Preek zondag 3 maart 2019

Preek zondag 3 maart 2019 (1e lijdenszondag)
Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3a, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de bergen woont een man.
Hij is daar niet vrijwillig heen gegaan; hij moest.
Het begon met een kleine plek op zijn huid.
Eerst probeerde hij die plek nog voor anderen te verbergen,
maar de plek op zijn huid groeide over zijn hele lichaam
en hij kon niet meer voor anderen verbergen dat hij een huidziekte had.
Hij kon merken dat anderen ook konden zien, dat er iets met hem aan de hand was.
Ze deden een stap achteruit als hij in de buurt kwam en hij merkte dat ze hem nastaarden.
Hij voelde dat er over hem gesproken was.
Op een keer komt een van de belangrijkste mensen van het dorp bij hem langs
met een boodschap: ‘Zo kan het niet langer.
We willen dat je naar Jeruzalem gaat, naar de priester, om na te gaan
of je inderdaad met huidvraat besmet bent.’
De man op bezoek aarzelt even en zegt dan: ‘Je weet wat de gevolgen zijn als je dat hebt.’
De volgende dag gaat de man naar Jeruzalem.
Voor het antwoord hoeft hij niet te gaan, want hij weet zelf al welk antwoord hij krijgt.
Er zal een priester naar zijn huid kijken en zien zijn huid ook ander zijn vel is aangetast.
De priester zal bevestigen wat de dorpsoudste wist en hijzelf ook: je bent onrein.
Het zal wel uitmaken, hoe de priester dat oordeel zal uitspreken.
Welke toon hij gebruikt en hoe hij kijkt.
Zal er mededogen in zijn ogen te lezen zijn, compassie in de stem te horen zijn?
Zal de priester onverschillig en onbewogen zijn als hij zijn conclusie trekt,
omdat hij het zoveelste geval van huidvraat is, dat de priester te zien krijgt?
Als de man weken later, waarin hij allerlei testen moest ondergaan, thuiskomt uit Jeruzalem
wil de dorpsoudste weten wat het oordeel van de priester is.
Zwijgend overhandigd de man het officiële papier dat de priester heeft meegegeven.
Hij heeft al vaak nagedacht hoe dat verder zou moeten gaan als hij in Jeruzalem is geweest.
Nu is het zover.
Hij zal zijn vrouw en kinderen achter moeten laten en het dorp verlaten moeten
en gaan verblijven waar hij niemand tegen kan komen, die hij kan besmetten.
Afgezonderd ook van God, want hij mag niet meer in de tempel komen
of een eredienst in de synagoge bijwonen.
‘Je weet wat je te doen staat,’ zegt de dorpsoudste
en de man maakt zich klaar om het dorp voorgoed te gaan verlaten
en te gaan wonen in de bergen, waar hij niemand tegenkomen.
Als de man het dorp verlaat, komt er opeens een sterke emotie uit hem los.

De man schreeuwt het uit: ‘Ik ben niet de enige die ziek is.
Jullie ook, wij allemaal, we zijn allemaal ziek.
Als mijn ziekte iets laat zien, is dat we allemaal onrein zijn,
jullie net zo goed al is er bij jullie niets van te zien.’
Voortaan leeft deze man in de bergen, zonder dat iemand in zijn directe nabijheid komt.
Dan gebeurt er op een dag iets in de bergen waar hij in afzondering woont.
Een grote groep mensen trekt de bergen in en ze gaan allemaal zitten om één man heen.
Van een afstand ziet hij de mensen geboeid luisteren naar die ene man.
Over die man gaan geruchten rond: dat hij mensen geneest en rondtrekt door Galilea.
Alle aanwezigen gaan in zijn verhalen op.
Jezus – Zijn naam betekent Redder – is hier gekomen in zijn gebied,
waar anders niemand durft te komen, omdat de mensen bang zijn ook onrein te worden.
Hij hoort flarden van de toespraak van Jezus.
Over armen van Geest – mensen die niets in te brengen hebben
en de man herinnert zich maar al te goed hoe hij niets had in te brengen.
toen hij door de dorpsoudste uit het dorp werd verbannen omdat hij onrein was.
Zalig de armen van Geest, de mensen die niets in te brengen hebben.
Je zou denken dat ze het slecht getroffen hebben, maar voor hen is Gods koninkrijk.
Hij hoort hoe Jezus spreekt over het hart van de mens, dat besmet kan zijn door zonde
en de man beseft dat zijn aangevreten huid laat zien dat heel Israël is aangevreten
door de zonde en zonder dat men het wil zien net zo goed onrein is, net als hij.
Dan hoort hij de Man spreken over bidden:
Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.
Er begint bij de man die verbannen is door zijn ziekte een verlangen te groeien:
Als ik zou vragen, dan wordt het mij gegeven. Als ik zoek zal ik vinden.
Als ik bij Jezus aanklop, zal hij voor mij opendoen.
Dat verlangen wordt bevestigd als Jezus klaar is met spreken, opstaat en weer onderweg gaat.
Jezus daalt af de berg naar beneden en loopt zijn wereld in,
Waar hij de verbannene om zijn onreinheid woont.
Jezus lijkt wel een herder die op zoek is naar een schaap dat verloren is geraakt.
Jezus lijkt wel een koning die zegt: Ik wil weten wat er omgaat bij mij dienaren
En niet alleen bij degenen die het goed hebben en hun leven op orde hebben,
maar degenen die er maar bij hangen, er niet bij horen, degenen die verbannen zijn,
want Ik ben ook hun koning.
Als Jezus naar beneden afdaalt, begeeft Hij zich op gevaarlijk terrein.
Jezus gaat naar de heggen en steggen, zoals Hij dat later zal zeggen,
naar het buitengebied waar de mensen wonen die niet vol meetellen, de uitgestotenen.

Vastberaden – Hij moest door dit gebied gaan.

De menigte gaat mee, die zoveel van Jezus’ woorden heeft gehoord,
De mensen die onder de indruk zijn van het spreken van Jezus:
Meer dan woorden van mensen alleen – God zelf sprak tot hen,
Bemoedigde hen, tilde hen boven alles uit, maar sprak hen ook confronterend toe,
plaatste hen voor God – hoe zit het met je hart, vanbinnen?
Dan ziet de menigte een man op Jezus afkomen
en ze deinzen allemaal achteruit, omdat ze zien dat deze man hier hoort
in dit gebied en niet tussen hen, een stap achteruit om zelf niet onrein te worden.
Hoe kijken al die mensen naar hem, die man die ziek is en onrein?
Zouden ze er iets van zichzelf in herkennen, van hoe het met henzelf is?
Dan komt die man aarzelend op Jezus af – en je merkt aarzeling bij de man.
Kan hij wel op Jezus afkomen? Zal Jezus hem niet wegsturen? Heeft hij het goed gehoord?
De man knielt voor Jezus neer: ‘U kunt mij reinigen. U bent daartoe in staat.
Maar ik weet niet of U wilt. Als U niet wilt, dan begrijp ik dat goed.’

De reactie van Jezus is eenvoudig, maar wel diep.
Een enkel woord: ‘Ik wil.’ En een gebaar: Jezus raakt de man aan.
Dat is een gebaar van tederheid, van barmhartigheid. Jij bent er ook één van mij.
Jij hoort er ook bij – ondanks al je onreinheid die je door je ziekte meedraagt.
Het gebaar van Jezus is veelzeggend: het is niet alleen een omarming.
Het is een gebaar, waarmee Jezus zegt: Ik neem jouw last op mij.
Jouw ziekte, jouw onreinheid, ze zijn niet meer van jou
En ze nemen niet meer een plek in jouw leven in, maar Ik neem dat op Mij,
Ik draag dat weg.
Jouw lijden is voorbij en dat is nu Mijn lijden geworden.
Inderdaad, je klopt bij Mij aan en Ik laat geen bidder staan.

