Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Advertenties

Preek Eerste Pinksterdag 2017

Preek Eerste Pinksterdag 2017
Belijdenisdienst
Schriftlezing: Johannes 15:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op de eerste woensdagavond in oktober begon de eerste avond van belijdeniscatechisatie.
Zo’n eerste keer is het altijd spannend:
Hoeveel komen er? Wie komen er allemaal?
Dit keer had ik het iets anders aangepakt:
Ik had een aantal uitnodigingen laten afdrukken en die bij een aantal huizen afgegeven,
in de hoop dat ik daarmee er een aantal over de streep kon trekken om mee te doen.
De eerste avond stapten er tien mensen bij ons de drempel over
en enkele weken later kwam de elfde erbij.
Ze kwamen aarzelend binnen, onzeker of belijdeniscatechisatie wel iets voor hen was.
Het was al een grote stap om aan de belijdeniscatechisatie te beginnen,
en of ze er aan toe waren om belijdenis te doen, wisten de meesten niet zo goed,
en avondmaal stond al helemaal ver weg – nu nog steeds wel,
maar ze hadden wel het idee dat ze er aan moesten beginnen.
Het duurde misschien even voor het echt op gang kwam,
wellicht ook door hoe ik de belijdeniscatechisatie deed
het was wel even slikken toen halverwege de vraag kwam of het anders kon,
maar het werden steeds mooiere avonden.
Met als mooiste avond misschien wel, die van afgelopen woensdagavond,
met vier leden van de kerkenraad, die zelf aangaven hoe zij belijdenis gedaan hadden
en heel persoonlijk over zichzelf vertelden,
over hoe zij zelf waren meegenomen door iemand anders, of de vragen die ze later hadden,
een tijd hadden gehad, waarin geloof wel heel ver weg was door hun manier van leven.
Of hoe tegenslag in het leven onverwacht dichter bij God bracht.
En die openheid gaf ook jullie gelegenheid om te vertellen, hoe jullie erin staan.
Dat jullie ook je vragen hebt, door wat je allemaal bent tegengekomen.
dat er ook heel wat nodig was om je op belijdeniscatechisatie te krijgen,
En dat het avondmaal echt nog een hele stap is,
maar ook dat jullie gegroeid zijn en dat jullie zelfs gingen uitkijken naar deze dag,
waarop je voor in de kerk “Ja!” tegen God zou gaan zeggen.
‘Ik wil mijn doop overnemen, toen mijn ouders “Ja!” zeiden tegen God,
toen ik het nog niet kon.”
Ik denk dat de ouders, die deze dag mee kunnen maken, alleen maar dankbaar mag zijn,
om te zien dat uw kind nu belijdenis doet
en in het openbaar aangeeft met de Heere verder te willen gaan.
Zelf vind ik het een voorrecht om getuige te mogen zijn van jullie groei in geloof.
Al zullen jullie zelf misschien zeggen, dat je nog lang niet uitgegroeid bent,
misschien zeg je wel dat je nog maar net begonnen bent met groeien in geloof.
En toch is dat al die vrucht, waar de Heere Jezus over spreekt, die aan je groeit,
Als je verbonden bent met Hem, zoals een tak verbonden is aan een druiventak

Je draagt nu al vrucht, omdat het geloof in jullie is gaan werken
en omdat je daar iets van kunt aangeven, door in het openbaar belijdenis af te leggen.
Vandaag wordt het zichtbaar dat jullie aan Christus verbonden zijn.
Dat is niet iets wat vandaag pas gebeurt.
Dat je aan Hem verbonden raakte, dat is al eerder gebeurd.

Voor de een in de kindertijd en daarna altijd met Christus verbonden,
voor de ander na een tijd waarin de kerk en het geloof op een heel laag pitje stond.
Voor de één een aarzelend geloof, waarin de vragen gebleven zijn,
voor de ander een geloof waarin je steeds overtuigder raakte.
Maar toch allemaal aan Christus verbonden, als je Heer.

Het idee om over dit gedeelte te preken was toen er bij ons aan het begin van het voorjaar
in de tuin een tak van de kastanjeboom lag, die was afgezaagd.
In de tijd dat er knoppen aan de boom kwamen, werd de tak afgezaagd.
De afgezaagde tak lag daar al en de knoppen kwamen uit, de tak kreeg bladeren.
De bladeren waren ook gewoon groen, alleen waren ze wat slapper.
Hoe stevig de tak ook – het was een forse tak – de bladeren zouden niet blijven leven.
Er kwam een moment dat de tak dood zou gaan,
omdat de tak was afgesneden van de boom.
Ik bedacht bij mijzelf, dat als je losraakt van Christus, dat je dat niet altijd direct merkt.
Je leven kan gewoon doorgaan.
Alleen heel langzaam aan ga je dood in geestelijk opzicht.
Zoals het voor die tak van levensbelang is om aan de boom vast te zitten,
is het voor ons als gelovigen ook van belang om aan Christus vast te zijn,
op Hem aangesloten te zijn.
Misschien heb je meegemaakt, dat je als tak afgebroken bent geweest, een tijd zonder geloof.
Of dat je slechts een klein beetje aan Christus vastzat, of de voedingsstoffen niet nodig had.
We geloven en we zien dat gelukkig ook dat God afgebroken takken weer vastmaakt
aan Hem, met Hem verbindt, zodat je weer gaat leven,
kracht van Hem krijgt en wijsheid, liefde en zelfs gaat groeien en vrucht gaat dragen.
Ik ben de ware wijnstok.
Daar begint het mee.
Als je teruggaat, hoe dat geloof in je leven gekomen is, zul je ontdekken
dat je niet zelf de eerste bent, maar dat Christus de eerste is
en dat je aan Hem vastgemaakt bent en dat er vanuit Hem als de stam
al kracht naar je toekomt – de Heilige Geest, geloof, betrokkenheid, interesse,
voor dat je dat goed en wel door hebt.
Dat heeft Hij al bij je doop beloofd en het is mooi om te merken dat Hij die belofte waarmaakt.
En dat Jezus de ware wijnstok is, geeft aan, dat je alleen aan Hem verbonden kunt zijn.
Je kunt het wel ergens anders zoeken en misschien heb je dat ook wel geprobeerd,
maar wat Christus je biedt, kan niets of niemand anders je geven.
Daarom zijn jullie te feliciteren dat je van Christus bent, dat je dat mag belijden vandaag!

Jezus zegt ook iets over Zijn Vader: Mijn Vader is de wijngaardenier.
Dat is een mooie typering,
want een wijngaardenier is iemand die veel zorg besteed aan zijn planten.
Wat Jezus hier zegt over Zijn Vader is dat God een vakman is, een ambachtman,
die met liefde en zorg met ons leven bezig is, steeds heel precies en heel nauwkeurig,
zoals een wijngaardenier steeds langs zijn planten loopt, elke dag weer opnieuw
en stuk voor stuk de takken bekijkt, of ze er goed bijhangen
en kan genieten van de vruchten die groeien en straks dankbaar de vruchten plukt.
Zo is de Heere steeds elke dag weer zorgvuldig met het leven van ons allemaal bezig,
Stuk voor stuk besteedt Hij als een vakman liefde, zorg en aandacht aan ons leven.

