Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Preek zondagmorgen 7 mei 2017

Preek zondagmorgen 7 mei 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Kolossenzen 2:6-15
Tekst: vers 6-7a

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

De doop is een bijzonder en ontroerend moment.
Allereerst voor jullie, doopouders:
Jullie kind, dat je uit Gods hand hebt ontvangen, krijgt nu het teken van Gods verbond
en krijgt de beloften van God mee – als Vader, Zoon en Geest.
Ook voor ons als gemeente is het een bijzonder en ontroerend moment.
Om te zien dat Gods werk doorgaat, van generatie op generatie.
Dat heeft ook voor ons als gemeente iets bemoedigends.

Tegelijkertijd is de doop niet niks.
Paulus schrijft erover, hoe ingrijpend de doop is:
U bent immers met Hem begraven in de doop.
Je zou het bij al het mooie dat de doop heeft haast vergeten,
dat er met de doop iets gebeurt dat nog ingrijpender is dan de geboorte zelf.
Ik denk dat jullie, doopouders, het allemaal zullen beamen,
dat een geboorte best spannend is, ook in onze tijd nog
en dat je blij bent als je je kind gezond en wel in je armen houdt
en dat het ook een goede start heeft en het goed doet.
In de afgelopen tijd hebben we ook gezien dat het ook anders kan.

Als een kind geboren wordt, komt het op een nieuwe wereld.
Deze wereld is anders dan de wereld van de baarmoeder
en ze moeten leren om in die nieuwe wereld buiten de baarmoeder te leven.
Bijvoorbeeld ademhalen en eten en drinken.
Als je gaat geloven, kom je ook in een nieuwe wereld terecht.
Net zoals een kind dat geboren wordt, buiten de baarmoeder komt
in de wereld waarin de ouders zijn,
zo gaat iemand die gelooft ook een nieuwe wereld binnen.
Paulus geeft benoemt die nieuwe wereld vaak als ‘in Christus’.
Geloven is dus niet alleen maar iets van binnen, dat in je hart Christus leeft,
maar dat je een nieuwe wereld binnengaat, die Christus is.
Als een baby de wereld waarin wij zijn binnenkomt, moet het zelf gaan ademen,
om de zuurstof die er is binnen te krijgen
en zonder die zuurstof zal het niet lang kunnen leven.
In Christus komen – dat is een nieuwe atmosfeer.
Soms heb je dat bij in een bepaald gebouw, of bij bepaald weer,
dat je last kunt krijgen van je ademhaling, omdat de lucht niet goed is.
In Christus zijn, dat is een wereld om je heen, een lucht die je inademt.
Bij Paulus zit hier ook een aansporing, een opdracht in:
zorg ervoor dat je in die nieuwe wereld blijft, in het klimaat van Christus,
dat je alleen maar ademt in de atmosfeer van Christus.
De mensen die in de stad Kolosse waren gaan geloven in Christus,
zij hadden een verandering meegemaakt.
Een ingrijpende verandering, zoals iemand die het altijd benauwd heeft,
opeens op een plek komt, waar de benauwdheid wegvalt
en zomaar goed kan ademhalen, omdat de lucht er zo zuiver en helder is.
Zelfs dat geeft nog niet genoeg aan wat er gebeurt,
het is alsof je sterft, maar ook gelijk weer helemaal levend wordt
in in die nieuwe wereld, die veel beter voor je is.
Christus, die je als het ware inademt, en als zuurstof in je bloed komt,
en helemaal door je heen gaat.
Jullie hebben Christus aangenomen, schrijft Paulus, je bent die nieuwe wereld binnengegaan.

Dat aannemen: is dat nu iets wat wij als mensen doen?
Er zijn groepen christenen, die heel veel nadruk leggen op onze keuze.
Als je Christus aanneemt, dan gelden de beloften van God ook voor jou.
Er zijn ook groepen christenen en gelovigen, die zeggen:
Wij kunnen als het er op aankomt, helemaal niets.
Het is allemaal Gods werk.
Ik denk dat allebei – zowel iets dat we moeten doen, maar uit onszelf eigenlijk niet kunnen.

Christus aannemen – dat is zoals een baby de liefde van zijn of haar ouders aanneemt.
zich laat koesteren en daar geen genoeg van kan krijgen, de verzorging die het nodig heeft,
dat ondergaat en aanneemt.
Christus aannemen, ze waren daar in Kolosse in aanraking gekomen
met de liefde en de barmhartigheid die God door Christus liet zien.
Christus aannemen, dat was voor de gelovigen in Kolosse gebeurd
en ze waren in een heel ander geloof, een heel andere manier van leven terecht gekomen.
De drie kinderen die gedoopt zijn, voor hen ligt dat aannemen van Christus nog vóór hen
en het is ons gebed en ons verlangen, dat ze Christus ook zullen aannemen,
want daarom laat je hen dopen, om daarmee aan te geven
dat jullie als ouders van jullie kant er alles aan wilt doen, wat je kan
om je kind zover te brengen dat het ook gaat geloven, Christus aanneemt
de liefde ontvangt en zich laat koesteren door Gods genade en zo in die nieuwe wereld komt.
De doop die jullie kind heeft ontvangen, geeft aan:
aan Gods kant is alles zover: Christus is ook voor je kind gestorven
en de Heilige Geest belooft om in je kind het geloof te wekken,
zodat ook jouw kind Christus zal aannemen en uit Zijn genade en liefde zal leven.
De kinderdoop is daarom heel gewaagd, omdat we ook weten
dat niet iedereen die gedoopt is zal gaan geloven.
Er kan daarom ook kritiek op de doop komen: kun je dat wel zeggen
dat de Geest in het hart van mijn kind gaat werken?
Ik zou dat wel willen en ik bid er ook voor, maar zo stellig?
Maakt dat ook niet laks, waardoor je al heel snel tegen een kind zegt
dat het wel goed zit, omdat het gedoopt is.
In de vorige gemeente wel eens meegemaakt, dat iemand zijn kind liever niet wilde dopen,
omdat hij vond dat de doop van een kind niet radicaal genoeg was,
Hij was bang dat zijn kind door de doop veel te gemakzuchtig zou worden
en Christus niet zou aannemen, omdat het zou denken dat het wel goed zat.
Dat hij behouden zou worden, omdat hij al gedoopt was.
De doop bij een kind is helemaal niet bedoeld om gemakzuchtig te maken,
want ook als je als kind gedoopt bent, word je antwoord op Gods liefde gevraagd,
wordt je gevraagd om ermee in te stemmen, te beantwoorden,
zoals een baby ook de liefde en de zorg van ouders beaamt, accepteert, koestert.
De doop geeft aan: alles wat er nodig is van Gods kant is al gebeurd.
Apartgezet, toegewijd, nog radicaler dan in de besnijdenis gebeurde.
We hoeven het alleen maar aan te nemen, te ontvangen.
MAar zoals we de zuurstof opnemen, zo moeten we ook Christus opnemen
en het door ons heen laten gaan, net als zuurstof door ons heen gaat.
We kunnen niet zonder.

Die besnijdenis: dat is de toewijding aan God die je ook echt in je lichaam voelt,
als je er onzeker over bent of je wel bij God mag horen, een duidelijk teken, gemarkeerd:
Je bent van Mij, Ik ben je bij je naam geroepen.
Soms kun je ook als gelovige behoefte hebben om dat ook echt te voelen,
bijvoorbeeld door je opnieuw te laten dopen.
De behoefte om het zelf mee te maken, zelf te voelen en te ervaren kan ik nog wel inkomen,
Paulus geeft alleen aan dat de doop nog radicaler is dan de besnijdenis,
Dat je ook echt wel aan je lichaam merkt.
En dat overgeplant worden, is nog radicaler dan we ooit kunnen ervaren.
Helemaal doorleven kunnen we het niet
en dat hoeft ook niet, als we er maar uit leven, als het maar de basis van ons leven is:
Christus, de nieuwe wereld waarin wij leven, waarin we niet alleen maar zijn,
maar dat een uitwerking heeft op ons.

Dat is wat Paulus hier ook aangeeft, als aansporing:
Wandel in Hem. Laat Christus in je werken. Maak het praktisch dat je van Christus bent.
Dat praktische heeft met normen en waarden te maken,
maar hier ook met een bepaalde eigenwijsheid, waarin je nee zegt tegen een wereld,
Die je nog van vroeger kent, maar die niet goed voor je is
Omdat het niet de wereld van Christus is en je daar bij Hem weg houdt.
Zorg ervoor, dat je niet in een andere atmosfeer komt, een andere wereld.
Ook niet in de oude wereld.
Er blijft een kwetsbaarheid voor die oude wereld, waaruit we komen,
die van ons afgestorven waren,
zoals je bij een baby soms ook de indruk kunt hebben dat ze heimwee hebben
naar het knusse, het geborgene van de baarmoeder,
Dat als je ze dat enigszins biedt, door dat na te bootsen, dat ze rustig worden.
Paulus waarschuwt de gelovigen, die nog maar zo’n pril geloof hebben,
dat ze meegesleurd kunnen worden,
meegesleept door allerlei gedachten die ze tegen kunnen komen,
Waarin ze vroeger wel hadden geloofd, maar dat door het leren kennen van Christus,
het leren kennen van hoe God werkelijk is, achter hen ligt.
Maar soms kan het nog wel aan je trekken, omdat het je imponeert,
je er onder de indruk van raakt, omdat iemand het heel stellig kan zeggen.
Een collega, die spot met het geloof en zegt dat het toch iets van vroeger was
een docent op de opleiding die met allerlei theorieën aankomt, waardoor je het idee krijgt
dat God helemaal niet meer nodig is en ook niet gemist wordt.
Een vriend of broer die helemaal prima zonder geloof en zonder kerk redt.
Vandaag heb je je kind laten dopen
En daarmee ook aangegeven dat je je kind wilt opvoeden of wilt laten opvoeden,
in het kennen van God.
Maar je kunt ze niet voor elke schadelijke invloed bewaren.
Je hebt het niet altijd in de hand wat ze op tv, internet, social media tegenkomen.
Je kunt ze helpen, maar je weet nooit welke mening of welk persoon in hun leven
zo invloedrijk is dat jouw woorden en waarschuwingen niets meer helpen.
Zijn ze wel sterk genoeg voor wat ze in deze wereld tegenkomen,
Die hen weer meeslepen naar de oude wereld van voor het kennen van Christus?
Een zus van mij die graag tekende, heeft toen ze nog jong was,
Zich ooit geabonneerd op een dure tekencursus die ze thuisgestuurd kreeg,
Ze had er alleen maar oog voor gehad, wat ze ermee zou kunnen, niet wat het kostte.

