Les 18: Belijdenisgeschriften

Les 18: Belijdenisgeschriften

Mirthe heeft geregeld met een collega gesprekken over het geloof. Deze collega is niet met het geloof opgegroeid en heeft veel vragen. Op veel vragen weet Mirthe zelf het antwoord niet. Wat gelooft ze eigenlijk zelf? En bestaat er niet een soort samenvatting van wat het geloof inhoudt?

Johan gaat wel eens met een vriend mee naar een andere kerk. Niet alleen de opzet van de dienst is anders, ook de boodschap van de voorganger is anders. Dat brengt Johan in verwarring. Wat gelooft hij zelf? Wat hoort hij te geloven?

Vraag 1: Waar haal jij je kennis over God en over het geloof vandaan?



Vraag 2: Als een collega of een vriend(in) meer wil weten over het geloof, wat bied je dan aan?


Uitleg
In de kerk bestaan er officiële samenvattingen, waarin we kunnen weten waar de kerk inhoudelijk voor staat. Dat zijn belijdenisgeschriften. Onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland, kent een aantal belijdenisgeschriften. In de belijdenisgeschriften staat wat de officiële leer van de kerk is. Deze belijdenisgeschriften zijn vaak ontstaan in een tijd, waarin er veel discussie was over wat de kerk hoort te leren.

De Protestantse Kerk is in 2004 ontstaan uit een fusie van 3 kerken. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk hadden 6 belijdenisgeschriften:

  • de Apostolische Geloofsbelijdenis
  • De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
  • De geloofsbelijdenis van Athanasius
  • De Heidelberger Catechismus
  • De Nederlandse Geloofsbelijdenis
  • De Dordtse Leerregels

Deze geloofsbelijdenissen zijn ook in verschillende psalmboeken opgenomen. De laatste drie belijdenisgeschriften worden samen de drie formulieren van enigheid genoemd.


De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis gaat niet terug op de 12 apostelen. De naam geeft aan: de inhoud komt overeen met wat de apostelen geleerd hebben. Deze belijdenis is ontstaan als een belijdenis die nieuwe christenen opzegden bij hun doop. Deze nieuwe christenen lieten de Romeinse of de Griekse godsdienst, waarin ze opgegroeid waren, achter zich en gingen Jezus als hun Heer belijden.
Kenmerkend voor deze belijdenis is de indeling in drieën: eerst wordt iets beleden over God de Vader, daarna over God de Zoon en tenslotte over de Heilige Geest.

De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
In de 4e eeuw werd er gediscussieerd over de vraag of Jezus ook God als of dat Jezus minder dan God was. Op verschillende concilies (officiële vergaderingen) werd uitgesproken dat Jezus net zo goed God was als God de Vader en dat er toch maar één God is. Omdat er ook een Heilige Geest is, spreken we over God als drie-een.
De belijdenis is genoemd naar de verschillende plaatsen waar die concilies gehouden zijn: Nicea (325 na Christus) en Constantinopel (381 na Christus). Deze belijdenis is een uitbreiding van de apostolische geloofsbelijdenis. Deze belijdenis is de meest geaccepteerde belijdenis. Bijna alle kerken over heel de wereld accepteren deze belijdenis.

De geloofsbelijdenis van Athanasius
De geloofsbelijdenis van Athanasius is de meest onbekende geloofsbelijdenis. Ook deze belijdenis is ontstaan in een tijd waarin er werd gediscussieerd over de vraag over Jezus ook God was. Deze belijdenis is een felle verdediging van de gedachte dat God zowel uit Vader, Zoon en Geest bestaat en toch één is. Wie dat niet gelooft, kan niet behouden worden, zegt deze belijdenis. De geloofsbelijdenis is niet geschreven door Athanasius, maar vernoemd naar Athanasius, die de belijdenis van God als drie-één verdedigde.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is in 1561 geschreven door Guido de Brès. In die tijd worden de protestantse gelovigen vervolgd vanwege hun geloof. In deze belijdenis legt De Brès uit wat protestanten geloven. Hij legt uit dat hun geloof niet afwijkt van wat de kerk altijd geleerd heeft. Hij legt uit waarom protestanten niet katholiek kunnen zijn. Ook legt hij uit dat protestanten geen Wederdopers kunnen zijn. Wederdopers hadden voor veel opschudding gezorgd. Niet alleen omdat ze voor de volwassendoop waren (volwassenen werden weder=opnieuw gedoopt), maar ook omdat er nogal wat vreemde praktijken waren bij de Wederdopers.

De Heidelberger Catechismus
De Heidelberger Catechismus is bedoeld om de gewone mensen in de kerk uitleg te geven over wat het geloof inhoudt. Thema’s die aan de orde komen:

  • de geloofsbelijdenis: Wat doet God in jouw leven en in de wereld waarin wij leven?
  • doop en avondmaal: hoe horen we bij Christus en hoe krijgen we deel aan de redding?
  • de Tien geboden: Hoe leven we als christenen tot eer van God? Hoe doen we Zijn wil?
  • en het Onze Vader: Hoe leren we bidden?

Je zou kunnen zeggen: een gelovige hoort zijn geloof op deze thema’s onder woorden te kunnen brengen. De belijdenis bestaat uit vragen en antwoorden. De leermeester stelde de vragen en de leerling gaf antwoord. Zo leerde de leerling zijn eigen geloof persoonlijk onder woorden te brengen.
Deze geloofsbelijdenis is in 1563 ontstaan in Heidelberg. Omdat op dat moment er een gemeente was van uit Nederland gevluchte protestanten, raakte deze belijdenis ook in Nederland bekend.
Deze belijdenis is opgedeeld in 52 zondagen. ‘s Middags konden de jongeren op catechisatie die zondag leren en in de middagdienst werd over die zondag in de kerkdienst gepreekt.

De Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels gaan onder andere over hoe je gered kunt worden. In 1610 zei Arminius: God redt mensen op basis van hun geloof. Omdat God weet dat mensen gaan geloven, gaat Hij hen redden. De tegenstanders vonden dat Arminius de redding teveel afhankelijk maakte van hoe mensen zullen reageren. God is niet afhankelijk van onze reactie, van ons antwoord. In 1618 komt er een officiële vergadering in Dordrecht, waarin wordt aangegeven dat de kerk kiest voor de lijn van Arminius’ tegenstanders.

Norm of richtlijn?
Veel kerken in Nederland hebben deze 6 belijdenisgeschriften. Er is wel in de afgelopen eeuwen discussie geweest over hoe je ze moet gebruiken. De één ziet ze als norm waarvan je niet mag afwijken. Ook niet als individuele gelovige. De ander ziet de belijdenisgeschriften meer als richtlijn: zo zou je kunnen geloven. De één ziet ze als een samenvatting van wat er in de Bijbel staat. De ander zegt dat je je beter met de Bijbel zelf kunt bezig houden. Het is de moeite waard om de geloofsbelijdenis er steeds bij te pakken. Al kan de plechtige taal waarin ze geschreven zijn een belemmering zijn. Een belemmering om ze goed te kunnen gebruiken is, dat ze ook wel eens over thema’s gaan, die vandaag niet zo actueel meer zijn.
De officiële lijn is dat belijdenisgeschriften aangepast mogen worden, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van wat er in de Bijbel staat.  

 

Vraag 4: De eerste vraag van de Heidelberger Catechismus is: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Probeer hiervoor je eigen antwoord te formuleren. Wat zou jij zelf op die vraag antwoorden?




Vraag 5: Vergelijk je antwoord met het antwoord uit de Heidelberger Catechismus.
– Welke thema’s heeft de Catechismus, die jij niet hebt?


– Welke thema’s heb jij die niet in de Catechismus staan?


