Offeren, waarom moet dat eigenlijk?

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?
De manier waarop Jezus sterft is niet willekeurig of toevallig

Iemand die sterft voor jou, voor je zonden. Het is een ergernis of een dwaasheid maar gewoon geaccepteerd wordt het nooit. Hoe moet je dat offer van Jezus duiden? De valkuilen zijn legio, zeker in een cultuur waarin we geen offercultus kennen.

Vanaf het moment dat Jezus stierf, hebben christenen nagedacht over de betekenis van dit sterven en over de betekenis van de manier waarop hij stierf. Al in de allereerste reflecties op de betekenis wordt Jezus’ sterven aan het kruis verbonden met God. Het kruis is geen toevallige gebeurtenis, maar in de ogen van Paulus het middel dat God koos om de mensen te bevrijden uit de macht van de zonde.

sllcrocifissoguidoreni
altaarbeeld van Guido Reni in de San Lorenzo in Lucina (Rome)

Het sterven van Jezus aan het kruis is allereerst een handelen van God, waarin God iets bewerkstelligt: Hij brengt daarin twee partijen bij elkaar die zonder dat kruis niet te verenigen zijn. In het sterven van het kruis wordt de mensheid, die in de macht van de boze en de zonde geraakt was, verenigd met God.

Verzoend
Aan het kruis wordt de mensheid verzoend met God. God hoeft niet verzoend te worden, aan zijn kant zit de fout niet. De mensen moeten verzoend worden met God. Voor Paulus gaat het sterven van Jezus aan het kruis niet buiten ons om. Als Jezus sterft aan het kruis, sterft elke gelovige op dat moment aan het kruis met Jezus mee, schrijft hij in Romeinen 6.

Op beeldende wijze
In de vier evangeliën wordt de betekenis van Jezus’ dood op beeldende wijze verteld. In Mattheüs, Markus en Lukas worden op cruciale momenten teksten uit Jesaja 53 verwerkt, waarmee zij willen aangeven dat er met het sterven van Jezus er iets gebeurd is in de relatie tussen God en mensen. Jezus sterft in de plaats van de mensen. Hij neemt het oordeel van God op zich en draagt dat weg. Zijn dood is een loskopen. Dat beeld wordt niet ontleend aan de slavenhandel, maar aan het vrijkopen van krijgsgevangenen die in de macht van de vijand zijn geraakt. Zo koopt de dood van Jezus de gelovigen vrij uit de macht van de zonde en de duivel.

Johannes legt andere accenten: zijn evangelie verbindt aspecten uit de tempelcultus met het Joodse Pesachfeest. Jezus is het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Jezus sterft bij Johannes op het moment dat het Pesachlam wordt geslacht. In alle vier de evangeliën staat Jezus dicht bij God of kan hij worden gezien als God zelf.
16th-St-Baptist-Ch-Wales
“The Black Christ of Alabama” – Gebrandschilderd raam in de 16th Street Baptist Church Birmingham (Alabama)

Onttronen van de kwade machten
Ook in de overige geschriften van het Nieuwe Testament is de dood van Jezus onderdeel van het handelen van God. De dood van Jezus onttroont de kwade machten, verslaat de duivel, verbreekt de macht van de dood. In zijn dood daalt Jezus in het dodenrijk neer om daar zijn overwinning te proclameren en aan te kondigen dat de gelovigen, die nu nog gevangen zijn in het dodenrijk, bevrijd zullen worden. In alle gevallen kan de betekenis van de dood van Jezus niet los gezien worden van zijn opstanding en binnengaan in de hemel.

Niet willekeurig of toevallig
De manier waarop Jezus sterft is ook niet willekeurig of toevallig. De dood aan het kruis is de meest vernederende en de meest gruwelijke vorm van ontmenselijking. Daarnaast is de kruisdood de meest eenzame vorm van sterven, want als Jezus sterft aan het kruis is hij ook door God verlaten, het is de totale vorm van Godverlatenheid.
william-congdon-crucifix-no.-2
William Congdon – Crucifix no. 2

Daarom hebben buitenstaanders en ook christenen geregeld moeite met deze vorm van sterven van Jezus aan het kruis. In de tijd van het Nieuwe Testament was de gedachte dat een God sterft aan het kruis de grootst mogelijke onzin en de hoogste vorm van Godslastering. Voor gelovigen is het moeilijk om te zien dat God ervoor kiest verworpen en vernederd te worden, dat Hij zijn zwakheid toont in plaats van zijn macht.

Moeite
Tegenwoordig hebben mensen niet minder moeite met de dood van Jezus, eerder meer. Een van de moeiten ontstaat als Jezus helemaal losgemaakt wordt van zijn eenheid met de Vader. Jezus wordt dan een mens, weliswaar een van de meest bijzondere, maar wel een mens. Dan valt het aspect weg, dat Jezus niet alleen mens is maar ook God en aan het kruis niet alleen als mens, maar ook als God daar hangt. Wanneer dat aspect van het God-zijn van Jezus wegvalt, ontstaat het beeld dat God de last van de zonde neerlegt op een mens. Dat een mens de volle woede van God over zich heen gestort krijgt.

Een ander probleem ontstaat wanneer Jezus als individueel mens gezien wordt en niet meer als representant van de hele mensheid. Dan wordt ingewikkeld om te zien wat de dood van Jezus met mij te maken heeft en raakt de gedachte uit beeld dat ik aan het kruis in de dood van Jezus meesterf.

Offer
Weer een andere moeite gaat over de beelden die gebruikt worden om de betekenis van het kruis uit te leggen. Neem het beeld van het offer, dat toegepast wordt op de dood van Jezus. Al gauw is de gedachte dat Jezus door God is opgeofferd, God slachtoffert een mens als Jezus voor een doel, dat God wil bereiken.

En dan is er nog de taal van de offercultus uit het Oude Testament die gebruikt wordt om de betekenis uit te leggen. Bij een offer in de tempel vloeide namelijk bloed. De oud-testamentische offercultus is voor ons moderne mensen moeilijk te begrijpen, omdat er met het bloedvloeien het idee ontstaat dat er iets wreeds gebeurt. De gedachte bij het offer is echter dat een dier de plaats van een mens inneemt. De kern van het offer is dat er één dier zijn leven geeft, waardoor een heel volk het leven van God ontvangt en verder kan blijven leven.

Bloed
Wanneer in Hebreeën gesteld wordt dat Jezus als hogepriester met zijn eigen bloed de hemel ingaat en voor God verschijnt, is dat een uitleg van de betekenis van Jezus’ dood: zoals het offer reinigt van zonden – een reiniging die nodig is om in gemeenschap van God te komen – zo is de dood van Jezus aan het kruis het definitieve offer. Jezus wordt niet door God geofferd, maar geeft zijn leven over in de dood. Dat doet hij bewust, met het oog op ons. Om ons vrij te kopen en te reinigen van de zonde.

Het uitleggen van de dood van Jezus aan het kruis is niet eenvoudig. We staan op heilige grond, omdat we hier te maken hebben met het meest diepe van Gods wezen, woorden schieten tekort. Woorden schieten ook tekort omdat we hier met het meest diepe in de geschiedenis van de mensheid in aanraking komen, namelijk de totale Godverlatenheid.

Daarnaast worden beelden, die in het verleden iets van dit heilige en diepe lieten zien, onbegrijpelijk doordat de tijden veranderen. Omdat we geen offercultus kennen, wordt het zoeken naar wat de Bijbel wil uitdrukken met het toepassen van het offer op Jezus’ dood. Bovendien hebben we een eeuw achter de rug waarin mensen rücksichtslos geslachtofferd werden. Er is een gevoeligheid ontstaan met betrekking tot een dood die gewild is door God.