Paulus waarschuwt de gemeenteleden: Pas op dat je je niet in beslag laat nemen
En laat meesleuren en dat je Christus weer kwijtraakt
en terugvalt in dat bedompte, benauwde bestaan, waar je het weer slecht hebt.
Dat oude leven, dat kan indruk maken, maar dat hoeft niet.
Weet je wat er met je gebeurd is?

Toen je in Christus kwam, gebeurde er iets met je: je ging wortelen,
net zoals een plant zijn wortels uitslaat, om voedsel op te nemen
en die wortels geven tegelijk vastigheid en houvast.
Je wordt door Christus gevoed en je hebt daardoor ook je houvast in Christus.
In de doop wordt dat nog eens bevestigd, dat je door Christus wordt gevoed
en dat je in Christus je houvast hebt: Christus is alles,
Wat Hij je geeft aan genade, aan kennis over God en over de wereld, over jezelf
daar heb je geen andere theorie of godsdienst voor nodig.
De doop is een bevestiging van de wortels in Christus voor je kind:
Ook mag de woorden van Christus in mij opnemen en daarvan groeien,
wat er in de Bijbel staat, geldt ook voor mij, niet alleen voor iemand die volwassen is.
De doop is ook een bevestiging voor jullie als ouders en voor ons als gemeente:
Dat ook deze kinderen door Christus gevoed worden
en dat Hij hen houvast biedt, stevigheid, ze waaien niet zomaar weg.
Een boom kan door zijn wortels heel wat stormen overleven.
Voor jullie en voor heel veel leden uit deze gemeente zijn zulke stormen niet onbekend,
Waarin je het gevoel hebt dat je een heel eind buigt, haast wel breekt,
voor je gevoel haast onderuit gaat en dat je God kwijt bent
en dan toch die wortels in Christus die je houvast bieden
en ook je voeden: Ik ben er nog en Ik houd je vast.
In het voorhof van de Heere geplant – je zult verder groeien (Psalm 92)
De doop is ook een aansporing om daarover te vertellen.
Je houvast – onder je leven, hoe het ook verloopt en wat je ook meemaakt,
zelfs als je door stormen heengaat waaraan er flink aan jezelf en je geloof wordt gemorreld,
dan mag je weten – ik heb een fundament onder mijn leven: gegrond.
Maar doen moet ik er wel uit leven.
Dan moet ik wel mijn wortels in Hem uitslaan en het bij Hem zoeken
en niet ergens anders, bij een ander geloof, een andere manier van leven.
Er is zoveel gebeurd, toen Christus aan het kruis stierf en toen Hij uit het graf kwam.
Er is zoveel gebeurd voor mij, dat moet ik wel aannemen.
Groeien in Christus – aannemen van Gods barmhartigheid en daaruit leven,
strijden tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk, leven onder Christus.

Wij bidden U ook door Hem, Uw geliefde Zoon, dat U deze gedoopte kinderen door Uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat zij christelijk en godvrezend opgevoed worden en meer en meer groeien in de Heere Jezus Christus. Geef dat ze zo Uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid die U aan hen en ons allen hebt bewezen zullen belijden en om alle gerechtigheid onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen. Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen. Amen


Preek zondagmorgen 11 oktober 2015

Preek zondagmorgen 11 oktober 2015
Bediening Heilige Doop
Markus 9:2-13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Het zal een indrukwekkende ervaring zijn geweest
die Petrus, Johannes en Jakobus hebben meegemaakt.
Er zijn heel wat bijzondere ervaringen die je je leven lang bijblijven, die je nooit vergeet,
zoals de verwachting van een kind en de geboorte.
En toch, deze ervaring van de Heere Jezus, om Hem zo te zien,
dat moet nog indrukwekkender zijn,
een ervaring die je nooit vergeet, een ervaring die je leven voorgoed verandert.
Dat zul je als ouders willen uitleggen aan je kinderen, dat dit de Heere Jezus is.
In al de verhalen die je over de Heere Jezus zult vertellen of zult voorlezen uit de kinderbijbel
wil je als ouders niets liever dan dat je kind ontdekt wie de Heere Jezus is.
3 discipelen mogen daar op de berg even iets van zien
als ze meegenomen worden door de Heere Jezus
en de Heere Jezus voor hun ogen van gedaante verandert.
Hij heeft niet alleen maar de gestalte van een mens,
maar heeft een lichtglans zoals alleen God maar heeft, zo helder wit en zuiver.
Petrus en Johannes en Jakobus worden door de Heere Jezus meegenomen
de berg op, om die ervaring op te doen, om erbij te zijn.
Zo zou je als ouders je kind ook willen meenemen
naar de Heere Jezus toe, door over Hem te vertellen, zodat je kind begrijpt
wie de Heere Jezus is en gaat geloven in Hem.
Wat dat is toch het doel waarom je vandaag je kind hebt laten dopen,
dat hij, zij ook in de Heere Jezus gaat geloven.
Zelf vind ik dat altijd het mooie, het waardevolle van de kinderdoop:
dat je je kind zo heel dicht bij de Heere Jezus mag brengen.
Je kind hoeft alleen nog maar te kijken en zelf te geloven
(- al kan dat soms een hele weg zijn; dat moeten we niet onderschatten!)
Als je aan je kind de verhalen vertelt en als je vertelt over de doop,
dan kan je kind de Heere Jezus zien
en zelf kun je ook ervaren dat de Heere Jezus er opeens is
als je over Hem vertelt
of vanmorgen met de doop, waarbij je net als de discipelen ontdekt wie Christus echt is,

zoals de discipelen de Heere Jezus mogen zien in een andere gestalte:
als Zoon van God met de heerlijkheid uit de hemel
en dat vlak voordat de Heere Jezus aan Zijn lijdensweg naar het kruis begon.
Daarom is het van groot belang om steeds over Hem te vertellen,
zodat als je over Hem vertelt je kind Hem steeds voor ogen kan zien.

De Heere Jezus zien, zien zoals Hij is,
zoals de discipelen Hem ook zagen op de berg.
Dat klinkt heel mooi en het is ook heel mooi als dat echt gebeurt,
maar gebeurt dat wel?
Is het niet zo, dat als je over de Heere Jezus vertelt
Dat je zou willen dat je er zelf bij was,
dat Hij jouzelf riep, dat Hij naar je toekwam en jou aanraakte en zegende,
Dat jij Hem mag zien zoals de drie discipelen op de berg zagen?
Is het niet zo, dat we er vaak tegenaan lopen, dat we zulke ervaringen missen?
Zulke ervaringen, waardoor je nou eens zeker wist: God bestaat.
Zulke ervaringen, waardoor je het nou eens zeker weet: ik ben een kind van God.
Dat is toch zo, dat als we eerlijk zijn, ons geloof helemaal niet zo zeker is
En dat daarom de belofte, die je net bij de doop gegeven heeft, ook zwaar kan voelen:
je hebt beloofd om je kind bij de Heere Jezus te brengen,
terwijl je eigenlijk zelf nog steeds zo op zoek bent,
naar een veel zekerder geloof en misschien zelfs wel naar Christus zelf.

Ik kijk nu ook even naar de broeders die afgelopen donderdag verkozen zijn.
Toen het bericht vanuit de kerkenraad kwam dat je op de lijst stond
kan er wel een schrik geweest zijn: Hoe kan de kerkenraad nu bij mij komen?
Hoe kan het zijn dat er gemeenteleden waren die mij hebben ingediend?
Ze moesten eens weten hoe vaak ik zelf worstel met mijn geloof
om de Heere Jezus te dienen, om de Heere Jezus te vinden,
om iets te horen, te zien in mijn eigen dagelijkse leven.
Hadden ze niet iemand kunnen kiezen die een sterker geloof had,
die vanuit eigen ervaring zou kunnen vertellen wie Christus is
en vanuit zijn eigen geloofservaringen anderen kunnen opzoeken,
kunnen aanspreken en bemoedigen?
Wat heb ík nu aan anderen te vertellen?
Als dat uw vragen zijn, broeders, dan zou ik willen zeggen:
de verkiezing is niet voor niets en zie daar niet alleen de stem van de gemeente in,
maar ook van Christus zelf, die tegen u persoonlijk zegt:
Kom, ga met me mee, ik wil je wat laten zien.
Ik wil je laten zien wie Ik ben.
De eerste taak is niet om iets te brengen of iets te vertellen over mij,
maar allereerst om te kijken wat Ik je wil laten zien,
hoe Ik iets van Mijzelf laat zien,
zodat je zelf ook weer in je eigen geloof gesterkt wordt in de bezoeken die je aflegt.
Je mag iets van Mij zien, van Mijn heerlijkheid, van Wie Ik ben
en wat Ik vandaag nog doe, hier in de hervormde gemeente van Oldebroek.
Je kunt verlangen naar een eigen ervaring met de Heere Jezus
en wat ik meemaak is dat juist in ontmoetingen met anderen,
op huisbezoek of tijdens de Bijbelkring,
wanneer we met elkaar in gesprek raken over de Heere Jezus
dat ik ontdek en ervaar dat de Heere Jezus zelf ook aanwezig is in het gesprek.

