Preek Tweede Pinksterdag 2020

Preek Tweede Pinksterdag 2020
Schriftlezing: 2 Korinthe 3: 1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Pinksteren is het feest van de zending:
Vanaf die dag in Jeruzalem, waarop de Geest werd uitgestort,
is het evangelie over heel de wereld gegaan naar gebieden en volken
die nog nooit van de Heere hadden gehoord.
Wanneer het evangelie in Nederland is gekomen weten we niet.
Mogelijk dat dit gebeurde 3 eeuwen na die eerste Pinksterdag in Jeruzalem,
toen een bisschop in Maastricht werd benoemd: Servaas.
De oudste kerk van Maastricht is naar deze bisschop vernoemd.
Servaas zou oorspronkelijk uit Armenië gekomen zou zijn
en hier terecht was gekomen om hier het evangelie te brengen.
Dat zou betekenen dat al 1700 jaar over Christus wordt verteld in ons land.
Bekender is Willibrord die rond 700 vanuit Engeland in Nederland kwam
en een kerk bouwde in Utrecht.
In de tijd dat Willibrord in Nederland aankomt
om hier boven de Rijn over Christus te vertellen,
is er in Maastricht een zekere bisschop met de naam Lambertus.
Naar deze Lambertus is onze Dorpskerk vernoemd: de Lambertuskerk.
Deze bisschop Lambertus moest eens vluchten en werd tijdens het gebed vermoord.
Er zijn heel wat verhalen over de zending te vertellen.
Verhalen over ons eigen land van lang geleden: 1700 jaar of 1200 jaar geleden.
Verhalen van iets minder lang geleden,
Ludwig Inger Nommensen, die in de 19e eeuw het evangelie bracht
aan de Bataks op Sumatra, een eiland in Indonesië.
Verhalen over de zendingswerk in China, India, Afrika.
Over Jim Eliot, die bij Indianen in Zuid-Amerika het evangelie wilde brengen,
maar bij aankomst samen met andere zendelingen werd vermoord.

In de laatste tijd is ons eigen land zendingsland geworden.
Er zijn kerken ergens anders op de wereld die naar ons land zendelingen sturen
om hier bij ons over Christus te vertellen.
Steeds meer mensen in ons eigen land zijn onbekend met de verhalen over Christus,
weten niet dat ze kunnen bidden, weten niet ze hulp kunnen zoeken bij de Heere,
weten niet dat ze hun zonden bij de Heere kunnen brengen en vergeving kunnen ontvangen
en steeds meer kinderen groeien op zonder de verhalen uit de Bijbel te kennen.
Ons eigen land is zendingsland geworden.
Om zendeling te worden hoef je niet meer te verhuizen naar een ander werelddeel.
Hier in Nederland is werk genoeg te doen voor een zendeling.
En ook als het ons niets lijkt om een zendeling of een evangelist te worden,
is er in onze eigen omgeving genoeg te doen, om hier te vertellen over Christus.
Want als wij dat niet doen, vertellen over onze Heere, wie zal het dan wel doen.
Als wij de verhalen niet doorgeven, de liederen niet aanleren,
anderen niet leren om te bidden, hoe zal dan het evangelie worden doorgegeven
en hoe zullen dan degenen die hier opgroeien zonder Christus te kennen
over Hem horen en met Hem in contact komen?

In Korinthe lijkt het erop, dat alleen de besten hierbij ingeschakeld mogen worden.
Degenen die de beste papieren kunnen voorleggen, liefst nog met aanbevelingen erbij.
Aanbevelingen vanuit de moedergemeente in Jeruzalem dat deze kandidaat geschikt is.
Of aanbevelingen vanuit andere gemeenten,
waar deze evangelisten eerder met veel zegen en succes hebben gewerkt,
zodat de gemeente in Korinthe niet opgescheept zit met een evangelist
die heel hoog van zichzelf opgeeft, maar in de praktijk er niet veel van terecht brengt.
Iemand die zich bewezen heeft, iemand die je met een gerust hart aan de gang kunt laten.
Die zichzelf redt in deze grote havenstad,
die mensen weet te vinden en weet vast te houden voor Christus en bij de gemeente brengt.
Als je zulke mensen binnen je gemeente krijgt, dan weet je dat je gemeente gaat groeien,
dan weet je dat er interesse zal zijn voor Christus bij buitenstaanders.
Omgekeerd weet je, dat als je een roeping hebt, een verlangen, een drive, een missie
om je leven in dienst van Christus te plaatsen en dienstbaar te zijn in het koninkrijk,
om je volop in te zeggen voor het evangelisatiewerk, fulltime als zendeling,
dat je weet dat je in de gemeente van Korinthe welkom bent
en weet je dat deze gemeente je volop zal steunen, ook in financieel opzicht.
Hier is een gemeente die het missionaire werk hoog in het vaandel heeft staan,
Deze gemeente vindt het belangrijk dat er vanuit haar eigen midden
mensen in de gelegenheid worden gesteld te werven voor Christus.
Deze gemeente wil wat betekenen voor Gods koninkrijk.
Ze wil Gods liefde uitdragen in de eigen stad, onder de mensen die ze kennen,
met wie ze samenleven in deze stad en van wie ze toch gescheiden zijn
omdat ze Christus niet kennen en gescheiden van God leven.

Wat ze in Korinthe alleen niet doorhebben, is dat de eisen zo hoog zijn:
Alleen de besten moeten ingezet worden.
Ja, dat heeft iets moois: als kerk laat je je beste mensen inzetten in de zending,
laat je de beste mensen die je hebt actief zijn in het evangelisatiewerk.
Die houdt je niet voor jezelf, ook niet voor jezelf als gemeente,
maar die stuur je erop uit om te winnen voor Christus.
Dat de beste mensen ingezet worden om te evangeliseren
En dat je degenen die het meest getalenteerd zijn, de meeste gaven hebben ontvangen
erop uit stuurt in de zending om elders nieuwe gemeenten te stichten,
dat is niet waar Paulus moeite mee heeft:
Hij is zelf er ook op uitgestuurd door de gemeente van Antiochië.
Waar hij wel moeite mee heeft, is dat op die manier over een deel van de gemeente
het oordeel wordt uitgesproken dat zij niet geschikt zijn
en als hij eerlijk is over zichzelf, dan is hijzelf ook niet geschikt
en hij heeft de kritiek op hem ook wel opgevangen, gevoeld, gehoord:
Er zijn betere apostelen, betere zendelingen en evangelisten dan hij, Paulus.
Zij kunnen die bewijzen, dat zij beter zijn ook voorleggen. Zij kunnen er over vertellen.
Vinden zij. En zij kunnen goede papieren voorleggen, anders dan Paulus.
Voor Paulus is iedereen een getuige en kan iedereen vertellen over Christus,
Want de Heere maakt niet alleen maar gebruik van superapostels,
maar ook van hele gewone gemeenteleden, die niets bijzonders kunnen vertellen
en voor hun eigen gevoel helemaal niets bijzonders laten zien.
Niet slechts een enkele bijzondere gelovige kan iets delen, iets laten zien, vertellen,
maar elke gelovige kan dat doen, ook al is dat op een hele eenvoudige manier.
De gemeente is een brief die door iedereen te lezen is.
En ook elke gelovige is een brief, die door iedereen te lezen is,
ook door mensen die niet gelovigen, die in die brief de liefde van God kunnen lezen.

De gedachte dat alleen bepaalde gelovigen die daar heel goed in zijn
in staat zijn om te vertellen over Christus kan vandaag ook nog wel voorkomen,
ook bij ons in de gemeente.
Een opa die weet dat zijn zoon niets meer met geloof heeft
en deze opa ziet dat zijn kleinkinderen opgroeien zonder iets over God te horen,
in hun opvoeding alleen iets meekrijgen over bidden als ze bij opa en oma komen
en alleen maar iets uit de Bijbel meekrijgen als ze bij opa en oma eten.
Deze opa zou zijn kleinkinderen meer willen vertellen over Christus,
maar hij ziet het niet zitten.
Met zijn eigen zoon heeft hij daar nog nooit over verteld.
Hij durfde toen al niet. Omdat hij het niet durfde heeft hij het aan zijn vrouw overgelaten,
aan de school, aan de dominee die op catechisatie mocht uitleggen.
Nu kan hij het niet aan zijn kleinzoon uitleggen, hoe graag hij het ook zou willen.
En dat hij het gaat doen wordt des te belangrijker, omdat niemand het anders doet
en zijn kleinzoon voor de rest van zijn leven nooit over de Heere hoort.
Was er maar iemand, die dit voor hem kon doen: een leerkracht op school,
of kon hij maar bij een club van de kerk komen waar hij toch iets meer zou horen.
Kon hij zijn kleinzoon maar met iemand van de kerk in contact brengen:
een jeugdouderling of een van de jongeren van de kerk.
Hij denkt echter niet aan zichzelf: Hij kan dat niet.
Daardoor vergeet hij dat hijzelf misschien wel voor de kleinzoon de juiste persoon is,
want zou zijn kleinzoon niet benieuwd zijn naar hoe zijn opa denkt
en waarom zijn opa gelooft en wat dat voor zijn opa betekent?
Die kleinzoon zou zijn opa misschien wel allerlei vragen willen stellen over geloof,
maar begint er niet over, omdat hij zelf niet durft:
hij merkt dat zijn opa daar liever niet over praat.

Een leesbare brief schrijft Paulus:
voor iedereen is het duidelijk wie die brief geschreven heeft
en iedereen die deze brief wil lezen is, is in de gelegenheid, is in staat om die brief te lezen.
Zo ziet Paulus de gemeente voor zich. Zo ziet hij ieder gemeentelid voor zich:
als iemand die de boodschap van God aan deze wereld, ook aan degenen die niet geloven,
zichtbaar maakt: Mijn liefde gaat ook naar jou uit, al ken je mij niet.
Ook jij mag tot mijn gemeenschap treden. Ook voor jou is Mijn Zoon gestorven aan het kruis.
Dat is niet voorbehouden aan een select groepje mensen, die bijzonder genoeg zijn.
Dat is niet alleen maar weggelegd voor een enkeling, die uit zichzelf bijzonder is.
God kan iedereen gebruiken om deze boodschap bekend te maken.
Want als God alleen maar bijzondere mensen, superapostelen zou kunnen gebruiken,
dan zouden de meeste gemeenteleden al niet in aanmerking komen.
Dan zou ook de drempel om christen te worden heel hoog zijn.
Dat zou aantrekkelijk kunnen zijn voor iemand die uitdaging zoekt,
iemand die graag een prestatie zoekt, iemand die graag wil laten zien wat hij kan.
Maar het merendeel zou afhaken, omdat ze aanvoelen, dat ze dit niet kunnen.
Hiertoe zijn ze niet in staat. Dit is voor hen niet weggelegd.
Als mensen dan zouden afhaken, zou de boodschap van genade niet kloppen.
Dan zou het niet waar zijn dat God ieder mens wil redden.
Dan zou het evangelie botsen met de uitstraling.
De boodschap zou zijn: iedereen mag komen. De uitstraling zou zijn: toch niet.
Jullie daar in Korinthe zijn een brief die de genade bekend maken.
Mensen in jullie omgeving kunnen het aan jullie zien, dat ook zij erbij mogen komen.
Dat ook zij kunnen gaan geloven en bij de gemeenschap van Christus mogen gaan behoren.
Denk niet te klein van jezelf.
God gebruikt jullie daar in gemeente, jullie die jezelf niet geweldig vinden
en anderen nodig hebben die het evangelie uitdragen,
anderen nodig hebben die indruk kunnen maken op jullie familieleden, vrienden, collega’s,
zodat ze onder de indruk raken van jullie geloof.
Jullie zijn het zelf, die God gebruikt om Zijn genade bekend te maken.
Jullie stralen dat uit, al weet je dat zelf misschien niet.
Jullie zijn als een leesbare Bijbel voor de mensen die nooit in de Bijbel lezen,
zodat zij door middel van jullie Gods stem kunnen horen, die ook hen roept.
Jullie maken daar in Korinthe Gods stem hoorbaar, ook zonder te praten.
Door wat je laat zien. Door wie je bent. Door hoe je je gedraagt.
Daaraan kunnen de mensen om je heen iets opmerken
en ze horen daarin een stem die tot hen spreekt.
Niet een stem van de vele goden in jullie stad, want die zijn stom en kunnen niet spreken.
Ze horen daarin de stem van de levende God, de enige ware God die er is,
die hen roept bij hun naam, die hen nodigt om tot hen te komen,
om hun leven aan Hem te wijden, te geven.
Jullie zijn stuk voor stuk levensboeken, waarin de Geest leesbaar maakt,
hoe zij kunnen gaan geloven en wat de Geest in hun leven wil gaan doen
hoe Hij hen gaat veranderen en gaat vormen naar het beeld van God.
In jullie levensverhaal, in jullie biografie, die voor hen te lezen is,
zien ze hoe dat werkt en proeven ze dat het ook bij hen mogelijk is.
Lezen ze een uitnodiging om ook te komen
en ook hun eigen levensverhaal door de Geest te laten herschrijven
als een verhaal waarin Christus het middelpunt is.

Zo met ons eigen levensverhaal, met wie we zijn en hoe we zijn,
hoe we ons gedragen en wat we zeggen, of we gastvrij zijn en betrokken op iemand of niet,
daarmee schrijft God ook door ons een brief aan de mensen om ons heen.
Ons gebruikt Hij om hen te laten weten dat ook zij in Hem mogen geloven.
Paulus bedoelt niet alleen dat het een opdracht is,
maar dat de Heere ons zo gebruikt, u, jou, mij,
zonder dat we altijd door hebben op welke manier wij gebruikt worden,
maar wel dat iedereen van ons gebruikt kan worden als een leesbare brief,
dat elk levensverhaal, ieders biografie een manier kan zijn,
waardoor Gods uitnodiging doorgegeven wordt.

