Niet als wezen achtergelaten

Niet als wezen achtergelaten (nav Johannes 14:18)

Afscheid nemen van iemand, met wie je een goede band hebt, is vaak niet makkelijk.  Je voelt aan dat er een lege plek in je leven komt. Je weet dat je de gesprekken, die je samen had, zult gaan missen. Je mist het plezier, dat je samen had, wanneer je samen optrok. Zeker als afscheid gaat nemen van iemand, die veel voor je betekend heeft,  iemand op wie je toch wel steunde, kan dat het gevoel geven, dat je je heel wat kwijtraakt, dat je verweesd achter zult blijven.
In dit gedeelte kondigt de Heere Jezus Zijn afscheid aan en Hij voorziet dat Zijn afscheid heel wat met de leerlingen zal doen. Hij zal naar de hemel gaan en de leerlingen zullen op aarde achterblijven. Ze zullen Hem ontzettend missen. Het zal een gevoel van heimwee geven naar de tijd, waarin hun Meester bij hen was. Ze zullen zich verweesd voelen. Met hun geloof zullen ze het ook niet makkelijk krijgen, want ze steunden behoorlijk op Hem.
Daarom geeft Hij hen een belofte mee, waar ze zich aan kunnen optrekken: 
Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. Je zult het moeilijk krijgen. Dat weet Ik vooruit. Maar je krijgt steun van Mij. De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren wordt ook wel Wezenzondag genoemd, waarbij de naam ontleend is aan deze belofte die de Heere Jezus aan Zijn leerlingen gaf. We hebben gevierd dat de Christus naar de hemel is gegaan om daar plaats te nemen aan de rechterhand van God. We kijken uit naar het Pinksterfeest, waarop we vieren dat die andere Trooster, die onze Heere aankondigt gekomen is. Deze zondag van vandaag valt er wat tussenin en daardoor kan al snel het gevoel ontstaan dat we nog wachten op de Heilige Geest. Zo voelt u dat misschien ook, dat u nog op iets wacht tot er iets in uw leven gebeurd, waarvan u kunt zeggen: dat is de Heilige Geest die in mij persoonlijk wordt uitgestort.
Vroeger dacht ik vooral dat deze zondag een zondag van gemis is: Christus is al weg
opgenomen in de hemel en de Geest is er nog niet. En ik dacht daarbij: zoals op deze zondag voel ik mij zo vaak. Christus ervaar ik niet, omdat Hij ver weg in de hemel is en niets overbrugt voor mij die afstand naar de hemel. Die gedachte herkent u wellicht ook wel en je zou daarbij willen dat het anders zou zijn, dat u wel iets van Hem zou ervaren.  Net of we wel verweesd achtergelaten zijn.
Toch is dat niet de bedoeling van deze zondag. Wezenzondag wil ons niet het gemis  onder de aandacht brengen, maar ons leren dat we bij ons gemis aan die ervaring van Christus niet moeten blijven, omdat Christus ons een belofte geeft, dat Hij ons niet alleen achter laat. Het moeilijke voor ons, is dat die belofte vaak tegen onze ervaring ingaat
en dat we daarom die belofte moeilijk kunnen geloven. Op deze zondag moeten we tegen elkaar zeggen: We zijn niet alleen. 
Christus vult Zijn belofte ook nog aan. Nadat Hij zegt, dat Hij ons niet alleen achter laat, zegt Hij ook nog: Ik kom terug. We mogen dus uitkijken naar Zijn komst. Hij blijft niet weg.
Is Hij trouwens wel weg?  IS Hij met de andere Trooster, die zal komen, de Heilige Geest, niet ook meegekomen? Is Hij door de Heilige Geest niet hier in ons midden aanwezig? Hier bij mij en bij u, waar u ook bent? Al bent u onderweg met de auto, of ligt u nog in bed,of bent u zich aan het klaarmaken voor deze dag, of al een tijdje op: De Heilige Geest kan ervoor zorgen dat Christus ook bij u komt, waar u nu ook bent. Dat is de troost, die de Geest kan geven: Hij kan ervoor zorgen dat u Christus wel ervaart. Dan maakt de Heilige Geest deze belofte van Christus ook voor u waar en komt Christus ook naar  persoonlijk terug.
 Als Christus zegt dat Hij weer zal komen, doelt Hij ook op een ander moment: Zijn Wederkomst. Op deze zondag na hemelvaart mogen we ook vooruitkijken naar dat moment, dat Christus hier weer op aarde verschijnt en ons tot Zich neemt. Tot die tijd zijn we niet alleen – al voelen we dat wel soms. We moeten dat misschien wel geregeld tegen elkaar zeggen, omdat we dat geloof zo makkelijk kwijtraken. Daarom is het zo bijzonder dat Christus ons de Heilige Geest heeft gegeven. De Geest die ons het geloof geeft, dat Christus zal komen en er nu al is. Hij sterkt ons in het geloof en helpt ons te zien, te ervaren, waar Christus nu in ons leven is. Zodat we de belofte van Christus uit eigen ervaring kunnen beamen: Inderdaad, we wij niet alleen achtergelaten. Hij is hier bij ons.

Meditatie EO-programma Groot Nieuws, 2 juni 2019

Preek Tweede Pinksterdag 2019

Preek Tweede Pinksterdag 2019
Romeinen 8:18-30
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil,
maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft ook hoop gekregen (Romeinen 8:20)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus spreekt over de schepping die onderworpen is aan de zinloosheid
hebben we daar in de afgelopen week een voorbeeld van kunnen zien:
De wind die opeens kwam opzetten, met sterke rukwinden, een korte, hevige storm.
Door die rukwinden werden verschillende bomen omver geblazen.
Op de radio vertelde een bomendeskundige dat er geen verschil was in bomen:
Er waren jonge bomen, die heel buigzaam zijn, omgeblazen.
Zowel gezonde als zieke bomen – de wind maakte geen verschil.
Er vielen oude, diepgewortelde bomen om, waarvan je mocht verwachten
Dat ze door de diepe wortels stevig in de grond stonden,
bomen die al heel wat stormen hadden doorstaan waren nu toch omgevallen.
De man op de radio vertelde dat het vooral de wind was, die de bomen deed sneuvelen:
Rukwinden die uit een onverwachte hoek kwamen,
Want bomen zijn in staat om stevige wind uit eenzelfde hoek op te vangen.
Maar als de wind uit verschillende hoeken om de boom heen stormt,
wordt de boom gegrepen en is het gedaan met de boom.
Een voorbeeld van de zinloosheid, waaraan de schepping onderworpen is,
Want de wind is niet geschapen om verwoestend huis te houden,
maar eerder een beschermende kracht,
zoals de aarde, God deze schiep, geen verwoestende krachten had,
maar een paradijs voor de mens was, een plek om samen te zijn met God,
de aarde vol van Gods heerlijkheid. Alleen maar goed, goed in Gods ogen.
Maar zo is de aarde niet meer.
De aarde is een plek die onderworpen is aan de zinloosheid.
Ze heeft niet meer het doel, die de Heere aan de aarde gegeven had bij de schepping.
Zoals de wind niet meer de schepping bewaart en beschermt of dient en verzorgt,
maar tekeer gaat, verwoestend is.
In die wind die tekeer gaat en vernielen kan
en ook in de bomen die omgewaaid zijn door die rukwind
is een stem te horen.
Heere, hoe lang zult u toekijken?
HEERE, verlos mijn ziel van hun verwoestende daden. (Ps. 35:17)
En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? (Openbaring 6:10)

Niet alleen de natuur die lijdt door de schade die is aangericht,
maar ook dat deel van de natuur dat de schade aanricht
en niet anders meer kan dan verwoesting brengen,
omdat het in een macht gekomen is – zinloosheid, zegt Paulus, losgezongen van haar doel
Ook voor de natuur geldt:
Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. (Rom. 7:19)
Onderworpen aan de zinloosheid, zegt Paulus.
Het meest waarschijnlijke is dat het God is
die de rest van de schepping laat delen in het lot van de mensen
Die in het paradijs tegen Hem ingingen en zondigden en het kwaad binnenhaalden.
Dit zei God nadat Adam en Eva ter verantwoording werden geroepen:
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
Zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.
Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven.