Hier gebeurt een wonder – en dat wonder is niet alleen dat de man beter wordt
en daardoor weer terug kan keren naar huis.
In het gebaar dat Jezus maakt, door de man aan te raken, zegt Jezus:
Geef je last maar aan Mij: je ziekte, maar ook je onreinheid.
Het gebaar is er niet alleen voor de man, die bevestigd ziet,
Dat Hij er weer mag bij horen en dat dit voor iedereen zichtbaar geworden is.
Mattheüs geeft aan, wat er gebeurt, als Jezus zegt: Ik wil, als Jezus de man aanraakt:
Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen
Bijzonder aan wat Mattheüs hier doet, is dat hij zegt:
Jezus heeft onze zwakheden en ziekten op Zich genomen,
niet alleen van de man, die daar in de woestenij moest leven,
maar eveneens die van ons, van u en jou en mij: uw zwakheden en jouw ziekten.
Dat Mattheüs hier een vervulling ziet van de oude profetie van Jesaja,
zorgt in de uitleg wel voor een raadsel: Hoe kan Mattheüs hier nu een vervulling in zien?
Jezus is toch zelf niet ziek geworden? Hij maakt alleen maar mensen beter.
Hij begeeft zich wel onder zieken, raakt hen aan, maar blijft verder gezond.
Maar ik denk dat we hier dieper moeten kijken
en dat de zieken iets laten zien van hoe Israël voorstond in de tijd dat Jezus kwam.
De melaatse man hield de menigte een spiegel voor:
Met mijn ziekte laat ik zien, hoe jullie allemaal onrein zijn, niet zichtbaar, maar vanbinnen.
Alleen omdat het niet zichtbaar is, kunnen jullie dat nog uit de weg gaan.
Jullie zijn als de schoonmoeder van Petrus die haar vrijheid kwijt was
En op bed gebonden lag, doordat ze ziek geworden was.
Zo is Israël haar vrijheid kwijt en gebonden en heeft ze de bevrijdende macht nodig
die Jezus is en Jezus komt brengen.

Als de man met zijn huidziekte Israël een spiegel voorhoudt met zijn ziekte
– als het klopt, dat hij niet de enige die ziek is, maar het hele volk ziek is,
Al was dat niet zichtbaar en dat zij – net als hem – onrein zijn, al is dat innerlijk,
zodat ons ook iets te zeggen hebben?
Ik denk aan wat er aan het begin van het doopformulier wordt gezegd:

Door de ondergang in en besprenkeling met water
wordt aan ons de onreinheid van onze ziel aangewezen.
Dat geeft allereerst aan, dat we niet naar de buitenkant van iemand moeten kijken.
Voor de man was zijn buitenkant, zijn huid een reden om weggestuurd te worden.
De doop geeft aan, dat bij ons het van binnen zit, in ons hart.
Onreinheid geeft aan: zo, op deze manier kunnen we niet voor God verschijnen.
Als er niets met ons gebeurt, kunnen wij niet het Koninkrijk van God binnengaan.
Er moet wat met ons allemaal gebeuren, willen wij de hemel binnengaan.
Onreinheid hoeft niet persé zonde te zijn,
hoewel het formulier van de doop wel aangeeft dat de zonde de oorzaak is
van het onrein zijn van ons, niet alleen van dat kind dat gedoopt wordt, maar wij allemaal.
Onreinheid geeft aan, dat je niet bij God in Zijn nabijheid mag komen.
Het is vergelijkbaar met iemand die opgenomen moet worden in het ziekenhuis,
maar omdat de patiënt een bacterie onder de leden heeft,
moet hij of zij eerst op een aparte afdeling liggen,
om te voorkomen dat de bacterie zich over het hele ziekenhuis verspreidt.
Daarom moest de man, die de huidziekte had, in afzondering verblijven
en mocht hij pas weer naar huis als zijn huid helemaal gereinigd was.
Wij kunnen alleen bij God komen als onze onreinheid wordt gereinigd.

De man had er vast moed voor nodig om naar Jezus toe te gaan.
De blikken van de mensen in de massa, die hem aankeken, geschrokken, bang.
En in hemzelf wellicht het gevoel van schaamte,
omdat hij door zijn ziekte nergens meer bij hoorde, onrein was.

Dan zegt Jezus tegen de man, die met zijn huidziekte bij Jezus aanklopt
en eigenlijk helemaal niet bij Jezus mag komen,
maar aanvoelde, wist dat Jezus een bidder niet laat staan.
Dan zegt Jezus: Ik wil, word gereinigd.
Hij zegt dat ook tegen ons: Ik wil, word gereinigd.
onze zwakheden heeft Hij op zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.
Als Jezus dat zegt: Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat niet alleen tegen die man, maar ook tegen de menigte die toekijkt
En tegen ons, die het verhaal horen, en voor ons zien.
En al durven wij misschien niet te komen, omdat we beseffen dat we zo niet kunnen komen,
voelen we dat ons hart ons aanklaagt, omdat we zo niet voor God kunnen bestaan,
dan spreidt Jezus de armen uit en zegt: kom maar,
want Ik kwam juist, hier op deze aarde, Ik daalde de berg af om onder jullie te zijn.
Ik wilde niet alleen onder ogen zien, hoe jullie er aan toe zijn,
maar Ik wilde er ook iets aan doen.
Ik wil, word gereinigd.
Als Mattheüs aangeeft, dat hier Jesaja 53 wordt vervuld,
krijgt het gebeuren een nog diepere betekenis dan genezing alleen.
Hier tekent Mattheüs een lijn naar het kruis op Golgotha.
Als Jezus dat zegt: Ja, Ik wil, word gereinigd,
zegt Hij dat ook tegen de Vader in de hemel, Die Hem naar de aarde zond
met het doel om die onreinheid te dragen, weg te dragen op Golgotha.
Ja, Ik wil. Ik ben bereid om naar het kruis te gaan.
Dat is Mijn wil, Mijn doel.
Jezus weet, wat dat betekent: Inderdaad genezing voor deze man.
Genezing voor iemand met huidvraat is als opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden,
wedergeboren, thuisgebracht, weer terug bij God.
Dat is de ene kant.
Er is ook een andere kant, die Jezus maar al te goed beseft
En waar Hij niet voor terugdeinst,
dat meeklinkt als Jezus zegt: Ik wil en dat zichtbaar wordt als Jezus Zijn arm uitstrekt
en deze man, die bij Hem komt, aanraakt.
Het kruis. Ja, Ik wil.
Voor Hemzelf zal het een weg van lijden zijn: onze zwakheden, onze ziekten.
Hij neemt dat op Zich, zodat wij die last niet meer hoeven te dragen.
Jezus blijft niet op een berg, ver verheven boven onze sores en onze ellende.
Zoals Hij niet in de hemel bleef, onbewogen voor wat er met ons was misgegaan.
Hij zei: Ik ben bereid om te komen, om in jullie plaats te gaan.
we hebben een God, die niet terugdeinst voor ons, niet een stap terug doet,
maar die bereid is om Zijn eigen heiligheid op te geven om ons weer heilig te maken.
Die als wij onrein zijn en niet bij Hem kunnen zijn, er een afstand hoort te zijn,
zelf de afstand overbrugt en aan onze kant komt, in onze wereld,
zelf bereid is om een verschoppeling te worden, verbannen te worden,
aan het kruis, buiten Jeruzalem.
Zoek en je zult vinden, klopt en er zal opengedaan worden.
Laat schaamte je niet tegenhouden en zie dat Jezus juist ook in jouw wereld gekomen is
En Zijn hand naar je uitstrekt: Ja ik wil, word gereinigd.
Amen.

