Preek zondag 14 april 2019

Preek zondag 14 april 2019
Mattheüs 26:47-68

Gemeenten van onze Heere Jezus Christus,

Van mensen die Israël bezoeken hoor ik terug dat Gethsemané altijd veel indruk maakt.
Je staat op de plek waar onze Heer en Heiland geworsteld heeft
en vroeg of de drinkbeker aan Hem voorbij mocht gaan.
Het maakt indruk om daar te zijn op de plaats, waar Jezus de mogelijkheid had
om nog terug te gaan en een andere weg te kiezen en het lijden uit de weg te gaan.
Het had zo anders kunnen lopen als Jezus de weg naar het kruis niet was gegaan.
Maar na die worsteling besefte Jezus dat Hij die weg moest gaan
en boog zich en gaf zich over aan het plan van God.
Het maakt indruk om daar te zijn, omdat je beseft hoe ingrijpend de gevolgen zouden zijn
als Jezus toch afzag van de weg naar het kruis
– en toch Hij ging!
Na de worsteling met Zijn hemelse Vader gaf Hij zich over: Uw wil geschiede.
Vanaf dat moment staat er een andere Jezus.
Niet meer een Jezus die er tegen opziet om de drinkbeker leeg te drinken,
maar een Jezus die bereid is om de lijdensweg te gaan.
Als Hij voor de derde keer bij Zijn leerlingen terug komt,
maakt Hij hen wakker om hen voor te bereiden op wat komen gaat:
Sta op, want Ik heb begrepen dat Ik deze weg moet gaan
en Mijn verrader komt er aan.
De leerlingen hebben nog niet de kans om de woorden van Jezus op zich te laten inwerken,
Want op het moment dat Jezus nog in gesprek is met Zijn leerlingen
om hen voor te bereiden op wat komen gaat,
komt Judas er al aan met een hele menigte om Jezus gevangen te nemen.
Een bijzonder moment op de weg, die Jezus gaat, namelijk Zijn instemming met Gods plan
nu de uitvoering van dat plan – de weg naar het kruis – dichterbij komt,
gaat gepaard met een dieptepunt in wat mensen kunnen doen:
Verraad en dan nog wel door een van de twaalf.
Een van de twaalf leerlingen, die door Jezus uitgekozen was,
Hem volgde op Zijn wegen, Zijn woorden hoorde en Zijn wonderen zag,
met Jezus optrok en met Jezus aan een tafel zat en de hand samen in de schotel doopte.

Verraad is een van de ergste dingen die je kan overkomen.
Iemand die als een vriend met je optrok en je op het moment dat je hem nodig hebt
je in de steek laat, je laat vallen,
zich tegen je keert en zich aansluit bij je vijanden.
Verraad is meer dan het verbreken van de band die je samen hebt.
Verraad is schending van trouw.
Dat maakt het zo erg.
Terwijl Jezus net nog gezien had, dat Zijn leerlingen niet met Hem konden waken
En sliepen terwijl Hij zich worstelend overgaf aan Gods plan,
wordt Hij nu geconfronteerd met één van Zijn intimi, door Hemzelf geroepen,
die Hem uitlevert aan de hogepriester en de oudsten van het volk.
Dat zijn Zijn leerlingen, die met Hem opgetrokken hebben:
De leerlingen die Hij vraagt te waken vallen in slaap
en een ander verraadt Hem en levert Hem uit.
Jezus, die ingestemd heeft met de weg die voor Hem bepaald is,
moet die weg alleen gaan.
Al Zijn leerlingen zullen Hem afvallen en kunnen Hem niet volgen op Zijn weg.
Het is niet eens zo, dat ze afhaken, maar er zit ergernis bij de leerlingen over deze Jezus.
Voor Hij de hof van Gethsemané inging, waarschuwde Hij al Zijn leerlingen:
Deze nacht is een nacht die jullie van je leven nooit zult vergeten,
Want jullie zullen allemaal over Mij heen vallen.
Ik ben niet de Jezus die jullie steeds voor ogen hebben gehad
en daarom zullen jullie allemaal bij Mij weggaan.
Alleen moet Hij die weg gaan.
Alleen is Hij tot overgave gekomen, zonder de steun van Zijn leerlingen,
Terwijl Hij wel gevraagd had dat ze met Hem zouden waken.

De eerste die weggegaan is, komt terug en begroet Hem als een vriend,
die hij lang niet meer heeft gezien, blij om elkaar weer te zien.
Een begroeting die er op duidt dat er veel bijgepraat moet worden
over wat ze hebben meegemaakt in de tijd dat ze elkaar niet hebben gezien.
Terwijl achter Judas de mannen staan met zwaarden en stokken in de hand,
klaar om een misdadiger te arresteren,
is de stap vooruit van Judas en zijn begroeting van zijn Meester een daad
om iedereen gerust te stellen: Maak je maar geen zorgen, er is niets aan de hand.
Ik las: de Judaskus heeft Jezus zwaar gewond en Zijn ziel en geest hittiger geschroeid,
dan Zijn gelaat (K. Schilder, Christus in Zijn lijden, I, 392)

Zou Judas willen weten, wat Jezus heeft gedaan en heeft doorgemaakt
in de paar uur dat ze elkaar niet hebben gezien?
Zou hij willen horen, dat Jezus geaarzeld heeft en geworsteld heeft,
maar net op het moment dat hij, Judas, aankwam vastberaden was te gaan?
Judas, die verrader wordt genoemd, op het moment dat hij Jezus begroet als een vriend.
‘Gegroet, meester.’
In menselijke communicatie kunnen veel lagen zitten.
Zo ook met deze twee woorden, die Judas tegen zijn Meester zegt als hij Jezus begroet.
Gegroet – dat kan de vreugde van het weerzien zijn,
de vreugde iets een belangrijke boodschap te vertellen die veel betekent,
zoals de engel Gabriël Maria aansprak: ‘Wees gegroet.’
Het kan ook een ironische toon hebben: Ik groet U, maar ik meen er helemaal niets van.
Ik doe alsof U veel voor mij betekent en dat ik blij ben U weer te zien,
maar in mijn hart minacht ik U,
zoals de soldaten Jezus al spottend en minachtend begroeten,
als zij hem omgekleed hebben tot een koning: ‘Wees gegroet, Gij koning der Joden!’
Aan de buitenkant zal het geleken hebben op de groet van de engel Gabriël,
maar Jezus zal ook die andere toon hebben opgevangen,
waarmee Hij later die nacht begroet zal worden door de soldaten.
‘Gegroet’ – al in dat ene woordje, in de begroeting, kan, net als in de kus,
een dubbele boodschap zitten: oppervlakkig gezien toenadering,
maar van binnen, in het hart afscheid en minachting, verraad.
Had Jezus in de Bergrede niet gezegd dat Zijn volgelingen moeten zijn:
mensen met een hart dat één is: één in het dienen van God.
Hier is Judas dubbelhartig: aan de buitenkant betoont hij zijn loyaliteit aan Jezus,
maar van binnen is er een ander die zijn hart gewonnen heeft: de boze.
Een ambivalente boodschap zit ook in de aanspraak ‘Meester’:
Judas geeft aan veel van Jezus’ woorden te hebben opgevangen, te hebben geleerd
een eerbetoon: er is nog nooit iemand geweest van wie ik zoveel leerde.
En toch zit er ook een afstand nemen, een stap achteruit,
want Meester is minder dan Heer.
Judas kan Jezus niet meer als Heer aanspreken, alleen nog als Meester.
Judas ontworstelt zich steeds meer aan Jezus, probeert zich van Jezus te ontdoen.
Zoals Jezus nog zo even op een knooppunt stond: Ga Ik die weg of niet?
Zo staat ook Judas op een knooppunt: Keer ik terug naar mijn Heer,
of neem ik steeds meer afstand en kies ik de tegenpartij en verraad ik Hem?
Je zou het Judas toe willen roepen: Weet je wel wat je doet?
Wat is er in je gevaren? Keer nog om nu het nog kan!
Zorg dat wat in je hart leeft, je niet gaat beheersen,

waardoor je Jezus verraadt – en het leven dat Hij alleen geven kan opgeeft.
Je kunt je afvragen of Judas wel echt in Jezus heeft geloofd.
Kan iemand die een echt geloof heeft Jezus kwijtraken,
zich aan Hem ontworstelen en tegen Hem keren?
Ik weet niet of we een antwoord op die vraag moeten weten.
Het is genoeg dat Judas voor ons een waarschuwend voorbeeld is
om het niet zover te laten komen dat je stap voor stap bij Jezus weggaat,
dat het geloof van je afglijdt, dat je teleurgesteld wordt
En uiteindelijk die laatste stap zet om je tegen Jezus te keren.
Keer om! Ga weer naar Jezus terug, niet om Hem met een Judaskus te begroeten,
maar op je knieën om Hem als je Heer te aanbidden!

