Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Ook Augustinus was iemand met een dubbele culturele achtergrond

Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in God. Het is een beroemde uitspraak van de kerkvader Augustinus (354-430). Volgens de Cubaans-Amerikaanse kerkhistoricus Justo L. Gonzalez is die onrust niet alleen een geestelijke onrust, maar laat die onrust ook een innerlijke worsteling tussen twee culturen zien.

augustinus (1)

Augustinus behoorde tot zowel de Romeinse als tot de Afrikaanse cultuur. De Romeinse cultuur kreeg hij van zijn vader Patricius mee en de Afrikaanse cultuur via zijn moeder Monica, die mogelijk van Berberse komaf was en christen was. Net als bij vele anderen, die ook een dubbele achtergrond hadden, zorgde de dubbele culturele achtergrond geregeld tot innerlijke botsingen. Die dubbele culturele achtergrond heeft de ontwikkeling van Augustinus bepaald en is ook terug te vinden in zijn theologische en kerkelijke stellingnames. Het heeft een tijd geduurd voordat Augustinus het christelijke geloof van zijn moeder kon verenigen met de cultuur van zijn vader. Hij moest een hele weg afleggen, via het Manicheïsme en het Neo-Platonisme, totdat hij bij bisschop Ambrosius in Milaan een vorm van christelijk geloof ontdekte dat gecombineerd was met de Romeinse cultuur. Toch bleef Augustinus ook Afrikaan. Hij keerde na zijn bekering terug naar zijn geboortegrond en werd daar uiteindelijk bisschop van Hippo.

3249333776

Elite en gewoon volk
In de strijd tegen de Donatisten opereerde hij als Romein. Augustinus had door zijn verworteling in de Romeinse cultuur niet door, dat de strijd met de Donatisten ook een vorm van verzet was tegen de Romeinse kolonisatie van Noord-Afrika. Het christendom was in Noord-Afrika kreeg namelijk allereerst vooral aanhang onder het gewone volk. Nadat de Romeinen Carthago en de rest van Noord-Afrika hadden veroverd, gingen ze zich steeds meer als kolonisator gedragen en gebruikten Noord-Afrika als wingewest om de grootsheid van Rome te onderhouden. Er kwam een tweedeling: een Romeinse elite, vaak uit Rome afkomstig, en het gewone volk van de Berbers. Omdat het christelijk geloof door de Romeinse overheid vervolgd werd, zag het gewone volk in het christelijk geloof een vorm van verzet tegen de Romeinse kolonisator.
De vervolgingen gingen echter door en het gewone volk in Noord-Afrika kreeg daar ook mee te maken. Er waren gelovigen die trouw bleven aan het geloof. Er waren er ook die het geloof vaarwel zeiden of op de vlucht gingen. Nadat de vervolgingen voorbij waren, gaf dat een geweldig probleem voor de kerk. Radicale christenen, die later Donatisten werden genoemd, vonden dat degenen die hun geloof afzworen of op de vlucht gingen, opnieuw gedoopt moesten worden. Deze radicale stroming was erg populair onder de Berbers en was op vele plaatsen invloedrijker dan de katholieke kerk.

Reputatie
Nadat de bisschop van Carthago was overleden, werd snel een gematigde bisschop Caecilianus aangesteld. Caecilianus werd echter niet erkend door de radicale christenen. Er was hier sprake van een botsing van culturen in de kerk. Caecilianus stond dichterbij de Romeinse overheid dan zijn tegenstanders. Caecilianus had ook een Romeinse opvatting over gezag en zijn tegenstanders een Afrikaanse opvatting. In een Romeinse visie op gezag bepaalt het ambt de waardigheid. Wanneer iemand niet het juiste charisma heeft of een twijfelachtige reputatie wordt dat gecorrigeerd door het ambt dat waardigheid verleent. In de Afrikaanse opvatting gaat het om de waardigheid van de persoon. Iemand komt pas in aanmerking voor een ambt als hij een goede reputatie heeft, bekend staat als een wijs persoon, charismatisch is en gezag uitstraalt. Iemand die op de vlucht is geslagen of het geloof vaarwel heeft gezegd, heeft zijn gezag verloren. Dat gezag kan niet door de officiële kerk worden teruggegeven, maar door toonaangevende personen uit de gemeenschap, die in de tijd van de vervolging op een indrukwekkende manier standhielden. Augustinus koos later als bisschop in zijn strijd tegen de Donatisten voor de Romeinse opvatting voor gezag en werkte zelfs samen met de Romeinse overheid in de strijd tegen de Donatisten. Tot aan de verovering door de Arabieren bleven de Donatisten volop aanwezig. Wel viel deze stroming steeds meer uiteen in radicalere en ook gewelddadige fracties.