Ons leven, zoals de Geest daarin werkt, is een manier van evangeliseren.
Jij bent de uitnodiging die God aan je vrienden, aan je collega’s schrijft.
U bent de brief die God aan uw kleinzoon of kleindochter schrijft.
Dat betekent niet dat u krampachtig elk moment moet opzoeken,
maar dat God u als persoon inzet, uw manier van leven, uw manier van doen.
Uw meeleven, uw humor, uw vriendelijkheid en betrokkenheid,
de principes die u hebt – alles waarin merkbaar is waarin de Geest werkt.
Die brief kunnen wij niet zelf schrijven. Wel overhandigen.
Wij kunnen de brief niet dicteren en niet bepalen hoe wij uitstralen,
Maar we hoeven het niet uit de weg te gaan
en hoeven het ook niet aan anderen over te laten.
Door ons heen schrijft God een brief, een leesbare brief, voor de mensen om je heen.
Dat is niet eerst een opdracht, maar een belofte.
Vanuit die belofte dat God ons een leesbare brief laat zijn, kunnen we wel aan de slag.
Door bijvoorbeeld uit te leggen, waarom je bidt en hoe je dat doet,
welke woorden je gebruikt, hoe je aan God denkt en je gebeden bij de Heere brengt.
Die leesbare brief is niet beperkt tot wat wij willen laten zien,
maar alles wat we laten zien is een leesbare brief
en het kan ook wel eens zo zijn dat de Heere die brief die wij laten lezen
anders schrijft dan wij zouden doen.
Zo kan die kleinzoon van die opa, die er niet over kan praten,
de brief allang gelezen hebben en iets van het geloof van opa hebben opgepikt,
terwijl opa denkt dat hij zelf die brief nog moet schrijven.
Het is niet onze brief die wij met ons leven schrijven,
maar wij zijn de brief van de levende God voor de mensen om ons heen.
Amen

Volkskerk en multiculturele samenleving

Volkskerk en multiculturele samenleving

Sinds in predikant ben, heb ik de gedachte van de volkskerk leren kennen. Hoewel ik opgevoed in een heel andere kerkelijke traditie en het mij moeite gekost heeft om de gedachte van de volkskerk echt te leren kennen, heb ik deze traditie wel leren waarderen. Daarom verdedig ik deze vorm van kerk-zijn als een mooie vorm van kerkzijn, ook in een multiculturele samenleving.

Als ik pleit voor de volkskerk, zijn er altijd gelijk twee reacties: (1) de volkskerk is gelukkig een achterhaald model en wie daaraan vasthoudt is onverantwoord romantisch bezig, (2) de volkskerk past niet in een multiculturele samenleving of wie pleit voor de volkskerk heeft de multiculturele samenleving in wezen niet geaccepteerd.

Sporen
Ik kan alleen maar zeggen hoe ik er zelf in zit. Zoals ik al aangaf: ik kom niet uit deze traditie en had er weinig over gelezen voor ik predikant werd. Mijn reden om PKN te worden was een pragmatische én oecumenische, niet persé vanwege de volkskerk. Als predikant leerde ik de volkskerk wel kennen én waarderen. Niet alleen in Oldebroek, maar ook in Ilpendam in het best seculiere Noord-Holland kwam ik ook nog (sporen van) de volkskerk tegen. Maar Oldebroek is in die zin ook weer niet uniek. In delen van Gelderland / Overijssel / Friesland is deze manier van kerkzijn nog te vinden.

Incarnationeel
Voor mij is de kerk een van de vormen van incarnationeel gemeentezijn. Incarnationeel betekent: zijn waar de mensen zijn. Dit staat tegenover het model van de attractionele gemeente: je probeert aantrekkelijk te zijn, zodat mensen naar jou toekomen. Als vorm van incarnationeel gemeentezijn is de gedachte van de volkskerk in die zin weinig anders dan een pioniersplek met dezelfde gedachte. De volkskerk heeft wel een aantal voordelen: bestaande structuren, een lokale geschiedenis en lokale verworteling. De volkskerk is niet de enig mogelijke vorm, maar een vorm die op bepaalde plekken ook echt nog wel werkt en uit eigen ervaring in Noord-Holland: ook buiten de Biblebelt. Dat is geen romantiek of nostalgie, maar ervaring die mij verbaasde.

Betrokkenheid op de lokale mensen
Volkskerk is voor mij de principiële keus voor betrokkenheid op de wijk of het dorp waar je woont. Anderen kunnen lid worden, maar de principiële aandacht ligt bij de lokale gemeenschap. Praktische gevolgen: liefst elke zondag een eredienst in dit dorp,
liefst zoveel mogelijk ambtsdragers uit het dorp / de wijk, die het dorp of de wijk kennen en hun connecties hebben. De kinderen op dezelfde school, op dezelfde voetbalclub. Niet openlijk kiezen voor een politieke partij en zeker geen christelijke. Zo lijkt het op een gemeentestichting of pioniersplek. Verschil is echter de ontstaansgeschiedenis. De kerk en de gemeente maken al een eeuw, soms langer, deel uit van dit dorp of deze wijk. De kerk en dorp / wijk horen bij elkaar. Niet alleen voor de kerk. Ook voor de mensen.

Een kerk verwachten die bij je past
Wat voor mij verrassend was, was dat de volkskerkgedachte niet meer bij de kerkenraad aanwezig was, die vaak uit andere plaatsen kwam, maar nog wel bij de inwoners van het dorp. Zij verwachtten de kerk op een manier die bij hen paste. Deze mensen hoorden voor hun gevoel bij deze kerk. Enkele jaren voor mijn komst was een grote actie geweest om leden te vragen of ze uitgeschreven wilden worden. Bijna niemand wilde dat. Zij hoorden bij deze kerk. Zij beschouwden zich ook als christen. Zij haken af als er mensen uit andere plekken dominant worden binnen deze kerk en gaan de kerk met meer wantrouwen bejegenen. En toch, het blijft hun kerk. Hier wordt voor hen geloofd en gebeden. Een dorp moet én een café én een kerk hebben, hoorde ik vaak. De kerk is toch ergens de ziel van het dorp, of de hoeder van de ziel van de wijk. De gaven voor de kerk vanwege hun betrokkenheid op hun dorp of wijk.

Lange termijn
Deze mensen zijn vaak terughoudend naar de kerk toe, omdat ze willen weten of de kerk echt om hen geeft. Een predikant in een wijk of op een dorp moet niet na 4 jaar al weg, maar kiezen voor de lange termijn: 12 jaar of langer. En dan uit overtuiging kiezen voor dit dorp of deze wijk. Eén van hen worden. Missionair zijn op een dorp is daarom moeilijker dan in een stad, omdat er veel meer dan in een stad de lange adem nodig is. Mensen komen pas als ze weten, dat je echt om hen geeft en dat weten ze pas als je er echt een van hen wordt. Ik vermoed dat het in een oude stadswijk niet anders is. Daar heb ik echter geen ervaring mee.

Contact kwijt geraakt
Op veel plekken is de kerk met deze mensen het contact kwijt geraakt. Om verschillende redenen: te weinig menskracht, schaalvergroting waardoor de kerk het dorp uit ging (maar deze mensen niet mee gingen), botsing over politieke voorkeuren (zoals PVV-mentaliteit). Dit zijn de mensen die voor hun gevoel bij de kerk horen, maar de veranderingen niet mee maakten. Zijn nog steeds hervormd en hebben vaak weinig met PKN. Wat ze willen: af en toe een bezoek, met een jubileum bijvoorbeeld, begeleiding rondom sterven / begrafenis.

Problematisch
De term volkskerk is achteraf gezien problematisch. Vooral vanwege de term ‘volk’. Kerk voor allen in deze wijk of dit dorp had ook gekund. Zelf vat ik ‘volk’ in volkskerk op als de totale lokale gemeenschap. Volkskerk maakt geen selectie in doelgroepen, tenzij de de totale lokale bevolking van dit dorp en deze wijk als doelgroep beschouwt. Bij het loslaten van de term volkskerk raak je een van de kernpunten uit het oog: de lange historische verworteling. Net als bij elke erfenis geeft dat voordelen én nadelen.

Opwaarderen
Die verworteling wordt nogal eens theologisch opgewaardeerd. Dan is deze kerk een planting Gods, waarbij andersoortige kerken er eigenlijk niet zouden mogen zijn. Ook wordt deze visie politiek opgewaardeerd met theocratie (Van Ruler, Jvd Graaf, vrienden van Kohlbrugge). Deze theologische en politieke opwaardering maak ik niet mee. Ik zie het als een vorm van ketterij waarin er te weinig onderscheid gemaakt wordt tussen de nationale identiteit en de christelijke identiteit van een gelovige. Maar het zaad van een nationaal-religieuze identiteit is gezaaid in de afgelopen eeuwen en ontkiemd nog.  Het is teveel een ideologie, waarbij haast in dienst van de eenheid van de lokale gemeenschap wordt geplaatst. Die eenheid is er vaak, maar dan bij slechts een deel. Er is nauwelijks oog voor wie er buiten valt.

Eenheid niet kunnen meemaken
Het lastige voor denkers in de volkskerk-traditie is niet de seculiere omgeving. Want ook dan kun je volkskerk zijn. Het is niet alleen maar dorpsmatig. Het kan ook in de stad.( Zie P.L. deJong in “Sores en zegen” die er juist weer voor pleit.) Hét lastige voor volkskerk-denkers is degenen die om inhoudelijke reden de eenheid niet mee kunnen maken, zoals de kleinere reformatorische kerken, evangelisch en pinkster. Gelukkig heeft de PKN officieel een andere kerkvisie.

Afscheid
Is deze visie niet een romantische hang naar een ideaal verleden, dat nooit heeft bestaan? De leiding van lokale gemeenten en de leiding van de PKN heeft – vaak onuitgesproken – fscheid genomen van de volkskerk en zeker van de theologische en politieke opwaardering. Alleen lokaal wordt deze impliciet doorgegeven. Dat wreekt zich nu in het debat over de multiculturele samenleving. Veel voormalige hervormden gaan nog uit van een eenheid van de samenleving, die door God gegeven is. Zij voelen zich in de kou staan door hun kerk en hun partij. Het zijn de mensen die heel wat te verstouwen hebben gehad in economische neergang, aan verlies van verworteling (schaalvergroting van gemeenten), verlies van gemeenschap, omdat door import de wijk of het dorp van karakter verandert. De kerk die wegtrekt.

Zwart schaap
De multiculturele samenleving is een makkelijk zwart schaap. Niet omdat ze racistischer zijn (zelfs niet als ze voor zwarte piet zijn), maar omdat ze zien dat ze anders behandeld worden dan anderen. Terwijl zij al jaren wachten op een starterswoning of huurwoning krijgen nieuwkomers vrij snel in hun ogen een huis toegewezen. Ze krijgen opstartgeld, terwijl bezuinigd wordt op hun uitkering, op hun PGB, op hun huishoudelijke hulp. De nieuwkomers kunnen ze niet spreken door taalbarrière en andere culturele gewoonten.

Nostalgie?
Is het nostalgie om te verlangen naar een andere situatie? Dan net zoals de mensen in rouw die ik tegenkom, die verlangen naar de tijd van voor het gemis. Naar toen ze de wereld nog begrepen, de buren er nog voor hen waren, de overheid hen niet in de steek liet.
De enige manier om gehoord te worden, is via het stembriefje of door openlijk sympathie uit de spreken voor PVV, voor zwarte piet. Blijkbaar moet je provoceren om gehoord te worden, want anders wordt er niet geluisterd. Natuurlijk, er is geen weg terug. (Ik heb nu geen enkele moeite meer met de multiculturele samenleving, maar dat heeft wel even geduurd.) Maar in de vorming van de multiculturele samenleving zijn ‘we’ hele bevolkingsgroepen kwijtgeraakt.
De multiculturele samenleving nu vraagt nogal wat aan herziening van de eigen tradities: afscheid van de verweving nationale identiteit en geloof, afscheid van de ideologie van de samenleving als eenheid, bewust onderdeel zijn van je lokale omgeving.


Niet alleen de Biblebelt

Vaak wordt gedacht dat de volkskerk vooral op de Biblebelt voorkomt in plaatsen met hoge kerkelijkheid. Dat ligt veel genuanceerder. Volkskerk wordt namelijk niet bepaald door het aantal leden of de omvang maar door de principiële keuze voor de mensen van de lokale gemeenschap. Waarom je in de Biblebelt kunt spreken over volkskerk is niet dat het beleid van de kerkelijke gemeente op de lokale gemeenschap is gericht (vaak is dat juist niet zo!), maar dat de volkskerk nog leeft bij de randleden of afgehaakte mensen. Op de Biblebelt staat de volkskerk juist onder druk omdat veel (wijk)gemeenten kiezen voor een bepaalde identiteit, waarbij men eerder kijkt naar andere wijken of kerken dan naar de lokale gemeenschap. Vaak is er een tegengestelde visie op levensstijl.

Missionaire visie
In Nederland is er een specifieke visie op de volkskerk, waarin de volkskerk gekoppeld wordt aan de christelijke identiteit van Nederland en aan theocratisch denken. Die koppeling is niet wezenlijk.Wij zijn niet de enigen die nagedacht hebben over de volkskerk. Mijn invulling haal ik bij de oosterburen: Christian Möller, Manfred Seitz, Eberhard Winkler. Michael Herbst van het  Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau promoveerde op een missionaire volkskerk. In Duitsland is het concept van volkskerk nog steeds niet achterhaald. Wel is er kruisbestuiving met de Angelsaksische concepten van mission-shaped en Willow Creek bij het Institut für Evangelisation un Gemeindeaufbau. Ze kunnen elkaar verder helpen. volkskerk kan op verschillende manieren gedefinieerd worden. Die nationale invulling is niet noodzakelijk. Voor mij is het niet het enige model van kerk-zijn. Wel een model dat heel vruchtbaar is. Voor mij wegen de voordelen op tegen de nadelen. Grootste nadeel vind ik het gebruik van ‘volk’. Maar omdat het een ouder concept is, zou ik toch nog even vast willen houden aan de term.

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

In de laatste tijd zijn alle grote kerkverbanden in Europa zich bewust geworden van de missionaire uitdaging. Van degenen die de kerken zouden willen bereiken met is de bij de jongeren de uitdaging misschien wel het grootst. Alle onderzoeken geven aan dat de meeste jongeren vandaag de dag thuis of op school niets van het geloof meekrijgen. Op welke manier kunnen de kerken hen toch bereiken? Wat hebben de kerken jongeren, die niet of nauwelijks een godsdienstige achtergrond hebben, te bieden?

Om op die vragen een antwoord te kunnen bieden, is er in Duitsland een serie opgestart. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit. De eerste twee delen van deze serie zijn verschenen. Het eerste deel is een Handboek missionair jongerenwerk; in het tweede deel worden concepten en bijbehorende werkvormen uitgewerkt.

978-3-7615-6286-4

Persoonlijke geloofskeuze
Missionair jongerenwerk bestaat al vanaf de 19e eeuw, toen verschillende organisaties jongeren die van de kerk vervreemd waren probeerden te bereiken. Vaak waren het organisaties uit piëtistische hoek, waar de nadruk op een persoonlijke geloofskeuze voor Christus lag. Deze stroming heeft een theologische insteek en neemt het vertrekpunt in de zendingsopdracht die Jezus aan zijn discipelen gaf.

Maatschappelijk geëngageerd
Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich een nieuwe stroming. De jongeren die waren opgegroeid in het nazi-Duitsland moesten zich ontwikkelen tot vrije burgers, die van harte de democratische waarden konden onderschrijven. Deze meer maatschappelijk geëngageerde stroming heeft een meer sociaalpedagogische insteek: jongeren helpen bij hun ontwikkeling naar zelfstandige, mondige volwassenen.

