Preek zondag 13 oktober 2019

Preek zondag 13 oktober 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Genesis 28:10-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je vader of moeder wordt, verandert er veel in je leven.
Je ontvangt iets moois uit Gods hand: een zoon of een dochter,
Waar je gelijk al van houdt, waar je zo mee verbonden bent.
Net of je zoon of dochter er altijd is geweest. Niet meer weg te denken.
Dat je het bijzonder zou vinden om een zoon of dochter te ontvangen
had je van te voren wel kunnen bedenken, maar dat je zó gelukkig zou worden?

Als je een kind mag ontvangen, maakt je dat niet alleen heel gelukkig,
maar ook heel verantwoordelijk.
Dit kind, dat je van de Heere hebt gekregen, is van jou afhankelijk.
En jij als vader of moeder hebt de taak om je kind op te voeden.
Kun je dat wel?
Er komt een moment, waarop je zoon of dochter het huis uit zal gaan.
Je wilt er nu vast nog niet aan denken, zo klein als hij of zij is.
Je wilt eerst van je kind genieten, je kind zien opgroeien.
Dat is voor later pas.

Als je vader of moeder wordt, ga je wel over later nadenken is mijn ervaring.
Hoe zal het leven van je kind zijn? In welke tijd groeit het op?
Wat zul je er zelf als vader of moeder van meemaken?

Als je aan ouders vraagt, wat ze van hun kind willen meemaken,
is het antwoord meestal: Ik wil mijn zoon of dochter zien opgroeien.
Totdat hij of zij volwassen is.
Als ik maar kan meemaken dat hij of zij tot haar bestemming komt.
Niet dat je de tijd daarna niet wilt meemaken,
maar dan kunnen ze in ieder geval op eigen benen staan
En zijn ze niet meer van je afhankelijk
En weet je wat er van je kind terecht komt.

Weten wat er van je kind terecht komt: dat is er voor Izaäk en Rebekka niet bij.
Want ze sturen Jakob weg naar het gebied, aar zijn moeder Rebekka vandaan kwam.
Hij gaat terug over de weg die Abram gegaan was naar Kanaän toe,
op het bevel van de Heere.
Jakob gaat de weg, die Eliëzer de knecht eerder was gegaan,
om voor de vader van Jakob een vrouw te zoeken in het land waar Abram vandaan kwam.
Waarom gaat Jakob weg?
Het is niet zijn eigen idee. Zijn vader en moeder sturen hem op pad.
Rebekka stuurt haar zoon, de zoon van wie ze zoveel houdt, naar haar eigen familie,
omdat ze bang is dat Ezau Jakob zou doden.
Izaäk stuurt Jakob niet weg, omdat hij bang is dat Ezau hem zou doden
zodra Izaäk overleden zou zijn.
Izaäk stuurt Jakob weg, omdat hij bang is dat Jakob net als Ezau
een vrouw zou kiezen hier uit de buurt, een vrouw uit de Kanaänieten.
Blijkbaar zijn de ogen van Izaäk opengegaan voor dat de keuze die Ezau maakte,
geen goede keuze is geweest.
(Het hoofdstuk waarin Izaäk Jakob zegent, terwijl hij Ezau had willen zegenen,
heb ik overgeslagen, omdat ik het niet voor elkaar zou krijgen
een preek te maken in een doopdienst.
Ik ben wel met dat hoofdstuk bezig geweest.
Ik ontdekte de Joodse uitleg, die aangaf dat Izaäk blind geworden was,
omdat hij zo graag keek naar zijn zoon Ezau die steeds verkeerde keuzes maakte,
blindgeworden door de zonde van zijn zoon Ezau door de vingers te zien.)
Nu zijn Izaäk en Rebekka samen in hun besluit om Jakob weg te sturen,
Ze konden het nooit eens worden in de voorkeur voor hun zonen
en konden elkaar tegenwerken, maar nu zijn ze een.
Daar gaat Jakob.
Nu moet hij zijn eigen weg gaan, zonder dat hij weet of hij ooit nog bij zijn ouders terugkomt.
Hij heeft de zegen ontvangen en daarmee de belofte van God dat dit land van hem is.
Nu Jakob gaat, is daar weinig van over.
Veel heeft hij niet bij zich. Alleen gaat hij op pad.
Een eenzame reiziger, die zijn eigen weg moet gaan, zijn eigen bestemming moet vinden.
Een vluchteling misschien zelfs, die er gauw vandoor moet gaan, om zijn leven te redden.
Zo moeten zijn ouders hem laten gaan, zonder dat ze weten of ze hem nog eens zullen zien.
Daar gaat Jakob, een reis vol onzekerheid, zonder te weten wat hem brengt.
De eindbestemming weet hij wel, maar de weg is vol gevaren.
Zal hij komen op de plaats waar zijn ouders hem naar toe gestuurd hebben?

Gaat hij wel alleen? Als gelovigen zullen we toch zeggen dat de Heere meegaat
op de reis die hij gaat afleggen?
Zijn vader heeft hem toch gezegend voor hij weg ging.

De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen.
De Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar.
De Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. 

de Heer zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. 

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen. 

De Heer zij boven u om u te zegenen.
Zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid.

De zegen is in het Oude Testament altijd meer dan een goede wens,
zo’n wens die je als ouders ook kunt hebben voor je kind:
Ik hoop dat mijn zoon of dochter gelukkig wordt, een goed, fijn leven heeft.
De zegen is meer dan zo’n wens.
Met de zegen vertrouw je iemand toe in Gods handen.
Je brengt iemand voor de Heere en zegt: neemt U de zorg voor Uw rekening!
Dat zullen jullie vanmorgen ook tegen de Heere zeggen als het om je kind gaat.
Alleen als we in die verhalen over Jakob lezen tot nu toe,
horen we niet zoveel over wat de Heere doet.
We denken vaak dat de mensen in de Bijbel elke dag Gods stem hoorden,
maar in het leven van Jakob was God aanwezig zoals bij ons.
Je weet dat Hij er is, er zijn momenten dat je Hem ervaart
op momenten van geluk, zoals wanneer je kind geboren wordt, of gedoopt wordt,
of op moeilijke momenten, wanneer je ervaart dat je gedragen wordt.
Jakob moet dat in geloof aannemen, zoals wij dat ook moeten doen,
omdat we over Hem gehoord, omdat je bij anderen en bij jezelf gezien hebt
dat God werkt, maar zonder God gezien te hebben.
Zo moet Jakob gaan, in het geloof dat God meegaat,
door de zegen van zijn vader aan de bescherming van God is opgedragen.

Na een dag reizen gaat de zon onder.
Dat is meer dan alleen een aanduiding van tijd, dat de dag bijna voorbij is.
Het zegt ook iets over hoe het leven van Jakob gaat verlopen.
Dat de zon in zijn leven ontbreekt, dat de tijd dat hij weg is uit het land,
doorbrengt in één lange nacht.
Want pas bij terugkeer in het door God beloofde land wordt verteld dat de zon weer opkomt.
Het is een grote, onzekere tijd voor Jakob, waarbij hij niet weet of God er zal zijn.
Zo legt Jakob zich te slapen als eenzame reiziger in het open veld,
waarbij hij zomaar overvallen kan worden door rovers of wilde dieren.
Misschien heeft hij toen hij daar in slaap viel, met een steen onder zijn hoofd,
wel gedacht aan de tijd dat hij een klein kind was en door zijn moeder ingestopt werd,
waarbij zijn moeder een gebedje voor hem zong:
Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.
Op bepaalde kritieke momenten in je leven kan zo boven komen
wat je als kind van je ouders hebt geleerd, zoals je in de nacht toevertrouwen aan God.
Ook dat weten we trouwens niet of hij gebeden heeft.
Het kan ook zijn dat hij te moe was van het reizen om te bidden en gelijk in slaap viel.

Het wordt wel een bijzondere nacht,
een nacht die hij nooit meer vergeten zal en een nacht die hij nooit meer wil vergeten.
In de Bijbel is geloof vaak niet iets dat je komt aanwaaien als het je voor de wind gaat,
maar dat je vindt als je op een dieptepunt bent aangekomen, op een nulpunt,
Als je zelf niet verder kunt.
Dat je dan geloof vindt, onverwachts. Of nog beter: dat God jou vindt.
Zo is het ook met Jakob.
Als hij daar slaapt in het open veld, als hij op zijn kwetsbaarst is, gaat de hemel open.
Deze plaats is een poort naar de hemel, zal Jakob later zeggen.
Het gebeurt in een droom, maar voor Jakob zo echt dat hij God zelf ontmoet in die droom.
Hij ziet een ladder, of een grote brede trap die uit de hemel naar de aarde wordt geschoven
En op die ladder gaan de engelen van boven naar beneden.
Het moet wel een heel bijzonder moment voor Jakob zijn geweest,
Een intens, een heilig moment,
waarop je alleen maar verbaasd kunt zijn dat je dit mag meemaken.
Of sterker nog, zoals Jakob dat overkomt, dat hij bevreesd is.
Een heilige plek, waar Jakob God zelf krijgt te zien.
Niet helemaal duidelijk waar God staat: of boven aan de trap of op aarde bij Jakob.
Maar wel dat Jakob, die alleen op reis is en al slapend heel kwetsbaar is,
geborgen is in Gods aanwezigheid, veilig in Gods heilige nabijheid.
Dat is ook wat je als ouders in de doop voor je kind op hoopt,
dat je kind zo geborgen is in de aanwezigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest
En zo heel het leven door in Gods aanwezigheid mag leven,
Die in de hemel is, maar ook op aarde.
Dat Hij zo over je waakt.
In de afgelopen week hebben we weer hier in ons dorp kunnen merken,
dat hoe nodig we de bescherming van de Heere hebben.
Ik denk dat de ouders hier voor in de kerk en alle ouders in de kerk
een gebed in hun hart hebben, altijd weer, maar in deze weken helemaal:
Heere, bescherm mijn kind en verlies mijn kind nooit uit het oog.
Wij kunnen ons kind maar tot op zekere hoogte beschermen,
maar de geborgenheid die U biedt, de bescherming die U in de doop belooft:
Om als Vader te zorgen, het kwade te weren
en als dat kwade toch komt, dat doen meewerken ten goede.
Geborgen ook in de genade van Christus, die aan het kruis ging.
Geborgen in het werk van de Heilige Geest, die ervoor kan zorgen
Dat we zo in de nabijheid van God zijn, zoals Jakob daar ligt te slapen en zijn droom krijgt.

Je kunt van alles bedenken over de engelen, die op de ladder op en neer gaan.
Hemelse gezanten van God, die uitgezonden worden om Gods kinderen te begeleiden
op de weg die ze door het leven gaan.
In de uitleg wordt ook wel geopperd dat de engelen die in Kanaän zijn
Jakob overdragen aan de engelen die in Mesopotamië werken
En dat die engelen, die als het morgen wordt over Jakob moeten waken
kennis komen maken met het mensenkind dat aan hun hoede is toevertrouwd.

Ik leerde vroeger als kind dat er aan mijn bed een engel stond om over mij te waken.
Soms was dat een wat griezelige gedachte, als er iemand in je kamer staat die je niet ziet.
Soms was het juist ook een hele geruststellende gedachte,
dat er iemand is die je namens de Heere bewaakt
En als ik ‘s nachts wakker was als mijn ouders sliepen hoefde ik dan niet bang te zijn.
De engelen die bij Jakob zijn, zijn alleen maar een bevestiging dat God zelf
zich over Jakob ontfermt,
Jakob die met zijn moeder zelf ervoor zorgde
dat de zegen van God over hem werd uitgesproken.
Jakob die op weg is naar een ander land, waar hij de weg niet weet; de taal wellicht ook niet.
Waar hij maar moet afwachten hoe hij, vreemdeling, zal worden ontvangen.
En of er een weg naar huis voor hem zal zijn, weet hij niet.
Zoals hij ook niet weet of er wel een vrouw zal zijn en kinderen om de zegen door te geven.