Uit de kring van de discipelen kiest de Heere Jezus er 3 uit: Petrus, Johannes en Jakobus.
Later zal Paulus over deze 3 discipelen zeggen in Galaten 2:
Zij zijn steunpilaren in de gemeente.
Door Christus geroepen en aangesteld om een belangrijke taak in de gemeente te dragen.
Nu dragen mensen de gemeente niet.
Christus zelf draagt de gemeente.
Wie als ambtsdrager verkozen is, hoeft niet te denken dat je als mens de gemeente draagt.
De Heere zelf bouwt de gemeente
en dat geldt ook voor jullie als ouders:
wat je voor je kinderen doet is belangrijk, vertellen en voorleven
en toch het geloof geven en het geloof opbouwen van je kind kun je niet,
ook al zou je dat willen.
Je mag wel vertellen en voorleven en je mag erop vertrouwen dat de Heere het gebruikt
voor je kind, voor de gemeente.
Ook als je zelfs soms nog zo op zoek bent, mag je je kind meenemen,
want het kan ook leren van je eigen zoektocht.
Je hoeft er niet pas over te vertellen als je voor je gevoel er helemaal uit bent.
Ik kom ze wel tegen – het zijn vaak mannen,
die zoeken, tot ze helemaal zeker zijn en zich dan pas kunnen overgeven.
Die op zoek zijn tot ze het helemaal begrijpen,
tot op alle vragen die ze hebben een antwoord hebben en dan pas de stap kunnen maken
en tot die tijd zoeken en maar niet kunnen vinden.
Of die op zoek zijn naar zo’n intense, indrukwekkende ervaring zoals de 3 mannen hebben
die door de Heere Jezus zijn meegenomen op de berg.

Maar juist deze 3 mannen, die later steunpilaren van de gemeente worden genoemd,
zijn geen perfecte gelovigen,
zijn geen mensen die alle aanwijzingen die de Heere Jezus geeft direct door hebben.
Hoe lang lopen ze al niet mee met de Heere Jezus
en wat hebben ze ondertussen niet meegemaakt?
Petrus en Jakobus en Johannes – zij waren het die mee gingen het huis van Jaïrus in,
zij waren erbij toen de Heere Jezus dat dochtertje opwekte uit de dood,
en deze drie zijn er ook bij in Gethsemané,
waar zij hadden kunnen zien hoe de Heere Jezus worstelde met het lijden
dat op Hem afkwam en toch de weg in gehoorzaamheid ging.
Ze hadden dat kunnen zien, als ze niet in slaap waren gevallen.
Ook hier hebben ze niet door wat er gebeurt.
Ik zeg dit niet uit betweterigheid, maar om aan te geven,
dat de Heere Jezus je juist meeneemt – ook als je nog niet alles helder hebt,
omdat je juist zo zoekt en zo weinig nog zeker hebt,
om juist dan te laten zien Wie Hij werkelijk is.
Zo neemt de Heere Jezus ons vanmorgen ook mee,
ook als je nog zo heel aarzelend gelooft, ook als je nog zo weinig van Hem ervaren hebt,
ook als je er eigenlijk helemaal nog niet zo veel mee bezig bent
en zegt tegen jou, tegen u, tegen mij: Kijk nu eens wie Ik ben!
Weet u wat de Heere Jezus ons wil laten zien?
Die indrukwekkende gebeurtenis op de berg roept herinneringen op uit het Oude Testament.
Uit de tijd dat het volk Israël bij de berg Sinaï was, vanuit Egypte op weg naar Kanaän,
door de woestijn, kwam het bij de berg Sinaï en Mozes klom omhoog,
samen met 3 andere mensen: met Aäron, Hur en Jozua
en als Mozes met die 3 mannen op de berg is, daalt God zelf neer
vanuit de hemel op de berg.
Als Jezus op de berg van gedaante verandert,

wordt voor de 3 discipelen op de berg voor heel even duidelijk wie Jezus is: God de Zoon
(zoals Christus in het doopformulier wordt genoemd).
met de heerlijkheid van de Vader, de heerlijkheid waarmee Christus zal terugkomen
bij de Wederkomst wordt voor deze 3 discipelen even zichtbaar.
Dit is Jezus! Zo zullen we Hem zien als Hij terugkomt.
Het is een bijzonder moment wanneer Jezus van gedaante verandert.
De Heere Jezus is in deze dagen begonnen om Zijn discipelen te vertellen
over Zijn weg naar het kruis o p Golgotha, waar Hij zal lijden en sterven.
Voordat die weg begint, de weg naar Jeruzalem, mogen de discipelen alvast verder kijken,
naar de Wederkomst.
De weg naar het lijden moet nog wel komen, het kruis komt er aan.
Het is wel dezelfde Jezus: deze heerlijkheid, deze stralende glans had Hij in de hemel
en die legde Hij af om hier op aarde te komen,
diezelfde heerlijkheid heeft Hij weer als Hij terugkomt.
Dat lijden en sterven aan het kruis, dat hoort bij de Heere Jezus. Zo is Hij!
En ook Zijn heerlijkheid, waarmee Hij terugkomt! Zo is Hij!
Dat is wat je aan je kind mag vertellen over de Heere Jezus:
dat Hij vanuit de hemel kwam op aarde, dat Hij hier op aarde stierf voor ons
en dat we vooruitkijken naar die dag, waarop Hij weer terugkomt.
Dat is wat mijn taak is als predikant, om u als gemeente hier aan te herinneren
dat de Heere Jezus voor ons uit de hemel kwam
en deze heerlijkheid aflegde, dat Hij stierf aan het kruis voor ons
En dat er een dag is, waarop Hij weer terugkomt
en mijn taak hier in de gemeente is om het verlangen aan te wakkeren,
zodat u naar die dag uitkijkt, waar op Hij komt.
Dat laat ook zien waarom de doop van belang is, ook voor een klein kind.
Zodat we beseffen dat we op reis zijn,
door dit leven heen, op weg naar een eeuwig leven.
De doop is een oproep aan de kinderen die worden gedoopt,
maar ook aan ons als gemeente om open te staan voor de aanwijzingen van de Heere,
om te zien wat de Heere doet en vooral te geloven.
U, jij hebt al heel vaak een doop gezien en dat ontroert vaak heel erg.
Heb je bij de doop ook de roep van de Heere Jezus zelf gehoord: kom naar Mij toe?
Ga met Mij mee! Geloof in Mij en dan heb je het eeuwige leven
en mag je bij Mij in mijn heerlijkheid zijn.

Die oproep hebben we steeds weer nodig, want geloven is vaak een weg.
We kunnen dat aan Markus zien, hoe hij zijn evangelie schrijft:
geloven is geen plotselinge bekering – al kan dat wel en gebeurt dat ook,
dat mensen opeens alles achterlaten en Jezus achteraan gaan,
maar bij Markus is geloven bijna altijd: steeds met Jezus meelopen
en steeds weer ontdekken wie Hij echt is
en dat ontdekking is steeds weer nodig, omdat we het niet altijd doorhebben,
niet altijd zien, wat Jezus ons wil laten zien
en dat we maar zoeken en tasten.
Net als Petrus, die de geweldige ervaring wil vasthouden.
Petrus denkt dat de eindtijd al begonnen is
en dat ze dit moment moeten vasthouden, voor altijd bewaren.
Maar de stralende glans om Jezus verdwijnt
en voordat Jezus alleen overblijft, klinkt de stem van God uit de wolk
tegen de discipelen, tegen ons:
Dit is Jezus – luister naar Hem!
Want Hij gaat de taak vervullen die Ik, de Vader, op Hem legde,
Mijn geliefde Zoon, Hij zal doen wat Ik van Hem vroeg.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden
en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding.
Jezus sterft voor ons – en draagt wat voor ons was bestemd: Gods oordeel.
Daardoor wordt – door Hem – voor ons ook die heerlijkheid die om Jezus hangt mogelijk.
Geloof Hem – zegt God zelf tegen ons.
Want Hij is onze redding – onze heerlijkheid.
Amen

Preek zondag 12 juli 2015

Preek zondag 12 juli 2015

Efeze 6:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
beste doopouders,

Van harte gefeliciteerd met de doop van je kind en Gods zegen bij de opvoeding!

Met de opvoeding van je kind ben je wellicht nog helemaal niet bezig.
Je bent in deze maanden vast vooral bezig met het genieten van je kind,
met wennen aan de verandering die er gekomen is,
nu je echt een gezin vormt: niet meer met z’n tweeën, maar nu met een kind erbij.
Ik hoop dat het je leven heeft verrijkt en dat je ook gelukkig bent.
Je moet vast ook wennen aan de verantwoordelijkheid die je hebt gekregen
nu zijn klein en hulpeloos mensje aan je is toevertrouwd.
Je hebt er vast naar uitgekeken in de afgelopen maanden, naar de geboorte van je kind.
Nu ben je samen vader en moeder.
Ook al zijn er oma’s en misschien ook wel opa’s die graag je kind overnemen,
de fles willen geven, mee uit wandelen willen gaan, op schoot willen houden,
de eerste zorg ligt bij jullie.
Straks zul je gaan merken dat jij je kind het beste kent.
Dat je weet wat hij of zij nodig heeft aan zorg.

