Preek zondag 10 maart 2019

Preek zondag 10 maart 2019
Mattheüs 13:24-43

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op zondagavond deden wij vroeger vaak spelletjes, zoals ezelen.
Dat spel speel je met kwartetkaarten, met 4 kaarten in de hand,
waarbij je om beurten een kaart doorgeeft.
Het was de bedoeling dat je dan een compleet kwartet bij elkaar kreeg.
Als je een compleet kwartet had, legde je de kaarten neer op tafel,
waarbij de anderen ook hun kaarten neer moesten leggen.
Wie als laatste de kaarten neerlegde kreeg een strafpunt.
We speelden een aantal ronden, waarbij het de bedoeling was
dat je zo min mogelijk strafpunten kreeg.  
Als mijn vader meedeed, wist je dat je goed moest opletten.
Als hij zijn kaarten compleet had, begon hij een verhaal te vertellen,
waardoor je afgeleid werd en niet meer met het spel bezig was,
maar bezig was met wat hij vertelde.
Dat was zijn tactiek om steeds te winnen en vooral om anderen strafpunten aan te smeren.
Er waren er die daar niet goed tegen konden.
Het is niet tegen de regels.
Je zou kunnen zeggen dat hij precies begreep hoe het spel werkt:
hoe je moet winnen en hoe je anderen strafpunten kunt bezorgen.

In de echte wereld zijn er ook mensen die weten hoe het spel werkt.
Ik heb altijd bewondering voor zulke mensen.
Iemand die in een klas de boel op stelten kan zetten
en net op tijd weet op te houden om geen straf te krijgen.
Of iemand die heel slim is in het zaken doen:
een handeltje weet op te zetten of geld weet te verdienen waar anderen niet zakelijk zijn.

In de echte wereld zijn ook mensen die verder gaan,
die zich niet aan de regels van het spel houden,
maar bewust vals spelen ten koste van anderen, om er zelf van te profiteren.
Een directeur van een goededoelenorganisatie, die geld uit de kas neemt,
Of een politieman die informatie doorgeeft aan een criminele organisatie.
iemand die drugs aan scholieren verkoopt om hen verslaafd te maken.
Iemand die bij een oudere aanbelt en vraagt om de pinpas mee te mogen krijgen
en vervolgens groot bedrag pint en de pinpas niet meer terugbrengt.
Dat zijn mensen die weten hoe het werkt, maar daar misbruik van maken
en profiteren van anderen – om er zelf beter van te worden.
Ik denk dat er maar weinig mensen zijn, die hier respect voor kunnen opbrengen.
Je wordt daar eerder boos om.
Je werkt zelf hard en op een eerlijke manier, voor een gewoon salaris
en dan hoor je over iemand op een oneerlijke manier aan veel geld kan komen
en zich van alles kan permitteren, waar jij alleen maar van kunt dromen.
Dat is ook onze wereld en zo zal onze wereld ook blijven,
met mensen die op deze manier valsspelen en alleen aan zichzelf denken.
Je kunt regels bedenken, maatregelen bedenken,
maar zulke mensen blijf je houden, die ook dan die regels weten te ontduiken
en aan controle weten te ontkomen.

Je zou willen dat er iemand is die zulke mensen weet te doorzien
en ze weet tegen te houden
of als ze hun slag slaan dat er iemand is die hen aanpakt en hen uitschakelt
en als ze schade hebben berokkent ervoor zorgt dat ze hun straf niet ontlopen.
In de tijd van Jezus keken ze naar Iemand die op deze manier orde op zaken zou stellen
en dat zou doen in naam van God
of God zelf die zou verschijnen in een mensengestalte: de Zoon des mensen.
om recht te brengen, om corrupte en oneerlijke mensen aan te pakken,
mensen die hun macht misbruiken voor eigen gewin zou ontslaan,
priesters die hun positie in de tempel misbruikten om er zelf beter van te worden
zou wegsturen,
zodat het er in de tempel en bij de overheid alleen maar integere mensen zouden werken
betrouwbaar, bewogen en mild voor de gewone mensen, streng voor oneerlijke mensen.
De Zoon des mensen zal als een rechter optreden.
Iedereen in Israël en ook buiten Israël zal voor de Zoon des mensen moeten verschijnen
en Hij zal weten wat iedereen heeft gedaan, ook in het verborgen.
Hij zal zelfs in het hart van mensen kunnen kijken.
Niemand zal zijn listig optreden nog kunnen verdoezelen,
niet door mooie verhalen, zelfs niet door vrome praatjes.
Iedereen die hier de dans wist te ontspringen, omdat hij wist hoe het werkt,
zal niet kunnen ontkomen aan de Zoon des mensen.
God zelf zou deze Zoon des mensen sturen en als Zijn werk klaar is,
zou God zelf komen om bij de mensen te wonen.
Voor de mensen die met oneerlijkheid en corruptie te maken hadden en daar aan leden
gaf de komst van de Zoon des mensen hoop: de wereld zou eindelijk eerlijk worden.
Jezus vertelde voortdurend over de Zoon des mensen
en deed dat op zo’n manier dat je kon opmaken dat Hij zelf die Zoon des mensen was.
Jezus is gekomen om orde op zaken te stellen
en de wereld eindelijk eerlijk en rechtvaardig te maken, gereed om God te ontvangen.
De verwachtingen raakten hooggespannen: nu gaat het gebeuren!
Eindelijk recht en gerechtigheid, een rechtvaardige wereld, zonder corruptie en eigenbelang
waarin eerlijke mensen niet meer de dupe kunnen zijn van de slechtheid van anderen.

Alleen … er gebeurt niets.
Ja, Jezus preekt, geneest, trekt rond, maakt mensen beter.
Best bijzonder allemaal en ze kunnen er op hun beurt blij van worden,
maar het is niet wat ze verwacht hadden van de komst van de Zoon des mensen.
Het is de vraag die Johannes de Doper bezighield, toen hij zelf in de gevangenis zat,
omdat hij Herodes had aangesproken op de relatie die hij had met zijn schoonzus.
Johannes had hem daar op aangesproken:
Dat je de baas bent in de land, betekent nog niet dat je je eigen gang kon gaan
en dat je maar kon doen wat je zelf wilde
en zeker niet als je de leider bent van Israël, het volk van God,
waarbij elke leider het volk moest voorleven volgens Gods richtlijnen,
zodat de gewone mensen daar ook naar gingen leven.
Johannes kon Herodes alleen maar aanklagen, veroordelen om zijn daad.
Ondertussen keek hij uit naar Jezus, die Herodes echt kon aanpakken,
de Zoon des mensen, die het als het om Herodes ging niet alleen bij woorden liet.
Als Johannes over Jezus hoort, gaat hij echter twijfelen.
Is Jezus wel de Zoon des mensen? Is Hij wel door God gestuurd om recht te spreken,
om in Jeruzalem als rechter op te treden, schoon schip te maken?
Bent U het of moeten we nog uitkijken naar iemand anders?

Het is ook een vraag die vandaag de dag kan bovenkomen
als je weer een verhaal hoort over mensen alleen maar aan zichzelf denken,
of als je er zelf mee te maken hebt gehad:
Waarom doet God er niet iets aan? Waarom blijft de wereld hetzelfde?
Waarom laat Hij mensen die zichzelf verrijken ten koste van anderen maar doorgaan?
Waarom is er nog steeds zoveel mis in deze wereld, ook al is Jezus gekomen?
We geloven toch toch dat er toen Jezus stierf aan het kruis en opstond uit de dood
iets beslissends is veranderd in deze wereld?
Waarom merken we dat niet en is deze wereld net zo oneerlijk als daarvoor?

Om een antwoord te geven op die vraag, vertelt Jezus een verhaal,
Een verhaal uit het dagelijks leven, waarin een overeenkomst zit met wat Jezus kwam doen,
met het Koninkrijk van God dat Hij op aarde kwam brengen.
We noemen die verhalen ook wel gelijkenissen:
Er is een gelijkenis, een overeenkomst in het verhaal met wat Christus kwam doen op aarde.
Een gelijkenis uit het dagelijks leven, herkenbaar voor de mensen,
waarin iets geks gebeurt, iets wat niet logisch is en daarin zit juist de boodschap.

Het is het verhaal van een rijke boer, die zijn land inzaait.

Het zaad komt van de vorige oogst of heeft hij gekocht.
Hij heeft er op gelet dat het zaad van goede kwaliteit is.
Zijn akker wordt ingezaaid en de boer kan dan wachten tot het graan opkomt.
Als na enige tijd het gewas opkomt, zien de knechten van deze man iets vreemds.
Het is niet alleen het zaad dat er gestrooid is dat opkomt.
Er komt ook een ander gewas op, dat ze niet hebben gezaaid:
de verschrikking van elke boer, want dat onkruid lijkt in het begin sterk op het graan,
maar de korrels van het onkruid zijn gevaarlijk om te eten, omdat ze giftig zijn.
Onkruid in een grotere hoeveelheid dan ze gewend zijn, een echte plaag.
Hoe kan dat nu zo zijn? vragen de knechten zich verbijsterd af.
Was het zaad dat ze ingezaaid hadden dan toch van slechte kwaliteit?
Zat er dan toch in de partij die ze kochten of gekweekt hadden een deel van dat onkruid?
Ze willen gelijk aan de slag, want dit onkruid kan de rest van de oogst aantasten,
kan het goede graan overwoekeren, ontneemt voedingsstoffen uit de bodem.
Het zal een heel karwei zijn om de akker schoon te krijgen, nog iets van de oogst te redden.
Dan komt het onverwachte in het verhaal van Jezus,
waarbij de luisteraars gedacht zullen hebben, dat Jezus van veel dingen verstand heeft,
maar niet van het boerenleven.
‘Laat het onkruid staan. Pas met de oogst zal het onkruid weggehaald mogen worden.’
De boer geeft zijn knechten de reden waarom ze het niet mogen doen:
Als je het onkruid wegschoffelt, trek je al gauw ook het goede gewas uit.
De toehoorders zullen met hun hoofd geschud hebben:
Dat is het risico van boer-zijn: je bent altijd iets van het goede gewas kwijt,
maar dat is altijd beter dan dat je hele oogst verloren zou kunnen gaan,
een risico dat zeker aanwezig is als je niets doet.

Jezus vertelt het zijn leerlingen
en zijn leerlingen voelen aan dat er een belangrijke boodschap in deze gelijkenis zit,
maar ze krijgen de betekenis niet helder.
Ze praten met elkaar erover wat de bedoeling is van dit verhaal van Jezus,
maar ze komen er niet uit. Het blijft voor hen gissen naar de juiste uitleg.
Ze kloppen daarom bij Jezus aan: Wilt u ons die gelijkenis uitleggen?
Wat bedoelde U daar eigenlijk mee?
Dan legt Jezus het verhaal uit:
De akker is de wereld, onze wereld waarin wij leven.
Het is dus niet alleen de kerk, maar onze hele wereld.
Het begon goed: er werd goed zaad gezaaid en je zou een mooie oogst kunnen verwachten.
Het begon zo mooi met de mensen: een ideale wereld,
een wereld waarin God bij de mensen was, waarin niemand tekort kwam of achterop raakte,
niemand buitengesloten werd, niemand aan zichzelf dacht, of leefde ten koste van anderen.
Hoe mooi had de wereld kunnen zijn als het zo gebleven was.
Soms kun je nog even een glimp opvangen van die mooie wereld,
als je onderdeel bent van een fijn gezin, een hechte familie,
als er mensen zijn die met je meeleven, een kaartje sturen of bellen
even bij je naar binnen lopen en wat voor je doen,
Die vragen hoe het gaat, die zeggen dat ze voor je bidden en dat ook doen.
Je zou willen dat de hele wereld zou was, maar je weet beter.
Soms kun je door één gebeurtenis er weer achter komen dat je niet in de ideale wereld bent.
Als er iemand geld steelt, of iemand een ander het leven zuur maakt.
Onkruid dat gezaaid is en dat om je heen opgroeit, je vergroeit er zelfs mee.
Het wordt onderdeel van jouw leven.

