Preek zondag 3 maart 2019

Preek zondag 3 maart 2019 (1e lijdenszondag)
Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3a, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de bergen woont een man.
Hij is daar niet vrijwillig heen gegaan; hij moest.
Het begon met een kleine plek op zijn huid.
Eerst probeerde hij die plek nog voor anderen te verbergen,
maar de plek op zijn huid groeide over zijn hele lichaam
en hij kon niet meer voor anderen verbergen dat hij een huidziekte had.
Hij kon merken dat anderen ook konden zien, dat er iets met hem aan de hand was.
Ze deden een stap achteruit als hij in de buurt kwam en hij merkte dat ze hem nastaarden.
Hij voelde dat er over hem gesproken was.
Op een keer komt een van de belangrijkste mensen van het dorp bij hem langs
met een boodschap: ‘Zo kan het niet langer.
We willen dat je naar Jeruzalem gaat, naar de priester, om na te gaan
of je inderdaad met huidvraat besmet bent.’
De man op bezoek aarzelt even en zegt dan: ‘Je weet wat de gevolgen zijn als je dat hebt.’
De volgende dag gaat de man naar Jeruzalem.
Voor het antwoord hoeft hij niet te gaan, want hij weet zelf al welk antwoord hij krijgt.
Er zal een priester naar zijn huid kijken en zien zijn huid ook ander zijn vel is aangetast.
De priester zal bevestigen wat de dorpsoudste wist en hijzelf ook: je bent onrein.
Het zal wel uitmaken, hoe de priester dat oordeel zal uitspreken.
Welke toon hij gebruikt en hoe hij kijkt.
Zal er mededogen in zijn ogen te lezen zijn, compassie in de stem te horen zijn?
Zal de priester onverschillig en onbewogen zijn als hij zijn conclusie trekt,
omdat hij het zoveelste geval van huidvraat is, dat de priester te zien krijgt?
Als de man weken later, waarin hij allerlei testen moest ondergaan, thuiskomt uit Jeruzalem
wil de dorpsoudste weten wat het oordeel van de priester is.
Zwijgend overhandigd de man het officiële papier dat de priester heeft meegegeven.
Hij heeft al vaak nagedacht hoe dat verder zou moeten gaan als hij in Jeruzalem is geweest.
Nu is het zover.
Hij zal zijn vrouw en kinderen achter moeten laten en het dorp verlaten moeten
en gaan verblijven waar hij niemand tegen kan komen, die hij kan besmetten.
Afgezonderd ook van God, want hij mag niet meer in de tempel komen
of een eredienst in de synagoge bijwonen.
‘Je weet wat je te doen staat,’ zegt de dorpsoudste
en de man maakt zich klaar om het dorp voorgoed te gaan verlaten
en te gaan wonen in de bergen, waar hij niemand tegenkomen.
Als de man het dorp verlaat, komt er opeens een sterke emotie uit hem los.

De man schreeuwt het uit: ‘Ik ben niet de enige die ziek is.
Jullie ook, wij allemaal, we zijn allemaal ziek.
Als mijn ziekte iets laat zien, is dat we allemaal onrein zijn,
jullie net zo goed al is er bij jullie niets van te zien.’
Voortaan leeft deze man in de bergen, zonder dat iemand in zijn directe nabijheid komt.
Dan gebeurt er op een dag iets in de bergen waar hij in afzondering woont.
Een grote groep mensen trekt de bergen in en ze gaan allemaal zitten om één man heen.
Van een afstand ziet hij de mensen geboeid luisteren naar die ene man.
Over die man gaan geruchten rond: dat hij mensen geneest en rondtrekt door Galilea.
Alle aanwezigen gaan in zijn verhalen op.
Jezus – Zijn naam betekent Redder – is hier gekomen in zijn gebied,
waar anders niemand durft te komen, omdat de mensen bang zijn ook onrein te worden.
Hij hoort flarden van de toespraak van Jezus.
Over armen van Geest – mensen die niets in te brengen hebben
en de man herinnert zich maar al te goed hoe hij niets had in te brengen.
toen hij door de dorpsoudste uit het dorp werd verbannen omdat hij onrein was.
Zalig de armen van Geest, de mensen die niets in te brengen hebben.
Je zou denken dat ze het slecht getroffen hebben, maar voor hen is Gods koninkrijk.
Hij hoort hoe Jezus spreekt over het hart van de mens, dat besmet kan zijn door zonde
en de man beseft dat zijn aangevreten huid laat zien dat heel Israël is aangevreten
door de zonde en zonder dat men het wil zien net zo goed onrein is, net als hij.
Dan hoort hij de Man spreken over bidden:
Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.
Er begint bij de man die verbannen is door zijn ziekte een verlangen te groeien:
Als ik zou vragen, dan wordt het mij gegeven. Als ik zoek zal ik vinden.
Als ik bij Jezus aanklop, zal hij voor mij opendoen.
Dat verlangen wordt bevestigd als Jezus klaar is met spreken, opstaat en weer onderweg gaat.
Jezus daalt af de berg naar beneden en loopt zijn wereld in,
Waar hij de verbannene om zijn onreinheid woont.
Jezus lijkt wel een herder die op zoek is naar een schaap dat verloren is geraakt.
Jezus lijkt wel een koning die zegt: Ik wil weten wat er omgaat bij mij dienaren
En niet alleen bij degenen die het goed hebben en hun leven op orde hebben,
maar degenen die er maar bij hangen, er niet bij horen, degenen die verbannen zijn,
want Ik ben ook hun koning.
Als Jezus naar beneden afdaalt, begeeft Hij zich op gevaarlijk terrein.
Jezus gaat naar de heggen en steggen, zoals Hij dat later zal zeggen,
naar het buitengebied waar de mensen wonen die niet vol meetellen, de uitgestotenen.

Vastberaden – Hij moest door dit gebied gaan.

De menigte gaat mee, die zoveel van Jezus’ woorden heeft gehoord,
De mensen die onder de indruk zijn van het spreken van Jezus:
Meer dan woorden van mensen alleen – God zelf sprak tot hen,
Bemoedigde hen, tilde hen boven alles uit, maar sprak hen ook confronterend toe,
plaatste hen voor God – hoe zit het met je hart, vanbinnen?
Dan ziet de menigte een man op Jezus afkomen
en ze deinzen allemaal achteruit, omdat ze zien dat deze man hier hoort
in dit gebied en niet tussen hen, een stap achteruit om zelf niet onrein te worden.
Hoe kijken al die mensen naar hem, die man die ziek is en onrein?
Zouden ze er iets van zichzelf in herkennen, van hoe het met henzelf is?
Dan komt die man aarzelend op Jezus af – en je merkt aarzeling bij de man.
Kan hij wel op Jezus afkomen? Zal Jezus hem niet wegsturen? Heeft hij het goed gehoord?
De man knielt voor Jezus neer: ‘U kunt mij reinigen. U bent daartoe in staat.
Maar ik weet niet of U wilt. Als U niet wilt, dan begrijp ik dat goed.’

De reactie van Jezus is eenvoudig, maar wel diep.
Een enkel woord: ‘Ik wil.’ En een gebaar: Jezus raakt de man aan.
Dat is een gebaar van tederheid, van barmhartigheid. Jij bent er ook één van mij.
Jij hoort er ook bij – ondanks al je onreinheid die je door je ziekte meedraagt.
Het gebaar van Jezus is veelzeggend: het is niet alleen een omarming.
Het is een gebaar, waarmee Jezus zegt: Ik neem jouw last op mij.
Jouw ziekte, jouw onreinheid, ze zijn niet meer van jou
En ze nemen niet meer een plek in jouw leven in, maar Ik neem dat op Mij,
Ik draag dat weg.
Jouw lijden is voorbij en dat is nu Mijn lijden geworden.
Inderdaad, je klopt bij Mij aan en Ik laat geen bidder staan.

