Preek zondag 8 april 2018

Preek zondag 8 april 2018
Kinderdienst. Thema: Groeien & bloeien
Schriftlezing: Johannes 15:1-8. Bijbel in Gewone Taal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De lente is weer begonnen.
De narcissen bloeien volop en de tulpen gaan beginnen
en de bomen beginnen al groene knoppen te krijgen.
Gisteren was het mooi weer:
Je merkte dat bij het voetballen, bij het spelen in de speeltuin, bij buitenspelen.
Als het mooi weer is, kunnen de bloemen gaan bloeien, de bomen weer groen worden.
Dan worden de lammeren geboren en kunnen de koeien naar buiten.
Dat alles groeit en bloeit, dat de lente gekomen is, dat jonge dieren geboren worden,
dat gebeurt niet zomaar, maar dat komt, omdat de Heere God dat laat groeien.
Een paar weken geleden was het nog heel koud.
Er bloeiden hooguit wat krokussen en misschien een eerste narcis.
De bomen waren nog kaal.
Dan kun je je afvragen: komt de lente nog wel?
Ja, natuurlijk komt de lente, want die komt elk jaar
Het lijkt zo gewoon, dat het weer lente wordt,
dat alles weer groen wordt, dat de bloemen gaan bloeien, dat er jonge dieren komen,
maar het is de zorg van God voor de aarde.
Hij heeft de wereld geschapen en Hij zorgt ervoor dat er weer een nieuw seizoen komt.

Vorige week hebben we Pasen gevierd.
Pasen lijkt op de lente: er is weer nieuw leven, omdat Christus opstond uit de dood.
Alleen het verschil is, dat we de lente heel gewoon vinden.
Dat hoort elk jaar zo te zijn
en het verschil is ook dat na de lente de zomer en de herfst komen en alles weer dood gaat.
Maar het nieuwe leven, de lente die Christus bracht
door op te staan uit de dood
gaat nooit voorbij.

Het bijzondere is dat wij dat nieuwe leven ook kunnen krijgen,
dat er voor ons ook dat nieuwe leven kan komen,
waarvoor Christus stierf aan het kruis en opstond uit de dood.
Jezus zegt: Ik ben een stam en jullie zijn takken.
Takken die afgezaagd zijn, die kunnen niet lang meer leven.
Vorig jaar was een grote tak van een kastanjeboom afgezaagd
En daarna bleven de bladeren toch nog even doorgroeien,
maar uiteindelijk gingen de bladeren dood, omdat ze geen voedsel kregen.
Die voeding die ze nodig hebben, krijgt een tak alleen als hij aan de boom vastzit.
Zo kunnen wij alleen dat nieuwe leven krijgen als we aan de Heere Jezus verbonden zijn.

Daar gaat het dus om: ben jij verbonden met de Heere Jezus?
Net zoals een tak aan een boom vastzit.
Als dat zo is, dan kun je leven, dan kun je groeien, dan kunnen er vruchten aan je komen.
Maar als dat niet zo is, als je niet aan de Heere Jezus verbonden bent?
Wat gebeurt er dan?
Dan gebeurt hetzelfde met een tak die van een boom wordt afgehaald.
Die tak gaat dood en aan die tak kunnen er geen vruchten meer komen.
Dat die tak dood gaat, dat die tak geen vrucht kan dragen, ligt niet aan de boom.
Als jij niet aan de Heere Jezus verbonden bent, als een tak aan een boom,
ligt dat niet aan de Heere Jezus:
Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Dat is misschien een gekke vergelijking. Wie vergelijkt zich nu met een stam, een plant?
Nou, in het Oude Testament wordt het volk Israël vaak vergeleken met een druivenplant,
of met een wijngaard, een hele tuin vol druivenplanten.
Die tuin of die druivenplant is door God geplant,
Eerst uitgegraven in Egypte en opnieuw geplant in het land Kanaän.
Waarom deed God dat dan?
Omdat Hij voor Israël wilde zorgen, omdat de Heere wilde
Dat er vruchten aan Israël, de druivenplant, zouden komen: druiven om wijn van te maken.
Wijn om je dorst te lessen, wijn die je kunt drinken als je feest gaat vieren.
Alleen: Israël wilde geen vruchten laten zien. Israël; was niet zo geïnteresseerd in God.
Ondanks dat God zorgde, kozen ze ervoor andere goden te dienen.
Ondanks de zorg van God geen vruchten, geen druiven aan de plant.

En wat doe je met een plant die niets opbrengt?
Als de plant dood is, zaag je de plant om, of hak je de plant om
en gebruik je het hout van de plant om een vuur aan te steken.
Nu zegt de Heere Jezus over zichzelf: Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Ik ben de ware wijnstok: Ik zorg dat al die takken wel vruchtdragen,
dat die takken, als ze dood waren, weer nieuw leven krijgen
en toch doen waarvoor God ze geplant heeft: dat er vrucht, fruit aan komt.
Als je aan de Heere Jezus verbonden bent, dan ga je leven en dan komen er vruchten.
De Heere Jezus zei het tegen de discipelen, maar ook tegen ons:
Jullie zijn de takken en zorg dat je aan Mij vast zit en dat je niet meer losgaat.
Want als je los bent, als je nog niet vast zit, of als je losraakt, dan gaat het mis, goed mis!
Daar gaat het om – dat je verbonden bent met de Heere Jezus.

Hoe kun jij vastkomen aan de Heere Jezus?
Als je gaat geloven. Als je de woorden van de Heere Jezus hoort,
als je Hem hoort – en dat kan als je een Bijbelverhaal hoort, of een preek,
Als je je vader of je moeder, iemand van de clubleiding,
een juf op school hoort vertellen over Hem
en je weet, je merkt: dat is waar! Ik wil bij Hem horen, ik wil in Hem geloven.
Dan maakt de tuinman jou als tak vast aan de boom
en Jezus zegt: Mijn Vader, God zelf, is de tuinman.
Hij zorgt ervoor dat je aan de Heere Jezus vast komt te zitten, dat je aan Hem gaat groeien.
Als je gelooft, dan hoef je daar dus niet meer druk over te maken.
God doet het, je bent verbonden.
Het gaat er om of wij willen, of wij aan de Heere Jezus vast willen groeien.
God als tuinman en de Heere Jezus als de stam willen dat. En jij en u?
Als je dat wilt, dan kun je verder groeien.
Je hebt misschien wel ergens in huis een plek waar je een streepje zet
om aan te geven hoe hard je groeit.
Zo kun je ook in geloof groeien: door meer te weten, meer te geloven, meer vrucht.

Wat is nu die vrucht die aan ons kan groeien?
Wat zijn nu vruchten die aan je groeien als gelovige?
Dat je trouw blijft geloven, ook als het niet makkelijk is bijvoorbeeld.
Of dat je merkt dat je geen verkeerde dingen meer wilt doen,
omdat je weet dat je daardoor bij God weggaat, omdat daardoor je tak weer los gaat
en dan gaat het alsnog mis.
Een andere vrucht is liefde – ook voor iemand waar je eigenlijk niet van wilt houden,
maar je weet dat God alle mensen geschapen heeft
en wilt dat alle mensen aan de Heere Jezus verbonden zijn,
dan doe je je best ook van hen te houden.
Misschien heb je pas nog het verhaal gehoord van de Heere Jezus
die de voeten van de leerlingen waste. Hij zei: jullie moeten net zo doen.
Als je bij de Heere Jezus hoort, ga je groeien en bloeien.
Dan kunnen andere mensen dat zien.
Niet alleen maar door wat je zegt, maar door hoe je bent.
Ze zien dan dat in jou de Heere Jezus leeft. Dat noemt de Heere Jezus vrucht dragen.

Dat kan dus alleen als je bij Hem hoort. Als je gelooft.
Alleen dan stroomt het leven dat de Heere Jezus heeft
en dat Hij aan ons wil geven omdat Hij gestorven is en opgestaan
naar jou toe door.

Een boom geeft aan de takken sappen door, voeding.
Als je bij de Heere Jezus hoort, dan merk je ook dat er iets van Hem in jou komt.
Zijn woorden, die ga je doen
Maar ook het slechte waar je aan denkt en dat je doet, wilt doen,
dat wordt uit je gehaald.
Je wordt schoongemaakt van binnen. Gereinigd van de zonden. Door de Heere Jezus.