Wat Jakob wel mag weten, is dat God meegaat op Zijn weg.
Ik ben met U – dat is nu het kenmerk van onze God,
zoals Hij zich aan Jakob bekend maakte en ook aan ons bekend maakt
en tegen de kinderen zegt die vanmorgen zijn gedoopt: Ik ben met U.
Het is de naam die Jezus ook moet krijgen: Immanuël – God is met jullie.
Je bent niet zonder God. Nooit, op geen enkel moment.
Als je net als Jakob een onbekende toekomst tegemoet gaat
en je niet weet wat je te wachten staat.
We hebben ons leven niet in de hand.
We kunnen onze plannen maken maar hoe ons leven verloopt, dat kan zo heel anders gaan.
Je kunt zo maar door een heel diep dal moeten gaan,
Waarbij je niet weet waarom het je overkomt.
Waarom jij deze weg moet gaan en je niet weet waar je uitkomt.
Eigenlijk zijn we maar heel kwetsbare mensen,
maar wel met een machtig God.
En het bijzondere is dat die machtige God, die hemel en aarde maakte,
Die aan ons en aan de kinderen die geboren zijn het leven gaf, hun leven wilde,
dat die God heel dicht bij ons komt, meegaat op onze weg.
Hoe die ook verloopt.
Dat mogen we geloven, dat hebben we te geloven.
Soms mag je een bijzondere ervaring hebben, zoals Jakob die had,
dat de hemel boven je open ging, juist als je niets meer hebt, als je alles kwijt bent.
En wanneer je zo’n ervaring niet hebt, heb je de verhalen over God,
die vertellen dat Hij er toch is.
Gisteren zag ik een theoloog, iemand die voor zijn beroep veel met de Bijbel bezig is
een kinderboek had geschreven met als titel De maan is rond.
Hij had dat boek geschreven, omdat hij met zijn zoon in het ziekenhuis was geweest
op bezoek bij zijn pas geboren zusje en bij zijn moeder.
Dat pasgeboren zusje overleed echter op dezelfde dag als het geboren werd
en het zoontje vroeg zich af, waarom dat zusje niet mee naar huis ging.
Je zusje is naar de Heere Jezus gegaan, legde zijn vader uit.
Wil mijn zusje dan niet bij ons zijn?
Jawel, zei zijn vader, ze wil heel graag bij ons zijn, maar nog veel liever bij de Heere Jezus.
Het was een heel gesprek dat deze vader had op de weg van het ziekenhuis naar huis.
Opeens vertelde de vader iets over de maan: de maan is altijd rond.
Je ziet niet altijd de ronde maan: soms is de maan een sikkel, dan weer half vol
en een enkele nacht helemaal rond.
Zo, vertelde de vader, is het ook met God.
God is altijd goed, maar je kunt de goedheid van God niet altijd zien.
Al zie je de goedheid van God niet, toch is God wel goed.
Er kunnen nachten zijn, waarin het heel donker is en toch is God goed
en zullen er weer momenten komen, waarop je die goedheid van God weer kunt zien.

Vanmorgen zijn er ook namen voorgelezen van degenen die verkozen zijn
als ouderling, als kerkrentmeester, diaken of jeugdouderling.
De meesten zullen er vast tegen opzien, dat is niet niks.
Ik zou vanmorgen willen zeggen: kijk er niet teveel tegen op.
Je hoeft als ouderling God niet te brengen in een huis,
Want de Heere is er al, zoals Hij bij Jakob stond, die daar in het open veld sliep.
Je hoeft alleen maar als een engel te zijn: te wijzen naar God die er is.
Of misschien helemaal niets zeggen, maar gewoon geloven en uitstralen
dat Hij er is,
al heb je de woorden niet als er iets ergs gebeurd is en kun je alleen maar zwijgen.
Of zoals de vader die steeds met zijn zoontje naar de maan keek,
zo steeds kijken of je de goedheid van God weer ziet.
Niet door het donker weg te praten, maar door te wachten tot God zich weer laat zien.
En samen geloven, dat als het donker is,
de zon als het ware is ondergegaan over iemands leven
dat je weet: er is een open hemel, een ladder naar God, wij zien die ladder nu niet,
maar de hemel is open en in die open hemel kijkt God naar beneden en ziet Hij ons
en zegt Hij, net zoals Hij tegen Jakob zei: Ik ga met je mee.

Ik breng je thuis, zegt God tegen Jakob.
Daar zongen we eerder in de dienst ook over.
Maar dan nog dieper: brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Thuis gebracht worden heeft ook de diepe betekenis
van iemand die de weg met God kwijt was, God uit het oog verloren is,
door God weer gevonden wordt.
De doop geeft aan, dat God zo steeds op zoek is naar iedereen die Hem kwijtgeraakt is.
En zo onverwacht kan komen, dat een plek die heel gewoon lijkt,
een poort naar de hemel kan zijn.
Dat is ons gebed dat het ook met de kinderen die gedoopt zijn mag gebeuren
En met ons allemaal:

Herder, neem uw schaapje aan,
Hoofd, maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

Gij alleen kunt het behouden.
Schrijf de naam door ons gegeven
in het levensboek ten leven.
Amen

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen

Preek zondag 24 maart 2019

Preek zondag 24 maart 2019
Schriftlezing: Mattheüs 20:17-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Als ouder heb je het beste voor met je kind.
Je wilt niets liever dat je kind het goed heeft en gelukkig is en daar heb je veel voor over.
Daarom staan ouders op zaterdagmorgen vroeg langs de kant van het voetbalveld.

Of brengt en moeder hun dochter naar de manege, zodat haar dochter kan paardrijden.
Je wilt goed onderwijs voor je zoon of dochter
en dat ze in de klas of in de buurt aansluiting hebben en vrienden om mee te gaan.
Omdat je wilt dat ze een goede toekomst krijgen, zit je ze achter de broek
zodat ze hun huiswerk maken.

Wanneer het niet goed gaat met je kind, gooi je jezelf in de strijd.
Als er iets op school is en je merkt dat de school het niet oppakt,
dan stap je op de school af en wil je een gesprek met de leerkracht of directeur,
waarin je aangeeft wat er speelt en vraag je aan school om iets te doen.
En wanneer school het niet goed oppakt, kunnen ouders hun kinderen van school halen
en naar een andere school doen
– al betekent dat soms dat je elke morgen en elke middag verder moet rijden.

Omdat je het beste met je kind voor hebt, sta je als ouders hier voor in de kerk
om de zoon of dochter, die je uit Gods hand hebt ontvangen, weer bij de Heere  te brengen.
Waar zou je kind beter af zijn, dan in Gods handen?
Bij God die beloofd als onze Hemelse Vader te zorgen voor jouw kind,
als Zoon tegen je kind zegt: Ik ben voor jou aan het kruis gestorven,
Zodat je bij Mij kan komen om vergeving van je zonden.
De Heilige Geest die belooft in het hart van jouw kind te gaan werken,
om daar ruimte te maken voor de Heere Jezus,
zodat je kind van de Heere Jezus gaat houden en Hem wil gaan dienen.
Als ouders heb je ook beloofd, dat je je kind zult vertellen over de Heere Jezus
En dat je je zoon of dochter leert, welke regels er horen bij het geloof.
Dat doe je, omdat je het beste voor hebt met je kind:
Ze leren God kennen en ze leren met God te leven.

We lazen over een moeder die het beste met haar kinderen voor heeft.
Ze stapt op Jezus af met de vraag of haar twee zonen de mooiste plek mogen hebben
in het Koninkrijk, waarvan Jezus zorgt dat het er zal komen.
Ze zijn op weg naar Jeruzalem,
waarschijnlijk met een hele grote groep mensen uit Galilea,
die op reis zijn naar Jeruzalem om een van de belangrijke feesten daar te vieren.
Als Jezus onderweg zijn leerlingen even apart neemt, waagt ze haar kans
en klampt Jezus aan en knielt voor Hem neer op straat.
Had Jezus eerder niet gezegd, dat als je aan Hem vraagt, dat Hij het zal geven
en dat wanneer je bij Hem aanklopt Hij zal opendoen?
Ze heeft een vraag, niet voor zichzelf, maar voor haar twee zonen,
Die haar dierbaar zijn en die alles hebben achtergelaten om Jezus te volgen.
Het kan zijn dat die vraag al enige tijd bij haar leeft,
in ieder geval nadat ze Jezus heeft horen vertellen,
Dat er 12 tronen zullen zijn, waarop de leerlingen zullen zitten.
Ze zullen op die troon zitten met Jezus die koning en rechter over Israël zal zijn.
Nadat ze Jezus hier over heeft horen vertellen, is er een gedachte bij haar gekomen.
Als ik nu eens vraag aan Jezus of mijn twee jongens de beste plek mogen hebben.
Toen de groep onderweg ging naar Jeruzalem heeft ze steeds gekeken
naar een gelegenheid om Jezus aan te schieten en Hem deze vraag voor te leggen.
Ze heeft in de buurt van Jezus rond gelopen
en bij zichzelf gedacht: zal ik nu gaan? Of nog even wachten? Is dit een goede gelegenheid?
Als Jezus onderweg Zijn discipelen bij elkaar roept, even apart,
om hen iets te vertellen over het doel, waarom ze naar Jeruzalem gaan,
dan hoort de moeder alleen maar doel en Jeruzalem
en ze denkt aan wat Jezus zei over die twaalf tronen
en ze denkt: dan moet ik nu gaan. Dan is dit de gelegenheid om Jezus aan te schieten.
Ze verzamelt alle moed bij elkaar en waagt de stap.
Ze gaat voor Jezus op de knieën, om aan te geven dat ze een dringende vraag heeft
die ze alleen aan Jezus kan stellen, waar ze bij niemand anders mee terecht kan.
Het is ook een houding van eerbied: ik heb wel een vraag, maar u beslist over het antwoord.

Zo kun je als moeder of als vader ook bij Jezus aankloppen voor je kind:
Met een heel duidelijke vraag, die je alleen aan Christus kunt stellen
of met iets dat in je leeft, zonder dat je het precies kunt verwoorden,
waarvan je voelt: Ik moet wel bij Hem zijn, bij Hem aankloppen en Hij helpt me wel.

Voor de vrouw iets kan vragen, is Jezus haar al voor: Wat wil je?
Dat is fijn als iemand je tegemoet komt en het gesprek opent,
kom maar met je verhaal, steek van wal.
Het kan zijn dat er in de vraag van Jezus meer mee klinkt,
zonder dat deze moeder dat beseft.
Dat Hij wil laten merken, dat als je aan Hem iets vraagt, je ook bereid moet zijn
om te accepteren dat Gods wil anders kan zijn: Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Wat je voor je kind wilt, dat kan best belangrijk zijn, maar God kan een andere weg gaan.
Ben je bereid om de weg van je kind in Gods handen te leggen
En te accepteren en zelf op die weg mee te gaan, die je zelf niet hebt uitgestippeld?
Het kan ook zijn dat Jezus wil laten weten: je kunt wel een vraag hebben, iets willen,
maar ben je bereid om mij te volgen: Wie achter Mij aan wil komen.
In ieder geval geeft de vraag van Jezus aan dat Hij bereid is om naar onze vraag te luisteren
en er serieus op in te gaan, die niet aan de kant te schuiven
en tegelijkertijd weet Jezus dieper af te steken:
God kan wel iets anders voor hebben met onszelf of onze kinderen dan wij willen.
Zijn we dan nog bereid om Jezus te volgen?
Of haak je dan af, omdat God vooral moet doen wat jij wilt dat er gebeurt?

