Preek zondagavond 3 juni 2018

Preek zondagavond 3 juni 2018
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het geloof in de Heere Jezus Christus is geen eindpunt,
geen finish waarbij je kunt zeggen: ik heb het gehaald, nu is het klaar.
Ook de viering van het Heilig Avondmaal is geen eindpunt,
waarbij je kunt zeggen: hehe, ik heb de top behaald, nu zit het erop.
Nee, vanaf de viering van het Heilig Avondmaal begint het pas.
Ik kan me er altijd over verbazen dat de week van voorbereiding vaak zo intens is,
maar dat die intensiteit na de avondmaalsviering weer voorbij is.
We kunnen weer gewoon onze gang gaan.
Alle zaken die in een week van voorbereiding niet zo gepast zijn, doe je weer.

Als we iets uit Handelingen 2 kunnen leren is dat het geloof in de Heere Jezus
geen eindpunt is, maar het begin – begin van een heel nieuw leven,
waarbij alles in het leven anders wordt
en het leven van alledag in het teken van Christus komt te staan.
We zien dat aan vier onderdelen van het gemeentezijn dat Lukas aan ons doorgeeft:
(1) Volharden in de leer van de apostelen, (2) de gemeenschap,
(3) het breken van het brood, (4) de gebeden.
Het zijn 4 punten van de gemeente waardoor we kunnen zeggen:
Hier in deze gemeente is God aan het werk.

Als eerste wordt het volharden in de leer van de apostelen genoemd.
Hier is een gemeente die meer wil leren over God
en de tijd neemt om te luisteren naar wat Zijn dienaren over God hebben te vertellen.
Vaak wordt het volharden in de leer van de apostelen gekoppeld
aan het bijwonen van de kerkdienst, om daar als gemeentelid je plaats in te nemen.
Maar het is breder: dat je met elkaar erover doorspreekt,
hoe je Christus in jouw situatie kunt dienen.
De leer van de apostelen is niet alleen maar de preek of de inhoud van het geloof,
maar betekent ook de praktijk, hoe je er naar leeft
en dat niet alleen een predikant of een ouderling daarover vertelt,
maar dat je daar met elkaar als gemeente mee bezig bent.
Daar begint de opbouw van de gemeente van Christus:
dat je de tijd neemt om elkaar op te zoeken
en dat het daarbij niet alleen over koetjes en kalfjes gaat,
over wat je in de vakantie gaat doen of wat je in het weekend hebt gedaan,
hoe het was op je werk of wat je nu weer over je familie kunt vertellen.
Maar dat je dieper afsteekt en met elkaar erover nadenkt wat God jou te zeggen heeft.
en dat je er met elkaar over nadenkt hoe je bij gedoe in de familie
of bij werk dat veel van je vraagt hoe je bij Christus kunt blijven
en daar op je werk en in je familie iets van Christus kunt laten zien.
Dat is niet iets dat je zo maar helder hebt.
Daarvoor heb je medechristenen nodig, die je daarbij helpen
en die vertellen hoe zij het gedaan hebben.
Daarom zoeken ze elkaar binnen de christelijke gemeente op
om van elkaar te leren, om ervaringen uit te wisselen. om elkaar verder te helpen.
Steeds weer merk ik hoe op belijdeniscatechisatie en op Bijbelkringen
het gesprek met elkaar zo waardevol is: ervaringen uitwisselen, elkaar bevragen,
door het je scherpt in je geloof, het je opbouw
door er met elkaar erover te hebben wie Christus voor je is,
hoe Hij in je leven kwam, wat er gebeurde, wat het uitwerkte in je leven.
hoe u aan het avondmaal kon gaan, hoe u de vrijmoedigheid daarvoor kreeg
hoe je het geloof in praktijk brengt.
Ze volharden er in, zegt Lukas. Ze doen er moeite voor
en ze geven niet zomaar op als het niet lukt
en ze blijven niet weg als er geen direct resultaat oplevert
Volharden betekent dat je ermee doorgaat en niet zomaar opgeeft.
En ze gaan ermee door, ze volharden omdat ze merken dat het hen zoveel geeft,
Dat ze door elkaar op te zoeken en met elkaar door te spreken over het geloof
en te luisteren naar onderwijs over de Heere Jezus van degenen die meer weten
– ze merken  dat een geestelijke honger wordt gestild en dat hun geloof daardoor groeit.
Volharden – dat betekent dat ze zich ook niet zomaar van de wijs laten brengen
als er iemand anders met een andere boodschap komt.
Nee, Christus is hun alles en over Hem willen ze horen
en ze willen zo leven dat hun leven van Christus is.

Geloof heeft effect op het leven, heeft effect op wie je bent en wat je doet.
We zien dat aan de gemeenschap.
Door elkaar op te zoeken, door met elkaar te luisteren naar de apostelen,
door met elkaar te zoeken hoe je ernaar kunt leven, hoe je het praktisch maakt,
groeit er een onderlinge band.
Ze volharden ook in de gemeenschap, in de onderlinge band.
Gemeenschap betekent dat de onderlinge band groeit.
Dat gebeurt niet vanzelf.
Het is allereerst de Heilige Geest, die in deze mensen werkt,
die uitgestort is, die ook aan hen beloofd is en die nu merkbaar in hen groeit,
maar ze doen er zelf ook veel voor.
Als de Heilige Geest in je leven komt, zet Hij je aan het werk en schakelt Hij je in
en laat Hij je zien wat je kunt doen, hoe je je geloof in praktijk kunt brengen,
hoe het in jouw leven zichtbaar kan worden dat je van Christus bent.
Het eerste dat hier genoemd wordt, dat voorop staat is de gemeenschap.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Je bent zelf degene die gehoor geeft aan de stem die je roept en je gaat.
Dat kan niemand anders voor je bepalen
en tegelijk: als je naar voren gaat, loop je niet alleen
en daar aan de tafel zit je niet alleen, of je nu aan de derde tafel zit of de eerste
en de avondmaalstafel is niet alleen beperkt tot de Dorpskerk,
maar we vieren met de Maranathakerk mee
en de andere kerken in Oldebroek,
al wordt het avondmaal daar wellicht op een andere manier gevierd:
uitbundiger of juist somberder.
We zijn verbonden met de kerk wereldwijd: de kerk in Malawi, de gemeenten in Oekraïene,
gemeenten op plaatsen die wij niet kennen.
Maar we kijken niet alleen wijd over de hele wereld,
maar ook heel dichtbij, heel concreet: naar de mensen die naast u gezeten hebben,
die tegenover je zaten, bij je aan de tafel.
Misschien ken je de namen niet eens, terwijl je al lang samen in de kerk zit
Wellicht kun je niet eens meer herinneren wie er tegenover je zat en hoe die ander erbij zat.
In de eerste gemeente is er een intens met elkaar meeleven:
Ze hebben alles gemeenschappelijk.
Zelfs wat ze hebben, wat iemand als bezit heeft dat wordt gemeenschappelijk gedeeld.
Niets is zo weinig of je kunt het delen.
Als je daarover nadenkt: alles gemeenschappelijk en alles delen schrikt dat misschien af.
Waar je zelf hard voor gewerkt hebt en voor gespaard hebt, waar je zuinig op bent,
om dat met een ander te moeten delen? We willen daar niet altijd aan denken.
Waarom ze kunnen delen is dat ze beseffen: wat we hebben is niet van ons.
Ons leven, dat is niet van ons, dat hebben we niet.
Onze spullen, die zijn niet van ons, want alles wat we hebben,
hebben we alleen maar gekregen van God, in bruikleen gekregen om Hem te dienen.
Als gemeenteleden alles met elkaar delen, ontstaat er niet een ideale samenleving,
maar wordt er iets zichtbaar van Israël, kunnen we zien hoe Israël wordt hersteld:
het volk dat in deze wereld geroepen is om tot zegen van andere volkeren te zijn,
dat geroepen is in hun manier van leven te laten zien dat er een God is
die deze wereld geschapen heeft, van wie deze wereld is
en die door iedereen aanbeden moet worden.
Als christenen zo leven, laten ze zien dat er een God is,
Die deze wereld niet heeft losgelaten, niet prijsgeeft wat Zijn hand begon,
Die bezig is en dat zichtbaar laat worden in mensen die hun hart openstellen voor anderen.
Als we het delen van onze bezittingen en goederen die we hebben een te grote stap vinden,
laten we dan beginnen met het delen van onze verhalen en ervaringen,
Laten we dan beginnen met te kijken wie er naast ons in de kerk zit
en naast ons aan de avondmaalstafel
voor diegene te bidden en met diegene mee te leven,
Dat je ziet wie de ander is en dat je open staat voor wat de ander bezig houdt,
Wat er gebeurt aan zorg en vreugde
dat je dat niet direct invult, maar de ander laat vertellen,
dat je meeleeft door een kaart te sturen, door iemand op te zoeken,
door niet te wachten tot de ander komt, maar zelf het initiatief te nemen.
Het is de liefde van God die liefde in je hart opwekt,
gezien worden door God die je anderen om je heen doet zien,
je verhaal bij God kwijt kunnen waardoor je open staat voor wat anderen je vertellen.
Steeds is het: je ontvangt van God en dat geef je weer door.
Daar heeft ook het derde mee te maken: het breken van het brood.
Dat kun je verbinden aan de viering van het avondmaal, maar het is ook hier weer breder.
Het breken van het brood houdt in dat je anderen thuis opzoekt,
niet alleen de mensen die veel aanloop krijgen en veel gezien worden.
Je zoekt ook degenen op die weinig mensen om zich heen hebben of zelfs niemand,
je zoekt niet alleen degenen op die een leuk en prettig leven hebben,
maar ook degenen die moeilijk kunnen doen, die voor je gevoel zo kunnen zeuren.
Je stapt hun drempel over, en daarmee ben je een bode van God die laat weten:
Ik zoek je op waar je bent.
Breken van het brood houdt ook in dat je je huis openstelt voor anderen,
Dat ze bij je mogen komen, dat ze mogen mee-eten.
Gemeenteleden die geen familie hebben en zo kunnen ervaren wat het is
om mensen om je heen te hebben, gezelligheid te hebben, genieten van een ander
en merken dat je ertoe doet, dat ook jouw verhaal belangrijk is.
Dat je gemeenteleden uitnodigt die, omdat ze alleen zijn, geen zin hebben om te koken,
of dat je extra kookt voor degenen die te veel aan hun hoofd hebben om goed te eten.
Elkaar thuis opzoeken en uitnodigen en je huisgezin delen
houdt in je de praktische consequentie trekt uit het avondmaal:
De gemeenschap van het avondmaal is niet alleen iets voor een keer in de 3 maanden,
waarbij je met elkaar voor in de kerk om de tafel zit.
Het avondmaal is een appèl op onze gewone maaltijden.
(Mooie voorbeelden: gastgezin, pleeggezin, anderen uitnodigen)

De gastvrijheid van Christus ervaren aan Zijn tafel doet een appèl op onze gastvrijheid.
Het is de Heere Jezus die te gast was bij zondaars en tollenaars,
Die tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn.
Dat is wat er ook van de kerk gevraagd wordt en zeker van een kerk op een dorp.
Niet omdat we op een dorp zo van gezelligheid houden
en er niet tegen kunnen op een dorp dat iemand er niet bij hoort of buiten de boot valt,
maar omdat we geloven, dat iedereen gered kan worden en iedereen gered moet worden.
Daarom hebben we een taak als kerk om anderen op te zoeken waar ze zijn,
bereid om bij hen thuis te komen, bereid om anderen bij ons thuis uit te nodigen
voor dat grotere doel: dat ze in onze gastvrijheid en bereidheid om te komen
onze Heer leren kennen, Hem leren ontdekken, dat ook zij bij Hem mogen komen.
Jezus die meeliep de Emmaüsgangers en bij hen thuis de maaltijd gebruikte,
al waren ze niet zo gezellig en treurden ze over hun Heiland die gestorven was
en totaal hopeloos en zonder verwachting waren.
We delen ons leven met anderen en we delen het leven van anderen.
Daarom is het belang om als predikant, als ouderling je gemeenteleden te kennen,
Te weten wat hen bezig houdt, Oldebroeker met de Oldebroekers te zijn,
Oostewoldenaar met de Oostewoldenaars, Loose met de Loosen.
Ik heb wel eens gelezen – ik heb het nooit meer kunnen terugvinden –
dat evangeliseren op een dorp en kerkzijn op een dorp veel moeilijker is dan in de stad,
omdat de mensen hier alles van je zien:
Ze zien hoe je met je tuin omgaat, met je kinderen, wat je karakter is, je manier van leven.
Je kunt niets verborgen houden. Ze kunnen zien of het evangelie echt door je heen werkt.
Tegelijkertijd is er op een dorp, zo las ik – of het waar is, weet u wellicht beter
altijd de aarzeling, zeker bij een predikant of een kerkenraadslid:
Komen ze echt voor mij, hebben ze echte interesse?
Of is het een tussenstap naar een stap hogerop, verder met de carrière.
Kerkzijn op een dorp vraagt de lange adem, continuïteit, lange duur.
Niet even iets vluchtigs, maar volharden in het leven delen.
Echte interesse – het leven willen kennen
om daar op het dorp Christus voor te leven, het evangelie in praktijk te brengen
met je eigen leven als voorbeeld dat gezien mag worden.