Er zijn momenten waarop je die zorg van God voor je leven merkt.
In de geboorte van een kind bijvoorbeeld, als de Heere dat verlangen vervult.
Of al eerder, als je samen komt.
Dat is het mooie van een bruiloft: dat zichtbaar wordt dat God twee mensen samenbrengt
om hen gelukkig te maken door hun levens bij elkaar te brengen.
Wanneer een stel bij mij in de kamer zit om het huwelijk voor te bereiden,
vraag ik nogal eens, hoe ze bij elkaar gekomen zijn.
Niet alleen uit nieuwsgierigheid (dat ook!), maar om hen ervoor de ogen te openen,
dat God toen al in hun leven bezig was.
Vaak waren ze zelf niet zo met God bezig; dat groeide pas tijdens de verkeringstijd.
Vaak hebben ze elkaar ontmoet, op plaatsen waar ik niet mocht komen.
Gods werk in ons leven is vaak verrassend
en God is al bezig om ons bij Hem te brengen, aan Christus te verbinden
voor wij dat door hebben.
Vaak gaat dat ook geleidelijk aan. Een plotselinge bekering komt maar zelden voor.
Vaak is het een lange weg, waarbij je eerst wat onrustig wordt,
op zoek gaat, weer naar de kerk gaat,
of als je naar de kerk bleef gaan, dat de preken en de liederen je gaan aanspreken
en dat je na blijft denken over wat er tijdens de dienst gezegd en gezongen wordt.
Je raakt wat meer thuis in de gemeente, je gaat met meer plezier naar de kerk.
Je gaat er echt naar verlangen en je gaat het missen als je er niet bent geweest.
Je gaat er doordeweeks ook steeds meer mee bezig
en anderen om je heen merken dat misschien ook wel.
Je draagt vrucht, soms nog voordat je daar zelf van bewust bent.
We hebben het daar ook over gehad.
Dat je de vrucht niet altijd zelf ziet.
En de vrucht die je aan je draagt is ook geen perfect geloof.
Want een perfect geloof is niet mogelijk, je blijft zondigen,
ook nadat je bent gaan geloven en ook nadat je belijdenis hebt gedaan, zul je dat blijven doen.
De vrucht die aan je groeit, is dat je ondanks je onvolmaaktheid
het steeds bij de Heere zoekt en van Hem verwacht en naar Hem toegaat.
De vrucht die aan je groeit is dat je je leven niet meer zonder de Heere kunt voorstellen
en het ook niet meer zonder Hem wilt doen
Vrucht is ook, dat je ondanks je vragen die je hebt, blijft vasthouden en blijft zoeken
en God niet loslaat, ook al is Hij voor je gevoel niet te bereiken.
Dat gebeurt niet bij iedereen. Je kunt ook in moeilijke tijden juist dichter bij God komen.

De Heere Jezus vertelt dat het niet altijd makkelijk is om te geloven.
De Vader als wijngaardenier snoeit ook.
Daar kunnen heel wat die hier in de kerk zijn over mee praten
en dat is voor jullie, die belijdenis doen, ook niet onbekend.
Momenten in het leven, waarop het tegenzit, waarop God ver weg is,
waarin iemand wegvalt, die veel voor je had kunnen betekenen:
een vader, een moeder, een opa, oma, een vriend, een vriendin.
Als je ermee geconfronteerd wordt, dat gezondheid niet vanzelfsprekend is,
omdat je zelf ziek wordt, of iemand van wie je veel houdt,
Omdat een diepe wens, om een partner te vinden, om een kind te ontvangen,
niet vervuld wordt.
Dat snoeien kan soms diep insnijden
en kan bij de een ook wel eerst een afstand tot God geven,
of een geloof waarin je met God worstelt:
Als U mijn Vader bent, waarom moet mij dat overkomen?
Die vragen kunnen overkomen als ongeloof.
Het heeft mij geholpen om van die vragen af te komen, door te ontdekken
dat een worsteling met God niet persé ongeloof is,
maar uiteindelijk een diep geloof, een intens verlangen om iets van God te merken.
Zo kan God ook werken: doordat je iets mist, doordat je kan hebben,
dat je God niet ervaart in je leven, dat je maar doorzoekt
een zoektocht, een worsteling, waarbij je achteraf gezien vastgemaakt werd aan Christus.
Om niet de vrucht van een perfect geloof te dragen,
maar de vrucht van een hartstochtelijk verlangen, een gemis aan God.

Dat snoeien van God kan ons klein houden en nederig,
het kan onverwacht zijn en diep insnijden, maar uiteindelijk is het vooral zorg en liefde,
van God die als vakman weet hoe Hij ons leven bij Hem kan brengen
en hoe ons leven aan Hem verbonden blijft
en hoe, door aan Hem verbonden te zijn, wij vrucht kunnen dragen – tot eer van God.
Daarom ben ik van harte dominee,
omdat ik de gemeente steeds weer die vrucht tegenkom,
waarin ik mag zien hoe iemand gehecht is aan Christus en leeft uit Hem.
Vaak is diegene er dan heel bescheiden over, vaak heel verbaasd,
en eigenlijk onzeker of er wel vrucht te vinden is.
Dat vrucht dragen is iets dat gebeurt, doordat je aan Christus verbonden bent,
uit Hem leeft en de Heilige Geest in je werkt.
Daarom is het van belang om bij Christus te blijven en aan Hem gehecht te zijn.
Raak je los, dan raak je Christus kwijt – en dat is niet wat jullie willen.
Daarom hebben jullie de gemeente ook nodig, die om je heen staat
met gebed en met dezelfde zorg en aandacht als de Vader:
Om jullie aan te spreken als je Christus kwijt dreigt te raken,
om je verbonden te houden aan Christus.
Door de ervaringen te delen, dat hoeven geen succesverhalen te zijn
over hoe geweldig je bent als gelovige, maar eerlijke en open verhalen,
hoe je God soms kwijt bent, maar hoe Hij je dan weer vindt,
Hoe je door God wordt vastgehouden en hoe je zelf je best doet, voor wat je kan,
om aan Christus verbonden te blijven.
Om te delen met elkaar, hoe je die zorg van God, de Wijngaardenier, de Vakman,
in je leven merkt, ook hoe je merkt hoe God je snoeit.
En vaak hebben we dan elkaar nodig, om in die tijden te merken,
dat God juist bezig is om ons uit Christus, vanuit die gehechtheid aan Christus,
zoals de tak vastzit aan de stam, te laten groeien en vrucht te laten dragen.
Dat jijzelf en de anderen om je heen merken dat je van Christus bent en door Hem leeft.

Het is vandaag Pinksteren.
Pinksteren is het feest, waarop we vieren dat het Evangelie van Christus verspreid wordt.
Hoe mensen stuk voor stuk aan Christus verbonden worden.
Vandaag mogen we allemaal getuige zijn, hoe jullie aan Christus verbonden zijn geraakt.
Dat is voor ons een een bemoediging, voor degenen die al eerder belijdenis deden.
en het zet ons ook aan het denken, ook degenen die geen belijdenis hebben gedaan:
Waarom staan wij daar eigenlijk niet?
wat houdt ons nog tegen om volgend jaar mee te doen?
Het mooie is dat bij het vrucht dragen de aandacht ook naar God gaat.
Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt en Mijn discipelen bent.
Dat laatste zullen jullie wel beamen: Ik ben discipel geworden.
Maar dat je vrucht draagt en dat God door jullie wordt verheerlijkt?
Ja dat is zo! Dat zijn we allemaal, die hier in de kerk zijn.
We zijn getuige van jullie vrucht en we zijn daar God enorm dankbaar voor.
Die dankbaarheid is er bij jullie ook,
maar jullie kijken ook vooruit: zal ik het waarmaken? Val ik niet terug?
Daarom dat gebed – en we geloven dat Christus dat zal verhoren:
Leer mij Uw weg, o Heer, leer mij Uw weg.
schenk van Uw kracht mij meer, leer mij Uw weg.
Houdt mij in evenwicht, dat ‘k voor Uw aangezicht,
wandel in ‘t volle licht. Leer mij Uw weg.

