Preek 21 juli 2019 avonddienst

Preek 21 juli 2019 avonddienst
1 Johannes 2:18-23, 1 Johannes 4:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de brief die Johannes schrijft gaat het steeds over het kennen van God.
Nu zijn er, schrijft Johannes ook mensen, die ons een verkeerd beeld van God willen geven.
Ze doen dat expres, bewust.
Want ze willen dat we het beeld dat we van God hebben wordt ingeruild
voor een ander beeld.
In het beeld dat ze willen schetsen, past Christus niet.
Als je aan God denkt, moet je Christus weg-denken.
Als je aan God denkt, moet je niet aan Christus denken
en helemaal niet aan een Christus die hangt aan het kruis,
Die daar voor jou hangt.
Ze willen ons doen geloven, dat het beeld dat Johannes ons schetst, een omweg is,
een overbodige omweg,
want voor Johannes kunnen we God alleen kennen als we via Christus gaan.
Wil je buiten Christus om bij God komen, dan is dat niet mogelijk.
Als Johannes schrijft, dat we moeten bidden in de naam van Jezus
– dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: om Jezus’ wil, om Christus’ wil –
is dat niet een beleefde zin, die je nu eenmaal hoort te zeggen.
Nee, we zeggen dat we dit gebed alleen maar kunnen bidden
omdat we dat via Christus doen, omdat Hij voor ons de weg is tot God,
omdat we Hem hebben leren kennen.
Nu schrijft Johannes over mensen, die dat onzin vinden, overbodig.
Je kunt wel zonder dat om-Jezus’-wil.
Er is een weg buiten Jezus om tot God.
Je moet Christus inruilen. In plaats van Christus moet je God nemen.
In plaats van is in het Grieks: anti.
Anti-Christ betekent: je ruilt Christus in voor iets of iemand anders.
Antichrist kan ook betekenen: iemand die de plek van Christus overneemt
en Christus aan de kant schuift.
De antichrist komt eraan en er zijn nu al veel antichristen gekomen, schrijft Johannes.
Eén persoon, of één macht die groter is dan één persoon
die komt om de plek van Christus over te nemen en Hem overbodig te maken.
En die ene persoon of die ene macht krijgt grote invloed,
omdat voor de komst van die macht er al velen zijn, die zich laten beïnvloeden
en de plek, die Christus in hun leven innam, ingeruild hebben
en daarmee een lege plek hebben gecreëerd
die door die ene macht zo ingenomen kan worden.
Johannes legt niet uit, wie of wat hij op het oog heeft met die macht.
Dat kan bewust zijn, zodat we niet naar één kant kijken
en daardoor niet het gevaar zien dat van de andere kant komt.
Je wordt in de rug aangevallen.
Of je wordt beïnvloed zonder dat je er op bedacht bent
omdat je de tactiek niet kent die nu gebruikt wordt
om Christus in jouw leven van Zijn plek te krijgen.

Met die macht (of die persoon) die komt om de plek van Christus in te nemen,
wordt nog helderder waarom het kennen van God voor ons zo belangrijk is.
Alleen als je God kent, ben je in staat om te zien wat echt van God is.
Alleen dan ben je in staat om te zien dat wat je hoort echt door God gezegd wordt.
Heb je nu echt God in je leven? Of heb je de verkeerde in je hart?
Dat maakt nogal uit.
en als gelovige moet je, zegt Johannes, dat verschil kunnen zien.
Je moet in staat zijn als gelovige om onderscheid te maken
tussen wat wel van God komt en niet van God komt.
Dat zou wel eens een aardig criterium kunnen zijn
om te zien of iemand belijdenis van het geloof kan afleggen:
kun je bij iets aangeven of je met God te maken hebt of niet?
En zeker van ambtsdragers mag je ervan uit gaan,
dat ze dat verschil kunnen aangeven.
Iemand vertelt op huisbezoek een stukje levensverhaal,
allerlei gebeurtenissen die iemand meegemaakt heeft
En als ambtsdrager moet je in staat zijn om te zien of daarin God aan het werk is
of juist niet.
En dat is belangrijk, want er is in deze wereld een macht aan de gang
die ons juist bij God vandaan wil hebben en ons zover brengt dat we Christus inruilen
of een macht die de plek van Christus in ons leven wil overnemen.
Iemand die je – om het plat te zeggen – beduvelt.
Of om het anders te zeggen: de duivel die nog één probeert om een slag te slaan.
Want bewust een verkeerd beeld over God neerzetten,
en willen dat je Christus inruilt en uit je leven wegdoet
en via valse boodschappen invloed op je leven willen krijgen,
moeten we dat niet herleiden op de duivel die God tegenwerkt.

Dat is niet iets om ons bang te maken,
Want juist als de duivel zich roert, zegt Johannes,
mag je weten dat de Wederkomst dichtbij is: de laatste uur.
Daarom moeten we niet onder de indruk raken,
maar scherp blijven: beproef de geesten of ze uit God zijn.
De toets op basis waarvan je kunt bepalen of je met God te maken hebt
is dat je het in verband kunt brengen met Christus.
Dat je het kunt verbinden aan de komst van Christus op aarde.
In de afgelopen dagen is er veel aandacht geweest voor de eerste landing op de maan.
Er zijn in totaal 6 maanlandingen geweest.
Op de vierde missie ging James B. Irwin mee,
Een astronaut die zich later een wedergeboren christen noemde.
Hij zei: Op de maan werd het mij duidelijk dat het belangrijker is dat Christus
een voet op de aarde heeft gezet dan dat de mens een voet op de maan zette.
We kunnen als mens nog zulke technologische hoogstandjes creëren,
maar het belang ervan haalt het niet bij de komst van Christus op aarde.
Dat Christus een voet op aarde zette en dat daarmee God mens werd
en uit de hemel kwam en in onze wereld en onder ons kwam,
zodat we Hem konden zien en konden aanraken,
dat we konden zien hoe Hij de tekenen deed en vooral Zichzelf gaf aan het kruis:
dat is God – daar kennen we God.
Als je dat niet kunt accepteren, als je dat niet kunt geloven,
dan heb je God zelf ook niet.
Geen God zonder Christus, hoe mooi de verhalen over God ook gebracht worden.
Niet alles wat over God gezegd wordt komt ook echt van God.
Kun je dat in onze tijd ook nog merken, dat er over God gesproken wordt
zonder dat je echt iets merkt van Christus,
gelovigen voor wie het niet nodig was dat Jezus naar de aarde kwam?
Je kunt dan naar hele moderne kerken kijken, waar nauwelijks over Jezus gesproken wordt.
Of naar juist hele behoudende kerken waar Christus zo ver weg is
en het kruis zo onbereikbaar, dat je er niet komt.
Ik denk alleen niet dat het goed is om naar anderen te kijken,
maar naar de gevaren die wij zelf lopen, hier in onze omgeving
en binnen de kerk zoals we die hebben.
Om te voorkomen dat we in slaap vallen
en zonder dat we er erg in hebben gevaar lopen.

Nu kun je denken dat in slaap vallen niet zo erg is.
Als dat achter je bureau is of in een luie stoel is dat misschien niet erg.
Maar wel als je in een auto zit en onderweg bent en je ogen vallen dicht.
Dan raak je van de weg en bots je tegen een ander op of duik je een greppel in.
Daar wil Johannes ons voor waarschuwen, zodat we wakker zijn,
net als die 5 wijze meisjes, die voorbereid waren op de komst van de bruidegom.

Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij Uw komst verbeid’,
Daar ’t in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.

Bescherm ons, in den bangen tijd
Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den bozen vijand toe,
Dat hij ons enig’ hinder doe.
Amen

Preek biddag 2019 avonddienst

Preek biddag 2019 avonddienst
Lukas 18:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen twee verhalen van de Heere Jezus, waarin Hij aangeeft
dat bidden voor ons niet makkelijk is.
Het eerste verhaal dat onze Heere vertelt heeft een speciale groep mensen op het oog,
namelijk de mensen die gestopt zijn met bidden
en in het tweede verhaal komt een man voor, wel bidt,
maar dat met zo’n grote aarzeling doet, dat je proeft: komt mijn gebed wel in de hemel aan?
Bidden is niet makkelijk, dat is wat Jezus bij Zijn volgelingen tegenkomt.
Wat de overeenkomst is in de beide verhalen, is de stilte die volgt op het gebed.
Je spreekt je gebed uit naar God toe, je brengt bij Hem wat er in je hart leeft,

maar van de andere kant komt er geen reactie.
Je gaat ervan uit dat je gebed bij God in de hemel aankomt,
want je gelooft dat God je hoort als je bidt.
En er kunnen ook momenten zijn, dat je ervaart dat je gebed bij de Heere aankomt,
Dat je tijdens het bidden merkt dat je bij Hem bent, dat Hij heel dichtbij is.
Dan heb je geen stilte of dan is de stilte om je heen de manier waarop God tot je komt.
Of je ontdekt enige tijd later dat de Heere je gebed verhoord heeft.
Dat zijn tijden, waarin je verbaast opkijkt als iemand zegt dat bidden niet makkelijk is.
Jouw ervaring is op dat moment heel anders.
Onze Heere kent ons echter goed genoeg om te weten
dat zulke momenten waarop je in je gebed heel dicht bij Hem bent vaak maar tijdelijk zijn.
Wat Hij meer tegenkomt, is dat Zijn volgelingen worstelen met gebed.

Dat moet voor Hem zelf een vreemde ervaring zijn geweest,
dat het bidden voor Zijn volgelingen niet zo eenvoudig is geweest.
De evangelist Lukas, die ons deze twee verhalen van onze Heer aan ons vertelt,
laat steeds zien hoe de Heere Jezus zich afzondert om te bidden,
om het contact met Zijn Vader in de hemel te zoeken,
om Zijn leven in de hand van Zijn Vader te leggen.
Hij komt aan bij Zijn Vader: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dan treft Hij bij Zijn leerlingen moeite met bidden aan en meer dan moeite:
want Hij merkt dat Zijn leerlingen vaak het bidden opgeven,
niet meer doen, omdat ze er geen verwachting meer van hebben.
Ze hebben het een aantal keer geprobeerd, maar het hielp niets.
In de stilte die volgde op hun gebed volgde niet de stem van God,
maar een irritante stem, die je het zwijgen zou willen opleggen,
omdat die stem het geloof en vertrouwen ondermijnde: Waar blijft God?
Het is de vraag van Psalm 42: Waar is dan je God?
En als je die vraag steeds hoort tijdens je gebed of in de stilte na je gebed
dan kan het op een gegeven moment je eigen vraag worden: Waar is mijn God dan?
Als die vraag sterker en sterker wordt, dan ga je je afvragen wat de zin van bidden nog is
en je gaat het nalaten. Je laat het erbij.
Bidden is noodzakelijk, zegt Jezus met dat eerste verhaal:
Noodzakelijk voor onszelf en ook voor God.
Niet dat God afhankelijk is van ons gebed en Hij niets meer doet als wij stoppen met bidden.
Op de een of andere manier is ons gebed een onderdeel van Gods plan met deze wereld.
Als wij stoppen met bidden, valt er een cruciale schakel van ons gebed weg.
Daarmee hoeft het werk van God niet stil te vallen.
Hij kan andere wegen vinden om Zijn werk hier in deze wereld ten uitvoer te brengen.
Ons gebed kan niet gemist worden en daarom kan de Heere Jezus het er niet bij laten
als wij het bidden opgeven.
Daarom vertelt Hij een verhaal, om ons zover te krijgen dat we het bidden weer oppakken
en dat als we het bidden weer hebben opgepakt vol blijven houden met bidden
en niet meer denken dat de stilte die op ons bidden volgt Zijn afwezigheid is,
maar dat de stilte die volgt op ons bidden de tijd aangeeft waarin God werkzaam is.

