Overdenking middagdienst 15 september 2019

Overdenking middagdienst 15 september 2019
Kolossenzen 3:12-17

Twee weken geleden waren we in een klein kerkje in het land van Maas en Waal.
Er waren meer Oldebroekers aanwezig in de diensten op die zondag
omdat Jasper Lensen werd bevestigd tot predikant.
Na afloop van de morgendienst sprak ik met een van de kerkenraadsleden.
Hij had zo genoten van het zingen in de dienst.
Nu kunnen ze daar in Poederoijen zelf ook best zingen,
maar met de aanwezigheid van Oldebroekers had hij echt gemerkt in de kerk.
Het had de vreugde, die er al was door de komst van weer een eigen predikant,
nog meer vergroot.
Als je het hebt over samen gemeente zijn, kun je niet om het bij elkaar komen op zondag
en om het zingen tijdens de dienst heen.
Want samen gemeente zijn gebeurt niet alleen op de Bijbelkring of op gemeenteavonden,
dat zeer zeker ook, en ik ben blij dat ze er zijn,
maar ook op zondag als je bij elkaar komt en samen zingt.

De dichter Willem Barnard verwoordde dat eens in een gedicht:

Tussen het zingende kerkvolk

Soms, als ze hun longen te boven zingen,

het dak bol staat van geluid,

kijk ik mijn ogen uit:

alles verandert, de dingen

staan stil te dansen, het altaar haast swingende,

pinkstertongen worden de kaarsen en de gezichten

van de gewoonste stervelingen glanzen van licht.

Ik verwonder mij tot ik versta:

zonder die tranen in mijn ogen

had de wereld zich niet bewogen,

gingen de dingen niet opgetogen


al dat geloven achterna.


Wat zouden we zijn als we als gelovigen niet meer zouden kunnen zingen?
Dan zou ons geloof heel wat kouder zijn, minder opgetogen, meer wankel.
Hoe vaak gebeurt het niet, dat je iets zingt dat haast niet te geloven is,
maar je zingt het en omdat je het zingt samen met anderen, ga je het weer geloven.
We zongen de geloofsbelijdenis, een versie van Jaap Zijlstra:
Ik geloof in God de Vader
die een bron van vreugde is
Dat kun je gewoon zeggen en dan is het ook waar,
maar als je het zingt, krijgt het nog meer een vorm van lofprijs
en neemt het ons nog meer mee.
Door te lijden en te sterven
– groot is het geheimenis –
schenkt Hij mij het eeuwig leven
dat uit God en tot God is.

Je kunt tobben of dat eeuwige leven wel voor je bestemd is,
maar dan heb je wel net gezongen dat God het ook aan jouzelf geeft:
schenkt Hij mij het eeuwig leven.
Dat getob is even weg en je zingt het met overgave.

We zongen over eeuwig leven.
Er zijn momenten waarop het soms moeilijk te geloven is dat er een eeuwig leven is,
dat je geloof wordt aangevochten.
Dan is het nodig om ervan te zingen, dat je het weer weet, weer gelooft:
Er is een eeuwig leven en God schenkt dat. Hij schenkt het ook aan mij.

Toen mijn opa werd begraven, ik was 12 jaar, het was mijn eerste begrafenis,
zongen we bij het uitdragen van de kist ‘k Heb geloofd en daarom zing ik.
We zongen van genade, van ontferming en verlossing,
door het bloed van Golgotha.
Later in mijn tienertijd werd geloven voor mij moeilijker, omdat ik ging twijfelen
of er wel een God was, of er wel eeuwig leven was.
Ik leerde de eerste regel van het lied,
dat gezongen werd bij de begrafenis van mijn opa en dat ik daarna nooit meer vergat,
om te draaien: Ik zing opdat ik geloof.
Er zijn momenten, tijden in je leven, waarop je niet zingt, omdat je gelooft,
maar zingt om te gaan geloven, om weer moed te krijgen,
om er boven uitgetild te worden.
Het is niet voor niets volgens mij dat veel melodieën van psalmen en gezangen te hoog zijn.
Ik moest een keer een groep mannen begeleiden tijdens een kerstviering.
Ik kon de toonhoogte van het orgel stellen. Ik zette de toonhoogte stukken lager.
De mannen genoten, want nu konden ze bij de juiste toon en konden ze voluit zingen.
Ze hoefde niet meer een octaaf lager te zingen.
Het is niet voor niets, dat de melodieën hoog zijn.
Het is bedoeld om ervoor te zorgen, dat je boven je uit gaat zingen.
Dat als je niet kunt geloven, dat je meegenomen wordt, door de melodie
op de juiste toonhoogte om God te loven.

Kun je nog zingen, zing dan mee.
Zo heette het boekje dat we vroeger gebruikte op de zondagsschool.
Soms kun je niet zingen, omdat het niet kunt geloven.
Als je verdrietig bent, omdat iemand gestorven is,
Als je teleurgesteld bent, in mensen of in God, is het niet makkelijk om te zingen.
Dan mompel je maar wat mee, als je al je mond kunt open doen.
Aan Niek Schumann, hoogleraar Liturgiek in Kampen, werd eens tijdens college gevraagd:
‘Gelooft u nu alles wat u zingt?’
‘Natuurlijk niet! Ik zing het opdat ik het gá geloven.’
We lazen met elkaar enkele verzen uit Kolossenzen:
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
De manier waarop het geschreven is, is vreemd.
Tenminste, je zou er een ‘en zing’ tussen verwachten.
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, en zing psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
Het staat er echter niet. Je kunt ook het zo lezen,
dat je elkaar als gemeenteleden vermaant en onderwijst door te zingen,
Voor de ander te zingen, met de ander te zingen,
zo te zingen dat je de ander meeneemt in de lof op God,
meeneemt in het vertrouwen dat de ander op dat moment niet heeft.
In deze brief komen die woorden onderwijzen en elkaar terecht wijzen ook voor:
in hoofdstuk 1:28: onderwijs en terecht wijzen,
met als doel zodat iedereen volgroeid is in Christus.
Onderwijzen en terecht wijzen hebben met opvoeden te maken,
iemand te laten rijpen tot volwassenheid.
Dat doe je door onderwijs te geven: uitleg over hoe het leven in elkaar zit.
Dat doe je ook iemand terecht te wijzen wanneer dat nodig is.

Ik las een keer bij een hoogleraar Godsdienstpedagogiek,
die een keer een kleinzoon meemaakte tijdens een bruiloft:

Toen mijn oudste kleinzoon 15 jaar oud was, hadden wij een bruiloft van een vriendin van de familie. Tijdens de bruiloft zag ik dat mijn kleinzoon in een boek las. Ik vroeg hem naderhand wat hij gelezen had. Een krimi, zei hij. Vanuit mijn liberaliteit heb ik toen gezwegen en geleden. Later dacht ik: wat heb ik deze mens eigenlijk aangedaan door hem niet te laten merken hoe ik erover dacht? Hoe moet hij sterk worden als hij mij steeds meemaakt met de vriendelijkheid van een weekdier? Toen zei ik tegen hem: “Het was laf en respectloos. Je hebt geen respect getoond voor wat voor anderen heel belangrijk was. Je was laf door erbuiten te blijven staan als het je niets zegt.” Later hebben wij een mooi en ernstig gesprek hierover gehad. Dat had ik heb ontnomen als ik niets had gezegd.

Deze hoogleraar zei: je wordt alleen sterk als je ook weerstand krijgt.
Dat geldt ook voor het geloof in Christus: je groeit alleen naar volwassen geloof,
Als je ook weerstand krijgt.
Als je hoort wanneer je je teleurstelling moet opgeven,
of het blijven hangen in twijfel kinderachtig wordt,
of als je voor de zoveelste keer geen gehoor geeft aan de uitnodiging om aan het avondmaal te gaan, of belijdenis doen weer voor je uitstelt.
Elkaar opvoeden én terecht wijzen. Dat kan dus ook door te zingen.

Een mooi voorbeeld – waar ik mee wil afsluiten – is Paulus zelf.
Toen hij in de gevangenis zat in Filippi.
Daar zitten ze in de inktzwarte duisternis van deze vochtige gevangenis. Onterecht beschuldigd, tot bloedens toe geslagen, hun voeten in blokken. Zij hebben verkondigd hoe Jezus de Heer van de wereld was, de redder van de kosmos. Elk klein hoekje van deze wereld behoort Hem toe. En nu overkomt hen dit.

Paulus stelt voor om te gaan zingen.

‘Zingen? Nou, vooruit,’ zegt Silas weinig enthousiast, ‘jij begint.’

Paulus begint te zingen uit Psalm 9 (misschien was het de oude berijming uit het oude psalmboekje van lang geleden):

Ik zal met al mijn hart den Heer’,

blijmoedig geven lof en eer.

Je kunt Paulus onmiskenbare bas de psalm vol overgave horen zingen. Silas gaat meezingen met een onzekere tenorstem.

Mijn tong zal mijn gemoed verzellen

en al Uw wonderen vertellen.