De moeder heeft voor haar jongens zo haar eigen dromen.
Als dat koninkrijk van U er zal zijn, mogen mijn twee jongens dan links en rechts van U?
Ze ziet haar jongens al zitten naast Jezus op die ereplaats:
Jezus die midden in Jeruzalem plaatsneemt op een troon
en dan links van zich kijkt of naar rechts om haar twee jongens om advies te vragen
of om te vragen een bepaalde taak voor Hem uit te voeren.
Je wilt het beste voor je kinderen toch? Soms is het beste nog niet goed genoeg.

Als Jezus gesprekken voert, heeft Hij een luisterend oor.
Hij neemt de tijd om te luisteren wat we te zeggen hebben, wat er in ons hart leeft.
Dat kunnen mooie en vrome overwegingen zijn, maar dat hoeft niet altijd.
Soms kunnen we zonder dat we het doorhebben, meer met onszelf bezig zijn dan met God.
En dat je zo met jezelf bezig bent, dat je vergeet waar het de Heere om te doen is.
Want waar ging het gesprek over, wat Jezus met Zijn leerlingen heeft
en waarin die moeder zomaar komt binnenvallen?
Jezus bereidt Zijn leerlingen voor op het doel in Jeruzalem.
Dat heeft die moeder wel goed gehoord,
maar ze heeft maar half gehoord waar het over ging, omdat ze een grootse droom had
Waarin ze haar jongens zag aan de zijde van Jezus zag.
Want Jezus heeft het over heel iets anders dat in Jeruzalem zal gebeuren:
Hij zal verraden worden en uitgeleverd, ter dood veroordeeld, bespot en gegeseld,
naar het kruis gebracht.
Weet je wel wat Mij te wachten staat daar in Jeruzalem?
Opnieuw zegt Hij het op een manier, waarop er meer in Zijn woorden zit.
Kun je de drinkbeker leegdrinken die voor Mij bestemd is?
De twee zonen die deze vraag krijgen, zien dan een mooie beker, goud of zilver,
die de waardigheid van Jezus zal uitdrukken, de waardigheid waarin zij mogen delen
als zij daar op die troon naast Jezus zitten.
Dat zal een hele verantwoordelijkheid zijn om uit die beker te drinken,
maar hun Meester hoeft hen niet te onderschatten.
Ze zijn al een tijdje met Jezus opgetrokken. Ze weten heus wel hoe Hij denkt.
En die verantwoordelijkheid over Israël willen zij wel met Jezus delen,
samen de schouders eronder: schouder aan schouder in Gods wijngaard te gaan.

Jezus heeft het echter over iets anders.
Die beker is niet iets koninklijks en heeft niets met status te maken.
De beker leegdrinken – dat is wat Jezus te wachten staat in Jeruzalem:
opgepakt worden en veroordeeld, gepijnigd en uitgelachen en bespot
en aan het kruis geslagen, omdat Jezus zegt dat Hij door God gestuurd is.
Boven het kruis zal het hangen: Dit is nou jullie Koning, beste Joden.
Dat Jezus gestorven is aan het kruis zul je in de opvoeding vertellen,
als je met je kinderen uit de kinderbijbel leest of later uit de gewone Bijbel.
Als je daarover leest in de Bijbel merk je dat het niet alleen is was dat mensen wilden,
maar dat het ook Gods wil was, dat Jezus aan het kruis gehangen werd.
In Gethsemané vroeg Jezus of de drinkbeker aan Hem voorbij mocht aan,
maar dat was niet de weg die Jezus moest gaan: Deze beker was voor Hem bestemd.
De beker die Jezus moet leegdrinken is de toorn van God.
Alles wat wij verkeerd gedaan hebben,
waarom we vanuit onszelf niet bij God horen, zit in die beker en Jezus zal die leegdrinken.
De doop laat dat ook zien, ook de doop van deze kinderen:
Zoals we zijn kunnen we niet Gods koninkrijk binnengaan. Er moet eerst wat gebeuren.
Met hen en met ons allemaal: opnieuw geboren worden.
Je bent net geboren en er wordt gezegd: je moet opnieuw geboren worden.
Dat betekent de doop ook: elk kind dat geboren is, moet opnieuw geboren worden.
Als een kind gedoopt wordt, betekent dat: ook dit kind is er nog niet.
Ook dit kind moet opnieuw geboren worden.
Maar dat kan ook, omdat Jezus die beker leeggedronken heeft,
die de Vader voor Hem bestemd heeft.
Dat is de dood aan het kruis.
Terwijl die twee leerlingen zich in mooie gewaden gekleed zien
en zien zitten op een mooie troon, met een gewichtige taak,
ziet Jezus een andere taak, ook gewichtig, maar zo anders.
Een troon van hout, niet waar je op zit, maar waar aan je hangt
en niet een troon waar je vol ontzag naar opkijkt, maar al spottend kijk je op.
Wat een grootspraak heeft die man gehad: denken dat Hij de koning van Israël is.
Niemand heeft toen willen zien, dat Hij aan het kruis bij uitstek de koning was.
Want een echte koning heerst niet, maar dient.
Een echte koning vraagt niet het leven, maar geeft Zijn leven,
offert zichzelf op om zijn dienaren te redden – in ieder geval de door God gestuurde koning.
Als Jezus aan Zijn houten troon hangt – het kruis op Golgotha –
zijn er inderdaad twee mensen naast Hem: geen leerlingen die glunderen van trots,
maar moordenaars, die hun straf dragen aan het kruis.
Beste moeder, wil je dat je jongens ook aan het kruis gehangen worden?
Misschien heb je dan toch mijn onderwijs wel gehoord en begrepen
toen ik tegen jouw jongens en tegen Mijn andere leerlingen zei,
Dat degenen die met Mij mee willen gaan, achter Mij aangaan ook hun kruis dragen.
Opdat zij hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mogen dragen.
Het beste voor je kind is niet altijd het makkelijkste, maar wel het beste.

Gisteren waren we met de organisten en de kerkrentmeesters in een kerk,
Waarin aan de voorkant buiten een groot kruis stond
en binnen in een raam met allerlei kleine kruisen.
Door het raam met die kleine kruisen konden we het grote kruis buiten zien.
Door het kruis wat wij dragen, zien wij het grote kruis waar Jezus aan hing:
Het kruis waar de Zoon des mensen, Jezus, liet zien
dat Hij niet gekomen was om te heersen, maar om te sterven
en met Zijn dood kocht Hij ons vrij, vrij van de zonde, van de duivel.
De beker die Hij helemaal leeg moest drinken, de beker van Gods oordeel over ons,
Hij werd er helemaal in ondergedompeld – met een doop gedoopt.
Bij ons is de doop maar met een handje water,
maar de betekenis is wel dat je kopje onder gaat in dat water.
Zo ging Jezus helemaal – kopje onder zouden we kunnen zeggen – in Gods oordeel,
Hij bracht het er niet levend van af en werd begraven.
Maar Hij vertelde er gelijk bij: na 3 dagen sta ik op uit de dood.
De dood overwonnen en jullie vrijgekocht.
Als we een kind dopen, betekent dat ze verbonden zijn aan Christus
die zelf ondergedompeld werd in onze zonde en onze schuld, kopje onder ging,

het kruis moest dragen, voor ons bedoeld, zodat wij daar niet hoefden te hangen.
Jacobus en Johannes, de twee zonen van die moeder hoefden er niet te hangen
En wij ook niet. Gedoopt in de naam van de Zoon betekent:
Dat Jezus voor ons aan het kruis gestorven is.

Dan gaat het er nu om: geloof je dat voor jezelf? Dat je Christus nodig hebt?
Liefde Gods, zo rein en krachtig, bloed van Jezus, rijk en vrij.
Het beste dat je voor je kind kunt doen, is vertellen over deze Heer
en voorleven dat je van Hem je leven hebt terug gekregen, omdat Hij aan het kruis ging.
Vertellen over het geluk dat je krijgt door deze koning, die de troon beklom in Jeruzalem.
Zijn wieg was een kribbe, Zijn troon was een kruis.
Zo arm werd de Heiland voor u en voor mij. Amen



Preek zondag 29 oktober 2017

Preek zondag 29 oktober 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Romeinen 5:1-11; tekst: vers 3-4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Als vader sta ik wel eens te kijken langs de lijn bij het voetbal.
Soms zijn er wedstrijden waarbij je kunt genieten van het spel.
Er zijn ook wedstrijden bij, waarin het minder goed gaat.
Het lukt niet om te scoren, er wordt minder overgespeeld
en bij de tegenstander lukt het allemaal wel.
Dat is dan meestal een wedstrijd die verloren wordt,
omdat het geloof er niet is en de tegenstand te groot.
Tijdens zo’n wedstrijd denk ik dan dat het goed zou zijn
dat je als vader, of als trainer van het team, er goed doet om weerstand aan te leren,
om niet te snel op te geven als het niet wil lukken.
Dat geldt niet alleen voor sport, maar ook voor andere zaken:
dat je niet te snel in paniek raakt als het niet wil met schoolwerk en goede cijfers uitblijven.
Of: Ik weet niet goed hoe ik vrienden moet maken en daarom wacht ik maar af.

Kun je je kind dat wel aanleren: weerstand?
Kun je leren dat ze niet te snel moeten opgeven of niet te snel de moed moeten kwijtraken?
Dat is het spannende aan opvoeden:
Je kunt ze iets voorhouden, maar uiteindelijk moeten ze het zelf doen.
Moet dat een onderdeel van hun karakter, van hun houding worden
dat ze niet te snel van slag zijn als het tegenzit.

Die weerstand en het niet te snel opgeven is ook voor het geloof van belang.
Voor Paulus is weerstand en niet opgeven een houding die een gelovige kenmerkt.
Als gelovige heb je een stevigheid, waardoor je niet onderuit gaat
als je te maken krijgt met tegenstand,
of als je het niet in de hand hebt hoe je leven zich ontwikkelt.
De gelovige, zo geeft Paulus hier aan, heeft een bepaalde houding, heeft karakter.
Het is geen karaktereigenschap die we vanuit onszelf hebben,
niet iets dat we in huis hebben en waarvan we tegen anderen kunnen opscheppen:
Kijk eens wat we doen. Nee, dat karakter, die houding
die we als gelovige hebben, hebben we aan God zelf te danken.
Geloof in God geeft je als gelovige een stevigheid,
waardoor je niet de moed opgeeft, waardoor je overeind blijft staan.

Dat we die moed en die kracht hebben om overeind te blijven staan,
hebben we te maken door onze band met God.
Geloven betekent dat je aan God verbonden bent.
En dat is niet een band die wij zelf leggen, vanuit onze kant,
maar het is een band van God, die Hij aan ons geeft,
waardoor wij ons vast kunnen maken aan Hem.
Dat is nu het verbond wat in de doop gesloten wordt
tussen God en jullie kind: een hechte band die God schenkt,
waarbij de Heere jullie kind aan Zich vastmaakt.
Waarom laat je je kind dopen? Om je kind zo aan God vast te maken,
Of anders gezegd: het  teken van het verbond mee te geven,
Waardoor je kind weet: dat verbond met God is er ook voor mij,
ook ik mag daarin opgenomen zijn, ook voor mij is er die hechte band met God.
Zo verbonden met God, vastgemaakt aan God, kan jouw kind ook die weerstand krijgen waar Paulus over spreekt, dat overeind blijven staan in moeilijke omstandigheden.