Er gebeurt nog iets. Dat gebeurt door de tuinman, door God dus die de tuinman is.
Er worden takken weggesnoeid.
Wij hebben om de tuin een coniferenhaag staan.
In die haag van coniferen zitten bepaalde gaten.
Daar hebben vorig jaar takken van andere struiken gezeten.
Zij hebben het zonlicht tegengehouden.
Er kan ook bij ons, bij jou iets zijn, dat het zonlicht van God tegenhoudt
en dat zonlicht is dan: Zijn liefde en genade, Zijn zorg.
Je kan dan niet groeien, en ook geen vrucht dragen.
Dan kun je denken aan een zonde, die groeit.
Of dan kun je denken aan onverschilligheid: je wilt niet geloven, geen zin in.
Of je denkt: geloven, dat komt later wel, als ik volwassen ben.
En dan komt de tuinman, God de Vader, die haalt dat weg.
Die haalt die zonde uit je weg. Die haalt die onverschilligheid uit te weg.
Die haalt de gedachte uit je weg, dat het later wel komt
en je beseft: ik moet nu gaan geloven.
Snoeien kan pijnlijk zijn, maar het is wel beter voor je:
Want dan ga je weer groeien en komen er nog meer vruchten aan je.
Het is pijnlijk, maar het is juist de zorg van God om je beter te maken.
Net als er een splinter in je voet of je hand.
Die kun je laten zitten, omdat het niet fijn is die er uit te halen en toch is dat beter.

Als je groeit en bloeit komt dat door de Heere Jezus,
Die zoals een boom aan de takken voeding doorgeeft aan jou Zijn liefde doorgeeft.
Als je niet groeit, als er geen vruchten zijn, dan ben je maar een kale tak,
een dode tak. Dan doe je niet waarom God je gemaakt heeft.
Hij kan je afknippen en weggooien en verbranden.
Eens zal God alle zonde wegdoen, alles wat niet bij Hem hoort wegdoen, voor altijd.
Maar het is Pasen geweest. Wat dood is, kan levend worden.
Wat dood is, kan door de Heere Jezus tot leven gewekt worden.
Als jij nog dood bent, is er hoop voor je.
Als je bij de Here Jezus gaat horen, ga je leven.
maar altijd bij Hem te blijven: altijd naar Zijn woorden luisteren.
Het is een waarschuwing om niet bij Hem weg te gaan.
Doe je dat, dan kun je veel mooie dingen laten zien: vruchten groeien er aan je!
En alle mensen zullen zeggen: Wat is God goed!
Ze zullen zeggen: We zien dat God werkt, dat God een tuinman is, die zorgt.
Dat willen wij ook. Wij willen ook bij de Heere Jezus horen.
Zo maken jullie de hemelse macht van Mijn Vader zichtbaar
Dan groei je en bloei je – tot eer van God.
Amen

Preek zondag 28 januari 2018

Preek zondag 28 januari 2018
Afsluiting themaweek School en kerk. Gods plan met jou.
Themalied: Jezus die langs het water liep. Themapsalm: Psalm 139:1

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Weet je al wat je later wilt worden?
Wie van jullie wil er later iets met dieren doen?
– boer, dierenarts, dierenverzorger, bioloog
Wie van jullie:
– meester of juffrouw
– voor andere mensen zorgen: voor oudere mensen, mensen met een beperking
– dokter, dominee
– vrachtwagenchaffeur, met de trekker rijden.

Wat zou de jonge Jeremia later worden?
Waarschijnlijk hetzelfde als zijn vader.
Net als sommigen op school: ik ga hetzelfde doen als mijn vader.
Weten jullie wat de vader van Jeremia (Hilkia) deed, wat hij was?

Jeremia zou waarschijnlijk hetzelfde worden: priester.
Wat doet een priester?
Offeren in de tempel:
– voor de zonde van de mensen
– dankbaarheid
– advies vragen / zegen vragen
– dienst in de tempel: tot God bidden / God eren

Misschien zag Jeremia dat al helemaal voor zich
Had zijn vader er over verteld, of was hij mee geweest, naar Jeruzalem.
Nu komt Jeremia uit Anathoth:

  • kon hij later wel in de tempel werk doen? Of telde hij niet mee?
    (Abjathar: verbannen naar Anathoth)


Welke plannen Jeremia ook had voor zichzelf, om later te worden:
De Heere heeft voor hem een ander plan
en de Heere zegt dat ook tegen Jeremia:
– Jeremia, Ik ken je al voordat je geboren werd, voordat je groeide in de buik van je moeder.
Toen had ik al een bijzonder plan voor je – wat jij later voor Mij moet gaan doen.
Jeremia kan niet voor zichzelf een plan bedenken, wat hij later gaat doen.
God gaat voor Hem beslissen: Ik heb jou aangesteld tot profeet onder de volken.

Kun jij je voorstellen dat jij op jouw leeftijd een belangrijke taak krijgt?
In de kerk zijn de belangrijke taken bijna altijd voor volwassenen.
Heb je wel eens een kind in de kerkenraadsbank zien zitten? Of de preek horen doen?
Kindernevendienst of zondagsschool zien geven?
En ook op school zijn de belangrijke taken voor volwassenen.
Jullie helpen mee: afwassen, klaaroveren.

Jeremia schrikt dan ook als hij van de Heere te horen krijgt: jij wordt profeet.
Hij schrikt ervan: Nee!
Ach, Heere HEERE, ik kan dat niet doen, ik ben te jong.
Jeremia is geschrokken: U bent wel de baas, maar hebt u dat wel goed?
Weet u niet hoe oud ik ben? Denkt u echt dat de volwassenen naar mij luisteren?
Volwassenen nemen kinderen toch niet zo snel serieus?
Zeker als ze over God vertellen. Dat vinden ze grappig, daar lachen ze om,
maar ze denken daar echt niet over na.
Er klinkt een grote zucht: Ach. Jeremia heeft medelijden met zichzelf:
Dat gaat nog moeilijk worden.
Mijn woorden hebben echt geen gezag. Ik kan vertellen, roepen, maar ze luisteren toch niet!
Jeremia protesteert.

Het is een mooi thema: God heeft een plan met jou.
Maar als iemand van God hoort van dat plan is de eerste reactie vaak:
Nee, dat wil ik niet! Dat kan ik niet!
Jullie kennen vast het spel dammen (of schaken).
Zo gaat het vaak met het plan van God: God doet een zet
en wij doen een zet terug – net zolang tot we verliezen van God.
Zo doet Jeremia ook een zet – hij verdedigt zich. Hij geeft zich niet gewonnen.

Jeremia is zo geschrokken, dat hij niet denkt aan eerdere verhalen uit de bijbel.

  • Aan Samuël. Wat was er met hem?
  • Aan dat meisje dat meegenomen was en bij Naäman terechtkwam.
    Wat deed zei?

Zij waren ook jong. Kan God geen jonge mensen, geen kinderen gebruiken?
‘Daarom,’ zegt de Heere tegen Jeremia, ‘Stuur ik jou.
Zeg niet: Ik ben te jong! Ik ben het, die jou stuurt!
En daarom moet je ook niet bang zijn voor de mensen, ook niet onder de indruk zijn.
Als je naar de mensen kijkt, kun je de gedachte krijgen: Ik moet dit maar niet zeggen.
Nee, zeg het in Mijn Naam!’
Je moet niet door mensen gevormd worden, maar door Mij, jouw God.

Weet je wat voor taak Jeremia van de Heere God krijgt?
Een dubbele taak: afbreken en opbouwen.
Stel: je hebt in de woonkamer al je soldaatjes opgesteld en forten gebouwd.
Je hebt nog nooit zo’n mooie opstelling gehad.
En je zusje komt eraan, ze let niet op en ze gooit alles overhoop.
Dan ben je waarschijnlijk eerst boos.
Maar daarna kun je later nadenken over een nog mooiere opstelling.
Je denkt daar niet over na als het moet blijven staan. Dan moet het bewaard blijven.
Of je hebt je poppen of barbies op de bank gezet en in de vensterbank.
Dan komt je moeder en die ruimt alles op.
Niet leuk, maar dan kun je de volgende keer weer opnieuw iets bedenken.
Dat moet Jeremia doen: eerst iets afbreken, iets opruimen.
Met de sloopkogel, met de shovel – alles omver.
Wat dan? Wat zou Jeremia moeten afbreken?
Moet hij de tempel afbreken?
Niet de tempel – de tempel zal wel worden afgebroken, zal hij later zeggen
en de mensen waren daar niet blij mee, nee ze waren woedend.

Jeremia moet iets anders afbreken en opruimen.
De mensen in Jeruzalem dachten dat het wel goed zat, tussen God en hen.
Wij dienen God op de goede manier: tempel, offeren, liederen, vertrouwen.
Nee, moet Jeremia zeggen: er is van alles mis:
Jullie dienen God helemaal niet, maar andere goden.
Ja aan de buitenkant lijkt het mooi. Jeremia moet de mooie buitenkant afbreken.
Jeremia moet de trots opruimen, de gedachte: wij doen het goed.
Stel je dat vandaag eens voor: dat iemand zegt – jullie doen het helemaal fout.
Dat een van de jongeren dat zegt: 13, 14 jaar.
Dat hij zegt: Jullie starten vandaag met de actie kerkbalans, maar jullie dienen God niet.
Er wordt misschien wel een heel mooi bedrag opgehaald, nog meer dan de vorige keer.
Maar dat is maar buitenkant – wat leeft er in je hart.
Leeft daar echt de Heere Jezus? Of geef je maar geld om te camoufleren,
dat Jezus helemaal niet in je hart woont, maar dat er een leegte is.
Als een van de jongeren dat zou zeggen, zou de reactie waarschijnlijk zijn:
Ach joh, je komt net kijken. Wat weet jij ervan? Het is veel ingewikkelder
en wees niet gelijk zo kritisch als je maar net komt kijken.

