Preek zondag 17 juni 2018

Preek zondag 17 juni 2018
Schriftlezing: Handelingen 6:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus,

Peter wil graag iets voor de ouderen van de kerk doen.
Hij heeft als diaken gemerkt dat er in de zomer heel wat ouderen zijn,
Die zich alleen voelen, omdat de kinderen op vakantie zijn
en veel activiteiten van de kerk een aantal maanden stil liggen.
Hij heeft het er met een paar andere gemeenteleden over.
Ze denken mee en er ontstaat tijdens een avondje nadenken
het idee om in de zomer voor de ouderen een maaltijd klaar te maken.
De ouderen van de gemeente krijgen een uitnodiging om te komen
en de maaltijd zal door het groepje klaar gemaakt worden.
Ze bedenken wat ze allemaal zullen klaarmaken voor die avond.
Omdat het een avond is die met de kerk te maken heeft,
wordt er ook gekeken naar een paar liederen die ze samen kunnen zingen die avond.
Peter en de anderen hebben er steeds meer zin in
en ze hopen dat het een mooie avond zal worden,
een avond waarop de ouderen de gemeenschap ervaren
en weten dat er in een tijd waarin zij zich alleen voelen ook aan hen gedacht wordt
en dat ze de avond een verrijking voor hun leven met Christus vinden.
Als die avond er is, blijkt het inderdaad een mooie avond te zijn.
Er hebben best wat ouderen zich opgegeven.
De organisatoren en de ouderen genieten zichtbaar van deze avond.
De kater komt enkele dagen later, als Peter benaderd wordt door een oudere,
die hem nogal boos aanspreekt en vraagt waarom hij niet uitgenodigd is.
Peter schrikt als hij op deze manier aangesproken wordt
en weet even niet wat hij moet zeggen.
Hij stamelt maar wat: ‘We hebben niemand bewust overgeslagen.
Het moet een vergissing zijn geweest. Ik zal nakijken wat er mis is gegaan.’
Als ze bij elkaar komen voor de evaluatie blijken de anderen ook aangesproken te zijn.
Ze denken na over wat er mis is gegaan
en dan komen ze erachter dat ze vooral de ouderen hebben uitgenodigd die ze kenden,
van wie ze zeker waren dat ze bij de kerk hoorden.
De gemeenteleden, die klaagden dat ze niet waren uitgenodigd,
hebben ze niet bewust gepasseerd. Daar was geen opzet bij.
Ze denken samen erover na,
hoe ze in het vervolg kunnen voorkomen dat ze gemeenteleden passeren.

In de gemeente van Jeruzalem gaat het ook mis,
waardoor er gemeenteleden klagen over de gang van zaken.
Lukas vertelt niet helemaal duidelijk waar we aan moeten denken.
Het gaat om weduwen, die alleen maar Grieks spreken
en niet het Aramees of het Hebreeuws beheersen.
Waarschijnlijk vrouwen die uit het buitenland waren teruggekeerd
en in Jeruzalem – voordat ze over Christus hoorden – hun eigen synagogen hadden.
Het is alleen niet duidelijk of deze vrouwen worden gepasseerd bij het uitdelen
en dat zij minder voedsel uitgereikt krijgen dan de vrouwen die Hebreeuws spreken.
Een vrouw van wie de man overleden was, was vaak aangewezen op de steun
van familie of van de mensen om haar heen
en dan kon ze vanuit de kerk gesteund worden.
Of gaat het er juist om dat ze bij het uitdelen van de gaven worden overgeslagen
en dat niemand hen gevraagd heeft om een taak op zich te nemen?
Het NT wordt ook gemeld dat weduwen een taak binnen de gemeente kunnen hebben.
Waarom zouden we gelijk moeten denken aan vrouwen die hulp moeten krijgen
en niet aan vrouwen die mee doen in het bestrijden van de nood die er is.

Er is ook onduidelijkheid over wat de oorzaak is dat deze vrouwen niet gezien worden.
Lukas lijkt de nadruk meer te leggen op de oplossing van het probleem,
zodat de eenheid binnen de gemeente niet verbroken
wordt door onenigheid tussen twee groepen.
De reden waarom ik toch wat langer wil stil staan bij de mogelijke oorzaken
is dat in vers 1 wordt gesproken over het aantal leerlingen van Jezus Christus dat toeneemt.
Er komen mensen bij de gemeente die over Jezus hebben gehoord,
Die in hun hart openstellen voor Christus.
Dat is voor hen niet alleen iets van hun hoofd, iets waar ze over nadenken,
het is niet alleen iets van hun hart, een soort innerlijk gevoel,
maar het heeft effect op hun hele leven.
Ze willen in alles leerling van Jezus zijn: ze willen hun geloof ook in praktijk brengen.
We zagen dat de afgelopen weken hoe verschillende leerlingen van Jezus Christus
geraakt waren door het evangelie, door de woorden en de daden van Christus,
Dat ze akkers en huizen verkochten om de armere gemeenteleden te kunnen steunen,
zodat zij geen gebrek zouden hebben.
‘ Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden, zoals de heilige apostel spreekt:
Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn,  één lichaam,
want wij allen hebben deel aan het ene brood.’  (avondmaalsformulier)
Ze willen naar het evangelie leven. Elke keer weer opnieuw.
De Heilige Geest werkt in hun hart en dat komt in hun handelen naar buiten.
Het zijn geen opportunisten of mensen die slechts in naam christen zijn,
maar er ook echt naar willen leven.

In de gemeenschap van mensen die echt willen leren van Jezus,
die Zijn woorden willen bewaren in hun hart en ernaar willen leven,
worden vrouwen over het hoofd gezien, vrouwen die weduwe zijn en alleen Grieks spreken.
Ik dacht altijd dat dit komt, omdat de gemeente groter werd,
dat het een gebrek aan organisatie was en de apostelen daar gewoon niet aan toe kwamen.
Nu ik er zo mee bezig was in de afgelopen week denk ik dat er iets anders speelt.
Heeft het met de taalbarrière te maken dat ze niet worden betrokken?
Of heeft te maken met een ander netwerk, waarbij ze de juiste connecties missen,
waardoor ze over het hoofd worden gezien?
Komen ze niet in beeld omdat ze onbekend zijn?
Dat kan ook in de kerk nu nog gebeuren: je kijkt al gauw naar de mensen die je kent.
Hen benader je en betrekt ze erbij, hen nodig je uit voor activiteiten,
zoals dat gebeurde bij de activiteit die Peter had georganiseerd.
Zonder dat je er van bewust bent, sla je mensen over die er wel bij horen,
omdat je ze niet kent, omdat je geen connectie met ze hebt.
Misschien gaat het nog wel dieper en hebben de vrouwen die Grieks spreken
met hun achtergrond in het buitenland wel een minder strakke manier van leven,
zoals christenen in Nederland in gebieden waar weinig christenen zijn
vaak heel andere regels hebben over wat je wel en niet doet, bijvoorbeeld op zondag.
Dan was de gedachte: laten we deze vrouwen maar niet inzetten,
want stel dat er gezinnen zijn die een heel strikte manier van leven hebben,

