Preek hemelvaartsdag 2019

Preek hemelvaartsdag 2019
Daniël 7:7-14 en Mattheüs 28:16-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze krijgen de opdracht om zich te melden in Galilea.
De laatste keer dat ze als groep bij elkaar waren, was in de tuin van Gethesemané,
toen Jezus opgepakt werd.
In plaats van Jezus bij te staan, zijn ze allemaal weggevlucht
en lieten ze Jezus in de steek.
En nu komt het verzoek om weer bij elkaar te komen.
Niet als voorstel van een van de andere leerlingen om als reünie bij elkaar te komen
en met elkaar te bespreken hoe ze de aanhouding en dood van Jezus kunnen verwerken,
maar een opdracht die tot hen komt van Jezus zelf. Hij is opgestaan!
De vrouwen kwamen het bericht brengen:
Ga naar Galilea en daar zullen jullie Hem ontmoeten.

Zo komen ze bij elkaar op die berg in Galilea.
Hier is het voor hen begonnen. Hier kwamen ze Jezus tegen en begonnen Hem te volgen.
Ze kijken elkaar onzeker aan.
De vorige keer dat ze bij elkaar waren, was Jezus er nog bij
en hadden ze hun mond vol over het bij Jezus blijven:
Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen, had Petrus gezegd
En de anderen hadden die uitspraak van Petrus beaamd:
Wij zullen U niet in de steek laten!
Nu ze zo bij elkaar zijn, herinneren ze zich dat ze zo overtuigd waren
van hun eigen moed en standvastigheid
en ze kijken elkaar beschaamd aan, omdat ze van elkaar weten:
We hebben dat niet waar kunnen maken. We zijn allemaal op de vlucht gegaan.
Allemaal hun eigen kant opgegaan.
Terwijl ze zich schamen over wat er is voorgevallen,
merken ze ook dat het een bijzondere situatie is: ze zijn weer als groep bij elkaar.
Er is iets dat hen samenbrengt: de kracht van de opgestane Heer.
Ze voelen aan dat er iets bijzonders gaat gebeuren: een nieuw begin.
Ze herinneren zich zijn woorden: Waar 2 of 3 in mijn Naam bij elkaar zijn,
ben Ik in hun midden.
Zou Jezus zelf komen? Of is Hij er al nu ze zo bij elkaar gekomen zijn?

Jezus is er inderdaad.
Hun Heer – opgestaan uit de dood.
Er is heel wat gebeurd nadat ze Hem voor de laatste keer zagen.
Ze hebben Hem de rug toegekeerd.
Ze hebben verhalen gehoord over hoe Jezus werd veroordeeld en gekruisigd.
Hoe Hij stierf en begraven werd.
En nu staat Hij weer in levende lijve voor hen.
Petrus, Johannes en Jakobus stoten elkaar aan.
Zoals Jezus aan hen verschijnt, dat komt hen bekend voor,
Toen ze met Jezus mee waren op een andere berg
en Jezus van gedaante veranderde: ze zagen Hem toen in Zijn hemelse heerlijkheid.
Toen bogen ze vol ontzag voor hem neer
en Petrus stelde enthousiast voor om een onderkomen te bouwen,
zodat ze Jezus samen met Elia en Mozes voor altijd bij zich konden houden
in die heerlijkheid, die hemelse glans en glorie die hen omstraalde.
Jezus wilde niet dat ze iets voor Hem en Mozes en Elia zouden bouwen.
Nu begint er iets te dagen, waarom ze dat toen niet mochten doen.
Jezus moest een andere weg gaan, die ze toen nog niet begrepen
en nu eigenlijk ook nog niet echt: de weg naar het kruis, de dood in.
Maar nu is Hij opgestaan en leeft en kunnen ze Hem hier ontmoeten.
Met z’n drieën ervaren ze weer dat bijzondere als toen op die berg
en nu gaan ze weer op de knieën, vol ontzag: U bent onze Heer.

Er zijn andere discipelen die nog niet zo ver zijn.
Ze zouden wel willen buigen, net als de andere discipelen al doen,
maar ze aarzelen.
Is dit wel de Jezus die ze kennen?
Er is een tweestrijd in hen: Ze voelen zich naar Hem toegetrokken en willen Hem aanbidden
Voor Hem op de knieën vallen
En toch is er iets in hen dat hen ervan weerhoudt.
Dit moment is te groots, om zo Jezus de opgestane Heer te ontmoeten.
Ze weten niet waar ze goed aan doen.
Kunnen ze wel voor Jezus buigen, nadat ze Hem de laatste keer in de steek lieten?
En met welke Jezus hebben ze te maken?
Wie is Hij? Toen ze in Caesarea Filippi waren, wisten ze het: U bent de Zoon van God!
Maar nu, nu Hij geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, neergedaald in de hel,
opgestaan – Wie is Hij, die nu voor hen staat?
Wat is de gepaste reactie? Hoe ga je Jezus tegemoet?
Twijfel zorgt vaak voor innerlijke verwarring: Heb ik met Jezus te maken of niet?
Moet ik me neerbuigen Hem aanbidden? Of vergis ik me en heb ik niet met Jezus te maken?
Ze komen er niet uit. Wie helpt hen om te zien dat het echt om Jezus gaat?
Dat ook zij kunnen buigen voor Hem, net als de andere discipelen dat al wel kunnen.

Dan komt Jezus op hen toe.
Jezus, de opgestane, koning van hemel en aarde komt hun wereld binnen.

Niet met een heerlijkheid die hen verblindt,
of een macht die hen op een afstand houdt, of over hen heen walst.
Hij stapt op hen af. Hij stapt hun wereld in,
de wereld van de leerlingen, die niet goed raad weten met hun reactie,
die zich verscheurd voelen door de twijfel, waardoor ze niet kunnen buigen,
de wereld van de leerlingen, die weten dat ze de laatste keer dat ze bij Jezus waren
Er niet al te best voor de dag kwamen, die faalden als leerlingen van Jezus.
Zie ons voor U staan, zondig en onrein.

Vader, vol van vrees en schaamte,  buigen wij voor U.

Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons, mensheid aan bij U.
Christus maakt zich kleiner, zodat wij Hem kunnen ontmoeten,
zodat Hij bij ons kan zijn en wij Hem kunnen verdragen,
kunnen ontmoeten, kunnen aanbidden.
Hij treedt ook onze wereld binnen, onze kleine wereld, ons leven,
zodat wij Hem kunnen ontmoeten en aanbidden.
Dat is het enige antwoord op onze twijfel, op ons wel willen maar niet kunnen
dat Jezus zelf op ons toetreedt en zegt: Ik ben het, twijfel niet langer, geloof!
Waar er 2 of 3 in mijn naam bij elkaar zijn, daar ben Ik in het midden.
Zo treedt Jezus ons vanmorgen tegemoet,
Terwijl Hij in de hemel is, is Hij hier op aarde bij Zijn gemeente aanwezig.
Er is veel gediscussieerd over de vraag wat de hemelvaart betekent
voor Christus’ aanwezigheid op aarde.
Is Christus dan niet bij ons tot aan het einde van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft?
Wordt in de Heidelberger Catechismus gevraagd.
Dat is niet zomaar een theoretische vraag.
Dat is een vraag die ons geloof diep raakt: We kunnen niet zonder Zijn aanwezigheid.
En het raakt ook Jezus diep in Zijn wezen, in Wie Hij is.
Als Hij niet meer op aarde is, dan klopt de belofte niet die Hij gegeven heeft.
Dan kunnen we niet op Hem bouwen en staan we er alleen voor.
Daarom zegt de Catechismus: Zijn lichaam is in de hemel,
maar naar Zijn God-zijn, Zijn majesteit, Zijn genade, Zijn Geest is Hij hier op aarde.
Zo treedt Hij ook ons vanmorgen tegemoet.
Als Heer, die in de hemel woont en toch hier bij ons kan en wil Zijn,
als onze God en Heer, met Zijn macht en majesteit,
met Zijn genade, die Hij aan ons allemaal wil geven,
Aan ons, die net als de leerlingen zo vaak twijfelen en niet kunnen buigen,
al willen we soms wel, maar lukt het niet, of herkennen we Jezus niet.
Genade voor jou en mij, ons allemaal.
Zijn Geest die ons geloof geeft, leert geloven, helpt om Hem te beamen.
Zoals Jezus op de leerlingen afstapt en in hun wereld komt,
zo heel vertrouwd net als voorheen en toch zo anders, omdat Hij nu verheerlijkt is,
de hemelse Heer, die dood geweest is en zie: Hij leeft!

Zo komt Hij naar hen toe.
Hij heeft hen iets te zeggen, woorden die allereerst aangeven Wie Hij is.
Zijn woorden hebben gezag. Hier is niet een mens aan het woord, maar de Zoon van God.
Uit Zijn mond klinkt niet een veroordeling,
maar een bekendmaking die hen bemoedigt:
Aan mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Het zijn woorden die hen bekend voorkomen.
Niet dat Jezus al eerder, voordat Hij aan het kruis ging, zo gesproken heeft in die woorden,
maar nu begrijpen ze wel waarom Jezus steeds, toen Hij rondwandelde op aarde
sprak over de Zoon des mensen en dat Hij daarmee Zichzelf bedoelde.
De woorden van Christus die hen toespreekt herinneren hen aan Daniël 7,
Waarin aangekondigd wordt hoe iemand in de gestalte van een mens uit de hemel neerdaalt
namens God om God op aarde te brengen:
de persoon die uit de hemel komt wordt daarom ook wel Zoon des mensen genoemd.
Hun meester sprak er vaker over, toen Hij met hen optrok en onderwijs gaf.
Hij sprak toen over zichzelf:

Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,

en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden,

en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.

Die heerschappij is nu aan Mij gegeven, zegt Jezus om hen te bemoedigen
op dat moment dat sommigen nog niet goed weten wat ze moeten.
Geloof me maar! Je kunt Me vertrouwen! Je kunt je leven aan Mij geven!
Die macht om te heersen over heel de aarde heb ik gekregen.
Niet van de duivel, die aan het begin van Mijn optreden op aarde, na Mijn doop
Mij wilde verleiden, waarbij Ik dan voor hem zou moeten knielen.
De macht over heel deze aarde heb Ik ontvangen van Mijn hemelse Vader,
die Mij zond naar de aarde en ook jullie hemelse Vader is.
Hij heeft mij alle macht gegeven.
Ik heb jullie leren bidden: Uw wil geschiede in hemel en op aarde.
Nu Ik ben opgestaan uit de dood heb ik dat gezag ook gekregen
om te regeren, koning te zijn over hemel en aarde.
Bij Mijn geboorte kwamen wijzen uit het oosten om de pasgeboren koning te aanbidden,
om net als jullie te knielen, toen aan het begin van Mijn leven, knielden ze bij de kribbe.
Aan het kruis gaf Pilatus dat aan de mensen te kennen: Koning van Israël.
Hij wist niet dat Ik meer was: koning van de hele wereld, meer dan zijn heerser in Rome
en ook koning in de hemel.
Ik regeer en vanaf nu regeer ik vanuit de hemel ook over de aarde.
Waar Hij zit aan de rechterhand van de Vader.
De koning die aan het kruis hing en daar door iedereen bespot werd,
heeft de troon in de hemel bestegen.
Ieders oog zal Hem zien,ook degenen die Hem doorstoken hebben.

