Preek zondagmiddag 2 december 2018

Preek zondagmiddag 2 december 2018
Dankzegging Heilig Avondmaal.
Schriftlezing: Hebreeën 10:19-39
Tekst: vers 24-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vandaag is het de eerste zondag van Advent.
Advent is niet het teken we over vier weken kerst hebben
en dat we nu kerstliederen mogen gaan draaien
en de kerstboom weer in huis gehaald moet worden
of dat de kerstviering voor school of voor de ouderenmiddag nodig voorbereid moet worden.
Nee, in de periode van Advent gaat het om de Wederkomst van Christus
en dat we ons erop voorbereiden dat we Hem kunnen ontmoeten.
Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet?
En dat niet alleen: dat er een plek is in mijn hart, of dat ik aan het avondmaal kan komen,
maar dat ik Hem kan ontmoeten als Hij verschijnt op de Jongste Dag
als rechter, om te oordelen de levenden en de doden.
dat je hem kunt ontmoeten als je Heer, je Koning, je redder die je van de zonde bevrijdt.
Advent is niet vooruitkijken naar het komende Kerstfeest,
maar vooruitzien naar de dag waarop Christus in al Zijn heerlijkheid verschijnt
omdat Hij uit de hemel teruggekomen is op aarde.

In deze periode houden we elkaar scherp en zeggen we het tegen onszelf:
Er komt een dag waarop onze Heer terugkomt.
Dat kan nog een tijd duren, maar het kan ook morgen al zijn.
Bij alles wat we doen, moeten we er rekening mee houden,
dat er een dag aanbreekt, waarop de tijd op deze wereld voorbij is.
We kunnen dat uit het oog verliezen omdat we het leven hier op aarde wel best vinden.
In deze tijd zeggen we tegen elkaar:
Het leven hier kan best mooie kanten hebben, maar er komt een veel mooier leven,
als Christus terugkomt en Hij al degenen die bij Hem horen meeneemt.
Ga niet teveel op in deze wereld, zodat als Hij komt, je niet verrast wordt door Zijn komst.

Ook het avondmaal is bedoeld om er ons steeds weer aan te herinneren,
dat die dag eens dagen zal, waarop de Heiland zal verschijnen.
We hebben de opdracht om net zolang tot Christus teruggekomen zal zijn
het avondmaal te vieren,
om daarbij terug te kijken hoe Christus voor ons gestorven is op Golgotha
maar ook om vooruit te kijken:
Er komt een dag, waarop we niet meer hoeven te geloven
dat Christus de gastheer is aan de tafel
En brood en wijn aan ons uitreikt als gaven uit Zijn hand,
maar waarop we Hem mogen zien, zichtbaar, lijfelijk in ons midden,
aan het feestmaal van de hemelse bruiloft.

Wat voor verschil maakt het nu in je leven om deze verwachting te hebben?
Wat maakt de Wederkomst van Christus nou voor een verschil in ons leven?
In de brief aan de Hebreeën wordt ook steeds aan de Wederkomst herinnerd:
U ziet de grote dag naderen.
Je kunt al zien, zoals je op een donkere morgen kunt zien, hoe het licht opkomt,
de nacht verdreven wordt, de dag aanbreekt.
Je kunt het waarnemen, zoals na een de koude, kille winter het voorjaar aanbreekt,
De hele natuur ontdooit, de mensen een vrolijkheid en opgewekt krijgen.
Zo kun je de dag vernemen, dat Christus terug zal komen.
Zoals je je instelt op een nieuwe dag, , zoals je je instelt op een nieuw voorjaar,
zo moet je je als gelovige instellen op die dag dat Christus terugkomt.
De viering van het heilig avondmaal helpt om daarop in te stellen – totdat Hij komt.

Wat het verschil maakt, is dat je weet dat dit leven hier op deze aarde maar tijdelijk is.
En dat leven hier kan mooie kanten hebben:
de mensen om je heen, gezin, kinderen, een mooi leven.
Nog mooier zal het zijn in Gods heerlijkheid, het eeuwige leven.
Het leven kan hier moeilijk zijn: met verdriet om iemand die overleden is, die je steeds mist,
om pijn die je hebt door je beperking of omdat je ziek bent,
zorgen die je hebt, waardoor je niet kunt slapen en somber bent over wat nog komt.
Wat er is aan leed op deze wereld kan je diep raken,
juist omdat je gelooft dat God over deze wereld regeert.
In deze periode van advent zeggen we tegen elkaar: en toch, we hebben een God!
Hij zal komen en dan zal alles anders worden.
Dan is het voorbij met de zonde, dan hoeft er niet meer geleden worden, is er geen verdriet.

Hoe vul je dat in je dagelijks leven in?
In Hebreeën 10:23-25 wordt daarover gesproken.
Het is een korte schets van wat de kerk is.
Je zou kunnen zeggen: alles wat we in de kerk doen, heeft te maken met de Wederkomst.
Alles wat we in de kerk doen, is er op gericht
om het geloof dat Christus terugkomt te versterken,
omdat een levend en bewust geloof te laten zijn.
Er wordt gesproken over een belijdenis die we vast moeten houden,
over omzien naar elkaar, om elkaar aan te sporen tot goede werken,
om niet weg te blijven als de gemeente van Christus bij elkaar komt.
Dat is wat de kerk is: het vasthouden aan God, het vasthouden van elkaar,
het versterken en stimuleren van elkaar, zodat we leven met het oog op de Wederkomst.