Als vierde het gebed.
Dat is niet het sluitstuk, maar de climax.
DAt is het geloof dat God benaderbaar is, dat God leeft en regeert,
Dat God hoort en zich actief met deze wereld bezig houdt
en dat Hij niet te heilig is en te groots voor wie dan ook.
Volharden in het gebed, steeds weer God opzoeken met onze dank en gebeden,
de Heere benaderen voor onszelf en de mensen om ons heen,
voor mensen die niets met het geloof hebben: de mensen in je dorp, op je werk,
je gezin, je vrienden,
vanuit het geloof dat de belofte die er voor jezelf is, waarin je mag geloven,
dat die belofte ook voor anderen is.
Bidden is danken – steeds zien, steeds erkennen wat God je geeft.
Naar lichaam en ziel.
Bidden is vragen – voor jezelf, voor anderen.
Bidden is jezelf open stellen voor God en de taak die Hij je geeft.
Het is een uitvloeisel van het avondmaal, een gevolg van de liefde van God
die in je hart komt, waardoor je naar God teruggaat, en anderen meeneemt naar God toe.
Zo is de kerk een baken van hoop
in het bij elkaar komen in de kerkdienst, in het elkaar opzoeken thuis of Bijbelkring,
in het meeleven, in het delen in elkaars leven, in het helpen van elkaar,
in het gebed voor de wereld, dichtbij en ver weg
De kerk als baken van hoop dat God er is, dat Hij werkt, nu,
zoals Hij dat gedaan heeft en altijd zal werken,
tot Hij terugkomt zal er een gemeente zijn, die met Hem leeft, uit Hem leeft en tot Hem leeft.
Een gemeente die door God wordt gebruikt om Zijn koninkrijk te bouwen.
Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2017

Preek Tweede Pinksterdag 2017
Schriftlezing: Kolossenzen 1:1-11
Tekst: vers 8-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Er komt een schip uit Kolosse in de haven aan!’
Bij dat bericht kijkt Paulus vol verwachting op.
Zou Epafras op dat schip aanwezig zijn?
Dat zou mooi zijn, want dan kan hij eindelijk weer eens horen,
hoe het in de gemeente van Kolosse gaat.
Paulus gaat naar de haven toe, om te kijken wie er allemaal op het schip zijn meegekomen.
En inderdaad, fijn!, daar ziet hij Epafras ook op het schip.
Hij is naar hem toegekomen om voor overleg
en Paulus bij te praten over hoe het met de gelovigen in Kolosse gaat.
Als Epafras van het schip komt, volgt er een hartelijke begroeting
en Epafras wordt door Paulus meegenomen naar zijn huis,
Waar hij ervoor zorgt dat Epafras van eten en drinken wordt voorzien.
Ondertussen brandt Paulus van nieuwsgierigheid:
hoe gaat het met Epafras zelf, hoe gaat het in de gemeente waarin hij werkzaam is.
Epafras vertelt hoe de reis verlopen is, hoe het met hemzelf gaat
en over de gemeente kan hij veel goede dingen vertellen.
Ik stel het me zo voor, dat Epafras vertelt over hoe de gemeente bij elkaar komt.
‘Paulus, je weet dat we in Kolosse maar met een kleine groep zijn,
maar je moest eens weten hoe moedig ze zijn, zonder dat ze dat zelf zo zouden zeggen.
Ken je Patricius nog? Weet je nog dat zijn familie niets meer van hem moest weten?
Dat is nog steeds zo, maar hij heeft in de gemeente een nieuw thuis gevonden.
De gemeente is voor hem als een nieuw gezin geworden.
Het is mooi om te zien hoe ze met z’n allen klaar staan om hem op te vangen.
Had je al gehoord Felix overleden is?
Zijn vrouw en kinderen worden door de gemeenteleden opgevangen.
Het is best een offer dat de gemeenteleden moeten brengen, maar ze doen het met alle liefde.
En weet je wat ook zo mooi is, Paulus?
Elke keer als we met elkaar avondmaal vieren, nemen alle gemeenteleden iets extra’s mee.
Als ze een mantel over hebben of een paar schoenen, nemen ze het mee.
En dat wordt dan nog steeds uitgedeeld aan de mensen in de stad die niets hebben.
Ook de mensen die het niet zo breed hebben, dragen hun steentje bij.
Ze nemen wat eten mee om dat ook door te geven.
Je zou hun gezichten eens moeten zien, als ze dat meebrengen.
Daarmee laten ze hun dankbaarheid zien, voor wat Christus aan het kruis heeft gedaan.
Er zijn sinds je weg bent, best wat mensen bij gekomen.
Sommigen hebben van ons gehoord, doordat we uitdelen aan de armen
en anderen worden door gemeenteleden meegenomen.
Ze worden met open armen ontvangen in de gemeente.
Een aantal van hen heeft ook al bezoek vanuit de gemeente ontvangen
om hen meer te over Christus.
Paulus, en weet je wat Filemon gedaan heeft, toen hij van jou die brief kreeg
de brief die jij hem schreef over zijn slaaf die weggelopen was en bij jou was aangekomen?
De eerstvolgende keer dat we als gemeente bij elkaar kwamen
stond hij tijdens de dienst op, om aan te geven dat hij iets wilde vertellen.
Hij zei: “Ik heb een brief gekregen van Paulus en die brief gaat over een slaaf van mij.
Jullie weten daar vast iets van, dat mijn slaaf Onesimus is weggelopen.
Ik heb een brief van Paulus gekregen waarin hij vertelt
Dat Onesimus bij hem is aangekomen
en dat Onesimus, op wie ik zo gemopperd heb omdat hij weggelopen was,
voor Paulus van grote betekenis is. Ik ben nu blij dat ik dat weet
en ik dank God er in Christus voor dat het zo heeft moeten lopen.’

Ik stel me zo voor, dat terwijl Epafras aan het vertellen is over de gemeente in Kolosse,
Dat zijn ogen steeds meer gaan glinsteren en dat hij blij en dankbaar is
voor het verslag dat Epafras over de gemeente van Kolosse vertelt.
Die ogen glinsteren, omdat de gemeenteleden de boodschap goed begrepen hebben,
die Paulus hen had verteld,
Dat geloven niet alleen maar iets van het hoofd is, maar ook van de handen,
dat het niet alleen voor de zondag is, maar ook voor de doordeweekse dagen.
Dat geloven ook betekent dat je naar elkaar omziet
en in je daden iets van de liefde van Christus laat zien.
De ogen van Paulus glinsteren helemaal, omdat hij weet,
dat wat er in de gemeente gebeurt, het werk van de Heilige Geest is.
‘Weet je, Epafras,’ zegt Paulus, ‘we moeten onze Heere daarvoor danken.
Want ik hoor, dat de Heilige Geest in hen de liefde wekt.
Wat je vertelt, dat is liefde door de Geest.
Daar moeten we de Heere voor danken.
En weet je, Epafras, ik zal elke dag danken voor de gemeente in Kolosse
en dan steeds danken dat de Heilige Geest in de gemeente werkt
en de gemeente gebruikt om Christus uit te stralen.’
En Paulus doet dat ook elke dag.
Er gaat geen dag voorbij, of Paulus dankt de Heere
voor het werk van de Heilige Geest in de gemeente van Kolosse.
Als hij voor de gemeente dankt, dan ziet hij de mensen weer voor zich:}
Patricius, de weduwe van Felix en haar kinderen, Filemon.
Hij ziet het voor zich hoe de gemeente avondmaal viert
en na afloop de goederen uitdeelt onder de armen
en hoe er daardoor een vreugde in de gemeente is.
Paulus moet wel danken en elke dag opnieuw doet hij dat.
De week gaat voorbij, de maand gaat voorbij:
er gaat geen dag voorbij zonder dankgebed voor de gemeente in Kolosse,
geen enkele keer vergeet hij te danken voor wat de Heilige Geest daar doet.
Na een tijd zegt Paulus tegen Epafras:
‘Ik wil dat de gemeente dat weet, dat ik elke dag voor hen dank.
Ik wil dat er enkele mensen naar hen toe gaan.
Jij blijft hier, maar ik zal Tychicus sturen, die ons hier zo trouw helpt.
Dan kan hij vertellen dat ik elke dag voor hen dank.
Weet je wat ik ook zal doen? Ik zal Onesimus meesturen,
dan kunnen ze met eigen ogen zien, hoe hij is gegroeid in zijn geloof.
Hij is er één van hen. Wat zullen ze opkijken, als ze zien wat hij nu betekent.
Ze zullen zijn komst als een bemoediging ervaren.
Ik wil hen nog meer laten weten.
Ik wil hen ook laten weten, dat ik voor hen een speciaal gebed heb:
dat zij helemaal vol worden van Gods wil,
en dat ze alle wijsheid van de Heilige Geest ontvangen,
die ze nodig hebben om als gelovige daar in die grote stad Kolosse te leven
en dat ze van de Geest wijsheid ontvangen om kerk te zijn daar in Kolosse.
Ze moeten weten dat ik daar elke dag bij God om vraag
en elke dag weer opnieuw aan de Heere vraag, of Hij die wijsheid wil geven
en of Hij hen steeds duidelijk wil maken,
wat ze daar moeten doen in Kolosse, wat Gods wil voor hen is,
Dat ze die wil te weten mogen komen.’
Zo gaan Tychicus en Onesimus op pad.
Wat een vreugde zal dat geven in de gemeente van Kolosse.
Wat zullen ze zich bemoedigd en gesterkt voelen.
Denkt u niet?

Weet u, wat ik zo mooi vind aan dit gedeelte?
Die verbondenheid.
Paulus, die elke dag voor de gemeente dankt en bidt.
Paulus die geen enkele dag overslaat.
Het is een vast ritueel geworden, een vast onderdeel van zijn dag.
Paulus, die zoveel te doen heeft.
Kolosse is niet de enige gemeente die zijn aandacht vraagt.
En toch, hij neemt de tijd om aan deze gemeente te denken,
om deze gemeente bij God te brengen
om te bidden om de Heilige Geest voor deze gemeente,
om te bidden of deze gemeente Gods wil mag leren kennen
en dat ze die wil ook in praktijk gaan brengen.
Paulus schreef ooit dat de gemeente een lichaam was: Christus was het hoofd

