Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag

Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag
Handelingen 2:1-21
Openbare belijdenis van het geloof
Tekst: wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken (vers 11b)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vijf gemeenteleden die hier voor in de kerk zitten
waarvan er vandaag 4 in het openbaar hun ja-woord aan Christus zullen geven.
Een van de 5 heeft dat vorig jaar al gedaan,
toen ze de doop mocht ontvangen in dezelfde dienst waarin haar zoon ook gedoopt werd.
In de afgelopen tijd zijn ze naar dit moment toegegroeid.
Dat gebeurde niet allemaal op dezelfde manier.
Bij de één was er al jong een relatie met de Heere Jezus,
bij de ander kwam dat pas veel later.
Bij de een hoorde geloof en ook kerkgang er al vanaf de kindertijd bij,
de ander werd niet gedoopt en hoorde op school de verhalen uit de Bijbel
en ging in de verkeringstijd mee naar de kerk.
Voor de een was er een ingrijpende ervaring,
zoals het overlijden van een vader of schoonvader of een broer of zwager,
een gebeurtenis die diepe indruk maakt,
zodat je dat nooit meer vergeet en je leven voor altijd gevormd heeft.
Bijzonder dat God er beide keren was, in de tijd van ziekte, rond het overlijden
en in de tijd na het overlijden, de tijd van het gemis.
Je zult je vader, je broer op deze zo bijzondere dag missen.
Als hij het meegemaakt had, had je vader, je broer het vast heel bijzonder gevonden.
Tijdens de belijdeniscatechisatie ging het er nogal eens over,
hoe het gemis jullie leven heeft gevormd, welk voorbeeld er was
en dan merkten we dat niet iedereen zo’n ervaring heeft.
Voor de één een heel bewuste keus om belijdenis te gaan doen,
voor de ander was er vooral aarzeling:
Leef ik wel op de goede manier? Past belijdenis doen wel bij mijn manier van leven.
De ander wilde juist belijdenis doen,
omdat er in de andere kerk geen belijdenis is
en omdat er in de opvoeding meegegeven was dat voor deelname aan het avondmaal
toch eerst de belijdenis nodig was, kwam de vraag om mee te doen.
Daarmee wordt in één geval de belijdenis ook een afscheid van de gemeente
waarin je bent opgegroeid, omdat je met je vriend een andere gemeente gevonden hebt
Die meer bij jullie samen past.
Op deze manier neem je op een mooie manier afscheid
Door het waardevolle uit de kerk van je kindertijd en jeugd mee te nemen.

Mooi was het om te zien hoe jullie in de afgelopen maanden zijn gegroeid in geloof.
De een onbevangen, steeds nieuwsgierig naar hoe de anderen het zagen.
De ander meer voorzichtig, net een tijd achter de rug die niet zo makkelijk was.
Groei was er omdat je er in de afgelopen maanden zo mee bezig was,
met elkaar in gesprek was, van elkaar hoorde hoe het ging.
Het ging misschien niet zoals op de eerste Pinksterdag,
waarbij er een grote groep mensen in één keer meegenomen werd door de Geest,
ging geloven en tot het besef kwam dat ze zonder Christus niet verder konden,
maar het is wel diezelfde Geest die toen het huis vervulde
waar ze allen eensgezind bij elkaar waren,
dezelfde Geest die in de afgelopen maanden in jullie werkte
door jullie te laten groeien naar het moment dat je in het openbaar ja kunt zeggen,
dezelfde Geest die nu hier in de kerk aanwezig is
en werkt om ruimte te maken voor Christus bij ieder van ons.

Als de Joden die in Jeruzalem aanwezig zijn hen horen spreken,
De leerlingen van Jezus over wie de Heilige Geest komt, zeggen ze:
We horen in onze eigen taal spreken over de grote werken van God.
Daar zijn we in het afgelopen seizoen ook steeds mee bezig geweest:
Wat betekent het nu voor jezelf dat God deze wereld heeft geschapen en ons ook.
Wat betekent het voor ons persoonlijk dat Christus stierf aan het kruis.
Hoe kan de Heilige Geest in mij werken?
Wat betekent het om bij een kerk te horen en voor ouderling of diaken gevraagd te worden?
Ik weet niet of we in de afgelopen maanden nou gezegd hebben:
Dat zijn de grote werken van God. Ik denk het niet.
De grote werken van God komen namelijk lang niet altijd op zo’n spectaculaire manier
zoals dat op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem gebeurde
met geluid van een storm, vlammen van vuur die op de hoofden verschijnt.
Maar je hoort er over in verhalen die thuis uit de kinderbijbel worden voorgelezen,
Die op school of op zondagsschool worden verteld.
Je ziet aan je ouders wat die grote daden van God zijn
als zij op latere leeftijd belijdenis gaan doen
of als je merkt dat ze hun rust in de Heere vinden als het bericht komt
van een ernstige ziekte en het besef er is dat er over niet al te lange tijd
afscheid genomen moet gaan worden.
Je hoort over die grote daden van God als je er met opa en oma over kan praten
als je merkt dat kerkgang en geloof al generaties meegaat,
omdat de ouders van je opa aan de kerk een Bijbel hebben geschonken.
Zo hoor je in je eigen taal, in het Nederlands, misschien zelfs het Oldebroeks
vertellen over God en merk je dat het ook voor jou kan zijn
dat ook jij mag geloven en merk je dat er iets in je gaat groeien:
een verlangen om Hem beter te leren kennen,
een verlangen om gedoopt te zijn en er zo bij God te horen
een verlangen om deel te nemen aan het avondmaal.
Een verlangen dat gegroeid is binnen een gemeenschap,
van het gezin waarin je opgroeide, van de kerk waartoe je behoort,
net als de leerlingen van Jezus bij elkaar waren, 120 vertelt het vorige hoofdstuk,
en 10 dagen lang samen met elkaar wachtten op de komst van de Heilige Geest.
En of je nu hier in de kerk blijft en hier je plek gevonden hebt of naar een andere kerk gaat,
zo’n gemeenschap, waarin op de Heilige Geest gewacht wordt, hebben we allemaal nodig.

