Preek zondagmiddag 10 februari 2019

Preek zondagmiddag 10 februari 2019
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: vers 18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
We zijn hier bij elkaar om de Heere te danken voor wat Hij ons geeft in het avondmaal.
Allereerst geeft Hij een tafel hier in het midden van de kerk,
waar Hij zelf de gastheer is en waar wij naar toe kunnen gaan
om bij Hem, onze Heere, aan tafel te zitten.
Dat is al een voorrecht: de Heere die hemel en aarde gemaakt heeft,
die alles wat er is gemaakt heeft: de wereld waarin wij leven en de schepping om ons heen,
die aan ons het leven heeft gegeven,
die in de hemel troont en regeert over het hele universum, over alles wat er is,
een voorrecht dat Hij in ons midden wil zijn en dat wij naar Hem toe kunnen gaan,
bij Hem aan tafel kunnen zitten, waar Hij ons bedient met brood en wijn.
De almachtige en heilige God wil met zondaren de tafel delen
en aan hen Zijn goede gaven geven.
Dat op zichzelf is al een reden om de Heere te danken.

Aan Zijn tafel maakt de Heere zichtbaar dat er voor ons vergeving is voor ons.
Een tweede reden om Hem te danken,
dat Hij het ons niet meer aanrekent, wanneer we een verkeerde weg hebben gekozen,
dat Hij het vergeeft als we te weinig vertrouwen hadden,
te weinig met Hem bezig geweest zijn, Hem uit het oog verloren zijn.
Zelf wanneer we tegen Hem in gegaan zijn, een verkeerde keuze maakten, zondigden,
als we ons mee lieten nemen door verleidingen,
dan is er bij de Heere vergeving.
Dat die vergeving er is, wordt zichtbaar in het brood dat gebroken wordt,
een herinnering aan hoe het lichaam van Christus voor ons verbroken werd.
Dat God ons vergeeft en met ons opnieuw wil beginnen wordt zichtbaar in de wijn,
die rondgaat, de beker waaruit we drinken,
die ons weer doet weten, wat Christus heeft over gehad, dat Hij Zijn leven gaf,
dat Hij diep wilde gaan, zo diep mogelijk,
als Herder die het verloren schaap zoekt, hoe ver dat ook is afgedwaald,
bereid om uit de hemel te komen, maar ook bereid om aan het kruis te gaan,
in het rijk van de dood en in de hel, om ons bij de Vader terug te brengen.

Avondmaal is een moment bij Hem zijn.
De grazige weiden, waar we neer mogen liggen en op krachten mogen komen,
de stille wateren, waar Hij ons naar toe leidt.
Hij sterkt ons met Zijn aanwezigheid,
Hij voedt ons met Zijn Woord en lest onze dorst met het levende water, de Heilige Geest.
Avondmaal is een plek op onze reis door het leven,
op de weg die smal is en moeilijk te vinden en moeilijk te gaan is,
om bij te komen, maar ook de bevestiging te krijgen, dat dit de juiste weg is,
de weg die God wil dat we gaan.
We krijgen er aanwijzingen voor hoe we verder gaan
en de bevestiging dat  de Heere zelf mee gaat op onze weg.
Wat we krijgen bij het avondmaal, het moment om heel dicht bij God te zijn,
aan Zijn tafel gast te zijn, gesterkt te worden in het geloof,
de bevestiging dat er voor ons vergeving is en dat God weer opnieuw met ons begint,
ons reinigt van onze zonde – dat nemen we mee als we naar huis gaan
en er zijn in ons eigen huis, in ons gezin, onze familie, de buurt waarin we wonen,
op de plek waar we werken en onder collega’s zijn.
Dat is wat de Heere Jezus bedoelt met de goede vruchten die een gelovige voortbrengt.

(2) Christus verwacht van de gelovige goede vruchten
Het klinkt steeds bij de voorbereiding van het Heilig Avondmaal:
laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken
of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven
waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen
en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht.
Dat laat zien dat het Heilig Avondmaal niet alleen een plek is om op adem te komen,
om gesterkt te worden in het geloof,
om weer te zien en te mogen weten dat het lichaam van Christus ook voor u gebroken is
en dat Hij ook voor jou Zijn leven gaf, daar aan het kruis van Golgotha.
Christus geeft dat aan ons, het is een geschenk dat we aan mogen nemen
en we hoeven daar niets voor te betalen, we mogen dat zo maar ontvangen,
maar Hij verwacht er wel iets voor terug:
Hij verwacht dat we Hem dankbaar zijn
en dat we die dankbaarheid die we hebben niet alleen maar in woorden zullen zeggen,
of als een gevoel in ons hart meedragen,
maar dat die dankbaarheid ook tot uiting komt in wat we doen.
Christus verwacht van ons daden, waarin het zichtbaar wordt,
dat we vergeving hebben ontvangen,
dat God het goed maakte met ons en opnieuw wil beginnen.
Christus verwacht het van ons, dat het zichtbaar wordt, allereerst voor God
maar ook voor de mensen om ons heen,
zodat die weten dat we een God hebben, een Heer hebben die Zijn leven gaf,
die met ons een nieuwe start maakt, die genadig is.
Aan de vrucht zult u ze kennen.
Stel dat je een moestuin hebt, waar je niets aan doet.
Je laat de planten hun gang gaan, ook het onkruid (of het niet-gewenste kruid).
Als je dan een aantal maanden later gaat kijken, om iets uit de tuin te halen
als groente, of vruchten die groeien, of om een bos bloemen op tafel te zetten,
dan zul je niets vinden.
Van een brandnetel kun je geen appel plukken: daar heb je een appelboom voor nodig.
Als er zevenblad in je tuin staat, dan kun je die niet oogsten
om die in de pan te koken en als groente op tafel te zetten.
Wanneer je groente uit de tuin wilt hebben, dan moet je zaaien,
Moet je weten welk zaad je moet hebben
en moet je de tuin steeds wieden en het gewas steeds weer opnieuw verzorgen.
Dan zegt de Heere Jezus: wie gelooft en dat niet alleen maar van binnen doet,
maar ook je karakter door het geloof laat vormen,
als je leven met Christus een stempel op je drukt,
dan ben je kun je verwachten dat er vrucht te vinden is.
Dan zal God dat in ieder geval merken.
Of de mensen om je heen dat merken zullen, hangt ervan af
of zij de ogen hebben om de vrucht van het geloof waar te nemen.
Als je geen werk maakt van je geloof,
als geloof alleen maar een gevoel is dat je af en toe hebt, een fijne stemming,
Als geloof alleen maar iets is wat je oppervlakkig doet
en waar je niet uit leeft, dan moet je er niet raar van opkijken
als je geen vrucht voortbrengt, als er niets bij je te vinden is,
voor God niet en voor de mensen om je heen niet.
Hij draagt het ons wel op, om die vrucht voort te brengen
en de avondmaalstafel, of nu deelgenomen hebben of niet, vraagt aan ons:
En nu, wat ga je er mee doen? Wat breng je er van in praktijk?
Niet om dat als een vervelende plicht te doen,
maar uit dankbaarheid, omdat je zoveel van de Heere ontvangen hebt,
omdat Hij er weer was, omdat Hij je geloof wil vernieuwen en je wil vergeven.
Wat staat daar tegenover? Wat doe je ermee?
Laat je het alleen een fijn gevoel zijn, of mag het ook een uitwerking op je leven hebben?
Denk ook er aan, dat je met wat je in je in je leven gedaan hebt voor God komt te staan.
Zul je dan kunnen aankomen met een mooie oogst uit je leven, die je Hem kunt aanbieden?
In de voorbereiding lopen wij zelf er even in de tijd terug
om na te gaan, welke vruchten wijzelf zouden kunnen vinden in ons leven,
Wat wij vanuit wat wij zien de Heere kunnen aanbieden.

Vrucht dragen kan alleen als je aan Christus verbonden bent,
Als je van Hem bent en als Hij met Zijn Geest in je leven werkt.
Dan mag je ervan uit gaan, dat je wat aan kunt bieden.
Dat je kunt zeggen: Heer, ik heb omgezien naar mijn buurman die niemand had.
Ik was bereid om iemand op te zoeken die het moeilijk had.
Ik was iemand op wie je kon bouwen. Ik heb nooit iemand laten vallen.
God zal vruchten bij ons vinden, die we zelf niet zouden zien:
de vreugde die je uitstraalt brengt bij anderen de vreugde in het leven.
De manier waarop je moedig met je zorgen omgaat, geeft anderen een voorbeeld
om zelf wanneer er moeilijkheden komen niet van slag te raken
en de steun en hulp bij de Heere te zoeken.
Vruchten die groeien als je bij de Heere Jezus hoort.
En met het avondmaal hebben we aangegeven,
dat wat wij er zelf aan kunnen doen ook zullen doen,
uit dankbaarheid en liefde voor God.
Kunnen wij dat wel uit onszelf, wat God ons opdraagt?
En wat brengen er in de komende tijd van terecht?

(3) God laat de gelovige goede werken doen
De belofte van God bij het avondmaal is, dat Hij die vrucht aan ons geeft,
omdat we bij Christus horen
en het vanmorgen weer bij Hem gezocht hebben,
omdat we aan Zijn tafel kwamen en daarmee aangaven:
We brengen er zelf niets van terecht.
De vruchten die wij zelf zien in ons leven, de vruchten van geloof,
is maar een schamele opbrengst en niet de grote oogst die U belooft, die U vraagt.
En  dan zegt Hij tegen ons: Ik laat je vrucht dragen.

Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen.
Als je bij Mij hoort, als je naar Mij luistert, dan zul je vrucht dragen.
Dan zal er iets te vinden zijn, wat je later als je voor Mij verschijnt kunt aanbieden,
dankbaar en vol verwondering, dat je dit mocht doen.
Als je dan op je leven terug kijkt, dan zul je tot je eigen verrassing zien,
dat er een licht van je uitstraalde in de wereld om je heen,
niet je eigen licht, maar Gods licht dat door je heen ging
en dat andere mensen om je heen merkten: er is een God, die ook mijn God wil zijn.
Er is een God, die mij niet veroordeelt als ik kom
omdat er een gelovige was, die mij niet veroordeelde.
Er is een God, die royaal geeft, omdat er een christen in mijn omgeving was,
Die niet karig was in het geven.
Er is een God, die bereid is om iemand die van zijn leven niets gemaakt heeft,
op te zoeken en een nieuw leven te geven,
omdat er iemand was, gedreven door dezelfde liefde die deze God heeft,
Die mij opzocht in de gevangenis of in een kliniek.
Er is een God, die geduld met mij heeft, omdat ik iemand ontdekte,
Die beter thuis was in het geloof, die de tijd en de moeite nam om uitleg te geven
en met mij mee te lopen en mijn vragen aan te horen.
Er is een God die luistert, omdat ik iemand heb waar ik mijn verhaal kan uitstorten
en elke keer als ik met mijn verhaal kom is het niet teveel,
maar kan ik zomaar weer vertellen, waar anderen zeggen: nu weten we het wel.
In wat we doen, vervangen we God niet
en we doen het wellicht, omdat het ons zo geleerd is, of bij ons karakter past
En toch zijn het de gaven die de Heere uit ons leven kan vinden,
vruchten die Hij zelf aan ons laat groeien, omdat we aan Christus zijn verbonden
en dat we aan Christus verbonden zijn, is te merken aan de vrucht die we voortbrengen.
Vrucht voortbrengen is altijd een wonder van God.
Dat geldt voor een appelboom, voor een veld vol koren, voor koeien die melk geven.
Ook de vrucht die in het leven van gelovigen groeit is een wonder van God.
Bijzonder dat Hij ons kan gebruiken, een instrument in Zijn hand
om de wereld om ons heen van Hem te laten zien.
In het evangelie van Mattheüs is er steeds de aansporing om vrucht voort te brengen.
– Dat is wellicht in de afgelopen weken al opgevallen.
Het gaat erom, dat we het niet alleen bij woorden laten, maar ook doen.
Steeds wordt daarbij naar de basis gegaan: ons hart.
Als ons hart goed is, dan is het als een goede boom die goede vruchten voortbrengt.
Vruchten vol smaak en kleur, voedzaam en gezond.
Het is het wonder van Gods genade, dat God met ons hart bezig is om het te zuiveren,
te reinigen van de zonde,
zodat we die goede vruchten kunnen voortbrengen.
Vanmorgen hebben we dat gevierd, mocht het weer zichtbaar worden,
Dat Christus zijn leven gaf, zich liet verbreken om ons te reinigen van onze zonde,
volkomen verzoening van al onze zonden.
Dan kunnen we vrucht voortbrengen.

(4) Afsluiting
Een leven niet voor onszelf, maar voor anderen en vooral voor God.
Dan is ons leven een loflied op Hem,
dan is onze manier van leven een eerbetoon aan onze Heer.

Amen.

Preek zondagmorgen 10 februari 2019

Preek zondagmorgen 10 februari 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Vers 24-27

Gemeeente van onze Heere Jezus Christus,

We moeten allemaal eens voor God verschijnen.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan komen we voor Zijn troon te staan.
Hoe zal Hij dan over ons leven oordelen?
Mag je binnenkomen in Zijn heerlijkheid?
Of zal Hij aangeven dat er geen plaats voor je is?

Je kunt die vraag voor je uitschuiven,
maar er komt een dag waarop we daar staan voor Hem.
Niemand weet wanneer die dag zal komen
en niemand of hij of zij de tijd krijgt om daar alsnog over na te denken.
Als je niet wilt nadenken over hoe het straks zal zijn, als je voor Hem komt,
dan lijk je op iemand die een huis bouwt op het zand, een huis zonder fundament.
Een huis op zand bouwen, betekent dat je je niet zo druk maakt
over hoe het zal gaan als je voor God komt te staan.
Je komt er wel door en zult wel worden binnengelaten.
Je bent dan iemand die een huis bouwt, je eigen levenshuis,
zonder je druk te maken om het fundament,
zonder na te denken of je huis wel stevig staat.
Het is onverstandig, dwaas, als je ervan uit gaat dat het altijd mooi weer blijft,
dat de zon altijd in je leven blijft schijnen.
Als het zover is, blijft er weinig van overeind, want het had geen enkele vastigheid.
De storm, waar de Heere Jezus over spreekt,
de hevige regen en het water dat buiten de oevers treedt en zorgt voor een overstroming,
daarmee bedoelt Hij niet dat er over je aardse levens heel wat stormen kunnen komen.
Dat kan zeker – hier in de kerk zijn er heel wat bij wie het gestormd heeft in hun leven
en ook dan is het belangrijk dat het huis van je leven op Christus de rots is gebouwd.
Maar hier betekenen de storm die om het huis heen waait:
het oordeel van God over ons leven, dat Hij zal uitspreken
Als we aan het einde van ons aardse leven voor Zijn troon komen te staan.
Er is maar één manier waarop ons levenshuis in die storm overeind kan blijven staan,
Waardoor we ook geen zorgen hoeven te maken voor dat moment,
Waarop we voor Hem moeten verschijnen.
Als ons huis gebouwd is op Christus de rots
en het huis van ons leven is op Hem gebouwd
als we Hem in geloof aannemen, als we in vertrouwen op Hem leven
en dat niet alleen bij mooie woorden laten.
Ons levenshuis is op Hem gebouwd, als we Zijn woorden niet alleen horen,
maar ook in praktijk brengen.
Wanneer je dat doet, dan ben je verstandig
en dan weet je zeker dat je kunt verschijnen, dat je houvast hebt.

Wanneer je dat niet doet, wanneer je de woorden van Jezus wel hoort,
maar langs je heen laat glijden en er niets mee doet en ze niet in praktijk brengt
dan ga je er aan voorbij dat je leven hier op aarde eens zal eindigen
en dan ben je net zo dwaas bezig als iemand die een huis bouwt,
zonder voor een goed fundament te denken.
We komen niet alleen aan het einde van ons leven voor God,
maar ook als we in de kerk zijn, als we bidden of lezen in de Bijbel.
Dan komen we voor God te staan.
Omdat we Hem dan niet zien en niet altijd ervaren,
kunnen we er op dat moment aan voorbij gaan, dat we voor God zijn gekomen.
En als we het hier goed hebben, kunnen we het voor ons uitschuiven
dat het moment eens zal komen waarop de Heere vraagt
wat we met ons leven hebben gedaan.
We kunnen dat niet voor ons uitschuiven,
want als we ons levenshuis nu niet op Hem bouwen, dan staat ons huis op het zand
En zijn we onvoorbereid voor dat moment.
Het gaat er om dat ons levenshuis op Hem is gebouwd.
Als we naar de kerk gaan, dan is de vraag die steeds op ons afkomt:
Waar is ons huis op gebouwd?
Op zand omdat we denken dat we er zo wel komen en zelf genoeg doen?
Of is ons huis gebouwd op de enige Rots die er is: Jezus Christus?
Als we avondmaal vieren, dan zijn we bezig om ons levenshuis op Hem te bouwen.
We beseffen dat als Christus niet het fundament onder ons leven is
We niet overeind blijven als we voor Hem komen.
Als we avondmaal vieren, kijken we ook terug en beseffen we
Dat er heel wat momenten weer zijn geweest, waarop we eerder bouwden op het zand
Dan op de Rots, die God ons biedt, de stevigheid, het houvast dat God ons aanreikt.
Avondmaal vieren is de kans weer opnieuw krijgen,
om niet op zand te bouwen, maar ons levenshuis te bouwen op Christus.
Alleen dan heeft ons huis stevigheid en houvast.
Alleen dan blijft ons levenshuis overeind als de storm om het huis giert,
Als een zware regenbui tegen de ramen en de muren aanslaat.
De Heere Jezus vertelt het ons ook als uitnodiging om het te doen,
als aansporing om te komen tot Hem en ons leven niet zonder Hem te leven.
Als waarschuwing dat als we dat niet doen,
we niets anders hebben dan een huis zonder fundament, dat niet overeind blijft.
Als we avondmaal vieren, dan zoeken we onze houvast in Hem.
Dan zeggen we tegen de Heere: wij willen ons huis niet op zand bouwen,
maar ons levenshuis bouwen op het fundament dat U geeft, dat U zelf bent.
Als we avondmaal vieren, is dat een gebed: Bouwt U ons levenshuis,
legt U dat fundament onder ons leven,
want wijzelf zijn geneigd om op een verkeerde plek te bouwen.
Dat moeten we ook belijden, en vragen of U ons wilt vergeven
door het sterven van Uw zoon Jezus Christus
Door Zijn sterven is er fundament onder ons leven
En met dat fundament onder ons leven laat U ons bij U binnengaan. Amen

 

Preek zondag 3 februari 2019

Preek zondag 3 februari 2019
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Mattheüs 7:13-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Er zijn kinderen, jongeren en volwassenen die in deze tijd een keuze moeten maken.
Leerlingen in groep 8 hebben net de CITO-toetsen gemaakt
en denken nu samen met hun ouders na over de school die gekozen moet worden.
Leerlingen op de middelbare school in de 2e of de 3e denken na
over welk profiel er gekozen moet worden voor het volgende jaar.
Eindexamenkandidaten denken na over de vervolgopleiding of studie na het examen.
Er zijn gemeenteleden die een keuze hebben moeten maken
of ze door gingen met een ingrijpende behandeling of chemokuur of gingen stoppen.
In de komende week denken gemeenteleden ook na over de keuze
of ze wel of niet aan het avondmaal zullen aangaan.

Bij een keuze kun je het gevoel hebben, dat je op een kruispunt staat:
Je kunt uit twee of meerdere wegen kiezen,
maar je weet niet goed wat nu de juiste weg is om in te slaan,
omdat je niet goed weet hoe een bepaalde keuze gaat uitpakken.
Je kunt wel kiezen voor havo/vwo, maar je weet niet of je het aankunt.
En je kunt wel kiezen voor kwl of tl, maar je weet niet of het te makkelijk zal zijn.
Je kunt nu wel een bepaald profiel kiezen, maar je weet niet goed
of je met dit profiel wel goede cijfers haalt en zult slagen voor je examens.
Een keuze maken of je wel of niet moet doorgaan met een behandeling
is een ingewikkelde keuze, omdat je niet weet hoe je gaat reageren:
word je er heel ziek door of reageert je lichaam er heel goed op.
Zelfs bij de keuze om aan het avondmaal aan te gaan
of juist de keuze te maken om weg te blijven of om in de bank te blijven zitten
kun je nog de twijfel hebben of je er wel goed aan doet:
Zal deelname aan het avondmaal mij dichter bij Christus brengen?
Is het een goede keuze om weg te blijven of te blijven zitten?