Allereerst de belijdenis vasthouden.
Er kunnen momenten zijn, waarop je het moeilijk vindt om te geloven dat Jezus terugkomt
en waarop je er niet bij stil staat om je leven op Zijn komst af te stemmen.
Je hebt hier nog zoveel in het leven wat je wilt doen:
Je wilt nog verkering, of als je verkering hebt, dan wil je eens trouwen,
als je getrouwd bent, wil je misschien ook wel kinderen, en als je kinderen hebt,
dan wil je ze ook zien opgroeien en een eigen bestemming krijgen
en dan kan het zijn dat je bij jezelf denkt: laat de Wederkomst nog maar even uitblijven,
Ik hoop dat er nog een tijd hier is.
Je kunt het ook moeilijk vinden om te geloven dat Jezus terugkomt en dat het anders wordt,
als het donker is in je leven: gevangen in een somberheid die zo sterk kan zijn,
waar je jezelf niet aan kunt ontworstelen en het wordt alleen maar erger
en van Gods kant hoor je niets, het is stil van Zijn kant
en je snakt, je hunkert naar en teken van Zijn kant
O kom, o kom Immanuël, verlos Uw volk, Uw Israël.
Dan is het vasthouden aan de belijdenis niet zo eenvoudig,
de belijdenis dat er een dag komt, dat de somberheid die jou gevangen houdt,
Verbroken is, omdat Christus terug gekomen is en Zijn licht over je straalt
en je nooit meer gevangen zult zitten in het donker.
Dan komt er een aansporing om aan die belijdenis vast te houden,
om dat geloof niet op te geven, want juist die belijdenis geeft hoop.
Juist die belijdenis brengt de hoop in je leven, die je zelf niet hebt.
Het is een belijdenis, die onverwrikbaar is.
Hoe je er tegenaan duwt, hoe je er tegenaan schopt,
welke golven er ook overheen slaan, hoe hoog het water ook stuwt
– deze belijdenis blijft overeind staan
Net zo min de hemel ooit uit zijn stand zal wijken,
zo min zal Uw trouw ooit wankelen of bezwijken
Nee, dat is niet altijd makkelijk te geloven.
Vaak zien we en ervaren we het tegendeel
en toch mogen we dat geloof, die belijdenis niet opgeven
– want God heeft Zijn belofte gegeven
en als Hij Zijn belofte geeft, dan mogen we daar niet aan twijfelen.
Avondmaal vieren is tegen jezelf zeggen: Gods belofte is echt waar
En als je het niet tegen jezelf zegt, dan zegt het gebeuren het van het avondmaal het wel:
Vertrouw op God, houd moed, put hoop uit de wetenschap dat Christus weerkomt.
En als je dat vertrouwen niet hebt, als je dat geloof kwijt bent,
laat je dan versterken, laat je geloof dan aanvullen – door God, die komen zal..

Daarom is het ook belangrijk om op elkaar te letten, elkaar in het vizier te houden.
Niet vanuit nieuwsgierigheid, met de neus tegen het raam, met de mond open:
Wat doet hij nu? Waar is zij nu mee bezig? Wat gaat er gebeuren?
Nee, Christus vraagt van ons om elkaar goed in het oog te houden:
Voel je aan dat iemand het vertrouwen in Christus’ komst kwijtraakt.
Merk je het op als iemand de stap naar het avondmaal niet meer kan maken
en wegblijft en zo vergeet zijn geloof aan de tafel te versterken?
Het gaat hier niet om eenrichtingsverkeer: Hoe kan ik de ander verder helpen.
Het gaat hier om een wisselwerking
dat je ook opmerkt wat de ander voorleeft, wat de ander van Christus laat zien.
In de Hebreeënbrief gaat het er ook om dat we Christus in het vizier houden,
Hem niet uit het oog verliezen, het contact niet kwijtraken en ons aan Hem optrekken.
Zo is het de bedoeling, de opdracht, om elkaar in het oog te houden,
Als je de een ziet, put je moed.
Als je de ander ziet, maak je je zorgen en je gaat het contact aan:
Is er wat aan de hand? Kan ik iets voor je betekenen?
Dit naar elkaar omzien krijgt urgentie, omdat je weet dat Christus eens terugkomt.
ER kunnen momenten zijn, waarop er heel wat op je bord ligt
en dat je het er niet bij kunt hebben,
maar dan kun je nog altijd iemand anders inlichten.
Je kunt je er niet achter verschuilen, dat je geen tijd hebt of dat het jou niet aangaat.
Gisteren ving ik even een gesprek aan over een moeilijk onderwerp: zelfdoding.
De psychiater die daarover geïnterviewd gaf aan,
Dat het al helpt om op iemand waar je je zorgen over maakt aan te spreken,
het gesprek aan te gaan: wat gaat er in je om?
Je kunt dat doen, omdat je weet dat als Jezus terugkomt het gedaan is met alle duisternis
en dat je daarom niet hoeft terug te schrikken voor een gesprek,
omdat je weet: zelfs in dit duister kan Christus komen, Hij die in de hel neerdaalde
en zelfs dit duister kan Hij overwinnen, die aan het kruis de duisternis verbrak.
Alleen al door iemand aan te spreken kun je iets van het licht van Christus laten zien.
Al kunnen wij vaak de duisternis niet verdrijven
en kun je je eigen machteloosheid merken – en toch: Hij komt!

Je laat het niet bij omzien naar elkaar.
Omzien kan iets hebben van: alleen maar luisteren.
Dat kan al heel waardevol zijn.
We worden opgedragen om nog verder te gaan.
Om elkaar aan te vuren – tot goede werken.
Dat woord aanvuren heeft iets van: elkaar uitdagen, elkaar provoceren,
het beste in de ander naar boven halen.
Laat dan zien – laat dan zien dat je van Christus bent,
Laat dan zien dat je Christus verwacht, dat je rekening houdt met Christus’ Wederkomst.
Breng het in praktijk.
Daag elkaar uit om de liefde van Christus uit te dragen,
niet alleen met woorden, maar ook in wat je doet.
Maak de liefde van Christus heel praktisch. ZOals in hoofdstuk 13 gebeurt:
* broederliefde      
* Wees gastvrij
* Bezoek gevangenen
* Houd je huwelijk in ere
* Laat je niet door geld leiden.
* Help elkaar
Zo maak je de liefde van Christus heel praktisch.
De liefde van Christus vormt ons hart, heeft invloed op ons karakter.
Met het avondmaal hebben we toch gevierd
dat ons hart gereinigd is van een slecht geweten
daarvoor in de plaats is de liefde van Christus gekomen.
Houdt er rekening mee dat er een dag komt waarop Christus terugkomt
En de Mensenzoon met alle engelen
en dan zal zeggen: Wat je voor de minste van Mijn broeders gedaan hebt,
heb je voor Mij gedaan. Het is niet voor niets!