En toch is het enige dat God er aan doet: laat het staan. Haal het nog niet weg.
Want dan gaan de goeden onder de slechten lijden.
Het uitstel van die hemelse rechter, van het vonnis van de Zoon des mensen
heeft verschillende kanten:
Het heeft iets gedurfds – de oogst kan mislukken.
Het onkruid, de slechtheid van mensen kan zo sterk aanwezig worden
dat degenen die wel eerlijk willen leven, willen leven volgens Gods geboden,
er aan onderdoor kunnen gaan.
Het is niet makkelijk om als gelovige integer te zijn
als je om je heen zoveel oneerlijkheid merkt.
Het kan je de adem benemen, als goed graan dat verstikt tussen het onkruid,
niet tot eer van God kan groeien.
Het heeft iets barmhartigs: God wil niet dat de goeden eronder lijden.
Als de Zoon des mensen nu orde op zaken moet stellen,
kunnen degenen die goed leven, God trouw zijn, eerlijk willen zijn in deze wereld
er net zo goed op een verkeerde manier getroffen worden.
Wij zouden misschien de afweging maken: Liever wat goeden opofferen,
om te voorkomen dat het kwaad buiten de perken gaat en niet meer te houden is,
de hele akker, onze hele wereld infecteert – het duurt jaren om onkruid echt weg te krijgen.
Maar dat past niet bij Gods karakter – God zou oneerlijk worden.
En dat heeft te maken met het derde (naast het gedurfde en het barmhartige):
Het is ook confronterend – want wie zegt niet dat wij, dat u, dat jij, dat ik dat onkruid ben(t)?
Wie zegt dat wij aan de goede kant staan?
Het evangelie is aan de ene kant altijd bedoeld als troost, als houvast.
en het houvast is dat God weet wat Hij doet, weet wat Hij aan moet met het onkruid
en dat we mogen geloven dat het eens gedaan is met het kwade in deze wereld
en de mensen die oneerlijk zijn hun vonnis niet zullen ontlopen.
Maar het evangelie heeft ook altijd iets confronterends, waarbij we onszelf moeten nagaan:
Ben ik het waar Jezus het over heeft?
Deze gelijkenis is aan de ene kant bedoeld om ons moed te geven
als je niet opgewassen bent tegen de oneerlijkheid om je heen
en als je de druk of de verleiding voelt om overstag te gaan.
De gelijkenis is aan de andere kant bedoeld om tot inkeer te komen:
Kunnen wij wel voor de Zoon des mensen bestaan?

De boer wacht tot de oogst – beeld van het laatste oordeel.
Wat Jezus hier niet in de gelijkenis verteld, maar wat de discipelen wel zullen meemaken
is dat voor de oogst er zal zijn eerst iets anders gebeurt.
Voor de Zoon des mensen op de stoel van de rechter gaat zitten en iedereen zal oordelen
zal de Zoon des mensen een andere weg gaan,
zelf met de oneerlijkheid te maken krijgen,
met mensen die denken dat ze integer zijn en denken in naam van God te handelen,
en toch een groot onrecht begaan door Jezus naar het kruis te brengen.
De Zoon des mensen, die hier als boer getoond wordt die zaait
en die over de akker kijkt, waarin zoveel onkruid staat, zegt wacht maar.
Maar voor het zover is, dat de maaiers komen, zegt: Ik neem de verantwoordelijkheid.
De oneerlijkheid, de zonde, het onrecht, het vonnis neem ik op mij,
mee naar het kruis. Voordat jij het vonnis krijgt uitgesproken, heb ik dat al gedragen,
weggedragen, zodat je als het goede graan binnengedragen kunt worden,
in Gods koninkrijk, het hemels Vaderhuis.
Het uitstel is genade – tijd van genade. Laat wie oren heeft het oren! Amen




Preek zondag 3 maart 2019

Preek zondag 3 maart 2019 (1e lijdenszondag)
Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3a, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de bergen woont een man.
Hij is daar niet vrijwillig heen gegaan; hij moest.
Het begon met een kleine plek op zijn huid.
Eerst probeerde hij die plek nog voor anderen te verbergen,
maar de plek op zijn huid groeide over zijn hele lichaam
en hij kon niet meer voor anderen verbergen dat hij een huidziekte had.
Hij kon merken dat anderen ook konden zien, dat er iets met hem aan de hand was.
Ze deden een stap achteruit als hij in de buurt kwam en hij merkte dat ze hem nastaarden.
Hij voelde dat er over hem gesproken was.
Op een keer komt een van de belangrijkste mensen van het dorp bij hem langs
met een boodschap: ‘Zo kan het niet langer.
We willen dat je naar Jeruzalem gaat, naar de priester, om na te gaan
of je inderdaad met huidvraat besmet bent.’
De man op bezoek aarzelt even en zegt dan: ‘Je weet wat de gevolgen zijn als je dat hebt.’
De volgende dag gaat de man naar Jeruzalem.
Voor het antwoord hoeft hij niet te gaan, want hij weet zelf al welk antwoord hij krijgt.
Er zal een priester naar zijn huid kijken en zien zijn huid ook ander zijn vel is aangetast.
De priester zal bevestigen wat de dorpsoudste wist en hijzelf ook: je bent onrein.
Het zal wel uitmaken, hoe de priester dat oordeel zal uitspreken.
Welke toon hij gebruikt en hoe hij kijkt.
Zal er mededogen in zijn ogen te lezen zijn, compassie in de stem te horen zijn?
Zal de priester onverschillig en onbewogen zijn als hij zijn conclusie trekt,
omdat hij het zoveelste geval van huidvraat is, dat de priester te zien krijgt?
Als de man weken later, waarin hij allerlei testen moest ondergaan, thuiskomt uit Jeruzalem
wil de dorpsoudste weten wat het oordeel van de priester is.
Zwijgend overhandigd de man het officiële papier dat de priester heeft meegegeven.
Hij heeft al vaak nagedacht hoe dat verder zou moeten gaan als hij in Jeruzalem is geweest.
Nu is het zover.
Hij zal zijn vrouw en kinderen achter moeten laten en het dorp verlaten moeten
en gaan verblijven waar hij niemand tegen kan komen, die hij kan besmetten.
Afgezonderd ook van God, want hij mag niet meer in de tempel komen
of een eredienst in de synagoge bijwonen.
‘Je weet wat je te doen staat,’ zegt de dorpsoudste
en de man maakt zich klaar om het dorp voorgoed te gaan verlaten
en te gaan wonen in de bergen, waar hij niemand tegenkomen.
Als de man het dorp verlaat, komt er opeens een sterke emotie uit hem los.

De man schreeuwt het uit: ‘Ik ben niet de enige die ziek is.
Jullie ook, wij allemaal, we zijn allemaal ziek.
Als mijn ziekte iets laat zien, is dat we allemaal onrein zijn,
jullie net zo goed al is er bij jullie niets van te zien.’
Voortaan leeft deze man in de bergen, zonder dat iemand in zijn directe nabijheid komt.
Dan gebeurt er op een dag iets in de bergen waar hij in afzondering woont.
Een grote groep mensen trekt de bergen in en ze gaan allemaal zitten om één man heen.
Van een afstand ziet hij de mensen geboeid luisteren naar die ene man.
Over die man gaan geruchten rond: dat hij mensen geneest en rondtrekt door Galilea.
Alle aanwezigen gaan in zijn verhalen op.
Jezus – Zijn naam betekent Redder – is hier gekomen in zijn gebied,
waar anders niemand durft te komen, omdat de mensen bang zijn ook onrein te worden.
Hij hoort flarden van de toespraak van Jezus.
Over armen van Geest – mensen die niets in te brengen hebben
en de man herinnert zich maar al te goed hoe hij niets had in te brengen.
toen hij door de dorpsoudste uit het dorp werd verbannen omdat hij onrein was.
Zalig de armen van Geest, de mensen die niets in te brengen hebben.
Je zou denken dat ze het slecht getroffen hebben, maar voor hen is Gods koninkrijk.
Hij hoort hoe Jezus spreekt over het hart van de mens, dat besmet kan zijn door zonde
en de man beseft dat zijn aangevreten huid laat zien dat heel Israël is aangevreten
door de zonde en zonder dat men het wil zien net zo goed onrein is, net als hij.
Dan hoort hij de Man spreken over bidden:
Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.
Er begint bij de man die verbannen is door zijn ziekte een verlangen te groeien:
Als ik zou vragen, dan wordt het mij gegeven. Als ik zoek zal ik vinden.
Als ik bij Jezus aanklop, zal hij voor mij opendoen.
Dat verlangen wordt bevestigd als Jezus klaar is met spreken, opstaat en weer onderweg gaat.
Jezus daalt af de berg naar beneden en loopt zijn wereld in,
Waar hij de verbannene om zijn onreinheid woont.
Jezus lijkt wel een herder die op zoek is naar een schaap dat verloren is geraakt.
Jezus lijkt wel een koning die zegt: Ik wil weten wat er omgaat bij mij dienaren
En niet alleen bij degenen die het goed hebben en hun leven op orde hebben,
maar degenen die er maar bij hangen, er niet bij horen, degenen die verbannen zijn,
want Ik ben ook hun koning.
Als Jezus naar beneden afdaalt, begeeft Hij zich op gevaarlijk terrein.
Jezus gaat naar de heggen en steggen, zoals Hij dat later zal zeggen,
naar het buitengebied waar de mensen wonen die niet vol meetellen, de uitgestotenen.

Vastberaden – Hij moest door dit gebied gaan.

De menigte gaat mee, die zoveel van Jezus’ woorden heeft gehoord,
De mensen die onder de indruk zijn van het spreken van Jezus:
Meer dan woorden van mensen alleen – God zelf sprak tot hen,
Bemoedigde hen, tilde hen boven alles uit, maar sprak hen ook confronterend toe,
plaatste hen voor God – hoe zit het met je hart, vanbinnen?
Dan ziet de menigte een man op Jezus afkomen
en ze deinzen allemaal achteruit, omdat ze zien dat deze man hier hoort
in dit gebied en niet tussen hen, een stap achteruit om zelf niet onrein te worden.
Hoe kijken al die mensen naar hem, die man die ziek is en onrein?
Zouden ze er iets van zichzelf in herkennen, van hoe het met henzelf is?
Dan komt die man aarzelend op Jezus af – en je merkt aarzeling bij de man.
Kan hij wel op Jezus afkomen? Zal Jezus hem niet wegsturen? Heeft hij het goed gehoord?
De man knielt voor Jezus neer: ‘U kunt mij reinigen. U bent daartoe in staat.
Maar ik weet niet of U wilt. Als U niet wilt, dan begrijp ik dat goed.’

De reactie van Jezus is eenvoudig, maar wel diep.
Een enkel woord: ‘Ik wil.’ En een gebaar: Jezus raakt de man aan.
Dat is een gebaar van tederheid, van barmhartigheid. Jij bent er ook één van mij.
Jij hoort er ook bij – ondanks al je onreinheid die je door je ziekte meedraagt.
Het gebaar van Jezus is veelzeggend: het is niet alleen een omarming.
Het is een gebaar, waarmee Jezus zegt: Ik neem jouw last op mij.
Jouw ziekte, jouw onreinheid, ze zijn niet meer van jou
En ze nemen niet meer een plek in jouw leven in, maar Ik neem dat op Mij,
Ik draag dat weg.
Jouw lijden is voorbij en dat is nu Mijn lijden geworden.
Inderdaad, je klopt bij Mij aan en Ik laat geen bidder staan.

