Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Advertenties

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

In het Reformatorisch Dagblad stond het bericht over de “Niets bijzonders”-prijs: een kerkelijke gemeente waarin weinig verandert zou deze prijs moeten ontvangen. Deze oproep, die oorspronkelijk van Hans Jürgen Luibl komt, werd door Christian Möller opgepakt.
Voor het Reformatorisch Dagblad schreef ik een korte uitleg van Christian Möllers gedachten: Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Een uitgebreidere samenvatting is hier te vinden.
Wikipedia: hier
Informatie bij Vandenhoeck & Ruprecht: hier
Bij universiteit van Heidelberg: hier (inclusief een bibliografie)

Eerdere blogs over Christian Möller:
– Reformatorische spiritualiteit
– Stellingen pastorale prediking
– Alledaagse diakonie
– Houd de kerk in het dorp! (versie 2)
– de norm van Gods koninkrijk: groeitijd
– Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Achterlicht

Achterlicht

DSCN4554

Mijn achterlicht doet het niet meer. Al maanden rijd ik zonder achterlicht. Terwijl ik het als automobilist vervelend vind om een fietser tegen te komen zonder licht. Ik weet ook dat het gevaarlijk is om zonder licht te rijden en dat ik als predikant een voorbeeldfunctie heb. Onlangs heb ik mijn achterlicht proberen te vervangen, maar ik miste in mijn gereedschapskist de sleutel die ik nodig had om de schroeven los te draaien. In plaats van dat ik de desbetreffende sleutel bij mijn buurman haalde, liet ik het voor wat het was: ik haalde geen nieuwe sleutel en ik verving mijn achterlicht niet.
Nadat ik al een paar maanden zonder licht reed, ging ik er op letten of ik aangesproken werd. Of er iemand was die tegen mij zei dat mijn achterlicht het niet deed. Want dan zou ik écht mijn achterlicht vervangen. Omdat niemand mij aansprak liet ik het voor wat het was.

Ik ging er over nadenken. Als het aanspreken op een achterlicht al niet gebeurt, waar word ik dan wel op aangesproken? Zou ik aangesproken worden als ik niet meer naar de kerk zou gaan? Zou ik meer de Bijbel gaan lezen als er iemand was die tegen mij zei, dat ik wel erg weinig uit Gods Woord las? Zou ik meer vol van de vreugde zijn of liefdevoller over anderen spreken als iemand mij de spiegel voorhield? Als ik maar aangesproken werd, dan zou ik veranderen.

Paulus gebruikt een woord voor aanspreken. Dat woord heeft in oudere vertalingen een negatieve klank gekregen: ‘vermanen’. Dat woord roept het beeld op van iemand die iets tegen je zegt met een opgeheven vingertje. Iemand die van zichzelf vindt dat hij het beter doet.
Voor Paulus heeft dat woord niet de betekenis. Para-kaleoo heeft de betekenis van ‘erbij roepen’. Zoals de stem van Christus ons aanspreekt, zo spreekt iemand vol van Christus ons aan – als stem van Christus zelf. De ene keer aansporend en bemoedigend, dan weer corrigerend of confronterend als wij dat nodig hebben. Op het juiste moment troostend. Met als doel de ander bij de gemeenschap met Christus te bewaren. Als een herder voor de ander. In de gemeente van Christus zijn we verantwoordelijk voor elkaar. Wij zijn de hoeder van onze broeders en zusters. Vanuit die verantwoordelijkheid spreken wij elkaar aan: troostend als het nodig is, confronterend als het moet. Om de ander bij Christus te brengen of te houden. Het is niet alleen een taak voor ouderlingen op huisbezoek, maar een taak voor iedere gelovige.

Van rijden zonder achterlicht weten we dat het gevaarlijk is. Leven zonder God is eveneens gevaarlijk. Toch kunnen we doorleven met deze wetenschap zonder dat we er iets aan veranderen. Door elkaar aan te spreken zou er wellicht wel iets kunnen veranderen.

en hebben we Timotheüs gestuurd, onze broeder en Gods dienaar en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u in uw geloof te versterken en te bemoedigen
(1 Thessalonicenzen 3:2)

