Preek Hemelvaartsdag 2020

Preek Hemelvaartsdag 2020

Schriftlezing: Efeze 1: 15-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen week werd bij ons opeens het bordspel Risk weer gedaan.
Een spel waarbij de wereldkaart is verdeeld in 42 gebieden – territoria.
Elke speler krijgt aan het begin van het spel een even groot aantal gebieden.
Aan het begin krijgt elke speler ook een opdracht:
– Verover 18 gebieden en houdt elk gebied met tenminste 2 legers bezet.
– Opdracht: vernietig alle rode legers.
– Verover de continenten Europa en Australië en een derde continent naar keuze.
Het is een spel dat niet zomaar gespeeld is.
Het kan uren duren, waarbij het spel steeds op en neer gaat.
Er komt strategie bij kijken: je moet weten welk gebied je moet veroveren
zonder je opdracht prijs te geven.
Er komt ook geluk bij kijken: je werkt met dobbelstenen,
waardoor een kleine legermacht soms lang stand kan houden tegen een overmacht.

In dit hoofdstuk uit Efeze gaat het ook over een strijd om de wereld:
krachten die tegen God strijden en de kerk en de gelovige merken die strijd.
De gemeente zit bijvoorbeeld niet op één lijn:
Er is een aarzeling om als christenen van een verschillende komaf bij elkaar te zitten.
Gelovigen die een Joodse komaf hebben, zien het niet zitten
om samen één gemeente te vormen met christenen die een heidense achtergrond hebben.
Ze willen daarom apart van elkaar avondmaal vieren, of zelfs aparte diensten.
Ze weten niet of ze wel de doop van die heidenen kunnen accepteren.
Het is niet zo moeilijk voor te stellen, dat deze moeite voor grote spanning zorgt.
Voor Paulus is het duidelijk: die spanning en verdeeldheid die in de gemeente heerst
is niet alleen iets van mensen, maar heeft een diepere oorzaak.
Hier is een macht actief die de kerk wil tegenwerken, omdat de kerk van Christus is.
De tegenstander van God gunt de kerk geen rust een zaait daarom verdeeldheid.
Deze tegenstander pakt met verdeeldheid te zaaien de rode dobbelstenen op
om deze gemeente door verdeeldheid te laten scheuren
en zo van Christus af te nemen en de eigen legers op dit gebied te zetten.
Als de kerk door verdeeldheid uit elkaar valt, kan deze tegenstander beweren:
Zie je wel, die macht van Christus is helemaal niet zo overtuigend als het lijkt.
Ik ben nog steeds in staat om gebieden te veroveren.
Door deze bluf wil de boze angst inboezemen en de strategie van God ontregelen.
En het lijkt geregeld of hij succes heeft en in de loop van de tijd
toch weer gebieden weet te veroveren, die hij eerst had moeten inleveren.
Ook in onze eigen tijd worden de rode dobbelstenen opgepakt en de aanval ingezet
en de kerk en gelovigen in de verdediging gedrongen.
‘Een van mijn kinderen gaat nauwelijks meer naar de kerk. Alleen bij bijzonderheden.
Je kunt er niet steeds over beginnen. Ik kan het alleen in Gods handen leggen.’
Een aanval van de boze, waar hij succes mee lijkt te halen
en bij een overwinning een kaart krijgt waarbij hij een nieuwe legermacht kan opbouwen,
een legermacht van argumenten om de volgende te overwinnen:
Zie je wel dat het met de macht van Christus niet alles is.
Zij ging vroeger gewoon nog naar de kerk, maar zij heeft het opgegeven.
In mijn vorige gemeente vertelden gemeenteleden
hoe zij destijds met een grote groep belijdenis hadden gedaan, soms wel met 30 man.
Van die grote groep waren zij vaak na 30 of 40 jaar nog de enigen die naar de kerk gingen.
Als ze met degenen met wie ze vroeger belijdenis deden hierover spraken,
zeiden ze schamper: dat is iets van vroeger. Ik heb er niets meer mee.
Een aanval van de boze, waarmee hij succes had en weer een overwinning behaalde,
die ook effect had op degenen die nog wel trouw bleven aan Christus.
Want ook al bleven zij naar de kerk gaan, hen bekroop ook wel eens de twijfel
of het allemaal echt waar was en wat ze het liefste hadden in de dienst
was een preek die hen bemoedigde, die hen weer aanspoorde en versterkte in het geloof.
Het is het gevoel dat je met de blauwe dobbelstenen aan het gooien bent
en steeds gebieden verliest aan de tegenstander van God.

Op een van de opdrachten bij ons spel heeft een van de kinderen een grapje uitgehaald.
De opdracht is veranderd: Vernietig jezelf. Als dat niet lukt, vernietig je iedereen.
Dat is ook de strategie van de satan: die kan alleen maar vernietigend werken.
Het liefst het vernietigen van het werk van Christus in deze wereld.
Door met zijn succes in deze wereld te schermen, wil de boze onzekerheid zaaien:
Het is een aflopende zaak voor de kerk. Wat doe je er nog? Laat het toch gaan?

Een kerk in onzekerheid en een kerk die merkt dat in die onzekerheid
er een aanval gebeurt door de boze, die het werk van Christus wil vernietigen
en wil laten zien dat Christus niet de macht heeft in deze wereld.
Aan zo´n kerk in onzekerheid, een kerk een tegenstander tegenover zich heeft
die de rode dobbelstenen heeft opgepakt en de kerk in de verdediging heeft gedrukt
schrijft Paulus een brief.
Een brief aan de gemeente, die in onzekerheid is geraakt, die is gaan twijfelen,
omdat de boze in de strijd steeds meer gebieden lijkt te winnen.
In deze brief legt Paulus de betekenis van wat we vandaag op hemelvaartsdag vieren:
God heeft Christus aan Zijn rechterhand geplaatst
en alle machten die er in het hele universum kunnen zijn aan Hem onderworpen.
Ook de macht van de boze, die steeds de aanval opent op de kerk.
Ook de onzekerheid die een middel is in de hand van de boze om de kerk te verscheuren.
Die onzekerheid is niet nodig, want Christus regeert.
Dat is niet alleen iets voor de toekomst, voor de wereld die nog moet komen,
de wereld die er zal zijn als Christus terugkomt
en de duivel en alle kwade machten die er zijn voorgoed van deze wereld zijn verbannen.
Christus regeert nu al – ook in deze tijd waarin de duivel de rode dobbelstenen oppakt
en de kerk op verschillende plaatsten aanvalt, met verschillende middelen.
Ook in een tijd waarin twijfel bovenkomt, onzekerheid wordt gevoeld,
krachten die de duivel op de kerk loslaat om de kerk af te breken
heeft de kerk een Heer in Christus en niet zomaar een Heer,
maar de Heer die Gods kracht zichtbaar maakte.
Die macht werd zichtbaar in de opstanding.
Die macht van God werd zichtbaar toen Christus naar de hemel ging
en de plek aan Gods rechterhand toegewezen kreeg,
de hoogste plek in de hemel. Een hogere plek is er niet.
Een hogere plek in het hele universum is er niet.
Niets of niemand is machtiger dan deze Heer Jezus Christus,
die met God de Vader in die heerlijkheid troont en regeert.
De allesovertreffende grootheid van Zijn kracht.
Paulus komt woorden tekort om aan te geven hoe groot de macht van God is,
de macht waarin Christus deelt.
Niets gaat boven die macht uit. Niets of niemand is tegen die macht opgewassen.
Ook de duivel kan de macht van God niet aan en heeft al moeten buigen,
heeft al de meerdere in Christus moeten aanvaarden. Hij werd door Christus overwonnen.
Daar moet de gemeente het van hebben.
En daar moet u zich ook aan vasthouden,
als u hoort dat de duivel die rode dobbelstenen weer oppakt en ermee rammelt
om de aanval te openen op uw geloof.
We hebben een Heer die regeert. Die Heer regeert over hemel en aarde.
Paulus schrijft aan de gemeente van Efeze: De Heer die overwonnen heeft,
die de macht van de duivel eronder heeft gekregen, die Zijn triomfen op de boze behaalde
die Heer is toegewezen aan de kerk om als hoofd over de kerk te regeren.
De kerk slaat op aarde geregeld maar een zwak figuur.
Het lijkt zo vaak tobben te zijn met de kerk.
Die kerk heeft wel een Heer in Christus: het hoofd die over de kerk regeert.
Een hoofd die de kerk leidt beschermt en bestuurt.
Wat er in de kerk gebeurt, is niet alleen maar mensenwerk.
Christus is de Heer van de kerk die de kerk bestuurt en leidt en beschermt.
De kracht van deze Heer werkt ook door in de kerk.
Je zou dat niet zomaar zeggen als je naar de kerk kijkt,
want de kerk maakt vaak een onzekere indruk, wordt geplaagd door twijfel,
straalt vaak niet uit wat de kerk van Christus zou moeten uitstralen,
ligt met zichzelf overhoop, is verdeeld door allerlei conflicten.
En toch: de Heer van de Kerk, Christus die de dood overwon
en nu al in de hemel regeert en de vijand, de boze, overwonnen heeft,
Hij laat Zijn kracht doorwerken in de kerk.
Hemelvaart is niet alleen maar een verhaal over Christus die de aarde verliet,
maar Christus die naar de hemel ging met een reden:
om in de hemel de troon te bestijgen en te regeren.
Om aan de wereld en ook aan Zijn kerk, die vaak zo bang en vol twijfel is, te laten zien:
Ik regeer. Ik laat Mijn macht gelden. De vijanden die er zijn, de machten die komen,
de krachten die op de kerk inwerken en schade veroorzaken.
Die vijanden, die machten, die krachten zijn reeds overwonnen.
Je hoeft er niet bang voor te zijn. Je mag op je Heer vertrouwen, de Heer van de kerk.
In dat geval gaat het voorbeeld van Risk niet meer op.
Bij dat spel is het van tevoren nog niet duidelijk wie er gaat winnen.
Dat is een kwestie van strategie en van geluk samen.
Maar in dit geval is de strijd reeds beslist: Christus regeert. De macht is in Zijn handen.
Je kunt je aan hem toevertrouwen.
Je hoeft geen aanval van de boze meer te vrezen.
Je hoeft niet meer onder de indruk te zijn als de satan de rode dobbelstenen oppakt.
Je kunt schuilen bij deze Heer van de kerk
als de boze de kaarten van eerdere overwinningen op tafel legt
en daardoor een extra grote troepenmacht kan inzetten en de aanval op je opent.

