Preek kerkproeverij, 10 september 2017

Preek kerkproeverij, 10 september 2017

Komende zondagmorgen mag ik een kerkdienst leiden in Broek op Langedijk. De gemeente doet mee met “kerkproeverij”. Daar heb ik deze preek voor geschreven

Schriftlezing: Romeinen 1:1-17, tekst: vers 16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, gasten in ons midden,

Waarom zou u of jij eigenlijk van de kerk moeten proeven?
Is dat net als bij verschillende verenigingen om leden te krijgen,
omdat de vereniging anders niet meer kan draaien?
Mijn vrouw wilde met een vrienden samen wat tennissen.
Dat kon op de plaatselijke tennisbaan,
maar ze moest wel eerst lid worden van de tennisvereniging
en toen ze nog maar kort lid was kreeg ze al de vraag of ze in het bestuur wilde.
Ze heeft dat niet gedaan.
Is dat de reden, omdat de kerk hier wel wat extra mensen kan gebruiken
om het gebouw te vullen op zondagmorgen of zondagavond,
of straks in het bestuur van de kerk zitting kunnen nemen
Of mee kunnen helpen met activiteiten van de kerk?

Nee, u moet het eerder vergelijken met de muziekvereniging bij ons op het dorp.
Onze muziekvereniging wil tot de beste muziekkorpsen van ons land behoren,
doet ook mee met nationale concoursen en wint eindigt vaak heel hoog, soms zelfs eerste.
Om kwaliteit te blijven behouden, steken ze veel tijd in de opleiding van jeugd.
Ze betrekken kinderen en jongeren enorm om hen de waarde van muziek te laten ervaren.
Mijn dochter van 8 kreeg via een school een uitnodiging om te komen kijken,
Ze mocht aan aantal instrumenten uitproberen en kwam enthousiast terug
met de mededeling dat ze of bugel of schuiftrombone zou kunnen spelen.
Daar ben ik erg blij mij, want ik heb zelf wel iets met muziek
en vind het mooi als mijn dochter niet alleen maar muziek kan beluisteren,
maar zelf ook actief muziek kan beoefenen. Dat is voor haar een hele verrijking.
Zo is het ook met de kerk: we hebben iets voor u, voor jou dat je leven verrijkt.
En dat is: het leren kennen van God en leren om God in je leven een plek te geven.
Niet dat wij God in de aanbieding hebben,
maar net als de muziek, dat mijn dochter geholpen wordt om muziek te maken
om helemaal op te gaan in de muziek,
kunnen wij u helpen om in aanraking te komen met God
en kunnen wij u, jou helpen om meer van God te weten te komen
en kunnen wij meehelpen en meedenken, wat jij, wat u nou aan God kunt hebben.

Nu bent u, ben jij  meegekomen, omdat je een uitnodiging hebt gehad.
Je kunt best geaarzeld hebben: kerk, geloof, God – is dat wel iets voor mij?
Een van die aarzelingen zou kunnen zijn dat je bij jezelf denkt:
Ik ben niet zo gelovig en als je in een kerk komt,
dan heb je toch mensen die alles goed weten
die heel stellig zijn, over God, over wat je wel mag en wat je niet mag.
Maar zo is het niet: de kerk is niet een club mensen die alles over God zo goed weten,
wel een groep mensen bij elkaar, een gemeenschap,
die samen op zoek is naar God en meer over Hem wilt weten
en die elkaar wilt helpen, door elkaar te vertellen hoe je iets beleeft,
door elkaar op te zoeken en samen te luisteren naar een verhaal over God,
samen te zingen en bij dat alles iets van God te ervaren.
In de kerk weten we dat God er is en dat je naar God toe kunt gaan,
maar dat wil niet zeggen dat iedereen elke dag God heel duidelijk ervaart.
Ook voor mensen hier in de kerk kan God heel ver weg zijn.
Ik bezoek vaak mensen namens de kerk
en als er dan iets moeilijks in hun leven gebeurt, dan vragen ze zich af:
Waar is God nu?
Ze kunnen teleurgesteld raken, bij een echtscheiding, als iemand ziek die ze goed kennen
en die dan veel moet lijden en niet beter kan worden.
Pas sprak ik iemand die ouderling geweest is.
Hij zei tegen mij: het geloof zegt me niet zo veel meer.
Als ik naar het nieuws kijk, dan vraag ik me af waar God is en waarom Hij er niets aan doet.
Ik ga nog wel naar de kerk, maar ik verwacht er niet veel meer van.
Ik verwacht niet dat er in de kerk iets met mij gebeurt.
Dat is juist wel de reden waarom de meesten naar de kerk gaan.
Om toch iets van God te ervaren:
De een, omdat hij of zij in de week met zoveel zorgen te maken heeft
en die wil die zorgen kwijt, of even rust, even op adem, even bijtanken.
Een ander is weer heel dankbaar en wil juist dat tegen God zeggen.
Geloven kun je misschien wel alleen doen, maar juist met elkaar kun je elkaar helpen.
Als ik God niet begrijp, kan ik als iemand op bezoek komt
of op een avond waarop we bij elkaar zijn om de Bijbel te lezen, mijn vragen stellen.
Dan wordt er geluisterd en dat is al fijn.
Door bij elkaar te komen, zoals nu vanmorgen, dan denk je er weer aan
En samen zing je, je haalt geld met elkaar op voor een goed doel,
je luistert naar een verhaal waarvan je iets wilt leren
en na de dienst spreek je nog even met elkaar om te horen hoe het gaat.
Maar het gebeurt vooral, omdat je wilt dat God een plek in je leven heeft,
omdat er die ontdekking is geweest: als ik God geen aandacht schenk, dan mis ik iets.

Om dat uit te leggen kom ik terug bij wat we in de Bijbel hebben gelezen.
We hebben met elkaar een brief gelezen, die Paulus aan een gemeente schreef,
deze mensen woonden in de grote wereldstad Rome.
Paulus schreef deze brief onder andere om uit te leggen waarom hij nooit gekomen is,
ondanks dat hij dat had beloofd.
Toen Paulus nooit kwam, waren er christenen in Rome die begonnen te lachen om Paulus.
Paulus is een angsthaas, hij durft niet.
Hij geneert zich voor zijn boodschap.
Omdat hij die boodschap niet durft te vertellen, daarom komt hij maar niet.
Hij is bang dat hij hier bij ons in zijn hemd staat.
Nee, zegt Paulus, ik schaam mij niet
en dan legt Paulus iets uit over het geloof.
Het geloof heeft een kracht – nou niet het geloof zelf,
maar de boodschap van God, Paulus noemt dat evangelie
en dat betekent goed nieuws. Goed nieuws over God,
waarvan je opveert, waardoor je opgelucht wordt,
Waardoor je echt een heel ander mens wordt, omdat er een last van je afvalt.
Die boodschap die God voor ons heeft, is goed nieuws
en niet alleen nieuws waarvan je blij wordt,
maar ook nieuws waardoor je veranderd wordt, een ander mens wordt.
Er gebeurt iets met je, het raakt je, niet alleen maar als gevoel,
maar dat nieuws over God en van God gaat ook bepalen hoe je naar jezelf kijkt.
Dat evangelie is een kracht, en niet zomaar een kracht, maar tot behoud, tot zaligheid.