Hier gebeurt een wonder – en dat wonder is niet alleen dat de man beter wordt
en daardoor weer terug kan keren naar huis.
In het gebaar dat Jezus maakt, door de man aan te raken, zegt Jezus:
Geef je last maar aan Mij: je ziekte, maar ook je onreinheid.
Het gebaar is er niet alleen voor de man, die bevestigd ziet,
Dat Hij er weer mag bij horen en dat dit voor iedereen zichtbaar geworden is.
Mattheüs geeft aan, wat er gebeurt, als Jezus zegt: Ik wil, als Jezus de man aanraakt:
Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen
Bijzonder aan wat Mattheüs hier doet, is dat hij zegt:
Jezus heeft onze zwakheden en ziekten op Zich genomen,
niet alleen van de man, die daar in de woestenij moest leven,
maar eveneens die van ons, van u en jou en mij: uw zwakheden en jouw ziekten.
Dat Mattheüs hier een vervulling ziet van de oude profetie van Jesaja,
zorgt in de uitleg wel voor een raadsel: Hoe kan Mattheüs hier nu een vervulling in zien?
Jezus is toch zelf niet ziek geworden? Hij maakt alleen maar mensen beter.
Hij begeeft zich wel onder zieken, raakt hen aan, maar blijft verder gezond.
Maar ik denk dat we hier dieper moeten kijken
en dat de zieken iets laten zien van hoe Israël voorstond in de tijd dat Jezus kwam.
De melaatse man hield de menigte een spiegel voor:
Met mijn ziekte laat ik zien, hoe jullie allemaal onrein zijn, niet zichtbaar, maar vanbinnen.
Alleen omdat het niet zichtbaar is, kunnen jullie dat nog uit de weg gaan.
Jullie zijn als de schoonmoeder van Petrus die haar vrijheid kwijt was
En op bed gebonden lag, doordat ze ziek geworden was.
Zo is Israël haar vrijheid kwijt en gebonden en heeft ze de bevrijdende macht nodig
die Jezus is en Jezus komt brengen.

Als de man met zijn huidziekte Israël een spiegel voorhoudt met zijn ziekte
– als het klopt, dat hij niet de enige die ziek is, maar het hele volk ziek is,
Al was dat niet zichtbaar en dat zij – net als hem – onrein zijn, al is dat innerlijk,
zodat ons ook iets te zeggen hebben?
Ik denk aan wat er aan het begin van het doopformulier wordt gezegd:

Door de ondergang in en besprenkeling met water
wordt aan ons de onreinheid van onze ziel aangewezen.
Dat geeft allereerst aan, dat we niet naar de buitenkant van iemand moeten kijken.
Voor de man was zijn buitenkant, zijn huid een reden om weggestuurd te worden.
De doop geeft aan, dat bij ons het van binnen zit, in ons hart.
Onreinheid geeft aan: zo, op deze manier kunnen we niet voor God verschijnen.
Als er niets met ons gebeurt, kunnen wij niet het Koninkrijk van God binnengaan.
Er moet wat met ons allemaal gebeuren, willen wij de hemel binnengaan.
Onreinheid hoeft niet persé zonde te zijn,
hoewel het formulier van de doop wel aangeeft dat de zonde de oorzaak is
van het onrein zijn van ons, niet alleen van dat kind dat gedoopt wordt, maar wij allemaal.
Onreinheid geeft aan, dat je niet bij God in Zijn nabijheid mag komen.
Het is vergelijkbaar met iemand die opgenomen moet worden in het ziekenhuis,
maar omdat de patiënt een bacterie onder de leden heeft,
moet hij of zij eerst op een aparte afdeling liggen,
om te voorkomen dat de bacterie zich over het hele ziekenhuis verspreidt.
Daarom moest de man, die de huidziekte had, in afzondering verblijven
en mocht hij pas weer naar huis als zijn huid helemaal gereinigd was.
Wij kunnen alleen bij God komen als onze onreinheid wordt gereinigd.

De man had er vast moed voor nodig om naar Jezus toe te gaan.
De blikken van de mensen in de massa, die hem aankeken, geschrokken, bang.
En in hemzelf wellicht het gevoel van schaamte,
omdat hij door zijn ziekte nergens meer bij hoorde, onrein was.

Dan zegt Jezus tegen de man, die met zijn huidziekte bij Jezus aanklopt
en eigenlijk helemaal niet bij Jezus mag komen,
maar aanvoelde, wist dat Jezus een bidder niet laat staan.
Dan zegt Jezus: Ik wil, word gereinigd.
Hij zegt dat ook tegen ons: Ik wil, word gereinigd.
onze zwakheden heeft Hij op zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.
Als Jezus dat zegt: Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat niet alleen tegen die man, maar ook tegen de menigte die toekijkt
En tegen ons, die het verhaal horen, en voor ons zien.
En al durven wij misschien niet te komen, omdat we beseffen dat we zo niet kunnen komen,
voelen we dat ons hart ons aanklaagt, omdat we zo niet voor God kunnen bestaan,
dan spreidt Jezus de armen uit en zegt: kom maar,
want Ik kwam juist, hier op deze aarde, Ik daalde de berg af om onder jullie te zijn.
Ik wilde niet alleen onder ogen zien, hoe jullie er aan toe zijn,
maar Ik wilde er ook iets aan doen.
Ik wil, word gereinigd.
Als Mattheüs aangeeft, dat hier Jesaja 53 wordt vervuld,
krijgt het gebeuren een nog diepere betekenis dan genezing alleen.
Hier tekent Mattheüs een lijn naar het kruis op Golgotha.
Als Jezus dat zegt: Ja, Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat ook tegen de Vader in de hemel, Die Hem naar de aarde zond
met het doel om die onreinheid te dragen, weg te dragen op Golgotha.
Ja, Ik wil. Ik ben bereid om naar het kruis te gaan.
Dat is Mijn wil, Mijn doel.
Jezus weet, wat dat betekent: Inderdaad genezing voor deze man.
Genezing voor iemand met huidvraat is als opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden,
wedergeboren, thuisgebracht, weer terug bij God.
Dat is de ene kant.
Er is ook een andere kant, die Jezus maar al te goed beseft
En waar Hij niet voor terugdeinst,
dat meeklinkt als Jezus zegt: Ik wil en dat zichtbaar wordt als Jezus Zijn arm uitstrekt
en deze man, die bij Hem komt, aanraakt.
Het kruis. Ja, Ik wil.
Voor Hemzelf zal het een weg van lijden zijn: onze zwakheden, onze ziekten.
Hij neemt dat op Zich, zodat wij die last niet meer hoeven te dragen.
Jezus blijft niet op een berg, ver verheven boven onze sores en onze ellende.
Zoals Hij niet in de hemel bleef, onbewogen voor wat er met ons was misgegaan.
Hij zei: Ik ben bereid om te komen, om in jullie plaats te gaan.
we hebben een God, die niet terugdeinst voor ons, niet een stap terug doet,
maar die bereid is om Zijn eigen heiligheid op te geven om ons weer heilig te maken.
Die als wij onrein zijn en niet bij Hem kunnen zijn, er een afstand hoort te zijn,
zelf de afstand overbrugt en aan onze kant komt, in onze wereld,
zelf bereid is om een verschoppeling te worden, verbannen te worden,
aan het kruis, buiten Jeruzalem.
Zoek en je zult vinden, klopt en er zal opengedaan worden.
Laat schaamte je niet tegenhouden en zie dat Jezus juist ook in jouw wereld gekomen is
En Zijn hand naar je uitstrekt: Ja ik wil, word gereinigd.
Amen.