en iedere gelovige was een deel van dat lichaam, dat niet gemist kon worden.
Nu begrijp ik, dat dit bij Paulus niet alleen maar een mooi beeld is,
maar dat hij door middel van dat beeld wil uitleggen, hoe hijzelf de gemeente ervaart
en hoe hijzelf omgaat met de gemeente.
Hij voelt zich verbonden met de gemeente, in welke plaats die ook is.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Laodicea als met de gemeente van Kolosse,
Terwijl in die tijd Laodicea de stad Kolosse aan het voorbijstreven was.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Filippi, die hem steeds ondersteunt,
Als met de gemeente van Korinthe, met wie hij steeds overhoop ligt
en die vinden dat hij te weinig charisma heeft.
Met de gemeente van Rome is hij verbonden, ook al is hij er nog nooit geweest.
Voor Paulus is dat niet een sentiment, een gevoel alleen,
Dat is voor hem een principieel punt: want het is het werk van de Geest,
die gemeenteleden met elkaar verbindt, omdat ze aan Christus verbonden zijn.
Wie van Christus is, leert dat het leven niet om jezelf draait,
niet om je eigen belangen of prioriteiten, niet om alles uit jezelf te halen,
maar dat je leven om Christus draait en daarmee ook om andere mensen.
Dat laat de samenvatting van de wet ook zien:
God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf.
Dat is wat God vraagt
en Paulus vraagt steeds in zijn gebed of God het duidelijk wil maken
wat het in Kolosse betekent om God lief te hebben boven alles
en wat het betekent om je naaste lief te hebben als jezelf.
Dat kan in Kolosse iets anders betekenen dan in Efeze.
Dat heeft in Korinthe andere consequenties dan in Rome.
Maar wat in alle plaatsen hetzelfde is, dat het de Geest is,
Die ervoor zorgt dat het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste
in praktijk wordt gebracht, heel praktisch wordt gemaakt
in de zorg voor mensen die het moeilijk hebben,
in het uitdelen aan mensen die niets hebben,
in dankgebed en voorbede voor gemeenteleden.D
De Geest verandert daarvoor het hart, zodat er liefde komt
en we vanuit de liefde die God heeft voor ons in het leven staan
en dat die liefde door ons heen naar anderen toegaat,
zodat de mensen die deze liefde niet kennen, via ons Gods liefde leren kennen.
Wij zijn Gods visitekaartje – Paulus gebruikt het beeld van de leesbare brief:
De mensen die helemaal onbekend zijn met God
kunnen aan ons gedrag, onze houding zien wie God is,
wat Christus op aarde kwam doen en dat Christus ook voor hen gekomen is.
Verbondenheid en zorg voor elkaar – dat is de gemeente.
Onderling, binnen de gemeente, maar ook naar andere christenen over de wereld.
Ook al kennen wij die niet persoonlijk.
Christenen die in gebieden leven, waar we misschien nog niet eens van hebben gehoord.
De Geest verbindt ons hier in Oldebroek en ‘t Loo met gelovigen
die in Kirgizië leven en Bangladesh, op de Filippijnen en in Noord-Siberië.
Of wij hun taal spreken, of wij hun gewoonten begrijpen, of wij hun omstandigheden kennen,
dat maakt niet uit,we zijn met elkaar verbonden
en dat is niet alleen iets dat we zeggen, maar ook in praktijk hebben te brengen.
Door een zendingskrant te lezen, door de gebedskalender van Open Doors te gebruiken,
door voor bepaalde zendelingen te bidden en de nieuwsbrieven te lezen.
Door zendingswerk ook financieel te steunen.
dat je met de ogen van een zendeling naar je eigen plaats gaat kijken.
Wat kan ik heel praktisch doen, om het evangelie hier uit te dragen,
om hier iets van Christus te laten zien, niet alleen in woorden, maar ook door mijn houding
en mijn manier van leven, door hoe ik ben,
dat het evangelie mijn hart en mijn leven verandert, dat andere mensen merken
dat er in mij een andere Geest is: de Heilige Geest.

Paul Phillipi, een hoogleraar theologie die lesgaf over diaconaat deed een klein experiment.
Hij vroeg de mensen, wat de belijdenis over de kerk zei.
Hij was een Luthers theoloog en vroeg naar de Augsburgse Confessie.
Aan mensen die hun eigen traditie redelijk kenden vroeg hij:
‘Wat vertelt de Augsburgse Confessie over de kerk.‘
Ze kregen weinig bedenktijd, want dan zeiden ze wat ze zich levendig kunnen herinneren.
Het antwoord kwam: ‘De kerk is daar waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Dat was bijna goed: er waren enkele woorden overgeslagen:
De kerk is de gemeenschap der heiligen waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Met het antwoord dat uit het geheugen gegeven werd, draaide de kerk alleen om de eredienst
in de geloofsbelijdenis is de kerk meer dan dat.
De eredienst is wel het hart, de zondagse en ook de eredienst in huis,
maar de kerk is ook een gemeenschap.
We zijn geen losse individuen, maar aan elkaar verbonden, aan elkaar gegeven door Christus.

In de Heidelberger Catechismus is de kerk ook die gemeenschap.
Wat gelooft gij aangaande de heilige katholieke kerk?
Antwoord: Dat de Zoon van God van het begin tot aan de wereld zich uit de gehele mensheid
een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en instandhoudt; en dat ik daarvan een levend lid ben.

Paulus gaf het voorbeeld, het voorbeeld dat hijzelf van de Heilige Geest leerde.
En de gemeente van Kolosse nam dat voorbeeld over,
niet alleen omdat Paulus dat voorbeeld gaf, maar omdat de Geest hen dat leerde,
in hun hart de liefde wekte.
Paulus ziet het werk van de Geest in dankbaarheid in de gemeente van Kolosse.
We mogen vandaag ook danken voor wat de Geest allemaal in onze gemeente doet,
hoe Hij hier liefde wekt en verbondenheid met elkaar.
Wij zijn hier niet de ideale gemeente.
Dat zal pas in de hemel zijn.
Hier op aarde zijn we onvolmaakt en niet altijd gericht op Gods wil.
Daarom dat gebed van Paulus: om Gods wil heel concreet in Kolosse kenbaar te maken.
En Paulus kan er gelijk ook voor danken.
Als we bidden om hier Gods wil te mogen verstaan,
Hoe wij hier God kunnen dienen, mogen wij onze ogen niet sluiten
voor wat de Geest reeds doet, en daar net als Paulus elke dag weer opnieuw voor danken.
Dankbaarheid voor wat de Geest doet
en gebed, zodat de Geest steeds weer opnieuw duidelijk maakt wat God vraagt
gaat samen op, horen bij elkaar.
zodat u wandelt op een wijze de Heere waardig, Hem in alles behaagt, in elk goed werk  vrucht draagt en groeit in de kennis van God terwijl u met alle kracht bekrachtigd wordt, overeenkomstig de sterkte van Zijn heerlijkheid, om met blijdschap in alles te volharden en geduld te oefenen. (vers 10-11) Amen

Preek zondag 19 maart 2017

Preek zondag 19 maart 2017
Johannes 17:1-18
Tekst: Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze. (vers 15)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn vorige gemeente ging ik wel eens kijken bij gemeenteleden
die bezig waren met de bouw van een nieuwe boerderij.
Ze hadden een grote vervallen boerderij gekocht
met als doel die boerderij te slopen en daar een nieuwe neer te zetten.
Op een keer stond ik op het erf en keek ik naar de bomen die om het erf heen stonden:
Grote, kolossale bomen.
‘Die staan er niet voor niets,’ zei de man, ‘Kijk maar elke boerderij in de omgeving
heeft zo’n rij bomen om de boerderij staan.
Weet je waar dat voor is?’ Ik wist het niet. ‘Dat is om de wind tegen te houden.’
Ik begreep het: de wind.
Ons huis stond op het westen van het dorp
en het hoefde maar iets te waaien of de luiken van ons huis begonnen te klepperen.
Vaak is de wind daar een heel stuk sterker dan hier.
Heel wat keren gierde de wind om ons huis.
Ik kon me voorstellen dat degenen die buiten de bebouwde kom woonden in de open polder
zo’n rij bomen om de boerderij hadden als beschutting tegen de wind,
zodat je op het erf en in en om huis veel minder last hebt van de wind.

Als de Heere Jezus bidt voor Zijn leerlingen, is dat ook zo’n beschutting,
net als een rij bomen om een boerenerf heen.
Het gebed van Christus als een beschutting om ons heen:
Ik bid dat U hen bewaart voor de boze.
Wanneer iemand voor je bidt, kan dat heel weldadig zijn, kan je dat heel goed doen.
Het is helemaal bijzonder als de Heere Jezus zelf voor je bidt.
Om ons leven heen is dit gebed, net als een bomenrij om een boerenerf, om ons te beschutten
De Heere Jezus heeft daarbij een heel specifieke bedreiging op het oog:
een aanval van de boze
die, als Jezus niet meer bij Zijn discipelen is, zal proberen om hen van het geloof af te helpen.
Want dat is het doel van de boze, om de discipelen en ook ons vandaag de dag
bij de Heere Jezus weg te krijgen,
zodat we uit die gemeenschap met de Heere Jezus wegraken.
Jezus weet dat de boze zijn kans zal grijpen op het moment dat Jezus is gearresteerd
de weg naar het kruis gaat, gestorven en begraven is,
wanneer Hij niet meer bij Zijn discipelen is om hen uitleg te geven of bij te staan
ze kwetsbaar zijn voor wat de boze hen influistert, hen wil doen geloven.
En dat in de tijd dat Christus naar de hemel is gegaan en Zijn leerlingen achterlaat,
dat ze Zijn nabijheid missen, Zijn nabijheid die voor hen een bescherming is.
Door voor ons te bidden laat Christus zien,
dat Hij weet dat ons geloof kwetsbaar is
en het zelf in die confrontatie met de boze gemakkelijk onderuit kan gaan.

We zijn er misschien niet altijd op bedacht dat de boze met ons bezig kan zijn.
Als je op een zonovergoten dag op een boerenerf staat,
staan die bomen er meer voor de entourage, voor de sier
en houden ze meer de zon tegen dan de wind.
Hebben we in onze tijd eigenlijk wel last van de boze,
van de confrontatie waarmee hij ons opzoekt, om ons geloof te laten wankelen
en ervoor te zorgen dat wij de band met Christus opgeven?
Misschien niet zo’n stevige confrontatie als waar de discipelen mee te maken kregen,
die zagen dat hun Heer en heiland werd opgepakt
en zomaar ter dood veroordeeld werd alsof Hij een gevaarlijke terrorist was
die onschadelijk gemaakt moest worden om erger leed te voorkomen.
Die schok van de dood die Zijn leerlingen niet hadden zien aankomen,
ondanks alle aankondigingen van Jezus, was een grote schok,
waardoor het gebed van Christus een urgentie laat zien:
Ik bid dat U hen bewaart voor de boze,
dat de boze de weg van het kruis gebruikt hen bij Christus weg te houden.
Aan de voet van het kruis stonden enkele vrouwen in Jezus hadden geloofd
En stond de discipel Johannes.
Zou het gebed van Christus hen beschermd hebben, toen ze hun Heer daar zagen hangen?
Zouden wij te maken hebben met de boze
en hebben wij het nodig dat wij ervoor bewaard worden?
Zo erg als de christenen die worden opgesloten in de gevangenis omdat ze geloven
is het voor ons hier in Nederland niet.
Soms kan er wel zo’n aanval zijn:
Een collega die heel schamper doet omdat je gelooft, of nog gelooft.
Geloven, dat is toch iets dat achterhaalds is.
Als je dat dan persé wilt doen, dan alleen thuis, achter de voordeur.
Of iemand in je vriendenkring of familie, die steeds de discussie opzoekt
je ervan wil overtuigen dat God niet bestaat, of dat door godsdient alleen maar ellende komt.
Ik bid dat U hen bewaard voor de boze.
Wanneer je er toch mee te maken hebt, dat je wordt aangevallen op je geloof
en je voelt van jezelf dat je geloof niet zo sterk, mag je weten
dat om je heen dit gebed is, als een beschutting.

De boze kan ook een veel subtielere manier gebruiken om ons van Christus weg te trekken:
Dat je het goed hebt, zo goed hebt, dat je het ook wel redt
zonder je echt druk te maken om God.
Dat er een bepaalde nonchalance in je geloof sluipt.
Je doet er wel iets aan, maar echt diep zit het niet,
geen echt hechte band met Christus, meer een losse band van af en toe bidden,
zo af en toe naar de kerk gaan en er af en toe aan denken.
En voor je het weet, wordt de tussenpozen alleen maar groter en raak je verder weg.
Of dat je het te druk hebt om je er echt mee bezig te houden.
Je aandacht gaat naar andere dingen uit.
Als je al zou willen geloven, of er mee bezig zou willen zijn,
dan komt het er niet van, het past er niet bij in je hoofd, in je hart,
in jouw manier van leven.
Ik bid dat U hen bewaart voor de boze.

Het is een zorg van de Heere Jezus om ons geloof, om onze band met Hem.
Want als we met Christus verbonden blijven, zijn we ook met God verbonden.
Het is niet alleen het gebed dat een bescherming voor ons is,
door Christus zijn we ook opgenomen in de gemeenschap van de Vader en de Zoon.
Dat is de ruimte waarin we mogen leven,
de ruimte die we mogen betreden,
niet alleen maar het gebed van Christus om ons heen als die rij bomen om een boerenerf,
maar dat het erf de gemeenschap van de Vader en de Zoon is
en dat wij daar ook een plek hebben.
Geborgen in de band die de Vader en de Zoon samen hebben:
Christus die heel nauw met de Vader verbonden is en dat ook in het gebed verwoordt.
In die gemeenschap krijgt ieder die gelooft ook een plek.
Die gemeenschap van de Vader en de Zoon is dan uw plek.
Het begint bij de Vader: je bent van Hem.
Daarin klinkt liefde en betrokkenheid door, maar ook dat je bij God hoort.
Je hoort aan God toe en je hoort het niet ergens anders te zoeken.
Buiten God is er geen leven.
Als je die gemeenschap, die band, het samenzijn met God kwijtraakt, raak je veel kwijt.
Daarom bidt Jezus ook om ons te bewaren. In die band, in dat samenzijn.
Want zowel de Vader als Christus hebben verantwoordelijkheid voor u, voor jou.
In Zijn gebed zegt de Heere Jezus, dat de Vader ons heeft overgedragen aan de Zoon.
Hij heeft ons gegeven, in Zijn hand, als een kostbaar bezit.
Als iets waar Hij zuinig op is
en om Christus aan te sporen de weg naar het kruis te gaan.
Zodat Christus weet voor wie Hij het doet,
dat Hij de gezichten kent, uw gezicht en jouw gezicht,
dat Hij de namen kent, uw naam en jouw naam,
de levensgeschiedenissen kent, weet wat jij doormaakt en hoe uw leven eruit ziet.
Zodat Hij weet wat onze zwakke kanten zijn
en hoezeer wij op Hem leunen en Zijn aanwezigheid en bescherming nodig hebben.
Er klinkt zorg in door, in Zijn woorden, de verantwoordelijkheid die Hij voelt:
Ik heb hen bewaard, degenen die U aan Mij hebt overgedragen.
Een heel intiem gebeuren, waarin wij opgenomen zijn.

