Preek zondag 15 december 2019

Preek zondag 15 december 2019
Schriftlezing: Mattheüs 25: 1-13 / Lukas 13 : 23-30
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het verhaal dat Jezus vertelt staat een feest centraal.
De komst van Christus, waar we als gemeente naar uitkijken, zal een feest zijn.
Zoals er op een feest vreugde is, er gevierd wordt,
zo zal de komst van Christus een grote vreugde zijn, zal er gevierd worden.
Het zal niet een zuinig gebeuren zijn.
Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed.
Die overvloed zal er zijn als Christus terugkomt:
rijk gedekte tafels, een groot feest, een intense vreugde.
Dat brengt de komst van Christus mee.
De komst van Christus is iets om naar uit te kijken:
Omdat Christus komt, maar ook om de vreugde en het feest dat er zal zijn.

Als je wilt weten wat de hemel zal zijn: dat zal één groot feest zijn,
een feest waarin onze Heere Jezus Christus in het middelpunt zal staan.
Iedereen die er is in de hemel mag delen in de vreugde van Christus.
Wie er is krijgt een plaatsje toegewezen aan het feestmaal.
Dan mag je weten dat onze God niet karig is, maar royaal, gul, uitbundig.

Ook het verhaal van Jezus dat we gelezen hebben,
is een verhaal waarmee Hij wil uitleggen dat Zijn komst grote vreugde zal geven.
Het is het verhaal van een bruidegom die komt om zijn bruid op te halen.
In het verhaal dat Christus vertelt staat niet de bruidegom centraal,
maar een tiental meisjes die een taak hebben in de ceremonie,

maar het verhaal laat genoeg ruimte om bij die bruidegom aan Christus te denken.
Dat is wat onze Heere wil aangeven aan degenen die bij Hem horen op aarde:
Zoals een bruidegom ernaar uit kijkt om naar zijn bruid toe te gaan,
zo kijkt Christus in de hemel uit om naar de aarde te komen
en Zijn gemeente als Zijn bruid op te halen en het grote bruiloftsfeest te hebben.
Christus kijkt uit naar de Wederkomst!

De vraag is alleen of wij als christenen op aarde klaar zijn om Hem te verwelkomen.
En daar gaat het verhaal over dat Jezus vertelt over die 10 meisjes.
Deze tien meisjes hebben een taak bij de bruiloft: zij moeten de bruidegom welkom heten.
Dat is natuurlijk een eervolle taak die deze meisjes gekregen hebben.
De Heere Jezus vertelt alleen maar over de avond waarop ze klaar moeten staan,
maar we kunnen ons voorstellen dat er een heel geregel aan vooraf is gegaan.
Ook voor die tien meisjes.
Het zijn nog jonge meisjes, nog niet oud genoeg om zelf te trouwen,
maar wel oud genoeg om een onderdeel van de ceremonie te mogen vervullen.
Zij krijgen de taak om als de bruidegom komt hem met een groot licht te onthalen,
zodat hij niet in het donker hoeft aan te komen.
Dat licht moet de luister laten zien die op de bruidegom afstraalt.
Hoe meer licht er straalt, hoe meer eer de bruidegom krijgt.
Hoe meer meisjes met fakkels er zijn, des te duidelijker wordt
het op welke manier de bruidegom wordt gewaardeerd.
Je voelt al aan: de Heere Jezus wil dat we Hem bij Zijn komst
vreugdevol onthalen, zoals die meisjes de bruidegom moeten opwachten
en de bruidegom groots onthalen met een lichtfestijn,
zo is het de bedoeling dat wij klaar staan om Christus op onze manier groots te onthalen.
Die tien meisjes zullen heel wat geoefend hebben
op de manier waarop ze de bruidegom moeten opwachten:
Waar ze moeten staan, wat ze met de fakkels moeten doen.
Zoiets laat je niet aan dat moment over waarop het gebeurt,
maar dat wordt zorgvuldig voorbereid, om de bruidegom niet voor schut te zetten.
Eindeloos geoefend..
De meisjes zullen trots geweest zijn dat ze uitgekozen zijn
en met plezier, en vast ook wel met spanning en met zenuwen, gerepeteerd hebben.
Met zorg zullen ze de lampen hebben uitgezocht,
met zorg de kleren uitgezocht of misschien wel zelf gemaakt.
’s Nachts zullen ze vast hebben gedroomd over hun rol tijdens het feest
en van het licht van hun lampen waarmee ze de bruidegom zullen eren en verwelkomen.

Ondanks al het gerepeteer en al het instuderen gaat er toch iets mis bij een aantal meisjes
en juist op dat punt wil Christus ons als gelovigen waarschuwen.
Vijf meisjes vergeten namelijk een belangrijk onderdeel dat nodig is voor hun rol: de olie.
Die vijf meisjes die de olie vergeten, worden dwaas (of dom – BGT) genoemd.
Die vertaling met dwaas (of dom) zet ons wel op het verkeerde been.
Want als je nu iemand dwaas noemt, geef je aan dat iemand raar of grappig is
of iemand zonder verstand, iemand die onverstandig is.
Onverstandig is het zeker wat de 5 meisjes doen als ze hun olie vergeten,
maar het woord dat Mattheüs gebruikt heeft een scherpere klank:
Het heeft meer de betekenis van hardleers zijn, niet willen luisteren, expres verkeerd doen.
Het kan de vijf meisjes niet schelen dat ze goed voorbereid moeten zijn.
Ze willen best met het hele spektakel meedoen en een leuke rol hebben,
maar die bruidegom zegt hen niet zoveel en dure olie hebben ze niet voor hem over.
Ze zijn niet zozeer vergeetachtig, maar onverschillig.
Ze denken: zo zonder olie kunnen wij prima meedoen met het gebeuren,
dan hebben wij toch het plezier en sparen we toch het geld uit van die olie.
Van twee walletjes eten, noemen we dat:
Meedoen met het mooie, het aangename en er toch niet teveel aan kwijt zijn.
En dat is juist waar Jezus Zijn leerlingen – ook ons – voor wil waarschuwen:
Van twee walletjes eten – dat kan niet als gelovige.
Want als je dat doet dan loop je het feest mis en mag je niet binnengaan.
Net als die vijf meisjes die de olie niet hebben meegenomen.
Dat is niet alleen onverstandig, maar ondanks alle voorbereidingen ook een provocatie.
Ondanks alle preken over de Wederkomst, ondanks alle keren dat je in de kinderbijbel las
of een lied zong waarin over de Wederkomst gezongen wordt,
ben je toch niet klaar, ben je niet berekend op Zijn komst.
Ook de meisjes zijn er niet op berekend. Al dat oefenen was alleen maar theorie.
Zo kan het voor een gelovige ook theorie zijn dat Christus wederkomt.
Je zingt er wel over. Je leest erover in de Bijbel. Je hoort er preken over.
En toch is het geen onderdeel van je geloof. Het leeft niet.
Als het zover is, waar ze al weken voor geoefend hebben, zijn ze er niet klaar voor.
In de tijd dat ze moeten wachten, gaat er geen lampje branden.
Ze kijken hun uitrusting niet na of ze niet iets vergeten zijn.
Ze zien wellicht de kruikjes maar vragen niet wat die vijf andere meisjes wel meenamen.
Ze hadden tijd genoeg om hun fout te herstellen, om alsnog olie mee te nemen.

Wat zou Jezus in dit verhaal bedoelen met de olie?
Staat de olie voor de liefde tot Christus en wil onze Heere ons waarschuwen
dat we moeten werken aan onze liefde voor Hem?
Bedoelt Hij met de olie de Heilige Geest en wil Jezus aangeven
Dat we in ons geloof toch echt niet kunnen zonder het werk van de Geest in ons
En zijn we als lampen die snel uitdoven als we niet de Geest als olie hebben
die de vlam van ons geloof, van onze liefde tot Christus aanvult?
Er is nog een plek in Mattheüs, waar de tegenstelling tussen dwaas – wijs voorkomt.
Het is een bekende tekst: een wijze bouwer en een dwaze bouwer.
Het huis van de wijze bouwer is op een rots gebouwd en blijft staan.
Het huis van de dwaze man is op het zand gebouwd en mist elk fundament
en zakt weg en stort in als er regen komt. Het mist elke vastigheid.
Daar gaat het om het doen van Jezus’ woorden.
En ook waar het staat ligt de nadruk op wat we doen.
In het einde van het vorige hoofdstuk vertelt Jezus
over iemand die zijn heer moet vervangen en dan zich slecht gaat gedragen.
Hij gaat zijn medeknechten slaan en gaat om met luiaards en dronkaards.
Voor die knecht die zijn heer vervangt is de afwezigheid de gelegenheid om los te gaan,
om de anderen die ook in dienst zijn te tiranniseren. De baas komt voorlopig toch niet.
In de twee verhalen erna gaat het ook om wat je doet als christen.
Dat je werkt met je talenten die je van Christus gekregen hebt.
En in het tweede verhaal wordt verteld over de Zoon des mensen
die terugkomt om de mensen te oordelen op wat ze hebben gedaan:
Heb je een beker koud water gegeven, heb je iemand opgezocht,
heb je iemand gastvrij onthaald?
En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: 

voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt,
hebt u dat voor Mij gedaan.
Dan ligt het voor de hand dat Jezus met de olie ook doelt op wat je als christen doet.
Of je er naar leeft.
Is het maar voor de vorm dat je gelooft, of werkt het ook door in wat je doet?