Het is een verhaal over een onverschillige rechter, die zich nergens van aantrekt.
Van God niet en van de mensen om zich heen niet.
Een onverschillige man, een koud hart.
Juist die onverschilligheid en zijn koude hart brengen hem veel.
Want als hij een beslissing neemt, dan weet hij dat er niemand komt,
die verhaal komt halen, want ze weten allemaal dat het geen zin heeft
om met hem in gesprek te gaan, om een klacht bij hem in te dienen.
Hij komt nooit op zijn standpunt terug.
Op een keer krijgt hij een zaak onder zijn hoede van een weduwvrouw.
Haar man is gestorven en ze is kwetsbaar in financieel en maatschappelijk opzicht.
Ze heeft niemand die in haar levensonderhoud voorziet en niemand die voor haar opkomt.
Ze staat er helemaal alleen voor.
Wellicht heeft de zaak ook met het geld of het land van haar man te maken
en is dat van haar afgenomen.
Misschien hebben ze haar zoon weggehaald en staat ze nu helemaal alleen op de wereld.
In ieder geval is ze oneerlijk behandeld en is ze gedupeerd.
Ze kaart het bij deze rechter aan, maar de rechter heeft geen zin om haar gelijk te geven.
Hij denkt er mooi vanaf te zijn.
Hij heeft immers een reputatie opgebouwd een hardvochtig en onbuigzaam man te zijn.
Iemand die nooit toegeeft, nooit een knieval maakt, nooit zijn fouten erkent.
Maar dan kent hij deze vrouw nog niet.
Bij elke rechtszaak is ze aanwezig.
En bij elke rechtszaak gilt ze boven alle andere aanwezigen uit,
zodat hij ‘s nachts over haar gaat dromen en elke keer als hij een rechtszaak heeft
en het publiek nadrukkelijk aanwezig is en instemming of afkeur laat horen
hoort hij boven al het andere geschreeuw nog haar stem.
Voordat hij aan een rechtszaak begint, staat ze hem op te wachten.
Ze volgt hem als hij klaar is met zijn rechtszaak.
Hoe meer hij wil negeren, hoe luidruchtiger en aanweziger zij is.
Hoe meer hij haar uit de weg wil gaan, hoe meer ze zich aan hem opdringt.
Hoe meer hij haar van zich af wil duwen, hoe agressiever ze wordt.
Hij merkt dat hij, die voor niemand, zelfs voor God niet bang is, bang wordt voor haar.
Hij is bang geworden voor haar emotie, haar boosheid, die zich steeds agressiever toont,
boosheid die voortkomt uit de grove schending van haar recht.
De vrouw vliegt hem nog een keer aan en zal hem helemaal in elkaar slaan.
En hij merkt dat hij zijn reputatie begint kwijt te raken,
zijn reputatie als hardvochtige man, die zich nergens druk om maakt,
omdat de omstanders zien dat hij niet opgewassen is tegen deze vrouw.
Er komen barsten in zijn reputatie en hij merkt dat de mensen hem minder serieus nemen
En niet meer zo bang zijn als eerst voor hem
en dat de manier hoe hij met deze vrouw omgaat zich tegen hem gaat keren.
Hij kan haar beter gelijk geven en of ze gelijk heeft dat maakt niet uit.
Alleen dan is hij van haar af.

Als zo’n man al overstag gaat, die zijn hele bestaan baseerde op onverschilligheid,
niet luisteren naar de werkelijke nood.
Als zo’n man al gaat luisteren en gaat helpen,
dan moet de hemelse Vader dat toch helemaal doen?
Want onze hemelse Vader is totaal anders – radicaal anders, helemaal het tegenovergesteld:
Onze hemelse Vader is niet hardvochtig en onverschillig.
Hij stopt Zijn oren niet voor ons roepen en loopt niet weg als we voor Hem verschijnen.
Hij slaat de deur niet met een klap dicht als we aankloppen.
Dit is Gods karakter, zo is God ten diepste, dat Hij geen bidder laat staan.

Maar waarom dan ophouden met bidden?
Omdat we niet zien dat God iets voor ons doet.
Omdat we niet merken dat God ons hoort en verhoort.
Je bidt voor de christenen in Noord-Korea en je blijft alleen maar verhalen horen
hoe moeilijk het is om christen te zijn
en al jaren staat dit land op nummer 1 van de ranglijst van christenvervolging.
Je bidt voor Noord-Korea, maar het blijft stil na je gebed
En na een tijd begin je die stem te horen: Waar is je God?
Je bidt al jaren voor vrede in Jemen, de burgeroorlog begon al 4 jaar geleden
en al enkele jaren geleden was de situatie voor de mensen daar echt schrijnend
En de oorlog gaat maar door, zonder aandacht voor de mensen daar.
De beelden van uitgehongerde kinderen en volwassenen blijven maar komen.
Je bidt dat er vrede mag komen, de wapens zullen zwijgen, de mensen worden geholpen
en je bidt en je bidt en het blijft stil, op die stem na die je hoort: Waarom?
Waarom doet God er niets aan?
Is dat zo? Doet God er niets aan?
We geloven toch dat Hij eens terugkomt om te oordelen de levenden en de doden?
Als Jezus ons opdraagt om niet te stoppen met bidden,
bedoelt Hij hier allereerst het bidden dat Gods koninkrijk komt,
de Zoon des mensen die komen zal om met spoed recht te verschaffen,
Zegt Jezus na het eerste verhaal.
Doet God niets? Vandaag kwam ik een bericht tegen over Jemen:
Daarin stond dat christenen in Jemen het niet makkelijk hebben
en dat er toch, desondanks, in die moeilijke jaren moslims hun geloof vaarwel zeggen
omdat ze Jezus hebben leren kennen.
De schatting is 5.000-10.000.
Ze kunnen niet bij elkaar komen als gemeente, maar hebben via social media contact.
Doet God niets? Waar is dan je God?
En dat er nog steeds christenen zijn in Noord-Korea en dat ze het volhouden in de kampen:
Doet God niets? Waar God is?
Alleen daarom al is ons gebed nodig, om hen niet in de steek te laten.
Wij voor wie het bidden niet makkelijk is, omdat we de stilte van God ervaren
als een beklemming, als afwezigheid, als God die deze wereld heeft losgelaten.
Als dat zo zou zijn, dan horen we als christenen niet het bidden op te geven, zegt Jezus,
maar dan moeten we met elkaar naar God gaan, om te roepen, net als die weduwe
roepen en roepen en roepen, God steeds voor de voeten lopen, op het oneerbiedige af.
Het is niet oneerbiedig – het is God aan Zijn woord houden: U hebt het beloofd.

Er is nog een reden, waarom bidden niet eenvoudig is.
Dat is het tweede verhaal.
Dat gaat over een andere stem die je tijdens of na je gebed kunt horen
En als je die stem vaak hoort, kun je ook je gebed opgeven, stoppen met bidden.
Het is een stem, waardoor je op afstand blijft staan,
omdat de stem tegen je zegt: Dit mag je niet doen. Je mag hier niet komen.
Je kunt de stem niet onderscheiden: Is het de duivel, die je tegenhoudt om te komen
of is het God zelf, die je wil laten weten wat er mis is in je leven.
Is het bidden wat die tollenaar doet?
Eerder een soort mompelen, als iemand die zijn excuus moet aanbieden
omdat hij iets verkeerd heeft gedaan maar de ander niet recht in het gezicht durft te kijken.
Hij kijkt bij God weg.
Hij is hier wel, maar blijft zover mogelijk op een afstand staan.
Wel een soort verlangen om te komen, maar tegelijkertijd een drempel.
Toen hij nog thuis was en nog niet zo dicht bij God, dacht hij dat hij wel kon gaan,
als de verloren zoon, die wist dat het bij de vader beter was dan in dat verre land.
Hij trekt de stoute schoenen aan, maar hoe dichter hij bij God komt,
Hoe meer schroom, hoe meer besef dat hij er zoveel aan verkeerd heeft gedaan.
Wat hij wilde bidden, lukt niet meer, alleen maar een verzuchting:
Als ik straks voor Uw troon kom te staan, heilige God, dan kan ik daar niet staan.
Ik kan niet voor U verschijnen, omdat U mij wel moet veroordelen, voor eeuwig verloren.
Ik kan alleen maar bidden: Heer, doe het niet.
Laat er genade voor mij zijn.
Hij zal de volgende keer, als hij weer het verlangen in zich voelt om naar God te gaan,
tegen zichzelf zeggen: ga maar niet, daar hoor je niet.
Hij zal thuisblijven en zich schamen dat hij toen wel ging.
Hoe kon ik dat in mijn hoofd halen?
Bijzonder dat juist de tollenaar als hij in de tempel komt, tot een ander inzicht komt,
een appèl doet op Gods barmhartigheid: Heer, hier ben ik.
Ik weet zelf eigenlijk niet wat ik hier doe. Ik ben hier zomaar verzeild geraakt.
Ik leg mijn leven in Uw hand, wat U beslist is goed.
Maar, Heer, stuur mij niet weg, ondanks mijn zonden.
Opvallend trouwens in deze gelijkenis: de man die wel kan bidden,
omdat hij weet wat bidden is – althans dat denkt hij – hij blijft dezelfde, onveranderd.
De man die niet bidden kan, wordt veranderd.
Beiden komen ze in de eredienst: de een blijft dezelfde, komt onaangedaan thuis
de ander komt, haast tot zijn eigen verrassing, verdwaald in de tempel,
zoals je dat wel kunt hebben: je zit opeens in de kerk, opeens lees je in de Bijbel, bid je.
Voor beiden komt de stilte na hun gebed.
De man die weet hoe het geloof werkt, die zich daaraan overgeeft
hoort in de stilte een schouderklopje van God: Goed gedaan, mijn zoon.
De man die komt met zijn schuld, durft niet te horen wat het antwoord van God is.
Hij zou er niet raar van opkijken als God tegen hem uitvaart en zegt: Ga weg jij, zondaar!
Ze hebben geen van beiden gelijk.
Bidden is niet jezelf etaleren voor God, niet jezelf verheffen boven een ander.
Bidden is ook niet de schuld die op je leven ligt nog eens bevestigd horen door God.

