Preek biddag 2019 avonddienst

Preek biddag 2019 avonddienst
Lukas 18:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen twee verhalen van de Heere Jezus, waarin Hij aangeeft
dat bidden voor ons niet makkelijk is.
Het eerste verhaal dat onze Heere vertelt heeft een speciale groep mensen op het oog,
namelijk de mensen die gestopt zijn met bidden
en in het tweede verhaal komt een man voor, wel bidt,
maar dat met zo’n grote aarzeling doet, dat je proeft: komt mijn gebed wel in de hemel aan?
Bidden is niet makkelijk, dat is wat Jezus bij Zijn volgelingen tegenkomt.
Wat de overeenkomst is in de beide verhalen, is de stilte die volgt op het gebed.
Je spreekt je gebed uit naar God toe, je brengt bij Hem wat er in je hart leeft,

maar van de andere kant komt er geen reactie.
Je gaat ervan uit dat je gebed bij God in de hemel aankomt,
want je gelooft dat God je hoort als je bidt.
En er kunnen ook momenten zijn, dat je ervaart dat je gebed bij de Heere aankomt,
Dat je tijdens het bidden merkt dat je bij Hem bent, dat Hij heel dichtbij is.
Dan heb je geen stilte of dan is de stilte om je heen de manier waarop God tot je komt.
Of je ontdekt enige tijd later dat de Heere je gebed verhoord heeft.
Dat zijn tijden, waarin je verbaast opkijkt als iemand zegt dat bidden niet makkelijk is.
Jouw ervaring is op dat moment heel anders.
Onze Heere kent ons echter goed genoeg om te weten
dat zulke momenten waarop je in je gebed heel dicht bij Hem bent vaak maar tijdelijk zijn.
Wat Hij meer tegenkomt, is dat Zijn volgelingen worstelen met gebed.

Dat moet voor Hem zelf een vreemde ervaring zijn geweest,
dat het bidden voor Zijn volgelingen niet zo eenvoudig is geweest.
De evangelist Lukas, die ons deze twee verhalen van onze Heer aan ons vertelt,
laat steeds zien hoe de Heere Jezus zich afzondert om te bidden,
om het contact met Zijn Vader in de hemel te zoeken,
om Zijn leven in de hand van Zijn Vader te leggen.
Hij komt aan bij Zijn Vader: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dan treft Hij bij Zijn leerlingen moeite met bidden aan en meer dan moeite:
want Hij merkt dat Zijn leerlingen vaak het bidden opgeven,
niet meer doen, omdat ze er geen verwachting meer van hebben.
Ze hebben het een aantal keer geprobeerd, maar het hielp niets.
In de stilte die volgde op hun gebed volgde niet de stem van God,
maar een irritante stem, die je het zwijgen zou willen opleggen,
omdat die stem het geloof en vertrouwen ondermijnde: Waar blijft God?
Het is de vraag van Psalm 42: Waar is dan je God?
En als je die vraag steeds hoort tijdens je gebed of in de stilte na je gebed
dan kan het op een gegeven moment je eigen vraag worden: Waar is mijn God dan?
Als die vraag sterker en sterker wordt, dan ga je je afvragen wat de zin van bidden nog is
en je gaat het nalaten. Je laat het erbij.
Bidden is noodzakelijk, zegt Jezus met dat eerste verhaal:
Noodzakelijk voor onszelf en ook voor God.
Niet dat God afhankelijk is van ons gebed en Hij niets meer doet als wij stoppen met bidden.
Op de een of andere manier is ons gebed een onderdeel van Gods plan met deze wereld.
Als wij stoppen met bidden, valt er een cruciale schakel van ons gebed weg.
Daarmee hoeft het werk van God niet stil te vallen.
Hij kan andere wegen vinden om Zijn werk hier in deze wereld ten uitvoer te brengen.
Ons gebed kan niet gemist worden en daarom kan de Heere Jezus het er niet bij laten
als wij het bidden opgeven.
Daarom vertelt Hij een verhaal, om ons zover te krijgen dat we het bidden weer oppakken
en dat als we het bidden weer hebben opgepakt vol blijven houden met bidden
en niet meer denken dat de stilte die op ons bidden volgt Zijn afwezigheid is,
maar dat de stilte die volgt op ons bidden de tijd aangeeft waarin God werkzaam is.

Het is een verhaal over een onverschillige rechter, die zich nergens van aantrekt.
Van God niet en van de mensen om zich heen niet.
Een onverschillige man, een koud hart.
Juist die onverschilligheid en zijn koude hart brengen hem veel.
Want als hij een beslissing neemt, dan weet hij dat er niemand komt,
die verhaal komt halen, want ze weten allemaal dat het geen zin heeft
om met hem in gesprek te gaan, om een klacht bij hem in te dienen.
Hij komt nooit op zijn standpunt terug.
Op een keer krijgt hij een zaak onder zijn hoede van een weduwvrouw.
Haar man is gestorven en ze is kwetsbaar in financieel en maatschappelijk opzicht.
Ze heeft niemand die in haar levensonderhoud voorziet en niemand die voor haar opkomt.
Ze staat er helemaal alleen voor.
Wellicht heeft de zaak ook met het geld of het land van haar man te maken
en is dat van haar afgenomen.
Misschien hebben ze haar zoon weggehaald en staat ze nu helemaal alleen op de wereld.
In ieder geval is ze oneerlijk behandeld en is ze gedupeerd.
Ze kaart het bij deze rechter aan, maar de rechter heeft geen zin om haar gelijk te geven.
Hij denkt er mooi vanaf te zijn.
Hij heeft immers een reputatie opgebouwd een hardvochtig en onbuigzaam man te zijn.
Iemand die nooit toegeeft, nooit een knieval maakt, nooit zijn fouten erkent.
Maar dan kent hij deze vrouw nog niet.
Bij elke rechtszaak is ze aanwezig.
En bij elke rechtszaak gilt ze boven alle andere aanwezigen uit,
zodat hij ‘s nachts over haar gaat dromen en elke keer als hij een rechtszaak heeft
en het publiek nadrukkelijk aanwezig is en instemming of afkeur laat horen
hoort hij boven al het andere geschreeuw nog haar stem.
Voordat hij aan een rechtszaak begint, staat ze hem op te wachten.
Ze volgt hem als hij klaar is met zijn rechtszaak.
Hoe meer hij wil negeren, hoe luidruchtiger en aanweziger zij is.
Hoe meer hij haar uit de weg wil gaan, hoe meer ze zich aan hem opdringt.
Hoe meer hij haar van zich af wil duwen, hoe agressiever ze wordt.
Hij merkt dat hij, die voor niemand, zelfs voor God niet bang is, bang wordt voor haar.
Hij is bang geworden voor haar emotie, haar boosheid, die zich steeds agressiever toont,
boosheid die voortkomt uit de grove schending van haar recht.
De vrouw vliegt hem nog een keer aan en zal hem helemaal in elkaar slaan.
En hij merkt dat hij zijn reputatie begint kwijt te raken,
zijn reputatie als hardvochtige man, die zich nergens druk om maakt,
omdat de omstanders zien dat hij niet opgewassen is tegen deze vrouw.
Er komen barsten in zijn reputatie en hij merkt dat de mensen hem minder serieus nemen
En niet meer zo bang zijn als eerst voor hem
en dat de manier hoe hij met deze vrouw omgaat zich tegen hem gaat keren.
Hij kan haar beter gelijk geven en of ze gelijk heeft dat maakt niet uit.
Alleen dan is hij van haar af.

Als zo’n man al overstag gaat, die zijn hele bestaan baseerde op onverschilligheid,
niet luisteren naar de werkelijke nood.
Als zo’n man al gaat luisteren en gaat helpen,
dan moet de hemelse Vader dat toch helemaal doen?
Want onze hemelse Vader is totaal anders – radicaal anders, helemaal het tegenovergesteld:
Onze hemelse Vader is niet hardvochtig en onverschillig.
Hij stopt Zijn oren niet voor ons roepen en loopt niet weg als we voor Hem verschijnen.
Hij slaat de deur niet met een klap dicht als we aankloppen.
Dit is Gods karakter, zo is God ten diepste, dat Hij geen bidder laat staan.

Maar waarom dan ophouden met bidden?
Omdat we niet zien dat God iets voor ons doet.
Omdat we niet merken dat God ons hoort en verhoort.
Je bidt voor de christenen in Noord-Korea en je blijft alleen maar verhalen horen
hoe moeilijk het is om christen te zijn
en al jaren staat dit land op nummer 1 van de ranglijst van christenvervolging.
Je bidt voor Noord-Korea, maar het blijft stil na je gebed
En na een tijd begin je die stem te horen: Waar is je God?
Je bidt al jaren voor vrede in Jemen, de burgeroorlog begon al 4 jaar geleden
en al enkele jaren geleden was de situatie voor de mensen daar echt schrijnend
En de oorlog gaat maar door, zonder aandacht voor de mensen daar.
De beelden van uitgehongerde kinderen en volwassenen blijven maar komen.
Je bidt dat er vrede mag komen, de wapens zullen zwijgen, de mensen worden geholpen
en je bidt en je bidt en het blijft stil, op die stem na die je hoort: Waarom?
Waarom doet God er niets aan?
Is dat zo? Doet God er niets aan?
We geloven toch dat Hij eens terugkomt om te oordelen de levenden en de doden?
Als Jezus ons opdraagt om niet te stoppen met bidden,
bedoelt Hij hier allereerst het bidden dat Gods koninkrijk komt,
de Zoon des mensen die komen zal om met spoed recht te verschaffen,
Zegt Jezus na het eerste verhaal.
Doet God niets? Vandaag kwam ik een bericht tegen over Jemen:
Daarin stond dat christenen in Jemen het niet makkelijk hebben
en dat er toch, desondanks, in die moeilijke jaren moslims hun geloof vaarwel zeggen
omdat ze Jezus hebben leren kennen.
De schatting is 5.000-10.000.
Ze kunnen niet bij elkaar komen als gemeente, maar hebben via social media contact.
Doet God niets? Waar is dan je God?
En dat er nog steeds christenen zijn in Noord-Korea en dat ze het volhouden in de kampen:
Doet God niets? Waar God is?
Alleen daarom al is ons gebed nodig, om hen niet in de steek te laten.
Wij voor wie het bidden niet makkelijk is, omdat we de stilte van God ervaren
als een beklemming, als afwezigheid, als God die deze wereld heeft losgelaten.
Als dat zo zou zijn, dan horen we als christenen niet het bidden op te geven, zegt Jezus,
maar dan moeten we met elkaar naar God gaan, om te roepen, net als die weduwe
roepen en roepen en roepen, God steeds voor de voeten lopen, op het oneerbiedige af.
Het is niet oneerbiedig – het is God aan Zijn woord houden: U hebt het beloofd.