De laatste aansporing betreft het bezoek van de eredienst:
Laat je plaats niet leeg.
Ik weet: deze tekst kan nogal misbruikt worden, om iemand onder druk te zetten.
Hier gaat het om wegblijven omdat het vertrouwen op God weg is.
Als er teleurstelling is, als er geen hoop meer is,
dan kan dat tot gevolg hebben dat iemand denkt: Ik ga maar niet meer naar de kerk.
Mij zien ze daar niet meer. Mijn plek blijft leeg.
Soms blijven mensen weg in de hoop dat ze opgemerkt worden, als signaal
dat ze iets missen voor hun geloof, of dat het met hun geloof niet goed gaat.
In de tijd van deze brief kan dat ook te maken hebben met de moeilijke omstandigheden,
waarin de kerk zich bevond, de tegenstand die er was voor de gelovigen.
Het kan ook zijn dat ze het vanwege die druk niet meer konden opbrengen om te komen.
als er een plek is, waar je geloof gevoed wordt, dan is dat bij Christus.
Het kan best zijn dat de stijl van de kerkdienst je niet aanstaat,
het kan best zijn dat de mensen je niet liggen.
Daar valt best over te praten,
maar door je je te onttrekken breng je je eigen geloof in gevaar.
dan heb je niet meer de mensen om je heen, die je voorleven, die het je laten zien
dat er een dag komt dat Christus komt.
Je moet het dan van jezelf hebben.
Geloven zonder naar de kerk te gaan is uiteindelijk moeilijker
dan een groep mensen om je heen, met wie je dezelfde weg gaat, de weg van Christus.
Die kerkdienst is geen doel op zich.
Het gaat er niet om zoveel mogelijk mensen naar de kerk te krijgen,
omdat het dan fijn zingt, of omdat je dan niet hoeft na te denken of het anders moet,
nee, het gaat erom dat je samen, met elkaar Christus verwacht.
Sion hoort de wachter zingen,
zij voelt zich ’t hart van vreugde springen,

z’ ontwaakt met spoed, staat haastig op.
Uit de hemel daalt Hij neder,
in waarheid sterk, in liefde teder:
haar licht verschijnt, haar ster gaat op.
Kom Heiland, ’s aardrijks kroon,
Heer Jezus, ’s Vaders Zoon!
Amen

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

In de kerk moet het Oude Testament volop klinken. Daardoor wordt elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. En daarvan mag de christelijke gemeente zich wel wat meer bewust zijn, schrijft Jürgen Ebach

Heeft het Oude Testament een minderwaardige plaats in het christelijk geloof? Nee! is het stellige antwoord van Jürgen Ebach, die tot 2010 hoogleraar Oude Testament aan de universiteit van Bochum was. In de christelijke eredienst komt het Oude Testament volop tot klinken. Daardoor wordt het elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. Daar mag de christelijke gemeente zich wel meer bewust van zijn, vindt Ebach.

csm_DEKT_Juergen_Ebach_wide_90073f50b9

Concrete eredienst
In zijn boek gaat hij de zondagse liturgie stap voor stap door vanuit de vraag: waar en hoe klinkt het Oude Testament in de concrete eredienst? Haast elke stap en elke formulering in de eredienst is te herleiden op of te verdiepen vanuit het Oude Testament. Een belangrijke vraag daarbij is: hoe kunnen we in de christelijke eredienst woorden en zinsneden uit het Oude Testament opnemen, zonder daarbij het Oude Testament van Israël af te pakken? Het gaat hem er vooral om verdieping door inzicht, dat het Oude Testament zoveel betekent voor de concrete eredienst.

Vragen
Dat doet hij steeds weer door vragen te stellen, bij de antwoorden die christenen geven. Dat is de theologische stijl die hem kenmerkt. Deze stijl van steeds weer vragen stellen heeft hij geleerd in het gesprek met Israël.

62061103

Waar woont God?
Ebach start zijn uiteenzetting met het kerkgebouw. Hij doet dat vanuit de vraag: waar woont God? Kun je zeggen dat er ruimten zijn waarin God dichter bij ons is en ook ruimten waar Hij verder is? Hij wijst erop, dat er in het Oude Testament verschillende stemmen zijn, die naast elkaar klinken en die niet geharmoniseerd moeten worden.

Er is een tempel waar het volk een cultus heeft om God te eren. Die tempel is echter te klein om God te kunnen bevatten, want als de hemelen al te klein zijn om God te kunnen bevatten, is een aards gebouw dat zeker. Het volk heeft wel een plek nodig om God te kunnen dienen, om te weten dat God in hun midden is. Het kerkgebouw is er voor de gemeente, om een plek te hebben bij God te komen.

Als de gemeente bij elkaar is in de naam van de Heer dan betreedt ze de ruimte van Gods zegen en bescherming. Het is kenmerkend voor de God van Israël dat Hij zowel in de hemel woont als op de laagste plaatsen, bij de minsten op aarde. God is benaderbaar, maar Hij wordt geen bezit. Zelfs niet van Israël.

Genderneutraal
Ebach spreekt niet zomaar over Hij als het gaat om God, maar wisselt tussen Hij en Zij. Ebach streeft naar een genderneutraal spreken over God. Hij is ook betrokken geweest bij de Bibel in gerechter sprache. God is niet mannelijk of vrouwelijk en in het Oude Testament zijn er ook vrouwelijke beelden van God, zoals God die als een hen is, die de kuikens verzamelt. Daarom is God meer dan een vader. Aan het begin van een kerkdienst kan volgens Ebach beter klinken: Wij vieren deze eredienst in de naam van God, die voor ons Vader en moeder is. Dat is voor Ebach geen meewaaien met genderneutrale winden, maar een gevolg van nauwkeurig luisteren naar de Schrift.

Naam
Op de weergave van de naam van God met Heer is Ebach dan ook kritisch. Liever heeft Ebach de weergave van Adonaj. Uit respect voor de Joodse traditie en om vast te houden dat de naam van God onuitspreekbaar is.

Psalmen
Ongelukkig is Ebach met de manier waarop psalmen in het Evangelische Gesangbuch terechtgekomen zijn. De onderdelen die weggelaten zijn, zijn voor Ebach juist wat de psalmen maken tot liederen van Israël: de zinnen over achtervolgd worden, over de goddelozen. Daarmee spreekt de kerk impliciet uit, dat die frasen stammen uit een primitievere fase van geloven, die de kerk is ontgroeid en waarin het Jodendom nog is blijven steken.

Schriftlezing
Als het gaat om de Schriftlezing voert Ebach een pleidooi voor zowel een oudtestamentische als een nieuwtestamentische lezing. Hij is blij met voorstellen om meer aandacht te geven aan het Oude Testament, zoals de nieuwe perikopenordening die meer oudtestamentische lezingen voorstelt.

383_08242_168870

Geloofsbelijdenis
Ook de apostolische geloofsbelijdenis brengt Ebach in gesprek met het Oude Testament. Hij wil deze belijdenis niet aanpassen, maar wel vragen stellen bij de belijdenissen, vragen bij de antwoorden, die hem, mondig mens, helpen om zijn geloof te belijden.

Een bijzonder voorstel is om de almacht van God te doordenken vanuit het berouw van God. Hij snapt de moderne kritiek op de almacht van God en wil die ook serieus nemen, maar gaat niet zover om te spreken over de onmacht van God. De almacht van God bestaat voor Ebach hierin, dat God in staat is om zijn eerder aangekondigde oordeel uit te stellen of op te heffen. God hoeft zich niet krampachtig aan de macht vast te houden of zich te laten leiden door de regels van de macht. God heeft de macht over de macht. En dat is volgens Ebach juist almacht.