Nee, bidden is niet makkelijk. Je zit gauw mis en je geeft gauw op.
Maar het is Jezus zelf, die onze moeite met bidden aankaart,
zodat we er ook vanaf komen en vandaag en morgen en heel ons leven kunnen bidden.
Amen

Preek zondag 9 december 2018

Preek zondag 9 december 2018
Hebreeën 12:12-29
Tekst: vers 22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn eerste jaar als predikant had ik een ervaren collega-predikant als mentor.
Met hem voerde ik een aantal gesprekken,
waarmee hij mij begeleidde in mijn eerste tijd als predikant.
Tijdens een van de gesprekken vertelde hij hoe hij onlangs in het ziekenhuis was geweest
om een gemeentelid te bezoeken.
Dat gemeentelid was niet meer aanspreekbaar, lag in coma of werd in slaap gehouden.
Terwijl hij daar aan het bed zat en wilde bidden,
zei een verpleegster: ‘Dat hoort ze toch niet.’
Waarop deze collega-predikant naar boven wees en zei: ‘Maar Hij hoort het wel!’
Ik heb vaak aan deze opmerking – ‘Maar Hij hoort het wel!’ – gedacht,
als ik zelf bij het bed van iemand stond, die niet aanspreekbaar was.
Ik dacht dan aan die opmerking omdat er tegenstrijdige gedachten door mij heen gingen:
Als ik nu bid, hoort God mij
en tegelijkertijd merkte ik dat het niet makkelijk was om te bidden
als ik in mijn eentje aan het bed stond van iemand die slapend gehouden werd.
Ik heb het dan vaak tegen mijzelf moeten zeggen: ‘Maar Hij hoort het wel!’
om mij eraan te herinneren dat je zelfs in een ziekenhuiszaal
waar iemand is die niets van je verneemt te beseffen dat je toch voor Gods aangezicht sta.

Ik merk wel vaker dat het besef er niet altijd is, dat je als gelovige voor Gods aangezicht sta
En dat je op de plek waar je bent te zien bent en te horen voor God
En dat je helemaal niet zo ver van Hem verwijderd bent, al is Hij in de hemel.
Ik merk dat bijvoorbeeld als ik op bezoek bij een gezin met kinderen over de vloer.
Als ik vertel dat ik ga lezen uit de Bijbel, kijkt zo’n kind dan heel vreemd op:
We hebben toch niet gegeten?
Ik merk het als het gesprek gaat over een kerk,
waar verwacht wordt dat je als vrouw een hoed draagt.
Als er dan gemopperd wordt dat er verwacht wordt dat je een hoed op hebt,
terwijl je dat in je eigen kerk niet gewoon bent om te doen,
vraag ik altijd: Is je ook verteld waarom je een hoed op zou moeten doen?
‘Ja het staat in de Bijbel.’
‘Waarom staat het in de Bijbel? Wat is daar de betekenis van?’
Alle keren dat het gesprek over dit onderwerp ging, heb ik gemerkt
dat wel de regel is verteld, maar dat nooit het waarom van die regel is verteld.
Een van de redenen is dat je daarmee laat zien: Ik kom voor een heilig God.
Nu is een hoed al lang niet meer voorgeschreven in onze wijk,
maar we kunnen niet zonder het besef dat we verschijnen voor God die heilig is.
Daar is eerbied en ontzag (vers 28) voor nodig.
In de kerkdienst komen we als zondige mensen voor een heilig God
Het stil gebed is bedoeld als voorbereiding, dat je weet: ik kom voor God te staan.
En het lezen van de Tien Geboden herinnert ons eraan
Dat we alleen voor de Heere kunnen komen, als onze zonden afgewassen zijn,
als we gereinigd zijn door het bloed van Christus en we vergeven hebben ontvangen.
De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard schreef eens:
‘Waarom doen wij kerkmensen alsof we toerist zijn
en bezig zijn met een een georganiseerde busreis op weg naar de heilige God?
Ik kom geen christenen tegen, behalve christenen die met vervolging te maken hebben,
die voldoende beseft in wat voor een omstandigheden wij verkeren.
Heeft iemand ook maar het flauwste besef
van de soort macht die we zo blijmoedig aanroepen?
Het is dwaasheid dat vrouwen hoeden en hoofddeksels dragen naar de kerk.
We zouden er met z’n allen beter aan doen om valhelmen te dragen.’
Want onze God is een verterend vuur. (vers 29)

In de gemeente waaraan Hebreeën is gericht als brief of als preek
is ook het besef verdwenen dat ze hebben te maken met de grote, heilige God
en dat ze elke dag dag voor Zijn aangezicht leven, in Zijn nabijheid
En dat ze elke keer als ze als gemeente samenkomen voor Zijn troon in de hemel komen.
Ze zijn de indrukwekkende Griekse en Romeinse tempels gewend,
Waar ze naar toe gingen voordat ze tot geloof gekomen zijn
waar je als je daar binnenstapt onder de indruk raakt van de grootsheid
en dat je beseft: ik stap hier de wereld van de goden binnen.
Nu ze in de Heere Jezus Christus geloven komen ze bij elkaar in een huiskamer
waar hun bijeenkomst niet de grootsheid, de allure van zo’n tempel heeft.
Als er een feest was, die te maken had met een van de goden,
was de hele stad in rep en roer en werd er al dagen naar het feest uitgekeken
en was er tijdens dat feest een grote menigte op de been
en werd er met veel feestvreugde het beeld van die god door de stad gedragen.
Sinds ze afscheid hebben genomen van die goden en tot geloof zijn gekomen,
hebben ze niet zulke groots gevierde feesten
en komen ze in kleine kring bij elkaar, zonder dat het opvalt in de stad,
om stil te staan bij het kruis op Golgotha, de opstanding uit de dood
en zeggen ze tegen elkaar: ‘De dag is nabij waarop Hij terugkomt!’
Ze komen nog wel bij elkaar, al komt niet iedereen meer,
maar de passie van de eerste liefde is er lang niet altijd meer.
Het is een gemeente die crisis verkeert.
Ze zeggen het nog wel tegen elkaar: Hij komt terug, maar het duurt allemaal zo lang.
Zal Hij nog wel komen?
En ondertussen zien ze mensen afhaken.
Het zou best eens kunnen gaan om de jongeren van de gemeente,
die in de afgelopen jaren zijn opgegroeid binnen de gemeente
En die zo’n bekeringservaring missen, die hun ouders wel hebben gehad.
Die door de ouders meegenomen zijn naar deze kerk,
maar bij het opgroeien dachten: dit is wel van onze ouders, maar niet voor ons.
Geef ons maar dat vroegere leven, met die indrukwekkende tempels
waarbij je bij binnenkomst echt merkte dat je in de wereld van de goden kwam.
Geef ons maar die groots gevierde feesten, waaraan de hele stad meedoet,
behalve dat kleine groepje christenen dat niet mee kan doen
en hun eigen feesten hebben, die in kleine kring worden gevierd,
omdat niemand op de hoogte is van die feesten en omdat ze Christus niet kennen.

Als je ziet dat de eigen kinderen afhaken en je vrienden met wie je optrok wegblijven
dan moet je het wel heel hard tegen zichzelf zeggen: je komen toch voor God
elke keer als we als gemeente bij elkaar komen, als we bidden,
als we luisteren naar de woorden die uit de Schrift gelezen worden,
de enige God die er is
en de goden van die tempels en die feesten, ze zijn maar niets – wij hebben de levende God!
Al die bijzondere ervaringen in het geloof die je hebt gehad,
tijdens een kerkdienst, tijdens een catechisatie, tijdens een avondmaalsviering,
het kan zo maar weg zijn, het kan je zo maar niets meer zeggen, iets van vroeger zijn
als het niet meer gaat binnen de gemeente, als je ziet dat anderen wegblijven.
In plaats van tegen jezelf te zeggen: “Maar Hij hoort het toch!”
ga je denken: Ziet God mij nog wel en weet Hij wat ik doormaak.
In plaats van je voor te bereiden op de ontmoeting met de levende God, de heilige God,
Schepper van hemel en aarde, de enige God die er is,
De God die deze gemeente in het leven heeft geroepen en onderhoudt,
in plaats van je voor te bereiden op het verschijnen voor Gods troon in de hemel
ga je denken: komen ze nog wel? Hoeveel zullen er nu wegblijven?
Er moet wat gebeuren, want zo gaat het niet goed.
Als dat je gaat beheersen, dan ga je vergeten dat je met God te maken hebt
en dat het leven een reis is naar het hemelse Jeruzalem
en dan vergeet je jezelf aan te sporen (zoals dat klinkt net voor we avondmaal vieren):
Laten we onze harten opwaarts heffen in de hemel, waar Christus Jezus is
onze Voorspraak bij de hemelse Vader.
Hoe krijg je dat geloof weer terug, dat Hij je hoort en ziet?
Hoe komt dat vertrouwen weer terug, dat er een dag komt
waarop onze Heer verschijnt op deze aarde?

Bij de christenen die nog maar net tot geloof gekomen waren
gebeurde dat door middel van een brief, of wellicht een preek
die aan deze gemeente werd gericht,
een brief of preek waarin de stem van God zelf doorklinkt
en de gemeente aanspreekt: zowel aanmoedigend als confronterend.
Weet je wel waar je staat?
U bent genaderd tot de berg Sion, en tot de levende God, tot het hemels Jeruzalem.
Wat kijk je nu naar de tempels van de Griekse en Romeinse goden,
met de grootsheid die ze uitstralen, waarmee ze indruk willen maken?
Zie je niet dat je dicht bij een plek bent, die nog veel indrukwekkender en grootser is?
De stad waar God zelf woont?
Kijk vooruit, nog maar even, je kunt de stad van God in de verte liggen,
zo dicht bij is die stad.
Hou nog even vol, zet nog even door, want je bent er bijna!
En elke keer als je bidt of als gemeente samenkomt, dan sta je al even binnen in die stad,
waar God zelf is, waar Zijn troon staat.
Niet een aardse stad met een aardse tempel, maar de hemelse stad,
Waar je met de Heere zelf te maken hebt, je staat dan voor Hem!

Confronterend is de aanspraak ook: Als je nu opgeeft, raak je alles kwijt.
Als je weer terug verlangt naar dat oude leven, toen je God nog niet kende,
Wees niet als Ezau, die een mooie positie had:
De oudste zoon was hij en zou het grootste deel van de erfenis krijgen.
De meeste bezittingen van zijn vader zou hij erven en bovendien de zegen van God.
Maar die bevoorrechte positie als erfgenaam en ontvanger van Gods zegen
verkocht hij aan zijn jongere broer Ezau en raakte  daarmee alles kwijt.