Twee Joodse mannen van middelbare leeftijd die een thuis zoeken in deze donkere wereld door samen een psalmduet te zingen. Je kunt je erover verbazen. Jezus is Heer van deze wereld. Elk klein hoekje behoort hem toe. Werkelijk!
We hebben elkaar nodig in de gemeente: ook om samen te zingen.
Om gedragen te worden door het geloof van elkaar ook tijdens het zingen.
Als de een niet kan zingen, niet kan geloven, dan zingen wij als anderen voor die ander
en geloven voor die ander, tot hij of zij dat zelf weer kan.
Zo zijn we als gemeente door God aan elkaar gegeven,
om elkaar op te bouwen in het geloof.
Amen

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst
Start van het winterwerk en presentatie doelen diaconale winteractie
Thema: Kom, doe mee! (aangereikt door HGJB). Schriftlezing: Nehemia 2.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is feest in het paleis, een groot feest dat door de koning is georganiseerd.
Voor dit feest heeft Nehemia de opdracht gekregen om voor de wijn te zorgen,
een belangrijke taak die hij heeft gekregen,
Want er mag natuurlijk alleen maar de beste wijn geschonken worden.
De wijn zal er aan bijdragen dat de vreugde van het feest alleen maar groter wordt.
Want wijn verdrijft de somberheid en zorgt ervoor dat mensen vrolijk zijn.
Somberheid kun je tijdens zo’n feest niet gebruiken.
Maar Nehemia is wel somber.
Terwijl iedereen om zich heen vrolijk is en in stemming komt voor het feest
dat straks groots gevierd zal worden, voelt Nehemia zich eenzaam
tussen al die vrolijk gestemde mensen.
Hij kan niet vrolijk zijn.
Ook al is het voor hemzelf deze maand een bijzondere maand,
want in deze maand Nisan wordt Pesach, Pascha gevierd,
het feest waarop Israël viert dat het uit Egypte werd bevrijd en mocht gaan
naar het beloofde land in Kanaän.
Hij is somber, omdat hij moet denken aan die andere feestmaand,
Waarop zijn broer uit het verre Juda bij hem in Susa kwam,
het was de maand kislew, de maand waarin herdacht werd
dat de tempel weer in gebruik genomen werd,
dat er in Jeruzalem weer tot God gebeden kon worden, dat er geofferd kon worden.
Dat was mooi nieuws en het was fijn om zijn broer na zo’n lange tijd weer te zien,
maar wat zijn broer vertelde over Jeruzalem houdt hem nog steeds bezig.
Ook nu tijdens het feest dat de koning organiseert.
Zijn broer vertelde dat de mensen die in Jeruzalem woonden het erg moeilijk hadden.
Het gaat slecht met hen, want ze worden door iedereen bespot,
omdat de stad geen muren en poorten meer had.
De muren en poorten waren verwoest en door het vuur verbrand.
Een teken dat de stad door God gestraft was en in de steek gelaten.
De stad was zonder bescherming.
Wilde dieren konden de stad zomaar binnen komen en voor gevaar zorgen.
Rovers en dieven konden ‘s nachts de stad binnen komen om te stelen.
Het had Nehemia geraakt, want Jeruzalem was niet zomaar een stad,
maar de stad van God.
De Heere had deze plek uitgekozen: daar in Jeruzalem stond Zijn troon op aarde.
Daar kon je naar de Heere toe gaan om raad te vragen in belangrijke kwesties,
om genezing als je ziek was, om bescherming voor als je onderweg moest.
Sinds kort was de tempel weer herbouwd, maar de stad was nog incompleet.
Sterker nog, een gewonde stad, zonder enige bescherming.

Als hij tijdens het feest rondloopt om te kijken of het goed gaat met de wijn
en om te kijken of hij voor de koning nog wijn kan inschenken,
moet hij denken aan de stad Jeruzalem
en ziet voor zich hoe de graven van zijn voorouders door rovers zijn geplunderd.
Hij kan gewoon niet vrolijk zijn.
Toen zijn broer bij hem gekomen was met dat verhaal over Jeruzalem,
de stad die nog steeds verwoest was, vroeg hij zich af waarom hij hier in Susa was,
zoveel duizenden kilometers van Jeruzalem vandaan.
Waarom was hij niet daar in Jeruzalem? Daar in de stad van God zou hij iets kunnen doen!
Is er soms een reden, waarom hij hier aan het hof van de koning een belangrijke taak heeft,
zoals later Esther gekozen werd tot koningin om het volk te redden?
Nehemia besluit om dat aan de Heere voor te leggen, de God Israël,
de God van zijn voorvaderen, de Heere die Jeruzalem heeft uitgekozen om er te wonen.
We hebben daar een naam voor, voor het tijd nemen voor God om je vragen voor te leggen:
Stille tijd.
Hij heeft een speciale vraag aan God:
Wilt U ervoor zorgen dat de koning helpt om mijn plannen uit te voeren.
Nu loopt hij op het feest, terwijl hij denkt aan Jeruzalem en ook aan zijn gebed.
Hij voelt spanning in zich: zou de koning hem willen helpen?

De koning ziet dat er met Nehemia iets aan de hand is.
Hij ziet dat het gezicht van Nehemia anders staat.

Zou er iets met hem aan de hand zijn? Zou hij ziek zijn?
Hij vraagt het aan Nehemia: “Wat is er met je aan de hand? Je ziet er zo anders uit!”
Nehemia had wel gehoopt dat de koning hem zou willen helpen,
maar of hij erop had gerekend?
In zijn hart is er een gebed tot God in de hemel, Die hoger is dan iedereen
En ook in staat is om het hart van de koning aan te sturen,
zodat de koning van Perzië bereid is om Nehemia te helpen
met zijn plan om iets voor Jeruzalem, dat zoveel verder ligt.
Nehemia heeft de hulp van de koning nodig,
want hij zal heel wat tegenslag krijgen onderweg.
Er zullen mensen zijn die niet willen dat de muur overeind komt
En het juist mooi vinden als Jeruzalem zo kwetsbaar is.
Dan kunnen zij van buitenaf de baas spelen over Jeruzalem, of makkelijk aanvallen.
Hij beseft dat hij daarom ook niet zonder Gods hulp kan.
Daarom bidt hij tot God, een gebed in zichzelf.
De aardse koning hoort het niet, maar de hemelse koning, de God van de hemel wel.

De koning stemde ermee in,
maar nu was het zijn beurt om somber te worden.
Hij was blijkbaar op Nehemia gesteld.
Een muur is niet zo maar gebouwd, dat kost veel tijd.
Een muur bouwen kun je niet alleen.
Het bouwen van een muur is net als in de werken in de kerk: dat kun je niet alleen.
Je hebt anderen nodig.
Bij de bouw van een muur, en ook bij het werken in de kerk, heb je een team nodig.
Je hebt elkaar nodig: door samen te werken kun je pas echt wat bereiken.
Soms is het wel nodig als er een is die begint, het voortouw neemt,
zoals Nehemia het gevoel krijgt dat hij iets moet doen voor Jeruzalem, de stad van God.
Of iemand die begint met het idee om een gemeentedag te organiseren,
waarbij anderen kunnen aanhaken en kunnen meedoen.
Daarom: Kom doe mee!
We hebben elkaar nodig als gemeenteleden, om de weg van Christus te gaan
en met Gods hulp de gemeente helpen bouwen.

Na een lange reis komt Nehemia aan.
Bij zijn aankomst weet niemand wat hij komt doen.
Zouden ze aangevoeld hebben wat Nehemia kwam doen?
Of was het niet opgevallen.
Nadat hij is aangekomen, doet Nehemia de eerste paar dagen niets.
Waarschijnlijk moet hij uitrusten van de reis.
Enkele dagen nadat hij is aangekomen, wil Nehemia toch weten
Wat er aan de hand is, hoe de stad erbij ligt.
Hij heeft gehoord dat de stad er niet best bij lag, van zijn broer.
Hij heeft er iets van gezien toen hij in de stad kwam.
Nu wil hij met eigen ogen kijken wat er nodig is,
Hij is hier niet gekomen om niets te doen. Er is actie nodig.
Want anders blijft de situatie zo.
Als Nehemia iets wil gaan doen, moet hij wel eerst weten wat er nodig is.
Er moet een aanpak komen, idee voor wat er allemaal nodig is.
Je kunt niet zomaar beginnen.
Dat geldt voor het werk in de gemeente ook:
Soms is er ook actie nodig, moet er wat gedaan worden:
Een tov-groep geleid, catechisatie gegeven, huisbezoeken afgelegd.
Daar heb je voorbereiding voor nodig.
Je moet weten wat er nodig is, wie je moet bezoeken of wat je moet vertellen over God.
Er is dit seizoen ook een andere actie: De diaconale winteractie.
Elk jaar weer halen we geld op voor goede doelen.
Ook dit jaar weer 3 doelen, waarmee we organisaties steunen die het geloof uitdragen.

Die nacht gaat Nehemia op pad.
Hij gaat ‘s nachts, omdat hij nog niet wil dat anderen weten, waarom hij hier is.
Hij wil de stad rond om te zien hoe het met de muur is,
om te zien wat er allemaal gedaan moet worden.
In het donker gaat hij op pad.
Onderweg schrikt hij en zijn schrik wordt steeds groter.
De hele stad is een ruïne, de stad van God ligt er onbeschermd bij.
Op bepaalde plekken kan hij niet komen door de stenen die er liggen.
Nehemia had gehoord dat het erg was met de muur, maar zo erg?
De volgende morgen gaat Nehemia vertellen over het doel van zijn komst,
Dat hij gekomen is om de muur van de stad te herbouwen.
Dat hij dat niet alleen kan maar ook de hulp van de inwoners nodig heeft.
Samen kunnen ze bouwen.