Vraag 6: In de Heidelberger Catechismus worden de geloofsbelijdenis, doop en avondmaal, de Tien geboden en het Onze Vader uitgelegd. Waarover zou jij zelf meer uitleg willen hebben?


 

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Op 7 oktober 1938 verschijnt er voor het eerst bij De Reformatie, een weekblad dat door Klaas Schilder wordt gerund, een bijlage van acht pagina’s over de Heidelbergse Catechismus. Schilder bedoelde dat als een groots project, dat twintig jaar in beslag zou nemen en in tien delen zou uitkomen. In augustus kwam het project stil te liggen vanwege het publicatieverbod dat Schilder van de Duitsers opgelegd kreeg. Na de oorlog kon de publicatie niet direct ter hand genomen worden, omdat het papier nog erg schaars was.

Zeven jaar lag het project stil. In die zeven jaar was heel wat gebeurd. Zoals vier oorlogsjaren en de voor Klaas Schilder traumatische ervaring van een kerkscheuring, waarbij hij buiten de Gereformeerde Kerken kwam te staan. Op het moment dat Schilder zijn werk met de Heidelbergse Catechismus weer oppakt, is het commentaar tot en met zondag 6 afgerond. Uiteindelijk zullen er vieren delen komen en is bij het overlijden van Schilder enkele jaren later de uitleg van zondag 10 nog niet afgerond.

Schilder vindt het voor de kerk nodig dat er een goede uitleg van de Heidelbergse Catechismus verschijnt. Hij gaat niet mee in het onderscheid dat Kuyper maakt tussen confessie en catechismus. Volgens Kuyper is de confessie binnenkerkelijk te gebruiken en de catechismus voor buiten de kerk.

Goede kennis van de belijdenis – en dus ook van de Heidelbergse Catechismus – is nodig om in begripsmatig opzicht onderscheid te maken tussen wat goed en kwaad is. Discretie noemt Schilder dat en hij ontleent deze term aan artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Discretie is nodig om de inhoud van het kerkelijk geloof en de kerkelijke belijdenis te kunnen onderscheiden van die van secten en ongelovigen. De publicatie van dit commentaar op deze catechismus staat in het teken van dit onderscheid maken, deze discretie.

Ook als het gaat om troost – de inzet van de Heidelbergse Catechismus – is deze discretie nodig, vindt Schilder. Dat lijkt een vreemde gedachte, want troost lijkt toch eerst iets van het gemoed en discretie lijkt meer iets van het verstand te zijn. Troost is echter meer dan een in het gemoed geraakt zijn. Om troost te kunnen ontdekken is het ook nodig om met het verstand onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet.

De gedachte dat troost vooral iets van het gemoed is, heeft voor Schilder iets positiefs: door dit bezwaar in te brengen, laat men zien dat men niet vatbaar is voor het rationalisme. Het rationalisme is een doorgeschoten gebruik van het verstand. In het rationalisme wordt de menselijke rede als enige kenbron gezien (en heeft de openbaring geen enkele mogelijkheid om een rol te spelen in het opdoen van kennis). Het probleem van dit rationalisme is voor Schilder dat het zich losgemaakt heeft van God en autonoom wil zijn ten opzichte van God.

In verzet tegen het rationalisme moet men echter niet doorschieten in het andere uiterste, waarbij het verstand buiten werking wordt gesteld en de menselijke rede geen enkele rol mag spelen. De rede blijft nodig om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar is en wat niet. Volgens Ursinus is er om troost te kunnen ontdekken consideratie en ratiocinatie nodig. Consideratie betekent (aandachtige) overweging. Ratiocinatie betekent sluitrede, syllogisme. Ratiocinatie – een sluitrede, een syllogisme dus – maakt gebruik van wat reeds voorhanden is. Een sluitrede verzint die gegevens niet zelf; die gegevens zijn er al. Net zoals de posten debet en credit niet door een boekhouder (ratiocinatie) verzonnen zijn, maar reeds voorhanden zijn. Ratiocinatie is geen rationalisme, maar gaat de confrontatie aan tussen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van het geloof en die van het ongeloof. Deze twee werkelijkheden bestaan. Met discretie worden deze twee werkelijkheden tegen elkaar afgewogen.

Een voorbeeld van zo’n discretie met behulp van een syllogisme kunnen we vinden in Prediker 7:25 en 27. In zijn eerste periode maakte hij zijn afwegingen op basis van zijn eigen ervaringen. In zijn tweede periode maakte hij zijn afwegingen op basis van Gods openbaringswoord. De eerste afweging stond in dienst van de zonde. De tweede afweging stond in dienst van God. Het tweede gebruik is goed gebruik van het syllogisme.

Het christelijk geloof dat gebaseerd is op Gods openbaringswoord heeft meer kennis dan de filosofie die gebaseerd is op menselijke ervaring en afweging. Filosofie kent niet de wet van God, die de menselijke ellende aanwijst. Filosofie heeft ook geen weet van het evangelie en kan daarom geen troost bieden. Omdat de kerk wel én de wet én het evangelie heeft, kan de kerk wel troost aanbieden. Dit verschil tussen filosofie (gestoeld op menselijke ervaring en gedachten) en kerkelijke belijdenis (gestoeld op Gods openbaringswoord) mag niet uit het oog worden verloren. Er is een christelijke logica nodig (zoals D.H.Th. Vollenhoven voorstelde); algemene logica houdt geen rekening met de zondeval.

Ursinus, degene die het meest heeft bijgedragen aan de Heidelbergse Catechismus, gaat van dit onderscheid tussen filofosie en kerkelijke belijdenis uit. Schilder kan niet in alles Ursinus volgen. Hij vindt dat Ursinus een onderscheid zou moeten maken tussen natuurlijke theologie en openbaring. Hij valt daar Ursinus niet te hard op aan, omdat de gereformeerde theologie in die tijd nog in de kinderschoenen staat en niet alle onderscheidingen al helder heeft. Kuyper heeft Ursinus op dit punt terecht gecorrigeerd in zijn E Voto dordraceno. Alleen voerde hij weer een verkeerde visie in: de algemene genade (gemeene gratie). Zie: hier.

Mogelijk heeft Ursinus gedacht aan De troost van de filosofie van Boëthius. Er zijn behoorlijke verschillen tussen de Catechismus en dit werk van Boëthius. Boëthius schreef voor geleerde mensen; de Catechismus is voor gewone mensen, werklui, kinderen bedoeld. Boëthius gaf de heidense filosofen teveel stem; de Catechismus ontzegde die ruimte terecht aan de heidense filosofen. Boëthius maakt een onderscheid tussen theorie en praktijk. Theorie is contemplatie en de praktijk is het actieve, concrete leven. Bij dat onderscheid is de contemplatie belangrijker dan het actieve, concrete leven. De Heidelbergse Catechismus maakt dat onderscheid niet en ziet theorie en praktijk gelijkwaardig. Theorie en praktijk staan in elkaars dienst en helpen elkaar. Discretie tussen filosofie, gestoeld op heidense kennis, en christelijk geloof, gestoeld op geopenbaarde kennis, is niet alleen noodzakelijk, maar heeft ook betekenis voor het actieve, concrete leven.

N.a.v. dr. K. Schilder, De Heidelbergsche Catechismus, deel I (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949) 1-14 (§ 1)

Preek zondagavond 7 mei 2017

Preek zondagavond 7 mei 2017
Psalm 139:6-12 + 1 Petrus 3:17-4:6
Heidelberger Catechismus vraag & antwoord 44
Thema: Nedergedaald ter helle

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Kerk heeft nu meer dan ooit de roeping om te belijden
tot haar troost en kracht: Nedergedaald ter helle.