Paulus schrijft in het gedeelte met iets andere woorden over dat verbond, die band met God.
Hij heeft het over toegang krijgen tot God
En die toegang tot God die is er door Christus, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is weer in orde gekomen met God: er is weer vrede met God,
we kunnen weer bij elkaar horen, omdat Christus onze zonde uit de weg heeft geruimd.
Dat weer bij God mogen horen, van God mogen zijn, aan Hem verbonden zijn
– dat is de basis van die weerstand, van dat karakter dat Paulus graag ziet.
Want als je bij God hoort, mag je hoop en vertrouwen hebben,
omdat je weet: Ik sta er niet alleen voor, mijn leven is in Gods hand
en niets of niemand is meer in staat mij van God, van Christus’ liefde te scheiden.

Kun je dat zo wel aan een klein kind meegeven,
dat helemaal nog geen verstand heeft van geloven?
Een kind die nog nooit de verhalen uit de Bijbel heeft gehoord
en nog niet zelf heeft kunnen kiezen voor de God van de Bijbel?
Moet je dan niet wachten tot een kind een eigen keuze heeft gemaakt,
want maak je zo’n kind dan niet te gemakzuchtig
en gaat een kind door de doop niet te gemakkelijk geloven dat het wel goed zit?
Er is een reden waarom we als gemeente kleine kinderen dopen.
En dat is niet omdat de eigen keuze niet belangrijk
en ook niet om aan te geven dat het allemaal al goed zit en er niets meer hoeft te gebeuren.
Er moet wel wat gebeuren:
het is de bedoeling dat je kind wat God belooft gaat eigen maken, gaat geloven.
Maar als kerk dopen we kinderen nog voordat ze hun keuze kunnen maken,
omdat we geloven dat het God is die kiest, voor je kind, die de band legt.
Die niet wacht op je kind, tot hij of zij die keuze maakt, maar al bezig is in zijn of haar leven.
Omdat die toegang er al is, voordat wij kunnen nadenken,
omdat die toegang er al gekomen is, voordat wij er als mensen al waren.

De doop geeft aan dat we op elk moment van ons leven die toegang mogen gebruiken,
de toegang tot God die er is gekomen, omdat Christus aan het kruis stierf.
Er is geen grens: geen leeftijdsgrens en ook niet een grens van het eerst begrijpen,
zelfs niet van het eerst geloven of er voor kiezen.
God legt als eerste die band en wat wij, wat u, wat jij, wat die dopelingen kunnen doen,
is het beamen, ontvangen, eigen maken.
De doop geeft ook aan dat u, dat jij, dat deze dopelingen dat moeten gaan doen.
Dat is onze kant van die verplichting, onze zijde van het verbond, van die binding met God.
Je kunt er ook voor kiezen om niets met die band te doen,
maar dan heb je ook niets.
Als je gaat geloven – en geloven is het aannemen van wat God geeft –
dan hoort er ook bij dat je toekomst hebt.
Je mag vooruitkijken en je mag weten: ik sta er niet alleen voor.
God is er – in mijn leven, voor mij
en Hij heeft voor mij een toekomst,
een toekomst hier op aarde en ook een toekomst voor later, als mijn leven voorbij is:
Paulus noemt dat: hoop op de heerlijkheid van God.
Je mag delen in Gods wereld – later, in de hemel, maar ook hier op aarde.
En als je deelt in Gods wereld, als je van Hem bent, bij Hem hoort,
dan heb je die hoop, dan hoef je daar niet meer over te twijfelen
en hoef je ook niet meer onzeker te zijn over de toekomst,
want jouw toekomst en de toekomst van de hele wereld is in Gods hand.

Een christen wordt gekenmerkt door hoop,
omdat je opgenomen bent in de gemeenschap van God,
die alles geschapen heeft en over alles regeert, ook deze wereld.
Als vader, als moeder mag je je kind over deze God vertellen,
maar opvoeden in het geloof houdt ook in, dat je zelf ook die hoop voorleeft,
dat je die hoop hebt, dat je die weerstand hebt,
niet als een eigenschap van jezelf, maar als een gegeven kracht, door God.
Zelfs in moeilijke omstandigheden. Paulus noemt dat: verdrukking.
Ik denk dat de meesten van jullie ooit te maken gehad hebt met tegenslag.
Je leven liep anders dan je van tevoren had gedacht.
Als kind droomde je misschien wel over hoe het later zou zijn als je moeder was, of vader.
Maar in die tussentijd kan er heel wat gebeurd zijn,
Waardoor het onbezorgde uit je leven wegraakte, omdat het leven heel anders verliep.
Je vader overleed, je moeder is er niet meer,
het duurde veel langer dat een kinderwens werd vervuld
en dat bracht spanning en verdriet in je leven.
Die spanning en verdriet kunnen je hoop ook op de proef stellen.
Er zijn momenten waarop je het niet meer ziet zitten
en misschien had je ook niet meer geloofd als het aan jou lag,
omdat er heel wat gebeurde en je geen hoop meer kon hebben,
omdat je niets zag van Gods leiding in deze wereld, niets van Gods zorg voor jou.
Maar juist bij die tegenslagen, juist als het anders loopt,
dan is er opeens die kracht van God, waardoor je weer hoop hebt,
waardoor je toch weer met God verder gaat, gesterkt.
Niet dat je die moeilijkheden wegduwt, niet dat het verdriet of die spanning weg is,
maar in die spanning, in de moeilijkheden, in het verdriet
merk je dat het zo is dat je er niet alleen voorstaat, maar dat je gedragen wordt,
dat God van zich laat merken.

En als je terugkijkt, kunnen die tegenslagen je ook heel erg gevormd hebben.
Leek het eerst erop dat je verder bij God vandaan kwam,
uiteindelijk ging het de goede kant op en werd je band met God juist dieper en sterker,
je weet niet goed hoe dat gebeurde, maar het gebeurde.
Volharding noemt Paulus dit, je houdt vol, je geeft niet op,
ook niet bij tegenslag, ook niet als het anders gaat dan je verwacht,
ook als het niet zo lukt, maar je wordt juist sterker door de kracht die je van God krijgt.
Die tegenslagen doen wel wat met je, het gaat niet in je koude kleren zitten,
het is niet zo dat die tegenslagen je niet raken,
maar ze krijgen je er niet onder, je gaat niet onderuit, maar je blijft staan,
je houdt vol en je gaat strijden, nog meer strijden dan je deed,
omdat je juist nu ervaart, dat er ook die kracht van God is die je sterkt,
Waardoor je het kan, waardoor je groeit in je band met Christus.
Volharding is een vorm van geduld, geen geduld van maar afwachten,
met de armen over elkaar, maar kijken naar God, naar hoe Christus geleden heeft
en je gaat je je meer en meer hechten aan Christus, je vastmaken aan hem,
weten dat je het niet ergens anders moet, nergens anders kunt zoeken.
Je wordt er als gelovige sterker van, omdat je naar Christus toegroeit,
dwars door die moeilijke omstandigheden heen.

Daarom leidt die volhardig tot wat Paulus ondervinding noemt.
Ervaringskennis, zouden we kunnen zeggen.
Ondervinding betekent, dat je er zelf doorheen gegaan bent en dat je daarvan geleerd hebt,
die volharding is niet een makkelijk praten van iemand die niets heeft meegemaakt,
geen grootspraak van iemand die geen benul heeft, waar hij over praat,
Nee, ondervinding betekent: het is door je heen gegaan.
Je hebt geleerd door wat je meemaakte.
Zoals jezelf misschien ook wel heel erg gevormd bent in die moeilijke periode
na het overlijden van je moeder of vader, de tijd die eigenlijk nooit eindigt
in deze tijd van geboorte, opvoeding, op deze hoogtijdag voel je het gemis extra.
Gevormd in de moeilijke periode van het wachten op een kind.
Dat kan je vormen, een levenswijsheid geven,
ondervinding: kennis door het zelf mee te maken.
Ik kwam tegen dat er een Engelse vertaling is die hier met karakter vertaald.
Het vormt je als mens, je hebt er veel van geleerd.
Het was niet fijn om mee te maken en jammer dat het gebeurde,
maar je bent er ook erg door gevormd, wijzer geworden, meer een persoon, een karakter.
Je bent iemand geworden – dat had je vader moeten zien, je moeder.
Als je merkt dat je zo gevormd bent, weet je dat een moeilijke periode
niet alleen een aanslag op je geloof kan zijn,
maar weet je ook dat er een andere kant is, van gedragen worden,
van God die er op een verrassende, niet gedachte wijze toch is, een houvast dat je hebt.
Je hebt hoop – de cirkel is rond: het begon met hoop en het eindigt met hoop.
Geen makkelijke weg, maar wel een weg met God, een weg met toekomst,
voor hier op deze aarde, de tijd die je hier op aarde nog gegeven wordt
(en we hopen dat het nog een mooie tijd is, samen met je kind en je gezin),
maar ook hoop voor de toekomst als dit leven voorbij is.

Houden we onszelf niet voor de gek?
Geven we onze kinderen niet iets mee, wat uiteindelijk toch geen houvast biedt?
Nee, zegt Paulus, die hoop beschaamt niet,
en ik hoop dat het niet alleen woorden van Paulus zijn
maar dat je dat zelf ook kunt geloven, kunt onderschrijvn, kunt doorgeven aan je kind:
Nee, de hoop is er niet voor niets, is geen lege huls of bedenksel,
maar ik weet waar ik over praat als ik over hoop praat,
want ik ken God en ik weet Zijn kracht in mij.
De kracht die ik kreeg doordat er ook de Heilige Geest is die in mij werkt
en die ook in mijn kind kan, zal werken.
We weten dat we ons niet voor de gek houden,
omdat we niet alleen van onszelf hebben gemerkt, dat wij gegroeid zijn,
maar dat God er ook was, en is en zal zijn.
We zijn verbonden met God en dat weten we diep van binnen,
dat is een kostbaar iets, dat in ons hart leeft, een liefde die we koesteren,
Zoals we ook de liefde van onze ouders koesteren en daar steeds uit leven,
zo koesteren we Gods liefde in ons hart en weten:
Het is waar
en daarom geven we het ook graag door,
omdat het de moeite waard is, waardevol,
omdat je dit ook aan je kind wil meegeven: dat er een God is, die Zijn weg met je gaat.
Dat je sterk mag zijn, omdat je gesterkt bent
en dat je mag staan, gerust in Gods bescherming, dat je mag bouwen op God
en dat als je gaat, samen met God gaat, in Zijn naam.
Je voelt wel je eigen zwakheid.
Juist in de strijd tegen die vijand, de duivel die je onderuit wil halen, van God los wil maken,
maar toch: daar is God en Zijn kracht.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad.
Daarom een lied van overwinning,
niet omdat wij triomferen, maar omdat er Iemand is, die voor ons de strijd aangaat,
door voor ons de overwinning heeft behaald
En in Wie we ons geborgen mogen weten, veilig en beschermd, opgenomen in Zijn hoede.
Ik bouw op U, mijn Schild en Mijn verlosser.
Amen


Preek zondagmorgen 12 maart 2017

Preek zondagmorgen 12 maart 2017
Johannes 13:1-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Een stel gaat een avondje uit en heeft voor de kinderen oppas geregeld.
De oppas is een jong meisje.
Het stel vraagt aan de jonge oppas of ze het ziet zitten.
Er wordt nog telefoonnummer opgeschreven, voor als er echt iets aan de hand is
En dan gaat het stel uit, een leuk avondje voor de boeg.
Eerst gaat het goed. De kinderen slapen.
Dan, halverwege de avond, klinkt er boven opeens gehuil
en hoort de oppas ook een ander raar geluid.
Ze rent naar boven toe en ziet dat een van de kinderen aan het overgeven is.
De oppas schrikt en raakt in paniek.
Wat moet ze doen: helpen, schoonmaken, troosten?
Waar moet ze beginnen?
Waar haalt ze schoonmaakspullen en schoon beddengoed vandaan?
Ze gaat zelf bijna over haar nek van de lucht.
Ze weet het niet meer.
In haar paniek weet ze nog maar één ding: het telefoonnummer.
Ze rent naar beneden, grijpt haar telefoon en belt snel het nummer: ‘Kom gauw!’
Als het stel thuis komt, treffen ze een huilend kind én een ontredderde oppas aan.