De aarde geeft niet meer, waarvoor God de aarde schiep
En de tuin is niet meer de tuin die God schiep, maar een wildernis,
waarin de dorens en de distels de groei van het koren bemoeilijken,
maar ook het bewerken van de akker moeizamer maken.
De schepping zucht en daarmee bedoelt Paulus:
ook het niet-menselijke deel van de schepping, zoals de bomen en planten,
de dieren op het land en in de zee, de vissen en de vogels,
het water, de wind, de aarde.
Ze zuchten omdat ze niet altijd meer doen waarvoor God ze geschapen hebben.

Wij hebben 3 konijnen.
Als ze languit liggen, soms tegen elkaar aan,
dan zie je iets terug van het oorspronkelijke scheppingsdoel.
Maar als je bij het hok komt om ze eten te geven, vallen ze elkaar aan en jagen elkaar op.
Ze gunnen elkaar het eten niet. Ze moeten dan even laten weten wie de baas is.
De schepping is aan de zinloosheid onderworpen.
Ze beantwoordt niet meer aan haar doel, ze zucht onder het juk dat God opgelegd heeft.
In alles, heel de schepping zucht er onder, van het kleinste diertje tot de hoogste berg.
Als de schepping, zucht roept het tot God: bevrijd ons ervan!
Met dat zuchten zegt de schepping: Het is niet onze schuld.
Wij hebben niet de keuze tegen God gemaakt.
Met dat zuchten houdt de schepping ons een spiegel voor:
Wat heb je gedaan, daar in het paradijs, met het leven en de vrijheid die je van God kreeg,
de Schepper die je het leven gaf, die een wereld maakte,
de mens als kroon op de schepping, de mens: beeld van God?
Als de schepping zucht onder de last die God oplegt door onze zonde en klaagt ons aan:
Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons mensheid aan bij U.
Er zijn momenten waarop je dat zuchten naast je neer kunt leggen.
Als je foto’s ziet van exotische oorden met witte stranden, een blauwgroene oceaan
en groene bossen op de achtergrond,
dan kun je dat zuchten wegstoppen
en hoef je niet naar de aanklacht te horen die in dat zuchten schuil gaat.
De zonde wil ook niet dat we die aanklacht horen en dat we gaan nadenken,
wil niet dat we onrustig worden en gaan verlangen naar een ander leven, een beter leven.
De zonde wil juist dat we gaan denken dat deze wereld best te doen is
en de tactiek van de zonde is om alle negatieve kanten weg te duwen,
dat zuchten te overstemmen met andere geluiden,
waarbij we zeggen dat deze wereld zo gek nog niet is.
In de afgelopen week zag ik een filmpje van een strand:
strandgasten die aan het zonnebaden waren, aan het zwemmen, volop plezier.
Het was een filmpje van het strand in Latakia, het westen van Syrië.
Dat filmpje werd gedeeld door mensen die het niet zo’n goed idee vonden
dat Syriërs deze kant op kwamen en gaven bij dat filmpje aan:
Als dit Syrië is, waarom vluchten ze dan naar Europa?
Als je zo kunt genieten in je eigen land,
dan heb je toch geen reden om een veilig heenkomen te zoeken in een ander werelddeel?
Wat er niet bij gezegd werd was dat er nog geen tientallen kilometers landinwaarts
gevangenissen staan waar tegenstanders van het regime wreed gemarteld worden.
Ook werd niet gemeld waar het filmpje vandaan kwam.
Het kan ook uit het Assad-kamp zijn: propaganda dat het leven goed is onder zijn bewind.
De schepping zucht om ons wakker te houden.
Om ons niet te doen vergeten dat het hier beneden nog niet is,
ook al kleden we het leven hier nog zo mooi in
en zijn we in staat om alle rampen en narigheid vakkundig weg te poetsen
en de schijn op te houden – de schepping zucht.
Het zuchten van de schepping is niet alleen een aanklacht, een verwijt,
maar ook de stem van een diep geloof,
zoals in alle klachten in de Bijbel, in de klaagliederen uit het Oude Testament bijvoorbeeld

geloof naar voren komt in God, die alles bestuurt.
Want al die klachten die in de psalmen verwoord worden
En het zuchten van de schepping waar Paulus over spreekt,
weten dat God er iets aan kan doen, kan ingrijpen, kan redden, kan bewaren.
Als God het juk van de zinloosheid op de schepping gelegd heeft,
kan Hij dat juk er ook weg nemen en de schepping bevrijden
en weer tot haar doel brengen.
En hoe de mensheid ook zich nestelt in deze aarde en tevreden is hier.
De schepping zucht om ons onrustig te maken
om de illusies die wij als mensen kunnen hebben door te denken dat het hier wel meevalt
te doorkruisen met hun roepen, met hun gezucht.
Het is niet een enkel onderdeel van de schepping dat zucht, maar de hele schepping.
De gebieden die te onherbergzaam zijn om te bewonen net zo goed
Als de plekken waar mensen naar toe gaan om hun vakantie te vieren.
De dieren net zo goed als de planten.
De schepping is één, één in het juk van de doelloosheid, maar ook één in verlangen.
Reikhalzend verlangen: op de uitkijk gaan staan om te zien of je er al iets van verneemt.
Op je tenen gaan staan, om te kijken of het al dichter bij komt.
Want waar veel mensen het wel best vinden, het leven zoals het is,
Weet de schepping dat er een andere tijd komt, een tijd van bevrijding,
een tijd waarin de schepping weer is, zoals God die bedoelde.
Het zuchten van de schepping is daarom niet alleen maar lijden, niet alleen maar aanklacht,
maar ook evangelie: verkondiging dat er door Christus redding is, ook voor de schepping.
De schepping gelooft in haar Schepper,
gelooft in Christus als de hersteller van de schepping, die de zonde wegdroeg,
Waardoor er een tijd zal komen, dat het niet meer nodig is
om te lijden onder die zinloosheid en vergankelijkheid.
Zo getuigt de schepping, die door ons toedoen te maken kreeg met vergankelijkheid,
aan ons mensen van het heil dat er zal komen:
jullie zullen aangenomen worden als kinderen van God,
jullie die in opstand waren en niets van God moesten weten worden weer kinderen van God.
De schepping weet dat er meer is dan de zonde
en van een God die sterker is dan de zonde
En die ook het lot dat de schepping heeft getroffen door de zonde kan wegnemen.
Die de genade heeft, de barmhartigheid ook, om opnieuw te beginnen
met de mensen en daarom ook met de schepping,
Want de schepping blijft Zijn schepping. Hij geeft niet prijs van Zijn hand begon.
De schepping heeft dat geloof blijkbaar uit zichzelf, dat God zal redden
en dat er een nieuwe tijd zal komen.
De schepping lijdt wel aan de vergankelijkheid, kreunt en zucht eronder,
maar is niet het geloof kwijtgeraakt en ziet zelf de hand van de schepper
En getuigt ondanks de sterfelijkheid en vergankelijkheid,
ondanks de neiging om het verkeerde te doen van de Schepper.