Meerdere perspectieven
In het handboek worden beide stromingen samengebracht: missionair jeugdwerk is er op gericht om de jongeren te begeleiden tot worden van een zelfstandige, volwassen persoon, die vertrouwd geraakt  is met het christelijk geloof en mogelijk zelf ook leeft uit het geloof in Jezus Christus. Dit handboek beperkt zich niet tot één christelijke stroming, maar wil van betekenis zijn voor zowel het protestantse als het katholieke en het evangelische missionaire jeugdwerk.

Functies van de kerk
In het handboek wordt van het bijbelse spreken over zending en van de recente ontwikkelingen uitgewerkt wat dit betekent voor het missionair jeugdwerk. De eindredacteuren van het handboek zetten zelf wat lijnen uit. Zij gaan uit van 5 functies van de kerk: martyria (verkondiging), leiturgia (eredienst, vieren), koinonia (gemeenschap), diakonia (dienstverlening) en paideia (onderwijs, vorming en toerusting). Niet in elke vorm hoeft alle functies te hebben. Wel is het goed om aan de hand van deze functies te kijken of er niet iets over het hoofd gezien wordt.

Ontwikkeling
Geloven gebeurt vaak niet van de een op de andere dag. Pedagoge Martina Walter werkt uit met elke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden op persoonlijk vlak en op geloofsgebied bij een jongere. Walter werkt dat uit aan de hand van de fasen die Erikson en James W. Fowler reconstrueren.

Contact
Contact krijgen met deze doelgroep is ook niet altijd makkelijk. Nathanael Volke gaat in op de missionaire uitdaging van social media. Soms hebben kerken nog wel contact. De bekende godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer roept op ook de kerken die nog catechese hebben de catechese te zien als missionaire kans. Daniela Mailänder vraagt om de jongeren niet uit het oog te verliezen als ze volwassen geworden zijn.

Te druk
Een andere belemmering is het toenemende gebrek aan tijd bij jongeren. Kon het missionair jeugdwerk voorheen nog gebruik maken van de vrije tijd van jongeren, nu moet er geconcurreerd worden met een bijbaantje en activiteiten van school en sportclub die ook steeds meer in de vrije tijd wordt georganiseerd. Ook het vinden van leiding is lastiger geworden door de afname van vrije tijd. Dat vraagt om flexibele structuren en goede afstemming met andere verenigingen die ook voor deze doelgroep werken. Uitgewerkt wordt hoe men met scholen kan afstemmen of samenwerken.

Verschil in sociale milieus
Jongeren hebben niet allemaal dezelfde achtergrond. Dé jongerencultuur bestaat niet. In het missionaire werk wordt tegenwoordig rekening gehouden met verschillende sociale milieus. Heinzpeter Hempelmann werkt uit op welke manier het missionair jeugdwerk kan afstemmen op de verschillende milieus. Ernst-Ulrich Huster laat zien op welke manier er rekening gehouden kan worden met armoede. Sarah Koyyuru gaat in op missionair jeugdwerk met jongeren met een migrantenachtergrond. Karsten Jung laat de spanningen en de mogelijkheden zien van missionair jeugdwerk met jongeren die tot een andere godsdienst behoren.

Inhoud
Missionair werk is niet zonder inhoud. Daarom laat Jörg Kresse zien welke cursussen er voor jongeren zijn om hen met het geloof vertrouwd te maken. Steffen Kaupp gaat in op wat er nodig is om jongerendiensten een missionaire uitstraling te geven: voordat je een dienst organiseert moet je eerst de jongeren in beeld hebben. De missionaire kracht van een dienst neemt toe als je in vorm en inhoud kunt afstemmen op wat jongeren bezig houdt. Hoe meer ze wat er gezegd wordt in hun dagelijks leven herkennen en hoe meer de boodschap hen in hun dagelijks leven iets te zeggen heeft, des te zinvoller wordt zo’n dienst. Geloofsthema’s zeggen meer als ze verbonden worden met zingevingsthema’s. Deze zingevingsthema’s moeten niet als opstapje worden gebruikt om het alsnog over geloof te hebben, maar zinvol met elkaar verbonden worden.

978-3-7615-6395-3

Concepten en werkvormen
In het tweede deel worden concepten uiteengezet, die recent binnen de godsdienstpedagogiek zijn ontstaan, zoals jongerentheologie, creatieve bijbeldidactiek, biblioloog, Godly Play, performatieve godsdienstdidactiek, e.a.Daarbij worden werkvormen gegeven, waarbij heel concreet wordt uitgewerkt wat er nodig is om voor te bereiden, hoeveel tijd het kost en op welke manier zo’n vorm ingezet kan worden.

Conclusie
De beide boeken zijn een waardevolle bijdrage aan het missionaire debat. Ze bevatten genoeg uitdagingen, inzichten en praktische uitwerkingen  die ook in Nederland ingezet kunnen worden.

N.a.v. Florian Karcher / Gerco Zimmermann (Hg.), Handbuch missionarische Jugendarbeit (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016).
Florian Kracher / Petra Freudenberger-Lötz / Gerco Zimmermann (Hg.), Selbst glauben. 50 religionspädagogische Methoden und Konzepte für Gemeinde, Jugendarbeit und Schule
(Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2017).

Missionair jongerenwerk

Missionair jongerenwerk

Een missionaire houding staat volop in de aandacht van kerk en theologie. Ook het missionair jongerenwerk. Vorig jaar verscheen er een Duits handboek missionair jongerenwerk, als eerste deel van een serie over missionair jongerenwerk.

In dat handboek wordt het missionair jongerenwerk bewust tweeledig gepositioneerd: theologisch, maar ook sociaal-pedagogisch. Missionair jongerenwerk is volgens dit handboek niet alleen in aanraking brengen met christelijk geloof, maar ook een bijdrage aan persoonsvorming van jongeren om in deze maatschappij te leven.

978-3-7615-6286-4

In het handboek wordt er ook gepleit om recente ontwikkelingen in de (Duitse) godsdienstpedagogiek te verwerken, zoals meer aandacht voor beleving, ervaring en viering.

Een tweede deel in deze serie is inmiddels verschenen met 50 godsdienstpedagogische concepten en methoden toegepast op het (missionaire) jongerenwerk binnen kerk, school en jongerenwerk: “Selbst glauben”.

978-3-7615-6395-3

Een recensie volgt (bedoeld voor het Friesch Dagblad) en wellicht aandacht voor een aantal afzonderlijke bijdragen.

Lid zijn van de kerk van de toekomst

Lid zijn van de kerk van de toekomst
Lezing Emèt Qenee, C.S.F.R. Dispuut Eindhoven
23 mei 2017

Door de studentenvereniging Emèt Qenee uit Eindhoven (onderdeel van de C.S.F.R.) was ik gevraagd om een lezing te geven over de toekomst van de kerk. Ik heb daarbij stil gestaan bij de rol die deze studenten daarin kunnen hebben.

Voor vanavond ben ik gevraagd om te spreken over hoe jullie als christelijke studenten je kunt voorbereiden op de cultuur die komt. Na wat doorvragen begreep ik dat het er vooral om ging om in jullie eigen omgeving waarin je nu verkeert, het evangelie te kunnen delen. Daar wil ik graag met jullie over nadenken. De uitnodiging om hier voor jullie te komen spreken heeft mij wel verrast. Ik ben sinds 2011 predikant in één van de meest kerkelijke regio’s van Nederland.  Uit een plaatselijk onderzoek van de Christenunie bleek  dat 30% van de inwoners van onze burgerlijke gemeente een kerk bezoekt. Mensen die geen lid van de kerk zijn, zijn een minderheid. Daarnaast ben ik ook predikant in een dorp, waarbij weinig jongeren gaan studeren. Dan mag ik met jullie nadenken hoe je christen kunt zijn  in een academische, veelal seculiere context.

Missionaire wending
Daar ben ik niet voor opgeleid: dat nadenken over het evangelie in een cultuur waar geloven niet meer vanzelfsprekend is. De huidige Protestantse Theologische Universiteit is daar gelukkig meer mee bezig dan de theologische faculteit in mijn studententijd. Binnen de kerk heb ik dat ook niet meegekregen.
In Veenendaal, waar ik opgroeide was het gewoon om naar de kerk te gaan en mensen die niet gingen, hadden vaak hun redenen om niet te gaan en zetten zich nogal eens af tegen de kerk.
Ook binnen heel veel kerken in Europa is er een omslag gekomen, waarbij het besef gekomen is, dat een kerk niet zonder het uitdragen van de boodschap kan. De Anglicaanse Kerk nam een rapport in 2004 aan Mission-Shaped Church en stimuleert Fresh expressions of Church, waarbij andere Engelse kerken meegingen. De toonaangevende theoloog Eberhard Jüngel verklaarde voor een synode van de EKD in 1999 dat missie tot het wezen van de kerk behoorde. Daarop volgde een Imulspaper “Kirche der Freiheit” (2006) en werd een Instituut voor Onderzoek naar Evangelisatie en Gemeenteontwikkling dat bewust werd verbonden aan een universiteit die in het onkerkelijke Oost-Duitsland is. Ook de Protestantse Kerk in Nederland heeft  vanaf haar start in 2004 een missionaire kerk willen zijn. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat andere kerken, zoals de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, hier al veel meer mee bezig waren met gemeentestichtingen.

Zoektocht
Binnen kerk en theologie zijn we bezig met een omslag naar een meer missionaire kerk. Dat is wel een zoektocht voor kerken, ambtsdragers en gelovigen. Wat steeds meer gebeurt, is dat ervaring uit de zending en uit de zoektocht naar een meer missionaire kerk  verwerkt wordt binnen de kerken en de theologie, zoals meer oog voor onze cultuur en dat verwerken in het uitdragen van het evangelie, meer aandacht voor discipelschap, dwz: het evangelie tonen door je houding, door je daden in het leven van alledag.
Naar mijn idee kan een missionaire houding ook weer leren van discussies binnen de meer klassieke terreinen van de praktische theologie, zoals homiletiek, liturgiek, pastoraat,  cultuurduiding, enz.

Keuzedwang
Voor ik dat uitwerk, eerst nog even dit: De omslag naar een meer missionaire kerk heeft onder andere te maken dat de kerken kleiner worden en dat dit proces bij lange na nog niet gestopt is. In onze tijd is het niet meer vanzelfsprekend om te geloven en al helemaal niet meer bij een kerk te horen. Wie nu wel blijft geloven, maakt meestal toch ergens een min of meer bewuste keuze. Tegelijkertijd komen we in een tijd, waarin de manieren van vroeger niet altijd meer werken. Het is noodzakelijk om na te denken over de vormen van kerkzijn en geloven,  en ook over de inhoud van dat geloof. Je kunt dus niet zomaar meer terugvallen op wat je van thuis hebt meegekregen. Je hebt in je leven een scala aan mogelijkheden om uit te kiezen: van actief kerklid, tot randlid, tot afzijdig, onverschillig, atheïst of een ander geloof.
In 1981 publiceerde de socioloog Peter L. Berger al Zwang zur Häresie. Daarin gaat het erom, dat omdat er zoveel is om te kiezen, je moet kiezen en je haast niet ontkomt om verkeerd te kiezen. Die enorme mogelijkheden om te kiezen, kom je op heel veel terreinen tegen.

Het leven als project
Omdat jouw leven anders is dan die van je ouders en helemaal die van je grootouders, kun je je in je maatschappelijke carrière en je beroep niet meer spiegelen aan wat zij deden. Je moet je eigen leven uitstippelen, bewust erover nadenken, wat jij met je leven doet met het risico, dat je ook verkeerd kunt kiezen. Dat is zowel een voorrecht als een last als een mogelijkheid.
Het is een voorrecht om verder te studeren. Ik zie dat in Oldebroek: de oude generatie heeft alleen lagere school. Die generatie heeft veel geld opzij gelegd om hun kinderen te laten doorleren. Die middengeneratie heeft de middelbare school afgerond. Hun kinderen konden weer met het geld van ouders doorleren een vervolgopleiding doen. De financiële positie en de levensomstandigheden zijn enorm verbeterd: emancipatie!
Het geeft wel een generatiekloof: de kinderen en kleinkinderen maken door hun verbeterde maatschappelijke en financiële positie andere keuzes dan (groot)ouders zouden doen: met keuze voor werk, werkdruk, vakanties enz.
De last is dat de middengeneratie en de huidige generatie moet nadenken over wat zij willen. Zij mogen gaan doen wat zij willen, want daar is vaak de mogelijkheid voor, maar ze moeten ook hun eigen leven uitstippelen. Het leven wordt zo een eigen project, waar jij zelf verantwoordelijk voor bent. Als jouw levensproject slaagt, dan heb je het goed gedaan, maar als het project van jouw leven misloopt, ben je zelf verantwoordelijk, of misschien wel schuldig.
Zelf zie ik deze generatie zoveel ballen tegelijk in de lucht houden, omdat je het haast niet kunt permitteren om er een te laten vallen, want stel je voor dat juist die bal die je hooghoudt je gelukkig maakt. Dat project van het leven met de verantwoordelijkheid om dat zelf vorm te geven en de mogelijkheid om te mislukken en vast te lopen, doet een enorm appèl op coaching en (geestelijke) begeleiding.
Mocht je wat willen betekenen als gelovige voor je medestudenten,  dan heb je hier een  belangrijk terrein: zorg en aandacht voor hoe iemand zijn eigen leven vorm moet geven of vormgeeft. Het valt mij steeds meer op, hoe belangrijk de levensbiografie van iemand is. Om een theoloog te begrijpen, zoek ik op internet vaak iets de biografie op en in pastorale gesprekken laat ik mensen eerst vertellen wie ze zijn. Dat is op zichzelf al verkondiging – iemand laten vertellen, maar daar kom ik nog op terug.

