Preek zondag 2 februari 2020

Preek zondag 2 februari 2020
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Mattheüs 28:16-20 en Lukas 7:1-17.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er wordt nogal wat in de doop beloofd.
Door Christus in Wiens naam deze kinderen, jullie kinderen zijn gedoopt.
En ook door jullie als ouders wordt er bij de doop heel wat beloofd.
In de doop spreekt Christus deze kinderen die gedoopt zijn aan:
‘Ik ben voor jouw zonden aan het kruis gestorven.
Omdat Ik jou laat delen in Mijn dood en opstanding,
word jij bevrijd van jouw zonden en mag je weer delen in Gods gemeenschap.’
In de doop belooft Christus dat Zijn sterven en opstaan ook voor hen geldt.
Zijn dood is ook hun dood en Christus’ opstanding is ook hun opstanding.
En jullie beloven aan je kind, aan wie je vanmorgen de doop hebt meegegeven
dat je zult vertellen dat ze de dood van Christus ook voor hen geldt,
niet alleen maar als verhaal dat ze moeten kennen,
maar ook dat ze weten, dat ze geloven, dat ze ervaren dat in dat kruis op Golgotha
zij ook inbegrepen zijn, dat zij daar op Golgotha ook gestorven zijn
en dat ook dat geweldige van de opstanding van Christus, toen Hij uit het graf kwam,
een meer is dan een gebeurtenis die ze moeten weten,
maar dat zij door Christus ook dat nieuwe leven al hebben en zelf al zijn opgestaan.

Je hebt beloofd dat je je kind daarmee bekend maakt.
Dan beloof je ook heel wat voor jezelf:
Want je kunt er niet over vertellen als je zelf niet laat zien wat het betekent
dat Christus voor je gestorven is
en dat je een nieuw leven hebt gekregen door deze Heer.

Een manier om duidelijk te maken dat je door Christus een nieuw leven krijgt
is door te vertellen over onze Heere: door verhalen uit de Bijbel voor te lezen.
We hebben in deze dienst enkele verhalen gelezen over onze Heere Jezus.
In de beide verhalen uit Lukas wordt duidelijk dat onze Heere leven geeft.
Als Christus de stad Kapernaüm binnengaat,
wordt Hij door een delegatie van Joodse leiders gevraagd
om een zieke knecht van een Romeinse officier te genezen:
Hij is het waard, zeggen de Joodse mensen die dit verzoek bij Jezus brengen.
Kort daarna komt Jezus bij de stad Naïn een rouwstoet tegen:
Een groep vergezelt een weduwvrouw die haar enige zoon moet begraven.
Jezus laat de stoet stoppen, zegt tegen de vrouw dat ze niet moet treuren
en tegen de dode jongen, die daar op de baar ligt om begraven te worden: Sta op.
Twee bijzondere daden waarin we de macht van Jezus zien,
Diezelfde Jezus die aan het kruis de dood in ging
en in wiens dood we mogen delen.
Diezelfde Jezus die opstond uit de dood en ons meenam uit het graf.
Diezelfde Heere die naar de hemel ging
en in wiens naam deze kinderen vanmorgen zijn gedoopt.
De kunst is om aan je kinderen en ook voor jezelf deze verhalen over Jezus te vertellen
op zo’n manier dat je beseft dat ze ook over jou gaan.
Je vertelt over die zieke jongen en ondertussen terwijl je vertelt besef je zelf
en weet je ook je zoon of dochter duidelijk te maken,
dat wij net als die zieke jongen genezen kunnen worden
als de macht van diezelfde Heer die daar in Kapernaüm kwam en Zijn woord sprak
ook nu nog Zijn woord kan spreken en Zijn macht kan tonen.
Je vertelt zo over die moeder, die alleen verder moet,
omdat eerst haar man is overleden en nu ook haar zoon.
Je vertelt op zo’n manier dat je ervaart dat deze Christus die de baar liet stoppen,
over de macht van onze Heer, die tegen die dode jongen sprak
en met Zijn woorden vol macht de jongen wist te bereiken
die voor gewone menselijke woorden niet meer bereikbaar was.
Tijdens het vertellen ervaar je dat ook bij jou en bij je zoon of dochter
dit woord van Jezus macht heeft om ook jou, ook jullie op te wekken uit de dood.
Eén woord hoeft Jezus maar te spreken en dat ene woord heeft al macht.
Een enkel woord hoefde God maar te spreken om de aarde en de hemel te scheppen,
een enkel woord om het licht te scheppen,
om gedurende de 6 scheppingsdagen de aarde vol te maken
met allerlei dingen die verwezen naar de grootheid van God:
de wolken, de bloemen, de dieren en de mensen. Zo machtig is Hij!
U hoeft maar één woord te spreken, zegt de Romeinse officier via zijn vrienden tegen Jezus.
Jezus hoeft niet te komen om een ingewikkeld ritueel uit te voeren.
Jezus hoeft niet te komen om met magische krachten de jongen aan te raken.
Eén woord is al genoeg.
Zoals God met een enkel woord een hele wereld kan scheppen,
zo kan de Zoon van God die op aarde gekomen is om Gods macht op aarde te brengen,
zo is een enkel woord voor die Romeinse man al genoeg,
meer dan een enkel woord niet nodig, want dat ene woord heeft al kracht genoeg.
Niets is sterker dan dat ene woord, gelooft deze man.
Zelfs voor een dode heeft dat ene woord gezag: Sta op!
Het is in het Grieks ook één woord.
En zelfs de dood is niet opgewassen tegen dat ene woord,
omdat deze Heer macht heeft over de dood
en de dood moet de jongen laten gaan
en Jezus kan de jongen aan zijn moeder teruggeven
En de band tussen moeder en zoon, die door de dood was verbroken, weer herstellen.

Met de doop klonk dezelfde stem van dezelfde Heer,
al is er sindsdien heel wat gebeurd:
heeft deze Heer geroepen van het kruis dat het was volbracht
en heeft deze Heer zich na Zijn dood weer laten zien, omdat Hij opstond uit de dood.
Dezelfde Heer zond Zijn leerlingen erop uit om over over Hem te vertellen
en overal te dopen in Zijn naam.
Nu vanmorgen bij de doop van deze kinderen sprak diezelfde Heer:

‘Ik ben voor jouw zonden aan het kruis gestorven.
Omdat Ik jou laat delen in Mijn dood en opstanding,
word jij bevrijd van jouw zonden en mag je weer delen in Gods gemeenschap.’

Dat is toch bijzonder dat je aan je kind van vertellen,
dat ook in zijn of haar leven de stem van Christus geklonken heeft
en ook in het leven van je dochter of je zoon wilt werken.
Je vertelt dan dat je zelf ook geroepen bent door Christus
en dat je bent gaan geloven, zoals die Romeinse officier
en dat je die stem wel moest horen, zoals die jongeling die daar dood op die baar lag
en door de stem van Christus weer tot leven werd gewekt.

Dat klinkt wel heel stellig: dat je tot leven gewekt bent.
Misschien heb je er wel nog nooit zo over gedacht
omdat je geloof op een geleidelijke manier is gegroeid, omdat je er als kind over hoorde,
van je ouders, of in de kerk of op school
en heb je als kind, tijdens het luisteren naar de verhalen, er tussen gezeten
en kun je je zo weer voor de geest halen, hoe je daar bij zou staan
Als die Joodse mensen kwamen om een beroep te doen op Jezus voor die Romeinse man
om zijn geliefde knecht te genezen
en zie je jezelf meelopen in de stoet van Jezus, of juist in de stoet die uit Naïn kwam
om met die moeder mee te gaan om die jongen te begraven
en zie je het voor je hoe die jongen van zijn baar opstaat en met zijn moeder verenigd wordt.
Het kan ook heel stellig klinken, omdat je het geloof nog helemaal aan het ontdekken bent.
Je hebt er wel over gehoord, maar pas in de laatste tijd ben je er meer mee bezig gegaan
en nu mag je toch al je kind bij God brengen.

Nu mag je vanmorgen je kind, dat je van God gekregen hebt, bij deze Heer brengen.
Zodat Christus ook dat ene woord van macht spreekt tegen je zoon of dochter.
Dat is het bijzondere van de doop: je mag je kind zo heel dicht bij deze Heer brengen,
zodat hij of zij ook weet: Ik mag van deze Heer zijn.
Want die Romeinse officier dacht dat hij de waardigheid miste
waardoor Jezus niet bij hem in huis kon komen
en Jezus maar over een afstand dat ene woord zou spreken.
Dat was voor hem al genoeg.
En die moeder was Jezus voorbij gelopen als Jezus zelf niet de baar had stil gehouden
en tegen de moeder had gezegd: Huil niet
om aan haar zoon van wie ze afscheid genomen had te laten zien
dat door Zijn woord van leven en van redding degenen die nu huilen eens zullen lachen.
Voor die moeder gebeurde dat hier op deze aarde al.
En dat gebeurde om te laten zien dat de dood ons eens allemaal zal moeten laten gaan
en dat wie van deze Heer zijn bij Hem mogen zijn in Zijn heerlijkheid,
Waar ze het eeuwig leven van Hem mogen ontvangen.
Zoals Christus bij die baar stond en de baar met die jongen deed stil staan
en de jongen aansprak en hem het leven terug gaf,
zo zal Christus eens bij ons graf staan
En ons bij onze naam roepen, om ons te doen opstaan uit de dood.
Die jongen kwam terug in dit aardse leven, maar wij zullen dan in een eeuwig leven komen,
Waar je een verheerlijkt lichaam kunt krijgen,
Waar de tranen van je ogen worden gewist, omdat de dood er niet meer is.
Ik laat je delen in Mijn dood en opstanding, zegt deze Heer
en daarom is het nieuwe leven, waar Hij voor zorgt, voor jou als je in Hem gelooft,
zoals die officier in Jezus geloofde en die jongen door Hem werd opgewekt.

Wat is het bijzonder om je kind, dat je zo dierbaar is, zo dicht bij Hem te brengen.
Elke kerk heeft weer eigen manieren om hier op dicht bij Christus te komen.
De doop van een kind is een manier om je kind dicht bij Hem te brengen.
voor je kind een gebedje opzeggen of zingen als het slapen gaat,
en later voorlezen uit de kinderbijbel en liederen aanleren, meenemen naar de kerk,
op een christelijke school doen, zelf laten zien wat Christus voor jezelf betekent.
Elke kerk heeft weer zijn eigen manieren om dicht bij Christus te komen.
Hier in Nederland gebeurt dat in een kerkdienst op een zondag.
In Bulgarije is de kerk doordeweeks open en kun je zomaar even naar binnen glippen
om een kaarsje aan te steken en bij dat kaarsje je gedachten naar Christus te laten gaan
en zijn er personen uit de Bijbel die nu in de hemel zijn, zoals Daniël, Stefanus,
die ook al zijn ze nu in de hemel in de heerlijkheid van onze Heere
toch dicht bij kunnen zijn en die je helpen om dicht bij Christus te komen.
Als je dat gewend bent, moet je soms wennen aan hoe het hier in de kerk gaat.
Hoe je het ook gewend bent, vanmorgen hebben we deze kinderen bij Christus gebracht
en we hopen en bidden dat zij ook zullen geloven wat jullie geloven
en dat ze belijden wat jullie belijden.
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood
volkomen uitkomst geven.