Een intiem gebeuren, waarin we mogen zien Wie God is.
Daar zet het gebed van Christus mee in, dat de Vader toont wie Christus is.
Hij doet dat met de woorden: Verheerlijk uw Zoon.
Laat zien Wie Uw Zoon is en wat Zijn heerlijkheid en grootheid is.
Die heerlijkheid: dat is niet alleen wat Jezus’ hart is, van binnen,
maar ook wat Zijn uitstraling is, wat Zijn effect is.
Een bijzonder effect, een bijzondere heerlijkheid: aan het kruis op Golgotha,
met dat opschrift: Jezus uit Nazareth, koning van de Joden.
Als wij verbonden zijn met Christus, dan geldt wat Hij deed op Golgotha ook voor ons.
Dan mogen wij, dan mag u, dan mij jij dat aannemen,
mag jij geloven dat Hij het ook voor jou volbracht heeft
en dat je opgenomen bent in die intieme gemeenschap van de Vader en de Zoon.
Ook al ben je dan nog op aarde, je bent wel opgenomen in die gemeenschap.
Je bent op dat erf, met die bomen erom heen,
Waar de boze geen vat meer op je kan krijgen, omdat je van Christus bent
en Zijn gebed om je heen is en je in Hem geworteld bent.

Waarom zijn we dan nog in de wereld?
Waarom bidt Jezus bij Zijn weggaan niet:
Vader, Ik bid dat U hen snel uit deze wereld weghaalt?
Ik kwam een definitie tegen van de wereld: de wereld is waar je van God los bent.
Dat is de plek waar we leven: tussen mensen die van God los zijn
en dat van God los zijn is de dominante stroom in deze wereld.
Dat maakt de wereld waarin wij leven wereld is.
Een wereld die soms vijandig is ten opzichte van het geloof en van God.
Een wereld die soms heel goed zonder God kan en het nog lijkt te redden ook,
zodat je je afvraagt wie het beter heeft.
Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt.
Waarom eigenlijk niet?
Dat zou ons toch heel wat besparen aan zorg en strijd?
Dat zou ons toch heel wat minder aanvechting en twijfel geven?
Waarom laat Christus ons alleen in de wereld achter?
Omdat de kerk in deze wereld een taak heeft.
Omdat u, omdat jij in deze wereld een taak heeft
en die taak kunnen wij niet vervullen als God ons uit die wereld weghaalt.
Onze taak is dat God in deze wereld wordt verheerlijkt.
We hebben een taak, een zending in de wereld: om te laten zien wie God is.
Juist aan de mensen die God niet kennen,
juist in een wereld die wereld is: namelijk de plek waar mensen van God los zijn.
In die wereld zijn we geplaatst.
We horen in die wereld, maar we zijn niet van die wereld.
Ons hart ligt niet in deze wereld, maar in de gemeenschap met God,
bij die intieme gemeenschap tussen de Vader en de Zoon.
Wel in de wereld, maar niet van de wereld.
We hebben in de wereld waarin we leven een taak
en voor die taak, waartoe Christus ons zendt, hebben we dat gebed mee:
Ik bid niet dat U hen uit deze wereld wegneemt, nee want we moeten hier nog zijn.
maar dat U hen bewaart voor de boze.
Dat ze mogen weten dat U de overwinnaar bent
en dat hoeveel tegenstand er ook zal zijn, zij niet uit Uw hand vallen,
maar altijd opgenomen zijn in die gemeenschap.
Die taak is wel heel bijzonder, want Jezus bidt hier voor Zijn leerlingen,
die Hem over enkele uren in de steek kunnen laten:
Petrus die aan bij de hogepriester in het huis zijn Meester verloochent,
leerlingen die het niet kunnen opbrengen om in die gemeenschap te blijven
als Jezus wordt opgepakt maar weggaan of uit de verte kijken.
Degenen die een taak hebben, die gezonden zijn, zijn uit zichzelf niet zo sterk,
maar hebben het juist nodig om beschermd te worden,
om het geloof niet kwijt te raken of niet onderuit te gaan.
Juist die kwetsbare gelovigen, die snel zullen wankelen, worden in deze wereld gezonden,
om niet alleen over God te praten en van Christus te getuigen,
maar ook in alle kwetsbaarheid en zwakheid zelf een getuigenis zijn.
We moeten daarom ook maar niet kijken naar een andere plek,
waar de kerk beter draait
(ik denk dat er weinig plekken in ons land zijn waar de kerk beter ‘draait’ dan hier)
of waar de kerk sterk onder druk staat en dat uit meewarigheid,
nee, u bent hier geplaatst, hier bent u die gemeenschap die leeft
hier in deze wereld in die gemeenschap van de Vader en de Zoon,
op het erf van de Vader en de Zoon met het gebed als die bomenrij erom heen.
Niet in afzondering tot de plek waar we wonen,
maar er minddenin. Christus neemt ons niet weg uit deze wereld,
maar bidt wel dat wij in de wereld waarin wij staan, leven bewaard worden door God.
Een voorbeeld van hoe God zelf degenen die van Hem zijn bewaart,
Wat er ook gebeurt,
in tijden dat het goed is en de verleiding om op te gaan in dit leven sterk is.
in tijden waarin er aan ons geloof geschud wordt door de spot van mensen om ons heen
of waarin we tegenslagen hebben te verduren.
Ik bid niet dat U niet uit deze wereld weghaalt
omdat juist u als gelovige, die het helemaal niet perfect doet
en er vaak naast zit en het ook niet altijd weet getuige bent,
niet alleen in uw woorden, maar ook in uw houding, in uw daden,
doordat u, doordat je steeds Christus opzoekt.
Ik bid dat U hen bewaart voor de boze.
En zou God het gebed van Zijn Zoon niet verhoren, die zo dicht bij Hem leeft
en die Zijn wil heeft uitgevoerd en zichtbaar heeft gemaakt wie God is?

Wie Christus is, wordt niet alleen zichtbaar aan het kruis. Dat allereerst,
maar wordt ook zichtbaar in u, in jou,
mensen die hier in deze wereld zijn, maar van wie het hart ergens anders ligt,
bij Christus, die hier geplaatst zijn, maar weten in ben van hier,
en tegelijkertijd ben ik van ergens anders, opnieuw geboren,
hoor ik tot die gemeenschap die door God in de handen van Zijn Zoon is gegeven
en van wie de Zoon zegt: er is niemand verloren gegaan.
Alleen die ene, maar die moest. De rest is allemaal bewaard gebleven.
In onze bewaring voor de boze wordt de heerlijkheid van Christus zichtbaar
wordt zichtbaar wie Christus is: de Heer van die zwakke gelovigen,
die het snel weer kwijt zijn, maar door Christus zelf bij Hem gehouden worden
en door God worden bewaard, hier op aarde en tot in eeuwigheid. Amen

 

Preek zondagmorgen 25 september 2016

Preek zondagmorgen 25 september 2016
Deuteronomium 12:1-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Deuteronomium is maar een taai Bijbelboek’,
zei een ouderling in de consistorie toen ik daar als gastvoorganger een dienst leidde.
‘In het begin is het nog wel te doen
met die terugblik op de woestijnreis,
maar op een gegeven moment krijg je al die wetten en regels.’

Vandaag zijn we bij een aantal van die wetten en die regels aangekomen
en misschien verwoordde die ouderling in de consistorie
ook wel uw mening over het Bijbelboek Deuteronomium: ‘taai’.
Als je Deuteronomium al leest, dan kun je gemakkelijk afhaken,
omdat het niet duidelijk is, wat je er mee moet.
Wat hebben die regels en die wetten uit dit Bijbelboek nu te maken
met mijn alledaagse leven?
Dat is  – denk ik – ook wat die ouderling bedoelde:
Ik kan weinig met die wetten en die regels,
omdat ze ver af staan van het leven dat ik heb.

Daarbij kunt u als lezer van deze 21e eeuw bij het 12e hoofdstuk
helemaal de wenkbrauwen fronsen:
is het vernietigen van de heiligdommen en de afgodsbeelden
niet iets van de Taliban en IS?
De taliban vernietigden ooit twee enorme, eeuwenoude beelden van Boeddha
omdat deze beelden ongepast waren volgens de islam.
En van IS is bekend dat ze oude kerken en oude Romeinse tempels verwoesten
in de gebieden die zij veroverd hebben.
Dat kan een tweede reden zijn – naast het taaie van Deuteronomium,
waardoor je dit Bijbelboek zou willen overslaan
en snel doorbladeren naar een volgend Bijbelboek
terwijl je ondertussen denkt: Er staan toch maar rare stukken in de Bijbel.

Ik hoop vanmorgen in de preek iets van dat taaie weg te kunnen nemen
én dat u ook begrijpt dat dit hoofdstuk minder met de IS en de taliban te maken hebben,
maar daarvoor maak ik even een omweg van wat ik dit weekend las.
Ik hoop u mee te kunnen nemen.

Taai – dat is het woord gebruikt werd door de ouderling – ver weg van het leven dat ik heb.
Maar wat is dat leven, dat u hebt? Hoe ziet jou leven eruit?
In het Nederlands Dagblad stonden dit weekend twee artikelen van collega’s van mij:
ds. Paul Visser (Amsterdam) en ds. Kees van Ekris (Zeist)
– beiden betrokken bij de IZB en daar zijn hun verhalen ook na te lezen.
Deze twee predikanten gaven aan, dat er in de kerk veel vermoeidheid én verveling is
en door die verveling en vermoeidheid verkruimelt het geloof van de kerkgangers.
De kerkgangers – ze doen nog wel mee met alles: met de kerkdienst,
met bijbelkring, leiden clubs,
maar onderhuids is er twijfel of het allemaal wel waar is,
of een bepaalde verveling: het raakt niet meer,
de preek niet, de liederen niet, de gesprekken niet
en je kunt het dan wel zoeken in een soort geloofskick, een oppepper,
maar die overschreeuwt alleen maar de verveling en vermoeidheid.
En als de kick is uitgewerkt, slaat de verveling en vermoeidheid des te harder toe.
Is dat wat u herkend?
Ik overval u er misschien mee, omdat u deze berichten niet gelezen hebt.
Is er in jouw vriendenkring deze verveling, of bij jezelf.
Merk je dat de woorden van God jou niet meer raken,
of bij je vrienden niet meer binnenkomen?
Of zeg je: ‘Hoe komen deze twee predikanten erbij.
Ze leven in een heel andere wereld dan ik.
Ik kom juist bevlogenheid en verlangen tegen.’?

Ik zou zelf zeggen dat er iets anders aan de hand is
en het zou wel eens over hetzelfde kunnen gaan als wat Visser van Van Ekris signaleren.
Dat het geloof los staat het dagelijks leven,
een eigen wereldje dat weinig verbinding heeft met de andere delen van ons bestaan.
Het geloof is er wel en op zondag en door de week probeer je het te voeden,
maar het is een eilandje in je leven,
af en toe heb je er aandacht voor – als je tijd hebt,
maar meestal gaat de tijd op aan iets anders,
omdat je ook veel te doen hebt.
Afgelopen week was ik op een Bijbelkring waar dit aan de orde kwam.
Het begon met het huishouden: het huis schoonmaken, de was wegwerken,
je werk, de kinderen die je aandacht wilt geven.
Is er dan nog wel tijd voor jezelf om op de bank je gaan zitten,
gewoon te zitten en wat na te denken over jezelf, of te lezen in een boek?
En als er zoveel is dat je aandacht opeist, zoveel dat gedaan moet worden,
waar haal je dan de tijd en de rust vandaan
om contact met de Heere te zoeken: tijd voor bidden, voor lezen in de Bijbel.
Als die tijd er is, dan ben je van binnen vol onrust
– onrustig in het hoofd, in je hart.
En daardoor kom je er niet toe om het contact met de Heere te zoeken, te verdiepen.
Ik denk dat het wel eens een van de grootste problemen binnen de kerk kan zijn:
dat gebed en het lezen uit de Bijbel niet meer gedaan wordt,
of wel gedaan wordt, maar dan zonder dat het echt iets oplevert voor je geloof.
Je zou misschien wel willen, maar het lukt je niet.