Het lied eindigt in een belijdenis, daar mag je je ook aan vasthouden:
Hoe sterk ook satans macht, Jezus geeft licht en kracht
ieder die Hem verwacht; Hij is nabij
Amen

Preek zondag 15 mei 2016

Preek zondag 15 mei 2016
Eerste Pinksterdag / Openbare belijdenis van het geloof
Psalm 16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vanmorgen voel ik mij bevoorrecht.
Elke keer als ik gemeenteleden openbare belijdenis van het geloof mag laten doen
voel ik mij bevoorrecht.
Ook vanmorgen is het voor mij bijzonder
en niet alleen vanmorgen,
maar tijdens alle woensdagavonden is het voor mij bijzonder geweest
om getuige te mogen zijn van de groei in geloof
van deze 8 gemeenteleden die vanmorgen openbare belijdenis afleggen.
Vanmorgen doen ze openbare belijdenis.
Ze zijn in de afgelopen weken naar deze dienst gaan uitkijken,
omdat ze er naar verlangen ervoor uit te komen
dat ze bij Christus willen horen.
Dat is heel anders dan toen deze groep in september begon.
Toen was er nog veel meer een aarzeling:
ben ik er wel aan toe om belijdenis te doen?
Het is bijzonder om te zien dat in het afgelopen seizoen
de aarzeling plaatsgemaakt heeft voor vertrouwen en voor enthousiasme.
Hoewel sommigen hun aarzelingen nog hebben.

Kan dat wel, als je nog aarzelingen hebt, dat je dan toch belijdenis aflegt?
Ja, dat kan zeker,
omdat je op het moment waarop je belijdenis aflegt, nog niet klaar bent
met het leren over geloof.
Daar zijn jullie, die nu vanmorgen belijdenis doen, je ook van bewust.
Ik denk dat iedereen, die hier in de kerk aanwezig is
en al eens belijdenis heeft afgelegd,
ervaren heeft dat je na de dag van belijdenis doen nog veel hebt geleerd.
Daarnaast denk ik, dat er altijd wel bepaalde aarzelingen zijn of vragen
– aarzelingen die je misschien wel niet aan anderen kunt uitleggen,
zelfs niet aan je man of vrouw
en vragen waarop er geen antwoorden te vinden zijn.
Geloven is niet een antwoord vinden op alle vragen
en geloven is ook niet alle twijfel overwonnen hebben,
maar geloven is ondanks alle twijfel en ondanks alle vragen die je hebt
je vasthouden aan de Heere
en weten dat Hij jouw God wil zijn.
Geloven is de Heilige Geest de kans te geven
om rust en zekerheid in God te vinden – ondanks de vragen en twijfels.
Niet om die twijfels en vragen zomaar te accepteren,
maar wel vanuit geduld met jezelf
en vanuit vertrouwen op de Heilige Geest
Dat je ook verder zult groeien
En dat de Heilige Geest in staat is om je de twijfels en vragen af te nemen.

In Psalm 16 spreekt David over een pad die naar het leven leidt.
Een pad die naar de vreugde leidt, omdat je dan bij de Heere uitkomt.
Wat voor weg hebben jullie in de afgelopen maanden bewandeld?
Het was een weg, waarvan het einddoel bekend was: belijdenis doen.
Maar dat was nog zo ver.
Kwam de weg die je volgde daar wel uit?
Dat einddoel lag nog zo ver voor.
Die weg moest wel eerst worden afgelegd.
Als ik zo overzie welke weg jullie hebben afgelegd,
is dat een weg waarop je geleerd hebt
om niet zo snel mogelijk van a naar b te gaan,
hoewel sommigen daar wel van houden: mooi duidelijk als je weet waar je naar toe moet.
Maar het was een weg, waarop je geleerd hebt
om oog te hebben voor de kleine dingen, waarin God aanwezig is.
Een van de vragen waarmee jullie begonnen, was:
wat merk je nou van God in het alledaagse leven.
Je bent druk met van alles en nog wat: met je werk, je andere bezigheden, je gezin.
Je hebt amper tijd om met elkaar twee avonden in de week naast elkaar op de bank te zitten
om elkaar te delen wat je bezig houdt.
Hoe kun je – als er zoveel is dat de aandacht van je vraagt – toch iets van de Heere ontdekken.
Door tijd te nemen, voor elkaar en voor God.
Om toch samen ermee bezig te zijn – het hoofdstuk te lezen,
er samen over door te praten, met de vragen bezig te zijn
en de Bijbelgedeelten te lezen die het hoofdstuk aangaf.
Over heel de dag meer stil te staan bij de Heere.
Ik stelde HEERE voortdurend voor ogen.
Door de alledaagse dingen die gebeuren en die heel klein lijken
te zien als iets waarin de Heere werkt:
de dag die aanbreekt, de zon die opkomt, de kracht en gezondheid die je hebt.
Toen ik jullie vroeg of je kon aangeven op welke manier je gegroeid was
zeiden de meesten van jullie: je leeft meer bewust,
je doet de dingen meer bewust, je maakt bewustere keuzes
en je hebt meer besef dat de Heere er is.
Ook in rust en zekerheid die je bij jezelf waarneemt.
Jullie kunnen het mee zeggen met David in Psalm 16 – en dat in dankbaarheid:
U maakt mij het pad ten leven bekend.

Dit is niet het gebruikelijke woord ‘weg’, waarbij het accent meer ligt op het lopen,
maar bij dit woord gaat het meer om het aankomen, om de bestemming:
Het leven, dat je gevonden hebt, het leven met God, God kennen.
Bij God uitkomen.
In deze psalm gebruikt David dit woord ook om aan te geven
hoe de Heere met hem, David, omgaat.
De weg die God voor mij heeft uitgestippeld is mij duidelijk geworden.
De Heere heeft mij geholpen om die weg te vinden.
En het is ook een weg waarbij Hij het goede met mij voorheeft.

Ja, en daar zit een van die vragen, waar je niet zomaar uitkomt:
Wat er in mijn leven gebeurt, komt dat van God?
En is dat het goede, waar God over spreekt?
Een moeder die er niet meer is
Spanningen die er in je leven kunnen zijn.
Is dat het leven dat de Heere voor je in petto heeft?
Is dat je bestemming – om met dat gemis te leven,
met die spanning die jij zelf niet kunt oplossen.
Het pad naar het leven dat de Heere voor ons heeft uitgestippeld
is vaak niet de weg die wij gekozen zouden hebben.
En toch gaat David ons voor door te belijden:
Ik heb deze weg niet voor mijzelf uitgekozen, maar het is de weg die U met mij gaat
en daarom is het een goede weg.
Op de weg die ik ga neem ik mijn twijfels en vragen mee,
maar ik ga de weg wel.
Ik moet nog wel eens zoeken en ben soms de weg weer kwijt,
maar dan bent u er om mij te wijzen welke kant ik op moet.
Ik loof de Heere die mij raad heeft gegeven.
Ook dat is een van de vragen, die aan bod kwam:
Welke dingen mag je wel en welke dingen mag je niet.
Wat doe je op zondag: kijk je dan naar voetbal
of gebruik je die dag, misschien wel de enige dag, waarop je samen bent,
om met elkaar te praten, over wat je bezig houdt
en ook over de Heere?
Soms zou het wel makkelijk zijn als je van de Heere een klip en klaar antwoord zou krijgen:
Of iets wel mag, of juist niet.
Maar doordat de keuze niet altijd zo zwart-wit is als je zou willen,
moet je er met elkaar over doorpraten: waarom wel, waarom niet.
En juist dat vormt je ook weer.
Dat is een les van de Heere, raad die de Heere geeft.
Ik loof de Heere die mij raad heeft gegeven.
Ik ben er U, Heere, dankbaar voor.