In het antwoord dat Jezus geeft, zit ook die boodschap: Let op wat je doet Judas.
‘Vriend!’, zegt Jezus.
Het is een ongebruikelijk woord, dat alleen in het evangelie van Mattheüs voorkomt.
Buiten de Bijbel heeft het de betekenis, dat je iets gemeenschappelijks hebt.
Je hebt samen veel meegemaakt, je deelt ervaringen met elkaar.
Dan kan Jezus ermee bedoelen: Weet je niet meer, Judas, wat we samen mee maakten?
Ben je dat vergeten? Heb je dat verdrongen?
Weet je niet meer wat je in het met mij meelopen, achter Mij aan gaan allemaal hebt gezien?
Heb je niet gezien dat Ik het Koninkrijk der hemelen kom brengen
en dat jij daar in mag delen, dat jij bij Mij mag horen?
Mattheüs gebruikt het woord 3x
en in de twee andere keren klinkt er een waarschuwende toon in door:
Jezus gebruikt het in een gelijkenis, waarbij werklieden de hele dag werken in de wijngaard
en ook mensen die het allerlaatste uurtje nog even meehelpen.
Wanneer de mensen, die de hele dag hebben gewerkt protesteren,
Zegt de eigenaar: Vriend, dat hadden we toch afgesproken?
In de tweede keer is het opnieuw in een gelijkenis.
Er is een koning, die een maaltijd klaar maakt vanwege de bruiloft van zijn zoon.
De genodigden komen niet.
Er worden overal mensen vandaan gehaald.
Ze hebben niet de juiste kleren, maar krijgen de kleren van de koning,
zodat ze waardig kunnen deelnemen aan het feest.
Er is echter één man, de zijn eigen kleren aangehouden heeft.
Hij wordt door de koning aangesproken: Vriend, hoe ben je binnengekomen?
Vriend, zegt Jezus tegen Judas
En er klinkt de toon in door: ben je werkelijk Mijn vriend?
Ben je zoals je je voordoet, of ben je ten diepste, in je hart een ander?
Nog is het tijd om je te veranderen.
Je houdt Mij trouwens niet voor de gek, je kunt je van buiten nog zo mooi verpakken,
Ik kan je hart lezen. Ik weet wie je bent. Ik peil je motieven.
Ik weet wat je plan is.
De discipelen weten niet wat er speelt, want zij willen Jezus verdedigen
en een van de leerlingen grijpt een zwaard en zwaait om zich heen
om aan te geven dat ze Jezus niet laten gaan
en desnoods met hun eigen leven willen verdedigen,
maar ze hebben zitten slapen, toen Jezus worstelde
hebben nog niet begrepen wat Jezus hen uitlegde, toen Hij vertelde dat Judas eraan kwam.
Deze weg moet Ik gaan. Ik ben bereid om te gaan.
Hier ben Ik –
Toen zei ik: zie ik kom. In de boekrol is over mij geschreven.
Ik vind er vreugde in, mijn God, om Uw wil te doen.
Geen verzet bij Jezus, maar overgave.
De leerlingen van Jezus mogen niet voor Hem strijden.
De twaalf legioenen engelen moeten in de hemel blijven
en mogen niet afdalen naar de aarde om hun Aanvoeder bij te staan of te verlossen.
De rest van de uren die Jezus nog restten, tot Hij aan het kruis geslagen worden,
worden gekenmerkt door deze overgave, die verdiept is in de worsteling in Gethsemané,
Toen Jezus besefte dat Hij niet mocht afwijken, dat Hij de beker niet mocht afwijzen,
maar moest leegdrinken.
Het verraad brengt Hem niet van Zijn stuk.
Hoe de kus Hem ook geschroeid moet hebben, Hij blijft vastberaden.
Welke beschuldigingen er ook ingebracht worden, ook al zijn ze verzonnen
en is het daarmee net zo laag bij de grond als het verraad van Judas met de kus,
Jezus zwijgt om daarmee net als Judas een teken te geven, een hint:
Ik vecht niet terug, maar Ik stem er mee in. Dit is de weg die voor Mij is uitgetekend.
Twee keer klinkt het: Hiermee wordt de Schrift in vervulling gebracht.
Eerst als vraag aan de leerlingen: Heb je het dan niet door gehad?
Heb je niet opgelet toen je met Mij optrok? Ken je Gods plan niet?
Een tweede keer naar de menigte, die Jezus gevangen komt nemen:
Jullie denken, dat dit jullie plan is,
maar door jullie optreden heen, dat net zo vol kwaad is als de ontrouw van Judas,
werkt God aan Zijn plan, dat plan dat al aan de profeten werd onthuld,
Waar zij al spraken, om het volk op de juiste weg te brengen.
Steeds dwaalde het volk af en ging het bij Mij weg.
Dat jullie Mij aanhouden past in die lijn.
Een lijn, die niet alleen kenmerkend is voor IsraËl, maar die al begint in het paradijs
en die zal blijven totdat Christus terugkomt,
als Zoon des mensen, waarbij Hij aan het hoofd van alle engelen
op aarde neerdaalt om te oordelen de levenden en de doden.
Tot die tijd zal er steeds ongeloof en verzet zijn, maar dan definitief gebroken
en zal iedereen Hem zien WIe Hij is: de Christus, de Zoon van de levende God.
Dat wij geloven is alleen maar een wonder,
Een wonder, dat ons nee is omgedraaid in een ja,
dat Hij ons aansprak: Vriend en dat we daarin een waarschuwing hoorden
En wisten dat we op de verkeerde weg waren,
dat ons hart – anders dan bij Judas – wel geraakt werd door Zijn waarschuwing,
Waardoor ons hart voor Hem open gingen en we weer naar Hem toe gingen,
niet om Hem de Judaskus te geven, maar een gebroken hart.
Heer, U deed dat voor Mij. U was bereid voor Mij te gaan.

 

Ja, ik kost Hem die slagen,
die smarten en die hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen,
dat riet, die doornenkroon;
ik sloeg Hem al die wonden,
voor mij moet Hij daar staan;
ik deed door mijne zonden,
Hem al die jamm’ren aan.

Laat mij toch nooit vergeten
die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten:
’t is al voor mij geschied!
Amen

Preek zondagmiddag 11 februari 2018

Preek zondagmiddag 11 februari 2018
Mattheüs 26:29-30
Dankzegging Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen week was ik gevraagd om mee te werken met een avond van de HGJB.
De HGJB is een organisatie die zich richt op jongeren in de kerk.
De avond was georganiseerd voor jongeren die nadenken over het doen van belijdenis
of die dit jaar belijdeniscatechisatie volgen.
Het thema van deze avond was: Gelovend volhouden.
Hoe houd je het als gelovige vol?
Hoe voorkom je dat je geloof minder wordt? Of dat je ertoe komt je geloof op te geven?
Degene die de avond leidde gaf aan, dat dit het thema is wat onder jongeren leeft.
Ze horen dat bij activiteiten die voor jongeren worden georganiseerd.
Ze horen dit terug van predikanten, jongerenwerkers dat dit een thema is
wat zij bij jongeren steeds tegen komen.
Hoe houd ik het al gelovend vol? Dat is niet alleen een vraag van jongeren.
Dat is een vraag die onder volwassenen ook leeft, en ook onder ouderen.
Hoe houd ik het als gelovige vol?
Vanmorgen heb ik het avondmaal gevierd. Hoe houd ik dat vast?
Hoe blijf ik zo dicht bij Christus als ik vanmorgen was?
Hoe blijf ik geloven dat mijn zonden vergeven zijn,
zoals ik vanmorgen weer besefte bij het eten van het brood en het drinken van de wijn?
Vanmorgen is mijn geloof weer versterkt, ik was weer even bij Christus.
Hoe voorkom ik dat mijn geloof weer zwakker wordt?
Hoe voorkom ik dat Christus weer op een afstand komt te staan?

De avond begon met een korte bijbelstudie over Hebreeën 11.
Die gelovigen uit het Oude Testament die een voorbeeld zijn van hoe je gelovend volhoudt:
Noach, Abraham en Mozes.
Noach, die de ark bouwde, de enige was die geloofde
En 120 jaar werkte aan een project door God hem opgedragen en door niemand gelooft
en toch als enige bleef geloven dat God de redding van de wereld op het oog had.
Abraham, die alles achterliet, zijn familie, zijn land – en op reis ging,
omdat God hem daar de opdracht voor gegeven had.
Mozes, die een goede opvoeding had gehad aan het Egyptische hof
En een mooie carrière zou kunnen krijgen binnen die Egyptische wereld,
maar die erachter kwam dat hij ergens anders thuis hoorde,
bij een volk dat veel minder in tel was, achtergesteld, maar wel het volk van God.
De vraag was tijdens die bijbelstudie: Wie is voor jou een voorbeeld?
De jongeren met wie ik sprak verzuchtten: geen van drie.
Wij zijn meer als de discipelen, die als het erop aan komt, er vandoor gaan.
Ik zou wel willen volhouden, maar ik ken mijzelf, ik ben te slap.
Ik laat het zo weer zitten.

Met deze leerlingen zit Jezus aan tafel.
Leerlingen die wel met Jezus meeliepen, maar niet konden volhouden.
Die geen Noach waren, geen Abraham, geen Mozes,
maar Petrus en Judas en al die anderen die allemaal vluchtten.
Dat zijn dan degenen voor wie Jezus het deed – naar het kruis gaan, lijden en sterven.
Voor mensen die het niet konden volhouden, toen het er op aan kwam.
Allemaal lieten ze hun band met Christus los.
De een door Hem te verraden: Judas.
de ander door glashard te ontkennen iets met Hem te maken te hebben: Petrus
De rest op de vlucht en in geen velden of wegen te bekennen.

En toch kondigt Jezus iets opmerkelijks aan:
Ondanks de vlucht, ondanks het verloochenen, ondanks hun zwak geloof
zal er een moment zijn, waarop ze weer samen zijn
en samen aan tafel zullen zitten – met elkaar zullen drinken uit dezelfde beker,
De beker die Christus aanreikt.
Dat moment zal er zijn, zegt Christus, als we samen bij elkaar zijn
in het Koninkrijk van Mijn Vader.
Ook al zal er een uit elkaar gaan zijn, er zal een moment van vereniging zijn,
weer samen bij elkaar, op een bijzonder moment,
als het koninkrijk van Zijn Vader er zal zijn.
Tot die tijd zal Jezus geen wijn meer drinken,
omdat Hij dan alleen is, een eenzame weg gaat, alleen, zonder Zijn leerlingen,
een weg van lijden en van spot.
Maar die weg zal eens voorbij zijn en dan zal er een hereniging zijn
en tijd om te drinken, om feest te vieren, samen met elkaar.
Wanneer is dat dan? Die hereniging? Wanneer is dat dan? Dat Koninkrijk van de Vader?
Moeten wij daar ook nog op wachten? Moeten wij ook nog vooruit kijken?

Er is in het evangelie van Mattheüs toch nog een moment
waarop Christus wijn aangereikt krijgt en daarvan drinkt.
Weliswaar geen zuivere wijn, gemengd met gal, maar Hij drinkt.
Als Hij aan het kruis hangt.
Boven Zijn hoofd het bord: Dit is de koning van de Joden
en de soldaten hadden al eerder met Hem de spot gedreven: Wees gegroet, Koning!
Zou dat het moment zijn?
Ja, het kruis is het moment, waarop dat koninkrijk van de Vader is gekomen,
waarop Jezus koning is – een doornenkroon op Zijn hoofd, een kruis als troon,
bespot en uitgelachen, door iedereen afgewezen.
Maar niemand wil zien dat daar een nieuw koninkrijk wordt gesticht,
een nieuw tijdperk aanbreekt en het gedaan is met de macht van de duivel en de zonde.
Het kruis is een keerpunt, de grootste verandering die we kunnen bedenken.
De plaats waar het Koninkrijk van de Vader begint – al wordt dat dan nog bespot
en is er niemand die dat wil geloven en is het nodig dat Christus uit het graf kwam,

opstond uit de dood.