Als we Jezus’ gewelddadige dood op Golgotha in verbinding brengen met Gods handelen, zoals heel het Nieuwe Testament doet, kunnen we er niet aan voorbij gaan dat God met het kruis op Golgotha meer doet dan vergeving en verlossing bieden: God rectificeert. Hij herstelt geschonden recht, dat wij als mensen God en elkaar hebben aangedaan. Wanneer wij als mensen het recht van een ander schenden, kunnen wij het nooit helemaal goed maken. Wij kunnen de persoonlijke schade die is aangericht bij de ander hooguit erkennen, maar rechtzetten niet.

Het bijzondere van het kruis is God zelf met Jezus’ dood, die mens is en ook God, zich verantwoordelijk maakt voor die schade en onze schuld op zich neemt, verzoent en ons en die ander herstelt.

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad 18 april 2019

Preek zondag 10 maart 2019

Preek zondag 10 maart 2019
Mattheüs 13:24-43

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op zondagavond deden wij vroeger vaak spelletjes, zoals ezelen.
Dat spel speel je met kwartetkaarten, met 4 kaarten in de hand,
waarbij je om beurten een kaart doorgeeft.
Het was de bedoeling dat je dan een compleet kwartet bij elkaar kreeg.
Als je een compleet kwartet had, legde je de kaarten neer op tafel,
waarbij de anderen ook hun kaarten neer moesten leggen.
Wie als laatste de kaarten neerlegde kreeg een strafpunt.
We speelden een aantal ronden, waarbij het de bedoeling was
dat je zo min mogelijk strafpunten kreeg.  
Als mijn vader meedeed, wist je dat je goed moest opletten.
Als hij zijn kaarten compleet had, begon hij een verhaal te vertellen,
waardoor je afgeleid werd en niet meer met het spel bezig was,
maar bezig was met wat hij vertelde.
Dat was zijn tactiek om steeds te winnen en vooral om anderen strafpunten aan te smeren.
Er waren er die daar niet goed tegen konden.
Het is niet tegen de regels.
Je zou kunnen zeggen dat hij precies begreep hoe het spel werkt:
hoe je moet winnen en hoe je anderen strafpunten kunt bezorgen.

In de echte wereld zijn er ook mensen die weten hoe het spel werkt.
Ik heb altijd bewondering voor zulke mensen.
Iemand die in een klas de boel op stelten kan zetten
en net op tijd weet op te houden om geen straf te krijgen.
Of iemand die heel slim is in het zaken doen:
een handeltje weet op te zetten of geld weet te verdienen waar anderen niet zakelijk zijn.

In de echte wereld zijn ook mensen die verder gaan,
die zich niet aan de regels van het spel houden,
maar bewust vals spelen ten koste van anderen, om er zelf van te profiteren.
Een directeur van een goededoelenorganisatie, die geld uit de kas neemt,
Of een politieman die informatie doorgeeft aan een criminele organisatie.
iemand die drugs aan scholieren verkoopt om hen verslaafd te maken.
Iemand die bij een oudere aanbelt en vraagt om de pinpas mee te mogen krijgen
en vervolgens groot bedrag pint en de pinpas niet meer terugbrengt.
Dat zijn mensen die weten hoe het werkt, maar daar misbruik van maken
en profiteren van anderen – om er zelf beter van te worden.
Ik denk dat er maar weinig mensen zijn, die hier respect voor kunnen opbrengen.
Je wordt daar eerder boos om.
Je werkt zelf hard en op een eerlijke manier, voor een gewoon salaris
en dan hoor je over iemand op een oneerlijke manier aan veel geld kan komen
en zich van alles kan permitteren, waar jij alleen maar van kunt dromen.
Dat is ook onze wereld en zo zal onze wereld ook blijven,
met mensen die op deze manier valsspelen en alleen aan zichzelf denken.
Je kunt regels bedenken, maatregelen bedenken,
maar zulke mensen blijf je houden, die ook dan die regels weten te ontduiken
en aan controle weten te ontkomen.

Je zou willen dat er iemand is die zulke mensen weet te doorzien
en ze weet tegen te houden
of als ze hun slag slaan dat er iemand is die hen aanpakt en hen uitschakelt
en als ze schade hebben berokkent ervoor zorgt dat ze hun straf niet ontlopen.
In de tijd van Jezus keken ze naar Iemand die op deze manier orde op zaken zou stellen
en dat zou doen in naam van God
of God zelf die zou verschijnen in een mensengestalte: de Zoon des mensen.
om recht te brengen, om corrupte en oneerlijke mensen aan te pakken,
mensen die hun macht misbruiken voor eigen gewin zou ontslaan,
priesters die hun positie in de tempel misbruikten om er zelf beter van te worden
zou wegsturen,
zodat het er in de tempel en bij de overheid alleen maar integere mensen zouden werken
betrouwbaar, bewogen en mild voor de gewone mensen, streng voor oneerlijke mensen.
De Zoon des mensen zal als een rechter optreden.
Iedereen in Israël en ook buiten Israël zal voor de Zoon des mensen moeten verschijnen
en Hij zal weten wat iedereen heeft gedaan, ook in het verborgen.
Hij zal zelfs in het hart van mensen kunnen kijken.
Niemand zal zijn listig optreden nog kunnen verdoezelen,
niet door mooie verhalen, zelfs niet door vrome praatjes.
Iedereen die hier de dans wist te ontspringen, omdat hij wist hoe het werkt,
zal niet kunnen ontkomen aan de Zoon des mensen.
God zelf zou deze Zoon des mensen sturen en als Zijn werk klaar is,
zou God zelf komen om bij de mensen te wonen.
Voor de mensen die met oneerlijkheid en corruptie te maken hadden en daar aan leden
gaf de komst van de Zoon des mensen hoop: de wereld zou eindelijk eerlijk worden.
Jezus vertelde voortdurend over de Zoon des mensen
en deed dat op zo’n manier dat je kon opmaken dat Hij zelf die Zoon des mensen was.
Jezus is gekomen om orde op zaken te stellen
en de wereld eindelijk eerlijk en rechtvaardig te maken, gereed om God te ontvangen.
De verwachtingen raakten hooggespannen: nu gaat het gebeuren!
Eindelijk recht en gerechtigheid, een rechtvaardige wereld, zonder corruptie en eigenbelang
waarin eerlijke mensen niet meer de dupe kunnen zijn van de slechtheid van anderen.

Alleen … er gebeurt niets.
Ja, Jezus preekt, geneest, trekt rond, maakt mensen beter.
Best bijzonder allemaal en ze kunnen er op hun beurt blij van worden,
maar het is niet wat ze verwacht hadden van de komst van de Zoon des mensen.
Het is de vraag die Johannes de Doper bezighield, toen hij zelf in de gevangenis zat,
omdat hij Herodes had aangesproken op de relatie die hij had met zijn schoonzus.
Johannes had hem daar op aangesproken:
Dat je de baas bent in de land, betekent nog niet dat je je eigen gang kon gaan
en dat je maar kon doen wat je zelf wilde
en zeker niet als je de leider bent van Israël, het volk van God,
waarbij elke leider het volk moest voorleven volgens Gods richtlijnen,
zodat de gewone mensen daar ook naar gingen leven.
Johannes kon Herodes alleen maar aanklagen, veroordelen om zijn daad.
Ondertussen keek hij uit naar Jezus, die Herodes echt kon aanpakken,
de Zoon des mensen, die het als het om Herodes ging niet alleen bij woorden liet.
Als Johannes over Jezus hoort, gaat hij echter twijfelen.
Is Jezus wel de Zoon des mensen? Is Hij wel door God gestuurd om recht te spreken,
om in Jeruzalem als rechter op te treden, schoon schip te maken?
Bent U het of moeten we nog uitkijken naar iemand anders?