Collecte
Veel aandacht besteedt Ebach aan de collecte, omdat de collecte zichtbaar maakt dat het in het dienen van God om gerechtigheid gaat. De Bijbelse gerechtigheid is geen iustitia, waarbij iedereen het zijne krijgt. Gerechtigheid is z’daka: iemand die zich solidair toont met een lager geplaatst iemand, die voor hem of haar op komt en zorgt dat er hem of haar recht gedaan wordt. In de Bijbel kan gerechtigheid niet los gezien worden van recht krijgen of recht gedaan worden.

Verkondiging
Kort gaat Ebach ook in op de verkondiging vanuit het Oude Testament. Hij wijst een een manier van preken af, die in het Oude Testament iets voorlopigs ziet, iets dat minder is of alleen maar belofte is en dat in het Nieuwe Testament compleet gemaakt wordt of vervuld wordt. Het gaat om een nauwkeurig lezen van de Schrift. Om te ontdekken wat de Schrift in en over onze tijd te zeggen heeft. Het gaat niet om goedkope actualisering, maar om de eigen tijd te begrijpen in het licht van de tekst.

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad van 12 augustus 2017

N.a.v. Jürgen Ebach,
Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes. Gütersloher Verlagshaus, 2016.

Liturgische veranderingen – blog 2

Liturgische veranderingen – blog 2

Laat ik nog even terugkomen op de laatste alinea van blog 1 over liturgische veranderingen. Daar geef ik aan dat ik het dagelijks leven naar de kerk wil halen (in plaats van het reformeren van het dagelijks leven.) Ik zal dat nog wat meer uitwerken. Dat helpt wellicht om ontwikkelingen meer te begrijpen.

Context
In mijn opleiding was er veel aandacht geweest voor de contextualiteit van een gemeente: op welke manier bepaalt de context de gemeente in de samenstelling, in de vragen die er zijn, in waar men mee bezig is. In de jaren dat ik predikant ben heb ik ook veel gelezen over de preekvoorbereiding. Zeker in Amerikaanse literatuur is er aandacht voor wat men noemt ‘de exegese van de gemeente’. Laat ik daar enkele voorbeelden van geven uit de eigen gemeente:

Lezen
* Bij de eerste catechisatieles aan de tieners die gekomen zijn of ze lezen. De oogst is minimaal. Er is af en toe een tiener die naar de bibliotheek gaat om boeken te lenen en te lezen. Meestal komen de tieners niet verder dan de Donald Duck en soms de Voetbal International.
* Tijdens huisbezoek valt het me op eens. Ik zeg dat ook tegen de mensen bij wie ik op bezoek ben: ‘Er valt me iets op.’ ‘Wat dan?’ ‘Ik mis een boekenkast.’ ‘We lezen alleen de krant en de Bijbel.’ Geregeld hoor ik dat de vrouw des huizes voorleest uit de Bijbel, omdat de man de tekst van de Bijbel te moeilijk vindt om voor te lezen.
(De kranten die gelezen worden zijn de huis-aan-huis-bladen, De Stentor en soms de Veluwse Kerkbode. Heel af en toe is er iemand die geabonneerd is op het ND of RD.)

Zingen
* Vaak hoor ik verhalen over hoe het vroeger ging. ‘Vroeger zongen we op zaterdagavond rondom het harmonium liederen uit de Bundel.’ De Bundel, dat is de bundel van Johannes de Heer. Bij zulke opmerkingen word ik altijd nieuwsgierig: ‘En dan op zondag psalmen met hele noten – hoe paste dat bij elkaar?’ Dat waren andere werelden. Wat je thuis in huis deed, deed je niet in de kerk. De liederen uit de Bundel raken nog steeds een diepe snaar. Ik kan dat merken als we in de kerk of bij een rouwdienst deze liederen zingen. Alleen enkele bekende coupletten uit bekende psalmen raken zo diep.
* Bij doopdiensten laat ik ouders psalmen, gezangen en liederen aandragen, die zij graag willen laten zingen in de dienst waarin hun kind wordt gedoopt. Meestal zijn het liederen uit Op Toonhoogte (afkomstig uit Opwekking). Af en toe dragen ouders ook een psalm aan. Meestal worden de psalmen echter door mij aangedragen. Na een dienst met veel liederen uit Op Toonhoogte is de reactie vaak: ‘Deze liederen begrijpen we tenminste. De psalmen zingen we wel, maar begrijpen we niet.’
* Aan het begin van een traject van belijdeniscatechisatie vraag ik om een psalm, een gezang of een lied mee te nemen. We beluisteren dan enkele van de aangedragen psalmen of liederen. Wat mij opvalt, is dat de belijdeniscatechisanten echt op zoek moeten gaan naar liederen. De bundel Op Toonhoogte wordt doorgebladerd. Er wordt op internet gezocht. Ooit was er iemand die ‘God heb ik lief’ wilde meenemen. Hij wist alleen niet in welke bundel dat lied stond. Via internet kwam hij erachter dat het een psalm was.
* Wat mij opvalt, is dat het zingen er helemaal uit raakt. Zeker bij jongens in de bovenbouw van de basisschool en bij tieners. Het is niet meer vanzelfsprekend dat de kinderen op school een psalm aanleren. Als er liederen geleerd worden, gebeurt dat ook wel eens met behulp van YouTube.

Het gaat mij bij het bovengenoemde er niet om of het goed of fout is. Het gaat mij erom, dat dit de context van de gemeente is. Als predikant heb ik rekening te houden met die context.

Dagelijks leven naar de kerk
Wat bedoelde ik met het dagelijks leven naar de kerk halen? Er zijn verschillende manieren om hier mee om te gaan. Het is goed denkbaar dat er in de kerk een norm is met betrekking tot wat er in de eredienst geschikt is. Dat kan inhouden dat er alleen maar psalmen gezongen worden. Dat kan inhouden dat de liederen die in de kerkdienst gezongen worden een bepaald niveau moeten hebben wat kerkmuziek en inhoud betreft.
Wat ik steeds meer ontdek, is dat die norm niet door iedereen begrepen en gehaald wordt. Het dilemma is dan: houd je als kerk vast aan het niveau of sluit je aan bij het niveau in de gemeente (met het risico de standaard te verlagen). Zelf kies ik er steeds meer voor om meer aan te sluiten bij de gemeente.