Goed en kwaad
In zijn strijd tegen Pelagius toonde hij zich meer als Afrikaan. Zo werd hij ook door zijn tegenstanders bespot: als de Punische Exegeet of de Afrikaanse Aristoteles. Augstinus werd door Pelagius aangevallen, omdat volgens Augustinus de mens vanaf geboorte een zondaar was. Daarmee kreeg volgens Pelagius God de schuld van de zonde. Volgens hem was de mens in staat om heilig te leven door zich aan Gods wet te houden. Alleen dan kan God volgens Pelagius de mens straffen voor zijn zonden en belonen voor zijn goede daden. Er was niet alleen verschil in levensstijl: Pelagius leidde een voorbeeldig ascetisch leven, terwijl Augustinus een turbulente jeugd had. Ook hier speelde het verschil tussen Romeins en Afrikaans gezag. Alleen dan in de visie op God. Volgens de Pelagianen was ook God onderworpen aan de wetten voor wat goed en kwaad is. Volgens Augustinus is het God zelf die bepaalt wat goed en kwaad is.

5150

Geuzennaam
Om de dubbele culturele achtergrond te kenschetsen en vooral om te laten zien welke complexiteit een dubbele culturele achtergrond meegeeft, typeert Gonzalez Augustinus als mestizo. Aanvankelijk was dit een scheldwoord voor Mexicanen, die als halfbloed (en daarmee minderwaardig) werden gezien.  In 1925 ging de Mexicaanse wetenschapper en presidentskandidaat dit woord als een geuzennaam gebruiken. Een halve eeuw later introduceerde Vergilio Elizondo, een vriend van Gonzalez, deze term in de theologie en de kerk. Gonzalez zelf is als Cubaans Amerikaan een van de toonaangevende theologen met een latino achtergrond en een wereldwijd gerespecteerd kerkhistoricus. Dat een dubbele culturele achtergrond niet eenvoudig is, deelt hij met veel christenen in de VS met een Latijns-Amerikaanse achtergrond. Vanuit de vele gesprekken die hij met hen heeft gehad, heeft hij dit boek over de dubbele achtergrond van Augustinus geschreven om te laten zien dat zij niet de enige zijn die met een dubbele achtergrond worstelen. Daarom droeg hij het op ‘aan de vele Latina’s en Latino’s, wiens mestizaje mij hebben verrijkt’. Hij schreef het oorspronkelijk in het Spaans, waarna hij het in het Engels publiceerde.

Justo L. Gonzalez, The Mestizo Augustine. A Theologian Between Two Cultures (Downers Grove: IVPress, 2016)

7283

 

Advertenties

Interview met Justo L. Gonzalez over het waardevolle van mestizaje

‘Juist omdat zij nadenken omdat zij nadenken over hun vaak verwarrende culturele erfenis leveren de Latino en Latino theologen een zeer waardevolle bijdrage aan de theologie.’

Interview met Justo L. Gonzalez over het waardevolle van mestizaje

In zijn nieuwe boek The Mestizo Augustine: A Theologian Between Two Cultures, bekijkt de toonaangevende kerkhistoricus en theoloog Justo Gonzalez het leven en de erfenis van Augustinus vanuit wat in de Latino / Latina theologie mestizaje wordt genoemd: het hebben van een dubbele culturele achtergrond. De typering van Augustinus als zowel Romein als Afrikaan helpt om zijn theologie en zijn betekenis voor vandaag te begrijpen. Onlangs sprak zijn redacteur bij IVPress, David Congdon, met de auteur over dit boek

7283
U bent een bekend geworden met u veelgeprezen overzichten van de Christelijke theologie, de driedelige History of Christian Thought en de tweedelige Story of Christianity. Wat motiveerde u om u bezig te houden met Augustinus?