Er zijn ook mensen, die als ze van het plan horen, er niet blij mee zijn.
Die mensen wonen niet in Jeruzalem, maar ergens anders in het land.
Zij vonden het wel prettig als de muur van de stad niet was herbouwd.
Want dan konden zij de baas spelen over Jeruzalem,
of dreigen de stad aan te vallen.
Er ontstaat ruzie tussen Nehemia en de mensen die buiten de stad wonen.
Zij zeggen tegen Nehemia: Wat jij doet is verkeerd.
Je wilt in opstand komen tegen de koning van Perzië.
Je mag de muur van de stad niet herbouwen.
Nehemia is echter niet bang, want hij heeft iets bijzonders: Rust in God.
Hij weet: de Heere heeft mij hier gebracht. Hier is mijn taak.
En als God mij roept om deze taak uit te voeren, zal Hij mij helpen en beschermen.
Door de muur om de stad heen, heeft de stad weer een toekomst:
Ze zijn veilig achter de muur.
De muur is meer dan een stenen muur alleen.
De muur staat voor de bescherming die God geeft.
Er was al een tempel in de stad: God woonde er al. Hij had er al Zijn huis.
Nu is er ook een muur: een teken dat God de stad beschermt.
Je kunt naar God toe als je bescherming zoekt: Toevlucht.
De psalmen zingen er steeds van (en ook andere liederen)
dat we een toevlucht bij God kunnen vinden.

Dit verhaal van Nehemia kun je ook toepassen op wat een gemeente nodig heeft.
Ook de gemeente heeft een muur nodig: bescherming tegen gevaar van buitenaf.
Daarmee bedoel ik niet de mensen van buitenaf,
zoals Nehemia last had van mensen die buiten de stad woonden.
Maar een muur, die ons beschermd tegen gevaar van de duivel,
die de gemeente wil binnendringen en mensen wil weghalen bij God vandaan.
Kom doe mee, zegt Nehemia tegen de leiders van Jeruzalem.
Ik kan het niet alleen, ik heb jullie hulp nodig, zoals ik ook de hulp van de koning nodig heb.
MEt de hulp van anderen kunnen we zien dat God helpt.
Zo hebben we in de gemeente ook de hulp van elkaar nodig.
We kunnen het niet alleen. Het geldt ook voor de gemeente: Kom doe mee.
Daarom: Kom, doe mee. Zet je in voor de gemeente,
Om je handen uit de mouwen te steken en je steentje bij te dragen,
maar ook om je handen uit de mouwen te steken om te bidden.
Wat is er dan nodig?
Gebed, toewijding aan God, zoals Nehemia ook steeds aan de Heere dacht}
en eerst alles aan de Heere voorlegde.
Daarom beginnen we de kerkdienst ook in de kerk,
omdat we niet zonder Gods zegen en kracht kunnen.
Om de gemeente te bouwen zijn er twee dingen nodig: bidden en werken.
Als je bidt, moet je niet met de armen over elkaar gaan zitten.
Want het kan zijn, dat God juist jou iets wil laten doen.
Onze actie kan ook niet zonder gebed. Want als we wel aan de slag gaan,
Wij bouwen – maar we kunnen het niet alleen.
Als God de stad niet bouwt, zegt Psalm 127, bouwen we tevergeefs.
Als God de gemeente niet opbouwt, is alles tevergeefs wat we doen in de kerk.
Hoe hard we ook werken, hoeveel activiteiten we hebben, hoeveel geld we ophalen.
Daarom zingen we ook:
Heft uw handen naar omhoog,
slaat naar het heiligdom uw oog
en knielt eerbiedig voor Hem neer.
Dan mogen we van de Heere ook iets verwachten:
De zegen van de Heere, die over ons daalt. Zijn gunst die uit Sion over ons straalt.
Amen

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst
Schriftlezing: 1 Johannes 5:13-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bij iets voor een ander vragen kunnen we denken aan enkele meiden uit groep 8,
die samen op een groepje jongens afstappen.
Een van de meisjes heeft laten merken dat ze verliefd is op een bepaalde jongen,
maar ze durft het zelf niet te laten merken en zeker niet te vragen.
De vriendinnen durven het wel voor haar te vragen.
Ze gaan naar het groepje jongens toe en spreken de bewuste jongen aan:
‘Wil je verkering met haar?’
Het meisje zelf durft het niet te vragen en daarom doen zij het.
En de jongen om wie het gaat? Dat hangt ervan af.
Als hij haar leuk vindt, kan hij ermee instemmen.
Het kan ook zijn dat hij helemaal nog niet toe is aan verkering
en niet goed weet wat hij met deze vraag moet.

Je kunt ook denken aan iemand die voor een ander een baan of een stageplaats regelt.
Als je de opleiding dierenverzorging wil doen,
moet je al stage gelopen hebben bij een dierenarts.
Als je zelf geen dierenarts kent, kun je een beroep doen op iemand die wel contact heeft.
Je gaat naar diegene toe en vraagt:
‘Zou jij niet wat voor mij doen? Jij kent die dierenarts?
Kun je niet zorgen dat ik daar stage kan lopen? Want ik wil die opleiding graag doen!’

Soms kun je iemand nodig hebben die iets voor je doet, iets voor je vraagt.
Omdat je het zelf niet durft, of omdat je niet hoe je dat moet doen of waar je moet zijn.

In zijn brief schrijft Johannes over iets vragen voor een ander.
Dat kan zonder dat die ander het weet dat je het vraagt.
Je vraagt dat ook aan Iemand die je kent, niet iemand hier op aarde, maar aan God.
Als je de brief van Johannes leest, is dat iets dat je niet zomaar even doet:
naar God toe gaan om iets voor een ander te vragen.
Daar is moed voor nodig – vrijmoedigheid, een onbevangenheid,
waarbij je je niet laat terugschrikken voor de grootheid van God, voor Zijn heiligheid,
maar dat je in gebed gaat om tot Hem te naderen.
Of misschien zeg je wel: moed? Ik mag toch tot God gaan en bidden?
Als ik bid in de naam van Jezus mag ik dat toch doen?
En ik mag Hem toch alles vragen?
Dat heeft Jezus toch zelf gezegd en dat schrijft Johannes toch?
Ook al is God groot en heilig, ik mag toch naar Hem toe gaan omdat Hij dat zelf aangeeft?

Hier geeft Johannes een specifieke reden aan om naar God toe te gaan.
Om voor iemand uit de gemeente, waarvan je weet dat die gezondigd heeft
naar God te gaan – om te bidden om vergeving,
om niet uit de gemeenschap met God gezet te worden, maar om vernieuwing van het hart.
Je ziet dat iemand uit je gemeente op de verkeerde weg is,
of iemand die je kent van wie je weet dat hij of zij met Christus wil leven.
Je weet dat zonde betekent dat iemand de band met God doorsnijdt, bij God vandaan gaat.
Je weet ook: God ziet het ook en de Heere kan er voor kiezen om die ander weg te sturen.
Als de Heere dat zou doen, staat Hij in het gelijk.
Maar wat moet er dan terecht komen van diegene? Die ernst weet God toch ook?
Mag je dan een beroep doen op God, ook al weet je dat iemand zo tegen God is ingegaan?
Iemand die de richtlijnen van God kent? Die het leven met de Heere kent?
Die heeft ontdekt dat Christus redding en bevrijding geeft?
Iemand die de liefde van Christus ervaren heeft en ook nog beaamd heeft: U bent mijn Heer.
Ik kies niets boven U, naast U – geen enkele afgod kan mij bij U vandaan krijgen.
Je weet wellicht ook nog wel het moment dat diegene belijdenis deed.
Of je hebt op bijbelkring iemand zoiets geweldigs horen vertellen over de Heere
en nu dit…

Waar je concreet aan moet denken? Johannes noemt: Een zonde niet tot de dood.
Hij zegt niet, wat hij daarmee bedoelt.
Een zonde – niet tot de dood, betekent: niet helemaal met God breken.
Je wilt niet helemaal van God af.
In je hart ben je nog verbonden, maar je manier van leven staat er haaks op.
Denk aan: vreemdgaan, fraude, diefstal, als baas je personeel uitbuiten.
Johannes zegt: je moet over geen enkele zonde licht denken.
Er is geen enkele zonde, waarbij je je schouders moet ophalen
en kan denken: ach, dat is zo erg niet.
Maar er is wel verschil: Er zijn zonden, waarbij je de band met God bewust doorsnijdt.
Als bijvoorbeeld je bewust afscheid neemt van het geloof en breekt met Christus.
Je wilt geen christen meer zijn. Je geeft je geloof op.
In veel gevallen is zo, hoe erg ook, niet altijd een bewuste breuk met God.
Hij kan dan wel op een afstand staan, je kunt op dat moment niet aan Hem denken.
Als je bijvoorbeeld penningmeester van een club bent
en je merkt dat je niet gecontroleerd wordt en je staat er financieel niet goed voor
en je gaat op een verkeerde manier om met het vertrouwen dat je hebt gekregen
door een deel van de rekening naar jezelf over te maken,
breek je dan op dat moment met Christus?
Je laat wel merken, dat Christus niet meer alles bepaalt in je leven
en dat er een macht is die sterker is: de macht van het geld
of wellicht de schaamte dat je bepaalde dingen niet meer kunt afbetalen.
Om die ene zonde te verbergen heb je meerdere zonden nodig.
Je begeeft je op de verkeerde weg
en de weg naar God toe wordt moeilijker.
Als je beseft wat de gevolgen zijn van je daad, dan kun je moeilijk meer naar God gaan.
Of je verbergt je fout naar de Heere toe en bent niet eerlijk, niet open.
Of je weet dat je verkeerd zit en je blijft daarom maar weg bij God.
Daarom is ons gebed voor zo iemand nodig,
omdat hij of zij dan helemaal kan afhaken en kan wegraken bij God
of denkt in gemeenschap met God te leven, maar buiten die relatie staat
En niet verbonden is met de Heere.
Een gebed om vergeving voor iemand anders,
net zoals Mozes en Samuël voor het volk baden – zoals we zongen in Psalm 99.
Mozes die van de berg kwam en hoorde dat het volk danste voor een afgodsbeeld.
Nadat de Heere aangaf niet verder met het volk te gaan,
ging Mozes in gesprek met de Heere en zei dat ze zonder Hem niet verder kunnen gaan.
Zoals vrienden onder elkaar in gesprek zijn, deed Mozes een beroep op God:
Wij kunnen niet zonder U. Gaat U alstublieft mee met ons.
Bid voor die ander, zegt Johannes, zodat je de Heere op andere gedachten brengt
En Hij die ander niet loslaat, niet prijsgeeft, maar terugkeert
en verder gaat met Zijn werk in zijn of haar leven
– ondanks de fout die hij of zij heeft begaan.