Nu kun bij kracht denken aan iets dat geweldig is, iets dat je echt merkt.
Paulus schreef in het Grieks en het woord dat hij gebruikt, dynamis, daar zit dynamiet in.
Het evangelie heeft een enorme kracht.
Sommigen merken da t als het alsof de bliksem bij hen inslaat, opeens dat besef:
er is een God en ik kan niet zonder God en ik moet zorgen dat ik Hem leer kennen.
Maar vaak is die kracht veel minder sterk te merken,
haast een onmerkbare kracht, eerder heel stil en zacht,
doordat je erover na gaat denken, hé wat als er een God zou zijn
en je gaat er meer over nadenken, je zoekt op internet,
of praat met een vriend of vriendin die gelovig is om meer te weten,
je neemt een uitnodiging aan om mee te gaan naar de kerk.
Allemaal grote stappen, maar het gebeurt, zonder dat je er zelf op uit bent,
je wordt meegenomen, het gebeurt.
Een kracht, een kracht die in je werkt, want je houdt het niet tegen.

In de kerk gaat het niet alleen over God, maar ook over Jezus,
of zoals zijn andere naam: Christus.
Met deze Jezus of deze Christus heeft dat goede nieuws over God alles te maken.
Want dat verhaal van Jezus betekent, dat God niet in de hemel bleef zitten
toen het op aarde mis ging.
God, die mensen had geschapen en heel de wereld, die de wereld bestuurt,
werd zelf mens: en dat gebeurde met Jezus. God werd mens, geboren uit een mens,
de familie van David.
God kwam in onze wereld
en waarom kwam Hij?
Omdat er bij ons mensen iets was gebeurd, waardoor we niet meer bij God konden horen.
Er zit in ons mensen ook een andere kracht: een kracht van jaloezie of haat,
een kracht waarmee het mooie dat er is kapot kunnen maken,
of een kracht die ons meeneemt op de verkeerde weg,
een kracht die ervoor zorgt dat we aarzelen als het om God gaat,
of Hem uit de weg gaan.
Er is iets misgegaan tussen God en ons, en dat lag niet aan God, maar aan ons.
Maar met Jezus die op aarde kwam zegt God: Ik maak het weer goed
en ik betaal daar zelf voor, Ik offer mijzelf op, om het weer goed te maken
waardoor jij weer bij Mij kan komen, bij Mij mag horen.
Al jouw fouten, naar God toe of naar mensen om je heen,
Heb ik weggedaan, dat gebeurde aan het kruis en dat kruis stond op Golgotha.
Sindsdien is er vanuit God een uitnodiging:
Kom weer naar Mij toe, je mag bij Mij horen. Ik wil jouw God zijn.
Er staat niets meer tussen ons in.

Dat we bij God mogen horen, is een geschenk. Hij geeft dat aan ons
En we hoeven er niets voor terug te betalen,
je hoeft het alleen maar aan te pakken.
Ik vergelijk het nogal eens met het busje van TNTPost, dat bij ons in de straat komt.
Bijna elke dag wel, want we wonen op een dorp met weinig winkels
En de winkelcentra zijn verder weg.
Elke dag is er wel iemand die een bestelling heeft gedaan,
die gebracht moet worden.
Stel dat er zo’n busje in de straat komt en stopt voor uw huis.
Er wordt aangebeld, ook al heb je zelf geen pakketje besteld.
Je doet open, omdat je denkt dat er voor je buren iets moet worden aangepakt.
Maar nee, jouw naam staat erop, het is voor jou.
Zou je dat weigeren? Ik denk dat je nieuwsgierig zou zijn, het zou aanpakken.
Zo is geloof ook een geschenk,
een geschenk van God, voor jou bestemd.
Je hebt het zelf misschien niet eens besteld, maar het is wel voor jou.
Je hoeft het alleen maar aan te pakken
en dat doe je door in jezelf te zeggen: ‘Voor mij? Dankuwel.’
En als je het aanpakt, dan hoor je weer bij God.
Dan heb je niet alleen zolang je leeft iets met God,
maar ook als je leven op aarde voorbij is.
Dan mag je later bij Hem in de hemel komen.
Maar niet alleen voor de hemel, maar zolang je hier op aarde leeft,
mag je dan met God leven.
Amen

Advertenties

Vreemdelingen en priesters – 4

 Vreemdelingen en priesters – 4

Op 2-3 juni hield de Gereformeerde Bond een predikantenconferentie over het boek van Stefan Paas – Vreemdelingen en priesters.

In het boek speelt het vreemdelingschap een belangrijke rol. De aanleiding voor dit boek is zijn eigen ervaring van zijn overgang van ‘christelijke bolwerken’ als Nijkerk en Veenendaal naar Amsterdam. Daar ontdekte hij dat je over de positie van de kerk je geen enkele illusie moet maken: de kerk is marginaal. Na deze ervaring ontdekte hij dat de gemeenschap van God in de Bijbel altijd marginaal geweest is: In het Oude Testament een ‘rest’ temidden van het volk. Of als ballingen weggevoerd naar een ander land. Of – zoals Petrus dat beschrijft – vreemdelingen en bijwoners, die in de diaspora leven.

Zelf heb ik in 2007 de overgang gemaakt vanuit Veenendaal naar Noord-Holland. Ik vind het herkenbaar dat zo’n overgang een aanzet is om alles opnieuw te doordenken. Ik zou het boek wel sterker gevonden hebben, als het meer een ego-document geworden was en Paas de lezer meer had meegenomen op zijn zoektocht en de lezer had uitgedaagd zelf die zoektocht ook te ondernemen. (Maar dat is wellicht dezelfde kritiek als wat ik wel eens hoorde over mijn preken: stop er meer van jezelf in, terwijl mijn preken naar mijn idee juist zoveel van mijzelf laten zien.) Nu presenteert hij meer het eindresultaat van zijn zoektocht en lijkt zijn boek door de opzet meer op een systematisch-theologisch ontwerp dan op een zoektocht.
Mijn ervaring is dat daardoor het boek ook anders gelezen en voor misinterpretatie kan zorgen. Bij een systematisch-theologisch onderwerp wordt een kerkvisie vergeleken met andere kerkvisies en wordt het ‘model’ van de priesterkerk gezien tegen de achtergrond van de drieslag profeet – priester – koning. Omdat de tijd van de gelovige als koning voorbij is (en dat is volgens het boek maar goed ook), kun je je afvragen waar de gelovige als profeet is. Die rol wordt niet expliciet uitgewerkt en werd tijdens de conferentie ook wel gemist. Daarbij is over het hoofd gezien, dat Paas gepromoveerd is op profetische geschriften.
Het boek moet – naar mijn idee – niet gelezen worden tegen de achtergrond van een systematisch-theologische discussie, maar als een handreiking voor wat kerken en gelovigen in deze tijd concreet kunnen doen.


Ik bleef tijdens het lezen wel haken bij het beeld van de vreemdeling. Ik herken dat de overgang voor vervreemding kan zorgen. Ik heb van mijn gemeenten in Noord-Holland geleerd dat het gevoel vreemdeling te zijn meer over mijzelf zegt dan over de gemeenteleden. Zij waren daar immers geboren en de kerk is daar nooit groot geweest. Ja, in hun kindertijd groter dan nu, maar inmiddels waren ze er wel aan gewend om een kleine groep van gelovigen te zijn in een omgeving van mensen die er weinig meer aan deden. Het heeft mij in de eerste jaren ook op het verkeerde been gezet, omdat ik teveel kwam met het beeld van ‘donker Noord-Holland’. Ik heb daardoor in de eerste tijd niet gezien hoe God daar al lang bezig is geweest, al eeuwen. En dat ik daar niet allereerst iets kwam brengen, maar kwam leren.