Er is nog een reden, waarom bidden niet eenvoudig is.
Dat is het tweede verhaal.
Dat gaat over een andere stem die je tijdens of na je gebed kunt horen
En als je die stem vaak hoort, kun je ook je gebed opgeven, stoppen met bidden.
Het is een stem, waardoor je op afstand blijft staan,
omdat de stem tegen je zegt: Dit mag je niet doen. Je mag hier niet komen.
Je kunt de stem niet onderscheiden: Is het de duivel, die je tegenhoudt om te komen
of is het God zelf, die je wil laten weten wat er mis is in je leven.
Is het bidden wat die tollenaar doet?
Eerder een soort mompelen, als iemand die zijn excuus moet aanbieden
omdat hij iets verkeerd heeft gedaan maar de ander niet recht in het gezicht durft te kijken.
Hij kijkt bij God weg.
Hij is hier wel, maar blijft zover mogelijk op een afstand staan.
Wel een soort verlangen om te komen, maar tegelijkertijd een drempel.
Toen hij nog thuis was en nog niet zo dicht bij God, dacht hij dat hij wel kon gaan,
als de verloren zoon, die wist dat het bij de vader beter was dan in dat verre land.
Hij trekt de stoute schoenen aan, maar hoe dichter hij bij God komt,
Hoe meer schroom, hoe meer besef dat hij er zoveel aan verkeerd heeft gedaan.
Wat hij wilde bidden, lukt niet meer, alleen maar een verzuchting:
Als ik straks voor Uw troon kom te staan, heilige God, dan kan ik daar niet staan.
Ik kan niet voor U verschijnen, omdat U mij wel moet veroordelen, voor eeuwig verloren.
Ik kan alleen maar bidden: Heer, doe het niet.
Laat er genade voor mij zijn.
Hij zal de volgende keer, als hij weer het verlangen in zich voelt om naar God te gaan,
tegen zichzelf zeggen: ga maar niet, daar hoor je niet.
Hij zal thuisblijven en zich schamen dat hij toen wel ging.
Hoe kon ik dat in mijn hoofd halen?
Bijzonder dat juist de tollenaar als hij in de tempel komt, tot een ander inzicht komt,
een appèl doet op Gods barmhartigheid: Heer, hier ben ik.
Ik weet zelf eigenlijk niet wat ik hier doe. Ik ben hier zomaar verzeild geraakt.
Ik leg mijn leven in Uw hand, wat U beslist is goed.
Maar, Heer, stuur mij niet weg, ondanks mijn zonden.
Opvallend trouwens in deze gelijkenis: de man die wel kan bidden,
omdat hij weet wat bidden is – althans dat denkt hij – hij blijft dezelfde, onveranderd.
De man die niet bidden kan, wordt veranderd.
Beiden komen ze in de eredienst: de een blijft dezelfde, komt onaangedaan thuis
de ander komt, haast tot zijn eigen verrassing, verdwaald in de tempel,
zoals je dat wel kunt hebben: je zit opeens in de kerk, opeens lees je in de Bijbel, bid je.
Voor beiden komt de stilte na hun gebed.
De man die weet hoe het geloof werkt, die zich daaraan overgeeft
hoort in de stilte een schouderklopje van God: Goed gedaan, mijn zoon.
De man die komt met zijn schuld, durft niet te horen wat het antwoord van God is.
Hij zou er niet raar van opkijken als God tegen hem uitvaart en zegt: Ga weg jij, zondaar!
Ze hebben geen van beiden gelijk.
Bidden is niet jezelf etaleren voor God, niet jezelf verheffen boven een ander.
Bidden is ook niet de schuld die op je leven ligt nog eens bevestigd horen door God.

Nee, bidden is niet makkelijk. Je zit gauw mis en je geeft gauw op.
Maar het is Jezus zelf, die onze moeite met bidden aankaart,
zodat we er ook vanaf komen en vandaag en morgen en heel ons leven kunnen bidden.
Amen

Preek zondag 10 maart 2019

Preek zondag 10 maart 2019
Mattheüs 13:24-43

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op zondagavond deden wij vroeger vaak spelletjes, zoals ezelen.
Dat spel speel je met kwartetkaarten, met 4 kaarten in de hand,
waarbij je om beurten een kaart doorgeeft.
Het was de bedoeling dat je dan een compleet kwartet bij elkaar kreeg.
Als je een compleet kwartet had, legde je de kaarten neer op tafel,
waarbij de anderen ook hun kaarten neer moesten leggen.
Wie als laatste de kaarten neerlegde kreeg een strafpunt.
We speelden een aantal ronden, waarbij het de bedoeling was
dat je zo min mogelijk strafpunten kreeg.  
Als mijn vader meedeed, wist je dat je goed moest opletten.
Als hij zijn kaarten compleet had, begon hij een verhaal te vertellen,
waardoor je afgeleid werd en niet meer met het spel bezig was,
maar bezig was met wat hij vertelde.
Dat was zijn tactiek om steeds te winnen en vooral om anderen strafpunten aan te smeren.
Er waren er die daar niet goed tegen konden.
Het is niet tegen de regels.
Je zou kunnen zeggen dat hij precies begreep hoe het spel werkt:
hoe je moet winnen en hoe je anderen strafpunten kunt bezorgen.

In de echte wereld zijn er ook mensen die weten hoe het spel werkt.
Ik heb altijd bewondering voor zulke mensen.
Iemand die in een klas de boel op stelten kan zetten
en net op tijd weet op te houden om geen straf te krijgen.
Of iemand die heel slim is in het zaken doen:
een handeltje weet op te zetten of geld weet te verdienen waar anderen niet zakelijk zijn.

In de echte wereld zijn ook mensen die verder gaan,
die zich niet aan de regels van het spel houden,
maar bewust vals spelen ten koste van anderen, om er zelf van te profiteren.
Een directeur van een goededoelenorganisatie, die geld uit de kas neemt,
Of een politieman die informatie doorgeeft aan een criminele organisatie.
iemand die drugs aan scholieren verkoopt om hen verslaafd te maken.
Iemand die bij een oudere aanbelt en vraagt om de pinpas mee te mogen krijgen
en vervolgens groot bedrag pint en de pinpas niet meer terugbrengt.
Dat zijn mensen die weten hoe het werkt, maar daar misbruik van maken
en profiteren van anderen – om er zelf beter van te worden.
Ik denk dat er maar weinig mensen zijn, die hier respect voor kunnen opbrengen.
Je wordt daar eerder boos om.
Je werkt zelf hard en op een eerlijke manier, voor een gewoon salaris
en dan hoor je over iemand op een oneerlijke manier aan veel geld kan komen
en zich van alles kan permitteren, waar jij alleen maar van kunt dromen.
Dat is ook onze wereld en zo zal onze wereld ook blijven,
met mensen die op deze manier valsspelen en alleen aan zichzelf denken.
Je kunt regels bedenken, maatregelen bedenken,
maar zulke mensen blijf je houden, die ook dan die regels weten te ontduiken
en aan controle weten te ontkomen.

Je zou willen dat er iemand is die zulke mensen weet te doorzien
en ze weet tegen te houden
of als ze hun slag slaan dat er iemand is die hen aanpakt en hen uitschakelt
en als ze schade hebben berokkent ervoor zorgt dat ze hun straf niet ontlopen.
In de tijd van Jezus keken ze naar Iemand die op deze manier orde op zaken zou stellen
en dat zou doen in naam van God
of God zelf die zou verschijnen in een mensengestalte: de Zoon des mensen.
om recht te brengen, om corrupte en oneerlijke mensen aan te pakken,
mensen die hun macht misbruiken voor eigen gewin zou ontslaan,
priesters die hun positie in de tempel misbruikten om er zelf beter van te worden
zou wegsturen,
zodat het er in de tempel en bij de overheid alleen maar integere mensen zouden werken
betrouwbaar, bewogen en mild voor de gewone mensen, streng voor oneerlijke mensen.
De Zoon des mensen zal als een rechter optreden.
Iedereen in Israël en ook buiten Israël zal voor de Zoon des mensen moeten verschijnen
en Hij zal weten wat iedereen heeft gedaan, ook in het verborgen.
Hij zal zelfs in het hart van mensen kunnen kijken.
Niemand zal zijn listig optreden nog kunnen verdoezelen,
niet door mooie verhalen, zelfs niet door vrome praatjes.
Iedereen die hier de dans wist te ontspringen, omdat hij wist hoe het werkt,
zal niet kunnen ontkomen aan de Zoon des mensen.
God zelf zou deze Zoon des mensen sturen en als Zijn werk klaar is,
zou God zelf komen om bij de mensen te wonen.
Voor de mensen die met oneerlijkheid en corruptie te maken hadden en daar aan leden
gaf de komst van de Zoon des mensen hoop: de wereld zou eindelijk eerlijk worden.
Jezus vertelde voortdurend over de Zoon des mensen
en deed dat op zo’n manier dat je kon opmaken dat Hij zelf die Zoon des mensen was.
Jezus is gekomen om orde op zaken te stellen
en de wereld eindelijk eerlijk en rechtvaardig te maken, gereed om God te ontvangen.
De verwachtingen raakten hooggespannen: nu gaat het gebeuren!
Eindelijk recht en gerechtigheid, een rechtvaardige wereld, zonder corruptie en eigenbelang
waarin eerlijke mensen niet meer de dupe kunnen zijn van de slechtheid van anderen.

Alleen … er gebeurt niets.
Ja, Jezus preekt, geneest, trekt rond, maakt mensen beter.
Best bijzonder allemaal en ze kunnen er op hun beurt blij van worden,
maar het is niet wat ze verwacht hadden van de komst van de Zoon des mensen.
Het is de vraag die Johannes de Doper bezighield, toen hij zelf in de gevangenis zat,
omdat hij Herodes had aangesproken op de relatie die hij had met zijn schoonzus.
Johannes had hem daar op aangesproken:
Dat je de baas bent in de land, betekent nog niet dat je je eigen gang kon gaan
en dat je maar kon doen wat je zelf wilde
en zeker niet als je de leider bent van Israël, het volk van God,
waarbij elke leider het volk moest voorleven volgens Gods richtlijnen,
zodat de gewone mensen daar ook naar gingen leven.
Johannes kon Herodes alleen maar aanklagen, veroordelen om zijn daad.
Ondertussen keek hij uit naar Jezus, die Herodes echt kon aanpakken,
de Zoon des mensen, die het als het om Herodes ging niet alleen bij woorden liet.
Als Johannes over Jezus hoort, gaat hij echter twijfelen.
Is Jezus wel de Zoon des mensen? Is Hij wel door God gestuurd om recht te spreken,
om in Jeruzalem als rechter op te treden, schoon schip te maken?
Bent U het of moeten we nog uitkijken naar iemand anders?