Dat klinkt misschien wel heel gemakkelijk.
Zeker als je die onzekerheid kent en die de kracht van de aanvallen voelt
en merkt dat je verlies lijdt als de boze op je afkomt.
Daarom wijst Paulus naar de gelovige: Je merkt in jezelf die kracht van Christus.
Althans: hij ziet het wel aan de gemeente.
Hij heeft gehoord van het geloof dat er in de gemeente van Efeze is.
Het is al een tijd geleden dat hij in de gemeente geweest is.
Mogelijk is het al weer 6 of 7 jaar geleden.
In die tussentijd is het geloof van de gemeenteleden doorgegroeid.
Heeft de Geest niet stil gezeten, maar in hen gewerkt.
Ze zijn niet alleen gegroeid in geloof, maar ze zijn er ook naar gaan leven.
Paulus hoort over de liefde die er is voor andere christenen.
Ze zijn niet alleen met zichzelf bezig, maar hebben oog voor de anderen,
die net als zij verbonden zijn aan deze Heer.
Ze steunen hen met woord en daad. Ze bemoedigen en beuren op.
Ze strijden samen als de aanvallen weer komen.
Dat is nu de kracht van Christus, die uit de dood opstond en naar de hemel ging
en die de vijanden van God en van de kerk overwonnen heeft.
Daarin kun je al Zijn macht zien: in je eigen geloof. In het vertrouwen dat je hebt.
Als je jezelf kunt overgeven aan Hem.
Paulus weet ook wel dat die groei niet uit eigen kracht komt,
maar dat het God is die dit vertrouwen en geloof werkt.
Hij is daarom God dankbaar voor dat Hij dat in de gemeente van Efeze werkt.
Hij dankt de Heere elke keer dat Hij die gemeenteleden vasthoudt,
moed en kracht geeft, met hen bezig is.
Zelf merken ze het misschien niet zo, maar Paulus hoort er wel van
en kan daar alleen maar blij en dankbaar voor zijn.
Elke keer als Paulus in gebed is, en we weten dat Paulus veel gebeden heeft,
Paulus was voortdurend in gebed – bid onophoudelijk.
Elke keer als Paulus bidt, dankt hij eerst de Heere voor wat er bij hen gebeurt.
Paulus kan niet meer stoppen. Zo groot is zijn dank aan de Heere
voor wat er in de gemeente van Efeze gebeurt.
Dit gedeelte dat we hebben gelezen van Paulus aan Efeze is helemaal een gebed.
Een gebed dat begint met dankbaarheid voor wat God doet,
voor wat hij ziet als resultaat van Gods werken in de gemeente: geloof en liefde.
Hij laat het niet bij de dank. Hij gaat ook in gebed voor de gemeente die hij kent.
Hij draagt de gemeente aan de Heere op. Hij heeft een concrete vraag aan God.
Bidden is een hemelvaart in woorden, las ik ergens.
Als wij bidden, maken wij met onze woorden en gedachten dezelfde tocht
die de Heere maakte toen Hij naar de hemel ging
en komen we op dezelfde plek uit: voor de troon van God.
Voor de troon van de machtige Heer, de heilige God,
of, zoals Paulus dat hier schrijft: de Vader van de heerlijkheid.
onze hemelse Vader die in de hemelse heerlijkheid is,
onze hemelse Vader die vanuit de hemel Zijn kracht op aarde heeft laten zien
in de kruis en opstanding van Christus.
Daar, voor de troon van deze God komen we terecht als we bidden.
Een hemelvaart in woorden.
Als je daar komt, voor de troon van God, in die heilige ruimte van de hemel,
gevuld met de heerlijkheid van God dan kun je soms alleen maar stamelend bidden.
Paulus verwoordt overigens een robuust gebed:
Een gebed dat God verder gaat met Zijn werk in de gemeente.
Dat ze nog meer zicht krijgen op de betekenis van hemelvaart.
Dat ze nog meer begrijpen en gaan ervaren wat het betekent dat Christus regeert.
Dat ze het nu al mogen zien en ervaren dat alles in Christus’ hand is
en dat dat macht van de boze nu reeds al verslagen is en weinig in te brengen heeft,
al gaat hij nog zo te keer tegen de kerk van Christus.
Dat de ogen mogen open gaan, het hart mag geloven.
Dat ze weer hoop mogen hebben, moed en houvast.
Dat ze mogen beseffen wat er allemaal te wachten staat als ze volhouden.
Met bidden reizen we onze Heere achterna, die de weg gebaand heeft.
Die zelf in de hemel voor ons bidt.
Bidden is de praktische kant van hemelvaart voor ons.
Door te bidden laten we zien dat we geloven, dat Christus inderdaad in de hemel aankwam
en geven we aan dat er maar Eén is die regeert en dat we bij Hem moeten zijn
voor alles wat ons bezighoudt.
Niet maar even bidden, maar steeds weer opnieuw, de weg gaan die Christus ging.
Waar Christus nu al is en waar wij eens mogen komen als we volhouden in geloof.
Bidden is geloven dat hoe sterk de macht van de boze ook kan zijn, kan gevoeld worden,
het geloof dat er toch Eén sterker is en de macht van de boze nu reeds verbroken heeft.
De allesovertreffende grootheid van zijn kracht, die nu reeds in ons werkt.

Ontzagwekkend is Gods onbegrensde macht;

zijn gezag dat de wereld regeert.

Onvoorstelbaar hoe God ons verlossing bracht;

in de Zoon overwon, triomfeert.

Zie hoe Jezus met Gods kracht bekleed,

aan het kruis elke duistere macht,

elke keten voor ons, verbroken heeft:

niets of niemand betwijfelt zijn gezag!

 

Heel de wereld moet weten wie Jezus is,

die de dood onderworpen heeft.

Overweldigend hoe Hij de strijd beslist;

alle machten ontwapend heeft.

Zie hoe Jezus roemrijk zegeviert

en ook ons bekleedt met zijn kracht.

Onaanzienlijk zijn wij, maar Jezus niet:

Halleluja, van Hem is alle macht!

 

Waar ons leven zijn schoonheid en glans verliest,

als een bloem in het veld verdort,

zijn wij niet zonder hoop; wij vrezen niet:

heel de wereld behoort aan God!
Amen

 

Preek zondag 8 maart 2020

Preek zondag 8 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 17:20-37

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De vraag die de Farizeeën aan de Heere Jezus stelt, is een herkenbare vraag.
Ik denk dat wij ook wel zouden willen weten wanneer dat Koninkrijk van God zal komen.
Dan weet je hoeveel tijd er nog aan ons gegeven wordt
en kunnen we ons er op instellen, zodat het je er niet door overvallen wordt.
Of hoeveel tijd je nog hebt om de mensen om je heen zover te brengen
dat zij ook in Christus gaan geloven.
Dan weet je ook dat je niet tevergeefs wacht op de komst van dit Koninkrijk
en dat het allemaal waar is wat Jezus over dat Koninkrijk verteld heeft.

We lezen geregeld in de evangeliën dat de Farizeeën Jezus op de proef willen stellen,
maar dat is hier niet het geval.
Hier wordt door de Farizeeën een serieuze vraag gesteld,
omdat zij zelf ook uitkijken naar het Koninkrijk van God.
Voor hen betekent het Koninkrijk van God dat het volk Israël weer trouw is aan God,
dat het hele volk weer bezig is met het dienen van God
en zich houdt aan de wetten die God gegeven heeft
en dat iedereen die in het verbond met God hoort ook God eert met woord en daad.
Ze beseffen dat er nog heel wat moet gebeuren,
omdat de meesten zijn afgedwaald en zich helemaal niet met God bezig houden
en leven op een manier die niet past bij het volk van God.
Ze houden hun hart vast: want wat zal er gebeuren als God terugkomt
en Hij Zijn volk aantreft met zo’n zondige levensstijl, zo afgedwaald van Gods wegen.
Ze geloven dat God alleen maar met Zijn oordeel zal komen.
Er is één manier om aan dat oordeel te ontkomen
en dat is het hele volk tot inkeer komt, inziet dat ze zonder God leven
en dat hun zondige levensstijl het oordeel van God over hen zal brengen.
Ze kijken uit naar de Messias die zal komen.
Hij zal het volk terug brengen.
Door de leiders aan te klagen, door net als Jona te vertellen dat Gods oordeel komt.
Alleen wie op dat moment trouw is aan de Heere, zal met de Messias mee mogen gaan
het Koninkrijk van God in.
Bijzonder zal het zijn: een volk dat trouw is aan de Heere
en God die in Jeruzalem als Koning regeert.
Daar kijken ze naar uit: naar dat moment dat God onder hen is
maar ook dat ze alleen nog maar omringd worden door mensen die werkelijk loyaal zijn
aan de Heere en Hem met hart en ziel, met mond en daad dienen.
Wanneer zal dat moment er zijn?
Zij keken er naar uit en letten of ze om zich heen reeds tekenen konden zien
die erop wezen dat het grote moment was aangekomen
dat de Messias kwam, dat het oordeel werd voltrokken en dat God naar Zijn volk kwam.
Zij keken er naar uit. Wanneer?

Laat komen, Heer, uw rijk, uw koninklijke dag,
toon ons uw majesteit, Messias, uw gezag!

Waar blijft dat overlang beloofde land van God,
waar liefd’ en lofgezang verdrijven leed en dood?

Dat land, het ons vanouds
vertrouwde Kanaän,
Waar God zijn stad herbouwt;
Sion, waar zijt ge dan?

Een begrijpelijke vraag van de Farizeeën: Wanneer komt dat koninkrijk dan?
Het kan zijn dat u ook op de tekenen van de tijd let:
Kan ik er al iets van zien dat Gods koninkrijk eraan komt?
Kan ik het zien aan wat er in deze wereld gebeurt aan oorlog, epidemieën, natuurrampen?

Dan is het antwoord dat Jezus geeft verrrassend:
Dat Koninkrijk van God, waar je zo naar uitkijkt, dat moment dat God er zal zijn,
dat er orde op zaken gesteld zal worden en er weer echt geloof zal zijn en trouw
– je kunt het niet op een zichtbare manier zien.
Je kunt het niet met je ogen waarnemen en je zult het ook niet kunnen aanwijzen.
Je kunt er geen mensen naar toenemen om aan te laten zien: hier is dat koninkrijk gekomen.
Dat maakt het niet makkelijk om dat Koninkrijk van God binnen te gaan.
Want dat is wel wat de Farizeeën willen
En daarin lijken de Farizeeën op de volgelingen van Jezus.
Want ook Jezus roept Zijn leerlingen op – ook ons – dat Koninkrijk binnen te gaan.
Hoe kan dat nu? Niet zichtbaar en toch moet je het binnengaan?
Dat is een belangrijke kwestie, want wij ook wij moeten binnengaan
en hoe doe je dat dan?
Het antwoord van Christus kunnen we op twee manieren opvatten.
Als u de tekst voor u heeft, kunt u ook zien dat er een tweede mogelijkheid wordt gegeven.
De vertaling kiest ervoor dat Jezus zegt: Het Koninkrijk is binnen in u.
Dat betekent: je hart is open gegaan voor Christus.
Hij is in je hart komen wonen, je bent in Hem gaan geloven
en je bent zo gaan leven, zoals Hij dat wil: trouw aan Hem, trouw aan Zijn richtlijnen.
Hoewel die mogelijkheid gekozen kan worden, is die andere optie beter:
Het Koninkrijk is in het midden van u.
De Farizeeën kijken nog uit naar de Messias, maar ze hebben niet door
dat ze hier al met de Messias in gesprek zijn
en dat met de komst van Christus op aarde dat Koninkrijk van God gekomen is.
Wil je meer weten over dat Koninkrijk van God dan moet je naar deze Messias kijken:
Jezus, geboren uit de maagd Maria, de Zoon van God op aarde gekomen met een missie,
een missie die Hij van Godswege zal gaan vervullen
en wil je dat Koninkrijk van God binnengaan, dan moet je bij deze Jezus zijn.
Hij is het Koninkrijk van God, Hij brengt dat Koninkrijk
En alleen Hij kan je dat Koninkrijk laten binnengaan.
Sinds Hij voet op aarde zet, is dat Koninkrijk van God begonnen.