Vandaag belooft God aan je kind, dat Hij als de hemelse Vader voor hen zal zorgen.
Dat heeft Hij ook al beloofd bij de geboorte en zelfs voor ze geboren werd.
Vandaag wordt die belofte van Zijn zorg nog eens bevestigd in de doop die je kind ontvangt.
Je hoeft het niet alleen te doen.
Sterker nog, de allereerste verantwoordelijkheid ligt ook bij de Heere.
Zoals Hij voor jullie zorgt, nog steeds, ook al kun je heel goed voor jezelf zorgen,
zo zal Hij ook voor je kind zorgen.
Je zult ook wel geregeld met je kind in je armen staan,
waarbij je naar je kind kijkt en dan een gebed in je op voelt komen:
‘Heere God, zorgt u alstublieft voor mijn kind.
Ik kan het niet alleen!’
Of een gebed voor jezelf: ‘Geef mij de kracht en de wijsheid om een goede ouder te zijn.’
Vandaag heb je beloofd om een goede ouder te zijn voor je kind,
aan je kind, aan de gemeente en vooral aan God.
Dat wil je ook graag, een goede ouder zijn, voor je kind dat je nu al zo dierbaar is.
Je zou niet meer zonder je kind kunnen.
Ze horen er helemaal bij.
Voor je kind wil je een goede ouder zijn
en daarom heb je ook vol overtuiging, met heel je hart “ja!” gezegd op de laatste doopvraag,
de vraag of je je kind een christelijke opvoeding wil geven.

Wat is dat dan: een christelijke opvoeding?
Vaders, wek geen toorn op bij uw kinderen,
maar voed hen op in de onderwijzing en de terechtwijzing van de Heere.
Of – in een andere vertaling (Bijbel in Gewone taal):
Vaders, wees niet hard voor je kinderen. Maar waarschuw ze voor verkeerde dingen
en leer ze de christelijke regels.

Dat is dus een korte samenvatting van wat een christelijke opvoeding is:
Vaders, wees niet hard voor je kinderen. Maar waarschuw ze voor verkeerde dingen
en leer ze de christelijke regels.
Of in de wat plechtigere taal die we gelezen hebben:
Vaders, wek geen toorn op bij uw kinderen,
maar voed hen op in de onderwijzing en de terechtwijzing van de Heere.

Dat kun je je nu vast nog niet voorstellen, vaders,
nu je kind nog zo klein en zo afhankelijk van je is
en zoveel tederheid bij je oproept,
dat er ooit een moment komt, dat je kind hard zou willen aanpakken,
zo hard dat het woedend op je is, niet zomaar een boosheid.
Ik hoop ook niet, dat zo’n moment in de opvoeding ook komt,
dat je je kind hardhandig zou moeten opvoeden.
Dan is er toch echt is mis!
Een hardhandige manier van opvoeden is een teken van onmacht
en laat zien dat je het niet aankan: dat je je kind niet aan kan en ook de opvoeding niet.

Waarom mag dat eigenlijk niet, een hardhandige opvoeding?
Omdat je als ouder ook iets van God laat zien:
als vader en als moeder representeer je iets van God, straal je iets van God uit.
Net als met je werk: als werknemer heb je de naam van je bedrijf hoog te houden.
Al zit je in Oostenrijk en zou er niemand van het bedrijf zien wat je doet,
toch heb je ook daar de naam van het bedrijf hoog te houden.
Net als met je naam, de naam van de familie.
Je hebt niet alleen de naam van je bedrijf en van je familie hoog te houden,
ook de naam van God.
Naar je kind toe straal je iets van de Heere uit.
Daarom mag je geen hardhandige opvoeding geven,
waarbij een kind het gevoel krijgt: ik mag er niet zijn.
Want dan gaat een kind door de opvoeding denken, dat er bij God ook geen plaats is.
Ik kom ze geregeld tegen, die een hardhandige opvoeding hadden.
Je ziet vaak een levenslange worsteling om liefde te ontvangen,
van God van mensen om zich heen
omdat ze van hun vader of moeder geen liefde hebben gekregen
en soms hebben ze ook een boosheid of diepe teleurstelling naar hun vader of moeder.
Van vaders wordt geen macht gevraagd,
maar ontzag vol liefde voor God,
dat ook doorwerkt in hoe je met je kinderen omgaat.

Daarom is die derde vraag van belang bij de doop,
waarin je beloofd hebt om een christelijke opvoeding te geven:
als vader en als moeder ben je de eerst aangewezen persoon
om je eigen kind, dat je van de Heere hebt gekregen, over God te vertellen.
zodat je kind leert dat er een Vader in de hemel is,
die het leven van hen heeft gewild.
Die jullie als ouders heeft voorbestemd, waarin Hij Zijn zorg voor jullie kind laat zien.
God gebruikt je, je mag vader en moeder zijn, zodat je Gods zorg mag laten zien.
Zodat je kind leert over de Heere Jezus
en dat als het iets verkeerd heeft gedaan, vergeving mag ontvangen.
Zodat het leert, dat er een Heilige Geest is die helpt bij het geloven.
Daarom heb je te vertellen waarom je je kind hebt laten dopen.
Zodat ze begrijpen dat het niet zomaar was, niet een gewoonte,
maar een teken van Gods liefde dat aan hen is meegegeven.
Daarom vertel je de verhalen uit de Bijbel of lees ze je voor, leer je ze liederen
want juist daardoor gaan ze begrijpen wie God is en wat Hij doet.
Door je kind te leren bidden, heel klein al,
zodat het zich veilig en geborgen weet bij de Heere, als het gaat slapen,
zodat het weet dat ons eten en drinken van onze Hemelse Vader komt,
Dat kun je niet aan opa en oma overlaten,
de eerste verantwoordelijkheid heb je als ouders.
Ook niet aan school, of de zondagsschool.
Dat werkt niet, als je deze opvoeding als een verplichting ziet.
Het moet uit je hart komen.
Je kind merkt het snel genoeg of het uit je hart komt of niet
en je houdt het ook niet lang vol.

De oproep van Paulus is aan de vaders gericht.
In die tijd vanwege het gezag dat de vader had, het hoofd van het gezin
en had alle gezag over het gehele gezin, over het gehele huishouden.
Een vader in die tijd moest je niet tegenspreken,
je had je maar te voegen naar wat hij zei.  Zijn wil was wet.
Vandaag de dag kan de oproep van Paulus net zo goed naar vaders toegaan.
Wat doen jullie vaders? Wat brengen jullie je kind, je kinderen bij over de Heere?
Of besteed je de opvoeding uit aan je vrouw?
Zeg je: ‘Vraag maar aan je moeder!’
En wat straal je zelf uit van de Heere?
Als het thuis over de Bijbel gaat, over bidden, over God,
houd je je dan op de achtergrond?
Er ligt nog steeds een taak voor vaders. Juist voor vaders.
Vaders zijn belangrijk in de opvoeding.
Een vader geeft zijn kind vaak uitdagingen.
Waar moeders zeggen: ‘Doe maar niet!’ Of: ‘Pas op!’ ‘Ga daar weg!’
zegt een vader eerder: ‘Probeer het maar!’ Of: ‘Ik zal je uitleggen hoe dat moet!’
Waar moeders soms angsten uitstaan, kan een vader ervan genieten om iets te ondernemen.
Niet alleen in de gewone opvoeding is een vader belangrijk.
Ook in het vertellen over de Heere, over het voorleven van het geloof.

Als vader kun je je kind leren om te gaan met teleurstellingen
en ook hoe je die in geloof kunt opvangen en verwerken.
Als vader kun je aan je kind leren hoe je met een (drukke) baan
toch tijd weet te vinden om over God na te denken, om te lezen in de Bijbel, om te bidden.
De vaders hier in Oldebroek zijn vaak niet van die lezers,
maar doen liever iets met hun handen, zijn liever bezig.
Doen liever iets dan dat ze praten.
Ze vinden het makkelijker om een huis op te bouwen dan het leven van hun kind.
Ze zouden hun kind eerder mee de vrachtwagen op nemen,
dan een gesprek over hoe je God kunt dienen.
Als vader ben je belangrijk, ook voor je kind om God te dienen.
Laat zien waar je je kracht vandaan haalt: bij God.
Laat zien waar je voor leeft, niet alleen voor je werk,
maar ook voor je gezin, voor God, met het oog op de eeuwigheid.
Neem ook de tijd om te horen wat je kind wil vertellen,
welke vragen er in je kind leven
en laat zien hoe je zelf op de vragen van het leven of de vragen over God nadenkt.
Oprechte tonen in je kind,
omdat God oprechte interesse in ons toont, in onze kinderen.
Bereid om een verhaal aan te horen, omdat wij ook bij God ons hart uit kunnen storten
en als wij naar onze kinderen luisteren,
durven ze ook hun verhaal aan God te vertellen
omdat ze dan ontdekken dat er geluisterd wordt en dat God zou kunnen luisteren.
Soms moet je daarvoor je bezigheden ook even laten rusten
en niet weglopen of wegkijken als er aan tafel over begonnen wordt.

Als je echte interesse hebt voor je kind, voor wat er in hem of haar omgaat,
als je bereid bent om te luisteren en mee te denken,
als je er voor hen bent,
dan kun je hen ook de regels uitleggen die bij het geloof horen.
Dan kun je hen ook waarschuwen voor wegen die verkeerd zijn.
Dan heb je de basis voor een goed gezinsleven,
waarin je samenleeft met elkaar en met God.

Als vader, ook als moeder, heb je de christelijke regels uit te leggen, zegt Paulus.
Allereerst dat ze gehoorzaam zijn aan God, dat God nummer 1 in hun leven is.
Dat alles wat ze bij God weghoudt, voor hen verkeerd is.
Ook dat heb je als vader, als moeder voor te leven met hen daarover te vertellen.
En waarom het erg is als ze een verkeerde weg kiezen,
omdat ze dan God kwijtraken en hun relatie met God op het spel zetten.
Spreek daarom je kind ook aan, ook als vader.
Leg je kind uit welke verleidingen er in het leven zijn
en hoe je kind hier het beste tegen kan strijden.
Leer je kind ook dat er bepaalde dingen niet mogen,
omdat ze andere mensen of God pijn doen: vloeken, pesten, schelden, stelen.
Leer ze ook om om niet alleen aan zichzelf te denken,
maar ook de minste te worden als het moet, om elkaar in liefde te dienen.
Jullie als ouders in de eerste plaats, omdat je iets van God laat zien:
Kinderen, wees gehoorzaam aan je ouders.
Maar dat dienen is wederzijds: je dient ook je kind.
Niet door het in alles naar de zin te maken,
maar door het wegwijs te maken in het leven, door het een opvoeding te geven,
door hen over God te vertellen en het geloof voor te leven,
ook als het je tijd kost.