Verschil zondag – rest van de week
Ik heb daarvoor een extra argument, die misschien niet direct met de eredienst te maken heeft. Wat ik hier nogal eens tegenkom is het verschil tussen de zondag en de andere dagen van de week. Op zondag mag er minder, maar doordeweeks lijkt haast alles te mogen en te kunnen. Dat is natuurlijk overdreven. Maar het contrast tussen zondag en de andere dagen is erg groot.
Dat geldt ook voor de geloofsbeleving: Op zondag de psalmen (en tegenwoordig ook gezangen en andere liederen). Doordeweeks geen psalmen. Als er geluisterd wordt is dat via een cd of via YouTube naar Opwekking of Sela. Of op zondagavond en vrijdagmorgen naar de geestelijke liederen op de Loco.

Een stapje hoger
Enige tijd geleden volgde ik een cursus mentoraat. Daarin ging het ook over de ‘lerende gemeente’. Toen kregen wij als deelnemers het advies mee: probeer de gemeente die je dient één niveau hoger te krijgen en niet een hele stap hoger. Over dat advies denk ik geregeld na. Ook over wat het zou kunnen betekenen voor de gemeente die ik dien. Hoe kan ik de gemeenteleden een stapje hoger krijgen met betrekking tot liturgische bewustwording? De eerste stap die ik genomen heb, is om meer te gaan zingen. Om het zingen weer wat gewoner te maken. Op catechisatie beginnen we daarom met het zingen van de psalm en het opwekkingslied, dat door de HGJB is uitgezocht bij de les.

Geloofspraktijken aanleren
Nu ik er wat meer mee bezig ben, denk ik: zou ik tijdens de gewone catechisatie en tijdens de belijdeniscatechisatie niet wat uitleg moeten geven over zingen en het zingen wat meer kunnen oefenen. Alleen… ik heb daar geen enkele ervaring mee. Het komt in ieder geval in de lessen niet afzonderlijk aan de orde. Het is blijkbaar net als met bidden: men gaat ervan uit, dat het wel overgedragen wordt. Ik denk dat we in de tijd aanbeland zijn, dat gemeenten het hardop lezen uit de Bijbel, het leren zingen en waarderen van kerkliederen, het stil worden voor God en het bidden weer moeten aanleren. Meer dan een idee, dat nu bij me bovenkomt, is het nog niet. Maar daar begint het wellicht mee.

Der Weg ins Geheimnis.

‘Achter de wens om te veranderen gaat vaak het verlangen schuil om God werkelijk te ontmoeten.’
N.a.v. Martin Nicol, Der Weg ins Geheimnis. Plädoyer für den Evangelische Gottesdienst (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2009)

Een van de belangrijke ontwikkelingen in de homiletiek is dat de preek niet meer los gezien wordt van de eredienst. Bezinning op de preek, zonder daar de eredienst en de liturgie bij te betrekken, is ondenkbaar. Enkele jaren geleden publiceerde de Duitse praktisch-theoloog Nicol een mooi en uitdagend boek over liturgie. In dat boek voert hij een pleidooi voor de klassieke kerkdienst, maar vraagt hij in één adem meer aandacht voor het vierende karakter en de sacramentele dimensie van de eredienst.

978-3-525-61050-3

Nicol heeft de gewoonte ontwikkeld om bij alles wat hij leest de vertaalslag te maken naar de prediking en de liturgie. Zijn boek wemelt van de prikkelende citaten uit columns, dagboeken, theologische literatuur, romans en gedichten. Als lezer ben je je daardoor voortdurend bewust van de cultuur waarin we leven. Intussen heeft het boek een sterk theologisch profiel, omdat Nicol, leerling van de dogmaticus Friedrich Mildenberger, de systematische theologie bepaald niet verwaarloost.
Het boek biedt een uitdagende visie op een ‘gewone’ kerkdienst, waarbij Nicol overtuigend aangeeft dat zo’n eredienst niet alleen een binnenkerkelijke betekenis heeft. Elke kerkdienst heeft politieke implicaties, omdat God als Heerwordt aangesproken en omdat de Schrift zegt dat Hem heel de aarde toebehoort.
Aangescherpt door zijn observaties, speur ook ik in alles wat ik lees naar de uitdagingen voor de bezinning op prediking en liturgie. Zo las ik in een verslag van een lezing voor theologiestudenten:

„Liturgie bewaart ons bij Hem, de God van het verbond. Het sterke besef daarvan maakt dat onze eerste associaties bij het woord liturgie er meestal naast zitten. Wie anno 2013 aan liturgie denkt, heeft het over spanning in de gemeente, over een lastig thema, over de balans tussen vernieuwen of bewaren – terwijl voorbijgeleefd wordt aan de functie van de liturgie.” (drs. P.J. Vergunst, in: RD, 26-8-2013).

Bij deze betekenis gaat het in de liturgie niet om wat wij God of de gemeente te bieden hebben. De liturgie gaat niet van ons uit. Het gaat niet om de beweging van de aarde naar de hemel, maar vanuit de hemel naar de aarde. Er gebeurt iets aan ons: bewaring bij de God van het verbond. Er wordt op ons ingewerkt, het is een kracht die sterker is dan wijzelf en de krachten om ons heen. De liturgie is onderdeel van de volharding der gelovigen, een middel waarmee de Heilige Geest de gemeente bewaart voor afdwalen, gemakzucht, vertwijfeling, vallen in zonde, verwereldlijking of welk ander gevaar dat de gelovige ook maar bedreigt. Liturgie is daarmee meer dan een louter menselijke activiteit. De woorden in de dienst worden door de Geest gebruikt om ons aan te sporen, te bemoedigen, terug te roepen of te corrigeren.  In een kerkdienst gebeurt daarom nogal wat. Nogmaals Vergunst:

„In de eredienst en zijn liturgie gaat het dus om het scherp van de snede. Daarom is een verkeerde kijk op de eredienst zo ernstig. Daarom moeten we veel meer focussen op wat een eredienst ten principale is dan dat we spreken over onze voorkeuren en wensen, die van onze kinderen, of die van de dertigers.”
Wie beseft dat de heilige God Zich tot mensen richt, dat Christus als de Middelaar van het verbond ons ontmoeten wil, heeft volgens Vergunst de sleutel in de hand voor het verstaan van de eredienst. De gereformeerde eredienst is een afwisseling van spreken van God en antwoorden van de gemeente.’’