Preek 24 februari 2019

Preek 24 februari 2019 |(Vorchten, Werkhoven)
Schriftlezing: Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Let niet op de rommel’, wordt er gezegd als je onverwacht op bezoek komt.
Ze zijn wel blij met je bezoek, maar er klinkt ook een licht verwijt in door:
Had even laten weten dat je komt, dan hadden we alles kunnen opruimen,
zodat je in een schoon en opgeruimd huis komt.

‘Let niet op de rommel’, hadden ze vast in de menigte gedacht,
toen Jezus de berg afdaalde.
Ze waren met Jezus op de berg geweest en waren onder de indruk van Zijn woorden.
Wat Jezus zei, waren meer dan gewone mensen woorden, woorden van God zelf
En op de berg hadden ze het gevoel dat ze zo heel dicht bij God waren,
Even boven hun alledaagse beslommeringen uitgetild,
woorden die hen getroost hadden, maar ook diep hadden geraakt en aangesproken,
confronterend, maar dan juist op een heilzame manier,
Waardoor ze zich opgescherpt voelden in hun relatie met de Heere.
Dat zouden ze wel vast willen houden, zo dicht bij God zijn,
maar nu dalen ze met Jezus vanuit dat dicht bij God zijn weer in hun eigen wereld.
Hun wereld van hun eigen rommel en hun eigen sores,
die je voor anderen wilt verstoppen.
En wellicht wil je dat ook voor de Heere verstoppen
En zeg je stil in jezelf: Heere, als U in mijn leven komt, geef dan eerst een seintje,
zodat ik mijn leven op orde heb en U niet in mijn rommel hoef te ontvangen.
Want als U zo onverwacht komt, dan schaam ik me om U hier te moeten ontvangen.

‘Let niet op de rommel.’ – net nog een hoogtepunt op de berg gehad
en dan iemand ontmoeten, die daar niet hoort te zijn,
die door de ziekte die zijn huid afgrijselijk heeft toegetakeld heeft, aangevreten,
zich niet onder de mensen zou mogen begeven.
De ziekte die deze man heeft
– melaatsheid in de oudere vertalingen, huidvraat in de NBV –
was niet zomaar een ziekte, maar werd gezien als een stempel door God gegeven:
Jij hoort niet meer tot Mijn volk. Je hoort verbannen te worden naar de rand.
Als dat oordeel ook nog eens door een priester werd uitgesproken
was je je plek in de samenleving kwijt, je mocht er niet meer bij horen.
Daar kunnen we raar van opkijken, maar ik dat vertellen gemeenteleden ook,
van wie bekend zijn dat ze ernstig ziek zijn en aan wie dat soms ook te zien is:
een kaal hoofd door de chemokuur, een rode huid van de uitslag.
Zij maken het mee, dat bekenden die hen in de supermarkt normaal gesproken aanspreken
nu gauw een ander gangpad inslaan en geen gesprek durven aan te gaan,
of degenen die normaal gesproken even aan zouden komen nu wegblijven,
omdat ze niet weten wat ze moeten doen, wat ze moeten zeggen,
er niet tegen kunnen om de gevolgen van de ziekte met eigen ogen te zien.
Wellicht hebben de mensen na het horen van Jezus’ verhaal op de berg gedacht:
De man die we hier zien is een illustratie van de bergrede.
Want Jezus had het voortdurend over het hart van de mens,
Waarin van alles verkeerd is: vatbaar voor verleiding, vol van zonde,
het is nodig dat ons hart gereinigd wordt, schoongemaakt
en bij het zien van deze man met zijn aangevreten huid en verminkte gezicht
hebben ze misschien wel gedacht, dat zijn uiterlijk het gevolg is van zijn hart dat mis is,
zoals dat ook met spanning kan zijn, die op het lichaam slaat:
zonde in het hart, die zichtbaar aan de buitenkant op de huid zichtbaar wordt.

Het is opvallend wat deze man doet: voor het oog van al die mensen
het oordeel dat de priester ooit over hem heeft uitgesproken,
namelijk dat voortaan de mensen moest mijden om hen ook niet onrein te maken,
negeren en zich onder de mensen te begeven en neer te knielen voor Jezus.
Mattheüs wil er ook de aandacht op vestigen:
kijk dan, let er eens op, sta er bij stil en neem de tijd om het op je te laten inwerken.
Kijk eens, hier zie je geloof: deze man die de moed heeft om naar Jezus te gaan
en beseft dat hij met zijn verhaal en zijn ellende bij Jezus moet zijn
voor een nieuw leven, een nieuwe toekomst.
Ook dit is een illustratie van de Bergrede:
NBV: Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt?
Hier komt iemand op zoek naar Jezus en vraagt, iemand die bij Jezus aanklopt
en Jezus heeft al gezegd wat er al met iemand zou gebeuren, die zo komt aankloppen.
Jezus is niet alleen maar een Messias van mooie woorden,
maar een Messias die de mooie woorden ook in praktijk brengt, in daden omzet.

Ik denk dat Mattheüs om nog een reden onze aandacht wil vangen:
want het zou ook kunnen zijn, dat dit het niemandsland is, waar een verbannene mocht zijn.
Daar in de bergen, net als een bezetene in de holen en de grotten in de bergen woonde.
Dan zou Mattheüs ook tegen ons willen zeggen: Zie je wel welke weg Jezus neemt?
Voor Hem is er geen tegenstelling tussen het bij God verkeren,
het geestelijk op een berg zijn, een hoogtepunt in het geloof
en een weg door de menselijke diepte, waar de mensen zijn die er niet meer bij horen,
die te horen hebben gekregen, dat ze niet meer mee tellen.
Waar wij ons willen excuseren voor onze rommel en niet zouden willen