Achteraf heb ik het gemist dat ik niet begeleid ben in mijn overgang naar Noord-Holland. Een zendeling krijgt een intensieve training om de cultuur en de levensstijl eigen te maken van de plek waar hij naar toe wordt uitgezonden. Achteraf gezien had ik ook zo’n training moeten hebben. Of een begeleiding. Wat ik wel geleerd heb – door schade en schande – is hoe belangrijk het wordt om één te worden met de mensen waar je komt te wonen. Merkwaardig genoeg ontbreekt in de zoektocht van de verhouding kerk – wereld in het boek van Paas de gedachte van de presentie (Andries Baart. Een meer op de traditionele kerk gerichte presentie is te vinden in de boeken van Christian Möller). Terwijl die presentie naar mijn idee wezenlijk is in de missiologie.

Ik heb ‘daar’ geleerd om mij niet meer vreemdeling te voelen of balling. Want daarmee hielp ik de gemeenten niet en was ik teveel bezig met mijn eigen onbegrip voor de lokale context. Ik heb geleerd om met Paulus te zien, dat elke tijd een tijd van genade is (2 Kor 6:1-2.-  Dit heb ik geleerd van Reiner Knieling.) Paas gaf later aan, het beeld van de pelgrim misschien een beter beeld is. Ook Plaisier gaf dat in zijn lezing aan. Ik denk dat met het beeld van de pelgrim de contrast tussen gemeenten in een meer seculier gebied en de Biblebelt minder groot is. De spanning van een pelgrim – wel in de wereld, maar niet van de wereld – geldt voor alle christenen als opdracht, in welke setting dan ook. Een pelgrim kan niet zonder volharding. In mijn Noord-Hollandse periode heb ik wel geleerd hoe belangrijk volharding is. Die ervaring – samen met het belang van ergens wortelen – heb ik meegenomen toen ik naar Oldebroek ging.


Het mooie van het boek van Paas is de inbreng van de liturgie in het missionaire debat in Nederland. Ik hoop dat dit punt wordt opgepakt en de gedachten die er elders zijn, bijvoorbeeld in de Duitse literatuur over missionaire liturgie, ook hier worden verwerkt. Ik hoop dat de diversiteit van de liturgieën ook in missionaire context verwerkt wordt.

Mij heeft een voorbeeld van Christian Möller erg geholpen (ook om van de dienst meer te maken dan een preek – maar dat is een ander verhaal) toen ik in Noord-Holland voorging voor kleine gemeenten, van soms niet meer dan 10 man en in kleine, intieme diensten in verzorgingstehuizen in Purmerend en Monnickendam:
Een priester in de voormalige Sowjetunie ging als enige van zijn dorp naar de kerk en voltrok daar elke keer de volledige liturgie. Hij werd daarom uitgelachen. Zijn reactie: tijdens elke dienst zijn de Vader, de Zoon en de Geest aanwezig, samen met alle engelen in de hemel. Dan ben ik niet alleen. Iedereen die erbij komt, maakt de vreugde alleen maar groter.

Is de kerkdienst een missionaire kans?

Is de kerkdienst een missionaire kans?

Is de kerkdienst een missionaire kans? Daar zijn de meningen over verdeeld. De een vindt dat elke kerkdienst een missionaire kans is. De ander vindt dat de kerkdienst dan gebruikt wordt op een manier waarvoor de kerkdienst niet is bedoeld.

Juki

Liturgiek
In de afgelopen 2 decennia is er veel aandacht geweest voor liturgie en missionaire ontwikkeling afzonderlijk. In de afgelopen jaren is liturgiek bij uitstek hét vak in de praktische theologie geweest. Leerstoelen liturgiek werden er opgericht. Veel onderwerpen binnen de praktische theologie werden vanuit liturgisch (of ritueel-antropologisch) gezichtspunt onderzocht. In 1999 kwam in Duitsland een nieuwe opzet voor de eredienst binnen de EKD. (In 1998 kwam Dienstboek, een proeve uit).

IMG_1514_fuer_Plakat_geeignet

Missionaire bewustwording
In diezelfde tijd kwam er een nieuwe missionaire bewustwording op gang. De synode van 1999 in Leipzig was voor de EKD een kantelpunt: vanaf dat jaar stond de missie volop in de schijnwerpers. In de afgelopen jaren kwamen ook meer missionaire initiatieven. In 2004 werd onder leiding van Michael Herbst, die in de jaren-’80 promoveerde op missionaire gemeenteopbouw in de volkskerk, een Instituut voor Evangelisatie en Gemeenteontwikkling opgericht.
Johannes Zimmermann, een onderzoeker van dit instituut, wil de beide thema’s op elkaar betrekken.

Luther
In hele grove streken schetst Zimmermann de geschiedenis van deze thematiek. Volgens Zimmermann was de kerkdienst voor Luther een missionaire en pedagogische gelegenheid. In de kerkdienst kon het gewone volk horen wat het evangelie inhoudt en worden de kerkgangers door het Woord van God geroepen.

Leer en handelen
In de 17e eeuw (de tijd van de Orthodoxie) werd in de kerkdienst de ware leer (vera doctrina) doorgegeven. Het missionaire verdween en het pedagogische kreeg meer nadruk. In de 18e eeuw had de kerkdienst ook een pedagogisch doel, maar lag de nadruk veel meer in het opvoeden tot een bepaald ethisch handelen (Verlichting). Een kerkdienst kan dan wel een missionair doel hebben: het overbrengen van een bepaalde visie of een bepaalde handelswijze.
Peter Cornehl, een van de toonaangevende liturgiewetenschappers, ziet in de ontwikkeling van de Orthodoxie en de Verlichting wel het grote gevaar dat de eredienst functioneel en instrumenteel wordt opgevat. Het gevaar is dat de kerkdienst niet meer een ontmoeting met God is, maar een middel om een bepaald (pedagogisch) doel te bereiken.

Vieren
In de 19e eeuw verzette Schleiermacher zich tegen een functionele en instrumentele kerkdienst. De kerkdienst heeft in zijn ogen geen doel: geen doel om een bepaalde dogmatische visie over te dragen en ook geen doel om een bepaalde moraal aan te leren. Hij legde de nadruk op het vieren van de gemeente. Een kerkdienst is dan geen missionaire kans; missionaire activiteiten zijn vooral pastorale activiteiten.
De (oudere) liturgische beweging aan het begin van de 20e eeuw greep op Schleiermacher terug. Voor Julius Smend en Friedrich Spitta lag de waarde van de kerkdienst in de kerkdienst zelf. Ze gaven wel aan dat de kerkdienst een aantrekkende werking kon hebben. Het kan niet de intentie van een kerkdienst zijn om missionair te zijn; wel kan de missionaire aantrekkingskracht een- eventueel onbedoeld – effect zijn.