Amen

Preek zondag 8 december 2019

Preek zondag 8 december 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Jesaja 65: 17-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat is nog eens een wereld waarin je je kind kunt laten opgroeien,
de nieuwe wereld waar Jesaja over spreekt:
Een wereld waarin je kind onbezorgd kan opgroeien.
Een wereld waarin je je als ouders geen zorgen hoeft te maken over je kind,
want je zoon of dochter zal opgroeien en oud worden.
Ze zullen aan het einde van hun leven kunnen terugkijken op een mooi leven.
Er zal geen ziekte zijn, waardoor ze jong afscheid moeten nemen van hun dierbaren.
Niemand zal door een ongeluk onverwacht overlijden.
Er zal geen oorlog uitbreken.
Ze zullen nooit op de vlucht hoeven te gaan of te wonen in kapotgeschoten huizen.
Als je zo’n leven mag krijgen, ben je inderdaad gezegend door de Heere.
Als dat nu eens het leven mag zijn, dat je dochter of zoon uit Gods hand mag ontvangen,
wat zul je dan zelf als vader of als moeder een stuk onbezorgder zijn.
Nooit hoef je dan je zorgen te maken dat je kind iets zal overkomen,
of dat ze zullen lijden, te maken zullen krijgen met tegenslag.
Je zult zelf ook niet het verdriet te dragen dat je je kinderen ongelukkig ziet.

Je hoeft niet eens naar een heel ander deel van de wereld te gaan
om te weten dat deze wereld niet binnen handbereik ligt.
Toen jullie zelf vader en moeder mochten worden, was er in andere gezinnen verdriet
dat ook voor jullie raakte,
waardoor jezelf ook weer besefte dat het een zegen is als je je kind mag zien opgroeien.
Waardoor je ook weer beseft dat deze wereld, die door Jesaja wordt aangekondigd,
er niet nu is, maar toekomstmuziek.
Jullie kinderen groeien op in een andere wereld,
Waarin het verdriet er wel zal zijn, waarin ze het nodige aan tegenslag zullen meemaken.
Je weet al van tevoren dat elk van deze drie kinderen op hun manier een kruis zullen dragen
en in het doopgebed baden we niet of hen dat kruis bespaard mag blijven,
maar dat ze de vreugde krijgen om dat kruis te zullen dragen,
omdat ze met het kruis dat ze zullen dragen achter Christus zullen gaan, hun Heer.
Zo’n gebed gaat nog eens dieper dan vragen om Gods bescherming
of dat je kind door het leven mag gaan onder de zegen van de Heere.
En als het formulier uitlegt wat het betekent om gedoopt te worden in de naam van de Vader
wordt er meer gezegd dan dat God je kind zal beschermen,
maar dat er ook heel wat kan gebeuren dat door je eigen ziel snijdt
en waar je zoon of dochter mee zal moeten worstelen, om uiteindelijk te ontdekken
dat het door God wordt gebruikt om je zoon, dochter te vormen als leerling van Christus
in het leven, dat zoals het formulier zegt: een voortdurend sterven is.

Daar kan het gehoor van Jesaja over meepraten dat het leven een voortdurend sterven is.
De mensen tegen Jesaja spreekt kunnen alleen maar aan vroeger denken,
omdat het heden te pijnlijk is:
Het heden is voor hen een stad in puin, waarbij er geen gebouw meer overeind staat.
Zelfs de tempel, de tastbare herinnering aan Gods aanwezigheid, lag in puin.
Voor de mensen die uit de stad weggevoerd werden, een teken dat God hen verlaten had.
Wat konden ze daar in dat vreemde land, waar ze niet thuis hoorden,
waar ze de taal niet spraken, waar hun God ver weg was, anders dan treuren.
Mijn tranen zijn mij tot voedsel, dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen: Waar is uw God?
Was dit de wereld waarin zij hun kinderen moesten laten opgroeien?
In een land waar ze niet thuis hoorden en nooit thuis zouden horen?
Waar ze voor altijd ballingen zouden zijn, omdat ze daar zonder God waren?
Hoe zouden ze hun kinderen de verhalen kunnen vertellen uit de Bijbel,
verhalen waarin naar voren kwam hoe geweldig de Heere was.
Hoe konden ze over de uittocht uit Egypte vertellen, over de reis door de woestijn
als hun kinderen niet naar Jeruzalem konden gaan om daar in de tempel
tot God te bidden en een offer te brengen uit dankbaarheid, of een offer voor hun zonden?

Dan is daar opeens de profeet met deze boodschap.
Moet je eens voorstellen hoe de mensen op zijn boodschap gereageerd zouden hebben?
Niet meer aan vroeger denken? We kunnen alleen maar aan vroeger denken,
want toen was het nog goed, omdat we toen wisten dat God onze God was.
Alleen maar blijdschap, alleen maar gejuich – zie je dat al voor je met ons,
Die alleen maar kunnen treuren om het gemis om God,
elke dag het verdriet om Jeruzalem in ons hart hebben, van heimwee niet kunnen slapen?
Eraan lijden te moeten zien dat hun kinderen in een heel andere tijd opgroeien
en veel moeten missen van wat zij wel nog meekregen in hun jeugd en kindertijd.
Weer wonen in je eigen huis en je eigen tuin kunnen bebouwen.
Weer thuis zijn op de plek waar je hoort, waar je hart ligt.
Ze kunnen er alleen maar van dromen.
Nu komt er iemand die door God gezonden wordt vertellen dat dit weer gaat gebeuren.
Moet je dit geloven? Ze zouden het wel willen.
De boodschap van de profeet zal zowel verlangen hebben opgewekt,
als een aarzeling: laten we ons niet te snel rijk rekenen want straks worden we teleurgesteld.
Te vaak hebben ze hier verdriet gehad.
Te vaak hebben ze een begrafenis hier meegemaakt, van kinderen die jong stierven,
ouderen die van verdriet wegkwijnden en de ballingschap niet aankonden en overleden
en begraven werden in een land ver van de plek waar ze begraven hadden willen worden.
Kun je dan nog wel getroost worden?

Het zijn ook niet de eigen woorden, waarmee de profeet komt.
Want dan zou het een goedkope troost zijn, die alleen maar nog meer pijn zou doen.
Het zijn woorden van God aan een volk met een kras op de ziel,
aan mensen die niet meer weten hoe ze het uit kunnen houden.
Het is de belofte van heel iets nieuws dat uit Gods hand komt.
Het bijzondere is niet zozeer dat er de nieuwe hemel en aarde aangekondigd worden,
maar de belofte dat God er weer zal zijn. Dat is de kern van de vreugde, de bron.
De vreugde dat God terugkomt en weer gediend kan worden.
Niet alleen een nieuwe aarde, maar ook een nieuwe hemel.
Niet meer een dichte hemel, afgesloten voor de smeekbeden van Zijn volk,
maar een open hemel, van waaruit God neerdaalt om onder Zijn volk te zijn.
God houdt zich aan Zijn verbond: Ik ben jullie God en jullie zijn Mijn volk.
Daar is de doop ook een teken van: van dit verbond.
Dat de hemel weer open kan zijn en God kan komen, uit de hemel op aarde,
zoals Hij kwam als Kindje in de kribbe om te komen ook voor onze zonden.
Niet alleen maar een nieuwe aarde, maar een nieuwe hemel.
Dat is nog meer dan Noach te horen kreeg, dat de aarde niet meer verwoest zou worden.
Een nieuwe hemel, dat betekent dat God niet onbewogen in de hemel blijft,
dat Hij nooit meer de oren zal sluiten voor de smeekbeden en dat Hij komt.
Dat zal zo nieuw zijn, dat hemel en aarde nieuw zijn.
Je kunt het niet meer vergelijken met eerder.
Dan zal het alleen maar goed zijn, dan zal er alleen maar zegen zijn. Alleen maar vrede.
Jullie kinderen worden gedoopt met diezelfde belofte,
dat God ook in het leven van deze kinderen, die gedoopt zijn, kan terugkomen
en niet pas als zij er naar vragen,
maar de doop betekent dat God al naar hen op zoek is, nog voordat zij zoeken naar God.
Dat de Geest bezig is om in hun hart te werken en een plek te maken voor Christus.
En het zal geschieden dat voordat zij roepen, Ík zal antwoorden,

terwijl zij nog spreken, Ík zal horen.
Nu jullie kinderen gedoopt zijn, zegt God dat tegen je kinderen, persoonlijk:
Ik ben jullie God. Nog voordat je naar Mij en om Mij roept, zelfs nog voor je kunt praten,
zal Ik je antwoorden.
Terwijl je zelf nog niet helder hebt, wat er in je omgaat en wat je nodig hebt,
terwijl je zoekt naar de woorden om te vertellen wat je dwars zit, ben Ik er al voor je,
zegt de Heere tegen deze kinderen in de doop.

Ik weet dat als ik het zo stellig is, er altijd wel gemeenteleden zijn, die zullen zeggen:
Betekent dat ook dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde ook voor hen zal zijn?
Maar wacht even, is daar niet geloof voor nodig?
Die kinderen die gedoopt zijn, moeten toch zelf ook antwoord geven op de doop,
zelf antwoord geven op de liefde van God, Hem in geloof aannemen?
Ja, ook daarom worden ze gedoopt – om dat bij het opgroeien zelf te gaan geloven
wat God in de doop belooft: dat je een Vader in de hemel nodig hebt,
dat je Christus in je hart nodig hebt, dat je niet zonder de Geest kunt.
Daarom krijgen deze kinderen ouders toegewezen, die hen vertellen over Hem,
die mogen voorleven hoe het is om Christus te kennen.

God geeft leven, kwetsbaar leven

naar Zijn beeld gevormd.

Hij bedacht jou en Hij heeft je

toevertrouwd aan ons.

 

Hier in Gods gemeente

leggen wij op jou Zijn naam,

geven wij je terug aan Hem,

die jou heeft doen bestaan.

 

In het volste Godsvertrouwen

zegenen wij jou.

Hij zal met je meegaan

alle dagen; Hij is trouw.