Persönlichkeitsspezifik Credo
Als je een ander leven hebt dan je ouders of grootouders, Dan kun je ook niet zomaar meer terugvallen op hoe zij het geloof beleefden en verwoordden. Het gaat er nu om, wat jij gelooft en wat jij aan jouw geloof hebt. Dat is niet alleen van belang, omdat jouw leven anders is dan die van de mensen voor jou, maar ook omdat de tijd anders is:  Geloof, kerk, geloofsbelijdenis, Bijbel – het is allemaal niet meer bekend. Je kunt niet meer volstaan met: ‘Mijn kerk zegt…’, ‘De Bijbel zegt…’
Het kan ook zijn, dat je nu in deze fase van je leven niet alles  voor je rekening neemt,  dat je een slag om de arm houdt met betrekking tot bepaalde punten. In het nadenken over het pastoraat wordt er gesproken over een persönlichkeitsspezifik Credo: het geloof, zoals jij op dit moment voor je rekening kunt nemen, wat je zelf onderschrijft. Je gelooft wordt daardoor authentieker, meer van jezelf. Doordat het geloof meer authentieker is, maak je de drempel voor de ander lager: Ook jouw geloof is niet perfect, ook jij als gelovige worstelt met vragenen hebt niet overal een antwoord op. Dat kan voor de ander de ruimte bieden om ook over geloof na te denken: Je hoeft niet alles gelijk te snappen en je mag ook mis zitten. In de kerkgeschiedenis is er niemand geweest die een perfect geloof heeft. Ook de grootste theologen hebben hun worstelingen gehad en de meeste gelovigen hebben hun twijfels en aanvechtingen. Het gaat er alleen hoe je er mee omgaat.
Dat kan het zwakke van dit persönlichkeitsspezifik Credo zijn, wanneer je niet in gesprek blijft met God, met de Bijbel of met anderen. Wanneer je geloof, zoals je dat beleeft, een soort status quo wordt en twijfel gekoesterd wordt als een fase waar je niet uit hoeft te komen. Voor mijzelf als predikant betekent dat dit authentieke Credo ook steeds in gesprek moet zijn met de Bijbel, met het credo van de kerk en met grote theologen uit verleden en heden. Voor mij was het een eyeopener om te ontdekken dat de Bijbel veel meer worstelde dan ik in mijn Schriftuurlijk-bevindelijke opvoeding meekreeg in preken en op catechisatie. Zelf merk ik dat ik steeds meer gereformeerder wordt, dan wel op een authentieke manier.
Om met anderen over het geloof te spreken,  mag je dus je eigen, niet-perfecte, soms fragmentarische geloof hebben. in onze traditie heet dat theologie van het kruis: God kiest de weg van de ondergang en vernedering, niet alleen met Christus, maar ook met Zijn koninkrijk. Als dat geloof maar een zoeken naar God blijft en naar een omgang met God blijft.

Wortelen
Wie in de zending gaat, krijgt eerst een uitgebreide kennismaking  met de cultuur van het gebied en moet daarin gaan wortelen. Wil je in deze tijd het evangelie kunnen uitdragen, dan betekent op z’n minst dat je je best doet om deze cultuur te begrijpen. Nog mooier is als je de cultuur ook echt aanvoelt, iets van jezelf wordt,  als je erin wortelt, als het je habitat wordt, als je van deze cultuur gaat houden. Dat geldt ook voor mij als predikant: ik kan niet goed preken maken als ik de cultuur niet snap, niet peil. Dat geldt ook voor de plaatselijke cultuur.  Ik kan geen goed predikant zijn als ik niet een bepaalde affiniteit heb met de plek waar mijn gemeenteleden wonen, als ik er niet onderdeel van ben.Inburgeren, aarden in een cultuur, is van belang. Voor jullie dat je inburgert in de studentencultuur, in de academische wereld. Je hoeft echt niet helemaal één te worden, in alles mee te doen, als je hen maar begrijpt, in wat hen bezighoudt, of probeert te begrijpen. Als je maar probeert de taal, de manier van leven,
van denken en reageren probeert te begrijpen. Als je er onderdeel van bent, dan zie je ook de schaduwzijden en kun je dat soms aan de orde stellen, maar dat werkt vaak het beste vanuit
verbondenheid en interesse voor de ander en de cultuur voor de ander.
Gebruik je academische houding om je cultuur te doorgronden, om dieper te peilen. Of om verrassende dwarsverbanden te leggen. Een van de verrassende dwarsverbanden, waar ik veel aan heb,  is het onderzoek van Motivaction: het onderzoek naar levensstijlen, dat in Nederland en vooral uit Duitsland benut wordt om na te denken, wat de verschillende levensstijlen betekenen voor het doorgeven van het evangelie.

Incarnationeel
Zending is vaak ook een beweging naar de ander toe. Soms letterlijk, dat je iemand anders opzoekt in zijn huis of op zijn kamer. In de 10 jaar dat ik predikant ben, heb ik gemerkt hoe bijzonder mensen het vinden als je de moeite neemt om hen op te zoeken. Dat heeft ook theologische betekenis. In het missionaire debat wordt de vergelijking gemaakt met de komst van Christus: Hij kwam naar de aarde, Hij zocht ons op, Hij deelde ons bestaan, onze manier van leven. In Christus liet zien dat God ons als mensen opzoekt. In het bezoeken van een ander kun je iets laten zien dat God mensen opzoekt, ook mensen die vanuit zichzelf niet zo snel een kerk binnenstappen, vanuit zichzelf niet zomaar over geloof zouden beginnen of zich open zouden stellen van God. Geregeld heb ik de indruk, als ik met gemeenteleden spreek, dat zij niet alleen met mij maar via mij ook met God in gesprek zijn. Je moet niet onderschatten op welke manier jullie voor iemand die niet gelooft een beelddrager kunt zijn van God, of zoals Paulus dat zegt: een leesbare brief. Iemand die God niet kent, die de Bijbel niet kent, ziet aan jullie wie God is. Jullie zijn voor diegene een zichtbare Bijbel, een belichaming van het evangelie.

Weerspiegelen van Christus

Dat vraagt veel van je houding: In je houding naar anderen toe weerspiegel je iets van Christus. Vandaar dat in de brieven in het Nieuwe Testament veel aandacht is voor onze levenshouding. Die keren dat ik erover preek, valt het me vaak op dat ik daar zelf zo weinig over hoorde. Vaak lag de nadruk op het eerste deel van de brieven,  op de rechtvaardiging van de goddeloze, op het komen tot Christus, niet op het groeien in Christus – uit angst wellicht voor werkheiligheid, dwz dat je eigen prestaties ertoe leiden dat je in de hemel mag komen. In de Bijbel ligt veel nadruk op integer zijn, op bereid zijn om de ander te dienen,
om de ander hoger te achten dan jezelf, om je niet door haat of jaloezie te laten leiden. Vanuit het besef dat je hier op aarde voor Gods aangezicht leeft en dat je bevrijd bent uit de macht van de zonde. Met een bepaalde levensstijl plaats je jezelf dan weer in die macht. Eugene H. Peterson, één van mijn theologische helden, legt veel nadruk op op de groei in geloof: tot de maat van de statuur van Christus, gezond in God en robuust in liefde (Efeze 4:13, 15). HSV: totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen  man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.
De Geest is bezig om ons daarin te vormen naar het beeld van Christus. Dat volledige, volkomen, perfecte beeld zullen we pas in de hemel hebben, maar dat wil niet zeggen dat we hier niets iets kunnen uitstralen. Paulus die scherp elke menselijke prestatie om bij God uit te komen afwijst, heeft ook juist veel aandacht voor het wonder van de Geest in ons leven, de Geest die aan ons leven vrucht laat groeien: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing – niet misschien, maar zal laten groeien.
Ik zeg er altijd bij: die vrucht, die zie je vaak niet, maar een ander ziet die wel. Die vrucht is zelden, wat jij wil uitdragen – want onze beste werken zijn met zonde bevlekt – maar wat je zelf niet doorhebt, wat voor jezelf haast gewoon is, dat straal je uit.

Basishouding
Ik maak nu een stap naar drie grondbeginselen die uit de psychologie van Carl Rogers komen en die in het pastoraat overgenomen zijn: echtheid, aanvaarding, empathie. Deze voorwaarden zijn niet helemaal een uitwerking van de vrucht van de Geest. Ik had ook kunnen kijken naar ethici voor wie karaktervorming belangrijk is (Alisdair McIntyre, Stanley Hauerwas, Samuel Wells), maar daar ben ik niet zo in thuis.

  • Echtheid (authenticiteit) is een voorwaarde voor communicatie met de ander.
    Echtheid is dat je in het hier en nu weet wat er in je omgaat en dat je vandaar uit communiceert.
  • Aanvaarding: je aanvaardt de hele persoon, met zijn positieve en negatieve kanten. Je veroordeelt niet iemand op wie hij is, wat zij zegt of doet, wat iemand bij je oproept. Zonder persé eens te zijn met de ander.
  • Empathie: proberen manier van denken en leven van de ander te begrijpen, alsof je de ander bent.

Deze 3 basishoudingen zijn niet het evangelie, maar wel behulpzaam om in gesprek te zijn met anderen, want ze leren je:
– authentiek te zijn, eerlijk over wat je zelf denkt en gelooft
– open en nieuwsgierig te zijn naar wat een ander beweegt, zonder direct in een kramp te schieten wat de ander aangeeft te moeten veroordelen en zorgen ervoor dat je in de ander meer ziet dan zijn opvattingen of haar levensstijl, maar de mens.die de ander is.

Levensverhaal
De mens die de ander is – in deze tijd is de biografie van grote betekenis. Ik heb dat al eerder iets over gezegd. Wat mij steeds weer opvalt, hoe bijzonder mensen het vinden als je over zichzelf kunnen vertellen, hun levensverhaal kunnen delen, als er iemand is die luistert naar wie ze werkelijk zijn. (Margriet van der Kooi: Tevoorschijn luisteren. Psalm 116:1 Want die getrouwe Heer, hoort mijn stem. Hij neigt Zijn oor.)
Wanneer je voor iemand iets wilt betekenen, heb dan oog en oor voor iemand levensverhaal. Wie een levensverhaal kan vertellen, bij iemand de openheid en belangstelling en ook de zorgvuldigheid vindt waarmee iemand omgaat met wat verteld wordt, opent een deur voor het evangelie. Dat evangelie zit allereerst in de luisterende, niet-veroordelende houding, maar ook in de vragen die gesteld worden en de overige interventies die gepleegd worden.
Dat vraagt soms een fijngevoelig instrumentarium en dat moet je ook ontwikkelen. In mijn tweede gemeente heb ik pas geleerd wat het betekent als iemand aangaf dat hij in Nederlands-Indië is geweest, welke gruwelijke ervaringen iemand heeft meegemaakt welke trauma’s hij heeft opgelopen, welke verliezen en welke teleurstellingen daarna.
Voor het luisteren naar levensverhalen is een zekere historische kennis van groot belang net als het signaleren van woorden, die de betekenis van iets aangeven. Vaak als je daarop doorgaat, gaat er een deur naar iemands hart open. Als je weet wat het overlijden van een ouder of broer of zus kan betekenen, als je weet hoe diep een teleurstelling er in kan hakken. Als je weet dat depressiviteit niet zomaar even iets is, maar een ongrijpbaar gebeuren, dat je in de greep houdt, zonder dat je er aan ontworstelt.

Niveau’s in het gesprek
1) Feiten: naam, geboortedatum, opleiding, achtergrond, levensloop.
2) Ervaring en gevoel

Wanneer iemand iets vertelt, kan het heel waardevol zijn om stil te staan bij wat het met de ander heeft gedaan. Een mogelijke reactie zou kunnen zijn:

– ‘Dat is nogal wat, wat je mij vertelt!’

– ‘Wat naar voor je!’

– ‘Ik zie dat het je nog steeds bezighoudt!’

– ‘Wat een mooi bericht!’

– ‘Het lijkt me nogal ingrijpend wat je mij vertelt. Hoe ben je er zelf onder.’
– Bijzonder dat je dat volhoudt

3) Betekenis en zin

Wanneer iemand iets vertelt, kan het heel waardevol zijn om stil te staan bij wat het voor de ander betekent. De ander kan een verlangen hebben, dat nu niet meer in vervulling kan gaan. Een droom die vervliegt. Of juist een droom die uitkomt, een blijde gebeurtenis.

– ‘Hoe ga je er mee om?’

– ‘Heeft deze gebeurtenis je veranderd?’

– ‘wat betekent dit voor je?’

– ‘Dat is net wat je nodig had, toch?’
– Waar gaat dat heen?

Soms weten mensen niet hoe ze er betekenis aan kunnen geven. De geloof en bijbel kan helpen om er betekenis aan te geven. Soms kan de betekenis ook zinloosheid en vertwijfeling zijn. In de klaagpsalmen worden ingrijpende gebeurtenissen verwoord. Wanneer mensen ontdekken dat dit in de bijbel staat, kan hen dat erkenning geven voor wat hen overkomt.

Op de opleiding kreeg ik een tip, voor als we in gesprek zouden komen met iemand van wie we niet weten, of hij of zij gelooft. We zouden dan kunnen vragen: “Waar haal je je kracht vandaan?”

4) Geloof

Na aandacht voor wat het met de ander doet en wat het voor de ander betekent, kan er ruimte ontstaan om iets over God te vertellen of naar Hem te vragen. Bij zulke vragen is het wel verstandig om God zelf te kennen en te leven uit de Bijbel.

– ‘Zou het je helpen als je wist dat er een God was?’

– ‘Hoe denk je dat God zou reageren op wat je meemaakt?’

– ‘Wat je nu vertelt, doet me denken aan iets uit de Bijbel. Mag ik je dat vertellen?’

(5) Christus)
Misschien moet er aan niveau worden toegevoegd: in Christus, als een ruimte waarin je komt,
nadat je gaat geloven of het geloof eigen maakt, geroepen uit de duisternis tot Zijn licht.

Verboden en verborgen
Die niveau’s helpen mij om twee redenen:  Allereerst laten ze zien dat het spreken over het geloof niet zomaar gaat. Dat er heel wat nodig is aan vertrouwen, aan onderweg zijn in een  gesprek. De praktisch-theoloog Manfred Josuttis spreekt over het heilige en dat is een verboden en verborgen zone. In onze tijd, die vaak seculier is, mag je daar niet zomaar komen (verboden) en veel mensen weten niet meer de weg naar dat heilige (verborgen). Wat je als gelovige kunt betekenen, is dat je een gids bent, die iemand meeneemt op dat verboden en verborgen terrein, omdat je zelf weet welke fijngevoeligheid er nodig is om geloof, het leven met God, het leven in Christus aan de orde te stellen. Daarnaast helpen deze fasen mij juist als een weg om het geloof wel aan de orde te stellen. Het volgen van die niveau’s brengt diepgang in het gesprek, een openheid voor de ander, Voor wat de ander denkt en beleeft, welke betekenis hij of zij aan zijn of haar leven geeft. Om een voorbeeld te geven: Je komt in contact met een medestudent: je vertelt aan elkaar hoe je heet, welke richting je volgt, misschien waar je woont en waar je vandaan komt. In het tweede niveau geef je daar een waardering aan in positieve of nieuwsgierige zin, als een erkenning, waarmee je laat zien dat je je in een ander wilt verdiepen. Dat kan een uitwisseling zijn van hoe je de studie beleeft.
Vaak blijven de gesprekken op deze manier steken en als het klikt ga je misschien op een andere keer verder.
Niveau 3 gaat over de betekenis voor iemand, de zingeving. Misschien betekent zo’n studie heel wat,  ligt er een soort persoonlijke roeping aan ten grondslag, of is het een soort emancipatie. Misschien juist vanuit het gevoel dat iemand niet weet wat hij of zij met het leven aan moet. De studie kan verrijkend zijn, waardoor je als persoon groeit, je kunt tijdens de studie vastlopen, afstompen, een gevoel: is dit nu. Zorgvuldig luisteren op de eerste 3 niveau’s, naar de woorden met een diepere betekenis – ‘symbolen’ die meer verraden – geven een openheid voor de persoon. wanneer er genoeg openheid en vertrouwdheid is, kan het ook mogelijk worden om het geloof te delen, op een voorzichtige manier,  meer tastenderwijs, vragenderwijs of het voor de ander iets kan betekenen.