Het zijn woorden die midden in de oorlog worden geschreven
door Gerrit Cornelis van Niftrik.
Deze predikant uit Rijnsburg – later zal hij hoogleraar worden –
was gevraagd om materiaal te schrijven voor godsdienstonderwijs op wat nu de pabo is.
Doordat hij ‘s avonds na 8 uur niet meer op straat kan komen,
heeft hij tijd om het boek uit te werken.
De oorlog gaat niet langs hem heen.
De woorden vóór de zin waarmee ik de preek begon, laten dat ook zien:

Hier wordt de hel óók openbaar. De hel middenin het moderne leven. En wij zouden er ongelukkig aan toe zijn als wij niet konden belijden, dat Christus in die hel is nedergedaald. Wellicht dat ge nu iets gaat beseffen van de actualiteit van dit deel der belijdenis. Wij hebben een oorlog meegemaakt… Steden zijn tot puin geworden … miljoenen zijn gedood … een hel van verschrikking is over ons losgebarsten. De Kerk heeft nu meer dan ooit de roeping om te belijden tot haar troost en kracht: Nedergedaald ter helle.

De woorden uit de oorlog geven aan,
dat hoe vreemd de belijdenis ook mag zijn dat Christus ook is neergedaald tot in de hel,
er juist in deze belijdenis een intense troost te vinden is
in een intense tijd, waarin veel ingrijpende dingen gebeuren,

zo ingrijpend dat je je kunt afvragen of God alles nog wel in Zijn hand heeft.
De oorlog van 1940-1945 werd zo’n tijd:
de dreiging van razzia’s en concentratiekampen, de beschietingen door vliegtuigen,
de hongerwinter, de dreiging van oorlog.
En steeds weer opnieuw zijn er gebieden op deze wereld,
waar het misschien nog wel heftiger is dan toen hier in de oorlog,
Waar het een hel op aarde is door de dictatuur, door het geweld dat er is.

Soms kun je in je eigen leven zo diep gaan,
Dat je van jezelf denkt: wat blijft er van mij nog over?
Ben ik in alle ellende die mij overkomt, nog wel bereikbaar voor God?
Weet Hij mij hier te vinden?
Of ga ik nu zo diep, dat ik voor God onbereikbaar geworden ben?
We belijden tot onze troost en kracht, dat Christus nederdaalde in de hel.
Dat zelfs als ik het idee heb, dat ik voor God onbereikbaar ben omdat ik zo diep ga
En voor mijn idee voor niemand meer bereikbaar ben, zelfs voor God niet,
dat we dan nog steeds belijden: Christus is ook hier geweest, neergedaald in de hel.
Al legde ik mij neer in de hel, ook daar bent U.

Al zei ik dat de duisternis mij mag opslokken, dan is de nacht licht om mij heen.
Nooit zijn we onbereikbaar meer voor God,

omdat Christus neerdaalde, zelfs tot in de hel.


De belijdenis dat Christus neerdaalde in de hel
is opgenomen in de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Bij de Apostolische Geloofsbelijdenis gaat het er niet om
dat deze belijdenis is geformuleerd en opgesteld door de apostelen.
Deze belijdenis is oorspronkelijk ontstaan vanuit de belijdenis, die klonk bij de doop
als mensen tot geloof komen en de overstap maken naar het nieuwe geloof, in Christus
en als teken daarvan zich laten dopen.
De allereerste belijdenis is dat Jezus Heer is: Hij is de Heer van mijn leven.
Hij regeert over hemel en aarde en ook over mijn leven.
Steeds komt er een stukje belijdenis bij: bijvoorbeeld dat God de schepper is,
een toevoeging die erbij komt als in de cultuur een grote groep mensen
die niet kan geloven dat God deze aarde geschapen heeft.
Aan de belijdenis wordt toegevoegd dat Christus geleden heeft en begraven is, opgestaan.
Uiteindelijk komt er, als een van de laatste toevoegingen erbij,
dat Christus niet alleen geleden en gestorven is, maar ook neerdaalde in de hel.
Dan zijn we in de 4e eeuw.
De christenen hebben vervolgingen meegemaakt, heftige vervolgingen,
Waarbij een deel van de christenen in de arena voor de leeuwen gegooid werd
en ook een deel de druk niet aankon en toch het geloof vaarwel zei
om het leven niet te verliezen.
Waarom de regel over het neerdalen tot in de hel toegevoegd wordt aan de belijdenis
is onduidelijk, maar blijkbaar is er wel behoefte om iets eraan toe te voegen
en is het niet genoeg om te spreken over het sterven aan het kruis en de begrafenis.
Het zou goed kunnen dat deze belijdenis – nedergedaald ter helle –
wil aangeven wat de reikwijdte is van het kruis waaraan Christus stierf
en om aan te geven wat het betekende dat Jezus daar na het kruis in het graf verbleef.
Dat kruis was geen nederlaag, maar aan het kruis werd de satan verslagen
en elke macht, die tegen zich tegen God verzet
en dus ook elke macht die de mensen van God vervolgt, is door Christus verslagen.
De macht die het Romeinse Rijk liet zien in de vervolging:
het is maar een beperkte macht – Christus is sterker, Hij is heer,
Zelfs Heer in het terrein van de duivel, de hel.

Is het de hel of het rijk van de dood?
Beide versies van deze regel zijn in omloop.
Toen ik hier net predikant was, vroeg Jan van de Poll om bij begrafenissen aan het graf
de geloofsbelijdenis uit te spreken, om daar aan het graf te belijden
dat de dood is overwonnen door onze Heer.
In het begin gebruikte ik steeds de versie van ‘neergedaald ter helle’,
maar na een tijdje en zeker bij een begrafenis waarin veel mensen niet zo kerkelijk waren
verving ik de regel door die anderen: nedergedaald in het rijk van de dood.
De hel is zo’n scherp woord, te scherp wellicht voor bij het graf.
Toch merkte ik dat het voelde als een afzwakking:
de hel is wel een realiteit en al noem ik dat niet, ik kan het niet wegnemen.
Toen ik weer overstapte op die andere belijdenis: neergedaald tot in de hel
merkte ik dat die belijdenis toch iets extra’s heeft.
Hoe diep wij ook dalen, zelfs in de hel, zijn we bereikbaar voor onze Heer.
Het is wellicht een krasse formulering, maar soms heb je zo’n sterke formulering nodig,
dat staande aan het graf we belijden,
dat zowel de macht van de dood als de macht van de hel zijn verslagen.

Ook het graf is geen nederlaag, waar Christus uiteindelijk zich toch gewonnen moest geven
aan een macht die sterker is dan Hij, bijvoorbeeld de dood, of toch de duivel.
Nee, terwijl Hij in het graf was, begraven, liet Hij daar in het rijk van de dood, in de hel,
Zijn macht gelden en konden ook die machten niet tegen Hem op.
Veel mensen in het Romeinse Rijk geloofden in de macht, die de dood had.
De god die heerste in het dodenrijk, Hades, liet nooit iemand gaan.
Er zijn allerlei verhalen over bij de Grieken en Romeinen.
Een van die verhalen gaat over Orpheus, die zijn geliefde Eurykide uit het dodenrijk wil halen.
Het is een gedurfde poging, want Hades laat niemand gaan.
Orpheus is echter zo wanhopig en intens verdrietig, dat hij zijn geliefde niet kan loslaten.
Geraakt door het intense verdriet krijgt hij de mogelijkheid om zijn geliefde op te halen.
Onder één voorwaarde: hij mag op weg niet achterom kijken of zijn geliefde volgt.
Steeds vraagt Orpheus of Eurykide hem volgt, maar ze zegt niets.

