Naastenliefde

Naastenliefde als ethiek op ooghoogte: de ander écht zien

Het is een van de bekendste christelijke begrippen: naastenliefde. De Duitse theoloog Thomas Söding heeft er een boek over geschreven. Hij zet Jezus’ opdracht tot naastenliefde in een verrassend perspectief.

Naastenliefde is een toonaangevend begrip in de christelijke ethiek, omdat naastenliefde in het onderwijs en het leven van Jezus een belangrijke plaats innam. Die naastenliefde geldt ook voor degene met wie je het niet goed kunt vinden, zegt Jezus. ‘Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel’ (Matteüs 5:44-45a).

Deze woorden van Jezus zijn zo bekend, dat gemakkelijk de indruk bestaat dat hij de liefde voor de naaste heeft ingevoerd, schrijft Söding, katholiek theoloog en nieuwtestamenticus aan de Ruhr-Universiteit. Dat is niet zo. Door deze opdracht aan zijn leerlingen te geven toont Jezus zich een zoon van Israël. Als hij in de Bergrede de opdracht tot naastenliefde geeft, citeert Jezus uit de Thora een gebod dat de Heer aan zijn volk heeft gegeven: Heb je naaste lief als jezelf (Leviticus 19:18, 34).

Ook in de radicale uitleg, waarmee hij de opdracht tot naastenliefde uitbreidt tot het liefhebben van de vijand, is Jezus niet uniek, benadrukt Söding. In de context van de Heiligheidswet (Leviticus 19-26) wordt ook de vreemdeling, de niet-Israëliet als naaste gezien. Ook op andere plaatsen in het Oude Testament wordt de vreemdeling als naaste gezien. Zo mag een Israëliet niet het hoofd wegdraaien als hij ziet, dat de lastdier van een niet-Israëliet onder de last bezwijkt (Deuteronomium 22:1-4).

31567-1_Soeding_Naechstenliebe_V7.indd

Over grenzen

In de Thora is de Heer de basis van de naastenliefde. Omdat de Heer Israël liefheeft en Israël heeft uitgekozen is, krijgt het volk de opdracht om als volk van de Heer die liefde naar anderen uit te dragen. Niet alleen binnen het eigen volk, maar ook over de grenzen van het eigen volk. De Heer is immers de enige God die er is en Schepper van hemel en aarde. De andere volken hebben ook hun leven aan de liefde en zorg van de Heer als schepper te danken. Naastenliefde is het doorgeven dan de zorg en de liefde die Israël zelf van de Heer ontvangt. In de uitwerking van de naastenliefde in de Heiligheidswet wordt zichtbaar dat de naastenliefde is een ethiek van aangezicht tot aangezicht is, aldus Söding. Een ethiek op ooghoogte waarbij men elkaar in de ogen kijkt om elkaar echt te zien.
Het is niet verwonderlijk dat het gebod tot naastenliefde een belangrijke kern is in het onderwijs van Jezus. In zijn onderwijs werkt hij steeds die ethiek van aangezicht tot aangezicht uit, beschrijft Söding. Zijn optreden wordt steeds gekenmerkt door die ethiek op ooghoogte, waarbij de ander echt wordt gezien. Maar niet alleen in zijn onderwijs en zijn praktijk is de naastenliefde voor Jezus belangrijk. Het unieke van Jezus is dat de naastenliefde een christologische invulling krijgt: zijn eigen leven en zijn komst naar deze aarde is zelf uitdrukking van de naastenliefde die God heeft. Ook in de radicalisering om de vijanden lief te hebben. Jezus geeft van zichzelf aan dat hij de vervulling is van de wet. Die vervulling van de wet houdt in dat Jezus niet de wetten en richtlijnen van de Heer uit de Thora afschaft, maar de oorspronkelijke intentie met zijn eigen leven vervult.

De naastenliefde staat in het teken van Jezus’ zending en van zijn boodschap over het koninkrijk van God. Zijn komst naar de aarde is de belichaming van Gods liefde, ook voor degenen die God afwijzen. Zijn komst, zijn optreden en zijn sterven aan het kruis is Gods naastenliefde. Hij vervult met zijn woorden en daden en met zijn leven dit gebod.
In het Oude Testament wordt het gebod van de naastenliefde wel gekenmerkt door een spanning. Wanneer iemand vijandig tegenover God is, is dat in het Oude Testament vaak wel een grens: Zou ik niet haten wie u haten, Heer, niet verachten wie tegen u opstaan? (Psalm 139: 21). De haat tegenover Gods vijanden krijgt echter niet een plaats in de ethiek. De Israëliet wordt niet opgeroepen de vijanden van God te doden. Deze haat krijgt een plaats in het gebed: in de worsteling met God, waarbij de bidder een appel doet op Gods gerechtigheid.

Spanning

Daarmee draagt de naastenliefde in het Oude Testament een spanning in zich: ieder met wie men omgaat is een naaste. Wanneer men zich echter tegen God keert is een grens bereikt: de grens van Gods gerechtigheid. In het vroege Jodendom blijft die spanning bestaan. De naaste is dan vaak de mede-Israëliet. De haat tegen de vijanden van God blijft ook aanwezig. Niet als een oproep om geweld tegen hen te gebruiken, maar als een oproep voor de Jood om zich van de kwaaddoeners af te keren.

In het onderwijs van Jezus krijgt deze spanning ook een plaats, door voor de vijand het tegenovergestelde te doen: in plaats te wreken,te reageren met een zegen en een gebed voor de vijand. Jezus bracht dat zelf ook in praktijk doordat hij, terwijl hij aan het kruis werd geslagen, bad om vergeving voor zijn vijand. In de Bergrede gaf Jezus aan, dat dit gebed in lijn staat met wat God doet: Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matteüs 5:45).
Jezus draagt zijn leerlingen op hem na te volgen. Door de naastenliefde in praktijk te brengen, worden mensen onderdeel van het koninkrijk van God, dat Jezus verkondigde en dat in Jezus is aangebroken. Naastenliefde is een vorm van zelfverloochening en het dagelijks opnemen van het kruis. In de eerste gemeenten die ontstonden krijgt de naastenliefde een belangrijke rol. Naar binnen toe is de liefde die men zelf ontvangt de norm voor hoe men met anderen omgaat. Ook in conflicten die de gemeenten verdelen. Naar buiten toe is naastenliefde een manier om aan anderen de goedheid en genade van Christus uit te dragen. Kort nadat de gemeenten ontstaan begint ook de eerste vervolging. In die tijd neemt de naastenliefde toe: in het verdragen van het onrecht en het gebed om bekering van de vervolgers.