Toch weer missionair
Bij Friedrich Niebergall krijgt de kerkdienst juist een expliciet missionair karakter. De kerkdienst heeft de taak om degenen die van de kerk vervreemd zijn weer naar de kerk terug te leiden.
Vanaf de jaren-’60 tot de jaren-’80 streven veel binnen de kerk naar een kerk die er voor anderen is. Alles wat de kerk doet, inclusief de kerkdienst, wordt gemeten aan deze missie. Geregeld kreeg de kerkdienst een politiek karakter, zoals het politieke avondgebed in Keulen.

Liturgische renaissance
In de afgelopen decennia is er sprake van een renaissance van de liturgie. Aan het begin van dit blog heb ik dat al aangegeven. Veel aandacht is er in de afgelopen decennia ook geweest voor kerkdiensten met een bijzondere invulling of op een bijzondere plaats.

dyn001_original_640_427_jpeg_2546155_82896877c7d6f079dbece222aef25da3

Wat zijn eigenlijk de argumenten in deze discussie?

Argumenten tegen
(1) Een kerkdienst heeft een waarde en doel in zichzelf. Ook al is evangelisatie heel belangrijk, een kerkdienst kan niet ondergeschikt gemaakt worden aan het missionaire doel.
(2) Een kerkdienst is een ‘eredienst van de in de naam van Jezus verzamelde gemeente’ (Peter Brunner). Deze gemeente is niet alleen de gemeente die er op uitgezonden wordt om anderen tot discipel van Jezus te maken (Mt 28:20), maar komt ook bijeen in de naam van Jezus (Mt 18:20. Dat spreekt ervoor om de samenkomst niet missionair in te vullen.

Argumenten voor
(1) Volgens 1 Korinthe 14 kwamen in de kerkdiensten van de eerste christenen ook buitenstaanders. Paulus roept de gemeente in dat hoofdstuk op de eredienst voor die buitenstaanders begrijpelijk te laten zijn.
(2) Het doel van de eredienst is dat God handelt aan mensen. In de eredienst komt God tot ons met Zijn belofte en roept Hij op om in Hem te geloven en op Hem te vertrouwen. In dat opzicht is elke eredienst missionair, omdat in elke eredienst opgeroepen wordt tot geloof.
(3) Ook in het missionaire werk gaat het erom dat God handelt: het missionaire werk is onderdeel van Gods missie. In die zin is er geen verschil tussen missionair handelen en de eredienst, omdat in beide onderdelen van het kerkenwerk God allereerst handelt.

Preek of hele dienst?
Als de kerkdienst missionair wordt ingevuld, welk deel van de dienst is dan missionair gericht: de preek of de hele dienst?
Vaak wordt gekeken naar de preek. In ieder geval door protestanten. Dat is voor hen het hoofdmoment van de dienst. In de preek heeft de prediker ook de meeste kans om zich op buitenstaanders te richten. In de laatste tijd wordt er nogal eens gekeken naar de hele dienst. Want een kerkdienst omvat meer dan de preek.
Fascinerend is in dit opzicht het verschil tussen protestant en katholiek. Protestanten hebben de neiging om nieuwe vormen van kerkdienst te ontwikkelen waarbij men streeft naar begrijpelijkheid. In protestantse kring wil men nauw bij het leven aansluiten. Katholieken hebben de neiging om het sacrale meer te nadrukken en om de liturgische schatten uit de traditie der eeuwen op te diepen. In katholieke kring ligt meer de nadruk op het vreemd-zijn en anders-zijn van de christelijke vormen en komt meer het geheimenisvolle tot uitdrukking.

Meenemen
Een kerkdienst kan in ieder geval een missionaire uitwerking hebben. De pro-argumenten voor een missionaire invulling van de kerkdienst laten zien, dat elke kerkdienst een missionaire uitwerking kan hebben. De vraag is alleen op welke manier dat gebeurt. Protestanten en katholieken leggen allebei een goed te verdedigen nadruk.
Daarbij komt dat de nieuwe missionaire invulling van de kerkdienst niet gericht is op een snelle bekering. Nieuwe missionaire diensten hebben meer het karakter van het meenemen in de Godsontmoeting of het laten ervaren van de vormen van die ontmoeting. Velen die niet bekend zijn met het christelijk geloof hebben een lange weg te gaan voor zij zich overgeven aan Christus. In een al dan niet missionaire kerkdienst hebben zij de gelegenheid en de ruimte om zich thuis te voelen in de eredienst en zo vertrouwdheid te krijgen met de ontmoeting met God. Een kerkdienst krijgt dan het karakter van een voorbereiding van de ontmoeting met God (praeparatio evangelii).

Luther-Predigt-LC-WB

Modellen
Zimmermann onderscheidt 3 modellen van missionaire kerkdiensten:

(1) Het evangelistische model: in de context van de volkskerk, waarin kerkdienst en onderdelen van het christelijk geloof niet geheel onbekend zijn wordt men aangesproken op de doop. De beperking van dit model is dat het alleen functioneert in een omgeving waarin men nog (enige) bekendheid met het christelijk geloof kan veronderstellen.

(2) Het pedagogisch-missionaire model: door aan-sprekende diensten mensen te zin en gevoel te geven door hen (regelmatig) een kerkdienst te laten ervaren. Zulke gelegenheden doen zich vaak voor bij trouw- en rouwdiensten.

(3) Het korinthische model: de kerkdienst wordt vormgegeven als vieren van de gemeente, waarbij men bewust rekening houdt met het missionaire neveneffect. Niet alles van de kerkdienst hoeft te worden uitgelegd. Van belang is dat de nieuwkomer gastvrij onthaald wordt en zich ook gast kan voelen. De gemeente wordt aangesproken op haar christen-zijn, maar de gast behoudt de ruimte om er anders in te staan. In dit model is het wel van belang goed na te denken over de spanning in de dienst tussen de gemeente en de gasten.

Zimmermann benadrukt dat in de praktijk deze 3 modellen niet voorkomen, maar dat er sprake is van mengvormen. Voor de missionaire praktijk is juist de verscheidenheid van de praktijk van groot belang.

N.a.v. Johannes Zimmermann, ‘Ist der Gottesdienst eine “missionarische Gelegenheit”? Überlegungen zum Verhältnis von Gottesdienst und Mission’, Theologische Beiträge 39/1 (2008) 6-23.

Het huis op de rots gebouwd

het huis op de rots gebouwd.
Preekvoorbereiding bij Mattheüs 7:24-27

Komende zondag is het in de Hervormde Gemeente Oldebroek evangelisatiezondag. Dat houdt in dat de morgendienst is ‘laagdrempeliger’ is en de dienst is afgestemd op degenen die niet of niet zo vaak in een kerkdienst komen. De middagdienst is afgestemd op de gemeenteleden om hen toe te rusten om het evangelie uit te dragen.

De evangelisatiecommissie heeft voor deze zondag het thema bedacht: Waar bouwt u / jij op? Gekozen is voor de Schriftlezing uit Mattheüs 7:24-27:

Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

Hierbij enkele gedachten bij de preekvoorbereiding:

Thema
Het thema is Waar bouwt u / jij op? Voor iemand die geregeld naar de kerk gaat, is dit geen vreemde vraag. In de preek zal deze vraag vaak worden gesteld. Al is het niet eenvoudig om een antwoord onder woorden te brengen, hij of zij heeft wel een richting: God of Christus.
Zal iemand die niet zo vaak in de kerk komt, wel nadenken over deze vraag? Ik ben daar nog niet zeker van. De meesten van hen leiden misschien een ‘gewoon’ leventje, zonder zich allerlei diepgaande existentiële vragen te stellen.