Daarom vind ik zelf de openbare belijdenis altijd heel waardevol
en voel me als predikant elk jaar weer bevoorrecht om gemeenteleden te begeleiden
naar het moment waarop ze ja zeggen tegen God.
Je kunt er vragen bij stellen of het noodzakelijk is, of zelfs bijbels
dat er belijdenis gedaan wordt in het openbaar, binnen de gemeente.
Is het persoonlijke antwoord dat je geeft naar God toe, in het verborgen, niet genoeg?
Ik zou dan de vergelijking willen maken met gisteren, de Royal Wedding:
de prins en zijn bruid hebben vast tegen elkaar al hun ja uitgesproken,
dat binnen de familie besproken hebben dat ze samen verder kunnen gaan,
maar hoe bijzonder het is om in het openbaar ja tegen elkaar te zeggen
was gisteren zichtbaar en is elke trouwdag zichtbaar.
Bijzonder is het ook om het openbaar ja tegen God te zeggen,
waarbij je er zelf naar toegroeit en dat verdiept je band met God,
dat heeft betekenis voor jezelf en ook voor iedereen die hierbij aanwezig is, een getuigenis.
En ook belangrijk: zonder belijdenis doen is onze doop niet af.
Een volgende keer preek ik over het einde van het hoofdstuk
waarin verteld wordt hoe veel mensen zich laten dopen na de toespraak van Petrus.
Op één na zijn jullie allemaal als kind gedoopt.
Je bent gedoopt, omdat je ouders geloven en doordat je verbonden bent met je ouders
ben je ook verbonden met de God van je ouders.
In het leven gaat het om zelfstandig worden, je eigen weg gaan:
Vier van jullie zijn er getrouwd, de vijfde gaat binnenkort trouwen,
je wordt zelfstandig, je gaat je eigen weg, los van je ouders
(al woon je er misschien dicht bij).
Zo gaat het ook in geloof: je groeit op bij je ouders.
Het mooie van de kinderdoop vind ik altijd dat je als ouders
je kind heel dicht bij de Heere Jezus mag brengen.
Misschien is dat ook wel hier in de kerk gebeurd, bij het doopvont hier.
Je kind hoeft alleen maar de laatste stap te doen: Gods belofte aannemen,
Zelf ja zeggen tegen God.
En daar heb je als ouders ook bij de doop ja op gezegd,
dat de opvoeding van je kind ertoe leidt dat hij of zij zelf ja tegen God zegt
En zijn of haar weg met Christus zal gaan.
Openbare belijdenis van het geloof geeft aan: dat ja mag heel persoonlijk zijn,
moet zelfs heel persoonlijk zijn,
maar het gaat de hele gemeenschap aan: je bent in de kerk gedoopt,
je bent toegezongen, er is voor je gebeden, er is met je meegeleefd,
leiding van de clubs en de (zondags)school, ouderlingen op huisbezoek
dan is het toch ook mooi als binnen die gemeenschap gezien wordt
dat het zaad dat gestrooid is, ontkiemt, vrucht draagt,
dat je ja gehoord wordt en als bemoediging ervaren wordt.
Wanneer dat gebeurt, wanneer je ja gehoord wordt,
komt er een kleine herhaling van het Pinksterfeest in Jeruzalem.
We horen dan geen grote stormwind, maar merken wel hoe de Geest werkt,
we zien geen vlammen van vuur boven jullie hoofd,
maar zien wel hoe de Geest over jullie gekomen is.
En het wordt weer waar wat de oude profeet Joël al eens aankondigde:
Ik zal Mijn Geest over iedereen uitstorten, ook over jullie.
Uw zonen en dochters zullen profeteren,
al is het voor jullie op een bescheiden manier,
omdat je het niet altijd even makkelijk vindt om over God te spreken.
Dromen en visioenen zijn er misschien niet geweest
maar dat de Geest over iedereen kan komen, kunnen we aan jullie zien
en dat geeft ook moed dat de Geest over ons allemaal kan komen,
zodat wij ook ja zeggen tegen God, zoals jullie dat vandaag doen.
Of misschien is dat al eens gebeurd en is vandaag een herbevestiging van dat ja.
Als je nog geen ja gezegd hebt, is dit een uitnodiging om er ook over na te denken,
en als je meer wilt weten in september mee te doen met de belijdeniscatechisatie
om erachter te komen wat de Geest in jouw leven doet,
wat Gods grote werken voor jou betekenen en hoe jij ja kunt zeggen tegen God.
Joël sprak over allerlei indrukwekkende verschijnselen: bloed, vuur en rookwalm,
de zon die verduisterd wordt.
Ook als die verschijnselen nog niet geweest zijn, blijft wat daarop volgt van betekenis:
namelijk dat er een dag aanbreekt dat Christus terugkomt
En wie hier op aarde ja gezegd heeft tegen Hem zal van Hem een ja horen:
Kom in mijn heerlijkheid binnen, wees waar Ik ben, in de hemel, in het Koninkrijk van God.
Als je naar Mij toe komt, Mij aanroept, zul je zalig worden, is er redding mogelijk, toekomst!

Ja zeggen betekent niet, dat je nooit meer twijfel hebt.
Daarom zongen we ook: Geest van hierboven, leer ons geloven,
hopen, liefhebben door Uw kracht.
Maar we zongen ook: Gij houdt ons bij de hand gevat.
U bent het die ons vasthoudt en dat blijft voor altijd ons gebed:
Houd mij vast, laat uw liefde stromen, houd mij vast, heel dicht bij uw hart.
Want we hebben het ontdekt, dat als we aan Uw voeten zijn zoveel leren:
veranderd worden, trots en twijfel wijken voor de kracht van Uw liefde.
Heer, Ik kom tot U, neem mijn hart, verander Mij, als ik U ontmoet, vind ik rust bij U.
gedragen door Uw Geest en de kracht van Uw liefde.
Amen

Advertenties

Les 9 De Heilige Geest

Les 9 De Heilige Geest

‘Ik weet niet wat ik mij bij de Heilige Geest moet voorstellen. Ik vind de Heilige Geest zo vaag.’ zegt Elizabeth tijdens de belijdeniscatechisatie. Pieter herkent zich daarin: ‘Ik hoor wel over de Heilige Geest. Zeker als het Pinksteren is. Maar wat de Geest nu eigenlijk doet, zou ik eerlijk gezegd niet weten?’

Vraag 1: Herken je in wat Elizabeth of Pieter aangeven? Of juist niet en heb je een beeld van wat de Heilige Geest doet?




Vraag 2: Werkt de Heilige Geest in jou? Waaraan merk je dat?




Uitleg
De Heilige Geest is vaak moeilijk voor te stellen. Zeker als je iemand bent die in beelden denkt. De Heilige Geest kun je niet als persoon voor je zien. Als er over de Geest gesproken wordt, worden in de Bijbel vaak woorden als wind, vuur, kracht gebruikt. Het ingewikkelde van de Heilige Geest is ook nog eens dat je de Geest zowel als Persoon en als kracht kunt zien.
De Heilige Geest is net als de Vader en Christus God. Samen zijn ze één.  Je kunt de Heilige Geest zien als God die in jou werkt: Hij maakt in je hart en leven ruimte voor Christus. Hij zorgt ervoor dat je gaat geloven. Hij verandert je als mens. Omdat de Heilige Geest ook God is, kun je ook tot de Heilige Geest bidden. Dat gebeurt niet zovaak, maar het kan wel.
De Heilige Geest zorgt ervoor dat je gaat geloven. De belemmeringen die er zijn om te geloven neemt Hij stuk voor stuk weg. In je hart maakt Hij ruimte voor Christus. En als je bent gaan geloven, zorgt Hij ervoor dat je geloof onderhouden wordt en dat je groeit in geloof. Groei in geloof kan zijn: Je interesseert je er meer voor. Je wilt meer tijd voor God nemen. Je denkt er meer over na. Je vertrouwen en liefde neemt toe.
De Heilige Geest zorgt ervoor dat je als mens verandert. Want als Christus in je hart woont, dan gaat ook in je karakter doorwerken: je wordt bijvoorbeeld milder of geduldiger, liefdevoller naar anderen toe.
De Heilige Geest werkt ook in de mensen om je heen. Hij zorgt er ook voor dat er mensen om je heen zijn van wie je het geloof kunt leren. Dat er mensen zijn die het geloof jou voorleven. Hij zorgt ervoor dat er een groep mensen om je heen is, een gemeenschap, een gemeente met wie je samen God dient. De Heilige Geest werkt in de kerkdienst, op de bijbelkring, in catechisatie. Als een lied, een tekst, een preek je aanspreekt, mag je dat ook zien als werk van de Geest.
De Heilige Geest werkt ook buiten de kerk. Bijvoorbeeld in ongelovigen die een mooi voorbeeld geven. In gaven en talenten die iemand heeft. Wanneer je dat tegenkomt bij iemand die niet gelooft, kun je God daar ook ruimhartig voor danken.

Vraag 3 Op welke manier ben jij in het geloof gegroeid?


Vrucht van de Geest
Het effect van de Geest op je karakter is de vrucht van de Geest. De Geest laat dat aan jou, uit jou groeien. De gedachte van de vrucht van de Geest komt uit Galaten 5:22:

De vrucht van de Geest is echter:
liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.


Daar gaat het om twee manieren van leven: een verkeerde, een zondige manier en een goede manier vanuit de Geest. Het gaat erom dat je als gelovige kiest voor de goede manier om te leven. Het mooie van deze vrucht van de Geest is dat deze vrucht vaak ongemerkt groeit. Anderen zien dat soms eerder dan jezelf. Het groeit aan je. Tegelijkertijd is de vrucht ook een opdracht: Wees liefdevol, wees vol blijdschap, wees gericht op vrede enzovoort.

Vraag 4: Wat zie jij in je eigen leven van de vrucht van de Geest?


