Advent is geen tijd voor zwakkelingen

Advent is geen tijd voor zwakkelingen

In de afgelopen adventsperiode kon ik met
Advent: The Once & Future Coming of Jesus Christ (Fleming Rutledge, twitter: @flemingrut) een boek lezen, dat paste bij de tijd van het jaar. Dit boek bevat een groot aantal adventspreken, die Rutledge in de afgelopen decennia hield. Veel van die preken zijn gehouden in New York in de Grace Church, waar ze lange tijd aan verbonden was. Het lezen van dit boek was een indrukwekkende ervaring en leerde mij veel over de tijd van advent.
advent rutledge‘Advent is geen tijd voor zwakkelingen (sissies = mietjes)’, schrijft ze herhaaldelijk in een preek. Want in de periode van advent draait het om de wereld die duister is geworden door de macht van de boze, die in deze wereld kwam. De periode van advent is de tijd om de grote vragen te stellen, te worstelen met Gods leiding en aanwezigheid in deze wereld. Want in de lezingen van advent komt naar voren dat God de verborgene is.

Een eigen tijd
Advent is voor Rutledge geen voorbereiding op het Kerstfeest, maar een eigen periode met een eigen thematiek: de wederkomst van Christus. Rutledge is opgegroeid in de Episcopale kerk (de Amerikaanse tak van de Anglicaanse kerk) en vermeldt steeds dat in haar jeugd er geen kerstversieringen waren in de kerk en ook nog geen kerstliederen gezongen wordt. In haar preken geeft ze naar gasten in de kerk aan, dat ze zich misschien verbazen over het gebrek aan kerstsfeer in de kerk. Maar, zo geeft ze aan, als je advent gaat snappen, ga je er van houden en zou je niet anders meer willen.

yY623rKO_400x400

7 weken
De periode van advent is de tijd waarin er geen grotere kloof is tussen de sfeer binnen de kerk en de sfeer buiten de kerk. Buiten de kerk komt alles in de feeststemming. Black Friday, de dag na Thanksgiving, is het startsein om kerstinkopen te doen. Rutledge geeft aan, dat zij ook meedoet: ook zij heeft een schattige adventskalender en heeft in huis kerstkransen hangen. In de Anglicaanse kerk is de adventsperiode al begonnen voor Thanksgiving. Die periode begint 7 weken voor kerst en omvat de feestdag van de engel Michaël en de laatste zondag van het kerkelijk jaar (de zondag van Christus Koning). Het einde van het kerkelijk jaar gaat in de adventsperiode dan ook heel vloeiend over in het nieuwe kerkelijke jaar.

Tijd van donkerheid
Deze tijd van het jaar is volgens Rutledge de makkelijkste om te preken. Voorbeelden om de duisternis en de donkerheid van de adventsperiode liggen voor het oprapen. In alle preken komen gebeurtenissen uit het nieuws naar voren: de genocide in Rwanda, schietpartijen op scholen, de aanslagen van 9-11, ontwikkelingen in de Amerikaanse politiek, de crisis in de Amerikaanse kerken (waarvan ze in een voetnoot aangeeft, dat ze in haar eigen preken constateert dat die crisis al in de jaren-’70 begon).

Als ze de voorbeelden niet uit het recente nieuws haalt, dan haalt ze die voorbeelden wel uit artikelen uit de New York Times of interviews die ze tegenkwam en die ze bewaart in een knipselmap om later bij een preek uit te putten. Of ze heeft een boek gelezen over Abraham Lincoln, over Roméo Dallaire, de Canadese generaal die in Rwanda verbleef ten tijde van de genocide. Geregeld komt een van zijn uitspraken terug in preken: ‘In de tijd van de genocide was de hel leeg, want alle duivels waren actief in Rwanda.’ Het kwaad is overigens niet alleen iets dat in de ander woont, ook christenen hebben volop te maken met het kwaad in zichzelf en de vatbaarheid voor het kwaad.

Apocalyptisch
Rutledge heeft een apocalyptische visie op het Nieuwe Testament. Ze legt dat in haar preken ook uit: je hebt naast God, die de wereld geschapen heeft en de mensen die door God geschapen zijn ook nog een derde macht: de duivel. De duivel is de kwade macht die in de wereld gekomen is en die door Christus’ eerste komst verslagen is en met Zijn tweede komst definitief van deze wereld verdreven zal zijn. We leven, zoals ze vaak de dichter W.H. Auden aanhaalt: ‘in de tussentijd’. Je kunt in haar boeken merken dat ze een leerling is van onder andere J. Louis Martyn en dat ze veel opgestoken heeft van Raymond E. Brown.

Wederkomst
Zelden heb ik trouwens een boek gelezen waarin de verwachting van Christus’ Wederkomst zo’n rol speelt. Rutledge geeft ook aan, dat die verwachting in haar jeugd ook niet zo speelde. Toen ging het er vooral om dat Christus in je hart kwam. Door alle gebeurtenissen in en na de Tweede Wereldoorlog is de theologie het apocalyptische spreken van het Nieuwe Testament serieus gaan nemen en dat is in de preken van Rutledge volop te merken.

Oordeel
Veel preken gaan over apocalyptische teksten of over teksten waarin het oordeel van God wordt aangekondigd (waarbij ze zegt dat het vooral de mensen die zelf het oordeel vrezen vragen om deze thematiek in preken uit de weg te gaan). Of over de strijd tegen het kwaad, de geestelijke wapenrusting en het kwaad in onszelf. Omdat in de Middeleeuwen op de laatste zondag van advent gepreekt werd over de hel is ook een preek van haar over de hel opgenomen, die ze hield op de laatste adventszondag.

Workshop_of_El_Greco_-_Saint_John_the_Baptist_and_Saint_Francis_of_Assisi_-_Google_Art_Project
Johannes de Doper
Een belangrijke persoon die geregeld in de preken naar voren komt is Johannes de Doper. Hij is bij uitstek de persoon van advent. Hij is onderdeel van de oude wereld, de wereld van de belofte en tegelijkertijd hoort hij bij de nieuwe wereld, de wereld van de vervulling. Zijn taak is het om de gemeente klaar te maken om de messias te ontvangen. Hij doet dat door het oordeel aan te kondigen. Rutledge heeft duidelijk een zwak voor deze persoon. Ze zegt in verschillende preken dat ze wel eens een schattige adventskalender zou willen ontwerpen, waarbij je als je een van de deurtjes opendoet een ernstige Johannes de Doper je aankijkt en tegen je zegt: “Gij addergebroed’.


Deze prekenbundel is de moeite waard om meer van advent te weten te komen. Daarnaast is het de moeite waard om te zien hoe Rutledge omgaat met de Bijbellezingen in de preek en hoe ze haar preken in deze tijd plaatst.

N.a.v. Fleming Rutledge, Advent: The Once & Future Coming of Jesus Christ (Michigan, Grand Rapids: Eerdmans, 2018).

Advent

Advent
Komende zondag is het de eerste zondag van advent. In deze periode oefenen we ons als kerk in het verlangen naar de Wederkomst van onze Heere Jezus Christus. In onze Nederlandse kerkelijke traditie bestaat de periode van Advent uit 4 weken. In andere kerkelijke tradities duurt de Adventsperiode 7 weken.

Advent is niet een voorbereiding op het Kerstfeest. Soms lijkt het wel zo met alle kerstvieringen en uitvoeringen die in de adventsweken al gehouden worden en alle voorbereidingen van koren.

Belang kerkelijk jaar
In de Anglicaanse traditie en de Lutherse traditie is er veel meer vastgehouden aan het kerkelijk jaar. Na de Reformatie hielden de kerken die in het spoor van Luther gingen vast aan het kerkelijk jaar. Zij waren van mening dat de gang door het kerkelijk jaar hielp bij het overdragen van het christelijk geloof: de leer was verdeeld over de zondagen en werd niet alleen uitgelegd maar ook gevierd. Op die manier werd de christelijke leer makkelijker eigen gemaakt.