dan kunnen zij zich storen aan de vrouwen met minder strikte regels
of kunnen die vrouwen, zonder dat ze het weten, voor anderen een bron van ergernis zijn.
Wat er ook aan de hand is, voor de apostelen gaat het om iets heel fundamenteels,
om iets dat de identiteit van de gemeente op het spel zet.
Als ze dit door laten gaan, dan is de gemeente geen gemeente van Jezus Christus meer.
Ze geven de vrouwen die klagen gelijk,
niet om ervan af te zijn, maar omdat ze merken door de klacht die de vrouwen hebben
Dat er iets grondig mis dreigt te gaan in de gemeente van Christus,
Waardoor de gemeente zou ophouden te bestaan.
De gemeente kan dan nog wel bij elkaar komen, maar kan dan niet meer zeggen
dat ze zich door Jezus laten leren en dat ze van Hem zijn.
Het is een zaak die de hele gemeente aangaat en daarom wordt iedereen erbij geroepen.
Dit gaat iedereen aan.
‘Het is niet goed als wij ons met de tafels bezig moeten houden,’ zeggen ze.
Je kunt dat zo opvatten dat ze bedoelen dat ze te druk zijn met wezenlijker zaken
en dat zoiets kleins als tafelschikking, bepalen wie welk eten mag krijgen
en wie ingeroosterd wordt voor het bedienen en opscheppen aan tafels minder is
dan het werk dat de apostelen doen.
Maar ik denk dat het juist niet om iets minderwaardigs gaat.
Hoe het aan de tafel toe gaat, is een praktische uitwerking van het geloof.
Als je aan tafel gaat, naast wie je plaats neemt, wie ingeroosterd worden voor het bedienen,
wie er allemaal eten krijgen – dat heeft allemaal te maken met de band met Christus.
Het is helemaal niet minderwaardig om daarmee bezig te zijn.
De 7 mannen die gevraagd worden zijn nodig om juist toe te zien
Dat de leer van Jezus niet alleen maar iets van het hoofd is of van het hart,
onzichtbaar voor anderen, een leer die geen betekenis heeft voor je omgang met anderen.

Integendeel: juist daar aan de tafel komt het christenzijn tot uitdrukking.
Zoals je op een dorp niet alleen door op zondagmorgen of op zondagavond laat zien
dat je christen bent door naar de kerk te gaan,
maar op maandag ook hoe je met je buren omgaat en je collega’s,
hoe je op het voetbalterrein je christenzijn niet in de kleedkamer achterlaat bij je tas,
maar meeneemt het veld op in respect voor de tegenstander en de scheidsrechter,
oog voor de mensen die daar zijn, voor de supporters die wat achteraf staan
en er zo te zien niet bijhoren niet te negeren maar hen ook te betrekken.
Dat over het hoofd zien, dat vergeten anderen te betrekken kan heel onbewust gebeuren.
Daarom zijn er 7 wijze mannen nodig, die meer zien, die zien hoe het tussen mensen werkt,
hoe relaties functioneren, die aan de manier waarop mensen aan tafel gaan
merken wanneer er iemand wordt overgeslagen en daar wijs op kunnen reageren.
Wijsheid is in de Bijbel altijd iets praktisch, iets dat je doet vanuit je geloof,
dat je in praktijk brengt wat je geleerd hebt van Christus.
Je bent opgenomen in Gods gemeenschap, als een schaap dat afgedwaald was,
Teruggebracht en daarom krijg je een scherp oog voor degenen die dreigen af te haken
omdat ze het idee hebben dat er voor hen geen plek is in de gemeente.
Al is dat wellicht een gevoeligheid van hun kant.
Er zijn mannen nodig die niet gelijk beledigd raken als deze vrouwen klagen
Dat ze gepasseerd worden, maar beseffen dat het echt om iets wezenlijks gaat.
Ze hebben de Geest ontvangen die hen helpt om situaties in te zien en te handelen.
Zodat de gemeente weer gemeente is.
Want als deze mannen hun taak niet op zich nemen, kunnen de apostelen niet werken.
Het blijft alleen maar theorie dat aan de buitenkant blijft, het bereikt je hart niet,
je gaat er niet naar leven. Het evangelie van Christus verandert je niet.
Deze mannen worden aangesteld om de gemeenteleden te helpen om Christus’ woorden
in praktijk te brengen en ernaar te leven.
Als je naar de namen kijkt, zijn het mensen die vertrouwen genieten van de vrouwen}
die eerder hebben geklaagd dat zij niet gezien zijn.

Omdat vroeger gedacht werd dat het in dit gedeelte ging om een probleem bij het uitdelen
en er arme gemeenteleden werden overgeslagen, zag men hier het begin van de diakonie.
Dat was ook de reden waarom ik dit gedeelte had gekozen voor de preek.
Om ook na te denken over onze diaconale roeping als gemeente.
Dat is niet alleen een taak voor diakenen, maar voor elk gemeentelid
en het is de taak van diakenen om die roeping te stimuleren.
Alleen is het de vraag of hier het begin van de diakonie ligt.
Het heeft wel iets moois om hier het begin van de diakonie te zien.
Want dan zou de diakonie begonnen zijn bij de tafel,
je zou zelfs kunnen zeggen bij de avondmaalstafel, bij het gedenken van Christus’ dood.
Elke keer als het avondmaal is, hebben ook diakenen dienst.
Dat is niet alleen maar omdat het praktisch is, maar dat is omdat de diaken aan de tafel
ons eraan herinnert dat het leven met Christus altijd een praktische kant heeft,
naar de mensen om ons heen.
In het trouwformulier: Vergeet daarbij niet, dat uw gezin deel uitmaakt
van een grotere gemeenschap.
U draagt ook een bredere verantwoordelijkheid:
voor de medemens in nood, voor de kerk en voor de maatschappij.