Als je ouder bent, dan kun je niet zomaar doen als deze oppas.
Je moet zelf aan de slag.
In de opvoeding komt er heel wat opruimen en schoonmaken bij kijken.
Je ruimt op van je eigen kinderen
en je maakt schoon bij je eigen kinderen wat je anders niet zo snel zou doen.
Soms moet je je erover heen zetten, maar je doet het toch.
Maar je kunt niet alles opruimen en schoonmaken.
Dat we niet alles kunnen opruimen en schoonmaken – dat wordt zichtbaar in de doop.
De doop heeft heel veel kanten:
dat je kind is opgenomen in het verbond met God,
het troostvolle dat je kind bij God mag horen bijvoorbeeld.
Het water dat bij de doop gebruikt wordt, laat ons zien
dat er ook iets bij ons moet worden opgeruimd en schoongemaakt,
van binnen in ons hart en dat kunnen wij bij onszelf niet
en dat kunnen we bij anderen niet, ook niet bij je kind.
De doop als besprenkeling laat zien dat de zonde in ons hart woont.
Naast het mooie dat de doop heeft, namelijk het bij God mogen horen van ons kind,
laat de doop ook zien, dat in ons hart een reiniging nodig is: de zonde weg uit ons hart.
Wij kunnen dat van onszelf niet doen, ook niet bij ons kind.
En ook het water van de doop wast die zonde niet weg.
Dat water wijst wel op iets anders waardoor we een schoon, een rein hart kunnen krijgen”:
door het bloed van onze Heere Jezus Christus.
Dat betekent: omdat Hij gestorven is aan het kruis,
kan ons hart gereinigd worden, van alles wat verkeerd is
van alles wat we fout gedaan hebben naar God toe en naar anderen toe.

Het verhaal over de voetwassing, dat we met elkaar hebben gelezen,
gaat ook over ons hart dat gereinigd moet worden en kan worden
omdat de Heere Jezus gestorven is aan het kruis.
Het is bijna Pasen en Jezus is met Zijn discipelen in Jeruzalem bij elkaar om te eten.
Alle discipelen zijn aanwezig, ook Judas is bij deze maaltijd aanwezig.
Het gaat niet gelijk over de maaltijd en wat er bij de maaltijd gebeurt,
dat Jezus opstaat om de voeten te wassen.
Het begint er eerst mee, dat Jezus weet dat Zijn moment gekomen is,
het moment dat Hij gearresteerd zal worden, ondervraagd,
Dat Hij meegenomen wordt naar een heuvel buiten de stad
met een kruis op Zijn rug
en Hij weet dat dit moet gebeuren, omdat Hij hierom op aarde gekomen is.
En Hij weet ook dat er Zijn dood aan het kruis niet het einde is,
maar dat Hij zal opstaan en zal teruggaan naar de Vader.
Er wordt ook verteld over de liefde die Jezus heeft
voor al de mensen die bij Hem horen,
liefde voor u, voor jou, voor de kinderen die gedoopt zijn
en dat die liefde in Hem is en Hem leidt naar het kruis.
Om te laten zien, dat die liefde in Jezus de kracht is,
die Hem voortdrijft op de weg naar het kruis, waarom Hij deze weg moest gaan,
maakt Jezus een gebaar, waardoor Zijn leerlingen voor altijd van die liefde weten,
geeft Hij een demonstratie waaruit die liefde naar voren komt,
zodat ook wij die liefde voor ons kunnen zien.
Om die liefde te demonstreren, staat Jezus op van de maaltijd
Hij doet Zijn bovenkleding uit en trekt een schort voor.
Als de Heere Jezus dat doet, zal er gelijk een complete stilte aan de tafel zijn geweest.
Geschrokken houdt iedereen op met praten: Wat gebeurt er nu?
Dat meen je niet!
Gespannen kijken ze naar wat Jezus doet:
Hij pakt water en doet dat in een schaal en gaat naar de eerste leerling toe
knielt bij de eerste discipel neer, neemt zijn voeten in de hand
en wast met het water uit de schaal de voeten schoon.
De voeten, die op zoveel plekken gelopen hebben:
door het stof van de straten, door de modder, door het afval wat buiten lag,
over de vloer van de wc en op andere plekken waar het niet echt hygiënisch was.
Geen wonder dat dit werk altijd was uitbesteed aan slaven,
het was een klusje waar bij je al je status verliest, als je dat moest doen.
Voeten wassen houdt: neerknielen bij iemand en erkennen dat die ander meerder is,
een betere positie heeft, het vuil en de viezigheid die aan de voeten vastzitten schoonwassen.
Zo gaat Jezus de kring rond: knielt neer bij Johannes en Andreas,
wast het vuil en de viezigheid van hun voeten,
knielt neer bij de andere discipelen: Thomas, Filippus, Nathanaël,
ook bij Judas knielt Jezus neer,
bukt zich bij deze discipel die zelf geen liefde meer voor Jezus kan voelen;
ook bij de discipel bij de weerzin in het hart leeft, aangestoken door de duivel,
wast Jezus de gorigheid van zijn voeten af.
Judas heeft vast de weerzin voelen toenemen:
Is dit nu een Heer, een Meester, die gezag moet uitstralen,
een man die goddelijke glorie uitstraalt?
Wat Jezus doet heeft Judas nog vastbeslotener gemaakt om Jezus te verraden.
Ook Judas is te geschokt om zijn voeten terug te trekken en op te springen.

Alleen Petrus doorbreekt de stilte die er is, omdat iedereen geschrokken toekijkt.
Petrus, hij kan niet toelaten wat hier gebeurt. Dit mag niet!
Petrus, hij protesteert fel, als Jezus bij hem neerknielt,
trekt zijn voeten terug en springt op: ‘U bent mijn Meester, U staat boven mij,
ik laat echt niet toe dat U bij mij doet.’
Jezus kijkt op naar Petrus: ‘PEtrus, je begrijpt nu nog niet waarom ik dit doe.
Maar binnenkort, als alles achter de rug is,
dan zul je begrijpen, waarom ik bij jou de voeten heb gewassen.’
Petrus wil deze waarschuwing niet horen,
zoals hij zo dadelijk ook niet de waarschuwing wil horen, dat hij Jezus zal verloochenen.
Petrus, als jij vol tranen naar buiten gegaan bent,
omdat je beseft dat je Mij verloochend hebt, dan zul je begrijpen
waarom Ik hier voor jou neerknielde om al het vuil van je voeten te wassen.
‘Nooit. Al ligt U een eeuwigheid voor mij geknield, ik zal het nooit toestaan
dat U mij de voeten wast, daarvoor heb ik U veel te hoog!’

Dan zegt Jezus iets onverwachts en dat raakt Petrus diep in zijn hart.
Jezus zegt: ‘Als Ik je voeten niet mag wassen, dan hoor je niet bij Mij.’
Met andere woorden, dan kun je helemaal niet over een eeuwigheid praten,
Want eeuwig leven is er alleen door Mij.
Hierdoor krijgt dit verhaal ook een link met de doop:
Want de doop laat zien, dat kinderen die geboren zijn
opgenomen worden in het verbond en bij Jezus horen.
En de doop geeft ook aan, dat we die band met Jezus niet mogen kwijt raken,
dat we vast moeten blijven houden in het geloof aan Jezus,
want anders raken we Hem kwijt.
De doop geeft ook aan, dat Jezus op aarde gekomen is, om ons te dienen,
want alleen zo kan Hij onze zonden afwassen en ons een rein hart geven.
Later begrijpen de discipelen pas wat Jezus wilde zeggen,
toen Hij van de tafel opstond en Zijn bovenkleren uitdeed.
Pas nadat Jezus was gekruisigd en gestorven, begrepen ze het.
Want wat Jezus hier doet, is dat Hij Zijn bovenkleren afdeed, aflegde,
en bij het kruis zagen ze hoe Jezus dat deed met Zijn leven,
wat Hij deed met de bovenkleren: Hij legde Zijn leven af.
Hij legde bovendien Zijn status af en de bijzondere positie die Hij had
en toen Jezus was opgestaan en weer aan hen verschenen was,
begrepen ze dat dit het plan van God was.
Omdat Jezus hen gediend heeft, aan het kruis: daar was Hij de slaaf,
op de laagste positie, om de vuilheid van onze zonden af te wassen.
Om ons te reinigen.
Dat kan alleen als je bij Jezus hoort, met Hem verbonden bent.

Er begint bij Petrus iets te dagen:
Zorgt dat wassen van de voeten dan ervoor dat ze bij Jezus horen?
Is dat de manier waarop Jezus nog eens benadrukt dat ze van Hem zijn,
de Zijnen die Jezus liefheeft?
Nou, dan moet het helemaal.
Dan is het te weinig als Jezus alleen zijn voeten wast.
Petrus wil dat grootse gebaar van Jezus, waarin Jezus zich klein maakt,
met een even groots gebaar beantwoorden,
want Petrus wil niet van Jezus losraken.
Zou dat nog in deze nacht gebeuren dat hij Jezus verloochende,
dat Petrus zelf de band met Jezus zal verbreken?
Nu zegt hij nog: Ik wil helemaal voor U gaan,
Ik denk er niet over om bij U weg te gaan.
Zonder U heb ik geen leven.

Ook hier weer een verrassende reactie van Jezus:
Nee, Petrus, nu draaf je door en je begrijpt nog niet wat ik doe.
Het is niet het gebaar van voetwassen waardoor je bij Mij hoort,
dat is iets extra’s; Jezus doet dat ook bij Judas ook,
die al helemaal van Jezus is losgeraakt en door de duivel wordt beheersd.
Je hoort al bij Mij, zegt Jezus.
Jezus zegt het nog sterker: Je bent al rein. Je bent al schoongewassen.
Want er is al iets met je gebeurt.
Dat helemaal gewassen worden is al gebeurd.
Jezus gebruikt een woord dat elders wordt gebruikt om de doop aan te geven:
een bad waarin je helemaal ondergaat en heel je lichaam gewassen wordt.
Het accent ligt hier niet op de doop, maar het speelt wel mee.
Dat verbonden zijn met Jezus gebeurt door geloof:
Als je gelooft in Jezus, dan ben je met Hem verbonden.
En de doop is dan  het moment waarop aangegeven wordt: nu hoor je bij Jezus.
Omdat je naar Mij geluisterd heb, toen ik je riep, daarom hoor je bij Mij.
Dat is ook een van de redenen, waarom we kinderen dopen
en niet pas wachten tot ze zelf de keuze maken:
Omdat Jezus eerst is: niet alleen dat Hij ons eerst roept,
maar ook omdat Zijn weg naar Golgotha al gebeurde voor wij geboren werden
En Hij daar op Golgotha voor ons stierf.
Wat Jezus hier al laat zien door Zijn mantel af te doen en neer te knielen
om de voeten te wassen.
Dat gebaar, die overgave, is de basis en wie dat gelooft is met Jezus verbonden:
Zijn dood aan het kruis.
Dat hoeft maar één keer te gebeuren.
De basis is gelegd en dat wordt ook in de doop gezegd: de basis is gelegd.
We hoeven het alleen maar te beamen, maar dat moeten we dan ook wel doen!
Het wassen van de voeten is voor Petrus nodig,
omdat hij op korte termijn zelf de band doorsnijdt en zegt Jezus niet te kennen.
Niet bij Jezus wil horen.
De voeten wassen: dat is de vergeving van onze zonden,
die mogelijk is omdat we bij Jezus horen, geroepen zijn en geloven.
Voor Petrus, voor ons, elke keer weer opnieuw hebben we het nodig dat onze zonden vergeven worden en dat we van binnen gereinigd worden.