Voor ons mensen is het een ander verhaal.
Wij hebben daarvoor de Heilige Geest nodig.
De Geest maakt ons onrustig en doet ons verlangen naar een andere tijd
Waarin God weer bij ons mensen is en wij van Hem zijn.
De Geest wekt in ons een verlangen om los van de zonde te komen
En niet meer gevangen te zitten in die neiging om het verkeerde te doen,
om alleen maar aan onszelf te denken, om het goede dat er is voor onszelf te misbruiken.
Ook wij zuchten, zegt Paulus, onder de zonde, onder het lot dat ons getroffen heeft,
dat ook weer door onszelf over onszelf is afgeroepen.
Maar ook voor ons is dat niet het laatste woord. Het is met de zonde niet afgelopen.
Ook wij mogen weten van die nieuwe tijd, die er door Christus is gekomen en zal komen.
Door Christus die de last van de zonde droeg, het oordeel van God, aan het kruis.
De nieuwe tijd die niet alleen maar iets van de toekomst is.
Als voorbode van die nieuwe toekomst van bevrijding, van weer kind van God zijn,
hebben wij van God de Geest gekregen: een teken dat die andere tijd komt
en dat God ons in die andere tijd wil hebben, wil meenemen, wil redden, bevrijden.
De Geest die ons de ogen opent voor onze neiging om de zonde te geloven
en er in mee te gaan als de zonde de negatieve gevolgen camoufleert
en ons wil doen geloven dat het zo wel gaat
en dat er een nieuwe wereld niet nodig is, omdat deze oude wereld nog voldoet.
De Geest die ons de oren opent voor het zuchten van de schepping
en ons doet luisteren naar de aanklacht die daarin klinkt, het lijden door ons veroorzaakt,
maar die ons ook meeneemt naar de God
aan wie de verzuchtingen van de schepping zijn gericht
om daar bij God ook ons zuchten te brengen.
In dat zuchten van ons zit een gebed, waar we de woorden niet voor kunnen vinden.
We hebben er geen woorden voor om te reageren als de schepping ons aanklaagt,
omdat we niet weten waar we met onze schuld naar toe moeten.
Wij kunnen die zelf niet dragen.
Die schuld kan ons alleen maar afgenomen worden.
In ons zuchten verwoordt de Geest voor ons een gebed waarin we onze schuld erkennen
en waarin we een beroep doen op God: Red ons van onze schuld,
zodat we weer met de schepping samen kunnen leven en samen kunnen uitkijken
naar de toekomst die U zult brengen.
Wij weten niet wat we bidden moeten, zegt Paulus.
We zuchten, omdat we uit onszelf de weg naar God niet vinden.
Dan neemt de Geest ons mee, via onze verzuchtingen, en brengt ze bij God.
En dan weten wij niet wat we bidden moeten en kunnen we alleen maar verzuchten,
de Geest weet van ons zuchten een gebed te maken tot God.
Bij Paulus heeft dat niet-weten wat we moeten bidden wellicht ook te maken
met de zonde waardoor we de wil van God niet meer kennen.
Wij kunnen niet meer zo bidden, door de zonde, dat in ons gebed het niet gaat om ons,
maar om de wil van God. Uw wil geschiede.
Wij weten niet hoe de bevrijding er uit zal zien.
We kunnen ons er geen voorstelling van maken, omdat we alleen deze wereld kennen.
Dit is de wereld waarin we leven.
Wat we erover weten, hebben we uit Gods mond gehoord, gelezen in de Bijbel.
We kunnen daar alleen maar over dagdromen in geloof.
Hoop noemt Paulus het: je kunt je er geen voorstelling van maken,
onze beperkte menselijke gedachten schieten tekort,
maar daarom is het nog wel waar, daarom komt die nieuwe tijd nog wel.
De tijd dat het juk van de schepping wordt afgenomen en ook wij als mensen bevrijd zijn,
samen met de schepping weer kinderen van God zijn en tot onze doel mogen komen.

Heer ons lot is in Uw handen
en het is uw hartewens,
naar uw beeld ons te veranderen
Jezus Christus, nieuwe mens.

Zie ons lijden, Heer, tezamen
met de ganse creatuur,
zie toch, hoe uw erfgenamen
zuchtend uitzien naar het uur,
dat zij ‘t juk mogen schudden
het vernederende juk
der vergeefsheid, ach wij bidden:
breek het stuk, Heer, breek het stuk.

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis.
Geef dat de zege zeker is.
Amen

Preek zondagmorgen 21 oktober 2018

Preek zondagmorgen 21 oktober 2018
Jesaja 44:1-8. Tekst: vers 3.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dit jaar hebben we een heel droog jaar en de droogte is nog steeds niet voorbij.
Toen wij afgelopen zomer terug kwamen van vakantie
was het of we bij de grens met Nederland niet ons eigen land binnen kwamen rijden,
maar Spanje of een ander land rond de Middellandse Zee:
Nergens was meer groen gras te vinden, alles was bruin geworden.
Bomen waren verkleurd en lieten soms het blad al vallen.
De gevolgen van de droogte werden zichtbaar.
Aan het einde van de zomer was het de vraag: zijn die gevolgen blijvend?
Of komt de natuur er weer bovenop als er regen valt?
Zal er voor de boeren genoeg gras en maïs zijn, of zullen ze minder hebben?

Nu er in de tussentijd weer regen gevallen is, kunnen we zeggen
dat de natuur zich op een aantal plaatsen weer behoorlijk hersteld heeft.
Wel zijn er zorgen dat de droogte die nog steeds aanhoudt gevolgen heeft voor volgend jaar.
Dat de natuur toch ontregeld is, de bossen en de weilanden schade lijden
door de lage stand van het grondwater,
dat er voor de dieren in de natuur minder water en voedsel te vinden is.
Op een aantal plaatsen heeft de natuur zich aardig hersteld.
Of kunnen we zeggen: is door de zorg van God,  onze hemelse Vader,
de natuur weer opgeleefd – door de regen waardoor de natuur nieuwe kracht ontving.
Door God gestuurd om de natuur, Zijn schepping, weer te doen opleven.
Zeker in gebieden, zoals in Israël waar de natuur afhankelijk is van de regen die valt,
is het verschil goed te zien wat de regen doet:
Als de regen weer valt, dan loopt alles weer uit,
de planten die bruin geworden zijn worden weer groener.
De regen is de kracht van God die alles weer tot leven wekt, zegt Jesaja.
Wanneer de regen dan weer komt na een droge periode, wordt dat als een wonder ervaren.
Het dorre, doodse, komt weer tot leven, wordt groen en fris, draagt vrucht.
Zoals God door de regen de schepping weer tot leven kan wekken,
zo kan de Heere mensen weer tot leven wekken door de Heilige Geest.
Zoals een overvloedige regenbui op een verdroogd stuk land weer nieuw leven brengt,
brengt de Geest, die over ons kan worden uitgestort, ons weer tot nieuw leven.

 

Het kan zijn dat je hier nu zit en bij jezelf denk: zo zou ik ook wel opgefrist willen worden,
ik zou ook weer helemaal opnieuw tot leven willen komen.
De laatste tijd lukt het allemaal niet zo met je studie of opleiding, met je werk, in je relatie.
Zoals de weilanden en tuinen er afgelopen zomer bij lagen, zo droog en dor,
zo voel je jezelf eigenlijk ook wel.
Je was vol goede moed begonnen, je had er zo’n plezier in, het deed je zo goed.
Maar nu komt er niets meer uit je handen, het lukt niet meer op je werk,
je krijgt het niet meer voor elkaar met je studie,
je komt in je relatie niet dichter tot elkaar. Eerder het omgekeerde:
steeds meer verwijdering en onbegrip, ruzie.
En je weet zelf niet meer hoe het anders kan, hoe het weer de goede kant op kan gaan.