Het is een aanspreken van de gemeente om de gemeente weer in beweging te krijgen
op de weg naar de eeuwige bestemming, naar de stad van God.
Het is nog niet te laat! Kom in beweging!
Hef de slappe handen en strek de knikkende knieën.
Hier wordt een beeld van een sporter gebruikt die geen geloof heeft in de eindoverwinning.
Iedereen die op een sport zit, of dat nu voetbal is of volleybal of tennis
weet dat als je van tevoren al geen geloof hebt dat je zult winnen
of als je tijdens de wedstrijd het geloof kwijt raakt dat je nog kunt winnen
dan ga je verliezen, want je speelt niet meer met overtuiging.
Het lukt niet meer, de energie is sneller op,
je voelt de pijn in je lichaam opeens, die je weg zou drukken als je geloofde
dat je de tegenstander toch nog zou kunnen verslaan, al is de tegenstander nog zo sterk.
Juist als je niet op je best speelt, je voetbalt, volleybalt zonder overtuiging
kun je jezelf blesseren, kun je de wedstrijd niet uitspelen, omdat je geblesseerd uitvalt.
Hoe krijg je het geloof weer terug? Hoe krijg je de passie weer in je?
Toegepast op het geloof in Christus: Hoe komt die eerste liefde weer in je boven?
De passie die je eerder in je voelde waardoor je voor Christus ging,
het vertrouwen waar je eerder door gedragen wordt?
Het lijkt erop dat je jezelf moet oppeppen: Geloof het weer!
Zoals een sporter zichzelf tijdens de wedstrijd onder handen moet nemen: Kom op, gaan!
Er klinken ook steeds oproepen: weer in de starthouding,
pak wel de goede weg, die naar het hemels Jeruzalem
en laat je niet verleiden van die weg af te gaan, want dan blesseer je je juist
en kom je niet bij de finish in het hemels Jeruzalem aan.
En toch, het is niet iets dat we alleen moeten doen.
Juist nu moet je je eraan vasthouden: “Maar Hij hoort het wel.”
De kracht die nodig is om in beweging te komen, komt van God
God geeft de kracht om in beweging te komen, om verder te gaan.
God geeft genade – je hoeft het niet alleen te doen
en het is niet alleen je eigen kracht en je eigen geloof,
waarmee je je voort moet slepen.
God geeft die kracht, waarmee je geloof vernieuwd wordt,
kracht om weer te gaan op de weg naar die eeuwige bestemming.
Tijdens belangrijke wielrenwedstrijden speelt het eten een belangrijke rol:
het eten voordat je aan de wedstrijd begint

Als ze opstaan begint hun dag met een goed ontbijt. Vaak bestaat dit uit havermoutpap met vruchten, rozijnen of noten. Vervolgens krijgen ze omelet, maar kunnen ook kiezen uit rijst en brood. Er zijn ploegen die hun eigen brood maken, dit is een heel droog brood dat veel energie oplevert.Tussen het ontbijt en de race blijven de wielrenners eten. Meestal zijn dit kleine snacks, dit kan variëren van winegums, noten, smoothies of groentesappen. Bij iedere ploeg of renner kan dit anders zijn.

Ook tijdens en na de race is het eten belangrijk
Want als je niet goed eet tijdens de race, kun je hongerklop krijgen, de man met de hamer.
Je kunt niet meer meekomen, je valt stil, omdat je geen energie meer hebt.
Als je na afloop van de race niet de juiste voeding eet, kun je de volgende koers niet aan.
Ook voor een pelgrim die onderweg is naar de hemelse bestemming
is het van belang om de juiste voedsel te krijgen.
Naast voeding is de juiste coaching vooraf en tijdens de wedstrijd nodig.
Dat zijn allemaal facetten die nodig zijn in het geloof:
De juiste voeding voor en tijdens de race naar het hemels Jeruzalem
om daar aan te komen bij de finish in de stad van God.
De kracht en de begeleiding komt van God
en Hij geeft mensen om je heen die je begeleiden en aansporen.
God is een verterend vuur
– als je afhaakt, als je niet verder kunt zijn de gevolgen aangrijpend,
maar als je gelooft en wilt gaan, dan is God in je het vuur dat je aandrijft om te gaan.
Om zo aan te komen bij het hemels Jeruzalem,
waar God, waar de duizenden engelen feest vieren
samen met degenen die hier op aarde geleefd hebben en reeds aangekomen zijn
na de aardse reis, die voor hen ook niet altijd makkelijk was,
maar waarbij ze steeds bedachten: “Maar Hij hoort het!”
“Hou vol, Hij komt er bijna aan!” “Het duurt niet lang meer voor Hij verschijnt!”

Ik zet mijn treden in Uw spoor,
– Het is een psalm die velen met hun belijdenis gezongen hebben –

Opdat mijn voet niet uit zou glijden.

Wil mij voor struikelen bevrijden,

En ga mij met Uw heillicht voor.

Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten
Amen

Preek zondagmiddag 2 december 2018

Preek zondagmiddag 2 december 2018
Dankzegging Heilig Avondmaal.
Schriftlezing: Hebreeën 10:19-39
Tekst: vers 24-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vandaag is het de eerste zondag van Advent.
Advent is niet het teken we over vier weken kerst hebben
en dat we nu kerstliederen mogen gaan draaien
en de kerstboom weer in huis gehaald moet worden
of dat de kerstviering voor school of voor de ouderenmiddag nodig voorbereid moet worden.
Nee, in de periode van Advent gaat het om de Wederkomst van Christus
en dat we ons erop voorbereiden dat we Hem kunnen ontmoeten.
Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet?
En dat niet alleen: dat er een plek is in mijn hart, of dat ik aan het avondmaal kan komen,
maar dat ik Hem kan ontmoeten als Hij verschijnt op de Jongste Dag
als rechter, om te oordelen de levenden en de doden.
dat je hem kunt ontmoeten als je Heer, je Koning, je redder die je van de zonde bevrijdt.
Advent is niet vooruitkijken naar het komende Kerstfeest,
maar vooruitzien naar de dag waarop Christus in al Zijn heerlijkheid verschijnt
omdat Hij uit de hemel teruggekomen is op aarde.

In deze periode houden we elkaar scherp en zeggen we het tegen onszelf:
Er komt een dag waarop onze Heer terugkomt.
Dat kan nog een tijd duren, maar het kan ook morgen al zijn.
Bij alles wat we doen, moeten we er rekening mee houden,
dat er een dag aanbreekt, waarop de tijd op deze wereld voorbij is.
We kunnen dat uit het oog verliezen omdat we het leven hier op aarde wel best vinden.
In deze tijd zeggen we tegen elkaar:
Het leven hier kan best mooie kanten hebben, maar er komt een veel mooier leven,
als Christus terugkomt en Hij al degenen die bij Hem horen meeneemt.
Ga niet teveel op in deze wereld, zodat als Hij komt, je niet verrast wordt door Zijn komst.

Ook het avondmaal is bedoeld om er ons steeds weer aan te herinneren,
dat die dag eens dagen zal, waarop de Heiland zal verschijnen.
We hebben de opdracht om net zolang tot Christus teruggekomen zal zijn
het avondmaal te vieren,
om daarbij terug te kijken hoe Christus voor ons gestorven is op Golgotha
maar ook om vooruit te kijken:
Er komt een dag, waarop we niet meer hoeven te geloven
dat Christus de gastheer is aan de tafel
En brood en wijn aan ons uitreikt als gaven uit Zijn hand,
maar waarop we Hem mogen zien, zichtbaar, lijfelijk in ons midden,
aan het feestmaal van de hemelse bruiloft.

Wat voor verschil maakt het nu in je leven om deze verwachting te hebben?
Wat maakt de Wederkomst van Christus nou voor een verschil in ons leven?
In de brief aan de Hebreeën wordt ook steeds aan de Wederkomst herinnerd:
U ziet de grote dag naderen.
Je kunt al zien, zoals je op een donkere morgen kunt zien, hoe het licht opkomt,
de nacht verdreven wordt, de dag aanbreekt.
Je kunt het waarnemen, zoals na een de koude, kille winter het voorjaar aanbreekt,
De hele natuur ontdooit, de mensen een vrolijkheid en opgewekt krijgen.
Zo kun je de dag vernemen, dat Christus terug zal komen.
Zoals je je instelt op een nieuwe dag, , zoals je je instelt op een nieuw voorjaar,
zo moet je je als gelovige instellen op die dag dat Christus terugkomt.
De viering van het heilig avondmaal helpt om daarop in te stellen – totdat Hij komt.

Wat het verschil maakt, is dat je weet dat dit leven hier op deze aarde maar tijdelijk is.
En dat leven hier kan mooie kanten hebben:
de mensen om je heen, gezin, kinderen, een mooi leven.
Nog mooier zal het zijn in Gods heerlijkheid, het eeuwige leven.
Het leven kan hier moeilijk zijn: met verdriet om iemand die overleden is, die je steeds mist,
om pijn die je hebt door je beperking of omdat je ziek bent,
zorgen die je hebt, waardoor je niet kunt slapen en somber bent over wat nog komt.
Wat er is aan leed op deze wereld kan je diep raken,
juist omdat je gelooft dat God over deze wereld regeert.
In deze periode van advent zeggen we tegen elkaar: en toch, we hebben een God!
Hij zal komen en dan zal alles anders worden.
Dan is het voorbij met de zonde, dan hoeft er niet meer geleden worden, is er geen verdriet.

Hoe vul je dat in je dagelijks leven in?
In Hebreeën 10:23-25 wordt daarover gesproken.
Het is een korte schets van wat de kerk is.
Je zou kunnen zeggen: alles wat we in de kerk doen, heeft te maken met de Wederkomst.
Alles wat we in de kerk doen, is er op gericht
om het geloof dat Christus terugkomt te versterken,
omdat een levend en bewust geloof te laten zijn.
Er wordt gesproken over een belijdenis die we vast moeten houden,
over omzien naar elkaar, om elkaar aan te sporen tot goede werken,
om niet weg te blijven als de gemeente van Christus bij elkaar komt.
Dat is wat de kerk is: het vasthouden aan God, het vasthouden van elkaar,
het versterken en stimuleren van elkaar, zodat we leven met het oog op de Wederkomst.