Verlies kerkelijk jaar
Helaas heeft de traditie in het spoor van Calvijn het kerkelijk jaar losgelaten. En de uitleg van het geloof bijvoorbeeld gekoppeld aan de catechismus. Dat geeft een meer afstandelijke benadering van het geloof dan het vieren van Gods grote daden. In onze tijd is er behoefte aan om gemeenteleden, jong en oud, in te wijden in het christelijk geloof. Steeds meer wordt daarbij teruggegrepen op het kerkelijk jaar.

Verheft uw harten
Als kerk zijn we zonder een diepgewortelde kerkelijke traditie erg kwetsbaar voor wat er buiten de kerk gebeurt: de commercie rond Sinterklaas en kerst kan de aandacht en de focus opeisen. Juist in de Adventsperiode gaat het om de aansporing, die vanuit het avondmaal tot ons komt: Verheft uw harten tot Christus, die in de hemel is. We verwachten Zijn komst en kijken uit naar Zijn komst in hemelse glorie en heerlijkheid.

Rutledge
Momenteel lees ik het boek van Fleming Rutledge, Advent. The Once and Future Coming of Jesus Christ (Advent. Jezus Christus, die in het verleden kwam en in de toekomst zal komen). Daarin schrijft ze dat er steeds meer aandacht komt voor Advent, omdat de periode voor kerst overschaduwd wordt door commerciële belangen. Afgelopen donderdag was het in de VS Thanksgiving. De dag erop is het Black Friday (Zwarte Vrijdag), de start van de kerstinkopen die begint met grote kortingen. Het vieren van het kerkelijk jaar en in deze periode de Adventstijd is een stil protest tegen de vercommercialisering van onze kalender.

Wederkomst
Daarnaast is er vanwege alle verschrikkelijke gebeurtenissen in de 20e eeuw weer aandacht gekomen voor de Wederkomst van Christus in haar kerkelijke episcopale (Amerikaanse variant van de Anglicaanse) traditie. Ze schrijft dat zij als kind op zondagsschool hoorde dat het vooral gaat om de komst van Christus in je hart. Met de aandacht voor de Wederkomst en de verschrikkingen uit de 20e eeuw is er ook aandacht gekomen voor de apocalyptische teksten, die gaan over het laatste oordeel en over de gebeurtenissen vooraf aan de Wederkomst. Rampen, oorlogen en andere verschrikkingen die de komst van Christus aankondigen.

Apocalyptiek
Kenmerk van de apocalyptiek is dat we als gelovige niet alleen te maken hebben met God en mens, maar dat er ook een derde macht is: de duivel. Hij heeft de macht gegrepen in Gods goede schepping. Apocalyptiek geeft aan dat we in een tussenperiode leven: de tussenperiode van de zonde en de duivel tussen de goede schepping en herschepping en ook de tussenperiode van de overwinning van Christus op zonde en duivel en de uiteindelijke verdrijving van de duivel en de zonde uit deze wereld.

Nood
Het boek
Advent is eigenlijk een bundeling van allerlei preken die Rutledge in gehouden heeft. Daarin geeft ze aan dat de periode van advent aan de ene kant een roepen tot God is vanwege de nood die er in deze wereld is en het lijden aan de stilte van Gods kant en aan de andere kant de hoop en stellige verwachting dat Christus zal wederkomen om vrede en recht te brengen op aarde.

Niet voor zwakkelingen
‘Advent is niet voor zwakkelingen’ schrijft ze geregeld. Het uitzien naar de Wederkomst en het roepen tot God om Zijn ingrijpen in deze door de zonde getekende en de duivel geknechte wereld vraagt om een robuust geloof. Het vraagt om moed om in de donkere, koude tijd van de zonde uit te zien naar Christus’ komst en je leven niet te laten bepalen door de zonde en de duivel, maar door de verwachting dat Christus terugkomt. Advent is altijd een sobere periode van verootmoediging en schuldbelijdenis en tegelijkertijd een hoopvolle periode vol vreugdevolle verwachting: onze Heer komt!

Voorbereiding
Een goede voorbereiding is het luisteren naar muziek: de Messiah van Georg Friedrich Händel of de mooie cantate van J.S. Bach – ‘Wachet auf ruft uns die Stimme’ (BWV 104) of de eveneens indrukwekkende cantate ‘Aus der Tiefe ruf ich zu Dir’ (BWV 131). Deze muziek is via Spotify of YouTube eenvoudig terug te beluisteren.

Komende zondag is het in onze gemeente viering van het Heilig Avondmaal. Ook een mooie manier om ons te oefenen in de verwachting van Christus’ komst in heerlijkheid

Preek zondag 20 december 2015

Preek zondag 20 december 2015
Lukas 21: 5-33

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is een kant aan Gods handelen waar we niet snel mee klaar zijn.
Een kant van Gods handelen dat ons vragen bezorgt,
waar we niet zomaar een antwoord op hebben
en waar we zelfs een heel leven lang mee kunnen worstelen,
omdat voor ons Gods bedoeling niet direct duidelijk wordt.

Dat is dat God onze zekerheden van ons kan afnemen.
De Heere kan ons hele bestaan op z’n kop zetten,
zo ingrijpend dat we niet meer weten wat we ermee aan moeten.

God chaotiseert, stelde ooit eens de hervormde theoloog A.A. van Ruler.
Daarmee bedoelde hij, dat God niet alleen de chaos toelaat.
Dat wordt wel eens gezegd als er iets gebeurt dat wij niet begrijpen
en dat wij niet kunnen rijmen met Gods handelen, met Gods liefde.
God wil het niet, maar Hij laat het wel toe.
Nee, zegt Van Ruler, God laat het niet toe,
maar de Heere doet het zelf:
het chaos veroorzaken, het overhoop halen is een onderdeel van Gods scheppend handelen.
Hij gaf daarbij aan, dat God er een chaos van maakt
als wij als mensen het leven te strak organiseren.
Als de mensen het leven te strak organiseren, gaat de levende God het chaotiseren.
God laat het niet toe, maar doet het zelf, alles overhoop halen,
er een ruïne van maken.
Daarbij is het van belang dat Van Ruler een onderscheid maakt tussen orde en kosmos.
Orde dat is wat God als eerste schept.
Dat is zijn belangrijkste manier van handelen:
Hij schept orde, zodat wij als mensen kunnen leven
en een goed leven hebben.
Maar wat doen de mensen met de orde van God?
Ze maken er een kosmos van.
Daarmee bedoelt Van Ruler: wij mensen bouwen die orde dicht,
door de weg naar God toe af te sluiten.

Zonder de Heere hebben we het ook goed en zonder Hem kunnen we ook leven.
We belijden wel onze afhankelijkheid, maar in de praktijk?
(Klein: gezondheid, werk, dagelijks ritme. In het groot: onze veiligheid, politiek stelsel?)

Al is het bestaan dat wij hebben aan Hem te danken,
we sluiten Hem buiten – en dat is dan de kosmos:
Een dichtgetimmerde wereld – zonder openheid naar boven.
Als de mensen het leven te strak organiseren, gaat de levende God het chaotiseren.
Dat doet God niet zomaar – dat chaotiseren:
Hij verbreekt onze kosmos en dat is ingrijpend,
want we kunnen het gevoel hebben dat onze hele wereld ineenstort en dat we ondergaan,
maar uiteindelijk is de chaos die God schept heilzaam voor ons:
Doordat Hij onze kosmos, onze zelf-gecreëerde zekerheid, verbreekt, chaotiseert
komt er weer ruimte voor Hem in ons bestaan
in ons bestaan dat voor God was afgesloten.

Er zit een troost in de chaos die de Heere met Zijn handelen veroorzaakt,
al is dat niet het eerste waar we aan denken
want het geeft een diepe crisis
en kunnen we er een leven lang mee worstelen waarom dit moest gebeuren.
Midden in de winternacht – zongen we – gaat de hemel open.
Ook de nacht die we over onszelf hebben afgeroepen,
Wordt opengebroken, zodat Gods licht weer zichtbaar wordt,
Maar een pijnlijk, diepingrijpend gebeuren blijft het.
Een crisis.
Wikipedia:  is een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel (van welke aard dan ook) ernstig verstoord raakt.
Een crisis die nodig is – omdat in ons stelsel God geen plaats meer had.