Omzien naar elkaar

Omzien naar elkaar

(1) Inleiding
Door de secretaris van ons koor werd ik op de hoogte gebracht van het feit dat een lid van het koor een staaroperatie moest ondergaan. Ze kwam alleen met kooruitvoeringen in de kerk en daardoor kende ik haar niet. Ik besloot om eens bij haar langs te gaan. Ze bleek het bezoek te waarderen. Tijdens het bezoek kwam ik er achter, dat zij zich geregeld eenzaam voelde. Zij kwam van een ander dorp en was een aantal jaar geleden op het dorp komen wonen. Op dagen waarop het regenachtig was en ze niet naar buiten kwam, was ze neerslachtig en somber. Ze had nooit het gevoel dat ze in de dorpsgemeenschap opgenomen werd. Er was een onderwerp dat steeds weer terug kwam: haar dochter die haar niet zo vaak opzocht, omdat deze dochter veel werkte. Ik ging mij afvragen, waarom dit voor haar zo’n belangrijk thema was. Op een gegeven moment vertelde hoe zij veel voor haar eigen moeder gezorgd heeft. Dag aan dag stond zij voor haar moeder klaar. Toen begreep ik, waarom zij het zo moeilijk vond, dat haar dochter werkte en daardoor weinig tijd had om bij haar langs te komen. Zelf had zij een deel van haar leven opgeofferd om voor haar moeder te zorgen, maar nu zij zelf ouder en afhankelijker van de hulp en de aanloop van de anderen kon zij niet op haar dochter rekenen. Tenminste niet in de mate waarin zij zelf voor haar moeder heeft gezorgd.
Ik ben met dit voorbeeld om verschillende redenen. Allereerst vermoed ik dat u iets in dit voorbeeld herkent. Omdat u ook de zorg voor uw vader of moeder op u hebt genomen, toen zij oud geworden waren. In Oldebroek hebben veel ouderen bij hun kinderen ingewoond. Ook al komt dat nu nog steeds voor, ik heb wel de indruk dat deze gewoonte aan het veranderen is. Veel van de veranderingen van de laatste tijd hebben gevolgen voor de onderlinge gemeenschap. In Ilpendam, het dorp waar ik ruim 4 jaar gewoond heb, werd vanwege bezuinigingen het bejaardentehuis gesloten. Ouderen die naar een verzorgingstehuis moesten, gingen naar Monnickendam of naar Purmerend. Het gevolg was dat zij alleen bezoek kregen van bekenden, die nog met de auto durfden te rijden of de bus durfden te pakken. Zij moesten wennen in een nieuwe omgeving. Ook dit zal een aantal van u niet onbekend voorkomen, omdat u ook in de afgelopen jaren bent verhuisd. Ook als u verhuisd bent van bijvoorbeeld de ds. Otto Veeninglaan, de Ottenweg of de Anjerstraat naar  De Hullen of de aanleunwoningen bij de Van Asch van Wijklaan, het zijn veranderingen die grote gevolgen hebben voor het contact met mensen. U woont dan niet meer tussen de vertrouwde mensen, waar u heel lang tussen hebt gewoond, maar u hebt nieuwe buren die u wellicht niet kent. U moet de contacten opbouwen. Gelukkig woont u nog in het dorp, zodat aanloop van de ‘oude’ buren mogelijk blijft.
Een andere reden waarom ik met dit voorbeeld begon was dat de secretaris aan mij doorgaf, dat er iemand een staaroperatie moest ondergaan. Ik werd erop geattendeerd. Zij gaf mij zo de mogelijkheid om mee te leven en op bezoek te gaan. Dit voorbeeld laat zien dat men in de kerk ook naar elkaar hoort om te zien en met elkaar dient mee te leven.