Gonzalez: Met Augustinus houd ik me al verscheidene jaren op verschillende manieren bezig. Het is onmogelijk om de westerse christelijke theologie te bestuderen zonder aandacht te hebben voor hem. Na de apostel Paulus is er niemand geweest die een grotere invloed heeft gehad op de loop van de christelijk theologie dan Augustinus.  Tegelijkertijd zorgde Augustinus’ eigen prestige dat hij het middelpunt werd van verschillende latere controverses, omdat elke partij zei hem aan hun zijde te hebben. Het meest belangrijke voorbeeld daarvan is de tijd van de Protestantse Reformatie, toen zowel Protestanten als Katholieken – en beide kanten waren overtuigd van hun gelijk – dat hun visie de steun had van Augustinus. Was zo fascinerend is: beide kanten hadden ook gelijk.

5150

Dit boek was oorspronkelijk in het Spaans gepubliceerd. Voor wie schreef u het Spaanse origineel? En wie had u voor ogen bij de publicatie in Engelse vertaling?

Gonzalez: Het boek kwam voort uit herhaaldelijke gesprekken met Latino’s en Latina’s over hun moeilijke situatie waarin ze gedwongen werden om na te denken over hun eigen identiteit. Veel van hen vertrokken uit het land van hun ouders en waren niet in staat om naar het land van hun ouders terug te keren. De ene keer vanwege politieke redenen. Een andere keer door immigratie. Vaak omdat in werkelijkheid het landen van hun ouders zozeer veranderd waren, dat deze landen in feite niet meer bestonden. Er was in hen een worsteling tussen de culturele achtergrond die zij willen bevestigen en de werkelijkheid waarin zij leven. Ze waren niet gelukkig in een van beide werelden.

Kunt u uitleggen wat mestizo en mestizaje betekent? Hoe kunnen deze termen vanuit de Latino / Latina theologie ons helpen om Augustinus beter te begrijpen?

De situatie die ik net beschreef wordt door Latina en Latino theologen bedoeld als zij spreken over mestizaje. In het Spaans was het van oorsprong een denigrerende term, bedoeld om degenen die tot een mengvorm van meer dan twee rassen behoren. Het woord mestizo is afgeleid van gemixt. De betekenis is gelijk aan halfbloed. Als je een mestizo was, was dat lange tijd iets om je voor te schamen.
In de afgelopen eeuw is de betekenis van het woord veranderd, vooral door het werk van de politicus en schrijver José Vasconcelos en de katholieke Mexicaans-Amerikaanse theoloog Virgilio Elizondo. Het woord verwijst nog steeds naar dat iemand behoort tot twee tradities, culturen en contexten en dat je tegelijkertijd bij geen van die tradities, culturen en contexten behoort. Nu geeft het woord echter een vorm van trots aan, iets waar je voor uit mag komen, vanuit de veronderstelling dat juist als twee culturen elkaar ontmoeten creativiteit het meest tevoorschijn komt.
Augustinus was ook een mestizo. Zijn moeder was een Afrikaanse. Zijn vader een Romein.  Zijn moeder wilde dat hij haar christendom, dat Afrikaanse boventonen had, zou aannemen en zou aanhangen. Tegelijkertijd hoopte zij dat hij promotie zou maken in een wereld die van hem vroeg dat hij zo snel mogelijk een Romein zou worden. (Dat is nu net de ervaring van veel immigranten van wie de ouders willen dat ze trouw blijven aan hun culturele achtergrond, maar tegelijkertijd voldoende thuis zijn in hun nieuwe wereld om op te klimmen in de maatschappij.)

Kunt u een voorbeeld geven hoe Augustinus’ bestaan ‘tussen twee culturen’ doorwerkt in zijn standpunt in een theologische controverse?