Een keuze maken kan ook ingewikkeld zijn, omdat je niet goed weet
of je de keuze nog een keer kunt maken.
Bepaalde keuzes zijn zo belangrijk, dat je niet meer terugkunt.
Het is dan net alsof je voor verschillende deuren staat:
Bij een keuze ga je door een van deze deuren en je komt nooit meer bij de andere deur.
Als je kiest voor kwl of tl ga je een richting op, waarbij je voor sneller voor een beroep leert
en als je dan toch nog hogerop wil voor een opleiding of studie kan dat extra tijd kosten.
Als je in je examenjaar kiest voor een vervolgopleiding kun je niet zo makkelijk switchen
omdat de kosten te groot zijn voor het ruilen van studie.
Je moet daarom goed weten wat je van tevoren kiest, zodat je geen verkeerde keuze maakt.
Heb je gekozen, dan zit je voor een deel vast aan die keuze.
Ook als het gaat om stoppen met een behandeling of doorgaan, gaat het om een keuze
waarbij je waarschijnlijk niet meer de kans krijgt om nog een keer te kiezen,
of het moet zijn dat de behandeling je zwaar valt en weinig resultaten geeft,
zodat je alsnog wel moet stoppen met de behandeling.
Ook als je kiest om wel deel te nemen aan het avondmaal, kun je misschien niet meer terug
maar ook als je er voor kiest om niet aan te gaan
zal de keuze om ooit wel te gaan niet zo makkelijk genomen worden.

De Heere Jezus wil ook dat we een keuze maken
en gebruikt daarvoor het beeld van een poort (deur) en van een weg:
De poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt,
en weinigen zijn er die hem vinden.
Je hebt twee keuzes: de ene is een hele brede poort en een ruime weg,
de andere is een klein deurtje en smal weggetje.
Moet u zich eens voorstellen wat dat betekent:
De manier van leven, zoals de Heere Jezus die voorschrijft, is geen makkelijke weg.
Het is een klein deurtje, een kleine poort.
Een kleine ingang, waar je zo maar aan voorbij kunt lopen, als je er niet op gericht bent
en als je er naar op zoek bent, om zo te leven als Jezus dat vraagt,
kan het zijn dat je er eerst aan voorbij loopt, omdat deze poort niet opvalt,
je moet door de straat waar je bent heen en weer lopen
en als je ervoor staat, vraag je je nog steeds af of je wel goed zit.
Voor de deur ligt alles nog onder het sneeuw,
geen enkele aanwijzing door voetstappen in de sneeuw dat iemand door die deur is gegaan.
Jezus vervolgt het beeld: een nauwe poort en een smalle weg.
Een smalle weg is een weg die je bijna niet ziet,
Waarbij je goed moet uitkijken of je inderdaad op de weg bent of er niet naast stapt.
Een weg waardoor je niet vordert.
Of een weg, zoals in de bergen, waarbij je voorzichtig moet lopen,
omdat de ruimte om erover te lopen niet zo breed is.
Het is een weg, waar je vooral alleen op loopt.
Het is stil, je ziet bijna niemand anders,
en daardoor ga je je afvragen of je wel op de goede weg zit.
Is dit wel de weg naar het beloofde einddoel?
De weg die Jezus aanprijst is een nauwe poort, een achterafweggetje,
waar je heel lang erover doet om de stad uit te komen.
Die weg waarop je allerlei verkeersdrempels tegenkomt,  verkeerslichten waar je voor stopt
een vrachtwagen die gelost moet worden die de weg blokkeert,
tegenliggers voor wie je aan de kant moet gaan en even moet stoppen.
Een weg die je veel tijd kost en waarop je na verloop van tijd je afvraagt of je wel goed zit
want je komt voor je gevoel nauwelijks vooruit.
De manier van leven die Jezus voorschrijft is niet als die gemakkelijke weg,
die door de massa genomen wordt,
De levensstijl die bij Hem hoort is niet als een weg waarop je zo weg komt en snel opschiet.
Bijna niemand die dezelfde keuze maakt.

Kun je bij de keuze voor een school nog laten meewegen wat je vrienden kiezen,
deze weg, die Jezus aanprijst, wordt door bijna niemand gegaan.
De meerderheid kiest die andere weg, en die andere poort:
Een brede poort met allure die uitstraalt dat je daar moet zijn.
Een brede, wijde poort geeft aan dat die ingang erg belangrijk is, die moet je hebben!
Dit is de hoofdweg, de meest belangrijke weg die er is, die weg moet je gaan.
Of in onze tijd een hoofdsnelweg van 3 of meer banen, een weg die bijna iedereen kiest
en niet dat achterafweggetje waar je heel lang erover doet, met veel oponthoud.
De ruime weg is een weg, waarop je mooi kunt opschieten
met een duidelijke bestemming en die je het gevoel geeft dat je bestemming belangrijk is.

Wat is dan die keuze, waar de Heere Jezus het over heeft?
Want dat is toch wel van belang om te weten welke keuze je moet maken,
Hoe je door die nauwe poort kunt gaan en welke weg je moet inslaan.
Als je een keuze maakt voor een school, ga je naar een open dag.
Als je een keuze moet maken voor een profiel vraag je het bij docenten na
Bij een keuze voor wel of geen behandeling laat je je voorlichten door het ziekenhuis.
Hoe zit dat met de nauwe poort, waarvan Jezus zegt dat we daar doorheen moeten gaan?
Je zou kunnen denken aan wat nodig is bij de voorbereiding voor het avondmaal:
Erover nadenken wat er mis is in je leven, wat er mis zit in de relatie met God
en bereid zijn om dat eerlijk aan God toe te geven dat het mis zit
En Hem te vragen of Hij opnieuw wil beginnen met je
en te vragen of Hij je de kracht wilt geven zelf ook opnieuw met God te beginnen.
Het is niet makkelijk om naar God toe eerlijk te zijn over jezelf,
al weet je dat Hij alles van je weet en alles gezien
en nog beter dan jijzelf weet hoe het ervoor staat met je.
We kunnen de neiging hebben om dat weg te stoppen en ons groot te houden voor God.
Of je kunt wat geprikkeld reageren: moet het steeds gaan over wat mis gaat?
Moet is steeds nadenken over mijn zonde?
Het eerlijk toegeven, aan God belijden en om vergeving vragen en ook een nieuw begin
kan een nauwe poort zijn, omdat je daar niet aan wilt
en je loopt door met zoveel anderen, die dat ook niet willen, verder over die ruime weg.

Of je wilt dat niet, omdat die keuze om door de nauwe poort te gaan veel van je vraagt
en je weet al dat je het niet vol kunt houden op die smalle weg.
Je weet dat je niet het vertrouwen in God hebt dat je zou moeten.
Je komt in je geloof zoveel tekort en je kent jezelf,
je weet van jezelf dat dit er – als het aan jezelf ligt – er niet beter op gaat worden.
Of er zit wat tussen jou en iemand anders in, onenigheid
en je weet dat je zo op deze manier niet aan het heilig avondmaal kunt komen,
omdat het niet goed zit, maar je wilt het niet goed maken,
omdat je eigen trots je tegenhoudt om de minste te zijn,
je wilt niet de eerste stap zetten om het goed te maken,
omdat je dan moet toegeven dat je zelf ook niet goed zat en er zelf ook een aandeel in had.

Om te weten wat de Heere Jezus bedoelt met die nauwe poort kunnen we ook lezen
in de toespraak die Hij hield daar op die heuvel bij het meer van Galilea.
Hij sprak over degenen die lijden aan deze wereld,
omdat deze wereld zo ver verwijderd is van hoe God deze wereld bedoelde.
Hij sprak over verleidingen die je naar de ondergang kunnen brengen
en dat het daarom beter is om een oog uit te steken of een hand af te hakken.
Hij sprak over voor iemand die je afdwingt om iets te doen het dubbele te doen.
Hij gaf aan dat als iemand je slaat je ook de andere wang moet toekeren
en als iemand je vijand is, dat je voor diegene moet bidden en zelfs moet liefhebben.
Dat je hen het goede toewenst en ook hen op een goede manier behandelt.
Hij gaf aan dat je je geen zorgen mag maken en dat wie dat wel doet kleingelovig is.
Als je die hele bergrede leest, gaat het steeds om een manier van leven
die we niet kunnen opbrengen.
Wij kunnen niet doen wat Jezus ons opdraagt.
En dan moeten we in deze week ons voorbereiden op het avondmaal.
Je weet dat het niet goed zit met God, omdat je steeds de fout in gaat
en je beseft: wat Jezus van mij vraagt kun je niet volbrengen.
Hoe kun je dan ooit nog aan het avondmaal gaan.
Want zoals je leeft, dat is dan toch de brede weg, de weg naar de ondergang?
Dan hebben de gemeenteleden die volgende week niet komen, omdat het niet voor hen is,
toch gelijk en kunnen we toch beter het avondmaal maar overslaan,
Want Jezus legt de lat zo hoog dat niemand die kan behalen.
Wees volmaakt, zoals onze Vader in de hemel volmaakt is.

Wat Jezus vraagt is in veel gevallen moeilijk op te brengen,
maar Hij doet dat niet om ons te ontmoedigen.
Ja, Hij weet dat het een moeilijke weg is en daarom noemt Hij dat ook zo:
Een smalle weg, waarop je soms kunt voortploeteren,
een weg waarop je de moed geregeld in de schoenen zinkt.
Het is een weg van jezelf verloochenen, kruisdragen.
Jezus vertelt er niet bij waarom die weg zo moeilijk begaanbaar is.
Het kan zijn dat we zelf veel willen vasthouden, wat we los moeten laten.
Dat we niet kunnen knielen voor Hem,
of bereid zijn om alles te geven.
Of dat we die keuze niet kunnen maken, omdat we kijken naar ouders of vrienden,
die de keuze om de weg van Jezus te gaan niet hebben gemaakt.
Als het gaat om niet aan kunnen gaan aan het avondmaal
wordt dat nogal eens aangedragen: mijn ouders gingen niet en ik ben niets beter dan zij.
Nee, inderdaad, maar het gaat niet om welke keuze zij gemaakt hebben,
maar het gaat om welke keuze jijzelf maakt, nu je voor de mogelijkheid staat.
Ga je door die nauwe poort, de weg van Jezus op of loop je door op die brede weg?
Zou de stap naar het avondmaal niet een manier zijn om door die nauwe poort te gaan
en met wat je daar krijgt aan vergeving en kracht in je geloof, vernieuwing
verder te gaan op de weg die je bent ingeslagen, de weg dicht bij Jezus
Dat is één manier.
Kinderen en jongeren en gemeenteleden die geen belijdenis hebben gedaan
Jullie vragen je misschien af, hoe je door die nauwe poort kunt gaan.
Want het is niet een poort die je ziet, net als je de weg niet ziet waar Jezus over spreekt.
Door die nauwe poort gaan is kiezen voor Jezus.
Bijvoorbeeld met je hart: ik wil bij U horen, ik wil met U meegaan, mijn leven is van U.
Maar wat de Heere Jezus hier bedoelt is dat het om meer gaat.
Dat je niet alleen met je hart zegt: ik geloof, ik wil van U zijn, U bent mijn Heer.
Maar dat je dat ook laat merken in hoe je doet,
een manier van leven, een levensstijl.
Als je verkering hebt, dan hoor je bij iemand en dat laat je vaak merken.
Je schrijft de naam van je vriend en vriendin op verschillende plaatsen op,
je versiert die naam misschien met allerlei hartjes.
Maar je laat dat ook zien door met die ander op te trekken
En als het echt serieus is, ga je ook rekening met elkaar houden.
Je laat dingen na, die de ander niet zo leuk vindt,
of je gaat je gedragen, zoals die ander graag wil.
Door de nauwe poort gaan, betekent:
dat je je gaat gedragen, zoals de Heere Jezus dat graag wilt
omdat je van Hem houdt, en Hem wil volgen in je leven.
Ik heb net een aantal voorbeelden genoemd en ik zal ze nu kort nog herhalen:
verleidingen uit de weg gaan en ertegen vechten,
als iemand je vervelend behandelt, dat niet gelijk beledigd doorvertellen aan anderen,
of gaat schelden of gaat ruziemaken of zelfs gaat vechten
maar dat je nadenkt: hoe kan ik goed zijn voor die ander.
Als ik nu eens voor die ander ga bidden,
dat is beter dan allerlei nare gedachten over die ander te hebben.
Dat doe je omdat Jezus graag wilt dat je zo wordt.