Empathieve spiritualiteitskritiek
Misschien hoor je wel allerlei dingen, waar je zelf niet gelukkig van wordt, die je zelf liever anders zou zien, een soort vage spiritualiteit, of een mix aan allerlei vormen, een andere godsdienst. Van de godsdienstsocioloog Paul Zulehner heb ik het woord empathieve spiritualiteitskritiek geleerd: Je hebt kritiek op de spiritualiteit van de ander, maar je doet wel je best om het denkkader en manier van leven te begrijpen en vanuit dat begrip reageer je, niet om de ander onderuit te halen, maar juist om de ander verder te helpen. Het is kritisch op een respectvolle manier, ten dienste van de ander.

Levende relatie
Kun je zomaar wat inbrengen, kun je het met de ander zomaar over God en geloof hebben? Wie psychologie studeert, leert misschien wel dat het inbrengen van iets nieuws wat buiten het denkkader of manier van leven van de ander zorgvuldig moet gebeuren. Je moet zelf weten wat je doet. Tegelijkertijd leert iemand als persoon vooral door nieuwe inzichten, door in contact te komen met een vreemde wereld. Inbrengen in een gesprek werkt vooral vanuit een authentieke houding en vanuit respect én zorgzaamheid voor de ander. Hier weer dat persönlichkeitsspezifik Credo, je reageert authentiek vanuit je eigen omgang met God. Vanuit wat voor jezelf belangrijk is, vanuit waar je zelf nog niet uit bent of begrijpt. Om het geloof uit te kunnen dragen, is het nodig  om zelf een levende relatie met Christus te hebben. Om het geloof niet te zien als een systeem van waarheden dat verdedigd moet worden, Maar als een samenzijn met God dat je de ander ook zou gunnen.
Dat is van belang om te onthouden, dat het geloof niet een systeem is,  een levensbeschouwing alleen, een set van waarheden en regels waaraan je je houdt. Geloven is een manier van leven, met rituelen, zoals bidden en Bijbellezen, kerkgang, zegen ontvangen, het goede over anderen doorgeven, verduren en ondergaan. Die manier van leven raakt steeds meer naar de achtergrond, omdat er weinig aanraking meer is met vormen van christelijk geloof. Tegelijkertijd zijn er nog steeds zulke aanknopingspunten: Iemand die op tv the Passion ziet, een concert bezoekt met muziek van Bach of Händel, de trouwdienst van een studiegenoot of een collega bezoekt. Een uitdaging en een taak om ook hier te laten zien,
dat het christelijk geloof misschien wel een kwetsbaar, niet voor de hand liggend geloof is,
maar nog steeds levend, een manier om God te ontmoeten,  om met Hem in aanraking te komen, om van Hem te horen en met Hem te leven. Als het gaat om het beleven van het christelijk geloof, het levend houden door viering, kunnen we juist veel leren van andere christelijke tradities.
In onze protestantse traditie hebben we heel wat vormen weggedaan, waardoor God op een afstand is komen te staan,  geloven veel meer een intellectueel gebeuren is geworden, minder een manier om de werkelijkheid van God ‘binnen te gaan’. Het is een uitdaging om vormen te vinden, die in deze tijd helpen om God te beleven en te vinden. Tish Harrison Warren – Liturgy of the Ordinary heeft een boek geschreven, waarbij ze alledaagse rituelen verbondt aan rituelen uit de christelijke traditie: bed opmaken, kruisje bij het opstaan, tanden poetsen als gebed. Die vormen helpen ook om voor anderen te bidden, bij God te brengen. Die vormen helpen ook met wachten op Gods tijd. (Markus 4:26)
(Warren werd later studentenpastor en gaf als advies dat je als student goed moet slapen en je nachtrust moet nemen. Ze zegt erbij: het is altijd het beste geestelijke advies dat ik kan geven.

Samaria
Eugene H. Peterson schreef in Tell It Slant over de reis van Jezus naar Jeruzalem (Lukas 9-19). Deze weg gaat door Samaria. Samaria is het gebied, waarin mensen vijandig of onverschillig zijn ten opzichte van God. Op de weg door Samaria doet Jezus iets bijzonders. Hij voert gesprekken. Hij vertelt verhalen over het gewone alledaagse leven, gelijkenissen die – zonder dat ze over God gaan – aan het nadenken zetten over God. Geen verkondiging of onderwijs, maar alledaagse gesprekken, alledaagse verhalen. Dat is wat we in Samaria kunnen doen. Niet prediken of betweterigheid, maar ruimhartige gesprekken met aandacht voor de vragen die mensen hebben. Ons laten bevragen op ons geloof. Verhalen vertellen die tot nadenken stemmen over God. Niet speciaal geestelijke verhalen, maar gewone alledaagse verhalen die toch iets onthullen over Gods liefde, Gods geduld en barmhartigheid, een uitnodiging zijn om ook kennis te maken met de Heere.












Hou(d)vast hoofdstuk 19 – hoop vinden en uitdelen. Over getuigen van je geloof

Hou(d)vast hoofdstuk 19 – hoop vinden en uitdelen. Over getuigen van je geloof

Vraag 1: Wat zouden anderen in jouw omgeving over God, Christus, geloof moeten weten?

Vraag 2: Wat zou voor jou een mooi moment zijn om iets over jouw leven met God te delen?

Vraag 3: Welk Bijbelverhaal /Bijbeltekst, lied, gebeurtenis, inzicht zou je dan willen delen? Als dat te maken heeft met een bepaalde gebeurtenis, schrijf die gebeurtenis dan op.

Vraag 4: Wat zou een reden zijn om niet over je geloof te vertellen? Hoe zou je dat kunnen ondervangen? Zijn er momenten waarop het niet gepast is om te delen?

Vraag 5: In het boekje wordt op p. 135 verwezen naar 1 Petrus 3:13-17. Daarom gaat het om getuigen, omdat je hoopvol bent door Christus. Wanneer merk jij in jouw leven dat je door Christus hoopvol gestemd bent? Als je dat niet hebt, hoe zou dat dan komen?

Vraag 6: Op pagina 136 wordt een voorbeeld gegeven van een gesprekje in een voetbalkantine: ‘Jij gelooft toch ook?’ Welke vragen krijg jij van mensen die niet geloven? Hoe reageer jij daar op? Wat doe je als je weerstand voelt of je je ongemakkelijk voelt?

Vraag 7: Op pagina 136-137 wordt uitgelegd wat getuigen is. Het zit in woorden en daden. Waar ben jij beter in: in getuigen door woorden of in getuigen door daden? Kun je daar een voorbeeld van geven?

Vraag 8: Waar zou jij hulp bij willen hebben?

Geloven in deze tijd

Geloven in deze tijd
Lezing Vrouwenbond Oosterwolde, 21 september 2016

Hartelijk dank voor de uitnodiging om hier te mogen spreken. Wanneer ik voor zulke gelegenheden uitgenodigd wordt om te spreken, wil ik graag ingaan op iets wat de aanwezigen, wat u bezighoudt. Toen ik  gevraagd werd, heb ik met iemand van het bestuur overlegd, wat er eventueel zou kunnen spelen en zijn we uitgekomen het thema: Geloven in deze tijd.
We zijn samen op dit thema uitgekomen, omdat het van ons samen de gedachte was, dat het niet eenvoudig is voor jongeren, voor kinderen om te geloven. En ik voeg daar aan toe: misschien voor uzelf ook wel. Ook al bent u nu nog in een kerkelijke omgeving, maar heeft u voor uzelf wel moeilijk om in deze tijd staande te blijven.

Ik wil met u eerst gaan kijken in wat voor een tijd wij leven en dan kijken welke manier van geloven, welke houding van ons gevraagd wordt. In wat voor een tijd leven wij?

Onzekerheid
Ik denk dat voor veel christenen het een tijd is van onzekerheid, omdat wat je zelf vroeger hebt geleerd niet meer zo vanzelfsprekend is. Wat je zelf geleerd hebt over de kerk, over God, over geloof en wat je hebt willen doorgeven wordt door je kinderen niet zomaar meer overgenomen. U ging twee keer mee naar de kerk, omdat uw ouders ook gingen, maar u ziet bij uw kinderen dat ze maar één keer gaan, of zo af en toe, of helemaal niet. U bent opgegroeid binnen een bepaalde kerk, maar de kinderen kunnen in een heel andere kerk zitten, waar de diensten er heel anders aan toegaan,  er andere opvattingen over de doop zijn, een andere manier van preken. Nu kunnen we ons afvragen of de verschillen tussen de kerken  in Oosterwolde of Oldebroek wel zo groot zijn.

Andere wereld
Als ze naar de middelbare school gaan, in Elburg, Wezep, Kampen, kan de overgang groter zijn, omdat ze dan in aanraking komen met jongeren die veel minder bij de kerk betrokken zijn en wanneer ze gaan doorleren en gaan studeren  en naar Zwolle gaan, of Groningen, Utrecht, Amsterdam, is de overgang helemaal groot. 
Ooit gaf ik enkele maanden catechisatie op Marken. De kinderen bleven tot hun 12e op het eiland, omdat er een christelijke basisschool was. Vanaf hun 12e gingen ze naar Monnickendam of Volendam en kwamen ze echt in een heel andere wereld terug en die overgang had ook effect voor hun band met de kerk: Het was niet makkelijk om ze met 13 jaar nog te interesseren voor kerk of geloof. 
Tegenwoordig hoef je niet meer een eiland of het dorp uit om met een heel andere wereld in aanraking te komen. Je hoeft alleen maar een computer of een mobieltje met internetverbinding te hebben: snapchat, instagram, facebook, twitter – met een verzamelnaam: social media. Uw zoon of dochter kan verkeren in een wereld, waar u geen zicht op hebt en misschien ook een wereld, die u helemaal niet kent. Dat kan onzekerheid met zich meebrengen: Wat krijgt mijn kind te zien, te horen, te lezen en welke invloed zal dat hebben op de band met God, met de kerk?

Keuze
Niets is meer vanzelfsprekend: 
Het is niet meer vanzelfsprekend dat ze in Oosterwolde blijven wonen, dat ze gaan trouwen, dat ze bij de kerk blijven, dat ze geloven. Daar kunnen ze voor kiezen, maar ze kunnen er ook voor kiezen om dat niet te doen. Ze kunnen hun eigen keuze maken; ze kunnen hun eigen leven uitstippelen. Dat kan iets bevrijdends hebben: Je hoeft geen boerderij meer over te nemen als je echt niet wilt. Ik heb wel boeren begraven, die liever iets anders geworden waren dan boer, maar er was geen andere keuze dan het overnemen van de boerderij. Ik heb vrouwen ontmoet die graag hadden willen doorleren, maar niet konden, omdat ze de zorg voor het gezin moesten overnemen, omdat een moeder jong overleed, of er geen geld was om door te leren. Als je nu een eigen keuze wilt maken, is die keuze vaak ook mogelijk.

Keuzedwang
Alleen we leven in een tijd, waarin die keuzes niet alleen mogelijk zijn, maar ook gemaakt moeten worden. Als je wilt doorleren, dan moet je een keuze maken voor een bepaalde richting: wil ik als meisje de zorg in, of kies ik een economische richting. Welke van de vele opleidingen past het beste bij mij? Die keuze is niet zo eenvoudig: Want wie helpt hen om de juiste keuze te maken? Mijn moeder kon mij nooit met mijn huiswerk helpen om de middelbare school, omdat ze maar enkele jaren huishoudschool had gedaan en mijn schoolwerk gewoon niet begreep. Mijn vader had wel gestudeerd, maar in een andere tijd. Voor de meeste jongeren is het toch voor een deel zelf de weg uit moeten zoeken, waarbij ze door onervarenheid ook de verkeerde keuze maken en blijkt halverwege een andere keuze nodig. Zo’n zoektocht en verandering kan soms best ingrijpend zijn voor de jongeren. Op veel terreinen moeten ze kiezen en steeds meer hebben ze daardoor de druk om hun eigen leven ‘vorm te geven’. Ze kunnen niet zomaar terugvallen op de keuzes die u gemaakt heeft.

Druk
U moet niet onderschatten hoe groot de druk is. Want het lijkt mooi: een grote keuzevrijheid  en voor bepaalde groepen is het ook een verademing dat die keuzevrijheid er is. Maar die keuzevrijheid heeft ook een schaduwkant: namelijk de gedachte dat je een verkeerde weg kunt inslaan: de verkeerde vervolgopleiding kiest, de verkeerde partner, de verkeerde baan.
Dat de druk om te kiezen toegenomen is, heeft ook als oorzaak dat de normen hoger geworden zijn: Vervolgopleiding is nu niet meer voor een beter inkomen, een hoger salaris, maar de keuze voor een studie, baan, partner, enz. moet bijdragen aan het geluk.  De suggestie wordt gewekt dat het geluk binnen handbereik ligt. Dat komt door de toegenomen welvaart  (hoewel dat juist voor jongeren weer onder druk staat) en de verbeterde gezondheidszorg.

Niet mogen falen
Omdat de suggestie is dat het geluk binnen handbereik ligt, mag je niet falen: je mag niet vastlopen in je studie,  je mag niet depressief zijn. Het beste is niet goed genoeg. Mijn dochter gaf aan dat op sommige tieners op instagram de mooie foto’s die ze gemaakt hadden en geplaatst hadden, na enkele uren weer weghaalden, omdat ze te weinig reacties hadden opgeleverd waardoor ze gingen twijfelen of de foto’s wel mooi gevonden worden. Dat leidt tot een enorme spagaat: de druk om het beste van jezelf te laten zien en tegelijkertijd niet falen, niet tekort mogen schieten. Als het misgaat, hakt dat er enorm in. Het zou kunnen zijn, dat de jongeren van tegenwoordig minder weerbaar zijn en sneller van slag zijn bij een tegenslag, maar dat doet geen recht aan de complexiteit waarin jongeren zich bevinden. Ze moeten veel ballen in de lucht houden en in veel werelden actief meedoen.