God maakt een chaos, verstoort,
zelfs het meest heilige dat er is op aarde: de tempel.
Zelfs de tempel wordt door Gods hand een ruïne.
De Heere Jezus doet die uitspraak als Hij samen met Zijn leerlingen en de menigte
bij de tempel is,
Een indrukwekkend gebouw – imponerend.
Als een gebouw indrukwekkend is,doet dat iets met ons,
dat imponeert, doet je beseffen hoe klein je zelf bent.
Zo is dat met de tempel ook.
Een indrukwekkend gebouw,
dat was het al, omdat de tempel het huis van God is,
gebouwd om God te kunnen ontmoeten,
Om naar toe te reizen voor de feesten,
om weer in herinnering te roepen dat God de bevrijder is en Zijn zegen geeft.
De orde die God gegeven heeft om met Hem te kunnen leven
om verzoening te kunnen ontvangen.
en om de gemeenschap met Hem te blijven,
om Hem niet te vergeten,
maar vanuit het besef te leven dat God er is, dat Hij zorgt, ingrijpt,
dat er niets in de hemel of op aarde buiten Hem om gaat
en dat Hij in staat is om een uitredding te brengen die door niemand meer wordt verwacht.
De tempel was een geschenk van God.

Maar wat is er  gebeurt?
Herodes heeft de tempel verfraaid,
van een grotere glans en glorie voorzien.
Het was niet genoeg dat God er woonde,
dat het een heilig gebouw was, Gods huis, dat moest er ook van afstralen.
De bezoeker moest onder de indruk komen,
niet alleen van de wetenschap dat God daar is,
maar ook van het gebouw zelf.
Herodes heeft van de orde, die God gegeven heeft, een kosmos gemaakt.
Want hij deed het niet alleen voor God.
Hij had er zelf belang bij, politiek belang, om zijn koningschap zeker te stellen.
Hij was niet door iedereen geaccepteerd, omdat hij geen Jood was.
Een heiden op de troon van Gods volk, de troon die voor het huis van David bestemd was.
Maar wat hij, Herodes deed, werkte:
De mensen spreken vol bewondering over het prachtige gebouw,
over het indrukwekkende gebouw, over alles wat aan God gewijd is
Een gebouw dat grootsheid en eeuwigheid uitstraalt.
Zo dicht bij de tempel, dit indrukwekkende bouwwerk is het niet moeilijk om in God te geloven.
Maar de mensen hebben niet door dat de orde van God in een kosmos is veranderd.
Zelfs van het allerheiligste zijn we als mensen nog in staat
om er een kosmos van te maken,
zelfs bij het allerheiligste dat er is, de eredienst, kunnen we God buitensluiten.
En zelfs het allerheiligste dat er is
kan door God tot een ruïne worden gemaakt, zegt Jezus.
God maakt Zijn eigen vindplaats, dé plek bij uitstek waar Hij is,
Waar mensen Hem kunnen naderen, waar geofferd wordt, waar de verzoening plaats vindt,
waar het hele geloof op rust
– het zal er niet meer zijn en God zelf zal het verwoesten.
En alsof dat nog niet ingrijpend genoeg is, alsof ze daar niet genoeg aan hebben,
zegt de Heere Jezus: Kijk er niet van op, laat je er niet door van slag raken.
Dat is toch wat?
Zou u dat doen, als de Heere Jezus dat over het christendom, over de kerk zou zeggen:
De kerk verdwijnt, maar kijk er niet van op, laat je er niet door van slag raken?
Laat je niet van slag raken als de hele wereld zoals die voor jou bekend is op de schop gaat.
Als de hele wereld een duistere tijd wordt,
Als wat in films als de Hunger Games, Star Wars (wereld die in elkaar stort) niet alleen maar iets uit de film is
maar een werkelijkheid wordt,
zoals nu voor de mensen in Syrië, ook voor de christenen daar
en misschien ook wel op termijn voor ons in het Westen.
Laat je je niet van slag raken.

Wat is dat dan voor een uitspraak? Wat voor een opdracht?
Als er zoiets ingrijpends gebeurt dan raak je toch gemakkelijk van slag?
Als de hele wereld zoals je kent
En dan heb je een nieuwe oriëntatie ook niet zomaar gevonden.
Dat is het aantrekkelijke van een film: je maakt het van nabij mee,
of het je zelf aangaat en na een aantal uur sta je weer buiten
en is alles weer vertrouwd.
Maar in het echte leven heb je een tijd nodig, soms wel jaren.

Laat je je niet van slag raken.
Sterker nog: Hef je hoofd omhoog.
Wanneer we van onze wereld een kosmos hebben gemaakt,
Wanneer we God hebben buiten gesloten, is dat niet mogelijk: opkijken,
want dan hebben we alles dichtgetimmerd.
Gevaar van ons christenen om alleen om ons heen te kijken
of naar beneden, de wereld nemen zoals die is.
De dingen die gebeuren vinden we het moeilijk de hand van God te zien
Omhoog kijken is dan een teken van verzet: we gaan er niet meer in mee
God buiten te sluiten buiten ons leven, onze werkelijkheid.
Uitzien naar zijn komst:

Heft op uw hoofden, poorten wijd!

Wie is het, die hier binnenrijdt?

Begroet Hem, Heer der heerlijkheid

en Heiland vol barmhartigheid!

Hij geeft de wereld ’t leven weer.

Juicht blijde, zingt uw God ter eer,

looft Hem, die sterk van daad

de deuren binnengaat!

Christenen vieren Advent in een donkere tijd,
uit een daad van geloof, verwachting:
Hoe donker het ook is: God komt! Midden in de winternacht, gaat de hemel open.
‘Het is een van de belangrijkste overtuigingen in de Bijbel
daar waar angst, nood, donkerheid, en hopeloosheid het sterkst zijn,
het reddend ingrijpen van God merkbaar dichtbij is.’
Kijk dan op, want de redding is nabij.
Opkijken is niet gemakkelijk – oefenen!
Geloof & hoop.

De nacht is haast ten einde,
De morgen niet meer ver.

Zo is ons God verschenen
in onze lange nacht.

Er zullen veel donkere en bittere nachten komen
en God lijkt wel diep verborgen in onze duisternis.
Toch! We kijken op, omdat we weten dat Hij komt.
Al gaat dat opkijken niet zonder aanvechting, zonder gebed:
O kom, o kom Immanuël,
verlos uw volk, uw Israël.
Amen

Preken in Adventstijd

Wat zijn de uitdagingen en de vragen bij het preken in Adventstijd? Frederick W. Schmidt schreef daar in 2014 een bijdrage over in het Journal for Preachers. Hij begint met wat er in de gemeente leeft, gaat daarna naar de overtuiging van de predikant en eindigt met wat de werkelijke uitdaging is: leven vanuit Gods aanwezigheid, waardoor men kan wachten op Gods komst.

Groepen in de gemeente
Hoe leeft eschatologie in de gemeente? Er zijn verschillende groepen om rekening mee te houden:

 

  • De spiritueel maar niet religieus geörienteerden (SBNR: ‘the spiritual but not religious’), de niet-kerkelijk gebonden personen, de zoekers, de mensen die zich in de marge van onze gemeente ophouden.

    Dit is een diffuse groep, waarbij de typeringen duiden op wat kerkmensen als gemis zien: kerkelijke betrokkenheid, actieve participatie in geloof of een geloofsgemeenschap. De distantie tot de kerk is niet zo absoluut als wel eens gedacht wordt. Daarnaast is de vraag of de personen uit deze ‘groep’ geen interesse hebben in geloof of religie of dat zij zich distantiëren van een bepaalde vorm van georganiseerde godsdienstigheid. Onderzoekers hebben geconstateerd dat in deze groep kinderen van gescheiden ouders oververtegenwoordigd zijn: door de scheiding van de ouders is de geloofsopvoeding onderbroken.

