerk.
Met de strijdende kerk wordt niet zozeer een heldhaftige kerk bedoeld,
die later in als de gelovigen in de hemel zijn vol trots kunnen kijken
op wat zij op aarde allemaal hebben behaald, wat ze hebben gepresteerd.
Integendeel: strijdende kerk betekent dat de kerk een harde strijd moet voeren
en vaak het idee heeft in die strijd ten onder te gaan, het niet te redden.
En de strijd moet gevoerd worden tegen de duivel,
moet gestreden worden tegen wat er in de wereld is aan verleidingen, aan andere inzichten,
aan ongeloof en twijfel dat je kan aangrijpen en ook doen wankelen,
de strijd gaat ook tegen jezelf, omdat we soms ook maar toegeven en onderuit gaan.

In het gebed na de doop bidden we:
onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen.  Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen.
Maar hoe vaak gebeurt het niet, dat we niet winnen, of zelfs helemaal niet strijden.
De strijdende kerk heeft het gevoel de verliezende kerk te zijn,
het maakt beschaamd: we brengen er niets van terecht, niks geen triomf.
terwijl de wereld vol vrolijkheid is en lacht en zich geen zorgen maakt,
is het de kerk die zich zorgen maakt, de gelovige die het moeilijk heeft,
vertwijfeld kan raken, gespannen kan worden als een vrouw die voor de bevalling staat:
zal het goed gaan, zal er iets moois komen of gaat het mis en zal ik groot verlies hebben?

Zou dat de reden zijn waarom het zo moeilijk is om het gebed als middel te gebruiken
om naar God toe te gaan, om ons geloof te versterken.
Want Jezus zegt wel dat we in Zijn naam moeten bidden,
maar als Hij niet zichtbaar is en als er gestreden moet worden
en je hebt het idee dat je er alleen voorstaat,
dat kan moedeloos maken, verlammend werken.
Bidden in Jezus’ naam en aan de Vader vragen wat we willen?
Daar komt in onze moedeloosheid en zwakten zo weinig van terecht.


(3) Toch is Hij er
En daar is juist die opdracht van Christus voor: de opdracht in Zijn naam te bidden.
Want Hij is dan onzichtbaar, maar Hij is niet afwezig.
Hij heeft niet de boel de boel gelaten,
maar is op een andere manier aanwezig dan toen Hij zichtbaar op aarde rondwandelde.
Hij is nu door de Geest in ons midden
En al is Hij in de hemel bezig – plaatsbereiding, voorspraak  bij de Vader –
Hij heeft Zijn betrokkenheid op de aarde niet afgebouwd en verminderd.
Vraag in Mijn Naam: dat betekent dat Christus tegen ons zegt dat Hij bereikbaar is.
Ook al zijn wij op aarde, we zijn toch met Hem verbonden.
En dat is nu juist wat het geloof uitwerkt: die verbondenheid met Christus.
Dat is wat voor Johannes nu net het geloof is (en ook voor Paulus trouwens)
dat je betrokken bent op Christus, ook letterlijk.
Een hoofdstuk eerder wordt het voorbeeld gebruikt van de wijnstok en de rank:
wij zijn de tak die aan Christus die dan de plant is vast zitten.
Wat er tot ons komt is de Heilige Geest, zoals een plant de sappen doorgeeft aan de takken.
Bidden in Jezus’ naam is heel dichtbij, de Heer met wie we verbonden zijn,
die aan ons Zijn Geest doorgeeft, zoals een boom aan de tak de sappen doorgeeft.

We moeten het nog letterlijker nemen: bidden in de naam van Jezus
betekent een werkelijkheid instappen waar Christus is.
Ook al zijn we hier op aarde, we kunnen toch die werkelijkheid binnenstappen,
zoals je straks je huis binnenstapt, om daar te wonen, koffie te drinken, te slapen,
Te leven, thuis te zijn.
Zo stappen we in het gebed de wereld van Christus binnen, als we bidden in Jezus’ naam.
Bidden in de naam van Jezus betekent: een ruimte binnenstappen waarboven staat Christus.
Waar vanuit de hemel al Zijn macht wordt gemerkt.
De kerk is ook een ruimte waar Christus op de gevel staat, waar Hij is,
Waar we binnen kunnen stappen om er te zijn waar Hij is – letterlijk: in Jezus’ naam.
De Naam van Jezus als een huis om er te wonen.
En dat is niet de enige plek waar Hij op aarde woont en is.
Overal waar Zijn Naam wordt uitgesproken, is die plek er.
En ook waar we die Naam niet kunnen uitspreken, daar kan toch zijn
en kunnen we die ruimte binnenstappen die Zijn naam is
of anders gezegd: daar plaatst Hij Zijn Naam als een ruimte, een huis over ons.
De Naam van Jezus als een plek om naar toe te gaan, er te zijn, te schuilen, te wonen.
Ook al is Hij niet zichtbaar, maar wel aanwezig.
De Naam des Heeren is een veilige toren.