Gonzalez: Je zou mijn boek natuurlijk moeten lezen om de voorbeelden helemaal te begrijpen. Ten tijde van de Donatistische controverse ging het niet alleen om een theologische controverse (die ik herhaaldelijk heb beschreven in andere publicaties), maar ook tussen twee conflicterende visies op gezag, op wie gezag heeft en wanneer gezag geldt. In deze controverse koos Augustinus voor de Romeinse visie op gezag in plaats van de Afrikaanse. In de Pelagiaanse controverse wordt zijn Afrikaanse achtergrond duidelijk. Zijn tegenstanders noemden hem daarom ‘de Afrikaanse Aristoteles’.

We zijn gewend om Augustinus te zien als de grootste theoloog van het Latijnse westen. U typeert hem in uw boek als een herder en focust op zijn pastorale verantwoordelijkheden. Waarom is dat van belang?

Gonzalez: De beste theologie is pastorale theologie. Daarbij doel ik niet op wat in curricula vaak pastorale theologie wordt genoemd. Ik bedoel een theologisch perspectief dat ontwikkeld is in een pastorale context en dat ingaat op pastorale kwesties. Als iemand de geschriften van Augustinus vergelijkt, die hij schreef voor hij gedwongen werd om pastor te worden met zijn geschriften die hij schreef na zijn ordinatie, zijn de eerste geschriften solide uiteenzettingen, die intellectueel hoogstaand zijn, maar zijn de latere meer invloedrijk. Dat kwam omdat ze niet ingingen op wat hemzelf in intellectueel opzicht bezighield, maar omdat ze ingingen op wat er in de kudde speelde – niet alleen de lokale kudde van Hippo, maar in de gehele kerk. Zonder deze pastorale verantwoordelijkheden zou de theologie van Augustinus misschien vergelijkbaar zijn met de meest speculatieve geschriften, die hij kort na zijn bekering schreef.

Het boek is duidelijk meer dan een historische presentatie van Augustinus. U spreekt over hem als een ‘lens voor het Westerse Christendom’. Waarom is het van belang om Augustinus vandaag op een frisse manier te begrijpen? Wat kan hij de hedendaagse kerk in Amerika leren?

Gonzalez: Misschien moeten we beginnen met de negatieve betekenis van ‘lens’. westers Christendom is zo gevangen door Augustinus, dat ze ook al heeft men niet gehoord van Augustinus, het Nieuwe Testament toch door zijn ogen leest. Als we ontdekken dat we deze lens op hebben, kunnen we misschien elementen uit de vroeg-christelijke theologie ontdekken, die door Augustinus verduisterd zijn. Getinte glazen kunnen goed zijn, maar je mag niet vergeten dat je door zulke glazen kijkt. Positief opgemerkt: het was Augustinus, die – waarschijnlijk juist omdat hij een mestizo was, en zijn theologie laat dat zien – in staat was om veel van de christelijke erfenis te bewaren toen zich een nieuw mestizaje ontwikkelde in West-Europa. De westerse beschaving is geboren uit een mestizaje tussen een Romeinse en Germaanse cultuur. En een van de meest toonaangevende invloeden in die nieuwe mestizaje was zelf een mestizo: Augustinus.

Hoe verbindt uw boek uw werk dat u verricht met betrekking tot Hispanic theologisch onderwijs?

Gonzalez: De verbinding is er op verschillende manieren. Er komen mij nu drie connecties voor de geest. De eerste is dat het bevestigt dat het onderwerp dat het meest in de Hispanic theologie aan de orde komt tot een zeer waardevolle theologie kan leiden, waarin de conditie van mestizaje niet zo zeer een handicap is, maar een voordeel of een waardevolle hermeneutische lens. Het is niet iets gerings om Augustinus in dit opzicht als voorganger te hebben!
In de tweede plaats hoop ik dat mijn boek de aankomende generatie van Latino en Latina theologen om niet te bezwijken voor de druk van de academische wereld, die vooral abstracte speculaties prefereert boven een theologische reflectie, die solide gegrond is in het leven van de kerk. Als Augustinus dat kon doen, kunnen wij dat ook!
In de derde plaats hoop ik aan anderen op het spoor komen van de Latino en Latina wetenschappers en theologen. Juist omdat zij nadenken omdat zij nadenken over hun vaak verwarrende culturele erfenis leveren de Latino en Latino theologen een zeer waardevolle bijdrage aan de theologie. Ik zou willen zeggen: als je niet van mestizo theologie houd, ga je dan beklagen bij Augustinus!