Allereerst de belijdenis vasthouden.
Er kunnen momenten zijn, waarop je het moeilijk vindt om te geloven dat Jezus terugkomt
en waarop je er niet bij stil staat om je leven op Zijn komst af te stemmen.
Je hebt hier nog zoveel in het leven wat je wilt doen:
Je wilt nog verkering, of als je verkering hebt, dan wil je eens trouwen,
als je getrouwd bent, wil je misschien ook wel kinderen, en als je kinderen hebt,
dan wil je ze ook zien opgroeien en een eigen bestemming krijgen
en dan kan het zijn dat je bij jezelf denkt: laat de Wederkomst nog maar even uitblijven,
Ik hoop dat er nog een tijd hier is.
Je kunt het ook moeilijk vinden om te geloven dat Jezus terugkomt en dat het anders wordt,
als het donker is in je leven: gevangen in een somberheid die zo sterk kan zijn,
waar je jezelf niet aan kunt ontworstelen en het wordt alleen maar erger
en van Gods kant hoor je niets, het is stil van Zijn kant
en je snakt, je hunkert naar en teken van Zijn kant
O kom, o kom Immanuël, verlos Uw volk, Uw Israël.
Dan is het vasthouden aan de belijdenis niet zo eenvoudig,
de belijdenis dat er een dag komt, dat de somberheid die jou gevangen houdt,
Verbroken is, omdat Christus terug gekomen is en Zijn licht over je straalt
en je nooit meer gevangen zult zitten in het donker.
Dan komt er een aansporing om aan die belijdenis vast te houden,
om dat geloof niet op te geven, want juist die belijdenis geeft hoop.
Juist die belijdenis brengt de hoop in je leven, die je zelf niet hebt.
Het is een belijdenis, die onverwrikbaar is.
Hoe je er tegenaan duwt, hoe je er tegenaan schopt,
welke golven er ook overheen slaan, hoe hoog het water ook stuwt
– deze belijdenis blijft overeind staan
Net zo min de hemel ooit uit zijn stand zal wijken,
zo min zal Uw trouw ooit wankelen of bezwijken
Nee, dat is niet altijd makkelijk te geloven.
Vaak zien we en ervaren we het tegendeel
en toch mogen we dat geloof, die belijdenis niet opgeven
– want God heeft Zijn belofte gegeven
en als Hij Zijn belofte geeft, dan mogen we daar niet aan twijfelen.
Avondmaal vieren is tegen jezelf zeggen: Gods belofte is echt waar
En als je het niet tegen jezelf zegt, dan zegt het gebeuren het van het avondmaal het wel:
Vertrouw op God, houd moed, put hoop uit de wetenschap dat Christus weerkomt.
En als je dat vertrouwen niet hebt, als je dat geloof kwijt bent,
laat je dan versterken, laat je geloof dan aanvullen – door God, die komen zal..

Daarom is het ook belangrijk om op elkaar te letten, elkaar in het vizier te houden.
Niet vanuit nieuwsgierigheid, met de neus tegen het raam, met de mond open:
Wat doet hij nu? Waar is zij nu mee bezig? Wat gaat er gebeuren?
Nee, Christus vraagt van ons om elkaar goed in het oog te houden:
Voel je aan dat iemand het vertrouwen in Christus’ komst kwijtraakt.
Merk je het op als iemand de stap naar het avondmaal niet meer kan maken
en wegblijft en zo vergeet zijn geloof aan de tafel te versterken?
Het gaat hier niet om eenrichtingsverkeer: Hoe kan ik de ander verder helpen.
Het gaat hier om een wisselwerking
dat je ook opmerkt wat de ander voorleeft, wat de ander van Christus laat zien.
In de Hebreeënbrief gaat het er ook om dat we Christus in het vizier houden,
Hem niet uit het oog verliezen, het contact niet kwijtraken en ons aan Hem optrekken.
Zo is het de bedoeling, de opdracht, om elkaar in het oog te houden,
Als je de een ziet, put je moed.
Als je de ander ziet, maak je je zorgen en je gaat het contact aan:
Is er wat aan de hand? Kan ik iets voor je betekenen?
Dit naar elkaar omzien krijgt urgentie, omdat je weet dat Christus eens terugkomt.
ER kunnen momenten zijn, waarop er heel wat op je bord ligt
en dat je het er niet bij kunt hebben,
maar dan kun je nog altijd iemand anders inlichten.
Je kunt je er niet achter verschuilen, dat je geen tijd hebt of dat het jou niet aangaat.
Gisteren ving ik even een gesprek aan over een moeilijk onderwerp: zelfdoding.
De psychiater die daarover geïnterviewd gaf aan,
Dat het al helpt om op iemand waar je je zorgen over maakt aan te spreken,
het gesprek aan te gaan: wat gaat er in je om?
Je kunt dat doen, omdat je weet dat als Jezus terugkomt het gedaan is met alle duisternis
en dat je daarom niet hoeft terug te schrikken voor een gesprek,
omdat je weet: zelfs in dit duister kan Christus komen, Hij die in de hel neerdaalde
en zelfs dit duister kan Hij overwinnen, die aan het kruis de duisternis verbrak.
Alleen al door iemand aan te spreken kun je iets van het licht van Christus laten zien.
Al kunnen wij vaak de duisternis niet verdrijven
en kun je je eigen machteloosheid merken – en toch: Hij komt!

Je laat het niet bij omzien naar elkaar.
Omzien kan iets hebben van: alleen maar luisteren.
Dat kan al heel waardevol zijn.
We worden opgedragen om nog verder te gaan.
Om elkaar aan te vuren – tot goede werken.
Dat woord aanvuren heeft iets van: elkaar uitdagen, elkaar provoceren,
het beste in de ander naar boven halen.
Laat dan zien – laat dan zien dat je van Christus bent,
Laat dan zien dat je Christus verwacht, dat je rekening houdt met Christus’ Wederkomst.
Breng het in praktijk.
Daag elkaar uit om de liefde van Christus uit te dragen,
niet alleen met woorden, maar ook in wat je doet.
Maak de liefde van Christus heel praktisch. ZOals in hoofdstuk 13 gebeurt:
* broederliefde      
* Wees gastvrij
* Bezoek gevangenen
* Houd je huwelijk in ere
* Laat je niet door geld leiden.
* Help elkaar
Zo maak je de liefde van Christus heel praktisch.
De liefde van Christus vormt ons hart, heeft invloed op ons karakter.
Met het avondmaal hebben we toch gevierd
dat ons hart gereinigd is van een slecht geweten
daarvoor in de plaats is de liefde van Christus gekomen.
Houdt er rekening mee dat er een dag komt waarop Christus terugkomt
En de Mensenzoon met alle engelen
en dan zal zeggen: Wat je voor de minste van Mijn broeders gedaan hebt,
heb je voor Mij gedaan. Het is niet voor niets!

De laatste aansporing betreft het bezoek van de eredienst:
Laat je plaats niet leeg.
Ik weet: deze tekst kan nogal misbruikt worden, om iemand onder druk te zetten.
Hier gaat het om wegblijven omdat het vertrouwen op God weg is.
Als er teleurstelling is, als er geen hoop meer is,
dan kan dat tot gevolg hebben dat iemand denkt: Ik ga maar niet meer naar de kerk.
Mij zien ze daar niet meer. Mijn plek blijft leeg.
Soms blijven mensen weg in de hoop dat ze opgemerkt worden, als signaal
dat ze iets missen voor hun geloof, of dat het met hun geloof niet goed gaat.
In de tijd van deze brief kan dat ook te maken hebben met de moeilijke omstandigheden,
waarin de kerk zich bevond, de tegenstand die er was voor de gelovigen.
Het kan ook zijn dat ze het vanwege die druk niet meer konden opbrengen om te komen.
als er een plek is, waar je geloof gevoed wordt, dan is dat bij Christus.
Het kan best zijn dat de stijl van de kerkdienst je niet aanstaat,
het kan best zijn dat de mensen je niet liggen.
Daar valt best over te praten,
maar door je je te onttrekken breng je je eigen geloof in gevaar.
dan heb je niet meer de mensen om je heen, die je voorleven, die het je laten zien
dat er een dag komt dat Christus komt.
Je moet het dan van jezelf hebben.
Geloven zonder naar de kerk te gaan is uiteindelijk moeilijker
dan een groep mensen om je heen, met wie je dezelfde weg gaat, de weg van Christus.
Die kerkdienst is geen doel op zich.
Het gaat er niet om zoveel mogelijk mensen naar de kerk te krijgen,
omdat het dan fijn zingt, of omdat je dan niet hoeft na te denken of het anders moet,
nee, het gaat erom dat je samen, met elkaar Christus verwacht.
Sion hoort de wachter zingen,
zij voelt zich ’t hart van vreugde springen,

z’ ontwaakt met spoed, staat haastig op.
Uit de hemel daalt Hij neder,
in waarheid sterk, in liefde teder:
haar licht verschijnt, haar ster gaat op.
Kom Heiland, ’s aardrijks kroon,
Heer Jezus, ’s Vaders Zoon!
Amen

Preek zondagavond 26 augustus 2018

Preek zondagavond 26 augustus 2018
Viering 100 jaar Maranathakerk

Schriftlezing (1): 2 Kronieken 29:20-30
Dit gedeelte werd gelezen in de inwijdingsdienst van 17 december 1966, waarbij het orgel en de uitgebreide Maranathakapel (weer) in gebruik werd genomen.
Ds. H.A. van Bemmel sprak hierover. Orgel en kerk werden overgedragen aan dhr. B. Brink, president-kerkvoogd. Ds. A. Noordegraaf sprak een dankwoord uit.

Schriftlezing: 1 Korinthe 16:13-24.
Bij de officiële opening op 11 augustus 1918 sprak ds. G.H. Beekenkamp over 1 Korinthe 16:22. De andere predikant, ds. Vonk, had ook zullen spreken, maar kon door ziekte niet aanwezig zijn.

Zie voor de geschiedenis van de Maranathakerk

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vandaag staan we er als Hervormde Gemeente Oldebroek – ‘t Loo erbij stil
dat de Maranathakerk 100 jaar geleden in gebruik werd genomen.
Op 8 augustus 1918 werd dit gebouw in gebruik genomen,
eerst als lokaal waarin kerkdiensten gehouden werden en zondagsschool.
Eerst was het een evangelisatiegebouw,
gericht op de mensen uit de buurtschappen om de Maranathakerk heen:
’t Loo, Stuivezand, Vreeweg, Vierschoten, de Lapstreek en de Hogenbrink.
Na de verbouwing was het eerst een kapel en met de torenspits een echte kerk.
De reden waarom de kerk gebouwd werd – het was eerst een gebouwtje van de diaconie,
was dat ds. Beekenkamp, de toenmalige predikant, in deze buurtschappen
heel wat mensen tegenkwam die niet naar de Dorpskerk kwamen.
De afstand was te groot, of men was te arm, had geen geld voor schoenen of een muts.
Deze predikant bracht dat op de kerkenraad ter sprake
en er werd voor deze mensen een gebouwtje neergezet, bij hen in de buurt.
Ik vind het een mooie gedachte: Als de mensen niet naar de kerk kunnen gaan,
moeten de mensen maar naar de kerk gaan,
als kerk zijn waar de mensen zijn.
Als er de afstand een belemmering is om te gaan,
zorgen voor een ruimte bij hen in de buurt

zodat ze in hun eigen nabijheid een plek hebben om een eredienst te hebben.
Een gebouwtje, een lokaal was het eerst nog, waar ze konden komen
met klompen aan, als ze geen geld hadden voor schoenen,
waar de vrouwen konden komen zonder een muts, waar het geld niet voor was.
100 jaar lang al een eenvoudig gebouw, later uitgebouwd tot kapel en kerk
een tastbare herinnering dat een kerkelijke gemeente de leden hoort op te zoeken,
ook al ze uit zichzelf niet komen,
want ook de leden die niet komen zijn schapen van de kudde van de Goede Herder.
Daarmee gaf de gemeente een goed beeld van haar Herder,
die ook op zoek ging naar dat ene schaap dat verloren was geraakt.