Als het met jezelf niet goed gaat, als je naar beneden getrokken wordt,
gaat het vaak met je geloof ook niet goed,
Juist als je dan de Heere zo nodig hebt, dan kun je Hem zo moeilijk bereiken,
dan lijkt het wel of Hij er niet is.

O, Heer, mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land
dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen.
Er kan net als in Psalm 63, die we voor de preek zongen, een heimwee zijn naar vroeger
toen je floreerde en dicht bij God leefde.
Het kan voor je zo dor en droog in je geloof zijn, dat je je afvraagt of het ooit nog goed komt.

Je hebt misschien alle hoop al wel opgegeven.

Is het dan mogelijk om weer opnieuw op te leven, om ook in je geloof opgefrist te worden?
Dat je weer als nieuw wordt, dat het weer gaat lukken

en dat je weer, net als voorheen, dicht bij God leeft?

Het kan zijn, dat je zulke vragen nooit hebt, omdat je altijd dicht bij de Heere leeft
en je zorgt dat je geestelijk niet uitdroogt
en je bouwt een voorraad op voor als er een moeilijke periode gaat komen,

waarop het wel eens dor en droog zou kunnen worden,
zodat je voorbereid bent en het je niet overvalt en niet wegduwt bij God vandaan.
Het zou zelfs kunnen zijn, dat je je verbaast over anderen, hier in de kerk of vrienden,
met wie je spreekt en die aangeven dat ze het moeilijk hebben in het geloof
en dat je je bij jezelf afvraagt: hoe kunnen ze de Heere zo verwaarlozen
en waarom hebben ze geen geestelijke voorraad opgebouwd,
waar je op kunnen terugvallen als ze tekort gaan komen.
Je zegt maar niets, want je weet ook dat het je opmerking verkeerd kan vallen,
dat je niet begrepen wordt.   
Kun je daar zelf iets aan doen, dat je weer helemaal opleeft,
dat je geloof helemaal weer groen en fris is, levend geworden,
of dat wat in de afgelopen tijd op je werk, met je opleiding of in je relatie niet meer lukte
weer gaat lopen, dat het weer goed gaat, dat je weer vertrouwen hebt.

Als het gaat om relatie, opleiding, werk dan kun je daar misschien nog zelf aan werken.
Hoewel het nooit zo eenvoudig ligt, vaak is er wat aan de hand,
speelt er van alles en heb je dat niet zomaar door
en heb je tijd nodig, misschien ook wel hulp van iemand anders,
om helder te krijgen wat je zo dwars zit en waarom het niet wil lukken.
Als het gaat om ons geloof kunnen wij dat niet zelf voor elkaar krijgen.
Dat is alleen maar Gods werk, we zijn van Hem afhankelijk.
Daarmee bedoel ik niet dat je maar met de armen over elkaar moet gaan zitten
en wachten tot God komt, tot Hij naar je toekomt.
Zo weer opleven, in je relatie met God een ander mens worden,
dat is alleen een wonder, zoals God dat alleen kan doen – en ook wil doen,
net zoals de regen het gras dat verdord was, weer helemaal groen kan maken.
De regen die het leven weer terugbrengt
– zo zal Ik Mijn Geest uitgieten over je nakomelingen.
Je denkt dat het afgelopen is met je, en dat jij geen toekomst meer hebt.
Misschien denkt u wel aan uw kinderen of kleinkinderen,
die niet meer naar de kerk gaan, of zelfs helemaal niets meer van willen weten.

Ze komen straks wel langs, ze weten dat u naar de kerk gegaan bent,
maar u moet maar niet over de preek beginnen, over de dienst.
Wat God hier belooft, is dat niet alleen uzelf, of jij weer kunt opleven,
maar dat het verder gaat dan alleen maar jouw persoonlijke leventje,
dat de Geest als zo’n overvloedige regenbui kan komen, zo overdadig,
zo alles vervullend, stromen van levend water, dat het teveel is voor u alleen
en dat het verder gaat dan jou alleen, maar dat het doorstroomt naar anderen.
Niet maar één persoon bij wie wat gebeurt, niet maar een enkeling die iets verneemt,
maar een hele gemeenschap die tot leven komt.
Pasen en Pinksteren op één dag.
Pasen – nieuwe kracht die in je komt
en niet zomaar nieuwe kracht, maar de kracht van Christus die je opwekt uit de dood,
Christus die zelf in de dood geweest is en de macht van de dood verbrak
en u, jou meeneemt een nieuw leven in.

Een hele gemeenschap waar de vitaliteit uit weg was, staat weer op, wordt weer levend,
krijgt de Geest weer over zich heen en verneemt hoe de Geest over de akkers stroomt,
de dorstige grond weer van water, levend water, voorziet.
Pinksteren: zelf nieuwe kracht ontvangen door deze Geest,
die verder gaat en ook anderen bereikt, verder stroomt.
De Geest over de nakomelingen, over de nazaten, de telgen.
Dat is net zo’n wonder geweest als wanneer hier kinderen of kleinkinderen
die niet meer naar de kerk gaan, weinig of niets meer met geloof op hebben,
zich weer gaan bezighouden met God, gegrepen worden door de Heere
en daarmee tot leven worden gewekt, het nieuwe leven in Christus.
In Israël waar deze profeet tegen spreekt, is er  in ieder geval weinig vertrouwen meer
in een toekomst met God
en ziet men dat de kinderen en de kleinkinderen er de brui aan geven.
Aan God heb je niets, aan de God van mijn vader of moeder zeker niet.

Moet je zien hoe God het volk weer van nieuwe kracht voorziet, het vitaal maakt.
Door ze aan te spreken: Jakob, Mijn knecht, Israël, Mijn dienaar,
luister nou toch eens naar Mijn woorden, naar je God die dit leven heeft gegeven
en die in staat is om de natuur weer tot leven te wekken,
het droge en verdorde weer kan laten uitlopen, zodat er bloesem komt
en straks de vrucht, die geplukt kan worden.
Ook nu kan dat de Heere uw geloof weer tot leven wekken door u aan te spreken,
door met jou in gesprek te gaan.
Op verschillende manieren kan de stem van de Heere tot je komen.
Dat kan doordat iemand in een gesprek met je iets tegen je zegt,
jou ergens op aanspreekt, waardoor je geraakt wordt en er over na gaat denken.
De stem van God komt tot je als je voor jezelf in de Bijbel leest,
je leest stil in jezelf of je leest hardop uit de Bijbel,
je denkt na over wat die woorden te zeggen hebben.
Daar mag je ook best tijd voor nemen, om die woorden op je in te laten werken.
Juist als het niet goed met je gaat, dan lukt het vaak niet goed om in de Bijbel te lezen
en dan mis je juist wat je zo nodig hebt: de stem van God die je aanspreekt.
Is het vaak niet zo, dat als je het moeilijk hebt dat je Gods stem wilt horen,
maar dat de manieren waarop de Heere je anders aanspreekt dan niet raken?
Dat het lezen in de Bijbel je weinig zegt
en dat liederen die je anders graag luistert je weinig doen.
DAt je wel in de kerk zit en maar er niet echt bij bent, omdat je hart te vol is van zorgen
En dat je niet naar de preek kunt luisteren,
terwijl dat ook een manier is waarop de stem van God tot je komt.
Luister dan! Maar nu, luister!
Een ommekeer, zoals God alleen maar kan doen,
waarbij je niet alleen maar aangesproken wordt, maar nieuwe kracht ontvangt,
weer tot leven komt, een levend geloof, fris en groen,
omdat de Geest als een overvloedige regenbui over je komt.