Toen jullie trouwden, hebben jullie aan elkaar beloofd
om voor elkaar te zorgen in alle dingen,
die tot het tijdelijke en het eeuwige behoren.
Ook voor je kind heb je dat nu beloofd,
Om je kind een weg door het leven te vinden,
zodat het een weg gaat met God
en later, we hopen dat het nog een hele tijd zal duren,
dit leven met de troost mag verlaten omdat je kind weet: ik ben van Christus,
omdat Hij voor mij gestorven is, is er bij Hem een plaats voor mij.

Als ouders straal je iets uit van hoe God is.
Een hele verantwoordelijkheid!
Tegelijkertijd ook iets moois:
als je zelf dicht bij de Heere leeft, elke dag in afhankelijkheid van Hem,
als je zelf de Heere dient, zullen je kinderen dat ook oppikken,
ook al heb je het er met hen niet over.
Je hoeft het niet in eigen kracht te doen, maar de Heilige Geest wil je bijstaan.
Zo voed je je kind het beste op:
in afhankelijkheid, waarin je beseft: ik red het ook alleen niet.
Ik ben niet alleen mijn man of vrouw nodig in de opvoeding,
maar vooral God.
Zo draag je de afhankelijkheid van God over aan je kind, misschien wel onbewust,
en leer je samen als gezin, die weg te gaan.
In vertrouwen op God zegen!
Amen

Preek zondagmorgen 10 mei 2015

Preek zondagmorgen 10 mei 2015
Bediening Heilige Doop
Efeze 3:1-13

 

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

 

Als ik op bezoek kom vanwege de geboorte van een kind
lees ik graag uit Psalm 139.
In deze psalm wordt het wonder beschreven,
hoe God het kleine kindje reeds vormde in de schoot van de moeder
nog voor dat het voor ons mensen zichtbaar was,
werd het al door God gevormd en werd het al door God gezien.

Er is nog een reden waarom ik graag uit deze psalm lees bij een geboorte:
in de psalm wordt er over ons leven gesproken als een boek.
Dat boek van ons leven wordt door God geschreven.
Terwijl je kijkt naar het kleine kindje dat nog maar zo pas geboren is,
vraag ik mij vaak af: hoe zal het leven van dit kleine kind gaan verlopen?
Wat zal het allemaal meemaken?
Dat zal ook wel met mijn werk te maken,
waarin ik van alles zie:
mooie momenten die er in het leven zijn,
maar soms ook hele moeilijke momenten, diepe dalen waar iemand door heen moet?
Hoe zal dan het leven van dit kind zijn?
Zal het een gelukkige onbezorgde kindertijd kennen?
Wat zal het allemaal meemaken in zijn of haar leven?
En als er moeilijke momenten komen in het leven, zal hij of zij dan sterk genoeg zijn
om deze tegenslagen te dragen?
Het mooie van Psalm 139 is dat daarin staat dat God ons levensboek schrijft
en dat Hij onze dagen opschrijft in Zijn boek.
God schrijft het boek van ons leven.
Wij zijn het zelf niet die ons eigen leven schrijven, die ons leven uitstippelen,
maar God is het die ons leven vormgeeft en beschrijft.

De gebeurtenissen die we meemaken, krijgen dan een plekje in dat boek.
Hoe de bevalling was en hoe de baby reageerde, hoe lang en hoe zwaar de baby was,
wie er diezelfde dag allemaal op bezoek kwamen om te kijken.
De prik die al snel volgt, de eerste dagen en weken – het wordt allemaal opgeschreven.
Als het niet goed gaat en de baby moet naar het ziekenhuis, wordt dat opgenomen.
Een boek vol met wat we in het leven meemaken – het boek van ons leven.
En dat boek wordt door God geschreven.
Want we kunnen wel denken dat wij ons eigen leven kunnen beschrijven,
dat we zelf onze eigen weg uitstippelen, maar het is God die ons leven leidt.

Dat zie je vaak pas achteraf.
Als er iets in je leven gebeurt, heb je dat niet altijd door dat God bezig is
om het boek van je leven te schrijven, om je leven te vormen.
Als een jongen en een meisje verkering krijgen, zijn ze daar vaak helemaal niet mee bezig.
Ze voelen alleen maar de roze wolk, de verliefdheid en het samenzijn.
Als de relatie standhoudt en ze gaan verder en de verkering wordt serieuzer
totdat ze uiteindelijk trouwen, dan kunnen we zeggen: God heeft hen samengebracht.
Toen ze om elkaar heen draaiden in de keet,
of toen ze elkaar via facebook berichtjes stuurden
dachten ze wellicht helemaal niet aan de Heere, of aan leiding over hun leven,
maar Hij was al wel bezig met hen, om hen samen te brengen.
Als de Heere ons leven leidt, doet Hij dat vaak op een heel verrassende manier.
We zien dat vaak niet op het moment zelf
en terugbladerend in ons levensboek hebben we lang niet altijd door
op welke momenten God aanwezig was in ons leven
en zien we ook niet als we terugkijken en herinneringen ophalen,
dat de Heere ons vormde en leidde.

Dan blader je terug in je levensboek
en dan zie je weer dat moeilijk moment dat je als kind bij het graf van je oma stond
van wie je zoveel hield en die je nog steeds mist.
Was u er toen ook, toen ik daar was op de begrafenis?
Of je denkt aan het ongeluk dat je meemaakte,
dat je sindsdien nooit meer kon vergeten?
Was U daar, Heere, toen dat gebeurde? Waarom hebt U mij toen niet beschermd?
Of die tijd toen ik er met mijn opleiding niet uitkwam en niet wist wat ik moest doen?
Had U mij toen niet kunnen helpen?
Als wij ons eigen levensboek zouden schrijven,
zouden er veel minder kromme lijnen inzitten
en zouden we ervoor kiezen om onszelf allerlei moeilijke momenten te besparen.

Het kan ook zijn, dat je terugbladert in je levensboek
en dat je allerlei gebeurtenissen en gedachten van jezelf van vroeger weer terugkomt
maar dat als je verder kijkt, dat je dan helemaal niets van God terugvindt.
Ja, je ging wel naar de kerk en naar catechisatie, naar de christelijke school,
naar de clubs en je deed wel mee en je hoorde alles wel aan,
maar je hebt niet echt iets van God ervaren.
Je had hem ook niet echt nodig, want je hebt niets ergs meegemaakt,
een mooie kindertijd, als jongere gelukkig en nog steeds een leven zonder al te veel zorgen.
Was Hij er wel in die tijd
of was Hij afwezig in je leven, omdat je zelf ook niet zo met Hem bezig was.

Doopouders, vandaag heeft de Heere tegen jullie kind gezegd bij de doop:
Ik zal er altijd zijn.
Ik ben God de Vader en je mag elke dag rekenen op Mijn zorg als Vader in de hemel.
Ik ben Christus die voor je aan het kruis is gestorven,
zodat al het verkeerde dat je hebt gedaan en in je levensboek terecht is gekomen
en wat je zelf niet meer ongedaan gemaakt kan worden
door Mij vergeven wordt en uit je levensboek verwijderd wordt.
Er gaat geen dag voorbij of God is met ons bezig.
Er gaat geen dag voorbij of God zal jullie kind in Zijn hoede nemen.
Dat ervaren we lang niet elke dag
En de dagen dat we de Heere niet ervaren kunnen soms wel meer zijn
dan de dagen waarop we Hem wel ervaren.
Maar als we Hem niet ervaren en Zijn aanwezigheid en betrokkenheid niet opmerken,
wil dat nog niet zeggen dat de Heere er niet is.
Jullie hebben als ouders beloofd om je kind een christelijke opvoeding te geven.
Dat houdt onder andere in, dat je aan je kind leert
op welke manier God in het leven van je kind aanwezig is, elke dag weer opnieuw.
Als je kind iets ouder is, kun je met je kind een avondgebedje doen
waarin je vraagt of God hem of haar wil beschermen deze nacht
en dat je dankt dat God er was, beschermde en zorgde.
Door met je kind te bidden, leer je je kind te zien
dat de Heere er ook is
en ook doet wat Hij beloofde toen je kind werd gedoopt.
Je leert je kind kijken – kijken naar Gods aanwezigheid.
Want God is er wel, maar we zien en ervaren Hem vaak niet – ook al is Hij er wel.
Ook als je je kind voorleest uit de (kinder)bijbel gaat het er niet alleen om
dat ze de verhalen leren kennen – dat is ook belangrijk!
maar vooral dat ze door middel van die verhalen ontdekken
hoe God in hun eigen leven aanwezig is,
wat Hij voor hen doet – als Vader, Zoon en Heilige Geest.
De verhalen in de Bijbel gaan over je kind en over jezelf
en over God en hoe de relatie is tussen God en jou en God en je kind.

Want die relatie is er: tussen jou en God en tussen God en je kind,
want dat is wat de doop aangeeft:
dat God die relatie legt – een verbond – en dat die relatie er vanuit God
voor altijd is.
Maar we zien en ervaren die relatie niet altijd
en we leven er lang niet altijd uit
en we kunnen die relatie verwaarlozen, zoals je ook vrienden kunt verwaarlozen:
een tijdje trek je intensief met elkaar op en dan verwatert het contact
en je neemt eerst nog voor de vorm met elkaar op en daarna laat je het er helemaal bij zitten.
Zo kan ook onze relatie met God verwateren,
maar omgekeerd kan dat niet – dat God Zijn relatie met ons laat versloffen,
want in de doop laat Hij zien dat die band, die relatie eeuwigdurend is.