Het is ook een vraag die vandaag de dag kan bovenkomen
als je weer een verhaal hoort over mensen alleen maar aan zichzelf denken,
of als je er zelf mee te maken hebt gehad:
Waarom doet God er niet iets aan? Waarom blijft de wereld hetzelfde?
Waarom laat Hij mensen die zichzelf verrijken ten koste van anderen maar doorgaan?
Waarom is er nog steeds zoveel mis in deze wereld, ook al is Jezus gekomen?
We geloven toch toch dat er toen Jezus stierf aan het kruis en opstond uit de dood
iets beslissends is veranderd in deze wereld?
Waarom merken we dat niet en is deze wereld net zo oneerlijk als daarvoor?

Om een antwoord te geven op die vraag, vertelt Jezus een verhaal,
Een verhaal uit het dagelijks leven, waarin een overeenkomst zit met wat Jezus kwam doen,
met het Koninkrijk van God dat Hij op aarde kwam brengen.
We noemen die verhalen ook wel gelijkenissen:
Er is een gelijkenis, een overeenkomst in het verhaal met wat Christus kwam doen op aarde.
Een gelijkenis uit het dagelijks leven, herkenbaar voor de mensen,
waarin iets geks gebeurt, iets wat niet logisch is en daarin zit juist de boodschap.

Het is het verhaal van een rijke boer, die zijn land inzaait.

Het zaad komt van de vorige oogst of heeft hij gekocht.
Hij heeft er op gelet dat het zaad van goede kwaliteit is.
Zijn akker wordt ingezaaid en de boer kan dan wachten tot het graan opkomt.
Als na enige tijd het gewas opkomt, zien de knechten van deze man iets vreemds.
Het is niet alleen het zaad dat er gestrooid is dat opkomt.
Er komt ook een ander gewas op, dat ze niet hebben gezaaid:
de verschrikking van elke boer, want dat onkruid lijkt in het begin sterk op het graan,
maar de korrels van het onkruid zijn gevaarlijk om te eten, omdat ze giftig zijn.
Onkruid in een grotere hoeveelheid dan ze gewend zijn, een echte plaag.
Hoe kan dat nu zo zijn? vragen de knechten zich verbijsterd af.
Was het zaad dat ze ingezaaid hadden dan toch van slechte kwaliteit?
Zat er dan toch in de partij die ze kochten of gekweekt hadden een deel van dat onkruid?
Ze willen gelijk aan de slag, want dit onkruid kan de rest van de oogst aantasten,
kan het goede graan overwoekeren, ontneemt voedingsstoffen uit de bodem.
Het zal een heel karwei zijn om de akker schoon te krijgen, nog iets van de oogst te redden.
Dan komt het onverwachte in het verhaal van Jezus,
waarbij de luisteraars gedacht zullen hebben, dat Jezus van veel dingen verstand heeft,
maar niet van het boerenleven.
‘Laat het onkruid staan. Pas met de oogst zal het onkruid weggehaald mogen worden.’
De boer geeft zijn knechten de reden waarom ze het niet mogen doen:
Als je het onkruid wegschoffelt, trek je al gauw ook het goede gewas uit.
De toehoorders zullen met hun hoofd geschud hebben:
Dat is het risico van boer-zijn: je bent altijd iets van het goede gewas kwijt,
maar dat is altijd beter dan dat je hele oogst verloren zou kunnen gaan,
een risico dat zeker aanwezig is als je niets doet.

Jezus vertelt het zijn leerlingen
en zijn leerlingen voelen aan dat er een belangrijke boodschap in deze gelijkenis zit,
maar ze krijgen de betekenis niet helder.
Ze praten met elkaar erover wat de bedoeling is van dit verhaal van Jezus,
maar ze komen er niet uit. Het blijft voor hen gissen naar de juiste uitleg.
Ze kloppen daarom bij Jezus aan: Wilt u ons die gelijkenis uitleggen?
Wat bedoelde U daar eigenlijk mee?
Dan legt Jezus het verhaal uit:
De akker is de wereld, onze wereld waarin wij leven.
Het is dus niet alleen de kerk, maar onze hele wereld.
Het begon goed: er werd goed zaad gezaaid en je zou een mooie oogst kunnen verwachten.
Het begon zo mooi met de mensen: een ideale wereld,
een wereld waarin God bij de mensen was, waarin niemand tekort kwam of achterop raakte,
niemand buitengesloten werd, niemand aan zichzelf dacht, of leefde ten koste van anderen.
Hoe mooi had de wereld kunnen zijn als het zo gebleven was.
Soms kun je nog even een glimp opvangen van die mooie wereld,
als je onderdeel bent van een fijn gezin, een hechte familie,
als er mensen zijn die met je meeleven, een kaartje sturen of bellen
even bij je naar binnen lopen en wat voor je doen,
Die vragen hoe het gaat, die zeggen dat ze voor je bidden en dat ook doen.
Je zou willen dat de hele wereld zou was, maar je weet beter.
Soms kun je door één gebeurtenis er weer achter komen dat je niet in de ideale wereld bent.
Als er iemand geld steelt, of iemand een ander het leven zuur maakt.
Onkruid dat gezaaid is en dat om je heen opgroeit, je vergroeit er zelfs mee.
Het wordt onderdeel van jouw leven.

En toch is het enige dat God er aan doet: laat het staan. Haal het nog niet weg.
Want dan gaan de goeden onder de slechten lijden.
Het uitstel van die hemelse rechter, van het vonnis van de Zoon des mensen
heeft verschillende kanten:
Het heeft iets gedurfds – de oogst kan mislukken.
Het onkruid, de slechtheid van mensen kan zo sterk aanwezig worden
dat degenen die wel eerlijk willen leven, willen leven volgens Gods geboden,
er aan onderdoor kunnen gaan.
Het is niet makkelijk om als gelovige integer te zijn
als je om je heen zoveel oneerlijkheid merkt.
Het kan je de adem benemen, als goed graan dat verstikt tussen het onkruid,
niet tot eer van God kan groeien.
Het heeft iets barmhartigs: God wil niet dat de goeden eronder lijden.
Als de Zoon des mensen nu orde op zaken moet stellen,
kunnen degenen die goed leven, God trouw zijn, eerlijk willen zijn in deze wereld
er net zo goed op een verkeerde manier getroffen worden.
Wij zouden misschien de afweging maken: Liever wat goeden opofferen,
om te voorkomen dat het kwaad buiten de perken gaat en niet meer te houden is,
de hele akker, onze hele wereld infecteert – het duurt jaren om onkruid echt weg te krijgen.
Maar dat past niet bij Gods karakter – God zou oneerlijk worden.
En dat heeft te maken met het derde (naast het gedurfde en het barmhartige):
Het is ook confronterend – want wie zegt niet dat wij, dat u, dat jij, dat ik dat onkruid ben(t)?
Wie zegt dat wij aan de goede kant staan?
Het evangelie is aan de ene kant altijd bedoeld als troost, als houvast.
en het houvast is dat God weet wat Hij doet, weet wat Hij aan moet met het onkruid
en dat we mogen geloven dat het eens gedaan is met het kwade in deze wereld
en de mensen die oneerlijk zijn hun vonnis niet zullen ontlopen.
Maar het evangelie heeft ook altijd iets confronterends, waarbij we onszelf moeten nagaan:
Ben ik het waar Jezus het over heeft?
Deze gelijkenis is aan de ene kant bedoeld om ons moed te geven
als je niet opgewassen bent tegen de oneerlijkheid om je heen
en als je de druk of de verleiding voelt om overstag te gaan.
De gelijkenis is aan de andere kant bedoeld om tot inkeer te komen:
Kunnen wij wel voor de Zoon des mensen bestaan?