Wat Johannes hier schrijft is bijzonder.
Allereerst het zien van wat de ander doet.
Dat is geen nieuwsgierigheid, niet zien wanneer je de ander op een fout betrapt,
Zodat je van jezelf weet dat je het beter doet.
Zien betekent hier betrokkenheid op elkaar, je hoort bij elkaar, je houd elkaar in het oog,
omdat je niet wilt dat die ander de weg met God kwijtraakt.
Wanneer het gaat om de ander zien, om zien wat de ander doet,
moet ik altijd denken aan de kassacursus die ik moest volgen.
Ik werkte vanaf mijn 16e in een supermarkt en moest ook kassa kunnen draaien.
Tijdens die cursus liet de hoofdcassière mij een aantal klanten afrekenen.
Op een gegeven zei ze: Vertel me nu hoe de afgelopen 3 klanten eruit zagen.
Een cassière moet de klanten zien
– dat werd mij ook al geleerd toen ik aantrad bij de vulploeg.
Dat geeft allereerst binding, maar had ook een tweede reden:
Wanneer je klanten ziet, heb je ook eerder winkeldiefstal door.
Dat gebeurt juist, wanneer medewerkers niet oplettend zijn en je anoniem behandelen.
Bij alle taken die je hebt, zoals het scannen van de producten en vragen om de flessenbon,
moet je ook zien wie de mensen zijn die bij je afrekenen.
Ik heb dat altijd onthouden en ik denk dat het ook voor de kerk van belang is:
Om je mensen te zien, de schapen die aan je toevertrouwd zijn op te merken,
niet aan ze voorbij te kijken, omdat je druk bent met andere activiteiten.
Zodat ze gezien zijn en zich gekend voelen,
maar ook om te voorkomen dat ze een verkeerde kant op gaan.
Uit bescherming voor hen. Niet uit bemoeizucht, maar uit bescherming.
De ander zien: vorig jaar hebben we verschillende doelen gesteund.
Toen ze op catechisatie kwamen vertellen wat ze deden,
lieten ze filmpjes zien van verschillende mensen,
Waarvan we zeggen: ze leven aan de rand van de samenleving,
zoals mensen die op straat zwerven, mensen die verslaafd zijn
en de vraag was: hoe kijk je naar hen? Wat zie je in hen?
Kun je nog zien dat het schepselen van God zijn,
die ook door Christus thuisgebracht moeten worden
en ook – net als wij – aan een nieuw leven moeten beginnen,
het nieuwe leven in Christus.
Vandaag hebben we geld opgehaald voor Stichting Ontmoeting,
‘Vastgelopen mensen worden door Ontmoeting ondersteund om hun leven weer op orde te krijgen. We leren hen om weer op eigen benen te staan, relaties aan te gaan en te onderhouden en de juiste keuzes te maken. Zo krijgen ze weer perspectief in hun leven.’
Hulp verlenen en bij te staan door ze te ontmoeten,
in de ogen te kijken, te zien wie ze zijn en wat ze hebben meegemaakt.

Wat de ander doet gaat je aan – heeft ook met u te maken.
Daarvan kunt u niet zeggen: dat is voor een dominee, wijkouderling, bezoekzuster.
Daar kunt u op z’n minst voor bidden.
Als je iemand niet durft aan te spreken, kun je het bij de Heere brengen.
Moet je het zelfs bij de Heere brengen – als je bewogen met die ander bent.
Je bent niet voor niets broeder en zuster. Dat betekent ook dat je voor elkaar bidt.
In veel gevallen kunnen wij de zonde niet uit iemand krijgen:
We zijn lang niet altijd in staat om een misstap van een ander goed te maken.
Wij zijn vaak niet in staat om iemand die verslaafd is van zijn verslaving af te helpen.
Door te bidden gaan we wel de strijd aan met de verleiding die op de ander vat heeft,
het gevecht met de zonde, door diegene om wie het gaat, bij de Heere te brengen.

Ook om een andere reden is het bijzonder, dat Johannes opdraagt om te bidden.
Want als je een ander uit je kerk een misstap ziet maken, ziet zondigen,
kun je ook teleurgesteld in die ander raken.
als de teleurstelling gaat overheersen, dan kun je niet meer goed kijken naar die ander.
Dan is alles wat die ander doet verkeerd.
Overal zoek je iets achter. Je kunt niets meer van die ander hebben.
Je kunt je gaan afzonderen van die ander, die ander gaan ontwijken.
Nee, zegt Johannes, niet ontwijken en ook niet afschrijven.
Ga in gebed voor die ander, voordat die ander nog verder wegdrijft bij God vandaan.
In de gemeente, waar Johannes aan schrijft,
heeft zich mogelijk een kerkscheuring voorgedaan:
een groep mensen stapte eruit, omdat ze andere opvattingen hadden over Christus,
Dan kun je als groep die achterblijft, daar sterk door geraakt zijn.
Dan kun je het gevoel hebben, dat die ander op jouw manier van geloven neerkijkt
En een andere kant op gaat, zich te goed voelt voor jou.
Of je voelt je in de steek gelaten.
Dan is het niet gemakkelijk om voor diegene te bidden en die ander bij de Heere te brengen.
Je moet wat in jezelf overwinnen.
Je trots, of je gekrenkt-zijn, je frustratie, je gevoel dat de ander je in de steek liet.
Ook dat mogen we bij God brengen, zoals we onszelf bij God brengen,
ook als we er zelf niet uit komen en overhoop liggen met onszelf,
omdat we merken dat er in onszelf allerlei gedachten en emoties zijn,
die niet goed zijn voor onszelf en voor ons geloof.
Johannes zegt er in een kleine zin iets groots bij: door te bidden geef je die ander het leven.
Je behoudt die ander in het leven door te bidden.
Zoveel kracht kan je gebed hebben, dat het de Heere bereikt
en de Heere iets doet, ingrijpt, de ander terugbrengt bij Hem.
Onderschat het gebed niet – ook niet in de strijd tegen de verleiding,
die vat op een ander lijkt te krijgen of heeft gekregen.

Dat bidden voor die ander heeft ook gevolgen voor onszelf:
Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.
Dat kan overkomen als een wat onverwachte, abrupte afronding van de brief.
Maar het is hetzelfde als wat we doen in gebed voor die ander:
De strijd aangaan met de verleiding, die we tegen kunnen komen,
die vat op ons probeert te krijgen.
Lieve kinderen – Johannes spreekt ze aan op de band die ze met Christus hebben:
door Christus geliefd en door Zijn liefde kind van God geworden.
Als je die liefde kent, als je weet dat je kind van God geworden bent,
hoort daar ook strijd bij: strijd om jezelf te bewaren, te beschermen tegen verleiding.
Als je weet dat een weg niet goed voor je is, dan moet je die niet gaan.
Als je weet dat een keuze je bij de Heere vandaan brengt, moet je die tegengaan.
Je kunt je er niet achter verschuilen dat je ook maar een mens bent,
dat je ook je fouten maakt, want als je niet oppast, praat je je eigen fouten goed.
In de strijd tegen die verleiding, om onszelf te bewaren voor die afgoden,
hebben wijzelf ook gebed nodig.
Daar mag je best bij een medegelovige om vragen,
dat je broeder of zuster voor jou bidt en omgekeerd jij voor hem of haar.

Een paar weken geleden waren we als collega’s bij elkaar,
uitgenodigd door de IZB – ik heb volgens mij al eerder naar die ontmoeting verwezen
aan het einde van de morgen werden we gevraagd om degene met wie we in gesprek waren
in gedachten mee naar huis te nemen en een week voor die collega te bidden,
om volharding in het geloof, om vreugde in Christus, om te delen in de zorgen
En na een week eventueel op te bellen om te vragen hoe het gaat.
Het is een notie die in onze reformatorische traditie van groot belang is:
de zorg voor elkaar, voor elkaars geloof, elkaars zieleheil.
We zijn niet zomaar gemeente, maar als gemeente aan elkaar gegeven.
Broeders en zusters, die voor elkaar gaan – ook naar God gaan in gebed.
Zodat u, jij de mensen in de kerk om je heen draagt
en omgekeerd: jij ook wordt gedragen door de gebeden om je heen.
Het zou goed zijn als u, jij zo voor elkaar bidt
en niet wacht tot iemand gezondigd heeft,
maar al preventief bidt, zoals Jezus bad voor Simon:
Simon, Simon, zie, 

de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe.

Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt.
Amen

 

Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad

 Een gezamenlijke zoektocht naar kerk zijn in een tijd, waarin de secularisatie doorgaat.