Je hebt vanmorgen de belofte afgelegd om dat ook aan je kind te vertellen.
Allereerst dat je bij Hem hoort en dat die vergeving er ook voor hen is.
En als je bij jezelf denkt, of als je je kind dat hoort zeggen:
Daar kom ik weer, ben ik weer tekortgeschoten naar God toe,
of mijn hart, daar is het zo’n puinhoop, daar is het goed mis,
kan ik dat God echt wel laten vergeven, wil Hij dat wel
als ik komende week weer de mist in ga,
weer jaloers wordt, of driftig, of nonchalant in het dienen van God?
Ja, want Jezus stond op om de voeten te wassen: de basis was er al,
die verbondenheid met Jezus, dat je bij Christus hoort,
De belofte die Hij in de doop meegeeft, die je mag, die je moet geloven,
zodat die verbondenheid er ook blijft.
Want er komt in de doop nog een belofte bij: van de Heilige Geest.
Hij zal in jullie harten werken, in de harten van deze kinderen,
Bezig om hen bij Christus te brengen, te houden,
om hen geloof en liefde voor Jezus te geven,
om hen te laten zien dat zij zonder die vergeving en reiniging niet kunnen.
Wij kunnen die vergeving niet geven, wij kunnen die kinderen die gedoopt zijn
niet van binnen reinigen en ook de doop doet dat niet.
Wie dat wel doet, is Christus
en de doop geeft aan dat Hij dat van harte wil doen
om ook aan deze kinderen die gedoopt zijn het eeuwige leven te geven.
Vertel je kinderen daarover en geloof het zelf ook met heel je hart.
Wees ook bereid dat Jezus bij jou de voeten wast
en doe niet als Petrus, die zei dat het niet nodig was om Hem te dienen.
Maar omarm het, leef eruit, leef het je kinderen voor,
zodat zij er iets van begrijpen, waarom de Heere Jezus gekomen is
en waarom zij gedoopt zijn:
om hen bij Jezus te brengen en om hun zonden te vergeven,
Een reiniging van het hart, zodat ook zij rein zijn en helemaal van God zullen zijn.
God zal altijd voor je zorgen,
Nu en alle dag van morgen. Hij vergeeft jou zonden, groot of klein.
Leg je leven in zijn hand, Dan zul je voor altijd veilig zijn Amen

Preek zondagmorgen 20 november

Preek zondagmorgen 20 november
Bediening Heilige Doop
Markus 10:13-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders, gasten in ons midden,

Dan ben je moeder, dan ben je vader.
Ja, niet ineens.
Je hebt er een aantal maanden voor om naar dat moment toe te groeien.
Dat kunnen mooie maanden zijn van zwangerschap,
een tijd waarin je ernaar uitkijkt om het kind dat je in je draagt
in de armen te houden en te kunnen zien.
Dat kunnen spannende maanden zijn,
omdat je beseft dat het niet vanzelfsprekend is
dat je zwanger raakt en dat het kind dat je draagt gezond geboren wordt.
De maanden van de zwangerschap kunnen heel dubbel zijn,
omdat je zelf heel blij bent, maar tegelijkertijd iemand hebt – een vriendin, een zus –
die je dit geluk ook zou gunnen.

En dan na 9 maanden, waarin je heel wat emoties hebt gehad,
is het moment gekomen dat je vader of moeder wordt.
Voor sommigen van jullie is het de eerste keer dat je dit mocht meemaken,
voor sommigen zelfs na een periode van heel wat jaren wachten.
Voor anderen van jullie is het niet de eerste keer.
Het is bijzonder: dat te mogen meemaken dat je moeder, vader wordt.
En het blijft bijzonder, dat weer opnieuw te mogen meemaken
dat je het kind dat je verwacht in de armen mag houden.
Wat je in de armen houdt is een geschenk van God.
‘Het hoort er gelijk helemaal bij,’ hoor ik ouders vaak zeggen.
‘Net of het er altijd is geweest; gelijk niet meer weg te denken.’
Dat is niet minder een geschenk van de Heere,
dat je die band gelijk voelt: dat je de moeder, de vader van dit kind bent.
Ook dat is bijzonder, dat de liefde hebt gekregen
om dit kind welkom te heten in je gezin en de liefde voor dit kind in je te voelen.

Toen ons eerste kind geboren werd – Jenske werd halverwege de avond geboren –
was de verloskundige er en de kraamzuster,
later kwam de familie langs om ons kind te bewonderen.
Ze bleven allemaal maar kort.
Daarna ging iedereen weg, tot de laatste de deur uitging.
We bleven met z’n drieën achter.
Op dat moment overviel mij een gevoel van verantwoordelijkheid
en Rianne had dat ook. Later zei ze: ‘Toen werd ik pas echt moeder.’
Voor dit kind zijn we nu verantwoordelijk. Dit kleine, kwetsbare kindje – ons kindje.
Heel wat keren ben ik er die nacht uit geweest om te kijken of ze nog wel ademde.
Vaak heb ik aan haar bedje gestaan of haar in de armen gehad
en bij mijzelf gedacht: Dit kind moet ik opvoeden.
Wellicht hebben jullie, doopouders, datzelfde gevoeld:
het besef, dat je voor dit kind vanaf nu verantwoordelijk bent.
Dat doet wat met je, dat je vader of moeder geworden bent:
Kon je nog eerder een tijd overwerken, nu ga je eerder naar huis.
Kon je voorheen nonchalant in het verkeer zijn, of juist heel impulsief,
nu rijd je beheerst en aandachtig – want je hebt iemand om voor thuis te komen,
Die van jou afhankelijk is en die jou als vader, als moeder wil meemaken.

Die verantwoordelijkheid – kun je dat wel?
Sinds ik zelf vader ben, kan ik het me goed voorstellen
dat ouders hun kinderen bij de Heere Jezus brengen,
zoals verteld wordt in het gedeelte uit de Bijbel, dat we gelezen hebben.
Als ouder kun je heel wat voor je kind betekenen,
maar je kunt niet alles doen.
Juist wat God belooft, dat kun je uiteindelijk niet bieden.
Jij kunt als ouder je kind niet beschermen voor al het kwaad dat er in de wereld is.
Je kunt je kind niet altijd bewaren voor een ongeluk,
je kunt je kind niet altijd beschermen voor een verkeerde keuze.
En als het een ongeluk heeft gekregen of een verkeerde keuze heeft gemaakt,
kun je het alleen maar bijstaan of begeleiden,
maar er niet voor zorgen dat hij of zij dit op een goede manier verwerkt.
Dat is wel wat God belooft:
Om het kwade van je kind te weren,
of als dat kwade toch komt, doen meewerken ten goede.
Daarom breng je als doopouder je kind nu bij de Heere Jezus door het te laten dopen.
Zodat God geeft, wat jij je kind niet kunt bieden.

Er zijn er die de kinderen bij Jezus brengen, zodat Hij hen kan aanraken.
Om de kracht die Hij heeft aan hen mee te geven,
om hen de bevestiging te geven dat ook zij erbij horen.
Als ouder ben je zo verbonden met je kind, je bent kwetsbaar in je kind.
Als je kind iets overkomt, raakt je dat nog veel meer
dan dat het met jezelf gebeurt.
Het mooie van de doop is, dat je kind erbij mag horen,
omdat je zelf bij Christus mag horen.
Omdat jij als vader, moeder gelooft, omdat jij leeft met Hem,
rekent God je kind erbij, bij het geloof, bij de kerk, bij de gemeenschap met Hem.
Dat noemen we verbond – een afspraak die voor altijd geldt,
Een verbond is meer dan een contract.
Er komt liefde en genegenheid bij kijken.
In een verbond geef je je als partner helemaal.
Jij als mens geef je helemaal en in de doop zegt God: ook Ik geef me helemaal.
Een afspraak die voor altijd blijft gelden.
Waar je altijd een beroep op mag doen – jij als ouder, maar ook je kind.
Ook als je kind er helemaal niets meer aan doet
en het begint na te denken over God en beseft dat hij of zij niet meer zonder Hem kan,
ook als het grote fouten heeft gemaakt, of nooit meer aan God heeft gedacht.
Zelfs dan blijft die afspraak van kracht.
Ook als wij niets met God doen, blijft God in ons aan het werk.
De Heilige Geest zal gaan werken in het hart van je kind –
zoals Hij dat ook bij jou heeft gedaan, ook toen je er helemaal niet mee bezig was.

Ouders die hun kinderen bij Jezus brengen om door hen gezegend te worden.
Dan zijn er ook discipelen die tegen die ouders zeggen:
Je mag niet bij Jezus komen. Daar hoor je niet met je kinderen.
Je kunt er nog lang over doorpraten over de vraag of dat nu nog gebeurt.
Maar ik zou willen stilstaan bij de vraag of de ouders krijgen
wat ze voor hun kinderen willen, als ze bij de Heere Jezus komen.
Want ze komen bij Hem, als Hij Zijn discipelen corrigeert
en de kinderen die aangebracht worden bij Zich roept.
De ouders komen bij Hem, zodat Hij hun kinderen aanraakt, hen de zegen meegeeft.
En dan zegt de Heere iets dat niet alleen voor dit leven betekenis heeft,
maar ook voor een leven dat nog komen gaat: het Koninkrijk van God.
Je moet het Koninkrijk van God binnengaan.
Dat is niet alleen iets van deze wereld en van dit leven, van deze tijd waarin wij leven,
maar het gaat ook om een leven dat komt.
Goed, het heeft ook te maken met hoe je nu leeft,
maar dan ook met het oog op wat komen gaat.
Als de Heere Jezus terugkomt uit de hemel
en de geschiedenis op aarde afgelopen is
en de aardse tijd voorbij is.
Het koninkrijk van God: dat is de wereld zoals God die bedoelde, toen Hij de wereld schiep,
een wereld waarin Hij alle eer krijgt,
Een wereld waarin geen zonde meer is:
We kunnen God geen verdriet meer doen en ook de mensen die er zijn.
Een wereld waarin er geen dood meer is, waarin niet meer geleden wordt.
Het zal goed zijn, vooral omdat God daar is.
Jullie, doopouders, hebt een kind ontvangen
en je wilt het voorbereiden op een leven hier op deze aarde
en tegelijkertijd heb je de taak om je kind voor te bereiden op het leven dat nog komt,
in Gods tijd, als Christus terugkomt.
Daar vroeg ik dinsdag naar: hoe jullie daarin staan.
Want juist als je een kind hebt, kun je alle aandacht weer hebben
bij het leven hier op deze aarde, dat je God hier in deze wereld geeft.
Een van jullie zei: ‘Ik sta met één been hier op deze aarde
en ik sta met één been in de wereld die komt, als Christus terugkomt. Zo leef ik.’