Preek 24 februari 2019

Preek 24 februari 2019 |(Vorchten, Werkhoven)
Schriftlezing: Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Let niet op de rommel’, wordt er gezegd als je onverwacht op bezoek komt.
Ze zijn wel blij met je bezoek, maar er klinkt ook een licht verwijt in door:
Had even laten weten dat je komt, dan hadden we alles kunnen opruimen,
zodat je in een schoon en opgeruimd huis komt.

‘Let niet op de rommel’, hadden ze vast in de menigte gedacht,
toen Jezus de berg afdaalde.
Ze waren met Jezus op de berg geweest en waren onder de indruk van Zijn woorden.
Wat Jezus zei, waren meer dan gewone mensen woorden, woorden van God zelf
En op de berg hadden ze het gevoel dat ze zo heel dicht bij God waren,
Even boven hun alledaagse beslommeringen uitgetild,
woorden die hen getroost hadden, maar ook diep hadden geraakt en aangesproken,
confronterend, maar dan juist op een heilzame manier,
Waardoor ze zich opgescherpt voelden in hun relatie met de Heere.
Dat zouden ze wel vast willen houden, zo dicht bij God zijn,
maar nu dalen ze met Jezus vanuit dat dicht bij God zijn weer in hun eigen wereld.
Hun wereld van hun eigen rommel en hun eigen sores,
die je voor anderen wilt verstoppen.
En wellicht wil je dat ook voor de Heere verstoppen
En zeg je stil in jezelf: Heere, als U in mijn leven komt, geef dan eerst een seintje,
zodat ik mijn leven op orde heb en U niet in mijn rommel hoef te ontvangen.
Want als U zo onverwacht komt, dan schaam ik me om U hier te moeten ontvangen.

‘Let niet op de rommel.’ – net nog een hoogtepunt op de berg gehad
en dan iemand ontmoeten, die daar niet hoort te zijn,
die door de ziekte die zijn huid afgrijselijk heeft toegetakeld heeft, aangevreten,
zich niet onder de mensen zou mogen begeven.
De ziekte die deze man heeft
– melaatsheid in de oudere vertalingen, huidvraat in de NBV –
was niet zomaar een ziekte, maar werd gezien als een stempel door God gegeven:
Jij hoort niet meer tot Mijn volk. Je hoort verbannen te worden naar de rand.
Als dat oordeel ook nog eens door een priester werd uitgesproken
was je je plek in de samenleving kwijt, je mocht er niet meer bij horen.
Daar kunnen we raar van opkijken, maar ik dat vertellen gemeenteleden ook,
van wie bekend zijn dat ze ernstig ziek zijn en aan wie dat soms ook te zien is:
een kaal hoofd door de chemokuur, een rode huid van de uitslag.
Zij maken het mee, dat bekenden die hen in de supermarkt normaal gesproken aanspreken
nu gauw een ander gangpad inslaan en geen gesprek durven aan te gaan,
of degenen die normaal gesproken even aan zouden komen nu wegblijven,
omdat ze niet weten wat ze moeten doen, wat ze moeten zeggen,
er niet tegen kunnen om de gevolgen van de ziekte met eigen ogen te zien.
Wellicht hebben de mensen na het horen van Jezus’ verhaal op de berg gedacht:
De man die we hier zien is een illustratie van de bergrede.
Want Jezus had het voortdurend over het hart van de mens,
Waarin van alles verkeerd is: vatbaar voor verleiding, vol van zonde,
het is nodig dat ons hart gereinigd wordt, schoongemaakt
en bij het zien van deze man met zijn aangevreten huid en verminkte gezicht
hebben ze misschien wel gedacht, dat zijn uiterlijk het gevolg is van zijn hart dat mis is,
zoals dat ook met spanning kan zijn, die op het lichaam slaat:
zonde in het hart, die zichtbaar aan de buitenkant op de huid zichtbaar wordt.

Het is opvallend wat deze man doet: voor het oog van al die mensen
het oordeel dat de priester ooit over hem heeft uitgesproken,
namelijk dat voortaan de mensen moest mijden om hen ook niet onrein te maken,
negeren en zich onder de mensen te begeven en neer te knielen voor Jezus.
Mattheüs wil er ook de aandacht op vestigen:
kijk dan, let er eens op, sta er bij stil en neem de tijd om het op je te laten inwerken.
Kijk eens, hier zie je geloof: deze man die de moed heeft om naar Jezus te gaan
en beseft dat hij met zijn verhaal en zijn ellende bij Jezus moet zijn
voor een nieuw leven, een nieuwe toekomst.
Ook dit is een illustratie van de Bergrede:
NBV: Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt?
Hier komt iemand op zoek naar Jezus en vraagt, iemand die bij Jezus aanklopt
en Jezus heeft al gezegd wat er al met iemand zou gebeuren, die zo komt aankloppen.
Jezus is niet alleen maar een Messias van mooie woorden,
maar een Messias die de mooie woorden ook in praktijk brengt, in daden omzet.

Ik denk dat Mattheüs om nog een reden onze aandacht wil vangen:
want het zou ook kunnen zijn, dat dit het niemandsland is, waar een verbannene mocht zijn.
Daar in de bergen, net als een bezetene in de holen en de grotten in de bergen woonde.
Dan zou Mattheüs ook tegen ons willen zeggen: Zie je wel welke weg Jezus neemt?
Voor Hem is er geen tegenstelling tussen het bij God verkeren,
het geestelijk op een berg zijn, een hoogtepunt in het geloof
en een weg door de menselijke diepte, waar de mensen zijn die er niet meer bij horen,
die te horen hebben gekregen, dat ze niet meer mee tellen.
Waar wij ons willen excuseren voor onze rommel en niet zouden willen