Het is ook een vraag die vandaag de dag kan bovenkomen
als je weer een verhaal hoort over mensen alleen maar aan zichzelf denken,
of als je er zelf mee te maken hebt gehad:
Waarom doet God er niet iets aan? Waarom blijft de wereld hetzelfde?
Waarom laat Hij mensen die zichzelf verrijken ten koste van anderen maar doorgaan?
Waarom is er nog steeds zoveel mis in deze wereld, ook al is Jezus gekomen?
We geloven toch toch dat er toen Jezus stierf aan het kruis en opstond uit de dood
iets beslissends is veranderd in deze wereld?
Waarom merken we dat niet en is deze wereld net zo oneerlijk als daarvoor?

Om een antwoord te geven op die vraag, vertelt Jezus een verhaal,
Een verhaal uit het dagelijks leven, waarin een overeenkomst zit met wat Jezus kwam doen,
met het Koninkrijk van God dat Hij op aarde kwam brengen.
We noemen die verhalen ook wel gelijkenissen:
Er is een gelijkenis, een overeenkomst in het verhaal met wat Christus kwam doen op aarde.
Een gelijkenis uit het dagelijks leven, herkenbaar voor de mensen,
waarin iets geks gebeurt, iets wat niet logisch is en daarin zit juist de boodschap.

Het is het verhaal van een rijke boer, die zijn land inzaait.

Het zaad komt van de vorige oogst of heeft hij gekocht.
Hij heeft er op gelet dat het zaad van goede kwaliteit is.
Zijn akker wordt ingezaaid en de boer kan dan wachten tot het graan opkomt.
Als na enige tijd het gewas opkomt, zien de knechten van deze man iets vreemds.
Het is niet alleen het zaad dat er gestrooid is dat opkomt.
Er komt ook een ander gewas op, dat ze niet hebben gezaaid:
de verschrikking van elke boer, want dat onkruid lijkt in het begin sterk op het graan,
maar de korrels van het onkruid zijn gevaarlijk om te eten, omdat ze giftig zijn.
Onkruid in een grotere hoeveelheid dan ze gewend zijn, een echte plaag.
Hoe kan dat nu zo zijn? vragen de knechten zich verbijsterd af.
Was het zaad dat ze ingezaaid hadden dan toch van slechte kwaliteit?
Zat er dan toch in de partij die ze kochten of gekweekt hadden een deel van dat onkruid?
Ze willen gelijk aan de slag, want dit onkruid kan de rest van de oogst aantasten,
kan het goede graan overwoekeren, ontneemt voedingsstoffen uit de bodem.
Het zal een heel karwei zijn om de akker schoon te krijgen, nog iets van de oogst te redden.
Dan komt het onverwachte in het verhaal van Jezus,
waarbij de luisteraars gedacht zullen hebben, dat Jezus van veel dingen verstand heeft,
maar niet van het boerenleven.
‘Laat het onkruid staan. Pas met de oogst zal het onkruid weggehaald mogen worden.’
De boer geeft zijn knechten de reden waarom ze het niet mogen doen:
Als je het onkruid wegschoffelt, trek je al gauw ook het goede gewas uit.
De toehoorders zullen met hun hoofd geschud hebben:
Dat is het risico van boer-zijn: je bent altijd iets van het goede gewas kwijt,
maar dat is altijd beter dan dat je hele oogst verloren zou kunnen gaan,
een risico dat zeker aanwezig is als je niets doet.

Jezus vertelt het zijn leerlingen
en zijn leerlingen voelen aan dat er een belangrijke boodschap in deze gelijkenis zit,
maar ze krijgen de betekenis niet helder.
Ze praten met elkaar erover wat de bedoeling is van dit verhaal van Jezus,
maar ze komen er niet uit. Het blijft voor hen gissen naar de juiste uitleg.
Ze kloppen daarom bij Jezus aan: Wilt u ons die gelijkenis uitleggen?
Wat bedoelde U daar eigenlijk mee?
Dan legt Jezus het verhaal uit:
De akker is de wereld, onze wereld waarin wij leven.
Het is dus niet alleen de kerk, maar onze hele wereld.
Het begon goed: er werd goed zaad gezaaid en je zou een mooie oogst kunnen verwachten.
Het begon zo mooi met de mensen: een ideale wereld,
een wereld waarin God bij de mensen was, waarin niemand tekort kwam of achterop raakte,
niemand buitengesloten werd, niemand aan zichzelf dacht, of leefde ten koste van anderen.
Hoe mooi had de wereld kunnen zijn als het zo gebleven was.
Soms kun je nog even een glimp opvangen van die mooie wereld,
als je onderdeel bent van een fijn gezin, een hechte familie,
als er mensen zijn die met je meeleven, een kaartje sturen of bellen
even bij je naar binnen lopen en wat voor je doen,
Die vragen hoe het gaat, die zeggen dat ze voor je bidden en dat ook doen.
Je zou willen dat de hele wereld zou was, maar je weet beter.
Soms kun je door één gebeurtenis er weer achter komen dat je niet in de ideale wereld bent.
Als er iemand geld steelt, of iemand een ander het leven zuur maakt.
Onkruid dat gezaaid is en dat om je heen opgroeit, je vergroeit er zelfs mee.
Het wordt onderdeel van jouw leven.

En toch is het enige dat God er aan doet: laat het staan. Haal het nog niet weg.
Want dan gaan de goeden onder de slechten lijden.
Het uitstel van die hemelse rechter, van het vonnis van de Zoon des mensen
heeft verschillende kanten:
Het heeft iets gedurfds – de oogst kan mislukken.
Het onkruid, de slechtheid van mensen kan zo sterk aanwezig worden
dat degenen die wel eerlijk willen leven, willen leven volgens Gods geboden,
er aan onderdoor kunnen gaan.
Het is niet makkelijk om als gelovige integer te zijn
als je om je heen zoveel oneerlijkheid merkt.
Het kan je de adem benemen, als goed graan dat verstikt tussen het onkruid,
niet tot eer van God kan groeien.
Het heeft iets barmhartigs: God wil niet dat de goeden eronder lijden.
Als de Zoon des mensen nu orde op zaken moet stellen,
kunnen degenen die goed leven, God trouw zijn, eerlijk willen zijn in deze wereld
er net zo goed op een verkeerde manier getroffen worden.
Wij zouden misschien de afweging maken: Liever wat goeden opofferen,
om te voorkomen dat het kwaad buiten de perken gaat en niet meer te houden is,
de hele akker, onze hele wereld infecteert – het duurt jaren om onkruid echt weg te krijgen.
Maar dat past niet bij Gods karakter – God zou oneerlijk worden.
En dat heeft te maken met het derde (naast het gedurfde en het barmhartige):
Het is ook confronterend – want wie zegt niet dat wij, dat u, dat jij, dat ik dat onkruid ben(t)?
Wie zegt dat wij aan de goede kant staan?
Het evangelie is aan de ene kant altijd bedoeld als troost, als houvast.
en het houvast is dat God weet wat Hij doet, weet wat Hij aan moet met het onkruid
en dat we mogen geloven dat het eens gedaan is met het kwade in deze wereld
en de mensen die oneerlijk zijn hun vonnis niet zullen ontlopen.
Maar het evangelie heeft ook altijd iets confronterends, waarbij we onszelf moeten nagaan:
Ben ik het waar Jezus het over heeft?
Deze gelijkenis is aan de ene kant bedoeld om ons moed te geven
als je niet opgewassen bent tegen de oneerlijkheid om je heen
en als je de druk of de verleiding voelt om overstag te gaan.
De gelijkenis is aan de andere kant bedoeld om tot inkeer te komen:
Kunnen wij wel voor de Zoon des mensen bestaan?

De boer wacht tot de oogst – beeld van het laatste oordeel.
Wat Jezus hier niet in de gelijkenis verteld, maar wat de discipelen wel zullen meemaken
is dat voor de oogst er zal zijn eerst iets anders gebeurt.
Voor de Zoon des mensen op de stoel van de rechter gaat zitten en iedereen zal oordelen
zal de Zoon des mensen een andere weg gaan,
zelf met de oneerlijkheid te maken krijgen,
met mensen die denken dat ze integer zijn en denken in naam van God te handelen,
en toch een groot onrecht begaan door Jezus naar het kruis te brengen.
De Zoon des mensen, die hier als boer getoond wordt die zaait
en die over de akker kijkt, waarin zoveel onkruid staat, zegt wacht maar.
Maar voor het zover is, dat de maaiers komen, zegt: Ik neem de verantwoordelijkheid.
De oneerlijkheid, de zonde, het onrecht, het vonnis neem ik op mij,
mee naar het kruis. Voordat jij het vonnis krijgt uitgesproken, heb ik dat al gedragen,
weggedragen, zodat je als het goede graan binnengedragen kunt worden,
in Gods koninkrijk, het hemels Vaderhuis.
Het uitstel is genade – tijd van genade. Laat wie oren heeft het oren! Amen




Preek zondagavond 29 april 2018

Preek zondagavond 29 april 2018
Openbaring 14:15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen week zag ik een filmpje,
waarbij de chauffeur van een bestelbusje door de politie verzocht werd om te stoppen.
De man weigerde om te stoppen.
Hij reed om smalle wegen buiten de bebouwde kom.
Steeds deed hij of hij wilde stoppen.
Dan stapte de politieagenten uit en gaf de bestuurder weer gas en reed weg.
Steeds wist hij politieauto’s van zich af te schudden.
Als ze hem klem probeerden te rijden, wist hij toch te ontsnappen.
Hij wist de grens over te komen en probeerde ook de Duitse politie te slim af te zijn.
Meerdere politieauto’s waren betrokken bij de achtervolging.
Na een lange tijd wist de politie hem in Duitsland staande te houden.
Hij bleek in Duitsland nog een gevangenisstraf uit te moeten zitten van bijna een jaar.
Als de man niet staande was gehouden,
zou hij onder die gevangenschap die nog open stond onderuit kunnen komen.
Op de vlucht om zijn straf niet uit te zitten.

Deze man werd staande gehouden en moest alsnog zijn straf uitzitten.
Maar hoe vaak gebeurt het niet dat iemand toch weet te ontsnappen
En de straf weet te ontlopen
en niet de consequentie hoeft te dragen voor wat hij of zij heeft misdaan.
Nu kan ik de politieke gebeurtenissen van de afgelopen week wel naar voren houden
en de opstelling van onze premier als zo’n vlucht zien, waarmee iemand wegkomt,
maar meer dan een politiek verkeerde keuze was het niet, geen misdrijf.
Er zijn er heel wat die toch het nodige op hun geweten hebben,
Die daarmee wegkomen en de verantwoordelijkheid niet hoeven te dragen.
In de afgelopen week ontmoetten de leiders van Noord- en Zuid-Korea elkaar.
Zal het daarbij ook gegaan zijn over de ellendige toestand in Noord-Korea,
De honderdduizenden die in strafkampen gevangen zitten,
het leed dat de Noord-Koreanen treft?
Als de Zuid-Koreaanse president daar al over begonnen zal zijn,
dan kan hij het alleen maar als verwijt zeggen, als kritiek.
Die president zou, wanneer hij zijn Noord-Koreaanse collega, daarover zou benaderen
geen enkele mogelijkheid hebben
om zijn Noord-Koreaanse collega verantwoordelijk te houden
en om vrede voor elkaar te krijgen kan hij er waarschijnlijk maar beter over zwijgen.