Ik struikel nog wel eens of glijd uit
en dan bent U er om mij weer op te tillen.
Omdat U aan mijn rechterhand ben, wankel ik niet.
Ik hoef deze weg niet alleen te gaan.
Een weg waar de Heere er altijd bij is
en je meeneemt en je uitleg geeft.
De Heere neemt je mee:
Is dat bij jullie niet gebeurd in de afgelopen maanden,
waarin je steeds meer begreep van het geloof?
En is dat ook niet in de periode vooraf aan de belijdenis geweest?
Bijvoorbeeld een collega die vraagt: ‘ Heb jij nog geen belijdenis gedaan?
Ik dacht dat je dat allang gedaan had.’
Waarbij je over deze opmerking bent gaan nadenken:
Als anderen vragen waarom ik dat nog niet gedaan heb,
dan vinden zij dat ik eraan toe ben.
Misschien moet ik dan toch gaan.
Of dat je door je vrouw meegenomen werd.
Tot op het laatst was je afhoudend:
Ben ik er wel aan toe?
En toch ging je uiteindelijk mee
en heb je in het afgelopen seizoen veel geleerd.
Is dat niet de Heere geweest die jou meegenomen heeft?
Ik loof U, omdat U mij raad hebt gegeven.
We hebben het in het afgelopen seizoen al vaak over gehad: over ritmes
In deze psalm is dankbaarheid het levensritme:
Dag en zelfs ‘s nachts, als er niet geslapen kan worden.
De hele dag door: bij het wakker worden en opstaan,
als je onderweg bent voor je werk, als je aan het werk bent, als je thuis bent:
dankbaarheid voor wie God is.
Dankbaar voor alle zegeningen die Hij geeft.
Dankbaarheid voor alle levenslessen die je van Hem ontvangt.
Dankbaarheid omdat Hij er altijd is.

Met deze psalm kunnen ze zeggen: De Heere is alles voor mij.
Dat is taal van verliefden,
Van stelletjes die niets liever willen dan de hele tijd bij elkaar zijn,
zoveel mogelijk tijd samen doorbrengen
en niet meer zonder de ander kunnen.
Heer, U bent alles voor mij.
Ik wil U aanbidden.
U bent alles voor mij: U bent mijn bestemming, U bent mijn leven, Heer.
Psalm 16 is een heel intieme psalm, waarin David verwoord hoe gelukkig is.
Ik wil het nergens anders meer zoeken.
Zijn er anderen die hun geluk ergens anders zoeken,
Ik wil het er niet eens meer over hebben.
Ik krijg de naam er niet van over mijn lippen.
Ik besteed ook geen tijd meer aan. Ik heb er niets meer voor over.
Dat kan begonnen zijn
als iets stils in jezelf, dat niemand hoefde te weten, een voornemen.
En vandaag kom je er voor uit: Heer, U bent alles.
Vandaag bekrachtigen jullie dat met jullie ja-woord,
naar Christus toe uitgesproken.
En daarmee zijn jullie voor ons een getuigenis.
Wie al eens belijdenis gedaan heeft,
kan door jullie ja-woord ervaren dat de eigen belijdenis,
misschien wel lang geleden uitgesproken, wordt vernieuwd.
Wie nog geen belijdenis heeft gedaan,
gaat erover nadenken: Zou het iets voor mij zijn?
Ach nee, ik ben er nog niet aan toe.
Zover ben ik nog niet.
Ach nee, ik zie mijzelf daar niet vooraan zitten.
Ik zie mijzelf niet meedoen met de jongelui.
Vandaag zeggen deze 8 het tegen jullie allemaal:
Of je nu nog de leeftijd niet hebt om belijdenis te doen,
Of dat je al zoveel keren voorbij hebt laten gaan om mee te doen,
Of je al belijdenis gedaan hebt:
Er is een God in de hemel, die je leven leidt.
Die ons roept en ook jullie.
Die zoveel te geven heeft: Zijn Zoon, de Heilige Geest als kracht om te geloven.
Zoveel is het niet over de Heilige Geest gegaan,
maar alles wat er in deze preek aan de orde komt,
heeft met de Heilige Geest te maken.
Dat deze 8 hier vooraan staan, de groei die ze doormaakten en doormaken,
Dat wij als gemeente bij elkaar zijn
dat wij bemoedigd worden en dat we een appèl voelen om erover na te denken:
Het is allemaal werk van de Heilige Geest.
Hij laat ook u en jou niet met rust,
totdat ook jij van de Heere zegt: U bent alles voor mij.
Mijn bestemming, mijn doel, mijn leven.
Ja, dat is helemaal niets voor mij, zeg je misschien.
En toch, geef het een kans, zoals deze acht dat deden.
Je hoeft geen perfect geloof te hebben, om eraan te beginnen.
Wat je alleen nodig hebt, is vertrouwen in Gods weg,
vertrouwen dat de Heilige Geest je ook zover kunt brengen
en de moed om het toch maar te wagen.
Ik hoop dat er ook voor jullie dan een tijd aanbreekt
dat je het zegt – misschien wel tot je eigen verwondering:
Heere,  U bent alles voor mij.
Mijn bestemming, mijn doel, mijn leven.
Amen

Preek Eerste Pinksterdag 2015

Preek Eerste Pinksterdag 2015
Openbare belijdenis van het geloof
Efeze 3:14-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Geloven kan zo gewoon zijn,
dat we het bijzondere, het wonder van het geloof niet opmerken.
Een van de kernwoorden in de brief aan Efeze is het woord geheimenis.
Met dat woord geheimenis wil Paulus aangeven:
wat je ziet en ervaart, lijkt heel gewoon,
maar het heeft een diepte en een grootsheid die God er in heeft gelegd.
Als je geen tijd neemt om erbij stil te staan
en het op je te laten inwerken, dan kun je het ook heel gewoon vinden.
Vanmorgen zijn we in de kerk
en we kunnen dat heel gewoon vinden,
omdat de meeste mensen in de kerk op dezelfde plek zitten.
Goed, deze dienst heeft wel een bijzonder tintje
omdat 8 zijn die op een andere plek zitten dan anders: helemaal vooraan.
Als we alleen maar daarop gericht zijn, op degenen die vooraan zitten,
zien we het bijzondere van de kerkdienst over het hoofd,
namelijk dat de Here naar ons toe komt, in deze dienst;
dat Hij ons wil ontmoeten en meer nog,
dat Hij ons roept om in Hem te geloven, in Zijn dienst te leven.
dat Hij ons wil verzoenen met Hem.
Dat is het geheimenis van elke kerkdienst.
het lijkt heel gewoon, een groep mensen bij elkaar, vaak in dezelfde samenstelling
die met iets bezig zijn dat met God te maken heeft.
En toch heeft God daar een diepte en een grootsheid aan gegeven
van Zijn komst, van Zijn spreken tot ons, Zijn stem die ons tot Hem roept,
dat God iets van ons wil, namelijk dat ons leven, uw en jouw leven van Hem wordt.
Elke kerkdienst heeft de grootsheid dat de hoogste Heer,
die over alles regeert en alles in Zijn hand houdt, die aan ons het leven heeft gegeven
naar ons toekomt en ons aanspreekt, ons roept bij onze naam.
De Heilige Geest zet ons stil,
om onze ogen te openen voor wat God doet, zodat wij niet alleen maar zien
wat mensen doen, zoals een predikant of een ouderling
of jonge gemeenteleden die belijdenis doen,
maar dat we daarin ook zien hoe God aan het werk is.
De Heilige Geest opent ons de oren voor de woorden die gesproken en gezongen worden, zodat we ze opeens horen als woorden die God tegen ons persoonlijk zegt.
Als de Geest onze ogen en oren opent, baant Hij een weg naar ons hart.
Want daar in ons hart moet Christus gaan wonen.
Dat is het werk van de Heilige Geest: dat Hij in ons een plek klaarmaakt,
zodat Christus daar intrek in kan nemen.
Ook dat is een geheimenis: dat Christus in ons hart wil komen wonen.
We kunnen dat zo gewoon zijn, dat het geloof te maken heeft met Christus,
dat geloven een persoonlijke band met de Heere Jezus is,
dat we niet het bijzondere ervan zien,
dat Christus in ons wil komen wonen.
Christus, dat is de Zoon van God, die in de heerlijkheid, de glorie van God is.
Hij wil intrek nemen in ons hart.
Christus, dat is de Zoon van God, die naar deze aarde gestuurd is
voor de grote missie van God, om aan het kruis te sterven voor onze zonden.
Hij wil in ons hart komen wonen.
Christus, dat is onze Heer, die opstond uit de dood en de dood overwon
en de macht van de duivel heeft gebroken, omdat Hij ook deze kwade macht overwon
Hij wil komen wonen in ons hart.
Christus die naar de hemel ging om te regeren – ook over ons leven
Zijn koninkrijk zal geen einde hebben
Hij wil in ons hart wonen.