Godsleer
Wie geen vreemdeling in Jeruzalem is, beseft de kerkpolitieke lading van dit citaat, bedoeld om richting te geven aan discussies binnen de Gereformeerde Bond over de invulling van de kerkdienst. Maar dit citaat bevat meer: het besef dat in deze traditie levend gehouden wordt, dat het in de eredienst gaat om het naderen van de heilige God tot de mensen. Aan deze paar regels kan al een hele Godsleer ontleend worden: het gaat om een heilige God, die handelt als drie-enige God, die een verbond met mensen heeft gesloten. Deze God heeft de mensen niet prijsgegeven, maar richt zich tot hen. Dit naderen van God is een spanningsvol gebeuren, waarbij er veel voor de mens op het spel staat. Dat maakt een verkeerde kijk op dit gebeuren ook zo ernstig. Op de keper beschouwd zijn bijna al deze aspecten van God omstreden. Binnen en buiten de kerk worden ze betwijfeld of zelfs openlijk ontkend. En dan hebben we het nog niet eens over de aanvechtingen van degenen die dit wel (willen) geloven, maar niet ervaren.
Daarom is deze visie op liturgie als ‘het naderen van de heilige God tot mensen’ ook provocatief. God is een levende realiteit, die zich laat ontmoeten. In deze visie wordt ook het besef levend gehouden dat het niet zozeer draait om het beeld dat wij van God hebben, maar vooral om hoe Hij over ons denkt. In die ontmoeting spreekt Hij ons aan op onze verhouding tot Hem.

Aanspraak
Zit ik er ver naast als ik in deze omschrijving van de eredienst ook het verlangen van een kerkganger hoor? Vergunst is geen predikant maar kerkganger. Uit deze omschrijving spreekt ook het besef dat hijzelf bewaard moet blijven bij de God van het verbond. Hij verlangt naar de ontmoeting met de heilige God, een ontmoeting op het scherpst van de snede, omdat hij wordt aangesproken op zijn verhouding tot God. Wanneer ik dit verlangen tussen de regels door opmerk, moet ik denken aan een recente preekbespreking met mijn kerkenraad. Daarin vroegen de ambtsdragers of ik hen in mijn preken scherper wilde aanspreken op hun leven met de Here. Minder spreken over ‘ons’ en ‘wij’, meer over ‘u’ en ‘jij’. De preek moest meer een aanspraak van Godswege zijn. Want daarvoor kwamen ze naar de kerk.

Liturgie als een gebeuren op het scherpst van de snede, omdat de heilige God ons nadert. Ervaren kerkgangers dat? De wens van gemeenteleden om veranderingen in de dienst door te voeren, wijzen eerder op het tegendeel. Achter pleidooien voor verandering gaat vaak het verlangen schuil om God werkelijk te ontmoeten en zijn aanwezigheid te ervaren. Want ondanks de provocatieve omschrijving zijn kerkdiensten geregeld het tegenovergestelde van een uitdagend gebeuren. Hoe vaak krijg je nu de indruk dat het een ontmoeting is waarin het erom spant? Hoe komt dat eigenlijk?
Protestanten missen vormen om hun theologie ‘uit te voeren’. De momenten waarop wij ons als gemeente – in antwoord – tot God richten kunnen nog wel gemakkelijk aangegeven worden. Maar hoe zit dat met de omgekeerde beweging? Tijdens welke momenten van de dienst merken wij dat God ons nadert? Tijdens welke momenten merken wij dat er voor ons veel op het spel staat?

Rituelen
Dit gemis aan de omgekeerde beweging heeft te maken met de protestantse huiver en argwaan voor rituelen. Omdat rituelen niet gebruikt kunnen worden om Gods aanwezigheid af te dwingen en vormen van spiritualiteit geen Godsontmoeting garanderen, hebben protestanten een moeizame omgang met rituelen en vormen. Dat zou geen bezwaar geweest zijn als protestanten ingewijd werden in het gebruik van rituelen met behoud van de fijngevoeligheid voor de schaduwzijden van het gebruik ervan. Protestanten missen vaak vormen en structuren voor hun geloofsleven. In ons dagelijks leven vinden we maar moeilijk tijd en ruimte om ons met God te verhouden. Met als gevolg dat we ook in de kerkdienst nauwelijks antenne hebben voor het naderen van God; we zijn ons er amper van bewust. Als er vormen zijn, worden zij van hun kracht ontdaan door een uitgebreide aankondiging. Het gebrek aan vormen en rituelen vullen protestanten op met een overvloed aan informatie. In plaats van rituelen uit te voeren, worden ze vaak uitgebreid uitgelegd: in plaats van de doop te bedienen, wordt de doop na het lezen van het formulier nog eens uitgelegd aan de kinderen. Alsof men niet vertrouwt dat de kinderen de doop met eigen ogen zien en daar thuis vragen over zullen stellen. De zegen wordt vaak met een uitgebreide aankondiging gepresenteerd, alsof gemeenteleden niet ervaren dat de zegen hen opgelegd wordt. Zelf betrap ik mij erop voorafgaand aan de Schriftlezing allerlei uitleg te geven over het gedeelte. Alsof er geen gereformeerde regel bestaat dat het Woord van God ook in zichzelf zeggingskracht heeft…
Tijdens afkondigingen worden gemeenteleden nogal eens opgeroepen om een bepaalde georganiseerde activiteit trouw te bezoeken. Wordt de gemeente dan herinnerd aan een activiteit waarbij het lichaam van Christus opgebouwd wordt, of gaat het om een activiteit van een vereniging waarbij een minimum aantal deelnemers nodig is om deze activiteit te laten slagen?
Overbodige informatie kan een vorm van verhulde wereldgelijkvormigheid zijn. Zoals deze formulering tijdens een votum en groet: ‘Ook vanmiddag is ons samenzijn geheiligd…’ Het gebruik van deze tijdsaanduiding is niet alleen overbodig, het gaat er ook aan voorbij dat in God en in de ontmoeting met Hem heden, verleden en toekomst samenkomen. Hij is de God die is, was en komen zal. Ook in de samengekomen gemeente komen heden, verleden en toekomst samen. Bijvoorbeeld als het geloof beleden wordt in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen.  Is het uiteindelijk geen vorm van wereldgelijkvormigheid? Want nog voordat we ons Gods omgang met de tijd realiseren,  worden we herinnerd aan de tijd op onze klok. Zo wordt de proclamatie ingewisseld voor informatie.