Of het nu de liefde tot Christus is, de Heilige Geest, daden vanuit het geloof
– misschien is het wel bewust open gelaten zodat we het breed trekken
en er alles onder scharen wat wij nodig hebben om voorbereid te zijn
op de Wederkomst van Christus.
Dat als Hij komt we niet overvallen zijn en snel nog op zoek gaan naar wat nodig is
om Christus op de juiste wijze te kunnen onthalen.
Want dat kunnen die 5 meisjes niet, die zich niet goed hebben voorbereid.
Die wellicht hadden gedacht dat de olie niet nodig was en dat ze zonder kunnen.
Terwijl ze alle tijd hadden om hun fout te herstellen en te halen wat nodig was
hebben ze maar gewacht en zijn in slaap gevallen
– net als de andere 5, met het verschil dat die wijze meisjes wel voorbereid zijn.
Ze zijn klaar om de bruidegom in te halen.
Ze kijken uit naar de bruidegom en al duurt het langer dan ze verwachten:
ze verheugen zich op dat moment dat ze de bruidegom
in alle glorie en eer kunnen ontvangen: welkom Heer! We hebben naar u uitgekeken!
Al zijn ze in slaap gevallen, ze gaan direct aan de slag,
Want ze hebben alles om hem te ontmoeten.
Het doek dat om de fakkel zit dopen ze in de olie, zodat de fakkel een kwartier kan branden.
De vijf andere meisjes steken ook hun fakkel aan,
maar omdat de doeken om hun fakkels niet in olie zijn gedrenkt, gaan de lampen snel uit.
Zo kunnen ze niet meelopen met de optocht.
Hier hadden ze niet op gerekend en ze raken in paniek.
Ze komen naar de andere vijf meisjes toe om bij hen olie te vragen.
Die vijf meisjes, die er wel op voorbereid zijn, die al die tijd serieus waren,
geven aan dat ze de olie niet kunnen missen.
Stel je voor dat ze halverwege de optocht geen licht meer hebben
omdat de olie op is en alle fakkels uitgaan.
Dat kunnen ze niet maken. Dat zou een schande zijn voor de bruidegom. Een belediging!
Wijs worden ze genoemd, omdat ze de komst van de bruidegom serieus namen.
Omdat het hen om de bruidegom te doen was
En omdat ze beseften dat zij een belangrijke taak hadden in het geheel
om de eer van de bruidegom uit de dragen door hem met die lichtshow groots te onthalen.
Al dat oefenen zou voor niets geweest zijn als ze de olie zouden delen.
Dan helpen ze de andere meisjes wellicht, maar dan staat de bruidegom in zijn hemd.
Het hele feest zou een aanfluiting zijn.
Ze durven het risico niet aan de olie te delen.
Ze zien maar één oplossing: de andere meisjes moeten olie halen.
Was het een goed advies geweest van die wijze meisjes?
Het heeft in ieder geval grote consequenties, want de vijf meisjes zijn er niet
als de bruidegom arriveert. Ze missen zijn aankomst.
De laksheid, de onverschilligheid van die vijf meisjes breekt hen op:
Want ze missen het moment waar het om gaat: de aankomst van de bruidegom.
Ze zijn er niet.
Stel je voor dat Christus wederkomt uit de hemel op aarde
en dat een deel van de gemeente zich uit de voeten maakt, snel weg gaat
om nog even gauw iets op orde te brengen,
omdat je er niet op berekend bent dat Hij terug zal komen.
Je mist daarmee de feestelijke aankomst en je bent er niet als Hij wordt binnengehaald
en feestelijk en met alle eer wordt onthaald, omdat jij niet klaar was voor Hem.
We zien aan de meisjes wat er gebeurt.
Ze hebben lang nodig om de olie te vinden die ze nodig hebben.
Ze hebben zo lang nodig om de olie te vinden die ze nodig hebben voor hun taak,
dat ze niet alleen de aankomst van de bruidegom missen,
maar ook de huwelijksplechtigheid.
Ze hadden dus ook thuis geen olie klaar staan.
Ze hadden er helemaal niet op gerekend dat het een serieuze bezigheid was,
dat de bruidegom echt zou komen en dat ze die olie ook echt nodig hadden.
Ze komen pas aan als de bruiloft al goed en wel op gang is.
Ze missen alle formele plechtigheden. Bruid en bruidegom zijn al getrouwd.

Dan krijgt het verhaal waarbij alle luisteraars geschokt opkijken, 
en onrustig heen en weer gaan schuifelen.
Want er gebeurt iets, dat in die cultuur niet kan:
De deur zit dicht en gaat niet meer open.
In een cultuur waarin gastvrijheid hoog in het vaandel staat
en onverwachte gasten op een bruiloft alsnog een warm welkom krijgen.
Deze meisjes staan voor een dichte deur en die deur gaat niet meer open.
Hoe ze ook roepen naar de bruidegom en wat ze ook doen om binnen te komen,
Ze blijven buiten staan.
Er is voor hen geen plek op het feest, omdat de bruidegom zegt dat hij hen niet kent.
Dat is dus het gevaar als je niet berekend bent op de komst van Christus.
Dan ben je er niet als Hij komt, omdat je nog het een en ander op orde moet maken.
Als je aankomt nadat alle formaliteiten van de bruiloft is geweest,
Dan kom je er niet meer in. Dan gaat de deur niet meer open.
Hoe je je ook voor christen hebt uitgegeven,
hoe je ook hebt meegedaan in alle vormen en rituelen, kerkdiensten hebt afgelopen,
zolang het theorie is, ben je er niet op voorbereid.
Zonder liefde ben je als een lamp zonder olie, die snel uitdooft,
waarmee je Christus niet kunt onthalen en geen onderdeel kunt zijn
van die menigte die Christus enthousiast en met vreugde onthaalt
en wel mag ingaan om deel te nemen aan dat feest dat er zal zijn.

Nu is het de vraag waar wij staan.
Ben je een van die dwaze meisjes?
Of ben je een van die wijze meisjes, voor wie het ernst is dat Christus komt,
Die er naar uitkijken dat Christus komt
Die al van tevoren verheugd zijn op de komst van de bruidegom
en dromen van de manier waarop je Christus hier op aarde welkom mag heten
dat je kunt opgaan in de vreugde.
Als je nog niet klaar bent, dan heb je nu nog tijd.
Dan kun je er nog voor zorgen dat je de olie haalt en je klaar maakt.
Genadetijd – tijd om je om te keren en alsnog klaar te maken.
Om er naar te leven, om er serieus werk van te maken.
Om je liefde te voeden, om uit te zien, om dat verlangen te hebben dat Christus komt.

Sion hoort de wachter zingen,
zij voelt zich ’t hart van vreugde springen,
z’ ontwaakt met spoed, staat haastig op.
Uit de hemel daalt Hij neder,
in waarheid sterk, in liefde teder:
haar licht verschijnt, haar ster gaat op.
Kom Heiland, ’s aardrijks kroon,
Heer Jezus, ’s Vaders Zoon!
Zingt hosanna,
komt altemaal
ter bruiloftszaal.
Amen

Vragen bij Mattheüs 25:1-13

Vragen bij Mattheüs 25:1-13: De gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze bruidsmeisjes
hb_14.81.21) Dit gedeelte gaat over de verwachting van Christus’ komst. Kijkt u uit naar de Wederkomst van Christus? Kunt u iets vertellen hoe dat uitkijken er voor u uitziet?

2) De gelijkenis gaat over het Koninkrijk der hemelen (of, zoals de Bijbel in Gewone Taal zegt: Gods nieuwe wereld). Wat weet u van dat Koninkrijk der hemelen? Waarom zou Jezus een gelijkenis vertellen om daar iets duidelijk over te maken?

3) De gelijkenis gaat over het opwachten van de bruidegom. Wat is de taak van de 10 meisjes?

4) De vijf meisjes zonder olie zijn niet aanwezig op het moment dat de bruidegom arriveert. Wat is daar erg aan? Hadden zij zich kunnen voorbereiden? Waarom noemt Jezus de ene groep wijs en de andere groep dwaas?

5) Aan het begin van de gelijkenis slapen alle 10 meisjes. Heeft dat betekenis? Of is dat een detail dat we kunnen overslaan in de uitleg?

6) De bruidegom laat de meisjes, die later komen op het feest niet meer toe tot heeft het feest. Wat heeft dat ons te zeggen?

7) De opdracht om waakzaam te zijn (vers 13) is de toepassing van de gelijkenis. Op welke manier kunnen wij waakzaam zijn?

Preek zondag 1 december 2019

Preek zondag 1 december 2019
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63: 7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat zijn woorden die je niet snel uit de mond van een vrome profeet zou verwachten,
Een profeet die namens God erop uit gestuurd wordt
om het volk in naam van God aan te spreken op hun gedrag en hen terug te roepen.
Dat een profeet niet staat te springen om te gaan, dat kunnen we ons nog wel voorstellen.
Of dat een profeet eraan lijdt dat er naar zijn boodschap niet wordt geluisterd
en over de eigenwijsheid van het volk klaagt bij Degene die hem gezonden heeft.
Maar hier klaagt de profeet God aan vanwege nalatigheid.
HEERE, waarom doet U ons afdwalen van Uw wegen?
Waarom verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen.

Zegt de profeet nu dat hij en alle anderen uit het volk Israël er niets aan kunnen doen
Dat ze voor een verkeerde weg kozen en bij God vandaan gingen
en dat het aan de Heere ligt dat ze weggegaan zijn, omdat Hij hen niet tegenhield?
Dan zou je dat in de komende weken, als je met de aansporing van het avondmaal,
om een oprecht voornemen te hebben om God te dienen
kunnen zeggen, dat als je er niet in slaagt, dat je er niets aan kunt doen
en kun je naar God wijzen: had Hij maar beter opgelet en meer gedaan.
Had Hij maar ingegrepen; ik kan er niets aan doen. Het is mij ook maar overkomen.
Hij weet toch dat wij het uit onszelf niet kunnen?
Waarom heeft Hij mij dan niet tegengehouden toen ik die verkeerde keuze maakte?
Waarom heeft Hij mijn gang laten gaan toen ik in mijn geloof verslapte?
Hij wist toch ook wel dat er dan ik dan niet de juiste weg opging?