Tegen Zijn leerling zegt Hij: Jullie zijn nu mijn dienaren. Jullie staan in Mijn dienst.
Als koning van deze wereld, als jullie Heer heb Ik een opdracht voor jullie.
Ik heb jullie ooit een gelijkenis verteld over een koning, die zijn knechten erop uit zond
om gasten uit te nodigen voor de bruiloft van zijn zoon.
Zo stuur Ik jullie erop uit, over heel de wereld om zoveel mogelijk mensen te vertellen
over Mij: dat Ik over deze wereld regeer, dat de boze verdreven is, dat Ik heb overwonnen.
Houd het nieuws niet voor jezelf, maar vertel het overal waar je komt.
Laat iedereen het weten.
Nodig ze uit om naar het feest te komen.
Vertel zo over Mij, dat ze bij Mij willen horen, Mij willen dienen en volgen.
Zo verovert deze Koning de wereld: niet door geweld te gebruiken,
maar door Zijn dienaren, die net tevoren nog geaarzeld hebben of ze wel konden buigen,
die van binnen tweestrijd ervoeren.
Zij worden erop uit gestuurd om te vertellen, om uit te nodigen,
om anderen op te roepen Jezus te volgen, Zijn koninkrijk binnen te gaan.
Geen enkel volk is buitengesloten.
De Romeinen niet, die met hun bruut geweld de wereld veroverden niet.
Amerikanen en Russen niet.
De volken op de eilanden in Oceanië, voorbij Australië niet.
De volken uit Groenland en het noorden van Canada niet, de Inuït.
Degenen die op het verste puntje op deze wereld wonen niet.
Geen enkel volk wordt buitengesloten.
Of ze nu in tropische gebieden wonen of bij de poolcirkel.
Of ze nu in makkelijk bereikbare gebieden wonen, of dat ze moeilijk te bereiken zijn.
Ook hier zijn de zendelingen gekomen en hebben verteld.
Ook hier is over deze Heer verteld en zijn er volken gedoopt.
Vaak weten we niet zo veel van ons voorgeslacht, hooguit wat generaties terug.
Misschien komt u wel uit een familie, waar eeuw in eeuw uit al de kinderen werden gedoopt

in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Wellicht is dat nog niet zo lang geleden,
hebben je ouders zich als eersten van hun familie laten dopen.
Of ben je zelf de eerste, die de stap waagde om deze Jezus te volgen.

Als je bij Jezus hoort, ben je nooit uitgeleerd.
Steeds weer moet je ontdekken wat het betekent, dat Jezus over de aarde regeert.
Je raakt dat zo snel weer kwijt.
Vandaar dat die twijfel die de discipelen bezig houdt voor ons herkenbaar is.
We zeggen dan: gelukkig, ook zij waren niet de perfecte gelovigen.
Als zij hun zwakten hadden, soms ook faalden, dan is er ook voor ons hoop
en kunnen ook wij de weg van Jezus gaan.
Op de weg van Jezus leren we steeds weer wat het betekent om Zijn wil te doen.
Toen Jezus aan het begin van Zijn rondwandeling op aarde rondtrok
vertelde Hij al hoe Hij dat voor zich zag: Zijn leerlingen die Zijn wil deden.
Een licht in een donkere wereld door je manier van leven,
door hoe je je opstelt naar anderen toe.
Door je geloof, je hoop, je liefde het licht deze koning te verspreiden.
Als kerk als gemeenschap zo uit deze hoop te leven, zo te geloven, zo lief te hebben,
dat het zichtbaar wordt voor alle mensen, dat je van Christus bent.

Ja, dat laten zien, zo leven en getuigen. Wat brengen we ervan terecht?
En wie zijn wij, gelovigen die vaak wel willen, maar niet kunnen,
of die soms geen zin hebben, er niet op uit willen trekken. Of niet durven.
Nee, zegt Jezus, je moet niet naar jezelf kijken, naar wat jij te zeggen hebt, of durft.
Weet je niet dat Ik mee ga. Ik ben wel in de hemel, maar ook op aarde, bij jou.
Als jij in mijn naam ga, ga ik met je mee.
Er zal geen dag zijn zonder Mij. Alle dagen ben Ik bij je.
Ik geef je Mijn kracht, ik geef je Mijn aanwezigheid. Ik ben met je, alle dagen.
En eens zal deze wereld voorbij zijn. Zal de tijd erop zitten.
Het zal een tijd zijn, waarin heel wat gebeurt, met de aarde, met de kerk.
Als je die tijd meemaakt, zal het geen eenvoudige tijd zijn,
Niet eenvoudig zijn om vol te houden in geloof.
Maar je hoeft niet te wanhopen. Want ook dan ben Ik bij je.
Ik raak jou en deze wereld niet kwijt.
Voor altijd, tot deze wereld ten einde gaat,
dat is de dag waarop Ik terug kom op deze aarde. Houd moet en ga in mijn naam!
Amen

 

Preek Eerste Paasdag 2018

Preek Eerste Paasdag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 28:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Vrouwen naar het graf
‘Je vindt er niets, daarom ga ik nauwelijks naar het graf.
‘Mijn overbuurvrouw, die  gaat alle weken naar het graf.’
En die overbuurvrouw zal zeggen:
‘Waarom ik alle weken naar het graf ga? Niet dat je er iets vindt,
maar het is toch goed om er te zijn.
En het graf bijhouden is toch het minste wat je kan doen?’

Zou het ook voor de vrouwen die naar het graf gaan gelden?
Al gaan we er naar toe, je vindt er niets,
want Jezus is gestorven aan het kruis en begraven.
Deze twee vrouwen Maria Magdalena en die andere Maria hielden de wacht bij het graf.
Ze konden niet weggaan.
Nadat Jezus was begraven, bleven zij bij het graf zitten.
Deze twee vrouwen komen niet van het graf los.
Dit is er wat er van Jezus overgebleven is: dood en begraven.
Alsof ze het nog niet kunnen bevatten: deze snelle dood van Jezus.
Nog maar een paar dagen geleden die feestelijke intocht in de stad,
Jezus als een koning door iedereen toegejuicht.
Gisteren nog de maaltijd van Jezus met Zijn discipelen
en binnen een dag ligt Jezus begraven, in een grot, achter een steen weggelegd.
Je hebt er niets meer te zoeken, want er is niets meer te vinden,
maar de overgang naar het gewone leven, waar Jezus niet meer is, is te groot.
Alsof ze het moeilijk vinden om Jezus te laten gaan, Jezus niet los kunnen laten.
Twee tengere wachters bij het graf van Jezus,
die blijven waar God het af liet weten,
die misschien nog de laatste woorden van Jezus in hun oren hebben:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
de schreeuw, de uitroep waarmee Jezus stierf
en nog voor zich zien hoe Jezus van het kruis gehaald wordt en in het graf gelegd wordt

Van de dood kom je niet makkelijk los, dat weet iedereen die een begrafenis meemaakte.
Het kost moeite om de gang weer te pakken, om verder te gaan.
Als je bij een graf weggaat, kost dat vaak moeite, het afscheid wordt steeds definitiever.

Na de sabbat komen ze weer terug, alsof ze een missie hebben:
Waken bij het graf van een overledene.
Misschien nog een vage hoop dat het toch niet zo was, dat het een boze droom was.
Maar dat zal niet, want er is een graf: Jezus die gekruisigd was, is echt gestorven.
Pasen begint met de werkelijkheid van de dood.