Hier gebeurt een wonder – en dat wonder is niet alleen dat de man beter wordt
en daardoor weer terug kan keren naar huis.
In het gebaar dat Jezus maakt, door de man aan te raken, zegt Jezus:
Geef je last maar aan Mij: je ziekte, maar ook je onreinheid.
Het gebaar is er niet alleen voor de man, die bevestigd ziet,
Dat Hij er weer mag bij horen en dat dit voor iedereen zichtbaar geworden is.
Mattheüs geeft aan, wat er gebeurt, als Jezus zegt: Ik wil, als Jezus de man aanraakt:
Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen
Bijzonder aan wat Mattheüs hier doet, is dat hij zegt:
Jezus heeft onze zwakheden en ziekten op Zich genomen,
niet alleen van de man, die daar in de woestenij moest leven,
maar eveneens die van ons, van u en jou en mij: uw zwakheden en jouw ziekten.
Dat Mattheüs hier een vervulling ziet van de oude profetie van Jesaja,
zorgt in de uitleg wel voor een raadsel: Hoe kan Mattheüs hier nu een vervulling in zien?
Jezus is toch zelf niet ziek geworden? Hij maakt alleen maar mensen beter.
Hij begeeft zich wel onder zieken, raakt hen aan, maar blijft verder gezond.
Maar ik denk dat we hier dieper moeten kijken
en dat de zieken iets laten zien van hoe Israël voorstond in de tijd dat Jezus kwam.
De melaatse man hield de menigte een spiegel voor:
Met mijn ziekte laat ik zien, hoe jullie allemaal onrein zijn, niet zichtbaar, maar vanbinnen.
Alleen omdat het niet zichtbaar is, kunnen jullie dat nog uit de weg gaan.
Jullie zijn als de schoonmoeder van Petrus die haar vrijheid kwijt was
En op bed gebonden lag, doordat ze ziek geworden was.
Zo is Israël haar vrijheid kwijt en gebonden en heeft ze de bevrijdende macht nodig
die Jezus is en Jezus komt brengen.

Als de man met zijn huidziekte Israël een spiegel voorhoudt met zijn ziekte
– als het klopt, dat hij niet de enige die ziek is, maar het hele volk ziek is,
Al was dat niet zichtbaar en dat zij – net als hem – onrein zijn, al is dat innerlijk,
zodat ons ook iets te zeggen hebben?
Ik denk aan wat er aan het begin van het doopformulier wordt gezegd:

Door de ondergang in en besprenkeling met water
wordt aan ons de onreinheid van onze ziel aangewezen.
Dat geeft allereerst aan, dat we niet naar de buitenkant van iemand moeten kijken.
Voor de man was zijn buitenkant, zijn huid een reden om weggestuurd te worden.
De doop geeft aan, dat bij ons het van binnen zit, in ons hart.
Onreinheid geeft aan: zo, op deze manier kunnen we niet voor God verschijnen.
Als er niets met ons gebeurt, kunnen wij niet het Koninkrijk van God binnengaan.
Er moet wat met ons allemaal gebeuren, willen wij de hemel binnengaan.
Onreinheid hoeft niet persé zonde te zijn,
hoewel het formulier van de doop wel aangeeft dat de zonde de oorzaak is
van het onrein zijn van ons, niet alleen van dat kind dat gedoopt wordt, maar wij allemaal.
Onreinheid geeft aan, dat je niet bij God in Zijn nabijheid mag komen.
Het is vergelijkbaar met iemand die opgenomen moet worden in het ziekenhuis,
maar omdat de patiënt een bacterie onder de leden heeft,
moet hij of zij eerst op een aparte afdeling liggen,
om te voorkomen dat de bacterie zich over het hele ziekenhuis verspreidt.
Daarom moest de man, die de huidziekte had, in afzondering verblijven
en mocht hij pas weer naar huis als zijn huid helemaal gereinigd was.
Wij kunnen alleen bij God komen als onze onreinheid wordt gereinigd.

De man had er vast moed voor nodig om naar Jezus toe te gaan.
De blikken van de mensen in de massa, die hem aankeken, geschrokken, bang.
En in hemzelf wellicht het gevoel van schaamte,
omdat hij door zijn ziekte nergens meer bij hoorde, onrein was.

Dan zegt Jezus tegen de man, die met zijn huidziekte bij Jezus aanklopt
en eigenlijk helemaal niet bij Jezus mag komen,
maar aanvoelde, wist dat Jezus een bidder niet laat staan.
Dan zegt Jezus: Ik wil, word gereinigd.
Hij zegt dat ook tegen ons: Ik wil, word gereinigd.
onze zwakheden heeft Hij op zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.
Als Jezus dat zegt: Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat niet alleen tegen die man, maar ook tegen de menigte die toekijkt
En tegen ons, die het verhaal horen, en voor ons zien.
En al durven wij misschien niet te komen, omdat we beseffen dat we zo niet kunnen komen,
voelen we dat ons hart ons aanklaagt, omdat we zo niet voor God kunnen bestaan,
dan spreidt Jezus de armen uit en zegt: kom maar,
want Ik kwam juist, hier op deze aarde, Ik daalde de berg af om onder jullie te zijn.
Ik wilde niet alleen onder ogen zien, hoe jullie er aan toe zijn,
maar Ik wilde er ook iets aan doen.
Ik wil, word gereinigd.
Als Mattheüs aangeeft, dat hier Jesaja 53 wordt vervuld,
krijgt het gebeuren een nog diepere betekenis dan genezing alleen.
Hier tekent Mattheüs een lijn naar het kruis op Golgotha.
Als Jezus dat zegt: Ja, Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat ook tegen de Vader in de hemel, Die Hem naar de aarde zond
met het doel om die onreinheid te dragen, weg te dragen op Golgotha.
Ja, Ik wil. Ik ben bereid om naar het kruis te gaan.
Dat is Mijn wil, Mijn doel.
Jezus weet, wat dat betekent: Inderdaad genezing voor deze man.
Genezing voor iemand met huidvraat is als opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden,
wedergeboren, thuisgebracht, weer terug bij God.
Dat is de ene kant.
Er is ook een andere kant, die Jezus maar al te goed beseft
En waar Hij niet voor terugdeinst,
dat meeklinkt als Jezus zegt: Ik wil en dat zichtbaar wordt als Jezus Zijn arm uitstrekt
en deze man, die bij Hem komt, aanraakt.
Het kruis. Ja, Ik wil.
Voor Hemzelf zal het een weg van lijden zijn: onze zwakheden, onze ziekten.
Hij neemt dat op Zich, zodat wij die last niet meer hoeven te dragen.
Jezus blijft niet op een berg, ver verheven boven onze sores en onze ellende.
Zoals Hij niet in de hemel bleef, onbewogen voor wat er met ons was misgegaan.
Hij zei: Ik ben bereid om te komen, om in jullie plaats te gaan.
we hebben een God, die niet terugdeinst voor ons, niet een stap terug doet,
maar die bereid is om Zijn eigen heiligheid op te geven om ons weer heilig te maken.
Die als wij onrein zijn en niet bij Hem kunnen zijn, er een afstand hoort te zijn,
zelf de afstand overbrugt en aan onze kant komt, in onze wereld,
zelf bereid is om een verschoppeling te worden, verbannen te worden,
aan het kruis, buiten Jeruzalem.
Zoek en je zult vinden, klopt en er zal opengedaan worden.
Laat schaamte je niet tegenhouden en zie dat Jezus juist ook in jouw wereld gekomen is
En Zijn hand naar je uitstrekt: Ja ik wil, word gereinigd.
Amen.

Preek 24 februari 2019

Preek 24 februari 2019 |(Vorchten, Werkhoven)
Schriftlezing: Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Let niet op de rommel’, wordt er gezegd als je onverwacht op bezoek komt.
Ze zijn wel blij met je bezoek, maar er klinkt ook een licht verwijt in door:
Had even laten weten dat je komt, dan hadden we alles kunnen opruimen,
zodat je in een schoon en opgeruimd huis komt.

‘Let niet op de rommel’, hadden ze vast in de menigte gedacht,
toen Jezus de berg afdaalde.
Ze waren met Jezus op de berg geweest en waren onder de indruk van Zijn woorden.
Wat Jezus zei, waren meer dan gewone mensen woorden, woorden van God zelf
En op de berg hadden ze het gevoel dat ze zo heel dicht bij God waren,
Even boven hun alledaagse beslommeringen uitgetild,
woorden die hen getroost hadden, maar ook diep hadden geraakt en aangesproken,
confronterend, maar dan juist op een heilzame manier,
Waardoor ze zich opgescherpt voelden in hun relatie met de Heere.
Dat zouden ze wel vast willen houden, zo dicht bij God zijn,
maar nu dalen ze met Jezus vanuit dat dicht bij God zijn weer in hun eigen wereld.
Hun wereld van hun eigen rommel en hun eigen sores,
die je voor anderen wilt verstoppen.
En wellicht wil je dat ook voor de Heere verstoppen
En zeg je stil in jezelf: Heere, als U in mijn leven komt, geef dan eerst een seintje,
zodat ik mijn leven op orde heb en U niet in mijn rommel hoef te ontvangen.
Want als U zo onverwacht komt, dan schaam ik me om U hier te moeten ontvangen.

‘Let niet op de rommel.’ – net nog een hoogtepunt op de berg gehad
en dan iemand ontmoeten, die daar niet hoort te zijn,
die door de ziekte die zijn huid afgrijselijk heeft toegetakeld heeft, aangevreten,
zich niet onder de mensen zou mogen begeven.
De ziekte die deze man heeft
– melaatsheid in de oudere vertalingen, huidvraat in de NBV –
was niet zomaar een ziekte, maar werd gezien als een stempel door God gegeven:
Jij hoort niet meer tot Mijn volk. Je hoort verbannen te worden naar de rand.
Als dat oordeel ook nog eens door een priester werd uitgesproken
was je je plek in de samenleving kwijt, je mocht er niet meer bij horen.
Daar kunnen we raar van opkijken, maar ik dat vertellen gemeenteleden ook,
van wie bekend zijn dat ze ernstig ziek zijn en aan wie dat soms ook te zien is:
een kaal hoofd door de chemokuur, een rode huid van de uitslag.
Zij maken het mee, dat bekenden die hen in de supermarkt normaal gesproken aanspreken
nu gauw een ander gangpad inslaan en geen gesprek durven aan te gaan,
of degenen die normaal gesproken even aan zouden komen nu wegblijven,
omdat ze niet weten wat ze moeten doen, wat ze moeten zeggen,
er niet tegen kunnen om de gevolgen van de ziekte met eigen ogen te zien.
Wellicht hebben de mensen na het horen van Jezus’ verhaal op de berg gedacht:
De man die we hier zien is een illustratie van de bergrede.
Want Jezus had het voortdurend over het hart van de mens,
Waarin van alles verkeerd is: vatbaar voor verleiding, vol van zonde,
het is nodig dat ons hart gereinigd wordt, schoongemaakt
en bij het zien van deze man met zijn aangevreten huid en verminkte gezicht
hebben ze misschien wel gedacht, dat zijn uiterlijk het gevolg is van zijn hart dat mis is,
zoals dat ook met spanning kan zijn, die op het lichaam slaat:
zonde in het hart, die zichtbaar aan de buitenkant op de huid zichtbaar wordt.

Het is opvallend wat deze man doet: voor het oog van al die mensen
het oordeel dat de priester ooit over hem heeft uitgesproken,
namelijk dat voortaan de mensen moest mijden om hen ook niet onrein te maken,
negeren en zich onder de mensen te begeven en neer te knielen voor Jezus.
Mattheüs wil er ook de aandacht op vestigen:
kijk dan, let er eens op, sta er bij stil en neem de tijd om het op je te laten inwerken.
Kijk eens, hier zie je geloof: deze man die de moed heeft om naar Jezus te gaan
en beseft dat hij met zijn verhaal en zijn ellende bij Jezus moet zijn
voor een nieuw leven, een nieuwe toekomst.
Ook dit is een illustratie van de Bergrede:
NBV: Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt?
Hier komt iemand op zoek naar Jezus en vraagt, iemand die bij Jezus aanklopt
en Jezus heeft al gezegd wat er al met iemand zou gebeuren, die zo komt aankloppen.
Jezus is niet alleen maar een Messias van mooie woorden,
maar een Messias die de mooie woorden ook in praktijk brengt, in daden omzet.