Vertaling van een interview dat geleverd werd bij mijn recensie-exemplaar. Een recensie van dit boek verschijnt binnenkort in het Friesch Dagblad

Preek zondag 29 juni 2014

Preek zondag 29 juni 2014
Psalm 4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er zijn veel momenten in ons leven waarop we roepen tot God.
Momenten waarop het gebed niet een rustig spreken is tot God maar een roepen.
Want een rustig in gebed gaan is er niet meer bij
Als de dokter zegt: ‘Ik heb slecht nieuws voor u.’
Dan weet je niet meer wat je zeggen moet
en klinkt er alleen een schreeuw in je naar boven: “Heer!”
Of als je kind op een onverwacht moment
en je voelt dat het niet gewoon is, er is iets aan de hand.
Als het hoge woord eruit komt: “We gaan uit elkaar!”
dan kan er een roep in je zijn: “Nee!”
een roep gelijk ook om God: “Heer, hoe moet het nu?”

Het zijn de zorgen waar we zelf niet uitkomen,
die ervoor zorgen dat wij roepen naar God.
Wanneer het leven gewoon is, z’n gangetje gaat,
dan zal het bidden niet snel roepen zijn.
Als we roepen tot God betekent dat er iets op het spel staat.
Iets voor onszelf of voor iemand met wie we verbonden zijn.
Dan willen we dat de Heere iets doet.
Als ik tot U roep, Heere, geef dan reactie!
Want daar vraagt David om en daarom roept David tot God:
omdat David wil dat de Heere iets doet,
dat de Heere niet werkeloos vanuit de hemel toekijkt naar wat er in zijn leven gebeurt.
Als ik tot U roep, doe iets! Want U bent bij machte!
U kunt wat ik niet kan!

Maar het roepen hier in deze psalm heeft een bijzondere achtergrond.
Uit deze psalm klinkt door dat David onder druk gezet wordt om zijn mond te houden.
Zoals dat vandaag de dag kan gebeuren,
bijvoorbeeld op een bedrijf als er oneerlijke praktijken zijn die je tegenkomt.
En je kaart het aan, maar je krijgt te horen:
Houd je mond want anders verlies je je baan.
Je wordt onder druk gezet van hogerhand om te zwijgen.
Een situatie van onrecht waar niets van mag worden gezegd
omdat er bepaalde mensen in het bedrijf belang bij hebben dat het zo blijft.
Tot wie moet je dan roepen? Bij wie kun je dan terecht?
Als ik tot U roep, doe er dan wat aan, o God van mijn gerechtigheid!

Of een andere ingrijpende situatie in een gezin.
een vader die de grenzen van zijn dochter overgaat
en haar lichaam aanraakt op plaatsen waar zij het niet wil
en waar het niet mag en toch doet.
En dan na afloop druk uitoefent: “Je zegt het tegen niemand,
want dan gaat ons hele gezin eraan.”
Of geniepiger: “Je kunt het tegen niemand zeggen,
want het is jouw schuld dat ik zo doe.”
Tot wie moet je dan roepen?
Wie gelooft je dan?
Dan kan het zelfs voorkomen dat de weg naar God toe geblokkeerd is
en zelfs je roepen naar God toe het zwijgen opgelegd wordt.
Als ik van binnen schreeuw naar U, hoor mij dan
en doe er wat aan!
Kom voor mij op, voor mijn recht! O God van mijn gerechtigheid!
Hier wordt niet zomaar een beroep gedaan op God,
maar het is een roepen tot God
omdat jouw recht geschonden is
en er niemand in mijn omgeving is die naar u wil luisteren.
Iedereen keert zich van je af.
Omdat ze niet geloven wat je vertelt.
Of omdat ze geen zin hebben om onrust
en dan maar hopen dat het vanzelf overgaat als je het negeert.
Als ik tot U roep, houd U zich dan niet afzijdig van mij?