Verschillende werelden
Tieners, twintigers en dertigers leven ieder persoonlijk in verschillende werelden. Ook dat heeft te maken met het moeten uitstippelen van de eigen levensweg. Er is niemand met wie ze al die verschillende werelden delen. Ze hebben de wereld van thuis, van school, vriendengroep, van games, social media, werk. 
In al die werelden kunnen ze een ander zijn. Op school kan iemand een grijze muis zijn, maar als gamer iemand die in een bepaalde game aan de top meedoet. Op school kan iemand een stille zijn, die nauwelijks buitenkomt, maar zeer actief op social media. Iemand kan in een heel degelijk gelovig gezin opgroeien, maar op school in een wereld terecht komen met medeleerlingen, medestudenten, die nauwelijks meer iets weten over geloof. Thuis een traditioneel gezin, waarin er geen tv is, of soms zelfs geen computer, maar op school of in de bibliotheek actief op internet. Jongeren kunnen vaak makkelijk schakelen tussen de verschillende werelden.
Dat leven in die verschillende werelden heeft iets positiefs en iets negatiefs: Het positieve is dat iemand in een nieuwe wereld een hele nieuwe kans heeft om zichzelf te ontwikkelen, zonder belemmerd te worden door het beeld dat anderen van hem of haar hadden in de kindertijd. Verlegen kinderen hebben door social media de gelegenheid om vriendschappen aan te gaan en te onderhouden en kunnen daardoor meer vrienden hebben dan ze zouden hebben zonder social media. Nadeel: dat niemand al die werelden kent. Soms werkt ook een akkefietje in de ene wereld door in de andere wereld(en): het pesten op school kan doorgaan op sociaal media, waardoor die wereld ook niet meer een veilige wereld is waarin ze zich kunnen terugtrekken.

Afhaken
Het gevaar kan zijn dat de kerk en de wereld van het geloof 
een wereld is die helemaal los komt te staan van de andere werelden waarin jongeren zich verkeren. Wat er in de kerk gebeurt in de kerkdienst, tijdens catechisatie, de clubs, dat heeft bijna geen betekenis voor de andere werelden. Dan haken jongeren af met 16 jaar of soms nog eerder: gaan ze niet meer naar de kerkdienst, naar catechisatie, naar de clubs. Ze zijn niet persé onverschillig, maar het geloof en de kerk heeft geen betekenis voor hen en ze kunnen er zonder, zonder dat ze voor hun gevoel echt iets missen.


Dit is een uitgebreide weergave van deze tijd:  
verschillende werelden, waarin iedereen zich bevindt, het eigen leven moeten uitstippelen, grote druk, omdat je dat leven moet uitstippelen, maar niet mag falen en weinig mensen om je heen die je kunnen bijstaan en helpen.
Wat betekent dan geloof in deze tijd? Wat kunnen wij voor elkaar betekenen? Wat kan de geloofsgemeenschap betekenen voor de tieners, twintigers, dertigers van nu? Is het een hopeloze zaak en kunnen we alleen maar hopen dat alles niet ineenstort? Of moeten we ons terugtrekken en alleen maar richten op diegenen die wel trouw blijven aan de kerk en aan het geloof?

Geen hopeloze zaak
Geloven in deze tijd is geen hopeloze zaak. Allereerst niet omdat God regeert. Ook in deze tijd. Dat is niet altijd makkelijk te zien, zeker niet als we om ons heen zien  dat de kerk en de manier van geloven die voor ons vertrouwd is onder druk staat of op bepaalde plekken helemaal dreigt te verdwijnen. Aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus:

Want Hij zegt: In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen. Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil! (2 Korinthe 6:2)

Ook deze tijd is een tijd waarin de Heere werkt. 
Daarom is deze tijd niet hopeloos.

Authentiek geloof
Er is een tijd waarin nieuwe kansen ontstaan, ook voor de kerk en voor het geloof. 
Wat deze tijd van verschillende werelden tegelijkertijd,  de dwang het eigen leven te moeten vormgeven, de grote druk vraagt is een authentiek leven en een authentiek geloof. Een geloof dat oprecht is en dat jezelf in je opstelling, in je antwoorden en belangstelling oprecht bent en dat ook de kerk authentiek is.
Als je geloof eerlijk en oprecht is, hoef je je daarvoor niet te schamen en mag je dat uitdragen op een manier die bij je past. Dat hoeft geen geloof te zijn waarin alle vragen en twijfels overwonnen zijn. Integendeel, het kan juist helpen als anderen zien en merken dat u ook uw twijfels hebt en toch vasthoudt aan een leven met de Heere God.

Oprechte belangstelling
Een authentiek geloof kijkt niet neer op iemand die nog niet zo ver is, maar staat er naast: vanuit oprechte belangstelling voor de ander, betrokken op de ander, maar ook oprecht onbevreesd:  durven meeleven, vragen durven stellen,  nieuwsgierig  naar wie de ander is en hoe de ander doet.
Het valt mij vaak op aan ouders van wie de kinderen niet meer naar de kerk gaan dat het gesprek over geloof en de kerk stilvalt: ‘We kunnen er niet meer over praten.’ Maar dan zijn er toch nog andere onderwerpen waarover je kunt praten: Is je kind gelukkig, hoe houdt hij of zij het vol, waar krijgen ze kracht door, waar worden ze enthousiast van, wat geeft hen moed? En durf je deze onderwerpen zelf ook te delen met je kinderen, niet in perfecte antwoorden. Laat maar doorschemeren dat je zelf ook moet zoeken. Want als je overal een antwoord op hebt en als je geen twijfel hebt en alles zo zeker weet,
leg je de lat voor anderen hoog: een geloof zonder twijfel zullen zij niet snel bereiken.

Vanzelfsprekendheid
Wat het lastige is aan een authentiek geloof 
is dat de meesten van u niet op die manier opgevoed zijn. Over geloof werd nauwelijks gepraat. Daar waren vooral vaste vormen voor:  kerkgang, catechisatie, bidden voor en na het eten (en dan vaak niet hardop), zondag was een andere dag dan de andere dagen. Er werd vaak geen uitleg gegeven over waarom de dingen zo gebeurden. Waarom zat de kerkdienst op deze manier in elkaar. Waarom werden er in de kerk alleen maar psalmen gezongen. Hoe je moest bidden, hoe je de Heere Jezus kon vinden, op welke manier je steun en kracht uit het geloof putte. Er was een bepaalde vanzelfsprekendheid van het geloof, waardoor het idee was dat uitleg over het waarom van de dingen niet nodig was. Dat gebeurde gewoon zo. Heel veel van die gewoonten spreken niet meer aan en worden daarom niet meer in praktijk gebracht. Het geloof kan echter niet zonder bepaalde goede gewoonten. Als er geen vaste tijden zijn voor Bijbel lezen en gebed gebeurt dat als je er aan toe bent, maar wanneer ben je er aan toe en wanneer heb je er tijd voor?

Aan zichzelf te wijten
De kerk heeft het ook wel aan zichzelf te wijten dat zulke vormen niet meer werken. Als er geen uitleg komt over waarom de dingen zo gedaan worden, worden het lege vormen, die een kooi worden in plaats van een bescherming voor het leven met de Heere. Als de kerk niet de harten van de mensen weet te vinden door preken die te moeilijk zijn, is het geen wonder dat een nieuwe generatie het ergens anders zoekt: buiten de kerk of in een andere kerk.
Ik vraag dat wel eens na bij de zestigers van nu: Hoe was dat samen te rijmen: op zaterdag de liederen van Johannes de Heer bij het orgel en op zondag alleen maar de psalmen statig op hele noten? Dat werd toen niet als tegenstelling ervaren. Zo deed men gewoon. Nu zou men gaan denken: als het op zaterdag kan, waarom niet op zondag? Waarom alleen maar psalmen, die vaak nogal moeilijk zijn en niet liederen die dichter bij het hart liggen. Als we in Oldebroek liederen uit de bundel van Johannes de Heer zingen, worden die uit volle borst gezongen, meer dan bij de meeste psalmen. 
Dat is overigens niet alleen van vroeger of van traditionele kerken. Ik kom dat zelf ook tegen. Afgelopen zondag in de consistorie vertelde een ouderling dat zijn zoon liever naar YouthAlpha gaat dan naar een kerkdienst. Daarop zei ik tegen deze ouderling:  Dan doen we als kerk iets niet goed. Probeer met hem eens te achterhalen wat hem in die YouthAlpha aanspreekt en wat kunnen we daarvan in de kerkdienst terug laten komen.

Luisteren
Daarmee zijn we bij een volgende belangrijk punt van geloven in deze tijd: 
dat er oog is voor hoe de mensen in deze tijd iets beleven. Niet meer een kerkleiding die weet hoe het zit en de lijnen uitstippelt en alleen maar zegt: zo hoort het.
Maar een kerk die bereid is om te luisteren, ook naar stemmen die iets anders beleven, een andere mening hebben. Niet om daarmee in discussie te gaan, maar uit oprechte belangstelling en interesse: Wat is jouw gedachte en hoe ben je daartoe gekomen? Vertel maar, ik luister naar je. Ik kom er steeds meer achter hoe belangrijk het is  dat mensen zich kunnen uitspreken, dat eigen visie naar voren kunnen brengen, zonder dat die van tafel wordt geveegd, maar vooral ook dat ze over zichzelf kunnen vertellen. Pastoraat wordt in toenemende mate belangrijker. En dan niet van die bezoekjes waarbij ik als predikant even binnenkom en na 10 minuten al mijn Bijbeltje pak om iets te lezen en afsluit met gebed en daarna weg, maar een open houding, luisterend naar het levensverhaal van de ander. ‘Tevoorschijn luisteren’ (Margriet van der Kooi)

Levensverhalen
Het leven van de ander doet ertoe en is de moeite waard om verteld te worden: living human documents .
Omgekeerd doet uw leven en uw biografie er ook toe. De jonge generatie is vaak benieuwd naar wie de ander is, wat iemand heeft meegemaakt, hoe iemand daardoor is gevormd. In verzorgingstehuizen wordt nogal eens het project levensboek uitgevoerd: Iemand die uitvoerig over zijn of haar leven wordt geïnterviewd. Daar wordt een boek van gemaakt, inclusief foto;s. Vaak waardevolle boeken: je komt erachter wie iemand is, wat iemand heeft doorgemaakt, hoe iemand geworden is, zoals hij of zij is. Vol levenswijsheid.  Wanneer iemand authentiek is en echt wijs en verstandig is, wil de jonge generatie daar vaak van leren. De jonge generatie zit echt te springen om van die levenswijsheid te leren. Dan niet in de vorm van geboden: dit moet je doen, dat mag je niet doen, maar in de vorm van verhalen: Dit heb ik meegemaakt, dit heeft me gevormd. En daardoor heen wevend hoe God aanwezig was, of juist niet.

Gemeenschap 
Dat brengt me ook bij een volgende punt: de relatie, de gemeenschap. In deze tijd is de gemeenschap van groot belang. En dan niet in de vorm dat de gemeenschap bepaalt wie iemand is, maar dat er in die gemeenschap een plek is waar om jou gegeven wordt: Het doet er toe dat je er bent, je wordt gezien, je naam is bekend, er is belangstelling voor je en je wordt gemist als je er niet bent. Als kerk moeten we meer onze best doen voor dit soort gemeenschap. In deze omgeving vind ik trouwens veel indrukwekkende vormen van meeleven. Ik probeer dat zelf ook steeds meer te doen: Een felicitatie als iemand jarig is, even langsgaan bij een overlijden, een berichtje via facebook, even een vraag bij het schoolhek. Het winterwerk starten we daarom met een bbq bij ons in de tuin en bij de catechisaties is er gelegenheid om daarna een kwartier met elkaar wat anders te doen: wat drinken, tafelvoetbal, een gezellig praatje: even vragen hoe het op school was, op voetbal, een plagerijtje.

Inwijding
Wat ook van belang in deze tijd is, is inwijding (vertrouwd maken). Uitleg geven over waarom we iets doen,  de nieuwe generatie helpen bij het bidden, het aanleren van liederen, leren hoe ze de Bijbel kunnen lezen, wat ze met hun geloof kunnen in hun dagelijks leven.
Inwijding is ook vertrouwd maken door iets te doenAls gezin proberen we onze kinderen met de doop vertrouwd te maken door de doopdag van de kinderen te houden, elk jaar opnieuw. Door van Kerst en Pasen echt een feest te maken en daarbij duidelijk te maken wat het met Christus te maken heeft. De christelijke feesten moeten echt beleefd worden. Beleving en emotie – ze kunnen goed gebruikt dienstbaar zijn aan de geloofsoverdracht. Diensten moeten zo persoonlijk mogelijk gemaakt worden en zeker bijzondere diensten als doop-, avondmaals- en huwelijksdiensten. Het wordt in deze tijd steeds belangrijker om Bijbelverhalen na te spelen of af te beelden,
zodat er een beeld bij te vormen is.

Gods aanwezigheid
Tot nu toe heb ik vooral ingezoomd op vormen, op de praktijk. 
Tot slot nog iets over de inhoud van het geloof. Ik denk dat het steeds meer van belang is om zicht te hebben
op welke manier de Heere nu, in het heden aanwezig is: tijdens de kerkdienst, tijdens het avondmaal, in gesprekken onderling,  in de schepping, in de dingen die gebeuren.
Hiervoor ben ik predikant geweest van twee kleine gemeenten in Noord-Holland. Ik heb die tijd niet altijd even makkelijk gevonden en heb me vaak afgevraagd of God nog wel werkte. Tot ik een verhaal hoorde over een priester uit de communistische Sowjetunie:
Deze priester ging elke zondag naar de kerk, alleen. Er kwamen geen kerkgangers. De priester werd erom uitgelachen: hoe houd je het vol om alleen in de kerk te zijn. Het antwoord van de priester: Ik ben niet alleen, maar God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn aanwezig, samen met alle engelen voor Gods troon. Iedere kerkganger zal die vreugde alleen maar meer doen toenemen.
We moeten oog ervoor krijgen dat de Heere vaak via hele gewone, onopvallende dingen werkt: de zon die opkomt, mensen die naar de kerk komen, iemand die groeit in geloof, iemand die zich opgeeft voor belijdenis, iemand die in een tijd van ziekte de kracht vindt om dit kruis te dragen. Ik heb moeten leren om te letten op deze tekenen van Gods werkzaamheid. Sinds ik dat kan zien, ben ik ook veel ontspannender in mijn geloven en kan ik meer uit vertrouwen leven: God zorgt echt wel voor deze wereld.

Verborgenheid of afwezigheid
Tegelijkertijd is het goed om oog ervoor te hebben 
dat God niet altijd vanzelfsprekend aanwezig is. De Heere kan afwezig zijn of zich verbergen en Hij kan op een pijnlijke manier gemist worden. Het is van belang om – net als in de psalmen – de klacht over Gods afwezigheid bij de Heere zelf te brengen. 
Dat vraagt om volharding. Meer dan voorheen is volharding van groot belang:  volhouden in het geloven, in het gebed, het bidden, ook als je geen direct resultaat ziet, niet ontmoedigd worden, maar hoop houden.