Daarom zijn ze onderdeel van de gemeente en worden ze in een kerkdienst gedoopt,
zodat alle leden van de gemeente, hier in de kerk en thuis bij de kerkradio,
Deze kinderen meenemen in hun voorbeden en voor hen blijven bidden.
Zodat deze kinderen, die gedoopt zijn, niet alleen maar hun eigen ouders hebben
maar ieder ander in de gemeente als een voorbeeld om te zien hoe je kunt geloven,
hoe je Christus in je leven een plek geeft, Hem gehoorzaam bent.
Ze hebben jou als ouders nodig, ze hebben u en jou als gemeentelid nodig.

Want de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, is er nog niet zoals Jesaja aankondigde,
Misschien dat die nieuwe hemel er wel gekomen is,
toen God terugkeerde bij Zijn volk nadat Jesaja deze komst aankondigde,
of dat de hemel weer nieuw werd toen het Koningskind geboren werd in Bethlehem
en de engelen het Ere zij God uitzongen als teken dat de hemel weer nieuw is,
vol bewogenheid met mensen, vol genade voor zondaren op aarde.
Maar die nieuwe aarde – die is er nog niet.
Als je je kind laat dopen, zeg je tegen je kind:
je bent nu geboren op deze wereld, maar we kijken uit naar een nieuwe wereld,
die zal zijn zoals God die geschapen had, nog voor de zonde in de wereld kwam.
Waar een wolf en een lam samen optrekken en een leeuw en een rund hetzelfde eten.
Waar een slang zijn gif niet meer zal spuwen.
Een wereld waarin een president die moorden op zijn geweten heeft, geen plek meer heeft
en zijn straf niet kan ontlopen.
Waar je niet zomaar in de gevangenis kan belanden
als je je wilt inschrijven voor een opleiding, omdat je niet de juiste gegevens hebt.
Waar je geen gesteggel meer hebt met de belastingdienst.
Het is een wereld die wij ons gewoon niet kunnen voorstellen,
omdat er geen kwaad is en niemand een ander kwaad kan doen.
De belofte van deze wereld heeft Christus nog eens onderstreept
en er nog iets aan toegevoegd, namelijk dat Hij het kwaad dat wij doen,
dat deze kinderen zullen doen, al kun je je dat nu wellicht niet voorstellen
op zich zal nemen en wegdragen en het goedmaken,
zodat wij als mensen ook weer met God kunnen verkeren, kunnen samenleven,
zoals het lam en de wolf samen optrekken, samen met de rund en de leeuw.
Dat zou een vreugde zijn, als deze kinderen daar mogen binnen treden,
dat wij mogen binnen treden, dat wij allemaal daar met God mogen zijn,
omdat we in geloof mochten aannemen.
Als Jesaja deze nieuwe hemel en nieuwe aarde aankondigt, zegt hij er een klein woordje bij:
‘Zie!’
Die nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen zichtbaar worden.
Wij zullen het mogen zien, mogen ervaren.
Zorg ervoor dat u het niet alleen zult zien, maar ook mag binnengaan,
dat je gelooft wat God in de doop belooft, dat je aanneemt, antwoord geeft.
Zolang zij het nog niet zelf kunnen aangeven, zullen wij voor hen bidden
en als ze het wel zelf kunnen aangeven, zullen we wellicht iets andere woorden gebruiken:

Herder, neem uw schaapje aan, hoofd maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan. Vredevorst wees Gij zijn vrede.
Amen

Ps. Deze tekst uit Jesaja 65:25 staat in een iets uitgebreidere vorm ook in Jesaja 11. Binnenkort hoop ik uit Jesaja 11 te preken – wellicht op nieuwjaarsdag. Dan zal ik deze beelden meer uitwerken.

 

Preek zondag 13 oktober 2019

Preek zondag 13 oktober 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Genesis 28:10-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je vader of moeder wordt, verandert er veel in je leven.
Je ontvangt iets moois uit Gods hand: een zoon of een dochter,
Waar je gelijk al van houdt, waar je zo mee verbonden bent.
Net of je zoon of dochter er altijd is geweest. Niet meer weg te denken.
Dat je het bijzonder zou vinden om een zoon of dochter te ontvangen
had je van te voren wel kunnen bedenken, maar dat je zó gelukkig zou worden?

Als je een kind mag ontvangen, maakt je dat niet alleen heel gelukkig,
maar ook heel verantwoordelijk.
Dit kind, dat je van de Heere hebt gekregen, is van jou afhankelijk.
En jij als vader of moeder hebt de taak om je kind op te voeden.
Kun je dat wel?
Er komt een moment, waarop je zoon of dochter het huis uit zal gaan.
Je wilt er nu vast nog niet aan denken, zo klein als hij of zij is.
Je wilt eerst van je kind genieten, je kind zien opgroeien.
Dat is voor later pas.

Als je vader of moeder wordt, ga je wel over later nadenken is mijn ervaring.
Hoe zal het leven van je kind zijn? In welke tijd groeit het op?
Wat zul je er zelf als vader of moeder van meemaken?

Als je aan ouders vraagt, wat ze van hun kind willen meemaken,
is het antwoord meestal: Ik wil mijn zoon of dochter zien opgroeien.
Totdat hij of zij volwassen is.
Als ik maar kan meemaken dat hij of zij tot haar bestemming komt.
Niet dat je de tijd daarna niet wilt meemaken,
maar dan kunnen ze in ieder geval op eigen benen staan
En zijn ze niet meer van je afhankelijk
En weet je wat er van je kind terecht komt.

Weten wat er van je kind terecht komt: dat is er voor Izaäk en Rebekka niet bij.
Want ze sturen Jakob weg naar het gebied, aar zijn moeder Rebekka vandaan kwam.
Hij gaat terug over de weg die Abram gegaan was naar Kanaän toe,
op het bevel van de Heere.
Jakob gaat de weg, die Eliëzer de knecht eerder was gegaan,
om voor de vader van Jakob een vrouw te zoeken in het land waar Abram vandaan kwam.
Waarom gaat Jakob weg?
Het is niet zijn eigen idee. Zijn vader en moeder sturen hem op pad.
Rebekka stuurt haar zoon, de zoon van wie ze zoveel houdt, naar haar eigen familie,
omdat ze bang is dat Ezau Jakob zou doden.
Izaäk stuurt Jakob niet weg, omdat hij bang is dat Ezau hem zou doden
zodra Izaäk overleden zou zijn.
Izaäk stuurt Jakob weg, omdat hij bang is dat Jakob net als Ezau
een vrouw zou kiezen hier uit de buurt, een vrouw uit de Kanaänieten.
Blijkbaar zijn de ogen van Izaäk opengegaan voor dat de keuze die Ezau maakte,
geen goede keuze is geweest.
(Het hoofdstuk waarin Izaäk Jakob zegent, terwijl hij Ezau had willen zegenen,
heb ik overgeslagen, omdat ik het niet voor elkaar zou krijgen
een preek te maken in een doopdienst.
Ik ben wel met dat hoofdstuk bezig geweest.
Ik ontdekte de Joodse uitleg, die aangaf dat Izaäk blind geworden was,
omdat hij zo graag keek naar zijn zoon Ezau die steeds verkeerde keuzes maakte,
blindgeworden door de zonde van zijn zoon Ezau door de vingers te zien.)
Nu zijn Izaäk en Rebekka samen in hun besluit om Jakob weg te sturen,
Ze konden het nooit eens worden in de voorkeur voor hun zonen
en konden elkaar tegenwerken, maar nu zijn ze een.
Daar gaat Jakob.
Nu moet hij zijn eigen weg gaan, zonder dat hij weet of hij ooit nog bij zijn ouders terugkomt.
Hij heeft de zegen ontvangen en daarmee de belofte van God dat dit land van hem is.
Nu Jakob gaat, is daar weinig van over.
Veel heeft hij niet bij zich. Alleen gaat hij op pad.
Een eenzame reiziger, die zijn eigen weg moet gaan, zijn eigen bestemming moet vinden.
Een vluchteling misschien zelfs, die er gauw vandoor moet gaan, om zijn leven te redden.
Zo moeten zijn ouders hem laten gaan, zonder dat ze weten of ze hem nog eens zullen zien.
Daar gaat Jakob, een reis vol onzekerheid, zonder te weten wat hem brengt.
De eindbestemming weet hij wel, maar de weg is vol gevaren.
Zal hij komen op de plaats waar zijn ouders hem naar toe gestuurd hebben?

Gaat hij wel alleen? Als gelovigen zullen we toch zeggen dat de Heere meegaat
op de reis die hij gaat afleggen?
Zijn vader heeft hem toch gezegend voor hij weg ging.

De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen.
De Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar.
De Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen. 

de Heer zij in u om u te troosten als u verdriet hebt. 

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen. 

De Heer zij boven u om u te zegenen.
Zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid.

De zegen is in het Oude Testament altijd meer dan een goede wens,
zo’n wens die je als ouders ook kunt hebben voor je kind:
Ik hoop dat mijn zoon of dochter gelukkig wordt, een goed, fijn leven heeft.
De zegen is meer dan zo’n wens.
Met de zegen vertrouw je iemand toe in Gods handen.
Je brengt iemand voor de Heere en zegt: neemt U de zorg voor Uw rekening!
Dat zullen jullie vanmorgen ook tegen de Heere zeggen als het om je kind gaat.
Alleen als we in die verhalen over Jakob lezen tot nu toe,
horen we niet zoveel over wat de Heere doet.
We denken vaak dat de mensen in de Bijbel elke dag Gods stem hoorden,
maar in het leven van Jakob was God aanwezig zoals bij ons.
Je weet dat Hij er is, er zijn momenten dat je Hem ervaart
op momenten van geluk, zoals wanneer je kind geboren wordt, of gedoopt wordt,
of op moeilijke momenten, wanneer je ervaart dat je gedragen wordt.
Jakob moet dat in geloof aannemen, zoals wij dat ook moeten doen,
omdat we over Hem gehoord, omdat je bij anderen en bij jezelf gezien hebt
dat God werkt, maar zonder God gezien te hebben.
Zo moet Jakob gaan, in het geloof dat God meegaat,
door de zegen van zijn vader aan de bescherming van God is opgedragen.

Na een dag reizen gaat de zon onder.
Dat is meer dan alleen een aanduiding van tijd, dat de dag bijna voorbij is.
Het zegt ook iets over hoe het leven van Jakob gaat verlopen.
Dat de zon in zijn leven ontbreekt, dat de tijd dat hij weg is uit het land,
doorbrengt in één lange nacht.
Want pas bij terugkeer in het door God beloofde land wordt verteld dat de zon weer opkomt.
Het is een grote, onzekere tijd voor Jakob, waarbij hij niet weet of God er zal zijn.
Zo legt Jakob zich te slapen als eenzame reiziger in het open veld,
waarbij hij zomaar overvallen kan worden door rovers of wilde dieren.
Misschien heeft hij toen hij daar in slaap viel, met een steen onder zijn hoofd,
wel gedacht aan de tijd dat hij een klein kind was en door zijn moeder ingestopt werd,
waarbij zijn moeder een gebedje voor hem zong:
Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe,
Heere houdt ook deze nacht, over mij getrouw de wacht.
Op bepaalde kritieke momenten in je leven kan zo boven komen
wat je als kind van je ouders hebt geleerd, zoals je in de nacht toevertrouwen aan God.
Ook dat weten we trouwens niet of hij gebeden heeft.
Het kan ook zijn dat hij te moe was van het reizen om te bidden en gelijk in slaap viel.