Dan zal Ik met jullie de vrucht van de wijnstok drinken.
DAt is niet pas in de verre toekomst, maar dat was kort daarop al
en elke keer als het avondmaal gevierd wordt,
vieren we dat Christus met ons de wijn drinkt.
Zo eindigt het evangelie van Mattheüs: Ik ben met u, totdat deze wereld voltooid is.
Steeds weer opnieuw als de gemeente avondmaal viert
is Christus erbij, is er een samenzijn.
Wij zijn niet alleen, maar onze Heer is aan de tafel aanwezig en viert mee.
Vanmorgen – samen met Hem – hier op aarde al in het Koninkrijk van Mijn Vader.
Had dit de leerlingen niet gelovend kunnen laten volhouden?
Als je weet dat een moeilijke periode ooit eens afgelopen kan zijn,
Dan kun je volhouden vanuit de wetenschap dat het eens voorbij is.
Daarom vieren we avondmaal –
om ons steeds ervan bewust te zijn, om dat geloof levend te houden
dat het Koninkrijk van de Vader er reeds gekomen is, dat we niet alleen zijn,
maar dat Christus steeds weer opnieuw de wijn drinkt.
Gelovend volhouden – omdat je er niet alleen voorstaat. Ik ben met u!
Avondmaal is bedoeld om ons gelovend te doen volhouden.
DAt als je merkt dat je zwakker wordt in het geloof,
dat je terugdenkt aan deze morgendienst en in herinnering roept:
Ik ben bij Hem geweest. Mijn geloof is gevoed. Hij was er in ik was bij Hem!
Er is wat veranderd. Ik moet niet de moed verliezen: Het kruis heeft op Golgotha gestaan
en Hij is opgestaan uit de dood.
Niets is meer hetzelfde als voorheen. Het kruis heeft alles veranderd.
Het Koninkrijk van de Vader is gekomen, door Christus: Zijn dood en opstanding.

Is dat moeilijk te geloven: Ja, als we alleen om ons heen kijken
en vergeten mee te nemen dat er een kruis gestaan heeft op Golgotha.
Als we alleen maar kijken naar de tegenslagen, wat tegenzit.
Maar dat moet je ook niet doen. Je moet dat kruis niet vergeten.
Dat heeft er niet voor niets gestaan op Golgotha.
Gelovend volhouden – Christus geeft Zijn leerlingen al een vooruitblik op wat komen gaat.
Ja, verraad en weglopen, dat ook – maar ook Zijn overwinning op de duivel en de zonde.
Zijn macht die op aarde teruggekomen is door dat kruis dat op Golgotha stond.

 

De Heere Jezus geeft Zijn leerlingen nog iets mee, waardoor ze kunnen volhouden.
Uitleg bij wat het kruis is – is de eerste, maar er is een tweede:
Jezus zingt.
Als de maaltijd achter de rug is, als de weg naar het kruis gaat beginnen,
heft Jezus een lofzang aan.
Zo zingen kun je alleen maar als je weet, als je echt gelooft dat God verschil maakt.
Als je weet dat je leven in Gods hand is en Hij niet prijsgeeft wat Zijn hand begon.
Als je weet: hoeveel stormen er ook over Mijn leven komen, ze krijgen Mij er niet onder.
‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar Ik Hem verwacht.
Gelovend volhouden – Christus zelf geeft hier het voorbeeld
van overgave, van gaan in vertrouwen.
Het is geen zingen om Zijn vertrouwen te versterken,
maar zingen waaruit blijkt dat Jezus weet wat Hem te wachten staat
en dat hoe moeilijk de weg ook zal zijn, uiteindelijk dat Koninkrijk van de Vader er is.
Daar zingt Jezus al van – alsof dat Koninkrijk er al is.
Zo zingen we in de kerk – dat God er is, al merken wij dat niet altijd.
Dat Zijn macht over heel de aarde heerst, al zien wij soms daar weinig van.
Zingen alsof we al bij Hem in de hemel zijn, al merken we geregeld een afstand.
‘Zingen is verklappen dat het anders kan.’ Dat God het anders doet.
Zingen is dat je verder kijkt en met God rekening houdt.

Wat zingt Jezus dan, voor Hij naar Gethemané gaat om daar te lijden.
In het bijzonder was het daar, dat op Hem de last van de zonde en Gods toorn drukte
zegt het avondmaalsformulier
en Mattheüs zegt: Jezus gaat dat lijden zingend tegemoet.
Wat zingt Jezus dan? Waarschijnlijk is dat het klein Hallel. De psalmen 113-118.
De naam van de Heere zij geloofd – Psalm 113: God die zo groot is
en vanuit de hemel Zijn macht laat zien, maar tegelijkertijd naar beneden kijkt
en ziet wat er gebeurt.
Die ziet wat de weg van Jezus zal zijn, die vanuit de hemel de ogen niet sluit
Voor de spot van de leiders, van de soldaten, het kruis.
Jezus zingt verder: Psalm 114, de psalm die gaat over de uittocht uit Egypte
hoe God vanuit Egypte een weg baande door de Rode Zee.
De zee en de bergen gaan op de vlucht, omdat met dat volk God meetrekt.
Daar gaat Jezus naar Gethsemané
en de demonische machten vluchten voor Hem uit
en Jezus baant een weg voor al degenen bij Hem horen,
een weg door de dood heen, waar een weg zal zijn,
Zoals er voor het volk Israël was, toen het uittrok,
zo baant Jezus voor ons door de dood heen een pad, waarover wij veilig kunnen gaan.
Steeds weer wordt de macht van de Heere bezongen.
Gelovend volhouden – wat heb je meer nodig te geloven in Zijn macht
en door te zingen oefenen we ons in dat geloof, oefenen we ons in het volhouden.
Zingen we van de grote Koning die komt – met Psalm 118 mee.
De weg naar het kruis wordt ingeluid met de lofzangen op de God van Israël.

Zingen is dat je verder kijkt en met God rekening houdt.
Als gelovigen zingen we op plaatsen waarvan anderen zeggen: daar kun je niet zingen.
In rouwdiensten, diensten waarin we afscheid nemen van iemand die overleden is.
Onlangs zongen we midden in een rouwdienst Glorie aan God.
Terwijl we iemand gingen begraven zongen we:
Overwinnaar zal Hij zijn, over zonde, dood en pijn
heel het rijk der duisternis, weet wie Jezus Christus is.
Zingen is verklappen dat het anders kan, dat God het anders doet.
Gelovend volhouden.

Zo zingen kun je vaak niet alleen.
Misschien doet u dat wel eens.
Ik doe dat wel eens aan het begin van de dag,
Als er niemand thuis is, dat ik om de dag te beginnen enkele liederen hardop zing.
Om zo de dag met de Heere te beginnen.
Ik zing het voor God, maar ook voor mijzelf
door te zingen weet ik weer dat God er zal zijn deze dag.
Gelovend volhouden – daar is zingen, net als het avondmaal een middel voor.

Zo gaat Jezus Zijn leerlingen zingend voor. Zingend van Zijn Vader.
Terwijl de nacht komt, terwijl het oordeel over Hem heen komt,
terwijl Jezus neerdaalt in het rijk van de dood, neerdaalt tot in de hel.
Jezus gaat ons zingend voor.
Wij volgen Hem zingend, door over Hem te zingen:

Ik wil zingen van mijn Heiland, van Zijn liefde, wonder groot,

Die Zichzelve gaf aan’t kruishout, en mij redde van de dood.

 

‘k Wil het wonder gaan verhalen, hoe Hij op Zich nam mijn straf;

hoe in liefde en genade, Hij ’t rantsoen gewillig gaf.

 

‘k Wil het wonder gaan verhalen, hoe Hij op Zich nam mijn straf;

hoe in liefde en genade, Hij ’t rantsoen gewillig gaf.

 

‘k Wil mijn dier’bre Heiland prijzen, spreken van Zijn grote kracht,

Hij kan overwinning geven over zond’ en satans macht.

Refrein

 

Ik wil zingen van mijn Heiland, hoe Hij smarten leed en pijn,

om mij ’t leven weer te geven, eeuwig eens bij Hem te zijn.


Zing, o zing van mijn Verlosser, met Zijn bloed kocht Hij ook mij,

aan het kruis schonk Hij genade, droeg mijn schuld en ik was vrij.

Amen

 







Preek zondagmorgen 11 februari 2018

Preek zondagmorgen 11 februari 2018
Tekst: Mattheüs 26:28
Viering Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke keer is het weer bijzonder om het avondmaal te vieren, vind u niet?
Bijzonder omdat je daar mag zitten – aan de tafel van Christus
en dat met ons geloof waar nog heel wat aan schort.
Bijzonder om als zondaar bij Christus aan tafel te mogen komen.
Dat kan, omdat we mogen weten, mogen geloven dat het weer goed is,
goed tussen ons en God.
Dat is elke keer weer iets om ons erover te verwonderen, om dankbaar te zijn.
Dat wij, dat u, dat jij, dat ik mag komen bij Christus aan tafel
om daar brood en wijn te krijgen.
Daar aan tafel te zitten, brood en wijn te ontvangen – dat maakt voor ons zichtbaar
dat het weer goed is tussen ons en God.
Avondmaal maakt zichtbaar dat Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat Christus met u, met jou wil samenwonen.
Bent u daar nog mee bezig geweest in de afgelopen week:
het bijzondere dat Christus met u wil samenzijn?
Heb jij daar nog aan gedacht hoe bijzonder het is, dat jij ook bij Christus mag horen?
Want we verdienen dat niet.
En toch is daar vanmorgen de uitnodiging weer:
Kom naar Mij toe, kom bij Mij aan tafel.
Kom kijken naar het brood dat gebroken wordt, de wijn die wordt ingeschonken,
kom het proeven, kom erbij aan tafel zitten en neem dat brood en die wijn tot je!
En ook als je daar in de afgelopen week niet echt mee bezig geweest bent.
Als je daar niet aan toe kwam, als je de rust niet kon vinden
en je er nu vanmorgen over nadenkt omdat de tafel hier voor in de kerk staat,
laat het tot je doordringen dat het Christus’ diepste wens is,
dat jij van Hem bent, dat u bij Hem hoort en tot Hem komt, ook vanmorgen,
dat u opstaat en naar voren loopt en hier aan de tafel komt zitten,
naar Christus toe gaat, van Hem brood en wijn aanneemt, eet – om Hem te gedenken.