 

* N.a.v. Thomas Söding, Nächstenliebe. Gottes Gebot als Verheißung und Anspruch (Freiburg/Basel/Wien: Herder Verlag, 2015)


 

Advertenties

naastenliefde

Naastenliefde

31567-1_Soeding_Naechstenliebe_V7.indd

Naastenliefde is een toonaangevend begrip in de christelijke ethiek, omdat naastenliefde in het onderwijs en het leven van Jezus een belangrijke plaats innam. Die naastenliefde geldt ook voor degene met wie je het niet goed kunt vinden: ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. (Matteüs 5:44-45a)

Deze woorden van Jezus zijn zo bekend, dat gemakkelijk de indruk bestaat dat hij de liefde voor de naaste heeft ingevoerd. Dat is niet zo. Door deze opdracht aan zijn leerlingen te geven toont Jezus zich een zoon van Israël. Als hij in de bergrede de opdracht tot naastenliefde geeft, citeert Jezus uit de torah een gebod dat de Heer aan zijn volk heeft gegeven: Heb je naaste lief als jezelf (Leviticus 19:18, 34). Ook in de radicale uitleg, waarmee hij de opdracht tot naastenliefde uitbreidt tot het liefhebben van de vijand, is Jezus niet uniek. In de context van de Heiligheidswet (Leviticus 19-26) wordt ook de vreemdeling, de niet-Israëliet als naaste gezien. Ook op andere plaatsen in het Oude Testament wordt de vreemdeling als naaste gezien. Zo mag een Israëliet niet het hoofd wegdraaien als hij ziet, dat de lastdier van een niet-Israëliet onder de last bezwijkt (Deuteronomium 22:1-4).

Ethiek op ooghoogte

In de torah de Heer de basis van de naastenliefde. Omdat de Heer Israël liefheeft en Israël heeft uitgekozen is, krijgt het volk de opdracht om als volk van de Heer die liefde naar anderen uit te dragen. Niet alleen binnen het eigen volk, maar ook over de grenzen van het eigen volk. De Heer is immers de enige God die er is en Schepper van hemel en aarde. De andere volken hebben ook hun leven aan de liefde en zorg van de Heer als schepper te danken. Naastenliefde is het doorgeven dan de zorg en de liefde die Israël zelf van de Heer ontvangt God. In de uitwerking van de naastenliefde in de Heiligheidswet wordt zichtbaar dat de naastenliefde is een ethiek van aangezicht tot aangezicht is.een ethiek op ooghoogte waarbij men elkaar in de ogen kijkt om elkaar echt te zien.

Vervulling
Het is niet verwonderlijk dat het gebod tot naastenliefde een belangrijke kern is in het onderwijs van Jezus. In zijn onderwijs werkt hij steeds die ethiek van aangezicht tot aangezicht uit. Zijn optreden wordt steeds gekenmerkt door die ethiek op ooghoogte, waarbij de ander echt wordt gezien. Maar niet alleen in zijn onderwijs en zijn praktijk is de naastenliefde voor Jezus belangrijk.
Het unieke van Jezus is dat de naastenliefde een christologische invulling krijgt: Zijn eigen leven en zijn komst naar deze aarde is zelf uitdrukking van de naastenliefde die God heeft. Ook in de radicalisering om de vijanden lief te hebben. Jezus geeft van zichzelf aan dat hij  de vervulling van de wet. Die vervulling van de wet houdt in dat Jezus niet de wetten en richtlijnen van de Heer uit de torah afschaft, maar de oorspronkelijke intentie met zijn eigen leven vervult. De naastenliefde staat in het teken van Jezus’ zending en van zijn boodschap over het koninkrijk van God. Zijn komst naar de aarde is de belichaming van Gods liefde, ook voor degenen die God afwijzen. Zijn komst, zijn optreden en zijn sterven aan het kruis is Gods naastenliefde.  Hij vervult met zijn woorden en daden en met zijn leven dit gebod.

Spanning
In het Oude Testament wordt het gebod van de naastenliefde wel gekenmerkt door een spanning.  Wanneer iemand vijandig tegenover God is, is dat in het Oude Testament vaak wel een grens: Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie tegen u opstaan? (Psalm 139:21). De haat tegenover Gods vijanden krijgt echter niet een plaats in de ethiek. De Israëliet wordt niet opgeroepen de vijanden van God te doden. Deze haat krijgt een plaats in het gebed: in de worsteling met God, waarbij de bidder een appèl doet op Gods gerechtigheid.
Daarmee draagt de naastenliefde in het Oude Testament een spanning in zich: Ieder met wie men omgaat is een naaste. Wanneer men zich echter tegen God keert is een grens bereikt: de grens van Gods gerechtigheid. In het Vroege Jodendom blijft die spanning bestaan. De naaste is dan vaak de mede-Israëliet. De haat tegen de vijanden van God blijft ook aanwezig. Niet als een oproep om geweld tegen hen te gebruiken, maar als een oproep voor de Jood om zich van de kwaaddoeners af te keren.
In het onderwijs van Jezus krijgt deze spanning ook een plaats, door voor de vijand het tegenovergestelde te doen: in plaats te wreken te reageren met een zegen en een gebed voor de vijand. Jezus bracht dat zelf ook in praktijk doordat hij, terwijl hij aan het kruis werd geslagen, bad om vergeving voor zijn vijand. In de bergrede gaf Jezus aan, dat dit gebed in lijn staat met wat God doet:
Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen ( Mattheüs 5:45).