(2) Bewakers moeten Jezus in het graf houden
Er zijn er meer die het graf in de gaten houden,
de opdracht hebben gekregen om dit graf van deze Jezus te bewaken.
Speciaal door de Joodse leiders aangevraagd
om te voorkomen dat de leerlingen van Jezus het idee mochten krijgen
om het lichaam weg te halen en zo rond te bazuinen dat Jezus is opgestaan
met het lege graf als bewijs.

Jezus moet niet alleen dood zijn, maar vooral ook dood blijven
en daarom bewaking bij het graf
om te zorgen dat de dode Jezus in het graf blijft, een graf dat verzegeld is.
Het heeft iets komisch om te bedenken dat je de God die ons leven bewaard bewaken kunt
dat de Heer die de macht van de boze verbrak
en afdaalde in het rijk van de dood om daar degenen die gestorven zijn
Te verkondigen dat ze eens weer zullen opstaan
dat Hij die neerdaalde tot in de hel
om daar niet alleen het lijden van Gods oordeel te ondergaan,
maar ook in het hol van de leeuw de duivel aan te zeggen dat zijn tijd voorbij is,
dat deze Heer, God en mens tegelijk, in de dood gehouden kan worden
door enkele wachters te laten posten voor het graf
Het heeft iets komisch om te bedenken, dat je de Heer achter slot en grendels kunt houden,
dat je Hem zo kunt bewaken dat Hij dood blijft,
door mensen gebonden in de dood.
Alsof God niet in staat is, om hemel en aarde te bewegen,
koninkrijken omver te werpen en koningen van de troon te gooien.
Ze zullen hun taak vastberaden hebben uitgevoerd
vanaf de dag dat Jezus begraven was.
Ook de sabbat, hoewel ze het op die dag rustig hebben gehad.
Zelfs de twee vrouwen die er laat op de avond van die vrijdag nog bij het graf zaten
en alles in de gaten hielden, waren op de sabbat afwezig.
De sabbat, dat is de dag waarop God rust van Zijn werken,
Al leek het erop dat God een dag eerder rustte van Zijn werken
door Zijn Zoon aan het kruis geen gehoor te geven,
toen Hij het uitroep dat God Hem verlaten had.
Dat werk is nu voorbij en net als na de scheppingsweek
is er na de Goede Vrijdag waarop de wereld herschapen is aan het kruis
een dag waarop God rust.
De eerste sabbat was een dag waarop de Heere genoot van het werk dat Hij gedaan had
en ook de sabbat van na het kruis zal zo’n dag geweest zijn,
in de hemel anders dan op aarde.
Op aarde is er het verdriet van de vrouwen en de discipelen
die zich niet eens meer bij het graf vertonen
en de vrouwen die ook niet komen, wellicht niet om de sabbat niet te schenden.
Terwijl ze thuis gebleven zijn, zullen ze in hun gedachten bij Jezus die gekruisigd werd zijn.
Op aarde zijn de wachters die alles goed in de gaten houden,
maar vergeten omhoog te kijken, vergeten om te letten op wat God doet.

(3) God laat Zich niet tegenhouden
We kunnen niet in de hemel kijken, maar het moet voor de engelen komisch geweest zijn,
om vanuit de hemel naar de aarde te kijken,
naar die wachters die hun taak zo serieus nemen, vast besloten Jezus dood te laten
en te weten dat zij de dag erop, als de sabbat voorbij is,
zo geweldig zullen schrikken dat ze zelf er net zo bij liggen als Jezus in het graf lag
als doden liggen ze erbij, terwijl Degene die ze in de dood moesten houden
het graf uitkomt, opgestaan uit de dood.
God laat zich niet tegenhouden,
de Almachtige laat zich niet achter slot en grendels opbergen
onze Heer laat zich niet in de dood houden, al staan er nog zoveel wachters voor het graf.
Ze hadden op leerlingen gerekend, de wachters bij het graf,
niet op een ingrijpen vanuit de hemel,
opnieuw een aardbeving, zoals die bij het kruis ook al was
en nu een engel die neerdaalt uit de hemel, het hemelse licht met zich meebrengend,
een boodschapper door God gezonden naar de aarde
met een bericht voor Zijn Zoon: Kom maar uit het graf, Mijn Zoon, het is tijd om op te staan.
God laat zich niet tegenhouden.
Niet door de wachters, ze liggen er als figuranten bij, tellen niet meer mee.
Niet door de dood – Jezus de Gekruisigde, Hij is opgewekt, opgestaan uit de dood.
Jezus – Hij behoort niet meer tot de doden
Geen graf hield Davids Zoon omkneld. Hij overwon, die sterke held
Hij steeg uit ‘t graf, door ‘s Vaders kracht, want Hij is God bekleed met macht.
en waar wij machteloos staan en niet meer kunnen doen dan die twee vrouwen
die op de dag van de begrafenis niet weg kunnen komen, bij het graf moeten blijven
en na de sabbat weer terug gaan om het graf weer te bekijken
– dat is onze werkelijkheid: de dood is definitief, zeker zolang we in dit aardse bestaan zijn.
daar laat God zich niet tegenhouden: door geen graf, door geen steen voor het graf,
hoe verzegeld het graf ook is, het graf gaat open
en de dood moet Hem laten gaan,
een eerste oogst uit het land van de dood en eens zal de dood allen moeten laten gaan,
omdat de dood deze Eersteling niet kon houden,
zullen wij opstaan, zullen degenen die ons zijn voorgestaan uit het graf komen,
zullen degenen die nog moeten leven en dan begraven zullen worden opstaan uit de dood.
In het graf waar Jezus begraven lag wordt nu de dood begraven.
Je vindt hier in het graf nog wel de dood, maar niet meer Jezus: Hij is hier niet!
Het geopende graf zegt ons dat geen enkele macht sterker is dan God,
dat niets ons kan scheiden van de liefde van Christus:
Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.
Het open graf, het graf dat Jezus liet gaan, zal ook ons eens moeten laten gaan
en voor wie gelooft mag mee, met Jezus mee, een leven tot in alle eeuwigheid.