En in de komende week, waarin we nadenken over het avondmaal,
denken we of we wel zo geleefd hebben, zoals Jezus dat graag zou willen.
Dan kom je erachter, dat het veel beter kan,
Dat je je soms er wel makkelijk van af gemaakt hebt, of gewoon niet wilde.
Dat is niet goed, dat moet beter.
Het mooie van het avondmaal, is dat je weet: Christus vergeeft en begint met mij opnieuw
Ik mag het opnieuw proberen en steeds weer opnieuw proberen.
Soms vorder ik en doe ik het echt beter, geregeld stel ik mijzelf en Christus teleur,
Dat klinkt makkelijk maar is het niet, want je hebt spijt dat je verkeerd was, steeds weer.
maar dan mag ik weer opnieuw beginnen. Christus begint met mij opnieuw.
Dat is de smalle weg en die nauwe poort: de weg van spijt en opnieuw moeten beginnen,
maar Christus die steeds met mij opnieuw begint, telkens weer.
Want Hij wil dat ik op die smalle weg blijf lopen,
om bij Hem aan te komen in Zijn heerlijkheid.
Daarom geeft Hij het avondmaal als een middel om het vol te houden
in de strijd tegen verleiding, tegen zonde, tegen afhaken
om het vol te houden op die smalle weg. Die kracht hebben we nodig,
evenals de vergeving die we ontvangen. Ook die hebben we nodig.
Het avondmaal herinnert ons eraan dat we bij Hem moeten zijn.
Daarom word jij, wordt op genodigd, opgeroepen op te komen bij Hem
om brood en wijn te ontvangen.
Amen







Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst

Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst
Schriftlezing: Mattheüs 6:19-34
Tekst: Mattheüs 6:33

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Afgelopen zondag moest ik in een gemeente zijn,
waar ik al sinds ik predikant ben als gastpredikant in kerkdiensten voorga.
Het was er een stuk rustiger dan op de andere keren dat ik in die kerk voorging.
Na de kerkdienst ging het over de preek die ik gehouden had.
Niet over het aantal kerkgangers dat minder was dan anders.
Dat viel mij op, want meestal, als het minder kerkgangers zijn dan anders,
wordt er in de consistorie wel een verontschuldiging uitgesproken
of nagedacht over de oorzaken die er zijn.
(Dat vind ik eigenlijk ook meestal niet zo’n prettig gesprek,
omdat het tekort doet aan degenen die wél gekomen zijn.)
Op de weg naar huis dacht ik na over de kerkgang
en ging ik me toch wel zorgen maken over die gemeente, waar ik geregeld kom.
Zou het een incident zijn, of zouden er heel wat leden van die gemeente
niet meer komen uit onvrede of overgestapt op naar en andere gemeente in de buurt?
De volgende morgen las ik dit gedeelte, dat ik al enige tijd geleden had uitgekozen
en ik las hoe de Heere Jezus aangaf, dat we als ons geen zorgen moeten maken.

(2) We maken ons snel om dingen bezorgd
Als je je zorgen maakt, ben je een kleingelovige, zegt Jezus
En dat is in dit gedeelte geen compliment,
maar een duidelijke waarschuwing dat je je echt zorgen moet maken over je geloof,
want met een klein geloof heb je helemaal geen vertrouwen in God
En heb je eigenlijk geen geloof.
En wanneer je je om allerlei zaken zorgen maakt, verschil je niet van iemand
die geen geloof hebt, ben je eerder een heiden en een gelovige.
Je zou je toch zorgen maken als er te weinig geld is om eten te kopen,
als je bij de kassa staat en je kunt je boodschappen niet betalen,
omdat je saldo ontoereikend is.
Als je geen geld hebt om kleren te kopen, kun je er misschien nog lang mee doen
of ze krijgen van een ander, die ze niet meer nodig heeft,
maar als je in deze week niet genoeg kleding hebt om je te kleden tegen de kou,
dan is het toch terecht als je je zorgen maakt?

In onze tijd moet je toch wel vooruitkijken en je planning maken?
Je moet goed uitrekenen hoe je uitkomt met je pensioen,
om te voorkomen dat als je met pensioen gaat niet genoeg hebt voor een prettig leven.
Je moet wel een bepaald bedrag op de bank hebben
voor het geval je onverwacht een grote uitgave moet doen
als de wasmachine ermee ophoudt of als je kosten voor de auto maakt.
Het leven brengt toch zijn zorgen mee, als je een gezin hebt,
een hypotheek hebt af te lossen, als er rekeningen betaald moeten worden?
En hoe meer verantwoordelijkheid je hebt, hoe meer zorgen je met je meedraagt. Toch?
Als jouw onderneming veel zaken doet, en je weet niet wat de Brexit gaat brengen
en je zelfs het risico loopt dat je werknemers moet ontslaan,
die dan ook weer in een onzekere periode komen,
dan is het toch geen wonder dat je er soms slecht van slaapt en je humeurig wordt
omdat de zorgen op je drukken?
Hoe kan Jezus nu zeggen dat Zijn leerlingen zich geen zorgen mogen maken
en dat als ze dat wel doen, dat ze dan een klein geloof hebben
en lijken op mensen die helemaal geen band met God hebben?
Dan zijn we op zijn tijd toch allemaal mensen, die geen band hebben met God?
Want wie heeft er nooit zijn zorgen?
Een bestaan zonder zorgen is eigenlijk onmogelijk.
Geen wonder, dat Jezus verderop in de bergrede zegt,
dat het moeilijk is om te geloven: het is net als door een hele nauwe poort gaan,
over een smalle weg, een weg die door bijna niemand gekozen wordt,
omdat die weg die Jezus voorhoudt toch te ingewikkeld is om te gaan.

(3) We moeten de vogels en de bloemen als voorbeeld nemen
Jezus zegt echter: zo’n zorgeloos bestaan is wel mogelijk.
Kijk maar naar de vogels in de lucht.
Zij hebben een zorgeloos bestaan.
Zij hoeven zich niet druk te maken over eten, want ze krijgen dat van de hemelse Vader.
Neem maar eens de tijd om naar het zorgeloze van de vogels te kijken.
Kijk maar hoe ze steeds weer aan eten komen,
eten waar ze zelf niet voor gewerkt hebben en dat ze gewoon maar krijgen.
Daaraan kun je zien dat er een God in de hemel is,
God die voor Zijn schepping zorgt, zelfs die kleine vogeltjes ontvangen Gods zorg.
Nu kun je nog van vogels zeggen, dat ze zich druk maken.
Dat ze moeten door de lucht moeten vliegen om muggen en vliegjes te vangen,
zoals zwaluwen dat in de zomer doen.
De merels die op de grond prikken om de wormen boven te krijgen.
Andere vogels die vruchten moeten eten van de bomen.
Ook al leggen zij geen voorraad aan, zij moeten er wel wat voor doen.

De bloemen echter niet.
Zij ontvangen Gods liefde, zoals ze het zonlicht ontvangen.
Ze ontvangen Gods zorg, zoals ze de regen ontvangen.
Ze hoeven alleen maar hun bladeren naar de hemel op te heffen,
hun bloem naar omhoog te richten om Gods zorg en liefde te krijgen.
Moet je eens kijken hoe ze erbij staan.
De schoonheid van de bloemen, de kleurenpracht die ze hebben,
daar kon koning Salomo niet tegen op, de koning over wie verteld werd
dat hij de rijkste koning was en daarmee de mooiste kleding kon laten maken.
Alle rijkdom die je aan Salomo kon aflezen, tellen niet bij de kleurenpracht van de bloemen.
En de gratie van Salomo’s pracht en praal zijn niets vergeleken
met de gratie die de bloemen uitdragen.
Het is niet de kleurenpracht als zodanig, die zo schitteren en indruk maken,
het is hun openheid, hun gerichtheid op God,

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

zoals de vogels al zingen tot Gods eer als het nog donker is
vogels die hun geluid laten horen als de mensen bezig zijn met hun werk
om zo al kwetterend ons te vertellen dat we een Vader in de hemel hebben,
die ons nooit uit het oog verliest.

En dan zegt Jezus tegen ons dat we er bij stil moeten staan.
Er naar moeten kijken.
Even van je computer afkijken naar buiten en luisteren naar de vogels.
Even je boor uit doen om het geluid van de vogels te horen,
even stoppen voor je op een nieuw adres van de thuiszorg aanbelt
om naar een bloem die in de tuin staat te kijken
of samen met een oudere even naar buiten kijken,
om je eraan te herinneren, dat je een God hebt,
die het kleine, wat je zo makkelijk over het hoofd ziet
en waar je zo makkelijk aan voorbij gaat al met zoveel zorg bekleedt.

(3) Jezus wil ons leren om Gods zorg op te merken
Jezus wil ons leren om er de tijd voor te nemen, om er niet aan voorbij te gaan,
wat zo gewoon lijkt, maar wat de bijzondere zorg van God is,
waarmee Hij zich aan ons laat zien als onze Hemelse Vader.
Hij doet dat door ons te leren om te kijken in het nu, te leven in het nu.