Jezus geeft de ouders, die met hun kinderen bij Hem komen,
meer dan ze verwacht hadden, meer dan waar ze rekening mee hielden voor hun kind:
Een toegang tot het Koninkrijk van God.
Hij houdt anderen zelfs hun kind tot voorbeeld.
Als je niet wordt als een kind – dan kun je Gods nieuwe wereld niet binnengaan.
Je komt daar alleen, als je wordt als een kind.
Waar een groot deel van onze kindertijd en jeugd erop gericht is om volwassen te worden
zegt Jezus dat we als een kind moeten worden.
Wat hebben de kinderen – de meesten zijn nu naar de kindernevendienst –
voor op ons als volwassenen?
Zijn ze onschuldiger en doen ze minder dingen verkeerd?
Nee, ook kinderen kunnen hard zijn naar elkaar en elkaar uitsluiten,
een vooroordeel hebben over een ander, dat misschien niet eens klopt.
Ze kunnen verkeerd handelen en ook in verkeerde gedachten hebben.
De kinderen worden bij Jezus gebracht
en dat is precies wat de Heere Jezus bedoelt:
de afhankelijkheid die kinderen hebben.
Ze hebben niet altijd wat te willen,
want ze moeten mee als ze niet willen
of ze moeten iets doen, ook al hebben ze er geen zin in.
Kinderen zijn ook afhankelijk van de zorg van volwassenen.
Wie niet wordt als een kind – kan het koninkrijk van God niet binnengaan.
Zoals de baby’s die gedoopt zijn en de kinderen van de oppas in de kerk gebracht worden.
Ze kunnen tegenstribbelen en protesteren en toch, ze moeten mee.
Kinderen neem je ook niet altijd serieus.
Ze mogen meedenken, hun gedachten hebben, maar uiteindelijk maak jij als ouder de keuze.
Worden als een kind.

Zijn we dat kwijtgeraakt, op deze manier kind zijn?
Ik kom het als predikant nog wel tegen.
Als je van een volwassene hoort, dat hij of zij de beide ouders verloren heeft
die dan zegt: ‘Ik kan geen kind meer zijn.’
Met andere woorden: ik moet het nu zelf doen,
niemand die – als het moet – de verantwoordelijkheid voor mijn leven overneemt.
Ik zie het veel bij de ouderen die ik bezoek:
de worsteling met het afhankelijk worden van de zorg, die anderen moeten bieden.
Kunnen we dat nog wel, als volwassenen – zo kind zijn als Jezus bedoelt
met die afhankelijkheid, je laten leiden, meegenomen worden en je moet maar gaan.
Je moet vragen als je iets wilt hebben.

Ontvangen, geleid worden, het zelf niet in de hand hebben,
dat geldt toch eigenlijk voor veel dingen in ons leven,
de meest belangrijke zaken van ons leven hebben we uiteindelijk niet in de hand.
Of we gezond zijn en gelukkig zijn,
ook of we kinderen geschonken krijgen hebben we zelf niet in de hand.
En juist dat maakt ons – denk ik – volwassen:
de tegenslagen die er kunnen zijn, de zorgen die je maakt,
de verantwoordelijkheden die je hebt voor jezelf, voor anderen om je heen.
Als je wel verlangt naar een kind te mogen ontvangen,
maar nooit dat verlangen vervuld ziet,
dat maakt dat je het leven anders kunt gaan bezien,
minder naïef, omdat je merkt – tot je eigen verdriet – dat je het leven niet in de hand hebt.
En je ziet dan om je heen anderen wel vader en moeder worden
en je ziet dat ze op een andere manier behandeld worden;
het lijkt wel of ze meer meetellen dan jezelf,
dat ze een vanzelfsprekende aandacht krijgen,
aandacht die je ook zou willen, niet omdat je je op de voorgrond zou willen plaatsen,
maar omdat je ook nodig hebt, dat je gezien wordt
en dat ook jij het gevoel wilt hebben er helemaal bij te horen,
ook al heb je geen leuke anekdotes te vertellen over je kind,
maar merk je dat anderen niet over hun kinderen durven te praten
omdat ze bang zijn je pijn te doen met hun verhalen.
Je wordt anders behandeld, zonder dat je dat wilt.
En toch geloof ik en ik merk dat ook in de ontmoetingen met mensen,
voor wie het leven anders loopt dan ze zich hadden voorgesteld,
toch iets van dat worden als een kind kunnen hebben, waar de Heere Jezus op doelt
de voorwaarde die nodig is om het koninkrijk van God binnen te gaan.
Worden als een kind: dat je naar Hem toegaat,
bij Hem je geborgenheid zoekt.
En dan niet alleen een omarming en een zegen,
waar het verhaal van de ontmoeting met de kinderen mee eindigt
maar meer: een toegang tot die nieuwe wereld, het koninkrijk van God.
En je beseft dat je die toegang nodig hebt,
omdat je erachter komt, dat de wereld waarin wij leven
nog niet de volmaakte wereld is, zoveel dat ontbreekt,
zoveel dat mis gaat,
Als iemand die graag kinderen zou willen krijgen,
kan het je zoveel pijn doen als ouders achteloos met hun kinderen omgaan,
niet de tijd nemen om voor hun kinderen te zorgen, hen met zorg en aandacht op te voeden
of hen zelfs te verwaarlozen.

Een toegang tot die nieuwe wereld, die je mag ontvangen,
als Christus je mee mag nemen.
Jezus is op weg naar Jeruzalem, om daar aan het kruis te sterven.
Om daar aan het kruis voor ons te sterven.
Er is zoveel in ons leven wat we niet voor elkaar kunnen krijgen.
Ook de toegang tot Gods nieuwe wereld niet.
Die toegang loopt alleen via dat kruis van Christus op Golgotha.
Jezus zegt tegen de discipelen, tegen de kinderen en die ouders:
Jezus laat tussen de regels door schemeren
dat je die toegang tot Gods Koninkrijk mis kunt lopen.
Dat is niet wat Hij wil. Juist niet.
Hij is juist gekomen, om zoveel mogelijk mensen mee te nemen
door die toegang naar Zijn koninkrijk.
Hij wil u, jou, Hij wil de gedoopte kinderen meenemen.
Dat is Zijn wens, dat er velen zullen zijn in dat koninkrijk, bij Hem in de hemel.
Daarom zegt Hij: er is een weg,
je hoeft alleen maar te worden als een kind,
Te ontvangen, aan te nemen wat Hij je geeft.
Dat vind ik het mooie van de doop:
Je mag je kind meenemen naar de Heere Jezus.
Omdat jij het leven in Hem gevonden hebt,
omdat jij gelooft dat Hij ook voor jou gestorven is
en dat daardoor de weg naar God en Zijn koninkrijk open is.
Je mag je kind meenemen, naar Hem toe.
Je mag antwoord geven voor je kind,
totdat je kind, als het later zelf volwassen geloof is, zelf verantwoordelijk wordt,
je nazegt, jouw ja tegen Christus overneemt.
Daar mag je als ouders over vertellen, steeds weer opnieuw:
dat er ook voor hem, voor haar een weg is naar dat Koninkrijk van God is,
een weg die je zelf gaat, die je voorleeft aan je kind
en je wilt niets liever dat je kind die weg ook gaat.
Ook dat is een hele verantwoordelijkheid.
Deze verantwoordelijkheid hoef je niet alleen te dragen:
Je hebt een gemeente om je heen, die getuige is,
Die voor jou en voor je kind bidt, van wie ook verwacht mag worden, dat zij het voorleven.
Je hebt de Heilige Geest aan je kant, die vandaag beloofd heeft
aan jou en aan je kind, dat Hij zal gaan werken in het hart van je kind,
totdat het gelooft, totdat het ook ja zegt tegen Christus.
Misschien als kind heel onbevangen, als puber wat aarzelend, als jongere zoekend,
maar uiteindelijk een ja, dat niet anders kan dan Gods liefde en genade aan te nemen
omdat de liefde van God zo groot is dat die niet geweigerd meer kan worden.
Zo bidden wij als gemeente met jullie als doopouders mee:

Geef mij uw wijsheid, uw woorden van eer,
dat ik in U blijf en U in mij, Heer.
U als mijn Vader en ik als uw kind
dat in uw armen geborgenheid vindt.
Amen

Preek zondagmorgen 26 juni 2016

Preek zondagmorgen 26 juni 2016
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 105: 1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen hebben jullie een belofte afgelegd,
namelijk de belofte om je kind met de Heere God bekend te maken.
Je hebt die belofte om over God te vertellen voor God en Zijn gemeente afgelegd.
Een hele verantwoordelijkheid,
want als je deze belofte aflegt, betekent ook dat je die belofte moet waarmaken:
dat je dan ook steeds weer opnieuw vertelt over de Heere,
de enige God die er is – Vader, Zoon en Geest,
Die leeft en regeert tot in eeuwigheid.

In deze belofte sta je er niet alleen voor:
je hebt deze belofte afgelegd in het midden van de gemeente.
Wij zijn allen getuige van de belofte die jullie hebben afgelegd,
maar tegelijkertijd is er ook voor ons de verantwoordelijkheid,
dat ook wij naar jullie kinderen toe
niet verzwijgen dat God ook hun God wil zijn
en dat wij de verantwoordelijkheid hebben om het geloof voor te leven,
zodat jullie kinderen ook van ons kunnen leren
hoe zij kunnen geloven
en hun leven in dienst van de Heere kunnen stellen.
Het is onze taak als overige aanwezigen om voor hen een voorbeeld in het geloof te zijn.
Jullie staan  met deze belofte om te vertellen over God er niet alleen voor.
Je mag ook van ons als overige aanwezigen verwachten,
dat wij jullie helpen om je belofte waar te maken
om als ouders in de opvoeding ook het geloof door te geven.

Dat kan alleen als wij zelf doen waartoe Psalm 105 oproept:
om heel dicht bij de Heere te leven:
vraag naar de HEERE en Zijn kracht, zoek Zijn aangezicht voortdurend.
De belofte die jullie gegeven hebben
– en iedereen die de belofte bij de doop van een kind gegeven heeft
wordt ook weer aan die belofte eens gegeven herinnerd –
vraagt dat je hele leven bepaald wordt door het leven met de Heere.
Daar kan je elke dag weer en ook heel praktisch mee bezig zijn.
Als je bij het wakker worden, beseft: dit is weer een dag die ik van God ontvang.
Hoe mijn dag ook zal zijn: deze dag heeft Hij mij gegeven.
Ik moet Hem er voor danken en moet er op een verantwoordelijke manier mee omgaan.
Tegelijkertijd mag ik vragen of Hij erbij is deze dag
en of Hij mij op deze dag bij alles wat ik doe wil zegenen.
Heel praktisch: dat je de dag begint met zoeken van de Heere – elke morgen weer opnieuw
en te vragen of Hij meegaat en Zijn kracht aan je geeft.
om Zijn nabijheid en Zijn kracht.

Maak hier een gewoonte van,
want met een goede gewoonte is niets mis.
We hebben baat bij goede gewoonten:
een huwelijk en een gezin kunnen niet zonder de goede gewoonten
van het samen aan tafel zitten tijdens het eten, vertellen wat je hebt meegemaakt,
bij het weggaan even elkaar gedag zeggen.
Zo kan ons leven met de Heere niet zonder vaste gewoonten:
vaste momenten om te bidden en te lezen in de Bijbel, naar de kerk gaan,
er met elkaar over praten, zingen niet te vergeten.
Al die goede gewoonten zijn voor ons van belang,
want zij helpen ons om dicht bij de Heere te leven
– voortdurend Zijn aangezicht te zoeken, zoals Psalm 105 dat verwoordt.
Stel dat je dat achterwege zou laten: het bidden, het lezen uit de Bijbel, kerkgang,
hoe zou je leven er met de Heere er dan uit zien?
Je zult veel minder vaak met Hem bezig zijn:
alleen nog maar op de momenten waarop je aan Hem denkt.
Hoe vaak is dat dan per dag, in de week?
Dan kan de Heere zo ongemerkt uit je leven verdwijnen.