Dat is de wereld waarin wij leven:
Een wereld waarin recht niet altijd te verkrijgen is
en waarin je je vonnis makkelijk kunt ontlopen.
In deze wereld is niet altijd recht te verkrijgen.
Ook christenen kunnen te maken krijgen met onrecht.
Bijvoorbeeld als ze vanwege hun geloof in Christus in de gevangenis kunnen komen
daar gemarteld worden in de hoop dat ze hun geloof zullen opgeven.
Wanneer ze overlijden, is er niemand die de beulen ter verantwoording roept.
Ze kunnen ongestraft verder gaan.Onlangs las ik over Lin Zhao.
Zij groeit op in China, waar een strijd is tussen de nationalisten van Tsjang Kai-Chek
en de communisten van Mao.
als 15jarig meisje komt ze tot geloof en laat ze zich dopen.
Ze sluit zich aan bij de communisten, omdat ze heel veel overeenkomsten ziet

tussen de boodschap van Jezus en de boodschap van de communisten.
Na een aantal jaren betrokken te zijn bij de Chinese communistische partij
doet ze twee stappen, waarbij ze de woede van de partijleiding op haar hals haalt.
Het wordt publiek bekend dat ze naar de kerk gaat
en ze schrijft twee gedichten waarin de Mao openlijk bekritiseert.
Ze heeft het niet makkelijk in de gevangenis. Haar gezondheid is kwetsbaar
en omdat ze nooit haar familieleden mag zien, wordt ze ook depressief
En onderneemt ze verschillende zelfmoordpogingen.
Om zich toch overeind te houden, gaat ze schrijven: gedichten, toneelstukken, brieven.
Ze heeft echter geen inkt en geen pen.
Ze scherpt een bamboestokje tot een soort kroontjespen, prikt zichzelf
en vangt het bloed op met een spon. Dat wordt haar inkt.
Ze schrijft onder andere brieven aan haar moeder,
Waarin ze schrijft over haar moeilijkheden, maar ook over de kracht die de Geest haar geeft.
Deze brieven geven haar moed.
Ze weet alleen niet of deze brieven de gevangenis uitgaan.
De brieven worden door het gevangenispersoneel ook niet verstuurd, maar achtergehouden.
In een van haar laatste brieven, vlak voor haar dood schrijft ze haar moeder:
Wees niet verdrietig. Ik ben in handen van de hemelse Vader, niet van demonen.
Jaren later wordt het oordeel uitgesproken dat ze onschuldig is
En worden haar brieven en het andere dat ze geschreven heeft aan de familie overhandigd.
Een van haar laatste schrijfsels is een herdenkingsdienst
voor al degenen die onder Mao zijn omgekomen,
waarin ze ook om vergeving bidt voor al degenen
die in die tijd een einde aan hun leven maakten, omdat het te zwaar geworden was.

In het Bijbelboek Openbaring komen we een diep geloof tegen
dat een eenzame lijdensweg betekent dat je weliswaar van mensen gescheiden bent,
maar niet van de hemelse Heer, die is, die was en die komen zal.
In Openbaring komen we een diep geloof tegen dat God recht en gerechtigheid zal brengen.
Alle martelaren die sterven voor hun geloof, die trouw gebleven zijn,
Die wellicht net als Lin Zhao momenten van wanhoop hebben gekend,
het niet meer aankonden en in de dood nog de enige uitweg zagen,
dat ze in ere worden hersteld, allereerst doordat ze opgewekt worden, levend worden,
een leven in de heerlijkheid van Christus.
Recht doen aan de martelaren, betekent ook dat er een oordeel komt,
een oordeel over de beulen van Lin Zhao en van al die andere christenen,
een oordeel over de machthebbers die kerk en gelovigen hebben onderdrukt en vervolgd.
U heeft vast wel gemerkt dat Openbaring op verschillende manieren uitgelegd kan worden.
Ook voor hoofdstuk 14 zijn er meerdere mogelijkheden om uit te leggen.
Er wordt in dit hoofdstuk gesproken over oogst – in twee beelden.
In de ene uitleg wordt er aangegeven
dat in de twee beelden over hetzelfde gesproken wordt: de oogst als beeld voor het oordeel.
De engelen halen alle mensen binnen
en maken onderscheid tussen de goede en de slechte vruchten.
Er vindt een sortering plaats.
In de andere uitleg wordt er gezegd: Het gaat om twee verschillende momenten.
Eerst worden de gelovigen gered, bijvoorbeeld een opname van de gemeente.
Als de gemeente is gered, binnengehaald,
als oogst binnengedragen in de hemelse schuren, dan volgen de anderen.
Maar met hen zal het anders aflopen.
Zij hebben niet de goede vruchten.
Zoals een boer het onkruid verbrandt, van de dode takken een vuur maakt,
zo is er voor degenen die geen goede vrucht hebben,
geen hoop op een leven in Gods heerlijkheid.

De tijd is rijp – dat kan zijn: het leed dat de gelovigen overkomt is zo groot,
de verleiding zo sterk en zo gevaarlijk
er moet ingegrepen worden, het kan niet langer,
want anders zullen de gelovigen het niet meer aankunnen, er aan onderdoor gaan,
de moed opgeven, het geloof vaarwel zeggen, in de wereld opgaan.
De tijd is rijp dat God ingrijpt om Zijn kinderen te redden.
Een geloof dat we in het Oude Testament al zien,
Een verlangen dat God bevrijding komt brengen,
de onderdrukkers verjaagt en straft en Zijn rijk van vrede brengt.

De tijd is rijp – dat kan zijn: het onrecht op de wereld neemt toe,
de maat van de zonde raakt vol,
Het kwaad stapelt zich op, zoals de Toren van Babel die werd gebouwd
om tot in de hemel te komen.
Dit moet stoppen.
In de afgelopen weken keken we thuis de filmserie The Lord of the Rings.
Een ring die in het geheim gemaakt is
door een kwade macht om over de hele wereld te regeren.
Zolang die ring er is, kan die kwade macht actief zijn en krijgt hij steeds meer in zijn greep,
door de legers die hij bij elkaar brengt, de angst die die legers zaaien.
Net als in Psalm 2, de psalm die we ook lazen,
Legers die met elkaar optrekken tot die ultieme strijd.
Waarom woeden de volken.
Tegelijkertijd met die film lazen we aan tafel uit Openbaring.
Ons vielen de overeenkomsten steeds op: de macht van het kwaad dat toeneemt.
Legers die verzameld worden om de goeden met overmacht te verslaan.
Tolkien, die het boek schreef, moet Openbaring zorgvuldig hebben gelezen.
Er is wel enkele verschillen:
In de filmserie kun je wel een vergelijking maken met de duivel (Sauron),
maar is er niemand die doet denken aan God of Christus
Wellicht omdat God te heilig is om als personage in zo’n film te verbeelden.
Er is nog een verschil – ik denk juist omdat er geen rol voor God is –
het kwaad, de kwade machten verdwijnen. Of doordat ze gedood worden,
of doordat op het einde de ring vernietigd wordt.
In Openbaring wordt de boze, wordt het kwaad ook vernietigd,
maar gebeurt er ook eerst iets anders: een oordeel.
De boze, ieder die voor de boze gekozen heeft wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden.
Er is geen ontsnapping,
zoals in het filmpje de chauffeur bijna aan de politie wist te ontkomen.
Iedere macht, iedereen met macht, elk mens
zal eens voor God verantwoording afleggen.
Ook de gelovige – wat is er gebleken van je leven met Christus.
Wat is ervan terecht gekomen, welke vruchten heb jij gedragen.

Ik krijg veel reacties op de preken over Openbaring.
Dit Bijbelboek spreekt tot de verbeelding.
Wat dit Bijbelboek ook laat zien, dat er een ernst is: het gaat ergens om.
Het gaat om hoe je leeft, om welke uitwerking het geloof in je leven had.
Heb je vruchten gedragen die bij een christen past?
Daar gaat God over.
Wij kunnen niet zeggen: die heeft goed geleefd. Hij of zij komt er wel.
Nee, daar gaan wij niet over.
Alleen God, de wijngaardenier gaat over onze vruchten.
Hij toetst, oordeelt, beslist of wij bij Hem horen of niet,
Of we aan de stam Christus vastzitten of slechts een losse tak en dood zijn.

In het Bijbelboek Openbaring gaat het vaak over macht.
Rome was een wereldmacht, niemand was Rome de baas.
Christenen konden niet naar een ander land voor hulp,
niets kon Rome de baas, niets was tegen Rome opgewassen.
En toch, christenen hoeven niet te wanhopen.
Er is toch iemand die sterker is dan Rome,
Die de druif van Rome plukt en vertrapt,
de macht van Rome die op aarde zo sterk lijkt te zijn
is Gods ogen niet meer dan een druif die in de wijnpers wordt vertreden.
Wijnpers: beeld oordeel
Tegen God kun je niet op.
In Psalm 2 wordt er gesproken over hoe de volken in opstand komen tegen God,
onrustig, ze willen niet meer geknecht zijn,
grootmachten die krijgsgevangen gemaakt zijn, gevaarlijke tegenstanders van Israël,
ze denken als ze samenspannen ze zich wel los krijgen
en God te sterk af zijn.
Die in de hemel woont zal lachen.

Net als bij de torenbouw van Babel.
Vanaf de aarde lijkt heel wat, een enorm bolwerk waarmee je de hemel kunt bestormen.
Er is een Joodse uitleg die zegt dat God het niet zo goed kan zien, zo klein is het.
Hij moet vanuit de hemel naar de aarde komen om te zien wat het is.
Het hemels perspectief.
Dat moeten we als gelovige steeds voor ogen houden.

Dien de Heere met vreze – dat is geen angst, maar ontzag voor God,
dat je weet Wie Hij is, heilig ontzag, maar geen ontzag om op een afstand te blijven staan,
maar te komen en te knielen en te vertrouwen:
Welzalig allen die de toevlucht tot Hem nemen.