(2) Het omzien van de Heere Jezus
Waarom hoort het omzien naar elkaar eigenlijk bij de christelijke gemeente? Waarom vindt het bestuur van de vrouwenvereniging het van belang om dit onderwerp vanavond aan de orde te stellen? Heel eenvoudig: omdat het in het Woord van God wordt aangegeven. Ik wil dat laten zien aan de hand van het leven van de Heere Jezus en aan de hand van de brief die Paulus schreef aan de Romeinen.
De Bijbel geeft aan, dat de Heere Jezus vanuit de hemel gekomen op aarde is. Hij is door de Vader naar ons gezonden. Hij is naar ons toegekomen en is geworden net zoals wij (behalve de zonde). Hij is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden (Lukas 19:10).
Ook tijdens Zijn leven op aarde zocht de Heere Jezus mensen op. Er zijn verschillende verhalen over hoe Hij verschillende mensen opzocht: Hij bezocht de bruiloft te Kana en was daar bruiloftsgast. Hij ging naar Jaïrus toe, het hoofd van de synagog, vanwege zijn dochter, naar de Romeinse hoofdman vanwege zijn zieke knecht, naar Simon de melaatse om een maaltijd te gebruiken, naar de tollenaar Zacheüs om in zijn huis te verblijven. Vooral dat laatste bezoek is kenmerkend. De Heere Jezus is op weg naar Jeruzalem om te lijden en te sterven als Hij in Jericho stilhoudt bij Zacheüs. Dit bezoek aan Zacheüs is typerend. Het bezoek aan Zacheüs roept de woede op van de mensen die met de Heere Jezus aanwezig waren. Dat was ook te begrijpen, want Zacheüs was de plaatselijke crimineel. Hij was rijk geworden door de andere mensen van Jericho af te persen. Zacheüs had zijn leven en rijkdom opgebouwd ten koste van de mensen in Jericho. En wat zegt de Heere Jezus: Zacheüs, ik moet bij jou in huis zijn. De Heere Jezus is niet bang voor zijn reputatie, niet bevreesd voor wat de omstanders vinden. Hij heeft oog voor Zachëus: de Mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden, zalig te maken.
Ook na zijn opstanding is de Heere Jezus mensen blijven opzoeken: de vrouwen en de discipelen, Petrus en Jakobus afzonderlijk. Na Pinksteren worden de apostelen erop uit gestuurd om mensen op te zoeken. Als vissers om mensen te vangen en herders om verloren schapen terug te brengen naar de Heere.
Ook voor ons eigen leven geldt dat de Heere naar ons omziet en omgezien heeft:

Maar God heeft naar ons omgezien!
Wij, in de nacht verdwaalden, –
hoe zou het ons vergaan indien
Hij ons niet achterhaalde …

Heer Jezus, die ons hebt opgezocht,
Gij opgang uit den hoge,
die onze ziel hebt vrijgekocht,
dat zij U dienen moge…                    
(Gezang 169: 4, 5 Liedboek voor de Kerken.

(3) Omzien bij Paulus: Romeinen 12
Ook Paulus vindt het van belang dat er in de gemeente naar elkaar wordt omgezien. Hij schrijft daarover in Romeinen 12. Wat hij in dit hoofdstuk schrijft, is de praktische toepassing van het geloof in de Heere Jezus. Geloven in de Heere Jezus, schrijft Paulus, is een overgang van het oude bestaan in de zonde naar een nieuw bestaan in de Geest. Deze overgang is heel radicaal: hij vergelijkt het met sterven en opstaan in de Heere Jezus (Romeinen 6). Het oude bestaan van de zonde moet worden afgelegd. Dat houdt in dat er ook een nieuw leven voor in de plaats moet komen, een leven waarin de gelovige vervuld is met de Heilige Geest en door de Heilige Geest wordt geleid.
Dan komen we gelijk bij een probleem dat in de gemeente in Rome speelt. Er zijn mensen die van zichzelf vinden dat zij de Geest hebben ontvangen en dat zij boven anderen staan. Zij voelen zich meer dan anderen, omdat zij bijzondere gaven van de Geest hebben ontvangen: zij kunnen profeteren bijvoorbeeld. Er ontstaat een tweedeling door mensen die zich beter en hoger voelen dan anderen.
Ook zijn er mensen in de gemeente die zeggen: wij hebben de Geest ontvangen en we hoeven minder principieel te zijn dan anderen. De Geest geeft mij vrijheid. Een probleem dat speelde, had te maken met het vlees. Vlees verkreeg men bij de heidense tempel. Dat vlees was eerst aan de goden geofferd en werd vervolgens uitgedeeld. Binnen de gemeente waren er mensen, die dat niet konden aannemen. Het was immers onrein, aan de afgoden geofferd? De andere groep had hier geen principiële moeite mee: afgoden bestaan toch niet? Er is maar één God en één Heer. Met dat vlees is immers niets gebeurd. Paulus noemt in zijn brief de laatste groep de sterken, omdat zij van mening zijn dat hun geloof zo sterk is dat het niet het eten van het vlees afvallig worden. De groep die geen vlees durft te eten, noemt Paulus de zwakken, omdat zij vrezen dat hun geloof door het eten van dit vlees van hun stuk wordt gebracht. (Waarschijnlijk gaat het om benamingen die in de gemeente gebruikt werden.) Paulus geeft in de brief dat gemeenteleden elkaar niet moeilijk moeten maken. De sterke houdt rekening met het zwakke geloof van de ander. De zwakke vertrouwt erop dat de sterke door de Geest staande blijft.
Dit waren onder andere conflicten, die in de gemeente in Rome speelden. Paulus geeft aan: dat nieuwe leven in de Heere Jezus gaat niet alleen over hoe wij de Heere dienen, maar ook hoe wij elkaar dienen. Geloof in de Heere Jezus heeft praktische consequenties voor hoe wij met elkaar om dienen te gaan. We moeten ons niet op een voetstuk plaatsen (vers 3) We behoren met elkaar tot de gemeenschap van de Heere Jezus. De een is niet meer dan de ander. Ook al kan een ander meer geven ontvangen hebben, hij of zij is niet meer dan een gemeentelid met minder gaven. Er zijn bovendien gaven, die helemaal niet zo opvallen, maar voor de gemeente van Christus van groot belang zijn: het dienen van elkaar, het bemoedigen van elkaar, over elkaar ontfermen, uitdelen. Het gaat erom, dat we elkaar liefhebben vanuit onze verbondenheid in de Heere Jezus. Dat we met elkaar delen in vreugde en verdriet. Dat houdt hoort allemaal bij de gemeente van Christus. Daarin laten we in onze daden iets van de Heere Jezus zien. Hij krijgt gestalte in ons leven, in onze daden komt Hij tevoorschijn.
Paulus begint het hoofdstuk met: Ik roep u ertoe op…. (vers 1). We kennen dat woord als ‘vermanen’. Voor Paulus heeft dat woord ‘vermanen’ de betekenis: elkaar bewaren bij de gemeenschap van de Heere Jezus. De een heeft het nodig om bemoedigd te worden, omdat er zoveel is gebeurd dat hij het niet meer ziet zitten. Of omdat hij zich vertwijfeld afvraagt: komt de Heere Jezus nog wel terug? Een ander heeft het nodig om bij de les gehouden te worden. De ander moet aangesproken worden op een zondige levensstijl die hem of haar bij de Heere vandaan houdt. Maar dan steeds vanuit dienende liefde.
Samengevat: Omzien naar elkaar is dus van belang om elkaar bij de gemeenschap van de Heere Jezus te houden. En daarmee laten we in onze daden ook zien wie de Heere Jezus is.