Dat betekent dat in de verkondiging op een eenvoudige manier uitgelegd moet wat deze vraag betekent en waarom deze vraag van betekenis is.

Bouwen
De exegese levert ook enkele vragen op. Want in Mattheüs 7:24-27 krijgt ‘ergens op bouwen’ een ander antwoord dan in eerste instantie verwacht zou worden. Een logisch antwoord zou zijn: je hoort op God, op Christus te bouwen.
(a) In Mattheüs 7:24-27 is het Jezus er om te doen, dat degenen die Zijn woorden horen deze woorden ook in praktijk brengen. Wie de woorden niet in praktijk brengt, heeft Zijn woorden niet echt gehoord.

De vraag is hoe in de verkondiging uitgelegd kan worden dat Jezus het beeld ‘ergens op bouwen’ gebruikt om aan te sporen om ook te handelen naar Jezus woorden.

Oordeel
(b) Tijdens de exegese ontdekte ik, dat de woorden die Jezus spreekt staan in het kader van het laatste oordeel. De stormen en de waterstromen die op het huis afkomen zijn beeldspraak van het laatste oordeel. Op de achtergrond staan een gedeelte uit Ezechiël 13:11-14:

Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een alles wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten. Zie, als de muur omvalt, zal dan tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt? Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een alles wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een vernietigend einde. Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal de stad vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Daarmee wordt de vraag Waar bouwt u / jij op? meer dan een existentiële vraag. Het is een vraag, die de kerkganger eraan herinnert: eens komen we in het oordeel van God. Hoe zal Hij over ons leven oordelen?

Cathedrale_d'Amiens_-_tympan_central_-_Christ_du_Jugement_Dernier

Het specifieke van het evangelie van Mattheüs is dat Jezus als de komende Mensenzoon het oordeel op zich neemt: Mattheüs 25:31-46. In dat oordeel zal het gaan ook over onze daden gaan. Het gaat om meer dan geloof. Het gaat zelfs om meer dan macht over de demonen (7:21-23). Het gaat om de vraag: Hebben wij Jezus’ woorden in praktijk gebracht?
Daarmee krijgt dit gedeelte een ernst. Niet alleen voor degene die zo af en toe in de kerk komt. Ook voor degene die trouw de kerkdiensten bezoekt. Al gauw wordt, als het gaat over het laatste oordeel, gesproken over de genade en over Christus die ons oordeel op zich neemt. Hier is sprake van een eschatologische ernst: Het doet er toe hoe wij leven.

Laagdrempelig?
Kan in een laagdrempelige dienst wel over het oordeel gesproken worden? Schrikt dat de mensen niet af?
Ja, het moet zelfs, zegt Corinna Dahlgrün, omdat de Bijbel spreekt over oordeel, eeuwig leven, over hemel en hel. Predikanten zijn het daarom de mensen verschuldigd om daarover te spreken. In de oordeelsaankondigingen in de Bijbel gaat het allereerst om de kans die God geeft om tot inkeer toe komen. Dat is een door God gewilde mogelijkheid. De Bijbel laat echter ook zien, dat er een te laat is en dat de veroordeling (verdoemenis) in het oordeel een reële mogelijkheid is.
Daarnaast laat het laatste oordeel zien dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun doen en laten. Niet aan mensen, maar aan God. God is als schepper en rechter de Ander, de Tegenover aan wie mensen verantwoording hebben af te leggen.

Lukt het mij om in de verkondiging het oordeel aan de orde te stellen als een (wezenlijk) onderdeel van het evangelie? Lukt het mij om over het laatste oordeel te preken als een boodschap die vreugde geeft?

Woord van God
Kan dat wel? Is deze boodschap niet te vreemd geworden en roept deze boodschap van het laatste oordeel niet teveel weerstand op?
Volgens Dahlgrün komt het aan op het geloof van de prediker. De prediker moet zijn eigen ongeloof en twijfel door de Bijbelse beelden ter discussie laten stellen. De prediker dient zich beschikbaar te stellen voor het Woord van God.
Dat de boodschap over het oordeel veel weerstand of onbegrip oproept, komt volgens Dahlgrün door meer een ‘tekortschietende praxis piëtatis’ dan als een probleem van authenticiteit. De beelden van het laatste oordeel worden vaak slechts cognitief doordacht en krijgen niet de kans in het hart of de existentie te raken. Als ik als prediker met deze teksten ga lezen, worden het mijn teksten en kan ik er ook vanuit deze geloofswerkelijkheid preken.

Schaar ik mijzelf ook onder het laatste oordeel of sluit ik mij op voorhand van het oordeel buiten? Hoe wordt het oordeel een geloofswerkelijkheid voor mij van waaruit ik leef (en verkondig)?

De Bijbel waar niet over gepreekt wordt
Tijdens de voorbereiding moet ik denken aan de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Om twee redenen: (1) In zijn Predigtlehre heeft hij ook een hoofdstuk over de prediking over Christus als de komende rechter . Helpt zijn uiteenzetting mij met deze preek? (2) Bohren spreekt voortdurend over stukken uit de Bijbel die in de verkondiging niet aanbod komen: de Bijbel waarover niet gepreekt wordt. Deze gedeelten komen nooit aan de orde, omdat zij bij de prediker op verlegenheid stuiten. Ze passen niet in het wereldbeeld of het geloofssysteem van de prediker.

De toekomst van de Komende
Het probleem is volgens Bohren dat er te weinig rekening gehouden wordt met het gegeven dat Christus ook nog (weder)komt: degene die gekomen is, komt nog! De prediking rondom Goede Vrijdag en Pasen zijn zonder toekomst, omdat men alleen nog meer spreekt over Christus als de gekomene, maar de ‘toekomst van de Gekomene’(Walter Kreck) niet meer benoemt. Daarmee wordt over het hoofd gezien, aldus Bohren, dat het oordeel voor de christenen ook verscherpt wordt. Daarbij verwijst Bohren naar de Bergrede en naar de Hebreeënbrief.

Vreze des Heeren
Het besef van het komende oordeel geeft vrees (vreze des Heeren!). Deze vreze voor de Heere zorgt ervoor dat voor de mensen niet gevreesd hoeft te worden. Deze vreze geeft ook moed tot eenzijdigheid. Deze eenzijdigheid kan zelfs een kenmerk worden van een Godvrezende preek. Deze vreze des Heeren heeft ook een gevolg: een missionair élan (2 Kor. 5:11). Ontzag voor de komende Rechter kan alleen bestaan als Godvrezendheid. Niet het komende lot of oordeel is te vrezen, maar de komende Heere. ‘Zonder pure Godvrezendheid zijn wij overgeleverd aan onze eigen waanbeelden.’ De vreze des Heeren, de Godvrezendheid is een vrucht van het luisteren (naar God en Zijn Woord).

Revisor
In 1985-1986 geeft Bohren college over het gebed. Die collegereeks opent Bohren met een citaat van Nikolai V. Gogol (dat hij tegenkwam in een programmaboekje van een toneelopvoering in Heidelberg):

‘Bedenk toch dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles heel anders aan ons verschijnt dan het in werkelijkheid is (…) Ons leven is zwaar en dan vergeten we nog elk ogenblik dat al onze handelingen eens voor een Revisor komen die niemand voor zich kan inwinnen (of omkopen).’