Doxologische werkelijkheid
In de kerkdienst gaat het om een andere werkelijkheid: de werkelijkheid van God hier op deze aarde. Deze werkelijkheid is om de woorden van Martin Nicol te gebruiken een ‘doxologische werkelijkheid’. In de doxologie is de werkelijkheid reeds aanwezig, die in het geloof nog moet gebeuren. Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Het is een eschatologische werkelijkheid, maar in de lofprijzing reeds werkelijk. Daarom zegt de gemeente hier ‘amen’ op: het is zo.
De Roemeense dirigent Sergiu Celibidache kreeg vaak reacties na afloop van een uitvoering:  ‘Het was mooi!’’ ‘Het was bijzonder!’ Het mooiste compliment kreeg hij van een Duitse prinses, aan het begin van zijn carrière. Ze zei slechts: ‘En zo is het!’ Martin Nicol vertaalt dit naar de liturgie. Wanneer de gemeente ‘amen’ zegt, zegt ze: ‘En zo is het!’ Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Al is het nog niet onze ervaring. Al is het niet ónze aardse werkelijkheid. Het is toch werkelijkheid: Gods werkelijkheid, doxologische werkelijkheid. ‘En zo is het!’
Om in deze doxologische werkelijkheid te komen, moeten wij een grens over. Rituelen kunnen daarbij behulpzaam zijn. Door het gebruik van een ruime stilte. Door proclamatie: ‘In naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’, ‘Onze hulp is in de naam van de Here’.

Heilige tijden
Nu kan die doxologische werkelijkheid overal aanwezig zijn, omdat God overal aanwezig kan zijn. Binnen het protestantisme zijn er stromingen die daarom de kerkdienst relativeren. Maar, zo geeft Nicol aan, zo kan deze werkelijkheid vervluchtigen. Zonder doordeweekse ‘heilige tijden’ verdwijnt ons stil worden voor God en verstomt ons bidden. Zonder heilige dagen missen wij de vaste momenten om deze werkelijkheid binnen te gaan en raakt deze doxologische werkelijkheid voor ons verborgen. Waardoor wij weer vergeten dat Gods heerlijkheid over heel de aarde is. Waardoor wij vergeten dat heel ons leven, van dag tot dag, aan de Here geheiligd moet zijn. Heilige tijden en heilige plaatsen zijn pars pro toto: de zondag is geheiligd, zodat wij elke dag heilig leven. De gemeente komt op een bepaalde plaats en in een bepaalde ruimte bijeen, vanuit het besef dat God Heer is over heel de aarde. In de kerkdienst betreden wij Zijn werkelijkheid, de plaats waar Hij woont en laten wij Zijn Geest op ons inwerken. Vanuit het geloof dat heel ons leven, van dag tot dag, aan Hem gewijd moet zijn.
Het gebeurt nogal eens dat er een tegenstelling wordt gecreëerd tussen een kerkganger en een discipel, waarbij er denigrerend gesproken kan worden over degenen die de kerkbank verwarmen maar in hun dagelijks leven geen discipel zijn. Deze tegenstelling is een miskenning van wat er in de kerkdienst gebeurt: de inwerking van Gods Geest. Een discipel kan niet zonder kerkgang. Niet alleen omdat op deze dag alle dagen geheiligd worden en aan Christus worden toegewijd, maar ook om herinnerd te worden aan de doxologische werkelijkheid en deze werkelijkheid al in dit leven te vieren. Protestanten hebben de neiging om heiliging vooral te duiden als onderdeel van de weg van het heil of vanuit de ethiek. Heiliging wordt dan gezien als het werk van God aan ons of als een radicaal leven in de navolging. Volgens Nicol hoort er nog een derde element bij: het vieren, het waarnemen en het binnentreden van de doxologische werkelijkheid. Zonder dit derde element raakt een wezenlijk onderdeel van de gereformeerde visie op liturgie naar de achtergrond: het loven van God met woord en daad.
Het boek van Nicol is een hartstochtelijk en uitdagend pleidooi om deze doxologische werkelijkheid te vieren en binnen te treden in een ‘gewone’ kerkdienst en deze werkelijkheid in onze eigen wereld waar te nemen.

N.a.v. Martin Nicol, Weg im Geheimnis. Plädoyer für den Evangelische Gottesdienst(Göttingen: Vandenhoeck, 2009)

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

In het Reformatorisch Dagblad stond het bericht over de “Niets bijzonders”-prijs: een kerkelijke gemeente waarin weinig verandert zou deze prijs moeten ontvangen. Deze oproep, die oorspronkelijk van Hans Jürgen Luibl komt, werd door Christian Möller opgepakt.
Voor het Reformatorisch Dagblad schreef ik een korte uitleg van Christian Möllers gedachten: Wat kerk doet, gebeurt in het verborgene

Een uitgebreidere samenvatting is hier te vinden.
Wikipedia: hier
Informatie bij Vandenhoeck & Ruprecht: hier
Bij universiteit van Heidelberg: hier (inclusief een bibliografie)

Eerdere blogs over Christian Möller:
– Reformatorische spiritualiteit
– Stellingen pastorale prediking
– Alledaagse diakonie
– Houd de kerk in het dorp! (versie 2)
– de norm van Gods koninkrijk: groeitijd
– Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Vragen voor de preek

Vragen voor de preek
(Preekvoorbereiding bij preken voor kinderen)

 In kerkdiensten zijn zeker ’s morgens ook kinderen aanwezig. Het is belangrijk dat een predikant hen bij de voorbereiding van zijn preek al in gedachten heeft. Mogelijk brengt hij het Woord van God dan zo, dat ook zij worden aangesproken. Vragen die een predikant bij een normale preekvoorbereiding overdenkt, kan hij afstemmen op de kinderen. Hoe denkt een kind na over God of de grote levensvragen? Welke bijbelgedeelten zijn voor kinderen geschikt? Wat maken zij mee? Hoe kan het bijbelgedeelte met hun leven verbonden worden?


Wie met kinderen omgaat, merkt dat zij heel goed in staat zijn om na te denken over God of over de vragen van het leven. Hoort een kind dat er iemand is overleden, dan gaat hij zich afvragen: hoe is het om gestorven te zijn? Na het bijbellezen aan tafel kan er opeens een vraag boven komen. Soms vindt een kind het heerlijk om over bepaalde vragen te filosoferen. Het kan ook zijn dat het na blijft denken over iets wat het in het Jeugdjournaal of in de klas heeft opgevangen.