    Deze groep komt alleen maar in aanraking met eschatologie via de seculiere apocalyptische visioenen, die in onze cultuur rondwaren. Deze seculiere visioenen onthullen iets van de algemene verlangens en angsten in de maatschappij. Deze visioenen onthullen ook iets van de verhalen en gedachten over het ‘einde’ die de levens van mensen vormen. De expliciete en impliciete thema’s van deze visioenen vormen een aanknopingspunt voor het gesprek vanuit het christelijk geloof. Daarbij moet wel veel over het evangelie, dat in de christelijke eschatologie, aanwezig is worden uitgelegd.

  • Dispensionalisten
    Aan het andere einde van het spectrum zijn de gemeenteleden die beïnvloed zijn door een dispensionalistische leeswijze van de Bijbel. Zij hebben een speciale bril waarmee zij de Bijbelgedeelten die in de Adventstijd op het rooster staan lezen. Zij zien hun leeswijze als de enige, orthodoxe leeswijze en verzetten zich tegen een andere interpretatie.

    De oorsprong van deze leeswijze is afkomstig van John Nelson Darby, die de geschiedenis onderverdeelde in twee dispensaties (bedelingen): de dispensatie van de wet en de dispensatie van de genade, waarbij het kruis op Golgotha de scheidslijn vormde. Deze onderverdeling vormt de bril waarmee de Bijbel, de geschiedenis en de toekomst wordt geduid.

    Er zijn drie ontwikkelingen die het dispensationalisme levend hielden:
    * De Scofield Reference Bible (1909), een Bijbel uitgegeven door C.I. Scofield die hij voorzag van dispensationalistische commentaar bij de tekst. Sommige lezers van die Bijbel hebben de indruk dat ook dat begeleidend commentaar door de Heilige Geest is geïnspireerd en hetzelfde gezag hebben als de Bijbeltekst.
    * Een boost kreeg het dispensationalisme door de boeken van Hall Lindsey, die hij publiceerde in de spanningen van de Koude Oorlog.
    * Een zeer invloedrijke uitgave waren de boeken van Tim LaHaye: de Left Behind- serie (in het Nederlands de serie: De laatste bazuin), die ook nog eens werden verfilmd.

 

  1. Een andere groep die in de eredienst aanwezig is bestaat uit mensen die niet bewust met eschatologie bezig zijn en allerlei vage ideeën hebben over het einde, over hemel en hel, over oordeel en behoud, over bepaalde politieke interpretaties van het Koninkrijk van God.
    Deze groep worstelt met de vraag of een orthodoxe leeswijze van de Schrift een bepaald achterhaald wereldbeeld veronderstelt.

    Het is nauwelijks te onderschatten hoe gebrekkig het gemiddelde kerklid is gevormd in het geloof. Veel basisinformatie van het christelijk geloof is onbekend bij gemeenteleden. De verwachting is dat het met de eschatologische zienswijze niet anders is.

 

Vragen
Wat houdt dat allemaal in voor de verkondiging in de Adventstijd? Voor de predikant geldt dat hij rekening moet houden met de complexiteit van zijn gemeente. Daarnaast geldt Advent ook als een kritische vraag aan de predikant: Gelooft hij zelf dat de Adventstijd een nieuwe tijd markeert, die meer betekent dat welk ander nieuw begin dan ook? Wat geloven ze zelf over eschatologie? Wat zien we als een eschatologisch moment? En op welke manier bereiden wij ons daar op voor? Wachten we dan op God?

Nieuw begin
Advent is een uitnodiging om het drama van de heilsgeschiedenis binnen te treden, ons voorbereidend op een nieuw begin. Anticiperen op de komst van de Messias en daarmee het aanbreken van het Koninkrijk van God.
Het probleem van de eschatologie is niet de seculiere wereld om ons heen met een andere visie op de werkelijkheid, maar onze eigen gebrek aan overtuiging in wat we in onze eschatologie leren. Advent kan wel ondersneeuwen in alle feestdrukte van Sint-Maarten, Sinterklaas en Kerst (in de VS: tussen Thanksgiving en Kerst). Temidden van deze sfeer lezen we in Adventstijd gedeelten over de Dag van de Heer, de dag waarop de God van Israël komt met Zijn oordeel.
Vanwege die dag doen we in de kerk wat er in veel media een maand later gebeurt: terugkijken op de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Maar dan niet om onze triomfen nog eens de revue te laten passeren. Om die romantische en sentimentele reden verandert er na 2 januari niets. De vraag die in de verkondiging gesteld wordt, luidt: Welke momenten brachten je dichter bij God en bij je naaste? Of juist: Welke momenten dreven ons bij God en bij onze naaste weg?

God maakt het goed
Er zijn 4 soorten eschatologie:
(1) Persoonlijke eschatologie
(2) Spirituele eschatologie
(3) Socio-politieke eschatologie
(4) Kosmische eschatologie
Voor deze 4 vormen zijn Bijbelse argumenten te geven. Het probleem in de eschatologische discussie is dat bij al deze 4 vormen de vraag vooral gaat om wat die veranderingen voor ons betekenen: onze redding, ons leven, onze wereld, onze sociale ordening . Daarmee raken we het zicht op de heilsgeschiedenis kwijt. In de Bijbel draait eschatologie niet om ons, maar om God. De claim van de eschatologie is dat God uiteindelijk alles goed maakt. Het is nodig om dit in duidelijke taal vanaf de kansel te brengen. Eschatologie gaat niet over de redding van mijn of ons leven of over de transformatie van onze wereld, over de redding van onze planeet. Dat zal allemaal gebeuren, maar omdat God uiteindelijk alles goed maakt.

Wachten
De verhalen van Left Behind hebben de eschatologie triviaal gemaakt, omdat ze de eschatologie hebben losgekoppeld van een wezenlijk element: het wachten op God. Juist dat wachten op God en op Zijn handelen staat centraal in de Adventstijd en komt terug in de gebeden bij het Heilig Avondmaal.
Wachten en (uit)kijken staat centraal in Markus 13 en in andere adventsteksten. Wachten staat voor beschikbaarheid, voor het kunnen wandelen met Christus. Vanwege de wereld die aan de zonde en de zinloosheid is onderworpen (en ons daarbij inbegrepen) wordt dat wachten gekenmerkt door (schuld)belijdenis, verzoening en een verandering van levensstijl. Door onze zonde zijn we niet beschikbaar en wandelen we niet zo snel met Christus. Door onze zonde kunnen we God niet God laten zijn en kunnen we niet wachten op wat God doet. Vanwege dat wachten en onze worsteling met het wachten of weigering om te wachten is de eschatologie niet alleen op de toekomst gericht, maar ook op onze instelling in het heden.

Reeds
De uitdaging van preken in Adventstijd is het vertellen van het grote verhaal van Gods handelen, dat boven elk menselijk verhaal uitstijgt. De clou van dat verhaal is dat het niet eens realiteit wordt, maar reeds realiteit is dat ons leven en het leven van de kerk bepaalt. Deze overtuiging moet in elke gemeente worden gebracht. Niet als een abstract verhaal of als een sentimentele hoop, maar als de bron van een leven dat geleefd wordt vanuit en gevoed wordt door de aanwezigheid van God.

 

N.a.v. Frederick W. Schmidt, ‘Recovering the Divine Narrative: Advent, Eschatology, and the Preacher’ , Journal for Preachers 38/1 (2014).