Een gezamenlijke zoektocht naar kerk zijn in een tijd, waarin de secularisatie doorgaat.

Onlangs schreef ik over een predikantenconferentie, waarbij de secularisatie centraal stond. Vanmorgen was ik bij een predikantenbijeenkomst, ditmaal georganiseerd door de IZB, waarbij in feite ook het effect van de secularisatie op de kerk en gemeenteleden centraal staat. Kees van Ekris, werkzaam bij de IZB, schreef een inleidend verhaal, waarbij hij een aantal ervaringen uit het afgelopen seizoen samenvatte.

Zijn introductie was bedoeld om de IZB te helpen bij de zoektocht waar predikanten en gemeenten in een geseculariseerde (of seculariserende) tijd behoefte hebben. Omdat niet elke gemeente en elke predikant de thematiek op dezelfde wijze ervaart, schetste hij 5 dimensies, die te maken hebben met de werkelijkheid van God. Deze 5 dimensies houd ik aan, maar ik vul de inhoud wel op mijn eigen manier in.

(1) Uitgaan van de werkelijkheid van God
De kerk is er bij de gratie van God. De kerk is in het leven geroepen en gevormd door God. Als Heer van de kerk beschermt Hij Zijn kerk door alle eeuwen heen. Deze God is ook soeverein: niets in deze werkelijkheid gaat buiten Gods wil om. Dus ook de secularisatie gaat niet buiten Zijn wil om.

Hoezeer het kerkelijk leven ook onder druk staan en gelovigen wellicht te maken krijgen met verveling, God werkt ook in deze tijd. In de kerkdienst komen we voor Gods aangezicht. De aanwezigheid van God en Zijn handelen in deze tijd mogen we niet uit het oog verliezen. Omdat God ook in deze tijd werkt, kan de kerk haar Heer prijzen. Een doxologische benadering, die inzet bij de lof op God of daarop uitloopt, relativeert het menselijk perspectief.

Van de 5 dimensies die vanmorgen geschetst werden, sprak deze dimensie mij het meeste aan. In mijn preken probeer ik vaak in te zetten bij de lof op God of de preek uit te laten lopen op de lof op God. Wanneer je daar niet bij begint, kom je daar nooit bij uit. De laatste tijd vraag ik mij af, waarom de doxologische benadering zo moeilijk ingang vindt of haast verdwenen is. Wellicht heeft dat te maken met de belabberde liturgische visie, in de kerken waarin ik opgegroeid ben. Het orgelspel was tenenkrommend. De liturgie was plichtmatig. De sfeer in het kerkgebouw was zeker in de zomer door de warmte onprettig. Als de kerkdienst warmte had, dan was het door de mensen die de diensten bezochten.

Tussen de bedrijven door lees is het nieuwste boek van de katholieke schrijver Martin Mosebach: Der Häresie der Formlosigkeit. Der römische Liturgie und ihre Feind. Daarin beschrijft hij hoe hij door een oerverlangen weer terugkomt bij de oude Latijnse mis. Mosebach zal in geen enkele protestantse kerk passen, omdat hij daarin het geloof in de kracht van de liturgie mist.

Dat protestanten de kracht van de liturgie wantrouwen, bleek vanmorgen ook weer. Het verlangen naar een goede liturgie werd geduid als een vlucht in het esthetische. Toch denk ik dat in de anti-liturgische tendens (en wellicht zelfs het neerkijken op het esthetische) wel eens een van de redenen kan zijn, waarom de verveling toeslaat onder gelovigen. Net voor Pasen was ik bij een uitvoering van de Matthäuspassion in de Laurenskerk te Rotterdam. Het was een van de vele Matthaüspassionen die in die tijd uitgevoerd werden. Natuurlijk: voor een deel van de uitvoerders en voor een deel van de aanwezigen was het een esthetisch spektakel. Maar deze muziek in een grote en ook volle kerk is meer dan alleen esthetisch spektakel: het blijft muziek die je meeneemt naar grote hoogte (of juist diepte: het plaatst je voor het kruis). Onlangs was ik tijdens het Bachfest in Leipzig, waarbij veel muziek van Bach en andere componisten werd uitgevoerd. Veel geestelijke muziek ook, in kerkgebouwen, waar de muziek zichtbaar en merkbaar echt wat deed.

Een ander kritiekpunt bij de inzet bij de werkelijkheid van God was, dat de nadruk hierop ook een vlucht kan zijn voor de negatieve kanten van de secularisatie. Of heel massief kan zijn. Eigenlijk is dat een vrij merkwaardige kritiek. Want protestanten gaan er altijd vanuit dat de aanwezigheid van God niet maakbaar is. Zelfs het votum dat verklaart dat God aanwezig is in de kerkdienst is afhankelijk van Gods wil om aanwezig te zijn en is gebaseerd op Gods belofte dat Hij aanwezig is. In de Bijbel laten de meeste verhalen zien dat Gods werkzaamheid vaak raadselachtig en verborgen is, tegen de menselijke verwachtingen in. Er moet soms decennia of zelfs eeuwen gewacht worden. Meestal wordt het pas na afloop duidelijk hoe God werkte. In deze tijd wordt het zichtbaar dat God niet meer vanzelfsprekend aanwezig is. Maar Zijn aanwezigheid is nooit vanzelfsprekend geweest. Toch is het onze plicht als voorgangers uit te gaan van de werkelijkheid van God en onze gemeenteleden de ogen te openen voor die werkelijkheid. Niet om daarmee de zorgen weg te duwen, maar wel om in een vorm van een tweede naïviteit weer onbevangen te zijn, de aanvechting serieus nemend.

(2) De ervaring van Gods werkelijkheid staat in veel levens onder druk
Die nadruk op Gods aanwezigheid staat haaks op wat in veel kerken beleefd wordt. Ook in kerken op de Biblebelt wordt ervaren dat geloof in God niet meer vanzelfsprekend is: mensen haken af, maken keuzes waarbij het geloof geen enkele rol meer speelt, zijn meer onder de indruk van de verhalen die in de wereld om ons heen verteld en getoond worden.

Het is een punt dat de Amerikaanse filosoof James K.A. Smith maakte: de jongeren worden meer gevormd door de beelden van de reclame dan door de woorden uit de Bijbel. Daarmee worden ze beïnvloed met een seculier en neoliberaal wereldbeeld, waardoor ze onbereikbaar worden voor het beeld dat de Bijbel meegeeft. Er is daarom een strijd nodig, waarbij seculiere wereldbeelden ontmaskerd worden.

Daarnaast werken de structuren, waarin voorheen de geloofsopvoeding doorgegeven werd, niet meer: de jongeren komen niet meer naar catechisatie, de zondag wordt anders ingevuld, het lezen in de Bijbel wordt ingeruild voor het luisteren naar muziek. Bij echtscheidingen blijkt, dat een van de partners naar een geluk op zoek is, dat eerder uit de films of boeken gehaald wordt dan uit de Bijbel. In zo’n situatie is het niet gemakkelijk om te preken of het vol te houden in geloof.

(3) De werkelijkheid van God in het dagelijks leven
Gemeenteleden lopen het risico in parallelle werelden te leven: ’s zondags de wereld van God en doordeweeks een leven waarin God nauwelijks een rol speelt. Veel gemeenteleden verlangen naar een leven met God, waarin God ook onderdeel is van het gewone leven. Zodat ze Hem niet alleen op zondag dienen met met heel hun bestaan. Gemeenteleden ervaren de preken als te weinig praktisch, te voorspelbaar of te negatief over hun eigen leven. Ze hebben liever dat predikanten in hun leven komen en aanwijzen waar God is of hen helpt om te zien waar God is of hoe ze ruimte kunnen maken in hun leven om bezig te zijn met God. Een mooi voorbeeld is het boek Liturgie van het alledaagse van Tish Harrison Warren, dat gelukkig onlangs in het Nederlands is vertaald.

Tijdens de bijeenkomst werd opgemerkt dat het eigenlijk ironisch is dat de stroming die het gewone leven wilde rehabiliteren en een theologische waarde gaf – namelijk de gereformeerde stroming – nu niet meer in staat is om God in het dagelijks leven te zien. Deze tijd heeft een herwaardering nodig van de scheppingsleer: onze werkelijkheid, hoe ongelovig de mensen daarin ook zijn, zien als werkelijkheid van God.

(4) De werkelijkheid van God in het leven van niet-gelovigen
Veel gemeenteleden komen in hun dagelijks leven, op hun werk, in hun eigen familie of vriendenkring, anderen tegen die niet, niet meer of anders geloven. Wat betekent dat voor Gods aanwezigheid? Moeten we niet meer aandurven om te zien dat God ook in hun leven bezig is? Zodat, als ze gaan geloven net als Augustinus kunnen zeggen: toen ik ver bij God vandaan was, was God dicht bij mij.

Deze benadering is aanwezig in de gereformeerde traditie: in hun boek Goed gereedschap is het halve werk koppelen Kees en Margriet van der Kooi deze gedachte aan de algemene genade. Ook het werk van J.H. Bavinck zou daarbij wel eens kunnen helpen. Dat is een relativering: wij hoeven God niet relevant te maken. Wij hoeven God niet aanwezig te stellen. Voor wij iemand ontmoeten, is God al in iemand bezig. Ook hierbij is een herwaardering van de scheppingsleer onontbeerlijk: Gods betrokkenheid op ieder schepsel, omdat Hij als schepper met ieder mens een band heeft.