Hier wordt een beroep gedaan op God
en dan vooral om de gerechtigheid van God.
Gerechtigheid heeft te maken met: recht zetten.
Door te luisteren naar degene die niet meer mag spreken
omdat het niet goed uitkomt.
Door degene die in een conflict overlopen wordt
naar voren te halen en zijn of haar verhaal te laten doen,
zodat het rechtgezet kan worden.
Zo is God.
Hij staat niet zomaar aan de kant van degenen die denken God aan hun kant te hebben
en opereren alsof ze God aan hun kant hebben
en denken dat zij het daarom in deze wereld kunnen maken
maar ondertussen over anderen heenlopen.

Nee, zo is God niet.
Als het je benauwd wordt van de spanning die het allemaal oproept
of benauwd wordt door de druk die op je uitgeoefend wordt,
is het God die je ruimte biedt.
zodat je ervaart: gelukkig, nu mag mijn verhaal eindelijk worden gehoord.
Nu weet ik dat ik er niet alleen voor sta
of dat God de kant kiest van degenen die het in deze wereld voor het zeggen hebben.
In deze psalm wordt gebeden of God Zijn grootheid op een bijzondere manier wil laten zien:
door voorover te buigen,
vanuit de hemel te buigen naar de aarde,
als een vader die door de knieën gaat om te horen wat zijn kind te zeggen heeft,
zoals een koning van de troon komt en een reis door het land maakt
om te kijken wat er werkelijk zich onder zijn dienaren afspeelt,
want de knechten kunnen informatie achterhouden die hen niet goed uitkomt.
De koning kan het alleen te weten komen
door zelf te kijken onder het volk.
Dat is de genade waar deze psalm over spreekt:
Heere, kom van Uw troon in de hemel
om te zien wat er in mijn leven gebeurt,
wees mij genadig, als ik roep,
zoals een heer zijn knecht bijstaat, een vader zijn kind niet in de steek laat.

Gebed en zekerheid wisselen zich af:
Het is God die voorover wil buigen om te horen,
juist diegene te horen die geen stem heeft, die moet zwijgen.
De Heere die het al eens heeft gedaan
om in een tijd van moeilijkheden en spanning rust en ruimte te geven.
Gebed en zekerheid: Ze wisselen zich vaak af in een mensenleven.
Zoals er vaak ook dat roepen is, roepen naar God.
Het leven is soms een heen-en-weer-geslingerd worden
tussen het vertrouwen dat God iets zal doen aan de ene kant
en de vertwijfeling en de wanhoop aan de andere kant.
Maar wel een vertwijfeling en een wanhoop die weet waar het gezocht moet worden:
bij de Heere.
Alleen daar ligt mijn recht.
Daar moet het ook gezocht worden: bij de God die recht zal doen!

God is rechter.
We zullen allemaal eens voor God komen te staan
en dan hebben we rekenschap af te leggen over ons leven.
Over wat we hebben gedaan.
Wat zou er in Gods boek over uw leven geschreven staan?
en hoe bereid je je voor op die ontmoeting voor de Heere?
Je kunt denken: ach, dat duurt nog wel even. Zo ver is het nog niet.
of je kunt denken: ik hoop dat God vooral mijn goede daden opschrijft
en ik gok erop dat God mijn verkeerde daden door de vingers ziet,
want God is toch liefde?
Zo zwaar zal God er toch niet aan tillen?
Er zijn in ieder geval mensen die er niet te zwaar aan tillen.
In de psalmen komen zij veelvuldig voor.
Goddelozen worden zij vaak genoemd of onrechtvaardigen.
Hier in de psalm worden zij “Aanzienlijken” genoemd.
Dat zijn de genen die geen angst voor het oordeel kennen.
Zij weten hier op aarde alles naar hun hand te zetten
en gokken erop dat dat met God ook wel kan.
alsof zij God op andere gedachten kunnen brengen.
Alsof God als rechter omkoopbaar is en zal zwichten voor hen.
Omdat zij zo zeker zijn van God
kunnen ze er hier op aarde wel wat van.
Ze weten alles voor zichzelf af te dwingen en op te eisen,
zodat zij het goed hebben.
Ten koste van anderen en als die anderen er wat van zeggen
starten zij een lastercampagne waar de ander weerloos tegen is.
Je komt er ver mee in het leven op aarde
en toch, zegt David hier: dat is een leven van schijn, van leegte.
Want je denkt God te kunnen ontlopen.
Alsof je God kunt voorschrijven wat er met je moet gebeuren.
Maar ze vergeten dat het God is, die kiest,
dat God zijn gunsteling uitkiest
en dat die gunsteling niet vanzelfsprekend diegene is die het hier voor het zeggen heeft.