dat God die onder ogen zou willen komen, gaat Jezus juist die weg,
niet alleen maar om onze rommel te zien, maar ook om die te reinigen.
Aan het einde van drie verhalen over genezingen door de Heere Jezus
meldt Mattheüs wat Jesaja, de profeet, gezegd heeft:
NBV: Opdat in vervulling zou gaan, wat gezegd is door de profeet Jesaja:
Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.
HSV: Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen.
Dat Mattheüs deze tekst hier plaatst, levert alleen maar vragen op.
Want Jezus geneest wel – in die zin neemt Hij de ziekten wel weg,
maar hier wordt niet zichtbaar, dat Jezus de ziekten draagt, zoals Jesaja wel zegt
en toch ziet Mattheüs in deze drie verhalen, die hij aan ons vertelt,
dat Jezus de profetie die Jesaja uitsprak vervuld heeft.
Jezus begeeft zich in de wereld van die man, die met zijn verminkte huid,
met zijn getekend gezicht en zijn stempel van onreinheid.
Wat Hij doet is meer dan genezen alleen – dat op zich is al heel bijzonder.
Hij neemt de ziekten ook op zich
– allereerst door zich er mee in te laten.
Jezus raakt de man aan, die bij Hem om hulp komt,
een man van wie je afstand moet houden, omdat je anders zelf ook besmet kunt worden,
waarbij jezelf ook het oordeel kunt horen uitspreken, dat je er ook niet meer bij hoort.
Het is een teder gebaar, een gebaar vol barmhartigheid,
Jezus die net verteld heeft over mensen die het koninkrijk der hemelen niet kunnen ingaan
omdat ze de brede weg gekozen hebben, de weg naar de ondergang,
die net vertelde dat diegene die de woorden van Jezus alleen maar aanhoort
en ze niet in praktijk brengt een huis bouwt, dat op zand gebouwd is,
het huis van je leven dat instort als het oordeel van God erover heengaat,
die vertelde dat je beter je hand kunt afhakken als die je in verleiding brengt,
Jezus die met Zijn handen straks in Jeruzalem de tafels zal omkeren,
het brood aan de tafel breekt en ronddeelt aan Zijn discipelen,
met Zijn hand het brood in dezelfde schaal doopt als degene die Hem verraden zal,
Jezus, wiens handen aan het kruis gespijkerd zullen worden.
Die handen raken nu deze man aan – en de man wordt gereinigd.
Dat is meer dan genezing.
Dat is van buiten een schone huid, maar ook van binnen een schoon hart.
Niet alleen genezen, maar ook van het stempel af, geen oordeel of veroordeling meer.
Het is het leven weer terugkrijgen, opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden.  
En Jezus zegt: Ik wil.
dat gebaar van barmhartigheid en tederheid onderstreept dat nog eens,
dat Jezus genegen is om de man te reinigen.
Het wordt zichtbaar, dat Jezus het wil.
Jezus had de mogelijkheid blijkbaar om te zeggen: Nee, bedankt, Ik doe het deze keer niet.
Waarom eigenlijk? Waarom moet Jezus er persoonlijk mee instemmen?
Waarom is het zo van belang, dat Jezus dit zelf ook wil,
dat de man gereinigd wordt, en zo genezen en een nieuw leven mag beginnen.
Ik denk dat we hier opnieuw bij Jesaja aankomen:
Het dragen van onze zwakheden en kwalen, op het zich nemen van onze ziekten.
Ja, Ik wil dat doen. Ik neem jouw ziekte op mij en alles wat daar aan ten grondslag ligt,
wat die ziekte heeft veroorzaakt
en ook wat het effect is op je plek in deze maatschappij
en hoe jou dat op een afstand tot God heeft geplaatst.
Ja, Ik wil.
In het aanraken van de man zegt Jezus tegen Zijn hemelse Vader:
Dat kruis is ook mijn wil.
Ik wil afdalen van de berg, in die wereld waarin de mensen schamen voor hun rommel
en dat liever verborgen houden, omdat ze dat zelf niet aankunnen
en waarvan ze zelf ook vermoeden dat het een afstand tot God oplevert.
Ja, ik wil.
Dat is niets minder dan dat Jezus aangeeft: Ik ga de weg naar het kruis.
Ik ben bereid om die weg naar Golgotha te gaan,
op die berg, daar bij Jeruzalem de plek van deze melaatse man in te nemen
en af te dalen in zijn wereld en zijn wereld te dragen
en nog dieper gaan: neerdalen in het rijk van de dood, in de hel
en daar de plek van deze man over te nemen.
Ja, Ik wil.
Mattheüs heeft gezien welke diepte er is in de instemming van Jezus,
wat daar gebeurt als Jezus die man aanraakt en zegt: Ik wil.
Woorden die lang geleden door de profeet tegen Israël zijn gezegd
gaan nu in vervulling.
‘Let maar niet op die rommel.’ zouden we zeggen.
Als een belangrijk persoon komt, dan wordt de stad schoongemaakt.
Fietsen die verkeerd gestald zijn, worden weggehaald.
Mensen die geen huis hebben en op straat leven worden naar elders gebracht
om de straat een goed aanzien te geven.
Bij Jezus krijgen we geen kans om  wat in onze ogen rommel is op te ruimen,
omdat Hij zegt: Ik wil die weg gaan. Ik ben juist gekomen om die rommel op te ruimen.
Op een bijzondere manier – weg te dragen.
Niet alleen maar door een aanraking en daarmee de risico ook besmet te worden

en ook onrein verklaard te worden,
maar door te komen waar je bent, als je er niet meer bij hoort en afgeschreven bent.
De berg waar Jezus zijn toespraak op hield, die wij bergrede noemen,
is daarom ook niet een berg die ontstegen is aan onze wereld,
maar juist waar de melaatsen wonen, de verschoppelingen, degenen die verbannen zijn.
Daar in die wereld staat de berg, waar Jezus spreekt over het koninkrijk der hemelen,
en over het binnengaan van dat koninkrijk.
En Zijn aanraking van de man, die komt met zijn huidvraat, Hem zoekt, bij Hem aanklopt,
die hand is een zichtbare uitleg van wat Hij later in een gelijkenis zal zeggen:
Zoek de mensen op buiten de stad, op de landwegen,
waar de mensen zijn, die je niet in je stad wil hebben.
Jezus laat dat zelf zien: Hij is bereid om mee te gaan met die centurio
om bij hem in huis te komen om zijn zieke slaaf te genezen.
Jezus die in het huis van Petrus komt, waar die zieke schoonmoeder is.
Drie verhalen over hoe ziekte mensen gevangen houdt, knevelt,
drie verhalen waarin we kunnen ziek,
hoe dat is als je leeft in een macht die je gevangen houdt
en waar je jezelf niet van kunt bevrijden.
Jezus komt. Hij komt in jouw wereld, daalt daarin af, treedt die binnen.
Ja, Ik wil – wordt gereinigd.
Het gaat hier om meer dan genezing
– dat is ook al een voorbode van hoe het in het koninkrijk der hemelen zal zijn.
Geen ziekte, geen beperking of handicap.
Geen aangetaste huid of lichaam, niemand die een blokje omloopt,
omdat hij of zij je niet in het gezicht durft te kijken.
Het gaat hier om bevrijding uit een macht en innerlijke reiniging,
omdat Jezus dat wilde – wilde komen, wilde afdalen,
maar ook onze wereld en onze gevangenschap, onze zwakheden en ziekten wilde dragen.
Een Messias niet alleen maar in woorden, maar ook in daden.
Omdat Hij komt, ook in onze wereld, is Hij benaderbaar
en kunnen wij Hem zoeken en vinden,
kunnen wij bij Hem vragen en gehoord worden,
kunnen wij aankloppen en doet Hij ons open.
Met heel mijn hart heb ik de HEER verwacht.
Dat is al heel wat – als iedereen je afschrijft.
Daar is moed voor nodig en dat is volgens Mattheüs geloof:
De verwachting dat Christus ook in jouw wereld kan komen,
om jou te redden en te bevrijden en jou een nieuw leven te geven.
Hij heeft gehoord naar mijn gebed,
mij uit de modderpoel gered,
mijn voet weer op een vaste grond gebracht.
Hij heeft mij doen herleven.
Opstanding uit de dood, een nieuw leven, herboren, opnieuw geboren,
omdat Jezus kwam en zei: Ja, ik wil, wordt gereinigd.
Omdat Jezus vervulde wat Jesaja al zei:
Hij was het die onze ziekten op zich nam
en onze kwalen heeft hij op zich genomen.

Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. Amen

Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst

Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst
Handelingen 3:1-11.