En die veilige toren zullen we nodig hebben.
De strijdende kerk, dat kan immers vervolging inhouden.
De Heere Jezus kondigt dat aan: jullie zullen uiteengedreven worden.
Dat kan betekenen dat je voor je geloof in de gevangenis komt, waar je niet meer wegkomt.
Ook daar is die ruimte er: kun je bidden in Christus’ naam.

Dan wordt ook duidelijk wat Jezus bedoelt met dat we alles mogen vragen in Zijn Naam.
Dat betekent: alles wat wij nodig hebben om die verbondenheid te houden met Christus,
zodat onze tak niet afbreekt van Christus, niet door gemakzucht, niet door druk of vervolging.
Alles bidden in Zijn Naam houdt in: Heere, bescherm mijn geloof, dat zo kwetsbaar is,
Dat vergeet U te zoeken en met U verbonden te blijven,
dat vergeet om Uw Geest op te nemen, in te drinken als water des levens.
Alles bidden in Zijn Naam betekent ook: bidden dat er meer mensen geloven,
meer mensen aan Christus vastgemaakt worden.
Dat Gods koninkrijk uitgebreid wordt.

Kun je dan nog wel bidden voor je werk, zoals we vandaag doen?
Moet je dat dan niet op de tweede plek zetten?
Moet dan het maar niet meer hebben over ons werk
omdat dat iets van die tussentijd is en daarom van minder belang?
Nee, ons werk kan juist in de dienst van God staan,
ook als er geen duidelijke relatie met het geloof te leggen is.
Of dat nu eenvoudig werk is of gecompliceerd werk is dat je niet aan anderen kunt uitleggen,
of het nu eentonig werk is, of dat het werk is waar je je creativiteit kunt ontplooiien,
of het nu werk is waarvan het nut direct zichtbaar is,
of dat je je afvraagt welk nut je werk heeft,
het kan allemaal door God worden gebruikt in Zijn zorg voor deze wereld,
in de weg die Hij gaat met deze wereld, tot Zijn doel,
de dag waarop de Heere Jezus in alle heerlijkheid verschijnt.
Zonder dat we er ons van bewust hoeven te zijn kan God ons in schakelen.
Dat kan zelfs als we aan ons werk helemaal niets goeds beleven,
dat we er op afknappen, of gefrustreerd door raken.
Daarom mogen we ook om een zegen bidden voor ons werk,
want ons werk kan een bijdrage zijn aan de komst van Gods koninkrijk
en een gebed om de zegen over ons werk is niet minder
dan een gebed waarin we bidden: uw koninkrijk kome.
Wanneer we serieus bidden om die zegen en ook zo leven
dat we in ons werk gezegend kunnen zijn en door ons werk anderen tot zegen kunnen zijn
dan is ons gebed om een zegen over ons werk gelijk aan het gebed uw koninkrijk kome.
Want met een zegen over ons werk bidden wij dat ons werk,
wat uit onze handen komt, wat door ons gedaan wordt, onder die Koning mag staan.
en alles wat wij doen, zelfs ons gewone dagelijkse bestaan, ons werk,
onze zorg om eten te hebben, iets voor God mogen betekenen,
iets mogen betekenen voor de uitbreiding van Gods koninkrijk.

Daarom spoort Christus ons aan om te bidden, om te bidden in Zijn Naam,
zodat ook het gebed voor onze dagelijkse benodigdheden
een gebed wordt om de komst van Gods koninkrijk
en dat wij als wij om een zegen bidden over ons werk, over wat wij nu doen,
al in het teken staat van het koninkrijk van God dat komt.
We doen misschien niets anders, maar het kader, het perspectief is anders:
de komst van Gods koninkrijk.