Vanmorgen doen 8 gemeenteleden belijdenis in het openbaar van hun geloof.
Daarmee zeggen zij dat ook: mijn hart is open voor u.
Kom in Mijn hart wonen.
U woont daar al en daarom ben ik gaan geloven.
Ik kan niet meer zonder U, Heere Jezus.
Ook dat is een geheimenis:
want dat ze hier voor in de kerk zitten en straks hun belijdenis zullen afleggen
betekent dat God in hun leven heeft gewerkt,
dat ze dat ook ervaren dat God in hun leven werkt,
dat Hij hen tot het geloof heeft gebracht,
misschien wel tot hun eigen verrassing.
De Heere werkt op een verrassende manier.
Soms gebruikt Hij daarvoor een relatie,
waarbij je verkering krijgt met iemand die wel naar de kerk gaat.
Soms gebruikt Hij daarvoor een ontmoeting met iemand
die je een stapje verder helpt in het geloof, door te wijzen op een AlphaCursus bijv.
Soms is het een zin of een opmerking die bij je blijft hangen.
Soms gaat het roer van je leven radicaal om, omdat de Heere je stil zet.
Soms gaat het geleidelijk aan, stapje voor stapje,
waarbij de Heere weerstanden die er in je zijn steeds weer overwint,
of je het steeds meer duidelijk laat worden hoe het is als Hij in je hart komt.
Zo kan het bij jou of u nu zo zijn,
dat u volgend jaar of over enkele jaren belijdenis doet,
terwijl u, jij daar helemaal nog niet aan denkt.
Het is als met vissen: de ene vis hapt sneller dan de andere vis,
om bepaalde vissen te vangen heb je geduld nodig.
Voor elke vis is er een eigen tactiek nodig.
Voor het vangen van sommige vissen is heel veel geduld nodig.
Zo heeft de Heere ook Zijn ‘tactiek’ om mensen te vangen.
Jullie, die belijdenis doen, jullie zijn door Hem ‘gevangen’.
De Heere Jezus gebruikt dat beeld tegen Petrus:
Je zult een visser van mensen worden.
Dat woord, dat de Heere Jezus daar voor het vangen van mensen gebruikt, betekent:
levend vangen, het leven schenken,
het reeds verloren gewaande leven terugschenken.
Dat kunnen we vanmorgen ook op jullie toepassen:
jullie zijn als het ware levend gevangen.
Je was er misschien niet uit jezelf op gekomen om de Heere Jezus te zoeken,
maar er gebeurde wat, zodat je langzaamaan Zijn kant op werd gehaald,
zoals een visser bezig is de vis te vangen.
Voor vissen is het water hun levenselement.
Ze gaan dood als je hen daar uit haalt.
Bij de mensen is het net andersom:
Als je gevangen wordt, kom je juist in het levenselement,
wordt je ergens uit weggevist, waar je het goed dacht te hebben,
waarin je je ook best wel zou kunnen redden.
En toch is het veel beter dat je opgevist wordt, want je krijgt het leven weer.
Het leven dat verloren gegaan is en dat al verloren gewaand was,
wordt terug gevonden – een leven met God.
De Heilige Geest is de visser die je opvist, al spartelde je misschien flink tegen
om je in het levenselement te brengen: in Christus.
Verandering van levenselement noemen we ook wel bekering:
de ene keer is dat heel radicaal, de andere keer geleidelijk aan
ontdekken en accepteren dat de Heilige Geest met je bezig is
om je binnen te halen.
Ook dat zegt Paulus in deze brief: het is een overgang van dood naar leven.
Het verloren gewaande leven met God
ontvang je in Christus weer terug.
Je leeft weer, omdat je in Hem bent.
Daarom is Hij ook bezig om in je leven te komen
en doet Hij dat de ene keer op een verrassende manier
en de andere keer juist heel confronterend doordat je iets ingrijpends meemaakt,
waardoor je opeens beseft wat er op het spel staat
en dat je zo niet verder kunt leven, omdat je zo niet voor God kunt verschijnen.

Verandering van levenselement, bekering, van dood naar leven,
opgevist worden om het verloren gewaande leven terug te ontvangen,
heeft een gevolg:
dat Christus in je hart gaat wonen, binnen in.
Ook dat is het werk van de Heilige Geest:
Hij haalt ons binnen en Hij zorgt ervoor dat Christus in ons hart gaat wonen.
Paulus bedoelt daarmee, dat Christus heel ons bestaan gaat doortrekken.
Dat Christus onze identiteit wordt.
Ik ben het niet meer die leeft, maar Christus leeft in mij.
Hij stuurt mijn denken aan, Hij stuurt mijn handen aan, Hij leidt mijn leven.
Ik heb niet meer de regie over mijn eigen leven.
Paulus geeft trouwens het goede voorbeeld.
Hij buigt zijn knieën. Dat was in die tijd niet gewoon.
Bidden deed men vooral staande,
maar Paulus maakt zich klein, hij onderwerpt zich
en zegt: Heere, u bent mijn God en mijn Heer. Ik erken U en belijd U als Heer.
Straks zullen jullie ook knielen en daarmee dat ook aangeven met dat gebaar:
Christus is Heer van mijn leven.
Ik ben het niet meer zelf die de baas is over mijn leven, maar mijn hart en mijn leven
is van Hem, mijn Heer, die mijn schuld droeg en met God verzoende
en in mij wil komen wonen.

Christus komt inwonen en laat het niet bij het oude.
Hij gaat zich ermee bemoeien, hoe ons leven eruit komt te zien.
Als Paulus hier bidt dat Christus in het hart komt wonen,
bedoelt hij daarmee niet, dat het de eerste keer is,
maar dat de gelovigen het effect merken dat Christus in hen woont.
Het gaat hem hier om de uitwerking
van de gekruisigde en opgestane Heer in je leven,
de Heere Jezus in de hemel en toch ook in je hart en leven.
Om de uitwerking: dat je sterk bent in je geloof.
Dat je niet snel meer twijfelt of het ook wel voor jou is.
Dat je niet meer van slag raakt als je leven anders verloopt dan gedacht
en je teleurstellingen moet ervaren.
Dat je sterk bent als je in de verleiding komt.
Dat je moed ontvangt om deel te nemen aan het avondmaal.
Dat je jezelf onder handen neemt en corrigeert als je geloof gaat verslappen.
Dat is het effect van Christus in je leven, in je hart.
Paulus bidt daarom, dat het in de gemeente van Efeze zal gebeuren.
Ook bidden is een geheimenis:
namelijk de mogelijkheid om bij God in de hemel te komen,
om tot God, de hoogste Heer, die heel deze wereld bepaalt.
Bij wie wij als kleine en ook zondige mensen kunnen aankloppen
met wat er in ons hart leeft.
Paulus bidt dat de gemeente sterk mag zijn.
Zo zit de gemeente achter jullie, met het gebed in hun hart voor jullie,
dat jullie sterk zullen zijn, nadat je de belijdenis hebt afgelegd.
dat je het niet kwijtraakt en bovenal dat de Heere Jezus in je hart blijft wonen

en dat Hij blijft werken in je, met je bezig blijft.
Het is spannend om voor in de kerk te zitten, maar ervaar het ook als een steun,
als een gemeente die je welkom heeft en je in het gebed draagt.
Afgelopen woensdagavond was het aannemingsavond,
ik hoop dat je het ook ervaren hebt als een welkom binnen de gemeente.
Je hoorde er al bij, maar nu als lidmaat,
als een lid van onze gemeente die ervoor uitkomt, die ervoor wil staan,
die dat in dankbaarheid aangeeft:
De Heere werkt in mij, Hij woont in mij en het is mijn gebed
dat Hij niet uit mij weggaat,
want ik heb het leven in Hem gevonden.
Amen