Preek zondag 30 november – middagdienst

Preek zondag 30 november – middagdienst
Titus 2:11-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is in een klas op een middelbare school.
De sfeer is goed en de klas is rustig aan het werk.
De docent merkt dat hij even iets moet doen buiten de klas.
Hij bereidt zijn klas erop voor en zegt dat hij even weg moet.
Hij zet hen aan een opdracht waarmee ze bezig moeten zijn zolang hij weg is.
De klas begint aan de opdracht en de docent loopt de klas uit.
In de eerste minuten gaat het goed: het is nog stil en de klas werkt nog door.
Maar dan komt er gefluister, eerst zacht vooraan en dan door de hele klas.
Opeens vliegt er een prop door de klas.
Gegooid van voor uit de klas op de tafels van een van de leerlingen
die ondanks het toenemende rumoer nog steeds met de opdracht bezig is.
Dan krijgt de leerling die de prop gooide vanuit een andere hoek een gum tegen zijn hoofd gegooid.
Verontwaardigd staat hij op en stormt op degene af die de gum heeft gegooid.
Het rumoer in de klas wordt steeds luider en luider.
Ver op de gang is de herrie al te horen.
Maar in de klas niemand die er om maalt,
want de leraar is er niet en ze kunnen nu hun gang gaan,
even wat anders dan de opdracht die ze moeten doen.
Ze kunnen de hele dag nog wel naar school.
Terwijl de proppen en gummen door de lucht gegooid worden,
gaat de deur open
en in de deuropening … verschijnt de conrector.
Het is gelijk stil in de klas als ze de conrector daar zien staan in de deuropening
en vooral als ze zijn gezicht zien,
want die staat niet vrolijk.
Je ziet het al aan het gezicht: er zwaait wat voor deze klas.
De conrector heeft het rumoer gehoord en ging een kijkje nemen
en zo verscheen hij in deze klas.
Problemen voor deze klas: in ieder geval een stevige toespraak en misschien ook wel straf.

De conrector die verschijnt in de opening van de deur van in het lokaal.
Dan gebeurt er wat met de leerlingen in dat lokaal: de orde wordt hersteld.
Paulus schrijft aan zijn vriend Titus ook over iemand die ergens verschijnt:
Want de zaligmakende genade van God is verschenen.
Christus Jezus is verschenen als de zaligmakende genade van God.
En Christus verscheen ook om orde op zaken te stellen:
om goddeloosheid en wereldse begeerten te verloochenen.
Om bepaald gedrag af te leren, om ons, u, jou, mij te corrigeren
zoals de conrector de klas ook moest corrigeren,
zoals de conrector bepaald gedrag van de klas moest afleren,
namelijk dat de klas gaat herrieschoppen zodra een leraar weg is
om hen te leren dat zij netjes aan de opgegeven opdracht moeten werken.
Is Christus dan ook verschenen net als de conrector
om met gezag en met straf de orde weer te komen brengen?
Dat zou toch niet zo verwonderlijk zijn?
Dat zou toch het recht zijn dat God heeft
om de mensen die tegen Hem ingegaan zijn weer op die manier te corrigeren, te straffen?
Want zijn wij niet als mensen zoals die klas
die van de afwezigheid van de leraar gebruik maakte om de boel op de kop te zetten,
hebben wij niet op  dezelfde manier gebruik gemaakt van Gods afwezigheid
om ook de boel op de kop te zetten
door net te doen alsof God niet meer terugkomt en we Hem ook niet meer nodig hadden?
Dat uitte zich dan niet in het gooien van proppen,
maar in wat Paulus heel beknopt en kernachtig omschrijft als goddeloosheid en wereldse begeerten.

Goddeloosheid en wereldse begeerten – dat zij in ieder geval geen zaken
die alleen bij anderen voorkomen,
mensen die niet geloven, mensen van buiten de kerk,
zodat we met elkaar hier tevreden zouden kunnen zijn
en tegen elkaar kunnen zeggen: van die goddeloosheid hebben wij hier mooi geen last meer van.
En die wereldse begeerten, daar hebben wij hier gelukkig hier niets van doen.
Je vindt dat wel, hier, en ook hier op het dorp, maar in ons leven gelukkig niet.
Zou het echt zo zijn, gemeente, dat de Heere Jezus bij Zijn verschijnen
ons niets te melden zou hebben
en alleen maar complimenten zou geven: wat heb je je keurig gedragen bij Mijn afwezigheid?
Nee, de Heere Jezus moest juist komen,
en Hij kwam niet alleen voor de anderen, Hij kwam ook voor mij.
Omdat in Mijn leven aan te wijzen: er zit iets mis.
Er zit iets goed mis.
Laat mij je ervan redden: van je goddeloosheid.
Laat mij dat nou uit je leve weghalen dat je altijd de neiging hebt om het zelf op te lossen
zonder de Heere erbij te betrekken
of Hem pas als allerlaatste als je er zelf niet meer uitkomt – goddeloosheid.
Goddeloosheid? Is dat niet te scherp?
Christus verscheen om te laten zien dat wij zonder God leefden.
Om zonder God te leven hoef je echt geen slecht iemand te zijn.
Je kunt ook een hele mooie, vrome buitenkant hebben,
waar iedereen van onder de indruk is,
terwijl in jezelf iets ontbreekt
en misschien heb je dat bij jezelf niet door en hebben anderen dat ook niet door
omdat ze onder de indruk zijn van hoe je overkomt.
Maar in je hart mist er iets: vertrouwen op God,
werkelijk leven met de Heere, oprechte liefde tot Hem
het geloof dat je niet zonder Hem kunt en ook de wil om het niet zonder Hem te doen.
Als je dat niet hebt: goddeloosheid.

Daarom kwam de Heere Jezus naar de aarde:
om dat ons voor te houden: je leeft zonder je schepper, je denkt niet aan God.
Maar – en gemeente dat is het bijzondere
en al hebt u dat vaak gehoord en kijkt u niet meer van op – het blijft bijzonder
Hij is verschenen als de zaligmakende genade van God.
Niet als een conrector die de orde terugbrengt door zijn gezag te laten gelden
en sancties oplegt om te voorkomen dat de klas de volgende keer weer uit de bocht vliegt.
Nee, als een Kind, een baby: kwetsbaarder kan niet,
want zo hulpeloos en zo afhankelijk van Maria.
God zelf die niet verschijnt als rechter die nu eens eindelijk rechtspreekt
of als een boze eigenaar die verhaal komt houden
omdat wij mensen er met de pet naar gooien.
Als baby: God nam verworpen mensenvlees tot kleed
om broos genoeg te zijn voor doodlijk leed
.
Zo is ons God verschenen: in de kribbe in Bethlehem.
Op een bijzondere manier – om ons op die manier te verlossen van onze goddeloosheid
om ons daaruit weg te roepen.
Hij kwam niet naar de aarde om onze vertedering op te roepen,
maar om ons iets te leren: dat we zonder God niet kunnen, niet mogen leven,
dat op de weg die wij gaan ook een omkeer mogelijk is.
Verschenen … om de goddeloosheid en de wereldse begeerten te verloochenen.
Zodat je daarvan loskomt, uit weggeroepen wordt, dat dat je leven niet meer beheerst.
Jezus kwam om ons vrij te kopen
maar ook als een leraar die ons uitlegt hoe het wel moet en hoe het niet moet.
Hij toont een nieuwe manier van leven: met Hem, met God.

Goddeloosheid betekent: dat je een ander hebt
een ander dan degene die je geschapen heeft,
een ander dan degene die zijn leven voor je gaf en terugkomt op de wolken.
Een ander.
Jezus toont een leven waarin God weer terug is, niet meer een ander,
maar toont het niet alleen, maar zorgt er ook voor dat het goed komt.
Zaligmakende genade.
Zaligmakend: daar zit in dat je moet veranderen en dat je dat zelf niet kunt,
maar dat Christus je verandert en je zuivert, je reinigt met Zijn bloed.
Het onvoorstelbare dat het weer goed gekomen is
door God zelf, omdat Hij Zijn Zoon zond.
En dat door Hem een eeuwig leven met de Heere mogelijk is.
Daar zit ook redding in, zoals een helikopter van een reddingsteam een drenkeling redt
die midden in zee ronddobbert en aan een touw uit het water tilt.
Zo kon het niet langer en zo hoeft het ook niet langer,
want God red je eruit.
De Heere Jezus verscheen als een baby,
maar dat is wel het reddingstouw waarmee Hij ons redde uit de verlorenheid, uit de nacht.