Intro voor de kinderen:
Stel je voor dat er bij de ingang van de kerk een man zit. De man kan niet lopen. Hij is daar neergezet door familie of vrienden om geld te vragen aan de mensen die naar de kerk gaan. Als je de kerk naar binnen wilt, moet je langs die man. Die man zit niet alleen vandaag. Hij zat er vorige week ook en de week daarvoor. En volgende week zal hij er zitten en de week erop. Als hij er niet zit, is er iets met hem aan de hand.
Wat doe je?
(a) Je vraagt aan je ouders: ‘Pap, mam, kunnen we niet de andere ingang van de kerk nemen, zodat we deze man niet hoeven te zien?’
(b) Je zegt tegen je ouders als je nog thuis bent: ‘Pap, mam, we moeten extra geld meenemen voor de man die bij de deur van de kerk zit.’
(c) Je loopt naar de man toe om hem even gedag te zeggen of een praatje met hem te maken.
(d) Je loopt langs hem zonder hem aan te kijken.
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De man die bij de tempelpoort zit,
heeft in al die jaren de mensen leren kennen
aan de manier waarop zij geld geven.
Er zijn mensen die op hem aflopen, even de tijd nemen, een praatje maken,
hem elke keer groeten als zij weer op weg gaan naar de tempel om te bidden.
Geregeld stoppen zij hem wat toe.
Er zijn ook mensen die hem wel wat geven,
maar dat uit tegenzin doen.
Hij kan aan hun gezicht zien dat ze hem liever niet waren tegengekomen,
maar nu ze hem zo vlak voor de tempelpoort hebben zien zitten,
moeten ze wel wat geven.
Misschien wel om een schuldgevoel af te kopen.

Het doet pijn als er mensen zijn die naar de tempel toegaan of uit de tempel komen,
maar die aan de andere kant van de weg gaan lopen zodra ze hem zien,
met een boog om hem heen lopen en gauw de andere kant opkijken,
zodat ze hem niet hoeven te zien.
Dat ze hem niets geven, dat is het probleem niet, maar dat ze hun hoofd omdraaien
en dat ze net doen of hij niet bestaat, dat doet pijn.

Maar de ergsten zijn degenen die hem verontwaardigd aankijken
of het tegen hem zeggen: ‘Wat doe je hier? Je hoort hier niet te zitten!’
Ze vinden het niet alleen vervelend dat ze in hun vrome gedachten gestoord worden
(ze gaan immers naar de tempel om God te ontmoeten en tot Hem te bidden),
maar ze zijn ook bang dat deze man
de tempel verontreinigd en door zijn bedelen en door zijn handicap de tempel onrein maakt.
Wat doet zo’n man bij de tempel?
Hij mag de tempel niet binnenkomen, want hij is verlamd.
Het zou goed zijn als hij bij de tempel zou worden weggestuurd.

Ja, hij mag niet in de tempel komen, want hij is verlamd.
Al vanaf zijn geboorte.
Nooit heeft hij zelf kunnen lopen.
Al heel zijn leven moet hij worden getild:
als hij naar bed wil gaan of eruit wil komen, als hij naar de wc wil,
als hij naar buiten wil, als hij ergens naar toe moet.
Ook vandaag hebben ze hem gesjouwd.
Ze zeiden tegen hem: we zetten je vandaag in de middag neer bij de tempel,
als de mensen naar de tempel gaan om het middaggebed te bidden.
Door zijn handicap mag hij de tempel niet binnengaan.
Voor de poort, buiten de tempel, moet hij wachten.
Voor hem is er geen ontmoeting met de Heere , want daarom gaan de mensen naar de tempel:
om de Heere te ontmoeten, om Zijn goedheid te ontvangen.
Dat is er voor hem niet bij.
Hij valt er buiten.

Zo dichtbij de tempel en zo ver verwijderd van God.
Op de grens, voor de poort, maar niet bij God kunnen komen.
Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die veraf zijn.
Deze man die bedelt bij de poort van de tempel is iemand die veraf is,
hoe dichtbij hij ook is in Jeruzalem en hoe dichtbij hij ook bij de tempel is.
En toch hoort hij er niet bij door hoe hij is.
Het doet pijn om ver bij God vandaan te zijn,
maar het zal nog meer pijn doen als je dicht bij God bent,
maar dat je niet bij Hem kunt komen door hoe je bent.
Zo vlakbij en dan zo’n grote kloof.
De man heeft de geur van het offer geroken, de rook omhoog zien stijgen,
het zingen in de tempel gehoord, de mensen die opgingen en uit de tempel naar buiten kwamen.
Maar voor hem was het niet.
Allen die veraf zijn.
Lukas gebruikt in zijn evangelie nog een ander woord: verloren.
Verloren schaap, verloren penning.
Verlorenen zijn bij Lukas degenen die naar God toe zouden willen gaan,
naar Hem verlangen, maar niet meer bij Hem kunnen komen door hoe ze zijn.

Maar Lukas laat nog iets zien:
Dat God juist deze verlorenen op het oog heeft.
en dat Jezus voor deze verlorenen gekomen is
om hen bij Zijn Vader terug te brengen.
De mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

Als God de verlorenen op het oog heeft, moeten wij ze ook op het oog hebben.
Wie door God geraakt is, hoort zijn hart open te stellen
voor degenen die er niet bij horen.
Daarom net voor die tempelpoort de man die de tempel niet binnen kan gaan
om Gods aangezicht te zoeken, om de Heere te danken.
Hoe zullen de mensen, die naar de tempel gaan om God te zoeken en te bidden,
hoe zullen zij omgaan met die man die daar niet bij kan komen?
Zullen ze geraakt zijn als ze hem zien, omdat ze zelf geraakt zijn door de goedheid van God?
OF zullen ze hem negeren of afwijzen, zullen ze het hem laten voelen of laten horen:
‘Jij hoort er niet bij! Wat doe je hier?’
De man voor de tempelpoort bedelt.
De Herziene Statenvertaling heeft dat met een mooi woord vertaald:
De man vraagt aan de voorbijgangers om liefdesgaven.
Een gift = gave. Om een gave uit het hart.
In het Grieks klinkt daarin door: geraakt in het hart, bewogen, ontferming,
een gift uit mededogen.
De man laat het aan de voorbijgangers merken:
ik ben van Gods goedheid buitengesloten, maar jullie niet.
Kunnen jullie mij niet laten delen in wat je van de Heere krijgt?
Kun je niet uitdelen van het goede dat je van God ontvangt?
En dan niet door een soort schuldgevoel af te kopen:
omdat je liever niet herinnerd wordt aan lichamen met een gebrek,
omdat je je dan opeens zo bewust wordt van je eigen lichaam / lijf.
Omdat je niet de geur wilt ruiken van iemand die zichzelf niet kan verzorgen en wassen,
maar afhankelijk is van het verschoond worden door anderen.
Kun je iets van Gods mededogen / ontferming aan mij doorgeven?
Het is een vraag naar ons hart?
Wat (wie) leeft er in ons hart en kunnen wij dat doorgeven?
Daar begint diaconie!

Geen wonder dat Lukas er oog voor heeft
dat Petrus en Johannes op weg naar de tempel deze man tegenkomen met deze vraag.
Zij gaan op weg om te bidden, om God te eren.
Wat doen zij? Zullen zij net als de priester en de leviet in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan om de man heen lopen?
Zullen ze hem een geldstuk geven, zodat ze niet meer aan hem hoeven te denken
en hun overige gedachten in de tempel kunnen wijden aan God?
Nee, laat Lukas ons zien, dat kan niet!
Als christen kun je je niet afzonderen van wat er in de wereld gebeurt.
Omgaan met God betekent niet dat je je hart afsluit voor wat er om je heen gebeurt.
Nee, juist het leven met God opent de ogen, opent het hart.
Je ziet de ander! Je kijkt niet meer weg.
Je draait je hoofd niet meer om door net te doen of je de ander niet gezien hebt.
Nee, geloven in Jezus de redder van de verlorenen, betekent juist
dat je je niet meer afsluit.
Geloven in de God van Israël betekent dat je ook zelf geraakt wordt door het onrecht
en het leed dat mensen aangedaan wordt.