Preek Eerste Pinksterdag 2014

Preek Eerste Pinksterdag 2014
Persoonlijke en openlijke belijdenis van het geloof
Schriftlezing: Psalm 16 & Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is vandaag een feestdag!
12 gemeenteleden doen openbare belijdenis van het geloof.
Alle 12 zullen ze straks aangeven dat zij de Heere Jezus als Heer over hun leven belijden.
We mogen getuige zijn van het werk van de Heere in het leven van deze 12 gemeenteleden.
Voor ons als gemeente in Oldebroek is het net zo feest als op de Pinksterdag in Jeruzalem
toen 3000 mensen na de preek van Petrus tot geloof kwamen.
Nu zijn het vanmorgen geen 3000 mensen die zich gewonnen geven aan Christus
toch mogen we als gemeente dankbaar zijn en feest vieren
omdat we in het leven van deze 12 zien hoe de Heilige Geest in hun leven werkt!

Een aantal van jullie had een jaar geleden er misschien nog niet eens over nagedacht
om belijdenis te gaan doen.
Of als je er over nadacht, dacht je gelijk ook aan de redenen om géén belijdenis te doen.
In september, toen de belijdeniscatechisatie startte, druppelden er 9 binnen.
Jullie brachten elk jullie eigen verhaal mee.
Maar eigenlijk was het voornaamste dat jullie vooral aarzelend en afwachtend waren op die avond.
Jullie hadden er allemaal over nagedacht,
maar jullie waren er toch nog niet uit.
Degenen die het meest positief waren, zeiden:
‘We hebben geen reden om belijdenis doen nog langer uit te stellen.’
Er waren vooral veel vragen:
‘Kan ik wel belijdenis doen? Want anderen kunnen niet aan mij zien dat ik bij de Heere Jezus hoor.’
Dat was zo’n vraag.
Of een andere vraag: ‘Is het wel nodig om belijdenis te doen?
Wat voegt dat toe aan je leven met God?’
Aan het begin van het seizoen was de vraag van de mensen op het tempelplein heel herkenbaar:
‘Wat moeten we doen? Vertel het ons wat we moeten doen!’
Na een voorzichtig beginnen zijn jullie hier vanmorgen in de kerk om “ja!” te zeggen tegen God.
Daar zijn we als gemeente ook dankbaar voor.
We zijn dankbaar, omdat er in jullie leven ook een soort bekering heeft plaatsgevonden.
Dan niet zo onverwacht als bij de mensen op de Eerste Pinksterdag in Jeruzalem.
Toch is er in het afgelopen seizoen iets gebeurd in jullie leven
dat we rustig kunnen omschrijven als een bekering.
Alleen was die bekering meer geleidelijk.
Het was een geleidelijke bekering, waarbij obstakels en belemmeringen die er waren
steeds meer uit de weg werden geruimd.
Langzaamaan groeide er steeds meer vertrouwen op de Heere
en kwam er meer verdieping, meer vreugde, meer liefde tot de Heere.
En daar mogen wij als gemeente getuige van zijn – van het werk van de Heere in jullie leven.
We mogen ook zien hoe de Heere dat doet:
Bij de een is het een plotselinge bekering, zoals bij de mensen op het tempelplein,
omdat zij geraakt werden door de toespraak van Petrus
en wisten: er moet iets aan ons leven, aan onszelf veranderen!
We moeten naar God terug – onze God.
Vaak gaat het meer geleidelijk aan, zoals bij de meesten van jullie.
De Heere is geduldig en geduldig is Hij met jullie bezig geweest
en geduldig zal Hij met jullie verder gaan, totdat Hij jullie zo vormt
zoals Hij wil – dat jullie zijn.

Gemeente, dit jaar waren er 2 groepen met belijdeniscatechisanten.
De andere groep had ook die vraag: ‘Wat moeten wij doen? Vertel ons dat!’
Hier speelde de leeftijd een rol mee: als ouderen kunnen wij niet tussen de jongeren zitten.
Wij kunnen niet zo goed leren als zij, dachten ze.
En als je ouder bent, wordt de drempel om belijdenis te doen alleen maar groter.
Des te dankbaarder zijn we de Heere dat jullie nu vanmorgen belijdenis doen.
Want dat laat zien dat de Heilige Geest ook in staat is om degenen die wat ouder zijn kan bekeren.
Misschien zullen jullie dat woord ‘bekering’ niet eens gebruiken
om de verandering in jullie leven te beschrijven.
Want dat woord roept weer een hoop op: ben ik nu echt bekeerd?
Petrus spreekt over bekering en daarmee bedoelt hij dat er sprake is van een omkeer:
naar de Heere toe.
Ik heb in het afgelopen jaar ontdekt dat bekering voor jullie is:
ontdekken dat de Heere in jullie leven allang bezig is
en dat jullie dat ook kunnen aannemen.
Dat hebben jullie wel moeten leren.
De vraag van de mensen op het tempelplein na de preek van Petrus hield ook jullie bezig:
’Wat moeten we doen?’
Deze vraag: ‘Wat moeten we doen?’ geeft aan: er is een bereidwilligheid om te leren.
Ik wil zo graag dichter bij de Heere leven!
Vertel mij hoe ik dat moet doen!
Ik ben er zo weinig mee bezig, ik word zo snel opgeslokt door andere dingen.
Vertel mij hoe ik meer tijd kan vinden voor de Heere!
Dat is het mooie van beide groepen geweest: het verlangen om te leren.

Leren…
Ook dan komen we bij de vraag: ‘Wat moeten we doen!’
Want als je wat ouder bent, is het leren niet meer eenvoudig.
Dat gaat zo makkelijk niet meer.
Ook dat kan een reden zijn – misschien wel uw reden:
‘Ik kan niet leren. Dus dan kan ik ook geen belijdenis doen.
Want dan moet je toch wel het een en ander uit het hoofd leren!’
Wat willen de mensen in Jeruzalem leren die door Petrus geraakt zijn?
En wat hebben de belijdeniscatechisanten willen leren in het afgelopen seizoen?
Gaat het erom dat je bepaalde Bijbelteksten uit het hoofd kent
of grote delen van de catechismus kunt opzeggen?
Nee, het gaat om kennis waardoor de liefde tot God groeit.
Waardoor het vertrouwen op de Heere groeit en u, jij verder gaat in het leven met God.
Tijdens de catechisaties heb ik dat als volgt uitgelegd:
Ik kan een hoop gegevens weten over mijn vrouw.
Ik kan haar BSN-nummer weten, haar rekeningnummer, haar lengte, haar geboortedatum,
maar daarmee heb ik nog niets met haar.
Deze kennis geeft nog niet aan, dat het om een relatie, om liefde, betrokkenheid, samenzijn gaat!
Hoewel bepaalde kennis wel handig is.
Het zou niet in goede aarde vallen wanneer ik deze week haar verjaardag vergeet.
De kennis is handig, maar zonder een relatie heb ik weinig aan deze kennis over haar.
Zo is het ook in het leven met de Heere:
ik kan bepaalde psalmen of liederen kennen, misschien wel bepaalde gedeelten uit de Bijbel of de catechismus, de Bijbelboeken opzeggen,
maar met deze kennis heb ik nog geen relatie met de Heere.
En daar gaat het om bij belijdenis-doen: dat die relatie er wel is – een levende relatie:
liefde tot de Heere, vertrouwen en samenzijn met onze Heere.
Een relatie vol vreugde.
Wie deze relatie met vertrouwen en vreugde heeft, kan belijdenis doen.
Wat moeten wij doen- Krijgt Petrus als vraag.
Wat geeft hij als antwoord? bekeer je! Als je niet met de Heere leef, keer je dan om!
Stel je leven open voor de Heere!