(4) De vrouwen en de engel
Op de opstandingsdag kondigt de dageraad een nieuwe tijd aan.
Maar vrouwen die naar het graf gaan, duiden die nieuwe tijd anders: een tijd zonder Jezus.
Ze zullen de draad moeten oppakken, de gang te pakken krijgen,
leren leven met een gemis, met het verlies van een dierbare,
die ook meer was: hun hoop, hun Meester, de door God gezondene.
Zijn dood aan het kruis betekent een nieuwe tijd.

Als ze bij het graf aankomen, deze twee Maria’s, treffen ze Jezus niet aan.
Ze moeten het doen met een engel, die op de steen zit die voor het graf lag
een open graf en de wachters uitgeschakeld.
Maar die engel bij het graf stelt hen gerust: ‘Geen vrees, je hoeft niet bang te zijn.
Want ik weet waarom jullie hier komen bij het graf.
Jullie zijn gekomen voor een Jezus die gekruisigd is en hier begraven zou liggen.
Hij is hier niet.’
Vier woorden waarin Pasen samen te vatten is: Hij is hier niet.
Overal kan Hij zijn – zoals het evangelie van Mattheüs ook afsluit:
Ik ben met u al de dagen van uw leven, tot aan de voleinding van de wereld.
Immanuël: God-met-ons.
Geen stap die we zetten of we worden omringd door Hem, gedragen en bewaard.
Alleen hier niet: niet in het graf als een dode.
Overal kunnen we Hem zoeken en vinden, behalve hier. Hij is hier niet.
Als je iets kwijt bent, moet je gaan beginnen met zoeken waar je het gelaten hebt,
waar je het voor het laatst hebt gehad.
Waar moet je Jezus zoeken?
Niet waar ze Hem voor het laatst hadden gezien, waar ze Hem hadden achtergelaten.
Hij is hier niet – niet weggehaald door de discipelen van Jezus,
om de suggestie te wekken dat Hij is opgestaan, zoals de overpriesters dachten,
maar weggehaald door Zijn Vader,
omdat Jezus werkelijk is opgestaan, opgestaan uit de dood.
Zoals Hij dat al heeft gezegd, dat het zal gebeuren.
Pasen betekent niet alleen, dat God zich niet laat opsluiten, laat inbinden,
maar ook dat Hij doet wat Hij belooft
en dat we weten dat de belofte dat wij eens zullen opstaan ook eens in vervulling zal gaan.
In de evangeliën wordt niet beschreven hoe de opstanding van Jezus gebeurde.
Op het moment van het wonder was niemand aanwezig dan alleen de Vader.
Het is niet het zien, het meemaken van het wonder dat het geloof wekt bij deze vrouwen,
maar de boodschap van de engel dat Jezus hier niet meer te vinden is,
dat Hij, die gekruisigd was, is opgestaan, dat het graf leeg is.
Ze mogen kijken, om te zien dat de woorden van de engel geen verzinsel zijn, maar waar.
Zouden ze dat gedaan hebben?
Of zouden ze genoeg hebben aan de woorden van de engel?
Wij hebben niet meer dan de woorden van de engel, dan de verkondiging.
Wij zijn geen getuige van de opstanding, wij maken het wonder zelf niet mee,
we horen er alleen over en dat moet voor ons genoeg zijn,
zoals bij de vrouwen door de woorden van de engel het geloof gewekt werd.

(5) Ontmoeting met de opgestane Heer
Hebben wij meer nodig?
Hebben wij het nodig om Jezus zelf te zien?
Om Hem tegen te komen op onze weg, zoals de vrouwen Jezus zagen
toen ze teruggingen om het de leerlingen van Jezus aan te kondigen dat Hij leeft.
We weten dat er een dag zal aanbreken, dat we Jezus kunnen zien,
dat we voor Hem op de knieën kunnen gaan, kunnen neervallen in aanbidding,
als Jezus terugkomt, of als onze tijd gekomen is naar Hem te gaan
Daar zal ik mijn Heer ontmoeten, luisteren naar Zijn liefdesstem.
Kijkt u ook uit naar die ontmoeting, om Hem dan te zien?
En al hebben we niet meer dan de verhalen over deze vrouwen,
al hebben we niet meer dan de woorden van de engel,
als we die verhalen lezen kan Christus in ons midden staan,
en mogen we Hem ontmoeten, zoals de vrouwen dat deden,
niet zichtbaar, maar toch wel echt.
Als we over Hem zingen, als we tot Hem bidden, als we aan Zijn tafel zitten,
zijn we bij Hem, die niet in het graf gebleven is,
Die zich niet liet opsluiten, door geen mens, door geen dood,
maar alle boeien verbrak en ook onze boeien heeft verbroken
en eens uit de dood zal leiden.

Geprezen zij de Heer die eeuwig leeft.
Die vol ontferming ieder troost en alle schuld vergeeft.
Die heel het aards gebeuren vast in handen heeft.
Hem zij de glorie, want Hij die overwon zal nooit verlaten wat Zijn hand begon.
Amen

De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt

De troonsbestijging van de Opgestane en de troonrede die Hij houdt
Exegetische, homiletische en catechetische opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20

De oudtestamenticus Thomas Pola publiceerde in 2013 een aantal opmerkingen bij Mattheüs 28:16-20. Dit gedeelte staat bekend als de verschijning van de Opgestane of het zendingsbevel. Deze perikoop is de lezing voor  de 6e zondag na Trinitatis (van het eerste jaar). In veel gemeenten wordt op deze zondag dan stilgestaan bij de betekenis van de doop.

1) Deze perikoop is in twee delen te verdelen: in deel 1 (vers 16-17) handelen de leerlingen, in deel 2 (vers 18-20) handelt Jezus. Dit tweede deel heeft de nadruk. De beide delen zijn met elkaar verboden door de woorden leerling / jongere en leren. Zij vormen een motief in deze perikoop. Ook het werkwoord gaan / reizen verbindt de beide delen.

2) De 11 leerlingen representeren het nieuwe volk van God. Ze zijn op deze berg om een openbaring van Jezus te ontvangen.