dat God die onder ogen zou willen komen, gaat Jezus juist die weg,
niet alleen maar om onze rommel te zien, maar ook om die te reinigen.
Aan het einde van drie verhalen over genezingen door de Heere Jezus
meldt Mattheüs wat Jesaja, de profeet, gezegd heeft:
NBV: Opdat in vervulling zou gaan, wat gezegd is door de profeet Jesaja:
Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.
HSV: Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen.
Dat Mattheüs deze tekst hier plaatst, levert alleen maar vragen op.
Want Jezus geneest wel – in die zin neemt Hij de ziekten wel weg,
maar hier wordt niet zichtbaar, dat Jezus de ziekten draagt, zoals Jesaja wel zegt
en toch ziet Mattheüs in deze drie verhalen, die hij aan ons vertelt,
dat Jezus de profetie die Jesaja uitsprak vervuld heeft.
Jezus begeeft zich in de wereld van die man, die met zijn verminkte huid,
met zijn getekend gezicht en zijn stempel van onreinheid.
Wat Hij doet is meer dan genezen alleen – dat op zich is al heel bijzonder.
Hij neemt de ziekten ook op zich
– allereerst door zich er mee in te laten.
Jezus raakt de man aan, die bij Hem om hulp komt,
een man van wie je afstand moet houden, omdat je anders zelf ook besmet kunt worden,
waarbij jezelf ook het oordeel kunt horen uitspreken, dat je er ook niet meer bij hoort.
Het is een teder gebaar, een gebaar vol barmhartigheid,
Jezus die net verteld heeft over mensen die het koninkrijk der hemelen niet kunnen ingaan
omdat ze de brede weg gekozen hebben, de weg naar de ondergang,
die net vertelde dat diegene die de woorden van Jezus alleen maar aanhoort
en ze niet in praktijk brengt een huis bouwt, dat op zand gebouwd is,
het huis van je leven dat instort als het oordeel van God erover heengaat,
die vertelde dat je beter je hand kunt afhakken als die je in verleiding brengt,
Jezus die met Zijn handen straks in Jeruzalem de tafels zal omkeren,
het brood aan de tafel breekt en ronddeelt aan Zijn discipelen,
met Zijn hand het brood in dezelfde schaal doopt als degene die Hem verraden zal,
Jezus, wiens handen aan het kruis gespijkerd zullen worden.
Die handen raken nu deze man aan – en de man wordt gereinigd.
Dat is meer dan genezing.
Dat is van buiten een schone huid, maar ook van binnen een schoon hart.
Niet alleen genezen, maar ook van het stempel af, geen oordeel of veroordeling meer.
Het is het leven weer terugkrijgen, opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden.  
En Jezus zegt: Ik wil.
dat gebaar van barmhartigheid en tederheid onderstreept dat nog eens,
dat Jezus genegen is om de man te reinigen.
Het wordt zichtbaar, dat Jezus het wil.
Jezus had de mogelijkheid blijkbaar om te zeggen: Nee, bedankt, Ik doe het deze keer niet.
Waarom eigenlijk? Waarom moet Jezus er persoonlijk mee instemmen?
Waarom is het zo van belang, dat Jezus dit zelf ook wil,
dat de man gereinigd wordt, en zo genezen en een nieuw leven mag beginnen.
Ik denk dat we hier opnieuw bij Jesaja aankomen:
Het dragen van onze zwakheden en kwalen, op het zich nemen van onze ziekten.
Ja, Ik wil dat doen. Ik neem jouw ziekte op mij en alles wat daar aan ten grondslag ligt,
wat die ziekte heeft veroorzaakt
en ook wat het effect is op je plek in deze maatschappij
en hoe jou dat op een afstand tot God heeft geplaatst.
Ja, Ik wil.
In het aanraken van de man zegt Jezus tegen Zijn hemelse Vader:
Dat kruis is ook mijn wil.
Ik wil afdalen van de berg, in die wereld waarin de mensen schamen voor hun rommel
en dat liever verborgen houden, omdat ze dat zelf niet aankunnen
en waarvan ze zelf ook vermoeden dat het een afstand tot God oplevert.
Ja, ik wil.
Dat is niets minder dan dat Jezus aangeeft: Ik ga de weg naar het kruis.
Ik ben bereid om die weg naar Golgotha te gaan,
op die berg, daar bij Jeruzalem de plek van deze melaatse man in te nemen
en af te dalen in zijn wereld en zijn wereld te dragen
en nog dieper gaan: neerdalen in het rijk van de dood, in de hel
en daar de plek van deze man over te nemen.
Ja, Ik wil.
Mattheüs heeft gezien welke diepte er is in de instemming van Jezus,
wat daar gebeurt als Jezus die man aanraakt en zegt: Ik wil.
Woorden die lang geleden door de profeet tegen Israël zijn gezegd
gaan nu in vervulling.
‘Let maar niet op die rommel.’ zouden we zeggen.
Als een belangrijk persoon komt, dan wordt de stad schoongemaakt.
Fietsen die verkeerd gestald zijn, worden weggehaald.
Mensen die geen huis hebben en op straat leven worden naar elders gebracht
om de straat een goed aanzien te geven.
Bij Jezus krijgen we geen kans om  wat in onze ogen rommel is op te ruimen,
omdat Hij zegt: Ik wil die weg gaan. Ik ben juist gekomen om die rommel op te ruimen.
Op een bijzondere manier – weg te dragen.
Niet alleen maar door een aanraking en daarmee de risico ook besmet te worden

en ook onrein verklaard te worden,
maar door te komen waar je bent, als je er niet meer bij hoort en afgeschreven bent.
De berg waar Jezus zijn toespraak op hield, die wij bergrede noemen,
is daarom ook niet een berg die ontstegen is aan onze wereld,
maar juist waar de melaatsen wonen, de verschoppelingen, degenen die verbannen zijn.
Daar in die wereld staat de berg, waar Jezus spreekt over het koninkrijk der hemelen,
en over het binnengaan van dat koninkrijk.
En Zijn aanraking van de man, die komt met zijn huidvraat, Hem zoekt, bij Hem aanklopt,
die hand is een zichtbare uitleg van wat Hij later in een gelijkenis zal zeggen:
Zoek de mensen op buiten de stad, op de landwegen,
waar de mensen zijn, die je niet in je stad wil hebben.
Jezus laat dat zelf zien: Hij is bereid om mee te gaan met die centurio
om bij hem in huis te komen om zijn zieke slaaf te genezen.
Jezus die in het huis van Petrus komt, waar die zieke schoonmoeder is.
Drie verhalen over hoe ziekte mensen gevangen houdt, knevelt,
drie verhalen waarin we kunnen ziek,
hoe dat is als je leeft in een macht die je gevangen houdt
en waar je jezelf niet van kunt bevrijden.
Jezus komt. Hij komt in jouw wereld, daalt daarin af, treedt die binnen.
Ja, Ik wil – wordt gereinigd.
Het gaat hier om meer dan genezing
– dat is ook al een voorbode van hoe het in het koninkrijk der hemelen zal zijn.
Geen ziekte, geen beperking of handicap.
Geen aangetaste huid of lichaam, niemand die een blokje omloopt,
omdat hij of zij je niet in het gezicht durft te kijken.
Het gaat hier om bevrijding uit een macht en innerlijke reiniging,
omdat Jezus dat wilde – wilde komen, wilde afdalen,
maar ook onze wereld en onze gevangenschap, onze zwakheden en ziekten wilde dragen.
Een Messias niet alleen maar in woorden, maar ook in daden.
Omdat Hij komt, ook in onze wereld, is Hij benaderbaar
en kunnen wij Hem zoeken en vinden,
kunnen wij bij Hem vragen en gehoord worden,
kunnen wij aankloppen en doet Hij ons open.
Met heel mijn hart heb ik de HEER verwacht.
Dat is al heel wat – als iedereen je afschrijft.
Daar is moed voor nodig en dat is volgens Mattheüs geloof:
De verwachting dat Christus ook in jouw wereld kan komen,
om jou te redden en te bevrijden en jou een nieuw leven te geven.
Hij heeft gehoord naar mijn gebed,
mij uit de modderpoel gered,
mijn voet weer op een vaste grond gebracht.
Hij heeft mij doen herleven.
Opstanding uit de dood, een nieuw leven, herboren, opnieuw geboren,
omdat Jezus kwam en zei: Ja, ik wil, wordt gereinigd.
Omdat Jezus vervulde wat Jesaja al zei:
Hij was het die onze ziekten op zich nam
en onze kwalen heeft hij op zich genomen.

Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. Amen

Preek zondagmorgen 19 februari 2017

Preek zondagmorgen 19 februari 2017
Johannes 5:1-21
Tekst: Maar Jezus antwoordde hun:  Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook (HSV). Mijn Vader werkt aan één stuk door en daarom doe Ik dat ook (NBV).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn studententijd, toen ik nog maar net preekte,
heb ik ooit een kritische reactie van een Jood gehad.
Terwijl bijna alle kerkgangers bij de uitgang zeiden: ‘Mooie preek!’
zei deze man bij het naar buiten gaan:
‘Jullie christenen zijn altijd zo somber, jullie missen de vreugde.
Voor ons Joden is dat, die vreugde, juist de kern van ons geloof.’
Het Joodse geloof is een leven vol vreugde
en het dienen van God is een vreugdevolle aangelegenheid.

Nou ja, zou u u kunnen zeggen, als christen ken ik ook wel vreugde.
Maar is dat dan niet veel meer een innerlijke vrede, die van binnen gevoeld wordt?
Wat die Joodse man bedoelde, was dat die vreugde niet alleen van binnen gevoeld wordt,
maar dat je jezelf onderdompelt in de vreugde van het kennen en dienen van God,
dat die vreugde je meeneemt en doortintelt,
ook in de moeilijke en donkere tijden die het volk van God kent.
Die vreugde wordt dan gevoed door de sabbat en de grote feesten het volk kent,
feesten waarop het Joodse volk viert dat Gods werk altijd doorgaat.
Hij liet dat zien in de uittocht uit Egypte (Pesach),
in Zijn begeleiding van het volk door de woestijn (Loofhuttenfeest).
God zit niet stil in de hemel, maar strijdt steeds weer opnieuw voor Zijn volk
en staat klaar om degenen die Zijn hulp nodig hebben, bij te staan.
Hij, Israëls wachter sluimert niet en slaapt niet.
Bij die feesten wordt daarbij stilgestaan en dat gevierd,
dat God niet met de armen over elkaar zit in de hemel en maar afwacht,
maar actief betrokken is op wat er op de aarde gebeurt – de aarde die Hij schiep.
Door Gods betrokkenheid te vieren wordt, het geloof in God gevoed
en ook de vreugde en is leven een leven met uitbundige vreugde.

De Heere Jezus gaat naar Jeruzalem om zich onder te dompelen in deze feestvreugde,
deze vreugde om Zijn Vader, die altijd bezig is met wat er op aarde gebeurt.
Op naar Jeruzalem, de stad van God, Zijn Vader!
Je zou verwachten dat Hij daar naar toe gaat, om net als Zijn Joodse broeders en zusters,
Zijn Vader te aanbidden in de tempel, het hart van de Joodse godsdienst,
daar waar de offers gebracht worden
en de geur van het verbrande vlees van de offers de geur is van verzoening met God,
de zoetige geur van de wierook, de geur van de gebeden die tot God worden opgezonden
en dat Hij in de geur van wierook en offer wordt meegenomen in de vreugde voor God.
Maar Hij gaat naar een andere plaats, minder uit het centrum, aan de rand,
vlak bij de poort waar een andere geur hangt,
van mensen die langdurig ziek zijn
en voor verzorging en verpleging afhankelijk zijn van anderen,
de geur van mensen die zich lang niet hebben gewassen,
omdat er niemand is die hen wast of misschien zelfs niet eens verschoont,
een plek waar de honderdduizenden die de stad voor God bezoeken niet snel zullen komen,
waar gezonde mensen, die er geen familie of bekende hebben, het niet lang uithouden.
Bethesda, het huis waar zieken zijn opgeborgen,
wachtend op dat ene moment dat er voor hen redding is uit het hopeloze bestaan,
als die engel het water aanraakt en de eerste die het water in gaat genezen wordt
en deze onheilsplek mag verlaten.
Bethesda, het is een plek ver weg van het feestgedruis in de tempel in Jeruzalem
en waar iemand die er voor het eerst komt,
zich afvraagt of het wel waar is, dat God in de hemel niet stil zit
en klaar staat om Zijn volk te helpen.
Want als God bewogen is met Zijn volk,
waarom dan juist niet met deze mensen,
die niet mee kunnen doen met de vreugde in de tempel
en veilig zijn opgeborgen in dit tehuis, zodat de pelgrims die de stad bezoeken
niet worden geconfronteerd met deze ellende.
Als Jezus in Jeruzalem aankomt, gaat Hij niet naar de tempel,
maar naar deze voor veel mensen uitzichtsloze plaats,
waar ze liggen te wachten, op dat voor hen gunstige moment.

We zongen aan het begin van de dienst: Waar Jezus komt, zal de nacht verdwijnen.
Het is de moeite waard om te kijken, waar Jezus komt.
Daar waar de vreugde in ieder geval ver weg is
en waar mensen zich afvragen of God hen niet vergeten is.

Keer eindlijk, Heer’, toch weder;
Mijn ziel buigt zich terneder,
Ai, red haar van ’t verderf.
Sla mijn ellende gade,
Tot roem van Uw genade,
En help mij, eer ik sterf.

Daar komt Jezus aan, in het huis van die wachtende zieken, blinden, kreupelen, verlamden.
Tussen al die mensen die daar lagen, is er één man die door Jezus wordt gezien.
Waarom die ene man en niet al die andere mensen?
Waarom helpt Jezus alleen deze ene man?
Met de genezing van al die andere zieken had Jezus toch duidelijk kunnen maken,
dat God inderdaad werkt en niet met de armen over elkaar, alleen maar zit toe te kijken.
Het is een vraag die gelovigen vandaag de dag ook wel kan bezig houden:
Al die mensen die ziek zijn, hoe zit het daarmee?
Waarom wordt niet iedereen beter? En waarom zijn er zoveel mensen die ziek blijven,
soms wel langdurig, net als deze man die 38 jaar lang daar ligt.
Waarom deze ene man?
Omdat Jezus de wanhoop van deze man ziet.
Mijn Vader werkt altijd en Ik ook, zal Jezus later zeggen.
Hij zit niet stil en heeft Zijn hart niet afgesloten,
maar ziet deze man die daar al 38 jaar lang ligt.
Ik heb me proberen voor te stellen hoe dat is: 38 jaar lang ziek te zijn
en daar maar te liggen.
Ik ben zelf nog geen 38. Dat hoop ik dit jaar te worden.
Ik kan het me ook niet voorstellen, hoe het is om verlamd te zijn.
In mijn vorige gemeente was er iemand, die eerst eenzijdig verlamd was
door een hersenbloeding en van wie later de goede kant nog erger getroffen werd.
Elke keer als ik haar bezocht had in het ziekenhuis,
voelde ik mij zo levendig, was ik bewust van mijn eigen lichaam, van wat ik kon:
opstaan en weglopen, naar buiten de gang op, met de trap naar beneden,
naar buiten, naar de fiets of de auto en dan wegrijden.
38 jaar lang ziek.
Sommigen denken, dat het te maken heeft met de geschiedenis van Israël in de woestijn,
die 40 jaar dat het volk door de woestijn moest trekken en dat dit teken
ook iets zegt over het volk Israël, dat verlamd was en door God genezen wordt.
In het evangelie van Johannes hebben de wonderen van Jezus een bijzondere betekenis,
het zijn nooit zomaar wonderen, Johannes gebruikt dat woord ook niet,
maar tekenen, die ergens naar verwijzen, die verwijzen naar wat Jezus komt doen.
Johannes noemt dit wonder geen teken,
maar naar mijn idee wijst het wel vooruit naar Pasen, naar de opstanding.
Want een man die al 38 jaar verlamd ligt.
Stel dat hij zo geboren is, dan heeft hij geen ander leven gekend,
dan dit liggend leven, altijd afhankelijk van anderen,
met het idee dat hij anderen alleen maar tot last is,
daarin bevestigd doordat hij door iedereen verlaten is.
Of stel dat hij opgroeide als een gezond persoon, maar later dit kreeg,
dan had hij zich in die bijna 4 decennia zich verzoend dat dit het is:
het wordt niet anders.