Juist dan kan dit taaie hoofdstuk 12 uit Deuteronomium zinvol zijn.
Dat Bijbelboek dat zoveel regels en wetten heeft,
die niets met ons leven te maken zouden hebben, wil ons laten weten:
alle aspecten van het leven behoren aan God toe.
Als je merkt dat het geloof een eilandje is,
dat helemaal los staat van de rest van je leven, hoort er bij jezelf een alarm af te gaan:
er gaat iets niet goed met mij,
want elk onderdeel van mijn leven hoort aan de Heere toegewijd te zijn.
In de wetten en regels die in Deuteronomium wordt daar een uitwerking aan gegeven:
hoe het leven in zijn geheel aan de Heere worden gewijd
en hoe je kunt voorkomen dat je geloof iets wat los staat van de rest van het leven.
Het gaat hier om geloof dat in praktijk gebracht wordt, geloof dat geleefd wordt.

In hoofdstuk 12 start een uitwerking van die geboden.
Eerder heeft Mozes al wat gezegd over wetten en regels, richtlijnen en geboden,
die het volk moet naleven.
Nu gaat hij dat concretiseren:
Dit zijn de verordeningen en de bepalingen
en wat ik jullie, volk, nu ga uitleggen, moet je heel nauwgezet in praktijk brengen.
Dus niet halfslachtig, of een beetje, niet als je een kwartiertje over hebt
maar met volledige aandacht en totale inzicht.

Mozes begint zijn uitwerking van de geboden door te zijn op het land
waar ze in terecht zullen komen: dat land wordt aan jullie gegeven.
Dat geeft de Heere aan jullie, omdat je Hij dat aan je voorouders heeft beloofd.
Wat je straks hebt: het huis, het stuk grond om je huis, waar je de groenten verbouwt,
de akkers waar je koren voor het brood en mais op groeit,
de weiden waar je vee op zal grazen
– dat is allemaal een geschenk van de Heere.
In dat land dat de Heere geeft, komen een aantal dingen samen,
die laten zien hoe de Heere God is van Israël:
allereerst een thuis, een plek om te wonen, waar je je kunt wortelen,
je hoeft niet meer te zwerven door de woestijn, vol bedreiging en steeds weer opbreken,
maar een thuis.
Het zal ook een thuis in vrijheid zijn:
niemand zal je opjagen, zoals dat gebeurde toen je nog slaaf in Egypte was.
En je zult het goed hebben in dat nieuwe land, dat Ik je geef:
Een leven in overvloed.
Dat land laat zien, dat Ik jullie zal zegenen: Ik heb het goede met jullie voor.
In dat land mogen jullie leven onder Mijn bescherming
en je mag er thuis zijn – en niet zomaar thuis,
maar bij Mij thuis, omdat Ik er ook woon – voor Mijn Naam zal er een huis zijn.
Je ontvangt dat allemaal als een geschenk van Mij,
omdat Ik jullie God wil zijn en Ik jullie als Mijn volk wil.
Dat land laat zien, dat Ik jullie liefheb, dat Ik jullie heb uitgekozen en voor jullie zorg.
Dat land is echte grond: tastbaar, concreet – je kunt er overheen lopen,
je kunt het voelen, zien, je vee kan er op grazen, je koren groeit erop.
Bij elk stukje van je land dat je ziet, elke keer als je met je hand de grond voelt,
je grond omploegt, of als je erover gaat om te zaaien en te maaien,
moet je bedenken: dit geeft God mij
en de Heere geeft mij dat niet zomaar, maar omdat Hij het goede met mij voor heeft.
Alles wat ik heb, wat ik bezit, spreekt van Gods goedheid, Gods trouw.
Ik heb dat niet zelf voor elkaar gebokst, maar gekregen omdat God voor mij zorgt.

Dat geschenk wordt niet meer van je afgenomen.
En de Heere wil dat je ervan geniet, van die overvloed die Hij je geeft.
Alleen wil Hij wel, dat je er met Hem van geniet – vers 12:
Blij worden met wat God geeft en die blijdschap met Hem delen:
je gaat naar God toe, je neemt de moeite om naar Hem toe te gaan,
je komt voor Hem te staan en zegt Hem – recht in het gezicht:
Heere, dank U voor alle overvloed die ik heb gekregen.
Vers 15: je hoeft niet karig te leven. Als God je zegent, mag je daarvan genieten.
Als je maar ziet, dat het van God komt
en dat goede dat je hebt, de overvloed, de rust, de vrede – uit Gods hand komt.

Die dankbaarheid kan zo weg zijn.
Dat je het goed hebt, dat kun je heel gewoon vinden,
zodat je vergeet stil te staan bij de Gever van al dat goeds: de Heere.
Daar gaat hoofdstuk 12 over: Hoe voorkom je dat je de Heere vergeet
als Gever van het goede, hoe voorkom je dat je vergeet te danken?
Hoe blijf je je ervan bewust dat wat je hebt van God komt ?
Allereerst door opruiming te houden, zegt Mozes tegen het volk. Weg met die heiligdommen
die er staan op dat land dat je van God hebt gekregen.
Dat is geen oproep tot Talibanachtige of IS-achtige praktijken,
maar een oproep om alle concurrenten van God bij je weg te doen.
Die bergen – daarbij moet u denken aan Psalm 121:
Ik kijk omhoog naar de bergen, waar komt mijn hulp vandaan?
Wie is het die mij ‘s morgens vroeg doet opstaan?
Waardoor ik de moed en de fut heb om aan de dag te beginnen?
Wie geeft mij de energie voor de dag en volhoudingsvermogen?
Wie zorgt ervoor dat ik werk heb, dat er klanten zijn voor mijn winkel of bedrijf?
Mijn hulp komt van de Heere.
Al het andere, dat suggereert jou te helpen, moet je wegdoen.
Die afgoden – ze zijn slechts een suggestie: ze beloven je iets moois,
maar kunnen je niet horen, niet zien, niet helpen – een illusie.
Misschien zeg je: ik kan de dag goed beginnen, omdat ik op tijd naar bed ga
en daarom heb ik energie genoeg, ik heb discipline in mijn leven.
Ik houd vol, omdat ik sport, twee, drie keer in de week: energie opdoen, hoofd leegmaken.
Maar dan graaf je niet diep genoeg, als je niet ziet dat het van God komt
en als je dat niet ziet, is het maar een lege bedoening
– of om met woorden van het Oude Testament te spreken: een afgod.
Een afgod kan iets goeds zijn, maar het wordt iets verkeerds
als je daardoor niet meer aan de Heere denkt.
Als je bijvoorbeeld denkt dat je je gezondheid te danken hebt aan een bepaalde kuur
of vitaminepreparaten en je vergeet dat God het je geeft.
En die heuvels, die bladerrijke bomen – dat zijn de gaven die God geeft, de overvloed.
Als je denkt dat dat je gelukkig maakt, zonder dat je er bij stil staat dat je ze ontvangt
uit Gods goede hand, waarmee Hij wil laten zien dat Hij voor je zorgen wil.
Dan knip je het geschenk los van de Gever.
Opruimen wat het zicht op God beneemt, waardoor je God niet meer ziet.
Je kunt het goed hebben, geen belemmering om iets te kopen,
je kunt gezond zijn, je kunt veel energie hebben om veel activiteiten te doen,
maar als er geen tijd en aandacht voor God is – wat koop je er dan voor?

Als je niet ziet hoe dichtbij God is – Zijn naam woont op aarde,
Hij is bereikbaar, je kunt naar Hem toekomen.
Dat is de kern van deze geboden en richtlijnen – vers 5!
Vers 5 geeft aan: je kunt voor God komen, je mag voor Hem verschijnen,
De grote en heilige God.
Het accent ligt op het komen voor God – God onder ogen komen.
Kun jij God onder ogen komen?
Als het einde van een mensenleven nadert, kunnen mensen daar heel diep over na denken:
Kan ik, mag ik voor God verschijnen?
En ook als ze midden in het leven staan kan er een schroom zijn:
Ik – wie ben ik dat ik zomaar voor God kan komen – met mijn vragen en gebeden?
Ja, dat kan, zegt de Heere. Kom maar.
Dat naar God gaan, dat voor God komen
– dat moet de kern van je leven zijn, daar moet alles om draaien.
Dat bij al de verschillende werelden waarin je in een week, of soms op een dag, komt,
Dat je één kern hebt: God, die dichtbij is, bekend bij Zijn Naam,
die een plek op aarde heeft.
Dat je daar naar toe gaat met wat je van Hem ontvangt.
Er worden offers genoemd: vlees van koeien en schapen om te offeren:
om te verbranden of te slachten en het dan weg te geven aan Levieten.
Offers zijn in het Oude Testament bedoeld om God te laten delen
in de overvloed die je van Hem krijgt.
Dit krijg ik van U, U geeft het aan mij en ik geef U er een deel van terug.
Ik houd niet alles voor mijzelf, maar ik sta een deel af
om mij weer te herinneren dat het van U komt.
Zoals wij dankdag hebben (een gift voor de kerk, boodschappen voor Dorcas).

Mozes zegt: dat moet je op één plek brengen en daar vier je feest – voor Gods aangezicht!
Ik heb me afgevraagd hoe we die ene plek nu moeten zien.
Waarschijnlijk gaat het om de tabernakel en later de tempel
en dan Jeruzalem als dé plek waar de Heere op aarde Zijn troon heeft.
Waar Mijn naam gevestigd is, waar Mijn woning is (vers 5).
Die ene plek naar mijn idee aan: er is een centrum in het land, een kern in het volk,
dat voor eenheid zorgt: en dat is God zelf en het dienen van God.
Diversiteit mag, je mag allemaal anders zijn,
geen stam, geen familie is dezelfde – je hoeft voor God geen eenheidsworst te zijn,
maar wel dat gemeenschappelijke in God
en dat je – hoe verschillend je allemaal ook bent – een plek samen hebt,
waar je met z’n allen naar toe gaat.
In de christelijke kerk heeft de kerkdienst die betekenis een beetje gekregen.
Het is niet helemaal het zelfde, maar wel bedoeld als de kern:
de kerkdienst als kern van jouw eigen leven,
omdat je de week op zondag begint met God
en dat je dat de hele week verder meeneemt.
Dat je samen komt, met elkaar.
Allemaal verschillende mensen, die in ieder geval één iets gezamenlijks hebben:
een God in de hemel, die ons de goede gaven geeft, vanuit de hemel
die een Naam op aarde heeft, vanuit het Nieuwe Testament gezegd:
Die op aarde kwam als mens: Jezus Christus.
Allemaal verschillend en toch samen één:
Niemand is meer dan de ander: mannen worden niet uitgesloten, maar vrouwen ook niet.
De kinderen horen er volop bij, evenals het dienstpersoneel dat ook mens is als wij.

Ook de Leviet – de Leviet is degene die geen bezit heeft,
die eraan herinnerd: jullie waren vroeger woestijnvolk zonder vaste plek,}
zwervend over dat stukje aarde, nu niet meer, maar die oorsprong mag je nooit vergeten.
De Leviet – die het je laat weten:
Dat stukje aarde dat je hebt om op te wonen, dat je van de Heere krijgt,
je hebt daar geen eeuwige stad. Je blijft er niet voor altijd.
Je echte thuis is bij God.
Hoe goed je het hier ook hebt, het goede leven, het echte thuis – dat komt nog.
Mozes zegt dat in vers 9: nu ben je er nog niet,
dat land dat ga je wel betreden.
Hij heeft dat tegen Israël in de woestijn, dat bijna de Jordaan oversteekt:
Een plek op aarde.
Zonder te doen dat die belofte van Israël afgelopen is en niet meer geldt
(volgende week is het Israëlzondag!)
zeggen we: hoe goed we het hier hebben,
hoeveel we ontvangen en hoezeer we met wat we krijgen naar God terug kunnen,
De echte rust, het echte thuis komt nog,
als we de Jordaan mogen oversteken en onze Heere Jezus Christus daar staat:
Welkom in het Vaderhuis met de vele woningen, dat zal je Thuis zijn voor eeuwig.