Maar dan moet u zich wel laten aanspreken.
Wat doet u als de stem van de Heere tot u komt,

Laat u zich wel aanspreken?
Het is wel God die het zegt!
Of zit uw hart te dicht, omdat u niet meer gelooft dat het nog anders kan worden.
Heb je er geen vertrouwen in dat de Heere met jou nog wat kan beginnen.
Dat is vaak al het begin van ongeloof: dat je niet gelooft dat God met jou iets kan beginnen,
omdat je zo moedeloos geworden bent,
geloof je dat God niet krachtig genoeg is, om het verlammende in jou te doorbreken,
Dit is wat God zelf zegt: Luister nu, doe je oren open, open je hart,
neem deze woorden op, zoals een droog stuk land het water opneemt.
als God komt is het niet met een klein beetje, is het niet te weinig,
maar is het overvloedig, royaal, zodat je echt genoeg hebt,
zodat je dorst naar God gelest wordt, zodat je weer in bloei komt,
als gelovige ook vrucht mag dragen.
Je bent niet afgeschreven maar verkoren,
vanaf dat je geboren bent en nog daarvoor, een speciale plek in Gods hart.
OOk met jou gaat de Heere Zijn weg.
Al heb je het in je leven verbruid, al was er in je leven geen plaats voor Hem
en is dat de oorzaak van de geestelijke droogte in je leven
en is dat de reden waarom alles zo verpieterd is – God geeft niet prijs wat Zijn hand begon.

Er wordt al aangekondigd dat het spreken van God echt effect heeft.
Als Hij Zijn Zoon kan roepen uit het graf, tot leven kan wekken,
dan kan Hij ook ons tot leven wekken.
Die Zoon die ons de Geest beloofde en daarmee aangaf dat die opstandingskracht

ook ons kan bereiken en in ons kan wonen.
Ik merk nogal eens dat gemeenteleden maar moeilijk een beeld van de Geest hebben,
zich weinig kunnen voorstellen van de Heilige Geest.
We hebben kunnen zien in de afgelopen maanden hoe het bruine gras weer groen werd,
hoe toch nog gewassen konden worden geoogst, ondanks de droogte.
Je zou het nu bijna weer gewoon vinden.
Zo werkt de Geest. Het is bijna net zo gewoon als een regenbui
En de groei die door de regenbui wordt veroorzaakt in de natuur.
Zo werkt de Geest bijna net zo gewoon,
maar als we er over nadenken is het net zo’n bijzondere wederopstanding
als wat de regen doet in de natuur – weer tot leven.
De profeet kondigt ook aan, wat er zal gebeuren, welk effect de Geest heeft.
Mensen die dachten dat God hen afschreef, gaan zeggen: Ik hoor bij Hem.
Mensen die zich onbereikbaar achten voor God, zeggen: Ik merk Hem in mijn leven.
Ik hoor bij Hem. Ik ben van Hem.
Ze schrijven het ook op om het nog eens officieel te maken,
Vergelijkbaar met onze belijdenis: je zegt het in een kerkdienst,
je spreekt je ja uit tegen de Heere. Ik ben van Hem.
Dat is wat de Heere kan doen.

Gelooft u dat Hij het ook kan doen in uw leven?
Daar zou u nog ‘nee’ op kunnen zeggen en dan is deze hele preek voor niets geweest.
Eigenlijk is het niet de goede vraag, omdat het nog ruimte open laat voor uw ‘nee’.
Merk je, zie je dat God in je leven bezig is.
Hoor je Zijn stem dan niet die je roept, die met je bezig is, die in je werkt,
zoals het water van de regenbui in de grond naar beneden zakt om de wortels te bereiken
zo is God bezig in jou door te dringen, Zijn Geest komt in je.
Het hangt niet af van of je het gelooft, of je het merkt.
De Heere is daar niet afhankelijk van. Hij werkt, zelfs ondanks ons ongeloof,
ook als we het niet opmerken.

 

Zie Heer, hier ben ‘k, maak mij een vat voor U,
woon in mijn hart, vernieuw het, doe het nu.
Verbreek mijn wil, maak m’ook van hoogmoed vrij.
‘k Wil in U blijven Heer, blijf Gij in mij.

O, heil’ge Geest, kom tot uw heerschappij,
schenk een herleving en begin bij mij.
Zegen uw volk,
maak ’t als een bruid bereid,
wachtend op Jezus’ komst in heerlijkheid.
Amen

Preek zondagavond 24 juni 2018
Handelingen 8:4-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Heilige Geest laat Zich niet tegenhouden.
Net als het water in een beekje niet tegen te houden is.
Op vakantie hebben we dat vaak gedaan: proberen het water in een beek tegen te houden
door een dam te bouwen van hout en stenen.
Het lukt nooit om het water helemaal te stoppen.
Of het stroomt tussen de stenen gewoon door of het stroomt er na verloop van tijd overheen.
Ook de Heilige Geest is niet te stoppen.
Als in Jeruzalem geprobeerd wordt om het werk van de Geest tegen te houden,
stroomt de Geest naar een andere plaats verder, om daar Zijn werk te doen.
De Geest gebruikt daar juist de vervolging voor:
doordat het voor gewone gelovigen gevaarlijk wordt om in Jeruzalem te verblijven,
vertrekken ze naar elders, worden ze verspreid.
Het is de bedoeling dat het aantal volgelingen van Jezus minder wordt,
maar de acties tegen de kerk en tegen de gelovigen hebben juist het effect
dat de volgelingen van Jezus zich verspreiden en het evangelie op andere plaatsen brengen
waar ze niet naar toe zouden zijn gegaan als ze niet gedwongen werden.
De Geest laat Zich niet tegenhouden en gaat op een verrassende plaats aan het werk.
Samaria- het lijkt voor de hand te liggen om daar naar toe te gaan,
als gebied dat het dichtst bij Jeruzalem ligt,
een gebied ook waar de leiders van Jeruzalem minder over te zeggen hebben
dan bijvoorbeeld Galilea, het gebied waar Jezus rondtrok, vertelde en genas.
Toch ligt Samaria niet zo voor de hand.
Er stond dan niet letterlijk een hek om Samaria heen,
er was wel een onzichtbare muur, die de inwoners van Jeruzalem scheidde
van de mensen die in Samaria woonden.
Samaria was heel wat minder dan Jeruzalem, de stad die als heilig werd beschouwd,
omdat daar de tempel stond, het huis waar God op aarde woonde,
De stad van Gods heerlijkheid, waar Zijn naam op aarde was.
Samaria was ook geen Galilea,
waar de mensen in Jeruzalem al hun bedenkingen over hadden.
Galilea was al minder dan Jeruzalem, dat was al bijna heidens gebied.
Samaria was vanuit Jeruzalem gezien nog minder.
Daar dienden ze God op een verkeerde manier.
Je kon niet van hen zeggen dat ze volksgenoten waren. Ze waren anders.
Als je vanuit Jeruzalem kwam, kon je moeilijk aarden in dat gebied
en liep je het risico ontrouw te worden aan wat je in je opvoeding mee kreeg over God.
Als je daar komt, wordt je boodschap niet snel aangenomen.
De mensen zijn er óf vijandig, óf onverschillig.
Of ze moeten je niet en houden de deur van hun huis dicht voor je en hun hart gesloten
Of ze vinden het de moeite niet waard om naar je woorden te luisteren,
ze hebben hun eigen leven, ze willen niet lastig gevallen worden. Ze redden zich wel.
Er is heel wat nodig om de mensen die hier wonen te winnen.
Er is al heel wat nodig om hun aandacht te krijgen, om hen te interesseren.
Juist van dit gebied vertelt Lukas hoe de Geest hier ook aan het werk gaat
en geloof weet te wekken
De Geest doet dat via gelovigen, die daar voor langere tijd moeten zijn,
daar komen als immigrant, als vluchteling, gedwongen om een nieuw bestaan op te bouwen.
Ze brengen het evangelie met zich mee. Ze spreken over Christus.
Ze hebben Jeruzalem achter zich moeten laten vanwege deze Naam
En waar ze komen zijn ze net zo vol van deze Naam.
Ook hier wordt de kracht van Christus zichtbaar door de wonderen die gebeuren.
Ook hier in Samaria wordt het bevrijdende en helende van de naam van Christus merkbaar.