Jezus komt bij hem en stelt een vraag, die heel pijnlijk en weinig tactvol kan overkomen:
Wil je wel gezond worden?
Aan iemand die al zo lang ligt en geen hulp meer heeft, de vraag stellen
of hij nog wel verlangd naar een ander leven?
Zou hij er nog aan gedacht hebben, dat er een ander leven mogelijk is?
Wil hij het nog wel of heeft hij de hoop opgegeven?
Dit is het geworden, iets anders wordt het niet meer.
Dan die vraag van Jezus: wil je gezond worden? Wil je dat nog wel?
Een leven met een gezond en beweeglijk lichaam is zo onmogelijk geworden,
dat deze man daar niet eens meer over droomt.
De man kan die vraag ook niet horen, want hij geeft er geen antwoord op.
Hij kan alleen nog maar iets van zijn hopeloze situatie laten zien:
Ik heb niemand meer.
Niemand meer uit zijn oude leven als gezond persoon, die wist hoe hij was.
Geen familie meer die hem opzoekt.
Niemand die speciaal voor hem komt,
hem eten komt brengen, hem komt verschonen, hem komt voorlezen of vertellen.
Niemand die hem zal begraven en bij zijn begrafenis iets zal vertellen over hoe hij was.
Vergeten ben ik, als een dode, weg uit het hart,
afgedankt als gebroken aardewerk (Psalm 31:13)

Ik heb niemand meer, die mij helpt: een levende dode.
Deze woorden klinken op een sabbat, de dag van God,
tijdens een feest waarin de naam van de Heere wordt uitgeroepen: Ik ben die Ik ben,
Ik ben julie God, die voor jullie klaarstaat en opkomt,
die van Zich laat horen als jullie tot mij roepen.
Ik heb geen mens, zegt deze man, over God heeft hij het al helemaal niet meer,
een klacht die geuit wordt, maar niet zoals in de Psalmen gebeurt, naar God toe geuit wordt,
maar zomaar, als een opmerking waaruit blijft dat hij alle hoop heeft opgegeven.
Later als Jezus vertelt dat Hij de goede herder is,
en dat de schapen Zijn stem herkennen en opvolgen,
zegt Hij ook: Ik ben gekomen om het leven te geven in al Zijn volheid.
Tegen deze man zegt Hij niets over zichzelf,
ook niet dat Hij dé mens is, zoals Pilatus dat later zal zeggen: Zie de mens!
Ook niet dat Hij het Woord van God, het spreken van God
dat mens geworden is, net zo kwetsbaar en broos als die man die al zo lang ligt.
Alleen maar een opdracht voor de man die zich al die 38 jaar niet heeft kunnen verroeren
en die niemand om zich heen heeft om hem te helpen:
‘Sta op, neem je matras op en wandel.’
Geen aanraking of andere handeling waardoor er kracht overvloeit in die verlamde man.
Alleen enkele woorden, die ongelooflijke woorden: sta op!
Die man die levend dood was, geen hoop meer had: sta op!
Die later van Zichzelf zegt: Ik ben de opstanding en het leven,
Die later zelf opstaat uit de dood deelt Zijn opstandingskracht nu al uit: Sta op!
En om aan te geven dat deze man nooit meer terugkomt, klinkt er een 2e en 3e opdracht:
neem je matras op en ga heen! Je komt hier niet meer terug!
Je bestaan hier is voorbij, een nieuw bestaan, een nieuw leven!

Het is tijdens een feest van de Joden, op een sabbat.
Dat zijn niet zomaar wat losse opmerkingen van de evangelist,
maar geven aan waar het hier om gaat: om God die niet stil zit, maar altijd werkt!
Hij sluimert niet en slaapt niet, de bewaarder van Israël.
Er zit iets uitdagends, iets provocatiefs in die genezing op de sabbat van dat feest.
Je hoort het de Joodse leiders hardop denken:
Na die 38 jaar, had het niet een dag kunnen wachten, tot de sabbat voorbij is?
Maar voor Jezus is dit juist de kern van de sabbat:
dat mensen bevrijd worden van de boeien die hen gevangen houden,
dat ze opstaan uit de dood en van Jezus het leven in alle volheid krijgen,
dat ze erbij stil staan, dat God altijd werkt, altijd bezig is, nooit rust neemt.
En al houden wij geen sabbat: de zondag is daar ook voor bedoeld:
dat je het weet: de week die we begonnen zijn, gaan we in met God die nooit stil zit,
ook voor mij niet en zelfs het meest hopeloze kan veranderen,
zelfs de meest krachtige boeien van ziekte en dood kan verbreken,
op zondag de bevestiging van wat Jezus zegt: Ik werk ook altijd!
Mijn kracht die Ik in de opstanding liet zien,
waarmee Ik boeien van de dood verbrak,
Mijn kracht die ik liet zien op Golgotha
toen de macht van de zonde en de duivel verbroken werden, ze gelden altijd en elke dag.
Net als Mijn Vader werk Ik ook altijd.
We hebben een God die nooit vakantie neemt, nooit een dag vrijaf.

En de rustdag van God dan?
Hij rustte op de 7e dag?
Rusten houdt niet in dat God inactief is, en zich afzondert van de wereld
en er op uit trekt.
Elia zei dat over Baäl, om aan te geven dat de Heere toch echt een andere God is:
misschien is jullie god wel op vakantie of heeft hij zich terug getrokken om te rusten.
God is onvermoeibaar
en je zou kunnen zeggen: rusteloos om ons het goede te geven
en redding te brengen en ons te bewegen tot geloof
En ons geloof te beschermen en te bewaren tegen de aanvallen van de boze.
Wij hebben te rusten om dat te zien, om dat te geloven
en dat geloof te voeden, omdat we anders een week ingaan
en het vergeten dat er een God is die werkt.
Geen wonder dan dat wij als gelovigen dan niet werkelijk de vreugde hebben,
maar een zekere triestheid of wanhoop in ons meedragen,
omdat we dan vergeten dat God altijd werkt.
God breekt altijd de sabbat.
En wat God met de sabbat wilde laten zien,
Wordt voor christenen zichtbaar in Jezus: Hij is de sabbat, de vervulling van de sabbat.
Ook al houden we de sabbat niet meer, omdat we de zondag hebben,
als de dag van de opstanding van Christus, die we dan vieren, elke week weer
om voor onszelf te weten dat ons leven zich afspeelt binnen het bereik van de levende Heer,
vanuit de kracht van Zijn opstanding en de hoop op een nieuw en eeuwig leven.
Daarom moeten we de zondag ook niet teveel losmaken van van de sabbat,
één dag om te weten dat God altijd werkt, om die vreugde te vinden, ook als het tegenzit.
Wanneer je dat niet meer viert, dat God altijd werkt,
dan wordt het een vraag hoe dat zit met mensen die ziek zijn en niet beter worden.
Al die honderden, misschien wel duizenden in Bethesda, die niet genezen werden,
ook voor hen geldt dat God dag en nacht werkt en nooit rust.
Maar dat werken voor hen is niet altijd genezing.
Ook voor degenen die nu vandaag de dag met ziekte te kampen hebben,
of met een beperking, geldt: u bent niet buitengesloten van Gods werken, niet vergeten!
Het kan zijn dat u Gods werken op een andere manier leert kennen
dan wanneer u gezond bent.
Dat u iets merkt van wat de Heere Jezus in Zijn lijden heeft overgehad,
of dat je in de periode van ziekte merkt dat je naar de Heere toe gedreven wordt.
En vaak weten we niet waarom het gebeurt en waarvoor het zo moest zijn
en gaat God een weg, die wij zelf niet gekozen zouden hebben.
Maar we mogen wel weten en geloven,
Dat zelfs in het diepste dal Jezus kan komen: Waar U bent, zal de nacht verdwijnen.
Hoe sterk die nacht ook kan zijn, zoals dat met bijvoorbeeld depressiviteit kan zijn,
en hoe lang die nacht ook kan zijn, waaruit jezelf niet kan opklimmen,
de Heere heeft die macht wel, Hij is sterker dan welke macht ook.
Waarom Hij die macht niet altijd verbreekt, dat weten we niet altijd.
Dat is geen teken van ongeloof, of van te weinig bidden, van vergeten zijn.
Het is onze taak als gelovigen niet om daar een mening over te hebben,
maar om te blijven geloven, dat ook in deze wanhoop Jezus kan komen
en misschien wel gekomen is, maar dan op een niet zo zichtbare en tastbare manier.
Het is onze taak om het uit te houden en uit te zien, om te hopen en te verwachten
Omdat Jezus zegt: Mijn Vader werkt aan één stuk door en Ik doe dat ook!
Al weten wij niet altijd hoe Hij dat doet, wel dat Hij dat doet.