Zo gaan we door het leven: op reis naar die Stad.
Maar we hoeven ons niet van dit leven af te sluiten.
We mogen leven in overvloed en daarvan genieten, (Gezang 479!)
zolang we dat maar doen in het besef, dat het van God komt
en het besef dat dit leven hier op aarde niet het enige is, maar dat de echte rust nog moet komen.
Al die regels en wetten zijn bedoeld om dat besef levend te houden,}
om ons te bepalen bij God die geeft: niet karig maar overvloedig,
hier op aarde ons al doet delen in Zijn gemeenschap,
maar eens de poorten openzet van het Vaderhuis voor de eeuwige zegen. Amen

Preek nieuwjaarsdag 2016

Preek nieuwjaarsdag 2016
Psalm 25: 1-4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Psalmen zijn bedoeld als voorbeeldgebeden.
Ze zijn bedoeld om ons mee te nemen in het gebed.
Door de psalmen hardop te lezen, bidden we al.
En door de psalmen steeds weer te bidden, worden onze gebeden gevormd.
Vanmorgen, aan het begin van het nieuwe jaar, laten we ons meenemen
door de 25e Psalm,
die ons aan het begin van het nieuwe jaar meeneemt in het gebed.
Zo met Psalm 25 beginnen we al biddend het nieuwe jaar
en brengen we gelijk al een beetje in praktijk van wat Paulus ons opdroeg:
Laat uw hele leven een gebed zijn.

De psalm begint met een beweging naar de Heere toe,
door Hem aan te spreken
en daardoor Hem weer op te zoeken: tot U, HEERE.
Dat is altijd het wonderlijke van het gebed,
dat we het contact kunnen zoeken met onze Schepper,
die aan ons het leven gegeven heeft
en ook nog steeds zorg voor ons draagt
Tot U, HEERE, die alle tijden in Uw hand houdt
en ons dit jaar gegeven heeft om daarmee uw trouw en zorg voor ons te tonen.    
Tot U komen wij
en we weten dat we niet afgewezen zullen worden.
Wij kijken vooruit naar het nieuwe jaar
en weten dat het net zo’n bewogen jaar zal kunnen worden als het afgelopen jaar.
Wat zich in de afgelopen maanden heeft afgespeeld,
zal in de komende weken niet voorbij zijn.
En daarom komen we tot U, Heere, onze God.
Dat komen tot God heeft iets van omhoog kijken, omhooggaan: Tot U.
Tot U, Heere, hef ik mijn ziel op.

Ik weet niet of u dat wel eens gedaan hebt: ik heb mijn ziel omhooggeheven.
Meestal is de ziel zwaar, zo geven de psalmen aan.
Gaat de ziel gebukt onder de angst van wat komen gaat
of gaat de ziel gebukt onder de spanning
die door de aanwezigheid van andere mensen wordt opgeroepen.
Mijn vijanden – zegt de psalm.
Vijanden – dat is een sterk woord voor de mensen
die je niet kunnen zien zoals je bent,
die altijd een venijnige opmerking moeten maken
– om je naar beneden te halen.
En toch – wat mij ook kan neerdrukken.

Ik kom tot U – en ik hef mijn ziel op tot U, mijn God.
Er is een uitdrukking: Het hoofd opheffen.
In die uitdrukking klinkt iets van vrijheid door: Ik buig mij niet voor anderen.
Ik sta overeind en alle boeien die mij ketenen en naar beneden trekken,
zijn van mij afgevallen.
Wanneer wij onze ziel tot God opheffen, heeft dat ook iets van een vrijheid,
Waarin alles wat ons kan ketenen van ons afvalt.
Wanneer wij onze ziel opheffen tot God komen we op een terrein
waarop we onbereikbaar zijn voor de macht van de duivel,
waarop we vrij zijn van de stemmen om ons heen en in onszelf
die ons naar beneden halen
of stemmen die ons op een verkeerde, heilloze weg brengen.
Want als we onze ziel opheffen, betreden we een andere dimensie,
een andere wereld: de wereld van God en zijn we bij Hem.
Zo beginnen we dit jaar, door bij Hem te zijn,
niet voor even, maar het hele jaar door.
Laten wij ons hart opwaarts heffen in de hemel,
daar waar Christus Jezus is
onze voorspraak bij de Hemelse Vader.

Tot U, mijn God.
De vrijheid die wij ontvangen in het bij God zijn,
heeft ermee te maken, dat de God die hemel en aarde geschapen heeft,
het begin en het einde van deze wereld en van ieder mensenleven bepaalt
mijn God wil zijn.
Dat is al iets om je een heel jaar over te verwonderen:
Dat de HEERE mijn God wil zijn,
naar Wie ik naar toe kan gaan,
die erbij is, bij alles wat ik meemaak in dit komende jaar.
Mijn God.
Die met me meegaat en me de weg wijst in het komende jaar,
mij ook helpt om ‘ mijn ziel naar Hem op te heffen.’
U bent mijn God.
Dat God mijn God is, kan ik ook in het komende jaar merken
in wat Hij aan Mij geeft:
Zijn aanwezigheid, Zijn bescherming en betrokkenheid.
Daarom kan ik op deze God, op U, mijn God, vertrouwen.
Ik kan mijn leven op U bouwen.
Bij een heftige gebeurtenis, waarbij mijn levenshuis schokt,
houdt U mij overeind en staande.
Wanneer het voor mij te moeilijk is om de weg te gaan, dan draagt U mij.

In het leven gaat het belijden van Gods trouw en nabijheid steeds samen met gebed.
Heer, U bent bij mij, de grond waarop ik sta.
En toch, soms kan er zo aan je geschud worden
dat je het gevoel hebt dat je levenshuis zo in elkaar kan storten.
Was het gisteren nog veilig, onbezorgd,
vandaag kan er iets gebeuren en morgen kan er een uitslag komen dat het niet goed is.
Ik vertrouw op U, ook dan.
Maar laat mij dan ook niet vallen.
Je kunt niet dieper vallen dan louter in Gods hand (Arno Pötzsch).
Houd mij dan ook vast,
want als U mij niet vasthoudt, dan ben ik nergens.
Ik kan niet op eigen kracht en ik wil dat ook niet.
Ik wil alleen samen met U.
U bent mijn God.
Laat mij dan niet beschaamd worden.
Soms kan die gedachte je opeens overvallen,
of God er nog wel is,
en of Hij jou nog wel ziet.

Dan kan het angstig stil zijn en onzeker.
Als het erop aankomt, als het spant, Heere, laat mij dan niet in de steek.
Wees dan bij mij,
Laat dan juist zien dat U mijn God bent
en dat U een verbond hebt gesloten,
dat U voor mij mijn God – Vader, Zoon en Heilige Geest, zal zijn.
Want anders wrijven degenen die mij naar beneden halen in hun handen
of dat nu mensen zijn, of uw grote tegenstander de duivel
en ben ik overgeleverd aan hun spot
en voel ik mij weerloos en kwetsbaar
en zal het mij moeite kosten om mij weer tot U op te heffen.
Blijf bij mij – om mij dicht bij U te houden
en niemand anders de kans te geven
mij bij U weg te drijven
of Uw plek in mijn leven weg te drukken.

Want ik wil wandelen met U, mijn God,
van dag tot dag,
en ik wil dat heel mijn leven een gebed is tot U.
Het gaat niet om mij, in dit leven, ook niet in 2016,
maar om U.
Maak mij daarom Uw wegen bekend,
De weg waarvan u die wilt dat ik die in 2016 ga.
Maak mij vertrouwd met Uw wil.
Want als ik zelf de weg moet zoeken,
Dan vind ik Uw weg niet.
Ik heb wel geprobeerd om de weg zelf te zoeken,
in mijn jeugd, toen ik vol overmoed was,
toen ik dacht dat ik het zelf wel kon redden.
HEERE, als U mij niet verteld
Wat mijn weg is in het komende jaar
dan val ik weer terug in die oude fout
om zelf maar weer de weg uit te stippelen,
om die weg te kiezen die goed voelt voor mijzelf.
Dat vertrouwen is er, dat de Heere in het komende jaar
voor u, voor jou, voor mij duidelijk zal maken wat we moeten doen.
Hij zal ons niet in het ongewisse laten,
zodat we maar moeten gissen wat er moet gebeuren.

 

Heer, wijs mij uw weg

en leid mij als een kind

dat heel de levensweg

slechts in U richting vindt.

Als mij de wil ontbreekt

uw weg te gaan,

spreek door uw Woord en

Geest mijn hart en leven aan.

In dit gebed van Psalm 25 bidden we vooral dat de Bijbel voor ons open gaat
en dat we daarin, in de woorden die wij lezen,
zoals we nu doen met Psalm 25 de woorden naar ons toekomen
als woorden die de Heere zelf, persoonlijk tegen ons zegt
en waarin we horen dat de Heere met ons in gesprek is.
Wanneer God Zijn wil voor ons bekend maakt,
gebeurt dat vaak door de woorden die we in de Bijbel vinden
en die voor ons tot leven komen
en de levende stem van God worden.
We bidden ook, dat in de gebeurtenissen die in 2016 zullen plaatsvinden
dat we daarin op mogen merken wat de Heere van ons wil.
Hoe Hij ons wil aansporen en bemoedigen

of ons wil stil zetten en corrigeren, ons wellicht iets afneemt
maar ons zoiets moois ervoor teruggeeft: een leven met Hem.

Gemeente, hoe kunnen we anders dan zo biddend,
zoals Psalm 25 ons dat voordoet
het nieuwe jaar beginnen, samen met de Heere, onze God
door Hem te vragen erbij te zijn
en ons Zijn weg te leren.

Jezus, ga ons voor op het levensspoor
doe ons als getrouwe leden volgen U op al uw schreden
voer ons aan uw hand tot in ‘t Vaderland.

Richt ons leven lang, Jezus, onze gang;
voert Gij ons op ruwe wegen, geef ook daar uw hulp en zegen.
En aan ‘t eind der baan, laat ons binnengaan!
Amen

Preek zondag 19 juli 2015

Preek zondag 19 juli 2015
Efeze 6:10-24

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan het einde van de brief aan de gemeente van Efeze
laat Paulus merken dat het hem ernst is,
alles wat hij in de brief geschreven heeft.
Hij doet een appèl op de gemeente om niet kwijt te raken
wat zij in Christus hebben ontvangen.
Hij gebruikt daarvoor krachtige beelden:
een wapenrusting die we moeten aandoen,
listige aanvallen van de duivel waar we als gelovige mee te maken hebben.
Daarmee wil Paulus aangeven:
het is kostbaar wat we van God hebben ontvangen,
wat Christus voor ons aan het kruis heeft gedaan
en wat we door de Heilige Geest hebben ontvangen,
dat moeten we allemaal niet kwijtraken.
Daar is het te kostbaar voor.
Het is de moeite waard om daarvoor te vechten.

Paulus waarschuwt: er is iemand die probeert om ons geloof af te nemen,
die steeds alert en scherp is
en ons zover wil brengen dat we ons geloof, dat we Christus kwijtraken:
de duivel, die dat op een listige manier probeert.
Op zo’n manier dat we er geen erg in hebben,
zodat we ons geen zorgen maken over hoe het er met ons geloof voorstaat
en als we niet ongerust zijn,
is hij met ons bezig om ons weer terug te veroveren,
zodat we Christus kwijtraken.
Dat kwijtraken van Christus kan soms op een heel abrupte manier gebeuren,
als iemand iets ingrijpends meemaakt,
zoals het overlijden van een geliefde,
waardoor iemand zegt: voor mij hoeft God niet meer.
Als Hij mijn geliefde niet heeft gered, terwijl Hij dat kon,
dan geloof ik niet meer dat Hij bestaat,
dan wil ik niets meer met Hem te maken hebben.
Paulus laat dat ook in dit gedeelte doorschemeren:
Trek de wapenrusting aan,
zodat je weerstand kunt bieden op de dag van het kwaad.

De dag van het kwaad:
dat is de dag waarop je geloof zo onder druk komt te staan
waardoor je het niet meer ziet zitten met God.
De dag van het kwaad, dat konden de vervolgingen zijn
waarmee de christenen in die dagen mee te maken kregen
en waar gelovigen op veel plaatsen mee te maken krijgen,
bijvoorbeeld in het Midden-Oosten,
waar gelovigen de keuze hebben om hun geloof vaarwel te zeggen
of een van hun kinderen op een gruwelijke manier vermoord te zien worden.
De dag van het kwaad, dat is een forse, frontale aanval van de boze,
waarbij wat je lief en dierbaar is van je afgenomen kan worden
om je bij Christus vandaan te drijven.
Dat kan ook bij een gelovige een forse knauw in het vertrouwen op God geven,
een afstand tot God of zelfs helemaal een breuk met het geloof.
Geloof en hoop maken plaats voor teleurstelling en verbittering.