Het bijzondere van het avondmaal is dat het zichtbaar wordt,
dat onze band met God is hersteld, dat het goed gemaakt is.
Zoals Christus het noemde bij de eerste keer dat het avondmaal werd gevierd:
een nieuw verbond – een relatie die is hersteld, een relatie die eerst verbroken was,
aan onze kant verbroken en van Gods kant weer goed gemaakt.
De tafel hier voor in de kerk, het brood en de wijn – ze laten ons zien
dat God het alles er aan gedaan heeft
om wat door ons verbroken was, weer te herstellen.

Is het wel mogelijk voor ons om bij God te mogen komen,
om aan de tafel van Christus te komen?
Dat vraagt tot een geloof, een sterk geloof, dat vraagt toch dat je er naar leeft?
Dat kan uw vraag wel zijn: u hebt vorige keer nog weer gehoord
Dat het avondmaal alleen voor de gelovigen in ingesteld.
Mijn zwak geloof klaagt mij aan: je kunt wel naar voren gaan,
maar wat breng je ervan terecht?
Je kunt daar wel aan die tafel zitten, maar als er eens in je hart gekeken werd
wat daar allemaal leeft verborgen voor anderen.

Bij de eerste avondmaalstafel, discipelen die straks allemaal Hem in de steek zullen laten,
zegt Christus: een nieuw verbond – tot vergeving van zonden.
We kunnen ons dat niet voorstellen, dat God vergeeft.
Als iemand naar ons toe een fout gemaakt heeft, ons diep geraakt heeft,
zullen we dat niet snel vergeten
en is er vaak een lange weg nodig tot herstel, een lange weg om het weer goed te krijgen.
En dan zegt Christus: er is vergeving te krijgen voor je zonden,
voor de fouten die je maakte, de verkeerde keuzes, de pijn die je God aandeed.
Ik maak je vrij van je zonden, helemaal schoon, helemaal rein,
zodat je bij Mij kunt komen, ook vanmorgen, zegt Christus:
Niets staat je meer in de weg. Niets klaagt je meer aan.
Ja, dat merk je wel, dat ervaar je wel, maar Ik zeg je dat het goed is.
Ik heb ervoor gezorgd dat het weer goed is, dat je mag komen.
Als u naar voren komt en gaat zitten bij de tafel,
als u brood neemt van de schaal en dat eet, als u de breker krijgt en daaruit drinkt,
dan mag u dat bedenken: Mijn zonden zijn vergeven.
Dat mijn geloof niet zo sterk is als het zou moeten zijn.
Dat ik soms vergeet om mijn geloof te onderhouden, er tijd voor te nemen,
erover na te denken, met anderen erover te praten.
Maar nu zie ik het, nu weet ik het weer, nu geloof ik:
Het is volbracht – ook voor Mij.
Dan kom ik naar God – ik aarzel want ik weet wat er aan mijn kant aan mankeert.
Het zou veel beter kunnen, het zou veel beter moeten,
maar ik weet – het is volbracht, daar op dat kruis van Golgotha,
Christus die het avondmaal instelde, toen in die zaal met zijn discipelen
en die nu aanwezig is, hier vanmorgen bij de tafel.
Hij roept mij om te komen. Ik kan niet anders, ik moet wel gehoorzamen en komen!

Vergeving van zonden – ik zou dat willen, maar hoe krijg ik dat?
Ja via Christus, via Zijn offer aan het kruis,
maar hoe krijg ik daar deel aan? Hoe wordt dat iets van mij, van mij persoonlijk?
Door het aan te nemen, te ontvangen, te geloven
dat Christus ook tegen u, tegen jou persoonlijk zegt: Ik ben voor jou gestorven.
Ik ging ook voor jou aan het kruis. Vergeving van zonden voor velen.
Dat is ruim, dat is royaal, daar pas jij ook wel bij.
Christus wil met zondaren samenwonen, met zondaren aan één tafel, Zijn tafel.
Dat is Christus’ diepste wens. Daarom kwam Hij.
Daarom gaf Hij Zijn leven, aan het kruis. Zodat u ook zou komen. Kom! Amen

Preek zondag 4 februari 2018

Preek zondag 4 februari 2018
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 26:17-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is weinig dat er zo erg inhakt als het verraad van je eigen vrienden.
Je hebt met ze opgetrokken, je hebt veel tijd met ze doorgebracht.
Je hebt hun verhalen aangehoord: Leuke verhalen, maar ook hun sores aangehoord.
Je hebt zelf veel met ze gedeeld.
Als ze je dan verraden, krijgt alles een wrange bijsmaak:
Wat heb ik allemaal niet aan ze verteld?
Hoeveel tijd heb ik niet aan ze besteed?
Je krijgt er zo’n knauw van, dat je niet snel meer vriendschap sluit
maar alles vanuit wantrouwen bekijkt.
In psalm 140, de psalm die we zongen, klinkt verbittering door:
Hun tongen scherpen zij als slangen.

Over de meest intieme bijeenkomst die Jezus heeft met Zijn leerlingen
hangt de schaduw van het verraad:
Jezus zal verraden worden door één van de twaalf leerlingen,
overgeleverd in de handen van Zijn vijanden,
zodat ze Hem ter dood kunnen brengen.
Eén van de twaalf een verrader.
Maar komen ze allemaal niet in de buurt van dat verraad?
Niet dat ze allemaal Jezus uitleveren.
Maar geen van de twaalf zal aan het einde van die nacht nog bij Jezus zijn.
Zo eindigt een maaltijd die bedoeld is om aan te geven
hoezeer Jezus en Zijn leerlingen bij elkaar horen
ermee dat Jezus alleen overblijft, verraden door één van Zijn leerlingen
En in de steek gelaten door de andere 11.
Jezus verraden en Jezus verloochenen.

Dr. Jan Koopmans, een Amsterdamse predikant die in de slotdagen van de Tweede Wereldoorlog omkwam door een verdwaalde kogel, schreef over de kerk:
De kerk is de plaats waar Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat kan Christus wel willen, maar als het op aankomt,
staat Hij er alleen voor
en zijn de zondaren met wie Hij wil samenwonen bij Hem weggegaan,
omdat ze de andere kant hebben gekozen, Hem verraden,
of omdat ze gevlucht zijn en niet meer aankonden om bij Christus te zijn.
En is dat niet wat een zondaar typeert, wat ons als zondaars typeert:
dat terwijl Christus met ons wil samenwonen, we dat niet willen of aankunnen?

Dat klinkt wel heel scherp
en misschien zegt u bij uzelf: waarom zou ik dat niet willen, of niet kunnen.
Dat de discipelen dat niet konden volbrengen, dat zij dat niet konden,
dat wil nog niet zeggen, dat ik dat niet kan.
Ik vermoed dat de discipelen ook niet verwacht hadden
dat zij op de loop zouden gaan, hun Heer en heiland in de steek zouden laten,
het ziet er in het evangelie er ook niet naar uit
dat Judas een mol was, die zich bewust in de discipelkring van Jezus heeft ingewerkt,
vertrouwen gewonnen heeft, om als de tijd ervoor rijp was, zijn slag te slaan.
Nee, in korte tijd verandert Judas van een volgeling van Jezus
in een verrader, die Jezus aangeeft en in handen speelt van Zijn tegenstanders.
Dat kan blijkbaar.
Als gelovige ben je kwetsbaar voor teleurstelling,
loop je het gevaar dat je op de vlucht slaat en het niet zitten om met Jezus samen te zijn.
Als we in de week van voorbereiding over onszelf en onze band met Christus nadenken
is dit de eerste stap waar we over nadenken.
In het formulier heet dat: de opdracht om stil te staan, te overdenken
van je zonden en vervloeking.
Dat we weglopers zijn, dat we het niet uithouden, niet willen uithouden bij Christus.
Dat is onze basishouding, dat is de neiging die we hebben
En daarom is het eigenlijk ook niet mogelijk om bij Christus te horen.
Hoe kunnen schepselen die bij God weglopen bij God horen,
hoe kunnen degenen die voor de Verlosser op de loop gaan verlost worden?
Maar er hoort er wel iets bij.
Namelijk dat als we daarover nadenkt, dat je dat niet wilt
en dat dit een diepe wens die gegroeid is: Ik wil niet meer weglopen, niet meer op de vlucht.
En dat het ook niet meer hoeft, omdat Christus gekomen is,
die gekomen is om ons te bevrijden van onze neiging om weg te lopen,
om ons van Hem af te keren, tegen Hem in te gaan.
Sterker dan ons weglopen, sterker dan ons verraad is Zijn genade.

Om dat steeds weer te geloven, om dat geloof steeds te versterken,
dat Zijn genade sterker is dan ons weglopen, ons verraad
– want dat dat geloof wordt steeds weer in ons aangevallen en in twijfel getrokken –
gaf Christus het avondmaal,
de laatste maaltijd die Hij met Zijn discipelen had,
de laatste keer samen, samen met Christus,
De verrader erbij aan tafel, de discipelen die op de vlucht zullen slaan erbij,
samen om de tafel, één in Christus.
Dat is de kerk: de plaats waar Christus wil samenwonen met zondaars.
Waar de discipelen straks allemaal weg zullen zijn – en Jezus weet dat
zit Hij met hen aan tafel.

Het is een bijzondere maaltijd.
Nergens in de evangeliën wordt verteld hoe Jezus apart eet met de leerlingen.
Altijd zijn er anderen aanwezig: Farizeeën, tollenaars en zondaars, de menigte.
Deze maaltijd, een afscheidmaaltijd zonder dat de discipelen dat weten,
is voor Jezus en Zijn discipelen alleen.
Even geen anderen, op dit belangrijke moment, nu Zijn weg naar het kruis echt begint.
Juist dan, alleen met deze kleine kring, de twaalf leerlingen.
Tijdens de maaltijd van Pesach, de nachtelijke maaltijd
Waarop de uittocht uit Egypte werd herdacht.
Een maaltijd die je in de meest intieme kring vierde, van je gezin, familie.
Hier is Jezus, samen met Zijn twaalf leerlingen, als gezin, als hechte groep,
op de avond voordat deze groep uit elkaar zou vallen.