Ik wil afsluiten met de Heidelberger Catechismus:

Welke troost schenkt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
Antwoord: In alle droefheid en vervolging verwacht ik met een opgeheven hoofd Hem als Rechter uit de hemel, die zich eerst om mijnentwil voor Gods gericht heeft gesteld en heel de vloek van mij heeft weggenomen. Hij zal al zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse vreugde en heerlijkheid.
Amen



Les 7 Wederkomst en Laatste oordeel

Les 7 Wederkomst en Laatste oordeel

Anja is 25 als haar moeder overlijdt. Na het overlijden komt er bij haar een sterk verlangen naar de Wederkomst. ‘Wat zal de wereld mooi zijn zonder verdriet en pijn. Dan zal er een weerzien met mijn moeder zijn en zullen we samen de Heere kunnen dienen.’ Na enkele jaren trouwt Anja en krijgt ze een gezin. Na de geboorte van haar eerste kind merkt ze dat het verlangen naar de Wederkomst veel minder is. Ze wil nog zoveel meemaken van haar kind. Ze mist haar moeder enorm, zeker nu ze zelf moeder geworden is en ze weet dat de Wederkomst een keer zal gebeuren. Maar eerst wil ze nog meemaken dat haar kind op mag groeien.

Lisa is behoorlijk perfectionistisch aangelegd. Wat ze doet wil ze goed doen. Ze is daarin heel precies. Ze is ook heel streng voor zichzelf. Als iets niet goed geregeld is, neemt ze dat zichzelf kwalijk. Lisa is heel serieus, maar ze zou zichzelf niet gelovig durven noemen. Er is nog zoveel aan haar geloof en manier van leven aan te merken. Ze denkt er wel over na: Wat zal God van haar vinden? En straks, als ze overlijdt, dan komt ze voor Gods troon en dan? Hoe zal Hij over haar leven oordelen? Ze moet daar niet over nadenken.
Onlangs was ze op een Bijbelkring waar Mark ook was. Mark is heel anders: veel spontaner dan zij en wat laconieker. Tijdens deze Bijbelkring vertelde Mark dat hij geregeld naar de Wederkomst uitkijkt. Het lijkt hem heel mooi om de Heere Jezus terug te zien komen. Ze wist niet wat ze ervan moest denken. Waarom ziet hij niet tegen de Wederkomst van Christus op? Denkt hij dat hij zomaar de hemel in kan komen?

Vraag 1: Verlang jij naar de Wederkomst? Waarom wel / niet?




Vraag 2: Op welke momenten verlang je naar de Wederkomst? Op welke momenten hoop je dat de Wederkomst nog wel even duurt?



Vraag 3: Welk oordeel zal God over jouw leven vellen? Hoe weet je dat?




Vraag 4: Kun je zomaar in de hemel komen? Of is daar iets voor nodig?


Uitleg – Wederkomst
De Heere Jezus heeft verschillende keren vertelt dat Hij uit de hemel zal terugkomen op aarde. We noemen dat de Wederkomst. Hij vertelde over Zijn Wederkomst vlak voor Zijn sterven en ook vlak voordat Hij naar de hemel ging.
Als kerk kijken we dus uit naar het moment dat Christus weer op aarde verschijnt. Dat wil niet zeggen dat Hij helemaal weg is. Ook nu kan Hij door de Heilige Geest bij ons zijn. Bijvoorbeeld als we met elkaar spreken over God. Als we in de kerk zijn. Als we lezen uit de Bijbel. Of als we zingen. Maar bij de Wederkomst zal Christus helemaal op aarde zijn.
Vanaf dat moment zal de duivel geen macht meer hebben op aarde. Vanaf dat moment zal er geen zonde meer zijn. Dan zal er niemand meer ziek of gehandicapt zijn. Degenen die gestorven zijn zullen opstaan. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Nu al regeert Christus vanuit de hemel op aarde. Er zijn nog steeds kwade machten en slechte mensen. Maar als Christus dat wil, dan moeten ze hun macht inleveren en worden ze gestopt.
De tijd tot aan de Wederkomst zal geen makkelijke tijd zijn. Er zullen oorlogen zijn en ruzie. Er zal verzet tegen Gods werk zijn. Als kerk mogen we weten dat al die oorlogen en alle ellende voorbij zullen zijn als Christus terugkomt. Dan zal het definitief goed zijn.

Uitleg – het laatste oordeel
Als Christus terugkomt, zal er ook het laatste oordeel zijn. Dat oordeel zal gaan over hoe wij hebben geleefd. Als je gelooft in de Heere Jezus hoef je daar niet bang voor te zijn, want dan heeft Christus dat oordeel al gedragen en mag je de hemel ingaan. In Zijn oordeel is God veel barmhartiger dan wij. Zelfs de moordenaar aan het kruis mocht enkele minuten voor zijn dood toch weten dat de hemel ook voor hem openging, omdat hij geloofde in Christus.
Voor wie niet gelooft is er geen plek in de hemel. Toch moeten we hier voorzichtig. Want wij zijn het niet die oordelen. Christus spreekt dat oordeel uit. Hij zal dat eerlijk en rechtvaardig uitspreken. Hij zal dat ook barmhartig doen.
Dat God oordeelt is een troost voor iedereen die hier op aarde slecht behandeld is. Als mensen geen recht gedaan is, dan zal God rechtspreken.
Als je gelooft, heb je er wel naar te leven. Je kunt niet zeggen: Ik geloof wel, maar ik hoef er niet naar te leven. De Heere Jezus vertelt over het laatste oordeel dat er ook gekeken wordt of je iemand een beker water aanbiedt, te eten geeft, opzoekt en van onderdak voorziet. (Mattheüs 25: 31-46) De Heere Jezus vertelt over 6 daden die we kunnen verrichten. Later komt er een zevende bij: het begraven van de overledenen. Deze zeven daden worden de 7 werken van barmhartigheid genoemd.

Bijbelstudie – Lees Mattheüs 25:31-46

Vraag 5:  Denk na over een situatie waarin je één van deze 6 daden hebt verricht. Kun je er een vertellen?



Vraag 6: Kun je ook vertellen over een situatie waarin je iets niet hebt gedaan?


Vraag 7: Waarom zouden we zoiets voor de Heere Jezus hebben gedaan?


Preek zondag 24 september 2017

Preek zondag 24 september 2017
Romeinen 2:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulien en Chris zijn toch bij elkaar gekomen;
(Zie in de introductie van de preek van vorige week over Johannes 9)
hij heeft Paulien zien staan en het is wat geworden.
Ze zijn allebei wel heel verschillend.
Vaak is dat heel boeiend en kunnen ze daar van genieten.
Er zijn echter ook momenten waarop ze elkaar niet begrijpen.
Ook als ze een tijdje bij elkaar zijn en elkaar steeds beter gaan begrijpen,
zijn er momenten waarop het mis gaat tussen hen.
‘Als het weer een keer mis gaat, roept Paulien het wanhopig uit:
Je kan echt niet naar jezelf kijken; je legt de schuld altijd bij een ander neer.
Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is.’

Dat is ook het verwijt dat Paulus maakt tegen zijn gesprekspartner:
‘Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is. Je kijkt alleen maar naar de fouten van een ander.’
Paulus heeft net hiervoor geschreven
dat je aan de manier waarop heidenen leven kunt zien dat ze van God los zijn.
Ze hebben de levende God ingeruild voor afgoden,
hun natuurlijke driften, op het vlak van de seksualiteit kunnen ze niet beheersen.
Paulus is daarmee nog niet klaar met het aanwijzen van de fouten onder de heidenen:
Ze zijn vervuld van allerlei ongerechtigheid, hoererij, boosaardigheid, hebzucht, slechtheid. Ze zijn vol afgunst, moord, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid
Kwaadsprekers zijn het, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, bedenkers van slechte dingen, ongehoorzaam aan hun ouders,
onverstandigen, trouwelozen, mensen zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig.
Dat is nogal een hele lijst.
Tijdens deze opsomming zijn er mensen die tijdens het luisteren zijn gaan knikken:
‘Paulus heeft het maar eens goed gezegd. Zo is het.
Hij draait er tenminste niet om heen, maar heeft alles eerlijk benoemd.
In zo’n tijd leven we. Goed dat Paulus daar iets van zegt en daartegen waarschuwt.’
Er zijn ook kerkmensen die,
wanneer er verteld wordt wat er in onze samenleving of kerk niet deugt
vooral aan anderen denken en niet bij zichzelf nagaan op welke manier zijzelf betrokken zijn.
Terwijl Paulus al deze zonden opnoemt, zeggen ze in zichzelf  ‘Goed zo, Paulus!’
en in andere kerken zouden ze opgestaan zijn en zouden ze ‘Amen!’ roepen met applaus.

Ze hebben niet op het gevolg van de preek van Paulus gerekend,
want terwijl zij instemmen met de preek, spreekt Paulus juist die mensen aan
die Paulus hardgrondig beamen bij het opnoemen van al die zonden:
‘Maar jij moet niet denken dat je goed zit.
Jij kijkt alleen naar de fouten van een ander, maar je ziet je eigen aandeel over het hoofd.
Denk maar niet dat jij op deze manier voor God kunt verschijnen!’
Nou, dat hadden ze vast gedacht dat ze dat wèl konden.
Zij behoorden immers tot het volk van God en waarom zou God Zijn eigen volk veroordelen?
De mens die Paulus hier aanspreekt is naar alle waarschijnlijkheid een Jood,
die kan wijzen op zijn geboorte als Jood en dat nog eens bevestigd door de besnijdenis.
Ik behoor tot het volk van God – dan zit ik toch goed?
Ik heb de wet van God, die houd ik, alle geboden.
Met mijn manier van leven die zuiver en oprecht is, verantwoord, kom ik toch in de hemel?
Denk maar niet dat jij, mens, te verontschuldigen bent
en dat jij aan Gods oordeel over je leven kunt ontsnappen omdat je Jood bent
en dat je na jouw sterven in de hemel komt omdat je je aan Gods wet houdt.

Je moet altijd heel voorzichtig zijn
om een vergelijking te maken tussen het Joodse volk en de kerk
maar houdt Paulus hier ook niet een spiegel voor als je van jezelf vindt
dat je in de hemel kan komen, omdat je zo goed leeft, of omdat je bent gedoopt
en tegelijkertijd van anderen vindt dat zij daar echt niet kunnen komen?
In ieder geval houdt Paulus ons voor om voorzichtig te zijn met een oordeel over anderen
en dan vooral het oordeel wie er wel en wie er niet een oprechte gelovige is
en een oordeel wie er wel en wie er niet in de hemel zal komen.
Dat oordeel komt ons niet toe.
Dat oordeel komt Christus toe.
En als je over anderen oordeelt, dan ga je op de plek van Christus zitten
en doe je dan niet net als die anderen, die ongelovigen, die een afgod dienen
of die de levende God hebben ingeruild voor iets anders?
Er is een uitspraak van de Heere Jezus, waarin Christus hetzelfde verwoordt:
Oordeelt niet opdat u niet geoordeeld wordt.
want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.
Wat Paulus verwoordt, is de boodschap die Zijn meester ook had:
Wie zelf het oordeel velt over mensen,
die zal zelf aan het oordeel van God onderworpen worden.