Kruis
Nog een laatste thema: het kruis op Golgotha en het lege graf. Steeds meer kom ik erachter, hoe belangrijk het is om dat kruis op Golgotha door te geven als een levende werkelijkheid, niet als iets dat ooit in het verleden gebeurde alleen,  maar als iets dat nog steeds tot ons spreekt: het spreken van het kruis. (avondmaal, liederen van Johannes de Heer) Het is voor de kerk van nu, voor de jongeren van nu van belang om te laten zien hoe dat kruis op Golgotha betekenis heeft voor ons vandaag met onze wereld, onze werkelijkheid.
Bram van de Beek, hoogleraar theologie, verbleef in Zuid-Afrika en liep dagelijks van de plek waar hij verbleef naar de universiteit langs de sloppenwijken. Daardoor ontdekte hij, dat Christus God was die op aarde kwam om in onze misère en ellende af te dalen. God maakt vuile handen om ons te reinigen, te redden van een verloren bestaan.
Jan Muis, mijn hoogleraar dogmatiek, vertelde 15 jaar geleden kort na de aanslagen van 11 september hoe die aanslagen in verband gebracht kunnen worden met God: In een van de gebouwen die was neergestort werd door de afgebroken constructie een kruis gevormd, helemaal onbedoeld en ook niet opvallend: een herinnering van Christus, die ons laat weten: Ik ben afgedaald in het rijk van de dood, tot in de hel. Hij is opgestaan, en is de Levende.
Hij leeft niet alleen in de verhalen die verteld worden, maar leeft nu en omdat Hij leeft, kunnen wij leven. Omdat Hij leeft is ons leven nooit meer zinloos, nooit zonder doel, nooit zonder hoop. Omdat Hij leeft, kunnen wij geloven. Hij is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. We beginnen elke kerkdienst met die machtige belijdenis:
Onze hulp is in de naam van de Heere,  Die hemel en aarde gemaakt heeft
Die trouw houdt en eeuwig leeft
en niet prijsgeeft wat Zijn hand begon.

Lezing Vrouwenbond Oosterwolde, 21 september 2016







Recensie Handbuch Kirche und Regionalentwicklung

Recensie Handbuch Kirche und Regionalentwicklung

In 2009 werd door de EKD het Centrum voor Missie in de Regio opgericht (ZMiR). Het ZMiR is bedoeld om de samenwerking tussen kerken in een bepaalde regio te versterken, zodat ze hun missionaire taak in de desbetreffende regio kunnen oppakken. Doordat niet elke Duitse ouder hun kind meer laat dopen en doordat er steeds meer uitschrijvingen zijn, is het besef gegroeid dat kerklidmaatschap niet meer vanzelfsprekend is. Daardoor groeide het inzicht dat de EKD zich meer moest omvormen tot een missionaire kerk. Er werd een veranderingsproces ingezet, waarbij het beleidsstuk “kerk van de vrijheid” (2006) het grondvlak de noodzaak van deze verandering duidelijk moest maken. In 2004 werd een Instituut voor Gemeenteopbouw en Evangelisatie (IEEG) opgericht. Bewust werd er voor gekozen om dit instituut te vestigen in Oost-Duitsland waar de kerk heel marginaal was en daarom verbonden aan de universiteit van Greifswald. Thema’s van onderzoek zijn bijvoorbeeld missionaire volkskerk in een postchristelijk tijdperk en missionaire kerk op het platteland. Daarnaast kwam in 2009 het ZMiR, dat samenwerkt met het IEEG.

Vanaf de oprichting zijn er vanuit het ZMiR al verschillende publicaties verschenen om de lokale kerken en de kerkleiding te helpen bij hun taak in de regio: Hulpmiddelen om de regio in kaart te brengen, zoals de regionale vingerafdruk of de zoektocht naar een regionale identiteit. Materiaal dat gemeenten en regionale kerkleiding wil helpen bij het veranderingsproces naar een missionaire kerk of wil helpen de missionaire taak te vinden die bij een gemeente past. Boeken, artikelen en brochures die helpen bij de theologische doordenking.
Het ZMiR heeft zich tot doel gesteld om kerken in een regio te laten samenwerken, zodat ze gezamenlijk mensen bereiken met het evangelie, die nu nog niet door de kerken worden bereikt. Hoe kunnen de krachten van de verschillende kerken in een regio worden gebundeld, zodat ze samen sterker staan? De gemakkelijkste optie is regionalisering: kerken in een regio door middel van een fusie samenbrengen. Dat is niet wat het ZMiR wil beogen: de lokale kerkgemeenschap is van groot belang om mensen op een bepaalde locatie te bereiken met het evangelie. Wel is het zo dat de lokale kerkgemeenschap niet iedereen meer bereikt. Naast de lokale kerkgemeenschappen die er al zijn zouden er gemeenschappen of netwerken dienen te komen om tot nu toe onbereikte doelgroepen met het evangelie te bereiken. Kerken in de regio zouden daarbij samen dienen te werken. Ze zijn geen concurrenten, maar partners in de regio. Het ZMiR kiest daarom voor ontwikkeling in de regio. Kerken zouden die ontwikkeling in de regio gezamenlijk moeten oppakken en de kerkleiding in de regio zou die ontwikkeling dienen te stimuleren.
Samenwerking kan plaats vinden door het aanbod te bundelen: catechese, pastoraat, diakonaat en zelfs erediensten zouden vanuit een netwerk van gemeenten kunnen worden aangeboden. De kerkleiding in de regio kan helpen om gemeenten bij elkaar te brengen en vertrouwen in elkaar te vinden, zodat een samenwerking of een uitwisseling kan plaatsvinden.

Daarbij is het van belang dat de gemeenten hun eigenheid houden. Juist de diversiteit van gemeenten heeft een missionaire betekenis: het gevarieerde aanbod kan iemand, die geïnteresseerd is in het evangelie, helpen om een plek te vinden die bij hem of haar past. De kerkleiding zou de gemeenten uit de regio zou vanwege het missionaire belang de diversiteit tussen de gemeenten moeten stimuleren. Die diversiteit is in het materiaal van het ZMiR niet zozeer vanuit een theologische identiteit bepaald, maar vanuit een verbondenheid met een of meerdere sociale milieu’s. Het SINUS Institut heeft verschillende milieu’s uit de samenleving in kaart gebracht – in het Nederlands vergelijkbaar met de milieu’s van Motivaction. In het materiaal van het ZMiR wordt gewerkt met deze SINUS-milieu’s. Deze milieu’s bieden inzicht in de sociale samenstelling van de gemeenten en kunnen gemeenten helpen om te ontdekken op welke milieu’s zij zich in hun missionaire taak kunnen richten.

In 2014 publiceerde het ZMiR een Handboek voor kerk en ontwikkeling in de regio, waarin de inzichten die in de afgelopen 5 jaar zijn opgedaan zijn verwerkt. Daarin wordt uit de doeken gedaan hoe kerken uit een bepaalde regio tot een gezamenlijke visie kunnen komen op de kerk in de regio en op de taken die er zijn. Geschetst wordt hoe kerkleiding in de regio de samenwerking en de ontwikkeling in de regio kan stimuleren. Omdat deze samenwerking en ontwikkeling een veranderingsproces inleidt, wordt er ook aandacht besteed aan veranderingsprocessen. Inzichten uit de theorie worden toegepast op de samenwerking tussen kerken: Hoe zien veranderingsprocessen eruit? Wat is er nodig om te veranderen? Wat vraagt dat van de regionale kerkleiding? Hoe kan creativiteit worden gestimuleerd? Hoe blijven gemeenten hun identiteit houden in het veranderingsproces? Hoe slagen veranderingsprocessen? Een goede voorbereiding, een duidelijke communicatie, het betrekken van de kerken in de regio en een goede begeleiding is van groot belang. Steeds wordt er op gehamerd, hoe belangrijk de communicatie is. Weerstand is van grote betekenis, omdat het gratis advies is en helpt om het doel en de weg van het veranderingsproces scherper te krijgen. In de kerk is een veranderingsproces niet alleen een technisch proces, maar ook een geestelijke weg. Daarom kan deze weg niet gegaan worden zonder gebed, zonder leiding van de Heilige Geest en ook niet zonder het geloof dat in elke tijd Christus zijn kerk bouwt.

Christhard Ebert / Hans-Hermann Pompe (Hg.), Handbuch Kirche und Regionalentwicklung. Region – Kooperation – Mission. (Serie: Kirche im Aufbruch: Reformprozess der EKD). Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2014.

Preek zondagavond 12 juni 2016

Preek zondagavond 12 juni 2016
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Psalm 23:6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Margriet van der Kooi heeft een boek geschreven
waarin zij haar ervaringen beschrijft met de gesprekken die zij heeft als predikant
– gesprekken over God en ons.
Dat boek heeft de de titel gegeven: Pelgrims en zwervers.
Deze titel wil ik gebruiken om het laatste vers van Psalm 23 uit te leggen:
Ik zal in het huis van de HEERE verblijven in lengte van dagen.
Bij pelgrims en zwervers gaat het om mensen die hetzelfde kunnen meemaken,
dezelfde levensweg kunnen doormaken en toch heel verschillend zijn
vanwege het doel, de richting die zij hebben in het leven.
Met pelgrims bedoelt ze mensen die weten dat hun leven in Gods hand is.
Onderweg in het leven zien ze dat God er is – soms in hele kleine dingen.
Ook al ervaren ze niet altijd Gods aanwezigheid,
ze weten dat Hij er is en hen brengt op de plaats waar ze moeten zijn.
Pelgrims zijn mensen die weten dat ze geleid worden
en dat ze op een bestemming aankomen.
Om met het slot van Psalm 23 te spreken:
zij weten dat ze aankomen in het huis van de Heere,
ze weten dat ze daar voor langere tijd kunnen blijven.
Bij de Heere hebben ze onderdak gevonden.

Maar niet iedereen ziet Gods leiding of wil weten van Gods leiding.
Dat zijn de zwervers.
Een zwerver is iemand die door het leven gaat zonder doel.
Iemand die maar loopt, sjokt, sjouwt, dag in dag uit.
Mensen die geen bestemming hebben, geen doel en zomaar door het leven gaan.
Ze erwachten geen hulp, geen leiding van God.
Ze willen dat niet zien of ze kunnen dat niet zien.
Ze weten niet dat de Heere hun herder wil zijn.
Dat kan heel diep gaan: kan het gevoel geven dat je verdwaald bent.
Het kan aan je vreten en diep in je ziel gaan nestelen.

Pelgrims en zwervers: ze maken dezelfde dingen mee,
Pelgrims – degenen die weten van Gods leiding en dat ze door God aankomen,
hebben geen andere levensweg dan de zwervers,
maar ze hebben wel weet van de Heere, die hun herder is
die ervoor zorgt dat ze niet teveel in hun eentje gaan, maar mensen om zich heeb hebben
die hen helpen op hun levensweg.
Als ze struikelen een hand vinden die hen weer op de been helpt.
Die als ze niet meer weten waar ze heen moeten een stem horen,
soms van een ander mens, soms van de herder zelf,
waardoor ze weten dat er een herder is die hun leven bewaakt en richting geeft.
Die je bij Hem doet thuiskomen en je leven doel en richting geeft.
Ik keer terug in het huis van de Heere
en ik vind daar een vaste plek, en thuis.
Ik mag aankomen, thuiskomen.
Avondmaal is ook even thuiskomen, ervaren dat je zo’n plek hebt bij de Heere,
een vaste plek, de grazige weiden, de stille wateren,
waar je gesterkt wordt, verkwikt, even op adem.
Ik heb het al eens eerder gezegd: avondmaal is niet even langskomen, maar aankomen,
Aankomen bij de Heere – tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.

Dat maakt nogal uit of je in het leven een zwerver bent,
Die wel doorgaat, maar eigenlijk niet weet waar je uit moet komen,
omdat je niet weet van je doel, omdat je niemand hebt die je de weg wijst.
Of dat je een doel hebt: een leven waarin God je de weg wijst
en waarop je door Gods leiding mag aankomen.
Met het avondmaal vieren we dat we weer een doel hebben gekregen van God
– teruggekregen -: een weg naar God.
Staan we erbij stil dat we niet meer hoeven te zwerven, zonder zin in ons leven,
omdat Jezus kwam,
de goede herder die kwam om het verlorene te zoeken en te redden.
Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar ik heb avondmaal ook weer nodig
om mij er weer aan te herinneren dat Hij mijn doel is,
omdat ik dat doel zo snel weer uit het oog verlies
en soms het gevoel heb dat ik alleen maar zwerf hier op deze aarde.
Het gedenken van Christus’ sterven bij het avondmaal
is ook erbij stil staan en dat meenemen de komende tijd in

dat Christus ons van zwervers pelgrims maakt, mensen met en bestemming:
leven met Hem.

Ik keer terug in het huis des Heeren.
Ik mag daar blijven, in Zijn huis, tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.
Dat huis van de HEERE, dat is allereerst de tempel.
Maar de tempel dat is meer dan een gebouw alleen.
De tempel stond op een bijzondere plek: waar de hemel de aarde raakt,
waar God die in de hemel woont ook plek heeft op deze wereld,
waar je naar toe kunt gaan.
De tempel was een plek waar je de Heere kon opzoeken, waar je terecht kan.
De tempel als gebouw had ook een boodschap voor het volk:
Israël, jullie God wil onder jullie wonen, in jullie midden.
Dat is ook wat het avondmaal ons laat zien:
uw God, jouw God wil in jullie midden wonen.
Hij is niet een God die alleen maar in de hemel is, maar ook op aarde wil zijn,
onder ons – Hij heeft onder ons gewoond, Christus de levende tempel.
Ik wil jullie zijn, bij jullie zijn, in jullie midden – daarom ben je Mijn gast.
Tempel: welkom in Mijn gemeenschap.