Wees stil, want de kracht van onze God daalt neer op dit moment.

De kracht van de God die vergeeft en ons genezing brengt;
niets is onmogelijk voor wie gelooft in Hem.
Wees stil, want de kracht van onze God, daalt neer op dit moment.

Ook in Samaria zijn er mensen met een verkeerde, een onreine geest in zich.
In de boodschap van Christus gaat het bij onreinheid om je hart,
om welke krachten je toelaat in je hart, wat de bron van je verlangens is
en het is onrein als de kracht die je hart leidt, als je verlangens niet van God komen.
Als er een andere macht is die je hart aanstuurt
en dat kan alleen dan macht zijn die je van God brengt
of je zelfs in de macht van de duivel brengt.
Als ze de boodschap over Jezus horen, vindt er een reiniging in hun hart plaats
en worden ze bevrijd van die verkeerde machten,
niet meer vatbaar voor die verlangens met een verkeerde oorsprong.
Misschien was er voordat er over Christus gesproken werd,
helemaal geen oog voor dat het menselijk hart ten prooi kan zijn aan verkeerde machten
en was er geen aandacht voor machten die je ziel schade kunnen berokkenen.
De naam van Christus heeft een helende en bevrijdende macht.
Dat is ook de reden waarom zending over de hele wereld gaat,
Niet alleen omdat je dan eeuwig behoud kunt vinden in Christus, toegang tot de heerlijkheid,
maar dat de verkeerde machten geen vrij spel meer hebben in je leven:
er wordt de strijd met hen aangegaan. Ze moeten je laten gaan.
De mensen in Samaria, eerst nog zo vijandig of onverschillig, zijn blij met het evangelie,
zijn dankbaar de gelovigen uit Jeruzalem gekomen zijn om hen te vertellen
over deze ene Naam, in wie redding te vinden is: Jezus Christus.
Een stad vol vreugde, vol blijdschap, dankbaar dat ze in aanraking kwamen met Christus.
Hebben wij die vreugde, die er in Samaria is?
Misschien is het een te bekend verhaal geworden,
Waardoor we af en toe, op momenten, wel die blijdschap hebben,
ervaren dat we opgetild worden boven onszelf uit, bevrijding mochten ontvangen,
vreugde om een gereinigd hart, intense dankbaarheid om Christus te mogen kennen.

Er is een onverwachte bekeerling. Ook hier weer verrassend hoe de Geest werkt.
Het is degene die het meest te verliezen heeft bij de komst van de christenen.
Hij was in aanzien, gevreesd misschien wel, vanwege zijn magische praktijken.
Magie heeft twee kanten:
Er is een bepaalde kracht in je, maar in plaats van je een instrument in Gods hand te weten
zoals Filippus en Stefanus dat zijn,
wil iemand die magie bedrijft die macht kunnen beheersen, kunnen manipuleren
En daarmee de God die beschikt over deze macht beheersen en willen manipuleren.
De magiër is niet een schepsel die zich ondergeschikt weet aan God,
maar een schepsel die denkt over God te kunnen heersen
en daarmee wordt de magische kracht, een gevaarlijke kracht,
Een kracht die losraakt van God en daarmee een occulte kracht, vatbaar voor de boze.
Dat is de ene gevaarlijke kant aan de magische praktijk.
De andere kant is dat het een macht waarmee je over mensen kunt heersen.
De macht gebruik je niet om anderen te dienen, maar over hen te heersen,
om hen in je macht te krijgen, hen angst aan te jagen, zodat ze niet tegen je op kunnen.
Magie is ten diepste manipulatie van God en van mensen.
Daarom was het onder Israël verboden
en dat Simon een goedlopende praktijk had in Samaria zegt ook iets
over de geestelijke toestand van Samaria.
De mensen daar kunnen geen onderscheid maken tussen de Geest van God
En de onreine geesten, die je juist van God afbrengen.
Als de christenen in Samaria komen en vertellen over Jezus raakt Simon zijn macht kwijt.
De mensen in Samaria komen nu niet meer naar hem toe,  maar naar Filippus
En Simon raakt ook onder de indruk van de kracht die in Filippus werkt,
Simon moet zijn meerdere erkennen, in Filippus, in de Heer die door Filippus werkt.
Ook Simon laat zich dopen. Ook hij wil van Jezus zijn.