Het is een maaltijd die moet worden voorbereid.
Er mocht geen zuurdeeg in huis zijn, een soort gist waarmee het brood kon rijzen
en waarmee het brood een smaak kreeg.
En daarom moest het hele huis worden schoongemaakt.
Er moest een lam worden geslacht in de tempel van Jeruzalem
En de maaltijd moest het liefste worden gehouden in of kort nabij Jeruzalem.
Op een speciale manier moesten de gerechten worden bereid,
met bittere kruiden, zodat na eeuwen van bevrijding uit Egypte
De bitterheid van het lijden dat het volk in Egypte onderging kon worden geproefd.
Als herinnering hoe moeilijk het daar was in Egypte
en hoe geweldig het was dat God hen bevrijdde, hen liet gaan.

Ons avondmaal vraagt ook om voorbereiding.
Vraagt een innerlijke schoonmaak: de strijd tegen het weglopen bij Christus vandaan,
De strijd tegen de gedachte dat je het zonder Christus kunt redden, of zelfs beter hebt.
Vraagt om naar jezelf te kijken: leef ik echt met Christus?
Of is mijn geloof zo dun dat het bij de eerste de beste tegenslag omvergeblazen wordt?
Is er in mij iets dat concurreert met mijn liefde en aandacht voor Christus,
die mijn liefde opslokt, mijn aandacht opeist die voor Christus bedoeld was.
Er wordt in het avondmaalsformulier eigenlijk gewaarschuwd voor twee dingen:
Een zwak geloof en verlangens en begeerten die je op de verkeerde weg kunnen brengen.
Jezus had Zijn leerlingen gewaarschuwd voor een zwak geloof,
Voor een geloof dat ermee stopt als het spannend wordt,
een geloof dat het niet kan opbrengen om een offer te brengen,
maar voor de gemakkelijkere weg kiest omdat het leven hier aantrekkelijker lijkt.
De waarschuwing hebben de leerlingen steeds in de wind geslagen,
zelfs de opmerking van hun Heer dat als ze Hem verloochenen
er ook een moment komt dat Hij hen niet zal belijden voor Zijn Vader.
Ze hebben het wel gehoord, maar het drong niet tot hen door.

En die verkeerde verlangens, begeerten die je naar je ondergang leiden,
die je verloren kunnen laten gaan.
Wat er gebeurd is tussen Jezus en Judas – Mattheüs vertelt het niet.
Het gebeurde toen die vrouw Jezus met een dure zalf zalfde
en Jezus dat niet afkeurde door te zeggen dat het geld beter besteed had kunnen worden.
Integendeel, Jezus prees haar: je doet dit vanwege Mijn begrafenis.
En toen knapte er iets bij Judas.
Was het een verlangen naar geld? Dan is het een voorbeeld van zo’n verlangen,
die je naar de ondergang helpt en dan is het een verderfelijke begeerte.
Of is het een verwachting over Jezus die niet uitkomt?
Een zwak geloof, ongeloof waar we tegen moeten strijden.

Toch zitten die twaalf bij Jezus aan tafel.

Over Judas valt nog te twijfelen,
maar Petrus zit er wel aan, die in diezelfde nacht nog zal zeggen
dat hij Jezus niet kent en niets met Hem van doen heeft.
De 3 discipelen die niet met Jezus kunnen waken als Hij lijdt en worstelt in Gethsemané.
De anderen die ervandoor zijn gegaan.
Ze zitten daar bij Jezus aan tafel.
De kerk is de plaats waar Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat de zondaren zondaren zijn, verhindert de kerk niet kerk te wezen, omdat immers Christus Christus is.
Christus is Christus – dat is het geheim van de kerk,
dat is de kern van het avondmaal
Christus is Christus, die stierf aan het kruis,
Die de schuld betaald heeft voor de zondaren
Uw schuld, mijn schuld.
Uw zwak geloof, jouw ongeloof, mijn zwak geloof en ongeloof.
Juist vanwege ons zwak geloof, ons ongeloof,
onze neiging weg te lopen, in te gaan op verkeerde verlangens
is het avondmaal ingesteld
als een herinnering aan hoe Jezus daar zat, bij die twaalf
die allemaal bij Hem vandaan zouden gaan:
Jezus die zich geeft – gaf aan het kruis, geeft bij het avondmaal.
Neemt, eet, gedenkt en gelooft.

Tijdens die maaltijd, dat fijne samenzijn
– wat zullen ze tijdens die maaltijd gezegd hebben: bijzonder om zo met elkaar te zijn,
dit samen te vieren, zo alleen even met Jezus te mogen zijn
en Hem niet te hoeven delen,
we kunnen ons voorstellen dat het avondmaal is ingesteld
om de onderlinge band te versterken.
Komt opnieuw de waarschuwing van de Heere:
Iemand van jullie zal mij verraden, zal Mij in handen spelen van Mijn tegenstanders.
Je proeft de schrik?
Dat ben ik toch niet, Heere?
Het geloof is er nog. Ze versterken hun band.
Door Hem Heere te noemen, geven ze aan: Wij kunnen niet zonder U.
Wij kunnen ons geen leven indenken zonder U.
Wij zetten een stap naar U toe. U laat ons wel schrikken.
En dan als laatste: Judas.
Een heel subtiel verschil.
Judas die Jezus niet aanspreekt als Heer, maar als Meester.
Zijn gelooft taant, glijdt van Hem af, is al stuk gebroken, nog niet eens zo lang geleden.
Judas die vergeet zijn geloof te laten versterken,
in het samenzijn bij Jezus met de maaltijd.
Judas die de hand in dezelfde schaal doopt, uit dezelfde beker drinkt,
die erbij zit, maar niet meer van Jezus is.
Meester, zegt Judas. Dat is hoe buitenstaanders Jezus aanspreken.
Niet meer het Heer, zoals een discipel Jezus aanspreekt, maar Meester.
Judas die zich buiten deze kring plaatst, ook al zit hij erbij.
Zijn hart is er niet meer bij.
Strijd tegen het ongeloof, zegt het formulier,
wees niet tevreden met de zwakheid van je geloof.
Doe eraan wat je kunt.
NAtuurlijk, het is de Heilige Geest, die je ongelukkig laat zijn met je ongeloof,
die je laat lijden aan de zwakte van je geloof.
Dat is genoeg, zegt het formulier, om te mogen zitten aan de tafel van Christus.

Dat de zondaren zondaren zijn, verhindert de kerk niet kerk te wezen, omdat immers Christus Christus is.


Daarom, al krijgen wij dat ongeloof en die begeerten zelf niet uit ons weg en al klaagt ons ongeloof en klagen die verkeerde verlangens ons aan, we mogen er ten volle van verzekerd zijn dat zij ons niet verhinderen om aan het avondmaal aan te gaan. Want ze zijn kunnen niet Gods genade tegenhouden die Hij ons schenkt. Door Gods genade ontvangen wij de waardigheid, ondanks ons ongeloof en onze verkeerde verlangens, om aan te gaan en Gods genade te ontvangen. Door die door God geschonken waardigheid ontvangen wij het brood en de wijn, die Christus ons schenkt.
Amen

Meditatie Paasviering ouderenmiddag 2014

Meditatie Paasviering ouderenmiddag 2014
Schriftlezing: Mattheüs 26:36-46; 27:11-36.
Tekst: Het uur is nabij gekomen dat de Zoon des mensen overgeleverd wordt in de handen van de zondaars (Mattheüs 26:45b)

Vanaf de gevangenneming is het druk rondom de Heere Jezus.
Nergens in de verhalen over onze Heere is men zo druk met Hem als vanaf dat moment.
De hogepriesters, de oudsten van het volk,
de Romeinse stadhouder, de Romeinse soldaten, het volk – ze zijn allemaal vol activiteit.
Ze moeten wat met Christus.
Zijn verschijnen doet een appèl op alle aanwezigen om een standpunt in te nemen.
Hoe denkt u over Jezus, die de Christus wordt genoemd?
Zo gaat dat de hele tijd door vanaf de gevangenneming.
Niemand kan meer neutraal blijven.
De hogepriesters, de oudsten van het volk, Pilatus, de soldaten, het volk
– ze worden allemaal tot een beslissing gedwongen.
Geloven ze in Hem of verwerpen zij Hem.
Ook de discipelen die nog bij Hem waren in de hof van Gethsemané kunnen niet neutraal blijven.
Zij reageren door hun Meester te verlaten,
bij Hem weg te vluchten en Hem alleen achter te laten.
Als Petrus dan toch iets meer wil zien,
als een soort neutrale toeschouwer die alles op een afstand wil zien hoe het afloopt,
moet ook hij stelling nemen.
Door de andere aanwezigen wordt hij gedwongen om te vertellen, hoe hij tegenover Jezus staat. Hoort hij bij Jezus of niet?
Nee, hij hoort er niet bij. Hoe kom je erbij om dat te denken?
Mattheüs laat ons zien hoe er twee reacties zijn.
Sommigen lopen bij Jezus weg.
Dat zijn de leerlingen van Jezus.
Zij horen er niet meer bij en geven aan: Jezus moet het na zijn gevangenneming maar alleen doen.
De andere reactie komt uitvoeriger in beeld:
Weg met Jezus.
Dat is nog scherper dan proberen om Jezus te vergeten
en de gedachten aan Hem te verdringen.
Nee, Jezus moet weg, dood
en van Zijn woorden moet niets meer overblijven.
Er moet niets meer zijn dat aan Hem herinnert
en Zijn dood moet een afschrikwekkend voorbeeld zijn,
waardoor iedereen beseft: wij moeten nooit de kant opgaan die Jezus ons wijst.
De verschijning van Jezus vraagt om een keuze, het innemen van een standpunt.
Vraagt ook vanmiddag aan ons: hoe denkt u over de Christus,
Over degene die hier gevangen is genomen en die door Zijn vrienden is verlaten
en door de anderen wordt bespot.
Hoe denkt u over Hem?
De evangelist Mattheüs waarschuwt ons:
denk maar niet dat wij zomaar de goede keuze zouden maken.
Want hij vertelt dit niet om aan te geven,
hoe ánderen, de Joden, de Romeinen, zich aan Jezus vergrijpen.
Hij vertelt dit niet om aan te geven, dat wij – de volgelingen van Jezus nu – wel even een betere keuze zouden maken.
Ik proef er ook een waarschuwing aan ons adres aan:
Wij zouden misschien wel net zo hard meedoen,
met die oudsten en de hogepriesters in onze verontwaardiging over wat Jezus allemaal zei.
Dat Hij de Zoon van God was, de koning van Israël die lang geleden door God beloofd werd.
Wij zouden misschien wel meeroepen met het volk: kruisig Hem.
Of wij zouden net als de discipelen eerst aan onszelf denken
en wegrennen bij Hem vandaan.
Hiermee willen wij niets te maken hebben.
Of net als Pilatus denken: Vooruit dan maar, als Jezus weg is,
is de rust tenminste weergekeerd.
Ik kan beter ervoor kiezen dat er één is die ten onrechte wordt veroordeeld
dan dat een heel volk vol onrust één van de belangrijkste feesten ingaat.
Een feest dat nog wel gaat over de bevrijding van het volk door hun God.