Nu Zijn leerlingen nog bij Hem zijn, kunnen ze dat geloven,
maar er zal een tijd komen, waarop Hij van Zijn leerlingen gescheiden zal zijn.
Dat kunnen twee momenten zijn: het moment waarop Jezus wordt gearresteerd
en meegenomen wordt voor een verhoor en uiteindelijk gedood zal worden.
Dat zal een hard gelag zijn voor de leerlingen en ze zullen in de verleiding komen
om Jezus vaarwel te zeggen en bij Hem vandaan te gaan
en uit teleurstelling ergens anders op zoek gaan naar het Koninkrijk van God,
waarvan ze geloofden dat hun Meester die zou brengen.
Jezus kan hier ook doelen op de tijd na Zijn hemelvaart,
het moment dat Hij in de hemel de troon bestijgt
en vanaf de hemelse troon de wereld bestuurt.
Op beide momenten zullen de leerlingen van Christus kwetsbaar zijn,
omdat ze Jezus niet zichtbaar bij zich hebben.
Wellicht merkt u dat bij uzelf ook wel:
Natuurlijk, onze Heer is in de hemel en Hij regeert vandaaruit.
En toch, je zou juist soms van die tekenen willen hebben, dat het waar is,
dat het zichtbaar is dat Christus vanuit de hemel regeert.
Hoe kwetsbaar je ook bent om bij Hem vandaan te gaan, omdat je Hem niet ziet,
laat je niet in verleiding brengen om bij Hem weg te gaan,
omdat iemand anders je denkt dat Koninkrijk van God aan te wijzen.
Want dat Koninkrijk heeft vooral met één moment te maken,
dat voor Jezus nog moet komen: het kruis op Golgotha.
Dat moet eerst nog komen voor het Koninkrijk van God zal komen.

Als Jezus aan het kruis hangt, zegt Hij: dat Koninkrijk van God is nu gekomen.
Hij zegt dat tegen die moordenaar die op het allerlaatste moment van zijn leven
inziet wie die Man is die naast hem aan het kruis hangt.
Dat Hij de Messias is die toegang kan geven tot het Koninkrijk van God.
Denkt U aan mij, zegt hij dan ook tegen Jezus, als U in dat koninkrijk gekomen bent.
En het antwoord van Jezus is: Heden, nu.
Nu Hij aan het kruis hangt is dat koninkrijk gekomen.
Maar hoe wordt dat koninkrijk dan zichtbaar?
Want Jezus zegt toch dat het zo zichtbaar zal zijn, voor iedereen, net als de bliksem.
De bliksem ziet iedereen van de ene kant van de lucht naar de andere schieten.
Voor iedereen zichtbaar, je schrikt en je wacht benauwd af: hoe hard klinkt de klap?
Ja, wel zichtbaar, maar dan in een duisternis die drie uur duurt.
Dat is het oordeel waar de Farizeeën naar uitkeken, waarbij God alles recht zet.

Dag des oordeels, dag des Heren. Alles zal tot as verteren, zoals de profeten leren.

Dag van schrik die aan zal breken, als de Rechter recht zal spreken,
en het kwaad op aarde wreken.

Maar dan niet het oordeel dat God over Zijn eigen volk uitgiet
dat Hem bij Hem vandaan gegaan is, niet over de zondaars en de goddelozen,
maar over Zijn eigen Zoon, die daar hangt in onze plaats.

Stel dat je die dag zou meemaken en je zou gewoon maar doorgaan met je leven
alsof er niets was gebeurd,
alsof er niet die enorme dreiging van Gods oordeel was weggedragen.

Je gaat door met je gewone leventje:
door aan tafel te gaan, te eten op te scheppen en drinken in te schenken
Alsof het niet telt dat daar op die heuvel Golgotha
de deur van Gods koninkrijk is opgegaan en jij, u daar binnen mag gaan.
Dat het belangrijker is om je eigen gezin te stichten en je leven op te bouwen
Dan dat God de mogelijkheid geeft om gered te worden en niet verloren te gaan.
Of naar nu, dat je weet dat je de mogelijkheid hebt om dat koninkrijk in te gaan,
maar dat je daar niet druk om maakt, maar meer bezig bent
om wat je van de spulletjes die je hier verzameld hebt in veiligheid zou kunnen brengen
en je dit leven dat je nu hebt nog niet kwijt wilt.
Opnieuw klinkt het: Wie zijn leven zal proberen te behouden, zal het verliezen.
Als je net als de mogelijkheid geboden wordt om weg te komen
en een veilig heenkomen te vinden, omdat God je in veiligheid wilt brengen
voordat het oordeel van God alsnog over deze wereld wordt gebracht.
Maar je meer als de vrouw van Lot bent, die achterom keek:
het ging haar aan het hart om dat alles te verliezen: haar bezittingen, haar huis,
haar stad, haar vriendinnen en buren die achterbleven – dat was haar hele leven!
Als je net als Noach de mogelijkheid hebt om met Christus de ark in te stappen,
maar je bent als de mensen uit de tijd van Noach,
die schouderophalend aan Noach voorbij liepen, toen hij zijn ark bouwde.
Je kunt te laat zijn, omdat je je ogen ervoor sluit voor de tijd die komen gaat.
Omdat je je oren dichtstopte.

Je kunt te laat zijn, terwijl degene met wie je optrok wel meegaat,
zoals Lot meeging met de engelen die hem kwamen redden
en dat je achter blijft, zoals de mensen achter bleven de deur van de ark dicht ging.
Je kunt op aarde zo nauw met elkaar verbonden zijn:
samen tot een gezin behoren, of samen aan tafel aan de maaltijd liggen.
Samen aan het werk zijn en echt als collega’s een duo vormen,
op dezelfde plek aan het werk.
En toch moeten zien dat die ander wel meegaat,
omdat jij de oren dicht stopte toen de waarschuwing kwam,
en de oproep om je leven te veranderen naast je neerlegde.
Dan blijf je achter. Je hebt over het Koninkrijk van God gehoord,
je hebt de weg geweten, de poort ernaartoe gezien,
maar je bleef er onbewogen onder, omdat je leven hier te kostbaar was.
Je had hier zoveel en je dacht dat het niet zo’n vaart zal lopen
en je deed je ogen dicht, net als de discipelen in de Hof van Gethsemané
juist op het moment hun Meester hen opriep met Hem te waken,
om te voorkomen dat je in verzoeking raakt.

Wanneer komt dat Koninkrijk?
Nee, zegt Jezus, niet: wanneer. Want dan kijk je naar de toekomst
en dan zie je niet dat je nu in moet gaan om het leven te vinden.

Waar kom je dan terecht?
Dat is de vraag van de leerlingen.
Wat gebeurt er met je, als je net als Lot wordt meegenomen.
Waar blijf je als je de ark in stapt?
Wat staat je te wachten?
Waar kom je terecht als je die deur doorstapt het Koninkrijk van God in?
Hoe zal het daar zijn?
Zal er echt redding, behoud zijn? Ben je daar wel veilig?
Ben je daar ook veilig als het oordeel van God komt?

In de vertaling zoals we die hebben is het antwoord raadselachtig:
Waar het lichaam is, zullen de gieren zich verzamelen.
Het gaat hier echter niet om gieren, maar om adelaars, arenden.
Maar wie de Heere verwachten zullen hun kracht vernieuwen,
zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden.
Indrukwekkende vogels, die hun vleugels kunnen uitslaan
en weg kunnen vliegen naar een bergtop waar ze veilig zijn.
De arend bouwt zijn nest in de hoogte, haast zelfs tussen de sterren:
onbereikbaar voor het kwaad dat komen zal, veilig.
Waar is die plek dan waar de arend zijn nest bouwt en veilig is?
Waar is die plek dan waar de gelovige veilig en bewaard is?
Waar het lichaam is.
Dat lichaam, dat aan het kruis gehangen heeft en in de dood geweest is
en levend uit het graf gekomen is, en is opgevaren naar de hoogte
zoals een arend, maar dan helemaal de hemel in.
Dat lichaam waarvan Jezus zal zeggen als ze bij elkaar zijn om het PAscha te vieren:
Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt.
Neem, eet, gedenkt en gelooft dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Dat lichaam dat gehangen heeft aan het kruis, dat in de duisternis heeft gehangen
en het oordeel heeft gedragen, dat in de dood geweest is.
Hij werd verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Dat lichaam dat uit het graf kwam en voor ons de deur is naar het koninkrijk is.
Waar Hij, onze opgestane Heer, waar Hij, onze Heer die in de hemel aangekomen is,
Waar Hij is, daar zullen ook zij zijn, die door Hem zijn meegenomen
omdat zij wisten van die toegang, omdat zij zich lieten meenemen,
omdat zij gered wilden worden.

Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
Hij was ‘t, die door zijn sterven aan haar het leven gaf.

Vergaard uit alle streken in heel de wereld een,

werd dit haar zalig teken, dat allen is gemeen:
Dat ze het leven in Hem vonden en zich aan Hem verloren.

 

Hier op aarde is er nog een strijd, maar er is wel de zekerheid,
wie de weg van Hem gaat, wie door die poort is gegaan,
is voor altijd veilig, ook voor het oordeel van God.

Geef dat in uw genade, o God, ook eenmaal wij
langs uwe lichte paden gaan tot der zaal’gen rei!
Amen

Vragen bij Mattheüs 25:1-13

Vragen bij Mattheüs 25:1-13: De gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze bruidsmeisjes
hb_14.81.21) Dit gedeelte gaat over de verwachting van Christus’ komst. Kijkt u uit naar de Wederkomst van Christus? Kunt u iets vertellen hoe dat uitkijken er voor u uitziet?

2) De gelijkenis gaat over het Koninkrijk der hemelen (of, zoals de Bijbel in Gewone Taal zegt: Gods nieuwe wereld). Wat weet u van dat Koninkrijk der hemelen? Waarom zou Jezus een gelijkenis vertellen om daar iets duidelijk over te maken?

3) De gelijkenis gaat over het opwachten van de bruidegom. Wat is de taak van de 10 meisjes?

4) De vijf meisjes zonder olie zijn niet aanwezig op het moment dat de bruidegom arriveert. Wat is daar erg aan? Hadden zij zich kunnen voorbereiden? Waarom noemt Jezus de ene groep wijs en de andere groep dwaas?

5) Aan het begin van de gelijkenis slapen alle 10 meisjes. Heeft dat betekenis? Of is dat een detail dat we kunnen overslaan in de uitleg?

6) De bruidegom laat de meisjes, die later komen op het feest niet meer toe tot heeft het feest. Wat heeft dat ons te zeggen?

7) De opdracht om waakzaam te zijn (vers 13) is de toepassing van de gelijkenis. Op welke manier kunnen wij waakzaam zijn?