De tempel is ook een plek waar je bescherming kunt zoeken bij God.
Schapen zijn vluchtdieren, zo leerde ik vorige week.
Ook wij als mensen hebben reden genoeg om te vluchten.
Dat de tafel gereed gemaakt wordt voor mij,
dat gebeurt voor de ogen van mijn tegenstanders, degenen die mij benauwen,
die mij opjagen met hun kritiek, verwonden met hun scherpe woorden,
die niet gunnen dat ik de rust bij de Heere vindt,
maar mij steeds bestoken.
Ik ben tegen hen niet opgewassen, kwetsbaar.
Juist als je met iemand anders over hoop ligt, kun je het gevoel hebben een zwerver te zijn,
onrust die je parten speelt, rust die niet te vinden is.
Ik hoor dat van ouders, van wie het huwelijk van een van de kinderen is stukgelopen,
de spanning en de onrust die dat met zich meebrengt.
Ik hoor over die spanning en die rusteloosheid, dat opgejaagd worden,
van iemand die niet opgewassen is tegen de scherpe woorden van anderen.
Dan kunnen de woorden over de grazige weiden, die stille wateren iets onwerkelijks hebben,
dat onbereikbaar is, iets van heel lang terug toen er nog niets was.
De tempel is een plek om asiel te vinden: bescherming bij God.
Achter de muren van de tempel, onder Gods vleugels een toevlucht.
Er is een plek waar ik veilig ben: ik ben veilig in Jezus’ armen.
Avondmaal is dat weer in herinnering roepen
dat we veilig zijn in Jezus’ armen
en dat geen enkele macht ons kan losrukken uit Zijn hand.
Asiel vinden – dat heeft ook de betekenis van de bescherming vinden
bij het kruis van Golgotha,
door dat kruis op Golgotha een open hemel,
waardoor God weer bereikbaar is
en we bij God in deze wereld een plek hebben waar we kunnen zijn.
Dat is ook wat we vanmorgen hebben gevierd:
dat de hemel is open gegaan en we bij God een thuis mogen hebben,
omdat Christus hier op aarde kwam om ons op te zoeken,
ons leven te delen:
een herder die gelijk wordt aan Zijn schapen
het niet alleen maar voor Zijn schapen opneemt, maar ook hun leven aanneemt,
Draagt en geneest van de zonde
en ons laat aankomen bij God.
Onze weg is al uitgestippeld: gebaande wegen, spoor van de gerechtigheid.
Een weg die al voorgevormd is, die er al is,
waarover wij kunnen lopen.
We hoeven niet te dwalen, als in een doolhof.
We hoeven niet zelf onze weg te banen, want die weg die is er.
Door het leven heen, zelfs door moeilijke perioden heen,
zelfs door de dood heen – een aankomen bij God.
Ik keer terug, zal verblijven in het huis van de Heere.
Dat spoor van de gerechtigheid, de gebaande wegen: torah, Bijbel, Gods wil
Leiding in ons leven.
Waarmee God ons terugbrengt bij Hem.
In Zijn gemeenschap.
Ook dat laat het avondmaal zien: dat ons leven bedoeld is
om aan te komen bij de Heere en voor altijd met Hem te leven.
Thuis bij de Heere, aankomen.


Dat aankomen bij de Heere en voor altijd bij Hem zijn is geen privéaangelegenheid.
Dat ik zal blijven in het huis van de Heere,
houd niet in dat ik daar alleen voor mijzelf ben,
afgezonderd van de wereld en dat ik niets meer met de wereld te maken heb.
Vanmorgen vertelde ik dat ik onlangs een conferentie had met collega-predikanten.
Die conferentie ging erover wat de kerk kan doen in een tijd
waarin het christelijk geloof op heel veel plekken in ons land onder druk staat
of zelfs dreigt te verdwijnen.
Waar wij dankbaar voor zijn: Gods leiding, Gods komst naar deze aarde,
een leven dicht bij Hem, in Zijn gemeenschap
wordt door heel veel niet nodig gevonden, ook niet gemist.
Hoe kunnen we dan in een tijd, waarin God eigenlijk niet eens zo wordt gemist,
toch het evangelie doorgeven?
In ieder geval doorgaan met de kerk, met avondmaal vieren,
geloven dat de kerk gebruikt wordt door God.
een open houding voor wat er om ons heen gebeurt.
Een dubbele houding:
midden in deze wereld staan, van je familie, van Oldebroek, van Nederland,
en tegelijkertijd dicht bij de Heere leven
en deze twee met al onze inzet doen.
Niet alleen kerk zijn voor ons alleen, maar ook voor de mensen om ons heen:
onze buren, onze familie, vrienden.
Door als wij bij de HEERE teruggebracht zijn in Zijn huis
en daar alle dagen van ons blijven
dat we dan niet onze ogen sluiten voor de mensen om ons heen,
maar hen meenemen in ons gebed,
Steeds weer opnieuw voor hen bidden.
En als zij niet kunnen geloven, of geen behoefte hebben om te geloven,
toch doorgaan.
In mijn begintijd had ik een mentor, die mij het verhaal vertelde
dat hij eens in een ziekenhuis bij iemand stond
die in ver was, niet meer bereikbaar voor de mensen om haar heen.
De dienstdoende zuster raadde af om te bidden: ‘Dat hoort ze toch niet meer.’
Toen wees hij met zijn vinger naar boven: ‘Maar Hij wel!’
Om zo in deze wereld te staan – vandaag weer in dat geloof gesterkt – Hij hoort wel!
Als anderen niet mee willen doen, dat wij dan in hun plaats voor hen bidden,
in hun plaats God groot maken, de verzoening die Hij bracht gedenken en vieren.
Ik zeg wel eens tegen ouders van wie de kinderen niet meer naar de kerk gaan
en er niets meer aan doen:
Wellicht kunnen ze alleen zo leven, omdat ze weten dat er voor hen gebeden wordt.
Bidden voor anderen is een van de belangrijkste taken die de kerk heeft,
in een tijd waarin het geloof op prijs gesteld wordt,
maar ook in een tijd waarin minder mensen van het geloof willen weten.
Je hoeft het niet tegen anderen te vertellen.
Dat God het weet is genoeg.
Maar dan moeten we ook open staan voor de kansen die God geeft.
We sluiten onze ogen om daarna scherper te zien
wat God doet en wat wij voor anderen kunnen doen.
We vouwen onze handen en geven daarmee aan
dat wij het niet doen, maar God,
maar dat Hij ons wel mag gebruiken
om anderen om ons heen bij Hem te brengen, mee te nemen op onze weg naar HEm toe.
Ik ben altijd weer verrast door de wegen die God gaat
om mensen weer terug te brengen bij HEm.

Wellicht dat we dan de moed vinden om daar toch over te beginnen.
Als we bevraagd worden,
Of als we de tijd nemen om te horen wat een ander dwars zit.
Dan stralen wij uit, dat er een herder is.
Mijn docent pastoraat had de definitie van pastoraat:
Vertellen dat er een herder is.
Dus ook aan mensen die zwerven, die geen idee hebben
Dat ook hun leven een doel en een richting kan hebben,
dat het ook voor hen kan zijn dat ze voor altijd uitkomen in het huis van de Heere
en daar voor altijd mogen blijven.
Alleen al door te luisteren kun je laten merken dat er een herder is,
Christus – je wordt gebruikt: een herder namens God.
Ik heb vaak de indruk in gesprekken
dat mensen niet zozeer tegen mij praten, maar met de Heere in gesprek zijn.
Daarom vinden mensen het belangrijk om van de kerk bezoek te hebben:
om te weten dat er ook voor hen een herder is,
die de moeite neemt om hen op te zoeken.
Iemand die de moeite neemt om voor hen te bidden en hen bij de goede herder te brengen.
Niet altijd heb je de gelegenheid om te vertellen over de goede herder.
Soms is het er zijn al genoeg.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.ds. Hans Borst – hij ging tot voor kort wel voor in Oldebroek – heeft een boek geschreven over pastoraat, waarin hij vertelt over de depressiviteit van zijn vader.
Die depressiviteit kon niet meer genezen worden
en toch kwam de dokter elke week even langs.
Die vader vond dat heel bijzonder:
Ook al is er met mij niets meer te beginnen,
ik ben toch de moeite waard om bezocht te worden.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.
Om voor altijd – niet alleen wij, maar ook de anderen om ons heen,
voor altijd bij Hem te zijn.
Eerst hier op aarde, maar later in de hemel als we helemaal bij Hem mogen zijn.
Amen

Pastoraat aan randleden

Pastoraat aan randleden

In een kerkelijke gemeente zijn er verschillende manieren van betrokkenheid. Er zijn actieve leden die naast het bezoeken van de eredienst (veel) taken binnen de gemeente hebben. Er zijn gemeenteleden die wel de zondagse erediensten bezoeken en weinig taken binnen de gemeente. Veel van deze gemeenteleden hebben wel taken buiten de gemeente: in hun gezin, als mantelzorger, bij een sportclub, als collectant, enz. Er is ook een groep gemeenteleden die de zondagse eredienst veel minder of helemaal niet bezoekt.

De gemeenteleden in deze groep worden vaak randleden of randkerkelijken genoemd. Een aantal van deze gemeenteleden aan de rand weten dat zij lid zijn. Zij waarderen als er aandacht van de kerk is, bijvoorbeeld in bezoek of meeleven. Er zijn ook gemeenteleden die deze aandacht niet op prijs stellen. Een belangrijke vraag voor het pastoraat is hoe we omgaan met deze gemeenteleden aan de rand. Wat kunnen we doen om hen toch te bereiken? Wat moeten we als deze gemeenteleden geen bezoek willen?

Randkerkelijk?
Eerst iets over de benaming van deze groep gemeenteleden.  In deze benaming klinkt een bepaalde norm door: als je lid bent van een gemeente hoor je je in te zetten voor de kerk of voor de gemeenschap en hoor je de zondagse erediensten te bezoeken. Voor een kerkelijke gemeente met een hervormde achtergrond zijn deze gemeenteleden net zo volwaardig als gemeenteleden die wel actief zijn.

Dat deze gemeenteleden de kerkdiensten niet bezoeken zegt niet alles. Ze kunnen om bepaalde reden opzien tegen het bezoeken van de kerkdiensten. Op hun eigen manier kunnen ze meeleven met de kerk waartoe ze behoren. Het valt mij vaak op hoezeer de gemeenteleden aan de rand op de hoogte zijn van wat er in de gemeente gebeurt. (Ik zie het kerkblad vaak onder handbereik liggen. )

Als gemeenteleden niet in de kerk komen, wil nog niet zeggen dat ze nergens aan doen.

Als de deur wordt opengedaan, word ik verbaasd aangekeken: ‘Wie bent u dan?’ ‘Dan bent u lang niet in de kerk geweest,’ zeg ik. ‘Ik ben uw dominee.’ ‘Dat dacht ik al.’ Het is de dag waarop deze vrouw een huwelijksjubileum heeft en ik mag binnenkomen. Haar man is er niet. Daarom maken we later een afspraak. In dat gesprek zegt de vrouw later: ‘Wij doen nergens aan.’ In de loop van het gesprek komt ter sprake dat ze bij het eten uit de Bijbel lezen en bidden. ‘U deed toch nergens aan?’ vraag ik. ‘Misschien doet u er wel meer aan dan u zelf beseft.’ We praten er over door hoe ze hun geloof kunnen ‘onderhouden’.

Vragen voor onszelf
Het lijkt allemaal vanzelfsprekend: kerkgang, huisbezoek, betrokkenheid op de gemeente. Contacten met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over de vraag waarom wij zelf dat doen.

  • Wat is voor onszelf de waarde van de kerkdienst? Wat mist iemand in onze ogen als hij of zij niet naar de kerk gaat?
  • Wat hebben wij zelf aan het huisbezoek?
  • Wat is in onze ogen de waarde van het huisbezoek voor de gehele gemeente (inclusief de ‘randleden’).
  • Waarom ben ik zelf betrokken bij de gemeente? Waarom vind ik het van belang dat ook anderen bij de gemeente betrokken zijn?

Contact met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over onze vanzelfsprekendheden.

Visie op het pastoraat
Wanneer we ermee te maken krijgen dat bezoek vanuit de kerk niet op prijs gesteld wordt, kan dat ook weer eens een aanleiding zijn om na te denken over de vragen:

  • Waarom doen we dat huisbezoek eigenlijk?
  • Wat hopen we met het bezoek te bereiken?
  • Wanneer is een bezoek een goed bezoek?
  • Is huisbezoek in deze tijd een goed middel daarvoor? Of moeten we op zoek naar andere manieren om hen te bereiken?
  • Wat zijn onze mogelijkheden als ‘ze’ geen contact willen? Moet je volhouden? Of moet je de weigering accepteren?

Redenen waarom ze zijn afgehaakt
In het pastoraat is opmerkzaamheid van groot belang. In sommige stromingen van het pastoraat gaat het om waarnemen zonder daar direct een waardeoordeel aan te verbinden. Door een niet-veroordelende waarneming kunnen we soms de redenen te weten komen waarom deze gemeenteleden niet betrokken zijn of niet naar de kerk komen:

  • Ze hebben de kerkgang nooit van thuis meegekregen.
  • Ze vinden geen aansluiting bij de mensen die bij deze kerkelijke gemeente horen. (Het valt mij op dat bij een verhuizing de overgang naar een andere kerk vaak niet vanzelfsprekend is en een reden is waarom mensen afhaken: ze kunnen geen ingang vinden.)
  • Ze voelen zich niet thuis vanwege de sfeer, de manier van kerkzijn en kerkdiensten, vanwege de boodschap die gebracht wordt.
  • Ze willen een signaal geven: als ik wegblijf, word ik dan gemist?
  • Ze kunnen opzien tegen de kerkgang (angst voor mensen, wat zullen ze wel niet denken?, schaamte)
  • Ze hebben moeite met de discipline en hebben niemand die hen ‘op sleeptouw neemt’.
  • Er kunnen ingrijpende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in hun leven: armoede, schulden, echtscheiding, teleurstellingen in God, in mensen van de kerk.
  • Ze hebben een conflict met de kerk, met mensen die een belangrijke plek in de kerk hebben of met familieleden die tot de kerk behoren.
  • Een teveel aan vacatures kan afschrikken: als ik naar deze kerk ga, moet ik ook wat gaan doen.

Met een open houding en zonder te beoordelen kan gevraagd worden naar de reden. Daarbij is het van belang wat zij dan zelf doen om hun geloof te onderhouden.

Wat is van belang?
In de jaren dat ik predikant ben heb ik geleerd dat er bepaalde zaken van belang zijn in de contacten met de ‘randleden’:

  • Ze voelen zich vaak geen randleden, maar vaak ‘gewoon’ gemeentelid, maar dan met een eigen invulling.
  • Een groot deel stelt op prijs om op dezelfde manier benaderd te worden als actievere gemeenteleden: rondom belangrijke momenten in het leven, in meeleven, enz.
  • De belangrijke momenten van het leven zijn vaak een goede ingang: een jubileum, een verjaardag, een geboorte, een overlijden van een vriend of een gemeentelid. Op dat soort momenten ben ik als predikant altijd van harte welkom en wordt het zelfs kwalijk genomen als ik niets van me laat horen.
  • Randleden zijn vaak erg betrokken op hun dorp. Hoe meer een kerk onderdeel is van een dorp, hoe eerder ze te benaderen zijn. Bid als kerk met vaste regelmaat voor het welzijn van het dorp.
  • Er kan nogal eens wantrouwen zijn: het is de kerk te doen om mijn geld, om mij als vrijwilliger ergens voor te strikken. Van belang is dat er niet alleen een vraag om geld komt, maar ook omgekeerd aandacht voor deze gemeenteleden, die niet zo in de picture zijn.
  • Ontwikkel als gemeente een antenne voor de mensen, die zelf de signalen niet doorgeven. Laat de mensen om hen heen, die wel actief bij de gemeente betrokken zijn, signalen doorgeven.
  • Zorg als gemeente voor lage instappen, zoals een AlphaCursus, een eenvoudige Bijbelkring, niet al te formele huisbezoeken.
  • Doe wat als gemeente van je verwacht wordt op een goede manier: de kerkdiensten op hoogtijdagen, begrafenisdiensten, begeleiding bij ziekte en rouw,  het huisbezoek, de aandacht en het meeleven.
  • Zoek naar creatievere en ‘laagdrempelige’ manieren van huisbezoek.