De boer wacht tot de oogst – beeld van het laatste oordeel.
Wat Jezus hier niet in de gelijkenis verteld, maar wat de discipelen wel zullen meemaken
is dat voor de oogst er zal zijn eerst iets anders gebeurt.
Voor de Zoon des mensen op de stoel van de rechter gaat zitten en iedereen zal oordelen
zal de Zoon des mensen een andere weg gaan,
zelf met de oneerlijkheid te maken krijgen,
met mensen die denken dat ze integer zijn en denken in naam van God te handelen,
en toch een groot onrecht begaan door Jezus naar het kruis te brengen.
De Zoon des mensen, die hier als boer getoond wordt die zaait
en die over de akker kijkt, waarin zoveel onkruid staat, zegt wacht maar.
Maar voor het zover is, dat de maaiers komen, zegt: Ik neem de verantwoordelijkheid.
De oneerlijkheid, de zonde, het onrecht, het vonnis neem ik op mij,
mee naar het kruis. Voordat jij het vonnis krijgt uitgesproken, heb ik dat al gedragen,
weggedragen, zodat je als het goede graan binnengedragen kunt worden,
in Gods koninkrijk, het hemels Vaderhuis.
Het uitstel is genade – tijd van genade. Laat wie oren heeft het oren! Amen




Preek 24 februari 2019

Preek 24 februari 2019 |(Vorchten, Werkhoven)
Schriftlezing: Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Let niet op de rommel’, wordt er gezegd als je onverwacht op bezoek komt.
Ze zijn wel blij met je bezoek, maar er klinkt ook een licht verwijt in door:
Had even laten weten dat je komt, dan hadden we alles kunnen opruimen,
zodat je in een schoon en opgeruimd huis komt.

‘Let niet op de rommel’, hadden ze vast in de menigte gedacht,
toen Jezus de berg afdaalde.
Ze waren met Jezus op de berg geweest en waren onder de indruk van Zijn woorden.
Wat Jezus zei, waren meer dan gewone mensen woorden, woorden van God zelf
En op de berg hadden ze het gevoel dat ze zo heel dicht bij God waren,
Even boven hun alledaagse beslommeringen uitgetild,
woorden die hen getroost hadden, maar ook diep hadden geraakt en aangesproken,
confronterend, maar dan juist op een heilzame manier,
Waardoor ze zich opgescherpt voelden in hun relatie met de Heere.
Dat zouden ze wel vast willen houden, zo dicht bij God zijn,
maar nu dalen ze met Jezus vanuit dat dicht bij God zijn weer in hun eigen wereld.
Hun wereld van hun eigen rommel en hun eigen sores,
die je voor anderen wilt verstoppen.
En wellicht wil je dat ook voor de Heere verstoppen
En zeg je stil in jezelf: Heere, als U in mijn leven komt, geef dan eerst een seintje,
zodat ik mijn leven op orde heb en U niet in mijn rommel hoef te ontvangen.
Want als U zo onverwacht komt, dan schaam ik me om U hier te moeten ontvangen.

‘Let niet op de rommel.’ – net nog een hoogtepunt op de berg gehad
en dan iemand ontmoeten, die daar niet hoort te zijn,
die door de ziekte die zijn huid afgrijselijk heeft toegetakeld heeft, aangevreten,
zich niet onder de mensen zou mogen begeven.
De ziekte die deze man heeft
– melaatsheid in de oudere vertalingen, huidvraat in de NBV –
was niet zomaar een ziekte, maar werd gezien als een stempel door God gegeven:
Jij hoort niet meer tot Mijn volk. Je hoort verbannen te worden naar de rand.
Als dat oordeel ook nog eens door een priester werd uitgesproken
was je je plek in de samenleving kwijt, je mocht er niet meer bij horen.
Daar kunnen we raar van opkijken, maar ik dat vertellen gemeenteleden ook,
van wie bekend zijn dat ze ernstig ziek zijn en aan wie dat soms ook te zien is:
een kaal hoofd door de chemokuur, een rode huid van de uitslag.
Zij maken het mee, dat bekenden die hen in de supermarkt normaal gesproken aanspreken
nu gauw een ander gangpad inslaan en geen gesprek durven aan te gaan,
of degenen die normaal gesproken even aan zouden komen nu wegblijven,
omdat ze niet weten wat ze moeten doen, wat ze moeten zeggen,
er niet tegen kunnen om de gevolgen van de ziekte met eigen ogen te zien.
Wellicht hebben de mensen na het horen van Jezus’ verhaal op de berg gedacht:
De man die we hier zien is een illustratie van de bergrede.
Want Jezus had het voortdurend over het hart van de mens,
Waarin van alles verkeerd is: vatbaar voor verleiding, vol van zonde,
het is nodig dat ons hart gereinigd wordt, schoongemaakt
en bij het zien van deze man met zijn aangevreten huid en verminkte gezicht
hebben ze misschien wel gedacht, dat zijn uiterlijk het gevolg is van zijn hart dat mis is,
zoals dat ook met spanning kan zijn, die op het lichaam slaat:
zonde in het hart, die zichtbaar aan de buitenkant op de huid zichtbaar wordt.

Het is opvallend wat deze man doet: voor het oog van al die mensen
het oordeel dat de priester ooit over hem heeft uitgesproken,
namelijk dat voortaan de mensen moest mijden om hen ook niet onrein te maken,
negeren en zich onder de mensen te begeven en neer te knielen voor Jezus.
Mattheüs wil er ook de aandacht op vestigen:
kijk dan, let er eens op, sta er bij stil en neem de tijd om het op je te laten inwerken.
Kijk eens, hier zie je geloof: deze man die de moed heeft om naar Jezus te gaan
en beseft dat hij met zijn verhaal en zijn ellende bij Jezus moet zijn
voor een nieuw leven, een nieuwe toekomst.
Ook dit is een illustratie van de Bergrede:
NBV: Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt?
Hier komt iemand op zoek naar Jezus en vraagt, iemand die bij Jezus aanklopt
en Jezus heeft al gezegd wat er al met iemand zou gebeuren, die zo komt aankloppen.
Jezus is niet alleen maar een Messias van mooie woorden,
maar een Messias die de mooie woorden ook in praktijk brengt, in daden omzet.

Ik denk dat Mattheüs om nog een reden onze aandacht wil vangen:
want het zou ook kunnen zijn, dat dit het niemandsland is, waar een verbannene mocht zijn.
Daar in de bergen, net als een bezetene in de holen en de grotten in de bergen woonde.
Dan zou Mattheüs ook tegen ons willen zeggen: Zie je wel welke weg Jezus neemt?
Voor Hem is er geen tegenstelling tussen het bij God verkeren,
het geestelijk op een berg zijn, een hoogtepunt in het geloof
en een weg door de menselijke diepte, waar de mensen zijn die er niet meer bij horen,
die te horen hebben gekregen, dat ze niet meer mee tellen.
Waar wij ons willen excuseren voor onze rommel en niet zouden willen