Hier wordt God niet alleen aangeklaagd voor nalatigheid,
maar wordt Hij er ook nog eens voor aangezien dat Hij bewust in mensen werkte
en dan niet door Zijn Geest te geven en het hart te openen voor Christus,
maar zo te werken dat het hart dicht ging en er geen ruimte kwam voor Hem.
Dat ligt niet aan ons, maar dat ligt aan U.
Wij hadden het ook graag anders gewild, maar ja, U besliste anders over ons.
De klacht tegen God is dus ook dat Hij harten afsluit voor Zijn woord.

Kun je wel zo tegen God spreken?
Als er over God geklaagd wordt, schrikken kerkmensen nogal eens

en geven ze aan zo kun je niet over God praten.
Hoe aangrijpend het ook is als je ziek wordt, of als een geliefde verongelukt,
je mag er God de schuld niet van geven
en God al helemaal niet ter verantwoording roepen, waarom Hij dat liet gebeuren.
Want wij zijn maar mensen en kunnen het geheel niet overzien.
Wij kunnen niet zien welke bedoeling de Heere ermee had.

Hij kan iemand willen stilzetten, of door alle ervaringen willen vormen in geloof.
Je kunt maar beter zwijgen en het aan God overlaten.

Dat is nu net niet wat de profeet doet.
Ook hij zal geleerd hebben dat je niet zo tegen God in kunt gaan, omdat Hij te heilig is.
Ook hij zal geleerd hebben dat je als mens niet moet bedenken
dat je God kunt aanklagen omdat je niet eens bent met de koers die Hij gaat.
En toch laat hij zich er niet door tegenhouden
en slaat een toon aan tegen God waarvan zijn ouders wellicht zouden schrikken
en de omstanders als ze hem zouden horen zich bezorgd zouden afvragen wat hij deed.
De profeet stormt het heiligdom van God binnen en roept het uit: waarom dan?
De profeet wil echter niet dat God hem gaat uitnodigen om er even goed voor te gaan zitten
zodat de Heere de kans krijgt om Jesaja uit te leggen wat er allemaal speelt.
Jesaja zit niet te wachten op een verklaring van God, een antwoord in woorden.

De profeet wil dat de Heere iets doet.
Dat de Heere doet, wat Hij voor eerdere generaties ook heeft gedaan,
namelijk uit de hemel komen en voor hen strijden, met hen meegaan.
Hij deed dat toen ze vanaf de Sinaï weer verder gingen door de woestijn
op weg naar het Beloofde Land.
Toen bleef Hij daar niet achter op de berg en bleef Hij niet werkloos in de hemel,
maar daalde Hij af en ging mee met het volk, Hijzelf persoonlijk,
Hij ging voor hen uit en baande de weg en bracht hen in Kanaän.
Elke barrière die er was, werd door Hem uit de weg geruimd.
Als er honger nodig was, gaf Hij eten. Als er dorst was, gaf Hij water.
Als ze niet verder konden, omdat er een zee was of een rivier de weg versperde,
zorgde de Heere dat er een weg door het water kwam en Israël kon gaan.

Waarom kan dat nu niet, wat de Heere vroeger wel liet zien?
Waarom kon Hij hen toen wel als een herder voorgaan
en heeft Hij dat niet gedaan toen de zonde vat kreeg op het volk?
Als Hij hen toen had tegen gehouden, hadden ze nu niet in Babel gezeten.
Als Hij toen hun hart niet had afgesloten voor Zijn woorden,
was het niet nodig geweest dat de Heere de tempel liet verwoesten,
ja Zelf tegen die tempel optrok, met Israëls vijanden,
om Zijn eigen woning in puin te leggen, te veranderen in een ruïne.
De profeet kan er niet bij. De God, die een verbond sloot met Israël,
die aangaf: Jullie zijn mijn volk en Ik ben jullie God!

De profeet wil geen verklaring van God, maar wil dat de Heere verandert,
verandert van gedachten om Israël niet meer bij te staan
en zich niet meer afzijdig houdt, maar weer tot Zijn volk komt.
Wat de profeet hier tegen God uitroept, is allereerst een roep om hulp, een wanhoopskreet.
Om aan de Heere te laten zien hoe het met Zijn volk gaat
nu God het aan Zijn lot heeft overgelaten: er is niet meer veel van over.
Was dat het waard? Is hiermee het doel van God bereikt?


De profeet is niet overtuigd van de weg die God gaat en gaat tegen de Heere in:
Heere, ziet U dan niet dat deze weg de mensen niet bij U brengt,
maar verder bij U vandaan doen gaan?
Heere, als U Uw volk weer bij U terug wilt hebben – want daar is het U toch om te doen? –
dan moet U een andere benadering kiezen!
De profeet die gestuurd is om Gods boodschap te brengen en hen over God te vertellen
twijfelt niet alleen over het effect van Gods boodschap, maar over God zelf.
Is dit nog wel de God die hij wil dienen, de God die hij heeft leren kennen.

Zo kunnen er zomaar vragen zijn over de weg die God gaat, vragen die over God zelf gaan.
Dat zijn niet alleen vragen die de profeet toen had, maar u, jij ook nu kunt hebben.
Waarom? Waarom moest dat zo gebeuren?
Dat je merkt door wat er in je leven gebeurt er van alles gaat schuiven.
Als dit mij overkomt, wat heb ik dan nog aan God? Is Hij dan nog wel mijn God?
Die vraag hoef je niet eens hardop te stellen, maar kan wel leven in je hart.
Omdat je dochter ziek werd en overleed.
Of een kind, een kleinkind overleed en je ook het verdriet van je kinderen ziet.
Je eigen huwelijk is voorbij en je bent gescheiden en hebt de pijn er nog steeds van
en begrijp je niet waarom je dit overkomen is.
Je kunt het niet meer opbrengen om naar de kerk te komen.
Je weet het niet meer te rijmen met God die een herder zou zijn.
Waarom had God niet eerder in gegrepen om je deze weg te besparen.
Hij wist toch dat je op deze weg Hem meer en meer zou kwijtraken.

Kun je zo wel over God praten? Kun je zo wel tegen God ingaan zoals de profeet dat doet?
Het gevecht met God aangaan: Waarom?
Professor Van de Beek geeft in zijn boek Gemeente van Christus aan
dat de werkelijke crisis in de kerk gaat om de vervreemding:
dat veel mensen in de kerk God niet meer ervaren zoals ze dat vroeger deden
en dat het geloof langzaam van hen afglijdt. De vraag of God er wel is.
Voorheen een voorbeeldig gezin, kerkenraadslid, avondmaalsganger, predikant.
Maar de ervaring van het leven botst op wat je altijd geleerd hebt.
Waarom God gaat U met mij deze weg?
De vraag van Van de Beek is of een kerkenraad deze diepgaande vragen
onder ogen durft te zien, niet alleen als vragen van anderen, maar ook van jezelf.
Kerkzijn betekent niet deze vragen wegduwen,
omdat je bang bent dat je God tekort doet.
Omdat je bang bent dat het een vorm van ongeloof is, die je moet overwinnen.
Want in die vraag “Waarom God?” zit het geloof dat God anders kan,
dat Hij een Redder kan zijn, zoals Jesaja dat zegt
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
Jesaja is in gevecht met God om God zelf.

Om de passie die God had, de bewogenheid van God die je in de Bijbel leest,
Waar je over hoorde van je ouders en grootouders,
het geloof dat Christus neerdaalde in onze ellende, zo diep ging als wij,
door God verlaten werd, zodat wij nooit meer door God verlaten hoeven te worden.
Om de naam van God waar te laten zijn: Heere – Ik ben er, Ik sta klaar, Ik kom er aan.
Immanuël  – God met ons. Zelfs op de weg bij Hem vandaan.
Zelfs op de weg bij Hem vandaan. Zelfs daar is God er.
Als Jesaja in gevecht met God is, begint het te dagen hoe het zit.
Dat God niet afwezig is op onze dwaalweg, maar dat God ons die dwaalweg liet gaan.
Om te ervaren hoe het leven zonder Hem is.
God straft de zonde met de zonde, zegt Luther.
Als je niet met God wil leven, dan laat Hij je ervaren hoe dat is.
Dan houdt Hij je niet tegen, maar laat Hij je gaan.
Maar Hij laat je niet los.

Bij alle diepe vragen die in Jesaja gesteld worden over God
en hoe er ook met God geworsteld wordt, komt er toch steeds een besef
dat God er ook is, op een manier die je niet verwacht.
Niet in zegeningen die je ontvangt, niet in een voorspoedig leven,
maar aanwezig in de nood die over je heen komt.
De avondmaalstafel staat niet in een wereld, waarin alles gladjes verloopt,
maar waarin er veel is dat God aanklaagt, staat te midden van de waaroms.
We zien dan hoe Jezus werd verbroken.
Hij onderging zelf het lijden, Hij daalde neer onze Godverlatenheid.
Niet alleen om medelijden te hebben, te ervaren hoe het voor ons is.
Maar om onze schuld weg te dragen, om de weg vrij te maken naar God.
We vierden avondmaal in de tijd van advent.
We zullen binnenkort weer lezen en horen hoe er voor Hem geen plaats was.
Vanaf het begin van Zijn menswording was Zijn leven lijden.