Navolging
Jezus draagt zijn leerlingen op hem na te volgen. Door de naastenliefde in praktijk te brengen, wordt men onderdeel van het koninkrijk van God, dat Jezus verkondigde en dat in Jezus is aangebroken. Naastenliefde is een vorm van zelfverloochening en het dagelijks opnemen van het kruis. In de gemeenten die ontstaan krijgt de naastenliefde een belangrijke rol. Naar binnen toe is de liefde die men zelf ontvangt de norm voor hoe men met anderen omgaat. Ook in conflicten die de gemeenten verdelen. Naar buiten toe is naastenliefde een manier om aan anderen de goedheid en genade van Christus uit te dragen. Kort nadat de gemeenten ontstaan begint ook de eerste vervolging. In die tijd neemt de naastenliefde toe: in het verdragen van het onrecht en het gebed om bekering van de vervolgers.

N.a.v. Thomas Söding, Nächstenliebe. Gottes Gebot als Verheißung und Anspruch (Freiburg / Basel / Wien: Herder Verlag, 2015)

De verkondiging van Jezus: gebeuren en herinnering

De verkondiging van Jezus: gebeuren en herinnering

De verkondiging van Jezus was een gebeuren. Deze verkondiging had een grote impact. In ieder geval op Zijn volgelingen: Zij geloofden dat Hij Gods Woord verkondigde en dat Hij de Messias was. In de evangeliën schreven Zijn leerlingen op, hoe zij Jezus zagen. In de evangeliën beschreven zij het het gebeuren van Jezus op zo’n manier, dat daarin reeds een verband te zien is met Zijn sterven en opstaan. In de beschrijvingen van Zijn leven lieten ze zien dat al reeds tijdens Zijn leven sprake was dat Jezus de Messias was, de Zoon van God, degene die voor mensen het heil bewerkstelligde.

Onderzoek naar de historische Jezus
In de moderniteit was juist de reden dat de volgelingen van Jezus het aardse leven van hun Heer beschreven vanuit het gebeuren van Goede Vrijdag en Pasen om te twijfelen aan de historische betrouwbaarheid van die beschrijvingen. De historisch-kritische exegese wilde voorbij gaan aan die herinnering, die door het sterven en opstaan van Jezus werd gestempeld, om te kunnen achterhalen hoe de echte Jezus was geweest. Omdat dit reconstructieproces met historische methoden gebeurde, wordt deze proces ook wel de zoektocht naar de historische Jezus genoemd.

Deze zoektocht bestaat uit een aantal fasen:

(1) In de eerste fase maakte men een onderscheid tussen de Jezus zoals die echt geleefd zou hebben en tussen de verkondiging van Christus zoals dat vanaf het ontstaan van de christelijke gemeente gebeurde. Men geloofde dat de christelijke gemeente allerlei geloofswaarheden had geprojecteerd en zo Jezus een veel hogere status had gegeven dan Hij in werkelijkheid zou hebben gehad. Deze projectie gebeurde onder andere, omdat de christenen het abrupte einde van Jezus niet konden verwerken en hun rouw en verdriet over het sterven van Jezus omzetten in een geloof dat Hij verschenen was.

Aan het begin van de 20e eeuw beschreef Albert Schweitzer deze zoektocht vanaf de 18e eeuw tot zijn eigen tijd (Van Reimarus tot Wrede). Daarin liet hij zien dat bij deze zoektocht naar de historische Jezus weliswaar gestreefd werd naar wetenschappelijk objectiviteit, maar in de praktijk de resultaten van dit reconstructieproces een heel subjectief beeld van Jezus opleverden. De historische Jezus kwam overeen met de eigen theologie of de tijdsgeest van de desbetreffende wetenschapper. Schweitzer zelf ging uit van het anders-zijn van Jezus door aan te geven dat Jezus apocalypticus was. (Maar ook dat beeld paste in de apocalyptische stemming die begin 20e eeuw reeds voor het begin van de WO I opgang maakte.)

Dit boek veroorzaakte wel een crisis in de theologie en in de zoektocht naar de historische Jezus. Rudolf Bultmann was bijvoorbeeld van mening dat de theologie wel onderzoek moest doen naar de historische Jezus. Hij schreef daar zelf een boek over. Hij was echter van mening dat deze historische Jezus niet in de theologie verwerkt moest worden. Jezus behoort wel tot de vooronderstellingen, maar als Jood diende de historische Jezus geheel tot het Jodendom gerekend te worden. Hij schreef zijn Theologie van het Nieuwe Testament zonder de historische Jezus. Voor hem was Jezus wel belangrijk, maar dan vooral vanuit de impact in het heden: de existentiële beslissing waarvoor men in het heden is gesteld.

(2) De volgelingen van Bultmann namen het onderscheid dat hij maakte tussen de verkondigde Christus en de historische Jezus. Zij bekritiseerden echter de gedachte dat de historische Jezus geen plek toekwam in de theologie van het Nieuwe Testament. Zijn volgelingen luidden een nieuwe fase van de zoektocht in, omdat zij in de verkondiging van de gemeente zochten naar een verbindend criterium met de verkondiging van de historische Jezus. Vanuit de theologie van de gemeente vroegen zij terug naar de naar de verkondiging van Jezus (Günther Bornkamm, Ernst Käsemann).
Anderen, zoals Joachim Jeremias, startten bij Jezus zelf en gingen uit van de verkondiging van Jezus zelf en zagen een grotere eenheid tussen de verkondiging van Jezus zelf en de verkondiging van de christelijke gemeenten over hem.

(3) De derde fase werd ingeluid door E.P. Sanders en zijn boek over het Jodendom van de tijd van Jezus. In deze fase werd de historische Jezus in de context van Zijn tijd geplaatst. Dat was niet nieuw, want ook in de beide andere fasen werd Jezus als Jood beschreven en werd het toenmalige Jodendom onderzocht op de betekenis voor de historische Jezus (Gerhard Kittel, Adolf Schlatter). Het nieuwe van deze fase zijn de methoden: sociaal-wetenschappelijke methoden, invalshoeken met een hermeneutiek van verdenking (zoals de feministische exegese of de bevrijdingstheologische exegese). Voor een deel van de onderzoekers uit deze fase ligt de nadruk zozeer op het mens-zijn van Jezus dat de verkondiging over Hem uit beeld verdwijnt.