Als je je zorgen maakt, dan denk je na over de toekomst.
En dan denk je vooral na over de vraag: hoe moet het gaan? Wie moet het doen?
Zulke vragen kunnen heel makkelijk steeds groter en groter worden.
Je wordt al somberder en somberder, je overziet het niet meer.
Het vertrouwen dat je in God had, is weg.
Niet dat het vertrouwen zegt, dat God al je problemen oplost.
Er is een uitspraak van Luther: God voert de vogels, maar Hij breekt het niet in brokjes.
Met andere woorden: ze moeten er wel wat voor doen.
Het is niet zo dat ze alleen maar hun snavel hoeven op te doen. Ze moeten wel zelf vliegen.
Maar als je zorgen en zorgen groter worden,
dan zie je niet meer hoe God nog wel zorgt.
Dan verdwijnt wat God doet achter een donkere wolk van alleen maar zorgen.
Daarom wil Jezus ons leren om niet vooruit te kijken, maar allereerst om ons heen,
om te zien, hoe God om ons heen is, in de gewone dingen:
De donkere nacht die voorbij gaat, het licht dat komt, vaak de zon die nog schijnt,
regen die er komt na een lange droge periode,
Gezondheid die je krijgt, moed om aan de dag te beginnen.
Aan die kleine dingen die je om je heen ziet, de krokusjes die straks komen,
de narcissen, de tulpen, die aankondigen dat het met de kou in de grond echt gedaan is
en dat er weer een lentetijd aankomt.
Zo moeten we om ons heen kijken, om te zien wat God doet, om ons vertrouwen te voeden.
Om op te merken wat God tegen ons zegt door te zorgen voor de vogels en de bloemen.
Door te horen wat God tegen ons zegt als de merel in het donker al begint te fluiten
en het is voor jou nog veel te vroeg om je bed uit te gaan.
De merel die op een vogelwijsje fluit: Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God
Want in Zijn hand ligt heel mijn levenslot.
Hij fluit het voor ons, zodat wij daar de dag mee beginnen
en de hele dag mee doorgaan, wat de dag ook brengen zal.
Het krokusje dat in de wintergrond de eerste sprieten de voorschijn laat schieten
en al snel een heel bloempje wordt en tegen ons zegt:
de kou is overwonnen, zo heeft de dood niet het laatste woord in de schepping,
maar heeft je hemelse Vader de macht niet alleen om de vorst uit de grond te drijven,
maar ook om de dood bij jou vandaan te houden
En al komt de dood, je hemelse Vader, die Christus uit de dood riep, is machtig
om ook jou uit de dood te roepen.
Dat zeggen de bloemen en de vogels tegen ons: God zorgt.

Gij hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.

Dat gezang begint ermee dat de wereld aan God toebehoort:
Aan U behoort o Heer der heren, de aarde met haar wel en wee.
Ook ons wel en wee.

 

En Jezus zegt dat we bij de vogels en de bloemen in de leer moeten gaan.
Als leerlingen van Jezus in de leer bij de bloemen en de vogels.
Een discipel kan veel leren van de tulp en de narcis, van de merel en de mus.
Kijken, lering trekken, dat is wat een discipel hoort te doen.
Leerling van Jezus betekent dus zien en horen welke boodschap God tot ons spreekt
in de bloemen om ons heen en de vogels in de lucht:

Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed
omdat de hemel mij begroet.

(4) Aan onze zorgeloosheid gaat het gebed vooraf
En toch, en toch, en toch.
Geloven in de zorg van God en geloven dat we een Vader in de hemel hebben
in wiens hand we geborgen zijn
is soms moeilijk te geloven, omdat de zorgen zo echt zijn en onze kracht zo beperkt.
het is zo moeilijk om als discipel in de leer te gaan bij de bloemen,
omdat je weet dat die bloemen maar kwetsbaar zijn:
Ze kunnen over een week al in de container liggen.
Het gras dat vandaag groeit en morgen in de oven geworpen worden.
Is het menselijk leven niet zo kwetsbaar als dat gras dat er vandaag nog is
maar morgen afgemaaid is?

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer;

Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Ja, als er iets met je aan de hand is, je gaat naar de dokter en de dokter stuurt je door
en je moet een scan in en daarna wachten op de uitslag
en als de uitslag komt, blijkt het toch ernstig te zijn, dan ga je anders kijken
naar de dingen om je heen, dingen die je eerst nooit zag
en je vraagt je af: zal ik het nog een keer zien, zal ik de bloemen nog zien bloeien,
zal ik het lente zien worden, zal ik de jonge eendjes zien, de merel nog horen fluiten?
Dan opeens kun je wel tijd vrij maken, moet je vrij nemen,
terwijl je voorheen geen vrij wilde nemen, omdat er gewerkt moest worden.

De schilder Marius van Dokkum heeft veel humoristische schilderijen gemaakt,
die toch een boodschap hebben.
Een van die schilderijen, die hij maakte is: Hollen of stilstaan.
Er staan twee paarden in een wei en ze kijken verbaasd naar een dikke man,
met sportschoenen en een sportbroek, maar ook met overhemd en stropdas,
Een telefoon aan het oor en al rennend en bellend kijkt hij op zijn horloge
om te zien hoeveel tijd hij nog heeft.
Het weitje ligt er bij, zoals het er al lang bij ligt,
op de achtergrond is een file te zien en hoge kantoorgebouwen,
de lucht is blauw, de zon schijnt en er zijn wat wolken,
in de lucht zijn ook verschillende vliegtuigen te zien.
Marius van Dokkum, zelf gelovig, houdt een spiegel voor,
de spiegel die Jezus ook voorhoudt: waar gaat het nou om in het leven?
Je kunt door je druk te maken en overal bezorgd om te zijn
uit het oog verliezen wat echt belangrijk is en het daarmee ook kwijtraken.

Zoek eerst het Koninkrijk van God – dat is het allerbelangrijkste.
En wat er nog meer belangrijk is, dat zal onze hemelse Vader aan je geven.
Het is niet zo, dat Jezus zegt: stel je prioriteit – eerst met God bezig en dan mag het andere.
Nee, het is een scherp gebod – vooral het Koninkrijk van God zoeken
en dat andere – dat is niet belangrijk: je dagelijks bestaan, je werk, eten en drinken.
Juist die dingen die voor ons dagelijks bestaan nodig zijn, gewoon om te leven,
waar we echt niet zonder kunnen – Jezus zegt ervan:
als God je dat wil geven, dan komt het er.
Ik moet eerlijk zeggen, dat het moeilijk is om te begrijpen
en misschien kunnen we in deze tijd, tussen zondeval en wederkomst,
niet anders dan kleingelovigen zijn, kunnen we niet anders dan heiden zijn
en toch: zoveel mogelijk strijden tegen dat ongeloof, tegen de heiden in ons.

Zoek eerst het koninkrijk van God – we zeggen dat en zingen dat,
maar begrijpen we dat echt wat Jezus ermee bedoeld en doen we dat ook?
Het Koninkrijk van God zoeken houdt in: je helemaal overgeven in Gods handen.
U bestuurt, U bepaalt, Uw rijk.
Wat van belang is, is dat Jezus aan dit scherpe gebod om eerst Zijn koninkrijk te zoeken
en het scherpe gebod om ons geen zorgen te maken
eerst onderwijs geeft over het gebod.
Bidden is het koninkrijk van God zoeken, bidden is jezelf in Gods handen leggen:
Uw wil geschiede, uw koninkrijk kome.
Als je bidt, zeg je amen en geef je daarmee aan:
Nu ik gebeden heb, weet ik dat God ervan af weet,
kan ik er op vertrouwen dat het goed komt,
dat mijn leven geborgen is in Zijn hand en Hij onze hemelse Vader is die zorgt.
En toch is er een macht, die dat geloof, dat vertrouwen ondermijnt.
Jezus geeft die macht dezelfde naam als het amen: mammon en amen zijn hetzelfde woord.
De mammon, dat kan geld zijn, maar dat is alles waar je op vertrouwt
als je niet helemaal zeker bent van God,
als je toch wat zekerheid op aarde moet inbouwen voor het geval God niet thuisgeeft.
Mammon is dat je de dokter of de behandeling meer vertrouwt dan God,
dat je verwacht dat geld je meer gelukkiger maakt dan God,
dat je beter zelf de leiding kunt hebben over je leven, over de kerk, in deze wereld,
omdat als je het aan God overlaat, Hij wel eens op Zijn beloop zou laten.

Kijk eens wat de vogels doen: ze komen in de tuin aanhippen, of aangevlogen
ze halen het eten uit de tuin dat er voor hen is, ze moeten er zelf wat voor doen
maar hun zang is een eerbetoon aan de hemelse Vader
en let als discipel eens op de bloemen, neem hun vrolijkheid en zorgeloosheid in je op
en leer van hen net zo open te staan voor de zorg van God
en te ontvangen, zoals de bloemen ontvangen.
Ze weten, we zijn er maar even, maar dat korte moment is er geen moment
waarop God er niet is.
Al verdorren we, worden we vertrapt, worden we gemaaid – God heeft alles in de hand. Dat is een les voor ons, zodat we het niet ergens anders zoeken,
niet ergens anders onze steun zoeken, zegen verwachten,
op iets anders ons leven bouwen.

 

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

Amen

 

Preek 20 januari 2019

Preek 20 januari 2019
Mattheüs 5:21-48
Tekst: vers 27-29

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De eerste vraag die boven komt, als je de uitspraak van Jezus hoort,
dat het beter is om je oog uit te rukken dan om door verleiding te struikelen, is:
moet je deze uitspraak letterlijk nemen?
Moet je echt je oog uitrukken om verleidingen tegen te gaan?
Als je deze uitspraak letterlijk neemt, zouden er toch heel wat mannen moeten zijn
zonder rechteroog en zonder rechterhand?
Mannen die weten dat ze kwetsbaar zijn voor verleiding.
En misschien zijn er wel vrouwen, die bij zichzelf denken:
Het is goed dat Jezus hier de mannen aanspreekt,
maar Hij had dit net zo goed tegen vrouwen kunnen zeggen,
Want als vrouw heb ik net zo goed last van die begeerte, die Jezus wil bestrijden.