De Psalm roept ons om het tegenovergestelde te doen:
om aan de Heere en ook aan Zijn wonderen te denken.
Dat denken aan de wonderen houdt in
dat je je daar elke dag van je leven van bewust bent.
Weet je nog dat God de hemel en de aarde geschapen heeft?
Vergeet je dat niet als je weer een dag hebt,
waar je tegenop ziet, dat God de dag geschapen heeft
en als het nacht is, Hij het ook weer dag kan laten worden.
Vergeet je niet dat diezelfde God ook met jou bezig is, elke dag weer opnieuw?
Weet je nog van Abram, die geroepen werd?
Zo kan de Heere ook jou roepen om een bepaalde weg te gaan.
Weet je nog dat het volk Israël in Egypte was
en dat het toen een hele moeilijke tijd had – een diensthuis, een slavenbestaan
en dat de Heere, jullie God Egypte raakte met plagen
waardoor ze jullie moesten laten gaan, eerst door de Rode Zee, naar de Sinaï
en dan door de woestijn naar het beloofde land Kanaän.
Dat is wat de Heere, jullie God, voor jullie deed
en dat moet je steeds in herinnering houden.

Waarom is dat van belang om dat steeds te blijven bedenken?
Waarom moeten jullie deze verhalen aan je kind doorvertellen?
Omdat die verhalen niet alleen maar over vroeger gaan.
De God over wie deze verhalen vertellen is dezelfde God
en kan wat Hij toen gedaan heeft opnieuw doen.
Als je die verhalen doorverteld over de schepping, over Abram, over Israël
moet je je zo vertellen, dat je kind het idee heeft alsof hij, zij er zelf bij is.
Misschien heb je ook wel zo’n meester of juffrouw gehad,
die zo mooi kon vertellen dat je zelf meeliep door de woestijn
en die verhalen mee beleefde.
Misschien ook wel dat Abraham, Mozes, de profeten, de Heere Jezus
in deze omgeving, hier in Oldebroek rondliepen.

Door de verhalen levendig te vertellen, als verhalen die over nu gaan,
kan het geloof van je kind gevoed worden:
de God van Abram is ook nu nog God en wil ook mijn God zijn.
Binnen het Joodse volk worden die verhalen doorgegeven tijdens gezinsmomenten,
als het gezin met elkaar de grote feesten vieren,
die herinneren aan wat de Heere heeft gedaan voor Israël:
de uittocht wordt steeds weer opnieuw gevierd
en dan op zo’n manier dat de aanwezigen zelf ook de ervaring hadden
dat zij op dat moment bevrijd werden.
Er zijn verhalen bekend van Pesachvieringen uit Auschwitz en de ghetto’s
dat de Joden het Pesach daar zo vierden.
Door een loofhut te bouwen steeds herinnerd te worden aan de herkomst:
We hebben als volk een reis door de woestijn gemaakt.
Dit land is ons gegeven door de Heere.
Dat schept verplichtingen om de Heere niet te vergeten.
We kunnen van de Joden leren om ook binnen ons eigen gezin
met ons gezin stil te staan bij alles wat de Heere heeft gedaan:
door de maaltijden met Kerst, in de week van Goede Vrijdag met Pasen,
met Hemelvaart en met Pinksteren in het teken te zetten van die feestdag.
Of om de doopdag van je kind op de kalender te zetten
en op te zoeken wanneer jijzelf gedoopt bent
om op die datum stil te staan bij je doop.
Door bijvoorbeeld aan je eigen ouders te vragen, als ze nog in leven zijn,
naar de dag van de doop, hoe dat ging
en waarom ze jou gedoopt hebben
en wat ze in de loop van de jaren gezien hebben van de belofte die de Heere gegeven heeft.
Kunnen zij vertellen dat de Heere Zijn belofte als Vader, Zoon en Geest waarmaakt?
Het is goed om van de doopdag een speciale dag te maken,
waarop je tijdens het eten tijd hebt voor elkaar,
tijd hebt om stil te staan bij de doop, jaren terug
en dan te vertellen hoe die dag verliep en welke beloften de Heere gegeven heeft,
te vertellen hoe de Heere God de beloften die Hij gedaan heeft
waar gemaakt heeft.
Je moet dan natuurlijk niet vergeten te vertellen
dat de doop ook betekent dat jouw kind ook bij de Heere God mag horen
door de doop,
maar dat de doop ook betekent dat zij zelf een antwoord moeten geven op God.
In onze kerk is daar de belijdenis onder andere voor bedoeld:
Dat je de Heere dankt voor je ouders, voor hun opvoeding in het geloof
en dat je tegen de Heere zegt – en ook tegen je ouders, tegen de gemeente –
ik wil nu zelf gaan in het spoor van de Heere Jezus.
Ik geloof nu zelf, ik kan niet meer zonder de Heere Jezus
als mijn redder, mijn verlosser
en ik merk dat de Heilige Geest in mij werkt
en ik wil niets liever dan dat ik deze weg ook ga.
Vertel dan hoe zij dat kunnen doen en hoe jij dat zelf hebt gedaan.
Niet iedereen van jullie heeft nog belijdenis gedaan.
Wees naar je kind open over de aarzelingen die er zijn geweest
maar vergeet ook niet te vertellen hoe de Heere jou geholpen heeft
om meer over Hem te weten,
om elke dag met Hem te leven,
om te kunnen bidden,
om de Bijbel te lezen, zodat je dan ook de stem van God hoort
of – zoals in de Psalmen een antwoord dat gegeven kan worden op de Heere
een antwoord dat ook ons antwoord wil zijn:
Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
Maak Zijn daden bekend onder de volken.
Zing voor Hem, zingen Psalmen voor Hem.
Spreek met aandacht over Zijn wonderen.

De geschiedenis van Israël kent veel wonderen.
Voor de kerk komt dat nog een wonder bij.
Dat ook wij mogen spreken over een verbond dat de Heere met ons maakt.
Verbond – een afspraak die de Heere maakt, die voor altijd blijft gelden.
Voor eeuwig denkt de Heere aan Zijn verbond.
Voor altijd zal Hij zich er bewust van zijn en er naar handelen.
Hij zal wél zich aan Zijn verbond houden.
Een belofte voor duizend generaties: er zal geen generatie zijn
voor wie die belofte niet zal gelden.
De doop geeft aan dat de deur naar dit verbond is opengegaan
ook voor ons, die niet tot het volk Israël behoren.
Daarmee vervangen we Israël niet – ook dat verbond van God blijft voor altijd van kracht
en wordt zelfs vernieuwd.
Toch krijgen wij een plek in dat verbond, we mogen delen in wat Israël ontving:
in de verhalen, in de liederen, in de liefde en het verbond, dezelfde God.
Dat heeft alles te maken met wat er op Golgotha gebeurde:
Gods eigen Zoon die stierf daar in onze plaats.
De doop laat ook zien, dat Christus daar voor ons moest sterven.
De doop is meer dan een stempeltje dat we op ons kind plaatsen
en daarmee zeggen: jij hoort er ook bij.
Nee, er moet eerst wat gebeuren.
Het doopformulier spreekt over een onreinheid binnen in ons, in ons hart
een onreinheid die afgewassen moet worden
En alleen afgewassen kan worden door het bloed van Christus.
En in het gebed over een doortocht door de Rode Zee,
een beeld dat aangeeft dat de doop aangeeft
dat we een land achter ons hebben te laten: het land van de zonde.
In de doop mag je je kind meenemen uit het land van de zonde,
omdat de doortocht al is betaald: met het bloed van Christus.
Dat is het mooie van de doop, van Gods genade die zo overweldigend, zo uitnodigend, zo gul is, dat is ook Zijn verbond: dat Hij het ons gunt.

Als ik het zo zeg, dan is de reactie: dat is toch wel erg makkelijk.
Ik begrijp die reactie eerlijk gezegd nooit zo goed.
Want ik geloof dat Gods genade zo ruim is.
Daarom kan ik predikant zijn en de verhalen vertellen en kinderen dopen.
Maar makkelijk is het niet,
dat laat de geschiedenis van Israël tijdens de woestijnreis
en bij aankomst in het beloofde land zien:
Steeds de heimwee naar Egypte, de keuze voor andere goden.
Als onze kinderen niet zelf ook gaan geloven in God en in Zijn grote daden,
dan kiezen ze er weer voor om terug te lopen, door de Rode Zee
naar dat oude leven, van Egypte, van de zonde, weg van God.
Van de week kozen de Engelsen voor een brexit.
We zouden kunnen zeggen dat kinderen die niet dat geloof eigen willen maken,
zelf willen geloven ook kiezen voor een leave, een vertrek uit Gods gemeenschap.
Net als het brexit van de Britten kan het een ondoordachte keuze zijn.
Daarom is die opvoeding in het geloof van de Heere zo van belang.
Om te doen wat wij kunnen om onze kinderen bij de Heere Jezus te houden.
Door hen voor te leven dat alleen bij Hem leven te vinden is
en hen te waarschuwen dat leven niet op het spel te zetten.
Wellicht hebben we onze eigen ervaringen van een leave, een weggaan
en zijn we nu weer teruggevonden door de Heere.
Vertel over die ervaringen van een leven zonder God
om duidelijk te maken dat zo’n leven niet te verkiezen is.
De EU stuurde er gelijk aan dat de Britten dan ook maar weg gaan.
Gelukkig is onze God zo niet.
Hij is barmhartig en zet ons niet zomaar uit het verbond.
En als Hij ons eruit zet, is dat om ons door de schok duidelijk te maken
dat we zonder Hem niet kunnen, dat we verloren gaan en verloren zijn.
Niet alleen maar later, als ons einde gekomen is, maar nu al.
God blijft Zijn verbond voor eeuwig gedenken,
Maar niet als wij ervoor kiezen weer terug te gaan.
Dat we gedoopt zijn, betekent nog niet dat we niet verloren kunnen gaan.
Dat is dan onze eigen keuze om uit het verbond te stappen
en bij God weg te gaan.
Maar God is oneindig genadig en geduldig.
Misschien heb je zelf van die genade ook wel gemerkt,
omdat je weer terug mocht komen, welkom was bij de Heere – tot je eigen verrassing.
Dat is de hoop voor degenen die nu niet meer met de Heere leven.
We kunnen voor hen een beroep doen op Gods verbond:
Heere, vergeet hen niet.
Wil voor hen ook uw verbond gedenken.
Ook daarom moeten we Gods grote daden doorvertellen
en vertellen hoe jezelf er weer bij gekomen bent.
Als ik terugkijk op mijn leven is er ook een tijd geweest,
Dat ik had kunnen afhaken.
Ik ging wel naar de kerk, maar van binnen geloofde ik niet altijd meer in God.
Ik geloofde niet meer in Zijn grote daden
en had het idee dat God onbereikbaar was
en dus niet meer naar Hem hoefde te vragen, te zoeken.
Als de Heere mij, u, jou het geloof kan geven, teruggeven,
dan is Hij ook in staat om anderen, die nu niet geloven, het geloof te geven, terug te geven.
Daarom: gedenk Zijn wonderdaden, ook die je zelf heb meegemaakt.
Om voor jezelf, voor je gezin, voor anderen om je heen vertrouwen te hebben
dat de Heere ook nu nog werkt en morgen en over honderd jaar.
Tot in duizend geslachten – heel de geschiedenis, tot aan de wederkomst
zal dit verbond overeind staan
en zal God bezig zijn Zijn beloften te vervullen: voor u, voor jou, voor de kinderen.
Daarom: Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken
Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van Zijn wonderen.
Beroem u in Zijn heilige Naam.
Laat het hart van wie de Heere zoeken zich verblijden.
Amen