We zijn vandaag begonnen met de adventsperiode.
Advent is niet zozeer een periode waarin we ons voorbereiden op het Kerstfeest,
maar ons voorbereiden op de Wederkomst van Christus.
Advent is ook geen tijd om de kerk alvast vol te hangen met kerstversieringen,
om alvast in de stemming voor het kerstfeest te komen.
Advent is de nood van deze wereld onder ogen te komen, en ook onze eigen nood zien.
Om ook onze eigen machteloosheid onder ogen te zien
en die machteloosheid niet weg te redeneren, maar te erkennen
en ermee naar God gaan: hier ben ik, ik kom er niet meer uit.
Ik zie dat ik afdwaal, ik voel dat mijn hart verhard is
En ik merk aan mijzelf dat ik me niet kan veranderen.
Ook al heb ik avondmaal gevierd.
Ik heb juist avondmaal gevierd, omdat ik besefte dat ik er zelf niet uitkom
en dat ik zelf niet in staat ben om mij een ander, een beter mens te maken.
Dat kunt alleen U.
Alleen U kunt mij terugbrengen als ik afdwaal. Ik zit te vast in mijn oude leven.
Alleen U kunt mijn hart openen, want ik wil niet altijd dat U in mijn hart ben
want dan heb ik het gevoel dat ik zoveel van mij moet inleveren.

Het is een appèl op God om iets te doen, om te komen, om te redden,
om niet met de armen over elkaar te zitten, maar in actie komen!
Het is meer een smeekbede dan het afschuiven van de schuld.
Het is meer een roep om hulp dan boosheid op God.
Machteloosheid, omdat je zelf niet meer kunt , de nood is te groot.
en het alleen nog maar van God kunt verwachten.
Dat is advent: roepen op God, omdat je gered moet worden.
Machteloosheid is echter niet het enige dat God van ons vraagt.
Niet alleen open handen: Wij kunnen het niet meer, doet U het maar.
Niet alleen het gevoel van falen: Wij brengen er niets van terecht.
Van schuld, omdat we van de zonde niet loskomen.
Daarnaast ook geloof: dat God met ons bezig is,
Al zien we daar zelf niet alles van en is het vaak voor ons verborgen.
Toch is het zo.

We vieren niet voor niets avondmaal,
waarin we vieren dat God met ons verder gaat, ondanks onze eerdere weg.
Dat Christus ons niet opgeeft en niet als hopeloos beziet,
maar dat Hij in ons werkt, om dat vertrouwen te werken,
om ons steeds meer en meer in Zijn dienst te laten staan.
Dat gaat door de diepte heen, door afdwalen – al weten we niet altijd waarom.
Wel dat God komt – vaak niet op een imposante manier,
niet zo krachtdadig waar Jesaja om vraagt: dat de hemel opengescheurd wordt.
Eerder haast onzichtbaar, eerder intiem dan opzienbarend.
Aan een avondmaalstafel, in een preek, een lied, in een regel die door je heen gaat.
In kracht die je voelt als je een moeilijke weg gaat,
in iemand die er voor je is en die je kan bijstaan en dat doet in Gods naam.
En als de hemelen wel openscheurden, zoals boven de velden van Efratha
en de engelen het over de aarde uitbazuinen, is er maar een klein groepje herders
dat er van hoort, dat het gelooft en gaat om te aanbidden.
God kan zeeën splijten en rivieren droogleggen om een pad te banen,
maar kiest vaak een andere weg, zoals Hij die koos aan het kruis,
om verbroken te worden, om in onze diepte te stappen, onze nood,
de nood niet alleen van verdriet, pijn, lijden, machteloosheid,
maar ook van onze zonde.
Om te komen als Redder.
Hoe diep Jesaja ook gaat, hoe intens de vragen ook zijn,
dat geloof dat God redder kan zijn, is hij niet kwijtgeraakt,
al ziet hij niet hoe God in zijn tijd redder is.

Advent is een tijd van uitzien, van geloven al zie je er niet altijd iets van.
Dat Christus weer zal komen om definitief te redden.
In het avondmaal wordt dat geloof, dat uitzien gevoed

Daarom zingen we in advent ook steeds over de komst van onze Heer,
de ene keer als gebed – Kom tot ons Heer, de wereld wacht.
De andere keer als belijdenis, bemoediging voor elkaar.

Vat moed, bedroefde harten,
uw Koning nadert al.
Vergeet uw angst en smarten,
daar Hij u helpen zal.
Er is weer nieuwe hoop:
Hij noemt u Zijn beminden,
in ’t woord laat Hij zich vinden,
in avondmaal en doop.

Hoort toe gij zwaarbeproefden,
uw Koning is niet ver!
Voor wie in ‘t duister toefden,
rijst nu de morgenster.
De Heer geeft in de nood
zijn wonderbare bijstand;
Hij slaat de laatste vijand.
Hij overwint de dood.
Amen


Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst

Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63:7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Avondmaal vieren op de eerste zondag van advent heeft iets moois, vind ik.
De vier adventsweken zijn bedoeld om ons te versterken
in de verwachting van de Wederkomst van Christus.
Daar is avondmaal ook voor bedoeld, om ons te versterken in die verwachting.
Want vieren we avondmaal niet totdat Christus komt?
Daar kun je naar verlangen dat Christus terugkomt,
ook in weken waarin het geen advent is, of waarin je niet bezig bent met avondmaal.
Omdat je er zo naar kan verlangen Christus te ontmoeten.
Je kijkt daarom uit naar Zijn komst, je bidt erom.
Je kunt ook om heel andere reden verlangen naar de komst van Christus,
omdat je in jezelf zoveel meemaakt,
of je ziet in de wereld hoe er geleden wordt en dat kan heel dichtbij zijn.
Je zucht onder hoe het in deze wereld eraan toe gaat
En je kijkt uit naar de dag deze wereld verlost zal worden
en Christus naar de aarde komt om al het leed, het kwaad te verdrijven
en deze wereld te vullen met Zijn heerlijkheid.
Je bent aangedaan, in je hart huil je over deze wereld en is er een roep naar God.
Net zoals het appèl dat Jesaja op de Heere doet:
Kijk neer uit de hemel en zie uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Zo’n appèl op God om te komen naar de aarde,
om niet in de hemel te blijven toekijken – dat is de klank van advent.
Advent begint in de diepte, waar de nood ervaren wordt,
– de nood dat we het zonder God niet redden,
omdat we aan onze verlorenheid overgeleverd zijn, gebonden in de macht van de zonde.
Uit diepten van ellende, roep ik met mond en hart, tot U die heil kunt zenden.
Daar begint advent.
Ook het avondmaal begint daar:
bij het besef hoe ons leven zou zijn, hoe diep we weggezonken zijn, als we God niet kennen.
Hoe hopeloos we eraan toe zijn als we Christus niet hebben als Heer, als Redder.
Hopeloos in Gods ogen.
In het formulier klinken op de voorbereidingszondag woorden als vervloeking, oordeel.
Hier in Jesaja kunnen we merken wat dat met je doet.
Het aangrijpende als dat werkelijk zo is en het klinkt als een appèl op God,
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,

Uw innerlijke bewogenheid en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.

Het is een roep omhoog, zoals dat ook in Psalm 130 gebeurde, uit de diepte,
een roep om redding, dat God komt, dat Hij Zelf komt, hier op aarde om te redden.
Als U zelf niet komt, dan blijft er niets meer van ons over.
Zelfs in de wanhoop, als het besef doorklinkt dat die veroordeling terecht is
en dat het aan ons kan liggen dat God niet van zich laat horen,
wordt de Heere aangesproken, aangeklampt om Zijn barmhartigheid:
We hebben U toch leren kennen als onze Vader?
We hebben toch steeds gemerkt dat U als Vader voor ons wil zorgen?
Maak ons weer tot Uw kind, wees weer onze Vader.
Laat ons hier niet alleen in onze zonde, waar wij verder bij U vandaan gaan.
In die roep naar omhoog, dat intense gebed tot de Heere om te komen,
om weer als een Vader te zijn, klinkt het geloof door dat God wil komen
en dat Hij wil komen om te redden.
Over God werd steeds als redder gesproken, door de ouders, grootouders,
iedereen die over God sprak van eerdere generaties wist het, heeft het ervaren
dat God je niet in de diepte, niet in de ellende achterlaat,
Zelfs niet in de ellende waar je zelf voor koos, omdat je bij God wegging.
Ook dat is advent: dat je mag geloven dat God komt om te redden.
Ook dat is avondmaal, dat we mogen geloven dat Christus kwam om te redden
en dat we mogen uitkijken naar die dag dat onze Redder nog eens zal komen
om voorgoed de zonde uit de wereld te bannen en ons helemaal te bevrijden
van de zonde die nu nog in ons werkt.
God is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde om Zijn volk te leiden
door de woestijn naar het Beloofde Land Kanaän: Hij ging voorop.
Christus is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde,
als kind in de kribbe om de weg naar het kruis te gaan
en Zijn leven te geven om ons te redden.
Aan het avondmaal mogen we geloven dat Hij nu ook niet in de hemel blijft,
maar – door Zijn Geest – hier op aarde komt om bij de tafel aan te schuiven,
om zelf de Gastheer te zijn en door brood en wijn heen Zichzelf te geven.
Neemt, eet, gedenkt en gelooft dat Zijn lichaam verbroken is tot volkomen verzoening.
Waar in Jesaja nog de roep naar omhoog klinkt, mogen we geloven
met de komst van Christus naar deze aarde dat de Heere deze roep altijd gehoor geeft
en dat naar ons toekomt.
Zo ook vanmorgen met Zijn genade, met vergeving, met tekenen die op Hem wijzen.
Dat Hij inderdaad onze Vader wil zijn en wij Zijn kinderen weer mogen zijn.
Dat Hij inderdaad onze redder wil zijn en dat aan ons wilt laten weten.
Zo komt onze Heere zelf naar ons toe, om ons te nodigen, te roepen aan Zijn tafel.