Zou het helpen om als je zorgt dat je oog niet meer kan zien?
Ben je dan beter bestand tegen bepaalde verleidingen?
Kun je voorkomen dat je een verkeerde kant op gaat als je je hand onbruikbaar maakt?
Dan is je andere oog toch nog in staat om verkeerde dingen te zien?
En daarbij: zonder dat oog ben je nog in staat om je gedachten te laten gaan, te fantaseren.
Als je gevoelig bent voor een bepaalde verleiding,
zoals Jezus hier noemt: bij het zien van een vrouw een bepaalde begeerte voelen opkomen,
dan gaat het toch om een gevoeligheid, die er in jezelf is?
Ik denk dat we al snel tot de conclusie kunnen komen:
Dit kun je niet letterlijk nemen, want je ziet niemand om je heen,
die deze opdracht van Jezus ooit in praktijk gebracht heeft.
en het pakt de bron van waaruit de verleiding komt, ons hart in ons, niet aan.

Toch wil ik er even wat langer bij blijven stil staan:
Want het kan ons ook wel goed uitkomen,
als we deze regel van Jezus niet letterlijk hoeven te nemen,
als we zeggen: het gaat alleen maar om het idee dat je wat doet tegen verleiding.
Want als je tegen jezelf zegt: je hoeft dit niet letterlijk te nemen,
kun je toch, zonder dat je het wellicht zelf door hebt, de deur van je hart toch openzetten
en allerlei uitvluchten en excuses bedenken, waarom je bepaalde verleidingen toelaat.
Je kunt zeggen: iedereen heeft toch zijn zwakten?
We zijn allemaal menselijk? Mensen van vlees en bloed?
Je hebt je ogen toch niet in de zak?
Dat is juist het gevaarlijke van zonde en verleiding,
dat het de neiging heeft om zich kleiner te maken,
wat van het gevaarlijke van de zonde af te dingen en het wat onschuldiger te maken.
Ach, het valt wel mee, wat je doet. Zo erg is het toch niet? Dit moet toch kunnen?
Niemand die het merkt!
Zonde en verleiding heeft ook de neiging om de schuld bij een ander neer te leggen:
Ik kan er niets aan doen! Het is sterker dan ik!
Bovendien: die vrouw moet zich anders kleden, want nu zij die kleren aantrekt,
roept zij een begeerte in mij op, die ik niet kan onderdrukken.

Jezus zegt: ‘Nee!’
Hij zegt zowel tegen die excuus en de uitvluchten:
‘Nee! geen uitvlucht zoeken, geen excuus aandragen!
Trap er niet in als de verleiding zich voordoet als iets onschuldigs.’
Hij zegt ook: ‘Nee!’ als we de schuld bij een ander neerleggen
en zeggen dat wij er niet tegen bestand zijn, omdat het sterker is dan wij
en daarom niets aan kunnen doen.
Dan zegt Hij: ‘Je ontloopt je verantwoordelijkheid.
Jij laat je ogen gaan! Jij houdt je niet in toom!
Jij gaat de strijd niet aan tegen het verlangen dat in je hart leeft.
Je moet er voor zorgen, dat een bepaalde verleiding geen aanknopingspunt in je vindt.
En als je merkt dat je toch vatbaar bent voor een verleiding,
Dat het je niet lukt om de verleiding de baas te blijven,
Wees dan bereid om een radicale maatregel te nemen.
Want zo onschuldig is een verleiding niet:
En als je denkt dat het geen kwaad kan, ja wel degelijk: onderschat verleiding niet.
Het doet je struikelen, het brengt je op de verkeerde weg.
Een weg bij God vandaan, waarbij je je ondergang tegemoet gaat.
Jezus zegt zelfs dat als je de strijd niet aangaat, de verleiding je verloren doet gaan.
En alles beter dan dat, zelfs het leven met één oog, met één hand.

Dit zegt Jezus, die anders zo mild is,
die er niet in meegaat om een vrouw die op overspel betrapt is te stenigen,
die vrouwen, die geen al te beste reputatie hadden, niet negeert,
maar in hun gezelschap verkeert, met hen eet en feest viert,
zodat veel serieuze mensen uit die tijd er schande van spraken
en bij de discipelen hun verontwaardiging uitten over de mensen met wie Jezus omging.
Hier hebben we toch te maken met een andere Jezus,
die juist als het gaat om verleiding stevig stelling neemt.
En in plaats van ruimte te bieden om te vergoelijken, om te zeggen dat het zo erg nog niet is
en dat er voor elke zonde die je begaat ook vergeving is,
waarschuwt en zegt: denk er niet te licht over, neem je maatregel,
wees bereid om ver te gaan in de strijd tegen verleiding.

Je hebt gehoord, dat tegen het voorgeslacht gezegd is, zegt Jezus.
Het is één van de Tien Geboden, waar Jezus naar verwijst
en iedereen die aanwezig is bij de toespraak van Jezus kent de Tien Geboden.
Er zijn heel wat kerken waarin de Tien Geboden op zondagmorgen worden voorgelezen
En er zijn ook kerken, waarin de Tien Geboden zijn opgehangen aan de muur,

zodat iemand, die in de kerk zit, niet alleen deze geboden ook hoort,
maar ook ziet en ze op zich in kan laten werken, om ze niet te vergeten, en er naar te leven.
Zulke geboden geven duidelijkheid, geven houvast voor het dagelijks leven.
Ze laten zien wat je wel mag en wat je niet mag, hier heb je je aan te houden:
Pleeg geen overspel.
Dat is een duidelijke regel: Je mag het niet aanleggen met de vrouw van een ander,
ga geen relatie aan met een man, als hij al bij een andere vrouw hoort,
of als je zelf een man hebt.
Maar dan begint de discussie: wanneer is het overspel?
Is het overspel als je niet zo gelukkig bent in je huwelijk?
Is het verkeerd als je merkt dat je verliefd wordt op iemand die al bij een ander hoort?
Het is toch niet zo erg om bij iemand die niet erg gelukkig in de liefde is te denken:
als wij eens samen wat hadden?
Je kunt het ook nog eens heel geestelijk brengen: God wil toch dat iedereen gelukkig is?
Met regels ben je er niet, omdat het menselijk leven niet in regels te vangen is.
Bij elke regel kun je wel een uitzondering bedenken.
Daarom wil Jezus leren dat je er niet genoeg aan hebt om dit gebod als regel te zien.
Niet zozeer, omdat het samenleven van mensen te complex is om in regels te vangen,
maar als je de Tien Geboden als regels opvat – dit mag wel, dit mag niet,
dan houd je jezelf buiten schot.
Dan kun je altijd denken: het ligt niet aan mij. Het is zijn, haar schuld! Ik begon niet.
In de tijd van Jezus moest een vrouw zich zo kleden, dat ze niet de begeerte opwekte.
Het ligt aan haar.
Zoals je in de VS onder bepaalde christenen ook wel de regel hebt,
dat je nooit samen bent met een andere vrouw als man als je eigen vrouw er niet is.

Nee, zegt Jezus: je legt het probleem bij iemand anders neer, je moet met jezelf in de weer.
Naar de bron van de verleiding en dat is niet die ander, dat is je eigen hart
en dat moet je onder ogen zien.
Natuurlijk, dat geldt ook voor je buurman of buurvrouw,
dat is alleen hun verantwoordelijkheid en jij kunt alleen aan jezelf iets doen.
Je moet bereid zijn om een offer te brengen.
Ik hoorde een keer het voorbeeld van iemand die zijn computer weg deed,
omdat hij merkte dat hij niet in staat was, om de verleiding die hij via internet kon vinden,
tegen te houden en steeds weer verkeerde beelden opzocht.

Waarom is Jezus zo fel als het gaat om de begeerte?
Jezus heeft oog voor de zonde, die gebruik maakt van die begeerte
en wanneer zonde, wanneer de duivel, de grote verleider
begeerte voor zijn eigen doel gebruikt
dan wordt iets dat God aan de schepping heeft meegegeven, een scheppingsgave
op een verkeerde manier gebruikt en kom je door die verleiding op de verkeerde weg.
Jezus is niet tegen seksualiteit, dat is een gave, een geschenk van God
Hij is er ook niet op uit dat je elk gevoel uit je gedachten of lichaam uitbant.
Hij wil alleen laten zien, waarom God seksualiteit aan de mens gegeven heeft,
Wat het doel daarvan is.
Het doel is niet allereerst: de passie of het genot. Dat is niet het hoogste.
In de seksualiteit, het samen zijn als man en vrouw, gaat het om elkaar kennen.
In het Oude Testament wordt voor seksualiteit het woord bekennen gebruikt,
het is hetzelfde woord als elkaar kennen:
Je kent elkaar als man en vrouw, je kent elkaar intiem, niet alleen op lichamelijk gebied,
maar je kent ook elkaars karakter, elkaars mooie kanten en zwakten,
Je weet van elkaar wanneer de een dreigt te struikelen
en wanneer de ander een verkeerde weg in slaat.
Seksualiteit is dat je geen geheimen voor elkaar hebt, maar dat je elkaar kent door en door.

Dat geeft aan de ene kant het belang van de seksualiteit aan:
het is een bevestiging van het elkaar kennen, het verdiept je band als man en vrouw,
maar het relativeert ook: het is niet de enige manier om elkaar goed te kennen.
Het is een van de vormen om een relatie te hebben.
Ook vriendschap is een vorm, waarbij je elkaar goed kunt kennen, samen verbonden te zijn.
In de geschiedenis van de kerk is vriendschap daarom ook altijd een belangrijk thema
om degenen die nooit een relatie hebben gehad een volledige plek te geven in de kerk.

Wanneer er begeerte boven komt en zeker als die begeerte niet ingedamd, beteugeld wordt,
dan gaat het niet meer om dat kennen, dan gaat het om hebben, om bezitten.
Je bent dan op jezelf gericht.

Een tijdje geleden las ik een boek over karaktervorming
En vooral over hoe het christelijk geloof je karakter kon vormen.
In dat boek ging ook een hoofdstuk over kuisheid.
Het allereerste dat ik dacht bij dat hoofdstuk, was dat dit woord niet meer in gebruik is.
We leven in een tijd waarin niet al te moeilijk gedaan moet worden.
En drempels die verleidingen tegenhouden zijn er al helemaal niet meer.
Juist daarom was het de moeite waard om dat hoofdstuk te lezen.
Kuisheid is weten wanneer je niet op een seksuele verleiding moet ingaan,
is jezelf kennen, ook de kant in jezelf die vatbaar is voor verleiding en fantasie.
Kuisheid, zo las ik, gaat allereerst over geloofwaardigheid.
Ben je echt wie je bent.
Stel dat je een relatie krijgt, verkering krijgt of een huwelijk
en je zet de deur open voor verleiding, zonder dat de ander het weet,
dan houd je jezelf achter, dan ben je niet helemaal jezelf.
Je mist geloofwaardigheid.Je kunt je niet helemaal geven, jezelf niet helemaal laten kennen.
En dat werkt door in je relatie, niet alleen naar je man of vrouw,
maar ook in je relatie naar anderen toe en ook in je relatie met God werkt het door.
Wanneer je je laat leiden door je begeerte,
wanneer je niet in staat bent om er tegen te strijden,
raak je op jezelf, raak je geïsoleerd, omdat je een geheim met je meedraagt,
Maar ook omdat je steeds meer op jezelf gericht raakt
Een relatie is juist bedoeld voor het omgekeerde: om op een ander gericht te zijn,
niet om die te begeren, maar om te kennen en hoog te achten.
Kuisheid – om dat woord nog maar eens te gebruiken – is gericht op samenzijn
samenzijn, waarin iedereen integer is.