Nooddruftigen vergeet God niet,
Noch laat hen eindloos in ’t verdriet.
’t Ellendig volk mag op Hem wachten;
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
Amen

Markus 1:29-39

 

Markus 1:29-39

29. En toen zij uit de synagoge gegaan waren, gingen zij meteen naar het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. 30. En de schoonmoeder van Simon lag met koorts op bed, en zij spraken met Hem over haar. 31. En Hij ging naar haar toe, pakte haar hand op, en meteen verliet de koorts haar; en zij diende hen.

Jezus is Messias in woord en daad (Ernst Fuchs): op de sabbat houdt hij een indrukwekkende verkondiging en toont Zijn macht door genezingen en het uitdrijven van demonen. Omdat Jezus toont wie Hij is, wordt dit gedeelte in bepaalde leesroosters voorgesteld als evangelielezing in de tijd van Epifanie. Het Common Revised Lectionary heeft dit gedeelte bijvoorbeeld in jaar B op de 5e zondag van Epifanie.
Jezus is op de sabbat in de synagoge geweest. De synagoge zal belangrijk geweest zijn voor Jezus. De evangeliën vertellen dat Jezus hij het woord voert in de synagoge. Ook wordt er melding gemaakt van genezingen in de synagogen. Wie gaat nazoeken, vindt het woord synagoge echter niet zo vaak terug. Daarom de vraag: waarom wordt hier wel melding gemaakt van de synagoge. Heeft Markus ons daarmee iets willen doorgeven over het optreden van Jezus (als Messias in woord en daad)?
Na de synagoge gaat Jezus met Petrus mee naar zijn huis. Dat laat zien dat Petrus voor het volgen van Jezus meer heeft achtergelaten dan zijn boot en zijn netten. Hij heeft ook zijn gezin achtergelaten.  De enige andere keer dat Jezus met Petrus, Andreas, Johannes en Jakobus is, is in 13:4. Hierdoor loopt er een lijn van deze genezing naar de toespraak over de laatste dingen. In beide hoofdstukken wordt duidelijk dat het volgen van Jezus ook de gezinnen raakt. In hoofdstuk 13 gaat het namelijk om de vervolging, die ook vanuit het eigen gezin kan worden aangewakkerd. Volgens Klaus Berger, die mij op deze lijn attent maakt, geeft de genezing van de schoonmoeder van Petrus aan dat Jezus niet tegen gezinnen is.
De schoonmoeder van Petrus ligt ziek op bed. Werd in die tijd de koorts gezien als een demon, een onreine geest die je aangreep? Markus plaatst deze genezing in ieder geval na het uitdrijven van een onreine geest. Het wordt Jezus meegedeeld dat Petrus’ schoonmoeder ziek is.
Jezus maakt contact met haar: hij gaat naar haar toe en raakt haar aan. Markus vertelt vaker dat Jezus in zijn genezingen de mensen aanraakt. Dit is niet alleen een gebaar van tederheid, maar ook een gebaar waarmee hij grenzen overschrijdt: een man die de hand pakt van een vrouw, een gezonde man die de hand pakt van een zieke en dus onreine vrouw. Is het ook een gebaar waarmee Jezus zijn kracht naar deze vrouw over doet gaan? In de beschrijving van Markus doet het oprichten denken aan een wederopstanding uit de dood. De vrouw wordt opgewekt.
Als zij is opgericht, dient zij Jezus en de andere aanwezigen: ze wordt een diaken in de gemeenschap van Jezus. Ook dat is een overschrijden van een grens. Rabbijnen geven namelijk aan dat het niet goed is om je door een vrouw te laten dienen. Hij die gekomen is om te dienen wordt nu gediend, zoals de engelen dat deden na de verzoeking en vrouwen rondom het kruis dat later ook zullen doen.

32. Toen het nu avond geworden was en de zon onderging, brachten ze bij Hem allen die er slecht aan toe waren, en hen die door demonen bezeten waren. En heel de stad had zich verzameld bij de deur. 34. En Hij genas er velen, die er door allerlei ziekten slecht aan toe waren, en dreef veel demonen uit, en Hij liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.

Als de zon is ondergegaan, is de sabbat voorbij. Dan kunnen ook de anderen gebracht worden, die beheerst worden door een onreine geest. In het eerste hoofdstuk laat Markus zien dat Jezus gekomen is om het koninkrijk van God te brengen en dat koninkrijk bestaat ook uit het verdrijven van de onreine geesten. Ze waren er slecht aan toe, degenen die bij Jezus worden gebracht. Bij Jezus vinden ze heling en worden weer mens zoals de Schepper hen had bedoeld. Was het vorige wonder, waarbij de schoonmoeder van Petrus genezen werd, een ‘interne aangelegenheid’ (in huis), nu is zijn optreden (voor de deur) publiek.
Uit zijn daden moet blijken wie Jezus is. Maar als de demonen en de onreine geesten willen spreken over Jezus, verbiedt Jezus dat. Wanneer de demonen over Jezus spreken, is dat geen goed teken. (Zie vers 24). Ze kenden Hem, schrijft Markus.
Jezus is sterker dan de demonen en kan hen het zwijgen opleggen. Als Markus vertelt over Jezus die de demonen niet toelaat om over Hem te spreken, heeft dat ook te maken met het (beruchte) Messiasgeheimenis: in Markus laat Jezus ook mensen niet toe om te vertellen wie Hij is. Niet alleen zijn genezingen en zijn daden laten zien wie Hij is. Vooral na kruis en opstanding wordt duidelijk wie Jezus is.

35. En ’s morgens vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats,  en bad daar. 36. En Simon en die bij hem waren, gingen Hem achterna, 37. en toen zij Hem gevonden hadden, zeiden zij tegen Hem: Iedereen zoekt U! 38. En Hij zei tegen hen:  Laten wij naar de naburige plaatsen gaan, opdat Ik ook daar predik,  want daarvoor ben Ik uitgegaan. 39. En Hij predikte in hun synagogen door heel Galilea en dreef de demonen uit.