Allemaal moeten ze aangeven hoe zij tegenover Jezus staat.
Dit is het uur waar Jezus over sprak toen hij in Gethsemané was:
het uur waarop de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.
Dit gebeurt er dus als de Zoon des mensen wordt overgeleverd.
De Zoon des mensen, dat is niet zomaar een benaming,
maar een benaming die de hoge status van Christus weergeeft:
de Zoon des mensen is degene die bij God in de hemel is, bij de troon van de Heere.
De Zoon des mensen zal aan het einde van de tijden in het laatste oordeel recht spreken.
Hij zal komen om te oordelen, de levenden en de doden.
Hij, de hoogste Rechter die het laatste oordeel zal uitspreken,
wordt hier overgeleverd in de handen van de zondaars.
Dat laat ook zien wat de ernst van de zonde is.
Zonde is vergrijpen aan God, Hem wegdoen.
Zonde is ook dat mensen zich vergrijpen aan degene die door God gezonden is: de Zoon.
De Zoon des mensen wordt overgeleverd aan hen die zich vergrijpen aan God.
De Rechter van het laatste oordeel, die over alle mensen, over ons, over degenen die gestorven zijn,
de levenden en de doden het oordeel zal vellen,
wordt nu zelf geoordeeld – veroordeeld.
Het volk, opgehitst door de leiders van het volk, roepen om Zijn dood,
de dood aan het kruis: Kruisig Hem!
Wij willen Hem niet, die zich uitgeeft voor onze koning!
Wij willen Hem niet, die zegt door God gezonden te zijn!
Dan gaat het niet om Israël, zodat wij kunnen nu zouden kunnen zeggen:
Israël heeft het gedaan. Of de Joden hebben het gedaan.
Nee, het gaat er om dat zelfs het verbond dat God met Zijn volk heeft gesloten,
niet voorkomt dat Zijn volk zich als zondaars gedraagt en Zich vergrijpt aan de Zoon,
de Zoon des mensen, de Zoon van God.
Dan wordt zichtbaar waarom Christus naar onze aarde kwam,
waarom Hij zich liet gevangennemen, waarom Hij de weg naar het kruis moest gaan:
om de zonde te onthullen.
Om te laten zien, hoe de zonde ons in de macht kan hebben
en wat de zonde doet: dat wij God er niet bij willen hebben.
Die verhalen over Jezus, die gevangen genomen is,
bespot en bespuwd wordt, geslagen, geminacht, gekruisigd ,
gaan ook over mij.
Ik had niet anders gedaan dan Pilatus, dan de hogepriesters en de oudsten van het volk, dan het volk.
Dat gebeurt er als de Zoon des mensen in handen valt van de zondaars.
Dan wordt Hij gevangen genomen, bespot en bespuwd.
Dan wordt er geroepen om Zijn dood: kruisig Hem.
Zelfs het sturen van Zijn eigen Zoon, die aan de mensen gelijk werd,
bracht de zondaars niet tot inkeer.
Jezus’ dood brengt aan het licht wat de zonde is
en wat de ernst van de zonde is.
Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar het maakt mij beschaamd.
Ik kijk hier in een spiegel: Ik zie de oudsten van het volk, de hogepriesters,
druk bezig met Jezus om Hem op een fout te betrappen.
Ik zie hoe Pilatus niet wil geloven in de schuld van Jezus,
maar Hem toch uiteindelijk overgeeft om gekruisigd te worden.
Ik zie hoe de leerlingen van de Heere Jezus bij Hem weglopen,
zelfs Petrus die eerst nog de moed had om Hem te volgen.
Ik zie daar geen anderen, waarover ik mij boos kan maken:
moet je zien wat ze met Jezus doen – met mijn Jezus.
Nee, ik zie mijzelf.
Ik zie wat ik zou hebben gedaan.

We zijn hier bijeen om te vieren,
maar we kunnen er niet aan voorbij
dat we ook moeten belijden,
dat er weinig te vieren is – als het aan ons gelegen had.
Dan hadden wij niets over God geweten,
niets over Zijn Zoon die gekomen was,
en had de Zoon des mensen ons moeten veroordelen en tegen ons moeten zeggen:
‘Ik ken jou niet! Ga weg van mij!’

Er is maar één reden waarom wij kunnen vieren,
waarom we hier niet alleen maar beschaamd hoeven te zitten, vol berouw over onszelf.
In het allereerste begin,
als Jezus geboren wordt, wordt uitgelegd waarom Hij de naam Jezus krijgt.
Want – zo staat er – Hij zal Zijn volk zalig maken van de zonde.
Redden. Uitredden.
Dat de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars is niet het laatste.
Door te sterven door de hand van de zondaars, bevrijdt Hij van de zonde.
Kan Hij mij en u bevrijden van de zonde.
Hij moest overgeleverd worden in de handen van de zondaars.
Dat was de weg die Zijn Vader had gekozen.
Om de macht van de zonde te breken.
Om te redden en te bevrijden van die macht
die ons gevangen hield
die ons tegen God deed ingaan,
waardoor wij ons vergrepen aan God
en voor Hem geen ruimte hadden.
De zonde heeft niet het laatste woord.
Godzijdank.
Op het kruis, waarop de zonde openbaar werd,
werd tegelijkertijd de macht van de zonde gebroken.
Werd ook onze redding zichtbaar en mogelijk.
Om van zonde ons te bevrijden
stierf Gods Zoon de wreedste dood.
De Zoon des mensen ondergaat het oordeel,
God zelf draagt de straf
en brengt ons de vrede.
Het zondige mensdom ontvangt genade.
U en ik, wij ontvangen genade,
door de Zoon des mensen
die overgeleverd wordt in de handen van de zondaars.
Zo wordt Hij onze Koning,
de verworpen Koning, maar door God weer aangesteld.
Zo wordt Hij onze rechter,
verworpen en aan de kant schoven en juist zo droeg Hij het voor ons.

Vader, vol van mededogen,
zie ons arme zondaars aan.
Sla op ons Uw vriend’lijk ogen:
Jezus heeft voor ons voldaan.
Ja, Hij heeft voor ons voldaan,
God neemt ons als zondaars aan.
’t Zelfde recht, dat Hem deed sterven,
doet ons eeuwig leven erven.
Amen

Preek zondagmorgen 30 maart 2014

Preek zondagmorgen 30 maart 2014
Mattheüs 26:57-75

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We hebben allemaal wel onze momenten,
dat we net als de discipelen de Heere Jezus in de steek laten
en bij Hem wegvluchten.
Je hebt in het weekend een mooie avond gehad met de leiding van OTW of TOV,
omdat iemand van de leiding vertelde wat het geloof voor hem of haar betekent
je bent er de dag erop nog helemaal vol van.
En dan kom je maandag op school
en dan vragen ze: ‘En hoe was jouw weekend? Nog iets spannends gedaan?’
Dan denk je aan het gesprek terug, maar denk je: dat ga ik echt niet vertellen
en je zegt maar: nee, hoor, niets bijzonders gedaan.
Maar je voelt tegelijkertijd in jezelf dat het niet helemaal eerlijk was,
want het was wel een bijzonder weekend.
Zo hebben we allemaal onze momenten waarop we denken:
Ik hoor er even niet bij, bij de Heere Jezus.
Waarop wij – net als de discipelen bij Hem weglopen.

Maar het zit niet lekker en het gaat aan je knagen:
ik was toch vol van Christus?
Ik hoor toch bij Hem?
Bij Petrus zit het ook niet lekker.
Er is iets in hem dat zegt: je moet niet weglopen!
Ben jij nou een discipel? Ben jij nou een volgeling van Jezus?
Je moet daar bij Jezus zijn! Daar is je plek!
Petrus gaat achter de groep aan, die Jezus gevangen genomen heeft.
Hij zal Jezus volgen tot het einde toe.
Hij had het enkele uren geleden nog tegen Zijn meester gezegd:
‘Meester, iedereen zal zich voor u schamen en aan u ergeren.
Maar ik niet. Ik blijf altijd achter U staan.
Ik blijf u altijd volgen, waar U ook heengaat.’

Toen Petrus wegrende uit Gethsemané, net als de andere discipelen op de vlucht, bedacht hij zich.
Ik moet Jezus ook nu nog navolgen. Ik moet weten hoe het afloopt.
Net of Petrus bedenkt: Ik liet Jezus in de steek.
Ik moet mij omkeren, om nu wel achter de Heere Jezus aan te gaan
om mijn fout goed te maken, de fout dat ik bij de Heere Jezus wegrende.

Zo kan het ook bij jou door je heenflitsen:
Dat had ik niet moeten doen, dat weglopen bij Jezus.
Of het is de stem van je vader of moeder die zegt: Je vergeet de Heere Jezus toch niet?
Of het enthousiasme van iemand die vol is van God waardoor je denkt:
ja, dat mis ik. Ik moet weer naar Hem terug – Jezus volgen!
Al is het eerst wellicht op een afstand, want ik ben Hem zelf kwijtgeraakt.
Kan ik dan zomaar bij de Heere Jezus aankomen en zeggen:
Hallo, hier ben ik? U heeft me even gemist, maar nu ben ik er weer volop?