Gaven van de Geest
De Heilige Geest geeft ook gaven, die gebruikt kunnen worden binnen de kerk. In onze tijd zou je kunnen zeggen: iemand die je weet te bemoedigen. Iemand die zondagsschool of kindernevendienst kan leiden. Iemand die je uitleg kan geven over het geloof. Iemand zorgzaam is. Iemand die goed kan luisteren. Vaak passen deze gaven goed bij wat je zelf al in huis hebt, bij wat je interesses zijn of wat je goed afgaat. Dan is het mooi om dat in de gemeente in te zetten en anderen daarmee mag dienen.
Als een taak je niet goed afgaat, mag er er toch op vertrouwen dat de Heilige Geest jou helpt. Zeker als je bidt om de leiding van de Heilige Geest.

Vraag 5: Welke gaven heb jij waarmee je anderen kunt dienen?




Als het om de Heilige Geest gaat, gaat het ook altijd om ervaring. De ervaring dat God er is. De ervaring dat God in je werkt. Dat je bijvoorbeeld enthousiast wordt. Dat je kracht krijgt. Dat je weet wat je moet doen. Wanneer je dat ervaart, is dat vaak een bevestiging dat de Geest in je werkt. Soms kan er ook een behoefte zijn om meer te ervaren dan het ‘gewone’ van het geloof. Als bevestiging voor jezelf. Of om anderen, die nu nog niet geloven, te laten zien dat het geloof echt waar is en echt werkt. Daarom kan er aandacht zijn voor speciale gaven, zoals iemand door gebed of door geloof te genezen.

Bijbel – Lezen: Johannes 14:15-26

 

Vraag 6: De Geest wordt Trooster genoemd. Waarom deze typering?





Vraag 7: Wat zal de Heilige Geest doen?






Uit het doopformulier
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen en dat Hij ons tot leden van Christus zal heiligen. Zo wil de Heilige Geest aan ons schenken wat wat in Christus hebben: de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente van de uitverkoren in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen.

Les 8 Als God in je leven komt (geloof en bekering)

Les 8 Als God in je leven komt (geloof en bekering)

Voor Marije is geloof iets dat bij haar leven hoort. Als kind hoorde zij de verhalen uit de Bijbel. Thuis werd er gelezen uit de kinderbijbel. Op school werden de verhalen uit de Bijbel aan het begin van de morgen verteld. Ze ging als kind al mee naar de kerk en naar de zondagsschool. Als kind geloofde ze al. Ook toen ze tiener werd en nog weer later volwassen, bleef ze bezig met geloof. Ze heeft ook wel haar momenten van twijfel gehad. Toch mist ze het soms wel dat ze niet een moment kan aanwijzen. Ze geeft dat tijdens een Bijbelkring ook aan. Daarop reageert Jeroen: ‘Je mag daar juist heel dankbaar voor zijn. Ik heb wel zo’n vast moment, maar ik zou zelf graag willen dat ik eerder was gaan geloven.’

Vraag 1: Lijk jij meer op Marije of lijk jij meer op Jeroen?



Vraag 2: Wat is het mooie van een geloof dat je als kind al hebt meegekregen?




Vraag 3: Wat is het bijzondere als je later bent gaan geloven?


Uitleg
Wanneer ga je geloven? Dat is voor ieder verschillend. Voor de een is dat vanaf de kindertijd: Je hoort de verhalen van de Bijbel. Je leert psalmen en liederen op school of zondagsschool. Van je ouders leer je een gebed voor het slapengaan en bidden voor het eten. Je hebt al jong op God leren vertrouwen en dat vertrouwen is nooit weggegaan. Terwijl jezelf opgroeide en volwassen werd is het geloof meegegroeid. Een bijbels voorbeeld van iemand die als kind al geloofde was Timotheüs. Daarom wordt zo’n geloof ook wel eens Timotheüs-geloof genoemd.
Voor een ander kan er tijd geweest zijn waarin je niet geloofde. Omdat er niemand was die je over de Heere vertelde. Of jou leerde bidden.Het kan ook zijn dat je het in je kindertijd wel mee kreeg. Maar in die tijd zei het geloof je niets. Je was met heel andere dingen bezig. Dat veranderde. Dat kon geleidelijk aan zijn gebeurd. Je ging erover nadenken. Je ging weer naar de kerk en je raakte geïnteresseerd. Tot het nu zover gekomen is dat je op belijdeniscatechisatie zit.
Of opeens, heel onverwacht veranderde je. Door een plotselinge gebeurtenis, door een opmerking of een gedachte. Je veranderde enorm. Was je voorheen niet zo met geloof bezig, door die gebeurtenis, die gedachte of die opmerking kwam God opeens in je leven. Je had er niet op gerekend. Een onverwachte ommekeer was er voor Paulus. Zo’n abrupte ommekeer wordt daarom ook wel Paulus-bekering genoemd.
Op welke manier het ook gebeurt, God is altijd de eerste: Hij komt in je leven nog voordat je je ervan bewust bent. Geloof is een geschenk, genade. Hij kan in je leven komen door je gelovige ouders te geven of een vriend of vriendin die gelovig is. Hij kan daar een mooie gebeurtenis voor gebruiken zoals een relatie die je krijgt of een kind dat je mag ontvangen. Hij kan daarvoor ingrijpende gebeurtenissen gebruiken. De manier waarop Hij in ons leven komt, past bij wie we zijn en welke weg wij door het leven gaan. De Heere weet op welke manier Hij ons bij Hem krijgt. Wanneer je eerst niet geloofde, zorgt geloof voor een verandering in je leven. We noemen dat bekering. Dat betekent dat je omgekeerd wordt. Ging je eerst een weg zonder God, nu ga je een weg met God en door God geleid.

Vraag 4: Wat was er voor jou nodig om te gaan geloven? Of als je als kind al geloofde, wat heeft jou bij het geloof gehouden?



Vraag 5: Welke mensen zijn voor jou een voorbeeld in geloof geweest? Of hebben jou het geloof voorgeleefd? Hoe gebeurde dat?


Wat is geloven eigenlijk? Geloven is een eigen, persoonlijke relatie met de Heere: Je vertrouwt Hem. Je houdt van Hem. Geloven is niet alleen iets wat je met je verstand doet. Het is meer dan kennis alleen. Van mijn vrouw en kinderen kan ik bepaalde kennis hebben. Ik kan hun geboortedatum weten, hun lengte, hun interesses. Maar dan heb ik nog niet persé een relatie met hen. Relatie hebben betekent dat je om hen geeft en dat je je leven met hen deelt. Zo is dat ook met de Heere. Je weet wie Hij is, want je kent een aantal verhalen uit de Bijbel en je hebt Hem ervaren in je leven. Er is ook een relatie, waarbij je Hem vertrouwt en je leven aan Hem geeft.
Dat heeft ook gevolgen voor wie je bent en wat je doet. Want geloven houdt ook in dat je hart veranderd wordt. Was er eerst geen plek voor God in je hart, nu komt Christus in je hart wonen. Als Christus in je hart is, dan worden ook wat je doet, wat je denkt, wat je zegt, wat je ziet door Hem bepaald.

Vraag 5: Wat merk je zelf van die persoonlijke relatie met de Heere? Waar heeft het voor jou het meeste mee te maken?




Dat Christus in je hart komt, wil nog niet zeggen dat je een perfecte gelovige bent. Je zult als gelovige heel wat keren God en jezelf teleurstellen. We blijven vergeving nodig hebben. We hebben het nodig om steeds weer opnieuw te strijden: tegen zonde en verleiding, tegen ongeloof, tegen ongehoorzaamheid. Je zou kunnen zeggen dat we elke dag weer een bekering nodig hebben. Gelukkig staan we er niet alleen voor en mogen we weten dat Christus met ons meestrijdt en voor ons strijdt. Deze strijd die we hebben te voeren komt later nog een keer terug als thema.

Vraag 6: Op welke manier ben je veranderd sinds je (bewust) bent gaan geloven?



Vraag 7: Op  welke punten zou je zelf nog willen veranderen?


Bijbel. Lees: Johannes 1:44-52

Vraag 8: Filippus heeft geen bedenkingen. Nathanaël heeft heel wat aarzelingen. Op wie lijk / leek jij het meest?



Vraag 9: Waardoor kan Nathanaël Jezus wel volgen?