3) De berg van deze openbaring is zonder naam. Dat is ongewoon, want meestal wordt er wel een naam genoemd. Maar ook bij de bergrede en de berg van de verheerlijking wordt de naam van de berg niet genoemd. Het lijkt erop dat voor Mattheüs de betekenis van de berg belangrijker is dan de lokalisatie. De bergen van de bergrede en van de verheerlijking roepen de herinnering op aan de Sinaï. Deze berg heeft trekken van de Zion. Ook deze berg heeft trekken van de Sinaï. In de geschiedenis van de exegese wordt gesproken over een “eschatologische Sinaï” (Ernst Lohmeyer). Volgens Joachim Gnilka gaat het om een gebeuren dat de beperkingen van ruimte en tijd overstijgt zonder aan werkelijkheid te verliezen.

4) In het evangelie van Mattheüs verschijnt de Opgestane zowel in Judea als in Galilea. Daarmee onderstreept Jezus Zijn claim als eschatologische heerser die het voormalige Zuidrijk en Noordrijk verenigt. Jezus vervult in het evangelie van Mattheüs de beloften van de eschatologische nazaat van David die beide delen zal verenigen (zie bijvoorbeeld Jeremia 30:1-31, 33:14-16; Ezechiël 34:20-31; 37:1-14).

5) In deze perikoop gaat het niet om een verschijning van Jezus, want Hij is daar reeds op de berg als de leerlingen daar aankomen. Was JHWH ook niet aan een berg verbonden (zie bijvoorbeeld 1 Koningen 20: 23, 28). Gedeelten uit de tijd van de ballingschap gaan er vanuit dat JHWH voortdurend op het als Sinaï getypeerde Zion woont (Exodus 25:8, 29:45v, 40:35). Aanduidingen die in de tijd voor de ballingschap met de Zion verbonden worden, worden nu aan de Sinaï verbonden.

6) Zodra de leerlingen Jezus zien vallen ze aan Zijn voeten om Hem te aanbidden. Jezus is voor hen zowel God als hun koninklijke heerser. Dit neerknielen functioneert in deze perikoop als acclamatie van het volk van de troonsbestijging van Jezus. Jezus zelf had geweigerd om ‘op een hoge berg’ voor de satan neer te knielen en wilde de satan niet aanbidden (Mattheüs 4:8-10).

7) De leerlingen die Jezus zien op de berg zijn een herinnering aan het volk van God, die de God van Israël op de berg Sinaï konden aanschouwen (Exodus 24:9-11). Dit motief van het aanschouwen van God wordt in Jesaja opgenomen, waarin gesproken wordt over een maaltijd van alle volken op een niet bij name genoemde berg.
In deze perikoop gaat het allereerst om de zending tot de volkeren. Wanneer deze boodschap gehoord wordt, zal het tot een eschatologische pelgrimstocht van de volkeren naar Jeruzalem komen (Zacharia 14:16-19).

8) In deze perikoop wordt niet gesproken over de hemelvaart van Jezus. Het gaat hier om de troonsbestijging van de Opgestane, die verhoogd is. Hij treedt aan als kosmische heerser.

9) Deze kosmische heerser die van God de volmacht heeft ontvangen en door God is opgewekt uit de dood gaat op de jongeren af om hen een troonrede te geven.

10) Het eerste deel van die troonrede is de zelfopenbaring van Jezus. Analoog aan de manier waarop JHWH Zich op de berg Sinaï presenteerde (Ik ben JHWH, uw God) dient er een formulering te komen waarin Jezus zichzelf voorstelt als de kosmische heerser: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. De naam van Jezus is immers reeds bekend.
Vanuit de oudtestamentische traditie waarin JHWH Zichzelf voorstelt dient er een opdracht te komen. De opdracht die Jezus geeft is om op weg te gaan en alle volkeren tot leerlingen te maken.
De hemel en de aarde waarover Jezus de volmacht heeft gekregen, is de nieuwe kosmos. Met de volmacht wordt ook de traditie van de Mensenzoon opgenomen, die goddelijke volmacht heeft ontvangen (Daniël 7:14).

11)   (a)De opdracht die Jezus geeft heeft de structuur van Psalm 96:1-3. Deze psalm heeft als thema dat God koning wordt over heel de kosmos. Het gaat hier om een eschatologisch visioen dat verwoord wordt in een tijd van na de ballingschap (Perzische tijd). In de cultus in de tempel wordt die eschatologische tijd waarin JHWH over heel de kosmos regeert reeds in het heden ervaren. Het zendingsbevel heeft daarom de betekenis van de openbaring, het bekendmaken van het Koninkrijk van God aan alle volkeren.

(b) De redding waarover in Psalm 96:2 gesproken wordt kan in verband gebracht worden met de naam van Jezus. Het verkondigen wordt in de Septuagint met euangelisesthe vertaald. In dat woord klinkt het evangelie uitdragen door. Wanneer deze opdracht wordt vervuld komt volgens Mattheüs 24:14 het einde van de tijden.

(c) Oorspronkelijk trok Abram weg uit zijn vaderland, het land van de hoge culturen van het Tweestromenland, om een zegen te worden voor alle volkeren. Nu zendt de Zoon van Abraham (Mattheüs 1:1) Zijn leerlingen naar alle volkeren uit met de boodschap van de nieuwe werkelijkheid.

(d) Het zendingsbevel kan gelezen worden tegen de achtergrond van de roepingsgeschiedenissen uit het Oude Testament. Deze roepingsgeschiedenissen hebben niet een vast schema. Binnen dit genre van de troonsbestijging is de roeping een motief. Dit motief heeft de volgende kenmerken:
* het zien van God of van een engel
* mededeling van de opdracht
* degene die de opdracht ontvangt deinst terug voor het vervullen van de opdracht en wordt door JHWH of de engel gecorrigeerd (ontbreekt in deze perikoop)
* degene die op pad gestuurd wordt ontvangt de belofte dat JHWH meegaat

(e) Doel van de opdracht is om de volkeren te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Aan deze opdracht gaat vooraf dat alle volkeren tot leerling gemaakt worden en dat de volkeren geleerd wordt om de boodschap van Jezus te bewaren en te houden. Het hoofdwerkwoord is tot leerling maken. De woorden ga op weg en dopen zijn afhankelijk van dit hoofdwerkwoord. In het Grieks gaat het om participia. Catechese gaat vooraf aan de heilige doop!

(f) De kosmische heerschappij wordt niet met militaire middelen doorgezet, maar alleen door de woorden van Jezus die zorgvuldig zijn doorgegeven en bewaard.