Tot hij het niet meer kan uithouden en vlak voor het einde kijkt hij om
en moet haar toch weer achterlaten en mag haar niet meenemen.
Er zijn verhalen bij Grieken en ook bij Egyptenaren, waarbij iemand na een tijdje
toch weer terug moet naar het dodenrijk. Niemand kan voorgoed terugkeren.
Tegen de achtergrond van die verhalen zegt de Bijbel
dat Christus de macht over de dood heeft en ook de sleutels van het rijk van de dood
en in staat is om dat rijk te openen.
Nadat Hij gestorven is daalde Christus niet naar dit rijk af omdat Hij toch de nederlaag leed
en ook niet om solidair te zijn met al degenen die overleden zijn,
maar om daar, in het hol van de leeuw, aan de duivel en aan de dood te laten weten

wie de macht heeft in de hemel en op aarde en ook over de hel.
Nedergedaald ter helle, dat betekent niets minder dan dat God neerdaalt
op de plek waar de satan woont om hem daar in zijn eigen gebied aan te kondigen
dat zijn macht voorbij is en dat er een dag aanbreekt,
dat hij al degenen die hij nu gevangen heeft zal moeten laten gaan.
Nedergedaald ter helle – betekent: er is geen enkel gebied waar Gods macht niet geldt.

Er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht.
Aan zijn rijk zal geen einde komen – zegt een andere belijdenis.
Er is geen grens in tijd, geen beperking in ruimte. In heel het universum.
Zelfs de hel valt onder de macht van God
en ook de duivel is niet in staat om tegen Christus te zeggen
dat hij Hem niet in de hel wil hebben.
Ook niet de grens die de duivel wil stellen, ook hij zal zich gewonnen moeten geven
En ook voor hem zal er een dag aanbreken, dat hij, samen met ieder ander
de knie zal moeten buigen als Christus terugkomt.
Neergedaald in de hel – Gods vijanden zijn verslagen.
God is naar de hel gegaan. En dat was nodig, want daar bevonden zich veel mensen en daar bevond zich de brandhaard van het kwaad. (dr. A. van de Beek)

Er zijn niet veel teksten om deze belijdenis te onderbouwen
en één van die teksten, de tekst uit 1 PEtrus 3:19 is zo’n ingewikkelde tekst,
Dat je er voorzichtig mee moet zijn.
De tekst in PEtrus staat in het kader van lijden waar de gelovigen mee te maken hebben
omdat ze in Christus geloven; ze lijden vanwege Christus.
Dat roept vragen op: als Christus dan Heer is en over alles regeert,
waarom moeten wij dan lijden? Waarom krijgen wij met spot en vervolging te maken?
Is het dan zo dat Christus toch niet Heer over alles is
zijn goden waar we afscheid van genomen hebben, is de keizer in Rome dan toch sterker?
Hebben we wel de goede keuze gemaakt, of zitten we mis
en blijkt Christus helemaal geen Heer te zijn?

Wat Petrus in zijn brief doet, is aandacht vragen voor de manier waarop Christus stierf.
Het was een echte dood, geen schijndood, echt ook begraven en echt ook in de dood.
Maar de machten die Hem dood wilden hebben, konden Hem niet houden.
Zijn lichaam stierf, wat betreft zijn lichaam, zijn aardse bestaan,
en toch was dat het einde niet en kwam er zelfs een nieuw bestaan,

voor Christus zelf en voor degenen die in Hem geloven.
Hoewel Christus echt dood was, echt gestorven, kreeg de dood geen vat op Hem.
Christus daalde neer, waar de geesten waren in de gevangenis
– wat Petrus daarmee bedoelde zijn verschillende versies van gekomen.
Het zouden de aartsvaders geweest zijn, die Christus nog niet hadden gezien,
maar Hem wel hadden verwacht.
Het zouden juist degenen zijn geweest die niet geloofden
en daardoor de ark van Noach niet wilden binnengaan.
Het zouden ook de geesten kunnen zijn, die ongeloof werkten
en daardoor de mensen in de tijd van Noach influisterden om niet naar Noach te luisteren.
Dat zouden dan ook de geesten zijn, handlangers van de duivel,
die in de tijd van het Romeinse Rijk de keizer en andere toonaangevende mensen
zover kregen om de kerk te vervolgen
en een bepaalde invloed en macht over mensen hebben.
Hoe invloedrijk die geesten ook kunnen zijn, de handlangers van de duivel,
Ze winnen het niet, ze krijgen van Christus te horen, op hun eigen terrein,
in het hol van de leeuw, dat hun tijd voorbij is en hun macht gebroken
en dat de macht die ze hebben alleen maar hen door God wordt toegestaan.
Niet zij stellen de grens voor de macht van God,
maar God bakent hun macht af en stelt een grens.
Nedergedaald in de hel – dat is de eerste stap waarop Christus weer omhoog gaat,
na de vernedering aan het kruis, een vernedering dat al begon
toen Christus uit de hemel kwam en mens werd om op aarde te lijden en te sterven,
Een weg naar beneden, van afgebroken worden,
maar waar je zou verwachten dat de weg niet dieper zou kunnen gaan,
gaat Christus wel dieper, maar dan als overwinnaar: de duivel is verslagen en onttroond
en hij krijgt het te horen op eigen terrein.

Na zijn dood, als alles volbracht is, kan Jezus als bevrijder van het eigen domein van het kwaad binnengaan en de verlossing verkondigen van hen die onder de macht van de duivel gevangen zaten. Het is de eerste plek waar Pasen gevierd wordt. Net als bij de komst van Jezus in de wereld de demonen de eersten waren die Hem erkenden als de Heilige Gods, zo is na zijn volbrachte werk het rijk van het kwaad het eerste dat het bericht van Jezus’ overwinning hoort. Hij komt de boodschap er persoonlijk brengen. Want het is zijn domein en niet dat van een andere God, net als het hout van het kruis dat door Hem geschapen is.

Nu hebben we in deze dienst ook iets gelezen uit de Heidelberger Catechismus.
Waarom volgt daar: nedergedaald ter helle?

Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

De catechismus volgt hier Calvijn na, die de volgorde van de belijdenis omkeert
en het neerdalen in de hel niet niet koppelt aan het graf, maar aan het kruis
En ook al eerder in de hof van Gethsemané.
Daar in de hof en aan het kruis, daar gaat Christus de hel in,
omdat Hij daar aan het kruis door God verlaten wordt:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?
Neergedaald in de hel – dat is voor Calvijn, dat Christus het volledige oordeel van God draagt
aan het kruis en daar aan het kruis door God wordt verworpen – in onze plaats.
– zodat wij kunnen worden aangenomen.
Neergedaald in de hel – dat is niet de eerste stap van de verhoging, maar de laagste trap,
zo diep is Christus gegaan voor ons – Hij stapte de totale godverlatenheid in,
zodat wij nimmermeer door God verlaten zouden worden.
Calvijn had er verschillende redenen voor:
Allereerst dat Christus aan het kruis riep: het is volbracht.
Dan hoeft er in het graf nog niet iets extra’s te gebeuren, geen extra overwinning.
De overwinning is al aan het kruis behaald, daar werd de duivel verslagen.
Een tweede reden was dat mensen hier op aarde allerlei speculaties kregen over
wat er met geliefden gebeurt na de dood.
Dan zou je een vagevuur nodig hebben, waar mensen zouden moeten wachten
tot hun volkomen redding of op hun gang richting de hel
en dat zou een mogelijkheid geven om na de dood nog een andere bestemming te krijgen.
Nu geloof ik dat God inderdaad zo machtig is, dat Hij ook die andere bestemming kan geven.
Maar God vraagt ook in dit leven Zijn liefde te beamen en ons gewonnen te geven.