Kunnen wij voor Hem verschijnen? Kunnen wij Hem ontmoeten?
Niet als we komen zoals we zijn.
Wel als we aannemen wat Christus ons geeft:
De waardigheid om God te mogen ontmoeten, om Hem te ontvangen in ons hart
ontvangen we van God zelf. Zo kunnen we Hem ontmoeten.
Omdat Hij dat wil. Omdat Hij wilde komen, gekomen is.
Waarom zou u dan nog wachten?
Wat heb je nog meer nodig om te weten dat het ook voor jou is?
Kom om je geloof te versterken.
Kom om te ontvangen wat je Heer je geeft.
Kom om uit te zien naar die andere dag dat je Hem mag ontmoeten, voor altijd.
Amen

 

Preek 21 juli 2019 avonddienst

Preek 21 juli 2019 avonddienst
1 Johannes 2:18-23, 1 Johannes 4:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de brief die Johannes schrijft gaat het steeds over het kennen van God.
Nu zijn er, schrijft Johannes ook mensen, die ons een verkeerd beeld van God willen geven.
Ze doen dat expres, bewust.
Want ze willen dat we het beeld dat we van God hebben wordt ingeruild
voor een ander beeld.
In het beeld dat ze willen schetsen, past Christus niet.
Als je aan God denkt, moet je Christus weg-denken.
Als je aan God denkt, moet je niet aan Christus denken
en helemaal niet aan een Christus die hangt aan het kruis,
Die daar voor jou hangt.
Ze willen ons doen geloven, dat het beeld dat Johannes ons schetst, een omweg is,
een overbodige omweg,
want voor Johannes kunnen we God alleen kennen als we via Christus gaan.
Wil je buiten Christus om bij God komen, dan is dat niet mogelijk.
Als Johannes schrijft, dat we moeten bidden in de naam van Jezus
– dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: om Jezus’ wil, om Christus’ wil –
is dat niet een beleefde zin, die je nu eenmaal hoort te zeggen.
Nee, we zeggen dat we dit gebed alleen maar kunnen bidden
omdat we dat via Christus doen, omdat Hij voor ons de weg is tot God,
omdat we Hem hebben leren kennen.
Nu schrijft Johannes over mensen, die dat onzin vinden, overbodig.
Je kunt wel zonder dat om-Jezus’-wil.
Er is een weg buiten Jezus om tot God.
Je moet Christus inruilen. In plaats van Christus moet je God nemen.
In plaats van is in het Grieks: anti.
Anti-Christ betekent: je ruilt Christus in voor iets of iemand anders.
Antichrist kan ook betekenen: iemand die de plek van Christus overneemt
en Christus aan de kant schuift.
De antichrist komt eraan en er zijn nu al veel antichristen gekomen, schrijft Johannes.
Eén persoon, of één macht die groter is dan één persoon
die komt om de plek van Christus over te nemen en Hem overbodig te maken.
En die ene persoon of die ene macht krijgt grote invloed,
omdat voor de komst van die macht er al velen zijn, die zich laten beïnvloeden
en de plek, die Christus in hun leven innam, ingeruild hebben
en daarmee een lege plek hebben gecreëerd
die door die ene macht zo ingenomen kan worden.
Johannes legt niet uit, wie of wat hij op het oog heeft met die macht.
Dat kan bewust zijn, zodat we niet naar één kant kijken
en daardoor niet het gevaar zien dat van de andere kant komt.
Je wordt in de rug aangevallen.
Of je wordt beïnvloed zonder dat je er op bedacht bent
omdat je de tactiek niet kent die nu gebruikt wordt
om Christus in jouw leven van Zijn plek te krijgen.

Met die macht (of die persoon) die komt om de plek van Christus in te nemen,
wordt nog helderder waarom het kennen van God voor ons zo belangrijk is.
Alleen als je God kent, ben je in staat om te zien wat echt van God is.
Alleen dan ben je in staat om te zien dat wat je hoort echt door God gezegd wordt.
Heb je nu echt God in je leven? Of heb je de verkeerde in je hart?
Dat maakt nogal uit.
en als gelovige moet je, zegt Johannes, dat verschil kunnen zien.
Je moet in staat zijn als gelovige om onderscheid te maken
tussen wat wel van God komt en niet van God komt.
Dat zou wel eens een aardig criterium kunnen zijn
om te zien of iemand belijdenis van het geloof kan afleggen:
kun je bij iets aangeven of je met God te maken hebt of niet?
En zeker van ambtsdragers mag je ervan uit gaan,
dat ze dat verschil kunnen aangeven.
Iemand vertelt op huisbezoek een stukje levensverhaal,
allerlei gebeurtenissen die iemand meegemaakt heeft
En als ambtsdrager moet je in staat zijn om te zien of daarin God aan het werk is
of juist niet.
En dat is belangrijk, want er is in deze wereld een macht aan de gang
die ons juist bij God vandaan wil hebben en ons zover brengt dat we Christus inruilen
of een macht die de plek van Christus in ons leven wil overnemen.
Iemand die je – om het plat te zeggen – beduvelt.
Of om het anders te zeggen: de duivel die nog één probeert om een slag te slaan.
Want bewust een verkeerd beeld over God neerzetten,
en willen dat je Christus inruilt en uit je leven wegdoet
en via valse boodschappen invloed op je leven willen krijgen,
moeten we dat niet herleiden op de duivel die God tegenwerkt.

Dat is niet iets om ons bang te maken,
Want juist als de duivel zich roert, zegt Johannes,
mag je weten dat de Wederkomst dichtbij is: de laatste uur.
Daarom moeten we niet onder de indruk raken,
maar scherp blijven: beproef de geesten of ze uit God zijn.
De toets op basis waarvan je kunt bepalen of je met God te maken hebt
is dat je het in verband kunt brengen met Christus.
Dat je het kunt verbinden aan de komst van Christus op aarde.
In de afgelopen dagen is er veel aandacht geweest voor de eerste landing op de maan.
Er zijn in totaal 6 maanlandingen geweest.
Op de vierde missie ging James B. Irwin mee,
Een astronaut die zich later een wedergeboren christen noemde.
Hij zei: Op de maan werd het mij duidelijk dat het belangrijker is dat Christus
een voet op de aarde heeft gezet dan dat de mens een voet op de maan zette.
We kunnen als mens nog zulke technologische hoogstandjes creëren,
maar het belang ervan haalt het niet bij de komst van Christus op aarde.
Dat Christus een voet op aarde zette en dat daarmee God mens werd
en uit de hemel kwam en in onze wereld en onder ons kwam,
zodat we Hem konden zien en konden aanraken,
dat we konden zien hoe Hij de tekenen deed en vooral Zichzelf gaf aan het kruis:
dat is God – daar kennen we God.
Als je dat niet kunt accepteren, als je dat niet kunt geloven,
dan heb je God zelf ook niet.
Geen God zonder Christus, hoe mooi de verhalen over God ook gebracht worden.
Niet alles wat over God gezegd wordt komt ook echt van God.
Kun je dat in onze tijd ook nog merken, dat er over God gesproken wordt
zonder dat je echt iets merkt van Christus,
gelovigen voor wie het niet nodig was dat Jezus naar de aarde kwam?
Je kunt dan naar hele moderne kerken kijken, waar nauwelijks over Jezus gesproken wordt.
Of naar juist hele behoudende kerken waar Christus zo ver weg is
en het kruis zo onbereikbaar, dat je er niet komt.
Ik denk alleen niet dat het goed is om naar anderen te kijken,
maar naar de gevaren die wij zelf lopen, hier in onze omgeving
en binnen de kerk zoals we die hebben.
Om te voorkomen dat we in slaap vallen
en zonder dat we er erg in hebben gevaar lopen.

Nu kun je denken dat in slaap vallen niet zo erg is.
Als dat achter je bureau is of in een luie stoel is dat misschien niet erg.
Maar wel als je in een auto zit en onderweg bent en je ogen vallen dicht.
Dan raak je van de weg en bots je tegen een ander op of duik je een greppel in.
Daar wil Johannes ons voor waarschuwen, zodat we wakker zijn,
net als die 5 wijze meisjes, die voorbereid waren op de komst van de bruidegom.

Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij Uw komst verbeid’,
Daar ’t in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.

Bescherm ons, in den bangen tijd
Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den bozen vijand toe,
Dat hij ons enig’ hinder doe.
Amen

Preek biddag 2019 avonddienst

Preek biddag 2019 avonddienst
Lukas 18:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen twee verhalen van de Heere Jezus, waarin Hij aangeeft
dat bidden voor ons niet makkelijk is.
Het eerste verhaal dat onze Heere vertelt heeft een speciale groep mensen op het oog,
namelijk de mensen die gestopt zijn met bidden
en in het tweede verhaal komt een man voor, wel bidt,
maar dat met zo’n grote aarzeling doet, dat je proeft: komt mijn gebed wel in de hemel aan?
Bidden is niet makkelijk, dat is wat Jezus bij Zijn volgelingen tegenkomt.
Wat de overeenkomst is in de beide verhalen, is de stilte die volgt op het gebed.
Je spreekt je gebed uit naar God toe, je brengt bij Hem wat er in je hart leeft,

maar van de andere kant komt er geen reactie.
Je gaat ervan uit dat je gebed bij God in de hemel aankomt,
want je gelooft dat God je hoort als je bidt.
En er kunnen ook momenten zijn, dat je ervaart dat je gebed bij de Heere aankomt,
Dat je tijdens het bidden merkt dat je bij Hem bent, dat Hij heel dichtbij is.
Dan heb je geen stilte of dan is de stilte om je heen de manier waarop God tot je komt.
Of je ontdekt enige tijd later dat de Heere je gebed verhoord heeft.
Dat zijn tijden, waarin je verbaast opkijkt als iemand zegt dat bidden niet makkelijk is.
Jouw ervaring is op dat moment heel anders.
Onze Heere kent ons echter goed genoeg om te weten
dat zulke momenten waarop je in je gebed heel dicht bij Hem bent vaak maar tijdelijk zijn.
Wat Hij meer tegenkomt, is dat Zijn volgelingen worstelen met gebed.