Ik denk dat Mattheüs om nog een reden onze aandacht wil vangen:
want het zou ook kunnen zijn, dat dit het niemandsland is, waar een verbannene mocht zijn.
Daar in de bergen, net als een bezetene in de holen en de grotten in de bergen woonde.
Dan zou Mattheüs ook tegen ons willen zeggen: Zie je wel welke weg Jezus neemt?
Voor Hem is er geen tegenstelling tussen het bij God verkeren,
het geestelijk op een berg zijn, een hoogtepunt in het geloof
en een weg door de menselijke diepte, waar de mensen zijn die er niet meer bij horen,
die te horen hebben gekregen, dat ze niet meer mee tellen.
Waar wij ons willen excuseren voor onze rommel en niet zouden willen

dat God die onder ogen zou willen komen, gaat Jezus juist die weg,
niet alleen maar om onze rommel te zien, maar ook om die te reinigen.
Aan het einde van drie verhalen over genezingen door de Heere Jezus
meldt Mattheüs wat Jesaja, de profeet, gezegd heeft:
NBV: Opdat in vervulling zou gaan, wat gezegd is door de profeet Jesaja:
Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.
HSV: Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen.
Dat Mattheüs deze tekst hier plaatst, levert alleen maar vragen op.
Want Jezus geneest wel – in die zin neemt Hij de ziekten wel weg,
maar hier wordt niet zichtbaar, dat Jezus de ziekten draagt, zoals Jesaja wel zegt
en toch ziet Mattheüs in deze drie verhalen, die hij aan ons vertelt,
dat Jezus de profetie die Jesaja uitsprak vervuld heeft.
Jezus begeeft zich in de wereld van die man, die met zijn verminkte huid,
met zijn getekend gezicht en zijn stempel van onreinheid.
Wat Hij doet is meer dan genezen alleen – dat op zich is al heel bijzonder.
Hij neemt de ziekten ook op zich
– allereerst door zich er mee in te laten.
Jezus raakt de man aan, die bij Hem om hulp komt,
een man van wie je afstand moet houden, omdat je anders zelf ook besmet kunt worden,
waarbij jezelf ook het oordeel kunt horen uitspreken, dat je er ook niet meer bij hoort.
Het is een teder gebaar, een gebaar vol barmhartigheid,
Jezus die net verteld heeft over mensen die het koninkrijk der hemelen niet kunnen ingaan
omdat ze de brede weg gekozen hebben, de weg naar de ondergang,
die net vertelde dat diegene die de woorden van Jezus alleen maar aanhoort
en ze niet in praktijk brengt een huis bouwt, dat op zand gebouwd is,
het huis van je leven dat instort als het oordeel van God erover heengaat,
die vertelde dat je beter je hand kunt afhakken als die je in verleiding brengt,
Jezus die met Zijn handen straks in Jeruzalem de tafels zal omkeren,
het brood aan de tafel breekt en ronddeelt aan Zijn discipelen,
met Zijn hand het brood in dezelfde schaal doopt als degene die Hem verraden zal,
Jezus, wiens handen aan het kruis gespijkerd zullen worden.
Die handen raken nu deze man aan – en de man wordt gereinigd.
Dat is meer dan genezing.
Dat is van buiten een schone huid, maar ook van binnen een schoon hart.
Niet alleen genezen, maar ook van het stempel af, geen oordeel of veroordeling meer.
Het is het leven weer terugkrijgen, opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden.  
En Jezus zegt: Ik wil.
dat gebaar van barmhartigheid en tederheid onderstreept dat nog eens,
dat Jezus genegen is om de man te reinigen.
Het wordt zichtbaar, dat Jezus het wil.
Jezus had de mogelijkheid blijkbaar om te zeggen: Nee, bedankt, Ik doe het deze keer niet.
Waarom eigenlijk? Waarom moet Jezus er persoonlijk mee instemmen?
Waarom is het zo van belang, dat Jezus dit zelf ook wil,
dat de man gereinigd wordt, en zo genezen en een nieuw leven mag beginnen.
Ik denk dat we hier opnieuw bij Jesaja aankomen:
Het dragen van onze zwakheden en kwalen, op het zich nemen van onze ziekten.
Ja, Ik wil dat doen. Ik neem jouw ziekte op mij en alles wat daar aan ten grondslag ligt,
wat die ziekte heeft veroorzaakt
en ook wat het effect is op je plek in deze maatschappij
en hoe jou dat op een afstand tot God heeft geplaatst.
Ja, Ik wil.
In het aanraken van de man zegt Jezus tegen Zijn hemelse Vader:
Dat kruis is ook mijn wil.
Ik wil afdalen van de berg, in die wereld waarin de mensen schamen voor hun rommel
en dat liever verborgen houden, omdat ze dat zelf niet aankunnen
en waarvan ze zelf ook vermoeden dat het een afstand tot God oplevert.
Ja, ik wil.
Dat is niets minder dan dat Jezus aangeeft: Ik ga de weg naar het kruis.
Ik ben bereid om die weg naar Golgotha te gaan,
op die berg, daar bij Jeruzalem de plek van deze melaatse man in te nemen
en af te dalen in zijn wereld en zijn wereld te dragen
en nog dieper gaan: neerdalen in het rijk van de dood, in de hel
en daar de plek van deze man over te nemen.
Ja, Ik wil.
Mattheüs heeft gezien welke diepte er is in de instemming van Jezus,
wat daar gebeurt als Jezus die man aanraakt en zegt: Ik wil.
Woorden die lang geleden door de profeet tegen Israël zijn gezegd
gaan nu in vervulling.
‘Let maar niet op die rommel.’ zouden we zeggen.
Als een belangrijk persoon komt, dan wordt de stad schoongemaakt.
Fietsen die verkeerd gestald zijn, worden weggehaald.
Mensen die geen huis hebben en op straat leven worden naar elders gebracht
om de straat een goed aanzien te geven.
Bij Jezus krijgen we geen kans om  wat in onze ogen rommel is op te ruimen,
omdat Hij zegt: Ik wil die weg gaan. Ik ben juist gekomen om die rommel op te ruimen.
Op een bijzondere manier – weg te dragen.
Niet alleen maar door een aanraking en daarmee de risico ook besmet te worden

en ook onrein verklaard te worden,
maar door te komen waar je bent, als je er niet meer bij hoort en afgeschreven bent.
De berg waar Jezus zijn toespraak op hield, die wij bergrede noemen,
is daarom ook niet een berg die ontstegen is aan onze wereld,
maar juist waar de melaatsen wonen, de verschoppelingen, degenen die verbannen zijn.
Daar in die wereld staat de berg, waar Jezus spreekt over het koninkrijk der hemelen,
en over het binnengaan van dat koninkrijk.
En Zijn aanraking van de man, die komt met zijn huidvraat, Hem zoekt, bij Hem aanklopt,
die hand is een zichtbare uitleg van wat Hij later in een gelijkenis zal zeggen:
Zoek de mensen op buiten de stad, op de landwegen,
waar de mensen zijn, die je niet in je stad wil hebben.
Jezus laat dat zelf zien: Hij is bereid om mee te gaan met die centurio
om bij hem in huis te komen om zijn zieke slaaf te genezen.
Jezus die in het huis van Petrus komt, waar die zieke schoonmoeder is.
Drie verhalen over hoe ziekte mensen gevangen houdt, knevelt,
drie verhalen waarin we kunnen ziek,
hoe dat is als je leeft in een macht die je gevangen houdt
en waar je jezelf niet van kunt bevrijden.
Jezus komt. Hij komt in jouw wereld, daalt daarin af, treedt die binnen.
Ja, Ik wil – wordt gereinigd.
Het gaat hier om meer dan genezing
– dat is ook al een voorbode van hoe het in het koninkrijk der hemelen zal zijn.
Geen ziekte, geen beperking of handicap.
Geen aangetaste huid of lichaam, niemand die een blokje omloopt,
omdat hij of zij je niet in het gezicht durft te kijken.
Het gaat hier om bevrijding uit een macht en innerlijke reiniging,
omdat Jezus dat wilde – wilde komen, wilde afdalen,
maar ook onze wereld en onze gevangenschap, onze zwakheden en ziekten wilde dragen.
Een Messias niet alleen maar in woorden, maar ook in daden.
Omdat Hij komt, ook in onze wereld, is Hij benaderbaar
en kunnen wij Hem zoeken en vinden,
kunnen wij bij Hem vragen en gehoord worden,
kunnen wij aankloppen en doet Hij ons open.
Met heel mijn hart heb ik de HEER verwacht.
Dat is al heel wat – als iedereen je afschrijft.
Daar is moed voor nodig en dat is volgens Mattheüs geloof:
De verwachting dat Christus ook in jouw wereld kan komen,
om jou te redden en te bevrijden en jou een nieuw leven te geven.
Hij heeft gehoord naar mijn gebed,
mij uit de modderpoel gered,
mijn voet weer op een vaste grond gebracht.
Hij heeft mij doen herleven.
Opstanding uit de dood, een nieuw leven, herboren, opnieuw geboren,
omdat Jezus kwam en zei: Ja, ik wil, wordt gereinigd.
Omdat Jezus vervulde wat Jesaja al zei:
Hij was het die onze ziekten op zich nam
en onze kwalen heeft hij op zich genomen.

Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. Amen

Preek zondagmiddag 10 februari 2019

Preek zondagmiddag 10 februari 2019
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: vers 18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
We zijn hier bij elkaar om de Heere te danken voor wat Hij ons geeft in het avondmaal.
Allereerst geeft Hij een tafel hier in het midden van de kerk,
waar Hij zelf de gastheer is en waar wij naar toe kunnen gaan
om bij Hem, onze Heere, aan tafel te zitten.
Dat is al een voorrecht: de Heere die hemel en aarde gemaakt heeft,
die alles wat er is gemaakt heeft: de wereld waarin wij leven en de schepping om ons heen,
die aan ons het leven heeft gegeven,
die in de hemel troont en regeert over het hele universum, over alles wat er is,
een voorrecht dat Hij in ons midden wil zijn en dat wij naar Hem toe kunnen gaan,
bij Hem aan tafel kunnen zitten, waar Hij ons bedient met brood en wijn.
De almachtige en heilige God wil met zondaren de tafel delen
en aan hen Zijn goede gaven geven.
Dat op zichzelf is al een reden om de Heere te danken.

Aan Zijn tafel maakt de Heere zichtbaar dat er voor ons vergeving is voor ons.
Een tweede reden om Hem te danken,
dat Hij het ons niet meer aanrekent, wanneer we een verkeerde weg hebben gekozen,
dat Hij het vergeeft als we te weinig vertrouwen hadden,
te weinig met Hem bezig geweest zijn, Hem uit het oog verloren zijn.
Zelf wanneer we tegen Hem in gegaan zijn, een verkeerde keuze maakten, zondigden,
als we ons mee lieten nemen door verleidingen,
dan is er bij de Heere vergeving.
Dat die vergeving er is, wordt zichtbaar in het brood dat gebroken wordt,
een herinnering aan hoe het lichaam van Christus voor ons verbroken werd.
Dat God ons vergeeft en met ons opnieuw wil beginnen wordt zichtbaar in de wijn,
die rondgaat, de beker waaruit we drinken,
die ons weer doet weten, wat Christus heeft over gehad, dat Hij Zijn leven gaf,
dat Hij diep wilde gaan, zo diep mogelijk,
als Herder die het verloren schaap zoekt, hoe ver dat ook is afgedwaald,
bereid om uit de hemel te komen, maar ook bereid om aan het kruis te gaan,
in het rijk van de dood en in de hel, om ons bij de Vader terug te brengen.

Avondmaal is een moment bij Hem zijn.
De grazige weiden, waar we neer mogen liggen en op krachten mogen komen,
de stille wateren, waar Hij ons naar toe leidt.
Hij sterkt ons met Zijn aanwezigheid,
Hij voedt ons met Zijn Woord en lest onze dorst met het levende water, de Heilige Geest.
Avondmaal is een plek op onze reis door het leven,
op de weg die smal is en moeilijk te vinden en moeilijk te gaan is,
om bij te komen, maar ook de bevestiging te krijgen, dat dit de juiste weg is,
de weg die God wil dat we gaan.
We krijgen er aanwijzingen voor hoe we verder gaan
en de bevestiging dat  de Heere zelf mee gaat op onze weg.
Wat we krijgen bij het avondmaal, het moment om heel dicht bij God te zijn,
aan Zijn tafel gast te zijn, gesterkt te worden in het geloof,
de bevestiging dat er voor ons vergeving is en dat God weer opnieuw met ons begint,
ons reinigt van onze zonde – dat nemen we mee als we naar huis gaan
en er zijn in ons eigen huis, in ons gezin, onze familie, de buurt waarin we wonen,
op de plek waar we werken en onder collega’s zijn.
Dat is wat de Heere Jezus bedoelt met de goede vruchten die een gelovige voortbrengt.