(4) Met de invalshoek van de herinnering zou wel eens een nieuwe fase ingeluid kunnen zijn. Anders dan in de 3e fase is de herinnering van Jezus’ volgelingen geen barrière die gepasseerd moet worden. De herinnering aan Jezus, zoals deze door de volgelingen is opgetekend, is de enige mogelijke weg naar de historische Jezus toe te gaan.
De introductie van de herinnering als toegang tot de historische Jezus werd in 2003 gedaan door James D.G. Dunn (Jesus Remembered ). Dit werd versterkt door het eerste deel van de trilogie van paus Benedictus XVI over Jezus van Nazareth, waarin hij sterk de band tussen Jezus en God benadrukte: de vraag naar Jezus is de vraag naar God.

Mogelijk dat ook het spoor van de ooggetuige bij deze fase past. Nieuwtestamentici als Richard Bauckham, Rainer Riesner en Armin D. Baum willen de overlevering over Jezus serieus nemen, omdat het doorgeven van Jezus’ woorden vaal gebeurde door volgelingen die ook ooggetuige van Jezus’ optreden waren.

De katholieke nieuwtestamenticus Thomas Söding neemt ook de categorie van de herinnering als invalshoek. In de herinnering van de volgelingen van Jezus licht op wat Jezus over zichzelf en over God dacht.

N.a.v. van Thomas Söding, Die Verkündigung Jesu – Ereignis und Erinnerung (Freiburg / Basel / Wien: Herder Verlag, 2011)

Thomas Söding over de verschijningen van de opgestane Heer

Thomas Söding over de verschijningen van de opgestane Heer
(vertaling – vervolg op het vorige blog: Thomas Söding over het lege graf)

De tweede plaats waar het paasgeloof ontstaan is, zijn de verschijningen van de Opgestane. Met de ogen van de mensen gezien zijn het visioenen. Met de ogen van God gezien, zo oordeelt het geloof, zijn het openbaringen: openbaringen van de goddelijkheid van Jezus, zijn deelhebben aan de macht en heerlijkheid van de Vader, zijn blijvende nabijheid tot de mensen, zijn heenzending naar de zijnen, het geven van de volmacht aan zijn leerlingen om zijn werk voort te zetten. Boven alles: zijn definitieve overwinning op de dood.

Alle evangeliën hebben kleurige verhalen over verschijningen. (De geschiedenis die in Markus 16:8-20 staat is overigens, zoals de oudste handschriften laten zien, pas later aan het evangelie toegevoegd.)
Dat de verschijningen de geboorteplaats van het paasgeloof zijn komt al in de oudste belijdenistraditie naar voren (zie: 1 Korinthe 15:3-5). De apostel Paulus bericht in een van zijn brieven dat ook hij, hoewel de tijd daarvoor eigenlijk al voorbij was, toch de Heer heeft gezien (1 Korinthe 9:1). Hij duidt dat als openbaring. Door deze openbaring heeft hij de opdracht van Jezus gekregen om het evangelie onder de volkeren te brengen (Galaten 1:15-16), waarbij een gelijkberechtigde positie inneemt naast de andere apostelen.

De huidige theologie pakt de verhalen over de verschijningen makkelijker op dan de verhalen over het lege graf. Hoewel juist de visioenen de verdenking van projectie op zich kunnen laden. Een historisch openbarend handelen van God op het psychische terrein is volgens de nieuwste inzichten van het hersenonderzoek niet gemakkelijker te begrijpen dan een openbaring in het organische. Maar de getuigenissen zijn te oud, te talrijk en te veelsoortig om ze te verklaren als hallucinaties te kunnen. Integendeel: geen verklaring is plausibeler dan de visioenen die de leerlingen hebben gehad, omdat de opgestane Jezus zich heeft laten zien. Wat had Petrus met Paulus gemeen? Wat had Maria Magdalena gemeen met Jakobus? Ze zijn allemaal door middel van verschijningen tot het geloof in de opstanding gekomen, zonder dat er gezegd kan worden dat iemand anderen door middel van hysterie heeft aangestoken.

Zeker: wie in een mechanisch wereldbeeld is gevangen en toegeeft aan het rationalisme, zal principieel uitsluiten wat het Nieuwe Testament zegt: dat Jezus de heerschappij van God heeft gebracht en uit de doden is opgestaan. De discussie over scepsis en hoop moet op een ander niveau gebeuren dan de tekstuitleg. De theologie hoeft voor deze discussie niet bang te zijn, want zij heeft in de huidige filosofie, maar ook in de huidige natuurwetenschappen veel bondgenoten, die met de oude religieuze denkverboden niets kunnen beginnen.

Diepe indrukken
Zeker, er zijn ook bij de verschijningsberichten vragen te stellen. Hoe zeker het ook is dat de leerlingen van Jezus hem als de Opgestane hebben gezien en zijn verschijnen als openbaringen hebben geduid. (De berichten uit het Nieuwe Testament verschillen van elkaar.) Al die berichten laten het handschrift van de evangelist zien. Ze zijn op hun lange wegen van overlevering steeds weer opnieuw verteld, omgevormd, geherwaardeerd en opnieuw georiënteerd. Het zal niet mogelijk zijn om de verschillende stadia van groei haarscherp te onderscheiden. Het helpt ook niet om de verschillende evangeliën tegen elkaar uit te spelen. Want er is niet een verschijning van de opgestane Heer geweest. Er zijn verschillende verschijningen geweest. Er zijn verscheidene verschijningen geweest. Daar wijst Paulus al op (1 Korinthe 15:5-11). De paasevangeliën bieden slechts een kleine selectie van de overweldigende paaservaringen (zie Johannes 20:30-31).

Mattheüs vertelt van een verschijning op een berg in Galilea. Johannes bericht in hoofdstuk 21 van een verschijning aan de Zee van Tiberias. De overige verschijningsverhalen spelen allemaal af in Jeruzalem en omgeving. Het zal niet lukken om alle verhalen op een lijn te krijgen. Het meest waarschijnlijk is dat er zowel in Galilea als in Jeruzalem visioenen van de opgestane Heer zijn geweest. Een visioen in Galilea past bij het begin van de geschiedenis van Jezus, waar de navolging begon; Galilea is de thuisbasis van de elf apostelen. Een visioen in Jeruzalem past bij de locatie van het graf en bij de context van de eerste gemeente, die niet in Nazareth of Kapernaüm gevormd was, omdat Jeruzalem het centrum van Israël is en omdat Jezus daar stierf en opgewekt werd.