Dat moet voor Hem zelf een vreemde ervaring zijn geweest,
dat het bidden voor Zijn volgelingen niet zo eenvoudig is geweest.
De evangelist Lukas, die ons deze twee verhalen van onze Heer aan ons vertelt,
laat steeds zien hoe de Heere Jezus zich afzondert om te bidden,
om het contact met Zijn Vader in de hemel te zoeken,
om Zijn leven in de hand van Zijn Vader te leggen.
Hij komt aan bij Zijn Vader: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dan treft Hij bij Zijn leerlingen moeite met bidden aan en meer dan moeite:
want Hij merkt dat Zijn leerlingen vaak het bidden opgeven,
niet meer doen, omdat ze er geen verwachting meer van hebben.
Ze hebben het een aantal keer geprobeerd, maar het hielp niets.
In de stilte die volgde op hun gebed volgde niet de stem van God,
maar een irritante stem, die je het zwijgen zou willen opleggen,
omdat die stem het geloof en vertrouwen ondermijnde: Waar blijft God?
Het is de vraag van Psalm 42: Waar is dan je God?
En als je die vraag steeds hoort tijdens je gebed of in de stilte na je gebed
dan kan het op een gegeven moment je eigen vraag worden: Waar is mijn God dan?
Als die vraag sterker en sterker wordt, dan ga je je afvragen wat de zin van bidden nog is
en je gaat het nalaten. Je laat het erbij.
Bidden is noodzakelijk, zegt Jezus met dat eerste verhaal:
Noodzakelijk voor onszelf en ook voor God.
Niet dat God afhankelijk is van ons gebed en Hij niets meer doet als wij stoppen met bidden.
Op de een of andere manier is ons gebed een onderdeel van Gods plan met deze wereld.
Als wij stoppen met bidden, valt er een cruciale schakel van ons gebed weg.
Daarmee hoeft het werk van God niet stil te vallen.
Hij kan andere wegen vinden om Zijn werk hier in deze wereld ten uitvoer te brengen.
Ons gebed kan niet gemist worden en daarom kan de Heere Jezus het er niet bij laten
als wij het bidden opgeven.
Daarom vertelt Hij een verhaal, om ons zover te krijgen dat we het bidden weer oppakken
en dat als we het bidden weer hebben opgepakt vol blijven houden met bidden
en niet meer denken dat de stilte die op ons bidden volgt Zijn afwezigheid is,
maar dat de stilte die volgt op ons bidden de tijd aangeeft waarin God werkzaam is.

Het is een verhaal over een onverschillige rechter, die zich nergens van aantrekt.
Van God niet en van de mensen om zich heen niet.
Een onverschillige man, een koud hart.
Juist die onverschilligheid en zijn koude hart brengen hem veel.
Want als hij een beslissing neemt, dan weet hij dat er niemand komt,
die verhaal komt halen, want ze weten allemaal dat het geen zin heeft
om met hem in gesprek te gaan, om een klacht bij hem in te dienen.
Hij komt nooit op zijn standpunt terug.
Op een keer krijgt hij een zaak onder zijn hoede van een weduwvrouw.
Haar man is gestorven en ze is kwetsbaar in financieel en maatschappelijk opzicht.
Ze heeft niemand die in haar levensonderhoud voorziet en niemand die voor haar opkomt.
Ze staat er helemaal alleen voor.
Wellicht heeft de zaak ook met het geld of het land van haar man te maken
en is dat van haar afgenomen.
Misschien hebben ze haar zoon weggehaald en staat ze nu helemaal alleen op de wereld.
In ieder geval is ze oneerlijk behandeld en is ze gedupeerd.
Ze kaart het bij deze rechter aan, maar de rechter heeft geen zin om haar gelijk te geven.
Hij denkt er mooi vanaf te zijn.
Hij heeft immers een reputatie opgebouwd een hardvochtig en onbuigzaam man te zijn.
Iemand die nooit toegeeft, nooit een knieval maakt, nooit zijn fouten erkent.
Maar dan kent hij deze vrouw nog niet.
Bij elke rechtszaak is ze aanwezig.
En bij elke rechtszaak gilt ze boven alle andere aanwezigen uit,
zodat hij ‘s nachts over haar gaat dromen en elke keer als hij een rechtszaak heeft
en het publiek nadrukkelijk aanwezig is en instemming of afkeur laat horen
hoort hij boven al het andere geschreeuw nog haar stem.
Voordat hij aan een rechtszaak begint, staat ze hem op te wachten.
Ze volgt hem als hij klaar is met zijn rechtszaak.
Hoe meer hij wil negeren, hoe luidruchtiger en aanweziger zij is.
Hoe meer hij haar uit de weg wil gaan, hoe meer ze zich aan hem opdringt.
Hoe meer hij haar van zich af wil duwen, hoe agressiever ze wordt.
Hij merkt dat hij, die voor niemand, zelfs voor God niet bang is, bang wordt voor haar.
Hij is bang geworden voor haar emotie, haar boosheid, die zich steeds agressiever toont,
boosheid die voortkomt uit de grove schending van haar recht.
De vrouw vliegt hem nog een keer aan en zal hem helemaal in elkaar slaan.
En hij merkt dat hij zijn reputatie begint kwijt te raken,
zijn reputatie als hardvochtige man, die zich nergens druk om maakt,
omdat de omstanders zien dat hij niet opgewassen is tegen deze vrouw.
Er komen barsten in zijn reputatie en hij merkt dat de mensen hem minder serieus nemen
En niet meer zo bang zijn als eerst voor hem
en dat de manier hoe hij met deze vrouw omgaat zich tegen hem gaat keren.
Hij kan haar beter gelijk geven en of ze gelijk heeft dat maakt niet uit.
Alleen dan is hij van haar af.

Als zo’n man al overstag gaat, die zijn hele bestaan baseerde op onverschilligheid,
niet luisteren naar de werkelijke nood.
Als zo’n man al gaat luisteren en gaat helpen,
dan moet de hemelse Vader dat toch helemaal doen?
Want onze hemelse Vader is totaal anders – radicaal anders, helemaal het tegenovergesteld:
Onze hemelse Vader is niet hardvochtig en onverschillig.
Hij stopt Zijn oren niet voor ons roepen en loopt niet weg als we voor Hem verschijnen.
Hij slaat de deur niet met een klap dicht als we aankloppen.
Dit is Gods karakter, zo is God ten diepste, dat Hij geen bidder laat staan.

Maar waarom dan ophouden met bidden?
Omdat we niet zien dat God iets voor ons doet.
Omdat we niet merken dat God ons hoort en verhoort.
Je bidt voor de christenen in Noord-Korea en je blijft alleen maar verhalen horen
hoe moeilijk het is om christen te zijn
en al jaren staat dit land op nummer 1 van de ranglijst van christenvervolging.
Je bidt voor Noord-Korea, maar het blijft stil na je gebed
En na een tijd begin je die stem te horen: Waar is je God?
Je bidt al jaren voor vrede in Jemen, de burgeroorlog begon al 4 jaar geleden
en al enkele jaren geleden was de situatie voor de mensen daar echt schrijnend
En de oorlog gaat maar door, zonder aandacht voor de mensen daar.
De beelden van uitgehongerde kinderen en volwassenen blijven maar komen.
Je bidt dat er vrede mag komen, de wapens zullen zwijgen, de mensen worden geholpen
en je bidt en je bidt en het blijft stil, op die stem na die je hoort: Waarom?
Waarom doet God er niets aan?
Is dat zo? Doet God er niets aan?
We geloven toch dat Hij eens terugkomt om te oordelen de levenden en de doden?
Als Jezus ons opdraagt om niet te stoppen met bidden,
bedoelt Hij hier allereerst het bidden dat Gods koninkrijk komt,
de Zoon des mensen die komen zal om met spoed recht te verschaffen,
Zegt Jezus na het eerste verhaal.
Doet God niets? Vandaag kwam ik een bericht tegen over Jemen:
Daarin stond dat christenen in Jemen het niet makkelijk hebben
en dat er toch, desondanks, in die moeilijke jaren moslims hun geloof vaarwel zeggen
omdat ze Jezus hebben leren kennen.
De schatting is 5.000-10.000.
Ze kunnen niet bij elkaar komen als gemeente, maar hebben via social media contact.
Doet God niets? Waar is dan je God?
En dat er nog steeds christenen zijn in Noord-Korea en dat ze het volhouden in de kampen:
Doet God niets? Waar God is?
Alleen daarom al is ons gebed nodig, om hen niet in de steek te laten.
Wij voor wie het bidden niet makkelijk is, omdat we de stilte van God ervaren
als een beklemming, als afwezigheid, als God die deze wereld heeft losgelaten.
Als dat zo zou zijn, dan horen we als christenen niet het bidden op te geven, zegt Jezus,
maar dan moeten we met elkaar naar God gaan, om te roepen, net als die weduwe
roepen en roepen en roepen, God steeds voor de voeten lopen, op het oneerbiedige af.
Het is niet oneerbiedig – het is God aan Zijn woord houden: U hebt het beloofd.