(2) Christus verwacht van de gelovige goede vruchten
Het klinkt steeds bij de voorbereiding van het Heilig Avondmaal:
laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken
of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven
waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen
en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht.
Dat laat zien dat het Heilig Avondmaal niet alleen een plek is om op adem te komen,
om gesterkt te worden in het geloof,
om weer te zien en te mogen weten dat het lichaam van Christus ook voor u gebroken is
en dat Hij ook voor jou Zijn leven gaf, daar aan het kruis van Golgotha.
Christus geeft dat aan ons, het is een geschenk dat we aan mogen nemen
en we hoeven daar niets voor te betalen, we mogen dat zo maar ontvangen,
maar Hij verwacht er wel iets voor terug:
Hij verwacht dat we Hem dankbaar zijn
en dat we die dankbaarheid die we hebben niet alleen maar in woorden zullen zeggen,
of als een gevoel in ons hart meedragen,
maar dat die dankbaarheid ook tot uiting komt in wat we doen.
Christus verwacht van ons daden, waarin het zichtbaar wordt,
dat we vergeving hebben ontvangen,
dat God het goed maakte met ons en opnieuw wil beginnen.
Christus verwacht het van ons, dat het zichtbaar wordt, allereerst voor God
maar ook voor de mensen om ons heen,
zodat die weten dat we een God hebben, een Heer hebben die Zijn leven gaf,
die met ons een nieuwe start maakt, die genadig is.
Aan de vrucht zult u ze kennen.
Stel dat je een moestuin hebt, waar je niets aan doet.
Je laat de planten hun gang gaan, ook het onkruid (of het niet-gewenste kruid).
Als je dan een aantal maanden later gaat kijken, om iets uit de tuin te halen
als groente, of vruchten die groeien, of om een bos bloemen op tafel te zetten,
dan zul je niets vinden.
Van een brandnetel kun je geen appel plukken: daar heb je een appelboom voor nodig.
Als er zevenblad in je tuin staat, dan kun je die niet oogsten
om die in de pan te koken en als groente op tafel te zetten.
Wanneer je groente uit de tuin wilt hebben, dan moet je zaaien,
Moet je weten welk zaad je moet hebben
en moet je de tuin steeds wieden en het gewas steeds weer opnieuw verzorgen.
Dan zegt de Heere Jezus: wie gelooft en dat niet alleen maar van binnen doet,
maar ook je karakter door het geloof laat vormen,
als je leven met Christus een stempel op je drukt,
dan ben je kun je verwachten dat er vrucht te vinden is.
Dan zal God dat in ieder geval merken.
Of de mensen om je heen dat merken zullen, hangt ervan af
of zij de ogen hebben om de vrucht van het geloof waar te nemen.
Als je geen werk maakt van je geloof,
als geloof alleen maar een gevoel is dat je af en toe hebt, een fijne stemming,
Als geloof alleen maar iets is wat je oppervlakkig doet
en waar je niet uit leeft, dan moet je er niet raar van opkijken
als je geen vrucht voortbrengt, als er niets bij je te vinden is,
voor God niet en voor de mensen om je heen niet.
Hij draagt het ons wel op, om die vrucht voort te brengen
en de avondmaalstafel, of nu deelgenomen hebben of niet, vraagt aan ons:
En nu, wat ga je er mee doen? Wat breng je er van in praktijk?
Niet om dat als een vervelende plicht te doen,
maar uit dankbaarheid, omdat je zoveel van de Heere ontvangen hebt,
omdat Hij er weer was, omdat Hij je geloof wil vernieuwen en je wil vergeven.
Wat staat daar tegenover? Wat doe je ermee?
Laat je het alleen een fijn gevoel zijn, of mag het ook een uitwerking op je leven hebben?
Denk ook er aan, dat je met wat je in je in je leven gedaan hebt voor God komt te staan.
Zul je dan kunnen aankomen met een mooie oogst uit je leven, die je Hem kunt aanbieden?
In de voorbereiding lopen wij zelf er even in de tijd terug
om na te gaan, welke vruchten wijzelf zouden kunnen vinden in ons leven,
Wat wij vanuit wat wij zien de Heere kunnen aanbieden.

Vrucht dragen kan alleen als je aan Christus verbonden bent,
Als je van Hem bent en als Hij met Zijn Geest in je leven werkt.
Dan mag je ervan uit gaan, dat je wat aan kunt bieden.
Dat je kunt zeggen: Heer, ik heb omgezien naar mijn buurman die niemand had.
Ik was bereid om iemand op te zoeken die het moeilijk had.
Ik was iemand op wie je kon bouwen. Ik heb nooit iemand laten vallen.
God zal vruchten bij ons vinden, die we zelf niet zouden zien:
de vreugde die je uitstraalt brengt bij anderen de vreugde in het leven.
De manier waarop je moedig met je zorgen omgaat, geeft anderen een voorbeeld
om zelf wanneer er moeilijkheden komen niet van slag te raken
en de steun en hulp bij de Heere te zoeken.
Vruchten die groeien als je bij de Heere Jezus hoort.
En met het avondmaal hebben we aangegeven,
dat wat wij er zelf aan kunnen doen ook zullen doen,
uit dankbaarheid en liefde voor God.
Kunnen wij dat wel uit onszelf, wat God ons opdraagt?
En wat brengen er in de komende tijd van terecht?

(3) God laat de gelovige goede werken doen
De belofte van God bij het avondmaal is, dat Hij die vrucht aan ons geeft,
omdat we bij Christus horen
en het vanmorgen weer bij Hem gezocht hebben,
omdat we aan Zijn tafel kwamen en daarmee aangaven:
We brengen er zelf niets van terecht.
De vruchten die wij zelf zien in ons leven, de vruchten van geloof,
is maar een schamele opbrengst en niet de grote oogst die U belooft, die U vraagt.
En  dan zegt Hij tegen ons: Ik laat je vrucht dragen.

Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen.
Als je bij Mij hoort, als je naar Mij luistert, dan zul je vrucht dragen.
Dan zal er iets te vinden zijn, wat je later als je voor Mij verschijnt kunt aanbieden,
dankbaar en vol verwondering, dat je dit mocht doen.
Als je dan op je leven terug kijkt, dan zul je tot je eigen verrassing zien,
dat er een licht van je uitstraalde in de wereld om je heen,
niet je eigen licht, maar Gods licht dat door je heen ging
en dat andere mensen om je heen merkten: er is een God, die ook mijn God wil zijn.
Er is een God, die mij niet veroordeelt als ik kom
omdat er een gelovige was, die mij niet veroordeelde.
Er is een God, die royaal geeft, omdat er een christen in mijn omgeving was,
Die niet karig was in het geven.
Er is een God, die bereid is om iemand die van zijn leven niets gemaakt heeft,
op te zoeken en een nieuw leven te geven,
omdat er iemand was, gedreven door dezelfde liefde die deze God heeft,
Die mij opzocht in de gevangenis of in een kliniek.
Er is een God, die geduld met mij heeft, omdat ik iemand ontdekte,
Die beter thuis was in het geloof, die de tijd en de moeite nam om uitleg te geven
en met mij mee te lopen en mijn vragen aan te horen.
Er is een God die luistert, omdat ik iemand heb waar ik mijn verhaal kan uitstorten
en elke keer als ik met mijn verhaal kom is het niet teveel,
maar kan ik zomaar weer vertellen, waar anderen zeggen: nu weten we het wel.
In wat we doen, vervangen we God niet
en we doen het wellicht, omdat het ons zo geleerd is, of bij ons karakter past
En toch zijn het de gaven die de Heere uit ons leven kan vinden,
vruchten die Hij zelf aan ons laat groeien, omdat we aan Christus zijn verbonden
en dat we aan Christus verbonden zijn, is te merken aan de vrucht die we voortbrengen.
Vrucht voortbrengen is altijd een wonder van God.
Dat geldt voor een appelboom, voor een veld vol koren, voor koeien die melk geven.
Ook de vrucht die in het leven van gelovigen groeit is een wonder van God.
Bijzonder dat Hij ons kan gebruiken, een instrument in Zijn hand
om de wereld om ons heen van Hem te laten zien.
In het evangelie van Mattheüs is er steeds de aansporing om vrucht voort te brengen.
– Dat is wellicht in de afgelopen weken al opgevallen.
Het gaat erom, dat we het niet alleen bij woorden laten, maar ook doen.
Steeds wordt daarbij naar de basis gegaan: ons hart.
Als ons hart goed is, dan is het als een goede boom die goede vruchten voortbrengt.
Vruchten vol smaak en kleur, voedzaam en gezond.
Het is het wonder van Gods genade, dat God met ons hart bezig is om het te zuiveren,
te reinigen van de zonde,
zodat we die goede vruchten kunnen voortbrengen.
Vanmorgen hebben we dat gevierd, mocht het weer zichtbaar worden,
Dat Christus zijn leven gaf, zich liet verbreken om ons te reinigen van onze zonde,
volkomen verzoening van al onze zonden.
Dan kunnen we vrucht voortbrengen.

(4) Afsluiting
Een leven niet voor onszelf, maar voor anderen en vooral voor God.
Dan is ons leven een loflied op Hem,
dan is onze manier van leven een eerbetoon aan onze Heer.

Amen.

Preek zondagmorgen 10 februari 2019

Preek zondagmorgen 10 februari 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Vers 24-27

Gemeeente van onze Heere Jezus Christus,

We moeten allemaal eens voor God verschijnen.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan komen we voor Zijn troon te staan.
Hoe zal Hij dan over ons leven oordelen?
Mag je binnenkomen in Zijn heerlijkheid?
Of zal Hij aangeven dat er geen plaats voor je is?

Je kunt die vraag voor je uitschuiven,
maar er komt een dag waarop we daar staan voor Hem.
Niemand weet wanneer die dag zal komen
en niemand of hij of zij de tijd krijgt om daar alsnog over na te denken.
Als je niet wilt nadenken over hoe het straks zal zijn, als je voor Hem komt,
dan lijk je op iemand die een huis bouwt op het zand, een huis zonder fundament.
Een huis op zand bouwen, betekent dat je je niet zo druk maakt
over hoe het zal gaan als je voor God komt te staan.
Je komt er wel door en zult wel worden binnengelaten.
Je bent dan iemand die een huis bouwt, je eigen levenshuis,
zonder je druk te maken om het fundament,
zonder na te denken of je huis wel stevig staat.
Het is onverstandig, dwaas, als je ervan uit gaat dat het altijd mooi weer blijft,
dat de zon altijd in je leven blijft schijnen.
Als het zover is, blijft er weinig van overeind, want het had geen enkele vastigheid.
De storm, waar de Heere Jezus over spreekt,
de hevige regen en het water dat buiten de oevers treedt en zorgt voor een overstroming,
daarmee bedoelt Hij niet dat er over je aardse levens heel wat stormen kunnen komen.
Dat kan zeker – hier in de kerk zijn er heel wat bij wie het gestormd heeft in hun leven
en ook dan is het belangrijk dat het huis van je leven op Christus de rots is gebouwd.
Maar hier betekenen de storm die om het huis heen waait:
het oordeel van God over ons leven, dat Hij zal uitspreken
Als we aan het einde van ons aardse leven voor Zijn troon komen te staan.
Er is maar één manier waarop ons levenshuis in die storm overeind kan blijven staan,
Waardoor we ook geen zorgen hoeven te maken voor dat moment,
Waarop we voor Hem moeten verschijnen.
Als ons huis gebouwd is op Christus de rots
en het huis van ons leven is op Hem gebouwd
als we Hem in geloof aannemen, als we in vertrouwen op Hem leven
en dat niet alleen bij mooie woorden laten.
Ons levenshuis is op Hem gebouwd, als we Zijn woorden niet alleen horen,
maar ook in praktijk brengen.
Wanneer je dat doet, dan ben je verstandig
en dan weet je zeker dat je kunt verschijnen, dat je houvast hebt.