De “Nederdaling ter helle”is een zeer wezenlijk en ten volle doorworstelen van het lijden der helle geweest, een uitdrinken van meer dan den tijdelijken dood, ja een sterven van den eeuwigen dood, in de klare verlatenheid van God. Het was een lijden, dat den Christus dreigde heel zijn aanzijn op aarde door, en dat het eerst met de Opstanding uit het graf geheel wierd afgesneden. Alzoo is het een wezenlijk stuk onzer zaligheid, omdat zonder deze nederdaling ter helle de eeuwige dood en het lijden der helle nog voor onze rekening zou liggen. (Kuyper)

Maakt het veel verschil?
Dat is maar de vraag:
De overeenkomst is dat God bij elke stap die Christus deed, de regie had.
Ook op de allerlaagste trap in de vernedering liep het Hem niet uit de hand,
de laagste trap van de vernedering is tegelijkertijd de eerste stap van de verhoging
op weg naar dat eeuwige koningschap, op het diepst, daar regeert God ook.
Hoe we die belijdenis exact invullen, of we het nu verbinden aan het kruis of aan het graf,
het gaat om hoe diep Christus is gegaan: in het rijk van de dood, in de hel,
Voor ons, te laten zien, hoe definitief zijn macht is
en dat de macht van al zijn tegenstanders definitief is verbroken, Christus triomfeert.
JEzus Christus, triomfator, mijn verlosser, middelaar
En dat geeft ook de Catechismus aan: ik heb troost en houvast,
hoe diep ik ook door een crisis moet gaan en welke intense aanvechtingen er ook zijn.
Daarom hoeven we voor niets en niemand bang te zijn,
zelfs niet voor degenen die ons lichaam kunnen doden.

Diezelfde Christus daalde af in de hel en stond waarlijk op, op de derde dag; vervolgens steeg Hij op naar de hemel, opdat Hij aan de rechterzijde van de Vader zou zitten, een eeuwig zou regeren en heersen over alle schepselen. Hij zal degenen die in Hem geloven heiligen, door in hun hart de Heilige Geest te zenden, die hen regeert, troost en levend maakt, en hen beschermt tegen de duivel en de kracht van de zonde.
(Augsburgse Confessie)

Practisch beteekent het artikel over de hellevaart van Christus voor ons de zekerheid, dat Christus in alle aanvechting en leed, ook in de hel van de oorlog en verschrikking, niet verre van ons maar bij ons is als Triomfator, die heeft overwonnen. Dood en hel zijn Zijn verwonnelingen. (Van Niftrik!)

Geen aardse macht begeren wij,

die gaat welras verloren.

Ons staat de sterke Held ter zij,

die God ons heeft verkoren.

Vraagt gij zijn naam? Zo weet,

dat Hij de Christus heet,

Gods eengeboren Zoon,

verwinnaar op de troon:

de zeeg’ is ons beschoren!

Amen

Boeiende introductie in de gereformeerde theologie

Boeiende introductie in de gereformeerde theologie
N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie (2011)

FILAGO_db2_2471_M_00

In de afgelopen jaren is de gereformeerde theologie volop in de belangstelling komen te staan. Aan de toenemende belangstelling zullen het Calvijnjaar (2009) en het jubileum van de Heidelberger Catechismus hebben bijgedragen. In de afgelopen tijd is een aantal boeiende boeken verschenen, waardoor de gereformeerde theologie weer op de kaart staat.

Een voorbeeld hiervan is het mooie boek van Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung – in 2011 uitgegeven bij Neukirchener Verlagsgesellschaft. Freudenberg promoveerde in 1997 op de vraag hoe de jonge Barth omging met de reformatoren Calvijn en Zwingli en is sindsdien betrokken bij de heruitgave van de werken van Zwingli, Calvijn en Barth. Vanuit die kennis schreef hij een boeiende introductie in de gereformeerde theologie.

In het eerste hoofdstuk wijst Freudenberg erop dat de vraag: “Wat is gereformeerd?” vooral opkomt in crisistijd, als gereformeerden niet meer weten waar ze voor staan. Gereformeerd is de afkorting van een langere zin: de kerk die gereformeerd wordt door naar Gods Woord te luisteren. Hierbij zou men kunnen aantekenen, dat juist ook in tijden van een jubileum de gereformeerde theologie onder de aandacht wordt gebracht. (Maar dat zou juist kunnen duiden op een crisis: we noemen ons wel gereformeerd, maar weten eigenlijk niet meer waar we voor staan.)

Het boek is opgebouwd uit 3 delen: begin – thema’s – ontwikkelingen. In het eerste deel schetst hij op een sympathieke wijze de persoon en de theologie van Zwingli, Bullinger en Calvijn en laat hij iets van de context zien van de tijd waarin een aantal bekende belijdenisgeschriften zijn ontstaan.
In het tweede deel gaat hij een aantal thema’s langs, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde theologie. In die hoofdstukken steeds op dezelfde manier het thema langs: (a) themazetting, (b) weergave van dit thema bij Calvijn en bij belijdenisgeschriften, zoals de Heidelberger of de Geneefse Catechismus, (c) latere ontwikkelingen in de tijd van de gereformeerde orthodoxie, (d) de herinterpretatie van het thema door Barth.

Thema’s die aan de orde komen:
– de betekenis van de Schrift als het spreken van God
– het geloof op een publieke wijze belijden (belang van belijdenisgeschriften)
– het belang van de catechismi voor het kennen en vertrouwen van God en voor een levenswandel in dankbaarheid aan God.
– Schepping, voorzienigheid en bewaring van Gods kinderen in een tijd van aanvechting
– het belang van het verbond
– Jezus Christus als koning, profeet en priester en de betekenis van voor het leven als christen.
– Uitverkiezing
– Leven uit dankbaarheid: de Heilige Geest, de heiliging en het naleven van de geboden
– Vrijheid
– de kerk als plaats waar Gods goedheid wordt ervaren, de eredienst en de traditie van het zingen van de psalmen
– doop en avondmaal als teken en zegel
– de betekenis van het beeldverbod
– als christen leven in een wereld die nog niet is verlost: thema van kerk en staat
– elkaar als mensen ontmoeten: sociale en economische ethiek

In het derde deel schetst Freudenberg de latere ontwikkelingen aan de hand van Melanchton, Karl Barth, Alfred de Quervain en Barmen.

Een mooie introductie, waarbij elk hoofdstuk uit 20-30 pagina’s bestaat. Een prima omvang om elke dag een hoofdstuk te lezen of bij de preekvoorbereiding even kort de gereformeerde inzet bij bij een thema mee te nemen. Ook al zijn we enkele jaren verder – nog steeds een aanrader.

N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung (Neukirchen-Vluyn, 2011).

Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen

Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen
Georg Plasger over de Heidelberger Catechismus – deel 5

Door de zonde is de relatie met de Heere gebroken. Daardoor is de mens van God losgeraakt en vervreemd geraakt van God.
Gelukkig kan de Heidelberger Catechismus ook – in navolging van de Schrift – uitleggen hoe de relatie, die verbroken is, weer kan worden hersteld. De Catechismus wijst daarbij op het sterven van de Heere Jezus aan het kruis. Door Zijn sterven kan de zonde vergeven worden.

Moeite
Deze boodschap is een geweldige boodschap voor degenen die gelovigen. Toch roept deze boodschap ook een aantal serieuze vragen op. En die vragen raken ook de manier waarop de Catechismus spreekt over het sterven van de Heere Jezus.
In deze tijd is er steeds meer moeite met de betekenis van dat sterven zoals de Catechismus daaraan geeft. Moeite met de gedachte dat de Heere Jezus in onze plaats moest sterven. Kan iemand wel mijn schuld wegdragen? En vooral: past toorn wel bij Gods barmhartigheid en liefde? Past het wel bij God dat Hij de straf laat dragen door de onschuldige Jezus?

Rechtvaardigheid
De Catechismus kent deze vragen ook en wil ze ook beantwoorden. Is God dan niet barmhartig? Dat is vraag 11. Het antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God twee kanten heeft: een liefdevolle, barmhartige kant en een strenge, rechtvaardige kant. Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid horen bij elkaar. Ze kunnen niet van elkaar losgemaakt worden. Hoe zit het met Gods rechtvaardigheid?