Er is nog een reden, waarom bidden niet eenvoudig is.
Dat is het tweede verhaal.
Dat gaat over een andere stem die je tijdens of na je gebed kunt horen
En als je die stem vaak hoort, kun je ook je gebed opgeven, stoppen met bidden.
Het is een stem, waardoor je op afstand blijft staan,
omdat de stem tegen je zegt: Dit mag je niet doen. Je mag hier niet komen.
Je kunt de stem niet onderscheiden: Is het de duivel, die je tegenhoudt om te komen
of is het God zelf, die je wil laten weten wat er mis is in je leven.
Is het bidden wat die tollenaar doet?
Eerder een soort mompelen, als iemand die zijn excuus moet aanbieden
omdat hij iets verkeerd heeft gedaan maar de ander niet recht in het gezicht durft te kijken.
Hij kijkt bij God weg.
Hij is hier wel, maar blijft zover mogelijk op een afstand staan.
Wel een soort verlangen om te komen, maar tegelijkertijd een drempel.
Toen hij nog thuis was en nog niet zo dicht bij God, dacht hij dat hij wel kon gaan,
als de verloren zoon, die wist dat het bij de vader beter was dan in dat verre land.
Hij trekt de stoute schoenen aan, maar hoe dichter hij bij God komt,
Hoe meer schroom, hoe meer besef dat hij er zoveel aan verkeerd heeft gedaan.
Wat hij wilde bidden, lukt niet meer, alleen maar een verzuchting:
Als ik straks voor Uw troon kom te staan, heilige God, dan kan ik daar niet staan.
Ik kan niet voor U verschijnen, omdat U mij wel moet veroordelen, voor eeuwig verloren.
Ik kan alleen maar bidden: Heer, doe het niet.
Laat er genade voor mij zijn.
Hij zal de volgende keer, als hij weer het verlangen in zich voelt om naar God te gaan,
tegen zichzelf zeggen: ga maar niet, daar hoor je niet.
Hij zal thuisblijven en zich schamen dat hij toen wel ging.
Hoe kon ik dat in mijn hoofd halen?
Bijzonder dat juist de tollenaar als hij in de tempel komt, tot een ander inzicht komt,
een appèl doet op Gods barmhartigheid: Heer, hier ben ik.
Ik weet zelf eigenlijk niet wat ik hier doe. Ik ben hier zomaar verzeild geraakt.
Ik leg mijn leven in Uw hand, wat U beslist is goed.
Maar, Heer, stuur mij niet weg, ondanks mijn zonden.
Opvallend trouwens in deze gelijkenis: de man die wel kan bidden,
omdat hij weet wat bidden is – althans dat denkt hij – hij blijft dezelfde, onveranderd.
De man die niet bidden kan, wordt veranderd.
Beiden komen ze in de eredienst: de een blijft dezelfde, komt onaangedaan thuis
de ander komt, haast tot zijn eigen verrassing, verdwaald in de tempel,
zoals je dat wel kunt hebben: je zit opeens in de kerk, opeens lees je in de Bijbel, bid je.
Voor beiden komt de stilte na hun gebed.
De man die weet hoe het geloof werkt, die zich daaraan overgeeft
hoort in de stilte een schouderklopje van God: Goed gedaan, mijn zoon.
De man die komt met zijn schuld, durft niet te horen wat het antwoord van God is.
Hij zou er niet raar van opkijken als God tegen hem uitvaart en zegt: Ga weg jij, zondaar!
Ze hebben geen van beiden gelijk.
Bidden is niet jezelf etaleren voor God, niet jezelf verheffen boven een ander.
Bidden is ook niet de schuld die op je leven ligt nog eens bevestigd horen door God.

Nee, bidden is niet makkelijk. Je zit gauw mis en je geeft gauw op.
Maar het is Jezus zelf, die onze moeite met bidden aankaart,
zodat we er ook vanaf komen en vandaag en morgen en heel ons leven kunnen bidden.
Amen

Preek zondag 9 december 2018

Preek zondag 9 december 2018
Hebreeën 12:12-29
Tekst: vers 22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn eerste jaar als predikant had ik een ervaren collega-predikant als mentor.
Met hem voerde ik een aantal gesprekken,
waarmee hij mij begeleidde in mijn eerste tijd als predikant.
Tijdens een van de gesprekken vertelde hij hoe hij onlangs in het ziekenhuis was geweest
om een gemeentelid te bezoeken.
Dat gemeentelid was niet meer aanspreekbaar, lag in coma of werd in slaap gehouden.
Terwijl hij daar aan het bed zat en wilde bidden,
zei een verpleegster: ‘Dat hoort ze toch niet.’
Waarop deze collega-predikant naar boven wees en zei: ‘Maar Hij hoort het wel!’
Ik heb vaak aan deze opmerking – ‘Maar Hij hoort het wel!’ – gedacht,
als ik zelf bij het bed van iemand stond, die niet aanspreekbaar was.
Ik dacht dan aan die opmerking omdat er tegenstrijdige gedachten door mij heen gingen:
Als ik nu bid, hoort God mij
en tegelijkertijd merkte ik dat het niet makkelijk was om te bidden
als ik in mijn eentje aan het bed stond van iemand die slapend gehouden werd.
Ik heb het dan vaak tegen mijzelf moeten zeggen: ‘Maar Hij hoort het wel!’
om mij eraan te herinneren dat je zelfs in een ziekenhuiszaal
waar iemand is die niets van je verneemt te beseffen dat je toch voor Gods aangezicht sta.

Ik merk wel vaker dat het besef er niet altijd is, dat je als gelovige voor Gods aangezicht sta
En dat je op de plek waar je bent te zien bent en te horen voor God
En dat je helemaal niet zo ver van Hem verwijderd bent, al is Hij in de hemel.
Ik merk dat bijvoorbeeld als ik op bezoek bij een gezin met kinderen over de vloer.
Als ik vertel dat ik ga lezen uit de Bijbel, kijkt zo’n kind dan heel vreemd op:
We hebben toch niet gegeten?
Ik merk het als het gesprek gaat over een kerk,
waar verwacht wordt dat je als vrouw een hoed draagt.
Als er dan gemopperd wordt dat er verwacht wordt dat je een hoed op hebt,
terwijl je dat in je eigen kerk niet gewoon bent om te doen,
vraag ik altijd: Is je ook verteld waarom je een hoed op zou moeten doen?
‘Ja het staat in de Bijbel.’
‘Waarom staat het in de Bijbel? Wat is daar de betekenis van?’
Alle keren dat het gesprek over dit onderwerp ging, heb ik gemerkt
dat wel de regel is verteld, maar dat nooit het waarom van die regel is verteld.
Een van de redenen is dat je daarmee laat zien: Ik kom voor een heilig God.
Nu is een hoed al lang niet meer voorgeschreven in onze wijk,
maar we kunnen niet zonder het besef dat we verschijnen voor God die heilig is.
Daar is eerbied en ontzag (vers 28) voor nodig.
In de kerkdienst komen we als zondige mensen voor een heilig God
Het stil gebed is bedoeld als voorbereiding, dat je weet: ik kom voor God te staan.
En het lezen van de Tien Geboden herinnert ons eraan
Dat we alleen voor de Heere kunnen komen, als onze zonden afgewassen zijn,
als we gereinigd zijn door het bloed van Christus en we vergeven hebben ontvangen.
De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard schreef eens:
‘Waarom doen wij kerkmensen alsof we toerist zijn
en bezig zijn met een een georganiseerde busreis op weg naar de heilige God?
Ik kom geen christenen tegen, behalve christenen die met vervolging te maken hebben,
die voldoende beseft in wat voor een omstandigheden wij verkeren.
Heeft iemand ook maar het flauwste besef
van de soort macht die we zo blijmoedig aanroepen?
Het is dwaasheid dat vrouwen hoeden en hoofddeksels dragen naar de kerk.
We zouden er met z’n allen beter aan doen om valhelmen te dragen.’
Want onze God is een verterend vuur. (vers 29)

In de gemeente waaraan Hebreeën is gericht als brief of als preek
is ook het besef verdwenen dat ze hebben te maken met de grote, heilige God
en dat ze elke dag dag voor Zijn aangezicht leven, in Zijn nabijheid
En dat ze elke keer als ze als gemeente samenkomen voor Zijn troon in de hemel komen.
Ze zijn de indrukwekkende Griekse en Romeinse tempels gewend,
Waar ze naar toe gingen voordat ze tot geloof gekomen zijn
waar je als je daar binnenstapt onder de indruk raakt van de grootsheid
en dat je beseft: ik stap hier de wereld van de goden binnen.
Nu ze in de Heere Jezus Christus geloven komen ze bij elkaar in een huiskamer
waar hun bijeenkomst niet de grootsheid, de allure van zo’n tempel heeft.
Als er een feest was, die te maken had met een van de goden,
was de hele stad in rep en roer en werd er al dagen naar het feest uitgekeken
en was er tijdens dat feest een grote menigte op de been
en werd er met veel feestvreugde het beeld van die god door de stad gedragen.
Sinds ze afscheid hebben genomen van die goden en tot geloof zijn gekomen,
hebben ze niet zulke groots gevierde feesten
en komen ze in kleine kring bij elkaar, zonder dat het opvalt in de stad,
om stil te staan bij het kruis op Golgotha, de opstanding uit de dood
en zeggen ze tegen elkaar: ‘De dag is nabij waarop Hij terugkomt!’
Ze komen nog wel bij elkaar, al komt niet iedereen meer,
maar de passie van de eerste liefde is er lang niet altijd meer.
Het is een gemeente die crisis verkeert.
Ze zeggen het nog wel tegen elkaar: Hij komt terug, maar het duurt allemaal zo lang.
Zal Hij nog wel komen?
En ondertussen zien ze mensen afhaken.
Het zou best eens kunnen gaan om de jongeren van de gemeente,
die in de afgelopen jaren zijn opgegroeid binnen de gemeente
En die zo’n bekeringservaring missen, die hun ouders wel hebben gehad.
Die door de ouders meegenomen zijn naar deze kerk,
maar bij het opgroeien dachten: dit is wel van onze ouders, maar niet voor ons.
Geef ons maar dat vroegere leven, met die indrukwekkende tempels
waarbij je bij binnenkomst echt merkte dat je in de wereld van de goden kwam.
Geef ons maar die groots gevierde feesten, waaraan de hele stad meedoet,
behalve dat kleine groepje christenen dat niet mee kan doen
en hun eigen feesten hebben, die in kleine kring worden gevierd,
omdat niemand op de hoogte is van die feesten en omdat ze Christus niet kennen.