Volgens Markus en Lukas hebben de vrouwen in het graf ‘slechts’ engelen gezien. Volgens Mattheüs hebben zij daarna ook de Opgestane zelf gezien (Mattheüs 28:9-10). Johannes, het jongste evangelie, heeft de sterkste vrouwenrol: Maria Magdalena is zelfs de eerste die Jezus aan gene zijde van het graf ziet.
Andere tradities benadrukken de betekenis van Petrus en de discipelkring.

‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!’

horen de Emmaüsgangers (Lukas 24:34) voordat Jezus aan de elf en de andere leerlingen in Jeruzalem verschijnt. Dat komt overeen met 1 Korinthe 15:5:

en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen.

Over de vraag wie de Opgestane als eerste gezien heeft, zijn reeds veel exegetische strijd geleverd – omdat het antwoord kerkpolitieke consequenties schijnt te hebben: Als Simon Petrus de eerste getuige van de opstanding was, is dan de weg naar een pauselijke kerk uitgestippeld? Als Maria Magdalena de eerste was, is dan de vrouw in het ambt geboden?

De Bijbelwetenschap blijft nuchter. Allereerst is zowel de ene consequentie als de andere is een drogreden. In de tweede plaats is de vraag historisch niet met zekerheid te beantwoorden. De berichten onderscheiden zich, maar sluiten elkaar niet per sé uit. In alle gevallen wordt immers de traditie doorgegeven zonder dat een andere traditie bij voorbaat wordt uitgesloten. Beslissend is veelmeer dat er een serie verschijningen heeft plaatsgevonden voor verschillende getuigen: Maria Magdalena en Petrus, de twaalf en de alle apostelen, Jakobus en Paulus. De gelukkige omstandigheid dat wij in het Nieuwe Testament 4 evangeliën hebben en bovendien nog Handelingen en de brieven die door de apostelen geschreven zijn geeft ons een inkijkje in enkele kiemcellen van het paasgeloof die zich in het geloof van de kerk met elkaar hebben verbonden.

Het samenkomen van de ontdekking van het lege graf met de verschijningen zal een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het geloof in de opgestane Heer. De plausibele verklaring voor het lege graf levert uiteindelijk de verschijning van de Opgestane. Het lege graf wijst naar hem. De verschijningen van Jezus veronderstellen het lege graf, omdat Jezus werkelijk uit de doden is opgestaan en aan de leerlingen lichamelijk is verschenen.

N.a.v. Thomas Söding, Der Tod ist tot, das Leben lebt. Ostern zwischen Skepsis und Hoffnung (Ostfildern: Matthias Grünewald Verlag, 2008) 20-24

Thomas Söding over het lege graf

Thomas Söding over het lege graf
(vertaling)

Het Nieuwe Testament zou er zonder het geloof in de opstanding van Jezus uit de doden niet zijn geweest. Dat het geloof in Christus ook gebouwd is op het fundament van het optreden van Jezus heeft paus Benedictus XVI in zijn boek over Jezus van Nazareth laten zien. Maar als Jezus in het graf was gebleven, zouden er hooguit enkele humanisten zijn geweest die zich de weldoener uit Nazareth hadden herinnerd. Of een paar historici die geïnteresseerd zijn in een boeiende persoonlijkheid uit het verleden. Het geloof in de redder die hoop op eeuwig leven geeft, omdat hij aan het kruis gestorven is, zou er niet zijn geweest.

emptytomb

Het geloof in de opstanding van Jezus is echter niet uit de hemel komen vallen. God heeft het de leerlingen niet opgedrongen. Het was hun eigen vrije keuze om nogmaals voor Jezus te kiezen. Ze zijn echter niet door hun eigen overwegingen tot geloof gekomen. Tegen alle verwachtingen in hebben zij de ervaring gehad dat Jezus, die vernederd en tot schande gemaakt was, aan de rechterhand van God is verhoogd. Hij was door een steen verborgen in het donker van het graf, maar verscheen in Gods glans. Hij was als godslasteraar veroordeeld, maar wakkerde het geloof in God opnieuw aan.
Het paasgeloof in geloof in God: geloof in God die de doden opwekt. Maar ook een menselijk geloof. Veel theologen doen moeite om de psychologische verklaringen buiten de deur te houden. De evangeliën in het Nieuwe Testament geven ruimte aan de hoop en angst, de twijfel en verwachting van de leerlingen.

Daaruit kan men overigens niet de conclusie trekken dat de opstanding een projectie is en het evangelie bakerpraat. Want God, zegt de Bijbel, geeft zijn wil op menselijke wijze door. Mensen kunnen God ervaren. God schrijft zich in hun biografie in. De opstanding van Jezus heeft als gebeurtenis de ervaring van mensen gestempeld: de ervaring waar de eerste getuigen van spreken, namelijk dat Jezus leeft.

Op geen enkele plaats in het Nieuwe Testament wordt de opstanding van Jezus als zodanig verteld. Er wordt wel verteld dat het graf leeg gevonden is en dat de Opgestane aan de zijnen is verschenen. De basisvorm van het geloofsgetuigenis van Pasen is het vertellen, omdat dit geloof op ervaringen berust. Paaspreken kunnen in wezen niets anders dan vertellen wat er gebeurd is. Ook de vroegste geloofsbelijdenissen van de eerste christenen hebben de basisstructuur van vertellen.

Het lege graf
De eerste plaats waar het geloof van Pasen verkondigd werd is het lege graf van Jezus. Daar waar de geschiedenis van Jezus tot een einde gekomen leek te zijn, begint deze geschiedenis helemaal opnieuw. De vertellingen over het lege graf zijn in alle evangeliën te vinden. Volgens het Nieuwe Testament zijn het vrouwen die als eerste het lege graf vinden en een vermoeden van de opstanding krijgen.
Dat het vrouwen zijn geweest die als eerste het lege graf hebben gevonden heeft tot gevolg gehad dat er velen geweest zijn die de werkelijkheidsgehalte van de verhalen in twijfel hebben getrokken. De eerste mannen die deze verhalen met scepsis bejegenden waren de apostelen. Lukas vertelt als reactie op het bericht van de vrouwen: Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. (Lukas 24:10-11) Dat het geen gezonde scepsis maar geborneerde scepsis was, werd al vrij snel duidelijk.