Lang niet altijd kiest de duivel de frontale aanval
om ons bij God vandaan te brengen.
Zijn methode kan ook heel listig zijn, geeft Paulus aan,
zodat we niet bedacht zijn
en niet klaar voor de verdediging.
Bekleed u met de wapenrusting van God, zegt Paulus.
Met dat beeld dat Paulus hier gebruikt, wil hij aangeven,
dat het geloof een strijd kent, waarbij het erop of eronder gaat,
waarbij het ook van groot belang dat elke strijder alle krachten in de strijd geeft.
Kent u daar iets van,
van zo’n strijd in het geloof, waarbij het erop of eronder gaat,
Waarbij het er om spant?
Als ik eerlijk ben voor mijzelf, ken ik die strijd niet.
Ik weet wel dat er gelovigen zijn die een bepaalde strijd kennen,
in het gezin bijvoorbeeld vanwege de kinderen die niet meer naar de kerk willen
of een man die geloof of kerk helemaal niet ziet zitten
en dat graag aan zijn vrouw overlaat.
Waarbij er een hele strijd kan zijn om toch op zondag naar de kerk te gaan als gezin.
Dan zit het hele gezin in de kerk,
maar kunnen ze in zichzelf denken: het is maar goed dat de mensen om ons heen
niet kunnen zien wat voor strijd en geruzie aan onze kerkgang vooraf is gegaan.

Zou de duivel in onze tijd niet veel meer voor een hele subtiele aanval kiezen?
Door een listige verleiding,
waarbij je zelf niet door hebt dat je daardoor op een verkeerde weg terecht komt,
begint aan een weg die je bij God vandaag voert.
In de 2e brief aan de gemeente van Korinthe geeft Paulus aan,
dat de duivel zich kan voordoen als een engel van het licht.
De duivel kan zich vermommen en je een keuze voorhouden,
die een hele goede keuze lijkt, waarbij je God denkt te dienen,
maar ondertussen trap je in zijn val
en leidt hij je, zonder dat je het doorhebt, van God vandaan.
Op die frontale aanval, waarbij de duivel ons onder druk zet,
daar moeten we op letten,
maar ook op die subtiele verleiding, waarbij hij ons weglokt bij God vandaan.
Voor mij als predikant is zo’n verleiding om mij te storten op alle werkzaamheden die er zijn,
werkzaamheden die allemaal ook belangrijk zijn,
zoals het bezoeken van gemeenteleden, het meewerken aan een beleidsplan,
deelnemen aan vergaderingen – een agenda is zo volgeboekt.
Waarbij de tijd om goed te luisteren,
naar wat de Heere in Zijn woord ons te zeggen heeft, erbij kan inschieten,
en er geen rust is om te bidden en het contact te zoeken en te onderhouden met onze Heer
door de onrust die er in mij is, om alles wat nog gedaan moet worden
en wat ik allemaal niet mag vergeten.
Daar heeft bijna iedereen wel mee te maken,
met die drukte van alle werkzaamheden,
die ons alle tijd afneemt
en ons ook innerlijk te onrustig maakt om het echte gesprek,
het werkelijke luisteren naar God te hebben.
De duivel kan in zijn vuistje lachen.
Hij hoeft er alleen maar voor te zorgen, dat we druk zijn met de kerk,
zo druk dat we ons eigen geestelijk leven verwaarlozen
om alle aandacht te geven aan iets anders dat ook van belang is,
maar schadelijk voor ons is als we daarbij ons geloof verwaarlozen en achteruit laten gaan.

De duivel kan ons afleiden met alles wat er op internet te vinden is.
Dat hoeft echt geen rotzooi te zijn.
Dan kunnen websites met christelijk nieuws zijn, opbouwende of soms kritische blogs,
en social media waarbij je medechristenen volgt,
je bent van alles op de hoogte en je leeft met iedereen mee,
maar ondertussen heb je vergeten om het contact met God te zoeken,
zo dicht bij hem te leven als je met je facebook-vrienden doet.
Je reageert eerder op het signaaltje dat je mobiel geeft
en je pakt eerder je iPhone dan de Bijbel.
Daardoor mis je de rust en ook de signalen die God naar je stuurt.
Alles zoeken we op internet op:
van de aanbieding tot de route die we met de vakantie moeten rijden,
maar we kunnen zomaar de weg die God ons wijst over het hoofd zien.
Het is allemaal niet verkeerd – het kan ook allemaal goed voor ons zijn
en voor ons geloof,
maar door verkeerd gebruik kunnen we door al dat goede dat er is
op de verkeerde weg raken en God uit het oog verliezen,
terwijl we denken dat we met Hem bezig zijn.
Ons lichaam geeft signalen af als we moe zijn.
Onze telefoon geeft een signaal af als de batterij bijna op is en opgeladen moet worden.
De auto geeft een signaal als we de lichten aan laten staan,
om te voorkomen dat de accu van de auto leegraakt.
Zo moet u erop letten welke signalen uw geloof geeft,
u moet uzelf en uw geloof kennen, zodat u weet welke signalen het zijn
en u moet uzelf trainen dat u die signalen ook kent.

Paulus spreekt over de wapenrusting om aan te geven dat het menens is,
een verschil tussen het geloof behouden of het geloof verliezen.
Trek daarom de wapenrusting aan, die God geeft,
zodat je een onderscheid kunt maken tussen wat wel goed voor je is en wat niet.
Zodat je weet wat je geloof voedt en versterkt en wat je geloof schade berokkent.
De hele wapenrusting, zegt Paulus,
wanneer je maar één onderdeel neemt en die aantrekt, dan ben je nog zwak en kwetsbaar.

Het is een bijzondere wapenuitrusting die Paulus geeft.
Want bij echte wapens vergeleken valt deze wapenuitrusting van Paulus in het niet.
Vergeleken met echte Romeinse zwaarden en schilden,
vergeleken met hedendaagse wapens zoals tanks, bazooka’s, mitrailleurs
valt op hoe kwetsbaar deze wapenuitrusting van Paulus is.
Met deze wapens houd je geen tanks of kanonnen tegen,
met deze wapens kun je niet op tegen aan marcherend leger dat je aanvalt.
Deze wapens, die Paulus ons aanreikt, vallen in het niet
bij wat er in deze wereld aan verdediging en zekerheid te vinden is.
Als we zekerheid en houvast in het leven zoeken,
dan grijpen we niet zo snel naar de gordel van de waarheid,
het borstharnas van de gerechtigheid, de sandalen van bereidheid het evangelie te brengen,
de helm van de zaligheid,
de schild van het geloof,
terwijl we daarmee toch veilig zijn voor de pijlen die de duivel op ons afvuurt.
Het zwaard van de Geest gebruiken we niet. snel.
Of kunt u momenten bedenken waarop u deze wapens hebt gebruikt
om u en uzelf te beschermen tegen de aanvallen van de duivel?

Het probleem met de wapenuitrusting die Paulus ons aanreikt
is dat we het resultaat er niet snel van zien.
Het gaat om stabiliteit, blijven staan, weerstand bieden.
We boeken geen vooruitgang, het zijn ook nauwelijks aanvalswapens die Paulus ons geeft,
vooral wapens om ons te verdedigen
om op de plek te kunnen staan, waar God ons heeft geroepen.
Het zijn daarom wapens die om geduld vragen en vertrouwen,
dat als we ze gebruiken ze voor God en voor onszelf waardevol zijn,
ook al zien we niet direct resultaat.
Hoe verschillend ze ook zijn, die wapens, ze hebben alles te maken met bidden en bijbellezen.
Bijbel lezen is meer dan lezen in een boek:
Het is het opvangen van het gesprek dat God met ons voert.
Hij spreekt tot ons, Hij spreekt ons aan,
Hij is met ons in de weer, op ons gericht
en wil dat wij Zijn woorden horen én gehoorzamen.
Woorden die we niet alleen maar stil in een boek moeten lezen,
maar hardop, voor onszelf, maar ook door anderen voor ons gelezen,
zodat we een stem horen die ons aanspreekt
en weten dat God ons aanspreekt, om ons de weg te wijzen,
om ons geloof te sterken, te laten groeien.
En bidden is meer dan alleen de handen vouwen en de ogen dicht
en onze gedachten richten op God.
Bidden is een totale openheid voor God en totaal op God gericht zijn,
in ons bidden, als we onze handen gevouwen hebben,
maar ook in ons dagelijks bestaan,
als we bezigzijn met de dingen die voor ons niet zo met bidden te maken hebben.
De wapenrusting loopt uit op het gebed.
Bidden is heel dicht bij God blijven, bij alles wat je doet
en je van de Heere afhankelijk weten en Hem ook opzoeken.
Zo strijden we het beste,
omdat bidden gedragen wordt door het geloof, dat God zelf zal strijden.
Door te bidden stellen we ons open voor wat God ons wil zeggen,
door onze ogen te sluiten leren we zien wat God voor heeft met deze wereld
en welke weg Hij voor ons heeft uitgestippeld.
Die afhankelijkheid en het besef kwetsbaar te zijn in het geloof,
dat is de basis om deze wapens te gebruiken.
Zo begint Paulus: word gesterkt in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.
De kracht hebben wij niet van onszelf, maar krijgen we van de Heere.
De sterkte – dat is de kracht die God heeft, waarmee Hij de overwinning behaalt,
waarmee Hij zijn wil op aarde doorvoert en die ook zichtbaar kan worden.
Macht – dat is de kracht die God als eigenschap bezit.
Beide, zoals zijn sterkte als zijn macht deelt God uit,
zodat we die kunnen gebruiken.
Het wordt niet onze kracht,
maar we gebruiken Zijn kracht, de kracht die God ons geeft,
om staande te kunnen blijven.
Je moet die kracht wel gebruiken, zegt Paulus, God geeft die niet voor niets.
Maar het blijft wel Zijn kracht, wat Hij doet.
Geen prestatie van onszelf, maar wel Zijn kracht waar we steeds op mogen terugvallen.
Vandaar het belang om te bidden, zodat we steeds op God zijn aangesloten en ontvangen.
De wapens die Paulus aanreikt, die ons beschermen, zijn karaktereigenschappen van God:
waarheid en gerechtigheid – we mogen schuilen achter Gods bescherming,
zoals we ook schuilen achter het schild van het geloof dat God ons geeft.
Hij zal u beschutten met Zijn vlerken
en onder Zijn vleugels zult u een toevlucht nemen
Zijn trouw is een schild en een pantser (Psalm 91:4)
Zo schuilen we achter God. In het gebed.

Bidden doen we niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen.
Zoals Paulus eerder in deze brief aangaf, dat hij steeds voor de gemeente dankt en bidt,
zo vraagt hij aan de gemeente dat de gemeente voor hem bidt.
Daarin zit iets moois:
je deelt de gemeente je kwetsbaarheid mee en je afhankelijkheid van God
en je maakt je broeders en zusters van de gemeente mede verantwoordelijk
voor jouw staande blijven,
een gemeenschap die samen strijdt, in het gebed voor elkaar, om elkaar daarin te steunen.
Om elkaar overeind te houden,
in het vertrouwen, dat Gods sterkte en Zijn macht ook eens zichtbaar zullen worden
en alle knie zich voor Hem zal buigen.
Ook al zien wij in ons leven hier op aarde die kracht niet altijd
en hebben we het er soms moeilijk mee om staande te blijven,
we worden opgeroepen
om ons te laten versterken door God
om ons vertrouwen op Hem te stellen
om Zijn weg te gaan
om alert te blijven op wat ons bij Hem wegleidt

en ons geloof schade berokkent.
Omdat de uiteindelijke overwinning van God komt.
En als we toch bezwijken, onderuitgaan, moeten we niet aan God twijfelen
of bij Hem weggaan, maar Hem opnieuw opzoeken
om ons weer door HEm te laten sterken.
Hoe sterk de duivel zich ook hier toont,
God overwint en de wapens die God geeft zullen ons helpen
om overeind te blijven als we aangevallen worden.
Ook als de duivel toch te sterk lijkt te zijn
en er een dag van het kwaad komt
waarbij een groot deel van de kerk lijkt weggevaagd te worden,
mogen we geloven, dat de uiteindelijke overwinnaar God is,
die niet in de hemel stil toekijkt met de armen over elkaar,
maar voorop in de strijd gaat, voor ons strijdt en ons beschermt
en de macht van de boze eens voorgoed zal laten verdwijnen.
In dat geloof strijden wij, vanuit de kracht door God ontvangen.
Amen

Met deze preek sluit ik de serie over de Efezebrief af, die ik begon op de zondag na Pasen. Een voor mij verrijkende ervaring om de brief grondig door te gaan en door te ‘preken’.