Vanavond komt het evangelie tot ons als een opdracht:
om het leven met Christus in praktijk te brengen, in relatie tot de mensen om ons heen.
Het evangelie is nooit alleen maar een opdracht.
We kunnen deze opdracht nooit uitvoeren zonder de kracht van God, zonder Zijn Geest.
Als je leest in Handelingen 6 kun je je afvragen of God wel aan het werk is.
Er wordt niets gezegd over wat God doet.
Er gebeurt wel van alles, maar heeft dat met God te maken?
Allereerst kunnen we zien dat de Heere werkt door de groei van de leerlingen,
niet alleen in aantal, maar ook in diepgang, in hoe levens veranderd worden.
Zouden we ook niet in de klacht van de weduwen Gods hand mogen zien,
die de gemeente herinnerd aan haar roeping?
Moeten we als gemeente niet meer open moeten staan voor wat God ons te zeggen heeft?
Vanmorgen was ik in de gemeente(n) waarin ik bevestig ben als predikant.
De predikant die zij wilde beroepen, had aangegeven niet beroepen te willen worden.
Dat was een teleurstelling. De gemeente moet weer verder zoeken naar een predikant.
Tegelijkertijd hoorde ik hoe gemeenteleden zelf bepaalde taken opgepakt hadden
en dat gemeenteleden zelf op pad gingen om ouderen van 75 jaar en ouder te bezoeken.
Ze kwamen bij mensen, die op papier nog wel lid waren, maar al lang niet meer kwamen.
Ik hoorde het verhaal dat iemand die bezoek ontvang graag wilde dat er gebeden werd
En dat ze graag het krantje Lichtspoor weer wilde krijgen,
want dat gaf ze weer door aan een zus en die gaf het ook weer door aan een ander.
Wanneer het in de gemeente niet loopt, zoals wij graag zouden willen zien
kan het zijn dat de Heere ons iets wil leren en de ogen wil openen voor wat onze roeping is.
De apostelen laten zien dat ze die les van God oppikken
en ze betrekken de gemeente erbij en ook in de keuze van deze 7 mannen
kunnen we Gods hand zien.
In onze kerkelijke traditie word je niet zozeer geroepen door een uitzonderlijke ervaring
maar is het appèl dat de gemeente op je doet om een taak te vervullen al Gods roepstem
die je niet zomaar naast je neer mag leggen zonder erover na te denken.
Er zijn 7 mannen te vinden die wijs zijn en die de Geest hebben – ook Gods hand!
Nadat deze mannen zijn gezegend – ook Gods hand – en zijn aangesteld
gaat de groei van de gemeente weer verder: Het woord groeit.
Mensen die de woorden horen, nemen die woorden ter harte
en veranderen hun levens – hun levens worden veranderd door de woorden van Christus.
Dat levens veranderen, wordt ook voor de buitenwereld zichtbaar.
Buiten de kerk wordt gemerkt dat er binnen de kerk een andere omgang is met elkaar.
Een band van liefde, openheid, betrokkenheid op elkaar, omzien naar elkaar.
Geloven is niet alleen iets van de zondag of iets dat onzichtbaar is,
maar het effect wordt zichtbaar.
Anderen zien dat Gods Geest hier in deze gemeenschap werkt.
Ze willen er meer van weten, ze komen en gaan geloven.
De gemeente die groeit is de gemeente die bereid is te luisteren,
bereid is om op zoek te gaan naar wat er mis gaat en dat laat corrigeren
omdat ze merkt dat de Heere Zelf daarin een weg wijst.
Zo wordt ze een instrument in Gods hand,
de liefde van God die ontvangen wordt, wordt doorgegeven,
maar niet zonder dat die liefde ons veranderd.
We worden andere mensen – anders naar God toe en anders naar elkaar.
Daarmee worden we weer, zoals we geschapen zijn: beelddragers van God.
Anderen kunnen aan ons zien wie God is, niet dat wij dat wel even doen,
maar Hij gebruikt ons om Zijn liefde en genade uit te stralen op anderen te nodigen. Amen

 

Advertenties

Les 17 De kerk

Les 17 De kerk

Als Maria een tijdje ziek is, geeft ze het door aan haar predikant. Hij komt op bezoek, neemt haar naam mee in de voorbede van de zondagse dienst en schrijft iets over haar situatie in het kerkblad. Nadat ze is genoemd in de voorbeden, komen de kaarten en als haar naam en adres in het kerkblad staan, worden haar nog meer kaarten toegestuurd. Ze is blij dat ze het doorgegeven heeft, want de kaarten doen haar goed.

André en Esther zitten samen op een Bijbelkring. Het is een fijne Bijbelkring. Ze hebben altijd fijne gesprekken. Iedereen is heel open en vertelt wat hem of haar bezighoudt. Ze vinden het mooi dat er ook steeds een stukje uit de Bijbel samen wordt gelezen en dat er met elkaar over wordt doorgepraat. Het bezoeken van deze Bijbelkringen is goed voor de groei van hun geloof.

Vraag 1: Kun jij een ervaring vertellen, waardoor je de waarde van de kerk ontdekt hebt?



Vraag 2: Gelovig ben je niet in je eentje. Wat betekenen de andere gemeenteleden voor jou?


Vraag 3: Wat heb jij andere gemeenteleden te bieden?


Gelovig ben je niet in je eentje. Je hoort bij een kerk, een gemeente. In deze gemeente vind je mensen met wie je goed kan opschieten en mensen met wie het minder klikt. Soms passen onderdelen van een kerkdienst niet bij je en dan weer wel. De perfecte gemeente bestaat niet.
De perfecte gemeente bestaat ook niet, omdat de kerk uit zondaars bestaat. Van die zondaars doet een deel de best om tegen de zonde te strijden, maar is niet volmaakt. Een ander deel strijdt minder hard. Ook in een kerk kunnen spanningen en conflicten zijn. Die spanningen en conflicten kunnen soms heel diep gaan, omdat gemeenteleden zich vaak persoonlijk betrokken voelen. Een conflict binnen de kerk kunnen ze daarom niet zakelijk afhandelen. Bovendien kan er een verwachting zijn dat er binnen de kerk op een liefdevollere manier met elkaar omgegaan wordt dan buiten de kerk. Omdat kerkmensen niet volmaakt zijn, is de kerkelijke gemeente ook niet vrij van spanning en conflict.
Ook al zijn de mensen niet volmaakt, Christus wil die onvolmaakte mensen gebruiken in Zijn dienst. Samen vormen ze het lichaam van Christus. Dat wil zeggen: al die gemeente zijn verbonden met Christus en daarom horen ze bij de gemeente. Daarom is de kerk niet alleen een gemeenschap van zondaren, maar ook een gemeenschap van heiligen. Zo belijden we dat ook in de geloofsbelijdenis: Ik geloof de gemeenschap der heiligen. Daar hoor jij ook bij. Samen met degenen die met jou in de kerk zitten en met jou aan het avondmaal aangaan.