Vrouwe Justitia
Bij rechtbanken is vaak het beeld te vinden van vrouwe Justitia: een geblinddoekte vrouw met een weegschaal. De weegschaal moet in evenwicht zijn. Er moet een balans zijn. Maar is dat wel een goed beeld voor wat er moet gebeuren tussen God en mens? Want dan zou betekenen dat beide partijen iets in de weegschaal leggen: God iets en wij ook. Als er gesproken wordt over Gods gerechtigheid moeten we daarom niet denken een oplossen van een conflict waarin beide partijen iets toeleggen.

Verbondstrouw
Het woord rechtvaardigheid (of ook wel gerechtigheid) komt niet uit de wereld van de rechtspraak. Het woord komt uit het Oude Testament en kan worden vertaald met: gemeenschapstrouw of verbondstrouw. Als er gezegd wordt dat God rechtvaardig is, wordt daarmee bedoeld dat de Heere trouw is aan Zijn verbond. Dat verbond is verbroken toen de mensen de relatie met de Heere verbraken. Door Zijn gerechtigheid (trouw aan Zijn verbond) wil de Heere die verbroken relatie herstellen. Met als doel: het verbond met Hem te herstellen.

Ernst van de zonde
Zijn gerechtigheid is echter geen barmhartigheid die alles maar goed vindt en al het verkeerde door de vingers ziet. Daarvoor is de zonde als verzet tegen God te ernstig. Dat de zonde zeer ernstig is, klinkt door in zondag 3 en 4 (vraag en antwoord 6 tot en met 11). Daarom kan Zijn rechtvaardigheid niet de zonde zomaar laten passeren. Want daarmee zou de relatie verbroken blijven. De Catechismus laat dan ook zien, dat de Heere er alles aan doet om de zonde en de ernstige gevolgen van de zonde te overwinnen. De Heere doet dat door ons Zijn gerechtigheid te schenken. Dat de relatie, het verbond hersteld wordt, is een gift van de Heere.

Straf
Hoe zit dat dan met de straf? De Catechismus spreekt toch over toorn over de zonde en de straf op de zonde? Zie antwoord 10: de Heere straft door een rechtvaardig oordeel nu en eeuwig. De straf op de zonde is dat de mens van God is losgeraakt. De eeuwige straf is dat de mens voor eeuwig van God los is, een bestaan zonder relatie met de Heere. Dat mag voor mensen die geen relatie hebben met de Heere niet iets ingrijpends te zijn. Voor de gelovige is dat het verschrikkelijkste wat er denkbaar is: een verbroken relatie die nooit meer hersteld kan worden.

Toorn
Van belang is het om te zien hoe de toorn en de straf van God werkt. Bij toorn gaat het er niet om dat God iets kwijt moet. Het gaat er niet om dat Zijn toorn of woede gestild wordt en dat Hij Zijn woede en toorn kwijtraakt door dat op Jezus te verhalen. Nee, God moet niet veranderd worden. Wij mensen, wij zondaars moeten veranderen. Aan onze kant moet het gebeuren: wij moeten weer met God verbonden worden.

Middelaar
Alleen kunnen wij dat niet zelf. Er is iemand nodig die de verbinding herstelt. Er is – om met een ouder woord te spreken – een middelaar nodig: iemand die de zondaar terugbrengt en weer in relatie brengt tot de Heere. Die middelaar is Jezus Christus: echt en helemaal God en echt en helemaal mens.
Dat kan ook niet anders. Geen enkel schepsel is in staat om de last van Gods eeuwige toorn tegen de zonde te dragen en anderen daarvan te verlossen (antwoord 14). Geen enkel schepsel is in staat om de verbroken relatie te herstellen. Geen enkel schepsel is in staat om ervoor te zorgen dat de zondige mens weer opgenomen wordt in het verbond.

Verbondenheid
Dat kan alleen God Zelf en dat doet Hij gelukkig ook en daarin ligt onze redding. De Heere verbindt zondaars aan Zich door mens te worden en onze straf weg te dragen. God schenkt ons een relatie met Hem door Zelf in de verlorenheid af te dalen. Er vindt een ruil plaats: Christus nam aan het kruis onze plaats in, waar we zonder God waren en waar we verloren waren. Om daarmee te schenken wat Hij heeft: intense verbondenheid met de Heere.

In Gods barmhartigheid en in Gods rechtvaardigheid gaat het beide om het herstel, om terugbrengen: herstel van een verbroken relatie en het terugbrengen van ons in Gods gemeenschap.

N.a.v. Georg Plasger – ‘Gerechtigkeit – oder: Gottes Weg der Erlösung’, in: Idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 70-84

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Margriet krijgt te horen dat zij ernstig ziek is. Het is een bericht dat haar overrompelt. Al voelde ze wel dat er iets aan de hand was, dit had ze niet verwacht. Er gaat van alles door haar heen. Vragen als: had dit niet eerder ontdekt kunnen worden? Wat staat mij te wachten? Hoe lang heb ik nog te leven? Het bericht maakt haar ook verslagen. Maar er is ook nog een diepe wens om zo lang mogelijk door te leven. Voor haar man, voor de kinderen, de kleinkinderen. Ze klampt zich vast aan de behandelingen. Al wordt ze door die behandelingen nog zieker dan ze al is. Bij alles wat haar overkomt lukt het haar ook niet meer om te bidden. Want welke woorden moet ze nog gebruiken? Het lukt haar ook niet om troost te vinden in het geloof. Als het bezoek het gesprek op het geloof wil brengen of op de toekomst die haar te wachten staat, gaat zij daar niet op in. Margriet kan en wil daar niet over praten. Ze wil leven! De kuur is zwaar en ingrijpend, maar na verloop van tijd lijkt te kuur toch aan te slaan. Ze kan weer van bed af, af en toe wat in de tuin doen en zelfs af en toe op stap naar de winkel. Dan komt er de tegenslag: de ziekte is in hevigere mate teruggekomen. Ze krijgt de vraag of ze nog een keer een behandeling wil. Aan de ene kant twijfelt ze: de kuur zal haar nog zieker maken dan ze is en veel extra levensverwachting wordt er niet geboden. Ze zal hooguit nog een maand leven. Maar ze wil blijven leven! Voor haar man, voor de kinderen en kleinkinderen. Ze kan nog geen afscheid nemen van het leven. Ze besluit toch om de behandeling te ondergaan. Halverwege moet zij de behandeling afbreken, omdat het haar veel te zwaar valt. Ze kan het echt niet meer aan. Een grote teleurstelling. De mensen om haar heen houden hun hart vast: Hoe zal zij omgaan met deze grote tegenslag? Dan gebeurt het onverwachte, wat niemand in haar omgeving nog op had gerekend. Terwijl zij geen enkele hoop meer had dat het nog beter zou gaan met haar en het echt duidelijk was dat haar einde naderde, kwam zij bij God uit. Ze herinnerde zich hoe zij als jong meisje een preek had gehoord over Deuteronomium 33:27a: De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Daarin vond zij haar houvast en er kwam een rust over haar. Vredig en vol vertrouwen op God stierf zij.

Wat is uw enige troost in leven en sterven? Hebt u daar al een antwoord op? Het is immers een vraag die voor u niet vreemd hoeft te zijn? U hebt deze vraag inclusief het antwoord vroeger vast wel uit uw hoofd moeten leren voor school of voor catechisatie. Deze vraag is vaak langsgekomen wanneer een predikant een begin maakte met een prekenserie over de Heidelberger Catechismus. Daarnaast zult u allemaal wel ingrijpende gebeurtenissen in uw leven gehad hebben, waardoor u wel over deze vraag na moest denken. Omdat een moeder die heel dierbaar was overleed. Of een echtgenoot. Een kind. Of een broer of zus. Dat zijn momenten waarop deze vraag op u af kan komen: Wat als dat met mij zou gebeuren? Welke troost heb ik dan?