Wie is die gunsteling die door God gekozen is?
De aanzienlijken zijn degenen die zich naar voren schuiven:
Ik ben Gods gunsteling, want kijk maar hoe ik het heb.
Ik heb het beter dan jij, dus ik ben het.
Wie is die gunsteling die door God gekozen is?
De aanzienlijken zijn degenen die zich naar voren schuiven:
Ik ben Gods gunsteling, want kijk maar hoe ik het heb.
Ik heb het beter dan jij, dus ik ben het.
Maar bij hen gebeurt er iets en de vertalingen kunnen het niet goed weergeven.
Hun bestaan wordt op hun grondvesten gekeerd.

De ontdekking van Augustinus:
Augustinus is iemand leefde rond het jaar 400.
Geboren uit een christelijke moeder en een heidense vader.
Hij vond zich te slim voor het geloof van zijn moeder en keek daar op neer.
Hij was wel zijn hele leven bezig met de vraag: waar komt het kwaad vandaan?
Hoe komt het dat mensen elkaar zoveel kunnen aandoen?
Hoe komt het dat er zoveel kwaad in deze wereld is?
Naar deze vraag ging hij op zoek.
Hij ontdekte een geloof dat zei: het kwade is er,
omdat de wereld niet goed geschapen is.
Het zit niet in mijzelf.
Het is niet zoals het geloof van zijn moeder dat het kwaad in je hart zit,
nee, buiten hem.
en door sober te leven en goed na te denken en een goede manier van leven
kon je het kwade buiten jezelf houden en het kwade ontstijgen.
Dat klinkt heel mooi: want je kunt er zelf iets aan doen. Bereikbaar!
Zijn manier van leven gaf ook aanzien in de plaats waar hij woonde.
Maar hij kwam er niet uit.
Er knaagde iets in hem: zijn theorie klopte ergens niet.
Hij wordt gedwongen om weer na te denken over het geloof van zijn moeder.
Om alles op een rij te krijgen trekt hij zich terug en begint te lezen in de Bijbel.
Dan leest hij deze psalm
en hij vertelt hoe deze psalm als een mokerslag hem treft.
Want waar hij altijd dacht Gods gunsteling te zijn
door goed te leven en het kwade geen toegang tot je leven te geven,
zag hij in deze psalm iets anders.
Er is er maar één die werkelijk de naam kan hebben Gods gunsteling te zijn,
die werkelijk geen enkel kwaad in zich draagt: Christus.
Tijdens het lezen van die Psalm zag Hij Christus voor zich opdoemen.
Christus die anders was dan hij
en toen hij Christus zag, zag hij wat er met hemzelf mis was.
Christus was de nederige, geen enkele vorm van hoogmoed,
de Allerhoogste die gekomen was om zich klein te maken,
terwijl hij, Augustinus, bezig was, te verheffen boven de mensen,
zodat zij tegen hem opkeken en hij op hen kon neerkijken.
In de ogen van Christus las hij zijn eigen trots
en wist: ik kan dit niet volhouden.
Dit breekt mijn trots.
Hij kon alleen maar door de knieën gaan: mijn leven was leegheid en schijn.
Zijn trots werd verbrijzeld.
Christus was voor hem de spiegel, confronterend, maar ook heilzaam, het medicijn.

Moet bij iedereen verbrijzeld worden?
Nee, degenen die zichzelf hier overeind houden
en denken zonder God het wel te kunnen redden
en zelfs in het oordeel van God de dans te kunnen ontspringen.
Alleen diegenen die niet willen knielen voor Christus
omdat ze dat niet nodig vinden.
Hen wordt de spiegel voorgehouden,
om die trots af te nemen, want daarmee kun je niet voor God verschijnen.
Maar dan is het te laat.