(4) We weten dat Hij komt
Want daar heeft de opdracht van Jezus mee te maken:
met die dag waarop de Heere Jezus terugkomt om Hier Zijn Koninkrijk te brengen.
Dat is wat de Heere Jezus stelt tegenover al die spanning, die zorgen, die aanvechtingen
die er kunnen zijn omdat de Heere Jezus niet zichtbaar aanwezig is.
Er komt, zegt Hij, een dag waarop Ik weer zichtbaar in jullie midden aanwezig zal zijn.
Dat zal een geweldige dag zijn.
en Hij voegt eraan toe: dat Koninkrijk komt dan pas volledig,
maar nu al is er, niet altijd direct zichtbaar, niet altijd direct merkbaar,
maar het is er wel: iets van het Koninkrijk van God.
Jezus spreekt ons moed in: Heb goede moed, want Ik heb de wereld overwonnen.
Wij zijn de strijdende kerk, die geregeld falen, het verkeerd doen,
soms gelukkig door de Geest ook iets goeds,
maar wij hebben de Heere aan onze zijde, die aan het kruis reeds de overwinning behaalde,
die uit het graf opstond, die naar de hemel ging,
om vandaar, aan de rechterhand van de Vader, te regeren.
Bidden in Zijn Naam, is jezelf verbinden met die Overwinnaar,
is vooruitkijken naar die dag waarop Hij komt,
is toch weer moed vinden, moed ontvangen door Hem,
kracht om te bidden.

Daarom is het gebed nodig: voor onszelf,
om daardoor het geloof te voeden, om het weer te weten, dat Christus nu al regeert,
en dat Hij over enige tijd zal komen op deze aarde, zal terugkomen.
Daarom is het belangrijk om het gebed niet te verwaarlozen,
maar het contact steeds te zoeken.
Neem daarom elke morgen, voor je de dag begint, één minuut de tijd,
om die zegen te vragen,
om te vragen of jijzelf ook, door wat je doet en wie je ben, een zegen mag zijn
om te vragen of jij, in wat je doet, dienstbaar mag zijn aan Gods koninkrijk
dat er helemaal, volop zichtbaar zal zijn als Christus terugkomt.
Om te vragen om de komst van Christus: uw koninkrijk kome.
Jezus zegt: Als je dit bidt in Mijn Naam, zal Mijn Vader het geven.
Dat is de belofte waarmee we kunnen bidden, waarmee kunnen leven,
waardoor we het kunnen volhouden, in de strijd op aarde,
tot we getuige mogen zijn van de komst van Hem die overwonnen heeft.
Amen

biddag 2017 – morgendienst

biddag 2017 – morgendienst
Kerkdienst samen met de kinderen van C.N.S. Regenboog
Thema: God hoort!
Schriftlezing: Genesis 21:8-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Robert komt op zaterdag thuis van zijn voetbalwedstrijd
en rent naar zijn moeder toe om te vertellen dat hij gewonnen heeft met voetballen.
‘Mam!’ roept hij, terwijl hij naar binnen rent,
‘Mam, weet je hoeveel het geworden is?’
Als hij zijn moeder vindt, ziet hij dat ze de telefoon tegen haar oor heeft:
ze is in gesprek, ziet hij en hij hoort het ook.
Terwijl Robert wil vertellen hoe het met voetballen is gegaan,
loopt zijn moeder weg, zodat Robert haar even niet kan storen
en doet de deur achter haar dicht.
Als Robert de deur toch open doet, stuurt zijn moeder hem weg: ‘Nu even niet, Robert!’
Robert is teleurgesteld.
Het was juist zo leuk om te vertellen dat ze deze keer gewonnen hebben
en dat hijzelf ook een doelpunt heeft gescoord.
Zou hij nog een kans krijgen om te vertellen hoe de wedstrijd verlopen is?

Er zou ook een andere versie te vertellen zijn,
over Thirza die thuis komt uit school en wil vertellen hoe het was,
maar haar vader die achter de computer zit, bezig met zijn werk
en terwijl Thirza uitgebreid over school vertelt, heeft haar vader het eigenlijk niet gehoord.
‘Pap, heb je wel geluisterd?’
Of over de juf of de meester, die vandaag even geen tijd heeft voor jouw verhaal,
omdat er andere kinderen aan de beurt zijn of meer aandacht vragen.
Je wilt wat vertellen, maar je wordt op dat moment niet gehoord.