Zo is het met Jeremia ook gegaan.
Jeremia was echt geen succesprofeet.
Ze hebben hem uitgelachen en bespot: wat een snotjoch.
Ze zijn boos geworden: hoe durft hij.
Ze vonden hem steeds maar zo somber, een mopperaar, een chagrijn,
iemand die nooit eens iets positiefs kon vertellen.
Belangrijke mensen zeggen: Hebben jullie die Jeremia nooit eens aangepakt en gestraft?
Als hij de koning een brief met waarschuwingen schreef, verscheurde de koning die
en verbrandde de snippers zodat er niets van overbleef.
Hij werd in de put gegooid en overleefde dat net, omdat een buitenlander hem redde.
God heeft een plan met Jeremia – maar Jeremia werd er ongelukkig van.

Waarom wilden de mensen niet luisteren?

Omdat Jeremia hen waarschuwde. Het gaat niet goed.
En de meeste mensen waren tevreden: We verdienen eindelijk weer geld.
We hebben eindelijk weer vrede, het gevaar van oorlog is voorbij.
Wij hebben de tempel toch? God beschermt ons! Ons kan niets gebeuren.

En Jeremia zei precies het tegenovergestelde: er komt oorlog.
God spaart Jeruzalem helemaal niet.
Maar de mensen wilden het niet zien, ze wilden niet luisteren.
Weet je wat ook de overeenkomst is tussen Samuël, dat meisje bij Naäman en Jeremia:
een nieuwe wereld, bekende wereld weg, door oorlog => moeilijke tijd.

Maar de mensen wilden het niet zien, ze wilden niet luisteren.
Het is net als bij een echtscheiding: een vader en een moeder die veel ruzie maken
en dat een van de kinderen zegt: jullie maken altijd ruzie
en dat de vader en de moeder daar niet naar luisteren en dat de ruzie steeds groter wordt
en een van beiden zegt: Ik ga weg.
Jeremia kondigt ook een scheiding aan: God gaat weg.
Maar de mensen wilden dat nooit geloven: God gaat nooit weg.
Hij heeft toch iets beloofd? Altijd bij ons te zijn? God kan ons gewoon niet verlaten.
Zo riep Jeremia maar en hij werd niet geloofd.
Totdat het echt zover kwam, dat Jeruzalem werd verwoest en ook de tempel
en de mensen zeiden: Jeremia had al die jaren toch gelijk.

Daarmee eindigt het Oude Testament.
Weet je hoe het Oude Testament eindigt?
De Heere zegt: Ik zal de vaders veranderen, zodat zij gaan luisteren naar hun kinderen
Ik zal het hart terugbrengen. De vaders hebben niet meer hun hart dicht gedaan.
En omgekeerd ook de harten van de kinderen geopend voor de vaders.
Er wordt weer geluisterd.

God heeft een plan met Jeremia.
Geen makkelijk plan. Alles lijkt erop dat het plan van God mislukt: niemand luistert
En Jeremia wordt zelf ook moedeloos.
En toch is dat Gods plan: de spiegel voorhouden – jullie luisteren niet.
Jullie denken dat je mij dient, maar je doet dat niet.

Welk plan heeft God met jou?
Misschien wel een heel ander plan met Jeremia.
Dat plan kan te maken hebben met wat je goed kunt.
Maar ook als je iets niet goed kunt, kan God een plan met je hebben.
Misschien heb je de cito=toets van deze week wel heel slecht gemaakt
En denk je: God heeft alleen een plan met iemand die goed kan leren.
Nee: God kan jou ook gebruiken in Zijn plan.
Misschien niet vanwege je goede score, maar vanwege je doorzettingsvermogen.
Of misschien ben je juist heel handig in iets maken of bedenken.
Misschien denk je: God zal mij niet gebruiken, want ik ben niet populair.
Nou, ik denk dat Jeremia ook niet populair was, maar vaak eenzaam.

Heeft God met iedereen een plan? Ja. Is dat altijd een bijzonder plan?
Nee, sommigen worden dominee of gaan helpen in andere landen (Mercy Ships: collectedoel).
Gods plan kan ook zijn dat je hier blijft wonen en dat je maar heel gewoon werk hebt.
Dat je hier in Oldebroek iets van de Heere Jezus laat zien, bijvoorbeeld door te helpen,
door gastvrij te zijn en behulpzaam.
Door voor anderen hier te bidden, mee te leven, ouderling of diaken te worden.
God heeft een plan met jou.
Dat plan weet je soms van tevoren net als Jeremia of Samuël
Soms weet je dat pas later, net als dat meisje: waarom moest zij weg bij haar ouders?
Of je weet dat pas veel later.
Het kan zelfs zijn dat je dat niet hier op aarde te weten komt,
maar dat je het later in de hemel ziet.
God heeft een plan – betekent 2 dingen:
– Nadenken: Wat wil God van mij?
– Vertrouwen: wat er met mij gebeurt, God gaat mee. Alles kan een doel hebben.
Zelfs de moeilijke dingen: overlijden, ziekte, teleurstelling kan God gebruiken,
* Vertrouwen & geloof
* Worsteling – ik ben niet de enige die het er moeilijk mee heeft.
God heeft een plan: voor jezelf, voor anderen.

 

Samen bidden, samen zoeken

naar het plan van onze Heer,

Samen zingen en getuigen,

samen leven tot zijn eer.

amen

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst
Schriftlezing: Mattheüs 5:13-16 / Mattheüs 21:28-32.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is tussen de middag en Thessa zit samen met haar moeder en broertje aan tafel.
Na het eten zegt haar moeder: ‘Thessa, ruim jij de tafel af?’
Thessa zucht: ‘Waarom moet ik altijd helpen?’
Ze gaat gauw naar de wc en als ze klaar is gaat ze gauw even naar haar kamer
om zogenaamd iets voor school te pakken.
Dan gaat ze naar beneden en trekt ze haar jas aan.
‘Mam,’ roept ze, ‘het is tijd. Ik ga. Doei!’
En in de kamer staat de tafel nog steeds gedekt. Thessa heeft niet opgeruimd.

Uit school gaat Thessa naar een vriendinnetje, Lisa.
Tegen etenstijd krijgt de moeder van Thessa de vraag
of Thessa mag blijven eten bij Lisa. Het mag.
Na het eten wordt Thessa thuisgebracht.
De moeder van Lisa is enthousiast:
Tegen de moeder van Thessa zegt ze:
‘Je hebt een leuke dochter en ze is zo behulpzaam!
Na het eten heeft ze geholpen met tafel afruimen en de keuken opruimen!
Nou, als ik iets aan Lisa vraag, dan voert ze niets uit.
Nu met Thessa erbij hielp ze mee. Thessa was een goede hulp!
Je hebt je dochter een goede opvoeding gegeven!’

Wat moet de moeder van Thessa nu:
Moet ze boos zijn omdat ze thuis niet hielp
of moet ze blij zijn dat Thessa bij een ander wel geholpen heeft?
Want Thessa heeft door te helpen wel voor een goede naam gezorgd.

Zo moeten jullie ook een stralend licht zijn voor de mensen.
Als Thessa door te helpen bij Lisa ervoor zorgt
dat de moeder van Lisa positief is over de opvoeding van Thessa,
dan laat ze iets zien, dat ze iets van haar moeder heeft geleerd
en dat wat haar moeder belangrijk vindt ook in praktijk brengt.
Dat is hoe wij hebben te leven als we geloven in de Heere Jezus,
als we de Heere Jezus kennen en van Hem houden en bij Hem willen horen.
Dan kunnen wij iets van de Heere Jezus laten zien.
Dan kunnen wij, dan kunnen jullie iets van de Heere Jezus uitstralen,
een licht in de wereld.
En zo’n licht zijn, de Heere Jezus laten zien aan andere mensen,
kan door wat je doet, wat je moet doen van de Heere Jezus.

Als je ruzie hebt bijvoorbeeld met iemand
en je gaat naar de kerk om de Heere God te danken
en Hem iets te geven omdat je dankbaar bent,
dan moet je naar huis gaan, voordat je iets geeft
en het goedmaken met die persoon met wie je ruzie hebt.

Of je kunt je heel erg boos maken om iemand die een moord heeft gepleegd.
Daarover zegt de Heere Jezus: Dat is ook heel erg verschrikkelijk.
Mijn Vader in de hemel heeft dat niet voor niets verboden.
Maar als je op iemand kwaad bent, is dat niet minder erg.
Een ander ziet dat niet, aan de buitenkant kun je heel erg aardig doen.
Maar van binnen kun je allerlei lelijke gedachten hebben over degene
op wie je kwaad bent, of zelfs allerlei verschrikkelijke dingen doen in je gedachten.