12) Jezus had hen opgedragen om naar deze berg te komen (vers 16). De leerlingen dienen zelf andere volkeren tot leerling van Jezus te maken.  Zoals Jezus de leerlingen heeft geleerd (Mattheüs 5:1vv), zo dienen de leerlingen de volkeren te onderwijzen.

13) Daaruit volgt homiletisch: geloof en goede kennis van de verhalen over Jezus horen samen. Een zorgvuldige theologische opleiding voor verkondigers van het evangelie en godsdienstleraren is noodzakelijk, omdat de Opgestane daar zelf toe opdraagt. Bij die zorgvuldige opleiding hoort ook het leren van de Bijbelse talen (omdat via deze talen de werkelijkheidsopvatting van de Bijbel kan worden ontdekt).

14) Ook al is het wereldbeeld van de Bijbel, die immers een boek uit de Antieke Oudheid is, verouderd, de keuze om in de protestantse erediensten de lezing en de uitleg van een perikoop uit de Bijbel centraal te stellen is goed te rechtvaardigen. Het boek dat in de christelijke eredienst gelezen wordt, houdt ons voor om onszelf te identificeren met vormen van het volk van God. We kijken mee in het verleden, waarbij de historische distantie wordt overbrugd. In die gebeurtenissen ziet de lezer (of luisteraar) de van God verwachte toekomst. ‘Door historische waarneming ontmoeten wij God.’ (Heinzpeter Hempelmann) Door onszelf te identificeren met het volk dat geoordeeld wordt en dat de heilsdaden van God (zowel in OT als NT) mocht ervaren, zien we onze toekomst. Onze eredienst is ons heden ver vooruit. Zeker de verkondiging!

15) Met de kosmische heerschappij van Christus treedt een nieuwe hiërarchische ordening aan. In plaats van die ene davidische koning komt het nieuwe volk van God. In plaats van de unieke plaats van het volk van God komen alle volkeren. Eerst had Jezus de leerlingen geelrd. Nu zullen de leerlingen conform Zijn opdracht de volkeren leren.

16) Zoals JHWH eens de profeet Jeremia de opdracht gaf om in Zijn naam het oordeel en het heil over volkeren en koninkrijken te brengen (Jeremia 1:10), zo draagt Jezus het nieuwe volk van God op om Zijn woord te verkondigen. Beslissend daarbij is dat degene die gezonden wordt in optreden en levensstijl zijn of haar opdrachtgever representeert.

17) De opdracht gaat gepaard met de belofte dat Jezus zelf meegaat. Deze belofte gaf ook God mee aan profeten, koningen en anderen die in Zijn naam gingen. Het nieuwe is dat Jezus hier spreekt in plaats van God. Daarmee komen de leerlingen in de rang van profeten en koningen. Met deze belofte er altijd bij te zijn gaat ook de Immanuël-profetie (Jesaja 7:14) in vervulling. De heilvolle aanwezigheid van Jezus manifesteert zich tot het einde van de wereld op cultische wijze (door gemeenschappelijk gebed, in de christelijke eredienst).

18) Er zijn 11 leerlingen die de opdracht krijgen. Er ontbreekt er 1. Dat duidt op de gebrokenheid. Ook staat er dat er van deze 11 ook nog sommigen twijfelden. Ook al hebben we te maken met de troonsbestijging van de Opgestane, in deze wereld blijft het geloof in de spanning van gebed (oratio) en aanvechting (tentatio). ‘Ook degenen die twijfelen wachten op de woorden waarmee de Heer hen zal gebieden.’ (Ernst Lohmeyer)

19) In homiletisch opzicht past deze lezing bij de 6e zondag na Trinitatis. De heilige doop wordt hier gezien als gevolg van de catechese. De doop moet worden gezien in het kader van het aanbrekende Koninkrijk van God. Wat er over de kerk geleerd wordt (de ecclesiologie) is ondergeschikt aan dit Koninkrijk van God.

20) De verkondiger heeft duidelijk te maken dat het hier gaat om het totale en het definitieve: alle volmacht, alle volkeren, alles wat Ik u geboden heb, alle dagen.

N.a.v. Thomas Pola, ‘Der inthronisierte Auferstandene und seine Thronrede. Traditionsgeschichtliches, Homiletisches und Kathechetisches zu Matthäus 28,16-20’, Theologische Beiträge 44/2 (2013) 58-67

Exegese van Mattheüs 28:1-10

Ik weet wie gij zoekt: Jezus de Gekruisigde
Exegese van Mattheüs 28:1-10

In alle vier evangeliën wordt aangegeven dat Jezus is opgestaan. Elk van de vier evangeliën legt zijn eigen accenten. De verhaalde gebeurtenissen zijn niet hetzelfde. Deze vier evangeliën kunnen eenvoudigweg niet met elkaar geharmoniseerd worden. Dat hoeft ook niet. Want het gemeenschappelijke is van belang: Jezus is werkelijk opgestaan, zijn graf was leeg.
Er is nog een andere reden om niet te harmoniseren: door niet te harmoniseren kunnen we preciezer kijken, wat de evangelist Mattheüs vertelt. Welke boodschap hij wil overdragen.