Volwassenen luisteren niet altijd naar wat je wilt zeggen:
omdat ze het niet doorhebben dat je iets wilt zeggen,
omdat ze geen tijd voor je hebben, net doen alsof ze naar je luisteren.
Maar God luistert wel altijd naar wat je tegen Hem wilt zeggen,
of wat je aan Hem wilt vragen.
Hij luistert naar je, als je tegen Hem praat als je bidt, of als je in je gedachten aan Hem denkt.
Zelfs als je niet bewust met Hem bezig bent, kan God je horen.
Daarom hebben we ook een speciale biddag,
om er bij stil te staan dat we echt tot God kunnen bidden
en dat de Heere onze gebeden hoort en ook ons hoort,
als we niet bewust tot Hem bidden, maar gewoon wat denken of piekeren.
God hoort!
Maar vaak lijkt het er niet op dat je gehoord wordt.
Dat je net zoals Robert en Thirza tegen hun ouders iets willen vertellen niet door hen gehoord
dat je zo ook iets aan God wil vertellen, iets moois of iets verdrietigs,
maar dat het dan voor jouw gevoel zo is, dat God je toch niet hoort.

In de Bijbel staan staan verhalen waarin aan ons verteld wordt,
dat God naar mensen luistert en hun gebeden verhoord door hen te helpen.
Er staan ook verhalen in de Bijbel, waarin het heel lang duurt voor een gebed gehoord wordt
en dat mensen het idee hebben dat God hen niet hoort.
Denk maar eens aan Abraham:
Abraham was 75 jaar oud, toen hij van de Heere de opdracht kreeg om te verhuizen,
om weg te gaan bij zijn familie en lang onderweg te zijn
omdat de Heere hem een land beloofd had,
aan zijn kinderen, kleinkinderen en allen die na die kleinkinderen kwamen.
Een groot volk.
Alleen had Abraham op dat moment geen zoon.
Hij was al oud, had geen kinderen en toch beloofde God hij vader van een groot volk zou zijn.
Hij dacht eerst dat zijn knecht de hele erfenis zou krijgen,
maar nee, niet via een knecht, echt via een zoon die Abraham zelf zou krijgen.
Toen Abraham maar geen eigen zoon kreeg,
zei zijn vrouw: Abraham, je moet maar een kind krijgen bij mijn slavin.
Ze heet Hagar. Zij kan er wel voor zorgen, dat jij een zoon krijgt.
Misschien dacht Sara aan de belofte van God van een zoon voor Abraham
en dacht ze dat ze God een handje moest helpen,
omdat Hij Zijn belofte vergeten was.
Of dacht ze aan alle bezittingen die Abraham had.
Voor wie zou alles zijn als Abraham geen zoon zou hebben?
Zouden ze dan aangevallen worden door de mensen tussen wie ze woonden,
omdat ze wisten dat Abraham geen opvolger had
en bij zichzelf dachten:
nu is het onze kans om de rijkdom en de spullen van Abraham te krijgen.
Een zoon zou zekerheid en veiligheid geven, ook al is het niet haar eigen zoon.
Als Hagar in verwachting is, gaat het mis tussen haar en haar bazin Sara
en Hagar kan het niet langer uithouden, ze moet weg!
Dan komt God naar haar toe:
Hagar, ga terug en ga je bazin weer dienen.
Ik zal voor jou zorgen en ook voor je zoon.
Ook je zoon zal belangrijk zijn.
Je moet je zoon een speciale naam geven, als herinnering voor jezelf
en ook als herinnering voor Sara en Abraham:
Ismaël – die naam betekent: God hoort.
Dat staat ook voorop op de liturgie en is het thema van deze dienst: God hoort!
Als je zoon geboren wordt, Hagar, dan zegt de naam van je zoon
dat God je nooit vergeet
en ook je bazin Sara zal bij alles wat ze naar jou toe doet weten:
Er is een God in de hemel, dezelfde die Sara ook dient,
Die jouw zuchten hoort, die hoort als jij het moeilijk hebt en verkeerd behandeld wordt.
Als de jongen geboren wordt, noemt Abraham de jongen inderdaad Ismaël.
Voor hem een mooie naam: zie je wel, dat God naar mij hoort!
Eindelijk word ik geholpen.
Eindelijk doet God wat Hij heeft beloofd.
Ik heb een zoon. Door hem zal mijn naam nooit vergeten worden
en zal ik aan het hoofd van een groot volk staan.
En er is iemand die mijn bezittingen overneemt, alles erft.
God hoort! Inderdaad.
Wat zal Abraham gelukkig zijn geweest,
zo gelukkig als iemand die door God wordt gehoord
en weet: God vergeet mij niet. Hij helpt mij, Hij doet wat Hij belooft!