Een radicale omkeer in je leven, waarbij je stopt met verkeerde dingen.
Dat is bekering toch ook?
En wat mag je dan niet meer?
– ‘Kan ik belijdenis doen als ik hou van het kijken naar een voetbalwedstrijd?’
– ‘Moet ik dan stoppen met klaverjassen? Want daarvan werd toch gezegd dat dat niet samen gaat?’
(Wie hier een antwoord op wil horen, moet komend seizoen meedoen met belijdeniscatechisatie!)
We hebben het er met elkaar over gehad.
Petrus geeft aan: de omkeer raakt heel je leven.
Je wordt er een ander mens door.
Iemand die leeft mét God, een hart vol van de Heere,
je leven wordt een voortdurend samenzijn met de Heere Jezus .
Daarin ligt onze redding.
Dat is ook een ernst: want zonder die bekering kunnen we niet.
Dan gaan we verloren – terwijl de Heere dat niet wil.
Petrus zegt tegen de menigte op het tempelplein: Ook voor jullie is Gods belofte
van vergeving van zonden.
Zelfs voor de menigte die geroepen heeft om de dood van Jezus.
Als er voor die mensen mogelijk is om weer bij de Heere uit te komen,
mogen ook jullie bij de Heere aankloppen en zeggen: Heere neem mij aan.
Vergeef mij als ik er te lang over gedaan heb om U in mijn leven toe te laten.
Neem mij om Jezus’ wil aan – uw lieve Zoon.

Wat kan ik doen om mijn leven voor de Heere open te stellen,
zodat Hij in mijn hart kan komen wonen?
Hoe vind ik de vreugde in Hem?
Misschien gebeurt dat eerst aarzelend, vol vragen, zoals de belijdeniscatechisanten in het begin.
Maar gaandeweg vindt er wel een verdieping plaats van de kennis en van de liefde.
Ook daar is het over gegaan – in de loop van je leven vindt er een verdieping plaats.
Ook in het eigen huwelijk. Door wat je samen meemaakt,
kan de verbondenheid met elkaar, de liefde ook, groeien en verdiepen.
Je geeft nog meer om elkaar dan toen je verkering had of je trouwde.
Je kunt na heel veel jaren getrouwd zijn nog gelukkiger met elkaar zijn
dan toen je verkering had of aan het begin van je huwelijk.
Zo is het ook in het leven met de Heere.
Je kunt nu op deze dag vol zijn van de Heere – en ik hoop dat jullie dat ook zijn.
Maar ik hoop dat je na deze dag nog verder groeit in liefde, in geloof, in vertrouwen.

Een trouwdag is een mooie vergelijking met belijdenis-doen.
In de Bijbel wordt nergens verteld dat je belijdenis moet doen.
Dat is in onze kerkelijke traditie gegroeid.
En je kunt je afvragen of dat wel nodig is.
Maar het heeft ook iets moois, om in het openbaar, voor heel veel getuigen die erbij zijn,
familie, vrienden, te zeggen: Ik wil bij de Heere Jezus horen!
Ik zeg: ‘JA!’ Met overtuiging! Met heel mijn hart! Ik wil niet meer terug!
Op een trouwdag denk je dat dit een hoogtepunt is – en dat is vaak ook zo.
Maar juist na de trouwdag groeit de liefde voor elkaar.
Zo werkt de Heere! Dat is het werk van de Heilige Geest!
Hij zorgt ervoor, dat je niet meer zonder de Heere kunt en dat je ook naar Hem verlangt.
Hij is je alles geworden, zoals Psalm 16 dat ook verwoordt.
Dat geeft vreugde, toch?

Dat verlangen is gegroeid bij jullie,
doordat je er meer mee bezig geweest bent.
Een intensieve periode, waarin je veel geleerd hebt en waarin je dichter naar de Heere gegroeid bent
– ik wens jullie toe dat jullie in de komende jaren ook nog verder zullen groeien.
Wat hoe zouden we zonder de Heere kunnen?
Hij is het die ons leven leidt.
Hij is het die ons kracht geeft om in moeilijke perioden verder te gaan.
Door Hem is het nooit hopeloos,
want als we hier niet verder kunnen dan weten we dat er bij Hem in Zijn heerlijkheid
een nieuw leven wacht.

In de afgelopen maanden hebben jullie veel geleerd.
Maar jullie wisten gelukkig al veel over de Heere.
Jullie hebben allemaal mensen om je heen gehad die je het hebben voorgeleefd.
Ouders, opa’s en oma’s.
Niet bij iedereen van jullie kunnen de ouders getuige zijn van deze dag.
Ze hadden het vast bijzonder gevonden om deze dag te mogen meemaken.
Dat hun kind, dat ze hebben laten dopen, nu zelf ook de keuze gemaakt heeft voor God.
Dat is voor ouders een gebedsverhoring
en wat is het een bijzondere rijkdom om daar wel getuige van te mogen zijn!
Dat geluk waar Psalm 16 over zingt, is niet alleen voor jullie die vandaag je ja-woord geven,
maar ook voor jullie ouders die hun gebed verhoord zien.
Op deze dag voel je je misschien wel extra verbonden
met degenen die dit niet meer kunnen meemaken.
Degenen die nu al bij de Heere mogen zijn.
Ook dat is het bijzondere van het geloof: dat ondanks dat ze er niet meer zijn,
we toch het hen verbonden zijn.
In Psalm 150 zingen we ervan, dat God geloofd wordt
in de hemel, voor Zijn troon en hier beneden.
Hier op aarde brengen jullie en wij allemaal als gemeente de dank aan de Heere.
Wij loven Hem, samen met de engelen.
Samen met de gelovigen die al bij de Heere mogen zijn.
Daarom een feestdag
omdat we getuige mogen zijn van Gods werk in jullie.
Dat sterkt weer ons geloof.
Dat geeft aan degenen die nog geen belijdenis hebben gedaan de vraag:
waarom ik niet.
Waarom sta ik daar vooraan niet bij?
Want de Heere is het toch ook waard dat Hij door mij geëerd, gediend wordt.
Wat moet ik doen? Ik zie aan jullie wat ik moet doen.
Zorgen dat ik word toegevoegd aan de gemeente die bij de Heere Jezus hoort.
Nu jullie belijdenis doen, word ik ook door God geroepen.
Ook al sta ik voor mijn gevoel veraf.
Laat het een gebed zijn van de belijdeniscatechisanten,
maar ook van jou en van u, van iedereen:
Heere, hier ben ik. Ik riep mij, van ver wellicht.
Neem mij aan – om Jezus’ wil.
amen

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – deel 2: Psalm 23

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – deel 2: Psalm 23

NB: Aan het einde van de vorige les heb ik de deelnemers de tip gegeven:
* Schaf een kistje aan om daarin bijzondere voorwerpen te verzamelen
– gedichten die uitgeknipt zijn
– Bijbelverzen die op een briefje geschreven zijn
– Kleine symbolische voorwerpen

* Schaf een schriftje aan, waarin aantekeningen worden gemaakt:
– Bijbelverzen die aanspreken
– Zinnen uit het dagboekje, waar vaker over nagedacht wordt
– Gedachten die opkomen.

Tekst
(Hardop voorlezen waarbij de andere deelnemers luisteren; daarna volgt een stilte)

1 Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2 Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3 Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
4 Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.
5 U maakt voor mij de tafel gereed
voor de ogen van mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
6 Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.