In 1966 las ds. Van Bemmel
(de predikant die na zijn vertrek op jonge leeftijd zou overlijden,

nog voor hij in Huizen bevestigd werd,)
bij de ingebruikname een gedeelte uit 2 Kronieken 29.

Het lokaal was weer eens uitgebreid, het harmonium vervangen door een pijporgel.
Uit het gedeelte dat ds Van Bemmel had uitgekozen, kunnen we opmaken
hoe belangrijk het was dat de Maranathakerk – toen nog gebouw of kapel –
een plek was om erediensten te kunnen houden.
Het gedeelte gaat over offers die worden gebracht:
verschillende soorten offers, die gebracht werden vanuit het besef
dat het volk steeds weer opnieuw vergeving en reiniging van de zonde nodig had.
Dat het weer goed komt met het volk, nadat het eerst was afgedwaald.
Verzoening van het volk met God.
verzoening betekent dat de breuk weer is geheeld, dat het goed gemaakt is.
niet door het offer. Het offer is alleen een vraag aan de Heere, of Hij het goed wil maken.
Door daar bij die splitsing, tussen de verschillende buurtschappen in
een ruimte te maken waar erediensten gehouden kunnen worden,
liet de kerkenraad weten dat het ook voor de mensen die hier woonden
het noodzakelijk is dat het weer goed kwam tussen hen en de Heere.
Ik weet niet hoe het beeld in die tijd was van ‘t Loo, Stuivezand, de Lapstreek, Vierschoten, Hogenbrink
maar het signaal was: ook voor de mensen hier is het nodig
dat ze weer bij Christus komen, dat ze horen dat Christus ook voor hen gestorven is
en dat ze dat niet alleen horen, maar ook zien en ervaren,
doordat er in hun eigen nabijheid een gebouw komt voor erediensten,
waar zij op hun eigen manier tot de Heere kunnen naderen.
Een eredienst is ook een plek waar gezongen wordt.
We lezen over priesters en Levieten die voor muziek zorgden.
Koperblazers en koren.
Ook de Maranathakerk kreeg een orgel om de gemeentezang te begeleiden
en er waren koren die in de zalen bij elkaar kwamen om te repeteren
en nog steeds op de zaterdagavond het uurtje zingen hier in de kerk.
Nu vandaag staan we er als gemeente bij stil dat dit gebouw 100 jaar wordt gebruikt
op deze manier, als een plaats om God te ontmoeten en te eren en te prijzen
als een herinnering hier bij de mensen in de buurtschappen
dat God onder mensen wil wonen, ook tussen hen.
100 jaar lang gebruikt de Heere dit gebouw voor Zijn koninkrijk
en vandaag willen we Hem daarvoor eren.

En toch … natuurlijk, feest, terecht feest. En toch … knaagt er iets.
Want die naam Maranatha betekent een oproep aan Christus om te komen:
Kom Heere Jezus!
Bij alle dankbaarheid voor de 100 jaar dat dit gebouw wordt gebruikt,
betekent ook dat er 100 jaar lang gewacht wordt op de Wederkomst
en dat Christus nog steeds niet is gekomen
en wij nog net zo als ds. Beekenkamp en de kerkenraad destijds uitkijken
naar de dag dat Christus terugkomt om bij ons te zijn.
Honderd jaar geleden werd er al naar uitgekeken
en het is bijzonder en mooi dat het ons samenbindt met de hervormden van die tijd.
Wat was het mooi geweest als we dit jubileum niet hadden,
omdat het niet meer nodig was dat er een tempel was of een kerkgebouw,
maar Christus zelf bij ons, teruggekomen uit de hemel tot Zijn gemeente, Zijn bruid.
Honderd jaar lang is de naam een herinnering, een heenwijzing
dat de wereld niet blijft zoals deze wereld is, maar dat er een betere wereld wacht,
de tijd die aanbreekt als Christus hier op aarde komt,
een mooi vooruitzicht voor degenen die Hem verwachten,
maar een waarschuwing voor hen die zonder Christus leven.

Ik weet niet wat de inhoud was van wat ds Beekenkamp sprak
tijdens de opening in 1918.

Koos hij dit gedeelte, omdat dit het enige gedeelte in de Bijbel was
waarin het woord Maranatha voorkomt?
Of koos hij dit gedeelte ook vanwege de waarschuwing die er naar voren komt?
Als iemand de Heere Jezus niet liefheeft, laat hij dan vervloekt zijn.
Dat zijn woorden die je niet bij de opening van een kerkgebouw zou verwachten.
Misschien had ds. Beekenkamp ontdekt wat een van u ooit eens tegen mij zei:
‘Je hoeft er niet omheen te draaien. Als het nodig is, moet je ons bij de lurven grijpen.’
De waarschuwing hoort er ook bij.
voor wie de Bijbel kent is en weet welke woorden er staan voor het woord Maranatha,
beseft dat dit gebouw met deze naam ook een vermaning is, een waarschuwing:
Leef niet zonder Christus! Kies niet voor een leven waarin je Hem buitensluit.
U kunt dat niet uit de vertaling halen,
maar de manier waarop Paulus deze waarschuwing verwoordt, is bijzonder.
Als Paulus schrijft over liefde, gebruikt hij meestal het woord agapè.
Dat woord heeft voor hem de betekenis van dienen, belangeloos leven tov de ander.
Maar dat woord gebruikt Paulus niet.
Als Paulus hier schrijft: wie de Heer niet liefheeft, bedoelt hij:
wie bewust kiest voor een leven waarin je Christus buiten sluit,
je hart expres voor Hem dicht doet, je wilt Hem gewoon niet in je leven.
Het gaat hier niet om tekort aan liefde,
waar je je als gelovige schuldig onder kunt voelen,

maar om je verzetten tegen deze Heer.
Zoals Paulus dat eerst ook deed, toen hij nog niet geloofde in Christus,
al was hij zich er toen niet bewust van
en moest Christus dat hem hardhandig duidelijk maken op weg naar Damaskus.
Zo staat het gebouw er ook als waarschuwing:
Het gaat wel ergens naar toe.
Kun je straks deze Heer, van wie deze kerk is, ontmoeten?
Of heb je hem buiten gesloten? Leef je zonder Hem?
Maar wat gebeurt er dan met je, als Hij terugkomt en je hart niet van Hem is?
Weet je dan niet wat er met je gebeurt, als Christus terug komt?
Je hoort er dan niet bij.
Je bent dan net als die 5 meisjes, die tevergeefs aankloppen op de deur
en tegen wie de bruidegom zegt: Ik ken jullie helemaal niet.
Maranatha – Christus die komt, is niet alleen de goede Herder,
maar is ook de hemelse rechter.
Je zult rekenschap afleggen van wat je met je leven hebt gedaan.
Van wat het woord dat je hier in de kerk hebt gehoord in je uitwerkte.
Van al die keren dat je langsfietste of langsreed en je eraan herinnerd werd
dat er een Heer is, die zich bekommert om jou en deze verloren wereld,
die afdaalde om je te redden en ook voor jou kwam.
In de vakantie liepen wij langs verschillende indrukwekkende kerken in Rouen,
heuse kathedralen, met indrukwekkende beelden aan de buitenkant.
Boven de kerkdeur was een troon, met daarop Christus – rechter!
In de kerk gaat het wel ergens om: Om wat er van jou gaat worden
En om hoe je nu bent, van wie jij nu bent, wie er woont in jouw hart
en de baas is in jouw leven.

Dat kan natuurlijk heel gemakkelijk opgevat worden
als een deur die dicht gedaan wordt,

De suggestie gewekt: als je niet tot onze club behoort,
als je je niet kunt vinden in onze manieren dan hoor je er niet bij.
Maar nee, voor Paulus gaat het hier niet om een deur die dicht gegooid wordt,
maar om een allerlaatste waarschuwing:
Als je zo leeft, dan loop je alles mis.
Maar daarmee sluit hij de brief niet af.
Als hij schrijft, dat wie zonder Christus leeft, bewust, opzettelijk, er niet meer bij hoort,
niet bij Christus hoort en daarom niet in de hemel kan komen,
doet hij dat niet om eens haarfijn te laten voelen dat hij goed zit.
Integendeel, hij weet maar al te goed dat je verkeerd kunt zitten.
Nee, hij doet juist de deur weer helemaal open, een brede uitnodiging,
want hij gaat spreken over de genade van Christus.
En die genade is er niet voor een enkeling, nee:
voor heel de gemeente, voor ieder die deze woorden hoort en leest:
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u.
Opeens, royaal, de genade uitgestrooid, als een uitnodiging voor iedereen:
Pak die uitgestoken hand, kom aan boord! Ook voor jou is er een plek.
Je moet die verzen niet los van elkaar lezen, maar ze horen bij elkaar.
Zonder Christus heb je niets, en moet je vrezen voor het oordeel,
en Hij komt! Ook om te oordelen,
maar zolang Hij nog niet gekomen is, is er hoop.
Ook voor jou en voor u, voor iedereen die van Hem wil weten,
voor de mensen in de buurtschappen die niet naar de kerk konden komen
en voor wie de kerk naar hen komt,
omdat deze genade de kerk dringt om hier naar toe te komen,
Bij de mensen te zijn om hen te vertellen, te laten horen en te laten ervaren
dat die genade er ook voor hen is.
Zodat de dag waarop Christus komt niet een dag die met vrees tegemoet gezien wordt,
maar een dag van verlangen:
O hoe blijde zal ik wezen, op te trekken met die stoet,
juichend met ontelbre zaalgen, onze Bruigom tegemoet.

Jezus leeft in eeuwigheid en als Hij komt, mag ik binnen gaan,
voor Zijn troon staan en vol dankbaarheid zingen, waar ik nu al van mag zingen,
alsof ik dat nu al heb, maar dan volledig zal krijgen:
Hij is de Heer van mijn leven, het loflied omdat mijn verlangen is vervuld,
het verlangen dat zovelen hadden en hebben: Maranatha.
Heer, U bent gekomen. Uw sjaloom wordt werkelijkheid.
Amen

 

v

Preek zondagavond 13 mei 2018

Openbaring 22:6-21
Tekst: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! (vers 17)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen preken over Openbaring heb ik steeds gezegd
dat het niet zozeer om allerlei gedachten over de toekomst gaat,
maar dat het gaat om hoe wij in onze eigen tijd trouw zijn aan Christus.
Als je Openbaring leest, kun je niet je schouders ophalen
en zeggen: het gaat mij niet aan.
Nee, als je als gelovige, als gemeente in dit Bijbelboek leest,
besef je dat het steeds gaat om een keuze, een keuze voor Christus,
een keuze om Christus trouw te blijven
en dat in een wereld, die zoveel verleidingen heeft.
Het hele Bijbelboek is steeds een appèl op de gemeente.