Het begint met wat Petrus zegt tegen de man die daar bij de tempel moet bedelen.
‘Kijk mij aan!’
Wat gebeurt er als deze man Petrus aankijkt?
En wat leest Petrus in de ogen van de man die al zijn hele leven
niet kan voortbewegen, afhankelijk is, aan wie vaak voorbij gekeken is,
die alleen maar kan leven als anderen hem wat toestoppen?
Ziet Petrus aan zijn gezicht de verlorenheid? ‘Kijk mij aan!’
Wanneer mensen elkaar echt zien, vindt er contact plaats, een ontmoeting,
wordt de tijd voor elkaar genomen.
Ben je niet meer anoniem. Niet meer ‘die man’, niet meer ‘die zwerver’,
want dan word je weer iemand met een gezicht en vooral een levensverhaal.
Het valt mij op, dat dit ontmoeten vaak overgeslagen wordt
en dat mensen wel denken te weten wie een ander is
omdat ze genoeg zien.
‘Kijk mij aan!’ – woorden die aangeven aan de verlamde man: ‘Je hoort er ook bij,
bij het volk van God en Zijn verbond!’
‘Kijk mij aan!’ – verkondiging dus van Gods goedheid.
Ook degenen die veraf staan van God worden erbij geroepen.
In de houding van Petrus zien wij ook een les voor onze omgang met anderen:
zien wij anderen staan? Zien wij anderen zitten?
Kijken we niet aan hen voorbij omdat we daar eigenlijk niet tegen kunnen?
Zien ze aan ons dat God ook hen als Zijn kinderen wil aannemen?
Is onze houding voor hen een uitnodiging of zelfs een roepstem van God?
Wat bijvoorbeeld als iemand al jaren niet meer in de kerk komt?
Wat leest diegene in onze ogen: je bent er weer niet geweest?
Of: Weet je wel dat het ook voor jou is, Gods genade? Dat ook jij bij God mag horen?

Wanneer er echt een ontmoeting is, waarin ze elkaar aankijken, elkaar zien,
kan er gegeven worden.
Petrus geeft waar de man om vraagt, vanuit zijn hart,
vol bewogenheid, mededogen, ontferming.
Dus niet vanuit de hoogte, maar als vanuit het hart, omdat Petrus een hart vol heeft.
Niet vol zilver of goud. Daar is zijn hart niet vol van.
Niet van het materiële. Het is geen houding van: kijk eens hoe goed ik het heb
en daar mag ik jou nu van laten delen.
Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven.
Petrus’ hart is vol van de Heere Jezus.
Wat ik heb zal ik je geven.
Dat is het mooie van het geloof, van een hart vol met de Heere Jezus:
als je geeft, wordt je alleen maar gelukkiger en nog meer vol van Hem.
Je hart stroomt ervan over.
Wat Petrus de man geeft, is geen zilver, geen goud, zelfs meer dan genezing.
Petrus schenkt de man het mooiste wat er is:
Christus en daarmee ook een samenzijn met God.
Beste man, je verlorenheid is voorbij! Je bent weer gevonden door de Goede Herder.
Ook jij mag van zijn kudde een schaap zijn.
Leeft Christus in uw, jouw hart?
Ben jij vol van Hem? Gun je het ook dat anderen Hem kennen
en door Hem bij God mogen horen?
Wie is de Heere Jezus voor u, voor jou?

Gaat het niet om meer? Gaat het ook niet om het wonder dat Petrus geneest?
Zijn wij er niet verlegen mee en praten wij daar niet te snel overheen?
In de trant van: dat was iets van de allereerste christenen, dat gebeurt nu niet meer?
Petrus geneest de man wel!
De man mag door wat Petrus doet, genezen zijn van zijn verlamming.
Hij kan opstaan, dansen en springen, zijn benen voelen, zelf voortbewegen!
Doet Petrus dat dan?
In de naam van Jezus – dat betekent niet: ik doe het in kracht van Jezus.
Ook niet: ik heb Zijn kracht nu in mij.
In de naam van Jezus betekent: Hij is er nu zelf aanwezig en Hij doet het! Hij geneest!
Ik begrijp het verlangen als christenen zeggen: God geneest nu nog steeds!
Want voor die christenen laat God dan Zijn macht zien en moeten ongelovigen wel inzien
dat God bestaat en dat Hij machtig is en dat Hij gediend moet worden.
De Heere geneest gelukkig nog steeds.
Ook als er voor gebeden wordt.
Maar waar het hier om gaat, is dat de genezing in dienst staat van iets anders.
De genezing laat niet de macht zien van God,
maar Zijn goedheid.
Niet Zijn macht die alle kwade krachten, zoals de ziekte, verslaat.
Maar die ons diepste leed, namelijk de verlorenheid opheft, over de kloof een brug legt.
Deze man was verloren, maar werd gered doordat Petrus op hem afstapte
en Petrus vol bewogenheid deelde van wat er leeft in zijn hart: Jezus.
Wanneer er een wonder plaats vindt, is het naar mijn idee niet
om aan anderen te laten zien hoe groots en indrukwekkend God is,
maar laat dat zien dat degene die het wonder ervaart van God een teken krijgt:
Ook jij mag bij mij horen! Ook voor jou is de kloof overbrugd.
De afstand is overwonnen.
Een wonder is een teken dat God er is, dat Hij naar degene toekomt
die het wonder ervaart.
Lukas laat dat zien in de manier waarop hij over de genezing vertelt:
Met een sprong stond hij overeind.
Van die sprong wordt gezegd: dat is eigenlijk overbodig.
Maar voor Lukas niet, want juist dat woord verwijst naar een Bijbelgedeelte:
Jesaja 35 – de terugkeer van God naar Zijn volk:
* de woestijn zal bloeien
* de verlamden zullen springen.
Deze genezing is een teken, dat Christus er is
en zegt: Jullie zijn weer Mijn volk en Ik ben jullie God.

‘Kijk mij aan!’ zegt Petrus.
In naam van Christus mag Petrus de man genezen en zo terugbrengen bij de Heere.
Ik kan niet genezen, maar ik kan, mag, moet uitstralen
dat er van God een uitnodiging komt, een roeping: voor degenen die ver bij God vandaan zijn.
Al wonen ze wellicht dicht bij mij. Het is ook voor jou! Amen

Het koninkrijk van God bestaat niet alleen uit woorden

Het koninkrijk van God bestaat niet alleen uit woorden
Over de hedendaagse moeite om over genezingswonderen te preken

Het Oude en Nieuwe Testament staan vol genezingswonderen. Maar juist deze verhalen roepen veel vragen op. In de preek kan men niet, zoals op zondagschool, volstaan met het navertellen van het verhaal. Hoe kan men vandaag de dag over genezingswonderen preken? Ik vat hier een artikel van Werner Thiede samen. Deze samenvatting bevat niet mijn eigen standpunt, maar helpt mij wel om na te denken over dit verschijnsel.