We leven in deze tijd in een tijd van cadeaus kopen.
Op de club is Sinterklaas gevierd. Hij is al in Oldebroek gekomen en op diverse verenigingen is hij langsgeweest: bij de voetbal, bij de brandweer.
Op zulke momenten verwacht je een cadeau, een klein geschenk.
Zo geeft God ook een geschenk,
een onverwacht geschenk, hoewel: het was al in het Oude Testament aangekondigd.
God was het niet aan ons verplicht, terwijl je in deze tijd af en toe een cadeautje verwacht.
Genade, dat is een geschenk.
Genade, dat heeft de betekenis van ‘weldoener’,  een sponsor die een substantiële bijdrage levert.
In dat geschenk zie je het karakter van de gever, de sponsor.
Jezus Christus is het geschenk van God.
Als je veel van iemand houdt, geef je het mooiste wat je hebt – da’s heel gewoon.
Omdat God van mensen houdt, gaf Hij het mooiste wat Hij had: Zijn eigen Zoon
.
Om ons te redden, terug te brengen.

Ook om ons te redden van verlangens, begeerten van deze wereld
die aan ons kunnen trekken en die ons weg kunnen voeren van God.
In vers 1-10 worden daarvoor een aantal voorbeelden genoemd.
Voorbeelden die in de tijd waarin Titus leefde misschien heel gewoon waren
en waar niemand iets verkeerds in zag
maar waarvoor Paulus Titus waarschuwt: zeg tegen je gemeente dat die krachten
je bij God vandaan houden en je leven kapot maken.
Je kunt er aan meedoen, zoals in een klas waar de docent ontbreekt, omdat iedereen meedoet,
maar toch: ze zijn niet goed, ze zijn schadelijk.

Het begint allereerst met Titus zelf en de boodschap die hij moet brengen:
een gezonde leer, een verkondiging die een gemeente gezond maakt
omdat het bindt aan Christus en niet aan een predikant
gezond, omdat het een boodschap is die door God gegeven wordt
en niet een boodschap die mensen graag horen,
een boodschap die mensen wegleidt bij de goddeloosheid en bij de wereldse begeerten vandaan.
De oudere mannen in de gemeente,
die een steunpilaar in de gemeente behoren te zijn.
Zij kunnen zich laten gaan, als er drank op tafel komt bijvoorbeeld
en daarbij vergeten dat zij een voorbeeldfunctie hebben voor anderen in de gemeente.
Zij behoren beheerst te zijn, eigenlijk: sober.
Drank is een gevaarlijke macht die bezit van je kan nemen
en teveel, het verliezen van de beheersing, van de soberheid kan leiden tot uitspattingen en geweld,
tot grenzen overgaan, je niet meer in de hand houden.
In het overleg met de burgerlijke gemeente werd ons meegedeeld
dat aan huisverboden vanwege huiselijk geweld nogal eens een teveel aan alcohol een rol speelt.
Als oudere heb je geen respect omdat je ouder bent en veel hebt meegemaakt
maar omdat je jezelf weet te beheersen en een waardigheid uitstraalt,
de waardigheid dat je van Christus bent, dat Hij je leven beheerst en niets anders.
Je leeft vanuit Christus, je leeft toe naar de grote dag van Zijn komst.
Voorbeelden als het gaat om geloof, hoop en liefde.

Oudere vrouwen, vers 3, dienen een voorbeeld te zijn voor de jonge vrouwen in de gemeente.
Niet een voorbeeld van hoe een nieuwtje snel door het dorp kan verplaatsen.
Niet een voorbeeld van hoe makkelijk er kwaad over iemand gesproken kan worden
omdat je iets hebt gehoord dat je toch graag doorverteld.
Vaak zit daarin iets liefdeloos en geesteloos, het bouwt niet op
het bouwt alleen een vooroordeel op.
Oudere vrouwen zouden juist aan de jongere moeten leren
hoe je hiermee omgaat en dat je er juist niet in meegaat
zoals een klas meegaat in het rumoer en de chaos als de docent ontbreekt,
maar juist tegenwicht, een andere weg.
Hoe je omgaat met wat je te horen krijgt over een ander.
Op de opleiding werd mij geleerd: roddel => gossip.
In de gemeente zou het van gossip => gospel moeten worden.
In plaats  van het kwaadspreken betrokkenheid en bewogenheid, zoals onze Heer dat ook zou doen
en heeft laten zien, voor ons en voor de ander over wie we spreken.
En houden van je man: waarom zouden de oudere vrouwen dat moeten doorgeven en voorleven
aan jongere vrouwen in de gemeente?
Omdat zij ervaring hebben in het volharden in de liefde
dat zij  ook ervaring hebben, levenswijsheid, hoe je na zoveel jaar huwelijk
toch van elkaar houdt en niet op elkaar uitgekeken bent
en je eigen man niet vergelijkt met anderen of verlangt naar een ander?

En jonge mannen, voor wie de wereld op ligt?
Als je jong bent, denk je dat je heel wat aankunt aan uitdagingen en werk,
aan verleidingen, dat jij degene bent die het leven beheerst.
Maar je kunt daarin vastlopen, omdat een opdracht of een studie toch te moeilijk is,
het hakt erin dat je het toch niet aankunt.
Of je hebt jezelf toch niet in de hand en je drinkt meer dan goed voor je is.
Je respecteert de grenzen van meisjes niet, want dat hoeft in deze tijd toch niet meer?
Versiercoach – ze bestaan echt en ze leren aan jongemannen dat als een meisje nee zegt
dat ze eigenlijk ja bedoelt want ze wil verovert worden.
Paulus houdt Titus voor dat hij deze jongemannen moet opvoeden
zodat ze zich leren beheersen, respect voor God en de mensen om zich heen
dat ze leren dat het in de wereld niet gaat om je eigen verlangens na te volgen
maar Gods wil te doen
omdat je Christus verwacht.

De zaligmakende genade van God is verschenen.
Het is niet om het even, het gaat om je redding.
Je bent vrijgekocht
omdat Christus verscheen op aarde
en Zijn leven gaf, stierf voor jou en je zonden om je los te maken van je zonden
met die goddeloosheid en met die wereldse begeerten keer je weer terug naar je oude leven
en is Christus voor niets gekomen.
Maar nu, Christus is gekomen, om de weg te wijzen, advies, Ik zal raad geven, mijn oog is op u.
En om te bevrijden, te redden, zalig te maken.
Om ons te reinigen en van ons, van u een volk te maken dat vol ijver is om het goede van God te doen.
Amen

Preek zondag 30 november 2014 1e zondag van Advent

Preek zondag 30 november 2014 1e zondag van Advent
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Schriftlezing: 1 Thessalonicenzen 5:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Intro
In de gemeente waarin ik opgroeide was er elk jaar een kerkkamp voor de jongeren van 12-15 jaar.
Het was een kamp in de laatste week van de grote vakantie
met serieuze bijbelstudie, met spellen en ’s avonds in het donker een wandeling of een dropping.
Op een van de avonden moesten we van de leiding allemaal onze zaklamp meenemen
naar de zaal waarin we moesten verzamelen.
Toen we daar aangekomen waren, moesten we allemaal onze zaklampen inleveren
en werden we daarna meegenomen, in het donker, naar een plaats midden in het bos.
We werden in groepen verdeeld en moesten per groep
zonder zaklantaarn de weg in het donker terug naar de kampboerderij terug zien te vinden.
Toen heb ik ervaren wat donker is
en hoe moeilijk het is om in het donker de weg te vinden.
Want we wisten als groep niet welke kant we op moesten.
Er was nergens een licht in de verte te zien
waardoor we in ieder geval een weg zouden kunnen vinden.
In het donker konden we ook niet zien of we op een pad liepen.
We liepen als klein groepje gewoon maar een kant uit.
We liepen door doornstruiken
en dat merkten we doordat we met onze broeken aan de struiken bleven haken.
Soms viel er een, omdat hij of zij in een kuil stapte.
Je probeert je dan voor de ander groot te houden
en net te doen alsof je niet bang bent
en alsof we vanzelf wel een licht in de verte zouden zien,
waardoor we in ieder geval bij een weg zouden uitkomen.
Na een tijd zagen we in de verte een licht branden,
waarschijnlijk van een boerderij of een lantaarnpaal langs de weg.
Vanaf dat moment hadden we een punt om naar toe te lopen
en zo wisten we uiteindelijk de weg te vinden.