Opdracht: Schrijf voor uzelf op welke zin bij u is blijven haken

……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Luister met elkaar naar een of meerdere bewerkingen van Psalm 23
* De Heer is mijn herder (mel. J.G. Bastiaans)
* Psalm 23 (Oude of nieuwe berijming)
* De Heer is geen herder en geen ding
* De Heere is mijn herder mij ontbreekt niets

(Een variant is: bewerkingen van Psalm 23 uit de klassieke muziek)

Vraag: welke bewerking vindt u zelf het mooist? En in welke uitvoering: mannenkoor, gemengd koor, a capella, samenzang)?

De HEERE is mijn Herder

Opdracht: Bekijk de volgende afbeeldingen. Vertel elkaar daarna van elke afbeelding wat u ziet:
– Wat valt op?
– Waar is het oog van de herder op gericht?
– Wat is de relatie tussen de herder en zijn schapen?

1. Jesus-Good-Shepherd-18
2. good-shepherd-2
3. guter-hirt

Vraag: Welke spreekt u het meest aan?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Welk beeld hebt u zelf van een herder?

……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Hoe hebt u ervaren dat de Heere voor uw herder is?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

David weet wie zijn Herder is: de HEERE. David spreekt hier zijn Herder aan met de naam die God heeft. Zijn leven wordt niet geleid door een anonieme macht of door een bepaald lot, maar door de Heere.
Wie is de HEERE? Hij is de God van Israël, die hemel en aarde heeft gemaakt. Een andere God is er niet. In Exodus 3:14 maakt God Zijn naam bekend: Ik ben die Ik ben. God geeft daarmee aan, dat Hij altijd dezelfde zal zijn. Trouw en betrouwbaar. De naam van God geeft ook aan, dat de Heere er altijd zal zijn. Hij zal erbij zijn en staat altijd klaar. Deze naam herinnert aan het verbond dat God gesloten heeft met Israël. (Door Christus en door de doop mogen wij ook tot dat verbond behoren). De naam van God is een beschermende muur, een veilige schuilplaats.

Mij ontbreekt niets
Mij ontbreekt niets – zegt David. Hij kijkt terug op zijn leven. Of hij gaat na, hoe het nu met hem is. Dan komt hij tot deze belijdenis: door de zorg van de Heere heeft hij geen enkel gebrek.

Vraag: Hoe is dat bij u? Komt u door de zorg van de Heere ook niets tekort?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

Grazige weiden & stille wateren
Bij een herder denkt u misschien aan iemand die over de Nederlandse heidevelden trekt. Met zijn kudde op weg naar de schaapskooi. Bij grazige weiden denkt u wellicht aan de Nederlandse weiden met het groene gras. Keurig omheind, vredig, beschut door bomen. Stille wateren zijn er bij ons ook: sloten, meertjes, poelen in het bos.

palestijnse kudde
Het landschap zag er voor David anders uit. Grazige weiden zijn er alleen na regenval. Putten moesten gegraven worden. Een goede herder kende het landschap en was in staat om zijn schapen aan eten en drinken te helpen.
Het leven van een herder was bovendien niet eenvoudig. David vertelt aan koning Saul, hoe hij met leeuwen en beren heeft gevochten om zijn schapen te beschermen.

Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid – omwille van Zijn naam

Het spoor waarover gesproken wordt geeft aan dat de weg al gebaand is. Vergelijkbaar met:
a) de voor die een ploeg in de akker trekt.
b) een wandelpad dat al is uitgesleten.

wandelpad-duinen

Het spoor voor ons leven ligt al klaar. In deze psalm het beeld van de richtlijnen van de Heere, zijn wetten, opdrachten. Het is de bedoeling dat wij onder de leiding van de Heere die weg gaan.
In het Nieuwe Testament wordt krijgt dit spoor de betekenis van de navolging van Christus en geleid worden door de Heilige Geest (levensheiliging).

Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood

wandern_02

Opdracht: teken hieronder de hoogte- en dieptepunten van uw leven:

Hoogtepunt

0 ——————————————————————————– nu

Dieptepunt

Vraag: Wat was voor u de troost op de hoogte- en dieptepunten?

…………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Hebt u ook gemerkt dat de Heere u uit de diepe dalen heeft geleid?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………

road-to-emmaus
Emmaüsgangers

voor de ogen van mijn tegenstanders

We praten niet gemakkelijk over de mensen die ons het leven zuur maken. Er kunnen mensen zijn met wie u overhoop ligt. Buren met wie u niet goed overweg kunt. Iemand die voor uw gevoel jaloers op u is. Een ex die maar blijft stalken, waardoor u zich niet meer veilig voorstelt. David kent die ervaring ook, maar ook dat de Heere hem uitnodigt om aan de tafel van de Heere te zitten. Terwijl anderen hem afkeuren, geeft de Heere hem een ereplaats aan de tafel van de Heere.

Opdracht: Bespreek met elkaar wat de betekenis is van Psalm 23
– op een geboortekaartje
– op een trouwkaart
– bij de opening van een schooljaar
– in tijden van ziekte
– bij een huwelijksjubileum
– op een rouwkaart

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – 1

Belijdeniscatechisatie (1)

Vandaag ben ik begonnen met een belijdeniscatechisatie voor oudere gemeenteleden. Deze oudere gemeenteleden hebben om verschillende reden nog geen belijdenis gedaan. Omdat ze het idee hebben dat zij niet kunnen leren. Of zij kunnen er niet over praten. Ze waren er nog niet eerder aan toe. Of ze lazen naar eigen zeggen te weinig uit de Bijbel. Voor mij een proef om op een eenvoudigere manier belijdeniscatechisatie te geven.
Hierbij de eerste ‘les’:

Beerd Kuijlenburg (60) heeft in de kerkbode gelezen, dat er een mogelijkheid voor ouderen komt om belijdenis te gaan doen. Dat bericht houdt hem erg bezig. Hij heeft nog geen belijdenis gedaan. In zijn jonge jaren was hij niet zo met geloof bezig. Tot zijn 18e ging hij mee naar de kerk … omdat hij van zijn ouders moest. Jarenlang is hij chauffeur geweest. Hij was vaak lange dagen weg van huis. Tijd om de Bijbel te lezen had hij niet. Maar tijdens de ritten had hij wel tijd om na te denken. En dat deed hij. Zo begon hij ook steeds meer over God na te denken. Hij ging weer naar de kerk. De eerste keer was het niet eenvoudig. Wat zouden de mensen wel niet van hem vinden? Dat viel alles mee. Hij voelde zich welkom. Hij werd serieuzer. Op een avond ging hij naar koor en ontdekte dat hij dat erg fijn vond. Alleen het lezen uit de Bijbel – dat kostte hem nog veel moeite. Hij hoopte ooit een belijdenis te doen. Maar vroeg zich wel af, of hij dat ooit kon doen. Want dan moest je toch ook uit de Bijbel kunnen lezen?
Op een keer raakte hij met de dominee aan de praat. Zijn predikant zei: “Beerd, laten wij eens beginnen met de liederen die jij op koor graag zingt. Vertel daar eens over!”

Vertellen waarom je gelooft is niet eenvoudig. Veel mensen hebben het gevoel dat zij dat niet kunnen. Maar vraag hen eens naar een lied en de liederen worden zo genoemd. En met volle borst worden deze liederen gezongen: bekende psalmen, liederen van Johannes de Heer, liederen die gehoord zijn tijdens de uitzendingen van Nederland Zingt.

Vraag 1: Welk lied spreekt u erg aan?

Vraag 2: Hebt u een bijzondere herinnering aan dit lied?

Vraag 3: Wat laat dit lied over de Heere zien?

Vraag 4: Kunt u een Bijbelgedeelte vinden, dat op dit lied lijkt?