Dit is toch een heel andere Paulus dan die wij rondom het avondmaal hadden,
Paulus die sprak over het evangelie als kracht van God tot behoud,
over vergeving van zonden en een nieuw leven dat door Christus mogelijk is.
Waarom eigenlijk?
Waarom houdt Paulus het niet bij die mooie boodschap, die je opbeurt?
Wat mij zelf altijd weer voorzichtig maakt met preken over God die oordeelt,
is dat er gemeenteleden zijn die te vaak hebben gehoord van een God die oordeelt,
zo vaak dat ze God alleen nog maar kunnen zien als een oordelende God
En vooral een God die hen veroordeelt en voor altijd afwijst.
Maar toch kunnen we er niet om heen,
want God oordeelt ook over wat wij doen, hoe wij in het leven staan.
Het was voor mij een verrassing om die tekst bij Paulus tegen te komen,
waarin Paulus aangeeft dat onze daden meetellen in het oordeel
dat God over ons leven uitspreekt als wij gestorven zijn,
wanneer wij voor God komen en God ons leven nagaat hoe we hebben geleefd.
God zal ieder vergelden naar zijn werken.
Ik dacht dat in het oordeel over ons leven het er alleen om gaat,
of je gelooft in de Heere Jezus en wanneer je gelooft dan ben je behouden,
dan mag je wanneer God als rechter over jouw leven oordeelt achter Hem schuilen
omdat Hij voor je zonden gestorven is en mag je de hemelse heerlijkheid binnengaan.
Nee, zegt Paulus, het doet ertoe hoe je hebt geleefd
En dan niet alleen maar in wat bij andere mensen zichtbaar is,
maar vooral ook hoe je van binnen bent geweest,
hoe je naar andere mensen gekeken hebt, welke mening je over hen had,
door welke emoties en driften jijzelf je liet beheersen.
Want je kunt wel zeggen dat je Gods wet houdt,
maar als dat alleen maar aan de buitenkant is,
als dat alleen maar is wat de mensen ervan zien
dan houd je die wet helemaal niet.
En je kunt wel zeggen dat je Jood bent, omdat je besneden bent
en daarmee het teken van het verbond hebt ontvangen,
maar daarmee red je het niet als er niet van binnen, in je hart niet iets is weggesneden,
Waardoor de zonde binnen in je leeft.
Daar eindigt het hoofdstuk ook mee: Jood-zijn zit niet aan de buitenkant,
maar van binnen, omdat daar – net als bij de besnijdenis – iets is weggesneden:
Alles wat je op het verkeerde pad brengt
en dat is veel vaker onzichtbaar voor de mensen om je heen.
Alleen God kent je hart en weet wat daar vanbinnen in je omgaat.
Ook als je van jezelf vindt dat het goed zit
en tegelijkertijd van mening bent dat het bij een ander goed mis zit,
heb je eraan te denken hoe God erover denkt en welk oordeel Hij velt,
over die ander, maar ook over jezelf.

Waarom begint Paulus daarover? Want ik heb daar nog geen antwoord op gegeven.
Omdat er als gelovige ook een trots kan komen,
Waarbij je vindt dat je het als mens, als gelovige beter doet dan die ander
Of waarbij je vindt dat jij als gelovige het evangelie beter hebt begrepen
en je jezelf omhoog werkt, hoger plaatst dan die ander, veel dichter bij God,
waarbij je bij jezelf denkt: zoals ik ben, zoals ik leef, zoals ik denk,
dan moet ik wel een plaatsje in de hemel krijgen.
Het gevaar om tevreden te zijn met jezelf, dat is wat Paulus wil bestrijden,
dat je denkt dat je op deze manier zo wel God onder ogen kunt komen na je sterven.
Dat is niet alleen gevaarlijk omdat je jezelf beter vindt dan een ander,
maar ook ervan uit gaat je wel in de hemel zult komen
zonder dat er over je geoordeeld wordt.
Ja, wel over die ander, maar niet over jezelf.
Je gaat eraan voor bij dat je alleen in de hemel kunt komen,
als je gelooft in de Heere Jezus, dat Hij voor je zonden gestorven is,
als je vrijgesproken bent van door God zelf.
Én je gaat eraan voorbij, dat het geloof in de Heere Jezus ook iets van je vraagt,
iets met je doet en dan niet alleen als gevoel iets doet,
dat je een warm gevoel van binnen krijgt, een enthousiasme voor God (dat kan zeker),
maar dat er iets gebeurt met hoe je naar jezelf kijkt, naar anderen kijkt, naar de wereld kijkt.
Dat je niet alleen maar de fouten van een ander kijkt,
maar ook inziet op welke manier jijzelf mis zit, naar God toe, naar anderen toe.
Dat je niet beter bent en het niet beter doet, alleen maar omdat je naar de kerk gaat,
alleen maar omdat je uit de Bijbel leest, alleen maar omdat je bent gedoopt.
Dat is allemaal goed, maar als het je niet verandert, niet een ander mens maakt,
blijf je zelf buiten schot en dat kan niet.
Want wat er moet iets met je gebeuren. Paulus gebruikt ergens anders een radicaal beeld.
De oude mens sterft en een nieuw mens staat op.
Zoals je nu bent, zo kun je niet blijven, want zo kun je niet voor God komen.
Er moet een ander hart komen, gereinigd van de zonde.
Je hart, dat gaat over de intentie waarmee je iets doet, je echte doel.

Nog even terug naar Paulien en Chris.
Chris kan een relatie met Paulien beginnen, waarbij hij aan zichzelf denkt,
om aan vrienden te laten zien bijvoorbeeld om zijn reputatie waar te maken
dat hij goed bij de meisjes ligt en makkelijk verkering krijgt.
Dan is het hem helemaal niet om Paulien te doen,
maar alleen hoe anderen naar hem kijken.
Wanneer het serieus wil worden, moet er iets bij Chris van binnen veranderen,
waardoor het echt iets wordt, dat de liefde leeft in het hart van Chris.
zo kan iemand zich aan de buitenkant gelovig voordoen,
maar van binnen in het hart niet met God bezig zijn, maar met zichzelf.
dan moet er van binnen iets veranderen, in het hart, waardoor echte liefde komt voor God
Daar hoort wel bij dat je inziet, dat je de liefde van God eerder hebt genegeerd,
Dat je niet open stond voor de boodschap die God had,
dat Hij in je leven wilde komen, dat Hij wat je verkeerd gedaan had wilde vergeven,
dat Hij je een nieuw mens wil maken.
Dat inzicht dat je verkeerd zat, dat hoeft geen voorwaarde vooraf te zijn,
Dat kan ook groeien in de loop van je leven met de Heere.
De relatie die wij hebben met de Heere, die wij krijgen,
is anders dan die tussen vriend en vriendin, een andere relatie dan die van Paulien en Chris.
Want God is degene die ons gemaakt heeft, Hij staat boven ons,
Hij is onze Heer – onze Meester, onze Chef, onze Baas. Wij zijn geen gelijke.

De preek begon ik met Paulien en Chris die af en toe niet op één lijn zitten.
Dat kan gebeuren, juist omdat ze zo verschillend zijn.
Maar als het goed is leren ze wel van die conflicten die ze hebben
en groeien ze in hun relatie.
Wanneer Chris van Paulien te horen krijgt
dat hij alle schuld buiten zichzelf legt en alleen maar naar anderen wijst,
Dan zal hij daar wellicht eerst boos over zijn,
maar al als het goed is er wel over nadenken, of Paulien toch niet ergens gelijk heeft.
Dat is wat Paulus ook beoogt met dit scherpe stuk in de brief aan Rome.
Zijn doel is dat de mensen die hij aanspreekt over zichzelf gaan nadenken
en hem gelijk geven dat ze zelf mis zitten.
Het is Paulus er niet om te doen om dat er fijntjes in te wrijven dat ze fout zitten.
Zijn doel is anders: Hij wil hen bij Christus brengen, dat is wat Hij beoogt.
Want alleen door de Heere Jezus kun je gered worden van het oordeel.
Hij hoopt door aan te geven dat ze mis zitten,
dat ze tot het inzicht komen dat er iets met hen moet gebeuren
en dat ze aan het juiste adres zullen zoeken: bij Christus die voor de zonde stierf.
Dat is ook de reden waarom we in de kerk over zonde praten.
Niet om ons daardoor beter dan anderen te voelen,
maar uit bewogenheid, zodat degenen die nog zonder de Heere Jezus leven
tot het besef komen, dat ze zonder hem niet kunnen leven, niet kunnen sterven.

We houden ons daarmee niet buiten schot,
Want we weten dat we niet beter zijn,
We weten dat uit de Bijbel, uit onze eigen ervaring,
Wat we wel weten is waar we het moeten zoeken
om bevrijd te worden, los te komen, om een ander mens te worden.
Bij Christus.
Vgl dankgebed doopformulier:  en onbevreesd voor de rechterstoel van Uw Zoon, Jezus Christus, mogen verschijnen

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Wiens wanbedrijf , waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed;

Geen snood bedrog maar blank’ oprechtheid voedt.

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Amen



Preek zondagmorgen 18 juni 2017

Preek zondagmorgen 18 juni 2017
Handelingen 17:15-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus in Athene moet wachten op zijn medereizigers Silas en Timotheüs,
gebruikt hij die tijd om de stad Athene te verkennen.
Hij zwerft door de stad, bekijkt de belangrijke gebouwen die er zijn,
hij bezoekt de verschillende wijken:
de rijke wijken in het centrum waar de belangrijkste mensen wonen,
hij komt in de armere wijken waar de toeristen niet snel zullen komen.
Hij komt bij markten waar handelswaar verkocht wordt
en bij pleinen waar mensen bij elkaar zijn om de laatste nieuwtjes uit te wisselen.
Als hij zo door de stad zwerft, valt hem iets op.
Geloof en godsdienst heeft in deze stad een bijzondere plek.
Geen gebouw, straat of plein, of er staat wel een beeld van een god, een tempel of altaar.
Als hij bij het stadhuis komt, staan daarvoor een groot beeld van de godin Pallas Athene,
de beschermgodin van deze stad, de godin van wijsheid.
En hoeveel tempels Paulus niet is tegengekomen.
Hij kan geen god bedenken, of ze hebben hier in Athene er wel een tempel voor.
En waar hij komt: standbeelden die een god uitbeelden.
Als hij een winkel binnenstapt, of bij een markt kijkt, overal staat er wel een beeld.
Als hij bij het ziekenhuis kijkt, de haven, bij de poorten van de stad, langs de handelsroutes.
Ook als hij in de wijken verder van het centrum komt,
elke straat heeft wel iets, waarmee men een god of godin kan vereren.
Het laat hem niet koud, het raakt hem steeds weer als hij zo’n beeld ziet,
zo’n tempel in het straatbeeld ziet opdoemen.
De mensen zijn hier helemaal niet onverschillig.
Voor alle goden die er op de wereld zijn, is hier een plaats ingeruimd.