O God van mijn gerechtigheid.
Waar het in deze wereld erop lijkt, de schijn heeft
dat de aanzienlijken alles kunnen bepalen
en niet aangepakt kunnen worden, is God er nog.
Doet God iets.
Schudt Hij het leven van de machtigen door elkaar.
Maar doet hij ook voor de rechtelozen iets
wat weinigen op aarde snel zullen doen.
Hij wordt een plaats waar ze kunnen zijn: een woning.
Waar ze kunnen gaan slapen zonder zorgen.
Dat is wat: een leven zonder zorgen.
Dat kan alleen als het onrecht in het leven is rechtgezet.
De wereld om je heen kan nacht zijn, donkerheid
waar het kwaad overheerst, en niet gebroken lijkt te kunnen worden.
Dan is God een plaats waar je kunt zijn, kunt wonen,
waar je in vrede kunt slapen.
Kunt slapen! In een wereld van onrecht.
Slapen omdat je weet: God doet er wat aan!

Ik kan gaan slapen zonder zorgen,
want slapend kom ik bij U thuis.
Alleen bij U ben ik geborgen.
Gij doet mij rusten tot de morgen
en wonen in een veilig huis.

Amen

De ene bekeerling leest de andere bekeerling

De ene bekeerling leest de andere bekeerling
Willem Jan Otten en Augustinus

Willem Jan Otten heeft iets met Augustinus. Hij schaart hem tot één van zijn helden. Dat zijn degenen die hem geholpen hebben op weg naar zijn bekering.

Voor Trouw beschreef Otten een aantal van die helden – met als bedoeling hen uit te leggen aan ‘gelooflozen’. Het geheel werd gebundeld in een boek: Waarom komt u ons hinderen? De titel is een zinsnede uit Dostojewski’s verhaal over de Grootinquisiteur (De gebroeders Kazamarov). Voor Willem Jan Otten betekent die zinsnede: Christus als de mensgeworden God loopt ons mensen voor de voeten en stoort ons. Bijvoorbeeld in ons wereldbeeld of in denkbeelden.

Wat heeft Otten met Augustinus? Naar mijn idee herkent Otten zich in de beschrijving van de Confessiones: ook voor hem was zijn bekering iets dat hem overrompelde, waarbij hijzelf inclusief zijn wereldbeeld en levensbeschouwing onderuitgaat.
In het Manicheïsme (en het scepticisme) dat Augustinus voor zijn bekering aanhing, ziet Otten parallellen met het denken van onze tijd: (1) een manier van denken, waarbij het kwaad niet uit onszelf komt, (2) de intellectueel geniet aanzien.
Op weg naar zijn bekering wordt Augustinus (hardhandig) geconfronteerd met het kwaad in zichzelf en met Christus die de nederige is (maar voor wie Augustinus te trots is om voor te buigen).

Heden ten dage wordt het kwaad in ons vaak weggerationaliseerd. Een reden waarom men vandaag de dag weinig met Augustinus kan op dit vlak. Otten verzet zich tegen een wegpsychologiseren van het kwaad in onszelf en verzet zich tegen een psychologische duiding van Augustinus. Dat gaat namelijk voorbij aan het kwaad dat in het eigen hart huist.

Augustinus laat zien dat hij schuldig is: dat hij zo laat zich gewonnen geeft aan deze nederiggeworden God. En dat hij steeds voor het kwaad kiest. En voor zijn eigen trots en hoogmoed. Otten wil die schuld laten staan en niet wegpsychologiseren, omdat Augustinus (of misschien wel de nederig geworden God) hem het kwaad in zijn eigen hart laat zien.

Vragen
1) Wat roept deze tekst van Otten over Augustinus bij op?
2) Kunnen we met deze manier van leven / denken de hedendaagse ‘geloofloze’ bereiken?
3) Wat met de schuld van Augustinus en Otten? Moeten we die laten staan? Of is een psychologische verklaring terecht? Maar: als de psychologische verklaring gehanteerd wordt, wat dan met de gelooflozen van onze tijd die het kwaad in hun eigen hart ontdekken?