(4) Drempels
Het is onze roeping om naar elkaar om te zien. Ik denk dat de meesten van u dat ook weten en wel zouden willen, maar eigenlijk niet goed weten hoe dat omzien naar elkaar in praktijk gebracht kan worden.
Er zijn nogal wat drempels waardoor het naar elkaar omzien er niet van komt. Wat weerhoudt ons ervan om de nieuwe buurvrouw aan te spreken? Of wat weerhoudt ons ervan een praatje te maken met degene die naast u in de kerk zit, die er al zo lang zit, maar waarvan u eigenlijk niet weet wie het is? Omdat contact leggen niet zo gemakkelijk is. Er zijn nogal wat drempels bij het maken van contact.
Drempels m.b.t. mijzelf:
– ‘Zit de ander wel op mij te wachten?’
– ‘Mijn nieuwe buurvrouw, die een stuk jonger is, zal wel denken: “Wat komt die ouwe zeur hier doen?”’
– ‘Wat kan ik nu voor een ander betekenen?’
– ‘Wat kan een jonger gemeentelid van mij leren? De jonge mensen van tegenwoordig zijn zo knap! Ik heb alleen maar lagere school.’
Drempels m.b.t. de ander:
– ‘De man van mijn vriendin is net overleden. Ik durf haar niet meer te bezoeken, want dan zit zij steeds tegen twee getrouwden aan te kijken.’ (Ik hoor van weduwen vaak, dat het bezoek veel minder wordt en dat vooral echtparen niet meer komen. De gesprekken met een man, bijvoorbeeld een vroegere vriend of een echtgenoot van een vriendin, vallen helemaal weg.)
– ‘Ik durf niet bij een zieke op bezoek te gaan.’
Drempels m.b.t. het contact:
– ‘Wanneer moet ik dan gaan?’
– ‘Wat moet ik eigenlijk zeggen?’
– ‘Ik durf geen praatje aan te knopen. Straks zeg ik de verkeerde dingen!’
– ‘Ik durf niet naar mijn vriendin te gaan of haar op te bellen. Want dan komt mijn eigen verdriet weer helemaal boven.’
Deze drempels zijn niet direct verkeerd. Contact maken met nieuwe mensen vraagt om tijd en vertrouwen. Als we elkaar nog niet hebben gesproken, zijn we vreemden voor elkaar. Bij een nieuw contact steken we een grens over en gaan we in een nieuw gebied: we weten niet wie de ander is en hoe hij of zij zal reageren. Dat nieuwe is ook spannend. Contact hebben met andere mensen vraagt om wederzijds vertrouwen. De drempels herinneren ons eraan dat zorgvuldigheid geboden is.
Vanuit Romeinen 12 gesproken: de drempels herinneren eraan dat het in het omzien naar elkaar niet gaat om mijn behoeften, mijn wensen en verlangens. Het gaat er bijvoorbeeld niet om dat ik met de nieuwe buurvrouw op dezelfde manier omga als de vorige buurvrouw. Hij is een ander persoon. Omzien naar elkaar betekent ook letterlijk: het zien van de ander. Waar zou de ander behoefte aan hebben? Aan welk soort contact?
Deze drempels kunnen ook obstakels, belemmeringen om elkaar te ontmoeten, worden. En dat is om meerdere redenen jammer. Hierdoor laten wij kansen liggen om mee te leven en naar elkaar om te zien. U denkt wel voortdurend aan uw vriendin die haar man verloren heeft, maar hebt het nooit laten zien en dus weet uw vriendin dat niet. U zou wel met de buurvrouw willen praten, maar u weet geen geschikte gelegenheid te vinden en daardoor weet uw buurvrouw niet dat u het eigenlijk best fijn vindt dat zij uw buurvrouw is. U denkt wel aan een zieke, maar u ziet er tegenop om iets van u te laten horen en dus komt het er niet van. Vervolgens wordt de drempel steeds groter, want u hebt al eerder niets van u laten horen.
Deze drempels laten zien, dat veel mensen minderwaardig van zichzelf denken. Als we terugdenken aan Romeinen 12 – aan de gaven die de Geest geeft – geen goed teken. Wanneer we te klein van onszelf denken, gaan we eraan voorbij dat de Heere ons als unieke personen heeft geschapen. De Heilige Geest geeft ons bovendien gaven die bij ons of bij onze roeping horen. Wat zou kunnen helpen om deze te benutten?