dat God die onder ogen zou willen komen, gaat Jezus juist die weg,
niet alleen maar om onze rommel te zien, maar ook om die te reinigen.
Aan het einde van drie verhalen over genezingen door de Heere Jezus
meldt Mattheüs wat Jesaja, de profeet, gezegd heeft:
NBV: Opdat in vervulling zou gaan, wat gezegd is door de profeet Jesaja:
Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.
HSV: Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen.
Dat Mattheüs deze tekst hier plaatst, levert alleen maar vragen op.
Want Jezus geneest wel – in die zin neemt Hij de ziekten wel weg,
maar hier wordt niet zichtbaar, dat Jezus de ziekten draagt, zoals Jesaja wel zegt
en toch ziet Mattheüs in deze drie verhalen, die hij aan ons vertelt,
dat Jezus de profetie die Jesaja uitsprak vervuld heeft.
Jezus begeeft zich in de wereld van die man, die met zijn verminkte huid,
met zijn getekend gezicht en zijn stempel van onreinheid.
Wat Hij doet is meer dan genezen alleen – dat op zich is al heel bijzonder.
Hij neemt de ziekten ook op zich
– allereerst door zich er mee in te laten.
Jezus raakt de man aan, die bij Hem om hulp komt,
een man van wie je afstand moet houden, omdat je anders zelf ook besmet kunt worden,
waarbij jezelf ook het oordeel kunt horen uitspreken, dat je er ook niet meer bij hoort.
Het is een teder gebaar, een gebaar vol barmhartigheid,
Jezus die net verteld heeft over mensen die het koninkrijk der hemelen niet kunnen ingaan
omdat ze de brede weg gekozen hebben, de weg naar de ondergang,
die net vertelde dat diegene die de woorden van Jezus alleen maar aanhoort
en ze niet in praktijk brengt een huis bouwt, dat op zand gebouwd is,
het huis van je leven dat instort als het oordeel van God erover heengaat,
die vertelde dat je beter je hand kunt afhakken als die je in verleiding brengt,
Jezus die met Zijn handen straks in Jeruzalem de tafels zal omkeren,
het brood aan de tafel breekt en ronddeelt aan Zijn discipelen,
met Zijn hand het brood in dezelfde schaal doopt als degene die Hem verraden zal,
Jezus, wiens handen aan het kruis gespijkerd zullen worden.
Die handen raken nu deze man aan – en de man wordt gereinigd.
Dat is meer dan genezing.
Dat is van buiten een schone huid, maar ook van binnen een schoon hart.
Niet alleen genezen, maar ook van het stempel af, geen oordeel of veroordeling meer.
Het is het leven weer terugkrijgen, opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden.  
En Jezus zegt: Ik wil.
dat gebaar van barmhartigheid en tederheid onderstreept dat nog eens,
dat Jezus genegen is om de man te reinigen.
Het wordt zichtbaar, dat Jezus het wil.
Jezus had de mogelijkheid blijkbaar om te zeggen: Nee, bedankt, Ik doe het deze keer niet.
Waarom eigenlijk? Waarom moet Jezus er persoonlijk mee instemmen?
Waarom is het zo van belang, dat Jezus dit zelf ook wil,
dat de man gereinigd wordt, en zo genezen en een nieuw leven mag beginnen.
Ik denk dat we hier opnieuw bij Jesaja aankomen:
Het dragen van onze zwakheden en kwalen, op het zich nemen van onze ziekten.
Ja, Ik wil dat doen. Ik neem jouw ziekte op mij en alles wat daar aan ten grondslag ligt,
wat die ziekte heeft veroorzaakt
en ook wat het effect is op je plek in deze maatschappij
en hoe jou dat op een afstand tot God heeft geplaatst.
Ja, Ik wil.
In het aanraken van de man zegt Jezus tegen Zijn hemelse Vader:
Dat kruis is ook mijn wil.
Ik wil afdalen van de berg, in die wereld waarin de mensen schamen voor hun rommel
en dat liever verborgen houden, omdat ze dat zelf niet aankunnen
en waarvan ze zelf ook vermoeden dat het een afstand tot God oplevert.
Ja, ik wil.
Dat is niets minder dan dat Jezus aangeeft: Ik ga de weg naar het kruis.
Ik ben bereid om die weg naar Golgotha te gaan,
op die berg, daar bij Jeruzalem de plek van deze melaatse man in te nemen
en af te dalen in zijn wereld en zijn wereld te dragen
en nog dieper gaan: neerdalen in het rijk van de dood, in de hel
en daar de plek van deze man over te nemen.
Ja, Ik wil.
Mattheüs heeft gezien welke diepte er is in de instemming van Jezus,
wat daar gebeurt als Jezus die man aanraakt en zegt: Ik wil.
Woorden die lang geleden door de profeet tegen Israël zijn gezegd
gaan nu in vervulling.
‘Let maar niet op die rommel.’ zouden we zeggen.
Als een belangrijk persoon komt, dan wordt de stad schoongemaakt.
Fietsen die verkeerd gestald zijn, worden weggehaald.
Mensen die geen huis hebben en op straat leven worden naar elders gebracht
om de straat een goed aanzien te geven.
Bij Jezus krijgen we geen kans om  wat in onze ogen rommel is op te ruimen,
omdat Hij zegt: Ik wil die weg gaan. Ik ben juist gekomen om die rommel op te ruimen.
Op een bijzondere manier – weg te dragen.
Niet alleen maar door een aanraking en daarmee de risico ook besmet te worden

en ook onrein verklaard te worden,
maar door te komen waar je bent, als je er niet meer bij hoort en afgeschreven bent.
De berg waar Jezus zijn toespraak op hield, die wij bergrede noemen,
is daarom ook niet een berg die ontstegen is aan onze wereld,
maar juist waar de melaatsen wonen, de verschoppelingen, degenen die verbannen zijn.
Daar in die wereld staat de berg, waar Jezus spreekt over het koninkrijk der hemelen,
en over het binnengaan van dat koninkrijk.
En Zijn aanraking van de man, die komt met zijn huidvraat, Hem zoekt, bij Hem aanklopt,
die hand is een zichtbare uitleg van wat Hij later in een gelijkenis zal zeggen:
Zoek de mensen op buiten de stad, op de landwegen,
waar de mensen zijn, die je niet in je stad wil hebben.
Jezus laat dat zelf zien: Hij is bereid om mee te gaan met die centurio
om bij hem in huis te komen om zijn zieke slaaf te genezen.
Jezus die in het huis van Petrus komt, waar die zieke schoonmoeder is.
Drie verhalen over hoe ziekte mensen gevangen houdt, knevelt,
drie verhalen waarin we kunnen ziek,
hoe dat is als je leeft in een macht die je gevangen houdt
en waar je jezelf niet van kunt bevrijden.
Jezus komt. Hij komt in jouw wereld, daalt daarin af, treedt die binnen.
Ja, Ik wil – wordt gereinigd.
Het gaat hier om meer dan genezing
– dat is ook al een voorbode van hoe het in het koninkrijk der hemelen zal zijn.
Geen ziekte, geen beperking of handicap.
Geen aangetaste huid of lichaam, niemand die een blokje omloopt,
omdat hij of zij je niet in het gezicht durft te kijken.
Het gaat hier om bevrijding uit een macht en innerlijke reiniging,
omdat Jezus dat wilde – wilde komen, wilde afdalen,
maar ook onze wereld en onze gevangenschap, onze zwakheden en ziekten wilde dragen.
Een Messias niet alleen maar in woorden, maar ook in daden.
Omdat Hij komt, ook in onze wereld, is Hij benaderbaar
en kunnen wij Hem zoeken en vinden,
kunnen wij bij Hem vragen en gehoord worden,
kunnen wij aankloppen en doet Hij ons open.
Met heel mijn hart heb ik de HEER verwacht.
Dat is al heel wat – als iedereen je afschrijft.
Daar is moed voor nodig en dat is volgens Mattheüs geloof:
De verwachting dat Christus ook in jouw wereld kan komen,
om jou te redden en te bevrijden en jou een nieuw leven te geven.
Hij heeft gehoord naar mijn gebed,
mij uit de modderpoel gered,
mijn voet weer op een vaste grond gebracht.
Hij heeft mij doen herleven.
Opstanding uit de dood, een nieuw leven, herboren, opnieuw geboren,
omdat Jezus kwam en zei: Ja, ik wil, wordt gereinigd.
Omdat Jezus vervulde wat Jesaja al zei:
Hij was het die onze ziekten op zich nam
en onze kwalen heeft hij op zich genomen.

Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. Amen

Christus in Zijn lijden (Gedachten bij Schilder – 5)

Christus in Zijn lijden
(Gedachten bij Schilder – 5)

Voor Schilder was Christus als plaatsbekleder van groot belang. De trilogie Christus in Zijn lijden is een felle en existentiële exegese van de lijdensverhalen, vol contrasten en spanningen. Dit wordt gecombineerd met inzichten uit de gereformeerde traditie die ook weer zeer existentieel worden verwerkt.
Waarom eigenlijk op deze felle, geladen en existentiële manier? De trilogie Christus in Zijn lijden moet gelezen worden tegen de culturele achtergrond van de jaren-’20. Toonaangevende schilders als Jan Toorop  en schrijvers als Albert Verwey (kunstenaars door wie Schilder erg geboeid was) adoreerden een bleeke Christus, een soort boeddhistische Christus die aan het lijden ontstegen was: 

Christus aan het kruis

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een groote, bleeke vlam, – wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zoo schoon?

Glanzende Liefde in eenen damp van hoon,
Wat zijn uw lippen stil, hoe zonder klacht
Staart ge af van ’t kruis, – hoe lacht gij soms zoo zacht, –
God van Mysterie, Gods bemindste Zoon!

O Vlam van Passie in dit koud heelal!
Schoonheid van Smarten op deez’ donkere aard!
Wonder van Liefde, dat geen sterfling weet!

Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
Der dropplen bloeds en tot den morgen staart
Hij me aan met groote liefde en eindloos leed.

Albert Verwey

  Jan Toorop, Christus (1912)

Schilder had met deze bleke Christus moeite, omdat het wegpoetsen van het lijden het wegpoetsen van de plaatsbekleding is. Christus was meer dan de Man van smarten, de onze deesnis oproept. De trilogie Christus in Zijn lijden is een grootse poging geweest om te laten zien, dat de Christus als plaatsbekleder het lijden op zich genomen heeft. Het lijden ondergaan was een daad van Jezus in gehoorzaamheid.

Wat mij opvalt bij het lezen van deze overdenkingen, is dat de lezer in de rol van toeschouwer wordt geplaatst. De lezer moet zien, op zich in laten werken, soms beven. Jezus is een voorbeeld van gehoorzaamheid (en dat kunnen wij van Hem leren). Maar Jezus is vooral de plaatsbekleder die de toorn van God droeg en staande bleef in alle pogingen om Hem van dat plaatsbekledende optreden te weerhouden. De lezer krijgt van Schilder steeds te zien dat met betrekking tot Jezus geen neutraliteit mogelijk is: Hij is óf de Christus of de anti-Christ. Of wij geloven in Hem of wij struikelen over de steen des aanstoots. Het optreden van Jezus brengt alles in de crisis.
Mij als predikant, die de roeping heeft om te preken over Christus, houdt deze vraag al geruime tijd bezig: op welke manier kan over Jezus (bijvoorbeeld als plaatsbekleder) gepreekt worden? Dat kan alleen met de luisteraar of de lezer in de rol van toeschouwer, die ziet dat in de weg van Jezus God Zijn heil openbaart? Dat vraagt wel van de preek dat er een vonk overspringt en de luisteraar of lezer gegrepen wordt.  Kan er wel op een gemoedelijke manier over Jezus gepreekt worden? Misschien heeft Schilder wel gelijk dat dit niet kan en hebben wij vandaag de dag nodig dat de prediking over Christus ons in de crisis brengt.

Dit is (voorlopig) mijn laatste blog over Klaas Schilder. Voor wie zich afvraagt, waarom ik mij bezig houdt met Klaas Schilder, verwijs ik door naar K.H. Miskotte en G.C. Berkouwer.
Miskotte zei  eens op een college: ‘Ik kan er niet tegen als mensen op Schilder afgeven. Je kunt het niet met hem eens zijn, maar het was een geniale man.’
Berkouwer heeft steeds bij zijn leerlingen geprobeerd om er een over te halen om te promoveren. Tot zijn spijt is het niet gelukt om iemand te laten promoveren op de grondstructuur van Schilder (bijvoorbeeld aan de hand van Zondag 10).

E.P. Meijering schrijft in zijn boek Een eeuw denken over christelijk geloven, dat de theologie van Schilder niet verklaarbaar is zonder Karl Barth. Dat is geen fair oordeel. Schilder had zijn (originele) theologie al grotendeels gevormd voor Barth zijn intrede deed. Vanuit deze theologie reageerde hij voortdurend op Barth, omdat hij Barth als een bedreiging zag.
Het portret van Meijering is eenzijdig: doordat Meijering niet heeft geanalyseerd wat de moeite van Schilder was met de paradox, heeft hij ook niet begrepen waarom Schilder zich voortdurend zo fel verzette tegen de theologie van Barth.

Het verzoeningsoffer van Christus: identificatie met de zondige mens

Het verzoeningsoffer van Christus: identificatie met de zondige mens

Het Nieuwe Testament geeft aan dat Jezus voor ons gestorven is: Hij is in onze plaats gestorven. De schrijvers van het Nieuwe Testament, zoals Paulus in 2 Korinthe 5:14-21, leggen de plaatsvervanging uit door het gebruik te maken van de metafoor van het verzoeningsoffer (Sühnopfer).

Dat offer is in onze cultuur niet meer bekend. Een van de redenen is dat het offer van Christus aan het kruis zoenoffers overbodig heeft gemaakt. In onze Europese cultuur kennen wij alleen nog maar offers in ethische betekenis, niet meer in cultische betekenis. Dat maakt het moeilijk om het verband tussen het verzoeningsoffer en de kruisdood van Jezus te zien.

Offer als belijdenis van zonde
Wie offert, laat zien dat er een tweespalt is tussen het eigen bestaan en dat van de gemeenschap waarin hij leeft. Wie offert is geen heilige en kan de heilige God niet onder ogen komen. Door te offeren wordt de onreinheid opgeheven. Het offer zorgt dus voor de mogelijkheid van vergeving.
Het gevaar bestaat, dat het offer wordt gezien als een prestatie. Dat degene die offert weer rein wordt is niet zijn eigen prestatie, maar wordt door God geschonken.

Verzoeningsoffer
De achtergrond van een verzoeningsoffer is de overtreding, die niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Degene die de overtreding begaan heeft, kan zich niet vrijmaken van zijn schuld.
Bij een verzoeningsoffer neemt de ander de plaats in van de schuldige. De plaatsvervanging gebeurt vanuit een identificatie van de schuldige en de onschuldige. De onschuldige neemt de plaats in van de schuldige. De onschuldige wordt geofferd als ware hij de schuldige. De schuldige wordt niet aan de kant gezet, maar in het offer gaat hij mee. Plaatsvervanging betekent dus niet een aan de kant schuiven van de schuldige, maar een volstrekte identificatie. K. Schilder spreekt daarom over plaatsbekleding en niet over plaatsvervanging (Heidelberger Catechismus II, p. 47).
Door handoplegging wordt de eenheid tussen de schuldige en diegene die zich offert (of het dier dat geofferd wordt) benadrukt. Niet alleen de schuld wordt overgedragen, maar het gehele bestaan.
De kern van het verzoeningsoffer is dat God de schuldige verzoent. Men maakt nogal eens de fout door te denken, dat met dit offer er iets aan God moet veranderen. Alsof Hij veranderd, tevredengesteld moet worden. Nee, in het offer wordt de schuldige mens veranderd: rein verklaard.
De dood van het offer(dier) schenkt aan de schuldige mens het leven. Het verzoeningsoffer betekent dus dat de schuldige een nieuw leven ontvangt van God, een met God en door God verzoend leven. De mens ontvangt de vrede van God.