Of als je ruzie hebt en het loopt op vechten uit
en iemand slaat je in je gezicht, dan moet je niet terugslaan
maar je moet je hoofd omdraaien, want dan kan die ander je nog een keer slaan.
Je hebt mensen aan wie je een hekel hebt
of mensen die aan jou een hekel hebben.
Die jou steeds pesten, die zich naar gedragen.
Je moet van die mensen houden, zegt de Heere Jezus
en zelfs voor hen bidden. Bijvoorbeeld of de Heere hen anders wil maken
en ervoor wilt zorgen dat ze zich wel aardig gedragen.
Want dan doe je net als de Heere God.
De Heere God maakt ook geen verschil tussen mensen die goed leven
en mensen die slecht leven.
Als het regent, dan regent het ook voor slechte mensen
en als de zon schijnt, kunnen ook mensen die slecht leven van de zon genieten.
Als er koren is, kunnen slechte mensen eten krijgen
en als er vrede is, hebben ook mensen die slecht leven vrede.
God is goed voor iedereen, voor iemand die goed leeft én voor iemand die slecht leeft.

Dat is niet makkelijk: van iemand houden die je steeds dwarszit
en voor iemand bidden die je pijn doet of pest.
Het is niet makkelijk om eerst je boosheid kwijt te zijn of eerst iets goed te maken
voordat je de Heere God dankt.
Geen wonder dat er mensen zijn, die net als Thessa zeggen: Ik heb er geen zin in.
Net als die leerling die zijn huiswerk niet wil maken.
Het kost teveel moeite. Ik moet er teveel voor doen
en dan kan ik ondertussen veel leukere dingen doen.

Het is ook niet makkelijk om zo te leven.
Dat weet de Heere Jezus ook.
Daarom vertelt Hij een verhaal over twee zonen.
De ene zoon krijgt een opdracht. Hij zegt “Ja!” maar uiteindelijk doet hij het niet.
Een andere zoon krijgt ook de opdracht.
Deze zegt eerst “Nee!” maar doet het toch.
Wie is er dan het meest gehoorzaam?
Dat is toch degene die het uiteindelijk wel doet,
ook al zegt hij eerst nee?

Als je het doet, als je doet wat de Heere Jezus van je vraagt,
Dan ben je een licht, dan schijnt je licht voor alle mensen.
Als de Heere Jezus over licht spreekt, dan is dat niet zomaar een woord,
maar het licht hoort bij God. God is licht, staat er in de Bijbel.
En de Heere Jezus heeft eens gezegd: Ik ben het licht van de wereld.
In het begin van de Bijbel, bij de schepping, lezen we dat God als eerste licht maakt.
Nadat Hij de hemel en de aarde heeft geschapen,
wil Hij dat er allereerst licht is.
Op de aarde mag geen donker zijn, geen duisternis.
Geen nare dingen als ziekte of pijn, of liegen en iemand bedriegen,
geen mensen die slecht zijn of verkeerde dingen doen.
Alles is goed, helemaal vol van het licht van God.
Duisternis mocht er niet zijn.
Maar die is er wel gekomen, jullie weten dat vast wel
en je kunt dat ook merken, om je heen, bij anderen uit de klas, of in de straat,
zelfs bij je vrienden of vriendinnen, zelfs in je eigen familie
en ook bij jezelf, in je eigen hart.
Dat wij als mensen allemaal in staat zijn om slechte dingen te doen:
Soms liegen we als dat beter uitkomt, soms zijn we lui als we geen zin hebben,
soms ongehoorzaam, of soms zijn we zomaar gemeen tegen iemand,
soms vertellen we zomaar iets door over een ander dat niet klopt
maar ja, het is zo’n leuk verhaal.

Dan zegt de Heere Jezus: je moet anders leven.
Je moet daar niet aan mee doen: niet aan pesten, niet aan liegen,
niet aan gemene dingen doen of verhalen over anderen vertellen die niet kloppen.
Als je zo leeft, ben je een licht.
Als heel veel mensen om je heen, misschien wel allemaal, iets verkeerd doen
of iets slechts in zich hebben, of iets gemeen doen, dan ben jij anders.
In een wereld die donker is, omdat er zoveel slechtheid of oneerlijkheid is,
ben jij anders en daarom straal je iets uit: het licht van God.
De mensen om je heen zien iets aan je,
namelijk dat er een God is en ze gaan over God nadenken,
omdat ze aan jou merken, dat er een God is, die voor deze wereld zorgt.
Het geeft gevolg – net zoals de leerlingen voor een huiswerk leren,
er iets voor doen er een beter cijfer mee krijgen,
zo heeft het ook gevolg wat we doen, wat we in naam van de Heere Jezus doen.
Niet dat andere mensen over ons gaan praten
en ons zo bijzonder vinden, maar ze gaan nadenken over God
En ze gaan nadenken of ze zelf ook niet aan de Heere moeten denken, moeten geloven
en of zij zelf ook niet anders moeten gaan leven.
Wees een stralend licht – straal iets van God uit, door wat je doet.
Dat doe je allereerst voor God, en ook voor de mensen om je heen.
Nogmaals, het is niet makkelijk.
Het is niet makkelijk om niet mee te doen, als de hele klas wel meedoet,
als er kinderen uit je klas ruziezoeken met kinderen van een andere school.
Of als iedereen uit de klas wel meedoet met pesten
en je durft niet te stoppen, omdat je bang bent voor wat de anderen dan met jou doen.
De Heere Jezus zegt er ook niet bij dat het makkelijk is,
maar wel dat je het niet voor jezelf doet,
of dat je het doet om er zelf beter van te worden.
Je doet het voor God, om Hem te dienen.

Je mag ook weten dat de Heere God ziet, als je niet meedoet terwijl anderen dat wel doen.
Je mag ook weten, dat de Heere ziet wat het je kost,
dat het je niet gemakkelijk afgaat.
Hier op aarde heb je het dan misschien niet makkelijk,
maar er komt ook een ander leven, als ons leven op aarde voorbij is.
Dan is er het echte geluk.
Het echte geluk is dan voor jou, als je weet dat je God nodig hebt.
Of zoals het ook gezegd kan worden: Zalig de armen van Geest.
Want dan mag je bij God in Zijn koninkrijk komen.
Het echte geluk is voor wie verdriet heeft, want God zal je troosten.
Het echte geluk is voor jou als je vriendelijk bent, als je doet wat God wil
en als je vindt dat wat God wil het allerbelangrijkste is, dan zal God je moeite belonen.
Voor mensen die eerlijk zijn, die vrede sluiten, die lijden omdat ze doen wat God wil.
Je hoort bij de Heere en daarom wil je zo leven.
Dan wordt het misschien niet door de mensen om je heen gezien.
Maar God ziet het wel en Hij vergeet het niet. Je doet het niet voor niets.

Wees een stralend licht – misschien wel tussen allerlei mensen, die geen licht laten zien.
Mensen van de kerk, mensen hier in het dorp, kinderen uit je eigen klas.
Je kunt niet zeggen: ja maar iedereen deed mee,
Of niemand deed wat U vroeg. Iedereen deed als Thessa of als die ene leerling,
als die oudste zoon die zei ik doe het, maar het uiteindelijk toch niet deed.

Als je bij een voetbalclub hoort, heb je een tenue die je aan hebt met wedstrijden.
Als je bij die club hoort, ben je er trots op dat je dit tenue mag dragen.
Misschien draag je dat ook wel eens doordeweeks.
Maar als je bij een voetbalclub hoort, heb je nog meer, heb je regels.
Ik kom wel eens bij voetbalclubs en dan zie je bij de ingang of bij de kantine altijd regels:
Dat je respect hebt voor je medespelers én voor je tegenstander én voor de scheids.
Dat je niet scheldt en vloekt, dat je sportief bent
en dat je niet steeds je tegenstander expres hard onderuit schopt.
Soms hangt er ook iets over hoe ouders zich langs de lijn hebben te gedragen.
Eigenlijk zijn die regels bij elke voetbalclub hetzelfde:
Of je nu bij Owios zit of bij VSCO, bij CSV of Westerholte, DOS of Go Ahead.
Maar dat zijn regels aan de muur, regels op papier.
Het gaat er om wat er op het voetbalveld mee gebeurt:
Wat je als team doet, wat de ouders bij de wedstrijd doet, of een scheids eerlijk is.
zo is het ook met de woorden van de Heere Jezus:
Je moet ze doen, je moet ze opvolgen, gehoorzamen,
want anders straal je geen licht uit
En zeggen de mensen: hoort hij nu bij God? Ik merk er anders niets van.