Preek hemelvaartsdag 2019

Preek hemelvaartsdag 2019
Daniël 7:7-14 en Mattheüs 28:16-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze krijgen de opdracht om zich te melden in Galilea.
De laatste keer dat ze als groep bij elkaar waren, was in de tuin van Gethesemané,
toen Jezus opgepakt werd.
In plaats van Jezus bij te staan, zijn ze allemaal weggevlucht
en lieten ze Jezus in de steek.
En nu komt het verzoek om weer bij elkaar te komen.
Niet als voorstel van een van de andere leerlingen om als reünie bij elkaar te komen
en met elkaar te bespreken hoe ze de aanhouding en dood van Jezus kunnen verwerken,
maar een opdracht die tot hen komt van Jezus zelf. Hij is opgestaan!
De vrouwen kwamen het bericht brengen:
Ga naar Galilea en daar zullen jullie Hem ontmoeten.

Zo komen ze bij elkaar op die berg in Galilea.
Hier is het voor hen begonnen. Hier kwamen ze Jezus tegen en begonnen Hem te volgen.
Ze kijken elkaar onzeker aan.
De vorige keer dat ze bij elkaar waren, was Jezus er nog bij
en hadden ze hun mond vol over het bij Jezus blijven:
Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen, had Petrus gezegd
En de anderen hadden die uitspraak van Petrus beaamd:
Wij zullen U niet in de steek laten!
Nu ze zo bij elkaar zijn, herinneren ze zich dat ze zo overtuigd waren
van hun eigen moed en standvastigheid
en ze kijken elkaar beschaamd aan, omdat ze van elkaar weten:
We hebben dat niet waar kunnen maken. We zijn allemaal op de vlucht gegaan.
Allemaal hun eigen kant opgegaan.
Terwijl ze zich schamen over wat er is voorgevallen,
merken ze ook dat het een bijzondere situatie is: ze zijn weer als groep bij elkaar.
Er is iets dat hen samenbrengt: de kracht van de opgestane Heer.
Ze voelen aan dat er iets bijzonders gaat gebeuren: een nieuw begin.
Ze herinneren zich zijn woorden: Waar 2 of 3 in mijn Naam bij elkaar zijn,
ben Ik in hun midden.
Zou Jezus zelf komen? Of is Hij er al nu ze zo bij elkaar gekomen zijn?

Jezus is er inderdaad.
Hun Heer – opgestaan uit de dood.
Er is heel wat gebeurd nadat ze Hem voor de laatste keer zagen.
Ze hebben Hem de rug toegekeerd.
Ze hebben verhalen gehoord over hoe Jezus werd veroordeeld en gekruisigd.
Hoe Hij stierf en begraven werd.
En nu staat Hij weer in levende lijve voor hen.
Petrus, Johannes en Jakobus stoten elkaar aan.
Zoals Jezus aan hen verschijnt, dat komt hen bekend voor,
Toen ze met Jezus mee waren op een andere berg
en Jezus van gedaante veranderde: ze zagen Hem toen in Zijn hemelse heerlijkheid.
Toen bogen ze vol ontzag voor hem neer
en Petrus stelde enthousiast voor om een onderkomen te bouwen,
zodat ze Jezus samen met Elia en Mozes voor altijd bij zich konden houden
in die heerlijkheid, die hemelse glans en glorie die hen omstraalde.
Jezus wilde niet dat ze iets voor Hem en Mozes en Elia zouden bouwen.
Nu begint er iets te dagen, waarom ze dat toen niet mochten doen.
Jezus moest een andere weg gaan, die ze toen nog niet begrepen
en nu eigenlijk ook nog niet echt: de weg naar het kruis, de dood in.
Maar nu is Hij opgestaan en leeft en kunnen ze Hem hier ontmoeten.
Met z’n drieën ervaren ze weer dat bijzondere als toen op die berg
en nu gaan ze weer op de knieën, vol ontzag: U bent onze Heer.

Er zijn andere discipelen die nog niet zo ver zijn.
Ze zouden wel willen buigen, net als de andere discipelen al doen,
maar ze aarzelen.
Is dit wel de Jezus die ze kennen?
Er is een tweestrijd in hen: Ze voelen zich naar Hem toegetrokken en willen Hem aanbidden
Voor Hem op de knieën vallen
En toch is er iets in hen dat hen ervan weerhoudt.
Dit moment is te groots, om zo Jezus de opgestane Heer te ontmoeten.
Ze weten niet waar ze goed aan doen.
Kunnen ze wel voor Jezus buigen, nadat ze Hem de laatste keer in de steek lieten?
En met welke Jezus hebben ze te maken?
Wie is Hij? Toen ze in Caesarea Filippi waren, wisten ze het: U bent de Zoon van God!
Maar nu, nu Hij geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, neergedaald in de hel,
opgestaan – Wie is Hij, die nu voor hen staat?
Wat is de gepaste reactie? Hoe ga je Jezus tegemoet?
Twijfel zorgt vaak voor innerlijke verwarring: Heb ik met Jezus te maken of niet?
Moet ik me neerbuigen Hem aanbidden? Of vergis ik me en heb ik niet met Jezus te maken?
Ze komen er niet uit. Wie helpt hen om te zien dat het echt om Jezus gaat?
Dat ook zij kunnen buigen voor Hem, net als de andere discipelen dat al wel kunnen.

Dan komt Jezus op hen toe.
Jezus, de opgestane, koning van hemel en aarde komt hun wereld binnen.

Niet met een heerlijkheid die hen verblindt,
of een macht die hen op een afstand houdt, of over hen heen walst.
Hij stapt op hen af. Hij stapt hun wereld in,
de wereld van de leerlingen, die niet goed raad weten met hun reactie,
die zich verscheurd voelen door de twijfel, waardoor ze niet kunnen buigen,
de wereld van de leerlingen, die weten dat ze de laatste keer dat ze bij Jezus waren
Er niet al te best voor de dag kwamen, die faalden als leerlingen van Jezus.
Zie ons voor U staan, zondig en onrein.

Vader, vol van vrees en schaamte,  buigen wij voor U.

Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons, mensheid aan bij U.
Christus maakt zich kleiner, zodat wij Hem kunnen ontmoeten,
zodat Hij bij ons kan zijn en wij Hem kunnen verdragen,
kunnen ontmoeten, kunnen aanbidden.
Hij treedt ook onze wereld binnen, onze kleine wereld, ons leven,
zodat wij Hem kunnen ontmoeten en aanbidden.
Dat is het enige antwoord op onze twijfel, op ons wel willen maar niet kunnen
dat Jezus zelf op ons toetreedt en zegt: Ik ben het, twijfel niet langer, geloof!
Waar er 2 of 3 in mijn naam bij elkaar zijn, daar ben Ik in het midden.
Zo treedt Jezus ons vanmorgen tegemoet,
Terwijl Hij in de hemel is, is Hij hier op aarde bij Zijn gemeente aanwezig.
Er is veel gediscussieerd over de vraag wat de hemelvaart betekent
voor Christus’ aanwezigheid op aarde.
Is Christus dan niet bij ons tot aan het einde van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft?
Wordt in de Heidelberger Catechismus gevraagd.
Dat is niet zomaar een theoretische vraag.
Dat is een vraag die ons geloof diep raakt: We kunnen niet zonder Zijn aanwezigheid.
En het raakt ook Jezus diep in Zijn wezen, in Wie Hij is.
Als Hij niet meer op aarde is, dan klopt de belofte niet die Hij gegeven heeft.
Dan kunnen we niet op Hem bouwen en staan we er alleen voor.
Daarom zegt de Catechismus: Zijn lichaam is in de hemel,
maar naar Zijn God-zijn, Zijn majesteit, Zijn genade, Zijn Geest is Hij hier op aarde.
Zo treedt Hij ook ons vanmorgen tegemoet.
Als Heer, die in de hemel woont en toch hier bij ons kan en wil Zijn,
als onze God en Heer, met Zijn macht en majesteit,
met Zijn genade, die Hij aan ons allemaal wil geven,
Aan ons, die net als de leerlingen zo vaak twijfelen en niet kunnen buigen,
al willen we soms wel, maar lukt het niet, of herkennen we Jezus niet.
Genade voor jou en mij, ons allemaal.
Zijn Geest die ons geloof geeft, leert geloven, helpt om Hem te beamen.
Zoals Jezus op de leerlingen afstapt en in hun wereld komt,
zo heel vertrouwd net als voorheen en toch zo anders, omdat Hij nu verheerlijkt is,
de hemelse Heer, die dood geweest is en zie: Hij leeft!

Zo komt Hij naar hen toe.
Hij heeft hen iets te zeggen, woorden die allereerst aangeven Wie Hij is.
Zijn woorden hebben gezag. Hier is niet een mens aan het woord, maar de Zoon van God.
Uit Zijn mond klinkt niet een veroordeling,
maar een bekendmaking die hen bemoedigt:
Aan mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Het zijn woorden die hen bekend voorkomen.
Niet dat Jezus al eerder, voordat Hij aan het kruis ging, zo gesproken heeft in die woorden,
maar nu begrijpen ze wel waarom Jezus steeds, toen Hij rondwandelde op aarde
sprak over de Zoon des mensen en dat Hij daarmee Zichzelf bedoelde.
De woorden van Christus die hen toespreekt herinneren hen aan Daniël 7,
Waarin aangekondigd wordt hoe iemand in de gestalte van een mens uit de hemel neerdaalt
namens God om God op aarde te brengen:
de persoon die uit de hemel komt wordt daarom ook wel Zoon des mensen genoemd.
Hun meester sprak er vaker over, toen Hij met hen optrok en onderwijs gaf.
Hij sprak toen over zichzelf:

Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,

en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden,

en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.

Die heerschappij is nu aan Mij gegeven, zegt Jezus om hen te bemoedigen
op dat moment dat sommigen nog niet goed weten wat ze moeten.
Geloof me maar! Je kunt Me vertrouwen! Je kunt je leven aan Mij geven!
Die macht om te heersen over heel de aarde heb ik gekregen.
Niet van de duivel, die aan het begin van Mijn optreden op aarde, na Mijn doop
Mij wilde verleiden, waarbij Ik dan voor hem zou moeten knielen.
De macht over heel deze aarde heb Ik ontvangen van Mijn hemelse Vader,
die Mij zond naar de aarde en ook jullie hemelse Vader is.
Hij heeft mij alle macht gegeven.
Ik heb jullie leren bidden: Uw wil geschiede in hemel en op aarde.
Nu Ik ben opgestaan uit de dood heb ik dat gezag ook gekregen
om te regeren, koning te zijn over hemel en aarde.
Bij Mijn geboorte kwamen wijzen uit het oosten om de pasgeboren koning te aanbidden,
om net als jullie te knielen, toen aan het begin van Mijn leven, knielden ze bij de kribbe.
Aan het kruis gaf Pilatus dat aan de mensen te kennen: Koning van Israël.
Hij wist niet dat Ik meer was: koning van de hele wereld, meer dan zijn heerser in Rome
en ook koning in de hemel.
Ik regeer en vanaf nu regeer ik vanuit de hemel ook over de aarde.
Waar Hij zit aan de rechterhand van de Vader.
De koning die aan het kruis hing en daar door iedereen bespot werd,
heeft de troon in de hemel bestegen.
Ieders oog zal Hem zien,ook degenen die Hem doorstoken hebben.