Het wordt wel een bijzondere nacht,
een nacht die hij nooit meer vergeten zal en een nacht die hij nooit meer wil vergeten.
In de Bijbel is geloof vaak niet iets dat je komt aanwaaien als het je voor de wind gaat,
maar dat je vindt als je op een dieptepunt bent aangekomen, op een nulpunt,
Als je zelf niet verder kunt.
Dat je dan geloof vindt, onverwachts. Of nog beter: dat God jou vindt.
Zo is het ook met Jakob.
Als hij daar slaapt in het open veld, als hij op zijn kwetsbaarst is, gaat de hemel open.
Deze plaats is een poort naar de hemel, zal Jakob later zeggen.
Het gebeurt in een droom, maar voor Jakob zo echt dat hij God zelf ontmoet in die droom.
Hij ziet een ladder, of een grote brede trap die uit de hemel naar de aarde wordt geschoven
En op die ladder gaan de engelen van boven naar beneden.
Het moet wel een heel bijzonder moment voor Jakob zijn geweest,
Een intens, een heilig moment,
waarop je alleen maar verbaasd kunt zijn dat je dit mag meemaken.
Of sterker nog, zoals Jakob dat overkomt, dat hij bevreesd is.
Een heilige plek, waar Jakob God zelf krijgt te zien.
Niet helemaal duidelijk waar God staat: of boven aan de trap of op aarde bij Jakob.
Maar wel dat Jakob, die alleen op reis is en al slapend heel kwetsbaar is,
geborgen is in Gods aanwezigheid, veilig in Gods heilige nabijheid.
Dat is ook wat je als ouders in de doop voor je kind op hoopt,
dat je kind zo geborgen is in de aanwezigheid van Vader, Zoon en Heilige Geest
En zo heel het leven door in Gods aanwezigheid mag leven,
Die in de hemel is, maar ook op aarde.
Dat Hij zo over je waakt.
In de afgelopen week hebben we weer hier in ons dorp kunnen merken,
dat hoe nodig we de bescherming van de Heere hebben.
Ik denk dat de ouders hier voor in de kerk en alle ouders in de kerk
een gebed in hun hart hebben, altijd weer, maar in deze weken helemaal:
Heere, bescherm mijn kind en verlies mijn kind nooit uit het oog.
Wij kunnen ons kind maar tot op zekere hoogte beschermen,
maar de geborgenheid die U biedt, de bescherming die U in de doop belooft:
Om als Vader te zorgen, het kwade te weren
en als dat kwade toch komt, dat doen meewerken ten goede.
Geborgen ook in de genade van Christus, die aan het kruis ging.
Geborgen in het werk van de Heilige Geest, die ervoor kan zorgen
Dat we zo in de nabijheid van God zijn, zoals Jakob daar ligt te slapen en zijn droom krijgt.

Je kunt van alles bedenken over de engelen, die op de ladder op en neer gaan.
Hemelse gezanten van God, die uitgezonden worden om Gods kinderen te begeleiden
op de weg die ze door het leven gaan.
In de uitleg wordt ook wel geopperd dat de engelen die in Kanaän zijn
Jakob overdragen aan de engelen die in Mesopotamië werken
En dat die engelen, die als het morgen wordt over Jakob moeten waken
kennis komen maken met het mensenkind dat aan hun hoede is toevertrouwd.

Ik leerde vroeger als kind dat er aan mijn bed een engel stond om over mij te waken.
Soms was dat een wat griezelige gedachte, als er iemand in je kamer staat die je niet ziet.
Soms was het juist ook een hele geruststellende gedachte,
dat er iemand is die je namens de Heere bewaakt
En als ik ‘s nachts wakker was als mijn ouders sliepen hoefde ik dan niet bang te zijn.
De engelen die bij Jakob zijn, zijn alleen maar een bevestiging dat God zelf
zich over Jakob ontfermt,
Jakob die met zijn moeder zelf ervoor zorgde
dat de zegen van God over hem werd uitgesproken.
Jakob die op weg is naar een ander land, waar hij de weg niet weet; de taal wellicht ook niet.
Waar hij maar moet afwachten hoe hij, vreemdeling, zal worden ontvangen.
En of er een weg naar huis voor hem zal zijn, weet hij niet.
Zoals hij ook niet weet of er wel een vrouw zal zijn en kinderen om de zegen door te geven.

Wat Jakob wel mag weten, is dat God meegaat op Zijn weg.
Ik ben met U – dat is nu het kenmerk van onze God,
zoals Hij zich aan Jakob bekend maakte en ook aan ons bekend maakt
en tegen de kinderen zegt die vanmorgen zijn gedoopt: Ik ben met U.
Het is de naam die Jezus ook moet krijgen: Immanuël – God is met jullie.
Je bent niet zonder God. Nooit, op geen enkel moment.
Als je net als Jakob een onbekende toekomst tegemoet gaat
en je niet weet wat je te wachten staat.
We hebben ons leven niet in de hand.
We kunnen onze plannen maken maar hoe ons leven verloopt, dat kan zo heel anders gaan.
Je kunt zo maar door een heel diep dal moeten gaan,
Waarbij je niet weet waarom het je overkomt.
Waarom jij deze weg moet gaan en je niet weet waar je uitkomt.
Eigenlijk zijn we maar heel kwetsbare mensen,
maar wel met een machtig God.
En het bijzondere is dat die machtige God, die hemel en aarde maakte,
Die aan ons en aan de kinderen die geboren zijn het leven gaf, hun leven wilde,
dat die God heel dicht bij ons komt, meegaat op onze weg.
Hoe die ook verloopt.
Dat mogen we geloven, dat hebben we te geloven.
Soms mag je een bijzondere ervaring hebben, zoals Jakob die had,
dat de hemel boven je open ging, juist als je niets meer hebt, als je alles kwijt bent.
En wanneer je zo’n ervaring niet hebt, heb je de verhalen over God,
die vertellen dat Hij er toch is.
Gisteren zag ik een theoloog, iemand die voor zijn beroep veel met de Bijbel bezig is
een kinderboek had geschreven met als titel De maan is rond.
Hij had dat boek geschreven, omdat hij met zijn zoon in het ziekenhuis was geweest
op bezoek bij zijn pas geboren zusje en bij zijn moeder.
Dat pasgeboren zusje overleed echter op dezelfde dag als het geboren werd
en het zoontje vroeg zich af, waarom dat zusje niet mee naar huis ging.
Je zusje is naar de Heere Jezus gegaan, legde zijn vader uit.
Wil mijn zusje dan niet bij ons zijn?
Jawel, zei zijn vader, ze wil heel graag bij ons zijn, maar nog veel liever bij de Heere Jezus.
Het was een heel gesprek dat deze vader had op de weg van het ziekenhuis naar huis.
Opeens vertelde de vader iets over de maan: de maan is altijd rond.
Je ziet niet altijd de ronde maan: soms is de maan een sikkel, dan weer half vol
en een enkele nacht helemaal rond.
Zo, vertelde de vader, is het ook met God.
God is altijd goed, maar je kunt de goedheid van God niet altijd zien.
Al zie je de goedheid van God niet, toch is God wel goed.
Er kunnen nachten zijn, waarin het heel donker is en toch is God goed
en zullen er weer momenten komen, waarop je die goedheid van God weer kunt zien.

Vanmorgen zijn er ook namen voorgelezen van degenen die verkozen zijn
als ouderling, als kerkrentmeester, diaken of jeugdouderling.
De meesten zullen er vast tegen opzien, dat is niet niks.
Ik zou vanmorgen willen zeggen: kijk er niet teveel tegen op.
Je hoeft als ouderling God niet te brengen in een huis,
Want de Heere is er al, zoals Hij bij Jakob stond, die daar in het open veld sliep.
Je hoeft alleen maar als een engel te zijn: te wijzen naar God die er is.
Of misschien helemaal niets zeggen, maar gewoon geloven en uitstralen
dat Hij er is,
al heb je de woorden niet als er iets ergs gebeurd is en kun je alleen maar zwijgen.
Of zoals de vader die steeds met zijn zoontje naar de maan keek,
zo steeds kijken of je de goedheid van God weer ziet.
Niet door het donker weg te praten, maar door te wachten tot God zich weer laat zien.
En samen geloven, dat als het donker is,
de zon als het ware is ondergegaan over iemands leven
dat je weet: er is een open hemel, een ladder naar God, wij zien die ladder nu niet,
maar de hemel is open en in die open hemel kijkt God naar beneden en ziet Hij ons
en zegt Hij, net zoals Hij tegen Jakob zei: Ik ga met je mee.

Ik breng je thuis, zegt God tegen Jakob.
Daar zongen we eerder in de dienst ook over.
Maar dan nog dieper: brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Thuis gebracht worden heeft ook de diepe betekenis
van iemand die de weg met God kwijt was, God uit het oog verloren is,
door God weer gevonden wordt.
De doop geeft aan, dat God zo steeds op zoek is naar iedereen die Hem kwijtgeraakt is.
En zo onverwacht kan komen, dat een plek die heel gewoon lijkt,
een poort naar de hemel kan zijn.
Dat is ons gebed dat het ook met de kinderen die gedoopt zijn mag gebeuren
En met ons allemaal:

Herder, neem uw schaapje aan,
Hoofd, maak het één van uw leden.
Wees zijn weg, wijs het zijn baan.

Gij alleen kunt het behouden.
Schrijf de naam door ons gegeven
in het levensboek ten leven.
Amen

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen

Preek zondag 24 maart 2019

Preek zondag 24 maart 2019
Schriftlezing: Mattheüs 20:17-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Als ouder heb je het beste voor met je kind.
Je wilt niets liever dat je kind het goed heeft en gelukkig is en daar heb je veel voor over.
Daarom staan ouders op zaterdagmorgen vroeg langs de kant van het voetbalveld.

Of brengt en moeder hun dochter naar de manege, zodat haar dochter kan paardrijden.
Je wilt goed onderwijs voor je zoon of dochter
en dat ze in de klas of in de buurt aansluiting hebben en vrienden om mee te gaan.
Omdat je wilt dat ze een goede toekomst krijgen, zit je ze achter de broek
zodat ze hun huiswerk maken.