Als je ziet dat de eigen kinderen afhaken en je vrienden met wie je optrok wegblijven
dan moet je het wel heel hard tegen zichzelf zeggen: je komen toch voor God
elke keer als we als gemeente bij elkaar komen, als we bidden,
als we luisteren naar de woorden die uit de Schrift gelezen worden,
de enige God die er is
en de goden van die tempels en die feesten, ze zijn maar niets – wij hebben de levende God!
Al die bijzondere ervaringen in het geloof die je hebt gehad,
tijdens een kerkdienst, tijdens een catechisatie, tijdens een avondmaalsviering,
het kan zo maar weg zijn, het kan je zo maar niets meer zeggen, iets van vroeger zijn
als het niet meer gaat binnen de gemeente, als je ziet dat anderen wegblijven.
In plaats van tegen jezelf te zeggen: “Maar Hij hoort het toch!”
ga je denken: Ziet God mij nog wel en weet Hij wat ik doormaak.
In plaats van je voor te bereiden op de ontmoeting met de levende God, de heilige God,
Schepper van hemel en aarde, de enige God die er is,
De God die deze gemeente in het leven heeft geroepen en onderhoudt,
in plaats van je voor te bereiden op het verschijnen voor Gods troon in de hemel
ga je denken: komen ze nog wel? Hoeveel zullen er nu wegblijven?
Er moet wat gebeuren, want zo gaat het niet goed.
Als dat je gaat beheersen, dan ga je vergeten dat je met God te maken hebt
en dat het leven een reis is naar het hemelse Jeruzalem
en dan vergeet je jezelf aan te sporen (zoals dat klinkt net voor we avondmaal vieren):
Laten we onze harten opwaarts heffen in de hemel, waar Christus Jezus is
onze Voorspraak bij de hemelse Vader.
Hoe krijg je dat geloof weer terug, dat Hij je hoort en ziet?
Hoe komt dat vertrouwen weer terug, dat er een dag komt
waarop onze Heer verschijnt op deze aarde?

Bij de christenen die nog maar net tot geloof gekomen waren
gebeurde dat door middel van een brief, of wellicht een preek
die aan deze gemeente werd gericht,
een brief of preek waarin de stem van God zelf doorklinkt
en de gemeente aanspreekt: zowel aanmoedigend als confronterend.
Weet je wel waar je staat?
U bent genaderd tot de berg Sion, en tot de levende God, tot het hemels Jeruzalem.
Wat kijk je nu naar de tempels van de Griekse en Romeinse goden,
met de grootsheid die ze uitstralen, waarmee ze indruk willen maken?
Zie je niet dat je dicht bij een plek bent, die nog veel indrukwekkender en grootser is?
De stad waar God zelf woont?
Kijk vooruit, nog maar even, je kunt de stad van God in de verte liggen,
zo dicht bij is die stad.
Hou nog even vol, zet nog even door, want je bent er bijna!
En elke keer als je bidt of als gemeente samenkomt, dan sta je al even binnen in die stad,
waar God zelf is, waar Zijn troon staat.
Niet een aardse stad met een aardse tempel, maar de hemelse stad,
Waar je met de Heere zelf te maken hebt, je staat dan voor Hem!

Confronterend is de aanspraak ook: Als je nu opgeeft, raak je alles kwijt.
Als je weer terug verlangt naar dat oude leven, toen je God nog niet kende,
Wees niet als Ezau, die een mooie positie had:
De oudste zoon was hij en zou het grootste deel van de erfenis krijgen.
De meeste bezittingen van zijn vader zou hij erven en bovendien de zegen van God.
Maar die bevoorrechte positie als erfgenaam en ontvanger van Gods zegen
verkocht hij aan zijn jongere broer Ezau en raakte  daarmee alles kwijt.

Het is een aanspreken van de gemeente om de gemeente weer in beweging te krijgen
op de weg naar de eeuwige bestemming, naar de stad van God.
Het is nog niet te laat! Kom in beweging!
Hef de slappe handen en strek de knikkende knieën.
Hier wordt een beeld van een sporter gebruikt die geen geloof heeft in de eindoverwinning.
Iedereen die op een sport zit, of dat nu voetbal is of volleybal of tennis
weet dat als je van tevoren al geen geloof hebt dat je zult winnen
of als je tijdens de wedstrijd het geloof kwijt raakt dat je nog kunt winnen
dan ga je verliezen, want je speelt niet meer met overtuiging.
Het lukt niet meer, de energie is sneller op,
je voelt de pijn in je lichaam opeens, die je weg zou drukken als je geloofde
dat je de tegenstander toch nog zou kunnen verslaan, al is de tegenstander nog zo sterk.
Juist als je niet op je best speelt, je voetbalt, volleybalt zonder overtuiging
kun je jezelf blesseren, kun je de wedstrijd niet uitspelen, omdat je geblesseerd uitvalt.
Hoe krijg je het geloof weer terug? Hoe krijg je de passie weer in je?
Toegepast op het geloof in Christus: Hoe komt die eerste liefde weer in je boven?
De passie die je eerder in je voelde waardoor je voor Christus ging,
het vertrouwen waar je eerder door gedragen wordt?
Het lijkt erop dat je jezelf moet oppeppen: Geloof het weer!
Zoals een sporter zichzelf tijdens de wedstrijd onder handen moet nemen: Kom op, gaan!
Er klinken ook steeds oproepen: weer in de starthouding,
pak wel de goede weg, die naar het hemels Jeruzalem
en laat je niet verleiden van die weg af te gaan, want dan blesseer je je juist
en kom je niet bij de finish in het hemels Jeruzalem aan.
En toch, het is niet iets dat we alleen moeten doen.
Juist nu moet je je eraan vasthouden: “Maar Hij hoort het wel.”
De kracht die nodig is om in beweging te komen, komt van God
God geeft de kracht om in beweging te komen, om verder te gaan.
God geeft genade – je hoeft het niet alleen te doen
en het is niet alleen je eigen kracht en je eigen geloof,
waarmee je je voort moet slepen.
God geeft die kracht, waarmee je geloof vernieuwd wordt,
kracht om weer te gaan op de weg naar die eeuwige bestemming.
Tijdens belangrijke wielrenwedstrijden speelt het eten een belangrijke rol:
het eten voordat je aan de wedstrijd begint

Als ze opstaan begint hun dag met een goed ontbijt. Vaak bestaat dit uit havermoutpap met vruchten, rozijnen of noten. Vervolgens krijgen ze omelet, maar kunnen ook kiezen uit rijst en brood. Er zijn ploegen die hun eigen brood maken, dit is een heel droog brood dat veel energie oplevert.Tussen het ontbijt en de race blijven de wielrenners eten. Meestal zijn dit kleine snacks, dit kan variëren van winegums, noten, smoothies of groentesappen. Bij iedere ploeg of renner kan dit anders zijn.

Ook tijdens en na de race is het eten belangrijk
Want als je niet goed eet tijdens de race, kun je hongerklop krijgen, de man met de hamer.
Je kunt niet meer meekomen, je valt stil, omdat je geen energie meer hebt.
Als je na afloop van de race niet de juiste voeding eet, kun je de volgende koers niet aan.
Ook voor een pelgrim die onderweg is naar de hemelse bestemming
is het van belang om de juiste voedsel te krijgen.
Naast voeding is de juiste coaching vooraf en tijdens de wedstrijd nodig.
Dat zijn allemaal facetten die nodig zijn in het geloof:
De juiste voeding voor en tijdens de race naar het hemels Jeruzalem
om daar aan te komen bij de finish in de stad van God.
De kracht en de begeleiding komt van God
en Hij geeft mensen om je heen die je begeleiden en aansporen.
God is een verterend vuur
– als je afhaakt, als je niet verder kunt zijn de gevolgen aangrijpend,
maar als je gelooft en wilt gaan, dan is God in je het vuur dat je aandrijft om te gaan.
Om zo aan te komen bij het hemels Jeruzalem,
waar God, waar de duizenden engelen feest vieren
samen met degenen die hier op aarde geleefd hebben en reeds aangekomen zijn
na de aardse reis, die voor hen ook niet altijd makkelijk was,
maar waarbij ze steeds bedachten: “Maar Hij hoort het!”
“Hou vol, Hij komt er bijna aan!” “Het duurt niet lang meer voor Hij verschijnt!”

Ik zet mijn treden in Uw spoor,
– Het is een psalm die velen met hun belijdenis gezongen hebben –

Opdat mijn voet niet uit zou glijden.

Wil mij voor struikelen bevrijden,

En ga mij met Uw heillicht voor.

Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten
Amen