Vraag 4: Hoe vind jij dat mensen in de kerk met elkaar om horen te gaan? Waar baseer je dat op?


Een kerk is altijd verbonden aan een plaats. De kerk heeft verantwoordelijkheid voor de mensen die bij deze plaats horen. Ook al zijn ze niet bij de kerk betrokken. Een plaatselijke gemeente heeft altijd ook eigenschappen die bij de lokale gemeenschap horen. Een kerk in Amsterdam is anders dan in Kamperveen. Zelfs tussen Oldebroek en Elburg kunnen verschillen zijn. Het is goed om respect te hebben voor die plaatselijke gewoonten. Behalve als die gewoonten botsen met het Evangelie.
Een plaatselijke kerk maakt ook altijd deel uit van de kerk wereldwijd. Zoals er geen perfecte kerk is, is er ook een ware kerk. De verschillende kerkgenootschappen vormen samen het lichaam van Christus. De Hervormde Gemeente Oldebroek is onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland. Deze Protestantse Kerk in Nederland zegt dat zij niet de ware kerk is, maar een van de gestalten waarin het evangelie vorm krijgt. Onze kerk erkent andere kerken. Dat houdt in dat een doop of een belijdenis van een andere kerk geaccepteerd wordt en omgekeerd: als je hier belijdenis doet, wordt dat bij overgang naar een andere kerk ook geaccepteerd.

Vraag 5: Welke kerken zijn er in Oldebroek? Wat weet je van de andere kerken die er in Oldebroek zijn?



De plaatselijke kerk is ook verantwoordelijk voor de gemeenteleden die aan deze kerk verbonden zijn. Door kinderclubs, jeugdgroepen, huisbezoek, ouderenmiddagen wordt geprobeerd om iedereen aandacht te geven. Het mooie van de kerk is dat er verschillende leeftijden bij elkaar in een gemeenschap zijn. Binnen de kerk kun je van verschillende leeftijden leren: je kunt als jongere leren van een oudere. Een oudere geeft vaak aan te leren van de openhartigheid waarmee jongeren over hun geloof kunnen spreken. In die zorg voor elkaar gaat het erom, dat je elkaar bij Christus houdt en dat je geloof levend blijft.

Wat heb je nodig om kerk te zijn? Stel: je wilt een nieuwe kerk oprichten, wat heb je daarvoor nodig? Allereerst een goede verkondiging van het evangelie, zodat er geen gekkigheid wordt verteld. In onze kerken is dat geregeld door degenen die predikant worden tijdens hun opleiding steeds te toetsen, bijvoorbeeld op hun geschiktheid en op hun geloof. In onze kerken is het ook geregeld door de ambten. Ambtsdragers hebben een verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de kerk.
Wat ook nog nodig is, is dat de sacramenten op de juiste manier worden bediend. Doop en avondmaal mag in onze kerk alleen maar iemand die bevestigd is als predikant. Daarmee laten we zien dat sacramenten ook iets heiligs hebben en niet zomaar gedaan kunnen worden.
Er is nog een derde kenmerk van wat een kerk is. Deze is wat lastiger. Dat is namelijk dat alles wat botst met het evangelie geweerd wordt. De bedoeling is dat gemeenteleden hun relatie met Christus serieus nemen en dat wanneer het mis gaat, wanneer zij die relatie verwaarlozen, dat zij daar op aangesproken worden. In het ergste geval kunnen ze, in het geval er echt iets mis is, uit de kerk worden gezet. Dat zijn ingrijpende maatregelen, die je niet zomaar in praktijk brengt, omdat zo’n maatregel lang niet altijd tot gevolg heeft dat iemand tot inkeer komt. Sterker nog: het komt vaker voor dat iemand verbitterd raakt en kwaad en teleurgesteld afscheid neemt van de kerk.

Vraag 6: Wat heb jij nodig om te voorkomen dat je geloof afzwakt?



Vraag 7: Wanneer luister je wel als je ergens op aangesproken wordt en wanneer niet?



We geloven dat de kerk een schepping van God is. Hij is het ook die de kerk in stand houdt. Als er een tijd is, waarin de kerk het moeilijk heeft, kan Hij de kerk nieuw leven inblazen. Als ergens geen kerk is, kan Hij daar een kerk brengen, zoals Hij de aarde ook uit niets geschapen heeft. Christus bewaart en onderhoudt de kerk. Tot Zijn wederkomst zal er een kerk op aarde zijn, waarin God wordt geprezen en gediend.

BIJBEL: Lees Handelingen 14:21-28

Vraag 8: De zielen van de aanwezige gemeenteleden worden versterkt. Waarom zullen Paulus en Barnabas dat hebben gedaan?



Vraag 9: Hoe zal dat gebeurd zijn: dat versterken van de zielen?


Vraag 10: Ze worden aan Gods genade opgedragen. Wat betekent dat?


Vraag 11: Ze vertellen over wat God heeft gedaan in de gemeenten die zijn bezocht. Wat zou je over Gods werk in Oldebroek kunnen vertellen?