Daaruit stelt Bohren dat ons bidden ‘revisionsbedürftig’ is.
Met het oog op de prediking kunnen wij zeggen, dat alles in ons leven verlegen is om een revisie. Als alles wat wij doen verlegen is om een revisie, dan geeft dat de ernst van het oordeel aan: Hoe kunnen wij daaraan ontkomen?

Huis op de rots
Dan is het goed om vast te houden aan de belofte van Jezus: het huis dat op de rots gebouwd is, blijft overeind staan. Wie de woorden van Jezus hoort en doet en hier op aarde al rekening houdt met de revisie zal overeind staan als een huis dat op een goed fundament is gebouwd.
Het gaat Jezus dus om ons voor te bereiden op het komende oordeel en ervoor te zorgen dat we hier in het leven al daar rekening mee houden. Wie dwaas is, leeft alsof er nooit een oordeel komt. Voor wie de wijsheidsliteratuur uit het Oude Testament kent (Spreuken, Prediker) weet, dat de dwazen ook de goddelozen zijn, die zich geen rekenschap geven van God en Zijn oordeel. Zij leven hier alsof zij zonder God zijn.
Ook al vertonen hun daden de schijn van geloof, ze hebben geen geloof maar zijn slechts gericht op het leven in het hier en nu. Het komt dus aan op eerlijkheid en authenticiteit. Niet eens zozeer naar de mensen, maar allereerst naar God toe. Er kan een huis op het zand worden gebouwd: in het aardse leven lijkt het stevig en prima bewoonbaar. In het oordeel blijkt dat het slechts een schijnzekerheid geweest is.
Voor de gemeente komt het aan op de gave van de onderscheiding: want niet iedereen die de naam van de Heer in de mond neemt en in Zijn naam geweldige daden laat zien (als het uitwerpen van duivels) heeft het geloof en de levenspraktijk waar het op aankomt.

Confronterend
De verkondiging over het oordeel is confronterend. De meesten schuiven het liever voor zich uit en kiezen dan eerder de dwaze levensstijl door een huis op het zand te bouwen.
Op welke manier kan de preek dit confronterende element vasthouden waarbij de confrontatie de gemeenteleden bij Christus brengt en Zijn woorden laat doen?
Ik bedenk mij dat de nieuwtestamenticus Gerd Theiβen in 2003 (het Duitse Jaar van de Bijbel) een boek schreef om het lezen van de Bijbel te stimuleren. In dat boek houdt hij rekening met een maatschappij die steeds meer seculariseert en multireligieus wordt. In zijn boek wil Gerd Theiβen laten zien, dat de Bijbel goed in staat is om de dialoog aan te gaan met deze seculariserende en multireligieuzer wordende maatschappij.
Ik herinner mij dat hij verschillende motieven uit de Bijbel naar voren haalt en deze motieven in dialoog brengt met hedendaagse mensen, die gestempeld zijn door de secularisatie. Een van die motieven is het motief van het oordeel. Op welke wijze zou Gerd Theiβen dat aanpakken?
Bij het doorbladeren zie ik ook weer zijn eigen model en zie ik dat hij ook de kerygmatische aanpak niet onder stoelen of banken steekt: de Bijbel is een kans om in dialoog te komen met God. Het motief van het oordeel laat volgens Gerd Theiβen zien dat wij verantwoordelijk voor onze daden zijn en ook vaak de behoefte hebben om ons te verdedigen en te rechtvaardigen. Het motief van de
Net zo belangrijk aan het doorbladeren van het boek is dat hij mij (weer) op het spoor van Thomas Ruster brengt. Ruster schreef een kritisch boek over De inwisselbare God. Volgens hem is de levende God in de loop van de kerkgeschiedenis steeds ingewisseld voor allerlei menselijke constructies (afgoden). De Bijbel en de verkondiging gaan met ons de confrontatie aan om weer de levende God te zoeken en te kiezen.

Hoe wordt in de verkondiging de confrontatie op een goede manier aangegaan, zodat degenen die een huis vol schijnzekerheden op het zand hebben gebouwd ontdekken dat het anders moet.
Hoe wordt de confrontatie aangegaan, zodat de luisteraars beseffen dat zij bij Christus moeten zijn en Hem ook gehoorzamen?

Tegenover
Wordt die confrontatie uit de weg gegaan doordat men niet geloofd in God als een Persoon die aan ons rekenschap vraagt? Omdat men God als de Levende heeft ingewisseld voor een soort pantheïstische kracht? Die suggestie kwam ik tegen bij Gerd Hartmann. Hartmann liet zijn studenten rollenspellen doen, waarbij zij ook in de volmacht van Jezus de vergeving moesten aanzeggen. Hij vertelt dat zijn studenten dat niet kunnen. Zij blokkeren of wijken uit als zij dit in een rollenspel moeten uitvoeren. Een de redenen voor dit uitwijken is volgens hem dat zijn studenten onzeker zijn over de aanwezigheid van God als een Tegenover.

Betekent dit voor de verkondiging ook dat meer het besef overgedragen moet worden dat God een levende werkelijkheid is en dat Hij geen macht is, maar een tegenover die als Schepper en Rechter ons rekenschap zal vragen van wat wij gedaan hebben?

De preekopbouw
Nu er heel veel voorwerk gedaan is, is de vraag: hoe komt de preek eruit te zien? Welke opbouw: Moet ik beginnen met de confrontatie of moet ik langzaam toe werken naar de confrontatie? In het laatste geval is het beter om te beginnen bij wat herkenbaar is of gemakkelijk is uit te leggen. Wanneer de confrontatie aangegaan wordt, moet ook direct duidelijk zijn wat er dan mis is.
En ook van groot belang: hoe zorg ik dat de preek begrijpelijk wordt en kerkgangers (zowel degenen die geregeld komen en degenen die af en toe komen) zich geroepen en genoodzaakt voelen om de weg van Christus te gaan?
Tot slot, de vraag die al eerder gesteld is: hoe wordt overgebracht dat het om evangelie (d.w.z. blijde boodschap over God) gaat?

Verwijzingen
– Corinna Dahlgrün, ‘Von Auferstehung und Gericht predigen’, in: Heinrich Bedford-Strohm (Hg.), “… und das Leben der zukünftigen Welt”. Von Aufersteung und Jüngstem Gericht (Neukirchen-Vluyn, 2007) 77-89.
– Rudolf Bohren, ‘Predigt des kommenden Richters’, in: Idem, Predigtlehre (1971) 251-265.
– Rudolf Bohren, Das Gebet I. EDITION BOHREN Bd 1 (Waltrop, 2003).
-Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh, 2003).
– Gerd Hartmann, Lebensdeutung. Theologie für die Seelsorge (Göttingen, 1993) 113-116

Kerstfeest als missionaire kans

Kerstfeest als missionaire kans

De postmoderne religiositeit is ook een uitdaging voor de kerk. De nadruk op sfeer gaat weliswaar vaak ten koste van de inhoud. Toch kan sfeer iets in het christelijk geloof naar boven laten komen wat anders gemakkelijk verwaarloosd wordt.