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Veel (het meeste?) pastorale werk gebeurt wanneer we het niet door hebben dat we als pastor bezig zijn. Dat is een van de lessen die Eugene H. Peterson heeft moeten leren op zijn levenslange weg om pastor te zijn. Een weg die hij zelf niet heeft uitgestippeld, maar die hem grotendeels is overkomen. Door wat hij van thuis meekreeg in zijn opvoeding. Door ontmoetingen van mensen die op juiste momenten een afslag wezen. Door lange tijd van dezelfde gemeente predikant te zijn. Door zich steeds te verdiepen in Gods Woord en te zoeken hoe dat Woord van God toegepast kan worden in de Amerikaanse cultuur, de context van zijn gemeente en van hemzelf.

Eugene-Peterson

In 2011 publiceerde hij pastorale memoires over de ontdekkingen die hij deed tijdens zijn weg. Het is het verhaal van een intelligente jongen die als student eerder een toekomst ziet weggelegd als een hoogleraar of een studeerkamergeleerde. Een jongen die, zonder dat hij het zelf en zonder dat zijn omgeving het door heeft, hongert naar kennis en verdieping. Een jongen die zelf in de plaatselijke bibliotheek alle grote schrijvers ontdekt en verslindt.
De memoires van Peterson zijn geschreven in een soort verwondering dat veel stappen in zijn leven uiteindelijk hebben bijgedragen aan zijn ontwikkeling tot pastor. Peterson verwoordt dat door een dichtregel van Denise Levertov te citeren: Elke stap een aankomst (every step an arrival). Het is een verhaal van leiding in het leven, hoe God hem elke stap laat zetten om op zijn bestemming als pastor te komen. Deze regel komt uit een gedicht over een hond, die doelbewust lukraak (intently haphazard) zijn weg gaat. Lukraak, maar niet zonder doel. Dat is een samenvatting van de levensweg van Eugene H. Peterson als pastor.

51ndsDLf2uL._SY344_BO1,204,203,200_

Kindertijd
De memoires beginnen in zijn kindertijd. Zijn moeder leidde in Montana als vrouw een kleine pinkstergemeente die alleen maar uit mannen bestond. In de diensten die zij belegde, vertelde zij op een kleurrijke manier uit de Bijbel. Eugene ging altijd mee. Zijn vader deed nooit mee.
Zijn moeder hield ermee op, toen iemand haar de Bijbeltekst liet lezen over de plicht van vrouwen om te zwijgen in de samenkomsten. Daarna maakte hij in de Pinksterbeweging verschillende predikanten mee. Predikanten die het in Montana maar een paar jaar volhielden en dan een hogere roeping kregen.
Van zijn vader leerde hij een gemeenschap op te bouwen. Een eigenschap die hem van pas bleek te komen, toen hem later gevraagd werd om een gemeente te stichten. Zijn vader was slager en onderhield goede contacten met zijn klanten. Eugene hielp zijn vader in de slagerij. Als Peterson over die periode vertelt, wordt ook duidelijk dat hij heel veel verbeeldingskracht heeft. Hij ziet zichzelf als een priester die samen met zijn vader dienstdoet in het heiligdom. Als er later een predikant komt, die alleen maar bezig is met de offerdiensten uit het Oude Testament, is Eugene eerst gefascineerd. Hij haakt af als deze predikant vergeet dat offeren een smerige, bloederige aangelegenheid is.

Edom
Als middelbare scholier heeft hij een bijbaantje: ‘s nachts moet hij de planten in het stadje van water voorzien. Hij ziet ‘s morgens de zon opkomen. Op een gegeven moment heeft hij een associatie met Psalm 108: Ik wil het morgenrood wekken. Vanaf dat moment gaat de psalm bij  de nachtelijke werkzaamheden een rol spelen.  Een psalm die ook gaat over de vijanden: de Edomieten. Later in zijn periode als gemeentepredikant komt deze psalm terug. Dan leert hij om voor zijn vijanden te bidden, zoals Jezus opdraagt. Wie zal mij naar Edom leiden? bidt de psalm. Later ziet hij in, dat God hem naar Edom heeft geleid, als hij zich in de Badlands van zijn gemeente is.
Peterson gaat Semitische talen studeren en besluit door te gaan naar een seminarie in New York. Doel: hoogleraar theologie worden. Dat seminarie in New York blijkt verbonden te zijn aan een presbyteriaanse gemeente, waar Peterson ook naar toe gaat en gaat meedraaien. Het blijkt de gemeente te zijn – wat hij later ontdekt – een toonaangevende predikant: George Buttrick. Deze predikant nodigt steeds op zondagavond enkele studenten van het seminarie uit voor een gesprek. Peterson raakt betrokken bij de gemeente door het sportteam van de gemeente te coachen. Deze stap blijkt zijn aankomst als presbyteriaans predikant te zijn.
Peterson krijgt een duo-baan: docent Hebreeuws en Grieks en een aantal uur werkzaam als predikant in een gemeente. Deze stap blijkt beslissend te zijn. In plaats van het wetenschappelijke pad op te gaan, trekt de gemeente en ontdekt hij zijn roeping om predikant te worden. Een bijna voltooid proefschrift wordt vernietigd.

De ‘kerk met de gevouwen handen’
Door de presbyteriaanse kerk wordt hij gevraagd om een gemeente te stichting in een nieuwbouwwijk van Bel Air. Een suburbane omgeving waarin de mensen op en top Amerikaans zijn en volgens de American way leven en denken, zoals hijzelf ook doet. Vanaf die tijd ontdekt Peterson welke geweldige spanning en concurrentie er is tussen een American way of life en leven uit Christus. Vanaf die tijd is hij bezig om te ontdekken wat zijn taak als pastor is en waar God in de suburbania van Amerika werkt.
In Bel Air (Maryland) sticht hij samen met zijn vrouw een presbyteriaanse gemeente. De gemeente komt samen in de schuilkelder van hun huis. Deze schuilkelder was gebouwd vanwege de dreiging van de Koude Oorlog. Een van de jongeren noemt deze kerk de catacomben-kerk, een verwijzing naar de eerste christenen. (Het was in theologisch opzicht de tijd van de dood van God.)

De kerk 'met de gevouwen handen' De ‘kerk met de gevouwen handen’

In de omgeving waarin hij verkeert, zijn de psychische problemen groter dan elders in Maryland. Een psychiater nodigt de pastores, predikanten en een rabbijn uit deze omgeving uit om college te geven over psychologie en psychiatrie. Als na 2 jaar deze colleges stoppen, gaat de groep door. Ze gaan, zonder dat ze het weten, op zoek naar hun identiteit als pastor. Het is de rabbijn die hen op het juiste spoor brengt. De rabbijn brengt hen op het spoor van de 5 Megilloth.Aan elk van de grote feesten is een feestrol gekoppeld dat over het alledaagse leven gaat.  Deze 5 feestrollen helpen volgens de Joodse traditie om de grote daden van God te verbinden met het dagelijks leven. Peterson werkt deze lessen uit in Five Smooth Stones for Pastoral Work (1980). Als na jarenlang samenkomen de balans wordt opgemaakt, verwoord een van de collega-predikanten de lessen van de bijeenkomsten: ‘Ik heb geleerd om mijn gemeente te zien als een heilige gemeenschap. Dat veroorzaakte een revolutie in mijn manier van werken. Ik ging mijn gemeente met respect en waardigheid behandelen. Ik denk dat ‘heilig’ het juiste woord is.’

download

Na 3 jaar gaat de gemeente van Peterson een eigen kerkgebouw bouwen. Het wordt een bijzonder concept, anders dan de toenmalige koloniale stijl waarin de kerken in Maryland werden gebouwd, maar geënt op de na-oorlogse kerken in Europa. Dezelfde jongere gaf ook deze kerk een nieuwe bijnaam: ‘de kerk van de gevouwen handen’. Zij vond de kerk lijken op de gevouwen handen van Dürer.

Badlands
Nadat de kerk is gebouwd, komt Peterson onverwachts in een crisis. Omdat hij de American way of life begint te ontdekken. Verschillende gemeenteleden haken af, omdat er nu geen doel meer is. Een Amerikaan moet een doel hebben, en anders trekt hij het niet. En Peterson raakt zelf in vertwijfeling. Moet hij de gemeente verlaten en gaan richten op een nieuw (gemeente- of kerk)bouwplan? Hij besluit te blijven. Het is geen gemakkelijke periode: een periode van 6 jaar, die hij de Badlands noemt.

volcanic-decor

Verwijzend naar het stukje Amerika waar hij steeds doorheen gaat met zijn gezin, op weg naar het Montana van zijn ouders. Op een gegeven moment ontdekt hij dat de natuurlijke Badlands hun schoonheid hebben en ontdekt hij ook dat de geestelijke Badlands hun schoonheid hebben. Ze zijn vormend voor zijn bezigzijn als pastor.
In deze fase leert hij namelijk stil-zitten, zoals een labradorpup de opdracht krijgt om te zitten en alleen maar mag weglopen als de baas dat aangeeft. Hij leert om te zien dat kerkzijn niet afhangt van menselijke activiteit, maar dat hij moet zien waar God werkt. Een omschakeling  van een competatieve predikant (Amerikaanse cultuur!) naar een contemplatieve predikant. Een omschakeling waarbij de juiste mensen er zijn, die hem op het spoor van het gebed brengen, van Karl Barth, die hem volharding leren en de betekenis van stilte, van de sabbat, die hem leren het dagelijks werk als pastor te waarderen.

Eucharistische gastvrijheid
Ook zijn vrouw helpt hem verder. Zij heeft een tuin en ‘doet’ maar wat: niet meer dan tuinieren, haar gezin onderhouden, vriendschappen sluiten met vrouwen die worstelen met hun rol met de opkomst van het feminisme. Haar gastvrijheid wordt een eucharistische gastvrijheid. Ze laat zien dat elke maaltijd een verwijzing is naar het avondmaal. Ze leert de andere huisvrouwen in Amerika dat hun taak niet is om allerlei grootse rollen te hebben, maar een huishouwen waar een gezamenlijke maaltijd gehouden wordt en tijdens de maaltijden gesprekken waarin men zich oprecht in elkaar interesseert.

Presbycostal
Peterson is presbyteriaans predikant met een pinksterachtergrond. Hij wil geen keuze maken. Van de Pinksterbeweging heeft hij geleerd om de Schrift te leven. Van de presbyterianen leert hij dat geloven niet vandaag begint, maar dat er een gemeenschap is door alle tijden heen en over alle continenten. Van de presbyterianen leerde hij dat pastor zijn een bepaalde waardigheid en roeping inhoudt, discipline kent, aandacht voor detail, aandacht voor de nood en de pijn van anderen. Pastor-zijn is een erenaam met een roeping, een all-inclusive way of life (en niet het hebben van een godsdienstige baan.)

peterson-square

Besluit
De memoires zijn vol van bijzondere gebeurtenissen. Al lezende krijg ik de indruk dat het Peterson helemaal niet om die bijzondere gebeurtenissen gaat als zodanig. Hij is aan het ontdekken op welke wegen God zijn leven heeft geleid. Welke stappen hij zette, om op zijn bestemming als pastor te komen. Peterson heeft een grote sensitiviteit en creativiteit. Het gaat het er ook niet om dat te etaleren. Het gaat hem erom dat elke pastor leert om te kijken welke stappen God je laat zetten. Ik denk dat veel predikanten kunnen spreken over verrassende afslagen, bijzondere ontmoetingen, opmerkingen van gemeenteleden die het juiste zetje in een richting zijn. Ook zijn er talloze momenten, die God geeft en die niet worden gezien. Dan spreek ik uit eigen ervaring. Pastor-zijn is allereerst waarnemen van de kansen die God je op je pad brengt. Een all-inclusive way of life en dan niet als belasting, maar met een openheid naar God, vanuit gebed en leven in de Schrift. Een zeer waardevol en voor mij belangrijk boek.

(Sinds enige tijd heb ik gemerkt dat de boeken van Eugene H. Peterson iets voor mij zijn. Dat ging ook via een Every stap an arrival – manier. Ik las in een voetnoot bij Cornelius Plantinga, dat Eugene H. Peterson geregeld in zijn agenda FD zette. Dan had hij een gesprek met Fyodor Dostojewski. Niemand hoefde te weten dat FM geen gemeentelid was. Zijn gesprekken met FD waren niet alleen goed voor hemzelf, maar uiteindelijk ook voor de gemeente. Deze opmerking was voor mij een reden om hem eens te lezen. Every day an arrival.)

N.a.v. Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir (New York: HarperOne, 2011)