Het gaat niet altijd fout.
Toen ik bij een supermarkt begon te werken, zei iemand van die supermarkt:
We nemen graag jongelui aan die bij de kerk horen,
want die zijn vaak eerlijk en betrouwbaar, die zijn bereid om hard te werken.
Die kun je goed in een winkel hebben.
Dan laat je een lichtstraal zien.
De Heere Jezus zegt erbij: Het kan ook veranderen.
Je kunt een lamp ook ergens onder zetten. Onder je bed, of onder een emmer.
Dan is er wel licht, maar je hebt er niets aan.
Dat kan eigenlijk niet, net zoals zout zijn smaak verliest.
Daar heb je niets meer aan, dat gooi je weg.
Zout werd in die tijd gebruikt om eten te bewaren (ze hadden geen koelkasten)
maar ook om de grond vruchtbaar te maken.
Eigenlijk kan het niet, dat zout niet meer zout is.
Ja, in die tijd was zout vaak vermengd met zand, of gruis van de rotsen.
Echt zuiver zout had je vaak niet.
Je leeft als christen ook tussen mensen die niet goed leven,
en dat kunnen ook gelovigen zijn. Het kan eigenlijk niet, maar het gebeurt wel.
Daar wil de Heere Jezus voor waarschuwen.
Wees een stralend licht – het is ook een waarschuwing.
Stop dat licht niet weg.
Dat doe je als je wel meedoet met pesten, wel kwaad blijft en het niet wil goed maken.
Overigens – soms zijn er redenen waarom je wel kwaad mag blijven.
Als iemand pijn gedaan is, of als het oneerlijk aan toegaat.
En toch … juist dan kun je een stralend licht zijn, omdat je weet: God heeft het gezien,
dat het niet eerlijk aan toeging – ik geef het maar aan God,
Hij moet er dan voor zorgen en nu hier op deze aarde,
of later als Hij terugkomt het goed maken.

Nog één ding: de goede dingen die je doet, zullen ervoor zorgen,
dat de mensen om je heen de hemelse Vader eren.
Hemelse Vader- die naam van God die kennen we, die kennen jullie
namelijk: uit het gebed: Onze Vader die in de hemelen zijt, trouwe Vader in de hemel.
Op een goede manier leven, eerlijk zijn, trouw, vriendelijk – en bidden
het hoort bij elkaar.
Je kunt niet oneerlijk zijn, gemeen, slecht – en bidden.
Dat kan wel, maar toch past dat niet. Dan moet je eerst je hart veranderen,
laten veranderen door de Heilige Geest, die ons nieuw wil maken.
Maar ook omgekeerd, als je bidt dan kun je niet zeggen:
nu zit mijn taak erop, ik hoef niets meer te doen.
Ja, soms kun je er niets meer aan doen.
Maar bidden maakt niet lui. Bidden en doen – dat hoort bij elkaar.
Bidden betekent ook, dat je God steeds om kracht vraagt:
Help mij om een stralend licht te zijn,
laat mij een zegen zijn.
Bidden betekent dat je aan de Heere vraagt om vergeving
als je geen licht was, niet durfde te zijn, niet wilde te zijn:
Wilt U mij vergeven en help mij om toch weer een licht te zijn.
Wilt U mij weer gebruiken om iets van uw licht uit te stralen?
Bidden betekent ook vragen om wijsheid, of God wil uitleggen, duidelijk maken
op welke manier jij als een licht kunt stralen, zodat de mensen om je heen zien:
Er is een God, dat zien we aan hem, aan haar.
Bidden betekent: dat je tegen God zegt:
Er komt een nieuwe wereld, waarop alles weer licht zal zijn.
Al het donker van zonde, van verkeerde dingen, van ziekte en pijn,
van oneerlijkheid en slechtheid, geen oorlog of geweld – het zal er niet meer zijn
en iedereen die van de Heere Jezus houdt en bij Hem hoort
mag daar zijn in het land van alleen maar licht, het land van Hem, bij God in de hemel.
Bidden betekent: dat je vraagt of God dat land, die wereld wilt laten komen
en dat je vraagt: Heere Jezus, wilt U komen met Uw koninkrijk, met dat land?
En tot die tijd zal het vaak donker zijn op deze wereld.
U hebt dat niet gewild.
En in die donkere wereld mogen wij een licht zijn, mogen wij stralen,
zodat de mensen weten: Er is een God in de hemel, die ons niet vergeten is.
Mogen ook wij Hem leren kennen?
Zodat de mensen weten: Er komt een andere tijd, waarop alles weer goed zal zijn:
de wereld en de mensen, zoals God heeft bedoeld.
amen


Dagboek

Dagboek

Dagboeken kunnen helpen om elke dag in de Bijbel te lezen. Onze ervaring als gezin is dat er weinig dagboeken zijn die geschikt zijn voor kinderen. Of ze zijn te moeilijk. Of ze gaan steeds over dezelfde thema’s, zoals dat je door God geliefd bent.
Daarom ben ik begonnen om een soort dagboek bij de Bijbel te maken. Voor elke week een eigen persoon, thema of Bijbelboek. Zodat als je enkele dagen mist, niet steeds het gevoel hebt dat je achterloopt. Voor elke zondag een overdenking uit een Psalm, die bij het thema van die week past. Voorlopige opzet:

Week Thema Week Thema
1 Abraham 27 Jaloezie / Tiende gebod
2 Wonderen van Jezus 28 Inkeer
3 Bidden 29 Leven als christen
4 Gelijkenissen van Jezus 30 Negende gebod
5 Vriendschap 31 Kerk
6 Mozes 32 Job
7 Op weg naar Jeruzalem 33 Petrus, brief van
8 Goede Vrijdag 34 David
9 Pasen 35 Psalmen – 2
10 Sterven en opstanding 36 Spreuken
11 Avondmaal 37 Verloren zoon
12 Openbaring 38 Jozef
13 Psalmen -1 39 Doop
14 Hemelvaart 40 Brief van Paulus
15 Heilige Geest 41 Woestijnreis
16 Pinksteren 42 Efeze
17 Zending 43 Intocht
18 Romeinen 12 (en omgaan met anderen) 44 Jakobus
19 3e gebod 45 Jeremia
20 Kruistheologie 46 Schuld belijden en vergeving
21 Paulus (Handelingen) 47 Koningen
22 Ouders / 5e gebod 48 Hemel
23 School, leren 49 Wederkomst
24 Schepper van hemel en aarde 50 Jesaja
25 Beeld van God 51 Kerst
26 Zonde 52 Oudjaar / nieuwjaar

Voorbeeld:

Maandag: Lukas 15:11-14
En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. (Lukas 15:12)

Een vader heeft twee zonen. Deze twee zonen heeft hij goede opvoeding willen geven. Want als hij er niet meer is, moeten deze twee zoons het bedrijf voortzetten. Hij wil dat zijn jongens dan een goede baas zullen zijn: eerlijk, betrouwbaar en rechtvaardig.
Bij de jongste zoon is dat niet gelukt. De vader merkt het als de jongste zoon door het bedrijf loopt meer geïnteresseerd is in wat alles kost dan wat er in het bedrijf gebeurt. Die zoon denkt bij zichzelf: ‘Als ik dat geld nu eens had, zou ik een leuk leven kunnen leiden. Dan zou ik nooit meer hoeven te werken.’
Op een dag krijgt hij een idee. Hij gaat naar zijn vader toe: ‘Pa, later als je er niet meer bent, krijg ik toch een deel van dat bedrijf? Kan ik dat deel niet nu al krijgen? Ik heb er later toch recht op!’

Om over door te praten
1) Wie leert jou om eerlijk, betrouwbaar en rechtvaardig te zijn?
2) Zou jij die vraag van de jongste zoon ook aan je vader stellen? Hoe zou jouw vader reageren?

Dinsdag: Lukas 15:14-16
En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.

De vader luistert naar zijn jongste zoon. Hij verdeelt zijn bedrijf. De jongste zoon wordt directeur van het ene deel van het bedrijf. Misschien heeft zijn vader gedacht: ‘Mijn zoon moet een kans krijgen om zich te bewijzen. En als hem het niet lukt, spring ik wel bij om hem te helpen.’
Maar zijn zoon wil helemaal geen directeur zijn. Hij wil niet werken, maar genieten en elke dag feestvieren. Het bedrijf van zijn vader interesseert hem helemaal niet. Zodra hij directeur is, verkoopt hij dat deel van het bedrijf waar hij nu eigenaar van is. Als hij dat geld heeft, wil hij ook niet bij zijn familie blijven. Hij gaat zo ver mogelijk weg. Hij heeft nu zoveel geld. Hij kan elke dag feestvieren.
Dit verhaal vertelt Jezus om te laten zien dat er mensen zijn, die van het leven willen genieten en daarom niet aan God willen denken.

Om over door te praten
1) Stel dat jouw vader directeur is en dat jij zijn opvolger wordt, wat doe je dan: verkoop je dat bedrijf of blijf je voor dat bedrijf werken? Waarom?
2) Als je later volwassen bent, blijf je dan bij je familie wonen? Of ga je juist heel ver weg wonen.
3) Zou jij zonder God kunnen?

Woensdag: Lukas 15:16-20
Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.