Voor veel Nederlanders is het Kerstfeest feest bij uitstek. Ook voor degenen, die geen band meer hebben met een kerk. Kerst wordt desondanks gevierd. We zouden kunnen zeggen: Kerst is een sterk merk van de kerk.

Verlegen met Kerst
Toch zijn we binnen de kerk verlegen met dit feest. Want hoe gezellig en sfeervol het kerstfeest ook is, men heeft toch vaak de neiging om te zeggen dat Kerst niet het eigenlijke feest is. In de kerk zou het moeten gaan om Goede Vrijdag en Pasen. Men is in de kerk verlegen met dat feest. Men beseft aan de ene kant dat dit nog een van de weinige momenten is waarop Nederlanders een kerk van binnen zien. Aan de andere kant heeft men in de kerk nogal eens moeite met de sfeer én met de mensen die alleen rond Kerst in de kerk komen. Dat gemopper op de sfeer hoort ook bij de kerstsfeer. Net zoals de kerstboom tot de folklore rondom Kerst hoort, hoort ook het gemopper van theologen en dominees tot de folklore van dit feest.
Toch is de sfeer van Kerst nog een van de weinige mogelijkheden om de mogelijkheid om degenen, die normaal niet in de kerk komen, te bereiken. De postmoderne religiositeit is namelijk een vorm van geloven, die gevoelig is voor sfeer. Wanneer er minachtend gedaan wordt over de sfeer, wordt een belangrijke kans gemist om het evangelie onder de aandacht te brengen. Het is voor de meeste Nederlanders helemaal niet vanzelfsprekend meer om naar de kerk te gaan. Ook met Eerste Kerstdag of met een Kerstnachtdienst niet. 

Vieren van Gods handelen
In elke godsdienst zijn feesten van belang. Ook in het christelijk geloof. Goede Vrijdag en Pasen zijn belangrijke feesten, omdat deze feesten laten zien, hoe wij van Godswege het heil ontvangen. Namelijk door het sterven en opstaan van Christus. In de christelijke feesten gaat het om wat God voor het heil van de mens heeft gedaan.
In dat kader is de viering van het Kerstfeest ook van belang. Want laat het Kerstfeest niet zien, dat God Zijn Zoon naar deze aarde zond? Laat het Kerst niet zien, hoe belangrijk God onze redding vond? In Christus kwam Hij zelf naar onze aarde toe. Hij daalde tot ons af.
Soms heeft men moeite met het Kerstfeest, omdat dit feest eigenlijk een heidens feest is. Kerstfeest zou in plaats gekomen zijn van het Germaanse midwinterfeest. Dat is echter een mythe, die bedacht is door de Duitse sprookjesverzamelaar Grimm. Deze Grimm had een anti-christelijk motief. In de tijd dat hij leefde was Duitsland net ontstaan als een nieuw land. Hij wilde aan dit nieuwe land een identiteit geven, waarvoor hij het christendom niet nodig had. De folklore rondom Kerst, zoals de kerstboom, stamt niet af van de Germanen, maar zijn ontstaan uit vieringen van het Kerstfeest in de 16e eeuw. Kerst is geen vorm van natuurgodsdienst, zoals de zonnewende of de verandering van de seizoenen. Met Kerst vieren wij het handelen en ingrijpen van God: Hij zond Zijn Zoon. Dat is wezenlijk iets anders.

Ten koste van de inhoud?
Sfeer kan ten koste gaan van de inhoud. Zeker in bij postmoderne religiositeit. Postmoderne mensen halen overal iets vandaan voor hun geloof: een knip-en-plak-geloof. Toch hoeft dat bij de viering van het Kerstfeest niet te gebeuren. Onderschat de kracht niet van de kerstliederen, de verkondiging en de gebeden. De kerk heeft veel meer in huis om aan dit feest diepgang te geven dan wij beseffen.
Hoe belangrijk een goede viering van het Kerstfeest is, realiseerde ik mij na het lezen van een boek van Margriet van de Kooi. Zij is ziekenhuispredikant in Woerden en heeft in Pelgrims en zwervers een aantal gesprekken beschreven die zij meemaakte.
In die gesprekken komt voortdurend naar voren dat de genade van God voor niet-gelovigen iets vreemds is, dat zij nauwelijks kunnen en durven te geloven. Geloven is een prestatie. Dat doe je alleen als je goed leeft.

Een van de gesprekken gaat over een mevrouw, die na de scheiding niets meer heeft gehoord van haar 3 dochters. Als zij ernstig ziek is, wordt aan haar gevraagd of haar dochters ingelicht moeten worden. Zij durft het niet aan, want stel je voor dat ze niet willen komen. Vlak voor het einde, als er bijna geen tijd en geen kracht meer is, volgt er een gesprek:

‘Ik heb me niet veel van God aangetrokken’, zei ze stil. We zwegen.
‘Hoe zal dat gaan als u aan de hemelpoort staat?’ vroeg ik.
Ze zweeg mismoedig. ‘Die zal wel dicht blijven’, zei ze. ‘Ik  heb er niet erg naar geleefd.’
‘Daar ga ik niet over’, zei ik. ‘Ik vertel u maar een oud verhaal over God, een verhaal dat ik niet bedacht heb, een oud verhaal dat God over Zichzelf aan ons gegeven heeft om door te vertellen.’

(Uit: Margriet van der Kooi, Pelgrims en zwervers, p. 34-35)

Margriet van der Kooi vertelt hier de gelijkenis van de verloren zoon. Had zij hier ook niet het kerstevangelie kunnen vertellen?

Levensverhaal
Een levensverhaal, waarin iets van het evangelie duidelijk wordt, dat is een andere mogelijkheid om postmoderne mensen te bereiken. Geen verzonnen, maar echte, authentieke verhalen. Aan het ontstaan van veel kerstliederen is een bijzonder verhaal verbonden. Maar er zijn veel andere verhalen. Zijn de verhalen in het evangelie vanuit zichzelf al niet sterk genoeg?
Als er mensen, die normaliter niet in de kerk komen, moeten we niet direct resultaat verwachten. Het evangelie uitdragen is zaaien. Met Kerst is dat niet anders. Wat God met dat zaad, dat gestrooid is, doet, onttrekt zich vaak aan onze blik. Vergeten wij trouwens niet dat ook voor ons Kerst een verrassing is. Dat God naar deze aarde kwam en dat wij in Hem gingen geloven, dat hebben wij niet zelf bedacht. Dat geheim vieren wij met Kerst.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor Maandblad Réveil

De missionaire dimensie van een kerkdienst

De missionaire dimensie van een kerkdienst

Hoe kan een kerkdienst missionair worden vormgegeven? In het nadenken over de kerkdienst komt deze vraag vaak op, merkt Wolfgang Ratzmann. Ratzmann was tot voor kort hoogleraar Praktische theologie in Leipzig en heeft veel over liturgie en over missionair werk geschreven. Voor hij antwoord geeft, zet hij eerst de argumenten op een rij.

Contra
In de eredienst gaat het er niet om de mensen te bereiken. In een kerkdienst gaat het om de ontmoeting met de levende God. Sommigen, zoals de praktisch-theoloog Karl-Heinrich Bieritz, pleiten voor een tegen-cultuur: de kerk moet niet te veel aansluiting zoeken bij de cultuur (waarin belevenissen en amusement belangrijk zijn). In de eredienst kan men de rust vinden, die in een belevenismaatschappij ontbreekt. Wanneer men in de vorm aansluit bij deze cultuur, zal men ook de inhoud aanpassen.