Tegen Zijn leerling zegt Hij: Jullie zijn nu mijn dienaren. Jullie staan in Mijn dienst.
Als koning van deze wereld, als jullie Heer heb Ik een opdracht voor jullie.
Ik heb jullie ooit een gelijkenis verteld over een koning, die zijn knechten erop uit zond
om gasten uit te nodigen voor de bruiloft van zijn zoon.
Zo stuur Ik jullie erop uit, over heel de wereld om zoveel mogelijk mensen te vertellen
over Mij: dat Ik over deze wereld regeer, dat de boze verdreven is, dat Ik heb overwonnen.
Houd het nieuws niet voor jezelf, maar vertel het overal waar je komt.
Laat iedereen het weten.
Nodig ze uit om naar het feest te komen.
Vertel zo over Mij, dat ze bij Mij willen horen, Mij willen dienen en volgen.
Zo verovert deze Koning de wereld: niet door geweld te gebruiken,
maar door Zijn dienaren, die net tevoren nog geaarzeld hebben of ze wel konden buigen,
die van binnen tweestrijd ervoeren.
Zij worden erop uit gestuurd om te vertellen, om uit te nodigen,
om anderen op te roepen Jezus te volgen, Zijn koninkrijk binnen te gaan.
Geen enkel volk is buitengesloten.
De Romeinen niet, die met hun bruut geweld de wereld veroverden niet.
Amerikanen en Russen niet.
De volken op de eilanden in Oceanië, voorbij Australië niet.
De volken uit Groenland en het noorden van Canada niet, de Inuït.
Degenen die op het verste puntje op deze wereld wonen niet.
Geen enkel volk wordt buitengesloten.
Of ze nu in tropische gebieden wonen of bij de poolcirkel.
Of ze nu in makkelijk bereikbare gebieden wonen, of dat ze moeilijk te bereiken zijn.
Ook hier zijn de zendelingen gekomen en hebben verteld.
Ook hier is over deze Heer verteld en zijn er volken gedoopt.
Vaak weten we niet zo veel van ons voorgeslacht, hooguit wat generaties terug.
Misschien komt u wel uit een familie, waar eeuw in eeuw uit al de kinderen werden gedoopt

in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Wellicht is dat nog niet zo lang geleden,
hebben je ouders zich als eersten van hun familie laten dopen.
Of ben je zelf de eerste, die de stap waagde om deze Jezus te volgen.

Als je bij Jezus hoort, ben je nooit uitgeleerd.
Steeds weer moet je ontdekken wat het betekent, dat Jezus over de aarde regeert.
Je raakt dat zo snel weer kwijt.
Vandaar dat die twijfel die de discipelen bezig houdt voor ons herkenbaar is.
We zeggen dan: gelukkig, ook zij waren niet de perfecte gelovigen.
Als zij hun zwakten hadden, soms ook faalden, dan is er ook voor ons hoop
en kunnen ook wij de weg van Jezus gaan.
Op de weg van Jezus leren we steeds weer wat het betekent om Zijn wil te doen.
Toen Jezus aan het begin van Zijn rondwandeling op aarde rondtrok
vertelde Hij al hoe Hij dat voor zich zag: Zijn leerlingen die Zijn wil deden.
Een licht in een donkere wereld door je manier van leven,
door hoe je je opstelt naar anderen toe.
Door je geloof, je hoop, je liefde het licht deze koning te verspreiden.
Als kerk als gemeenschap zo uit deze hoop te leven, zo te geloven, zo lief te hebben,
dat het zichtbaar wordt voor alle mensen, dat je van Christus bent.

Ja, dat laten zien, zo leven en getuigen. Wat brengen we ervan terecht?
En wie zijn wij, gelovigen die vaak wel willen, maar niet kunnen,
of die soms geen zin hebben, er niet op uit willen trekken. Of niet durven.
Nee, zegt Jezus, je moet niet naar jezelf kijken, naar wat jij te zeggen hebt, of durft.
Weet je niet dat Ik mee ga. Ik ben wel in de hemel, maar ook op aarde, bij jou.
Als jij in mijn naam ga, ga ik met je mee.
Er zal geen dag zijn zonder Mij. Alle dagen ben Ik bij je.
Ik geef je Mijn kracht, ik geef je Mijn aanwezigheid. Ik ben met je, alle dagen.
En eens zal deze wereld voorbij zijn. Zal de tijd erop zitten.
Het zal een tijd zijn, waarin heel wat gebeurt, met de aarde, met de kerk.
Als je die tijd meemaakt, zal het geen eenvoudige tijd zijn,
Niet eenvoudig zijn om vol te houden in geloof.
Maar je hoeft niet te wanhopen. Want ook dan ben Ik bij je.
Ik raak jou en deze wereld niet kwijt.
Voor altijd, tot deze wereld ten einde gaat,
dat is de dag waarop Ik terug kom op deze aarde. Houd moet en ga in mijn naam!
Amen

 

Preek zondagmorgen 19 mei 2019

Preek zondagmorgen 19 mei 2019
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader.
Daarmee zegt hij hardop,
hoe er binnen het gezin en onder de knechten over de jongste zoon werd gedacht.
Dat hoeft niet eens hardop uitgesproken te zijn, toen die jongste zoon het erf verliet,
het ouderlijk huis achter zich liet en brak met zijn familie.
Het kan ook zijn, dat toen de jongste zoon wegtrok, zijn spullen ook weg waren.
Dat alles wat aan de jongste zoon herinnerde opeens weg was:
zijn plek aan tafel werd niet meer gedekt, zijn slaapkamer leeg, zijn kleren verdwenen.
Op de dag dat hij jarig was, werd er geen aandacht aan besteed.
Er werd gedaan alsof die dag niets bijzonders had.
Alsof hij nooit onderdeel had uitgemaakt van dit gezin.
Alsof hij nooit bestaan heeft.
Of het is een uitspraak geweest, die gedaan werd toen over de jongste werd gepraat.
‘Mijn broer? Die bestaat niet meer voor mij!’

Het vertrek van de jongste was pijnlijk geweest.
Allereerst voor de vader: de jongste zoon die met zijn vraag om de erfenis te krijgen,
deed alsof zijn vader al overleden was en voor hem niet meer bestond.
Na het vertrek van zijn jongste zoon had de vader geen leven meer,
Want niemand in het dorp kon hem nog serieus nemen,
met die zoon van hem die hem zo openlijk de grond in getrapt had.

Pijnlijk was het geweest voor zijn oudere broer.
Wellicht niet eens omdat hij een deel van de boerderij opgeëist had
(Als tweede zoon zou de jongste ⅓ krijgen) en dat verkocht had,
maar omdat die jongste zoon vertrek en zijn oudere broer in de steek liet.
Hem alleen achterliet met die vader.
Als broers kun je onderling bespreken hoe je ouders zijn.
Dat kun je niet met iemand van buiten het gezin bespreken.
Wanneer zijn vader er niet meer zou zijn, zou zijn jongere broer een belangrijke steun zijn
om het bedrijf over te nemen en verder uit te bouwen.
Nu die broer van hem vertrokken is,
heeft niet alleen het bedrijf een behoorlijke financiële klap gekregen,
Waarbij je hard moet werken om het bedrijf weer enigszins rendabel te maken.
Teleurgesteld in zijn broer, die hem hier alleen achter laat met zijn vader en het bedrijf
En egoïstisch alleen maar denkt aan zijn eigen verlangens
en niet in staat is geweest om zijn eigen wensen ondergeschikt te maken
aan de belangen van de familie
en met zijn wens om de erfenis te krijgen, zijn deel te verkopen en weg te trekken
aangeeft dat zijn familie niet meer voor hem bestaat, voorgoed met hen breekt
en hen met de schande en de schade achterlaat, die hij heeft aangericht.
Wanneer dat zoveel pijn geeft, als je denkt aan wat je broer heeft gedaan
en als je je ervoor schaamt dat hij is weggegaan en daar niet over durft te vertellen,
dan kun je er maar beter over zwijgen. Net doen of hij niet meer bestaat.

In dit verhaal dat de Heere Jezus vertelt
gaat het niet alleen over hoe het er in gezinnen aan toe gaat,
Maar hoe iemand zich van God verwijdert
en ook hoe degenen die wel bij God blijven daarmee omgaan,
Hoe ze naar iemand kijken.
Of ze iemand afschrijven of de deur open houden om terug te komen.
Om ons een spiegel voor te houden vertelt Jezus de meest extreme vorm:
iemand die weggaat, de deur achter zich dicht trekt
en een deel van de achterblijvers die ook de deur op geen enkel moment willen opendoen.
Lekker makkelijk om er zo op los te leven
en dan als je wilt veranderen, kun je nog bij God terecht en vergeeft Hij je helemaal.
En jij gaat maar elke zondag naar de kerk.
Als je uitgenodigd wordt voor een feestje op zondag, zeg je dat je niet kunt
en wanneer je zaterdagavond iets hebt, zorg je ervoor dat je bijtijds thuis bent,
zodat je op zondagmorgen er toch nog redelijk fris bij zit in de kerk.
Je houdt je aan de regels van het geloof en het kost je moeite,  elke dag weer opnieuw,
omdat je ook wel eens wat moet laten schieten,
wat je eigenlijk wel zou willen, maar wat niet kan volgens je geloof.
Je zet een film af, omdat er iets in gebeurt dat je niet kunt rijmen met je geloof.
Je helpt je broer, hoewel hij je nooit bedankt en nooit iets voor jou doet,
maar vind dat je hem niet kan laten vallen, omdat Jezus daar iets over gezegd heeft.
En als je dan eens kijkt naar mensen, die niet geloven, hebben die het soms maar makkelijk.
Voor jou is geloven zwoegen, veel ontzeggen, omdat het botst met het leven met God.
Dan leven ze eerst heel gemakkelijk, dan kunnen ze toch nog aankloppen bij God
en Hij doet voor hen open en zegt niet dat ze eerst hun leven op orde moeten hebben.

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader tegen zijn knechten
en zegt het later als zijn oudste zoon weigert om met het feest mee te doen,
het feest dat gegeven wordt omdat de jongste zoon thuisgekomen is:
Jouw broer – na alles blijft het je broer, je kunt die band niet wegpoetsen – was dood,
maar hij is weer levend geworden.
Het is niet minder dan een opstanding uit de dood, dat deze zoon, jouw broer gekomen is.

Zou de jongste zoon dat ook zo gevoeld hebben, dat hij voor zijn familie als een dode was
en vast ook voor degenen die in het dorp wonen
en wisten welke schande die jongste zoon over zijn familie uitstortte?
De vader zegt het niet tegen hem, dat hij dood was.
Hij zegt het alleen tegen de knechten en tegen zijn oudste zoon.
Zou hij het ook zo ervaren hebben?
Hij zal in het begin er zijn schouders over opgehaald hebben:
Hoezo dood? Nu leef ik pas! Eindelijk los van mijn familie en opnieuw beginnen,
het leven zoals ik altijd gewild heb. Geen druk, geen regels – mijn eigen leven.
Dat hij met zijn uitbundige levensstijl een leegte verbloemde, heeft hij nooit beseft.
Aan het opbouwen van contacten dacht hij niet, want hij leefde alleen voor zichzelf.
Aan anderen denken, investeren in relaties – dat was iets van zijn familie.
Totdat hij niets meer had en er alleen voor stond:
Zijn feesten, zijn uitgavepatroon, zijn levensstijl lieten hem met lege handen staan.
Een destructieve manier van leven, dat alles kapot maakt:
Eerst zijn familie en daarna het geld dat van zijn familie is
en er is niets voor in de plek gekomen.
Wie had dat gedacht: van shoppen in Parijs, naar shoppen voor de laagste prijs?