Alleen als je integer bent, of je best doet om integer te doen, kun je Gods licht uitstralen.
Want ook daarom is het van belang om te strijden tegen de zonde,
omdat in de ogen van Jezus de gelovige altijd iets van God laat zien.
In het streven naar zorgvuldige, integere omgang met elkaar laat je iets van God zien,
hoe Hij met mensen omgaat.
Het huwelijk is bedoeld om iets te laten zien van hoe God gekomen is om ons te dienen,
maar niet alleen het huwelijk, elke relatie die er is, weerspiegelt iets van God naar ons toe.
Jezus legt de lat hoog: niet alleen als het gaat om de begeerte,
maar in alles in de omgang met anderen:
Wees dan volmaakt.
Hoe kan Jezus dat nu van ons vragen, om volmaakt te zijn?
Niemand kan toch hier op aarde die volmaaktheid bereiken, die alleen God heeft?
Die volmaaktheid betreft ons hart: een hart dat één is,
één in het dienen van God en van de naaste en niet verscheurd is door onze begeerte,
integer en betrouwbaar, waar je op aan kunt,
iemand die zich niet laat leiden door impulsen of begeerten, maar daartegen strijdt.
Dat is een hart, dat ook weet, dat het die volmaaktheid zelf niet kan verkrijgen,
maar geschonken krijgt,
door Jezus die ons vraagt om een offer te brengen in de strijd tegen de verleiding,
die zelf alles gegeven heeft om ons te bevrijden uit de macht van de verleiding
en zich helemaal heeft gegeven, zodat wij gereinigd kunnen worden.

In de radicaliteit die Jezus vraagt, zit ook genade, een geschenk van Zijn kant
Ondanks onze onvolmaaktheid, onze kwetsbaarheid voor verleiding
is de deur niet dichtgeslagen, maar is er een mogelijkheid in Christus
om die reiniging en volmaaktheid te ontvangen.
Dat maakt het appèl van Jezus, Zijn aansporing, des te klemmender
om niet te struikelen door verleiding, maar Zijn weg te gaan.
Hij heeft alles over gehad, meer dan een oog, meer dan een hand,
maar Zijn hele lichaam in de vernietiging, zodat die ons bespaard kan blijven
en er een toekomst kan komen, waarin we niet verloren hoeven te gaan,
niet omdat wij perfect zijn en volmaaktheid hebben behaald,
maar omdat Hij dat ons geeft.
Amen





God geeft een betere wereld

God geeft een betere wereld

Komende zondag gaat de preek over Mattheüs 5:1-16. Omdat ik in deze tijd bezig ben om meer structuur aan te brengen de opbouw van mijn preken, gebruik ik intensief het model van de
Vier pagina’s van de preek van Paul Scott Wilson. Dat model zal ik in de komende weken hier bespreken.

Een van de stappen in dit model is het herschrijven van het Bijbelgedeelte in korte, directe zinnen. Daarom hier Mattheüs 5:1-10 op die manier herschreven:

Jezus ziet de menigte van mensen.
Jezus gaat op de berg zitten.
Jezus’ leerlingen komen naar Hem toe.
Jezus begint te spreken.
Hij geeft onderwijs.
Hij richt zich tot zijn discipelen.
De menigte is op de achtergrond aanwezig.

Zalig de armen van geest…
Jezus vertelt hoe Hij zijn leerlingen ziet.
De leerlingen van Jezus lijden aan de wereld.
Deze wereld is oneerlijk.
De leerlingen kunnen weinig aan deze wereld veranderen.
Daarom lijden ze aan deze wereld.
God geeft hen een betere wereld.
Die betere wereld is bestemd voor wie aan deze wereld lijden.
Zij ontvangen een geluk dat het aardse overstijgt.

Zalig die treuren …
De leerlingen van Jezus hebben verdriet over deze wereld.
Zij ervaren dat deze wereld niet is, zoals God die geschapen heeft.
Die ervaring is een ervaring van in ballingschap te zijn.
Dat deze wereld niet meer is, zoals God die geschapen heeft is voor hen verlies.
Daarom zijn ze in rouw.
God geeft hen een betere wereld.
Die betere wereld is bestemd voor wie rouwen
om het verlies van Gods oorspronkelijke wereld.
Dat God die betere wereld geeft is voor hen een troost.
Met het ontvangen van die betere wereld, ontvangen een geluk dat het aardse overstijgt.
Ze hoeven niet meer in rouw te zijn.

Zalig de zachtmoedigen …
De leerlingen van Jezus lijden eraan dat zij de wereld niet kunnen veranderen.
Ze hebben niet de invloed en de macht om de wereld te kunnen veranderen.
Zij ervaren hun onmacht.
Die onmacht is voor hen kruisdragen.
God is wel bij machte om die wereld te veranderen.
God zal deze wereld veranderen.
God geeft een betere wereld.
Die betere wereld is voor hen die de wereld niet kunnen veranderen.
Met het ontvangen van die betere wereld, ontvangen een geluk dat het aardse overstijgt.

Zalig die hongeren en dorsten …
Het lijden aan deze wereld is voor de leerlingen van Jezus een intense ervaring.
Het lijden lijkt op honger en dorst.
Het lijden is een intens verlangen naar een eerlijke, rechtvaardige wereld.
Het lijden is een intens verlangen naar een wereld waarin Gods richtlijnen worden gevolgd.
De leerlingen van Jezus kunnen de wereld niet veranderen.
God kan die wereld veranderen.
Hij kan een eerlijke, rechtvaardige wereld geven.
God geeft een betere wereld.
Die betere wereld is voor Jezus leerlingen, die intens verlangen hebben.
Als die betere wereld komt, gaat dat verlangen voor hen in vervulling.
Met die betere wereld, die God geeft, is hun honger en dorst voorbij.

Zalig de barmhartigen
De leerlingen kunnen aan de wereld niets veranderen.
Zij kunnen de wereld niet eerlijker maken.
Helemaal machteloos zijn ze niet.
Zij kunnen zich op een bepaalde manier gedragen in deze oneerlijke wereld.
Zij kunnen hun hart laten spreken.
Zij kunnen hun hart laten spreken voor medemensen in nood.
Zij kunnen mild zijn in hun oordeel over anderen.
Zij kunnen in het klein iets voor anderen betekenen.
Als zij hun hart laten spreken,
Als hun daden gekenmerkt worden door deze bewogenheid en mildheid
laten ze in deze wereld iets van God zien.
De leerlingen van Jezus zullen daarom in het laatste oordeel
van God zelf barmhartigheid ontvangen.
In het laatste oordeel zal God mild over hen oordelen.
Zij krijgen permissie het koninkrijk der hemelen binnen te gaan.

Zalig de reinen van hart …
De leerlingen van Jezus kunnen aan deze wereld niets veranderen.
Zij kunnen wel voorkomen dat de wereld hen verandert.
Zij kunnen voorkomen dat de wereld hun hart verandert.
Zij kunnen voorkomen dat zij denken en handelen volgens de normen van deze wereld.
Die normen van deze wereld zijn: ik-gerichtheid, gebrek aan compassie, aan empathie,
over de grenzen van anderen gaan, anderen beschadigen.
De leerlingen van Jezus zijn integer.
Zij hebben geen vervelende bijbedoelingen.
Omdat zij geleefd hebben, zoals God wil, zullen ze God zien.
Als God die betere wereld geeft en hen permissie geeft om binnen te gaan,
zullen ze de hemelse Vader mogen zien
van Wie zij in hun daden op aarde al iets lieten zien.

Zalig de vredestichters …
De leerlingen van Jezus leven in een wereld vol conflict en strijd.
De leerlingen van Jezus leven in een wereld waarin mensen elkaar pijn doen.
De leerlingen van Jezus brengen de partijen bij elkaar.
Zij helpen om conflicten uit de weg te ruimen.
Ze helpen om begrip voor elkaar op te brengen.
Ze delen in de pijn van het conflict, maar leggen zich er niet bij neer.
Ze geloven in een toekomst waarin het conflict weg is.
Ze doen alles eraan om dat te bereiken.
Omdat ze gericht zijn op de vrede noemt God hen Zijn kinderen.
Zij behoren tot het volk van God, tot het verbond.
Zij zijn erfgenamen bij God.
Zij noemen God hun (hemelse) Vader.
Hun contact met God is intiem.

Zalig zijn die vervolgd worden …
De leerlingen van Jezus hebben het niet makkelijk.
Ze worden niet begrepen.
Ze ervaren tegenstand.
Ze worden vervolgd.
Daarom geeft God hen een betere wereld.
Als God die betere wereld geeft en hen permissie geeft om binnen te gaan.


Preek zondagmorgen 25 maart 2018

Preek zondagmorgen 25 maart 2018
Afsluiting winterwerk
Schriftlezing: Jesaja 53:1-7 en Mattheüs 27:1-26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Komende vrijdag is het Goede Vrijdag.
Op die dag staan we er bij stil dat de Heere Jezus voor ons aan het kruis stierf.
Bijzonder om zo’n vrijdag goed te noemen…

In de weken daarvoor – we noemen die tijd de Lijdenstijd –
staan we stil bij de weg die de Heere Jezus ging naar het kruis.
Lijdenstijd: niet alleen aan het kruis heeft Jezus geleden, maar daarvoor al.
In de lijdenstijd denken we na over het lijden van de Heere Jezus:

  • niet alleen: hoe erg het was
  • maar dat Hij dat deed – voor ons
    (Jesaja 53: De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem)


Alles wat de Heere Jezus deed – deed Hij voor ons, om ons vrede te kunnen geven:
De binnengaan van de stad Jeruzalem op een ezel,
hoe Hij avondmaal vierde met Zijn leerlingen,
daarna Gethsemané, waar vroeg of het lijden aan Hem voorbij mocht gaan
en toen het duidelijk werd dat Hij die weg moest gaan, zei:
‘Het gaat er niet om wat Ik wil, maar wat U wilt, Vader, dat zal gebeuren!’
Daarna kwam Judas, Zijn eigen discipel, met een groep soldaten
en werd Jezus gevangen genomen en meegevoerd naar de priesters, de Schriftgeleerden.
De hele nacht zijn ze bezig geweest met het ondervragen van Jezus
en na die nacht weten ze het zeker: Jezus mag niet blijven leven! Hij moet sterven.