Dan komt God naar Abraham toe:
Abraham, je krijgt een zoon, niet de zoon van Hagar, niet Ismaël,
maar een zoon via Sara.
Voor Abraham zal dat een vreemde ervaring zijn geweest:
zijn oude vrouw Sara wordt moeder.
Hij had toch al een zoon?
Weet je hoe oud Abraham is, als God naar hem toekomt?
Hij is dan 99 jaar.
Abraham, volgend jaar heeft Sara een zoon in de armen.
Je kunt je dat nu misschien niet voorstellen.
Achter in de tent hoort Sara wat God tegen haar zegt:
ze lacht, ze kan het zich niet voorstellen dat zij op haar oude dag een kind in de armen houdt,
een eigen kind.
Een jaar later is het zover: Sara heeft inderdaad een kind gekregen.
Ze is gelukkig, zo intens gelukkig
als iemand van wie een diep verdriet overgaat doordat er iets moois gebeurt.
God hoort!
En God, Hij zorgt ervoor, dat ik weer kan lachen.
Dat wordt de naam van haar kind: Isaak, God maakt dat ik kan lachen.
De lach is terug.
Elke keer als ze haar zoon ziet, komt er een glimlach op haar gezicht.
Nooit meer een chagrijnig gezicht, ze is iemand geworden die altijd dankbaar is, altijd straalt.
Dan komt het moment dat ze de borst niet meer hoeft te geven.
We hebben dat gelezen in het bijbelgedeelte.
Op dat moment wordt er een feest gegeven
en dat heeft een reden: kleine kinderen konden in die tijd gemakkelijk sterven.
Als hij niet meer de borst hoeft te krijgen, betekent dat: Hij is sterk genoeg om te blijven leven.
De lach kan blijven, ze kan nog meer lachen, omdat ze weet: Isaak is niet alleen geboren,
Isaak, haar jongen, zal ook opgroeien en sterk worden en de boel later overnemen.

Er is nog iemand die lacht.
Het is een andere lach dan Sara heeft.
Sara is gelukkig en dat straalt van haar gezicht. Zij geniet op het feest.
Er is iemand die begrijpt dat dit feest een nare kant heeft, voor hem.
Ismaël: er komt een bepaalde hardheid in zijn ogen.
Sara vangt de blik in zijn ogen op, ze ziet de trek om de mond,
en ze leest er een boodschap in, een waarschuwing voor Isaak:
Wacht maar, tot ik je te pakken kan nemen.
Jongen, nu is mijn beurt voorbij. Jij zult alles van mij afpakken en dan heb ik niets meer over.
Denkt Ismaël dat er niemand is, die hem doorziet, niemand die hem hoort?
Niemand van de familie die tijdens het feest aanwezig is
en ook God niet?
Sara heeft niets gehoord, hooguit een lach,
maar als ze die lach hoort, als ze de mond van die jongen ziet, de blik in haar ogen,
dan lopen de rillingen over haar lijf.
Dat gaat mis, Isaak is helemaal niet veilig.
Alle kinderziekten heeft hij overwonnen en we vieren feest omdat hij niet meer bedreigd wordt
maar in ons huis loopt de volgende bedreiging voor Isaak rond: zijn eigen stiefbroer Ismaël.
En ze gaat naar Abraham: Abraham, die andere jongen van jou moet weg.
Als jij er straks niet meer bent en de erfenis verdeeld moet worden,
dan gaat het mis.
Dan zal Ismaël alles naar zich toe trekken en dan zal Isaak misschien wel gedood worden.
Isaak is zijn leven hier niet veilig.
Je moet wat doen! Stuur die andere jongen weg en zijn moeder ook.