(2) Wie niet gelooft, is in de duisternis
Zo lopen in de duisternis, dat kan je dagelijks leven zijn.
Ook al lijkt het licht om je heen en is het klaarlichte dag,
je kunt als mens in de duisternis leven.
Wie niet in God gelooft, leeft in de duisternis.
Zo scherp is het: wie niet gelooft in God, leeft in de duisternis.
Niet omdat tegen een ander te zeggen vanuit een bepaalde zekerheid
dat wij goed zitten en anderen die niet geloven fout,
maar voor onszelf, voor u en jou zoals je hier in de kerk zit:
Als je niets met de Heere Jezus hebt, dan leef je in de duisternis.
Dan ga je je weg door het leven net zoals wij toen door het bos liepen: in het donker
zonder dat je weet welke kant je op moet.

Kenmerk van deze duisternis is dat je niet altijd beseft dat je in deze duisternis verkeert.
Je hebt het niet altijd door dat je in duisternis leeft,
misschien omdat je bent opgegroeid zonder dat je ooit over God hebt gehoord.
Er was niemand die je vertelde over God,
en als je er toch vanuit jezelf over nadacht,
was er niemand aan wie je de vragen kon stellen die je had
of  wilden ze er geen antwoord op geven.

Of het is donker in je leven, omdat je nog nooit iets hebt ervaren van de Heere Jezus.
Soms kun je pas doorhebben hoe donker het is
om je heen of in je leven
als er een licht aangedaan wordt,
zo kun je pas nadat de Heere Jezus in je leven gekomen is
ontdekken hoe donker je leven daarvoor was, toen je nog leefde zonder Hem.

Kun je daaraan lijden, dat je leeft in de duisternis?
Hebt u daaraan geleden toen u nog leefde in de duisternis?
Lijd jij eraan dat je God nog niet kent?
Voor de gemeente van Thessalonica staat de nacht hen nog helder voor de geest.
Het was nog niet zo lang geleden dat zij zelf nog in zo’n nacht rondliepen,
een nacht waarin Christus afwezig was, omdat ze Hem niet kenden.
Als ze daaraan terug dachten, hadden ze het moeilijk.
Hadden ze de Heere Jezus maar eerder leren kennen,
dan hadden ze niet zo hoeven ronddolen, hoeven zoeken naar geluk, naar God.
Hadden ze die periode van hun leven waarin ze niet bij de Heere waren maar niet gehad,
want nu hebben ze een periode gehad, waarin ze de Heere verdriet deden,
omdat ze niet bij Hem en van Hem waren.
Toen misten ze de liefde, toen hadden ze geen geloof en ook geen hoop.
Als ze erop terugkeken: een leeg leven.
Wat gunden ze het ieder ander om hen heen om ook de echte God te leren kennen.
Zodat ook voor hen de nacht over zou zijn, de duisternis voorbij.

(3) Valse zekerheid
Het is nacht als het zonlicht er niet meer is en het buiten donker is.
Zo is het voor een mens nacht als God er niet meer is.
Nacht is het als Zijn licht uit je leven wordt verbannen of niet wordt toegelaten.
Maar wij verkozen ’t duister meer
dan ’t licht door God geschapen
wij dwaalden weg van onze Heer
als redeloze schapen.

Maar heb je dat door? Lijd je eraan als je in de duisternis bent, zonder God?
Niet altijd.
In ons land zijn er weinig plekken waar het echt donker is
omdat er ’s nachts verlichting is.
Als het schemerig begint te worden springt de straatverlichting aan
en auto’s en fietsers doen hun licht aan.
In huis wordt het donker tegengegaan door de lampen aan te doen.
Met al die verlichting en al die lampen die we aandoen kunnen we ’s avonds lang doorgaan.

Ook als het in ons leven donker is omdat we God niet kennen, zonder God leven
kunnen we allerlei lampen aandoen
en onszelf nog aardig redden.
Dat is toch zo? We kunnen ook zonder God vaak toch nog wel redden?
Of komt er bij jou wel een onrust als je merkt dat je zonder de Heere leeft?
Komt er een ongerustheid of een paniek bij u op
als u merkt bij uzelf: ‘Maar ik leef zonder God! Ik leef zonder mijn Schepper,
zonder Christus, zo kan ik niet leven?’
Of doet u dan wat verlichting aan voor uzelf,
om uzelf wat behaaglijker te voelen en zodat u op dezelfde manier verder kunt leven,
want nu het niet meer helemaal donker is, kun je toch best een tijdje verder?
Dan zoek je je behoud nog bij jezelf,
dan probeer je jezelf nog een tijdje te redden, een tijdje voort te helpen.
Maar het echte donker verdrijf je daarmee niet
en de lege plaats van God heb je wel opgevuld, maar met een schijnoplossing,
een oplossing die het niet houdt als je voor de Heere komt.

Je kunt je wel inbeelden dat je veilig bent.
Dat hoorden die pasbekeerden in Thessalonica ook: ‘Het is toch vrede? We lopen geen gevaar!’
Wat maak je nou druk om een God die Zijn Zoon naar de aarde zond?
We hebben een prima leven toch? We missen toch niets?
Wat kijk je nou vooruit naar de Wederkomst?
We hebben het hier toch goed? We hoeven helemaal geen hemels Koninkrijk,
want beter dan nu kan het niet zijn.
Geen oorlog in onze buurt, alleen ver weg.
Niets dat ons leven bedreigt.
We hebben alles op orde.
Waarom zou je die vrede en veiligheid opofferen door je druk te maken over Christus?
Je hult je dan in de nacht, geeft Paulus aan.
Je bent er in gevangen. Je moet er uit worden gered.

Wij hebben dag en nacht verward,
de nacht geprezen in ons hart
en onze dag verslapen
.

Want als de Heere Jezus terugkomt, op die grote dag, wat blijft er van dit leven over?
Dan schrik je wakker en is je veilige leventje een nare droom geweest
waarmee je jezelf in slaap had gesust om je maar niet over God druk te hoeven maken.
Dan wordt je ruw wakker geschud als de Heere Jezus terugkomt.
Zoals je huis overhoop gehaald wordt door een inbreker
omdat je dacht: dat overkomt mij toch niet.
Valse gerustheid.