Vraag 10: Je zult veel bijzondere dingen meemaken, zegt Jezus tegen Nathanaël. Geldt dat voor jou ook?





Geloofsbelijdenis
Heidelberger Catechismus vraag en antwoord 60 (zondag 23)
Waardoor zijt gij rechtvaardig voor God?
Alleen door een echt geloof in Jezus Christus: al klaagt mijn geweten mij aan dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd heb en geen van deze geboden gehouden heb en nog steeds tot alle kwaad geneigd ben, toch schenkt God mij, zonder enige verdienste van mijn kant, louter uit genade, de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus. Hij rekent mij die toe alsof ik nooit zonde gehad of gedaan heb, ja alsof ik zelf al de gehoorzaamheid had volbracht, die Christus voor mij volbracht. Alleen door deze weldaad met een gelovig hart aan te nemen ben ik rechtvaardig voor God.

Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Preek Eerste Pinksterdag 2017

Preek Eerste Pinksterdag 2017
Belijdenisdienst
Schriftlezing: Johannes 15:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op de eerste woensdagavond in oktober begon de eerste avond van belijdeniscatechisatie.
Zo’n eerste keer is het altijd spannend:
Hoeveel komen er? Wie komen er allemaal?
Dit keer had ik het iets anders aangepakt:
Ik had een aantal uitnodigingen laten afdrukken en die bij een aantal huizen afgegeven,
in de hoop dat ik daarmee er een aantal over de streep kon trekken om mee te doen.
De eerste avond stapten er tien mensen bij ons de drempel over
en enkele weken later kwam de elfde erbij.
Ze kwamen aarzelend binnen, onzeker of belijdeniscatechisatie wel iets voor hen was.
Het was al een grote stap om aan de belijdeniscatechisatie te beginnen,
en of ze er aan toe waren om belijdenis te doen, wisten de meesten niet zo goed,
en avondmaal stond al helemaal ver weg – nu nog steeds wel,
maar ze hadden wel het idee dat ze er aan moesten beginnen.
Het duurde misschien even voor het echt op gang kwam,
wellicht ook door hoe ik de belijdeniscatechisatie deed
het was wel even slikken toen halverwege de vraag kwam of het anders kon,
maar het werden steeds mooiere avonden.
Met als mooiste avond misschien wel, die van afgelopen woensdagavond,
met vier leden van de kerkenraad, die zelf aangaven hoe zij belijdenis gedaan hadden
en heel persoonlijk over zichzelf vertelden,
over hoe zij zelf waren meegenomen door iemand anders, of de vragen die ze later hadden,
een tijd hadden gehad, waarin geloof wel heel ver weg was door hun manier van leven.
Of hoe tegenslag in het leven onverwacht dichter bij God bracht.
En die openheid gaf ook jullie gelegenheid om te vertellen, hoe jullie erin staan.
Dat jullie ook je vragen hebt, door wat je allemaal bent tegengekomen.
dat er ook heel wat nodig was om je op belijdeniscatechisatie te krijgen,
En dat het avondmaal echt nog een hele stap is,
maar ook dat jullie gegroeid zijn en dat jullie zelfs gingen uitkijken naar deze dag,
waarop je voor in de kerk “Ja!” tegen God zou gaan zeggen.
‘Ik wil mijn doop overnemen, toen mijn ouders “Ja!” zeiden tegen God,
toen ik het nog niet kon.”
Ik denk dat de ouders, die deze dag mee kunnen maken, alleen maar dankbaar mag zijn,
om te zien dat uw kind nu belijdenis doet
en in het openbaar aangeeft met de Heere verder te willen gaan.
Zelf vind ik het een voorrecht om getuige te mogen zijn van jullie groei in geloof.
Al zullen jullie zelf misschien zeggen, dat je nog lang niet uitgegroeid bent,
misschien zeg je wel dat je nog maar net begonnen bent met groeien in geloof.
En toch is dat al die vrucht, waar de Heere Jezus over spreekt, die aan je groeit,
Als je verbonden bent met Hem, zoals een tak verbonden is aan een druiventak

Je draagt nu al vrucht, omdat het geloof in jullie is gaan werken
en omdat je daar iets van kunt aangeven, door in het openbaar belijdenis af te leggen.
Vandaag wordt het zichtbaar dat jullie aan Christus verbonden zijn.
Dat is niet iets wat vandaag pas gebeurt.
Dat je aan Hem verbonden raakte, dat is al eerder gebeurd.

Voor de een in de kindertijd en daarna altijd met Christus verbonden,
voor de ander na een tijd waarin de kerk en het geloof op een heel laag pitje stond.
Voor de één een aarzelend geloof, waarin de vragen gebleven zijn,
voor de ander een geloof waarin je steeds overtuigder raakte.
Maar toch allemaal aan Christus verbonden, als je Heer.

Het idee om over dit gedeelte te preken was toen er bij ons aan het begin van het voorjaar
in de tuin een tak van de kastanjeboom lag, die was afgezaagd.
In de tijd dat er knoppen aan de boom kwamen, werd de tak afgezaagd.
De afgezaagde tak lag daar al en de knoppen kwamen uit, de tak kreeg bladeren.
De bladeren waren ook gewoon groen, alleen waren ze wat slapper.
Hoe stevig de tak ook – het was een forse tak – de bladeren zouden niet blijven leven.
Er kwam een moment dat de tak dood zou gaan,
omdat de tak was afgesneden van de boom.
Ik bedacht bij mijzelf, dat als je losraakt van Christus, dat je dat niet altijd direct merkt.
Je leven kan gewoon doorgaan.
Alleen heel langzaam aan ga je dood in geestelijk opzicht.
Zoals het voor die tak van levensbelang is om aan de boom vast te zitten,
is het voor ons als gelovigen ook van belang om aan Christus vast te zijn,
op Hem aangesloten te zijn.
Misschien heb je meegemaakt, dat je als tak afgebroken bent geweest, een tijd zonder geloof.
Of dat je slechts een klein beetje aan Christus vastzat, of de voedingsstoffen niet nodig had.
We geloven en we zien dat gelukkig ook dat God afgebroken takken weer vastmaakt
aan Hem, met Hem verbindt, zodat je weer gaat leven,
kracht van Hem krijgt en wijsheid, liefde en zelfs gaat groeien en vrucht gaat dragen.
Ik ben de ware wijnstok.
Daar begint het mee.
Als je teruggaat, hoe dat geloof in je leven gekomen is, zul je ontdekken
dat je niet zelf de eerste bent, maar dat Christus de eerste is
en dat je aan Hem vastgemaakt bent en dat er vanuit Hem als de stam
al kracht naar je toekomt – de Heilige Geest, geloof, betrokkenheid, interesse,
voor dat je dat goed en wel door hebt.
Dat heeft Hij al bij je doop beloofd en het is mooi om te merken dat Hij die belofte waarmaakt.
En dat Jezus de ware wijnstok is, geeft aan, dat je alleen aan Hem verbonden kunt zijn.
Je kunt het wel ergens anders zoeken en misschien heb je dat ook wel geprobeerd,
maar wat Christus je biedt, kan niets of niemand anders je geven.
Daarom zijn jullie te feliciteren dat je van Christus bent, dat je dat mag belijden vandaag!

Jezus zegt ook iets over Zijn Vader: Mijn Vader is de wijngaardenier.
Dat is een mooie typering,
want een wijngaardenier is iemand die veel zorg besteed aan zijn planten.
Wat Jezus hier zegt over Zijn Vader is dat God een vakman is, een ambachtman,
die met liefde en zorg met ons leven bezig is, steeds heel precies en heel nauwkeurig,
zoals een wijngaardenier steeds langs zijn planten loopt, elke dag weer opnieuw
en stuk voor stuk de takken bekijkt, of ze er goed bijhangen
en kan genieten van de vruchten die groeien en straks dankbaar de vruchten plukt.
Zo is de Heere steeds elke dag weer zorgvuldig met het leven van ons allemaal bezig,
Stuk voor stuk besteedt Hij als een vakman liefde, zorg en aandacht aan ons leven.