Ook Petrus volgt de Heere Jezus op een afstand.
Van een afstandje kun je alles goed zien, maar je hoeft je niet bloot te geven.
Je kunt te weten komen hoe het afloopt, maar zelf ben je veilig.
Ik vind het dapper dat Petrus zijn meester daar volgt tot in het huis van de hogepriester,
maar ik vraag me af of daar ook niet iets halfslachtigs in zit:
Ik volg Jezus wel, zelfs nu nog nu het spannend om Hem wordt,
maar graag wel op een afstand. Ik moet eerst weten hoe het afloopt.
Herkenbaar is dat toch?
Je wilt wel mee?
Kom maar op! Durf het aan!
Om naar de Here Jezus op zoek te gaan
Kom ga mee op die tocht om te ontdekken wie je zocht.
Ja, ik wil best mee, zeg je, maar ik wil eerst weten waar het op uitloopt,
wat mij te wachten staat.

Zou Petrus hebben gezien en gehoord wat er met de Heere Jezus gebeurt?
Zou Petrus horen welke indrukwekkende woorden de Heere Jezus zegt
tegen degenen die Hem ondervragen?
Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.
Petrus, hoor je wel wat de Heere Jezus zegt?
Dat Hij in de hemel zal zijn. Naast de troon van God, naast God zelf – de machtigste plaats die er is heeft Hij.
En Petrus, hoor je wat de Heere Jezus zegt? Dat Hij terugkomt in macht en majesteit?
Je wilde toch weten hoe het zou aflopen?

Maar we kunnen vaak zo druk zijn met onszelf.
Om wel Jezus te volgen, maar dan op een afstand.
Eerst moet ik er van overtuigd zijn dat het goed afloopt, pas dan volg ik Jezus helemaal.
Eerst moet ik het ervaren, dat de Heere Jezus die bijzondere plaats naast God heeft,
een bevestiging van God zelf.
Dan kan ik me helemaal geven en helemaal achter Hem aan gaan.
Want wie geeft mij de garantie dat het goed afloopt?
Dat het waar is, dat Christus nu aan de troon van God zit en dat Hij terugkomt?

Petrus is in ieder geval er wel druk mee.
Wel zorgen dat hij bij de Heere Jezus is, zodat hij later kan zeggen
dat hij er alles aan gedaan heeft en dat hij zijn Meester tot het uiterste is gevolgd,
maar wel zorgen dat er een veilige afstand is.

Terwijl aan de Heere Jezus de vraag gesteld wordt: wie bent U eigenlijk? Wat verbeeldt u uzelf?
krijgt Petrus een andere vraag:
Petrus hoor jij er ook niet bij Hem?

Een gewetensvraag! Petrus, je kunt je wel zo druk maken om die afstand,
maar zeg het nou maar eerlijk: Je bent er toch ook eentje van Jezus?
‘Eh nee, echt niet! Waar heb je het over? Jezus en ik? Nee, echt niet! Ik moet er niet aan denken’

Het is hier niet veilig, merkt Petrus, want terwijl wil weggaan, hoort hij het anderen zeggen
en hij heeft het gevoel dat alle ogen op hem gericht zijn.
Die man daar, je kunt zien dat het er ook eentje van Jezus is. Dat hij bij Hem hoorde.
Petrus is de ander voor: ‘Echt niet. Ik ken Hem niet. Dat zweer ik!’
Stel je voor, dat iedereen naar Hem kijkt en denkt: ja nu je het zegt – het is er ook eentje van Jezus.
Ik moet weg van hier!

Ik ken Hem niet. Groter kun je de afstand toch niet maken, Petrus?
Ken je Hem niet? Die gezegd heeft: vanaf nu zul je Mij zien zitten aan de rechterhand van God
en je zult zien dat Ik terugkom in heerlijkheid.
Ken je Hem niet Petrus?
Nee, ik ken Hem niet.
Gemeente, wat gebeurt er, als je zegt over Jezus: Ik ken Hem niet?
Maar zo makkelijk kom je er niet vanaf.
al zou je je er van los willen maken, vraag maar aan degenen die van de kerk zijn afgegaan
dat ze er niet meer los van komen.
Je draagt het mee:

Petrus komt er ook niet los van.
Ze horen Petrus praten en ze weten het zeker! Je kunt het horen aan zijn manier van praten,
dat verraadt hem. Zeker weten! En ze lopen op hem af:
Draai er nou maar niet om heen. Je bent echt wel een van zijn volgelingen.
Je verraadt je zelf.

Dan komt het diepste punt in het leven van Petrus
waarop hij zegt: Ik ken Hem echt niet.
Als ik lieg, dan mag er van alles met mij gebeuren.
Ik heb met Hem niets te maken.
Groter kan de afstand tot Jezus niet worden,
maar hij heeft het zelf niet door.
Pas als hij de haan hoort kraaien – dringt het tot hem door.
Schiet het door hem heen – als een flits: Petrus, wat doe je nu?
Petrus! Petrus!
De haan kraaide en herinnerde Petrus aan wat hij verkeerd had gedaan.
De haan riep Petrus’ geweten wakker.
Als de haan niet had gekraaid, dan had hij nog niet geweten wat hij had gedaan.
De haan kraait – dat wil zeggen: de nacht is voorbij,
maar niet voor Petrus, want voor hem begint de nacht pas goed.
Hij wilde weten hoe het zou aflopen, met Jezus, met hemzelf.
Maar hij doordat hij daar zo druk mee was, heeft hij vergeten wat voor nacht het was.
Wat voor nacht was het?
De belangrijkste nacht voor het volk Israël.
De paasnacht: bevrijding uit Egypte.
De vraag schiet door hem heen: Is er voor mij nog redding
nu ik Jezus heb losgelaten?
De vraag doet pijn in zijn hart, omdat hij het antwoord weet op de vraag:
Alleen Jezus kan dat nog zeggen, of Petrus erbij hoort.
Alleen als Jezus het tegen hem zegt: Petrus, heb jij mij lief?
Zou dat ooit gaan gebeuren?
Zou hij de stem van Jezus ooit nog eens horen?

Weet jij het antwoord op de vraag van Petrus?
Mag je, als je de Heere Jezus eens hebt losgelaten, nog bij Hem horen?
Als je Hem verloochent, zul je er dan door Hem worden buiten gezet?
Zal Jezus dan zeggen: ‘Ik ken jou ook niet? Ga weg van Mij?’

Het antwoord komt van de Heere Jezus zelf.
Mattheüs vertelt hoe Jezus gekomen is om ons te redden van onze zonden.
Omdat Jezus stierf, werd ook de fout van Petrus vergeven.
En ook jouw fout.
Niet als goedkoop trucje, maar als redding.

De haan kraaide en herinnerde Petrus aan wat hij verkeerd had gedaan.
De haan riep Petrus’ geweten wakker.
Als een haan kraait, kondigt hij de nieuwe dag aan.
Goede Vrijdag
Opstanding: De Heer is waarlijk opgestaan.
Amen

Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/03/20/verloochening-van-petrus/

Preek zondagmorgen 24 maart 2013

Preek zondagmorgen 24 maart 2013
Afsluiting winterwerk
Thema: Geloof dat alles mogelijk is.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
Geloof dat alles mogelijk is – dit thema is uitdagend en prikkelend bedoeld:
Geloof jij dat alles mogelijk is?
Neem bijvoorbeeld Noord-Korea.
Dit land staat bovenaan de ranglijst van christenvervolging.
Nergens op de wereld hebben christenen het moeilijker dan in dit land.
In veel gemeenten wordt er voor dit land gebeden:
een gebed tot de Heere of de leiders van dit land wil veranderen,
zodat er voor christenen vrijheid komt.
Geloven wij dat er door zulke gebeden ook verandering kan komen
in een land als Noord-Korea?
Geloven we dat de pleinen daar vol zullen stromen?
Niet om hun steun aan de regering te betuigen, maar om als land de Heere te loven?
Geloven we dat alles mogelijk is?
Dat is niet zomaar een vraag, maar een vraag of wij nog geloven in God.
Geloof je dat God zo’n land als Noord-Korea kan veranderen?
Geloof je dat de Heere machtig is om de leiders tot inkeer te brengen,
zodat zij in Hem gaan geloven?
Of bidden we en hebben we er eigenlijk weinig vertrouwen in,
dat er iets verandert?
Geloven wij dat God onze gebeden hoort?
Geloven wij dat de Heere de macht heeft om veranderingen aan te brengen?

En niet alleen in Noord-Korea. Dat geldt ook dichter bij huis.
Als wij bidden voor elkaar:
geloven wij dat ons gebed de Heere bereikt en dat de Heere kan ingrijpen?
Of leveren wij iemand bij wijze van spreken bij de hemelpoort af
en zeggen wij: Heere, wij weten ook niet meer wat wij er mee aanmoeten.
Misschien dat U nog iets kan?
In de vorige gemeente kwam wel eens een Egyptenaar bij ons in de kerk.
Hij vond dat ik veel te voorzichtig bad voor gemeenteleden die ziek waren.
“Als bij ons iemand ziek is,” zei hij, “probeert de geestelijke hem voor de poorten
van de dood weg te slepen. Zo krachtig bidt de geestelijke.”
Ik vroeg hem of hij er rekening mee hield dat een zieke ook achteruit kon gaan
en uiteindelijk zelfs kon overlijden.
“Ja,” zei hij, “daar houden wij ook wel rekening mee,
maar wij geloven dat God machtig is. Bij machte om een ernstig zieke te genezen.”
Als de Heere het dan toch niet deed, was het geen reden voor twijfel,
maar een vertrouwen dat de Heere voor een andere weg had gekozen.
Geloven wij nog dat alles mogelijk is?
Geloven wij nog dat voor God alles mogelijk is?