Denk je dat hij tot inkeer komt?
Dat er een moment is waarop hij nadenkt over wat hij gedaan heeft?
Wanneer hij helemaal failliet is en niets meer heeft en bij niemand kan aankloppen
is er nog geen zelfreflectie bij deze jongste zoon.
Nog steeds probeert hij zichzelf te redden, zich staande te houden.
Hij is van huis gegaan en heeft daar de deur dicht gedaan. Dus die weg is afgesloten.
Pas als hij geen eten meer heeft
en hij toekijkt naar de varkens, waar hij voor zorgt, die wel te eten hebben en hij niet,
dan komen de eerste gedachten aan thuis toe.
Als hij helemaal aan de grond zit, dan moet hij opeens aan zijn vader denken
En komt zijn vader hem voor de geest.
Zijn vader, waar hij mee gebroken heeft, bij wie hij het niet uithoudt,
zou zijn knechten niet zo slecht behandelen als deze baas,
Die hem bij de beesten af behandelt.
Hoe negatief hij ook altijd over zijn vader heeft gedacht,
of gewoon niet aan hem heeft willen denken,
nu beseft hij dat zijn vader toch een goede kant heeft, die hem in het leven kan houden.

Je broer was dood, zegt de vader
en hij bedoelt misschien wel hetzelfde als die oudste zoon zegt,
dat zijn jongere broer het geld er doorheen gejast heeft door naar de hoeren te gaan.
Maar er is wel een verschil in toon:
de oudere broer kan alleen maar vanuit verbittering kijken naar zijn jongere broer,
zijn eigen pijn en teleurstelling is zo diep dat hij niet kan zien
hoe zijn jongere broer ook een pijn en teleurstelling met zich mee droeg
en dat hij niet in staat was ook maar iets goed te maken van de pijn die hij veroorzaakte.
Hoe hard die jongste zoon ook werkte, de zoon kon het niet meer goed maken.
Ja, dat geld kon er wellicht komen.
Maar het zou nooit meer worden wat het was
En als het toch goed zou komen, dan zouden er nog de jaren zijn van gemis,
waarop ze niet bij elkaar waren.

De vader heeft ook pijn gehad, elke dag heeft hij de leegte gevoeld,
geleden, niet door beledigde trots, maar er aan geleden dat zijn zoon er niet was,
dat zijn plek leeg bleef.
Dat hij er niet bij was met de maaltijden, dat hij niet meewerkte op de boerderij,
dat hij er niet bij was als er feest gevierd werd.
Het leven ging door en die jongste zoon die miste zoveel van het gezinsleven.
Wat zal hij allemaal niet gemist hebben: bruiloften, geboorten, uitbreiding van het bedrijf.
Elke dag heeft deze vader uitgekeken, de horizon afgespeurd,
alsof hij niet kon geloven dat zijn jongste zoon voorgoed zou wegblijven
en dat er een moment moest zijn, waarop zijn gestalte in de verte zichtbaar zou zijn.
Toen het bericht van hongersnood kwam, heeft hij wellicht gedacht:
Als hij nog leeft, dan komt hij wel terug – want hij moet toch ergens van leven.
Hij heeft gewacht en gewacht en gewacht – en steeds was er niets te zien in de verte.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.
En wat je nu ook doet, Zijn liefde blijft bestaan.
Ook niets wat jij ooit deed verandert daar iets aan.
Omdat Hij van je houdt gaf hij zijn eigen Zoon.
En nu is alles klaar wanneer jij komt.

Kom tot de Vader, kom zoals je bent.
Heel je hart, al je pijn
is bij Hem bekend.
De liefde die Hij geeft, de woorden die Hij spreekt.
Daarmee is alles klaar wanneer jij komt.

Terwijl voor de oudste broer elke dag dat zijn broer niet kwam opdagen een opluchting was
of niet meers meer aan de mogelijkheid heeft gedacht dat zijn broer nog terug kon komen,
wacht de vader.
Waarmee Jezus wil zeggen: besef je niet dat Mijn Vader op jou wacht?
Op de uitkijk staat.
Ik kwam wel eens bij een gemeentelid, waarin de kamer tegenover de stoel waar ze altijd zat
er een geborduurde schilderij van de verloren zoon hing die thuiskwam,
waarbij de vader steeds de armen wijd houdt.
Alsof ze dat steeds nodig had om daarnaar te kijken, om eraan herinnerd te worden:
dit is mijn hemelse Vader. Hij staat met de armen wijd, totdat ik ook kom.

Jezus vertelt die gelijkenis niet alleen voor degenen die ver weg getrokken zijn,
die afscheid namen van God en van het leven met God,
er op uit trokken om hun eigen leven te leven, van God los.
Ook voor degenen die achterblijven, die hun hele leven bij de vader thuis bleven wonen
en niet de wijde wereld in trokken, maar thuis hun bijdrage leverden
en zo hard werkten dat er geen tijd was voor een feest met de eigen vrienden.
En als de jongste zoon dan thuis komt, wil hij niet mee doen met het feest.
Dat gunt hij zijn jongste broer niet
en waar de jongste broer uit eigen beweging thuis komt,
moet de oudste zoon gehaald worden.
Ook met hem zit het niet goed.
Hij is wel voortdurend bij zijn vader, maar ook voor hem is er een afstand tot de vader.
Heel subtiel en alleen zichtbaar voor wie in staat is
om familepatronen te doorzien, die de schone schijn ophouden van een perfecte familie.
De oudste zoon is op het veld. Ook hij is weg, net als de jongste zoon.
Alleen hij kan het maskeren door te doen alsof hij plichtsgetrouw is.
Ook hij wil erop uit trekken, een leven zonder de vader,
want hij verlangt naar een feest met zijn vrienden, waar hij zonder zijn vader is.
maar hij doet het niet – te kiezen voor een leven zonder zijn vader.
Of omdat plicht hem weerhoudt, of omdat hij niet durft.
Bang is om dood verklaard te worden en alles kwijt te raken.
Hij is altijd bij de vader gebleven, maar heeft nooit ingezien hoe waardevol dat was
en hij heeft ook niet gezien hoe zijn vader was.
Nooit het hart gezien van deze vader. Nooit zijn pijn om de zoon,
nooit willen zien dat zijn vader getroost moest worden, omdat er één weg was.
Zou dat ook voor God gelden? Dat Hij getroost moet worden, als Hij er één mist,
een van Zijn kinderen, die erop uit getrokken zijn?
Wij kunnen God wellicht niet troosten, maar als er mensen erop uit trekken,
de wijde wereld in en Hem niet nodig hebben, zal het Hem zeker iets doen
en staat Hij op de uitkijk, te wachten of ze al komen.

Die liefde is er ook voor de oudste zoon.
Want er is feest om de terugkeer van de jongste zoon,
maar het feest is incompleet als de oudste zoon, die er altijd is geweest, weg blijft.
Ook hij hoort erbij
en als hij niet uit eigen beweging komt, dan haalt de vader hem op
en legt hem uit, waarom dat feest noodzakelijk was,

waarom zo groots uitgepakt moest worden:
dat zijn jongste zoon toch terug durfde te komen, al was hij platzak
en was hij op geen enkele manier in staat om het goed te maken,
dat hij kwam, deed hem als vader goed.
Zo is God! Natuurlijk is hij ook streng en rechtvaardig,
maar als je aanklopt bij God, dan zal de Heere je niet laten staan.

Maar ook die oudste zoon mag van de vader niet buiten blijven staan.
Ook hij hoort op het feest.
De vader had twee zonen – een oudste en een jongste.
Hij is de vader van hen beiden en wil hen allebei op het feest.
Wanneer de oudste wegblijft, gaat er iets van de feestvreugde weg.

Het verhaal blijft open. Je kunt dan invullen hoe het is gegaan.
Hoe die oudste zoon zicht toch mee liet nemen naar het feestgedruis,
daar eerst boos zat en onwennig – hij was niet gewend om feest te vieren.
Maar als hij zich langzaam overgeeft, als zijn hart ontdooit,
komt er ook ruimte voor de vreugde: mijn broer was dood. Inderdaad, nu besef ik dat.
En wellicht was ik dat zelf ook dood – maar de liefde van onze Vader maakt levend.

Het verhaal van Jezus blijft open. We weten niet hoe de oudste zoon reageert.
Dat is bewust. Want bij een open einde zijn wij aan de beurt.
Wat zouden wij doen? Zouden wij thuiskomen?
Zijn wij in staat om onze boosheid op te geven en mee te vieren,
omdat we beseffen hoe bijzonder het is dat iemand weer thuis komt,
levend geworden is, door de liefde die onze hemelse Vader heeft.
Wat zou u doen?
Amen

Preek zondag 13 januari 2019

Preek zondag 13 januari 2019
Mattheüs 5:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Een echtpaar van in de zestig krijgt een telefoontje van hun zoon
met de mededeling dat hij langskomt om iets belangrijks te vertellen.
Ze schrikken van dat telefoontje en hebben geen goed gevoel bij dat telefoontje.
Hun voorgevoel wordt bevestigd als ze zien dat hun zoon alleen komt.
Ze hebben in de afgelopen maanden al vaak met elkaar gesproken
over het huwelijk van hun zoon, omdat ze hun zorgen daarover hebben.
De zoon komt inderdaad vertellen waar ze al bang voor waren,
toen ze in de afgelopen maanden met elkaar hun zorgen delen.
Hun zoon komt inderdaad vertellen dat hij en zijn vrouw uit elkaar gaan.
Dus toch, gaat het door het echtpaar heen en allerlei gedachten buitelen over elkaar heen:
over wat er gebeurd kan zijn, over hun zoon,
over hun schoondochter, die hun hun ex-schoondochter zal zijn,
en ze denken vooral aan hun twee kleinkinderen: hoe zal het met hen gaan.
Ze voelen zich boos en verdrietig en ze zouden willen dat ze er iets aan kunnen doen,
maar nee, ze kunnen er niets aan doen. Dit is hun keuze.
De ouders voelen gelijk aan, dat hun leven verder nooit meer hetzelfde zal zijn.
Altijd zal er de pijn zijn over de scheiding van hun zoon,
een pijn die zijn niet kunnen oplossen en wel moeten dragen.

Een jongere zit in de klas bij een meisje dat hier niet geboren is.
Haar ouders zijn hier naar toe gevlucht.
Het meisje en haar ouders hebben echter te horen gekregen dat ze hier niet mogen blijven.
De asielverzoeken die zijn ingediend worden niet ingewilligd
en steeds duidelijker wordt dat het meisje en haar ouders zullen worden uitgezet.
Die jongere moet er niet aan denken, niemand in de klas trouwens
en de hele school voert actie om het meisje toch hier te laten blijven.
Ondanks alle acties blijft het asielverzoek afgewezen.
Op een dag worden het meisje en de ouders opgehaald en op het vliegtuig gezet.
Hun leven in Nederland is voorbij en ze moeten terug naar hun land.
Haar klasgenoten blijven ontredderd achter, teleurgesteld.
maar vooral voelen ze hun machteloosheid
en ook hun boosheid: kan het in ons land niet anders geregeld zijn.
Waarom moet het er zo oneerlijk aan toe gaan?