Zolang hij geld heeft, heeft die jongste zoon vrienden. Die vrienden komen graag op zijn feestjes. Het interesseert hen niet dat zijn vader hard heeft moeten werken om dat geld te verdienen. Aan zijn vader denkt hij niet.
Maar dan komt er een economische crisis. Alles wordt steeds duurder: eten, drinken, kleding en feestjes. Zijn geld raakt op. Daar had hij niet op gerekend. Hoe moet hij nu verder? Bij anderen om geld vragen? Daar piekert hij niet over. Dan gaat hij nog liever werken. Het enige werk dat hij vindt, is werk dat in die tijd alleen maar door slaven werd gedaan: zorgen voor de varkens. Hij heeft honger, maar mag het eten van de varkens niet eens opeten.
Nu hij zo’n honger heeft, beseft hij opeens dat hij verkeerd is geweest. Hij moet terug naar zijn vader, om te zeggen: ‘Vader, ik ben verkeerd bezig geweest. Ik heb gezondigd.‘

Om over door te praten
1) Zou jij het doorhebben als je iets verkeerds hebt gedaan?
2) Zou je durven toegeven aan als je iets verkeerds hebt gedaan?
3) Zou je dat ook aan God durven toe te geven? Hoe zou Hij reageren?

Donderdag: Lukas 15:20-24
Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

Hoe ver hij ook bij zijn vader vandaan is, zijn vader merkt op dat hij terugkomt. Stond hij misschien al op de uitkijk? In de verte herkent hij de man die aan komt lopen direct als zijn zoon. De jongen krijgt niet eens kans om te zeggen dat hij verkeerd is geweest. Zijn vader rent op hem af en omhelst hem: ‘Welkom, jongen, ik ben zo blij dat je er weer bent!’ De jongen probeert nog wel om zijn excuus aan te bieden, maar de vader luistert er niet naar. Hij geeft zijn knechten de opdracht: ‘Haal een mantel, haal een ring, want iedereen moet kunnen zien dat hij mijn zoon is. Geef een feest voor heel het dorp. Want mijn jongen was dood, maar is levend teruggekomen.’
Wanneer je ziet dat je verkeerd hebt gedaan en naar God teruggaat om dat te erkennen, is Hij blij met jouw komst.

Om over door te praten
1) Geloof je dat God ook op jou staat te wachten?
2) Zou jij blij zijn als iemand, die verkeerd deed, de weg naar God terugvindt?
3) Waarom zegt de vader over de jongen dat hij eerst dood was? En waarom zegt hij dat hij weer levend is geworden?

Vrijdag: Lukas 15:25-30
Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen ging zijn vader naar buiten en spoorde hem aan. (Lukas 15:28)

De oudste zoon is er ook nog. Hij heeft toegekeken hoe zijn vader het bedrijf opdeelde. Hij kreeg zijn deel. Maar het werd harder werken omdat het bedrijf nu kleiner geworden was. En zijn jongere broer verkocht direct zijn deel van het bedrijf direct en ging weg om feestjes te houden. Als zijn jongere broer thuiskomt, is hij niet bij zijn vader. Hij is buiten in het veld. Aan het werk. Verbaasd hij bij thuiskomst de muziek en de feestvreugde. Als hij de reden van het feest hoort, wordt hij boos. Zijn broer heeft alles weggegooid en een slecht leven geleid. Waarom zou hij dan blij moeten zijn dat zijn broer thuisgekomen is? Maar zijn vader wil hem niet buiten laten staan: ‘Doe mee. Ik heb een reden om blij te zijn. Je broer was dood. Nu is hij levend thuis gekomen. Dan kunnen we toch niet anders dan feestvieren?’

Om over door te praten
1.) Kun je uitleggen waarom die oudste zoon niet blij is dat zijn broer weer terug gekomen is?
2.) Begrijp je de reactie van die oudste zoon? Waarom wel/niet?
3.) Waarom wil de vader die oudste zoon erbij hebben op het feest?

Zaterdag: Lukas 15:28-32

En hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou.

Geluk hoef je meestal niet ver weg te zoeken. Wie goede ouders heeft, kan al gelukkig zijn. Maar de oudste zoon heeft dat niet door. Als hij aan zijn vader denkt, is er een boosheid in hem: ‘Mijn vader laat mij nooit eens een feestje geven voor mijn vrienden. Hij weet niet wat ik nodig heb. Hij kent mij niet.’
Hij is zo vol boosheid dat hij nooit de liefde van zijn vader heeft gezien. ‘Jij bent altijd bij mij,’ zegt zijn vader. ‘Mijn jongen, besef je niet hoe gelukkig ik met jou ben? En weet je waarom ik zo zuinig ben? Omdat dit alles van jou is. Maar nu mijn kind weer levend is geworden, heb ik geen andere keus. Ik moet dat feest wel geven!’
Daarmee is het verhaal van Jezus uit. Hoe loopt het af? Begrijpt de oudste zoon zijn vader? Of blijft hij toch buiten staan?

Om over door te praten
1) Bedenk hoe dit verhaal verder zal gaan: Wat doet de oudste zoon? Hoe gaat de jongste zoon verder met zijn leven?
2) Kennen jouw vader en jouw moeder jou goed? Waarom wel/niet?
3) Wat wil de Heere Jezus ons met dit verhaal duidelijk maken?

Preek themadienst School en kerk

Preek themadienst School en kerk
Jezus zegt: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. (Johannes 14:6)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Intro
Tijdens een kinderfeestje van Kees gaan ze een speurtocht doen.
In het bos krijgen ze uitleg.
De vader van Kees vertelt:
‘Je moet goed luisteren naar wat ik zeg,
want er is maar één weg.’
Maar Kees luistert niet.
Hij denkt al aan de prijs, want hij weet wat die prijs is.
Hij denkt er al aan hoe geweldig het is als hij die prijs wint.
Tijdens de uitleg van zijn vader is hij met heel andere dingen bezig.
Zou er geen andere route zijn door het bos,
waarbij ze een stuk afsnijden?
Als zijn vader klaar is met de uitleg, heeft Kees zijn plan al klaar.
Hij roept de andere jongens van zijn groep bij elkaar.
‘Kom, volgens mij is er een kortere route,
waarbij we een heel stuk afsnijden.’
De andere jongens gaan mee, want Kees zal het wel weten.
Zijn vader heeft immers de route uitgezet.
Misschien heeft Kees wel stiekem gespiekt en heeft hij gelijk.
Ze gaan een heel eind de goede richting in.
Ze zullen wel een heel stuk sneller zijn dan de andere groepen.
Totdat ze in de verte een hek zien.
Ze lopen er naar toe en ze zien op een bord dat ze niet verder mogen:
Gevaarlijk terrein.
Ze moeten weer helemaal terug.
De weg die Kees had uitgekozen leek een handige weg,
maar uiteindelijk was er helemaal geen weg.
De enige weg die er is, is de weg die de vader van Kees had gewezen.
Maar ja, hoe vind je die weg als je niet hebt opgelet?

Eén weg
Jezus zegt: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.
Met deze uitspraak van de Heere Jezus zijn jullie deze week op school bezig geweest.
Ik ben de Weg, zegt de Heere Jezus.
Daarmee bedoelt Hij: Ik ben de enige weg. Er is geen andere weg.
Als je niet via Mij komt, dan kom je er niet.
Dan kom je niet aan. Geen: bestemming bereikt!
Welke bestemming?
Waar zou je uitkomen als je de weg van Jezus volgt?
Ik denk dat jullie dat allemaal wel begrijpen
bij welke bestemming de Heere Jezus ons brengt:
bij God in de hemel – in het huis van Mijn Vader, zo zegt Hij het.
Daar gaat de weg naar toe.
Om de weg naar God toe en de weg naar de hemel te vinden, moet je bij Jezus zijn.
Ik ben de weg daarnaartoe, zegt Hij.

De weg door de Schelfzee
De enige weg.
En toch zijn er heel veel mensen, die niet voor deze weg kiezen.
Zij denken, net als Kees op zijn kinderfeestje, dat er een makkelijkere route is.
Niet die omweg via de Heere Jezus,
maar een weg die je zelf kiest.
Over de weg hebben jullie een Bijbelverhaal gehoord.
Welk verhaal was dat ook al weer?

(U moet straks in het Open huis gaan kijken naar de werkjes.
Ik was donderdag bij groep 0/1 en daar heeft een aantal kinderen
dit verhaal nagemaakt met knippen en plakken)

Waarom het verhaal over Mozes en het volk door die zee?
Omdat de Heere God een weg baant, waar eerst geen weg was.
Mozes – hij luistert naar Gods opdracht: neem in de woestijn de omweg.
Want dan denkt de farao dat je verdwaald bent
en dat je niet aankomt op je bestemming – wat was ook al weer de bestemming voor Mozes?
Waar moest hij met het volk naar toe?

De weg van de farao
Wie in dat verhaal lijkt op Kees, die zijn eigen route volgt?
De farao – hij luistert niet naar God.
Waarom zou hij.
Hij is machtig en is de baas over een groot rijk.
Zijn goden zijn toch veel machtiger dan dat kleine volkje van slaven.
Ik kom er op mijn eigen manier wel.
Ik heb Jezus niet nodig. Ik heb God aan mijn kant.
Er er zijn heel veel mensen, die de weg van farao kiezen.
Hij krijgt een heel leger mee, de beste soldaten:
de best getrainde commando’s en mariniers, met de beste wapens die er zijn.
En toch … de weg van farao loopt dood.
Voor hem en zijn soldaten is er geen weg door de zee. Zij verdrinken.
De weg van de farao lijkt een hele geweldige weg:
Niemand die zoveel macht heeft en zoveel voor elkaar krijgt
en toch … geen weg naar God, geen weg met God.
De farao komt niet verder en sterft.
God is machtiger dan de farao  – en welke andere macht ook.