 

Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

In het Reformatorisch Dagblad stond het bericht over de “Niets bijzonders”-prijs: een kerkelijke gemeente waarin weinig verandert zou deze prijs moeten ontvangen. Deze oproep, die oorspronkelijk van Hans Jürgen Luibl komt, werd door Christian Möller opgepakt.
Voor het Reformatorisch Dagblad schreef ik een korte uitleg van Christian Möllers gedachten: Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Een uitgebreidere samenvatting is hier te vinden.
Wikipedia: hier
Informatie bij Vandenhoeck & Ruprecht: hier
Bij universiteit van Heidelberg: hier (inclusief een bibliografie)

Eerdere blogs over Christian Möller:
– Reformatorische spiritualiteit
– Stellingen pastorale prediking
– Alledaagse diakonie
– Houd de kerk in het dorp! (versie 2)
– de norm van Gods koninkrijk: groeitijd
– Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Achterlicht

Achterlicht

DSCN4554

Mijn achterlicht doet het niet meer. Al maanden rijd ik zonder achterlicht. Terwijl ik het als automobilist vervelend vind om een fietser tegen te komen zonder licht. Ik weet ook dat het gevaarlijk is om zonder licht te rijden en dat ik als predikant een voorbeeldfunctie heb. Onlangs heb ik mijn achterlicht proberen te vervangen, maar ik miste in mijn gereedschapskist de sleutel die ik nodig had om de schroeven los te draaien. In plaats van dat ik de desbetreffende sleutel bij mijn buurman haalde, liet ik het voor wat het was: ik haalde geen nieuwe sleutel en ik verving mijn achterlicht niet.
Nadat ik al een paar maanden zonder licht reed, ging ik er op letten of ik aangesproken werd. Of er iemand was die tegen mij zei dat mijn achterlicht het niet deed. Want dan zou ik écht mijn achterlicht vervangen. Omdat niemand mij aansprak liet ik het voor wat het was.

Ik ging er over nadenken. Als het aanspreken op een achterlicht al niet gebeurt, waar word ik dan wel op aangesproken? Zou ik aangesproken worden als ik niet meer naar de kerk zou gaan? Zou ik meer de Bijbel gaan lezen als er iemand was die tegen mij zei, dat ik wel erg weinig uit Gods Woord las? Zou ik meer vol van de vreugde zijn of liefdevoller over anderen spreken als iemand mij de spiegel voorhield? Als ik maar aangesproken werd, dan zou ik veranderen.

Paulus gebruikt een woord voor aanspreken. Dat woord heeft in oudere vertalingen een negatieve klank gekregen: ‘vermanen’. Dat woord roept het beeld op van iemand die iets tegen je zegt met een opgeheven vingertje. Iemand die van zichzelf vindt dat hij het beter doet.
Voor Paulus heeft dat woord niet de betekenis. Para-kaleoo heeft de betekenis van ‘erbij roepen’. Zoals de stem van Christus ons aanspreekt, zo spreekt iemand vol van Christus ons aan – als stem van Christus zelf. De ene keer aansporend en bemoedigend, dan weer corrigerend of confronterend als wij dat nodig hebben. Op het juiste moment troostend. Met als doel de ander bij de gemeenschap met Christus te bewaren. Als een herder voor de ander. In de gemeente van Christus zijn we verantwoordelijk voor elkaar. Wij zijn de hoeder van onze broeders en zusters. Vanuit die verantwoordelijkheid spreken wij elkaar aan: troostend als het nodig is, confronterend als het moet. Om de ander bij Christus te brengen of te houden. Het is niet alleen een taak voor ouderlingen op huisbezoek, maar een taak voor iedere gelovige.

Van rijden zonder achterlicht weten we dat het gevaarlijk is. Leven zonder God is eveneens gevaarlijk. Toch kunnen we doorleven met deze wetenschap zonder dat we er iets aan veranderen. Door elkaar aan te spreken zou er wellicht wel iets kunnen veranderen.

en hebben we Timotheüs gestuurd, onze broeder en Gods dienaar en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u in uw geloof te versterken en te bemoedigen
(1 Thessalonicenzen 3:2)

Omzien naar elkaar

Omzien naar elkaar

(1) Inleiding
Door de secretaris van ons koor werd ik op de hoogte gebracht van het feit dat een lid van het koor een staaroperatie moest ondergaan. Ze kwam alleen met kooruitvoeringen in de kerk en daardoor kende ik haar niet. Ik besloot om eens bij haar langs te gaan. Ze bleek het bezoek te waarderen. Tijdens het bezoek kwam ik er achter, dat zij zich geregeld eenzaam voelde. Zij kwam van een ander dorp en was een aantal jaar geleden op het dorp komen wonen. Op dagen waarop het regenachtig was en ze niet naar buiten kwam, was ze neerslachtig en somber. Ze had nooit het gevoel dat ze in de dorpsgemeenschap opgenomen werd. Er was een onderwerp dat steeds weer terug kwam: haar dochter die haar niet zo vaak opzocht, omdat deze dochter veel werkte. Ik ging mij afvragen, waarom dit voor haar zo’n belangrijk thema was. Op een gegeven moment vertelde hoe zij veel voor haar eigen moeder gezorgd heeft. Dag aan dag stond zij voor haar moeder klaar. Toen begreep ik, waarom zij het zo moeilijk vond, dat haar dochter werkte en daardoor weinig tijd had om bij haar langs te komen. Zelf had zij een deel van haar leven opgeofferd om voor haar moeder te zorgen, maar nu zij zelf ouder en afhankelijker van de hulp en de aanloop van de anderen kon zij niet op haar dochter rekenen. Tenminste niet in de mate waarin zij zelf voor haar moeder heeft gezorgd.
Ik ben met dit voorbeeld om verschillende redenen. Allereerst vermoed ik dat u iets in dit voorbeeld herkent. Omdat u ook de zorg voor uw vader of moeder op u hebt genomen, toen zij oud geworden waren. In Oldebroek hebben veel ouderen bij hun kinderen ingewoond. Ook al komt dat nu nog steeds voor, ik heb wel de indruk dat deze gewoonte aan het veranderen is. Veel van de veranderingen van de laatste tijd hebben gevolgen voor de onderlinge gemeenschap. In Ilpendam, het dorp waar ik ruim 4 jaar gewoond heb, werd vanwege bezuinigingen het bejaardentehuis gesloten. Ouderen die naar een verzorgingstehuis moesten, gingen naar Monnickendam of naar Purmerend. Het gevolg was dat zij alleen bezoek kregen van bekenden, die nog met de auto durfden te rijden of de bus durfden te pakken. Zij moesten wennen in een nieuwe omgeving. Ook dit zal een aantal van u niet onbekend voorkomen, omdat u ook in de afgelopen jaren bent verhuisd. Ook als u verhuisd bent van bijvoorbeeld de ds. Otto Veeninglaan, de Ottenweg of de Anjerstraat naar  De Hullen of de aanleunwoningen bij de Van Asch van Wijklaan, het zijn veranderingen die grote gevolgen hebben voor het contact met mensen. U woont dan niet meer tussen de vertrouwde mensen, waar u heel lang tussen hebt gewoond, maar u hebt nieuwe buren die u wellicht niet kent. U moet de contacten opbouwen. Gelukkig woont u nog in het dorp, zodat aanloop van de ‘oude’ buren mogelijk blijft.
Een andere reden waarom ik met dit voorbeeld begon was dat de secretaris aan mij doorgaf, dat er iemand een staaroperatie moest ondergaan. Ik werd erop geattendeerd. Zij gaf mij zo de mogelijkheid om mee te leven en op bezoek te gaan. Dit voorbeeld laat zien dat men in de kerk ook naar elkaar hoort om te zien en met elkaar dient mee te leven.