Wanneer je dat niet doet, wanneer je de woorden van Jezus wel hoort,
maar langs je heen laat glijden en er niets mee doet en ze niet in praktijk brengt
dan ga je er aan voorbij dat je leven hier op aarde eens zal eindigen
en dan ben je net zo dwaas bezig als iemand die een huis bouwt,
zonder voor een goed fundament te denken.
We komen niet alleen aan het einde van ons leven voor God,
maar ook als we in de kerk zijn, als we bidden of lezen in de Bijbel.
Dan komen we voor God te staan.
Omdat we Hem dan niet zien en niet altijd ervaren,
kunnen we er op dat moment aan voorbij gaan, dat we voor God zijn gekomen.
En als we het hier goed hebben, kunnen we het voor ons uitschuiven
dat het moment eens zal komen waarop de Heere vraagt
wat we met ons leven hebben gedaan.
We kunnen dat niet voor ons uitschuiven,
want als we ons levenshuis nu niet op Hem bouwen, dan staat ons huis op het zand
En zijn we onvoorbereid voor dat moment.
Het gaat er om dat ons levenshuis op Hem is gebouwd.
Als we naar de kerk gaan, dan is de vraag die steeds op ons afkomt:
Waar is ons huis op gebouwd?
Op zand omdat we denken dat we er zo wel komen en zelf genoeg doen?
Of is ons huis gebouwd op de enige Rots die er is: Jezus Christus?
Als we avondmaal vieren, dan zijn we bezig om ons levenshuis op Hem te bouwen.
We beseffen dat als Christus niet het fundament onder ons leven is
We niet overeind blijven als we voor Hem komen.
Als we avondmaal vieren, kijken we ook terug en beseffen we
Dat er heel wat momenten weer zijn geweest, waarop we eerder bouwden op het zand
Dan op de Rots, die God ons biedt, de stevigheid, het houvast dat God ons aanreikt.
Avondmaal vieren is de kans weer opnieuw krijgen,
om niet op zand te bouwen, maar ons levenshuis te bouwen op Christus.
Alleen dan heeft ons huis stevigheid en houvast.
Alleen dan blijft ons levenshuis overeind als de storm om het huis giert,
Als een zware regenbui tegen de ramen en de muren aanslaat.
De Heere Jezus vertelt het ons ook als uitnodiging om het te doen,
als aansporing om te komen tot Hem en ons leven niet zonder Hem te leven.
Als waarschuwing dat als we dat niet doen,
we niets anders hebben dan een huis zonder fundament, dat niet overeind blijft.
Als we avondmaal vieren, dan zoeken we onze houvast in Hem.
Dan zeggen we tegen de Heere: wij willen ons huis niet op zand bouwen,
maar ons levenshuis bouwen op het fundament dat U geeft, dat U zelf bent.
Als we avondmaal vieren, is dat een gebed: Bouwt U ons levenshuis,
legt U dat fundament onder ons leven,
want wijzelf zijn geneigd om op een verkeerde plek te bouwen.
Dat moeten we ook belijden, en vragen of U ons wilt vergeven
door het sterven van Uw zoon Jezus Christus
Door Zijn sterven is er fundament onder ons leven
En met dat fundament onder ons leven laat U ons bij U binnengaan. Amen

 

Preek zondag 3 februari 2019

Preek zondag 3 februari 2019
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Mattheüs 7:13-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Er zijn kinderen, jongeren en volwassenen die in deze tijd een keuze moeten maken.
Leerlingen in groep 8 hebben net de CITO-toetsen gemaakt
en denken nu samen met hun ouders na over de school die gekozen moet worden.
Leerlingen op de middelbare school in de 2e of de 3e denken na
over welk profiel er gekozen moet worden voor het volgende jaar.
Eindexamenkandidaten denken na over de vervolgopleiding of studie na het examen.
Er zijn gemeenteleden die een keuze hebben moeten maken
of ze door gingen met een ingrijpende behandeling of chemokuur of gingen stoppen.
In de komende week denken gemeenteleden ook na over de keuze
of ze wel of niet aan het avondmaal zullen aangaan.

Bij een keuze kun je het gevoel hebben, dat je op een kruispunt staat:
Je kunt uit twee of meerdere wegen kiezen,
maar je weet niet goed wat nu de juiste weg is om in te slaan,
omdat je niet goed weet hoe een bepaalde keuze gaat uitpakken.
Je kunt wel kiezen voor havo/vwo, maar je weet niet of je het aankunt.
En je kunt wel kiezen voor kwl of tl, maar je weet niet of het te makkelijk zal zijn.
Je kunt nu wel een bepaald profiel kiezen, maar je weet niet goed
of je met dit profiel wel goede cijfers haalt en zult slagen voor je examens.
Een keuze maken of je wel of niet moet doorgaan met een behandeling
is een ingewikkelde keuze, omdat je niet weet hoe je gaat reageren:
word je er heel ziek door of reageert je lichaam er heel goed op.
Zelfs bij de keuze om aan het avondmaal aan te gaan
of juist de keuze te maken om weg te blijven of om in de bank te blijven zitten
kun je nog de twijfel hebben of je er wel goed aan doet:
Zal deelname aan het avondmaal mij dichter bij Christus brengen?
Is het een goede keuze om weg te blijven of te blijven zitten?

Een keuze maken kan ook ingewikkeld zijn, omdat je niet goed weet
of je de keuze nog een keer kunt maken.
Bepaalde keuzes zijn zo belangrijk, dat je niet meer terugkunt.
Het is dan net alsof je voor verschillende deuren staat:
Bij een keuze ga je door een van deze deuren en je komt nooit meer bij de andere deur.
Als je kiest voor kwl of tl ga je een richting op, waarbij je voor sneller voor een beroep leert
en als je dan toch nog hogerop wil voor een opleiding of studie kan dat extra tijd kosten.
Als je in je examenjaar kiest voor een vervolgopleiding kun je niet zo makkelijk switchen
omdat de kosten te groot zijn voor het ruilen van studie.
Je moet daarom goed weten wat je van tevoren kiest, zodat je geen verkeerde keuze maakt.
Heb je gekozen, dan zit je voor een deel vast aan die keuze.
Ook als het gaat om stoppen met een behandeling of doorgaan, gaat het om een keuze
waarbij je waarschijnlijk niet meer de kans krijgt om nog een keer te kiezen,
of het moet zijn dat de behandeling je zwaar valt en weinig resultaten geeft,
zodat je alsnog wel moet stoppen met de behandeling.
Ook als je kiest om wel deel te nemen aan het avondmaal, kun je misschien niet meer terug
maar ook als je er voor kiest om niet aan te gaan
zal de keuze om ooit wel te gaan niet zo makkelijk genomen worden.

De Heere Jezus wil ook dat we een keuze maken
en gebruikt daarvoor het beeld van een poort (deur) en van een weg:
De poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt,
en weinigen zijn er die hem vinden.
Je hebt twee keuzes: de ene is een hele brede poort en een ruime weg,
de andere is een klein deurtje en smal weggetje.
Moet u zich eens voorstellen wat dat betekent:
De manier van leven, zoals de Heere Jezus die voorschrijft, is geen makkelijke weg.
Het is een klein deurtje, een kleine poort.
Een kleine ingang, waar je zo maar aan voorbij kunt lopen, als je er niet op gericht bent
en als je er naar op zoek bent, om zo te leven als Jezus dat vraagt,
kan het zijn dat je er eerst aan voorbij loopt, omdat deze poort niet opvalt,
je moet door de straat waar je bent heen en weer lopen
en als je ervoor staat, vraag je je nog steeds af of je wel goed zit.
Voor de deur ligt alles nog onder het sneeuw,
geen enkele aanwijzing door voetstappen in de sneeuw dat iemand door die deur is gegaan.
Jezus vervolgt het beeld: een nauwe poort en een smalle weg.
Een smalle weg is een weg die je bijna niet ziet,
Waarbij je goed moet uitkijken of je inderdaad op de weg bent of er niet naast stapt.
Een weg waardoor je niet vordert.
Of een weg, zoals in de bergen, waarbij je voorzichtig moet lopen,
omdat de ruimte om erover te lopen niet zo breed is.
Het is een weg, waar je vooral alleen op loopt.
Het is stil, je ziet bijna niemand anders,
en daardoor ga je je afvragen of je wel op de goede weg zit.
Is dit wel de weg naar het beloofde einddoel?
De weg die Jezus aanprijst is een nauwe poort, een achterafweggetje,
waar je heel lang erover doet om de stad uit te komen.
Die weg waarop je allerlei verkeersdrempels tegenkomt,  verkeerslichten waar je voor stopt
een vrachtwagen die gelost moet worden die de weg blokkeert,
tegenliggers voor wie je aan de kant moet gaan en even moet stoppen.
Een weg die je veel tijd kost en waarop je na verloop van tijd je afvraagt of je wel goed zit
want je komt voor je gevoel nauwelijks vooruit.
De manier van leven die Jezus voorschrijft is niet als die gemakkelijke weg,
die door de massa genomen wordt,
De levensstijl die bij Hem hoort is niet als een weg waarop je zo weg komt en snel opschiet.
Bijna niemand die dezelfde keuze maakt.

Kun je bij de keuze voor een school nog laten meewegen wat je vrienden kiezen,
deze weg, die Jezus aanprijst, wordt door bijna niemand gegaan.
De meerderheid kiest die andere weg, en die andere poort:
Een brede poort met allure die uitstraalt dat je daar moet zijn.
Een brede, wijde poort geeft aan dat die ingang erg belangrijk is, die moet je hebben!
Dit is de hoofdweg, de meest belangrijke weg die er is, die weg moet je gaan.
Of in onze tijd een hoofdsnelweg van 3 of meer banen, een weg die bijna iedereen kiest
en niet dat achterafweggetje waar je heel lang erover doet, met veel oponthoud.
De ruime weg is een weg, waarop je mooi kunt opschieten
met een duidelijke bestemming en die je het gevoel geeft dat je bestemming belangrijk is.

Wat is dan die keuze, waar de Heere Jezus het over heeft?
Want dat is toch wel van belang om te weten welke keuze je moet maken,
Hoe je door die nauwe poort kunt gaan en welke weg je moet inslaan.
Als je een keuze maakt voor een school, ga je naar een open dag.
Als je een keuze moet maken voor een profiel vraag je het bij docenten na
Bij een keuze voor wel of geen behandeling laat je je voorlichten door het ziekenhuis.
Hoe zit dat met de nauwe poort, waarvan Jezus zegt dat we daar doorheen moeten gaan?
Je zou kunnen denken aan wat nodig is bij de voorbereiding voor het avondmaal:
Erover nadenken wat er mis is in je leven, wat er mis zit in de relatie met God
en bereid zijn om dat eerlijk aan God toe te geven dat het mis zit
En Hem te vragen of Hij opnieuw wil beginnen met je
en te vragen of Hij je de kracht wilt geven zelf ook opnieuw met God te beginnen.
Het is niet makkelijk om naar God toe eerlijk te zijn over jezelf,
al weet je dat Hij alles van je weet en alles gezien
en nog beter dan jijzelf weet hoe het ervoor staat met je.
We kunnen de neiging hebben om dat weg te stoppen en ons groot te houden voor God.
Of je kunt wat geprikkeld reageren: moet het steeds gaan over wat mis gaat?
Moet is steeds nadenken over mijn zonde?
Het eerlijk toegeven, aan God belijden en om vergeving vragen en ook een nieuw begin
kan een nauwe poort zijn, omdat je daar niet aan wilt
en je loopt door met zoveel anderen, die dat ook niet willen, verder over die ruime weg.