Ook voor ouders
Bij de preekvoorbereiding kan een predikant zich afvragen: daagt deze preek uit om na te denken over God? Helpen mijn woorden om het leven wat meer te begrijpen? Deze vragen zijn belangrijk voor jongens en meisjes die in een complexe wereld groot worden. In bepaalde delen van het land groeien kinderen in een multireligieuze omgeving op. Toen onze oudste dochter nog in Purmerend naar school ging, zat zij met moslimkinderen in de klas en werd op school soms ook het Divalifeest gevierd. Haar juf zei dat het niet uitmaakte of je in God of in Allah gelooft. Ze zei ook dat Jezus geen God was. Het zou mooi zijn als de preek kinderen helpt om in het geloof in Christus hun geestelijke basis te vinden.
Genoemde vragen zijn ook van belang voor ouders. Zij weten vaak niet goed hoe zij hun kinderen moeten opvoeden in het geloof. Soms is dat omdat zij dat zelf niet hebben meegekregen, soms omdat zij zich door de veranderingen in de tijd overvraagd voelen. De preek kan een middel zijn om kinderen en hun ouders op een basale manier in te wijden in het christelijk geloof.

Onbekende hoofdstukken
Kinderen kunnen vaak meer aan dan volwassenen soms denken. Bij een preek die op kinderen is gericht, wordt vooral gekeken naar verhalen. Maar waarom zouden de psalmen of de brieven niet voor kinderen geschikt zijn? Psalmen bevatten veel beelden die voor kinderen heel herkenbaar zijn. Neem Psalm 22, een psalm die vol staat met beelden waarover kinderen kunnen dromen: omringd door wilde stieren, opgejaagd door honden, kwetsbaar als een uitgedroogde potscherf. Beelden die de angst van kinderen weergeven. Kinderen kunnen de ervaring die in een psalm aanwezig is, vaak goed aanvoelen, omdat het ook hun ervaringen zijn.
Vanaf een jaar of zeven zijn kinderen vaak uitgekeken op de overbekende verhalen. Op school en in de kinderbijbel hebben ze die al zo vaak gehoord. Zij willen uitgedaagd worden door onbekende bijbelgedeelten. In de preekvoorbereiding moet een predikant zich daarom afvragen: is het overbekende van dit verhaal geen belemmering om de preek te kunnen horen? Welke invalshoek kies ik om een bekend gedeelte op een verrassende manier te laten horen?

Invalshoek
Deze verrassende invalshoek hoeft niet alleen door een volwassene bedacht te worden. Een vraag van een kind kan er vaak voor zorgen dat je een bijbelgedeelte met nieuwe ogen leest. Bij een gesprek over de gelijkenis van de koninklijke bruiloft (Matth.22) vroeg een kind: ‘Waarom dwingt de heer eerst iedereen om te komen en zet hij daarna iemand eruit die zijn eigen kleding heeft aangehouden?’ Het is de moeite waard om een bijbelgedeelte samen met kinderen te lezen.

Gelijkenissen
Kinderen moeten vaak op weg geholpen worden om een bijbelgedeelte te begrijpen. Dat geldt zeker voor gelijkenissen. In een les over gelijkenissen werd de vraag gesteld: ‘Gaat dit verhaal over God?’ Nee, vond een kind, want er is niemand in dit verhaal die op God lijkt.
Uit onderzoek is gebleken dat kinderen vaak niet het idee hebben dat gelijkenissen over God gaan. Naar hun idee zijn het verhalen over familieaangelegenheden. Bij de gelijkenis van de verloren zoon was iemand van mening dat de vader en de zoon allebei schuld hadden aan het vertrek van de zoon en dat vader en zoon het samen moesten bijleggen.

Thema
Het valt mij op dat voorgangers voor een kinderdienst bijna altijd voor een thema kiezen. Dat brengt wel het gevaar met zich mee dat het bijbelgedeelte kan ondersneeuwen. Bij een thema is een bijbelgedeelte vaak niet meer dan een opstapje. Wanneer een voorganger voor een preek op basis van een thema kiest, dient hij altijd te bedenken welke rol het bijbelgedeelte in de preek heeft. Een thema vraagt bovendien een dubbele uitleg: wat is de betekenis van het thema en wat heeft het met het bijbelgedeelte te maken.
Is een thema toch een must, dan zou ik willen pleiten voor een onderwerp dat de inhoud direct weergeeft. Voor de thema’s die de HGJB voor de laatste dankdag en biddag aandroeg – ‘Verkeerd verbonden’ (Hand.14) en ‘Van harte!’ (1 Sam.1) – is er zeker voor kinderen eerst een denkstap nodig. Waarom niet als: ‘Bidden met je hart’ of ‘Bidden: je hart uitstorten voor God?’ Is het eigenlijk wel nodig om bij dit bijbelgedeelte een thema te kiezen? Kinderen zijn ook zelf in staat om een titel bij een bijbelgedeelte te bedenken. Kies je toch voor een thema, dan zou je het thema kunnen kiezen op basis van een gesprek met kinderen over het desbetreffende bijbelgedeelte.

Sfeer
De Bijbel is het Woord van God en moet daarom zorgvuldig doorgegeven worden. Het zou mooi zijn als de preek bijdraagt aan waardering voor de tekst van de Bijbel. Het is van grote betekenis dat kinderen leren om de Bijbel zelf te lezen, al dan niet in vereenvoudigde vorm.
Kinderen zijn naar mijn mening goed in staat om naar een preek te luisteren. Zeker wanneer het een preek is die hen uitdaagt om over God na te denken of hen helpt bij het geloven. De ene keer zullen ze aangesproken worden doordat ze begrijpen waar het over gaat. De andere keer zullen ze aangesproken worden doordat ze in de sfeer in de kerk iets van God ervaren of doordat ze in een preek iets bij de predikant of bij de mensen om hen heen merken van het leven met de Heere. Dan hebben ze het Woord van God niet begrepen maar wel ervaren.
Dat een preek zo’n effect heeft, valt niet af te dwingen. Toch kan de predikant er in de voorbereiding wel iets aan doen: door de preek voor te bereiden vanuit het besef dat zowel de voorbereiding als de dienst een ontmoeting is met de levende God.
Ook deze ontmoeting kan niet worden afgedwongen. Ze kan wel in de voorbereiding en in de dienst zelf worden gezocht. Dat naderen tot God gebeurt de ene keer vanuit schroom voor Gods heiligheid, dan weer uit schuldbesef of uit oprecht verlangen naar de Heere. Wanneer die ontmoeting plaatsvindt, leidt dat tot verwondering en dankbaarheid, dat Hij ons toch wil ontmoeten. Wanneer die ontmoeting uitblijft, leidt dat tot verder zoeken of tot aanvechting.
Als deze ervaringen in de preek verwerkt worden, kunnen kinderen ze oppikken zonder de preek wellicht te begrijpen. Maar dan hebben ze wel ervaren dat het om iets wezenlijks gaat

ds. M.J. Schuurman

Gepubliceerd in: De Waarheidsvriend, 100e jaargang, nummer 26 (28 juni 2012), p 14-15