Wanneer het niet goed gaat met je kind, gooi je jezelf in de strijd.
Als er iets op school is en je merkt dat de school het niet oppakt,
dan stap je op de school af en wil je een gesprek met de leerkracht of directeur,
waarin je aangeeft wat er speelt en vraag je aan school om iets te doen.
En wanneer school het niet goed oppakt, kunnen ouders hun kinderen van school halen
en naar een andere school doen
– al betekent dat soms dat je elke morgen en elke middag verder moet rijden.

Omdat je het beste met je kind voor hebt, sta je als ouders hier voor in de kerk
om de zoon of dochter, die je uit Gods hand hebt ontvangen, weer bij de Heere  te brengen.
Waar zou je kind beter af zijn, dan in Gods handen?
Bij God die beloofd als onze Hemelse Vader te zorgen voor jouw kind,
als Zoon tegen je kind zegt: Ik ben voor jou aan het kruis gestorven,
Zodat je bij Mij kan komen om vergeving van je zonden.
De Heilige Geest die belooft in het hart van jouw kind te gaan werken,
om daar ruimte te maken voor de Heere Jezus,
zodat je kind van de Heere Jezus gaat houden en Hem wil gaan dienen.
Als ouders heb je ook beloofd, dat je je kind zult vertellen over de Heere Jezus
En dat je je zoon of dochter leert, welke regels er horen bij het geloof.
Dat doe je, omdat je het beste voor hebt met je kind:
Ze leren God kennen en ze leren met God te leven.

We lazen over een moeder die het beste met haar kinderen voor heeft.
Ze stapt op Jezus af met de vraag of haar twee zonen de mooiste plek mogen hebben
in het Koninkrijk, waarvan Jezus zorgt dat het er zal komen.
Ze zijn op weg naar Jeruzalem,
waarschijnlijk met een hele grote groep mensen uit Galilea,
die op reis zijn naar Jeruzalem om een van de belangrijke feesten daar te vieren.
Als Jezus onderweg zijn leerlingen even apart neemt, waagt ze haar kans
en klampt Jezus aan en knielt voor Hem neer op straat.
Had Jezus eerder niet gezegd, dat als je aan Hem vraagt, dat Hij het zal geven
en dat wanneer je bij Hem aanklopt Hij zal opendoen?
Ze heeft een vraag, niet voor zichzelf, maar voor haar twee zonen,
Die haar dierbaar zijn en die alles hebben achtergelaten om Jezus te volgen.
Het kan zijn dat die vraag al enige tijd bij haar leeft,
in ieder geval nadat ze Jezus heeft horen vertellen,
Dat er 12 tronen zullen zijn, waarop de leerlingen zullen zitten.
Ze zullen op die troon zitten met Jezus die koning en rechter over Israël zal zijn.
Nadat ze Jezus hier over heeft horen vertellen, is er een gedachte bij haar gekomen.
Als ik nu eens vraag aan Jezus of mijn twee jongens de beste plek mogen hebben.
Toen de groep onderweg ging naar Jeruzalem heeft ze steeds gekeken
naar een gelegenheid om Jezus aan te schieten en Hem deze vraag voor te leggen.
Ze heeft in de buurt van Jezus rond gelopen
en bij zichzelf gedacht: zal ik nu gaan? Of nog even wachten? Is dit een goede gelegenheid?
Als Jezus onderweg Zijn discipelen bij elkaar roept, even apart,
om hen iets te vertellen over het doel, waarom ze naar Jeruzalem gaan,
dan hoort de moeder alleen maar doel en Jeruzalem
en ze denkt aan wat Jezus zei over die twaalf tronen
en ze denkt: dan moet ik nu gaan. Dan is dit de gelegenheid om Jezus aan te schieten.
Ze verzamelt alle moed bij elkaar en waagt de stap.
Ze gaat voor Jezus op de knieën, om aan te geven dat ze een dringende vraag heeft
die ze alleen aan Jezus kan stellen, waar ze bij niemand anders mee terecht kan.
Het is ook een houding van eerbied: ik heb wel een vraag, maar u beslist over het antwoord.

Zo kun je als moeder of als vader ook bij Jezus aankloppen voor je kind:
Met een heel duidelijke vraag, die je alleen aan Christus kunt stellen
of met iets dat in je leeft, zonder dat je het precies kunt verwoorden,
waarvan je voelt: Ik moet wel bij Hem zijn, bij Hem aankloppen en Hij helpt me wel.

Voor de vrouw iets kan vragen, is Jezus haar al voor: Wat wil je?
Dat is fijn als iemand je tegemoet komt en het gesprek opent,
kom maar met je verhaal, steek van wal.
Het kan zijn dat er in de vraag van Jezus meer mee klinkt,
zonder dat deze moeder dat beseft.
Dat Hij wil laten merken, dat als je aan Hem iets vraagt, je ook bereid moet zijn
om te accepteren dat Gods wil anders kan zijn: Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Wat je voor je kind wilt, dat kan best belangrijk zijn, maar God kan een andere weg gaan.
Ben je bereid om de weg van je kind in Gods handen te leggen
En te accepteren en zelf op die weg mee te gaan, die je zelf niet hebt uitgestippeld?
Het kan ook zijn dat Jezus wil laten weten: je kunt wel een vraag hebben, iets willen,
maar ben je bereid om mij te volgen: Wie achter Mij aan wil komen.
In ieder geval geeft de vraag van Jezus aan dat Hij bereid is om naar onze vraag te luisteren
en er serieus op in te gaan, die niet aan de kant te schuiven
en tegelijkertijd weet Jezus dieper af te steken:
God kan wel iets anders voor hebben met onszelf of onze kinderen dan wij willen.
Zijn we dan nog bereid om Jezus te volgen?
Of haak je dan af, omdat God vooral moet doen wat jij wilt dat er gebeurt?

De moeder heeft voor haar jongens zo haar eigen dromen.
Als dat koninkrijk van U er zal zijn, mogen mijn twee jongens dan links en rechts van U?
Ze ziet haar jongens al zitten naast Jezus op die ereplaats:
Jezus die midden in Jeruzalem plaatsneemt op een troon
en dan links van zich kijkt of naar rechts om haar twee jongens om advies te vragen
of om te vragen een bepaalde taak voor Hem uit te voeren.
Je wilt het beste voor je kinderen toch? Soms is het beste nog niet goed genoeg.

Als Jezus gesprekken voert, heeft Hij een luisterend oor.
Hij neemt de tijd om te luisteren wat we te zeggen hebben, wat er in ons hart leeft.
Dat kunnen mooie en vrome overwegingen zijn, maar dat hoeft niet altijd.
Soms kunnen we zonder dat we het doorhebben, meer met onszelf bezig zijn dan met God.
En dat je zo met jezelf bezig bent, dat je vergeet waar het de Heere om te doen is.
Want waar ging het gesprek over, wat Jezus met Zijn leerlingen heeft
en waarin die moeder zomaar komt binnenvallen?
Jezus bereidt Zijn leerlingen voor op het doel in Jeruzalem.
Dat heeft die moeder wel goed gehoord,
maar ze heeft maar half gehoord waar het over ging, omdat ze een grootse droom had
Waarin ze haar jongens zag aan de zijde van Jezus zag.
Want Jezus heeft het over heel iets anders dat in Jeruzalem zal gebeuren:
Hij zal verraden worden en uitgeleverd, ter dood veroordeeld, bespot en gegeseld,
naar het kruis gebracht.
Weet je wel wat Mij te wachten staat daar in Jeruzalem?
Opnieuw zegt Hij het op een manier, waarop er meer in Zijn woorden zit.
Kun je de drinkbeker leegdrinken die voor Mij bestemd is?
De twee zonen die deze vraag krijgen, zien dan een mooie beker, goud of zilver,
die de waardigheid van Jezus zal uitdrukken, de waardigheid waarin zij mogen delen
als zij daar op die troon naast Jezus zitten.
Dat zal een hele verantwoordelijkheid zijn om uit die beker te drinken,
maar hun Meester hoeft hen niet te onderschatten.
Ze zijn al een tijdje met Jezus opgetrokken. Ze weten heus wel hoe Hij denkt.
En die verantwoordelijkheid over Israël willen zij wel met Jezus delen,
samen de schouders eronder: schouder aan schouder in Gods wijngaard te gaan.

Jezus heeft het echter over iets anders.
Die beker is niet iets koninklijks en heeft niets met status te maken.
De beker leegdrinken – dat is wat Jezus te wachten staat in Jeruzalem:
opgepakt worden en veroordeeld, gepijnigd en uitgelachen en bespot
en aan het kruis geslagen, omdat Jezus zegt dat Hij door God gestuurd is.
Boven het kruis zal het hangen: Dit is nou jullie Koning, beste Joden.
Dat Jezus gestorven is aan het kruis zul je in de opvoeding vertellen,
als je met je kinderen uit de kinderbijbel leest of later uit de gewone Bijbel.
Als je daarover leest in de Bijbel merk je dat het niet alleen is was dat mensen wilden,
maar dat het ook Gods wil was, dat Jezus aan het kruis gehangen werd.
In Gethsemané vroeg Jezus of de drinkbeker aan Hem voorbij mocht aan,
maar dat was niet de weg die Jezus moest gaan: Deze beker was voor Hem bestemd.
De beker die Jezus moet leegdrinken is de toorn van God.
Alles wat wij verkeerd gedaan hebben,
waarom we vanuit onszelf niet bij God horen, zit in die beker en Jezus zal die leegdrinken.
De doop laat dat ook zien, ook de doop van deze kinderen:
Zoals we zijn kunnen we niet Gods koninkrijk binnengaan. Er moet eerst wat gebeuren.
Met hen en met ons allemaal: opnieuw geboren worden.
Je bent net geboren en er wordt gezegd: je moet opnieuw geboren worden.
Dat betekent de doop ook: elk kind dat geboren is, moet opnieuw geboren worden.
Als een kind gedoopt wordt, betekent dat: ook dit kind is er nog niet.
Ook dit kind moet opnieuw geboren worden.
Maar dat kan ook, omdat Jezus die beker leeggedronken heeft,
die de Vader voor Hem bestemd heeft.
Dat is de dood aan het kruis.
Terwijl die twee leerlingen zich in mooie gewaden gekleed zien
en zien zitten op een mooie troon, met een gewichtige taak,
ziet Jezus een andere taak, ook gewichtig, maar zo anders.
Een troon van hout, niet waar je op zit, maar waar aan je hangt
en niet een troon waar je vol ontzag naar opkijkt, maar al spottend kijk je op.
Wat een grootspraak heeft die man gehad: denken dat Hij de koning van Israël is.
Niemand heeft toen willen zien, dat Hij aan het kruis bij uitstek de koning was.
Want een echte koning heerst niet, maar dient.
Een echte koning vraagt niet het leven, maar geeft Zijn leven,
offert zichzelf op om zijn dienaren te redden – in ieder geval de door God gestuurde koning.
Als Jezus aan Zijn houten troon hangt – het kruis op Golgotha –
zijn er inderdaad twee mensen naast Hem: geen leerlingen die glunderen van trots,
maar moordenaars, die hun straf dragen aan het kruis.
Beste moeder, wil je dat je jongens ook aan het kruis gehangen worden?
Misschien heb je dan toch mijn onderwijs wel gehoord en begrepen
toen ik tegen jouw jongens en tegen Mijn andere leerlingen zei,
Dat degenen die met Mij mee willen gaan, achter Mij aangaan ook hun kruis dragen.
Opdat zij hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mogen dragen.
Het beste voor je kind is niet altijd het makkelijkste, maar wel het beste.