Geen vervanging
Deze gedachte is de basis ook van de kruisdood van Christus. Hij is degene die zich als offer geeft om aan de mensen een nieuw leven te geven dat met God en door God is verzoend. Als Hij sterft, doet Hij dat in gemeenschap met de zondige mens. Hij maakt zichzelf identiek aan de zondige mens. In zijn plaats gaat Hij. Hij identificeert zich met ons. Wij worden niet aan de kant geschoven, maar in Zijn offerdood worden wij meegenomen.
Christus is aan het kruis eenheid tussen God en de mensen. Zo weet Hij de zondige mens met de heilige God te verbinden. In Zijn dood vindt er verzoening plaats.
Dat betekent dat het kruis van Christus geen mensenoffer is, maar een identificatie van Christus (die een is met de heilige God) met de zondige mens. Aan deze verzoening tussen God en mens komt de mens niet aan te pas. Dit heilsgebeuren aan het kruis is enkel en allen handelen van God. Hij offert in Christus zichzelf en doet de schuld en onreinheid van de mens weg.
Dit offer is het definitieve offer van verzoening. Na dit offer van Christus is er geen verzoeningsoffer meer nodig. Het sterven van Christus aan het kruis heeft alle verzoeningsoffers tot een einde gebracht. Daarom kan alleen Christus de middelaar zijn tussen God en mens. Een andere middelaar is er niet.

NB: De betekenis van Christus’ dood wordt versterkt door het tijdstip van overlijden: na de 9e ure, het tijdstip waarop het verzoeningsoffer (tamid-offer) in de tempel werd gebracht.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Eberhard Jüngel, Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens (Tübingen: Mohr Siebeck, 19993) 127-146.

Verloochening van Petrus

Verloochening van Petrus (Mattheüs 26: 58, 69-75)

De verloochening van Petrus is bewust verbonden met het verhoor van Jezus voor het sanhedrin. Terwijl de evangelist vertelt hoe Jezus ondervraagd gaat worden, vertelt hij ook dat Petrus meegekomen is. De gelijktijdigheid van de beide gebeurtenissen (ondervraging van Jezus en verloochening door Petrus) is volgens de evangelist dus van belang.

In vers 58 wordt verteld hoe Petrus Jezus navolgt. Een woord dat discipelschap aangeeft. Probeert Petrus een echte discipel te zijn? Een discipel, die bereid is zijn leven te verliezen (vgl. Mattheüs 16:24-35)? Voelt hij nog steeds de roeping? Of klopt, wat Joachim Gnilka zegt: dit is geen echte navolging?

Met Jezus
Petrus gaat het paleis van de hogepriester binnen. Een waagstuk. In eerste instantie is Petrus dus bereid om het gevaar op te zoeken. Eén van degenen die met Jezus was had immers het oor van een dienaar van de hogepriester afgeslagen? Was het Petrus? Mattheüs vertelt niet wie het heeft gedaan.
De evangelist voert de spanning op: Petrus gaat tussen (meta) de knechten zitten. Slechts een moment geleden bevond hij zich tussen de volgelingen van Jezus. Was hij iemand die met (meta) Jezus was. Straks zal hij daarmee geconfronteerd worden: was jij ook niet iemand die met (meta) Jezus was? Die zich tussen zijn volgelingen bevond?

Het einde
Waarom gaat Petrus eigenlijk het paleis binnen? Om het einde (to telos) te zien.
Betekent dat, zoals de Naardense Bijbel vertaald: om te zien hoe het afloopt? ‘Telos’ heeft meerdere betekenissen: einde, maar ook doel. De vertaling van de Naardense Bijbel ziet over het hoofd, dat de evangelist teruggrijpt op een eerdere uitspraak van Jezus: wie volhardt tot het einde (telos, Mattheüs 10:22).
In de manier van vertellen wordt al vooruitgegrepen op de verloochening. Nogmaals: in eerste instantie wil Petrus Jezus navolgen en volharden tot het einde.

De Zoon des mensen
Dan gaat de blik weer naar Jezus toe. Hij wordt verhoord. De confrontatie tussen Jezus en de hogepriester zet de verloochening van Petrus nog meer op scherp. Jezus maakt zich bekend als de Zoon des mensen, die aan Gods rechterhand is gezeten en die komt met Zijn oordeel. Jezus had gezegd: wie de Zoon des mensen verloochent, diegene zal door de Zoon des mensen in het oordeel worden verloochend. Tegen degene die verloochent zal de Zoon des mensen zeggen: ‘Ik ken u niet. Ga weg van Mij!’
In de ogen van het sanhedrin wordt Jezus ontmaskerd als valse profeet. Zij hebben geen beschuldiging meer nodig. Ben Witherington ziet hier de scherpe ironie van in: Jezus wordt gezien als valse profeet, maar Zijn profetie over Petrus komt uit (zie vers 75).

Pilgrim’s regress
In het oordeel zal de Zoon des mensen degenen die Hem verloochenen van Zich verwijderen. Petrus doet dat hier uit zichzelf al. ‘Onze evangelist portretteert Petrus, terwijl hij bezig is met de pilgrim’s regress. Deze verwijdering is zowel fysiek als moreel,’ aldus Witherington. Petrus is namelijk het paleis uitgegaan, de tuin in. Steeds verder zal hij van Jezus verwijderd raken. Door zijn uitspraken, maar ook doordat hij echt bij Jezus weggaat.
In de tuin wordt Petrus aangesproken door een dienstmeisje. Dat meisje komt naar hem toe en zegt: ‘Ook ú was met (meta) hem, met die Jezus uit Galilea.’ Dit meisje ziet in Jezus geen messias, maar een politieke onruststoker. Iemand uit Galilea, die zich afkeert van de politiek in Jeruzalem, een oproerkraaier.
Waarom wordt Petrus herkend? Wordt hij gezien als degene die het oor van de dienaar van de hogepriester heeft afgehakt. Dan is hij in het hol van de leeuw. Tussen de vrienden en collega’s van die knecht.

Verloochening
Petrus distantieert zich. Nog niet vol overtuiging. Als Galileeër kan hij de uitspraak van dit meisje ook verkeerd hebben verstaan: ‘Ik weet niet wat je zegt.’ Om zich te redden, ontkent hij het niet alleen naar het meisje, maar tegenover (emprosthen) iedereen. Zonder zich er wellicht bewust van te zijn, refereert Petrus aan de verkondiging van Jezus. Jezus verzette zich tegen mensen die bepaald gedrag lieten zien om door anderen gezien te worden. Die mensen deden zulk gedrag niet tegenover God, maar tegenover (emprosthen) de mensen. Jezus heeft ook gesproken over het belijden van Zijn naam tegenover (emprosthen) de mensen (10:32).
Petrus afwijzing van Jezus is niet overtuigend. Het is eerder omgekeerd. Hij trekt de aandacht. Terwijl hij naar buiten gaat (dus verder van Jezus vandaan), komt er weer iemand op hem af en zegt tegen de aanwezigen: ‘Deze was met die Nazoreeër.’ De man gebruikt de messiaanse titel, waarmee sommigen Jezus aanduidden.
Zowel in de beschuldigingen als in de ontkenning van Petrus is er een climax. In de beschuldigingen wordt steeds meer de messianiteit van Jezus tot uitdrukking gebracht. Ondertussen distantieert Petrus zich steeds meer van Jezus.
Hij zegt het met een eed: ‘Ik ken die mens niet.’ Jezus wordt in het Evangelie van Mattheüs nergens anders als die mens aangesproken. Hij is niet zomaar een mens, maar de Zoon des mensen. Tegelijkertijd is het een zeer krachtige ontkenning. Ook de hemelse Vader kan zich op deze manier van mensen distantiëren: ‘Ik ken die mens niet!’ (25:12) Witherington zegt hierover: ‘Terwijl Petrus dus druk is met het ontkennen en aangeeft dat hij Jezus zelfs niet kènt, bevestigt Jezus zijn eigen identiteit. Het is iets verschrikkelijks voor Petrus om op deze manier te zweren bij God, terwijl hij aangeeft dat hij Gods Zoon niet kent.’
Petrus komt er niet vanaf. Deze keer is het zijn uitspraak, die hem verraadt. Als Petrus er niet van afkomt, plaatst hij zichzelf onder een vloek. Wat de inhoud van die vloek is wordt niet gezegd maar laat zich wel raden: ‘God moge mij doen … indien ik deze Jezus ken.’
Daarop kraait de haan. Petrus gaat nog verder weg. Hij heeft zelf de band met Jezus doorgesneden. Bitter bedroefd gaat hij naar buiten. Er is geen weg meer terug. Hoe moet dat in het oordeel? Hij zal tot de bokken worden gerekend en door de engelen worden verwijderd.