Als kerk, als christenen geloven we dat Jezus niet zomaar moest sterven,
maar dat Hij dat deed in onze plaats.
Daarom is het elk jaar weer bijzonder om stil te staan bij het kruis op Golgotha:
o, ik weet meer dan ooit: dat Hij dit deed voor mij!
Denk jij daarover na, als je die verhalen hoort over de Heere Jezus?
Als je daar op school over hoort, of thuis uit de Bijbel, in de kerk?
Dat je denkt: dat gebeurde niet zomaar, maar dat was wat God wilde,

zodat ik bij God mag horen.

We lazen in de Bijbel dat de hogepriesters en de Schriftgeleerden besluiten
Dat Jezus moest sterven.
Alleen: ze mogen zelf niet beslissen dat iemand moet sterven.
Dat mag alleen Pilatus beslissen, die namens de Romeinen de baas is in Israël.
Als de zon opkomt en de nieuwe dag begint,
gaan ze de Heere Jezus naar Pilatus brengen.
Ze binden Hem vast.
Dat doen ze vast om Jezus veel gevaarlijker te laten lijken dan Hij is.
Want stel je voor, dat ze bij Pilatus komen, zonder dat Jezus is vastgebonden,
zal Pilatus misschien wel zeggen: ‘Jullie kunnen me meer vertellen.
Als die Jezus echt zo gevaarlijk is als jullie zeggen,
waarom heb je Hem dan niet vastgebonden?’
Moet je dat voor je zien – dat ze de handen van Jezus vastbinden.

Dat zijn de handen waarmee Jezus de melaatsen heeft aangeraakt,
waardoor ze genezen werden.
Dat zijn de handen, waarmee Jezus modder op de ogen van een blinde smeerde,
die blinde man waste zijn ogen schoon en hij kon weer zien.
Het zijn de handen die het dochtertje van Jaïrus bij de hand greep
En zei: ‘Meisje, sta op!’
Met deze handen trok Hij Petrus uit het water, toen Petrus wegzonk
en dreigde te verdrinken.
Wat hebben deze handen voor verkeerds gedaan, dat ze nu vastgebonden moeten worden?
En als je verder nadenkt over deze handen,
De handen van Christus, die zo zegt het Nieuwe Testament, betrokken is
bij de schepping van deze wereld.
Het zijn de handen van deze Christus – al was Hij toen nog geen mens –
die de wereld mede hebben geschapen.
Die ons het leven hebben gegeven en ons in deze handen draagt.
Ze worden gebonden, terwijl ze onschuldig zijn.
Hij die de Heer is, mens geworden om ons te dienen,
die hetzelfde werd als ons – alleen dan geen zonde,
dan gebonden – alsof Hij de grootste misdadiger is,
een gevaarlijke crimineel die je niet zomaar vrij kunt laten rondlopen.
Tot de misdadigers gerekend – Hij die gekomen is om de wereld van de zonde te redden.

Waarom maakte Jezus zich niet los, zoals Simson dat wel deed?
Je kent vast het verhaal van Simson wel, Simson die zijn kracht van de Heere kreeg.
Hij kwam steeds bij Delila en die vroeg hem hoe Simson aan zijn kracht kwam.
Simson zei toen: als je mij vastbindt, dan kan ik niets meer.
Maar nadat Delila hem gebonden had, sprong hij op en scheurde hij de touwen af.
Zou de Heere Jezus dan zelf niet de macht hebben,
om de boeien los te maken, om deze touwen te verbinden?
Is dat nu de Zoon van God?
Bij het kruis zullen degenen die er bij staan spottend roepen: ‘Anderen heeft Hij verlost,
maar Zichzelf redden dat kan Hij niet!’
Moet je Hem daar zo zien, zo machteloos, niet meer vrij, maar vastgebonden.
We zongen het: is dit nu de koning waar iedereen zo naar heeft uitgekeken?
Waar de voorvaderen uit het Oude Testament naar hebben uitgekeken?
Als je Jezus zo ziet, zou je dat niet meer kunnen geloven,
Dat Hij Gods Zoon was, de koning die het kwaad en de duivel zou overwinnen.
Waar is dan Zijn almacht nu? Waar is Zijn goddelijke glans?
Daar is nu niets meer van over, maar zonder macht, hulpeloos,
Vastgebonden als een lam, die meegenomen wordt om geslacht te worden.
Waarom deed Hij dat? Waarom liet de Heere Jezus zich vastbinden?

Dat deed Hij voor ons, voor jou, voor mij.
Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken. (Avondmaalsformulier)
Afgelopen week was er in Frankrijk een gijzeling.
Er was iemand die een gevaarlijke terrorist uit de gevangenis wilde krijgen.
Hij ging een winkel binnen, nam een aantal mensen gevangen, in gijzeling
en zei: Ik laat hen pas gaan, als die man die in de gevangenis vast zit vrij wordt.
En zo niet, dan dood ik de mensen die ik hier gevangen genomen heb.
Er was een politieagent, die tegen de man die de mensen gijzelde zei:
Laat mij ruilen.
De agent ruilde zichzelf en een vrouw die gevangen was, mocht de winkel verlaten.
Ze was vrij, ze was gered.
Die agent werd nog diezelfde dag gedood.
Omdat die agent ruilde, daarom kon die vrouw gaan.
Het kostte die agent zijn leven en de vrouw was gered.
Het lijkt wat op wat met de Heere Jezus gebeurde:
Als je Mij nu vastbindt, mag iedereen die in Mij gelooft vrij.
Ik neem de plaats in van al die anderen, al moet Ik daarvoor de dood ingaan.
Ik ruil, zegt Jezus – een ruil die voor de Heere Jezus niet goed uitpakte:
Hij werd gevangen, Hij die over alles en iedereen de macht heeft, liet zich binden,
Hij die nooit iets fout gedaan had, zei: reken het Mij maar aan.
Het waren niet alleen de Schriftgeleerden en de priesters die Jezus vastbonden.
Was het God de Vader zelf niet?
Net zoals Abraham zijn zoon Izaäk moest vastbinden,
zo bond de Vader Zijn Zoon Jezus, nu om geboeid naar Pilatus te gaan
En straks vastgebonden, vastgespijkerd aan het kruis.
Bij Izaäk was er iets anders dat de plek innam: er was een ram,
Waardoor Izaäk mocht blijven leven, de ram met de horens in de struiken werd gedood.

In de verhalen van de Heere Jezus zien we wat er eigenlijk met ons had moeten gebeuren,
Wat God met ons zou moeten doen.
Daarom: elke zonde, elke keer als wij iets verkeerds doen,
trekken wij het touw om de polsen van Jezus strakker
en zorgen wij ervoor dat Jezus steviger aan het kruis komt te zitten,
de spijkers dieper in Zijn handen.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Waar moeten wij van losgemaakt worden?
Waar moet jij van losgemaakt worden? En ik?
Wat houdt ons gevangen? Wat houdt jou gevangen en mij?
Misschien vind je het wel raar om te horen, dat jij gevangen kunt zitten,
want je kunt je vrij bewegen.
Je zit niet achter tralies, je bent niet vastgebonden.
En toch … in de Bijbel lezen we dat wij – als God ons niet bevrijdt – vast zitten.
We noemen dat de zonde
en zonde is dat wij uit onszelf niet naar God toe kunnen
en dat wij niet willen dat God in ons leven de baas is.
Dat we bij God vandaan gegaan zijn en niet zomaar terug kunnen.
Omdat we steeds de neiging hebben om tegen God te kiezen, of dat ook doen,
omdat we lang niet altijd naar Hem willen luisteren,
kunnen wij God ook niet dienen, zijn we niet vrij om naar Hem toe te gaan.
Zitten we vast in de macht van de zonde, van de duivel.
En dat is onze eigen keuze geweest.

Je kunt dat vergelijken met iemand die verkeerde vrienden heeft.
Je hoeft niet voor die vrienden te kiezen, maar je doet het toch.
Omdat het stoer is, wellicht
en eerst denk je: het kan geen kwaad.
Al waarschuwen je ouders je en zeggen ze: niet doen, zoek andere vrienden! Niet hen!
Maar ze nemen je mee als ze een winkel overvallen, ze vragen je van je ouders te stelen.
Je kiest voor die vrienden en je weet dat wat ze doen niet goed is
en toch doe je mee en ga je mee op het verkeerde pad.
Dan kun je niet zomaar thuiskomen.
Er moet eerst weer wat gebeuren: je moet los komen van die verkeerde vrienden.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Jezus liet zich vastbinden, zodat wij, dat jij, ik, los kunnen komen
van de zonde, van de duivel – redding noemt de Bijbel dat
en Jezus zegt zelf: de schuld die er is, die draag Ik.
Daarom laat Ik mij vastbinden – alsof Ik die misdadiger ben,
alsof Ik zelf al die zonden heb begaan, alsof Ik verantwoordelijk ben.
Reken het Mij aan, Vader en niet hen.
Laten we ruilen: Ik draag hun schuld en zij mogen vrij zijn, bevrijd
Zij mogen weer bij U horen, zij mogen U, Vader, weer dienen,
omdat Ik Mij liet vastmaken.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij jóu zou losmaken.
Geloof je dat? Dan mag je naar Hem kijken
en doet het misschien wel zeer, dat Hij vastgemaakt moest worden,
maar mag je dankbaar zijn, blij dat Hij zich liet vastbinden,
want daardoor kun jij vrij komen, mag jij bij God horen.
Het is een geschenk van God aan jou
en je hoeft er niets voor te betalen,
dan alleen te zeggen: Ik neem het aan, dankuwel.
dan alleen te zeggen: Als ik vrij ben, is mijn leven voortaan van U.
Genade – geschenk, omdat Jezus de prijs betaalde, met Zijn eigen leven.

Ja, Ik dank U voor Uw genade, o Heer,
dat U het kruis voor ons droeg.
U bewijst uw genade aan ons telkens weer.
Uw genade is ons genoeg.
Amen