Verlegenheid in het verleden
De hedendaagse moeite met (preken over) genezingswonderen is niet nieuw. Reeds in de Vroege Kerk had men hier moeite mee. De vroege Augustinus was van mening dat het charisma van de genezing met de apostelen was uitgestorven, omdat sinds die tijd het evangelie duidelijk genoeg geklonken heeft. Na zijn pastorale ervaring als bisschop was hij een andere mening toegedaan. In de Middeleeuwen werden de kloosters een plaats waar genezing en heil kon worden gevonden. Met het afschaffen van de kloosters keerden de reformatoren terug tot de vroege Augustinus. In polemiek met Rome werd door de protestantse scholastiek nadrukkelijk de noodzaak van actuele wonderen ontkend.
Dat de Verlichting moeite had met de wonderverhalen zal niet verrassen. In de Verlichting kon met niet overweg met gebeurtenissen die de natuurwetten buiten werking stelden. Schleiermacher gaf aan dat wonderen niet kunnen, omdat wonderen een verandering van de vastgestelde loop van de natuur betekende. Deze verandering zou een duiden op de onvolkomenheid van de schepping en de almacht van God in twijfel trekken. De argumentatie van Schleiermacher werkt door in de theologische doordenking in de 20e eeuw (Rudolf Bultmann, Wolfgang Trillhaas). Zelfs Karl Barth, die in contact gekomen was met Christoph Blumhardt, gaf aan dat wonderen tot de uitzonderingen behoorden.

Genezingswonderen zijn er ook vandaag de dag
De theologie heeft het verlangen en de drive om mee te doen met de actuele discussie. De theoloog moet zich dan op de hoogte stellen van de discussie binnen de medische wetenschap. De wereldwijd befaamde kankeronderzoeker en hoogleraar Walter Gallmeier schrijft: ‘Wie niet in wonderen gelooft, is geen realist. (…) Wie niet waarneemt wat iedereen kan zien, kan niet meer volhouden dat hij een wetenschapper is, want hij wil de realiteit niet onder ogen zien.’
Daarnaast zijn er duizenden genezers actief die bij elkaar miljoenen patiënten hebben. Deze genezers zijn in twee groepen te verdelen: (1) degenen die uitgaan van kosmische energie en (2) zij die uitgaan van media, zoals geesten of engelen, die genezing doorgeven.
Mogen deze genezers zich ophouden in de esoterische hoek, dat geldt niet voor alle wonderen die gebeuren. Als moderne theologie claimt dat zij zich bezighoudt met hedendaagse ervaring, moet zij ook de ervaring van wonderen serieus nemen. Veel kerkelijk betrokkenen interesseren zich steeds meer voor wonderen. . Uit een onderzoek van de Evangelische Kirche (EKD) bleek dat 3% van de ondervraagden ervaring had met concrete ervaring met genezers. Binnen en buiten de kerk is er aandacht voor (gebeds)genezing. Aan de ene kant kan dat de invloed zijn van esoterische interesse. Aan de andere kant kan het de opkomst zijn van evangelicale spiritualiteitIn de Rooms-Katholieke Kerk is de openheid voor genezingswonderen veelvuldig aan te treffen. Neem als voorbeelden het bedevaartsoord Lourdes en de heiligverklaring van Pater Pio in 2005.

Preken over genezingswonderen – een homiletische kans
Hoe kan in de preekvoorbereiding worden omgegaan met verhalen over wonderlijke genezingen?

(a) Exegese is belangrijk, want daardoor komen we in aanraking met ervaringen van wonderen. De exegese maakt ons ook bewust van het gevaar van individuele vooroordelen.

(b) Bijbelse verhalen over genezingswonderen hebben altijd een boodschap. In deze verhalen gaat het over God als schepper en verlosser. Deze theologische boodschap is gebaseerd op een concrete gebeurtenis, een feit. De verkondiging van deze boodschap mag er niet toe leiden dat het feit of de gebeurtenis wordt ontkend.

(c) In de dogmatiek zijn veel ontoereikende verklaringen:
symbolische uitleg die men voorstaat, omdat wonderverhalen niet passen in de wereldbeschouwing van de uitlegger.
naturaliserende uitleg: Jezus was een soort sjamaan, hij bezat een natuurlijke kracht waardoor hij mensen kon genezen. (Gerd Theissen, Eugen Drewermann) Deze natuurlijke kracht is niet direct voorhanden en is gegeven aan bepaalde charismatische personen.
spiritualiserende uitleg: kracht om te genezen is een kracht die in de schepping aanwezig is (Paul Tillich). Bij Tillich gaat deze spiritualiserende uitleg gepaard met kritiek op de bijbelse wonderverhalen. Hij heeft moeite met de bijbelse wonderverhalen, omdat hier geloofsuitspraken worden gebaseerd op natuurwetenschappelijke absurditeiten.
Ekklesiologische uitleg: de wonderen worden verbonden met de sacramenten die de kerk toedient. Vooral binnen de Rooms-Katholiek Kerk wordt deze weg gekozen. Gevolg van deze traditie is dat de leer over de kerk het summum wordt van het nadenken over de Heilige Geest. Voor protestanten een onbegaanbare weg.

(d) Noodzakelijke systematisch-theologische oriëntatie:

– Op welke manier is het handelen van God te verbinden met de hoop op het voltooide Koninkrijk van God? Jürgen Moltmann: in de herschepping van alles gaat het niet om wonderen, maar om het natuurlijke. In het lijden en sterven van Jezus heeft God het zieke, kwetsbare, zwakke en beperkte menselijke leven aangenomen. De Gekruisigde is zowel een bron van genezing als een bron van troost (Geist des Lebens, 1991, p. 203).

– Op welke manier kan de passiviteit van God worden verbonden met Zijn voltooide Koninkrijk? Jezus kon in zijn geboorteplaats geen wonderen doen. Hij was dus een magiër. Waarom worden veel gebeden om genezing niet verhoord? Waarom laat God alle ziekte toe? Het antwoord op deze theodicee-vraag kan niet beantwoord worden zonder het spreken over het kruis van Christus. Jezus is de gekruisigde genezer. Hij identificeerde zich niet alleen met ons lijden, maar ook met onze schuld. Genezingswonderen zijn vaak gericht op lichamelijke genezing, terwijl Jezus ook kwam om innerlijke genezing te brengen.

– De eenheid van heil en genezing wordt alleen duidelijk vanuit Pasen: in de opwekking van Christus wordt de dood overwonnen en het leven dat in de dood gevangen was bevrijd. Het kruis staat in het teken van Gods koninkrijk en de daarmee gegeven heerlijkheid van God. Genezingswonderen zijn afkomstig van dezelfde Geest die Jezus op weg hielp door Zijn lijden. Het is de Geest van de gekruisigde en opgestane Christus die ook vandaag de dag werkzaam is. Zelfs Paulus, de grote theoloog van de kruistheologie, kon als genezer werkzaam zijn. Volgens Paulus kan een theologie van het kruis niet beperkt worden tot een theologie van alleen het woord: ‘Want het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden, maar uit kracht.’ (1 Korinthe 4:20) Deze uitdaging kan men in de verkondiging niet uit de weg gaan.

(e) Naar de gemeente toe:
Een prediker heeft te maken met een gemengd publiek. De een staat open voor elk wonderverhaal, de ander is rationeel ingesteld, een derde weet niet wat hij er van moet denken. Een zorgvuldig voorbereide preek met juiste informatie kan heel behulpzaam zijn.
In de verkondiging kan de prediker niet alleen voldoen aan wat mensen verwachten te horen. De verkondiging gaat ook verder dan wij kunnen verwachten en hopen. Tot die mogelijkheid en werkelijkheid die onze verwachting te boven gaat, behoren ook de genezingswonderen. Tegelijkertijd is de wereld om ons heen vol verwachting van wonderen, die hun heil niet van Christus verwachten, maar op een andere manier hopen te bereiken. De preek over genezingsverhalen bevat genoeg uitdagingen en kansen, maar heeft ook met moeilijkheden te maken. Beide kanten zijn nodig om te bedenken. Thiede hoopt dat zijn artikel ertoe aanzet om in theorie en praktijk open te staan voor wonderen die gebeuren.