Het is een bekende vraag. Zo bekend, dat als ik aan u zou vragen: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat u vast denkt: ‘Ja, ik weet wel waar dat vandaan komt. Dat kan niet missen! Dat is zondag 1.’ Ik ben benieuwd of u ook het antwoord weet dat de catechismus geeft. Of geldt voor het antwoord hetzelfde als wat over alle belijdenisgeschriften gezegd wordt: veel geprezen, maar weinig gelezen?
En dan ben ik niet alleen benieuwd of u het antwoord kunt opzeggen, maar of dat antwoord u ook helpt om voor uzelf een antwoord te vinden op die vraag naar de enige troost in leven en sterven. Want de catechismus is niet alleen gegeven om de juiste leer aan te leren, maar om in uw eigen leven met de Heere te leven.

Ik wil met u uitgebreider nadenken over het antwoord dat in de Catechismus gegeven wordt. Allereerst het woord ‘troost’. Vandaag de dag heeft dat woord een andere betekenis dan 450 jaar geleden toen de catechismus werd opgesteld. Vandaag heeft troost vooral te maken met verdriet of teleurstelling. Troost betekent dat iemand je probeert op te beuren. In de vraag van de Catechismus gaat het om meer: om houvast, om zekerheid.

Ik neem u mee naar de tijd waarin de catechismus is ontstaan. Het is 1563, 5 jaar voor het uitbreken van de 80jarige oorlog. Voor de gelovigen die de kant van de Reformatie hebben gekozen is het leven niet gemakkelijk. Ze zijn in hun eigen plaats hun leven niet zeker. Vaak zijn ze ook verbannen en mogen ze niet terugkeren naar de plaats waar zij vandaan komen. De gelovigen moesten wegvluchten naar Londen, naar plaatsen in Duitsland. Op verscheidene plaatsen waren gemeenten ontstaan van Nederlandse vluchtelingen. Hun toekomst was hoogst onzeker. Ze hadden hun bezittingen verloren. Ze waren vreemdelingen elders en ze wisten niet hoe het anders zou zijn. Dan is de vraag die de Catechismus stelt een heel mooie vraag. De vraag is: Wat is je houvast in leven en sterven – nu je bijna alles op aarde kwijt bent? Wat heb je dan nog? Wat geeft je de moed om verder te leven? Wat geeft je zekerheid nu je niets meer hebt?

Die zekerheid en houvast betreft niet alleen het naderend einde. Dat is natuurlijk ook van groot belang. De Catechismus gaat ervan dat er één zekerheid is die wij hebben. Die zekerheid is er bij de naderende dood en het uitzicht na de dood. Diezelfde zekerheid is er ook in het leven. Als u zegt: ik kán sterven, dan kunt u ook leven. Dan hebt u ook zekerheid in het aardse leven. Zekerheid als er tegenslagen komen, als er ziekte komt, een verkiezingsuitslag. En omgekeerd – als u zegt: ‘Ik heb een goed leven, een leven dat zinvol is’, zou dat ook moeten inhouden dat u kunt sterven. De Catechismus zegt: we kunnen hierin geen onderscheid maken. Daarin is de Catechismus niet uniek. In heel de christelijke traditie wordt gezegd: Wie kan sterven, kan ook leven. Wie een gelukkig leven wil hebben, dient zich rekenschap van te geven dat er eens de dood als einde is. En nog een stap verder: dient er rekening mee te houden dat er eens een moment komt, waarop we voor God zullen staan en aan Hem rekenschap afleggen over het leven. Het leven hebben wij van Hem gekregen – als geschenk. De vraag zal zijn hoe wij daar mee omgegaan zijn. Wie God kan ontmoeten, kan sterven. Wie God kan ontmoeten, heeft houvast in het aardse leven. Ook als er tegenslagen zijn als geldgebrek, zorgen.

Wat is die zekerheid, die troost, houvast dan? Dat ik met ziel en lichaam, zowel in leven en sterven, niet mijzelf toebehoor, maar eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Ik ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hem behoor ik toe. Dat is mijn houvast en ook uw houvast. Op de achtergrond horen wij de tekst uit Filippenzen 1: het leven is mij Christus, het sterven winst. Dat mijn leven van Christus is, dat is die zekerheid die ik nodig heb. Om te kunnen sterven en voor God te verschijnen, maar ook om te leven hier op deze aarde.
De gelovigen uit de tijd van de Catechismus waren hun leven niet zeker. Zij hadden geen huis meer. Verbannen, gevlucht. Hun huis hadden zij in Christus. Hij was hun toevlucht. Wellicht keken zij daardoor ook des te meer uit naar dat hemels Vaderland. Vandaag de dag moet denk ik des te meer worden gezegd, dat er ook een troost en houvast in het leven nodig is. En dat die troost en houvast is, dat wij van eigendom zijn van Christus.

Die gedachte dat we eigendom van Christus zijn en dat daarin ons geluk ligt, is voor velen vandaag de dag moeilijk te begrijpen. Misschien niet voor u, maar wellicht wel voor uw kinderen of kleinkinderen. Ik kwam erachter toen ik aangesproken werd op deze zin uit deze zondag: ‘Dat eigendom van Christus vind ik maar niks.’ Ik was benieuwd waar dat in zat. Toen kwam het verhaal. Haar relatie was net verbroken. Ze had een aantal jaren samengewoond, maar in die relatie was zij niet gelukkig. Ze had het idee dat zij zichzelf steeds meer kwijtraakte en steeds meer in een gevangenis kwam. Dat haar vriend haar leven ging bepalen. ‘Bij het woord “eigendom” moet ik dan terugdenken aan die relatie.’

Nu zit het niet in het woord. Waar het om gaat, is dat wij pas echt vrij zijn als we gebonden worden aan Christus. Dat wij pas echt mens worden als wij van Christus zijn. Dat wij voor God kunnen verschijnen, kunnen sterven en kunnen leven, als wij van onze getrouwe Heiland Jezus Christus zijn. Heiland. Heiland: Redder, Degene die mij heil schenkt. Er is wat gebeurt. Met Christus en met ons. Christus stierf aan het kruis. Voor Hem was dat verschrikkelijk. Hij zag er tegenop om die weg te gaan. In Gethsemané bad Hij in angst omdat Hij de toorn van God op zich zag afkomen. Omdat Hij al aanvoelde dat Hij door God verlaten zou worden en af zou dalen in de hel.

Van Hem ben ik, zegt de Catechismus ons voor. Van Hem die Zijn leven en Zijn kostbaar bloed gaf. Zijn kostbaar bloed: het zijn ook de woorden die bij het avondmaal worden uitgesproken. Deze beker is het nieuwe testament in Zijn bloed. Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus is vergoten tot volkomen verzoening.

Over elke formulering is nagedacht in de Catechismus: ook over de formulering waarin gesproken wordt over dat bloed. In deze woorden wordt namelijk aangegeven dat de Heere Jezus gestorven is als een offer. Voor onze zonden stierf Hij als een offer. Bij een offer gaat het om leven en dood. De dood van het ene dier geeft leven aan een heel volk. Het kostbaar bloed van Christus wijst naar dat ene offer dat werd gebracht op Golgotha om een heel volk te verzoenen en vrij te kopen. Het is ook voor u gestort, dat bloed van Christus. Ook uw zonden zijn daarmee voldaan. Volkomen voldaan. En u bent vrijgekocht uit de macht van de duivel.
Wanneer iemand zegt: Ik hoef niet van Christus te zijn; ik ben liever van mijzelf – is dat een vergissing. Je kunt niet van jezelf zijn. Je kunt alleen maar van God zijn. Wij zijn niet van onszelf. U bent niet eigenaar over uw eigen leven. Ik niet over de mijne. Ons leven hebben wij in bruikleen gekregen.