Degenen die in de Oudheid het christendom bekritiseerden trokken de betrouwbaarheid van deze getuigen in twijfel. Celsus, een intellectueel die door de kerkvader Origenes bediscussieerd werd, vraagt wat men van een hysterische vrouw kon geloven (Origenes, Contra Celsum 2,55-56). De filosoof Porphyrius, in wezen een intelligente man maar ook een felle bestrijder van het christelijk geloof, gniffelt over de onbenullige plattelandsvrouwtjes, waar de kerk haar geloof aan te danken heeft (Porphyrius, Contra Christianos, fragment 64).

In de moderniteit werd het er niet beter op. Alleen breidden de Duitse geleerden hun vooroordelen uit tot alle mensen uit het Nabije Oosten, die niet in staat waren om duidelijke begrippen te vormen en daarom de eeuwige ideeën van Jezus alleen in de naïeve vorm van verhalen konden doorgeven. Samen met de wonderverhalen kwamen de verhalen over het lege graf in het verdachtenbankje.

De huidige kritiek struikelt over het gegeven dat er geen natuurwetenschappelijke theorie is die het lege graf kan verklaren. Als een lijk na 3 dagen uit een graf verdwenen is, kan daar als schijnbaar de enige plausibele verklaring voor zijn dat het lichaam is weggehaald. Al in de Antieke Oudheid werd dit argument gebruikt om de verhalen over het lege graf te bekritiseren. Moderne critici hebben het verhaal over lijkendiefstal opgewarmd en verbonden met de theorie dat de leerlingen van Jezus groot wilden uitpakken ten koste van Jezus.

Volgens het Nieuwe Testament zijn het echter eenvoudige vrouwen die het graf leeg hebben gevonden en desondanks (hoezeer men dat ook zou kunnen betreuren) geen ambitie hebben gehad. De apostelen die uiteindelijk toch geloofden hebben dit geloof met hun leven moeten bekopen. Het is onwaarschijnlijk dat de leerlingen bedrog in de zin hadden en daarom het lichaam uit het graf hebben weggehaald. Nog afgezien van de vraag of zij überhaupt tijd en gelegenheid hadden om het lichaam uit het graf te halen. Maar omdat er geen rationele verklaringen voor het lege graf te geven zijn, is de heersende mening binnen de Bijbelwetenschap dat de verhalen over het lege graf legenden zijn, die het dogma van de lichamelijke opstanding wilden verbeelden. Deze theorie laat echter altijd nog de vraag naar een mogelijke historische kern open.

empty_tomb_wide

Teken van het geloof.
Het lege graf is volgens het Nieuwe Testament een teken van geloof. Een teken dat alleen maar met de ogen van het geloof op de juiste manier gelezen kan worden. Dat er geen natuurlijke verklaring te geven is, is juist de clou van de boodschap van de opstanding: God heeft gehandeld. Hij heeft Jezus opgewekt. De Zoon van God is mens geworden, met huid en haar. Zolang hij als mens leefde, was hij onderworpen aan de voorwaarden van ruimte en tijd. Maar met de dood is alles afgelopen. De opstanding van Jezus is per definitie geen natuurwetenschappelijk fenomeen, dat men kan wegen, meten, reguleren of herhalen. De opstanding van Jezus is een absoluut uniek gebeuren dat niet onderworpen is aan welke natuurwet dan ook.

De historiciteit van Jezus’ begrafenis kan in twijfel getrokken worden. Overigens werd een gekruisigde na zijn dood over het algemeen niet begraven maar ergens gedumpt. Er waren uitzonderingen. In het geval van Jezus ontfermden prominente Joden zich over het lichaam van Jezus. In alle evangeliën wordt Jozef van Arimathea genoemd, waarbij Johannes ook nog Nicodemus aan toevoegt. Jezus is op Golgotha begraven, niet ver van de plaats van terechtstelling buiten de (toenmalige) stadsmuren, in een tuin. Tot heden weet onderzoekers geen betere plaats te noemen dan de plaats die in de Grafkerk wordt vereerd. Dat voor de eerste christenen het graf onbekend zou zijn geweest is pure speculatie, die gevoed wordt door de moeilijkheden het lege graf te verklaren.

Het volle graf was echter na 3 dagen leeg. Het geloof in de lichamelijke opstanding van Jezus en zijn verhoging aan de rechterhand van de Vader had zich geen seconde in Jeruzalem staande kunnen houden als de beenderen van Jezus nog in het graf van Golgotha te vinden zouden zijn. Aan de andere kant: had men een verhaal vol leugen willen opdienen, die anderen tot het geloof in de opstanding van Jezus zou moeten verleiden, had men veel kunnen doen, maar had men geen vrouwen als eerste getuigen kunnen opvoeren.

Vanaf het moment dat er verteld is over het kruis van Jezus is er ook verteld over het graf van Jezus: over het graf dat vol was en leeg is. De traditie, die door de eerste evangelist (Markus) wordt opgenomen om een generatie later op te schrijven, is oeroud. Deze traditie gaat terug op de eerste en oudste christelijke gemeente in Jeruzalem. Dit evangelie is met bewuste literaire middelen opgeschreven, maar is ook als geloofsgetuigenis opgeschreven. Zij stamt uit een tijd waarin Petrus en Maria Magdalena, de apostelen en de vrouwen uit Galilea, maar ook Pilatus en Kajafas nog hebben geleefd.
De geschiedenis van het graf is een geloofsgetuigenis van de eerste gemeente met een harde historische kern: de steen die het graf gesloten had is weggerold voordat de vrouwen bij het graf aankwamen.

Vertaling van: Thomas Söding, Der Tod is tot, das Leben lebt. Ostern zwischen Skepsis und Hoffnung (Ostfildern: Matthias Grünewald Verlag, 2008) 15-20.