Aan het slot van het Bijbelboek zien we twee keer kort iets van het effect
dat het Bijbelboek Openbaring op de gemeente heeft.
Het is maar één woord: Kom!
En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom!
Als je vers 20 meeneemt zijn het enkele woorden extra: Ja, kom, Heere Jezus!
Dat is dus de reactie bij de gemeente op wat Johannes doorgeeft: Kom!
Als Christus zich nog eenmaal voorstelt, aangeeft wie Hij is,
dat de Wortel, het nageslacht van David, de blinkende Morgenster is,
dan blijft het niet stil, maar komt er een roepen vol hartstocht: Kom!
Als U dat bent, blijf dan niet weg, maar kom naar ons toe!
Kom naar deze aarde!
We willen niet langer meer wachten.
Het liefste dat wij zouden willen is dat U in ons midden bent, bij ons hier op deze aarde.
Dat U terugkomt, zoals U van de aarde bent heengegaan.
Kom! – dat is de echo in de hemel en op aarde op wat Christus zegt over Zichzelf
En op wat Johannes aan de gemeenten meedeelt.

Dat roepen om de komst van Christus is uitzonderlijk.
Nee, niet voor de Geest, die gelijk is aan Christus,
Die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt.
De Geest op gelijke hoogte met de Zoon kan het appèl op Christus doen: Kom!
Maar voor de gemeente, ook al is zij de bruid, is het een waagstuk.
Want zij is niet aan Christus gelijk.
Christus is Heer
en het is een heel waagstuk om als ondergeschikte bij je Heer aan te kloppen: Kom!
Geen beleefdheid: ‘Zou u alstublieft willen komen!’
Nee, ‘Kom!’ Heel direct: Kom!
De bruid hoort de Geest roepen en kan niet achterblijven,
het verlangen wordt gewekt door de Geest.
Als de Geest het niet meer kan uithouden, als de Geest wil dat Christus komt,
dan moet de kerk die de bruid van Christus is,
op wie de liefde van Christus gericht is, die Zijn hart gewonnen heeft, niet achterblijven.

Het is de gemeenten ook opgedragen
in de brieven die de gemeenten van Christus kregen:
Die oren heeft, hoort wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Let goed op, wees alert wat de Geest tegen jullie zegt en doe mee, stem ermee in.
En nu komt de Geest: Kom! En de bruid van Christus blijft niet achter: Kom!
De Geest is hier niet de gelijke van de bruid, van de gemeente.
Nee, de Geest is degene die de bruid op sleeptouw neemt,
Die aangesteld is door de hemelse Heer om de bruid voor te bereiden,
gereed te maken voor de komst van Christus,
om het verlangen in haar te wekken naar Christus,
die zorgt dat het vuur van het geloof niet uitgedoofd is, maar blijft branden.
Vandaag is het de zondag voor Pinksteren en na hemelvaart,
Een zondag die in het teken staat van het wachten op de komst van de Geest,

als een voorbereiding op het Pinksterfeest
waarop we vieren en gedenken dat de Geest gekomen is,
uitgestort als een regenbui over een dorstig land.
In de traditie van de kerk is aan elke zondag een bepaald vers uit de psalmen verbonden
en de eerste woorden van dat psalmvers vormden de naam van die zondag.
Zondag: ExaudiHoor, HEERE, mijn stem als ik roep. (Psalm 27:7)
Hoor mij als ik roep om de Geest.
Hoor mij als ik meeroep met de Geest: Kom!
Want met alleen de Geest doen we het niet, we willen dat Uzelf komt, terugkomt.
De Heilige Geest is daarin de voortrekker, moedigt ons aan en gaat voorop: Kom.
De Geest schakelt ons in, betrekt ons bij het plan van God, door ons mee te laten roepen,
door ons met reikhalzend verlangen uit te laten zien naar de komst van Christus,
zoals een bruid niet kan wachten tot het moment
waarop ze verenigd wordt met haar bruidegom.

Dat is de kerk: de gemeenschap die met de Geest meeroept om de komst van Christus,
Die door het roepen van de Geest het verlangen in zich op voelt komen
om ook bij Christus te zijn, Hem in je midden te hebben, van Hem en bij Hem te zijn.
De kerk wordt hier genoemd als de bruid.
Bruid betekent allereerst: liefde van de Bruidegom, liefde van Christus.
Christus die om de bruid geeft, het verlangen van Christus dat naar de bruid uitgaat.
Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
Bruid, dat is in Openbaring de gemeente die door Christus is vrijgekocht,
bevrijd uit de macht van de boze.
Bruid, dat zijn de mensen die nieuwe kleren aan mogen:
Witte kleren als teken van een nieuw leven, gereinigd van de zonde
en na het overlijden opstaan in een verheerlijkt lichaam.
De bruid kijkt ernaar uit om van de Bruidegom te mogen zijn.
Kijkt uit naar de bruiloft, zoals in Openbaring het wordt genoemd: de bruiloft van het Lam.
De bruiloft moet nog komen:
het moment waarop de gemeente aan haar Heer verbonden wordt
als de Wederkomst is geweest en het oordeel is uitgesproken
en al degenen die van Christus zijn, die de nieuwe kleren hebben aangenomen,
Die hun zonden hebben laten afwassen, die geloofden en trouw bleven,
die volhielden in het geloof, ondanks vervolging en tegenstand mochten ingaan.
Uit het verhaal van Jozef en Maria, het bekende kerstverhaal, weten we
dat een bruid reeds van tevoren van de bruidegom was.
Niet pas op het moment van de bruiloft wordt de bruid van de bruidegom,
maar al eerder: als besloten is tot het huwelijk.
Ze horen dan bij elkaar, zijn al verbonden.
Op de bruiloft wordt het officieel: in het openbaar gevierd.
In de roep van de bruid, waarin ze met de Geest meeroept, geeft ze aan
dat ze verlangt naar het moment van de bruiloft om aan de zijde van de bruidegom te staan
zodat er geen scheiding meer zal zijn,
Ze zijn al van elkaar, al is er een afstand in tijd en ruimte, nog niet bij elkaar,
maar vanaf de bruiloft onafscheidelijk.
De gemeente, de bruid van Christus, verlangt ernaar onafscheidelijk te zijn van haar Heer.
Kom!

Ik kom spoedig heeft de bruidegom gezegd.
Aan het einde nog eens de herhaling: Ja, Ik kom spoedig. Het duurt niet lang meer.
Maar we zijn bijna 2000 jaar verder na het Bijbelboek Openbaring
en na het naar de hemel gaan van Christus.
Kunnen we nog wel spreken van spoed?
Hoelang moeten wij nog wachten totdat Christus komt?
Kunnen we er nog wel vanuit gaan dat Hij komt?
Mijn schoonvader vertelde geregeld dat hij meegemaakt had
dat een bruidegom op de dag van de bruiloft even wegging
om een pakje sigaretten te kopen.
De bruidegom kwam nooit meer terug, verdween voorgoed.
Hoe weten wij dat onze bruidegom ons niet laat zitten en toch komt?
Omdat dit geen aardse bruidegom is,
maar Christus die Zijn betrouwbaarheid heeft laten zien
door Zichzelf te geven om Zijn bruid te redden.
Omdat God en Christus samen één zijn
en God nog nooit een belofte niet is nagekomen.
Als Christus zegt dat Hij komt, mogen we ervan uitgaan, dat Hij komt
omdat Zijn woorden betrouwbaar zijn.
Christus benadrukt het nogmaals: Nageslacht van David, blinkende morgenster,
Alpha en Omega – begin en het einde, A -Z. Er komt niets voor Hem en niets na Hem.
B van belofte dat Hij zal komen, een belofte die vaststaat
en waar we niet aan hoeven te twijfelen
C van crisis, die ons er niet onder krijgt, hoe sterk de crisis zich ook toont.
D van duivel overwonnen, verslagen door Christus, niet langer een vijand.
Eenheid tussen gelovigen hier op aarde, al zijn ze in zoveel verschillende kerken onderverdeeld en eenheid tussen de kerk op aarde en de kerk in de hemel.
H van hemel waar Christus is en de plek waar we zullen zijn als Christus gekomen is.
K van kanker in welke vorm dan ook, een weg die je niet alleen hoeft te gaan
omdat Christus met je meegaat en je draagt, zelfs als de schaduw van de dood over je heen valt, Zijn stok en Zijn staf die je een uitweg wijzen.
De O van oorlog en alle rampen die er op aarde kunnen zijn
S van sterven, het einde van het aardse leven maar voor wie gelooft in Christus een doorgang in een nieuw leven.

Op al die momenten roept de bruid het de Geest na: Kom
En iedereen die het hoort – u, jij wordt opgeroepen dat ook te zeggen: Kom!
Dat Christus komt als je het moeilijk hebt om je te verlossen en te redden,
maar ook op de momenten waarop je gelukkig bent en het goed hebt. Kom!

 

Hoe moet je dat nu doen: die verwachting, dat uitkijken naar het moment
terwijl je gewone dagelijkse leven doorgaat?
Als morgen de wekker gaat, je kleren aantrekt om te gaan werken,
als de kinderen naar school gebracht moeten worden,
als je klaar moet staan vanwege de zorg voor een vader of een moeder,
als je weer voorraden moet aanleveren, bestellingen moet opnemen voor de komende week.
Als je offertes maakt voor over enkele weken, een begroting voor het komende jaar
of een meerjarenonderhoudsplan.
Dat kun je niet laten rusten, dat moet gedaan worden
en toch wordt van ons tegelijkertijd gevraagd om te wachten, om te verlangen
naar de dag dat Christus komt.
Hoe doe je dat?
Zoals een kind dat al maanden van tevoren naar de verjaardag kan uitkijken,
allerlei lijstjes al maakt, allerlei plannen voor het kinderfeestje.
Het moet naar school, speelt bij vriendjes en vriendinnetjes,
gaat trainen, naar muziekles en ondertussen droomt het over die dag.
Zijn we als volwassenen het dromen verleerd,
dromen over hoe het zal zijn als Christus terugkomt
omdat we hier op aarde nog zoveel hebben: een gezin, een baan, een carrière, toekomst,
allerlei zaken die we nog willen meemaken of willen bereiken?
Dat roepen van de Geest maakt de zorg voor het aardse bestaan niet onnodig.
Dat is ook onze taak, een roeping die ons door God gegeven is
En tegelijkertijd, daarbij, ook rekening houdend met die dag die eens dagen zal.

Hoe het niet moet, geeft Okke Jager weer in een gedicht: Kom haastig!

“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Ja, Amen,” zegt de boer, “wil spoedig komen!