Op een vroeg tijdstip kunnen cruciale gebeurtenissen plaatsvinden: zo wordt in alle vroegte besloten om Jezus over te leveren aan Pilatus (15:1) en gaan de vrouwen in alle vroegte op weg naar het graf (16:2). Als de vrouwen bij het graf komen, schijnt dan reeds de zon. Nu is het nog nacht. Vertaald kan ook worden met: ‘in duisternis gehuld’. Vroeg, in de duisternis, gaat Jezus bidden. Wil Markus hiermee laten zien, dat Jezus’  optreden zich afspeelt in de context van het uitdrijven van demonen? De duisternis wordt ook nog eens benadrukt: nog diep in de nacht.
In die duisternis gaat hij naar buiten. Hij begeeft zich buiten de bescherming van de stad en gaat naar de eenzaamheid, waar hij alleen is en kwetsbaar. Jezus gaat vaker de eenzaamheid in. Ook als hem het bericht wordt gegeven van de dood van Johannes de Doper, neemt Hij zijn leerlingen de eenzaamheid in. Wanneer de mensen Hem als bijzonder gaan zien, trekt Hij zich terug. Na een wonder geeft Hij de opdracht om te zwijgen: het beruchte Messiasgeheimenis. In Markus is Jezus pas echt te kennen na kruis en opstanding en tot die tijd trekt Hij zich geregeld terug.
In de eenzaamheid was hij reeds 40 dagen geweest. De Geest had Hem toen naar buiten gedreven, om door de satan verzocht te worden. Nu nadat Hij de demonen uitgedreven had en hen het zwijgen opgelegd heeft, komt opnieuw in de eenzaamheid, de woestijn. Zal Hij hier opnieuw worden verzocht door de satan?
Bij de verzoeking in de woestijn meldt Markus geen gebed. Deze keer in de eenzaamheid is Jezus wel in gebed. Markus vertelt vaker dat Jezus bidt. Soms in afzondering (6:46), dan weer in gezelschap (in Gethsemané). Is het in Markus 1:35 een rust zoeken bij de Vader? In dat geval een rust na het gezag over de demonen. De gebeden in Markus geven aan, dat Jezus zijn gezag en macht niet uit zichzelf heeft. Op basis van het gedeelte over Gethsemané kunnen we zeggen: Jezus zoekt de eenheid met de wil van Vader, een weg in gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Midden in de duisternis heeft Hij die eenheid. De eenheid die Hij er in de duisternis aan het kruis voor Hem niet is, als Hij zich verlaten weet door God. Die duisternis uit Markus 14:33 is een ander woord dan uit 1:35. Terwijl Jezus aan het kruis hangt, wordt Hij bespot: anderen heeft Hij verlost, zichzelf verlossen kan Hij niet. Waar Hij bij anderen de onreine geesten, die voor een duisternis en de afwezigheid van God zorgden, ondergaat Jezus nu zelf die duisternis. Waarbij er voor Hem geen uitredding is.
Als Hij in gebed is, wordt Jezus opgezocht door Petrus en de andere leerlingen. Dat opzoeken is geen positief gebeuren. Kwam in de woestijn de verzoeking door de satan, nu komt de verzoeking door Petrus. Jezus had ze opgedragen om Hem te volgen. Maar ze volgen Jezus niet. Ze jagen op Hem. (Het gebruikte woord komt in Markus alleen in negatieve betekenis voor.) Willen ze dat Jezus volop in de belangstelling staat? ‘Iedereen zoekt u!’ Kan het nog mooier?
Vanuit zijn gebed weet Jezus dat dit een verzoeking voor Hem is, die nu in de persoon van Petrus tot Hem komt. Waar ligt Jezus’  taak? In het openbaar? Of in het verborgen? Af en toe in het openbaar, waarbij heel het volk de gelegenheid krijgt om de zieken en bezetenen te brengen. In het openbaar vertelt Hij over het koninkrijk van God. En toch, geregeld trekt Hij zich terug. Aan het kruis en bij het graf wordt zichtbaar dat zijn werk ook in het verborgene zich afspeelt. Het wordt zichtbaar voor wie dat wil zien. Niet voor de menigte die om het kruis heen staat. Slechts een hoofdman bij het kruis (waarbij het nog de vraag is of deze hoofdman zijn opmerking niet ironisch bedoelde) en enkele vrouwen die op een afstand kijken. Ook de opstanding gebeurt in het verborgen. Daar is niemand bij. Slechts enkele vrouwen zien iets, waardoor ze in een opstanding gaan geloven.
Als iedereen naar Jezus op zoek is, is het Zijn taak om weer verder te gaan. Zoals Hij in die nacht opstond en naar buiten ging, de eenzaamheid in. Zo verlaat Hij Kapernaüm weer en trekt verder. Na enkele dagen zal Hij overigens weer in Kapernaüm aankomen. In Markus is Jezus steeds onderweg. Als ik ooit een uitleg over het evangelie van Markus zou schrijven, zou Onderweg een mooie titel zijn voor een uitleg van het evangelie van Markus. Jezus blijft niet in Kapernaüm. Ook niet in de wildernis. Het doel waarvoor Hij gekomen is, is om overal het goede nieuws van Gods koninkrijk te brengen. en Hij zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen;  bekeer u en geloof het Evangelie. (1:15) Daarvoor is Hij gekomen. Hij gaat verder met zijn missie. Eerst in Galilea en later in Jeruzalem.

 

Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven

Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven
Handelingen 3:1-11

Petrus en Johannes gaan naar de tempel om te bidden (op het 9e uur). Als ze bij de tempel aankomen, komen ze een van ‘de zovelen die veraf zijn’ (Hand. 2:39) tegen: een verlamde man, die door zijn verlamming niet in de tempel mag komen en buiten de gemeenschap van God valt. Hij kan alleen voor de poort wachten. Hij kan niet delen in de goedheid van God en is daarom afhankelijk van de goedheid van Zijn volk.

Hij wacht daar op liefdesgaven– zoals de HSV mooi vertaalt. Ook van Petrus en Johannes hoopt hij een gave recht uit het hart te krijgen, een gave waarin bewogenheid en ontferming doorklinkt. Dat roept gelijk de vraag op: hoe geven wij onze gaven / giften? De ene keer oprecht recht uit het hart, de andere keer vanuit een schuldgevoel omdat wij er goed aan toe zijn en ons ongemak willen ‘afkopen’.

Petrus zegt: ‘Kijk mij aan!’ Voor Petrus is het geen anonieme bedelaar, maar iemand die teruggeroepen moet worden in de gemeenschap van God (Hand. 2:39: erbij geroepen). Kijk mij aan! Het herstel van een relatie, een opname in een gemeenschap. Wonderen vinden plaats in relatie tussen mensen en bedoeld als opname in de gemeenschap.
Dat is ook het verschil met hedendaagse gebedsgenezers: bij hen gaat het om het tonen van de macht van Jezus. Lukas laat zien hoe Jezus zijn macht gebruikt om de verlorenen te redden, om degenen die veraf zijn terug te brengen. De Mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

Kijk mij aan! De man is geen verschoppeling meer, geen verworpene. Hij mag door Petrus Gods goedheid weer ontvangen. Opgenomen in Gods gemeenschap.
In het hart van Petrus leeft Jezus. En Petrus geeft Jezus door – een gave uit het hart, vol mededogen en ontferming. Door die ontferming kan de man weer staan en lopen. Hij springt – om te laten zien dat Jesaja 35:5-6 in vervulling is gegaan: de verlamden zullen springen.