Thomas Söding – Grafstemming

Thomas Söding – Grafstemming
Meditatie over een Paasgedicht van Kurt Marti
(vertaling)

Kurt Marti, de Zwitserse theoloog-dichter, is een radicale: een radicale twijfelaar en een radicale gelovige. Zijn gedicht Het lege graf bouwt de spanning tussen scepsis en hoop op. Deze spanning heeft de paasgeschiedenis steeds bepaald en zal dat altijd blijven doen: scepsis met betrekking tot de opstanding van Christus en de hoop dat de liefde sterker is dan de dood.
Het lege graf is de plaats waar deze spanning bijna ondraaglijk wordt. Want het lege graf was een vol graf. De vrouwen die op de paasmorgen het graf bezoeken weten dat Jezus, hun geliefde heiland, op een gruwelijke manier terechtgesteld is en op bloedige wijze is gestorven. Gestorven en begraven – tot op de dag van vandaag houdt de kerk in haar geloofsbelijdenis vast aan dit harde feit. Tot op de dag van vandaag willen en kunnen velen dat niet geloven. Nog steeds spoken schijndood-theorieën door Jezusromans en boeken met pseudowetenschappelijke onthullingen. Deze boeken hebben niets met de realiteit van doen. Jezus heeft werkelijk geleefd. Hij is ook werkelijk gestorven. Men heeft geen schijndode begraven, maar een werkelijk lijk. Twijfel kan er alleen zijn over de betekenis van deze dood: is het een verdiend einde, een ongeluk, een tragedie? Of is deze dood wat het Nieuwe Testament in veel toonaarden aangeeft: de bezegeling van het lot van Jezus, de culminatie van zijn missie, het hoogtepunt van zijn werken, de doorbraak naar eeuwig leven?

HET LEGE GRAF

een graf grijpt
dieper
dan de gravers
groeven

want ontzettend
is de voorsprong dood

het diepst
grijpt
het graf, dat zelf
de dood begroef

want ontzettend
is de voorsprong leven

Ook het lege graf is geen gegevenheid waar geen vragen over de te stellen zijn. Men kan duizenden theorieën bedenken om deze situatie te verklaren: Zinsbegoocheling? Hysterie? Wensdroom? Massabedrog? Drieste lijkroof?
De evangeliën weten van deze vragen. Zij verdoezelen de twijfel niet. Zij geven echter het woord aan degenen die hopen op de heerschappij van God. Daar staan de getuigen voor in: zoals het graf vol was, zo was het ook leeg. En zij werven voor de boodschap: Het graf was leeg, de held opgestaan.

Hoop tegen hoop
Kurt Marti weet van de twijfel over het paasgeloof. Hij weet ook dat hoop altijd hoop tegen hoop (Romeinen 4:18) is. Zijn gedicht peilt de diepte van het graf. De naam van Jezus valt geen enkele keer. Toch is reeds vanaf de titel duidelijk dat gedicht een gedicht over Jezus is, een paasgedicht, een gedicht over de opstanding. Een leeg graf wacht om gevuld te worden. Of is geplunderd. Het lege graf kan slechts één graf zijn: het graf van Jezus. De godsdienstgeschiedenis kent geen ander voorbeeld. Het graf van Mozes is onbekend. Het lichaam van Boeddha werd verbrand en de as onder acht heuvels begraven. Confucius werd met alle waardigheid door zijn leerlingen begraven. Het graf van Mohammed wordt in Medina vereerd. Alleen van Jezus wordt – tot op vandaag – een graf getoond dat vol was en leeg is. Als Kurt Marti zijn gedicht de titel Het lege graf geeft is het direct duidelijk: het gaat om het graf van Golgotha.
Dit graf is een graf als alle andere graven. Elk graf legt getuigenis af van de heerschappij van de dood. Voor de nabestaanden mag het een troost zijn om het graf als plaats van herinnering op te zoeken en te verzorgen. Maar uit het graf komt niemand terug in het leven.
Jezus’ graf is een graf onder andere graven. Nog steeds bevat de Grafkerk in Jeruzalem veel graven. De vrome overlevering lokaliseert het graf van Adam direct onder de rots van Golgotha, de Hoofdschedelplaats. In de nabijheid van het onder pracht en praal verborgen graf van Jezus zijn nog verschillende opengelaten rotsgraven, die een indruk kunnen geven van de verhoudingen in de tijd van Jezus.
Jezus gaat de weg die alle mensen gaan: de weg in de dood. Zijn levensweg leidt naar de kruisweg. Zijn kruisweg leidt naar het graf. Elk graf is een herinneringsplaats voor het schandaal van de dood. Kurt Marti zegt: voor het ontzettende van het graf en de dood. Ontzettend is de dood niet alleen, omdat de dood elk moment kan toeslaan ondanks alle voorzorgsmaatregelen. Ontzettend is de dood ook omdat de dood het einde van het leven betekent. Elk leven is oneindig kostbaar. Waarom moet dat eindigen? Waarom is het leven een zijn ten dode, zoals de filosoof Martin Heidegger verwoordde? Het is ontzettend dat het geluk wordt verwoest, de gezondheid ondermijnt, het leven beëindigd wordt. Men kan beredeneren dat de evolutie zijn prijs heeft en dat verlangen om onsterfelijk te zijn infantiel is. Maar elk mens die angst heeft voor de dood of treurt om een geliefde is in zijn recht tegenover degenen die de dood niet serieus nemen. Er kunnen er veel zijn die naar de dood verlangen – maar dan alleen als het leven voor hen een lijden is geworden. De dood is ontzettend. Elk graf is een teken dat de dood een niet in te halen voorsprong heeft. Als iemand de dood inhaalt, heeft de dood hem ingehaald en alsnog gewonnen.