(2) Het omzien van de Heere Jezus
Waarom hoort het omzien naar elkaar eigenlijk bij de christelijke gemeente? Waarom vindt het bestuur van de vrouwenvereniging het van belang om dit onderwerp vanavond aan de orde te stellen? Heel eenvoudig: omdat het in het Woord van God wordt aangegeven. Ik wil dat laten zien aan de hand van het leven van de Heere Jezus en aan de hand van de brief die Paulus schreef aan de Romeinen.
De Bijbel geeft aan, dat de Heere Jezus vanuit de hemel gekomen op aarde is. Hij is door de Vader naar ons gezonden. Hij is naar ons toegekomen en is geworden net zoals wij (behalve de zonde). Hij is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden (Lukas 19:10).
Ook tijdens Zijn leven op aarde zocht de Heere Jezus mensen op. Er zijn verschillende verhalen over hoe Hij verschillende mensen opzocht: Hij bezocht de bruiloft te Kana en was daar bruiloftsgast. Hij ging naar Jaïrus toe, het hoofd van de synagog, vanwege zijn dochter, naar de Romeinse hoofdman vanwege zijn zieke knecht, naar Simon de melaatse om een maaltijd te gebruiken, naar de tollenaar Zacheüs om in zijn huis te verblijven. Vooral dat laatste bezoek is kenmerkend. De Heere Jezus is op weg naar Jeruzalem om te lijden en te sterven als Hij in Jericho stilhoudt bij Zacheüs. Dit bezoek aan Zacheüs is typerend. Het bezoek aan Zacheüs roept de woede op van de mensen die met de Heere Jezus aanwezig waren. Dat was ook te begrijpen, want Zacheüs was de plaatselijke crimineel. Hij was rijk geworden door de andere mensen van Jericho af te persen. Zacheüs had zijn leven en rijkdom opgebouwd ten koste van de mensen in Jericho. En wat zegt de Heere Jezus: Zacheüs, ik moet bij jou in huis zijn. De Heere Jezus is niet bang voor zijn reputatie, niet bevreesd voor wat de omstanders vinden. Hij heeft oog voor Zachëus: de Mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden, zalig te maken.
Ook na zijn opstanding is de Heere Jezus mensen blijven opzoeken: de vrouwen en de discipelen, Petrus en Jakobus afzonderlijk. Na Pinksteren worden de apostelen erop uit gestuurd om mensen op te zoeken. Als vissers om mensen te vangen en herders om verloren schapen terug te brengen naar de Heere.
Ook voor ons eigen leven geldt dat de Heere naar ons omziet en omgezien heeft:

Maar God heeft naar ons omgezien!
Wij, in de nacht verdwaalden, –
hoe zou het ons vergaan indien
Hij ons niet achterhaalde …

Heer Jezus, die ons hebt opgezocht,
Gij opgang uit den hoge,
die onze ziel hebt vrijgekocht,
dat zij U dienen moge…                    
(Gezang 169: 4, 5 Liedboek voor de Kerken.

(3) Omzien bij Paulus: Romeinen 12
Ook Paulus vindt het van belang dat er in de gemeente naar elkaar wordt omgezien. Hij schrijft daarover in Romeinen 12. Wat hij in dit hoofdstuk schrijft, is de praktische toepassing van het geloof in de Heere Jezus. Geloven in de Heere Jezus, schrijft Paulus, is een overgang van het oude bestaan in de zonde naar een nieuw bestaan in de Geest. Deze overgang is heel radicaal: hij vergelijkt het met sterven en opstaan in de Heere Jezus (Romeinen 6). Het oude bestaan van de zonde moet worden afgelegd. Dat houdt in dat er ook een nieuw leven voor in de plaats moet komen, een leven waarin de gelovige vervuld is met de Heilige Geest en door de Heilige Geest wordt geleid.
Dan komen we gelijk bij een probleem dat in de gemeente in Rome speelt. Er zijn mensen die van zichzelf vinden dat zij de Geest hebben ontvangen en dat zij boven anderen staan. Zij voelen zich meer dan anderen, omdat zij bijzondere gaven van de Geest hebben ontvangen: zij kunnen profeteren bijvoorbeeld. Er ontstaat een tweedeling door mensen die zich beter en hoger voelen dan anderen.
Ook zijn er mensen in de gemeente die zeggen: wij hebben de Geest ontvangen en we hoeven minder principieel te zijn dan anderen. De Geest geeft mij vrijheid. Een probleem dat speelde, had te maken met het vlees. Vlees verkreeg men bij de heidense tempel. Dat vlees was eerst aan de goden geofferd en werd vervolgens uitgedeeld. Binnen de gemeente waren er mensen, die dat niet konden aannemen. Het was immers onrein, aan de afgoden geofferd? De andere groep had hier geen principiële moeite mee: afgoden bestaan toch niet? Er is maar één God en één Heer. Met dat vlees is immers niets gebeurd. Paulus noemt in zijn brief de laatste groep de sterken, omdat zij van mening zijn dat hun geloof zo sterk is dat het niet het eten van het vlees afvallig worden. De groep die geen vlees durft te eten, noemt Paulus de zwakken, omdat zij vrezen dat hun geloof door het eten van dit vlees van hun stuk wordt gebracht. (Waarschijnlijk gaat het om benamingen die in de gemeente gebruikt werden.) Paulus geeft in de brief dat gemeenteleden elkaar niet moeilijk moeten maken. De sterke houdt rekening met het zwakke geloof van de ander. De zwakke vertrouwt erop dat de sterke door de Geest staande blijft.
Dit waren onder andere conflicten, die in de gemeente in Rome speelden. Paulus geeft aan: dat nieuwe leven in de Heere Jezus gaat niet alleen over hoe wij de Heere dienen, maar ook hoe wij elkaar dienen. Geloof in de Heere Jezus heeft praktische consequenties voor hoe wij met elkaar om dienen te gaan. We moeten ons niet op een voetstuk plaatsen (vers 3) We behoren met elkaar tot de gemeenschap van de Heere Jezus. De een is niet meer dan de ander. Ook al kan een ander meer geven ontvangen hebben, hij of zij is niet meer dan een gemeentelid met minder gaven. Er zijn bovendien gaven, die helemaal niet zo opvallen, maar voor de gemeente van Christus van groot belang zijn: het dienen van elkaar, het bemoedigen van elkaar, over elkaar ontfermen, uitdelen. Het gaat erom, dat we elkaar liefhebben vanuit onze verbondenheid in de Heere Jezus. Dat we met elkaar delen in vreugde en verdriet. Dat houdt hoort allemaal bij de gemeente van Christus. Daarin laten we in onze daden iets van de Heere Jezus zien. Hij krijgt gestalte in ons leven, in onze daden komt Hij tevoorschijn.
Paulus begint het hoofdstuk met: Ik roep u ertoe op…. (vers 1). We kennen dat woord als ‘vermanen’. Voor Paulus heeft dat woord ‘vermanen’ de betekenis: elkaar bewaren bij de gemeenschap van de Heere Jezus. De een heeft het nodig om bemoedigd te worden, omdat er zoveel is gebeurd dat hij het niet meer ziet zitten. Of omdat hij zich vertwijfeld afvraagt: komt de Heere Jezus nog wel terug? Een ander heeft het nodig om bij de les gehouden te worden. De ander moet aangesproken worden op een zondige levensstijl die hem of haar bij de Heere vandaan houdt. Maar dan steeds vanuit dienende liefde.
Samengevat: Omzien naar elkaar is dus van belang om elkaar bij de gemeenschap van de Heere Jezus te houden. En daarmee laten we in onze daden ook zien wie de Heere Jezus is.