Gisteren waren we met de organisten en de kerkrentmeesters in een kerk,
Waarin aan de voorkant buiten een groot kruis stond
en binnen in een raam met allerlei kleine kruisen.
Door het raam met die kleine kruisen konden we het grote kruis buiten zien.
Door het kruis wat wij dragen, zien wij het grote kruis waar Jezus aan hing:
Het kruis waar de Zoon des mensen, Jezus, liet zien
dat Hij niet gekomen was om te heersen, maar om te sterven
en met Zijn dood kocht Hij ons vrij, vrij van de zonde, van de duivel.
De beker die Hij helemaal leeg moest drinken, de beker van Gods oordeel over ons,
Hij werd er helemaal in ondergedompeld – met een doop gedoopt.
Bij ons is de doop maar met een handje water,
maar de betekenis is wel dat je kopje onder gaat in dat water.
Zo ging Jezus helemaal – kopje onder zouden we kunnen zeggen – in Gods oordeel,
Hij bracht het er niet levend van af en werd begraven.
Maar Hij vertelde er gelijk bij: na 3 dagen sta ik op uit de dood.
De dood overwonnen en jullie vrijgekocht.
Als we een kind dopen, betekent dat ze verbonden zijn aan Christus
die zelf ondergedompeld werd in onze zonde en onze schuld, kopje onder ging,

het kruis moest dragen, voor ons bedoeld, zodat wij daar niet hoefden te hangen.
Jacobus en Johannes, de twee zonen van die moeder hoefden er niet te hangen
En wij ook niet. Gedoopt in de naam van de Zoon betekent:
Dat Jezus voor ons aan het kruis gestorven is.

Dan gaat het er nu om: geloof je dat voor jezelf? Dat je Christus nodig hebt?
Liefde Gods, zo rein en krachtig, bloed van Jezus, rijk en vrij.
Het beste dat je voor je kind kunt doen, is vertellen over deze Heer
en voorleven dat je van Hem je leven hebt terug gekregen, omdat Hij aan het kruis ging.
Vertellen over het geluk dat je krijgt door deze koning, die de troon beklom in Jeruzalem.
Zijn wieg was een kribbe, Zijn troon was een kruis.
Zo arm werd de Heiland voor u en voor mij. Amen



Preek zondag 29 oktober 2017

Preek zondag 29 oktober 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Romeinen 5:1-11; tekst: vers 3-4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Als vader sta ik wel eens te kijken langs de lijn bij het voetbal.
Soms zijn er wedstrijden waarbij je kunt genieten van het spel.
Er zijn ook wedstrijden bij, waarin het minder goed gaat.
Het lukt niet om te scoren, er wordt minder overgespeeld
en bij de tegenstander lukt het allemaal wel.
Dat is dan meestal een wedstrijd die verloren wordt,
omdat het geloof er niet is en de tegenstand te groot.
Tijdens zo’n wedstrijd denk ik dan dat het goed zou zijn
dat je als vader, of als trainer van het team, er goed doet om weerstand aan te leren,
om niet te snel op te geven als het niet wil lukken.
Dat geldt niet alleen voor sport, maar ook voor andere zaken:
dat je niet te snel in paniek raakt als het niet wil met schoolwerk en goede cijfers uitblijven.
Of: Ik weet niet goed hoe ik vrienden moet maken en daarom wacht ik maar af.

Kun je je kind dat wel aanleren: weerstand?
Kun je leren dat ze niet te snel moeten opgeven of niet te snel de moed moeten kwijtraken?
Dat is het spannende aan opvoeden:
Je kunt ze iets voorhouden, maar uiteindelijk moeten ze het zelf doen.
Moet dat een onderdeel van hun karakter, van hun houding worden
dat ze niet te snel van slag zijn als het tegenzit.

Die weerstand en het niet te snel opgeven is ook voor het geloof van belang.
Voor Paulus is weerstand en niet opgeven een houding die een gelovige kenmerkt.
Als gelovige heb je een stevigheid, waardoor je niet onderuit gaat
als je te maken krijgt met tegenstand,
of als je het niet in de hand hebt hoe je leven zich ontwikkelt.
De gelovige, zo geeft Paulus hier aan, heeft een bepaalde houding, heeft karakter.
Het is geen karaktereigenschap die we vanuit onszelf hebben,
niet iets dat we in huis hebben en waarvan we tegen anderen kunnen opscheppen:
Kijk eens wat we doen. Nee, dat karakter, die houding
die we als gelovige hebben, hebben we aan God zelf te danken.
Geloof in God geeft je als gelovige een stevigheid,
waardoor je niet de moed opgeeft, waardoor je overeind blijft staan.

Dat we die moed en die kracht hebben om overeind te blijven staan,
hebben we te maken door onze band met God.
Geloven betekent dat je aan God verbonden bent.
En dat is niet een band die wij zelf leggen, vanuit onze kant,
maar het is een band van God, die Hij aan ons geeft,
waardoor wij ons vast kunnen maken aan Hem.
Dat is nu het verbond wat in de doop gesloten wordt
tussen God en jullie kind: een hechte band die God schenkt,
waarbij de Heere jullie kind aan Zich vastmaakt.
Waarom laat je je kind dopen? Om je kind zo aan God vast te maken,
Of anders gezegd: het  teken van het verbond mee te geven,
Waardoor je kind weet: dat verbond met God is er ook voor mij,
ook ik mag daarin opgenomen zijn, ook voor mij is er die hechte band met God.
Zo verbonden met God, vastgemaakt aan God, kan jouw kind ook die weerstand krijgen waar Paulus over spreekt, dat overeind blijven staan in moeilijke omstandigheden.

Paulus schrijft in het gedeelte met iets andere woorden over dat verbond, die band met God.
Hij heeft het over toegang krijgen tot God
En die toegang tot God die is er door Christus, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is weer in orde gekomen met God: er is weer vrede met God,
we kunnen weer bij elkaar horen, omdat Christus onze zonde uit de weg heeft geruimd.
Dat weer bij God mogen horen, van God mogen zijn, aan Hem verbonden zijn
– dat is de basis van die weerstand, van dat karakter dat Paulus graag ziet.
Want als je bij God hoort, mag je hoop en vertrouwen hebben,
omdat je weet: Ik sta er niet alleen voor, mijn leven is in Gods hand
en niets of niemand is meer in staat mij van God, van Christus’ liefde te scheiden.

Kun je dat zo wel aan een klein kind meegeven,
dat helemaal nog geen verstand heeft van geloven?
Een kind die nog nooit de verhalen uit de Bijbel heeft gehoord
en nog niet zelf heeft kunnen kiezen voor de God van de Bijbel?
Moet je dan niet wachten tot een kind een eigen keuze heeft gemaakt,
want maak je zo’n kind dan niet te gemakzuchtig
en gaat een kind door de doop niet te gemakkelijk geloven dat het wel goed zit?
Er is een reden waarom we als gemeente kleine kinderen dopen.
En dat is niet omdat de eigen keuze niet belangrijk
en ook niet om aan te geven dat het allemaal al goed zit en er niets meer hoeft te gebeuren.
Er moet wel wat gebeuren:
het is de bedoeling dat je kind wat God belooft gaat eigen maken, gaat geloven.
Maar als kerk dopen we kinderen nog voordat ze hun keuze kunnen maken,
omdat we geloven dat het God is die kiest, voor je kind, die de band legt.
Die niet wacht op je kind, tot hij of zij die keuze maakt, maar al bezig is in zijn of haar leven.
Omdat die toegang er al is, voordat wij kunnen nadenken,
omdat die toegang er al gekomen is, voordat wij er als mensen al waren.

De doop geeft aan dat we op elk moment van ons leven die toegang mogen gebruiken,
de toegang tot God die er is gekomen, omdat Christus aan het kruis stierf.
Er is geen grens: geen leeftijdsgrens en ook niet een grens van het eerst begrijpen,
zelfs niet van het eerst geloven of er voor kiezen.
God legt als eerste die band en wat wij, wat u, wat jij, wat die dopelingen kunnen doen,
is het beamen, ontvangen, eigen maken.
De doop geeft ook aan dat u, dat jij, dat deze dopelingen dat moeten gaan doen.
Dat is onze kant van die verplichting, onze zijde van het verbond, van die binding met God.
Je kunt er ook voor kiezen om niets met die band te doen,
maar dan heb je ook niets.
Als je gaat geloven – en geloven is het aannemen van wat God geeft –
dan hoort er ook bij dat je toekomst hebt.
Je mag vooruitkijken en je mag weten: ik sta er niet alleen voor.
God is er – in mijn leven, voor mij
en Hij heeft voor mij een toekomst,
een toekomst hier op aarde en ook een toekomst voor later, als mijn leven voorbij is:
Paulus noemt dat: hoop op de heerlijkheid van God.
Je mag delen in Gods wereld – later, in de hemel, maar ook hier op aarde.
En als je deelt in Gods wereld, als je van Hem bent, bij Hem hoort,
dan heb je die hoop, dan hoef je daar niet meer over te twijfelen
en hoef je ook niet meer onzeker te zijn over de toekomst,
want jouw toekomst en de toekomst van de hele wereld is in Gods hand.

Een christen wordt gekenmerkt door hoop,
omdat je opgenomen bent in de gemeenschap van God,
die alles geschapen heeft en over alles regeert, ook deze wereld.
Als vader, als moeder mag je je kind over deze God vertellen,
maar opvoeden in het geloof houdt ook in, dat je zelf ook die hoop voorleeft,
dat je die hoop hebt, dat je die weerstand hebt,
niet als een eigenschap van jezelf, maar als een gegeven kracht, door God.
Zelfs in moeilijke omstandigheden. Paulus noemt dat: verdrukking.
Ik denk dat de meesten van jullie ooit te maken gehad hebt met tegenslag.
Je leven liep anders dan je van tevoren had gedacht.
Als kind droomde je misschien wel over hoe het later zou zijn als je moeder was, of vader.
Maar in die tussentijd kan er heel wat gebeurd zijn,
Waardoor het onbezorgde uit je leven wegraakte, omdat het leven heel anders verliep.
Je vader overleed, je moeder is er niet meer,
het duurde veel langer dat een kinderwens werd vervuld
en dat bracht spanning en verdriet in je leven.
Die spanning en verdriet kunnen je hoop ook op de proef stellen.
Er zijn momenten waarop je het niet meer ziet zitten
en misschien had je ook niet meer geloofd als het aan jou lag,
omdat er heel wat gebeurde en je geen hoop meer kon hebben,
omdat je niets zag van Gods leiding in deze wereld, niets van Gods zorg voor jou.
Maar juist bij die tegenslagen, juist als het anders loopt,
dan is er opeens die kracht van God, waardoor je weer hoop hebt,
waardoor je toch weer met God verder gaat, gesterkt.
Niet dat je die moeilijkheden wegduwt, niet dat het verdriet of die spanning weg is,
maar in die spanning, in de moeilijkheden, in het verdriet
merk je dat het zo is dat je er niet alleen voorstaat, maar dat je gedragen wordt,
dat God van zich laat merken.