Het is er wel, maar we zien en ervaren het niet altijd.
Dan komen we uit bij de tekst – geen gemakkelijke tekst
en ik heb geaarzeld of ik deze tekst wel moest nemen bij een doopdienst.
Het gaat mij in deze tekst vooral om 1 woord: geheimenis.
Dat is precies waar ik het over had:
over Gods relatie met ons en Zijn aanwezigheid in ons leven
die er wel is, maar die we niet altijd opmerken.
Dat is een geheimenis.
Een geheimenis is iets dat er wel iets, maar niet direct wordt gezien of ervaren.
Een heel alledaags voorbeeld is de zon die achter de wolken is.
Als het bewolkt is, zien we geen zon  – en toch de zon is er.
We kunnen dan wel zeggen: er is geen zon,
maar we bedoelen dan eigenlijk: de zon is er wel, maar de stralen bereiken ons niet.
We ervaren zijn warmte niet en vaak is dan nog somber ook.
De zon achter de wolken – dat zullen we niet snel een geheimenis noemen.
Want een geheimenis heeft nog iets extra’s.
Als je je ervan bewust bent, kan het je heel diep raken,
raak je erdoor verwonderd.
Je kunt naar een boom kijken als een boom en er verder niet over nadenken,
maar als je daarnaar kijkt en je weet dat die boom door God geschapen is
en dat God de boom laat groeien, dan is kun je je daarover verwonderen.
O Heer mijn God wanneer ik in verwondering, de wereld zie die U hebt voortgebracht
dan zingt mijn ziel tot U o Heer mijn God: hoe groot zijt Gij.

Juist relaties hebben iets van een geheimenis:
Het is er wel, maar je ziet het niet en je ervaart het niet altijd
en als je het wel door hebt, kun je je alleen maar verwonderen.
Neem de band die er tussen ouders en kinderen is,
die is er gelijk, al vanaf de geboorte.
en die is er ook in de puberteit als kinderen in een lastige fase komen
en heel tegendraads worden en de grenzen opzoeken
om uit te testen of je echt van ze houdt
en wanneer ze ontdekken dat je liefde onvoorwaardelijk is,
dan kunnen ze daar heel verbaasd over zijn (al zullen ze dat niet altijd laten merken).

Zo is het ook met de aanwezigheid van God in ons leven.
Het is er wel, maar je ziet het niet altijd en je ervaart het niet altijd.
En als je terugbladert in je levensboek, dan zie je alleen maar de gebeurtenissen
zoals je ze zelf hebt ervaren

en je bladert nog eens terug en je probeert je te herinneren hoe het ging
en je kunt je van God niets herinneren
en terugbladerend zie je het ook niet.
Dat geheimenis – zegt Paulus – daar moeten onze ogen voor open gaan.
Je ontdekt dat niet uit jezelf, alleen de Heilige Geest kan het je leren.
Je kunt het alleen ontdekken als God je helpt, als God het aan je openbaart.
Als de Geest je leert kijken.
Daar kan Hij ook anderen voor gebruiken.
Als de Heilige Geest je leert kijken, gaat het niet altijd om een mysterieuze ervaring
diep in jezelf, waarbij je niet weet hoe je die voor elkaar moet krijgen.
Nee, het komt van de Heilige Geest,
omdat het je toevalt, je doet er niets aan,
maar opeens zegt je kind iets, waardoor je ontdekt: inderdaad, dat doet God.
Of er schiet een Bijbeltekst te binnen.
Ik heb dat wel eens gehad, toen ik op een morgen uit het raam keek
naar de musjes in de tuin keek en me opeens een uitspraak van de Heere Jezus herinnerde:
dat geen musje zonder Gods wil ter aarde valt en dat wij als mensen nog waardevoller zijn.
Sindsdien kijk ik graag naar de musjes, omdat ze het me voorhouden:
God zorgt heus wel.
Die musjes zijn daar helemaal niet van bewust dat zij dat tegen mij zeggen.
God zegt het mij, door die musjes te laten komen in onze tuin.
God spreekt vaak door heel eenvoudige, alledaagse dingen
en juist die dingen merken we niet op, omdat we die gewoon vinden.
Dat ze zon opkomt en God ons weer een nieuwe dag schenkt – teken van Zijn trouw.
Dat een kind gezond geboren wordt – een wonder
en hoezeer dat een wonder is, ontdek je wanneer je tegenkomt
dat het krijgen van een kind helemaal niet vanzelfsprekend is.

God spreekt vaak meer door het alledaagse dan door bijzondere ervaringen.
Gods geheimenissen zijn geen geheimen – de woorden lijken op elkaar,
maar verschillen heel sterk, want bij een geheim moet je er maar naar gissen
en als je er niet uitkomt, raak je of gefrustreerd of je laat het zitten.
Nee, een geheimenis is geen geheim of raadsel,
Nee, het is iets wat er is, alleen zie je het niet of ervaar je het niet.
Het moet tegen je worden gezegd.
Daarom is de kerk ook van belang.
Als Paulus spreekt over het geheimenis, dan spreekt Hij erover dat het geheimenis
aan de kerk is gegeven, aan de gemeenschap en niet alleen aan mensen alleen.
Want we hebben elkaar nodig
om dat geheimenis van God te ontdekken en te ervaren.
Als je op een zondag in de kerk zit en je ontdekt opeens dat de tekst je deze keer iets zegt
– je hoort niet eens de stem van een dominee, maar van Godzelf: Hij praat met je.
Als je een ander hoort vertellen over de weg die hij of zij gaat,
en je herkent wat de ander zegt en je begrijpt opeens veel beter hoe God in jouw leven er is.

Niet altijd zichtbaar – toch is Hij er. Verborgen – en toch: Hij is er.
Hij is er ook als je leven heel anders verloopt dan je had gedroomd.
Hij zal het kwade van je weren – belooft God als Vader aan je kind.
Maar dat kwade kan toch komen en ook dan is God er.
Hij zorgt ervoor dat het kwade meewerkt ten goede.
Dat heb je niet altijd door.
Waarom moest dat ongeluk vorige week gebeuren? Was dat Gods wil?
Heeft Hij daar een doel mee?
Dat weet ik niet. Wel weet ik, dat God er ook toen was
en dat Hij ook daarna er zal zijn als iedereen het ongeluk is vergeten
maar jij zelf nog hinder hebt van dat ongeluk.
Hij laat het meewerken ten goede – zegt God in de doop.
Ik zeg het voorzichtig, want zulke antwoorden kun je ook gebruiken
om weg te kijken en de pijn van een ander niet te hoeven zien.
Nee, het gaat niet om een goedkoop antwoord,
het gaat erom, dat als ons leven heel anders verloopt dan we denken
dat we dan niet twijfelen aan God, want Hij is er.
En al worstelen we met God en met Zijn aanwezigheid
en spoken er in ons hart allerlei vragen – Hij laat ons dan niet in de steek.
Wij moeten oppassen om te snel naar het doel te vragen.
Wij weten niet altijd het doel, waarom iemand ziek wordt,
waarom iemand langzaamaan zijn verstand of geest moet verliezen.
Het gaat erom, dat als dat gebeurt, dat God er dan toch is – verborgen vaak,
we zien Hem niet en ervaren Hem niet en toch is Hij er.
Wij moeten oppassen met het zoeken naar een doel.
Want ook als er helemaal geen doel is in onze ogen,
dan is het geheimenis dat ons leven, ons bestaan waarde heeft voor God.
Juist als ik zwak ben en ik helemaal niets meer voorstel, ben ik sterk.
Want dan geef ik het over aan God: Zoekt U het maar uit, want ik kan er niets van maken.
En dan zegt God: Mijn genade is voor jou genoeg.
het gaat er niet om, dat jij het doet, maar dat Ik het doe en Ik zal het doen!

Zelfs als er in ons levensboek bladzijden komen die er niet hadden moeten komen,
dat we verkeerde keuzes maken, dat we anderen pijn doen
of God verwaarlozen of zelfs tegen Hem in gaan,
trekt Hij zich niet terug, maar gaat Hij naar ons op zoek.
Op dat is de doop – om aan te geven dat er in Christus vergeving is
en dat al willen wij Hem uit ons leven schrappen Hij toch er is en blijft komen.
Opdat zij mogen begrijpen wat de gemeenschap aan dat geheimenis is,
opdat je kind zal begrijpen, zal geloven wat het betekent om bij deze God te horen,
wat het betekent om te delen in de belofte dat God als Vader zorgt,
als Christus je zonden vergeeft, als Geest je nooit loslaat
– dat is niet alleen voorleven hoe God in je leven aanwezig is,
het geheimenis van jouw leven,
maar dat is ook erop vertrouwen en erom bidden
dat God aanwezig is en aanwezig blijft in het leven van je kind
en dat je daar samen steeds weer naar blijft zoeken,
naar Gods betrokkenheid op je kind en op jezelf.
Om te zien, te ontdekken, te geloven
dat God het boek van je leven schrijft
en dat Hij elke dag, zich erbij schrijft
al zie en ervaar je het niet – Hij is er!
Amen

Preek zondag 28 september 2014

Preek zondag 28 september 2014
Bediening Heilige Doop
Exodus 14:1-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hier heb ik een sleutel.
Met deze sleutel kon de kerk van Watergang opengemaakt worden.
De deur van de kerk was een stevige dikke deur.
Deze sleutel werd vast een lange tijd gebruikt om die deur te openen,
maar enkele jaren geleden werd het slot vervangen.
Het slot was niet veilig genoeg meer als er inbrekers zouden komen.
Om inbraak tegen te gaan, kreeg de deur een nieuw slot.
De sleutel mocht ik houden als herinnering aan de kerk van Watergang.
De sleutel heb ik al die tijd bewaard,
als herinnering, maar ook omdat het een mooie sleutel is.