(4) Drempels
Het is onze roeping om naar elkaar om te zien. Ik denk dat de meesten van u dat ook weten en wel zouden willen, maar eigenlijk niet goed weten hoe dat omzien naar elkaar in praktijk gebracht kan worden.
Er zijn nogal wat drempels waardoor het naar elkaar omzien er niet van komt. Wat weerhoudt ons ervan om de nieuwe buurvrouw aan te spreken? Of wat weerhoudt ons ervan een praatje te maken met degene die naast u in de kerk zit, die er al zo lang zit, maar waarvan u eigenlijk niet weet wie het is? Omdat contact leggen niet zo gemakkelijk is. Er zijn nogal wat drempels bij het maken van contact.
Drempels m.b.t. mijzelf:
– ‘Zit de ander wel op mij te wachten?’
– ‘Mijn nieuwe buurvrouw, die een stuk jonger is, zal wel denken: “Wat komt die ouwe zeur hier doen?”’
– ‘Wat kan ik nu voor een ander betekenen?’
– ‘Wat kan een jonger gemeentelid van mij leren? De jonge mensen van tegenwoordig zijn zo knap! Ik heb alleen maar lagere school.’
Drempels m.b.t. de ander:
– ‘De man van mijn vriendin is net overleden. Ik durf haar niet meer te bezoeken, want dan zit zij steeds tegen twee getrouwden aan te kijken.’ (Ik hoor van weduwen vaak, dat het bezoek veel minder wordt en dat vooral echtparen niet meer komen. De gesprekken met een man, bijvoorbeeld een vroegere vriend of een echtgenoot van een vriendin, vallen helemaal weg.)
– ‘Ik durf niet bij een zieke op bezoek te gaan.’
Drempels m.b.t. het contact:
– ‘Wanneer moet ik dan gaan?’
– ‘Wat moet ik eigenlijk zeggen?’
– ‘Ik durf geen praatje aan te knopen. Straks zeg ik de verkeerde dingen!’
– ‘Ik durf niet naar mijn vriendin te gaan of haar op te bellen. Want dan komt mijn eigen verdriet weer helemaal boven.’
Deze drempels zijn niet direct verkeerd. Contact maken met nieuwe mensen vraagt om tijd en vertrouwen. Als we elkaar nog niet hebben gesproken, zijn we vreemden voor elkaar. Bij een nieuw contact steken we een grens over en gaan we in een nieuw gebied: we weten niet wie de ander is en hoe hij of zij zal reageren. Dat nieuwe is ook spannend. Contact hebben met andere mensen vraagt om wederzijds vertrouwen. De drempels herinneren ons eraan dat zorgvuldigheid geboden is.
Vanuit Romeinen 12 gesproken: de drempels herinneren eraan dat het in het omzien naar elkaar niet gaat om mijn behoeften, mijn wensen en verlangens. Het gaat er bijvoorbeeld niet om dat ik met de nieuwe buurvrouw op dezelfde manier omga als de vorige buurvrouw. Hij is een ander persoon. Omzien naar elkaar betekent ook letterlijk: het zien van de ander. Waar zou de ander behoefte aan hebben? Aan welk soort contact?
Deze drempels kunnen ook obstakels, belemmeringen om elkaar te ontmoeten, worden. En dat is om meerdere redenen jammer. Hierdoor laten wij kansen liggen om mee te leven en naar elkaar om te zien. U denkt wel voortdurend aan uw vriendin die haar man verloren heeft, maar hebt het nooit laten zien en dus weet uw vriendin dat niet. U zou wel met de buurvrouw willen praten, maar u weet geen geschikte gelegenheid te vinden en daardoor weet uw buurvrouw niet dat u het eigenlijk best fijn vindt dat zij uw buurvrouw is. U denkt wel aan een zieke, maar u ziet er tegenop om iets van u te laten horen en dus komt het er niet van. Vervolgens wordt de drempel steeds groter, want u hebt al eerder niets van u laten horen.
Deze drempels laten zien, dat veel mensen minderwaardig van zichzelf denken. Als we terugdenken aan Romeinen 12 – aan de gaven die de Geest geeft – geen goed teken. Wanneer we te klein van onszelf denken, gaan we eraan voorbij dat de Heere ons als unieke personen heeft geschapen. De Heilige Geest geeft ons bovendien gaven die bij ons of bij onze roeping horen. Wat zou kunnen helpen om deze te benutten?