(4) Maar u bent kinderen van het licht en kinderen van de dag
Maar dan die woorden die Paulus schrijft aan de gemeente:
Maar u leeft in het licht.
Als ik dat hier in de kerk zou zeggen en dat het de boodschap zou zijn van de preek
zou er straks bij de koffie worden gezegd:
‘Dat gaat wel erg makkelijk. Er is helemaal geen worsteling.’
Toch zegt Paulus dit over de gemeente in Thessalonica.
Geweldig als dat over je kan worden gezegd.
Dat je niet meer in de nacht bent, zonder God, maar dat je in het licht bent.
Als je uit die nacht weggegrepen bent, weggeleid.
Als dat in je leven is gebeurd dat God in je leven terugkwam,
je hart openging voor de Heere Jezus.
Weet je wat er dan gebeurt:
de heerlijkheid van de Heere omstraalde hen,
dan valt het licht van God over je leven
en dan zegt de Heere tegen je: ‘Je leeft niet langer in het duister, maar je bent van Mij.
Al je zonden en je tekorten heb ik weggedragen, verzoend,
het is weer goed tussen God en jou, tussen u en Mij.’
Wat een groot wonder, want dan is de nacht voorbij.
U bent allen kinderen van het licht.
Paulus kan dat over de hele gemeente zeggen.
Hij zegt niet: er zijn er enkelen die zo gelovig zijn, die zijn een licht, een voorbeeld voor de rest.
Nee, hij zegt: U allen!
Zouden wij dat over heel de hervormde gemeente van Oldebroek mogen zeggen:
U bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag?
U weet wat de duisternis was, maar nu leeft u gelukkig allemaal in het licht,
omdat de Heere Jezus in het leven van eenieder uit de gemeente gekomen is?
Wat zou het rijk zijn als dat van iedereen mag gelden.
Als de Heere dat over jou en over u kan zeggen: je hebt Mij weer toegelaten in je leven.
Je bent weer van Mij.
Ik heb je met Mijn eigen bloed van de duisternis vrijgekocht
en je ging met Mij mee uit de duisternis naar Mijn licht!
Mijn licht straalt over jouw, uw leven – zoals het over de herders in Bethlehem straalde.
Je bent niet meer in de duisternis, je bent niet meer in de nacht!
Gemeente, als dat over je gezegd wordt, als dat voor je geldt
dan kun je dat vol verwondering zeggen – zingen!
Ik wandel in het licht met Jezus – het donkere dal ligt achter mij
en ik weet mij in Zijn trouw geborgen

Gemeente, laat het geen valse gerustheid zijn.
Valse gerustheid is zekerheid buiten de Heere Jezus.
Je kunt je hier aardig redden, maar het is een schijnzekerheid, uiteindelijk red je het niet zonder Hem

(5) Koppeling naar het Heilig Avondmaal
De komende week, de week van voorbereiding, is bedoeld om bij onszelf na te gaan:
leven we in een valse gerustheid, beelden we ons in het licht al te hebben,
maar leven we toch in de nacht – al willen wij dat zelf niet onder ogen zien,
of geldt het ook voor u, wat Paulus over de gemeente van Thessalonica zegt: U bent in het licht,
u bent van Christus.
Dat is de vraag waar het om gaat.
Bent u al uit de nacht?
Dat wil zeggen: beseft u dat u – als u zonder Christus leeft – het nog donker is in uw leven?
OF zeg je: ik heb over de Heere Jezus gehoord. Hij is mijn licht.
Ik zie in hoe Hij gestorven is, hoe het nacht werd in Zijn leven, een dikke duisternis op Golgotha
waar Hij het moest uitroepen dat Hij door God verlaten was.
Daarmee verbrak Hij voor u, voor jou de nacht!
Zoals de zon het donker verdrijft, zo verdrijft Christus de nacht, een leven zonder God, uit ons leven.
Door in te staan voor onze keuze.
Hij nam het oordeel op zich, dat wij hadden verdiend.
Geloven in de Heere Jezus betekent dan: dankbaarheid, omdat je uit de nacht mag gaan.
Niet dat je dan perfect bent, en nooit meer worstelt – was dat maar waar.
Maar je weet: ik ben van Hem en ik hoor aan Zijn tafel.
Niet omdat ik het zo goed doe, niet omdat ik zoveel licht verspreid,
maar omdat ik niet meer zonder Hem kan.
Ik kijk naar Hem uit, volgende week om aan Zijn tafel te zitten,
maar ook later, op die dag dat Hij terugkomt.

Misschien is het voor u komende week een week van spanning:
voldoe ik wel in Gods ogen?
Heb ik genoeg geloof en vertrouwen?
Leef ik wel zo, als God van mij vraagt.
Als ik eerlijk ben, dan ben ik het toch niet waard om aan Zijn tafel te zitten?
Daar ben ik toch nog te zondig, te onrein voor, toch nog teveel in de nacht?
Maar daarvoor komt u niet aan het Avondmaal, gemeente,
om te laten zien dat u het zo goed doet,
want die zonden en die gebreken blijven in ons, totdat wij heengaan
of totdat de dag dat Christus terugkomt, Hij ons verandert.
Maar nu al mag u van Hem zijn, mag Zijn licht over uw leven schijnen.
Wie aan het Avondmaal aangaat schijnt niet zijn eigen licht,
het is Zijn licht dat het dag maakt, voor u en voor jou.
Een voorbode van de dag die eens komen gaat,
de dag waarop de nacht helemaal voorbij is,
de zon is dan niet meer nodig en de nacht is helemaal voorbij
omdat Christus het licht is, in  dat nieuwe Jeruzalem. Maranatha!
Zo heffen we ons hart omhoog naar de Heere Jezus die in de hemel is
vanwaar Hij terugkomt.
Avondmaalsvoorbereiding is dat je dat licht niet afwijst,
maar toelaat in je leven, omdat je niet meer zonder kunt, zonder de Heere Jezus.
Amen

Er wordt voor God een weg gebaand (Jesaja 40:3)

Er wordt voor God een weg gebaand

Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des HEREN, effent in de wildernis een baan voor onze God. (Jesaja 40:3)

Met Kerstfeest vieren wij dat God in ons midden is gekomen. Hij kwam in de gedaante van een kind en werd in de kribbe gelegd.
Zat de wereld op Hem te wachten? Een adventslied begint op die manier: Kom tot ons, de wereld wacht. Zou het? Er was voor Hem geen plaats in de herberg.  Hadden wij verwacht dat God op deze manier zou komen? En als wij dat geweten zouden hebben, hadden wij dan op Hem gewacht?
Bereidt een weg voor de HERE. Dat is de opdracht die Jesaja, de profeet, opvangt. Die oproep veronderstelt dat de weg naar God er niet is. Of niet begaanbaar is, omdat er allerlei puin op die weg ligt. Wat voor een puin kan er niet liggen: gedachteloos aan God voorbijgaan, of juist verdriet en verwijten. Dat puin moet aan de kant, zodat er een weg gebaand kan worden voor God.
Wie moet dat puin weghalen? Voor wie is deze oproep bedoelt? Voor ons? Dat lijkt er wel op. Toch denk ik dat geen oproep is die voor ons is bedoeld. Voor wie dan? Voor iemand die in Gods naam een weg baant. Omdat wij vanuit onszelf niet in staat zijn om in onze wildernis een weg te banen.
In deze week werkt de provincie bij ons aan de weg: de bushalte wordt verhoogd. Daar hebben wij als bewoners van de Zonneweg niet om gevraagd. We hebben er zelfs tijdelijk last van. Het wordt voor ons geregeld, zodat degenen die met een rolstoel of een kinderwagen komen gemakkelijker in de bus kunnen stappen.
De oproep, die Jesaja hoort, is niet voor óns bestemd! Maar voor Iemand anders, die ons leven op orde brengt. Puin ruimt. Een weg baant voor God. Christus zelf of de Heilige Geest (Dat maakt niet uit. Zij zijn één).

Die oproep die God laat klinken, dat is Gods onvoorwaardelijke liefde.
Dus geen: voor wat hoort wat. Dan zou God pas naar ons kunnen komen als wij ons leven op orde hebben. Zou ons dat lukken? God komt, zonder op ons te wachten. Om Zelf een weg naar Hem te banen. Dat is nou genade.
Dus ook niet: ik ben het niet waard dat God komt. Hij is gekomen! Moet u nog meer bewijzen hebben van Zijn trouw en liefde? Zijn wij het waard dat God komt? Hij is gekomen! Dat heeft Hij voor ons overgehad. Hij zegt niet eerst: Je moet het waard zijn! Nee, de Here zegt: Ik maak je waardig om Mij te ontvangen. Die weg leg ik aan. Die weg ben ik zelf. Zodat die weg nooit meer afgesloten kan worden.
Dat is steeds weer het adembenemende van Kerstfeest: God heeft niet gewacht tot wij eraan toe waren. Hij is gekomen en daardoor kunnen wij Hem ontvangen. Er wordt een weg gebaand voor God. God legt zelf die weg. Hij is die weg.

ds. M.J. Schuurman