Deze sleutel heb ik meegenomen om iets over de doop te vertellen,
maar ook iets over het verhaal dat we met elkaar hebben gelezen te vertellen,
het verhaal over het volk Israël dat door de Rode Zee trekt.
Zowel in de doop als in de tocht door de Rode Zee gaat er een deur open.
In beide gevallen is het God die de deur opent.
De doop en de weg door de Rode Zee hebben ook met elkaar te maken.
Als je begrijpt wat er met het volk Israël gebeurde
toen het door de Rode Zee trok,
als je dat begrijpt, begrijp je ook wat er in de doop gebeurt.
In het gebed bij de doop wordt die tocht door de Zee ook aangehaald:
U hebt de verharde farao met heel zijn volk in de Rode Zee verdronken, maar Uw volk Israël daar droogvoets doorheen geleid, waardoor de doop wordt aangeduid
Ook Hendrik Helmig Saïd Boeve en Ruben Rohen van Oene
zijn als het ware door de Rode Zee getrokken.
En als je zelf ook gedoopt bent, geldt dat ook voor jou, voor u:
je bent door de Rode Zee gegaan,
net als het volk Israël eeuwen terug.

Maar wat betekent dat: door de Rode Zee gaan?
Wat betekent dat voor de dopelingen?
Wat betekent dat voor ons en voor het volk Israël?
Dan moet u naar het verhaal van het volk Israël luisteren
alsof u zelf erbij bent geweest.
Alsof u en jij erbij hebben gelopen.
Het was een hele grote menigte,
misschien wel zoveel mensen als er in de provincie Gelderland wonen.
Ieder afzonderlijk van deze grote groep had alle bezittingen meegenomen die ze hadden.
In Egypte zouden ze nooit meer terugkeren.
Dat lag voorgoed achter hen.
Wat er ook achter hen lag, wat nooit meer terug zou komen,
was het harde werken als slaaf.
Nooit meer zouden ze het geschreeuw van de slavendrijver horen,
nooit meer de klappen van de zweep op de rug voelen
als ze niet harder konden werken.
Nooit meer hoefden ze bang te zijn
dat de kinderen die geboren worden van hen afgenomen zouden worden
om gedood te worden.
Wat een ander leven, een leven in vrijheid!
Dat nieuwe leven in vrijheid, dat kregen ze omdat de Heere voor hen de deur open deed.
De deur van hun slavenbestaan, de deur van de gevangenis.

Daarom die sleutel, die ik meegenomen heb,
die herinnert eraan dat er voor het volk Israël een deur openging.
Een deur die zij zelf nooit open gekregen zouden hebben.
En achter die deur lag een weg naar de vrijheid.
Ze hadden er misschien zelf nooit aan gedacht om die weg te kiezen,
weg uit Egypte, waar het leven zo zwaar was,
omdat ze niet geloofden dat ze ooit uit de macht van Egypte zouden kunnen ontsnappen.
Zouden ze op de vlucht gaan, de farao zou hen terug kunnen halen.

U moet zich voorstellen dat u daarbij liep,
Dat u, dat jij daar met het volk Israël de vrijheid tegemoet ging.
Want de God die voor Israël de deur open deed naar de vrijheid
heeft ook voor u, voor jou die deur opengedaan naar de vrijheid.
Al die mensen die achter Mozes aangingen op de weg door de woestijn
hadden allemaal één ding gemeenschappelijk: allemaal zijn ze in Egypte geboren.
Maar ook wij, ook u, ook jij hebben dat gemeenschappelijk:
we zijn allemaal in een soort Egypte geboren.
Onze kinderen zijn – net als wij – in zonde ontvangen en geboren.
Dat wil zeggen: op een plaats buiten het land van God,
waar God is, waar Hij koning is en gediend wordt.
Daar zijn we buiten geboren – buiten het paradijs.
Een soort Egypte, omdat we dan in het gebied geboren zijn
dat in de macht van de zonde is, van de duivel.
De geboorte van een kind is een rijke zegen,
een bijzondere gebeurtenis waarin je veel van de Heere ontvangt.
Maar er is wel eens schaduwzijde aan de geboorte van een kind:
elk kind dat geboren wordt, wordt buiten het paradijs geboren.
Dat is misschien niet het eerste waar je aan denkt als je je kind in de armen sluit:
weer een zondaar op aarde gekomen.
En dat is misschien ook niet het eerste dat bij je boven komt
als kinderen de kerk ingedragen worden om de heilige doop te ontvangen:
in zonde ontvangen en geboren – eigenlijk in een soort Egypte geboren,
in het slavenbestaan waarin de zonde en de duivel de heerser zijn.

Gelukkig is dat niet het enige dat over een klein kind gezegd kan worden.
Gelukkig is er nog een andere kant aan de zaak
Waar de Heere voor gezorgd heeft.
Wanneer een kind in Israël geboren wordt, wordt het weliswaar in Egypte geboren,
maar wordt het tot het volk van God gerekend.
Dat geeft een dubbelheid, een spanning:
Wanneer er niets gebeurt – als de Heere niets doet,
zal dit kind opgroeien in Egypte, zal het een moeilijk bestaan hebben
als slaaf, zal het afgebeuld worden, zal het uiteindelijk sterven en begraven worden in Egypte
en zal het nooit de vrijheid hebben ervaren, maar altijd slaaf en gevangen.
Dat maakt de uittocht uit Egypte zo bijzonder: de Heere opent de deur
en laat het volk Israël trekken naar het Beloofde Land en naar de Sinaï.
Vooral die berg is van belang: vorige week op Startzondag heb ik verteld
dat op die berg de Heere is en dat Hij vanaf dat moment ook echt in eigen persoon
meegaat met Zijn volk en bij Zijn volk komt wonen.
Heel het volk gaat mee, achter Mozes aan: eerst naar de berg van God
en daarna naar het land dat de Heere hen gegeven heeft.
Je moet er niet aan denken dat er sommigen achtergebleven waren,
die het niet zagen zitten om mee te gaan.
Die bij zichzelf dachten: we weten nu wat we hebben;
wat we krijgen, wat het leven wordt, dat moeten we maar afwachten.
Iedereen ging mee, de deur die door de Heere was geopend door.

Net had ik het over een spanning, een dubbelheid:
geboren in Egypte, maar lid van het volk Israël.
Die dubbelheid, die spanning is er ook voor elk kind dat uit gelovige ouders geboren wordt.
Het wordt in een soort Egypte geboren, buiten God,
maar het mag er ook bij gerekend worden.
Maar dat zijn wel twee verschillende krachten die aan een kind trekken.
Er blijft een kracht uit dat Egypte aan de kinderen trekken.
Zal er een soort heimwee zijn, naar het oude bestaan van voor de doop?
Zullen zij zeggen: Mijn ouders hebben mij weliswaar meegenomen
op die weg door de Rode Zee, maar ik keer liever terug.
Ik hoef niet tot Israël gerekend te worden. Laat mij alsjeblieft terug gaan naar Egypte.
Liever slaaf dan op de weg van God zijn.
En welke twee van de krachten is het sterkst bij u?
De kracht van de Geest die u meeneemt om de weg van Christus
of de kracht van de zonde die u het heimwee bezorgd naar een bestaan
waar de zonde en de duivel over u de baas zijn.
Liever in de macht van de zonde dan op de weg van God te zijn.
Want gemeente, deze dopelingen hebben de doop ontvangen,
maar dat is geen garantie dat ze de eindbestemming
die God met de doop bedoeld heeft zullen behalen: namelijk het hemels Kanaän.
Ook degenen die gedoopt zijn kunnen zeggen: Waren we maar in Egypte gebleven.
Pa, ma, had mij maar nooit door de Rode Zee laten gaan.
Had mij maar daarvoor gelaten.
Zonder de redding van Christus had ik een prettiger leven gehad!

Waarom eigenlijk, gemeente?
Waarom blijft Egypte zo trekken bij het volk Israël?
En waarom is het voor degenen die gedoopt zijn geen garantie
dat hun weg eindigt in de hemel, in Gods heerlijkheid?
We zien het in het verhaal dat we hebben gelezen:
leven in vertrouwen op God is voor mensen niet eenvoudig.
Elke keer is er weer de herinnering aan het verleden,
waarbij de nare kant onderdrukt wordt en alleen aan het positieve wordt teruggedacht.
Elke keer is er het wantrouwen aan de leiding van de Heere.
Het begint al direct na het uittrekken uit Egypte:
Het volk moet een andere weg gaan. Niet een directe weg naar Kanaän,
maar een weg waarbij het vast lijkt te lopen.
Keer om op de weg.
Doe net of je niet meer de weg weet en je tijd moet nemen om de weg te vinden in de woestijn.
Dat is de weg die God vaak met Zijn volk gaat:
niet een rechtstreekse weg,
maar een weg met bochten en omwegen, waarbij je zelf denkt: ik kom niet meer verder.
Kijk maar naar het volk Israël.
Het moet het kamp opslaan op een plaats waarbij het bijna omsingeld is.
Er is nog één weg open: dat is de weg terug naar Egypte.
Aan twee kanten liggen bergen waar het volk niet overheen kan.
en voor hen wordt de weg geblokkeerd naar Egypte door de Zee.
Je zou denken dat het om aardrijkskundige namen gaat,
maar waarschijnlijk gaat het om meer:
In de naam Pi-Hachiroth klinkt de naam van de Egyptische god Hathor door
en in de naam van Baäl-Zefon, de naam van Baäl.
Gevangen tussen deze twee goden: de god uit wiens macht ze net ontsnapt zijn
en de god die heerst in het land waar ze naar toe gaan.
De bergen omringen hen en vanaf die bergen grijnzen deze goden hen aan:
je redt het niet – verloren.
Ik hef mijn ogen op naar de bergen – nou, daar komt geen hulp vandaan,
maar de grimmige spot van de goden die sterker lijken te zijn dan de God van Israël.
En voor hen is de weg ook geblokkeerd – door de zee.
Ook hier gaat het om meer dan een aardrijkskundige benaming:
de zee: dat is een verwoestende macht, een tsunami, geweldige golven,
waartegen niets bestand is, een onneembare hindernis.
Daar is geen weg doorheen, maar wie daardoor heen gaat, wacht de dood, is verloren,
ten dode opgeschreven.
Achter hen zien ze de farao van Egypte aan komen stormen met de beste soldaten die hij heeft.
Dat zal een paniek gegeven hebben:
net als bij de mensen die uit Syrië gevlucht waren en voor de grens van Turkije stonden
maar er niet in mochten, omdat Turkije de grens gesloten had.
Achter hen rukte de dreiging op: de dood, vaak voorafgegaan door gruwelijke gebeurtenissen.
Niemand die veilig is, maar je kunt niet vooruit, omdat die weg gesloten is.