(5) Gods werkelijkheid is een gebedszaak
Als de secularisatie vraagt om een nieuwe doordenking van Gods aanwezigheid en van onze aarde als Gods werkelijkheid, vraagt dat ook om gebed. Wij kunnen God niet present stellen. Wij maken niets. Wij kunnen alleen maar wachten op God. Nu is bidden in een seculiere tijd geen eenvoudige opgave. Niet eenvoudig als je geloof in God aangevochten wordt. Niet eenvoudig als je Gods werkelijkheid niet meer vindt. Dat is onderdeel van het bidden, dat ook het bidden niet altijd lukt. Met het bidden komen we wel weer in de werkelijkheid van God, voor de troon van God in de hemel en zijn we weer bij de eerste dimensie: de werkelijkheid van God, die niet alleen maar in de hemel is maar ook op aarde.

Deze 5 dimensies helpen om te bepalen waar je als predikant of als gemeente mee te maken hebt. Of waar je tegen aanloopt. Het zijn 5 dimensies die allemaal hun waarde en hun werkelijkheid hebben. De onmacht van gelovigen mag niet verdoezeld worden door de nadruk op de doxologie.

Omgekeerd mag de aanvechting, die opkomt omdat Gods werkelijkheid onder druk staat, niet leiden tot verstarring of kramp. Als dat gebeurt, kan dat een vorm van ongeloof zijn. Misschien is het dan beter om even time out te nemen of met collega’s of gemeenteleden in gesprek te gaan om vanuit deze ervaring toch iets over Gods werkelijkheid (al is die werkelijkheid dan op dat moment wellicht verborgen) te delen.

De aandacht voor het gewone leven kan snel vervallen in moralisme, in nieuwe structuren die het voor een nieuwe generatie of voor buitenstaanders ingewikkeld maakt om het geloof eigen te maken, omdat tot een vorm van christelijke subcultuur kan verworden dan een authentieke vorm om het leven met God te onderhouden en levend te houden. De aandacht voor niet-gelovigen mag niet tot gevolg hebben dat er neergekeken wordt op medegelovigen, die de vragen van buitenstaanders niet lijken te begrijpen of daarvoor weglopen. Het bidden kan ook al snel iets georganiseerds krijgen als het in gebedskringen wordt georganiseerd.

In de onderlinge gesprekken kan het helpen om de kracht en de zwakte van elke dimensie te bespreken. Zo kan er iets groeien van een gezamenlijke zoektocht naar kerk zijn in een tijd, waarin de secularisatie doorgaat.

P.s. ga vooral kijken op http://www.izb.nl of daar het verhaal van Kees van Ekris op staat. Dan heb je het echte verhaal (ipv mijn invulling)

P.p.s. Het verhaal dat die morgen gehouden is, kan ik goed gebruiken om de relevantie van het systematisch-theologisch onderzoek naar Schilder, Noordmans en Miskotte te laten zien. Dat onderzoek is namelijk te linken aan alle 5 dimensies uit het verhaal. (dus: wordt vervolgd)

 

Preek 30 juni 2019 avonddienst

Preek 30 juni 2019 avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1 – 2:2
Tekst: Opdat u ook gemeenschap hebt met ons; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus (vers 3b).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijzonder om zo met elkaar het avondmaal te vieren.
Om met elkaar daar vooraan te zitten, de schaal en de beker aan elkaar door te geven,
waarbij we elkaar de tekenen van brood en wijn doorgeven.
Dat geeft aan, dat we niet alleen maar voor onszelf daar zitten aan die tafel,
maar ook voor elkaar.
Als je daar zit, pak je de schaal aan van degene die naast je zit
En die de schaal aan je doorgeeft.
Je neemt het brood ervan en geeft de schaal door.
Je pakt de beker aan van degene die de beker jou aanreikt en je geeft de beker weer door.
Dat aannemen en doorgeven is niet voor niets. Dat heeft een betekenis.
Er is iemand uit de gemeente – en je hebt wellicht niet zelf voor diegene gekozen –
reikt jou de tekenen aan, die heenwijzen naar het offer dat Christus bracht.
In het aangeven van de schaal zegt degene naast je (zonder woorden):
Hier is het brood, gedenkt en gelooft dat Christus ook voor jou gestorven is.
En als de beker wordt aangereikt zegt je buurman of buurvrouw in dat gebaar:
Christus reinigt ook jou van je zonden.
Ik mag je dat doorgeven, net zoals ik dat zelf ook weer van iemand gekregen heb.
Zo worden we gesterkt, zowel in ons geloof, in onze band met Christus
en ook gesterkt in de onderlinge band, doordat we samen daar zitten
en elkaar de tekenen mogen aanreiken, die Christus ons weer aanreikt.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Dat gaat in samen op: gesterkt worden in je eigen geloof en ook in de onderlinge band.
In zijn brief wijst Johannes daar op op:
Opdat u ook gemeenschap hebt met ons;
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Je kunt blijkbaar niet alleen, niet in je eentje geloven.
Ja, soms kan het niet anders. Als je leeft in een omgeving, waar niemand christen is
en je tot geloof komt en je bij niemand terecht kunt, dan moet je alles in je eentje doen.
Maar dan is geloven niet gemakkelijk: om in je eentje avondmaal te vieren,
om jezelf aan te spreken en bij de les te houden,
jezelf moed in te spreken als je het niet ziet zitten, jezelf op te beuren en te troosten
– dat is allemaal niet gemakkelijk.
We hebben elkaar nodig, al is het maar om de schaal met brood aan te geven
en de beker aan te reiken,
het gebaar waarmee we tegen elkaar zeggen: het is ook voor jou!
Het is voor ons leven met de Heere, voor ons geloof, niet goed, als we dat alleen doen.
Ik hoorde ooit een voorbeeld, en dat ben ik nooit vergeten
en heeft er zelfs toe geleid om maar aandacht te schenken aan de onderlinge band:
Iemand vertelde dat ze kort na de belijdenisdienst in een zwart gat viel.
In een jaar tijd had ze intensief met anderen opgetrokken,
op een vast tijdstip bij elkaar gekomen, week in week uit.
Door dat samenkomen, door die gesprekken leefde ze dicht bij de Heere
met als climax, als hoogtepunt een mooie belijdenisdienst.
Maar na die belijdenisdienst was het voorbij, was er niets meer, stil.
Geen ontmoetingen meer, geen gesprekken meer,
geen vaste avonden meer aan God gewijd.
Het was opeens stil en leeg: een zwart gat.
Onverwacht kreeg haar geloof een duw naar beneden.
Pas later besefte ze hoe belangrijk die bijeenkomsten en die gesprekken waren.
Ik ben haar er altijd dankbaar voor geweest, dat ze deze teleurstelling meldde,
omdat ze mij daarmee leerde, hoe belangrijk is voor het geloofsleven
om samen op te trekken, geregeld bij elkaar te komen.
Niet dat die gedachte helemaal nieuw was, maar toch:
Als je van iemand hoort, dat het wegvallen van de onderlinge contact
ervoor zorgt dat je terugvalt in geloof, geeft dat wel aan dat we niet zonder kunnen.
Als gelovige niet zonder de onderlinge band.

Die band wordt in het avondmaal versterkt.
Althans, dat is de gedachte van het formulier.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen.
Aan de tafel zijn we één, net een gezin, het gezin van Christus,
Waarin iedereen die er is een broeder en een zuster is.
Een broer of een zus zijn: dat betekent, dat je daar niet voor gekozen hebt,
zoals je vrienden wel kunt kiezen.
Je hoort bij elkaar en je kunt je niet van elkaar los maken, ook al verbreek je het contact.
Als we verbonden raken met Christus, krijgen we er anderen bij,
die ook verbonden zijn met Hem.
Aan de avondmaalstafel groeit zowel de verbondenheid met Christus als met elkaar.
Gemeenschap met elkaar en met God.
Gemeenschap – een mooi woord, dat geeft aan dat je samen iets gemeen hebt:
Samen heb je gemeen dat je van Christus bent geworden.
Je hebt allemaal het kenmerk dat de Heere in je leven werkt
en dat je kon overgeven aan Hem, dat je Hem ging liefhebben en vertrouwen.
Dat heeft bij de een vast meer tijd gekost dan bij de ander,
maar dat is gezamenlijk: dat er in ons hart de liefde is voor Hem,
die hebben we daar niet zelf in gelegd, maar heeft de Heere zelf gegeven.
Dat hebben we gemeenschappelijk.
Gemeenschap betekent ook, dat je samen ergens onderdeel van bent.
Samen onderdeel van het gezin van God,als broeders en zusters.
Daarom samen aan de tafel, zoals een gezin gezamenlijk de maaltijd gebruikt
Gemeenschap betekent daarom ook, dat je niet allemaal losse individuen bent,
maar dat er onderling ook iets groeit.

Dat groeit niet zomaar, vanzelf. Daar moet de Heilige Geest voor aan de slag.
Want als mensen een gemeenschap vormen, als is dat aan de avondmaalstafel,
is dat niet iets dat vanzelfsprekend gaat.
Samen een gemeenschap vormen heeft iets positiefs:
Je stimuleert elkaar, daagt elkaar uit, je versterkt elkaar.
Je gaat met iemand in gesprek die de stap niet kan maken naar het avondmaal
in de hoop dat hij of zij de volgende keer wel kan gaan.
Je luistert naar de aarzelingen en neemt die serieus
en je weet ook iets aan te reiken dat verder helpt in dit opzicht.
Je deelt ervaringen met elkaar,
waardoor je hoort hoe een ander de gang naar het avondmaal beleeft.
Je denkt daarover na en het verrijkt je eigen omgang met het avondmaal
omdat je nieuwe inzichten hebt opgedaan, die je bijblijven.
Of je spreekt van tevoren af, dat je bij elkaar gaat zitten,
Zodat de stap voor iemand, die niet zo makkelijk aan het avondmaal gaat, niet zo groot is
omdat je met elkaar gaat
en je besluit om er na afloop om er met elkaar over door te praten hoe het was.