Twee voorbeelden van hoe er in deze wereld pijn geleden kan worden
en hoe je er aan kunt lijden dat de wereld zo onrechtvaardig zo oneerlijk is.
Ze kunnen aangevuld worden met voorbeelden van dichtbij, uit je eigen leven
of van verder weg, over het onrecht in deze wereld, waar je over hoort of over leest.
Deze wereld is niet de wereld zoals God bedoeld heeft, zoals God geschapen heeft.
Dit is een wereld waaraan je kunt lijden, aan de pijn die er is, de oneerlijkheid.

(2) Jezus heeft oog voor de onrechtvaardigheid van deze wereld (pagina 1)
Als Jezus al die mensen voor zich ziet, ziet hij bij hen dit lijden aan deze wereld,
De pijn die ze ervaren, de oneerlijkheid die ze dag in dag uit ervaren.
Als Jezus de menigte ziet, ziet hij hen niet als groep of als massa,
maar ziet Hij hen stuk voor stuk: hun gezichten, hun ogen, hun houding.
Hij weet dat er mannen tussen zitten, die van ‘s morgens tot ‘s avonds laat
hard moeten werken op de akker en daar weinig voor betaald krijgen
en hun gezin nauwelijks genoeg eten kunnen bieden.
Hij weet dat er vrouwen tussen zitten die hun zorgen hebben over hun gezin
over of er wel genoeg te eten is en over of er wel een toekomst is voor hun kinderen,
Hij weet dat ook die vrouwen, die hun zorgen hebben,
zelf hard werken en weinig krijgen.

Hij weet dat er vrouwen tussen staan, die jong weduwe geworden zijn
En er nu van afhankelijk zijn van de goedheid van hun familie
En die maar moeten wachten of hun familie bereid is om hen te helpen
En zo niet, dan hebben ze niets te eten en moet zij zichzelf met haar kinderen verhuren.
Er staan ouderen tussen, oud geworden door alle zware arbeid,
kinderen en jongeren, van wie de meesten niet naar school kunnen maar moeten werken.
De meeste van die mensen die hier bij Jezus staan,
zijn niet in staat om zelf iets aan hun leven te veranderen,
Ze hebben maar te gehoorzamen wat hun baas zegt
En hebben het maar te accepteren als hun baas hen afscheept met een hongerloontje.
Geloven ze nog dat het ooit anders kan worden,
dat het er anders aan toe zal gaan in deze wereld, een eerlijker wereld?
Jezus deze mensen stuk voor stuk en weet wat hun leven is, wat ze doormaken.
Als discipelen van Jezus bij Hem komen om naar Hem te luisteren
geeft Hij aan Zijn leerlingen onderwijs, zodat zij die mensen kunnen vertellen over Hem,
de mensen die op de achtergrond meeluisteren naar het onderwijs van Jezus.
Er zijn mensen, die arm van geest zijn zegt Jezus.
Dat zijn de mensen die ervaren dat deze wereld oneerlijk is
en ver verwijderd van hoe God deze wereld bedoelde toen Hij deze wereld schiep.
Ze maken het zelf mee dat deze wereld oneerlijk is,
Of ze zien het om zich heen bij de mensen die om hen heen zijn.
Ze merken dat ze er niets aan kunnen doen en ze lijden dat deze wereld zo is
En ze lijden eraan dat zij aan deze wereld niet kunnen veranderen.
Ze kunnen alleen maar roepen tot God.
Wil Jezus aan Zijn leerlingen leren dat ook zij moeten lijden aan deze wereld
of weet Hij dat zij ook lijden aan deze wereld als zij die mensen daar zien
of hun eigen ervaringen hebben.
Zij  hebben verdriet over deze wereld om deze wereld niet meer is,
zoals God die geschapen. Ze zijn in rouw.
Ze hebben niet de invloed en de macht om de wereld te kunnen veranderen.
Zij ervaren hun onmacht. ‘Zachtmoedigen’, noemt Jezus hen.
Die onmacht is voor hen kruisdragen.
Hun pijn en lijden lijkt op honger en dorst.
Het lijden is een intens verlangen naar een eerlijke, rechtvaardige wereld.
Het lijden is een intens verlangen naar een wereld waarin Gods richtlijnen worden gevolgd.

(3) We leven in een onrechtvaardige wereld (pagina 2)
Als Jezus hier voor in de kerk zou staan, dan zou Hij ook ieder van ons zien, stuk voor stuk.
Hij zou onze gezichten zien, onze houding, zien hoe onze ogen staan,
of ze stralen of dat ze eerder een bezorgde uitdrukking hebben, of zelfs uitgeblust ogen.
Hij zou van ieder van ons weten, hoe ons leven is, wat we hebben meegemaakt,
wat onze worstelingen zijn, wat ons verlangen is.
Wat zou Hij vandaag de dag, hier voor in de kerk, tegen Zijn leerlingen zeggen,
tegen degenen die erop uit gaan voor een bezoek, catechisatie geven en club leiden?
Zou Hij ook beginnen over degenen die arm van geest zijn,
dat wil zeggen: degenen die hier niets in de melk te brokkelen hebben?
Zou Hij u als gemeentelid typeren als iemand die geen enkele invloed heeft,
niets kan beginnen in deze wereld?
Ik denk dat er kinderen en jongeren hier in de kerk zijn,
die heel wat zouden willen veranderen in onze wereld.
Je zou iets willen doen om het milieu te verbeteren,
net als de 24jarige Boyan Slat, die als tiener met een plan kwam
om de grote hoeveelheden plastic in de oceanen op te ruimen.
Hij kwam voor de kerst in het nieuws, omdat hij tegenslag had
en zijn slimme plan niet zo bleek te werken.
Er kunnen volwassenen in de kerk zitten, die als zij aan hun eigen jeugd denken,
herkennen de drang om iets te willen doen
en misschien nog steeds ook wel wat doen om een betere wereld na te laten.
Vrijwel de meesten kunnen alleen maar iets op kleine schaal betekenen:
Hooguit in de gemeenteraad of meedenken met een politieke partij,
of een beroep gekozen, waarbij je iets voor een betere wereld kunt doen:
de zorg of het onderwijs.
Je doet dit werk vanuit een ideaal en tegelijkertijd loop je steeds op tegen de regels,
Tegen wat niet kan volgens het systeem.
Soms word je moedeloos, dan weer probeer je alles te doen wat jij kunt doen.
Deze wereld is vaak geen eerlijke, rechtvaardige wereld
En er zijn er vanmorgen maar weinig die iets aan dat oneerlijke kunnen veranderen.
Je zou wel willen, je hebt een droom dat het er in ons land anders aan toe gaat, eerlijker.
Je zou willen horen wat je kunt doen, al is het op kleine schaal.
En als gelovige, als christen zou je ook willen zien dat God er iets aan doet.
Dat Hij mensen in beweging zet of zelf ingrijpt en onze wereld verbetert.
Hoe moet je je als christen opstellen in een wereld die niet is,
zoals God die bedoeld heeft,

een wereld die oneerlijk is, onrechtvaardig, die niet ten goede lijkt te veranderen?
Hoe leef je in deze wereld, als je nauwelijks mogelijkheden hebt
om daar iets aan te doen, om een betere wereld te geven.
Dat wil niet zeggen dat je er altijd last van hebt, dat je altijd aan lijdt aan deze wereld.
Dat is misschien ook niet vol te houden.
Maar er kunnen wel momenten zijn, waarop je je juist als gelovige druk maakt
over hoe deze wereld is en wat we als mensen elkaar aandoen.
Je wilt niet cynisch worden, soms is dat al het hoogst haalbare,
dat je zorgt dat je niet afknapt en gewoon de dingen blijft doen, die je doet.
Je kleine bijdrage die je levert voor een betere, eerlijkere wereld.

(4) God geeft een betere wereld (pagina 3)
Die betere wereld komt Jezus brengen: Gods nieuwe wereld.
Die nieuwe wereld die Jezus komt brengen wordt ook wel het Koninkrijk van God genoemd.
Jezus is die nieuwe wereld van God, Hij is het Koninkrijk van God
en hier als brenger van dat Koninkrijk van God,
de nieuwe wereld waarop het er alleen maar eerlijk aan toe zal gaan,
Waarop mensen elkaar niet meer pijn zullen doen, of tegen elkaar zullen strijden,
niet meer van elkaar af zullen gaan, of elkaar zullen haten.
Die nieuwe wereld van God komt met Jezus.
Je zou denken, zegt Jezus, dat je met deze mensen medelijden moet hebben,
maar je moet beseffen dat deze mensen de meest gelukkige mensen zijn,
omdat God hen een betere wereld geeft

God geeft hen een betere wereld en die betere wereld kom Ik brengen.
Die betere wereld is bestemd voor wie aan deze wereld lijden.
Zij ontvangen met die betere een geluk dat het aardse overstijgt.
Ze krijgen met die nieuwe wereld die Ik kom brengen een troost die nergens te vinden is.
Ze hoeven niet meer in rouw te zijn.
Zij zullen zien, zij zullen het zelf ervaren dat God een betere wereld geeft,
de betere wereld die Ik kom brengen, zegt Jezus
Die betere wereld is niet alleen iets van de toekomst,
maar de menigte die op de achtergrond mee staat te luisteren naar Jezus’ onderwijs
mag er op dat moment zelf al iets van veranderen
Dat met de komst van Jezus er al iets van dat Koninkrijk van God gekomen is.
Niet volledig, want als Jezus dit vertelt is Hij nog niet aan het kruis gegaan
en is Hij nog niet opgestaan uit de dood en is Hij nog niet teruggekomen op aarde.
Maar Hij geeft hen op dat moment als ze luisteren al iets van die nieuwe wereld.
Hij betrekt hen in die nieuwe wereld.
Zij kunnen zich op een bepaalde manier gedragen in deze oneerlijke wereld.
En dat ze zich op die manier kunnen gedragen is de kracht die ze van Jezus ontvangen,
nu nog in de woorden die Hij spreekt, die in hen iets wakker roepen,
en later als Hij naar de hemel is gegaan de kracht van de Heilige Geest.
Na die eerste zaligsprekingen kantelt het perspectief
en ligt de nadruk niet meer op wat ze niet kunnen, op hun machteloosheid,
maar laat Jezus hen zien, wat zij wel kunnen doen in deze oneerlijke wereld,
wat ze kunnen doen in Zijn kracht:
Zij kunnen hun hart laten spreken. Zalig de barmhartigen.
Zij kunnen hun hart laten spreken voor medemensen in nood.
Zij kunnen mild zijn in hun oordeel over anderen.
Zij kunnen in het klein iets voor anderen betekenen.
Als zij hun hart laten spreken,
als hun daden gekenmerkt worden door deze bewogenheid en mildheid
laten ze in deze wereld iets van God zien.
Wie zo leeft is als een licht in deze wereld.
Als het donker is in deze wereld, omdat het er zo oneerlijk aan toe gaat,
Zij stralen zij – misschien wel zonder dat ze het zelf beseffen het licht van God uit.
Het licht dat scheen bij de schepping over Gods goede wereld,
het licht dat straalde op de Opstandingsmorgen, nadat Jezus de dood had overwonnen,
straalt dan door hen heen en dat licht laat zien dat God een betere wereld geeft.