We kunnen over de discipelen veel zeggen, want in Gethsemané zien we ze niet van de beste kant.
Ze laten Jezus immers in de steek als hij gearresteerd wordt?
En toch moeten we eerlijk zijn en zeggen dat zij in Jezus geloofden.
Ze hadden enkele zwaarden bij zich om Jezus te verdedigen.
En ze waren ook niet bang om zo’n zwaard te gebruiken.
Want denk je: stoere vissers, die vaak moesten vechten tegen de stormwind,
ze hadden zich voorgenomen om Jezus tot het uiterste te verdedigen.
Desnoods met hun eigen leven.
Als Jezus maar bleef leven, dan gaf het niet als zij het met de dood moesten bekopen.
Een van de metgezellen van Jezus grijpt het zwaard als de soldaten op Jezus afkomen.
Zo makkelijk zullen ze Jezus niet krijgen.
Hij gelooft er in.
Hij gelooft dat alles mogelijk is.
Het is geen wanhoopsdaad van deze discipel om het zwaard te trekken,
geen zelfmoordaanslag waarbij het duidelijk is dat er geen uitweg meer is
en dat het enige dat nog is overgebleven is: kiezen voor de dood.
Nee, deze discipel wordt gedragen door het geloof dat alles mogelijk is.
Dat Jezus zo dicht bij God leeft, dat Jezus gered zal worden.
Zoals het volk Israël een uitweg kreeg door het water toen de farao met zijn soldaten kwam.
Of zoals de profeet Elisa een leger van engelen om hem heen had, die hem beschermde.
Zo zal God ook Zijn engelen gebieden om Jezus te redden!
Voor het oog leken ze met een kleine groep.
Kleiner dan de soldaten die kwamen.
Menselijkerwijs gesproken zouden zij het verliezen.
Maar de discipelen rekenden met God!
Ze kenden psalm 22, de psalm die ervan zingt dat de vijanden als een kudde wilde stieren op je af kunnen stormen.
De vijand als een gevaarlijke leeuw op je afstormt om je levend te verscheuren,
maar ze wisten ook dat die Psalm zong over uitredding die God gaf.
Zo zal God uitredding bieden.
Als deze discipel zijn zwaard greep en tot de aanval overging,
zouden de legers van de engelen uit de hemel hem bijspringen.
Wanneer wij denken dat de discipelen gevlucht zijn vanwege de soldaten die komen,
hebben wij het niet begrepen. In ieder geval zo gaat het bij Mattheüs niet.
Ze staan hun mannetje.
Het zijn stoere, sterke mannen die niet bang waren voor het gevaar dat Jezus bedreigde.
Ze zijn Hem naar Jeruzalem gevolgd en ook in Jeruzalem bij Hem gebleven.
Ze hebben heus wel wat gemerkt van de dreiging die om Jezus heen was.
Ze zijn er niet voor weggevlucht
En tot in Gethsemané is dat geloof dat alles mogelijk is.
Had Jezus niet gesproken over de Mensenzoon?
De Mensenzoon was iemand die bij God vandaan kwam.
Aan het einde van de tijden om het oordeel uit te spreken over Zijn vijanden
en het volk Israël redden.
de Heere Jezus had zo vaak over de Mensenzoon gesproken,
dat de discipelen dachten: Jezus is het.
De Mensenzoon zou zich niet gevangennemen.
Maar zal Zijn macht laten zien, Zijn vijanden doen huiveren,
Zijn vijanden verslaan.
De discipelen geloofden in Jezus.
Als wij hen als lafaards zouden zien, zitten we goed mis.

Maar waarom vluchten zij dan?
Waarom laten zij Jezus alleen?
Dat heeft met de houding van Jezus te maken.
Hij wil geen gebruik maken van de redding.
Hij wil geen grootse bevrijding.
Jezus weet dat er een groot leger klaar staat in de hemel.
Hij hoeft maar één teken te geven
en de engelen zouden uit de hemel stormen om Hem te redden,
de vijanden te verslaan.
12 legioen engelen: 12×6000 = 72.000 engelen.
Maar Jezus zegt niets. Geeft geen teken waarop ze kunnen komen.
Jezus die Heer van de engelen was – de Mensenzoon.
Hij doet het niet!
Hij laat zich gevangen nemen.
Snapt Jezus dan niet dat daarmee het plan van God helemaal misloopt?
Hoe kan het plan van God uitgevoerd worden als Jezus zich gevangen laat nemen?
Toen Jezus zich overgaf en tegen de soldaten zei: Ik ben het – Mij moeten jullie hebben,
viel hun mond vast open van verbazing.
En ze waren nog niet bekomen van die andere verbazing: Jezus die zegt dat zij het zwaard weg moesten doen.
Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard vergaan.
Ik dacht eerst dat de Heere Jezus hier bedoelt: vecht nou niet,
want je verliest het toch.
Dat Hij hier zegt: Als je het zwaard trekt, loop je het risico te sneuvelen.
Maar dat bedoelt Hij niet.
Het is een veel scherper antwoord:
Hij zegt tegen de discipelen: als je naar het zwaard grijpt, dwarsboom je het plan van God.
Door het zwaard te trekken, door geweld te gebruiken, door te strijden voor Jezus
strijd je tegen God!
De engelen uit de hemel zullen zich niet tegen de vijanden keren, maar tegen jullie!

Reken maar dat het voor de discipelen een hele schok was.
Het tegenovergestelde van wat zij hadden verwacht.
Wat Jezus zegt, klopte niet bij wat zij geloofden!
Jezus die zich gewonnen geeft – als slappeling.
Niet alles is dus mogelijk!
Geen glorieuze overwinning, maar een smadelijke nederlaag
waarbij iedereen vol spot over Jezus zou spreken!
Is dat, is dat die koning Jezus
Is dat nou degene waar alle vaderen naar hebben uitgekeken?
Waar zij al hun vertrouwen op hebben gesteld.

Geloof dat alles mogelijk is?
Hun geloof spat op dat moment uiteen.
Jezus?
Ze kunnen niet horen wat Jezus daarna zegt:
Dat de Schriften vervuld moeten worden.
Jezus moet deze weg kiezen.
God kiest lang niet altijd de weg van grootse overwinningen.
God kiest er niet voor om Zijn engelen naar deze aarde te sturen.
Vaak kiest de Heere een weg die wij niet begrijpen.
Een weg die voor ons een mislukken lijkt.
Als we erover nadenken, kunnen we er zo een paar noemen:
de kerk die in Nederland achteruitgaat,
of iemand die veel voor de kerk deed en te vroeg overleed.
Ook hier – Jezus had Zijn vijanden kunnen verslaan.
Iedereen in Israël, iedereen op aarde had in Jezus geloofd!
Een gouden kans!
Zo zien wij het toch ook vaak, dat wanneer er iets bijzonders gebeurt, mensen wel moeten geloven
in Jezus, in de macht van God.
En we begrijpen het niet dat de Heere er voor kiest
om iemand ziek te laten zijn
er voor kiest om Jezus aan het kruis te brengen.
Ze discipelen begrijpen er ook niets van.
Voor hen is het over.
Als die engelen niet komen, als God niet ingrijpt, staan ze er alleen voor.
Dan zijn ze een klein groepje met enkele zwaarden.
Ze hadden op God gerekend, ze hadden gerekend op de macht van Jezus.
Tevergeefs.
Is dan de vlucht van de discipelen niet herkenbaar?
Hoe vaak lopen wij niet met de gedachte rond:
Waarom laat God het toe?
Waarom laat Hij het toe dat mensen ziek blijven en overlijden.
Waarom laat God het toe dat er in een land zo’n puinhoop kan worden
als in Syrië, of Tsjaad, of de Centraal-Afrikaanse Republiek.
Gebeurt het bij ons ook niet, dat we dan zeggen: als God er niets aan doet,
dan weet ik het ook niet meer.
Dan weet ik ook niet of ik nog wel bij Hem wil horen.
De neiging om net als de discipelen te vluchten.
Of wellicht hebben we het al opgegeven.

Het zijn moeilijke vragen en ik heb er maar één antwoord op.
ER is een reden waarom Jezus zich weerloos opstelt.
Er is een reden waarom de engelen nog in de hemel blijven
en er niet op uittrekken om de vijanden te verslaan.
Want als de engelen uit de hemel komen, is het hier op aarde voorbij,
dan zou iedereen voor Christus worden gebracht.
Dan zouden wij, en iedereen, ook degenen die niet in Hem geloven,
ook degenen die de christenen vervolgen, kleineren en pijn doen,
voor Hem komen te staan. Voor de rechter.
En kunnen wij dat wel?
Kan u voor Christus verschijnen?
Kunt u het oordeel aanhoren?
Maar kijk eens wat de rechter doet.
Hij zegt niet: doe ze allemaal weg.
Hij zegt niet: stuur ze allemaal naar de hel.
nee, Hij zegt: hier ben IK.
De rechter van hemel en aarde.
De rechter die zou moeten aanklagen – u en mij,
Maar kijk eens wat Hij doet – de rechter zegt: de straf is voor mij.
De Mensenzoon – die de schapen en de bokken zou scheiden
om degenen die niet geloofden, om degenen die tegen God ingingen te veroordelen.
Die legioenen engelen ze zouden ze bij elkaar brengen en wegbrengen, bij God vandaan.
Maar nu stapt de Heer der engelen naar voren en zegt:
Het is nog geen tijd voor het oordeel – God wil genade,
de Heere wil redding.
Alles is mogelijk – zelfs dat zondaars vergeving krijgen.
Alles is mogelijk – dat zelfs voor ons redding mogelijk is, redding van het oordeel.
Dat Christus tegen ons zegt: ook jij hoort bij mij. Ook voor u ben ik gestorven.
Ik hoef maar te roepen,
maar ik doe het niet.
De Heere stapt naar voren en zegt: Hier ben ik, want ik wil niet dat zij verloren gaan.
Neem mij, dan kunnen de anderen vrij.
Is dat, is dat mijn koning?
JA, dat is mijn koning.
Want deze koning geeft Zijn leven voor Zijn onderdanen.
Is dat, is dat mijn rechter.
Ja, maar deze rechter veroordeelt mij niet, maar schenkt mij vrijspraak.
Is dat, is dat mijn redder?
Ja, zie hoe Hij Gods wil volbrengt.
Daar gaat Hij om de Schriften te vervullen.
Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem

Hoe vaak heeft u niet deze boodschap gehoord?
Geloof, dat ook voor u alles mogelijk is.
Geloof dat ook voor jou alles mogelijk is.
Jezus stapte naar voren. Ook voor jou./
Voor jouw zonden. Om jou te redden.
Amen