Er zijn momenten waarop je die zorg van God voor je leven merkt.
In de geboorte van een kind bijvoorbeeld, als de Heere dat verlangen vervult.
Of al eerder, als je samen komt.
Dat is het mooie van een bruiloft: dat zichtbaar wordt dat God twee mensen samenbrengt
om hen gelukkig te maken door hun levens bij elkaar te brengen.
Wanneer een stel bij mij in de kamer zit om het huwelijk voor te bereiden,
vraag ik nogal eens, hoe ze bij elkaar gekomen zijn.
Niet alleen uit nieuwsgierigheid (dat ook!), maar om hen ervoor de ogen te openen,
dat God toen al in hun leven bezig was.
Vaak waren ze zelf niet zo met God bezig; dat groeide pas tijdens de verkeringstijd.
Vaak hebben ze elkaar ontmoet, op plaatsen waar ik niet mocht komen.
Gods werk in ons leven is vaak verrassend
en God is al bezig om ons bij Hem te brengen, aan Christus te verbinden
voor wij dat door hebben.
Vaak gaat dat ook geleidelijk aan. Een plotselinge bekering komt maar zelden voor.
Vaak is het een lange weg, waarbij je eerst wat onrustig wordt,
op zoek gaat, weer naar de kerk gaat,
of als je naar de kerk bleef gaan, dat de preken en de liederen je gaan aanspreken
en dat je na blijft denken over wat er tijdens de dienst gezegd en gezongen wordt.
Je raakt wat meer thuis in de gemeente, je gaat met meer plezier naar de kerk.
Je gaat er echt naar verlangen en je gaat het missen als je er niet bent geweest.
Je gaat er doordeweeks ook steeds meer mee bezig
en anderen om je heen merken dat misschien ook wel.
Je draagt vrucht, soms nog voordat je daar zelf van bewust bent.
We hebben het daar ook over gehad.
Dat je de vrucht niet altijd zelf ziet.
En de vrucht die je aan je draagt is ook geen perfect geloof.
Want een perfect geloof is niet mogelijk, je blijft zondigen,
ook nadat je bent gaan geloven en ook nadat je belijdenis hebt gedaan, zul je dat blijven doen.
De vrucht die aan je groeit, is dat je ondanks je onvolmaaktheid
het steeds bij de Heere zoekt en van Hem verwacht en naar Hem toegaat.
De vrucht die aan je groeit is dat je je leven niet meer zonder de Heere kunt voorstellen
en het ook niet meer zonder Hem wilt doen
Vrucht is ook, dat je ondanks je vragen die je hebt, blijft vasthouden en blijft zoeken
en God niet loslaat, ook al is Hij voor je gevoel niet te bereiken.
Dat gebeurt niet bij iedereen. Je kunt ook in moeilijke tijden juist dichter bij God komen.

De Heere Jezus vertelt dat het niet altijd makkelijk is om te geloven.
De Vader als wijngaardenier snoeit ook.
Daar kunnen heel wat die hier in de kerk zijn over mee praten
en dat is voor jullie, die belijdenis doen, ook niet onbekend.
Momenten in het leven, waarop het tegenzit, waarop God ver weg is,
waarin iemand wegvalt, die veel voor je had kunnen betekenen:
een vader, een moeder, een opa, oma, een vriend, een vriendin.
Als je ermee geconfronteerd wordt, dat gezondheid niet vanzelfsprekend is,
omdat je zelf ziek wordt, of iemand van wie je veel houdt,
Omdat een diepe wens, om een partner te vinden, om een kind te ontvangen,
niet vervuld wordt.
Dat snoeien kan soms diep insnijden
en kan bij de een ook wel eerst een afstand tot God geven,
of een geloof waarin je met God worstelt:
Als U mijn Vader bent, waarom moet mij dat overkomen?
Die vragen kunnen overkomen als ongeloof.
Het heeft mij geholpen om van die vragen af te komen, door te ontdekken
dat een worsteling met God niet persé ongeloof is,
maar uiteindelijk een diep geloof, een intens verlangen om iets van God te merken.
Zo kan God ook werken: doordat je iets mist, doordat je kan hebben,
dat je God niet ervaart in je leven, dat je maar doorzoekt
een zoektocht, een worsteling, waarbij je achteraf gezien vastgemaakt werd aan Christus.
Om niet de vrucht van een perfect geloof te dragen,
maar de vrucht van een hartstochtelijk verlangen, een gemis aan God.

Dat snoeien van God kan ons klein houden en nederig,
het kan onverwacht zijn en diep insnijden, maar uiteindelijk is het vooral zorg en liefde,
van God die als vakman weet hoe Hij ons leven bij Hem kan brengen
en hoe ons leven aan Hem verbonden blijft
en hoe, door aan Hem verbonden te zijn, wij vrucht kunnen dragen – tot eer van God.
Daarom ben ik van harte dominee,
omdat ik de gemeente steeds weer die vrucht tegenkom,
waarin ik mag zien hoe iemand gehecht is aan Christus en leeft uit Hem.
Vaak is diegene er dan heel bescheiden over, vaak heel verbaasd,
en eigenlijk onzeker of er wel vrucht te vinden is.
Dat vrucht dragen is iets dat gebeurt, doordat je aan Christus verbonden bent,
uit Hem leeft en de Heilige Geest in je werkt.
Daarom is het van belang om bij Christus te blijven en aan Hem gehecht te zijn.
Raak je los, dan raak je Christus kwijt – en dat is niet wat jullie willen.
Daarom hebben jullie de gemeente ook nodig, die om je heen staat
met gebed en met dezelfde zorg en aandacht als de Vader:
Om jullie aan te spreken als je Christus kwijt dreigt te raken,
om je verbonden te houden aan Christus.
Door de ervaringen te delen, dat hoeven geen succesverhalen te zijn
over hoe geweldig je bent als gelovige, maar eerlijke en open verhalen,
hoe je God soms kwijt bent, maar hoe Hij je dan weer vindt,
Hoe je door God wordt vastgehouden en hoe je zelf je best doet, voor wat je kan,
om aan Christus verbonden te blijven.
Om te delen met elkaar, hoe je die zorg van God, de Wijngaardenier, de Vakman,
in je leven merkt, ook hoe je merkt hoe God je snoeit.
En vaak hebben we dan elkaar nodig, om in die tijden te merken,
dat God juist bezig is om ons uit Christus, vanuit die gehechtheid aan Christus,
zoals de tak vastzit aan de stam, te laten groeien en vrucht te laten dragen.
Dat jijzelf en de anderen om je heen merken dat je van Christus bent en door Hem leeft.

Het is vandaag Pinksteren.
Pinksteren is het feest, waarop we vieren dat het Evangelie van Christus verspreid wordt.
Hoe mensen stuk voor stuk aan Christus verbonden worden.
Vandaag mogen we allemaal getuige zijn, hoe jullie aan Christus verbonden zijn geraakt.
Dat is voor ons een een bemoediging, voor degenen die al eerder belijdenis deden.
en het zet ons ook aan het denken, ook degenen die geen belijdenis hebben gedaan:
Waarom staan wij daar eigenlijk niet?
wat houdt ons nog tegen om volgend jaar mee te doen?
Het mooie is dat bij het vrucht dragen de aandacht ook naar God gaat.
Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt en Mijn discipelen bent.
Dat laatste zullen jullie wel beamen: Ik ben discipel geworden.
Maar dat je vrucht draagt en dat God door jullie wordt verheerlijkt?
Ja dat is zo! Dat zijn we allemaal, die hier in de kerk zijn.
We zijn getuige van jullie vrucht en we zijn daar God enorm dankbaar voor.
Die dankbaarheid is er bij jullie ook,
maar jullie kijken ook vooruit: zal ik het waarmaken? Val ik niet terug?
Daarom dat gebed – en we geloven dat Christus dat zal verhoren:
Leer mij Uw weg, o Heer, leer mij Uw weg.
schenk van Uw kracht mij meer, leer mij Uw weg.
Houdt mij in evenwicht, dat ‘k voor Uw aangezicht,
wandel in ‘t volle licht. Leer mij Uw weg.