(5) Slechten van de drempels
Van belang is dat we deze drempels geen belemmeringen laten worden. We moeten dus een manier vinden om over deze drempels heen te gaan.
Als eerste zou ik willen zeggen: wanneer u aan een ander denkt, probeer ook eens op de ader af te stappen. Dat is spannend. Ook voor mij als predikant is het telkens weer spannend om mensen, die ik niet ken, op te bellen voor een afspraak of bij hen aan de deur te staan.
Ook zou ik willen zeggen: wees oprecht geïnteresseerd in de ander. Oprechte interesse in de ander is iets wat in uw hart gebeurt, maar het heeft een grote uitwerking op hoe u bent. De ander zal de oprechte interesse waarderen. Denk bijvoorbeeld voor uzelf: Wanneer heeft bezoek u goed gedaan? Als iemand oprecht in u was geïnteresseerd. Wanneer de ander luistert naar uw verhalen. Wanneer u ziet dat er bij de buren rouw wordt gedragen. Wanneer u onthoudt wat de buurvrouw verteld heeft en daar later ook eens op terugkomt.
Het kan zijn dat u niet weet wat u moet zeggen. Wees daar niet te bang voor! In contact gaat het niet alleen om spreken, maar is luisteren nog belangrijker. U geeft de ander gelegenheid om verhaal te doen. Dat is voor de ander heel belangrijk. Het geeft gelegenheid om emoties te uiten of om alles weer even op orde te krijgen. (tevoorschijn luisteren)
Het luisteren is veel belangrijker dan het kunnen helpen van de ander bij het oplossen van de problemen. U kunt de huwelijksprobemen, de opvoedingsproblemen van de ander niet oplossen. Maar u kunt er wel naar luisteren en dat geeft ook steun en troost.
Ook als het gaat om iemand met verdriet: het gaat niet om woorden, maar om er-zijn. Wanneer u op bezoek komt, hebt u zich niet laten weerhouden door de drempel van de verslagenheid. U deelt in die verslagenheid. Wellicht weet u niets meer te zeggen dan: ‘Het is toch wat! Ik weet niets te zeggen.’ Dan kan een ander vertellen…
Wanneer u toch tegen een bezoek opziet: er zijn ook andere vormen van meeleven mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan het zwaaien. U moet eens weten hoe belangrijk dat is voor kinderen en jongeren als u hen gedag zegt of naar hen zwaait. Daarmee geeft u aan: ik zie je, je bent de moeite waard als persoon. Het geeft een vertrouwd en veilig gevoel. Maar u kunt ook bellen, een kaartje sturen. Ik was een keer bij iemand op bezoek in het ziekenhuis en die liet verbaasd de kaarten zien van gemeenteleden. ‘Ik heb er zelf nooit aan gedacht om kaarten te sturen,’ zei deze persoon. Hij was voorheen ook niet zo betrokken op de kerk. Alleen al doordat hij vanwege zijn ziekte kaarten had gekregen, zorgde ervoor dat hij veel positiever over de gemeente ging denken.
Een belangrijke manier van meeleven is bovendien de voorbede. Ook onder u zullen er veel zijn die veel voor anderen (zieken, ambtsdragers, jongeren, zendelingen, enz.) bidt. U hoeft dat niet aan anderen te vertellen. Maar waarom zou u dat niet doen door middel van een kaartje? Dat geeft u gelijk weer een reden om te volharden in het gebed. U hebt immers toegezegd om voor deze persoon te bidden?

(6) Waarover te praten?
Tot slot: het omzien naar elkaar komt voort vanuit de verbondenheid met de Heere Jezus. Kun je er daar met anderen zo over praten? Met gemeenteleden zeker. Op een kaart zou u een Bijbeltekst of een gedicht, een psalm of een lied kunnen schrijven.
Ook dat hoort bij het omzien naar elkaar: niet alleen wat het leven hier op aarde aangaat, maar ook ons leven met de Heere. Hebt u wel eens aan iemand uit oprechte belangstelling gevraagd naar zijn of haar verbondenheid met de Heere?
Bijvoorbeeld aan uw kleindochter, die een heel gezin heeft te onderhouden en daarnaast nog enkele dagen werkt. Hebt u wel eens gevraagd: ‘Heb je nog tijd voor de Heere?’ Niet om te veroordelen, maar uit oprechte belangstelling. En daar achteraan hoort de vraag: ‘Kan ik voor je bidden? Wat zal ik voor je bidden?’ Of anders: ‘Je weet toch, dat ik elke dag voor je bidt?’ Gaan wij zulke gesprekken over de Heere, over het geloof niet te gemakkelijk uit de weg? Ik weet dat er veel gemeenteleden zijn, die hier behoefte aan hebben en teleurgesteld zijn als het gesprek weer niet over de Heere gaat. Zeker jongeren en jonge belijdende leden doet het goed als u op deze manier met hen meeleeft. U hebt in uw leven een schat aan ervaring opgebouwd. U heeft het nodige meegemaakt. De tbc rond de oorlog, ziekte, armoede, welvaart, noem het maar op. Hoe bent u bij de Heere gebleven? Ik weet zeker dat velen daar oprecht benieuwd naar zijn. Omzien naar elkaar betekent ook spreken over de dingen van de Heere. En dan vooral persoonlijk: wat de Heere voor u betekent.

Maar iemand die niet gelooft? Of op een andere manier gelooft? Ons meeleven geldt niet alleen voor gemeenteleden en gelovigen? De Heere zag juist om naar verlorenen, mensen die bij Hem vandaan waren. Door naar hen om te zien, laat u iets van de Heere Jezus zien. Wanneer er over en weer vertrouwen groeit, ontstaat wellicht de mogelijkheid om over de Heere te praten. Ook hier geldt: het gaat om oprechte interesse voor de ander. Vanuit zo’n interesse kunnen ongedachte kansen komen. Soms zijn er meer kansen om over de Heere praten dan we inzien en laten we kansen liggen. Maar het kan zijn, dat de ander hoopt dat u er met hem of haar over begint. Want zelf weet hij of zij er weinig van af en is bang de verkeerde vragen te stellen. Vragen die dom overkomen bij u die zoveel over het geloof weet. Wanneer er goed contact ontstaat, kunt u daar ook over beginnen. Want omzien naar elkaar wordt gevoed vanuit de liefde van de Heere tot mensen. Wanneer er goed contact ontstaat, leer je elkaar kennen. En dan komt de ander er ook achter waar u uit leeft: uit de genade van de Heere Jezus.

ds. M.J. Schuurman

Lezing voor een vrouwenvereniging over het thema “Omzien naar elkaar”