Of je wilt dat niet, omdat die keuze om door de nauwe poort te gaan veel van je vraagt
en je weet al dat je het niet vol kunt houden op die smalle weg.
Je weet dat je niet het vertrouwen in God hebt dat je zou moeten.
Je komt in je geloof zoveel tekort en je kent jezelf,
je weet van jezelf dat dit er – als het aan jezelf ligt – er niet beter op gaat worden.
Of er zit wat tussen jou en iemand anders in, onenigheid
en je weet dat je zo op deze manier niet aan het heilig avondmaal kunt komen,
omdat het niet goed zit, maar je wilt het niet goed maken,
omdat je eigen trots je tegenhoudt om de minste te zijn,
je wilt niet de eerste stap zetten om het goed te maken,
omdat je dan moet toegeven dat je zelf ook niet goed zat en er zelf ook een aandeel in had.

Om te weten wat de Heere Jezus bedoelt met die nauwe poort kunnen we ook lezen
in de toespraak die Hij hield daar op die heuvel bij het meer van Galilea.
Hij sprak over degenen die lijden aan deze wereld,
omdat deze wereld zo ver verwijderd is van hoe God deze wereld bedoelde.
Hij sprak over verleidingen die je naar de ondergang kunnen brengen
en dat het daarom beter is om een oog uit te steken of een hand af te hakken.
Hij sprak over voor iemand die je afdwingt om iets te doen het dubbele te doen.
Hij gaf aan dat als iemand je slaat je ook de andere wang moet toekeren
en als iemand je vijand is, dat je voor diegene moet bidden en zelfs moet liefhebben.
Dat je hen het goede toewenst en ook hen op een goede manier behandelt.
Hij gaf aan dat je je geen zorgen mag maken en dat wie dat wel doet kleingelovig is.
Als je die hele bergrede leest, gaat het steeds om een manier van leven
die we niet kunnen opbrengen.
Wij kunnen niet doen wat Jezus ons opdraagt.
En dan moeten we in deze week ons voorbereiden op het avondmaal.
Je weet dat het niet goed zit met God, omdat je steeds de fout in gaat
en je beseft: wat Jezus van mij vraagt kun je niet volbrengen.
Hoe kun je dan ooit nog aan het avondmaal gaan.
Want zoals je leeft, dat is dan toch de brede weg, de weg naar de ondergang?
Dan hebben de gemeenteleden die volgende week niet komen, omdat het niet voor hen is,
toch gelijk en kunnen we toch beter het avondmaal maar overslaan,
Want Jezus legt de lat zo hoog dat niemand die kan behalen.
Wees volmaakt, zoals onze Vader in de hemel volmaakt is.

Wat Jezus vraagt is in veel gevallen moeilijk op te brengen,
maar Hij doet dat niet om ons te ontmoedigen.
Ja, Hij weet dat het een moeilijke weg is en daarom noemt Hij dat ook zo:
Een smalle weg, waarop je soms kunt voortploeteren,
een weg waarop je de moed geregeld in de schoenen zinkt.
Het is een weg van jezelf verloochenen, kruisdragen.
Jezus vertelt er niet bij waarom die weg zo moeilijk begaanbaar is.
Het kan zijn dat we zelf veel willen vasthouden, wat we los moeten laten.
Dat we niet kunnen knielen voor Hem,
of bereid zijn om alles te geven.
Of dat we die keuze niet kunnen maken, omdat we kijken naar ouders of vrienden,
die de keuze om de weg van Jezus te gaan niet hebben gemaakt.
Als het gaat om niet aan kunnen gaan aan het avondmaal
wordt dat nogal eens aangedragen: mijn ouders gingen niet en ik ben niets beter dan zij.
Nee, inderdaad, maar het gaat niet om welke keuze zij gemaakt hebben,
maar het gaat om welke keuze jijzelf maakt, nu je voor de mogelijkheid staat.
Ga je door die nauwe poort, de weg van Jezus op of loop je door op die brede weg?
Zou de stap naar het avondmaal niet een manier zijn om door die nauwe poort te gaan
en met wat je daar krijgt aan vergeving en kracht in je geloof, vernieuwing
verder te gaan op de weg die je bent ingeslagen, de weg dicht bij Jezus
Dat is één manier.
Kinderen en jongeren en gemeenteleden die geen belijdenis hebben gedaan
Jullie vragen je misschien af, hoe je door die nauwe poort kunt gaan.
Want het is niet een poort die je ziet, net als je de weg niet ziet waar Jezus over spreekt.
Door die nauwe poort gaan is kiezen voor Jezus.
Bijvoorbeeld met je hart: ik wil bij U horen, ik wil met U meegaan, mijn leven is van U.
Maar wat de Heere Jezus hier bedoelt is dat het om meer gaat.
Dat je niet alleen met je hart zegt: ik geloof, ik wil van U zijn, U bent mijn Heer.
Maar dat je dat ook laat merken in hoe je doet,
een manier van leven, een levensstijl.
Als je verkering hebt, dan hoor je bij iemand en dat laat je vaak merken.
Je schrijft de naam van je vriend en vriendin op verschillende plaatsen op,
je versiert die naam misschien met allerlei hartjes.
Maar je laat dat ook zien door met die ander op te trekken
En als het echt serieus is, ga je ook rekening met elkaar houden.
Je laat dingen na, die de ander niet zo leuk vindt,
of je gaat je gedragen, zoals die ander graag wil.
Door de nauwe poort gaan, betekent:
dat je je gaat gedragen, zoals de Heere Jezus dat graag wilt
omdat je van Hem houdt, en Hem wil volgen in je leven.
Ik heb net een aantal voorbeelden genoemd en ik zal ze nu kort nog herhalen:
verleidingen uit de weg gaan en ertegen vechten,
als iemand je vervelend behandelt, dat niet gelijk beledigd doorvertellen aan anderen,
of gaat schelden of gaat ruziemaken of zelfs gaat vechten
maar dat je nadenkt: hoe kan ik goed zijn voor die ander.
Als ik nu eens voor die ander ga bidden,
dat is beter dan allerlei nare gedachten over die ander te hebben.
Dat doe je omdat Jezus graag wilt dat je zo wordt.

En in de komende week, waarin we nadenken over het avondmaal,
denken we of we wel zo geleefd hebben, zoals Jezus dat graag zou willen.
Dan kom je erachter, dat het veel beter kan,
Dat je je soms er wel makkelijk van af gemaakt hebt, of gewoon niet wilde.
Dat is niet goed, dat moet beter.
Het mooie van het avondmaal, is dat je weet: Christus vergeeft en begint met mij opnieuw
Ik mag het opnieuw proberen en steeds weer opnieuw proberen.
Soms vorder ik en doe ik het echt beter, geregeld stel ik mijzelf en Christus teleur,
Dat klinkt makkelijk maar is het niet, want je hebt spijt dat je verkeerd was, steeds weer.
maar dan mag ik weer opnieuw beginnen. Christus begint met mij opnieuw.
Dat is de smalle weg en die nauwe poort: de weg van spijt en opnieuw moeten beginnen,
maar Christus die steeds met mij opnieuw begint, telkens weer.
Want Hij wil dat ik op die smalle weg blijf lopen,
om bij Hem aan te komen in Zijn heerlijkheid.
Daarom geeft Hij het avondmaal als een middel om het vol te houden
in de strijd tegen verleiding, tegen zonde, tegen afhaken
om het vol te houden op die smalle weg. Die kracht hebben we nodig,
evenals de vergeving die we ontvangen. Ook die hebben we nodig.
Het avondmaal herinnert ons eraan dat we bij Hem moeten zijn.
Daarom word jij, wordt op genodigd, opgeroepen op te komen bij Hem
om brood en wijn te ontvangen.
Amen







Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst

Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst
Schriftlezing: Mattheüs 6:19-34
Tekst: Mattheüs 6:33

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Afgelopen zondag moest ik in een gemeente zijn,
waar ik al sinds ik predikant ben als gastpredikant in kerkdiensten voorga.
Het was er een stuk rustiger dan op de andere keren dat ik in die kerk voorging.
Na de kerkdienst ging het over de preek die ik gehouden had.
Niet over het aantal kerkgangers dat minder was dan anders.
Dat viel mij op, want meestal, als het minder kerkgangers zijn dan anders,
wordt er in de consistorie wel een verontschuldiging uitgesproken
of nagedacht over de oorzaken die er zijn.
(Dat vind ik eigenlijk ook meestal niet zo’n prettig gesprek,
omdat het tekort doet aan degenen die wél gekomen zijn.)
Op de weg naar huis dacht ik na over de kerkgang
en ging ik me toch wel zorgen maken over die gemeente, waar ik geregeld kom.
Zou het een incident zijn, of zouden er heel wat leden van die gemeente
niet meer komen uit onvrede of overgestapt op naar en andere gemeente in de buurt?
De volgende morgen las ik dit gedeelte, dat ik al enige tijd geleden had uitgekozen
en ik las hoe de Heere Jezus aangaf, dat we als ons geen zorgen moeten maken.

(2) We maken ons snel om dingen bezorgd
Als je je zorgen maakt, ben je een kleingelovige, zegt Jezus
En dat is in dit gedeelte geen compliment,
maar een duidelijke waarschuwing dat je je echt zorgen moet maken over je geloof,
want met een klein geloof heb je helemaal geen vertrouwen in God
En heb je eigenlijk geen geloof.
En wanneer je je om allerlei zaken zorgen maakt, verschil je niet van iemand
die geen geloof hebt, ben je eerder een heiden en een gelovige.
Je zou je toch zorgen maken als er te weinig geld is om eten te kopen,
als je bij de kassa staat en je kunt je boodschappen niet betalen,
omdat je saldo ontoereikend is.
Als je geen geld hebt om kleren te kopen, kun je er misschien nog lang mee doen
of ze krijgen van een ander, die ze niet meer nodig heeft,
maar als je in deze week niet genoeg kleding hebt om je te kleden tegen de kou,
dan is het toch terecht als je je zorgen maakt?

In onze tijd moet je toch wel vooruitkijken en je planning maken?
Je moet goed uitrekenen hoe je uitkomt met je pensioen,
om te voorkomen dat als je met pensioen gaat niet genoeg hebt voor een prettig leven.
Je moet wel een bepaald bedrag op de bank hebben
voor het geval je onverwacht een grote uitgave moet doen
als de wasmachine ermee ophoudt of als je kosten voor de auto maakt.
Het leven brengt toch zijn zorgen mee, als je een gezin hebt,
een hypotheek hebt af te lossen, als er rekeningen betaald moeten worden?
En hoe meer verantwoordelijkheid je hebt, hoe meer zorgen je met je meedraagt. Toch?
Als jouw onderneming veel zaken doet, en je weet niet wat de Brexit gaat brengen
en je zelfs het risico loopt dat je werknemers moet ontslaan,
die dan ook weer in een onzekere periode komen,
dan is het toch geen wonder dat je er soms slecht van slaapt en je humeurig wordt
omdat de zorgen op je drukken?
Hoe kan Jezus nu zeggen dat Zijn leerlingen zich geen zorgen mogen maken
en dat als ze dat wel doen, dat ze dan een klein geloof hebben
en lijken op mensen die helemaal geen band met God hebben?
Dan zijn we op zijn tijd toch allemaal mensen, die geen band hebben met God?
Want wie heeft er nooit zijn zorgen?
Een bestaan zonder zorgen is eigenlijk onmogelijk.
Geen wonder, dat Jezus verderop in de bergrede zegt,
dat het moeilijk is om te geloven: het is net als door een hele nauwe poort gaan,
over een smalle weg, een weg die door bijna niemand gekozen wordt,
omdat die weg die Jezus voorhoudt toch te ingewikkeld is om te gaan.