[Ik ben er zelf niet helemaal uit. Tot nog toe ben ik terughoudender en zou ik wat meer aandacht willen voor degenen voor wie genezing uitbleef. Ik zou daarbij de vraag willen stellen: op welke manier is dat verbonden  met het komende koninkrijk van God?]

N.a.v. Werner Thiede, ‘Gottes Reich steht nicht nur in Worten. Zur Schwierigkeit heutiger Predigt über Heilungswunder’, Göttinger Predigtmeditationen 63 (2009) 295-305.

Werner Thiede is predikant en hoogleraar Systematische Theologie aan de Universiteit van Erlangen-Nürnberg. Zie zijn persoonlijke website: www.werner-thiede.de

Hulp bij de voorbereiding van een preek over Johannes 5:1-16

Predigtmeditation over Johannes 5:1-16

(1) Uitleg
Als het evangelie van Johannes wonderen vertelt, hebben die wonderen ook symbolische betekenis. Water, die in wijn verandert; een blinde die weer mag zien. Ook in dit gedeelte is dat zo. Een zieke man wordt genezen. Johannes vertelt niet voor niets een genezing van een man die verlamd is.
In hoofdstuk 5 staat namelijk het leven centraal. Wat is het leven dat Christus schenkt? De verlamde man, die al zeer lange tijd verlamd is, kan uit zichzelf niet bij genezing komen. Hij is machteloos gebonden (vgl. Gezang 117:4, LvdK). Ook al ligt hij op een van de spaarzame plaatsen, waar eventueel nog genezing te vinden is. Maar de 38 jaar wijzen op de hopeloosheid: zelfs op de plaats van genezing is geen verbetering te vinden.
Dan komt het Leven in eigen persoon. Van al de zieken ziet Hij juist deze ene man. Hij wil deze ene man, de zo gebonden is, het leven schenken. Zoals in Johannes 4 openbaart Jezus door in het leven van een wanhopige te verschijnen. Zo werkt uitverkiezing dus: dat Christus Zich juist aan de meest wanhopige bekend maakt.
Hij kwam tot het zijne… Zou de man Hem aannemen? Jezus helpt hem op een bijzondere manier. Hij vraagt is naar de wil van deze man. Wil hij wel een verandering? Of heeft hij liever dat de situaties hetzelfde blijft?
De man zegt, dat hij niemand heeft om hem in het water te werpen. De man die geen mens heeft, krijgt de mens bij uitstek aan zijn ziekbed. Ecce homo! Vere homo, vere Deus!
Jezus geeft de man een bevel. Jezus geneest de man door tot hem te spreken. Daarmee laat Jezus zien, dat Hij het Woord des levens is, het Woord door God gezonden. Door Zijn gezagvol spreken, staat de man op. Hij gehoorzaamt en ontvangt het nieuwe leven uit de hand van Jezus.
Op de achtergrond van deze gebeurtenis speelt de gedachte uit het Oude Testament, dat de zieke niet in de nabijheid van de levende God is. Nu komt de God des levens naar hem toe in de persoon van Zijn Zoon. Aan de verlamming van de man hoeft geen zonde ten grondslag te liggen. De opdracht van de Here aan de man om niet meer te zondigen, houdt in: als je toch (terug)valt in de zonde, is je leven er erger aan toe dan tijdens die lange periode van verlamming. Door te zondigen gaat men weer weg bij de Bron des levens.

(2) Homiletische aanwijzingen
Deze geschiedenis is een van de verhalen, die Johannes vertelt, waarop Jezus in het leven van iemand komt. De gevolgen zijn heilzaam. Ook al moet deze man wakker geschud worden of hij na 38 jaar nog wel een ander leven kan hebben.
Peter Bukowski vertelt, hoe hij eens een alcoholverslaafde bij zich op bezoek had. De man was vol zelfbeklag. Hij stelde de vraag, die Jezus ook aan de man stelt: ‘Wilt u gezond worden?’ Voor de man een schok, waarop hij begon na te denken of hij wel een ander leven wilde.
Daarnaast is voor kerkgangers vaak een vraag, hoe het nou werkt als Jezus in het leven komt. Hoe verschijnt Hij? Hoe komt Hij ook in mijn leven? Wat gebeurt er dan? Dit verhaal kan ons helpen om de openbaring van Christus in eigen leven te zien.
Deze gebeurtenis gaat over een genezing van de verlamde. Johannes vertelt naar mijn idee de genezing met een bijbedoeling: om ook de symbolische betekenis te laten zien. (Hiermee doe ik geen uitspraak over historiciteit. Wil de boodschap van dit verhaal overkomen, moet het meer dan symbolisch zijn.) De verlamde laat zien dat wie nog in het duister en in de zonde zijn, net zo gevangen zijn als deze verlamde. Juist naar die mensen komt hij. Als mens kunnen wij onszelf niet uit de zonde losbreken. Alleen als Christus ons gezagsvol aanspreekt door Zijn Woord. Alleen wanneer Hij ons aanspreekt, zullen we opstaan om te leven. Hiermee is deze gebeurtenis een vooruitwijzing naar de opstanding der doden.
Homiletisch kan het zinvol zijn om te laten zien, wat ons allemaal verlamt. De prediker kan dat gezagsvolle spreken niet overnemen. Menselijke analogieën en voorbeelden helpen denk ik ook niet. Mijn suggestie zou zijn: Maak ruimte voor Christus. Laat Hem zelf spreken. Creëer de ontmoeting niet, maar geloof dat in de preek de ontmoeting plaats vindt. Die ontmoeting is een werkelijke ontmoeting van de Here en de gelovige. Uitgaande van die ontmoeting kan de preek er niet toe leiden dat een (reformatorisch) systeem overgenomen wordt. De enige taak, die de prediker heeft is om te wijzen op het Lam Gods: Kom en zie, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam-Watergang (Noord-Holland)

Verdere bezinning
Eberhard Jüngel, Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens, p. 169-174: ‘Allein durch das Wort (solo verbo)’
Christian Möller, Seelsorglich predigen. Die parakletische Dimension von Predigt, Seelsorge und Gemeinde (Göttingen, 19902).

Dat de mens aangesproken wordt door God (Anrede)en daardoor opnieuw geschapen wordt, is een belangrijk onderdeel van de theologie van Oswald Bayer. Hij benadrukt dat die Anrede tegelijk het karakter van een belofte heeft. Die Anrede heeft dezelfde (her)scheppende kracht als bij de schepping.

Liedsuggesties
Wie de psalmen en de gezangen doorzoekt, zal zien dat dit element veelvuldig voorkomt: het Woord van God dat ons tot leven wekt, dat ons doet opstaan. Ook kan het zinvol zijn om enkele adventsliederen uit te kiezen, omdat daarin wordt gezongen van de komst van Christus in het hier en nu (en wat de gevolgen daarvan zijn).

  • Psalm 6: 2, 3, 4 (Nieuwe Berijming)
  • Psalm 30: 1, 2, 4, 5 (Nieuwe Berijming)
  • Gezang 435: 1, 3, 4 (LvdK): O verbreker aller banden
  • Gezang 117: 4, 5 (LvdK): ‘k Lag machteloos gebonden
  • Gezang 127: 127: 2, 3, 7 (LvdK): Vat moed, bedroefde harten
  • Gezang 221:2 (LvdK): Op uw woord, o Leven van ons leven
  • Gezang 330:2 (LvdK): En of een mens al diep verloren