Open einde
Hier eindigt voor Petrus zijn verhaal. Zonder de Zoon des mensen. Toen Petrus door de golven zakte, riep hij tot Jezus en werd gered. Nu is er geen redden meer aan. Hij kan niet meer roepen tot Jezus. Hij is bitter bedroefd. Hij heeft geen adres meer, waar hij met zijn schuld heen kan. Hij is aan zichzelf overgelaten.
Is er nog een terugweg mogelijk? Het evangelie van Mattheüs vertelt het niet. In het Evangelie van Mattheüs heeft het verhaal van Petrus een open einde. Zijn verloochening staat onder de spanning, onder de ernst van het oordeel. Kan hij het oordeel nog ontlopen?

Dat Petrus weer is opgenomen, vertellen andere evangeliën. Hooguit kan de positieve uitspraak van Jezus over Petrus (Mt. 16) een indicatie zijn dat Petrus weer opgenomen is. Vanuit Mattheüs weten we daar niets over.
Petrus gaat niet zover als Judas, die er zelf een einde aan maakt.
Petrus is aangewezen op de gunst van de Zoon des mensen. Zal de Zoon des mensen nu Petrus ook verloochenen?

Plaatsvervanging
De enige aanknoping die we naar mijn idee hebben is dat het verhaal van Jezus wel verder gaat. Waar Petrus’ verhaal ten einde loopt, neemt Jezus het over. In plaats van Petrus sterft Jezus. Zo brengt Jezus de profetie tot vervulling: om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem (…) de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. (Jesaja 53: 5, 6)
Het Evangelie van Mattheüs vertelt dus de plaatsvervanging. De verzoening wordt niet geponeerd, maar geïllustreerd.
Het is dus waar, wat er over Jezus werd gezegd bij Zijn geboorte: dat Hij zijn volk zal redden van hun zonde (1:21). Waar de discipel ontkent met Jezus te zijn geweest en zegt niet tussen Jezus’ aanhangers te hebben verkeerd, brengt Jezus God weer temidden van Zijn volk.

Ds. M.J. Schuurman

Jezus en Jesaja 53

Jezus en Jesaja 53

De betekenis van Jesaja 53 voor de eerste christenen kan niet onderschat worden. Jezus zelf duidde zijn dood met behulp van deze tekst.
Al Johannes de Doper paste de tekst van Jesaja toe op Jezus. Hij confronteerde Jezus met de verwachting dat Jezus de verwachte Messiaanse Mensenzoon en rechter van deze wereld was.
Het is dus niet zo dat dit gedeelte over de ‘lijdende knecht des Heren’ pas na Pasen op Jezus  -zoals wel beweerd wordt – toegepast werd.

Bepaalde exegeten (H. Schürmann, M. Hengel, R. Riessner, B. Gerhardsson) benadrukt de continuïteit, die er bij de eerste christenen was, in de leer die verkondigd werd. Een tegenstelling tussen wat Jezus verkondigde en wat later de gemeente over Jezus verkondigde bestaat in hun ogen nauwelijks.
 
Jezus zelf paste Jesaja 53 toe op zichzelf:
* Als Hij zijn lijden en sterven aankondigt: de Zoon des mensen wordt prijsgegeven aan de mensen (‘overgeleverd in de handen van de mensen’).
* Als Hij over zichzelf spreekt als ‘losgeld voor velen’ (Markus 10:45 en parallellen). Deze tekst staat in nauw verband met de tempelreiniging van Jezus – een messiaanse handeling van Jezus.
De uitspraak over het ‘losgeld’ is volgens J. Ådna (leerling van Peter Stuhlmacher) in verband te brengen met de tempelreiniging: Jezus is bereid om zijn leven te geven in plaats van het offer van de priesters. Het offer van de priesters is waardeloos geworden. Door zichzelf over te geven, geeft Jezus zich als verzoening voor de schuld.
* In de aankondiging van het Avondmaal. De oudste tekst is (vanwege de moeilijkheid) Markus 14:22, 24. Van die tekst is in ieder geval de uitspraak over de wijn te herleiden op Jesaja 53. Jezus zet zijn leven in ter verdelging van de schuld, waardoor Israël nieuw leven van God kan ontvangen.
* In de uitspraak over de 2 zwaarden (Lukas 22:35-38; wordt beschouwd als authentiek woord van Jezus) kan vers 37 worden teruggevoerd op Hebreeuwse tekst van Jesaja 53. Jezus is bereid om zich te laten rekenen tot de misdadigers.

Na de opstanding wordt de gemeente in Jeruzalem gesticht. De gemeente was vergelijkbaar met een school, die een bepaalde leer doorgaf (vgl: Hand. 2:42). Deze leer gaat terug op Jezus zelf, de ‘messiaanse Leraar der wijsheid’ (M. Hengel). Als Jezus zijn lijden en sterven in verband bracht, zal dat ook binnen de gemeente gebeurd zijn. Jesaja 53 bood de eerste christenen de mogelijkheid om betekenis te geven aan het sterven en opstaan van Jezus: een reddend en verzoenend gebeuren.
Het beste bewijs voor het bestaan van deze traditie, waarin de dood van Jezus deze betekenis kreeg, is de manier waarop Paulus de tekst van Jesaja 53 gebruikt (1 Korinthe 15:3-5, Romeinen 4:25).
Die reddende betekenis van het sterven en opstaan van Jezus komt niet alleen in belijdende uitspraken voor. Lukas verwerkt deze betekenis in de verhalen rondom de opstanding. In Handelingen gebruikt hij de tekst van Jesaja om te laten zien dat de Joodse leiders zich tot hun eigen ongeluk hebben verzet tegen Jezus. Jezus heeft echter voor zijn vijanden gebeden. Omdat Hij plaatsvervangend stierf, was er voor zijn volgelingen redding in het eindgericht.
Mattheüs betrekt Jesaja 53 niet alleen op het sterven en opstaan, maar ook op de daden die Jezus verricht (Mattheüs 8:16). Tegelijkertijd neemt hij de duiding van Jezus’ sterven en opstaan op basis van Jesaja 53 over.
Bij de johanneïsche geschriften ligt de verhouding tot de traditie ingewikkelder. Ook hier wordt echter de lijn uit Jesaja 53 overgenomen. Wanneer Johannes wijst op het Lam Gods (1:29, 36) kan dat alleen betrekking hebben op Jesaja 53. Sommigen brengen deze teksten in verband met het paaslam. De formulering ‘die de zonde der wereld wegneemt’ komt echter niet voor in de traditie rondom het paaslam en wel in Jesaja 53.

Tot slot een homiletische aanwijzing: wie Jesaja 53 op Jezus wil betrekken dient in eerste instantie van Jezus zelf uit te gaan en voorzichtig te zijn met de christologische interpretatie van Jesaja 53.

ds. M.J. Schuurman

Op basis van: Peter Stuhlmacher, “Jes 53 in den Evangelien und in der Apostelgeschichte”, in: Bernd Janowski / Peter Stuhlmacher (Hg), Der leidende Gottesknecht. Jesaja 53 und seine Wirkungsgeschichte. Forschungen zum Alten Testament, deel 14 (Tübingen: Mohr Siebeck, 1996) 93-105.

Gelezen vanwege een preek over Hand. 8:26-40 en vanwege het nadenken over het thema “preken op Goede Vrijdag”.