Samen een gemeenschap vormen kan ook iets ongemakkelijks hebben.
Je zit aan tafel met anderen uit de kerk, die heel andere opvattingen hebben,
met wie je maar geen gesprek moet hebben, omdat het op discussie uitloopt.
Of met iemand met wie je ooit een akkefietje hebt gehad, dat nooit echt is uitgepraat.
Je moet niet teveel de kant van die ander opkijken, want je wordt er nog aan herinnerd.
Je zit naast iemand, die ooit eens iets gezegd heeft, dat niet zo heel tactisch was,
je vermoedt dat degene die naast je zit allang vergeten is, wat hij of zei ooit tegen je zei,
maar je weet het nog steeds en toch is hij of zij degene die je de schaal en de beker aanreikt
en jou de tekenen van genade en vergeving overhandigt, in naam van Christus.
Samen zit je aan de tafel van Christus en allebei heb je de genade nodig.
Mag die opmerking nog een belemmering zijn om de schaal en de beker aan te nemen?
Betekent dat de tekenen van brood en wijn, die heenwijzen naar de genade is er is,
betekent dat je deze tekenen ontvangt, dat je die opmerking voortaan moet vergeten
en er niet meer zo mee bezig moet zijn, omdat je zelf ook genade nodig hebt
en je naast iemand zit, bij wie je zelf ook weer iets aangericht hebt?
Of betekent het nog iets anders, dat je het ook bij Christus mag brengen
en in Zijn handen mag leggen en dat Hij weet wat er tussen jullie zich afspeelde?
Heel makkelijk kunnen we voor elkaar een belemmering zijn om bij Christus te komen.
En toch zegt het avondmaal, dat de Heere ons met elkaar verbindt, één van hart maakt.
Niet losse individuen, die toevallig een plek aan de tafel hebben,
die allemaal iets met Christus hebben en die als ze de kerk verlaten
weer ieder de eigen kant op gaat, zonder nog iets met elkaar te maken te hebben.
Nee, in het avondmaal gevormd tot één lichaam.
En ik denk dat we dat niet moeten beperken tot onze kerk alleen,
maar alle kerken die er zijn in Oldebroek en over heel de wereld: samen dat ene Lichaam.
Gevormd tot één lichaam, omdat we elkaar nodig hebben om verbonden te zijn met God.
Johannes verbindt dat hier ook aan elkaar:
verbonden met elkaar en verbonden met de Vader en met Christus.
Die verbondenheid is zowel een opdracht, die we hebben,
een verantwoordelijkheid die we voor elkaar gekregen hebben,
waar we ons niet van kunnen afmaken.
Maar ook een geschenk van God, een gemeenschap, waarin Hij ons opneemt,
waarin Hij ons een plek geeft en anderen om ons heen.
Het is een verantwoordelijkheid om niet te veel uit elkaar te groeien,
zodat je elkaar niet meer begrijpt.
De tijd nemen om naar elkaar te luisteren, te begrijpen hoe iemand anders denkt, gelooft.
Om zelf wellicht ook te vertellen hoe de Heere werkt in jouw leven.
De tijd nemen om elkaar op te zoeken.
De tijd nemen om voor elkaar te bidden.
Op de opleiding leerde ik bij het vak pastoraat:
Het gaat erom dat we gossip veranderen in gospel.
Gossip: roddel. Gospel: het evangelie van onze Heere/
In plaats van ongezonde nieuwsgierigheid, doorvertellen omdat het smeuïg is,
betrokkenheid tonen en oprecht mee te leven.
Als je het doorvertelt, om dan te laten merken dat je om die ander geeft
en iemand anders ook verantwoordelijk maakt om mee te leven en naar je om te zien.
Gospel: evangelie – oog krijgen voor hoe de Heere werkt in iemands leven
en dat doorvertellen en de Heere danken voor die persoon

en voor de genade die de Heere laat merken.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen, omwille van Christus, onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen. Daartoe helpe ons de almachtige en barmhartige God en Vader van onze Heere Jezus Christus, door Zijn Heilige Geest.

Die verbondenheid met elkaar is nodig om verbonden te blijven met de Heere.
We hebben avondmaal gevierd.
We hebben vanmorgen weer mogen ervaren, mogen proeven
hoe het is dat de Heere ons weer opneemt in Zijn gemeenschap, met ons verder wil
en dat Hij zo in ons wil werken, dat we groeien in geloof, andere mensen worden,
vol van Hem, vol van Zijn Geest.
Het avondmaal vieren, aan de tafel aangaan, is de belofte geven aan de Heere
dat je in de komende tijd uit die gemeenschap wilt leven.
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Avondmaal is geen momentopname, niet alleen maar iets voor 30 juni 2019,
maar geldt ook voor de komende maanden,
als je morgen op je werk komt.
Als je het komend weekend een weekendje weg bent.
laat ieder zijn geweten onderzoeken of hij ook gezind is voortaan met zijn hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of hij, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met zijn naaste te leven.

Want de Heere is dat waard. In Zijn zorg voor ons geeft Hij mensen om ons heen.
Die over Hem vertellen. Die voorleven hoe je met God kunt leven.
Die meeleven en ons aanspreken, die ons stimuleren en ons een voorbeeld zijn.
Voor wie wij zelf een voorbeeld mogen zijn, die zich aan ons optrekken.
Samen met elkaar de weg van Christus gaan.
Als je zo met elkaar optrekt, kom je bij de Heere uit. Samen bij de Heere uit.
Een  gemeenschap waarin God werkt, een gemeenschap die God eert
met woord en daad. Amen

Ademnood en vitaliteit

Ademnood en vitaliteit.
Terugblik op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond

In veel gemeenten binnen de Gereformeerde Bond zijn veranderingen aan de gang. De liturgie verandert: naast de Psalmen uit de Oude Berijming wordt nu gebruik gemaakt van Op Toonhoogte en Weerklank. Een misschien nog wel veel grotere verandering is dat het bezoek aan de kerkdienst terugloopt, zeker in de middag- of avonddienst. Omdat gemeenteleden overstappen naar een andere gemeente of het belang van kerkdienst niet meer inzien en makkelijker wegblijven. In veel gemeenten zijn ook spanningen rondom de koers van de gemeente. Of conflicten tussen gemeente en predikant.

Secularisatie?
Zijn dat tekenen dat de secularisatie nu ook in de kringen van de Gereformeerde Bond is aangekomen? Afgelopen donderdag en vrijdag was er door de Gereformeerde Bond daarom een conferentie belegd om ervaringen uit te wisselen en elkaar toe te rusten. We lazen ter voorbereiding een artikel uit 1996 over Godsverduistering en ademnood. Op de eerste dag werd Godsverduistering nog wel genoemd, maar ik kreeg de indruk dat het vooral de sfeer van de jaren-’80 opriep en dat daarom het woord niet door iedereen werd overgenomen. Het woord ademnood raakte wel meer een snaar. Al werd niet uitgelegd wat er met die ademnood werd bedoeld en kon iedereen zijn eigen ervaring er aan koppelen.

Kwetsbaar voor nostalgie
De opzet, waarbij er nogal eens teruggeblikt werd op de afgelopen decennia, maakte de aanpak kwetsbaar voor een vorm van nostalgie. Al werd ons voorgehouden dat het voor de Gereformeerde Bond nu echt tijd is om de secularisatie te gaan verwerken en de gevolgen niet weg te lakken onder een vroom vernis. Er werd teruggegrepen op de discussie dr. H. Berkhof – ds. G.  Boer, waarbij deze keer gezegd werd, dat ds. Boer het punt van Berkhof over de opkomende secularisatie niet aanvoelde.

Grote woorden
Om de tijd te duiden werd er een grote lijnen getrokken en grote woorden gebruikt. Persoonlijk had ik liever gezien dat navraag gedaan werd in hoeverre de verschijnselen die door godsdienstsociologen en cultuurfilosofen werd opgemerkt ook in de gemeenten spelen. Kun je er vanuit gaan dat die verschijnselen, zoals transcendentieverlies, onttovering van de wereld, natuurwetenschappelijk wereldbeeld echt ook impact hebben op de gemeenten? Er zullen gemeenten zijn, waarbij die effecten gemerkt worden.

Ongelijktijdigheid
Door mijn rol als voorzitter van de classis Hattem en betrokkenheid bij de Generale Raad van Advies heb ik gemerkt dat er een grote ongelijktijdigheid is: wat in de ene regio speelt, speelt in een andere regio helemaal niet. Sinds ik predikant ben iets ten oosten van het midden, valt mij op dat vanuit dit deel van het land (en ik vermoed dat het voor het noorden niet anders is) er een andere kijk op Nederland is. Ik krijg de indruk dat dit ook voor kerkelijk Nederland geldt. Ontwikkelingen in het oosten van Nederland zouden wel eens anders kunnen zijn dan in het westen.