Maar of ze God ook kennen – de enige God die er is: Vader, Zoon en Heilige Geest,
die deze wereld geschapen heeft en ook de hemel,
die aan elk mens, ook de Atheners hier, het leven heeft gegeven.
Hij vraagt het ook aan de mensen die hij tegenkomt,
die bij elkaar staan en druk praten over wat hen bezig houdt:
Heb je ook gehoord van Christus, die is opgestaan uit de dood?
Heb je ook gehoord van God die naar de aarde kwam om mens te worden
en te sterven aan het kruis?
Als hij daarover begint met de mensen in Athene kijken ze hem aan.
De reactie is steeds verschillend: de een is verbaasd, nee nooit van gehoord.
Een ander weer verontwaardigd: opgestaan uit de dood, een god?
Hoe kun je zoiets verzinnen?
Een ander bezorgd: Christus, gestorven, waar heb je het over?
Wat voor nieuwerwetse ideeën kom je hier in Athene brengen.
Zulke revolutionaire ideeën horen niet in Athene, de stad van de eerbiedwaardige wijsheid,
die al eeuwen meegaat en over heel de wereld wordt geroemd
en waarvoor de mensen over heel de wereld in deze stad komen als toerist.
Die boodschap wat die Joodse man, die Paulus komt brengen, kan nooit goed zijn.
als Paulus zo verschillende mensen aanspreekt, gebeurt er wat in dat grote Athene.
Mensen beginnen ongerust te worden, nieuwsgierig, maar vooral argwanend.
Wat komt hij doen, welke boodschap en welke God komt hij brengen.
Christus, Opstanding?
Hier moeten we meer van weten.
Dan komen ze bij elkaar,
mensen met bevoegdheid om een oordeel uit te spreken in godsdienstige zaken
en ze gaan Paulus vragen op wat hij nu in deze stad komt doen
en of zijn boodschap passend is bij deze situatie.
Paulus kan er de humor van inzien: jullie vragen naar wat ik kom doen.
Daar zijn jullie steeds mee bezig.
Daar zijn jullie in Athene goed in heb ik gemerkt:
die nieuwsgierigheid, het naadje van de kous willen weten.
Jullie bevragen alles en zagen iedereen door
en nu ik jullie iets kom vertellen over de God die voor julie onbekend is,
een God die jullie ook willen dienen tussen al die goden die jullie hebben,
zijn jullie ineens wantrouwend en wil je meer weten?

Ik ben benieuwd wat Paulus zou constateren als hij in Oldebroek zou komen.
Wat zou hij opmerken, wat zou hem raken
als hij het gemeentehuis binnenstapt, de Emté, Strijkert, de kledingwinkels, de boekhandels,
wat zou hij signaleren bij de bouw van de Boni en de appartementen erboven?
Wat zou hij opmerken als hij de kerken van Oldebroek binnenstapt
en zwerft over de straten van Oldebroek,
Als hij door de Van Pijkerenlaan loopt en over de ds Otto Veeninglaan,
als hij in de nieuwbouw komt, door de buitengebieden,
als hij over via Vierschoten door ‘t Loo komt naar het vakantiepark?
Wat zou hij daarna zeggen over wat hij hier heeft gezien, wat hij opmerkt?
Zou hij ook hier zeggen: ik zie dat jullie heel godsdienstig zijn?
Ik merk dat op elke plek die ik kom?
Grote kans dat Paulus dat kan zeggen.
Zal hij ook moeten zeggen, net als bij de Atheners zich hardop moeten afvragen
Jullie zijn heel godsdienstig, maar kennen jullie de echte God ook:
Vader, Zoon en Geest – de enige God die er is, die regeert tot in alle eeuwigheid?
Of is het het nodig, dat ik over Hem kom vertellen?
Persoonlijk kom ik weinig mensen tegen die niet op de een of andere manier
toch met God verbonden zijn, al is het soms een dun lijntje, het is er.
Ik kan me niet herinneren dat ik een begrafenis heb gehad
waarbij de kinderen of de familie zeiden: met God had hij helemaal niets.
Zou hij iets anders opmerken: Jullie zijn wel godsdienstig
en Christus speelt een grote rol in jullie leven en de kerk ook,
maar wat ik waarneem, is dat het geloof een apart onderdeel is van je leven:
iets dat je vooral op zondagmorgen doet en ‘s avonds voor je je bed instapt,
dat je nog even een gebedje doet en als je niet te moe bent nog een stukje uit de Bijbel.
Ik zie dat jullie veel voor de kerk over hebben, niet beroerd zijn om je in te zetten,
maar wat ik zie is dat je weinig tijd neemt om echt naar de Heere te luisteren.
zou het zo gaan, ik weet het niet, ik ben Paulus niet
en Athene, de wereldstad vol Griekse filosofie is een andere plek
dan een dorp aan de rand van de Veluwe,
waar God nog een belangrijke plek in het dagelijks leven heeft.

In Athene wordt Paulus ook kritisch bevraagd,
terwijl Paulus hier misschien met open armen ontvangen zou worden
en hier een bereidheid zou zijn om serieus naar zijn woorden te luisteren,
nieuwsgierig naar wat Paulus over onze situatie zou vertellen als gezant van Christus.
In Athene wordt Paulus met argwaan ontvangen: waar kom je ons mee opzadelen?
Paulus grijpt zijn kans om over God te vertellen,
aan mensen die heel wat andere goden kennen,
maar de kennis over de enige, de ware God missen.
‘Ik heb door jullie stad gelopen en ik heb heel wat gezien.
Wat ik vooral gezien heb is dat religie een belangrijke plek in jullie leven inneemt.
Maar ik wil het hebben over die ene God voor wie jullie een altaar hebben neergezet,

de God die voor jullie onbekend is.
Dat is de God over wie ik kom vertellen en die ik jullie kom bekendmaken.
Jullie hadden die God kunnen kennen, want Hij is het die de hemel en de aarde maakte.
Hij is het die aan jullie het leven gaf.
Deze God is zo groot, dat de wereld Hem niet kan bevatten.
En wat voor een tempel jullie ook voor Hem zouden bouwen, Hij zou er niet in passen.
Er is van Hem geen beeld te maken, want materiaal dat in mensenhanden is geweest,
is niet in staat om iets weer te geven van deze God:
Wij als schepselen zijn niet in staat om iets af te kunnen beelden van onze Schepper.
Hij heeft alles geschapen en heeft ook aan alle mensen een plek toegewezen.
Dat jullie hier in Athene wonen en dat Athene in de geschiedenis een belangrijke stad is,
vanwege die enorme historische erfenis door de Romeinen met eerbied behandeld,
anders dan de andere steden die door de Romeinen veroverd zijn,
dat hebben jullie aan deze God te danken.
En dat heeft Hij gedaan, zodat ieder mens die op aarde leeft
op zoek zou gaan naar God, op zoek naar Degene die de Schepper is,
die aan het begin van ons leven staat, die er voor gezorgd heeft dat we er zijn,
die ons bestaan heeft gewild.
Zijn jullie naar Hem op zoek geweest, echt gezocht, omdat je meer wilde weten,
of was het uit voorzorg, stel je voor dat je Hem zou vergeten
en met dat altaar hebben we ons dan mooi ingedekt.
Soms kunnen godsdienstige vormen zo geruststellend werken,
dat je vergeet om op zoek te gaan naar God.
Al doe je maar een poging, als zoek je tastend naar God.
Deze God is voor jullie onbekend, maar er is zoveel om je heen dat iets van God laat zien.
Hij is helemaal niet ver weg.
Je hoeft geen grootse wereldreis te maken, geen lange pelgrimstocht.
Kijk maar omje heen en je ziet dat deze wereld geschapen is door God.

Paulus zal dat waarschijnlijk niet tegen iedereen zeggen,
want niet iedereen, zeker niet in onze tijd, zal dat onderschrijven.
Zeker in onze tijd zijn er heel wat die zeggen: er is geen God
en de wereld om ons heen is mooi, maar ik zie daar niet de hand van een God in.
Paulus kan dat tegen de Atheners zeggen,
omdat zij zelf ook geloven in goden en ook geloven dat de wereld er niet zomaar is.
Paulus kan zich daarbij aansluiten.
Nu vandaag zijn er veel mensen in ons eigen land,
die niet geloven en God ook niet missen.
Lange tijd was gedacht dat mensen die zonder God leven wel wanhopig moeten zijn
en ik hoor het in gesprekken ook geregeld:
Ik zou niet weten, hoe iemand die niet gelooft in God dit kan doorstaan,
Want ik kon dit alleen met Gods kracht doorstaan.
God wordt echter door veel mensen niet gemist.
Evangelisten merken dat en misschien merk je dat onder medeleerlingen of collega’s ook.
Waar zou je in onze tijd bij aan kunnen sluiten?
Is er nog wel iets wat een brug vormt naar het geloof in God?
Misschien is het hoogst haalbare dat anderen horen over God en gaan nadenken over God
door jouw aanwezigheid en doordat jij gelooft zich opeens gaan afvragen:
Is er dan een God? Wie zou die God dan zijn? Hoe zou ik die God dan kunnen kennen?
Het is een uitdaging en een taak om te zien waar in onze tijd
iets te vinden is van God, waar we mensen die van God niet weten
toch kunnen vertellen over Hem, al is het maar iets.
Hij is niet ver weg, vertelt Paulus, en ieder mens over heel de wereld kan Hem leren kennen.
Ook iemand die niet gelovig is opgevoed en vanuit zichzelf er helemaal niet mee bezig was
kan God leren kennen.