Het lied eindigt in een belijdenis, daar mag je je ook aan vasthouden:
Hoe sterk ook satans macht, Jezus geeft licht en kracht
ieder die Hem verwacht; Hij is nabij
Amen

Preek zondag 15 mei 2016

Preek zondag 15 mei 2016
Eerste Pinksterdag / Openbare belijdenis van het geloof
Psalm 16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vanmorgen voel ik mij bevoorrecht.
Elke keer als ik gemeenteleden openbare belijdenis van het geloof mag laten doen
voel ik mij bevoorrecht.
Ook vanmorgen is het voor mij bijzonder
en niet alleen vanmorgen,
maar tijdens alle woensdagavonden is het voor mij bijzonder geweest
om getuige te mogen zijn van de groei in geloof
van deze 8 gemeenteleden die vanmorgen openbare belijdenis afleggen.
Vanmorgen doen ze openbare belijdenis.
Ze zijn in de afgelopen weken naar deze dienst gaan uitkijken,
omdat ze er naar verlangen ervoor uit te komen
dat ze bij Christus willen horen.
Dat is heel anders dan toen deze groep in september begon.
Toen was er nog veel meer een aarzeling:
ben ik er wel aan toe om belijdenis te doen?
Het is bijzonder om te zien dat in het afgelopen seizoen
de aarzeling plaatsgemaakt heeft voor vertrouwen en voor enthousiasme.
Hoewel sommigen hun aarzelingen nog hebben.

Kan dat wel, als je nog aarzelingen hebt, dat je dan toch belijdenis aflegt?
Ja, dat kan zeker,
omdat je op het moment waarop je belijdenis aflegt, nog niet klaar bent
met het leren over geloof.
Daar zijn jullie, die nu vanmorgen belijdenis doen, je ook van bewust.
Ik denk dat iedereen, die hier in de kerk aanwezig is
en al eens belijdenis heeft afgelegd,
ervaren heeft dat je na de dag van belijdenis doen nog veel hebt geleerd.
Daarnaast denk ik, dat er altijd wel bepaalde aarzelingen zijn of vragen
– aarzelingen die je misschien wel niet aan anderen kunt uitleggen,
zelfs niet aan je man of vrouw
en vragen waarop er geen antwoorden te vinden zijn.
Geloven is niet een antwoord vinden op alle vragen
en geloven is ook niet alle twijfel overwonnen hebben,
maar geloven is ondanks alle twijfel en ondanks alle vragen die je hebt
je vasthouden aan de Heere
en weten dat Hij jouw God wil zijn.
Geloven is de Heilige Geest de kans te geven
om rust en zekerheid in God te vinden – ondanks de vragen en twijfels.
Niet om die twijfels en vragen zomaar te accepteren,
maar wel vanuit geduld met jezelf
en vanuit vertrouwen op de Heilige Geest
Dat je ook verder zult groeien
En dat de Heilige Geest in staat is om je de twijfels en vragen af te nemen.

In Psalm 16 spreekt David over een pad die naar het leven leidt.
Een pad die naar de vreugde leidt, omdat je dan bij de Heere uitkomt.
Wat voor weg hebben jullie in de afgelopen maanden bewandeld?
Het was een weg, waarvan het einddoel bekend was: belijdenis doen.
Maar dat was nog zo ver.
Kwam de weg die je volgde daar wel uit?
Dat einddoel lag nog zo ver voor.
Die weg moest wel eerst worden afgelegd.
Als ik zo overzie welke weg jullie hebben afgelegd,
is dat een weg waarop je geleerd hebt
om niet zo snel mogelijk van a naar b te gaan,
hoewel sommigen daar wel van houden: mooi duidelijk als je weet waar je naar toe moet.
Maar het was een weg, waarop je geleerd hebt
om oog te hebben voor de kleine dingen, waarin God aanwezig is.
Een van de vragen waarmee jullie begonnen, was:
wat merk je nou van God in het alledaagse leven.
Je bent druk met van alles en nog wat: met je werk, je andere bezigheden, je gezin.
Je hebt amper tijd om met elkaar twee avonden in de week naast elkaar op de bank te zitten
om elkaar te delen wat je bezig houdt.
Hoe kun je – als er zoveel is dat de aandacht van je vraagt – toch iets van de Heere ontdekken.
Door tijd te nemen, voor elkaar en voor God.
Om toch samen ermee bezig te zijn – het hoofdstuk te lezen,
er samen over door te praten, met de vragen bezig te zijn
en de Bijbelgedeelten te lezen die het hoofdstuk aangaf.
Over heel de dag meer stil te staan bij de Heere.
Ik stelde HEERE voortdurend voor ogen.
Door de alledaagse dingen die gebeuren en die heel klein lijken
te zien als iets waarin de Heere werkt:
de dag die aanbreekt, de zon die opkomt, de kracht en gezondheid die je hebt.
Toen ik jullie vroeg of je kon aangeven op welke manier je gegroeid was
zeiden de meesten van jullie: je leeft meer bewust,
je doet de dingen meer bewust, je maakt bewustere keuzes
en je hebt meer besef dat de Heere er is.
Ook in rust en zekerheid die je bij jezelf waarneemt.
Jullie kunnen het mee zeggen met David in Psalm 16 – en dat in dankbaarheid:
U maakt mij het pad ten leven bekend.

Dit is niet het gebruikelijke woord ‘weg’, waarbij het accent meer ligt op het lopen,
maar bij dit woord gaat het meer om het aankomen, om de bestemming:
Het leven, dat je gevonden hebt, het leven met God, God kennen.
Bij God uitkomen.
In deze psalm gebruikt David dit woord ook om aan te geven
hoe de Heere met hem, David, omgaat.
De weg die God voor mij heeft uitgestippeld is mij duidelijk geworden.
De Heere heeft mij geholpen om die weg te vinden.
En het is ook een weg waarbij Hij het goede met mij voorheeft.

Ja, en daar zit een van die vragen, waar je niet zomaar uitkomt:
Wat er in mijn leven gebeurt, komt dat van God?
En is dat het goede, waar God over spreekt?
Een moeder die er niet meer is
Spanningen die er in je leven kunnen zijn.
Is dat het leven dat de Heere voor je in petto heeft?
Is dat je bestemming – om met dat gemis te leven,
met die spanning die jij zelf niet kunt oplossen.
Het pad naar het leven dat de Heere voor ons heeft uitgestippeld
is vaak niet de weg die wij gekozen zouden hebben.
En toch gaat David ons voor door te belijden:
Ik heb deze weg niet voor mijzelf uitgekozen, maar het is de weg die U met mij gaat
en daarom is het een goede weg.
Op de weg die ik ga neem ik mijn twijfels en vragen mee,
maar ik ga de weg wel.
Ik moet nog wel eens zoeken en ben soms de weg weer kwijt,
maar dan bent u er om mij te wijzen welke kant ik op moet.
Ik loof de Heere die mij raad heeft gegeven.
Ook dat is een van de vragen, die aan bod kwam:
Welke dingen mag je wel en welke dingen mag je niet.
Wat doe je op zondag: kijk je dan naar voetbal
of gebruik je die dag, misschien wel de enige dag, waarop je samen bent,
om met elkaar te praten, over wat je bezig houdt
en ook over de Heere?
Soms zou het wel makkelijk zijn als je van de Heere een klip en klaar antwoord zou krijgen:
Of iets wel mag, of juist niet.
Maar doordat de keuze niet altijd zo zwart-wit is als je zou willen,
moet je er met elkaar over doorpraten: waarom wel, waarom niet.
En juist dat vormt je ook weer.
Dat is een les van de Heere, raad die de Heere geeft.
Ik loof de Heere die mij raad heeft gegeven.
Ik ben er U, Heere, dankbaar voor.