Voor ’t leven hebben wij de dood
het lege niets verkozen,
voor vrede vreze, steen voor brood,
voor ’t eeuwig goed de boze.
Wij hebben onze ziel verkocht
van ademtocht tot ademtocht
aan die genadeloze.

En dan zegt de Catechismus tegen ons: je bent vrijgekocht en dat is het houvast dat je hebt in leven en sterven. En je bent niet aan je lot overgelaten, je mag van Christus zijn. Al je zonden zijn voldaan, omdat Christus stierf voor ons. U bent in de hand van Christus! Hij waakt met zoveel zorg over mij!
Omdat Hij niet wil dat we terugvallen, teruggeroofd worden door de genadeloze duivel. Hij waakt met zorg over mij. Wie van Christus wordt, wordt ook van de Vader en wordt ook van de Geest.

Dat gaat niet zonder aanvechting. Een aanvechting is dat wij deze zorg niet altijd zien. Een andere is dat het voor velen niet eenvoudig is hun leven uit handen te geven. Dit houvast, deze troost wordt geschonken. Ligt buiten onszelf.
De Catechismus houdt met deze vraag en dit antwoord ons ook voor dat we het daar – in Christus – moeten zoeken. Wat is uw troost, uw houvast?

Inleiding ouderenmiddag

Zonde – oftewel: is de mens slecht?

Zonde – oftewel: is de mens slecht?
Georg Plasger over ‘geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus’ – deel 4

De mens is een zondaar. Dat waren alle reformatoren het over eens. Zonde is daarmee een kernwoord uit de traditie van het christelijk geloof. En zondaar een belangrijk begrip om de mens mee te typeren.

Wat is zonde? Het niet willen accepteren van God en daarom buiten de gemeenschap met God leven; vervreemd van God. Een gebrek aan vertrouwen in God.

Bij deze belangrijke kernwoorden (zonde en zondaar) zijn er vandaag de dag echter enkele grote problemen:

Niet meer bekend
(1) Wat er met het woord zonde of zondaar wordt bedoeld is voor veel mensen binnen en buiten de kerk niet meer bekend.
Wanneer in het klassiek-gereformeerde doopformulier wordt benadrukt dat de doop onze onreinheid aantoont en in de vragen wordt gesteld dat de doopouders samen met hun kind in zonde ontvangen en geboren zijn, is voor de meeste doopouders niet helder wat daarmee wordt bedoeld.

Misstap
(2) Wanneer mensen binnen en buiten de kerk aan zonde denken, gaat de gedachte vaak uit naar morele overtredingen of zedelijke misstappen en krijgt zonde daarmee een andere invulling dan oorspronkelijk de bedoeling was.

Negatief?
(3) De gedachte bij zonde is vaak, dat dit begrip een negatief mensbeeld verondersteld. Dan is de gedachte: wie het begrip zonde hanteert gaat er vanuit dat de mens alleen nog maar in staat is tot slechte daden.
Zowel binnen de menswetenschappen als binnen de theologie gaat men tegenwoordig veel meer uit van een positief mensbeeld: de mens sociaal en leergierig is, van nature actief en coöperatief. In de theologie is de gedachte dat de mens beeld van God is (en daarmee in staat is om ethisch te handelen) tegenwoordig geliefder dan de gedachte dat de mens een zondaar is.

Deze problemen roepen volgens Georg Plasger de vraag op of het woord zonde vandaag de dag nog wel bruikbaar om vandaag de dag te verwoorden wie God is en wat geloven betekent. Kan de Heidelberger Catechismus wel behulpzaam zijn om vandaag de dag na te denken over God en geloof?

Levensgevoel
De Heidelberger Catechismus gebruikt het woord zonde geregeld en onbevangen. Deze catechismus kan er zelfs vanuit gaan dat het begrip zonde bekend is. Dat er veelvuldig gesproken wordt over zonde past bij het levensgevoel van de 16e eeuw. Het levensgevoel van die tijd wijkt sterk af van het huidige levensgevoel. Daarom is het vandaag de dag volgens Plasger niet meer mogelijk om zo onbevangen over zonde en over de mens als zondaar te spreken.

Wet van God
Van belang is volgens Plasger wel om te zien, dat de Heidelberger Catechismus niet aanknoopt bij het levensgevoel van die tijd. Wanneer deze catechismus vraagt hoe men aan de kennis van de ellende komt, luidt het antwoord: uit de wet van God (en niet uit het levensgevoel van onze tijd).
Zonde is voor mensen niet empirisch waarneembaar, maar moet – door de wet van God – worden meegedeeld. Zonder dit mededelen weet de mens niet dat hij zondaar is. In geen enkele tijd kan men van uitgaan dat er een natuurlijk aanknopingspunt is om te spreken over zonde. In de Heidelberger Catechismus gaat het ook niet om de keuze tussen een optimistisch of pessimistisch mensbeeld.

Relatie met God
Bij het spreken over zonde sluit de Heidelberger Catechismus aan bij de Bijbel en benadrukt daarmee: zonde is een onderdeel van de geloofsbelijdenis. Het is al vaker benadrukt dat de inzet met vraag en antwoord 1 laat zien dat over zonde alleen maar gesproken kan worden vanuit de relatie met God. Spreken over zonde kan dus niet in algemeen-menselijke termen buiten die relatie om.

Ellende
Overigens vraagt de Heidelberger Catechismus niet: Hoe weet u dat u zondaar bent? En ook niet: Hoe heb je weet van je zonde? In vraag 3 klinkt de vraag: waaruit kent u uw ellende? Daarbij moet in ogenschouw genomen worden dat dit woord van oorsprong een bredere betekenis had dan wat men nu onder ellende (misère) verstaat. In de tijd van de Heidelberger Catechismus betekende ellende: verbannen, het land uit gewezen.

bsgd0011

Niet meer thuis bij God
De catechismus gaat ervanuit dat de mens niet meer leeft in de oorspronkelijke gemeenschap met God waarin hij geschapen is. De mens is niet meer thuis bij God. Zijn thuisbasis was God, maar nu niet meer. Zonde is volgens de catechismus ontheemd-zijn. Wanneer de mens in ellende is, is hij niet waar hij eigenlijk thuishoort. Hij is niet meer bij God; vervreemd van God en daarmee ook van zichzelf.

Gevolg
Doordat de mens buiten die gemeenschap met God gekomen is, kan hij de wet van God niet volkomen houden. Door die vervreemding is hij niet meer in volkomen in staat tot liefde tot God en tot naastenliefde.
Omdat die vervreemding het problematische is, werkt het ook niet door erop te wijzen dat de mens nog gedeeltelijk in staat is tot het goede. Want juist dat de mens niet meer geheel in staat is om dit dubbele gebod van de liefde te houden is voor de Heidelberger Catechismus het bewijs dat de mens niet meer in die gemeenschap met God leeft.

Inzicht
Het is van belang om te zien dat inzicht en situatie niet gelijk op gaan. De mens is van God vervreemd als hij dat niet inziet. Want alleen als die vervreemding is verdwenen en de mens is teruggekeerd, kan hij inzien dat hij van God vervreemd was.
Immers: alleen vanuit die relatie met God is het mogelijk om in te zien wat zonde is. Wanneer ik inzie dat ik van God vervreemd ben, ben ik al op de weg terug naar die gemeenschap. Kennis van de ellende kan daarom niet zonder de kennis van de verlossing.

N.a.v. Georg Plasger, ‘Sünde – oder: Ist der Mensch schlecht?’, in: Idem, Glauben mit dem Heidelberger Katechismus (2012) 55-69