De afgrond
Elk graf grijpt dieper dan de gravers groeven. De doodgravers meten uit hoe diep een graf moet zijn, zodat de kist kan verdwijnen. In het Zwitserland van Kurt Marti zijn er daarvoor exacte voorschriften. Maar het graf van een mens reikt dieper dan de groeve. Onder elk graf splijt de afgrond van de dood. Elk graf, zo vertellen de mythen van de volkeren, leidt naar de onderwereld. Elk graf grijpt in de diepte.
Een graf, schrijft Kurt Marti, grijpt dieper dan alle andere graven. Het is het graf – het graf van Jezus. Dit graf grijpt het diepst. Want in dit graf ligt de Zoon van God begraven. Het graf van Jezus bewaart het stoffelijk overschot van een gekruisigde. Gruwelijker dan aan een kruis kan een mens niet sterven. Onschuldiger dan Jezus kan geen mens zijn. Het ontzettende van de dood in zijn totaliteit wordt zichtbaar aan het graf van Jezus. Met de dood van Jezus schijnen alle hoop van zijn leerlingen vervlogen. De hoop dat God de oneindige beloften van Jezus voor Israël en de volkeren zou vervullen. Sterker nog: met zijn dood lijkt Jezus als godslasteraar ontmaskerd te zijn. Zijn verkondiging dat het Koninkrijk van God nabijgekomen zou zijn leek een wensdroom te zijn. Daarmee lijkt alle hoop, dat God de mensen zo oneindig nabij zou kunnen zijn, een illusie te zijn geweest.
Maar het graf van Jezus grijpt het diepst: tot het absolute nulpunt. Zijn graf peilt niet alleen de diepte van de aardse dood, maar reikt oneindig dieper dan de dood. De activiteit van andere graven is symbolisch: de dood trekt naar omlaag. Maar het diepingrijpende van dit ene graf, het graf van Jezus, is onmetelijk. Want Jezus heeft de dood, waarmee dit graf bezegeld wordt, niet gezocht maar aangenomen. En dat voor de mensen. Jezus neemt de dood op zich. Hij is werkelijk gestorven. Maar omdat hij zijn dood in God aangenomen heeft, komt zijn dood het leven van de mensen ten goede. De gestorven Jezus is niet inactief. Hij gaat de dood in en door de dood heen. Hij daalt neer in het rik van de dood, zoals de geloofsbelijdenis aangeeft. De geloofsbelijdenis volgt daarmee de Eerste Petrusbrief, die verwoordt dat Jezus is afgedaald in de gevangenis om aan de geesten te verkondigen. Bedoeld is de gevangenis van de onderwereld, waarin de arme zielen vegeteren. Zoals Jezus met de preek waarin hij in Nazareth in de synagoge aantrad met de woorden van de profeet Jesaja aangeeft (Jesaja 61:1-2), dat hij gekomen is om de armen het evangelie te verkondigen en de gevangenen vrijlating, zo beëindigt de dood dit optreden niet, maar opent voor Jezus een nieuw terrein.

De dood van de dood
Het graf van Jezus grijpt het diepst, omdat Jezus oneindig wijd uithaalt om Gods heilswil te verbreiden. Wat voor zijn leven geldt, bepaalt ook zijn dood. Het Nieuwe Testament maakt een toespeling op de mythe van de onderwereld m daarmee te laten zien, dat daadwerkelijk geen mensenziel van de genade van God wordt uitgesloten. Maar het haalt het geloof van de volkeren in het evangelie en doopt deze mythe. Jezus heeft het ontzettende van de dood op zich genomen. Hij heeft de afgrond van de dood gepeild. Zijn graf grijpt dieper dan alle andere graven: hij ondervangt hen.
Het graf van Jezus is het graf, waarin de dood begraven werd. Het volle graf wekt de schijn dat de dood over Jezus en zijn boodschap voor de mensen heeft gezegevierd. In werkelijkheid heeft Jezus de dood overwonnen. De overwinning van Jezus over de dood is geen triomf die gebaseerd is op verdringing. Jezus heeft de dood aangenomen, zoals hij het menszijn heeft aangenomen. Hij heeft de dood, die de mensen [aan wie hij gelijk geworden is] aangenomen. De overwinning van Jezus over de dood is een overwinning van de liefde. In het lege graf blijft de dood achter – en het leven begint.
Dat is de voorsprong leven. Hoezeer de dood een voorsprong heeft die niet in te halen is – tegen het leven heeft de dood geen schijn van kans. Er heerst veelmeer een oneindig overwicht van het leven. Het leven is in het voordeel, omdat Jezus dat leven geeft – Jezus, die gestorven is en opgestaan.
Kurt Marti beschrijft deze voorsprong van het leven. Maar hij vergeet niet het afgrijzen over de dood – over de dood van Jezus, over de dood van elk mens. Ontzettend is de voorsprong leven – die voorsprong is oneindig groot, maar daarom ook afschrikwekkend groot.
De adem zou in de keel moeten stokken als men maar een vermoeden heeft van wat er zich op de derde dag in Jeruzalem heef afgespeeld. Het leven, dat de voorsprong heeft, is geen voorsprong die de dood doet vergeten. De Opgestane legt zijn aardse lichaam niet af als een kledingstuk, als hij op aarde slechts een toneelspeler was die alleen maar de rol van een mens speelde. Hij is de Zoon van God in vlees en bloed. Zo staat hij ook met lichaam en ziel uit de doden op. Dat is ontzettend! Ongehoord! Geleerden hebben er mee overhoop gelegen. Kruis en opstanding – een belediging van de goede smaak? Inderdaad een geheimenisvol gebeuren, dat over alle toppen van geluk voert.
Kurt Marti is een exacte dichter. Voorsprong doodvoorsprong leven. Zou hij de voorsprong die de dood op het aardse leven heeft en het eeuwige leven heeft op de dood, dan zou hij dat op die manier hebben verwoord. Maar dood en leven hebben in dit gedicht geen voorsprong. Zij zijn deze voorsprong. De dood is een voorsprong, omdat zij aan het mensenleven vooruitgaat: het is de voorsprong op alle visioenen van onsterfelijkheid en alle fantasieën van almacht, op alle angsten en verlangens. Het is een bittere waarheid. De voorsprong is dodelijk, omdat deze voorsprong een afstand opbouwt die niet te overbruggen is.
Nog veel meer is het leven echter een ontzettende voorsprong – omdat Jezus op een ontzettende wijze is gestorven en opgestaan. Het leven is niet slechts een voorsprong op alle onsterfelijkheidsvisioenen en almachtsfantasieën, op alle angsten en verlangens. Het leven is de voorsprong op de dood. Daarvoor staat het lege graf. Dat lege graf verwijst naar de levende God. De oneindige voorsprong van God op de mensen – dat is het leven.

Uit: Thomas Söding – Der Tod ist tot, das Leben lebt. Ostern zwischen Skepsis und Hoffnung (Ostfildern: Matthias Grünewald Verlag, 2008) 7-14.