En als je terugkijkt, kunnen die tegenslagen je ook heel erg gevormd hebben.
Leek het eerst erop dat je verder bij God vandaan kwam,
uiteindelijk ging het de goede kant op en werd je band met God juist dieper en sterker,
je weet niet goed hoe dat gebeurde, maar het gebeurde.
Volharding noemt Paulus dit, je houdt vol, je geeft niet op,
ook niet bij tegenslag, ook niet als het anders gaat dan je verwacht,
ook als het niet zo lukt, maar je wordt juist sterker door de kracht die je van God krijgt.
Die tegenslagen doen wel wat met je, het gaat niet in je koude kleren zitten,
het is niet zo dat die tegenslagen je niet raken,
maar ze krijgen je er niet onder, je gaat niet onderuit, maar je blijft staan,
je houdt vol en je gaat strijden, nog meer strijden dan je deed,
omdat je juist nu ervaart, dat er ook die kracht van God is die je sterkt,
Waardoor je het kan, waardoor je groeit in je band met Christus.
Volharding is een vorm van geduld, geen geduld van maar afwachten,
met de armen over elkaar, maar kijken naar God, naar hoe Christus geleden heeft
en je gaat je je meer en meer hechten aan Christus, je vastmaken aan hem,
weten dat je het niet ergens anders moet, nergens anders kunt zoeken.
Je wordt er als gelovige sterker van, omdat je naar Christus toegroeit,
dwars door die moeilijke omstandigheden heen.

Daarom leidt die volhardig tot wat Paulus ondervinding noemt.
Ervaringskennis, zouden we kunnen zeggen.
Ondervinding betekent, dat je er zelf doorheen gegaan bent en dat je daarvan geleerd hebt,
die volharding is niet een makkelijk praten van iemand die niets heeft meegemaakt,
geen grootspraak van iemand die geen benul heeft, waar hij over praat,
Nee, ondervinding betekent: het is door je heen gegaan.
Je hebt geleerd door wat je meemaakte.
Zoals jezelf misschien ook wel heel erg gevormd bent in die moeilijke periode
na het overlijden van je moeder of vader, de tijd die eigenlijk nooit eindigt
in deze tijd van geboorte, opvoeding, op deze hoogtijdag voel je het gemis extra.
Gevormd in de moeilijke periode van het wachten op een kind.
Dat kan je vormen, een levenswijsheid geven,
ondervinding: kennis door het zelf mee te maken.
Ik kwam tegen dat er een Engelse vertaling is die hier met karakter vertaald.
Het vormt je als mens, je hebt er veel van geleerd.
Het was niet fijn om mee te maken en jammer dat het gebeurde,
maar je bent er ook erg door gevormd, wijzer geworden, meer een persoon, een karakter.
Je bent iemand geworden – dat had je vader moeten zien, je moeder.
Als je merkt dat je zo gevormd bent, weet je dat een moeilijke periode
niet alleen een aanslag op je geloof kan zijn,
maar weet je ook dat er een andere kant is, van gedragen worden,
van God die er op een verrassende, niet gedachte wijze toch is, een houvast dat je hebt.
Je hebt hoop – de cirkel is rond: het begon met hoop en het eindigt met hoop.
Geen makkelijke weg, maar wel een weg met God, een weg met toekomst,
voor hier op deze aarde, de tijd die je hier op aarde nog gegeven wordt
(en we hopen dat het nog een mooie tijd is, samen met je kind en je gezin),
maar ook hoop voor de toekomst als dit leven voorbij is.

Houden we onszelf niet voor de gek?
Geven we onze kinderen niet iets mee, wat uiteindelijk toch geen houvast biedt?
Nee, zegt Paulus, die hoop beschaamt niet,
en ik hoop dat het niet alleen woorden van Paulus zijn
maar dat je dat zelf ook kunt geloven, kunt onderschrijvn, kunt doorgeven aan je kind:
Nee, de hoop is er niet voor niets, is geen lege huls of bedenksel,
maar ik weet waar ik over praat als ik over hoop praat,
want ik ken God en ik weet Zijn kracht in mij.
De kracht die ik kreeg doordat er ook de Heilige Geest is die in mij werkt
en die ook in mijn kind kan, zal werken.
We weten dat we ons niet voor de gek houden,
omdat we niet alleen van onszelf hebben gemerkt, dat wij gegroeid zijn,
maar dat God er ook was, en is en zal zijn.
We zijn verbonden met God en dat weten we diep van binnen,
dat is een kostbaar iets, dat in ons hart leeft, een liefde die we koesteren,
Zoals we ook de liefde van onze ouders koesteren en daar steeds uit leven,
zo koesteren we Gods liefde in ons hart en weten:
Het is waar
en daarom geven we het ook graag door,
omdat het de moeite waard is, waardevol,
omdat je dit ook aan je kind wil meegeven: dat er een God is, die Zijn weg met je gaat.
Dat je sterk mag zijn, omdat je gesterkt bent
en dat je mag staan, gerust in Gods bescherming, dat je mag bouwen op God
en dat als je gaat, samen met God gaat, in Zijn naam.
Je voelt wel je eigen zwakheid.
Juist in de strijd tegen die vijand, de duivel die je onderuit wil halen, van God los wil maken,
maar toch: daar is God en Zijn kracht.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad.
Daarom een lied van overwinning,
niet omdat wij triomferen, maar omdat er Iemand is, die voor ons de strijd aangaat,
door voor ons de overwinning heeft behaald
En in Wie we ons geborgen mogen weten, veilig en beschermd, opgenomen in Zijn hoede.
Ik bouw op U, mijn Schild en Mijn verlosser.
Amen


Preek zondagmorgen 12 maart 2017

Preek zondagmorgen 12 maart 2017
Johannes 13:1-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Een stel gaat een avondje uit en heeft voor de kinderen oppas geregeld.
De oppas is een jong meisje.
Het stel vraagt aan de jonge oppas of ze het ziet zitten.
Er wordt nog telefoonnummer opgeschreven, voor als er echt iets aan de hand is
En dan gaat het stel uit, een leuk avondje voor de boeg.
Eerst gaat het goed. De kinderen slapen.
Dan, halverwege de avond, klinkt er boven opeens gehuil
en hoort de oppas ook een ander raar geluid.
Ze rent naar boven toe en ziet dat een van de kinderen aan het overgeven is.
De oppas schrikt en raakt in paniek.
Wat moet ze doen: helpen, schoonmaken, troosten?
Waar moet ze beginnen?
Waar haalt ze schoonmaakspullen en schoon beddengoed vandaan?
Ze gaat zelf bijna over haar nek van de lucht.
Ze weet het niet meer.
In haar paniek weet ze nog maar één ding: het telefoonnummer.
Ze rent naar beneden, grijpt haar telefoon en belt snel het nummer: ‘Kom gauw!’
Als het stel thuis komt, treffen ze een huilend kind én een ontredderde oppas aan.

Als je ouder bent, dan kun je niet zomaar doen als deze oppas.
Je moet zelf aan de slag.
In de opvoeding komt er heel wat opruimen en schoonmaken bij kijken.
Je ruimt op van je eigen kinderen
en je maakt schoon bij je eigen kinderen wat je anders niet zo snel zou doen.
Soms moet je je erover heen zetten, maar je doet het toch.
Maar je kunt niet alles opruimen en schoonmaken.
Dat we niet alles kunnen opruimen en schoonmaken – dat wordt zichtbaar in de doop.
De doop heeft heel veel kanten:
dat je kind is opgenomen in het verbond met God,
het troostvolle dat je kind bij God mag horen bijvoorbeeld.
Het water dat bij de doop gebruikt wordt, laat ons zien
dat er ook iets bij ons moet worden opgeruimd en schoongemaakt,
van binnen in ons hart en dat kunnen wij bij onszelf niet
en dat kunnen we bij anderen niet, ook niet bij je kind.
De doop als besprenkeling laat zien dat de zonde in ons hart woont.
Naast het mooie dat de doop heeft, namelijk het bij God mogen horen van ons kind,
laat de doop ook zien, dat in ons hart een reiniging nodig is: de zonde weg uit ons hart.
Wij kunnen dat van onszelf niet doen, ook niet bij ons kind.
En ook het water van de doop wast die zonde niet weg.
Dat water wijst wel op iets anders waardoor we een schoon, een rein hart kunnen krijgen”:
door het bloed van onze Heere Jezus Christus.
Dat betekent: omdat Hij gestorven is aan het kruis,
kan ons hart gereinigd worden, van alles wat verkeerd is
van alles wat we fout gedaan hebben naar God toe en naar anderen toe.