Ik struikel nog wel eens of glijd uit
en dan bent U er om mij weer op te tillen.
Omdat U aan mijn rechterhand ben, wankel ik niet.
Ik hoef deze weg niet alleen te gaan.
Een weg waar de Heere er altijd bij is
en je meeneemt en je uitleg geeft.
De Heere neemt je mee:
Is dat bij jullie niet gebeurd in de afgelopen maanden,
waarin je steeds meer begreep van het geloof?
En is dat ook niet in de periode vooraf aan de belijdenis geweest?
Bijvoorbeeld een collega die vraagt: ‘ Heb jij nog geen belijdenis gedaan?
Ik dacht dat je dat allang gedaan had.’
Waarbij je over deze opmerking bent gaan nadenken:
Als anderen vragen waarom ik dat nog niet gedaan heb,
dan vinden zij dat ik eraan toe ben.
Misschien moet ik dan toch gaan.
Of dat je door je vrouw meegenomen werd.
Tot op het laatst was je afhoudend:
Ben ik er wel aan toe?
En toch ging je uiteindelijk mee
en heb je in het afgelopen seizoen veel geleerd.
Is dat niet de Heere geweest die jou meegenomen heeft?
Ik loof U, omdat U mij raad hebt gegeven.
We hebben het in het afgelopen seizoen al vaak over gehad: over ritmes
In deze psalm is dankbaarheid het levensritme:
Dag en zelfs ‘s nachts, als er niet geslapen kan worden.
De hele dag door: bij het wakker worden en opstaan,
als je onderweg bent voor je werk, als je aan het werk bent, als je thuis bent:
dankbaarheid voor wie God is.
Dankbaar voor alle zegeningen die Hij geeft.
Dankbaarheid voor alle levenslessen die je van Hem ontvangt.
Dankbaarheid omdat Hij er altijd is.

Met deze psalm kunnen ze zeggen: De Heere is alles voor mij.
Dat is taal van verliefden,
Van stelletjes die niets liever willen dan de hele tijd bij elkaar zijn,
zoveel mogelijk tijd samen doorbrengen
en niet meer zonder de ander kunnen.
Heer, U bent alles voor mij.
Ik wil U aanbidden.
U bent alles voor mij: U bent mijn bestemming, U bent mijn leven, Heer.
Psalm 16 is een heel intieme psalm, waarin David verwoord hoe gelukkig is.
Ik wil het nergens anders meer zoeken.
Zijn er anderen die hun geluk ergens anders zoeken,
Ik wil het er niet eens meer over hebben.
Ik krijg de naam er niet van over mijn lippen.
Ik besteed ook geen tijd meer aan. Ik heb er niets meer voor over.
Dat kan begonnen zijn
als iets stils in jezelf, dat niemand hoefde te weten, een voornemen.
En vandaag kom je er voor uit: Heer, U bent alles.
Vandaag bekrachtigen jullie dat met jullie ja-woord,
naar Christus toe uitgesproken.
En daarmee zijn jullie voor ons een getuigenis.
Wie al eens belijdenis gedaan heeft,
kan door jullie ja-woord ervaren dat de eigen belijdenis,
misschien wel lang geleden uitgesproken, wordt vernieuwd.
Wie nog geen belijdenis heeft gedaan,
gaat erover nadenken: Zou het iets voor mij zijn?
Ach nee, ik ben er nog niet aan toe.
Zover ben ik nog niet.
Ach nee, ik zie mijzelf daar niet vooraan zitten.
Ik zie mijzelf niet meedoen met de jongelui.
Vandaag zeggen deze 8 het tegen jullie allemaal:
Of je nu nog de leeftijd niet hebt om belijdenis te doen,
Of dat je al zoveel keren voorbij hebt laten gaan om mee te doen,
Of je al belijdenis gedaan hebt:
Er is een God in de hemel, die je leven leidt.
Die ons roept en ook jullie.
Die zoveel te geven heeft: Zijn Zoon, de Heilige Geest als kracht om te geloven.
Zoveel is het niet over de Heilige Geest gegaan,
maar alles wat er in deze preek aan de orde komt,
heeft met de Heilige Geest te maken.
Dat deze 8 hier vooraan staan, de groei die ze doormaakten en doormaken,
Dat wij als gemeente bij elkaar zijn
dat wij bemoedigd worden en dat we een appèl voelen om erover na te denken:
Het is allemaal werk van de Heilige Geest.
Hij laat ook u en jou niet met rust,
totdat ook jij van de Heere zegt: U bent alles voor mij.
Mijn bestemming, mijn doel, mijn leven.
Ja, dat is helemaal niets voor mij, zeg je misschien.
En toch, geef het een kans, zoals deze acht dat deden.
Je hoeft geen perfect geloof te hebben, om eraan te beginnen.
Wat je alleen nodig hebt, is vertrouwen in Gods weg,
vertrouwen dat de Heilige Geest je ook zover kunt brengen
en de moed om het toch maar te wagen.
Ik hoop dat er ook voor jullie dan een tijd aanbreekt
dat je het zegt – misschien wel tot je eigen verwondering:
Heere,  U bent alles voor mij.
Mijn bestemming, mijn doel, mijn leven.
Amen

Preek Eerste Pinksterdag 2015

Preek Eerste Pinksterdag 2015
Openbare belijdenis van het geloof
Efeze 3:14-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Geloven kan zo gewoon zijn,
dat we het bijzondere, het wonder van het geloof niet opmerken.
Een van de kernwoorden in de brief aan Efeze is het woord geheimenis.
Met dat woord geheimenis wil Paulus aangeven:
wat je ziet en ervaart, lijkt heel gewoon,
maar het heeft een diepte en een grootsheid die God er in heeft gelegd.
Als je geen tijd neemt om erbij stil te staan
en het op je te laten inwerken, dan kun je het ook heel gewoon vinden.
Vanmorgen zijn we in de kerk
en we kunnen dat heel gewoon vinden,
omdat de meeste mensen in de kerk op dezelfde plek zitten.
Goed, deze dienst heeft wel een bijzonder tintje
omdat 8 zijn die op een andere plek zitten dan anders: helemaal vooraan.
Als we alleen maar daarop gericht zijn, op degenen die vooraan zitten,
zien we het bijzondere van de kerkdienst over het hoofd,
namelijk dat de Here naar ons toe komt, in deze dienst;
dat Hij ons wil ontmoeten en meer nog,
dat Hij ons roept om in Hem te geloven, in Zijn dienst te leven.
dat Hij ons wil verzoenen met Hem.
Dat is het geheimenis van elke kerkdienst.
het lijkt heel gewoon, een groep mensen bij elkaar, vaak in dezelfde samenstelling
die met iets bezig zijn dat met God te maken heeft.
En toch heeft God daar een diepte en een grootsheid aan gegeven
van Zijn komst, van Zijn spreken tot ons, Zijn stem die ons tot Hem roept,
dat God iets van ons wil, namelijk dat ons leven, uw en jouw leven van Hem wordt.
Elke kerkdienst heeft de grootsheid dat de hoogste Heer,
die over alles regeert en alles in Zijn hand houdt, die aan ons het leven heeft gegeven
naar ons toekomt en ons aanspreekt, ons roept bij onze naam.
De Heilige Geest zet ons stil,
om onze ogen te openen voor wat God doet, zodat wij niet alleen maar zien
wat mensen doen, zoals een predikant of een ouderling
of jonge gemeenteleden die belijdenis doen,
maar dat we daarin ook zien hoe God aan het werk is.
De Heilige Geest opent ons de oren voor de woorden die gesproken en gezongen worden, zodat we ze opeens horen als woorden die God tegen ons persoonlijk zegt.
Als de Geest onze ogen en oren opent, baant Hij een weg naar ons hart.
Want daar in ons hart moet Christus gaan wonen.
Dat is het werk van de Heilige Geest: dat Hij in ons een plek klaarmaakt,
zodat Christus daar intrek in kan nemen.
Ook dat is een geheimenis: dat Christus in ons hart wil komen wonen.
We kunnen dat zo gewoon zijn, dat het geloof te maken heeft met Christus,
dat geloven een persoonlijke band met de Heere Jezus is,
dat we niet het bijzondere ervan zien,
dat Christus in ons wil komen wonen.
Christus, dat is de Zoon van God, die in de heerlijkheid, de glorie van God is.
Hij wil intrek nemen in ons hart.
Christus, dat is de Zoon van God, die naar deze aarde gestuurd is
voor de grote missie van God, om aan het kruis te sterven voor onze zonden.
Hij wil in ons hart komen wonen.
Christus, dat is onze Heer, die opstond uit de dood en de dood overwon
en de macht van de duivel heeft gebroken, omdat Hij ook deze kwade macht overwon
Hij wil komen wonen in ons hart.
Christus die naar de hemel ging om te regeren – ook over ons leven
Zijn koninkrijk zal geen einde hebben
Hij wil in ons hart wonen.