(5) God geeft ons een betere wereld (pagina 4)
Als jij denkt dat je aan deze wereld niets veranderen en je machteloos voelt,
kun je wel voorkomen dat de wereld jou verandert.
Of beter gezegd: mag je erop vertrouwen dat je een God hebt die je hart beschermt
en dat je Zijn Heilige Geest mag krijgen om te voorkomen dat de wereld jouw hart verandert.
En dat in jouw hart de normen van deze wereld worden ingeruild voor Zijn goede werken
Die normen van deze wereld zijn: ik-gerichtheid, gebrek aan compassie, aan empathie,
over de grenzen van anderen gaan, anderen beschadigen.
Als je integer leeft, rein van hart bent, zul je God mogen zien,
niet alleen later, als je in Zijn Koninkrijk mag binnen gaan,
maar nu al in de wereld om je heen, in de goede daden die mensen verrichten,
het licht dat je dan ziet, omdat je Gods werk in hen herkent.
Dat is een geluk dat niemand je afneemt, een geluk dat het aardse overstijgt,
Dat je nu al mag ontvangen, als een voorbode van het geluk in de hemel
als je God van aangezicht tot aangezicht mag zien.
God geeft een betere wereld, Hij vernieuwt deze wereld
en maakte met de komst van Christus onze oneerlijke wereld weer tot Zijn wereld.

Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht,
dat wij zijn als kaarsjes in de nacht.
Hij maakt ons tot een licht, waarmee Zijn licht door ons heenstraalt,
het is het licht van de schepping,
het is het licht dat weer terugkwam nadat Christus in de diepste donkerheid afdaalde
aan het kruis, het is het licht van Christus’ opstanding en van Zijn nieuwe wereld,
door ons heen.
Alleen dat maakt het waard om God te loven,
niet alleen met ons lied, maar ook met onze daden, omdat Hij ons tot dat licht maakt
En een licht laat zijn en ons gebruikt om iets van Hem te laten zien, in deze wereld.

Dat je iets van God laat zien als je zoon komt vertellen dat hij gaat scheiden
en je je zorgen maakt over hem en over wat er van je kleinkinderen moet worden.
Je kunt niet misschien niet meer doen dat strijden tegen je eigen boosheid
en je mond houden en je oordeel voor je houden, klaar staan voor hem en de kleinkinderen
en het in gebed bij God brengen.

Als je ziet dat je klasgenoot het land uitgezet is en het enige dat je er aan kunt doen
is het niet gewoon blijven vinden,
het niet accepteren dat er zoveel oneerlijkheid is in asielprocedures,

en dat aankaarten bij de hoogste Rechter in het heelal, in een klacht bij God zelf.
Dan maakt God je tot een licht in deze wereld
al kun je niet uit jezelf dat licht zijn en weet je niet of jouw licht voor anderen zichtbaar is,
maar door je heen schijnt wel Zijn licht,
opdat de mensen jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel. Amen

De vier pagina’s van de preek (model van Paul Scott Wilson)
Text: Mattheüs 5:1-16
Theme sentence: God geeft ons een betere wereld
Doctrine: Vernieuwing van deze wereld (eschatologie)
Need: Hoe kan ik als gelovige in deze onrechtvaardige wereld leven?
Image: De gelovige als licht in een donkere wereld
Mission: God maakt de gelovigen tot een licht in de wereld

Pagina 1: Jezus heeft oog voor de onrechtvaardigheid van deze wereld
Pagina 2: We leven in een onrechtvaardige wereld
Pagina 3: God geeft een betere wereld
Pagina 4: God geeft ons een betere wereld

 

 

Aansporing om trouw te blijven aan Christus

Aansporing om trouw te blijven aan Christus
Recensie van Klaus Bergers monumentale commentaar op Openbaring

Tussen Pasen en Pinksteren dit jaar had ik een prekenserie over het bijbelboek Openbaring gepland. In het kerkblad had ik deze serie aangekondigd en vermeld dat ik over gedeelten zou preken, waarover niet vaak gepreekt wordt. Ik kondig altijd in het kerkblad aan over welke gedeelten ik preek, maar nog nooit werd ik zo vaak op aangesproken door gemeenteleden als deze keer. Tijdens deze serie over Openbaring had ik meer gesprekken over de preek en het bijbelgedeelte dan anders. Blijkbaar fascineert dit bijbelboek heel wat gemeenteleden.

Een van de redenen om te preken over Openbaring was dat er in de laatste jaren goede commentaren op dit bijbelboek verschenen zijn. Een van die commentaren was geschreven door de Duitse nieuwtestamenticus Klaus Berger.

180px-KlausBerger
Klaus Berger (bron: Kathpedia)

Historisch-kritische en meditatieve exegese
Ik heb wel wat met Berger: altijd goed voor een een provocatieve stellingname, nogal eens te provocatief, maar wel op basis van grondige kennis van de tijd van de Bijbel. Berger begon als historisch-kritisch exegeet, werkte van 1970-1974 in Leiden en daarna tot 2006 in Heidelberg. Hij hield zich bezig met de vormen en de genres waarin teksten geschreven zijn en verdiepte zich met name in Joodse apocalyptische geschriften. Halverwege zijn loopbaan ontdekte hij de meditatieve exegese uit de Middeleeuwen, met name de cisterciënzer spiritualiteit. Vanaf die tijd combineerde hij in zijn werk de wetenschappelijke exegese met deze kloosterspiritualiteit.

die-apokalypse-des-johannes-kommentar-978-3-451-34779-5-49193

Vanwege deze combinatie was ik benieuwd naar zijn commentaar op Openbaring. Zijn commentaar, resultaat van 50 jaar intensief bezig zijn met dit bijbelboek en uitgegeven in 2 dikke delen, is inderdaad een combinatie. Vanuit zijn kennis van de Joodse apocalyptische geschriften weet hij steeds parallellen aan te dragen, die helpen om de opbouw en de gebruikte beelden in Openbaring te begrijpen.

266px-Johannes_op_Patmos_Jeroen_Bosch
Jheronimus Bosch – Johannes op Patmos

Joodse traditie, Paulus
Hij laat zien dat Openbaring volop in de Joodse traditie staat, maar dan wel een volop christelijk geschrift. In die tijd betekende dat echter geen tegenstelling. Berger, die zich ook altijd verdiept heeft in de verhouding tussen de verschillende stromingen binnen het Vroege Christendom en de geschriften van het Nieuwe Testament gaat uitgebreid in op de relatie tussen Openbaring en Paulus. Ze werkten immers in dezelfde tijd en in hetzelfde gebied. Volgens Berger zijn er wel verschillen, maar zijn de overeenkomsten groter. Het grootste verschil tussen hen beiden is, is dat Johannes preciezer is waar Paulus rekkelijker is.

Pastoraal
Volgens Berger is Openbaring niet een boek dat over de toekomst gaat, maar over het heden. Openbaring is een pastoraal geschrift om te gelovigen, die net tot bekering gekomen zijn, aan te sporen om trouw te blijven aan Christus. Hun geloof staat onder druk, onder andere vanwege het Romeinse imperium dat hen als een gevaar ziet, maar ook vanwege de vele verleidingen die er zijn om zich in hun levensstijl aan te passen aan de omgeving. Johannes doet die aansporing door middel van beelden over de toekomst. Die beelden over de toekomst zijn, net als de geschriften van de Profeten, bedoeld om de ogen van de gelovigen te openen voor de tijd waarin zij leven. Ze leven in een tijd waarin twee machten met elkaar strijden: God de schepper van hemel en aarde en de duivel die de macht van God op aarde heeft willen overnemen.

Diabolische triniteit
Voor de gelovige manifesteert de duivel zich in verleiding tot aanpassing en in de druk door de overheid. Johannes kan de gelovigen bemoedigen door erop te wijzen dat de duivel God alleen maar kan nabootsen. Het beest uit de afgrond en het beest uit de zee zijn slechts diabolische imitaties van God, die zijn Zoon en zijn Geest naar de aarde zond. Met die twee beesten vormt de duivel een diabolische triniteit. De troost is dat die dreiging en verleiding slechts tijdelijk is: deze wereld gaat voorbij en er komt een nieuwe wereld. Wie trouw blijft, wacht in de nieuwe wereld een beloning.
800px-B_Valladolid_93
Beatus van Liébana – De apocalyptische ruiters

Berger laat zien dat  vanwege deze aansporing om trouw te zijn en de bemoediging dat God alles in de hand heeft dit bijbelboek in de geschiedenis van de kerk altijd gelezen is als troostboek. Vooral in tijden waarin de kerk onder druk stond door vervolging of in tijden waarin de kerk corrumpeerde en een instituut van macht en rijkdom werd, werd dit boek gelezen. Voortdurend haalt Berger laat zien hoe bijvoorbeeld Mozarabische christenen, christenen die in Spanje van de 8e tot de 15e eeuw leefden onder de Moorse overheersing in hun liturgie teruggrepen op Openbaring. Denk bijvoorbeeld aan de illustraties van Beatus van Liébana.

800px-B_Facundus_191v
Beatus van Liébana – De aanbidding van het beest

Kritisch beeld van de kerk
Preken en commentaren uit de Middeleeuwen laten een kritisch beeld van de kerk zien. Deze liturgieën, preken en commentaren hielpen de gelovige om zich niet aan te passen, maar hoop te houden op een andere tijd die door God gegeven wordt. Als dat niet in de aardse geschiedenis zal zijn, dan in de hemel of na de Wederkomst. Het Duizendjarig Rijk uit Openbaring moet dan ook niet opgevat worden als iets dat nog moet komen, maar is laat een dubbel perspectief op het heden zien: aan de ene kant op aarde nog de werkelijkheid van de diabolische imitatie, aan de andere kant het geloof dat deze hele werkelijkheid in Gods hand is, omdat de boze reeds verslagen is. Hoe fel de boze zich nog uit en met welke manifestaties hij God imiteert, het einde van zijn macht is aangebroken. Door dit dubbele perspectief weet de gelovige in welke tijd hij leeft en leert hij om zijn ziel niet voor deze korte tijd aan de duivel te verkopen.

Goslar_42-X3
Replica van de Dom van Goslar

Ontmaskeren
Dit commentaar is opgedragen aan de herinnering van de Dom van Goslar, de geboorteplaats van Berger. Deze Dom uit de 11e eeuw werd in de 19e eeuw afgebroken om plaats te maken voor een kazerne. Deze kazerne stond er slechts 80 jaar. Berger ziet hierin dat gelovigen steeds in de verleiding staan om het werk van Christus te vervangen door macht die imponeert. Hoe men dat ook probeert en hoe die macht imponeert, die macht is slechts tijdelijk. Luisteren naar Openbaring helpt om die imponerende macht steeds weer te relativeren en te ontmaskeren.

N.a.v. Klaus Berger, Die Apokalypse des Johannes. 2 delen (Freiburg / Basel / Wenen: Herder Verlag, 2017).

Gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 21 september 2018