(5) Slechten van de drempels
Van belang is dat we deze drempels geen belemmeringen laten worden. We moeten dus een manier vinden om over deze drempels heen te gaan.
Als eerste zou ik willen zeggen: wanneer u aan een ander denkt, probeer ook eens op de ader af te stappen. Dat is spannend. Ook voor mij als predikant is het telkens weer spannend om mensen, die ik niet ken, op te bellen voor een afspraak of bij hen aan de deur te staan.
Ook zou ik willen zeggen: wees oprecht geïnteresseerd in de ander. Oprechte interesse in de ander is iets wat in uw hart gebeurt, maar het heeft een grote uitwerking op hoe u bent. De ander zal de oprechte interesse waarderen. Denk bijvoorbeeld voor uzelf: Wanneer heeft bezoek u goed gedaan? Als iemand oprecht in u was geïnteresseerd. Wanneer de ander luistert naar uw verhalen. Wanneer u ziet dat er bij de buren rouw wordt gedragen. Wanneer u onthoudt wat de buurvrouw verteld heeft en daar later ook eens op terugkomt.
Het kan zijn dat u niet weet wat u moet zeggen. Wees daar niet te bang voor! In contact gaat het niet alleen om spreken, maar is luisteren nog belangrijker. U geeft de ander gelegenheid om verhaal te doen. Dat is voor de ander heel belangrijk. Het geeft gelegenheid om emoties te uiten of om alles weer even op orde te krijgen. (tevoorschijn luisteren)
Het luisteren is veel belangrijker dan het kunnen helpen van de ander bij het oplossen van de problemen. U kunt de huwelijksprobemen, de opvoedingsproblemen van de ander niet oplossen. Maar u kunt er wel naar luisteren en dat geeft ook steun en troost.
Ook als het gaat om iemand met verdriet: het gaat niet om woorden, maar om er-zijn. Wanneer u op bezoek komt, hebt u zich niet laten weerhouden door de drempel van de verslagenheid. U deelt in die verslagenheid. Wellicht weet u niets meer te zeggen dan: ‘Het is toch wat! Ik weet niets te zeggen.’ Dan kan een ander vertellen…
Wanneer u toch tegen een bezoek opziet: er zijn ook andere vormen van meeleven mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan het zwaaien. U moet eens weten hoe belangrijk dat is voor kinderen en jongeren als u hen gedag zegt of naar hen zwaait. Daarmee geeft u aan: ik zie je, je bent de moeite waard als persoon. Het geeft een vertrouwd en veilig gevoel. Maar u kunt ook bellen, een kaartje sturen. Ik was een keer bij iemand op bezoek in het ziekenhuis en die liet verbaasd de kaarten zien van gemeenteleden. ‘Ik heb er zelf nooit aan gedacht om kaarten te sturen,’ zei deze persoon. Hij was voorheen ook niet zo betrokken op de kerk. Alleen al doordat hij vanwege zijn ziekte kaarten had gekregen, zorgde ervoor dat hij veel positiever over de gemeente ging denken.
Een belangrijke manier van meeleven is bovendien de voorbede. Ook onder u zullen er veel zijn die veel voor anderen (zieken, ambtsdragers, jongeren, zendelingen, enz.) bidt. U hoeft dat niet aan anderen te vertellen. Maar waarom zou u dat niet doen door middel van een kaartje? Dat geeft u gelijk weer een reden om te volharden in het gebed. U hebt immers toegezegd om voor deze persoon te bidden?