(3) We moeten de vogels en de bloemen als voorbeeld nemen
Jezus zegt echter: zo’n zorgeloos bestaan is wel mogelijk.
Kijk maar naar de vogels in de lucht.
Zij hebben een zorgeloos bestaan.
Zij hoeven zich niet druk te maken over eten, want ze krijgen dat van de hemelse Vader.
Neem maar eens de tijd om naar het zorgeloze van de vogels te kijken.
Kijk maar hoe ze steeds weer aan eten komen,
eten waar ze zelf niet voor gewerkt hebben en dat ze gewoon maar krijgen.
Daaraan kun je zien dat er een God in de hemel is,
God die voor Zijn schepping zorgt, zelfs die kleine vogeltjes ontvangen Gods zorg.
Nu kun je nog van vogels zeggen, dat ze zich druk maken.
Dat ze moeten door de lucht moeten vliegen om muggen en vliegjes te vangen,
zoals zwaluwen dat in de zomer doen.
De merels die op de grond prikken om de wormen boven te krijgen.
Andere vogels die vruchten moeten eten van de bomen.
Ook al leggen zij geen voorraad aan, zij moeten er wel wat voor doen.

De bloemen echter niet.
Zij ontvangen Gods liefde, zoals ze het zonlicht ontvangen.
Ze ontvangen Gods zorg, zoals ze de regen ontvangen.
Ze hoeven alleen maar hun bladeren naar de hemel op te heffen,
hun bloem naar omhoog te richten om Gods zorg en liefde te krijgen.
Moet je eens kijken hoe ze erbij staan.
De schoonheid van de bloemen, de kleurenpracht die ze hebben,
daar kon koning Salomo niet tegen op, de koning over wie verteld werd
dat hij de rijkste koning was en daarmee de mooiste kleding kon laten maken.
Alle rijkdom die je aan Salomo kon aflezen, tellen niet bij de kleurenpracht van de bloemen.
En de gratie van Salomo’s pracht en praal zijn niets vergeleken
met de gratie die de bloemen uitdragen.
Het is niet de kleurenpracht als zodanig, die zo schitteren en indruk maken,
het is hun openheid, hun gerichtheid op God,

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

zoals de vogels al zingen tot Gods eer als het nog donker is
vogels die hun geluid laten horen als de mensen bezig zijn met hun werk
om zo al kwetterend ons te vertellen dat we een Vader in de hemel hebben,
die ons nooit uit het oog verliest.

En dan zegt Jezus tegen ons dat we er bij stil moeten staan.
Er naar moeten kijken.
Even van je computer afkijken naar buiten en luisteren naar de vogels.
Even je boor uit doen om het geluid van de vogels te horen,
even stoppen voor je op een nieuw adres van de thuiszorg aanbelt
om naar een bloem die in de tuin staat te kijken
of samen met een oudere even naar buiten kijken,
om je eraan te herinneren, dat je een God hebt,
die het kleine, wat je zo makkelijk over het hoofd ziet
en waar je zo makkelijk aan voorbij gaat al met zoveel zorg bekleedt.

(3) Jezus wil ons leren om Gods zorg op te merken
Jezus wil ons leren om er de tijd voor te nemen, om er niet aan voorbij te gaan,
wat zo gewoon lijkt, maar wat de bijzondere zorg van God is,
waarmee Hij zich aan ons laat zien als onze Hemelse Vader.
Hij doet dat door ons te leren om te kijken in het nu, te leven in het nu.

Als je je zorgen maakt, dan denk je na over de toekomst.
En dan denk je vooral na over de vraag: hoe moet het gaan? Wie moet het doen?
Zulke vragen kunnen heel makkelijk steeds groter en groter worden.
Je wordt al somberder en somberder, je overziet het niet meer.
Het vertrouwen dat je in God had, is weg.
Niet dat het vertrouwen zegt, dat God al je problemen oplost.
Er is een uitspraak van Luther: God voert de vogels, maar Hij breekt het niet in brokjes.
Met andere woorden: ze moeten er wel wat voor doen.
Het is niet zo dat ze alleen maar hun snavel hoeven op te doen. Ze moeten wel zelf vliegen.
Maar als je zorgen en zorgen groter worden,
dan zie je niet meer hoe God nog wel zorgt.
Dan verdwijnt wat God doet achter een donkere wolk van alleen maar zorgen.
Daarom wil Jezus ons leren om niet vooruit te kijken, maar allereerst om ons heen,
om te zien, hoe God om ons heen is, in de gewone dingen:
De donkere nacht die voorbij gaat, het licht dat komt, vaak de zon die nog schijnt,
regen die er komt na een lange droge periode,
Gezondheid die je krijgt, moed om aan de dag te beginnen.
Aan die kleine dingen die je om je heen ziet, de krokusjes die straks komen,
de narcissen, de tulpen, die aankondigen dat het met de kou in de grond echt gedaan is
en dat er weer een lentetijd aankomt.
Zo moeten we om ons heen kijken, om te zien wat God doet, om ons vertrouwen te voeden.
Om op te merken wat God tegen ons zegt door te zorgen voor de vogels en de bloemen.
Door te horen wat God tegen ons zegt als de merel in het donker al begint te fluiten
en het is voor jou nog veel te vroeg om je bed uit te gaan.
De merel die op een vogelwijsje fluit: Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God
Want in Zijn hand ligt heel mijn levenslot.
Hij fluit het voor ons, zodat wij daar de dag mee beginnen
en de hele dag mee doorgaan, wat de dag ook brengen zal.
Het krokusje dat in de wintergrond de eerste sprieten de voorschijn laat schieten
en al snel een heel bloempje wordt en tegen ons zegt:
de kou is overwonnen, zo heeft de dood niet het laatste woord in de schepping,
maar heeft je hemelse Vader de macht niet alleen om de vorst uit de grond te drijven,
maar ook om de dood bij jou vandaan te houden
En al komt de dood, je hemelse Vader, die Christus uit de dood riep, is machtig
om ook jou uit de dood te roepen.
Dat zeggen de bloemen en de vogels tegen ons: God zorgt.

Gij hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.

Dat gezang begint ermee dat de wereld aan God toebehoort:
Aan U behoort o Heer der heren, de aarde met haar wel en wee.
Ook ons wel en wee.

 

En Jezus zegt dat we bij de vogels en de bloemen in de leer moeten gaan.
Als leerlingen van Jezus in de leer bij de bloemen en de vogels.
Een discipel kan veel leren van de tulp en de narcis, van de merel en de mus.
Kijken, lering trekken, dat is wat een discipel hoort te doen.
Leerling van Jezus betekent dus zien en horen welke boodschap God tot ons spreekt
in de bloemen om ons heen en de vogels in de lucht:

Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed
omdat de hemel mij begroet.

(4) Aan onze zorgeloosheid gaat het gebed vooraf
En toch, en toch, en toch.
Geloven in de zorg van God en geloven dat we een Vader in de hemel hebben
in wiens hand we geborgen zijn
is soms moeilijk te geloven, omdat de zorgen zo echt zijn en onze kracht zo beperkt.
het is zo moeilijk om als discipel in de leer te gaan bij de bloemen,
omdat je weet dat die bloemen maar kwetsbaar zijn:
Ze kunnen over een week al in de container liggen.
Het gras dat vandaag groeit en morgen in de oven geworpen worden.
Is het menselijk leven niet zo kwetsbaar als dat gras dat er vandaag nog is
maar morgen afgemaaid is?

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer;

Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Ja, als er iets met je aan de hand is, je gaat naar de dokter en de dokter stuurt je door
en je moet een scan in en daarna wachten op de uitslag
en als de uitslag komt, blijkt het toch ernstig te zijn, dan ga je anders kijken
naar de dingen om je heen, dingen die je eerst nooit zag
en je vraagt je af: zal ik het nog een keer zien, zal ik de bloemen nog zien bloeien,
zal ik het lente zien worden, zal ik de jonge eendjes zien, de merel nog horen fluiten?
Dan opeens kun je wel tijd vrij maken, moet je vrij nemen,
terwijl je voorheen geen vrij wilde nemen, omdat er gewerkt moest worden.

De schilder Marius van Dokkum heeft veel humoristische schilderijen gemaakt,
die toch een boodschap hebben.
Een van die schilderijen, die hij maakte is: Hollen of stilstaan.
Er staan twee paarden in een wei en ze kijken verbaasd naar een dikke man,
met sportschoenen en een sportbroek, maar ook met overhemd en stropdas,
Een telefoon aan het oor en al rennend en bellend kijkt hij op zijn horloge
om te zien hoeveel tijd hij nog heeft.
Het weitje ligt er bij, zoals het er al lang bij ligt,
op de achtergrond is een file te zien en hoge kantoorgebouwen,
de lucht is blauw, de zon schijnt en er zijn wat wolken,
in de lucht zijn ook verschillende vliegtuigen te zien.
Marius van Dokkum, zelf gelovig, houdt een spiegel voor,
de spiegel die Jezus ook voorhoudt: waar gaat het nou om in het leven?
Je kunt door je druk te maken en overal bezorgd om te zijn
uit het oog verliezen wat echt belangrijk is en het daarmee ook kwijtraken.

Zoek eerst het Koninkrijk van God – dat is het allerbelangrijkste.
En wat er nog meer belangrijk is, dat zal onze hemelse Vader aan je geven.
Het is niet zo, dat Jezus zegt: stel je prioriteit – eerst met God bezig en dan mag het andere.
Nee, het is een scherp gebod – vooral het Koninkrijk van God zoeken
en dat andere – dat is niet belangrijk: je dagelijks bestaan, je werk, eten en drinken.
Juist die dingen die voor ons dagelijks bestaan nodig zijn, gewoon om te leven,
waar we echt niet zonder kunnen – Jezus zegt ervan:
als God je dat wil geven, dan komt het er.
Ik moet eerlijk zeggen, dat het moeilijk is om te begrijpen
en misschien kunnen we in deze tijd, tussen zondeval en wederkomst,
niet anders dan kleingelovigen zijn, kunnen we niet anders dan heiden zijn
en toch: zoveel mogelijk strijden tegen dat ongeloof, tegen de heiden in ons.

Zoek eerst het koninkrijk van God – we zeggen dat en zingen dat,
maar begrijpen we dat echt wat Jezus ermee bedoeld en doen we dat ook?
Het Koninkrijk van God zoeken houdt in: je helemaal overgeven in Gods handen.
U bestuurt, U bepaalt, Uw rijk.
Wat van belang is, is dat Jezus aan dit scherpe gebod om eerst Zijn koninkrijk te zoeken
en het scherpe gebod om ons geen zorgen te maken
eerst onderwijs geeft over het gebod.
Bidden is het koninkrijk van God zoeken, bidden is jezelf in Gods handen leggen:
Uw wil geschiede, uw koninkrijk kome.
Als je bidt, zeg je amen en geef je daarmee aan:
Nu ik gebeden heb, weet ik dat God ervan af weet,
kan ik er op vertrouwen dat het goed komt,
dat mijn leven geborgen is in Zijn hand en Hij onze hemelse Vader is die zorgt.
En toch is er een macht, die dat geloof, dat vertrouwen ondermijnt.
Jezus geeft die macht dezelfde naam als het amen: mammon en amen zijn hetzelfde woord.
De mammon, dat kan geld zijn, maar dat is alles waar je op vertrouwt
als je niet helemaal zeker bent van God,
als je toch wat zekerheid op aarde moet inbouwen voor het geval God niet thuisgeeft.
Mammon is dat je de dokter of de behandeling meer vertrouwt dan God,
dat je verwacht dat geld je meer gelukkiger maakt dan God,
dat je beter zelf de leiding kunt hebben over je leven, over de kerk, in deze wereld,
omdat als je het aan God overlaat, Hij wel eens op Zijn beloop zou laten.

Kijk eens wat de vogels doen: ze komen in de tuin aanhippen, of aangevlogen
ze halen het eten uit de tuin dat er voor hen is, ze moeten er zelf wat voor doen
maar hun zang is een eerbetoon aan de hemelse Vader
en let als discipel eens op de bloemen, neem hun vrolijkheid en zorgeloosheid in je op
en leer van hen net zo open te staan voor de zorg van God
en te ontvangen, zoals de bloemen ontvangen.
Ze weten, we zijn er maar even, maar dat korte moment is er geen moment
waarop God er niet is.
Al verdorren we, worden we vertrapt, worden we gemaaid – God heeft alles in de hand. Dat is een les voor ons, zodat we het niet ergens anders zoeken,
niet ergens anders onze steun zoeken, zegen verwachten,
op iets anders ons leven bouwen.

 

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

Amen