Het verhaal over de voetwassing, dat we met elkaar hebben gelezen,
gaat ook over ons hart dat gereinigd moet worden en kan worden
omdat de Heere Jezus gestorven is aan het kruis.
Het is bijna Pasen en Jezus is met Zijn discipelen in Jeruzalem bij elkaar om te eten.
Alle discipelen zijn aanwezig, ook Judas is bij deze maaltijd aanwezig.
Het gaat niet gelijk over de maaltijd en wat er bij de maaltijd gebeurt,
dat Jezus opstaat om de voeten te wassen.
Het begint er eerst mee, dat Jezus weet dat Zijn moment gekomen is,
het moment dat Hij gearresteerd zal worden, ondervraagd,
Dat Hij meegenomen wordt naar een heuvel buiten de stad
met een kruis op Zijn rug
en Hij weet dat dit moet gebeuren, omdat Hij hierom op aarde gekomen is.
En Hij weet ook dat er Zijn dood aan het kruis niet het einde is,
maar dat Hij zal opstaan en zal teruggaan naar de Vader.
Er wordt ook verteld over de liefde die Jezus heeft
voor al de mensen die bij Hem horen,
liefde voor u, voor jou, voor de kinderen die gedoopt zijn
en dat die liefde in Hem is en Hem leidt naar het kruis.
Om te laten zien, dat die liefde in Jezus de kracht is,
die Hem voortdrijft op de weg naar het kruis, waarom Hij deze weg moest gaan,
maakt Jezus een gebaar, waardoor Zijn leerlingen voor altijd van die liefde weten,
geeft Hij een demonstratie waaruit die liefde naar voren komt,
zodat ook wij die liefde voor ons kunnen zien.
Om die liefde te demonstreren, staat Jezus op van de maaltijd
Hij doet Zijn bovenkleding uit en trekt een schort voor.
Als de Heere Jezus dat doet, zal er gelijk een complete stilte aan de tafel zijn geweest.
Geschrokken houdt iedereen op met praten: Wat gebeurt er nu?
Dat meen je niet!
Gespannen kijken ze naar wat Jezus doet:
Hij pakt water en doet dat in een schaal en gaat naar de eerste leerling toe
knielt bij de eerste discipel neer, neemt zijn voeten in de hand
en wast met het water uit de schaal de voeten schoon.
De voeten, die op zoveel plekken gelopen hebben:
door het stof van de straten, door de modder, door het afval wat buiten lag,
over de vloer van de wc en op andere plekken waar het niet echt hygiënisch was.
Geen wonder dat dit werk altijd was uitbesteed aan slaven,
het was een klusje waar bij je al je status verliest, als je dat moest doen.
Voeten wassen houdt: neerknielen bij iemand en erkennen dat die ander meerder is,
een betere positie heeft, het vuil en de viezigheid die aan de voeten vastzitten schoonwassen.
Zo gaat Jezus de kring rond: knielt neer bij Johannes en Andreas,
wast het vuil en de viezigheid van hun voeten,
knielt neer bij de andere discipelen: Thomas, Filippus, Nathanaël,
ook bij Judas knielt Jezus neer,
bukt zich bij deze discipel die zelf geen liefde meer voor Jezus kan voelen;
ook bij de discipel bij de weerzin in het hart leeft, aangestoken door de duivel,
wast Jezus de gorigheid van zijn voeten af.
Judas heeft vast de weerzin voelen toenemen:
Is dit nu een Heer, een Meester, die gezag moet uitstralen,
een man die goddelijke glorie uitstraalt?
Wat Jezus doet heeft Judas nog vastbeslotener gemaakt om Jezus te verraden.
Ook Judas is te geschokt om zijn voeten terug te trekken en op te springen.

Alleen Petrus doorbreekt de stilte die er is, omdat iedereen geschrokken toekijkt.
Petrus, hij kan niet toelaten wat hier gebeurt. Dit mag niet!
Petrus, hij protesteert fel, als Jezus bij hem neerknielt,
trekt zijn voeten terug en springt op: ‘U bent mijn Meester, U staat boven mij,
ik laat echt niet toe dat U bij mij doet.’
Jezus kijkt op naar Petrus: ‘PEtrus, je begrijpt nu nog niet waarom ik dit doe.
Maar binnenkort, als alles achter de rug is,
dan zul je begrijpen, waarom ik bij jou de voeten heb gewassen.’
Petrus wil deze waarschuwing niet horen,
zoals hij zo dadelijk ook niet de waarschuwing wil horen, dat hij Jezus zal verloochenen.
Petrus, als jij vol tranen naar buiten gegaan bent,
omdat je beseft dat je Mij verloochend hebt, dan zul je begrijpen
waarom Ik hier voor jou neerknielde om al het vuil van je voeten te wassen.
‘Nooit. Al ligt U een eeuwigheid voor mij geknield, ik zal het nooit toestaan
dat U mij de voeten wast, daarvoor heb ik U veel te hoog!’

Dan zegt Jezus iets onverwachts en dat raakt Petrus diep in zijn hart.
Jezus zegt: ‘Als Ik je voeten niet mag wassen, dan hoor je niet bij Mij.’
Met andere woorden, dan kun je helemaal niet over een eeuwigheid praten,
Want eeuwig leven is er alleen door Mij.
Hierdoor krijgt dit verhaal ook een link met de doop:
Want de doop laat zien, dat kinderen die geboren zijn
opgenomen worden in het verbond en bij Jezus horen.
En de doop geeft ook aan, dat we die band met Jezus niet mogen kwijt raken,
dat we vast moeten blijven houden in het geloof aan Jezus,
want anders raken we Hem kwijt.
De doop geeft ook aan, dat Jezus op aarde gekomen is, om ons te dienen,
want alleen zo kan Hij onze zonden afwassen en ons een rein hart geven.
Later begrijpen de discipelen pas wat Jezus wilde zeggen,
toen Hij van de tafel opstond en Zijn bovenkleren uitdeed.
Pas nadat Jezus was gekruisigd en gestorven, begrepen ze het.
Want wat Jezus hier doet, is dat Hij Zijn bovenkleren afdeed, aflegde,
en bij het kruis zagen ze hoe Jezus dat deed met Zijn leven,
wat Hij deed met de bovenkleren: Hij legde Zijn leven af.
Hij legde bovendien Zijn status af en de bijzondere positie die Hij had
en toen Jezus was opgestaan en weer aan hen verschenen was,
begrepen ze dat dit het plan van God was.
Omdat Jezus hen gediend heeft, aan het kruis: daar was Hij de slaaf,
op de laagste positie, om de vuilheid van onze zonden af te wassen.
Om ons te reinigen.
Dat kan alleen als je bij Jezus hoort, met Hem verbonden bent.

Er begint bij Petrus iets te dagen:
Zorgt dat wassen van de voeten dan ervoor dat ze bij Jezus horen?
Is dat de manier waarop Jezus nog eens benadrukt dat ze van Hem zijn,
de Zijnen die Jezus liefheeft?
Nou, dan moet het helemaal.
Dan is het te weinig als Jezus alleen zijn voeten wast.
Petrus wil dat grootse gebaar van Jezus, waarin Jezus zich klein maakt,
met een even groots gebaar beantwoorden,
want Petrus wil niet van Jezus losraken.
Zou dat nog in deze nacht gebeuren dat hij Jezus verloochende,
dat Petrus zelf de band met Jezus zal verbreken?
Nu zegt hij nog: Ik wil helemaal voor U gaan,
Ik denk er niet over om bij U weg te gaan.
Zonder U heb ik geen leven.

Ook hier weer een verrassende reactie van Jezus:
Nee, Petrus, nu draaf je door en je begrijpt nog niet wat ik doe.
Het is niet het gebaar van voetwassen waardoor je bij Mij hoort,
dat is iets extra’s; Jezus doet dat ook bij Judas ook,
die al helemaal van Jezus is losgeraakt en door de duivel wordt beheersd.
Je hoort al bij Mij, zegt Jezus.
Jezus zegt het nog sterker: Je bent al rein. Je bent al schoongewassen.
Want er is al iets met je gebeurt.
Dat helemaal gewassen worden is al gebeurd.
Jezus gebruikt een woord dat elders wordt gebruikt om de doop aan te geven:
een bad waarin je helemaal ondergaat en heel je lichaam gewassen wordt.
Het accent ligt hier niet op de doop, maar het speelt wel mee.
Dat verbonden zijn met Jezus gebeurt door geloof:
Als je gelooft in Jezus, dan ben je met Hem verbonden.
En de doop is dan  het moment waarop aangegeven wordt: nu hoor je bij Jezus.
Omdat je naar Mij geluisterd heb, toen ik je riep, daarom hoor je bij Mij.
Dat is ook een van de redenen, waarom we kinderen dopen
en niet pas wachten tot ze zelf de keuze maken:
Omdat Jezus eerst is: niet alleen dat Hij ons eerst roept,
maar ook omdat Zijn weg naar Golgotha al gebeurde voor wij geboren werden
En Hij daar op Golgotha voor ons stierf.
Wat Jezus hier al laat zien door Zijn mantel af te doen en neer te knielen
om de voeten te wassen.
Dat gebaar, die overgave, is de basis en wie dat gelooft is met Jezus verbonden:
Zijn dood aan het kruis.
Dat hoeft maar één keer te gebeuren.
De basis is gelegd en dat wordt ook in de doop gezegd: de basis is gelegd.
We hoeven het alleen maar te beamen, maar dat moeten we dan ook wel doen!
Het wassen van de voeten is voor Petrus nodig,
omdat hij op korte termijn zelf de band doorsnijdt en zegt Jezus niet te kennen.
Niet bij Jezus wil horen.
De voeten wassen: dat is de vergeving van onze zonden,
die mogelijk is omdat we bij Jezus horen, geroepen zijn en geloven.
Voor Petrus, voor ons, elke keer weer opnieuw hebben we het nodig dat onze zonden vergeven worden en dat we van binnen gereinigd worden.

Je hebt vanmorgen de belofte afgelegd om dat ook aan je kind te vertellen.
Allereerst dat je bij Hem hoort en dat die vergeving er ook voor hen is.
En als je bij jezelf denkt, of als je je kind dat hoort zeggen:
Daar kom ik weer, ben ik weer tekortgeschoten naar God toe,
of mijn hart, daar is het zo’n puinhoop, daar is het goed mis,
kan ik dat God echt wel laten vergeven, wil Hij dat wel
als ik komende week weer de mist in ga,
weer jaloers wordt, of driftig, of nonchalant in het dienen van God?
Ja, want Jezus stond op om de voeten te wassen: de basis was er al,
die verbondenheid met Jezus, dat je bij Christus hoort,
De belofte die Hij in de doop meegeeft, die je mag, die je moet geloven,
zodat die verbondenheid er ook blijft.
Want er komt in de doop nog een belofte bij: van de Heilige Geest.
Hij zal in jullie harten werken, in de harten van deze kinderen,
Bezig om hen bij Christus te brengen, te houden,
om hen geloof en liefde voor Jezus te geven,
om hen te laten zien dat zij zonder die vergeving en reiniging niet kunnen.
Wij kunnen die vergeving niet geven, wij kunnen die kinderen die gedoopt zijn
niet van binnen reinigen en ook de doop doet dat niet.
Wie dat wel doet, is Christus
en de doop geeft aan dat Hij dat van harte wil doen
om ook aan deze kinderen die gedoopt zijn het eeuwige leven te geven.
Vertel je kinderen daarover en geloof het zelf ook met heel je hart.
Wees ook bereid dat Jezus bij jou de voeten wast
en doe niet als Petrus, die zei dat het niet nodig was om Hem te dienen.
Maar omarm het, leef eruit, leef het je kinderen voor,
zodat zij er iets van begrijpen, waarom de Heere Jezus gekomen is
en waarom zij gedoopt zijn:
om hen bij Jezus te brengen en om hun zonden te vergeven,
Een reiniging van het hart, zodat ook zij rein zijn en helemaal van God zullen zijn.
God zal altijd voor je zorgen,
Nu en alle dag van morgen. Hij vergeeft jou zonden, groot of klein.
Leg je leven in zijn hand, Dan zul je voor altijd veilig zijn Amen