Abrahm schrikt en wordt boos: ben je vergeten dat deze jongen mijn zoon is?
Wat moet er van hem terecht komen als hij weggaat. Ik kan hem niet wegsturen!
Abraham wil niet naar Sara luisteren.
God heeft het gesprek van Sara en Abraham gehoord
en ook dat Abraham niet wil luisteren naar Sara.
God spreekt tot Abraham: ‘Abraham, luister naar Sara.
Maak jij je geen zorgen over Hagar en Ismaël. Ik zal er zijn om voor hen te zorgen.’
En Abraham doet het. Hij luistert.
Er staat niet bij hoe hij erover denkt. Wat hij er van vindt.
Hij geeft hen brood en water mee en stuurt hen de woestijn in.
De woestijn betekent niet altijd dat je alleen maar zand hebt, er kunnen ook bergen zijn.
In een woestijn is er geen water en er groeit niets.
Je kunt er niet leven, niet wonen.
Wil Abraham God uittesten door Hagar weg te sturen naar een plek waar ze eigenlijk niet kan leven, om zo God uit de dagen: U belooft toch om voor haar te zorgen?
Nou, dan moet u maar zien dat U dat waar maakt.
Het lijkt gedaan met de zorg van God voor Hagar en Ismaël.
Hij laat Hagar in de woestijn gaan, met Ismaël aan de hand.
Daar gaan ze, de plek in waar niemand kan overleven.
Zou Hagar geweten hebben waarom ze weg moest?
Zou ze gedacht hebben: dit wordt mijn dood?
Ze heeft geen keus dan te gaan.
In de hoop dat er iemand is die voor haar zorgt en voor haar jongen,
daar in de woestijn waar geen water is en geen eten,
waar gevaarlijke wilde dieren zijn als leeuwen, gieren, slangen.
Ze is helemaal alleen met haar zoon.
En dan gaat het ook mis: het water raakt op en Ismaël krijgt dorst.
Er is geen water te vinden en de dorst wordt alleen maar sterker en sterker.
‘Mama, geef me water.’
‘Jongen, er is geen water.’
Hagar voelt dat haar jongen slapper en slapper wordt.
Hij gaat het niet halen! Hij zal sterven!
Dat kan Hagar niet aanzien.
Ze legt Ismaël onder een struik neer, zodat hij toch wat schaduw heeft
en hij niet opvalt voor de gieren die al in de lucht cirkelen.
Een klein eindje verderop gaat ze zitten, ver genoeg om niets meer te horen,
om het gehuil en het geroep van haar kind te horen
en ze huilt zelf ook. Hier houdt het op.
Ze kan niet eens meer bidden, want ze is toch door God weggestuurd bij Abraham vandaan?

Er is een psalm waarin de woorden staan:
Gij weet, o God, hoe ‘k zwerven moet op aard’;
Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard.
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

God hoort! God hoort het geroep en geklaag van Ismaël.
Het is waar, dat God hoort!|
Er komt een engel naar Hagar toe: ‘Hagar, huil niet meer!
Hagar er is troost voor je!
Weet je nog dat je van God je zoon een naam moest geven: Ismaël, God hoort!?
Nou, God heeft gehoord, Hij hoort het roepen, het huilen van Ismaël.
Kijk eens voor je, kijk eens waar je bent.
Daar vlak voor je, daar is water te vinden.
Hier kun je je zoon redden van de dood, hier kun je leven.
En Hagar kan Ismaël water geven en hij kan blijven leven.

God hoort! Vandaag is het biddag.
Een speciale dag om ons eraan te herinneren dat bidden altijd zin heeft,
omdat we een God in de hemel hebben die ons hier op aarde kent
en hoort, ook als je niet hardop praat en alleen maar denkt.
We bidden vandaag dat we eten mogen hebben en dat alles groeit,
we bidden dat er werk is voor je vader en moeder, voor je opa en oma (als ze nog werken)
voor de mensen die geen eten hebben, of geen werk.
God hoort! Dat wil niet zeggen, dat Hij het geeft, of direct geeft.
Soms gaat er lang overheen, bij Abraham 25 jaar
en bij Hagar een dag waarop ze dacht dat haar zoon zou sterven van de dorst.
En toch: God hoort! Ook jouw gebed, hardop of in jezelf. God hoort ook jou!
Je hoeft nooit te denken: ik tel niet mee voor God.
Ik hoor er niet bij, of ik ben te klein. Nee, God hoort ook jou!
En al is er niemand die jou hoort, God hoort jou wel!
Amen

 

Liturgische veranderingen – blog 2

Liturgische veranderingen – blog 2

Laat ik nog even terugkomen op de laatste alinea van blog 1 over liturgische veranderingen. Daar geef ik aan dat ik het dagelijks leven naar de kerk wil halen (in plaats van het reformeren van het dagelijks leven.) Ik zal dat nog wat meer uitwerken. Dat helpt wellicht om ontwikkelingen meer te begrijpen.