De weg van het kruis
Toch lijkt dat er niet op.
Want de weg van de Heere Jezus heeft nog een andere bestemming.
Niet alleen bij God in de hemel, niet alleen een weg naar de hemel.
Voordat de Heere Jezus naar de hemel gaat, gebeurt er nog iets anders.
De weg van de Heere Jezus gaat naar Jeruzalem.
En wat gaat daar gebeuren?
Jezus sterft aan het kruis.
Eigenlijk gebeurt er met Hem hetzelfde als met de farao.
De weg van de Heere Jezus lijkt ook op een weg die dood loopt, net als bij de Schelfzee.
Toen gingen de golven weer terug en was het pad weg.
Voor de Heere Jezus was er aan het kruis geen pad meer om verder te gaan.
Net als de farao stierf, stierf ook Jezus.
Hoe kan dan Jezus zeggen: Ik ben de weg?
Omdat toen Hij stierf er een weg kwam, door de dood.
Net als bij het volk Israël.
Zij dachten: we kunnen geen kant meer op.
Naast ons zijn bergen. Daar kunnen we niet tegenop klimmen.
Voor ons is de zee. Daar kunnen we niet doorheen. Dan verdrinken wij.
Achter ons komt de farao aan.
Hij komt ons weer gevangen nemen en we worden weer slaven in Egypte.
En toch kwam er een weg, een weg die ze niet hadden verwacht,
een weg door de zee, waarin ze anders zouden verdrinken.
Zo zegt Jezus: Ik ben de weg, naar God en naar het Vaderhuis in de hemel.
Er is geen andere weg.
Maar deze weg gaat wel door de dood heen, waarbij Jezus sterft.
Het lijkt eerst op een mislukking.
Dat leek ook zo, toen Israël uit Egypte weg ging.
Ze kwamen er niet, ze leken te verdwalen in de woestijn.
God kiest meestal niet de makkelijkste weg, niet de weg van Kees.
Maar Hij zorgt er wel voor, dat er een weg is.
Al denken wij soms: Er is geen weg. We kunnen niet verder.

Soms lijkt het erop, dat de Heere Jezus er niet bij is.
Als je je alleen voelt, of verdrietig, als de dingen niet lukken.
De discipelen kenden dat: De Heere Jezus zei tegen hen: Ik ga weg, bij jullie vandaan.
Dat doe ik niet om jullie in de steek te laten.
Zo zal dat wel voelen.
Maar ik ga bij jullie weg, om iets voor jullie te doen.
Zorgen dat er in de hemel en zorgen dat er bij God een plaats voor jou is.
Zodat je bij God kunt blijven.
Nu al, terwijl je op aarde leeft en straks als je gestorven bent,
zodat je dan in de hemel mag komen.
Ik ga heen om ook voor jullie een plekje klaar te maken.
Ik dacht eerst dat de Heere Jezus bedoelde:
Ik ga naar de hemel en daar bij God maak ik een plek voor jullie klaar.
Ik denk dat de Heere Jezus ook dacht aan Golgotha.
Daar op Golgotha maakte Hij een plek voor ons klaar.
Omdat Hij voor ons stierf.
Daarom is Hij de enige weg.

Kun je je niet vergissen in de Heere Jezus?
Hoe weten we dat Hij de enige weg is:
omdat Jezus zegt: Ik ben de weg en de waarheid.
We zouden ook kunnen zeggen – de enige, ware weg.
Je hoeft niet bang te zijn dat de Heere Jezus je voor de gek houdt,
zoals Ananias en Saffira deden.
Zij wilden de waarheid niet vertellen.
Weet je nog?

En als je de weg van de Heere Jezus volgt,
kom je ook bij God uit.
Daarom zegt Hij ook: Ik ben het leven.
Net zoals Lazarus uit het graf kwam.
Zo zal de Heere Jezus ook aan ons weer het leven geven.

De weg die wij moeten gaan
Daar hebben wij in groep 4 over nagedacht.
Hoe kom je in de hemel terecht?
Is daar een weg naar toe, die je bijvoorbeeld met een raket kan gaan?
En hoe kom je vanuit het graf in de hemel?
Je bent toch in de kist en begraven. Hoe kom je er dan uit?
Dat kan, omdat de Heere Jezus zegt: Ik ben het leven.
Ik geef aan jou het leven, ook als je gestorven bent.
Ik ben de weg – ook na de dood is er een weg.
Ja, je wordt begraven en tegelijkertijd kun je ook in de hemel zijn bij God.
En later zal de Heere Jezus terugkomen
en zullen alle graven open gaan.
Ook als er een steen bovenop is.
Als de Heere het zegt gebeurt het – en anders zijn er engelen om de steen op te tillen.
Jezus zegt: Ik ben de weg, ook het leven ben ik – de weg naar het leven en het leven zelf.

Jezus is de weg – dat betekent dat wij ook over die weg moeten gaan,
de weg die de Heere Jezus is.
Wat betekent dat?
Dat we in Hem geloven.
Dat we geloven dat Jezus ons bij God brengt,
Dat we geloven dat Hij voor ons gestorven is.
Dat we geloven, dat als Hij terugkomt, ons ophaalt een meeneemt
– om bij Hem te zijn. Voor altijd, voor eeuwig.

Als de Heere Jezus zegt: Ik ben de weg, de waarheid en het leven
denkt Hij niet alleen aan de toekomst.
Aan later, als we gestorven zijn, of als Hij terugkomt.
Dan denkt Hij ook aan nu.

En bedoelt de Heere Jezus dat wij Zijn weg moeten gaan.
Jij, ik, wij allemaal.
Hier in de kerk en de andere kerken die ook meedoen met school en kerk.
Dat betekent allereerst dat we de Heere Jezus er overal bij betrekken.
Ook in de keuzes die je maakt.
De leerlingen van groep 8 zijn in de afgelopen weken naar een volgende school wezen kijken: naar het LFC, Oosterlicht, Van Kinsbergen, of een andere school.
Ik begreep van de juf dat zij jullie ook heeft willen leren,
dat je bij de keuzes die je maakt ook de Heere Jezus betrekt.
Bij alles wat je doet.
Als je op een weg staat en je keuze moet maken:
Wordt het LFC of toch Oosterlicht.
Laat je dat bepalen door het resultaat van de cito of tegenwoordig het advies van de juf?
Laat je dat bepalen door waar je het prettigst voelt.
Of heeft de Heere daar ook een stem in?
De weg gaan van Jezus – is een weg van gehoorzaam zijn.
Niet ik bepaal, maar Hij.
Je mag best keuzes maken en dat moet ook.
Maar leg ze wel eerst voor.

Soms kan de Heere een weg met je gaan
die jij niet direct begrijpt.
Zoals Hij ging naar het kruis
en zoals het volk Israël daar stond voor de zee.
Waar moet ik heen? Ik kan eigenlijk niet vooruit, niet opzij, niet naar achteren.
Dan wijst de Heere jou de weg.
En als er geen weg is en ook geen weg komt,
dan zegt Hij: Ik neem je mee.
Door dat moeilijke stukje van je leven.
En ook als het einde van je leven gekomen is – we hopen dat je er nog lang mag zijn hier!
Dan zegt Hij tegen je:
Ik neem je mee, zodat je bent waar Ik ben.
Dat zegt Hij ook nu – tegen je, nu je gezond bent en nog hopelijk een hele mooie toekomst:
Ik neem je ook nu mee, zodat je nu bent, waar Ik ben,
op Mijn weg, de weg naar God.
Amen


Vorming van kinderen tot navolgers van Christus in een post-christelijke maatschappij

Vorming van kinderen tot navolgers van Christus in een post-christelijke maatschappij

Is de christelijke gemeenschap nog in staat om kinderen te vormen als navolgers van Christus? Of is de invloed van de postchristelijke maatschappij op het denken en handelen van de kinderen, die bij de christelijke gemeenschap horen, te sterk?

Marva J. Dawn, theologe, auteur en spreekster, maakt zich grote zorgen over de geloofsopvoeding. Niet alleen omdat de geloofsopvoeding in een postchristelijke maatschappij niet zo gemakkelijk is. Ze maakt zich vooral zorgen, omdat ouders de geloofsopvoeding verwaarlozen en de vorming van hun kinderen aan de maatschappij overlaten, waardoor ze niet de christelijke waarden en normen meekrijgen. Daarom schreef ze het boek Is It a Lost Cause? voor ouders en de gemeenschap, zodat zij leren het belang hiervan in te zien. Ze wil waarschuwen, alternatieven aanreiken en het gesprek op gang brengen.