(6) Waarover te praten?
Tot slot: het omzien naar elkaar komt voort vanuit de verbondenheid met de Heere Jezus. Kun je er daar met anderen zo over praten? Met gemeenteleden zeker. Op een kaart zou u een Bijbeltekst of een gedicht, een psalm of een lied kunnen schrijven.
Ook dat hoort bij het omzien naar elkaar: niet alleen wat het leven hier op aarde aangaat, maar ook ons leven met de Heere. Hebt u wel eens aan iemand uit oprechte belangstelling gevraagd naar zijn of haar verbondenheid met de Heere?
Bijvoorbeeld aan uw kleindochter, die een heel gezin heeft te onderhouden en daarnaast nog enkele dagen werkt. Hebt u wel eens gevraagd: ‘Heb je nog tijd voor de Heere?’ Niet om te veroordelen, maar uit oprechte belangstelling. En daar achteraan hoort de vraag: ‘Kan ik voor je bidden? Wat zal ik voor je bidden?’ Of anders: ‘Je weet toch, dat ik elke dag voor je bidt?’ Gaan wij zulke gesprekken over de Heere, over het geloof niet te gemakkelijk uit de weg? Ik weet dat er veel gemeenteleden zijn, die hier behoefte aan hebben en teleurgesteld zijn als het gesprek weer niet over de Heere gaat. Zeker jongeren en jonge belijdende leden doet het goed als u op deze manier met hen meeleeft. U hebt in uw leven een schat aan ervaring opgebouwd. U heeft het nodige meegemaakt. De tbc rond de oorlog, ziekte, armoede, welvaart, noem het maar op. Hoe bent u bij de Heere gebleven? Ik weet zeker dat velen daar oprecht benieuwd naar zijn. Omzien naar elkaar betekent ook spreken over de dingen van de Heere. En dan vooral persoonlijk: wat de Heere voor u betekent.

Maar iemand die niet gelooft? Of op een andere manier gelooft? Ons meeleven geldt niet alleen voor gemeenteleden en gelovigen? De Heere zag juist om naar verlorenen, mensen die bij Hem vandaan waren. Door naar hen om te zien, laat u iets van de Heere Jezus zien. Wanneer er over en weer vertrouwen groeit, ontstaat wellicht de mogelijkheid om over de Heere te praten. Ook hier geldt: het gaat om oprechte interesse voor de ander. Vanuit zo’n interesse kunnen ongedachte kansen komen. Soms zijn er meer kansen om over de Heere praten dan we inzien en laten we kansen liggen. Maar het kan zijn, dat de ander hoopt dat u er met hem of haar over begint. Want zelf weet hij of zij er weinig van af en is bang de verkeerde vragen te stellen. Vragen die dom overkomen bij u die zoveel over het geloof weet. Wanneer er goed contact ontstaat, kunt u daar ook over beginnen. Want omzien naar elkaar wordt gevoed vanuit de liefde van de Heere tot mensen. Wanneer er goed contact ontstaat, leer je elkaar kennen. En dan komt de ander er ook achter waar u uit leeft: uit de genade van de Heere Jezus.

ds. M.J. Schuurman

Lezing voor een vrouwenvereniging over het thema “Omzien naar elkaar”