Pro
Net als in Nederland zijn de grote Duitse kerken volop bezig met missie en evangelisatie. Die zijn er meer mee bezig dan de universitaire theologie, volgens Ratzmann. Vanuit de kerken komt de missionaire vraag op. Ook als het gaat om het doordenken van een missionaire liturgie. En anders komt die missionaire vraag wel op vanuit de systematische of de historische doordenking van de eredienst. In het voorwoord van de bundel artikelen over God eren in een postchristelijk tijdperk. De missionaire dimensie van de liturgie staat:

Men kan zich niet voorstellen dat de kerk een missionaire kracht kan ontplooien zonder de liturgie in het spel in te brengen. Het geloof doorgeven aan de hand van argumenten of samenvattingen van het geloof zou een absurd idee zijn. Christenen worden – net zoals degenen in de Vroege Kerk – vooral bepaald door wat de kerkdienst hen aanreikt.

Er zijn ook argumenten voor een missionaire doordenking van de liturgie te vinden. ‘We wisten niet dat de hemel op aarde te vinden was,’ zeiden de Russische gezanten tegen hun grootvorst Vladimir van Kiev, nadat ze teruggekeerd waren uit Byzantium en een bezoek hadden gebracht aan een kerkdienst in de Hagia Sophia.
De reden van Luther om te komen met een Deutsche Messe was ook een missionaire: de dienst wordt opgebouwd ter wille van de eenvoudige gelovigen.
De missionaire kracht van de liturgie zit in het ondergaan, het meemaken van een dienst.

Tendensen
In de alternatieve vormen van liturgie gaat het volgens Ratzmann er niet om wat er in de cultuur leeft. De alternatieve vormen laten eerder de behoeften van de bedenkers zijn. (Overigens: de meeste bedenkers zouden zelf nooit naar een alternatieve dienst gaan, die door een ander wordt georganiseerd.)
Men sluit de kerkdienst aan bij het levensgevoel en de levensstijl van de mogelijke bezoekers. Daarom geen orgel of gezangen. Men laat de bezoeker zelf mediteren in plaats van luisteren naar een preek.
Vanuit cultuursociologisch perspectief valt op dat:
– men vooral aansluit bij de behoefte aan amusement en belevenissen.
– men niets wil hebben wat herinnert aan gezag (toga, ouderling van dienst, e.d.), maar vooral inzet op de authenticiteit van bepaalde gelovige personen.
– men tijdens het ritueel veel over laat aan de eigen invulling van de bezoekers.
Wanneer deze tendensen overheersen is het niet vreemd dat men zich verzet tegen de missionaire doordenking van de liturgie. Want men sluit zich in die alternatieve kerkdiensten vooral aan bij de druk van de moderniteit om de enkeling centraal te stellen (individualiseringsdruk), waarbij men vooral inzet op de aardige en actieve burgers. Sociologisch gezien heeft men dan een heel kleine doelgroep.

Wat betekent missionair?
Missionair bezigzijn wordt vaak uitgelegd als het bereiken van degene die niet gelooft met het geloof. Volgens Ratzmann een beperkte visie, want in missie gaat het allereerst om de weg van God, Zijn zenden tot de mensen (missio Dei). Missionair bezigzijn betekent dan dus gehoorzaam en creatief het spoor volgen dat God zelf gewezen heeft. God wil tot de mensen komen. De kerkdienst is een van Zijn middelen om tot mensen te komen.

Deze definitie van zending onderbouwt Ratzmann vanuit de godsdienstsociologie en vanuit de liturgie.
Door de secularisatie is wel de traditionele volkskerkelijkheid verdwenen. Godsdienst als zodanig niet. Religie is veranderd in vorm en inhoud. Tegelijkertijd wordt er over God niet meer gesproken en heeft men niet meer het besef dat God het gehele leven kan bepalen. Voor velen staat God aan de rand van hun leven. In zo’n cultuur is de kerkdienst een ‘bevoorrechte plaats’, waar het zwijgen over God wordt doorbroken: zijn Naam wordt publiekelijk genoemd en aangeroepen. ‘Waar in onze maatschappij, in onze wereld hebben wij nog werkelijke vrije ruimten van confrontatie met het evangelie?’ (uit een van de bijdragen uit God eren in een postchristelijk tijdperk)
Bepaalde kenmerken van de kerkdienst vallen daardoor extra op:
– het gebed (dat in de Thomasviering een belangrijke plaats heeft)
– het persoonlijke getuigenis, waarin iemand zonder kanseltaal zich rekenschap geeft over God (in het ‘kruisverhoor’ tijdens GoSpecial).
– de verbinding tussen geloof of bijbelse thema’s en het gewone, alledaagse leven (in plaats van amusement). God kan in verband gebracht worden met situaties uit het alledaagse leven.

Ook in ‘traditionele’ kerkdiensten wordt over en tot God gesproken. Ratzmann vindt daarom dat niet alleen de alternatieve vormen missionair genoemd kunnen worden. Ook een zogenaamde traditionele liturgie kan missionaire kracht hebben.
Het is zelfs mogelijk dat in een evangelisatiedienst niet meer over God gesproken wordt – of dat de God van de bijbel wordt ingewisseld voor een god die mogelijk acceptabel is voor de mogelijke bezoekers. Kun je zulke diensten nog wel missionair noemen?

Enkele adviezen
(1) Door de cultuur die steeds pluraler is geworden, moet er ook in de liturgie daar rekening mee gehouden worden. Volgens Ratzmann hebben we verschillende kerkdiensten nodig met een andere culturele kleur. Eventueel in samenwerking met andere kerken in de regio.
Aan de andere kant zijn er ook aanwijzingen dat bepaalde vormen verbindend kunnen werken tussen cultureel verschillende groepen. De kerk is bovendien geroepen om een eenheid te zijn. Een traditionele kerkdienst, waarin jong en oud aanwezig zijn, kan daarom ook missionaire kracht hebben in een maatschappij waarin verschillende (leeftijds)groepen elkaar nauwelijks nog tegenkomen.
(2) De alternatieve vormen van kerkdiensten zijn vaak gebaseerd op traditionele vormen. Ratzmann pleit voor een kruisbestuiving over en weer tussen de nieuwe en de traditionele vormen.
(3) Elke kerkdienst (traditioneel of vooruitstrevend) heeft een vorm nodig die esthetisch overtuigt. De gevoeligheid voor de esthetische kwaliteit is belangrijk. Tegelijkertijd kan de vorm zo nadrukkelijk zijn, dat de inhoud ondersneeuwt.
(4) Tot slot: een kerkdienst is volgens Ratzmann niet missionair omdat een bepaalde doelgroep wordt bereikt, maar in het vieren van en vertellen over de God die tot deze wereld is gekomen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Wolfgang Ratzmann, ‘Missionarische Liturgie? Überlegungen zu einem umstrittenen Phänomen’, Jahrbuch für Liturgik und Hymnologie 42 (2003) 49-63. Opgenomen in: Wolfgang Ratzmann, “Gott ist gegenwärtig”. Aufsätze zum Gottesdienst. Serie: Beiträge zu Liturgie und Spiritaulität (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2010). – dit boek is te raadplegen via books.google.com