Paulus heeft een aanknopingspunt, hij heeft iets in Athene ontdekt,
waarbij Hij kan aansluiten om over God te vertellen.
Dat is al heel wat en als Paulus het daarbij had gelaten,
hadden we het heel knap kunnen vinden, heel origineel om een dichter aan te halen,
iemand uit Athene zelf, met veel gezag voor de Atheners,
zoals nu het ook kan helpen als een voetballer, een zanger een geleerde of een politicus
iets vertelt waardoor je gaat nadenken over God.
Of waarin je iets hoort, waarvan je denkt: dit kan alleen God doen.
Ooit had ik een begrafenis, waarbij tijdens de dienst
er ook liederen van Andrea Bocelli en Marco Borsato werden gedraaid.
Liederen waarin gezongen werd, dat het afscheid niet voorgoed zou zijn
omdat je altijd aan de overledene denkt en hoopt op een weerzien.
Waarvan ik dacht: is dat niet te mooi en is de dood toch niet een breuk
en alleen God kan het waarmaken dat Hij altijd aan ons denkt en opzoekt,
en alleen de opstanding van Christus uit de dood maakt een weerzien in de hemel mogelijk,
omdat Hij door Zijn sterven de deur naar het paradijs geopend wordt.
En dan kan er wel een trein naar dat paradijs rijden volgens het lied
– alleen Christus is de weg.
Paulus is ook kritisch.
Hij knoopt eerst bij ze aan.
Bij wat de Atheners weten en geloven,
maar dan geeft hij aan, dat het niet onschuldig is wat ze doen:
zoveel goden vereren en overal in de stad beelden van goden neerzetten.
Dat kun je niet maken. Je gaat als schepsel in tegen God,
Wij kunnen niet bepalen hoe God eruit ziet.
Onze handen vormen God niet – Hij heeft ons gevormd.
Paulus heeft alle reden om kritisch te zijn op het geloof van de Atheners,
Want hij kwam niet als toerist naar Athene
en hij wandelde niet alleen uit interesse voor de stad rond,
maar hij heeft een boodschap van God, die onbekend is voor de Atheners:
dat ze alleen deze God echt kunnen leren kennen als ze zich omkeren
en naar deze God gaan, echt op zoek.
Want er komt een dag dat er een einde komt aan heel deze wereld
en ook aan al die tempels en al die goden in Athene.
Op die dag zal de Christus over wie ik vertelde
ook aan jullie vragen wat je met deze God hebt gedaan.
Of je naar Hem op zoek bent geweest en of je je leven voor Hem wilde open stellen.
Er komt een oordeel over heel deze wereld, over iedereen, een rechtvaardig oordeel.
Dat er een oordeel komt, weet ik omdat Christus is opgestaan uit de dood.
Deze Christus leeft en regeert en zal komen om te oordelen de levenden en de doden.
Aan Zijn rijk zal geen einde komen.

Tot dan toe hebben ze serieus naar Paulus geluisterd,
misschien wel net zo kritisch naar Paulus toe als Paulus was naar hen toe.
Maar als Paulus het heeft over Christus die opstond uit de dood,
schieten ze in de lach en kunnen ze het niet meer houden.
Dat kunnen ze zich niet voorstellen, hoe geleerd deze mensen ook zijn.
Dat er een God is die in staat zijn om het lot te doorbreken,
dat er een God is die in het rijk van de dood neerdaalde en weer levend terugkwam,
een God die sterker is dan de dood.
Absurd en ongeloofwaardig – dat past niet in hun manier van denken.
Ik moet ook wel zeggen, dat ik er soms als ik bij het graf sta
het door me heen flitst: zal het allemaal wel waar zijn, van die opstanding
en dat leven in Gods heerlijkheid.
En afgelopen week ging het tijdens de cursus ook over angst voor het sterven
en werd van ons gevraagd of het vreemd is om angstig te zijn voor de dood.
Ik heb toen dat zelf aangegeven, dat ik dat niet vreemd vind,
omdat het wel eens door mij heen schiet: als ik sterf, zal God er dan wel zijn?
Zal Christus er dan staan om mij door de dood te geleiden?
Gelukkig is dat niet een aanvechting die ik altijd heb
en ook niet een twijfel die het laatste woord heeft
en kan ik troost en rust vinden in Christus die is opgestaan uit de dood.
Maar het is wel een heel geloof en in Athene zien we dat dit geloof niet voor iedereen geldt.
Dankbaar ben ik al die keren dat ik het wel kan geloven
en ik zie het als mijn taak om dat geloof in Christus die is opgestaan
en Christus die voor ons uit gegaan is om een weg te banen door de dood
om ons mee te nemen door de dood heen naar het Vaderhuis waar een woning is
ook weer steeds te voeden.
Ook het geloof dat Christus zal oordelen trouwens.
Daar denk ik geregeld over na – en misschien hebt u dat ook wel.
Daar kan ik ook wel tegen op zien – en misschien ook wel,
maar tegelijkertijd mogen we weten, dat juist omdat Hij stierf en opstond
degene die gelooft niet meer hoeft te vrezen en mag uitkijken om Christus te ontmoeten.

En toch – helemaal een mislukking is Paulus’ werk in Athene niet.
Het is geen groot aantal, slechts twee namen worden er genoemd: Dyonisius en Damaris.
Waar over Christus wordt verteld, daar werkt de Geest ook
en al is het resultaat voor het oog niet groot, de Geest kan overal een gemeente vormen
zodat die boodschap steeds weer wordt doorverteld,
zodat er in die godsdienstige plaats er ook een groep is,
die de enige, ware God – Vader, Zoon en Heilige Geest – eert en dient.
Ik heb in de loop van de jaren geleerd om ook dat ogenschijnlijk kleine resultaat te waarderen
want elke bekering, elke omkeer is een wonder, een teken dat de Geest werkt.
In Athene, in Oldebroek en tot de dag van Christus’ wederkomst,
tot de dag dat het oordeel waar Paulus over spreekt komt
zal de Geest bezig zijn om mensen te winnen voor die Christus.
Met u is Hij bezig, met jou, met mij – zodat we voor die dag niet bang hoeven te zijn,
maar dankbaar en blij onze Heere mogen ontmoeten.
Amen

Hou(d)vast hoofdstuk 14 Respect voor God. Over wederkomst en oordeel

Hou(d)vast hoofdstuk 14 Respect voor God. Over wederkomst en oordeel

Vraag 1. Dit hoofdstuk gaat over de wederkomst en het (laatste) oordeel. Schrijf voor jezelf op, voor je het hoofdstuk gaat lezen: (Zie ook de opdracht op blz. 101)

Ik kijk wel / niet naar de wederkomst van Christus uit, want …


Over de wederkomst heb ik de volgende vragen:
1.)

2.)

3.)


Vraag 2. Dit hoofdstuk gaat ook over het (laatste) oordeel. Schrijf voor jezelf op, voor je het hoofdstuk gaat lezen:

Ik kijk wel / niet uit naar het laatste oordeel, want …



Over het laatste oordeel heb ik de volgende vragen:



Vraag 3. In Op Toonhoogte is er een rubriek ‘Toekomst en eeuwig leven’ (nummer 327-337). Welk lied uit deze rubriek vind je mooi? Helpt dat om al iets meer te begrijpen over de wederkomst en het laatste oordeel? Welke vragen roepen deze liederen op (die je nog niet bij 1 hebt)?

Ik vind het lied ……………….. mooi, omdat …


Door deze liederen heb ik nog de volgende vragen:
1.)

2.)

Vraag 4. Bijbelstudie: Psalm 98.
Aantekeningen:
* Zing een nieuw lied: zingen geeft extra vreugde; een nieuw lied omdat God verrassend ingegrepen heeft.
* Wonderen: ingrijpen van God, bijvoorbeeld door de uittocht uit Egypte, redding van de vijanden. De hoop dat God in zou grijpen was verdwenen. Daarom wordt het ingrijpen als verrassend ervaren. Óf men denkt terug aan vroeger, aan wat God toen deed. Daarom hoopt men dat God dat opnieuw laat zien.
* Rechterhand / arm: uitdrukking voor Gods macht, die Hij dan laat zien.
* Heil: redding, bevrijding, geluk, vrede, welzijn.
* Gerechtigheid: eerlijkheid, eerlijke rechtspraak, geen corruptie en geen andere chaos meer door mensen veroorzaakt, zoals onrecht, wreedheid.
* Goedertierenheid: trouw van God aan het verbond dat Hij met Israël gesloten heeft.
* vers 4-6: alle mensen, Jood en heiden, worden opgeroepen omdat God komt.
* Vers 7-9: de schepping, de natuur is al vrolijk vanwege Gods komst.
* Gods komst: figuurlijk: God brengt redding. Letterlijk: God komt vanuit de hemel om op aarde te zijn (of zelfs te wonen).

Wat God gedaan heeft
In het verleden                                      In de toekomst zal doen
1.)

2.)

3.)

Van deze daden vind ik …………………… het belangrijkst, want….


Vraag 5. Nav blz. 101-103: Spreken over oordeel kan mensen bang maken. Daarom kan de gedachte ontstaan dat we het er maar niet over moeten hebben. Waarom is dat volgens het boekje geen goede gedachte? Ben je het daar mee eens? (Kijk eventueel terug naar vraag 2)

Redenen om toch over oordeel te spreken:



Ik ben het daar wel / niet mee eens, want ….


Vraag 6. Hoor je in de preek wel eens over het oordeel? Luister je daar naar of leg je dat naast je neer? Wanneer neem je een preek over oordeel serieus en wanneer niet?



Vraag 7. Op blz. 103-105 wordt gesproken over de hel. Wat heeft de hel te maken met het laatste oordeel? Is de hel iets om bang voor te zijn? Of juist niet? Wat is volgens het boekje de troost dat er een hel is?



Vraag 8. Over hoe het er in de tijd voorafgaande aan de wederkomst zal zijn, verschillen de meningen soms. Dat kan soms heel veel verwarring geven. Moet je gaan uitpuzzelen wat er gaat gebeuren? Voor sommigen is dat wel heel belangrijk. In bepaalde (evangelische) kringen wordt er bijvoorbeeld gesproken over de opname van de gemeente. De gedachte is dan dat voordat Christus terugkomt eerst de gelovigen worden opgenomen in de hemel. Waar komt deze gedachte vandaan? Heb je mensen in je omgeving die dit denken? Je hoeft er niet mee eens te gaan om er toch iets moois in te zien. Wat zou het mooie zijn in de gedachte van de opname? En wat zou een bezwaar zijn?



Vraag 9. Na het oordeel zal er een nieuwe schepping zijn. Alles is herschapen: er is geen onrecht en zonde meer. Alles zal mooi, zuiver en zonder pijn en verdriet zijn. Het mooiste is dat we dan altijd bij God mogen zijn. ‘Dat is toch iets om naar uit te zien?’ staat er op blz. 106. Is dat voor jou ook zo? Of zijn er redenen, waarom je zegt: laat er nog een tijd op deze aarde zijn?



Vraag 10. Hoe zit het met mensen die niet geloven of een ander geloof hebben? Wat moeten we van hen denken? En hoe moeten wij daarmee omgaan? (p. 107)


Vraag 11. In de Bijbel zitten achter de psalmen ook enkele belijdenisgeschriften. Een van die belijdenisgeschriften is de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Deze bestaat uit 37 paragrafen / artikelen. De laatste, paragraaf 37, gaat over het laatste oordeel. Wat is volgens deze paragraaf de troost van wederkomst en oordeel voor de gelovigen?