Gebeurt dat in het geloof ook niet?
Je bent op weg gegaan met de Heere, maar daar was opeens die omweg.
Je kwam vast te staan: geen enkele uitweg.
Klem tussen de goden van onze tijd die je uitlachen omdat je het geprobeerd had
met de Heere en achter je aan de zonde, de duivel die je komt achterhalen,
dravend met een zekerheid dat je een makkelijke prooi bent om terug te halen
en weer terug te brengen in zijn slavenbestaan.
Dan gaat opeens de deur open:
vandaar die sleutel die is meegenomen.
De deur door de zee heen, door het verwoestende water, niet te temmen,
Een weg door wat de dood had moeten zijn, daardoorheen een weg die de Heere geeft.
Door de dood wordt een weg gebaand door de Heere
en Israël kan in vrijheid gaan.
Zo is de doop ook een weg door de dood heen. Daarom die sleutel.
Jullie als ouders nemen je kind mee, door de Rode Zee.
Je neemt je kind mee uit Egypte, uit het slavenbestaan van de zonde en de duivel.
Zoals de ouders van Israël hun kinderen bij de hand meetrokken,
meesleurden als de kinderen begonnen tegen te stribbelen.
Weg van hier, door het water heen.
Zo nemen jullie door je kind de doop te laten ondergaan je kind mee.
Die weg is de Heere Jezus, is Zijn dood.
Daarin neem je je kind mee.
Daarmee is je kind uit Egypte, dat is het mooie – dat is het evangelie:
je mag je kind meenemen op de vlucht uit het zondebestaan,
maar het is nog niet in Kanaän – het is nog niet in het land van God.
Er zal steeds die aantrekkingskracht zijn: was ik daar maar in Egypte.
Er zal steeds een strijd zijn tussen die kracht en tussen de Heilige Geest
die je mee wil nemen verder op de weg van de Heere Jezus.
Welke kracht gaat het winnen? Welke kant gaat je kind op?
Door de Rode Zee is nog geen garantie dat je in Kanaän komt.
Want van de Israëlieten die daardoorheen gingen, kwamen er maar 2 aan: Jozua en Kaleb.
Het is een smalle weg; niet omdat God zo’n hoge drempel geeft,
maar omdat ons hart zo moeilijk de weg van God gaat.
Daarom is de doop geen garantie dat we in Gods heerlijkheid komen.
De doop brengt ons niet in de hemel.
De doop laat de sleutel zien:
het bloed van de Heere Jezus waardoor er een weg weer is naar God.
Je mag als ouders je kind lang op deze weg meenemen,
het mag lang aan je hand meelopen en zo mag je het in de opvoeding de weg wijzen,
maar er zal een moment komen, waarop het zelf de keuze moet maken:
Egypte of Kanaän; de zonde of de Heere; het leven in Gods heerlijkheid of de verlorenheid.
De Heere wil dat laatste: daarom toont Hij in de doop de sleutel,
toont Hij dat Christus de weg gebaand heeft
en dat de machten die ons op de hielen zitten ondergegaan zijn in Zijn dood
en voor ons de weg naar de Heere open ligt.
Wie die weg niet gaat, keert terugaar het leven van vóór de Rode Zee, van voor de doop
en dat is een leven van de ondergang.
Dat zou de slechtste keuze zijn, want dan kies je voor de verliezer , voor degene die ondergaat
en sta je buiten de lofzang op Gods heerlijkheid en macht.Maar dan moeten we die weg wel gaan, voor onszelf en voor onze kinderen
en moet je als ouders de ernst van de keuze voorhouden.
Alleen als je deze weg gaat, dan ga je de weg van de Heere, de weg van behoud.
De weg is gebaand – dat laat de doop zien. Ga die weg dan ook!
Wie die weg gaat, mag meezingen in de lofzang van Israël.
Het volk dat Zijn God bezingt, omdat het van deze God mag zijn.
Amen

Betekenisverschuiving bij de doop van kinderen

Betekenisverschuiving bij de doop van kinderen

In de afgelopen decennia heeft de doop voor velen een andere betekenis gekregen. In ieder geval voor veel doopouders, maar ook voor officiële teksten waarin de visie van de kerk wordt weergegeven.

images

Voorheen was de doop een ritueel dat erop wees, dat er in het leven van het pasgeboren kind het een en ander nog moest gebeuren. Het pasgeboren kind is net als wij ‘in zonde ontvangen en geboren’, zegt het klassiek-gereformeerde doopformulier. In de doop moest ‘de oude mens’ verdronken worden.

Godsgeschenk
Vandaag de dag benadrukt de doop een heel ander accent: het pasgeboren kind is een Godsgeschenk. Het kind wordt uit dankbaarheid gedoopt. Daarnaast is er het besef dat de pasgeborene kwetsbaar is en een zorg en bescherming nodig heeft die het kunnen van de ouders overstijgt. De doop wordt dan ook gezien als een ritueel waarin de zegen en bescherming van God wordt gegeven.
Met deze betekenis wordt de doop een ritueel hoort dat bij God als schepper (Vader) hoort en niet meer bij God als verlosser (Zoon) of God als vernieuwer (Heilige Geest).

KIA050422_cf30f

Gevolgen
Günther Thomas is niet gerust op deze verschuiving. In zijn ogen heeft de verschuiving grote gevolgen:

– De doop raakt op deze manier los van Christus. In de ‘nieuwe’ interpretatie van de doop gaat het om een vorm van vitalisme dat meer uit het heidendom afkomstig is dan uit het christelijk geloof. Op deze manier blijft er alleen maar een traditioneel argument om te dopen over (‘Dat hebben we altijd gedaan.’). De kerk wordt op deze manier een folklorevereniging die niet meer duidelijk kan maken waarom het van belang dat de kerk ook lichaam van Christus is.

– Deze betekenisverschuiving gaat gepaard met een aantal theologische uitspraken die zowel flinterdun zijn en die niet kunnen aangeven waarom er gedoopt zou moeten worden.
Er zijn veel meer zaken in het leven die ervaren kunnen worden als Godsgeschenk en niet alles hoeft gedoopt te worden. Als bij de doop zichtbaar maakt dat het gedoopte leven door God aangenomen is, roept dat gelijk de vraag op hoe het zit met degenen die niet gedoopt zijn. Zijn zij niet door God aangenomen? Ook wanneer gesteld wordt dat de doop aangeeft dat de dopeling voor God een onvervangbare waarde heeft, komt de vraag op naar de ongedoopten: Hebben zij in Gods ogen minder waarde?

Thomas neemt deze betekenisverschuiving niet alleen waar bij ouders die tot een doopverzoek komen. Hij neemt deze betekenisverschuiving ook waar in officiële kerkelijke teksten over de doop en in de nieuwe doopliederen.

Mogelijkheden
Hoe moet er omgegaan worden met deze betekenisverschuiving? Thomas noemt 4 mogelijkheden:

1) Vasthouden aan de klassieke visie.

2) In de ‘officiële theologie’ meegaan in de betekenisverschuiving om als teken van theologische sensitiviteit voor het geleefd geloof. De doop is dan niet meer een sacrament, maar een ritueel in de levensloop.

3) Elementen van de klassieke betekenis overnemen door bepaalde zaken af te zwakken. In de doop gaat het om ‘aangenomen-zijn’ en niet meer ‘door Christus aangenomen’. In de doop wordt Gods liefde geschonken – zonder dat er een verwijzing naar de kruisdood van Christus gebruikt wordt. Het leven is ons geschonken. Wij hebben het niet van onszelf. Thomas spreekt scherp van ‘theïstische afhankelijkheidsformuleringen die met een heel oppervlakkig christelijk vernisje’.

Trinitarisch
4) Thomas pleit zelf voor een vierde weg. Hij neemt nadrukkelijk afstand van de 2e en 3e optie en wil de 1e optie uitbreiden. Hij pleit voor een trinitarische invulling van de doop. Daarmee kan de klassieke betekenis gehandhaafd blijven, maar wordt deze verbonden met de hedendaagse nadruk op de scheppingstheologie. Daarmee wordt volgens hem ook serieus genomen dat de doop geschiedt in naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

N.a.v. Günther Thomas, Was geschieht in der Taufe? Das Taufgeschehen zwischen Schöpfungsdank und Inanspruchnahme für das Reich Gottes (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2011) 7-22

eBook / Pdf: http://www.theologie.uni-greifswald.de/fileadmin/mediapool/5_LS-Assel/Dokumente/Thomas_Was_geschieht_in_der_Taufe_Druckfassung.pdf

Epiloog
De opmerking van Günther Thomas dat de doop vanuit de scheppingstheologie een heidense betekenis kan krijgen fascineert mij. Bij een recensie van Henk Vreekamp, die zelf zeer geboeid is door de latente heidense onderstroom in het christelijk geloof, refereerde ik aan de doop: ‘Als men op de Veluwe besefte wat de doop inhield, had men minder last van tovenaars en heksen.’ Wanneer ik de interpretatie van Thomas goed begrijp opent zowel het geleefd geloof als de officiële theologie juist bij het ritueel dat de afscheiding naar het heidendom zou moeten aangeven de deur voor het heidendom.