Context
In mijn opleiding was er veel aandacht geweest voor de contextualiteit van een gemeente: op welke manier bepaalt de context de gemeente in de samenstelling, in de vragen die er zijn, in waar men mee bezig is. In de jaren dat ik predikant ben heb ik ook veel gelezen over de preekvoorbereiding. Zeker in Amerikaanse literatuur is er aandacht voor wat men noemt ‘de exegese van de gemeente’. Laat ik daar enkele voorbeelden van geven uit de eigen gemeente:

Lezen
* Bij de eerste catechisatieles aan de tieners die gekomen zijn of ze lezen. De oogst is minimaal. Er is af en toe een tiener die naar de bibliotheek gaat om boeken te lenen en te lezen. Meestal komen de tieners niet verder dan de Donald Duck en soms de Voetbal International.
* Tijdens huisbezoek valt het me op eens. Ik zeg dat ook tegen de mensen bij wie ik op bezoek ben: ‘Er valt me iets op.’ ‘Wat dan?’ ‘Ik mis een boekenkast.’ ‘We lezen alleen de krant en de Bijbel.’ Geregeld hoor ik dat de vrouw des huizes voorleest uit de Bijbel, omdat de man de tekst van de Bijbel te moeilijk vindt om voor te lezen.
(De kranten die gelezen worden zijn de huis-aan-huis-bladen, De Stentor en soms de Veluwse Kerkbode. Heel af en toe is er iemand die geabonneerd is op het ND of RD.)

Zingen
* Vaak hoor ik verhalen over hoe het vroeger ging. ‘Vroeger zongen we op zaterdagavond rondom het harmonium liederen uit de Bundel.’ De Bundel, dat is de bundel van Johannes de Heer. Bij zulke opmerkingen word ik altijd nieuwsgierig: ‘En dan op zondag psalmen met hele noten – hoe paste dat bij elkaar?’ Dat waren andere werelden. Wat je thuis in huis deed, deed je niet in de kerk. De liederen uit de Bundel raken nog steeds een diepe snaar. Ik kan dat merken als we in de kerk of bij een rouwdienst deze liederen zingen. Alleen enkele bekende coupletten uit bekende psalmen raken zo diep.
* Bij doopdiensten laat ik ouders psalmen, gezangen en liederen aandragen, die zij graag willen laten zingen in de dienst waarin hun kind wordt gedoopt. Meestal zijn het liederen uit Op Toonhoogte (afkomstig uit Opwekking). Af en toe dragen ouders ook een psalm aan. Meestal worden de psalmen echter door mij aangedragen. Na een dienst met veel liederen uit Op Toonhoogte is de reactie vaak: ‘Deze liederen begrijpen we tenminste. De psalmen zingen we wel, maar begrijpen we niet.’
* Aan het begin van een traject van belijdeniscatechisatie vraag ik om een psalm, een gezang of een lied mee te nemen. We beluisteren dan enkele van de aangedragen psalmen of liederen. Wat mij opvalt, is dat de belijdeniscatechisanten echt op zoek moeten gaan naar liederen. De bundel Op Toonhoogte wordt doorgebladerd. Er wordt op internet gezocht. Ooit was er iemand die ‘God heb ik lief’ wilde meenemen. Hij wist alleen niet in welke bundel dat lied stond. Via internet kwam hij erachter dat het een psalm was.
* Wat mij opvalt, is dat het zingen er helemaal uit raakt. Zeker bij jongens in de bovenbouw van de basisschool en bij tieners. Het is niet meer vanzelfsprekend dat de kinderen op school een psalm aanleren. Als er liederen geleerd worden, gebeurt dat ook wel eens met behulp van YouTube.

Het gaat mij bij het bovengenoemde er niet om of het goed of fout is. Het gaat mij erom, dat dit de context van de gemeente is. Als predikant heb ik rekening te houden met die context.

Dagelijks leven naar de kerk
Wat bedoelde ik met het dagelijks leven naar de kerk halen? Er zijn verschillende manieren om hier mee om te gaan. Het is goed denkbaar dat er in de kerk een norm is met betrekking tot wat er in de eredienst geschikt is. Dat kan inhouden dat er alleen maar psalmen gezongen worden. Dat kan inhouden dat de liederen die in de kerkdienst gezongen worden een bepaald niveau moeten hebben wat kerkmuziek en inhoud betreft.
Wat ik steeds meer ontdek, is dat die norm niet door iedereen begrepen en gehaald wordt. Het dilemma is dan: houd je als kerk vast aan het niveau of sluit je aan bij het niveau in de gemeente (met het risico de standaard te verlagen). Zelf kies ik er steeds meer voor om meer aan te sluiten bij de gemeente.