ResizeImageHandler

Machten en wereldbeheersers
Dawn kon door lichamelijke beperkingen zelf geen kinderen krijgen, maar is juist daardoor erg begaan met de kinderen van de christelijke gemeenschap. Ze trekt veel met jongeren op, geeft cursussen aan jongeren en spreekt hen op bijeenkomsten toe. Zij promoveerde op het werk van de Franse socioloog Jacques Ellul. Van hem heeft ze geleerd dat een christelijke opvoeding ook inhoudt, dat je je kinderen leert niet onder de invloed te laten komen van de ‘machten en wereldbeheersers’  (Efeze 6:12).


Geschenk
Kinderen zijn een geschenk van God. Daarom zijn ouders aan God verplicht de kinderen een goede, christelijke opvoeding te geven, waarbij de normen en waarden gestempeld zijn door de Bijbelse normen en waarden en niet door de opvattingen van wat in onze cultuur gebruikelijk is.

Gemeenschap
Ouders staan er niet alleen voor. Zij hebben de christelijke gemeenschap om zich heen. Kinderen maken onderdeel van die gemeenschap uit. De opvoeding en de vorming van kinderen tot navolgers van Jezus is een taak voor heel de gemeenschap. Het is de ervaring van Dawn dat kinderen het beste worden gevormd door de liturgie van de eredienst en door een christelijke gemeenschap die ook echt een gemeenschap is. In die gemeenschap hebben kinderen een eigen plaats, maar worden ze ook gevormd en krijgen ze bagage voor hun levensreis mee.

Geestelijke bagage
Elk hoofdstuk wordt daarom voorafgegaan door een lied, waarin iets verwoord wordt van wat voor de vorming en geloofsopvoeding van kinderen van groot belang is. Het is haar eigen ervaring dat liederen een enorm vormend effect hebben. Zij vindt het daarom van groot belang dat kinderen liederen aangeleerd krijgen als geestelijke bagage.

Post-christelijke tijd
Deze tijd is volgens Dawn niet de makkelijkste tijd om kinderen op te voeden: we leven in een post-christelijke tijd. De maatschappij leert de kinderen geen christelijke waarden en normen meer aan. De normen en waarden van deze maatschappij staan in veel gevallen juist haaks op deze maatschappij.

Media
Bezorgd is Dawn over de invloed van televisie en internet. Ze snapt niet waarom ouders hun kinderen afschepen met wat ze op televisie te zien krijgen in plaats van zelf tijd en energie te steken in het aanleren van goede, christelijke waarden en normen:

  • Door de televisie worden kinderen overspoeld met informatie. Met die informatie kunnen ze heel weinig. Daardoor ontwikkelen kinderen een passiviteit. Ze noemt dit in navolging van Neil Postman de Low Information-Action Ratio (L.I.A.R. = leugenaar). Deze passiviteit is dodelijk voor het engagement van kinderen op de nood van deze wereld. Deze passiviteit is ook dodelijk voor het geloof van Gods betrokkenheid op deze wereld.
    In plaats van de kinderen tv te laten kijken, is het beter om hen de waarde van verhalen te leren ontdekken. Of om hen mee te nemen in de sociale betrokkenheid op mensen die minder hebben. Tegenover de overkill aan informatie van de media zou de christelijke gemeenschap de kinderen levenswijsheid moeten aanleren.
  • De tv leert kinderen om consumenten te zijn. Daardoor leren ze dat ze wat ze hebben willen gelijk kunnen krijgen. Samen met de welvaart die er is, leren ze niet meer te wachten op iets wat van waarde is. Doordat ze niet meer kunnen wachten en sparen, zijn ze niet goed in volharding en geven ze bij het minste of geringste op. Daardoor leren ze ook niet, dat lijden en ascese wezenlijke onderdelen van het leven zijn.
  • Door tv en internet leren christelijke kinderen waarden en normen, die niet streven bij de christelijke ethiek. Ze leren dat geweld gewoon is. Ze leren niet dat trots en egoïsme verderfelijke eigenschappen zijn. Ze leren dat seks verkrijgbaar zou moeten zijn op het moment dat je er behoefte aan hebt.


De christelijke gemeenschap is geroepen om in deze wereld een andersoortige gemeenschap te zijn, die Jezus als model heeft. Om de kinderen tot voorbeeld te zijn dienen alle leden van de gemeenschap te leven uit die normen en waarden.

Zuigkracht
De zuigkracht van deze wereld is sterk. Dat komt, omdat de wereld waarin wij leven, ook probeert om het verlangen dat er is naar verdieping, naar leven, naar ervaring ook wil vervullen, maar dan zonder een leven met God. In navolging van C.S. Lewis noemt ze dat Sehnsucht. De machten en wereldbeheersers willen via die Sehnsucht invloed uitoefenen op ons denken, onze ervaring, op ons handelen. Dat doen ze door een snelle bevrediging van die Sehnsucht te beloven. Daarmee gaan ze de concurrentie aan met God.

Hart van God
De regels die God gegeven heeft zij er echter niet voor niets. Ze zijn er ter bescherming. Ze zijn er om werkelijk leven te vinden. In Hem. De christelijke gemeenschap moet het hart van God hebben voor kinderen. Wanneer men dat alleen met de mond belijdt en dat geen handen en voeten geeft in de liturgie, in de gemeenschap en de opvoeding zijn de kinderen verloren voor de kerk. Om de kinderen te bewaren bij Christus wordt er inspanning gevraagd van ouders en de gehele gemeenschap:

  • Door de machten en wereldbeheersers en hun verleidelijke trucjes te ontmaskeren.
  • Door op tijd ‘nee’ te zeggen tegen media, series, films en andere invloeden wanneer de invloed te schadelijk is.
  • Door de gemeenschap een gemeenschap van liefde, vriendschap, verantwoordelijkheid en betrokkenheid te laten zijn.
  • Door de ene, ware God (Vader, Zoon en Heilige Geest) te dienen in de eredienst
  • Door als gemeenschap afstand te doen van alle afgoderij, die het vervullen van de Sehnsucht buiten God om belooft.
  • Door als ouders en gemeenschap zich te laten vormen door Christus, door Gods Woord.

N.a.v. Marva J. Dawn, Is It a Lost Cause? Having the Heart of God for the Church’s Children (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 1997)

Zie de website van Marva J. Dawn

Een lied voor onze kinderen in het bijzonder te zingen

Een lied voor onze kinderen in het bijzonder te zingen
Melodie: Slane (“Be Thou My Vision”)

U, onze Schepper, die ons in leven riep
en ons gezegend, begenadigd schiep,
geeft ons, uw kinderen, op uw toekomst gericht
op onze weg uw genadig aangezicht.

Jezus, voorbeeld voor onze gehoorzaamheid,
Schenk mij uw vrijheid en geloofwaardigheid.
Uw wil is de regel in ons huis.
Zo willen wij leven, dragend uw kruis.

Christus, vol eenvoud, leerling wil ik zijn.
Leer mij om voor anderen een naaste te zijn.
Door anderen te geven van uw overvloed aan mij.
Maak daarom van hebzucht mij vrij.

In onze wereld heersen oorlog en geweld,
de kracht van onze haat, de macht van het geld.
Geef ons uw liefde en bewogenheid,
kracht om te strijden voor vrede, gerechtigheid.

Jezus, voor mannen en vrouwen een vriend
Geef dat ieder uw pure liefde vindt.
Niet de lichtzinnigheid van onze maatschappij,
niet mijn drift, maar uw heilige wil voor mij.

Heilige Geest, vervul ons geheel,
zodat wij vol overgave luisteren naar uw wil.
Als wij keuzes maken, help ons ermee.
Geef ons trouw, wijsheid, hoop en vreugde mee.

Drie-enige God, vol goedheid, mijn hoop,
geef dat ik nooit andere wegen beloop
dan die u voor mij kiest. Maak mij altijd
vol geloof, liefde en hoop, bereid.

Een provisorische vertaling van:

A Song Especially for Our Children to Sing

God of creation, you brought us to birth,
gifted us with all the blessings of earth.
Now as your children with futures to face,
we turn to you, Lord, wholly seeking your grace.

Jesus, you modeled obedience. May we
live in your freedom and serve faithfully,
choosing your will, even bearing a cross.
Suffering for your will not ever be a loss.

Christ, you lived simply; equip us to give
from our abundance so others may live.
Teach us to share what we have gen’rously
with all the needy, whereso’er they may be.

In our world raging with violence and war,
fill us with love as we work to restore
justice, equality, mercy and peace
that all the hatred between people may cease.

Jesus, to both men and women a friend,
chastely you loved them; now help is transcend
wanton confusions our culture displays.
Help us live purely throughout all our days.

Come, Holy Spirit, abide with us still.
Grant us your guidance to live out hour will.
Amid life’s choices aid us to employ
trust, courage, wisdom, faithfulness, hope and Joy.

Trinity, gracious, empow’r us to do
what your design for us all our life through.
May what our future brings teach us anew
that we, your children, are beloved to you.

Marva J. Dawn,
Is It a Lost Cause? Having the Heart of God for the Church’s Children (1997) 127-128.