In dit gedeelte wordt Jezus nog de Gekruisigde genoemd (vers 5). Het participium dat gebruikt wordt, duidt op een impact, die de kruisiging heeft gehad: de gevolgen duren nog steeds voort. Jezus is de vanaf nu voor altijd Gekruisigde. Zoals Hij ook vanaf nu voor altijd de Opgestane is.
Dat Jezus ook na de opstanding de gekruisigde wordt genoemd, laat zien welke betekenis de kruisiging voor Mattheüs had. Voor Mattheüs is de kruisiging de voltrekking van Gods oordeel. De duisternis, de aardbeving, het openen van de graven en het scheuren van het voorhangsel duidt erop, dat Golgotha de plaats is waar het oordeel van God is voltrokken. De Zoon des Mensen, die zou komen met Zijn oordeel, sterft zelf in het oordeel. Ook al lijkt het erop, dat God zwijgt (gezien het citaat van Ps. 22 en de spot van de omstanders), Hij zwijgt niet. God voltrekt Zijn oordeel op Golgotha. Aan Zijn eigen Zoon.
Golgotha is voor Mattheüs geen ondergang of mislukking. Wanneer het gedeelte geïsoleerd wordt van de rest van het evangelie van Mattheüs lijkt dat wel zo, maar dat is een oppervlakkige lezing. Golgotha is de dag des Heren. Maar tegelijkertijd verzoening van het volk. De poort naar het koninkrijk der hemelen is open.
Deze Gekruisigde, die het oordeel heeft weggedragen, wordt opgewekt. Daarmee laat God zien, dat Hij het offer van Zijn Zoon heeft geaccepteerd. Christus sterft op het moment van de offer dat aan het einde van de dag gebracht wordt om het volk met God te verzoenen. Degenen die bij Christus horen, zijn verzoend met God.
Opstanding is de rehabilitatie van de verworpen Zoon. Meer nog. De opstanding duidt erop, dat de macht overgedragen wordt aan de Zoon. Eerder in zijn evangelie heeft Mattheüs de gelijkenis verteld van de wijngaard, waarin de pachters uiteindelijk de zoon van de eigenaar doden om zelf eigenaar te worden. Nu wordt de Zoon van de Eigenaar in macht en ere hersteld en daarmee de macht en eer van de Eigenaar zelf.

Mattheüs vertelt op een bijzondere manier, die voor de hedendaagse prediking van belang is. De evangelist vertelt hoe het handelen van God gelijktijdig is aan het ongeloof van de mensen (vrouwen, wachters). Alleen God is hen een stap voor.
Een bode komt het aankondigen. Een engel. De aardbeving duidt erop, dat God zelf in aantocht is. Een aardbeving is een teken van de theofanie, de verschijning van God. Ook de bliksem is een teken van theofanie. De engel is een bode van de Koning van Israël, die zijn volk gered heeft van de zonde.
In het evangelie van Mattheüs komen alleen in de geboorteverhalen (hoofdstuk 1 en 2) engelen voor. Het einde wordt op verschillende manieren met het begin verbonden. Hij is de Koning die zijn volk gered heeft van de zonde. Hij is Immanuël, die tot het einde der tijden bij Zijn volk blijft. De bode komt niet om de steen weg te rollen. De bode, de engel gaat op de steen zitten. De steen, die de toegang dicht hield, wordt een troon. Nogmaals wordt benadrukt dat de toegang open is. Zelfs het rijk van de dood wordt door deze Koning overwonnen.
De soldaten, die de wacht houden, schrikken zich ten dode. Let op de ironie: ‘Degenen die de macht moeten houden, worden als doden, terwijl de dode levend wordt.’ De engel richt zich echter niet tegen de soldaten, maar tegen de vrouwen. De soldaten worden gedegradeerd tot bijfiguren.
De vrouwen zijn op weg gegaan om het graf te zien. Ze zijn op zoek naar Jezus, zoals Hij zelf heeft opgedragen: zoekt en gij zult vinden. Ze zoeken alleen naar de verkeerde, op een verkeerde plaats. Ze gaan naar een mausoleum.
Op die verkeerde weg worden zij door de engel worden weggeroepen. En nadat zij zijn aangesproken, geloven zij. Zij hoeven het graf niet meer in om te zien wat er is gebeurd. Zij geloven de engel op zijn woord. Leicht legt de nadruk op het aanspreken van de vrouwen door de engel. Hij zegt: ‘De totale ommekeer vindt niet plaats door het wonder, maar door het Woord. Dat Woord is ook geen algemeenheid of een in het luchtledige gesproken woord, maar het directe aanspreken.’ (Er is een belangrijke uitspraak van de filosoof J.G. Hamann: spreek, opdat ik U  zie. Leicht verwijst er niet naar. De theoloog Oswald Bayer heeft deze uitspraak op verschillende manieren in zijn theologie verwerkt. Dat spreken van God heeft (her)scheppende kracht.)
 Zij moeten de discipelen vertellen, dat zij naar Galilea moeten gaan. Net zoals de kruisiging wordt hier de continuïteit tussen de verrezen Christus en de historische Jezus benadrukt.
De engel zegt tegen hen: jullie zijn op zoek naar de Gekruisigde. Zoekt en gij zult vinden, had Jezus gezegd toen Hij nog rondwandelde op aarde. Ze zullen Hem vinden – maar niet hier. Niet in het rijk van de dood, maar als de levende.
Het roept verscheidene dingen bij de vrouwen op: geloof, vrees, en grote blijdschap. Direct gaan ze op weg. Bij het graf hebben ze niets meer te zoeken. Witherington plaatst boven deze perikoop het opschrift: ‘Sunday Morning Surprise for All’

‘Voor deze paasgebeurtenis geldt: niet de ontmoeting met de Opgestane leidt tot geloof, maar omgekeerd: het geloof leidt tot ontmoeting.’ (Robert Leicht) De vrouwen ontmoeten Jezus.
Hij heet hen welkom. Niet met een gewone groet, maar met een welkomswoord. De Koning nodigt hen uit het koninkrijk der hemelen te betreden.
De vrouwen aanbidden Hem als de Koning. Zij vallen in aanbidding voor Hem neer, zoals je alleen maar voor God knielt (vgl. Mattheüs 4:9).
Hij verschijnt niet alleen aan de vrouwen. Hij verschijnt wel selectief: niet aan de soldaten, niet aan de overpriesters, maar Hij wil zich ook laten zien aan de discipelen. Daarvoor moeten ze naar Galilea zien. Daar zullen ze geen spook zien (Mattheüs 14:26), of een totaal vernieuwde die het aardse leven achter zich gelaten heeft. Nee, ze zullen daar de opgestane Christus zien. Hij is geen andere dan die hen is voorgegaan: de koning van Israël, Immanuël, die voor altijd bij hen is (Mattheüs 28:20).

ds. M.J. Schuurman

Gebruikte literatuur
Gnilka, Joachim, Das Matthäusevangelium. HThK.NT 1/2 (1986).
Goppelt, Leonard, Theologie des Neuen Testaments (19783).
Keener, Craig S., Commentary on the Gospel of Matthew (1999).
Leicht, Robert, Göttinger PredigtMeditationen 94/2 (2005).
Stuhlmacher, Peter, Biblische Theologie des Neuen Testaments I (1992)
Witherington III, Ben, Matthew. Smyth & Helwys Bible Commentary (2008).