Verschil zondag – rest van de week
Ik heb daarvoor een extra argument, die misschien niet direct met de eredienst te maken heeft. Wat ik hier nogal eens tegenkom is het verschil tussen de zondag en de andere dagen van de week. Op zondag mag er minder, maar doordeweeks lijkt haast alles te mogen en te kunnen. Dat is natuurlijk overdreven. Maar het contrast tussen zondag en de andere dagen is erg groot.
Dat geldt ook voor de geloofsbeleving: Op zondag de psalmen (en tegenwoordig ook gezangen en andere liederen). Doordeweeks geen psalmen. Als er geluisterd wordt is dat via een cd of via YouTube naar Opwekking of Sela. Of op zondagavond en vrijdagmorgen naar de geestelijke liederen op de Loco.

Een stapje hoger
Enige tijd geleden volgde ik een cursus mentoraat. Daarin ging het ook over de ‘lerende gemeente’. Toen kregen wij als deelnemers het advies mee: probeer de gemeente die je dient één niveau hoger te krijgen en niet een hele stap hoger. Over dat advies denk ik geregeld na. Ook over wat het zou kunnen betekenen voor de gemeente die ik dien. Hoe kan ik de gemeenteleden een stapje hoger krijgen met betrekking tot liturgische bewustwording? De eerste stap die ik genomen heb, is om meer te gaan zingen. Om het zingen weer wat gewoner te maken. Op catechisatie beginnen we daarom met het zingen van de psalm en het opwekkingslied, dat door de HGJB is uitgezocht bij de les.

Geloofspraktijken aanleren
Nu ik er wat meer mee bezig ben, denk ik: zou ik tijdens de gewone catechisatie en tijdens de belijdeniscatechisatie niet wat uitleg moeten geven over zingen en het zingen wat meer kunnen oefenen. Alleen… ik heb daar geen enkele ervaring mee. Het komt in ieder geval in de lessen niet afzonderlijk aan de orde. Het is blijkbaar net als met bidden: men gaat ervan uit, dat het wel overgedragen wordt. Ik denk dat we in de tijd aanbeland zijn, dat gemeenten het hardop lezen uit de Bijbel, het leren zingen en waarderen van kerkliederen, het stil worden voor God en het bidden weer moeten aanleren. Meer dan een idee, dat nu bij me bovenkomt, is het nog niet. Maar daar begint het wellicht mee.

Vragen en opdrachten bij Psalm 25

Vragen en opdrachten bij Psalm 25

Lees vers 1-3
Welk beeld komt bij je op?
– Voor wie is dit een gebed?
– Zou jij dit bij God brengen? Wat stimuleert / belemmert jou om dit te doen?

Lees vers 4-7
Er wordt gesproken over een weg. Stel je een weg van Psalm 25 voor. Hoe ziet die weg eruit? Is het een rechte weg of een weg met bochten en kruisingen? Zijn er richtingaanwijzers en zo ja, wat staat er op? Zo niet, hoe zou je dan de weg kunnen vinden?
– Bij welke beslissing in je leven zou je willen dat God aan jou duidelijkheid geeft over wat je moet kiezen?
– Hoe zou God een aanwijzing aan jou kunnen geven? Wat is er voor nodig, dat je zo’n aanwijzing oppikt?
– Volg je die aanwijzing ook op? Wat heb je nodig om die aanwijzing op te kunnen volgen?
– Wat gebeurt er als je eerst zelf een keuze maakt en je vergeet te bidden of God de keuze duidelijkheid wil maken?

Lees vers 8-11
De psalm vertelt in lovende woorden over God: God is goed en waarachtig. Hij leidt zachtmoedigen in het recht.
– In welke woorden praat jij over God? Welke woorden zou jij gebruiken als je wilt vertellen over wat God voor jou betekent?
– Maakt het nog uit tegen wie je iets vertelt over God
– Wat vind je makkelijker: praten over God of praten met God? Of is er voor jou geen verschil?
– Heb je een idee waarom gevraagd wordt om de zonde niet meer te gedenken en de ongerechtigheid te vergeven? Zou jij daar zelf om durven bidden?

Lees vers 12-15
Er is sprake van vertrouwdheid met God, maar ook van ontzag: Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen. Wat overheerst bij jou: het vertrouwelijke van God of het ontzag voor Hem? Kun je daar meer over vertellen hoe dat uitwerkt in je kijk op God, in je gebed, in je vertrouwen op Hem?

Lees vers 16-22
Als God vertrouwelijk met degenen die Hem vrezen omgaat, waarom moet er dan nog gebeden worden om door God gezien te worden?
– Kun je een voorbeeld vertellen dat God naar je heeft omgezien?
– Wat doe je als je Gods aanwezigheid niet ervaart?
– Hoe vind je God dan weer terug?