Maar na de oogst, want van m’n nieuw stuk land

Heb ik nog nooit de opbrengst waargenomen.”

“Ja, Amen,” zegt Mevrouw, “maar mag ik voor

De bontjas die ik gisteren zag hangen

Eerst sparen en hem aandoen, als het Koor

Een avond geeft in “Christ’lijke Belangen”?”


“Ja, Amen,” zegt het kind, “maar nu nog niet,

Ik moet nog met vacantie naar de bossen.

Maar ik zal zwaaien, zodat U het ziet,

Als U ons onder schooltijd komt verlossen.”


“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Maar mag ik eerst die nieuwe lezing lezen,

Die ik gemaakt heb voor het Jeugdverband

Over “Gij zult het wel verstaan na dezen”?”


De beden komen in de hemel aan.

De cherubijnen zwijgen, die ze brachten.

En Jezus vraagt: “Kan Ik vandaag al gaan?”

Zijn Vader zucht: “Ge moet nog even wachten.”

De bruid kan niet meer wachten en zegt het de Geest na: Kom!
De bruid dat kan de kerk zijn die reeds in de hemel, reeds aangekomen in heerlijkheid,
bij Christus, in afwachting alleen nog van die ene dag, de Jongste Dag.
En zij die op aarde zijn – ze worden opgeroepen, zij die het horen, om in te stemmen: Kom!
Zodat de kerk in de hemel en op aarde klaar is om de Heer te ontmoeten,
de stem van Zijn liefde te beantwoorden als Hij gekomen is en dan zegt:
Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk  dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.
Amen.

 

Preek 17 december 2017

Preek 17 december 2017
Preek jongerendienst. Thema: Wat trek jij aan met Kerst?
N.a.v. Romeinen 13:8-14
24232378_1724355950931116_7173329242606294367_nVanmiddag komt mijn broer met zijn vrouw
om hier bij ons het kerstdiner te gebruiken.
Ik ben de hele week al bezig met nadenken:
Wat doen we met dit kerstdiner? Wat zetten we op tafel?
Want ja, mijn broer heeft stijl.
Misschien komt dat wel door zijn vrouw…
En weet je hoe hij er altijd uitziet?
Het is altijd, ja hoe zal ik het zeggen: verrassend,
een soort sjiek, maar dan ook weer een soort losjes.
Als hij komt, dan kijk ik toch altijd naar zijn kleren
en dan heb ik het idee dat ik zelf er maar gewoontjes bijloop, wat ik ook aantrek.
Daarom ben ik er al een paar dagen mee bezig, wat ik aantrek.

[voorbeelden: colberts/gilet & pyjama]

Hebben jullie dat ook, dat je al heel lang van tevoren
erover nadenkt wat je zult aantrekken?

Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Er een kerstboom uit ons tuintje
in de kamer werd gezet.

Ach nee, bij ons werd er nooit een kerstboom in de tuin gezet,
dat was heidens.
Wat we wel eens deden: na nieuwjaar kerstbomen bij ons in de tuin zetten.
Hadden we toch een kerstboom.
En een kerstdiner hadden we ook niet,
want we moesten veel naar de kerk:
Op Eerste Kerstdag 2x
en op Tweede Kerstdag hadden we ‘s morgens een gewone kerkdienst
en ‘s middags een lange kerstviering van de zondagsschool in de kerk.
Daarom aten we altijd heel eenvoudig met kerst.
Heel af en toe hebben we met Kerst gegourmet,
als ik de foto’s mag geloven
maar ik kan me het niet meer herinneren.

En toch, weet je: de kerstvieringen vond ik altijd bijzonder.
Ook de kerstviering op school:
‘s avonds laat nog naar school (zo voelde het), de zondagse kleren aan.
in het donker op school, kaarsen aan, de kerstliederen,
de sfeer, de vertelling uit de Bijbel, het kerstverhaal.
Heb jij ook een mooie herinnering aan de kerstvieringen?
Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Weet je, voor mij hebben die kerstvieringen mij geholpen, denk ik zo,
om als kind te geloven in dat Kind dat kwam,
Gods eigen Zoon in de kribbe,
Dat Hij kwam voor mij.

Daarom is het voor mij een feest dat veel betekent, ik hoop voor jullie ook.
Maar ja, nu komt mijn broer met kerst
en ik ben nu veel meer bezig met hoe het in de kamer er uit moet zien, hoe de sfeer is,
Wat er op tafel moet staan, wat ik aantrek.
Kun jij ook zo er mee bezig zijn hoe anderen over je denken?
Hoe zij het bij jou vinden om bij jou in huis te zijn?

Ik ben daar haast meer mee bezig dan waarom ze komen
en waarom we feestvieren,
Waarom het gezellig is:
Omdat er een Kind geboren is, niet zomaar een Kind, de Redder.
Hij kwam in een wereld, die helemaal niet zo gezellig was,
in een stal, omdat niemand zijn ouders een plekje in huis wilde geven, nergens welkom.
De Redder – en nergens welkom!
Kun jij dat voorstellen, dat je nergens welkom bent
en dat je maar in een schuur geboren wordt
en neergelegd wordt in een kist waar eerst dierenvoer in zat?
Kun je je voorstellen dat je ouders nadat je geboren bent
snel hun spullen moeten pakken
en op de vlucht moeten naar een ander land,
omdat je anders gedood wordt?
Wat kunnen wij ons dan druk maken over wat we moeten aantrekken!
Is Hij bij jou wel welkom?
In jouw hart, in jouw leven?

Er komt een dag, waarop Jezus terugkomt, het Kind van Bethlehem.
Hij komt dan niet terug als kind, maar als Koning.
Ben jij daarop voorbereid?
Want je kunt je wel, net als ik, op een feestje met elkaar voorbereiden,
maar uiteindelijk gaat het erom, dat we deze Koning kunnen ontmoeten.
Dat betekent niet, dat je elk moment aan Hem moet denken,
maar wel dat als Hij komt, dat je dan niet verrast bent,
maar juist blij bent: Heere Jezus, mijn HEER, U bent gekomen!
Ik heb er naar uitgekeken!

Weet je, zegt Paulus, die dag komt snel dichterbij.
Nu is het nog donker op deze wereld, niet gezellig donker,
maar duister, verkeerd en dreigend.
Mensen die alleen maar denken aan zichzelf
en dat zij het maar goed hebben en een ander laten stikken.
Die van anderen kunnen stelen – ik kan me dat niet voorstellen
wat daar aan is, dat je van een ander steelt.
Die vriendschappen of relaties kapot maken, omdat ze alleen maar met zichzelf bezig zijn en hoe zij gelukkig kunnen worden,
ook al is dat ten koste van anderen.
Ze kunnen zich soms heel mooi voordoen, mooi aankleden,
de duurste kleren kopen
en indruk maken met hoe ze voor de dag komen
en toch is het leeg in hun leven, hebben ze niets en zijn ze niets.

Weet je wanneer je pas iets bent en iets hebt?
Als je gelooft in Jezus, als je Hem toegelaten hebt.
Weet je wat je er gebeurt als je gaat geloven?
Dan wordt het weer licht in je leven, dan wordt het dag,
het licht gaat schijnen in je leven en over je leven.
Net zoals toen de engel bij de herders kwam.
Het is dan niet meer donker, niet meer duister.
Je mag opstaan, een nieuw leven krijgen.

Er kunnen van die dagen zijn, waarop je moeilijk kunt opstaan.
Misschien heb je dat juist wel in deze dagen als het donker is en koud.
Je weet niet wat je aan moet trekken
en daarom ga je eerst maar eens naar beneden om te ontbijten
om als je wakker bent dan te kijken wat je aandoet.
Ook al is het donker, dan is er toch al een nieuwe dag begonnen.

Zo legt Paulus uit hoe het voor ons om uit te kijken naar de Wederkomst.
Het lijkt nog donker om je heen:
Je ziet zoveel mensen die niet geloven in Christus,
er niet mee bezig zijn dat er er een God is,
of er niet voor hen zelf mee bezig zijn.
Misschien jijzelf ook nog niet.
Dan slaap je nog, terwijl het al dag geworden is!
De dag is al begonnen zegt Paulus, want Jezus is al geboren,
Hij is al gestorven en jij mag geloven dat Hij ook voor jou gekomen is.
Maar dan moet je ook opstaan
en je pyjama uitdoen,
want in het echt ga je ook niet met je pyjama aan naar school,
naar de kerk, naar vrienden, naar de winkel.
Je trekt kleren aan, op een gewone dag misschien gewone kleren
en op een speciale dag speciale kleren
waar je al lang over nagedacht hebt.

Als je gelooft, heb je een nieuw leven, ben je aan de dag begonnen,
je slaapt niet meer, maar je bent wakker geworden.
Daar horen nieuwe kleren bij: Bekleed je met de Heere Jezus Christus.
Trek Christus aan, zoals je elke morgen aankleedt.

Hoe doe je dat dan?
Dat is allereerst: geloven. Geloven dat Jezus ook jouw Heer wil zijn.
Dat je zegt: Wilt U ook in mijn hart komen?
Heb je dat al eens gedaan?
Maar ook: dat je als christen leeft.
Dat je in wat je doet bewust bent: Ik hoor nu bij Christus.
Dat is ook wat anderen aan mij zien.
Liefde en bewogenheid, de liefde en bewogenheid van Christus.
Je doet een aantal dingen niet meer, omdat ze niet bij Christus horen.
Alles wat niet bij Christus past, dat doe je uit, zoals je je pyjama uitdoet.
Daarmee kun je Christus niet onder ogen komen
als Hij terugkomt.
Wat moet je dan uitdoen? Wat kan niet meer?
Teveel eten, vreten – want dan denk je alleen aan jezelf
en is je buik je god waarvoor je knielt.
Niet teveel drinken en niet dronken worden.
Niet steeds aan seks denken of porno kijken.
Geen ruzie meer maken
of ook niet ervoor zorgen dat twee anderen ruzie met elkaar krijgen.
Niet jaloers meer zijn.
Daarmee kun je niet voor Christus komen als Hij komt.
Alleen als je Hem aangetrokken hebt,
als je gelooft, als Hij in je hart leeft en ook als je leeft uit Hem.

Dat kan best moeite kosten – dat kost strijdt.
de werken van de duisternis afleggen
en de wapens van het licht aandoen
[Geestelijke wapenrusting: met Kerst uniform aandoen!]
Maar het is de moeite waard! Neem dat maar van mij aan.
En je bent goed voorbereid voor als Jezus terugkomt.

Dus … wat trek je aan met Kerst?
Dat mag van alles zijn. Zelfs je pyjama.
Als je maar de Heere Jezus hebt aangedaan.
Als je opgestaan bent en leeft alsof het al dag is,
alsof het al de dag is dat Christus is teruggekomen.
Dat als Hij komt je niet schrikt,
maar zegt: Welkom HEER. Ik had U al verwacht. Amen