Vanmorgen doen 8 gemeenteleden belijdenis in het openbaar van hun geloof.
Daarmee zeggen zij dat ook: mijn hart is open voor u.
Kom in Mijn hart wonen.
U woont daar al en daarom ben ik gaan geloven.
Ik kan niet meer zonder U, Heere Jezus.
Ook dat is een geheimenis:
want dat ze hier voor in de kerk zitten en straks hun belijdenis zullen afleggen
betekent dat God in hun leven heeft gewerkt,
dat ze dat ook ervaren dat God in hun leven werkt,
dat Hij hen tot het geloof heeft gebracht,
misschien wel tot hun eigen verrassing.
De Heere werkt op een verrassende manier.
Soms gebruikt Hij daarvoor een relatie,
waarbij je verkering krijgt met iemand die wel naar de kerk gaat.
Soms gebruikt Hij daarvoor een ontmoeting met iemand
die je een stapje verder helpt in het geloof, door te wijzen op een AlphaCursus bijv.
Soms is het een zin of een opmerking die bij je blijft hangen.
Soms gaat het roer van je leven radicaal om, omdat de Heere je stil zet.
Soms gaat het geleidelijk aan, stapje voor stapje,
waarbij de Heere weerstanden die er in je zijn steeds weer overwint,
of je het steeds meer duidelijk laat worden hoe het is als Hij in je hart komt.
Zo kan het bij jou of u nu zo zijn,
dat u volgend jaar of over enkele jaren belijdenis doet,
terwijl u, jij daar helemaal nog niet aan denkt.
Het is als met vissen: de ene vis hapt sneller dan de andere vis,
om bepaalde vissen te vangen heb je geduld nodig.
Voor elke vis is er een eigen tactiek nodig.
Voor het vangen van sommige vissen is heel veel geduld nodig.
Zo heeft de Heere ook Zijn ‘tactiek’ om mensen te vangen.
Jullie, die belijdenis doen, jullie zijn door Hem ‘gevangen’.
De Heere Jezus gebruikt dat beeld tegen Petrus:
Je zult een visser van mensen worden.
Dat woord, dat de Heere Jezus daar voor het vangen van mensen gebruikt, betekent:
levend vangen, het leven schenken,
het reeds verloren gewaande leven terugschenken.
Dat kunnen we vanmorgen ook op jullie toepassen:
jullie zijn als het ware levend gevangen.
Je was er misschien niet uit jezelf op gekomen om de Heere Jezus te zoeken,
maar er gebeurde wat, zodat je langzaamaan Zijn kant op werd gehaald,
zoals een visser bezig is de vis te vangen.
Voor vissen is het water hun levenselement.
Ze gaan dood als je hen daar uit haalt.
Bij de mensen is het net andersom:
Als je gevangen wordt, kom je juist in het levenselement,
wordt je ergens uit weggevist, waar je het goed dacht te hebben,
waarin je je ook best wel zou kunnen redden.
En toch is het veel beter dat je opgevist wordt, want je krijgt het leven weer.
Het leven dat verloren gegaan is en dat al verloren gewaand was,
wordt terug gevonden – een leven met God.
De Heilige Geest is de visser die je opvist, al spartelde je misschien flink tegen
om je in het levenselement te brengen: in Christus.
Verandering van levenselement noemen we ook wel bekering:
de ene keer is dat heel radicaal, de andere keer geleidelijk aan
ontdekken en accepteren dat de Heilige Geest met je bezig is
om je binnen te halen.
Ook dat zegt Paulus in deze brief: het is een overgang van dood naar leven.
Het verloren gewaande leven met God
ontvang je in Christus weer terug.
Je leeft weer, omdat je in Hem bent.
Daarom is Hij ook bezig om in je leven te komen
en doet Hij dat de ene keer op een verrassende manier
en de andere keer juist heel confronterend doordat je iets ingrijpends meemaakt,
waardoor je opeens beseft wat er op het spel staat
en dat je zo niet verder kunt leven, omdat je zo niet voor God kunt verschijnen.

Verandering van levenselement, bekering, van dood naar leven,
opgevist worden om het verloren gewaande leven terug te ontvangen,
heeft een gevolg:
dat Christus in je hart gaat wonen, binnen in.
Ook dat is het werk van de Heilige Geest:
Hij haalt ons binnen en Hij zorgt ervoor dat Christus in ons hart gaat wonen.
Paulus bedoelt daarmee, dat Christus heel ons bestaan gaat doortrekken.
Dat Christus onze identiteit wordt.
Ik ben het niet meer die leeft, maar Christus leeft in mij.
Hij stuurt mijn denken aan, Hij stuurt mijn handen aan, Hij leidt mijn leven.
Ik heb niet meer de regie over mijn eigen leven.
Paulus geeft trouwens het goede voorbeeld.
Hij buigt zijn knieën. Dat was in die tijd niet gewoon.
Bidden deed men vooral staande,
maar Paulus maakt zich klein, hij onderwerpt zich
en zegt: Heere, u bent mijn God en mijn Heer. Ik erken U en belijd U als Heer.
Straks zullen jullie ook knielen en daarmee dat ook aangeven met dat gebaar:
Christus is Heer van mijn leven.
Ik ben het niet meer zelf die de baas is over mijn leven, maar mijn hart en mijn leven
is van Hem, mijn Heer, die mijn schuld droeg en met God verzoende
en in mij wil komen wonen.

Christus komt inwonen en laat het niet bij het oude.
Hij gaat zich ermee bemoeien, hoe ons leven eruit komt te zien.
Als Paulus hier bidt dat Christus in het hart komt wonen,
bedoelt hij daarmee niet, dat het de eerste keer is,
maar dat de gelovigen het effect merken dat Christus in hen woont.
Het gaat hem hier om de uitwerking
van de gekruisigde en opgestane Heer in je leven,
de Heere Jezus in de hemel en toch ook in je hart en leven.
Om de uitwerking: dat je sterk bent in je geloof.
Dat je niet snel meer twijfelt of het ook wel voor jou is.
Dat je niet meer van slag raakt als je leven anders verloopt dan gedacht
en je teleurstellingen moet ervaren.
Dat je sterk bent als je in de verleiding komt.
Dat je moed ontvangt om deel te nemen aan het avondmaal.
Dat je jezelf onder handen neemt en corrigeert als je geloof gaat verslappen.
Dat is het effect van Christus in je leven, in je hart.
Paulus bidt daarom, dat het in de gemeente van Efeze zal gebeuren.
Ook bidden is een geheimenis:
namelijk de mogelijkheid om bij God in de hemel te komen,
om tot God, de hoogste Heer, die heel deze wereld bepaalt.
Bij wie wij als kleine en ook zondige mensen kunnen aankloppen
met wat er in ons hart leeft.
Paulus bidt dat de gemeente sterk mag zijn.
Zo zit de gemeente achter jullie, met het gebed in hun hart voor jullie,
dat jullie sterk zullen zijn, nadat je de belijdenis hebt afgelegd.
dat je het niet kwijtraakt en bovenal dat de Heere Jezus in je hart blijft wonen

en dat Hij blijft werken in je, met je bezig blijft.
Het is spannend om voor in de kerk te zitten, maar ervaar het ook als een steun,
als een gemeente die je welkom heeft en je in het gebed draagt.
Afgelopen woensdagavond was het aannemingsavond,
ik hoop dat je het ook ervaren hebt als een welkom binnen de gemeente.
Je hoorde er al bij, maar nu als lidmaat,
als een lid van onze gemeente die ervoor uitkomt, die ervoor wil staan,
die dat in dankbaarheid aangeeft:
De Heere werkt in mij, Hij woont in mij en het is mijn gebed
dat Hij niet uit mij weggaat,
want ik heb het leven in Hem gevonden.
Amen