Ik bedoel niet persé rooskleuriger: in de Achterhoek hebben de gemeenten het net zo moeilijk als in Noord-Holland. Toch is in bepaalde streken van het oosten God onderdeel van het dagelijks leven. Hij hoort er gewoon bij. Net als kerkgang. Al ga je zelf dan misschien niet meer, je ouders gaan nog wel. Al zijn je kinderen misschien niet meer gedoopt, ze gaan nog wel naar een christelijke basisschool. Mijn ervaring is dat in het oosten er nog volop een structuur is om naar de kerk terug te keren als je afgehaakt bent. In het westen van Nederland is die structuur voor een groot deel verdwenen, waardoor mensen die kerkgang weer op zouden willen pakken niet weten waar ze moeten beginnen.

Ademnood
In de afgelopen dagen heb ik me ook de vraag gesteld: wat zegt het over ons als predikanten dat we ademnood krijgen in deze tijd? In de lezingen en in de wandelgangen werd er vooral gekeken naar de cultuur die verandert en de gemeenteleden die zich door die veranderingen in de luren laten leggen. Een enkele collega gaf aan: die secularisatie werkt ook in mij. Houden we onszelf niet teveel buiten schot als we bepaalde ontwikkelingen in de cultuur en in de kerk duiden als ademnood of zelfs als Godsverduistering? We lazen een artikel van Herman Oevermans van tevoren, waardoor de toon eigenlijk al somber was ingezet.

Teveel menselijke zekerheid
Wat was er gebeurd als we een artikel gelezen hadden van A.A. van Ruler over God en de chaos? In dat artikel zegt Van Ruler, dat God onze zekerheden omver kan werpen omdat het menselijke zekerheden zijn. Zou er in de kerk in de afgelopen decennia ook niet teveel menselijke zekerheid zijn geweest? Bijvoorbeeld door te denken dat de secularisatie ons niet kan raken, omdat we de Schrift en de Belijdenis hebben, omdat we orthodox genoeg zijn? Is dat niet eerder een vorm van struisvogelpolitiek geweest? Waarom hebben we in onze kringen niet geleerd van de achteruitgang in gemeenten met een heel andere ligging? Waar was de betrokkenheid op de classis of in de werkgemeenschap op gemeenten, die het in de afgelopen decennia reeds zwaar te verduren hadden?

Niet op voorbereid
In de 12,5 jaar dat ik nu predikant ben, heb ik veel gepreekt in kleine gemeenten, waarbij de jongste kerkganger in de 60 was. Daarbij heb ik altijd het besef gehad, dat deze ontwikkeling ook in kringen van de Gereformeerde Bond zou kunnen komen. Wat me vooral als vraag bij bleef, is waarom zijn we daar niet op voorbereid?
Dat geldt ook voor mijzelf. Ik kwam uit het kerkelijke Veenendaal in Noord-Holland terecht, waar de kerk anders was. Dat gaf een grote cultuurschok, waar ik niet op voorbereid was. Daarnaast begon ik net na de fusie van de PKN, waardoor alle structuren eigenlijk zo goed als weg waren. Omdat ik net uit een andere kerk kwam, had ik ook niet zelf een netwerk waar ik op kon terugvallen. Dat gebrek aan netwerk en die cultuurschok waar ik niet op voorbereid was, deden mij enorm twijfelen.

Twijfel
Nu had ik al een enorme twijfel, maar die werd behoorlijk versterkt. Achteraf heb ik die twijfel leren duiden als eenzaamheid. Niet dat ik binnen de gemeente geen contact had. Gelukkig genoeg fijne contacten en ik heb er een mooie tijd gehad en veel beleefd. Het vrije paste me meer dan een strakke structuur in een plaats met vaste kerkelijke kaders, maar had ook duidelijke schaduwkanten voor mij.

Predikant in zo’n context
Wat mij in die tijd had kunnen helpen, was een duidelijke visie op de rol van predikant in zo’n context: bezig met de Schrift, sensitief voor de omgeving, serieus luisterend naar de aanvechtingen, maar toch ook een geloof dat het alles in Gods hand ligt en dat ik daar niet voor niets ben. Eugene Peterson had me kunnen helpen. Al leerde ik die later pas kennen. Monastieke gewoonten, zoals een gestructureerd geestelijk leven had me kunnen helpen: gewoon doorgaan, al stormt het in je hart vanwege alle aanvechtingen. Wat me ook had kunnen helpen is een visie op wat gemeente en liturgie: hoe kun je een kerkdienst houden als je met 10 – 20 mensen bij elkaar bent in een oude, monumentale kerk? Wat betekent dat voor het zingen en voor de preek? Hoe maak je kinderen vertrouwd met kerkliederen en psalmen als ze dat niet op school leren?

Zwaarmoedigheid als ongeloof
Een theoloog die mij in die tijd hielp was Christian Möller. Hij hielp mij om gewoon als predikant mijn taak te doen en de kerk, hoe klein ook, kerk te laten zijn. Hij hielp mij ook om kritisch naar mijzelf te kijken. Hij leerde mij, dat Schwermut scheert langs het ongeloof. Voor mijzelf heb ik geleerd dat zwaarmoedigheid zelfs ongeloof is: je vergeet dat er een God is die alle dingen nieuw kan maken. Ten diepste wantrouwen: je gelooft niet dat God het kan of zal doen. Een van de pijlers van het werk van Möller is de zondeleer en de vraag van Anselmus: besef je wel hoe ernstig de zonde is?

Van nature geneigd
Daarbij kijk je niet naar anderen maar naar jezelf. Je hebt anderen nodig, die je op de zonde in jezelf te wijzen, omdat je voor jezelf de schijn ophoudt dat je gelovig bent. Daardoor heb ik geleerd om de Catechismus op mijzelf toe te passen: Ik ben van nature geneigd om God en mijn gemeente te haten. Dat ik dat niet doe, is genade. Ik mag het ook niet doen, want dan komt de oude mens boven. Het moet een gevecht zijn als ik kritisch zou zijn op de gemeente om eerst naar mijzelf te kijken: kijk ik wel goed? Duid ik wel goed? Want als onze beste werken met zonde bevlekt zijn, geldt dat ook voor mijn duiding van de tijd en voor mijn kijk op de gemeente.

Verwachting dat God er zal zijn
In de loop van de jaren dat ik rondpreek heb ik een hoge waardering voor de kerk gekregen. Op onverwachte plekken komen mensen bij elkaar in verwachting dat God er ook zal zijn. Ik deed in Purmerend diensten in verzorgingstehuizen. Er waren er tien aanwezig, waarbij de jongste aanwezige 86 was. Als 28jarige predikant ging ik voor in die diensten op donderdagmiddag. Ik nam een cd met koormuziek mee, zodat de dienst niet afhankelijk was van de ielige stemmen. Bij een andere verzorgingstehuis kwam ik aan en bleek er op een rooms-katholieke viering gerekend te zijn. Er kwam echter geen pastoor, maar een predikant. De viering gebeurde toch maar op de katholieke manier. De hostie werd in de wijn gedoopt en uitgedeeld, waarbij ik zei tegen de aanwezigen: Dit is het lichaam van Christus voor u. In het rondpreken heb ik gemerkt, dat er zelden meer iemand uit gewoonte naar de kerk komt. Mensen die komen willen iets van God gewaarworden. In de liederen die ze zingen. In de preek die ze horen.

Op zoek naar gereformeerde bevinding
Sinds enige tijd ben ik bezig met K. Schilder, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Schilder en Noordmans waren in hun tijd op zoek naar een gereformeerde bevinding, een eigentijdse gereformeerde mystiek. Ook Noordmans gaf aan, dat het niet meer op de traditionele manier kon en dat men weer moest beginnen bij de Schrift. Ik denk dat het eigen is aan gereformeerde bevinding: dat je steeds opnieuw moet beginnen. Geloof, Bijbel, aanwezigheid van God, bevinding – dat is niet iets dat je ‘hebt’, je moet het steeds ontvangen en zoeken. En vormen hebben, die dat zoeken vormgeven. Vormen die de aanvechting een plek geven, maar wel op zo’n manier dat je door die aanvechting groeit naar een tweede naïviteit. Ik ben nooit echt zonder twijfel geweest. Ik heb me geregeld afgevraagd waarom juist ik predikant moet worden. Soms denk ik dat het is juist omdat ik steeds besef dat ik het niet ‘heb’. Alleen heb ik wel moeten leren, dat ik daarin niet moet blijven steken. Dat is niet mijn roeping, niet mijn taak.

Ontzaglijk ruime wereld
Als ik mijn exegese doe, betreed ik in een ontzaglijk ruime wereld, waarin mijn hart niet altijd mee kan komen, maar waarin ik wel merk dat God daar is. Aanvechting heeft de neiging om je hart daarvoor te sluiten, maar wekt ook een sterk verlangen naar God. Vanuit de exegese, waar je soms net als Petrus, Johannes en Jakobus mag zien hoe Christus van gedaante verandert, moet je weer naar beneden, met je preek de gemeente in. Dat blijft wel behelpen. Want welke woorden kunnen weergeven wie Christus is?

Vitaliteit
Terugkijkend op de conferentie denk ik, dat voor mij in ieder geval aanvechting weer op de agenda staat. Samen met volharding. En zelfonderzoek. Al zijn die thema’s nooit echt weg geweest. En dan vooral: wat betekent het om als predikant, die de aanvechtingen kent, toch oog te blijven houden voor wat God in deze tijd doet? Welke vormen heb ik, die mijn aanvechting serieus nemen, maar ook weer verder leiden? Welke mensen zijn mij voorgegaan en gaan mij die weg mee? In de afgelopen jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van de gereformeerde traditie, omdat die zowel de aanvechting en de volharding, als het zelfonderzoek en het oog voor de mensen, die God je geeft om je heen, leert.