Aan Simon kunnen we zien dat als ons hart gereinigd wordt, bevrijd wordt
geen garantie is dat ons hart vrij blijft.
De Heere Jezus had daar ook tegen gewaarschuwd:
Als een kwade geest uitgedreven wordt, bestaat de kans dat hij weer terugkeert.
Het volstaat niet met een gereinigd hart.
Ons hart moet ook beveiligd wordt, afgeschermd worden,
zodat de kwade geest niet meer terugkomt en nog dominanter wordt (Lukas 11:24-26).
Dat lijkt hier met Simon te gaan gebeuren:
Hij raakt onder de indruk van Petrus, die vanuit Jeruzalem gekomen is
afgevaardigd vanuit de moedergemeente, om te zien wat daar in Samaria gebeurt.
Simon staat vooraan, met zijn neus er bovenop, om te zien hoe deze collega het doet,
om de kunst af te kijken, om te weten hoe hijzelf ook die macht kan krijgen,
hoe hijzelf ook de beschikking kan krijgen over de Heilige Geest.
Simon heeft er veel voor over om de kracht van de Geest ook in zich te krijgen.
Er wordt niet vermeld of Simon er een verkeerde kant mee wil opgaan.
We weten niet of Simon een goede bedoeling had of juist een verkeerde.
Later in de kerkgeschiedenis werd de naam van Simon verbonden aan een praktijk
Waarin iemand met behulp van geld een bepaalde positie in de kerk wil kopen.
Simonie: dat betekent dat je er geld voor over hebt om leiding te krijgen in de kerk.
Het gaat ook verder: simonie is je positie binnen de kerk gebruiken
om er geld aan te verdienen, verdienen aan de Heilige Geest die je kreeg.
De fout daarvan is dat je dan als mens denkt boven de Geest te staan.
MAar zoals de Geest niet is tegen te houden, is de Geest niet te sturen.
Het is ook niet de menselijke handeling van Petrus en Johannes
waardoor de Geest wordt doorgegeven.
God bepaalt hoe de Geest werkt en wie de Geest krijgt.
Hier in Samaria wordt de Geest pas uitgestort nadat de apostelen gekomen zijn,
Terwijl de Samaritanen al wel de doop hebben ontvangen.
In andere gedeelten in Handelingen blijkt dat de Geest niet afhankelijk is
Van wat mensen doen, ook niet in het opleggen van de handen.
Daarom gaat in onze traditie aan het opleggen van de handen om de zegen te geven
eerst een gebed vooraf, waarin we bidden om de zegen.
Ook bij een trouwdienst (komende week heb ik weer een trouwdienst) is er
als het bruidspaar reeds geknield is, voor ze de zegen kriigen eerst een gebed
waarin we als gemeente en als familie de Heere vragen of Hij Zijn zegen wil geven.
God verhoort gebeden en daarom mogen we zeker zijn dat Hij de zegen wil geven.
We mogen zeker zijn van de gave van de Geest, omdat God die gave belooft,
beloofd heeft dat we de Geest kunnen, mogen ontvangen.
Simon moest dat leren, met een harde waarschuwing.
Simon moest leren dat de Geest niet te koop is
en dat Petrus ook de Geest niet als bezit heeft
en dat Petrus niet bepaalt aan wie hij de Geest kan doorgeven.
Petrus is alleen maar een instrument in de hand van de Geest.
Hier een instrument in Gods hand om Simon te waarschuwen
dat hij met vuur speelt door een geldbedrag aan te bieden voor de Geest.
Een serieuze waarschuwing: Simon, dat geld brengt je naar de ondergang.
God is niet te koop – ook Zijn Geest niet.
Denken dat je God kunt kopen is een belediging, een aantasting van Gods eer.
Met geld is zoveel moois te doen: je kunt er armen mee steunen,
je kunt het aan de kerk geven voor onderhoud van de gebouwen,
om de verkondiging van het evangelie mogelijk te maken,
maar het kan ook een verkeerde kracht zijn, die je gaat beheersen
en waardoor je je groter maakt dan je bent,
je wilt boven jezelf uitstijgen – niet omdat de Geest je tot bijzondere dingen in staat stelt,
maar hoger reiken, hoger willen komen, groter willen worden dan goed voor je is.
Je denkt heel wat te zijn en nog meer te kunnen worden,
maar het is maar lucht en leegte, inhoudsloos,
Een dam in een beekje gebouwd dat maar even standhoudt
en dat al verdwenen is als je de volgende dag gaat kijken.
Niets is hier blijvend, niets is hier blijvend, alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan.
Je zult vergaan, Simon, jij en je geld met jou.
Het is de vraag of het hier om een vloek gaat, die door PEtrus uitgesproken wordt,
Een oordeel dat door God wordt overgenomen,
of om een welgemeende waarschuwing, om aan te geven hoezeer Simon met vuur speelt.
Je vernietigt jezelf, je gaat er aan onderdoor, je houdt het niet.
DAt wordt in het Oude Testament gezegd over iemand die voor de afgoden kiest:
Je kiest voor iets dat alleen maar een lege huls is, dat verwaaid in de wind,
weggespoeld wordt door de kracht van het water, het blijft niet overeind.
Zo zul je ook niet overeind blijven, Simon, Want de bron is onzuiver.
Het zit van binnen bij je mis.
Je was gedoopt, omdat je geloofde, omdat de Geest je hart had leeggemaakt
om daar plaats te maken voor Christus, maar nu val je weer terug.
Je kunt zo voor God niet bestaan.

De reactie van Simon is net als die van de luisteraars op het tempelplein
op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem bij elkaar, toen de Geest werd uitgestort.
Simons reactie is er een van verslagenheid: nu raakt hij alles kwijt,
een afgrond die zich opent, door de verkeerde gedachte die hij had.
Dat wil hij niet. Bid voor mij. Simon klampt zich aan Petrus vast: Red mij.
Verwerp mij niet van voor uw aangezicht
Ontneem mij niet uw Heilge Geest o God (Psalm 51:5)
Zo leert Simon, wel op een confronterende manier, dat je om God moet vragen, mag vragen
en dat Hij dan Zich geeft aan wie bij Hem aanklopt met lege handen.
Ik heb niets, U hebt alles. Ik heb het nodig dat U Uzelf geeft.
Simon laat zich terugroepen, als een schaap dat de verkeerde kant op was gegaan,
Hij ziet in wat er mis gegaan is en dat hij vergeving nodig heeft,
dat hij het nodig heeft, dat er voor hem een beroep op God wordt gedaan.
Zo stroomt de Geest ook weer door, de Geest is niet tegen te houden,
zelfs niet door de dommigheid van Simon, bij wie zijn oude mens nog bovenkomt,
de magiër, die over Gods kracht denkt te kunnen beschikken.
Ook in het schuldbesef van Simon zien we dat de Geest doorgaat, niet te stoppen.
En wanneer wij soms uit zwakheid in zonde vallen, moeten wij niet aan Gods genade twijfelen en ook niet in de zonde blijven liggen. De doop is immers een zegel en ontwijfelbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond der genade hebben met God.

Dat we inzicht krijgen in onze zonde, is werk van de Geest
En dat we aankloppen bij Christus is ook de Geest.
Simon laat ons zien dat we niet alleen bij Christus moeten aankomen,
maar dat we ook bij Hem moeten blijven,
dat het niet genoeg is om bij Hem te arriveren, maar dat het net zo belangrijk is
dat Christus doorwerkt in ons hart, in onze gedachten, in onze daden,
dat ons hart, ons karakter gevormd wordt door Hem.
Niet meer van de verkeerde machten, maar verlost uit de macht van de satan
en door Christus bewaard.
Dat we van Hem zijn én van Hem blijven.
Laten we ons corrigeren als dat nodig is?
Zoals Simon de woorden van Petrus ter harte nam?
In die waarschuwing kunnen anderen instrument worden in Gods hand,
De stem van Christus, die we horen via iemand die mens is net als wij,
om ons te waarschuwen en terug te brengen bij Hem.
Ontneem mij niet uw Heilige Geest o God,
laat in uw heil mijn hart zich nu verblijve
n
en richt geheel mijn wil op uw gebod,
dan zal ik zondaars op uw wegen leiden.
Amen

Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst

Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst
Wieringerwaard – Viering Heilig Avondmaal
Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het avondmaal is bedoeld om onze band met God én de band met elkaar te versterken.
Door naar het avondmaal toe te leven, door aan de tafel aan te gaan,
door daar te zitten en brood en wijn te ontvangen wordt de band met Christus versterkt.
Daar is het avondmaal voor bedoeld: om zo weer intens met Christus bezig te zijn,
beseffen dat je Hem nodig hebt, om je zonden vergeven te krijgen,
om een nieuw leven te krijgen,
om gevoed en gesterkt met Christus, vergeven en vernieuwd, je plek weer in te nemen
in de kerk, in deze wereld.
Om daar ook de liefde, de barmhartigheid van God die je ontvangen hebt uit te stralen.
Over vergeving lezen we in Handelingen 2.
Op de Pinksterdag in Jeruzalem zegt Petrus tegen de aanwezigen op het tempelplein:
Jullie hebben Jezus gedood en wat jullie nu zien
is Geest van diezelfde Jezus die jullie gedood hebben, want Hij is opgestaan uit de dood.
Wat moeten we doen?, vragen die aanwezigen.
Petrus zegt: Bekeer je, want God heeft een geweldige belofte voor jullie:
Je kunt vergeving ontvangen én je kunt de Heilige Geest ontvangen.
Dat is onderdeel van diezelfde belofte: God geeft vergeving én geeft Zijn Geest aan ons.
We zien dat ook in het avondmaal.
We horen over vergeving die God door Christus wil geven.
In de afgelopen week bent u daar misschien wel heel erg mee bezig geweest.
U hebt nagedacht over uw eigen geloof, uw band met Christus
En je merkte dat er heel wat aan schortte,
Dat je geloof niet zo geweldig is als je van iemand mag verwachten
die de liefde en genade van God in Christus heeft ervaren.
Dat je leven niet zo geweldig is als je van een volgeling van Jezus zou verwachten.
Je kunt vatbaar zijn voor begeerten, die je op het verkeerde pad brengen, bij Jezus vandaan
Daar hebben we vergeving voor nodig: God die onze fouten vergeeft.
We hebben nodig dat ons hart van binnen gereinigd wordt.
In het avondmaal bevestigt Christus opnieuw: de vergeving is er.
Kom maar bij Mij aan tafel en ontvang brood en wijn,
Die wijzen naar Golgotha, waar Ik Mijn leven voor je gaf.
Als je het brood eet, dan proef je de vergeving, dan proef je de liefde.
Als je de wijn drinkt en in je voelt komen, dan weet je dat Christus je van binnen reinigt.
Je krijgt niet alleen vergeving.
Je krijgt nog meer, want er is iets nodig – Iemand nodig, om je hart te bewaren bij Christus,
om de leegte die er gekomen is, nadat je hart gereinigd, schoongemaakt is,
Te vullen, zodat de duivel niet de kans grijpt om in die leegte terug te komen.
God geeft ook Zijn Heilige Geest.
In het avondmaal gaat het ook om die belofte.
Als je hart gereinigd is door Christus, komt de Heilige Geest in je hart.
Hij zorgt ervoor dat je bij Christus blijft.
Deze belofte, zegt Petrus, is voor jullie, voor jullie kinderen en voor degenen die ver weg zijn
Een ruime belofte van Christus, de liefde stroomt naar je toe, maar stroomt ook verder.
Nodigend, op zoek naar een hart, waarin de liefde van Christus mag komen.
Aan het avondmaal wordt de band met Christus verdiept.
Ook de band met elkaar wordt verdiept aan de tafel van Christus.
We lezen dat ook in Handelingen 2: De gemeente die bij elkaar komt.
Er is trouw in de gemeente, de stap naar Christus is geen bevlieging
die enkele weken later weer over is.
Steeds weer komen ze bij elkaar om te luisteren wat de apostelen vertellen over Christus,
komen ze bij elkaar om elkaars verhalen aan te horen en hun ervaringen te delen.
Steeds weer merk ik hoe dat ook de onderlinge band verdiept,
Als je met elkaar optrekt, in een Bijbelkring, een gesprekskring,
of ‘s zondags voor of na de kerkdienst met elkaar spreekt over wat je bezighoudt.
Dat verbindt met elkaar, je wordt betrokken op elkaar en het verdiept je band met Christus,
Ze zoeken elkaar steeds weer op, de onderlinge gemeenschap groeit.
Ze geven niet op, als het even niet zo stimulerend is.
Ze blijven niet weg, maar ze geven niet op, ze gaan er steeds mee door.
Mensen die weinig met elkaar hadden,
misschien alleen maar het toeval dat ze in Jeruzalem waren juist op dat moment,
mensen die elkaar voorheen niet kenden, ze worden broeders en zusters.
Ook dat is een steeds voortdurend proces. Ze komen bij elkaar om het brood te breken.
Dat is avondmaal vieren, maar dat is ook een gemeenschap buiten het avondmaal om.
Het zijn de gewone maaltijden.
Je kunt niet over hen zeggen: op zondag, of bij het avondmaal is er een gemeenschap,
maar doordeweeks heb je niets met ze. Ze zoeken elkaar steeds weer op
om elkaar te stimuleren de weg van Christus te gaan.
De gemeenschap met Christus opent de ogen voor de mensen om je heen.
Als ze bij elkaar zijn, vergeten ze de band met God niet.
Ze bidden voor elkaar en met elkaar.
Als ze elkaar opzoeken staat de deur naar God open.
Christus leeft en door het gebed kunnen ze Hem zoeken, kunnen ze Hem vinden.
Ook dat vraagt om trouw en volhouden, niet zomaar opgeven.
Omgekeerd brengt de gemeenschap van Jezus’ leerlingen je weer bij Christus.
Met elkaar zoek je Zijn aangezicht in gebed.
De gemeente groeit in eenheid, samen gaan ze op weg.
Het is voor Lukas hét bewijs dat de Heilige Geest Zijn werk doet
dat het waar is wat Petrus zei: de belofte is ook voor hen.
Vanuit de gemeenschap gaat er ook iets naar buiten uit:
Buiten de kerk raken ze onder de indruk van de onderlinge liefde, de trouw in praktijk.
Dat brengt mensen bij de kerk, bij God. Is het een ideale gemeente daar in Jeruzalem?
Nee, daar gaat het niet op. Het gaat om de openheid voor de Geest
die Christus brengt en daarmee vergeving, een nieuwe start,
die je versterkt in de band met Christus, met elkaar
en zo gesterkt je plek in te nemen, in de kerk, in de wereld om je heen
om daar de liefde van Christus, die je vandaag mag ontvangen, door te geven. Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2018

Preek Tweede Pinksterdag 2018
Ezechiël 37:1-14, Mattheüs 10:5-8

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan de dood kunnen wij niets doen.
Een dood dier kunnen wij niet levend maken. We kunnen alleen begraven.
Wanneer een mens gestorven is, kunnen wij aan hem of haar het leven niet teruggeven.
We moeten afscheid nemen.
Er zijn heel wat gemeenteleden die afscheid hebben moeten nemen
en die weten wat het is als iemand van wie je gehouden hebt nooit meer terugkomt.

Als de Heere Jezus Zijn leerlingen uitzendt, geeft Hij hen enkele opdrachten mee:
Verkondigen, zieken genezen, demonen uitdrijven, doden opwekken.
Moet u zich eens voorstellen, dat de ambtsdragers deze opdracht meekrijgen:
Ga Oldebroek in om de doden op te wekken!
Ik denk dat iedereen die deze opdracht krijgt, zich ongemakkelijk zou voelen.
Want wie zou er nu op ons woord opstaan uit de dood?
Het is eerder andersom: dat als we naast een dode staan, we de onmacht voelen,
moeilijk meer kunnen spreken, eerder fluisterend.
Soms kun je naast de kist staan om afscheid te nemen en denken:
Het lijkt wel of iemand slaapt; hij zou zo de ogen kunnen opslaan,
maar je weet dat het alleen maar een gedachte is en dat het niet zal gebeuren.
Aan de dood kunnen wij niets doen.

Als we het opwekken van de doden niet letterlijk op zouden vatten, maar figuurlijk
dan wordt het er niet veel beter op.
Mensen die geestelijk dood zijn opwekken uit hun dood,
mensen die geen levend geloof hebben, die geen band met Christus hebben.
We geloven dat mensen onder de preek opgewekt kunnen worden uit de geestelijke dood,
maar is dat vaak niet meer dan een theorie
en hebben we, als we naar de kerk gaan, niet veel vaker helemaal geen verwachting
dat wijzelf of dat anderen die in de kerk aanwezig zijn en de verkondiging horen
opgewekt zullen worden uit de dood.
In een van onze geloofsbelijdenissen belijden we over de Heilige Geest
dat Hij de Geest is die levend maakt, maar geloven we dat ook nog?
Dat Hij onszelf, de gemeente, de kerk kan opwekken uit de dood
En een nieuw leven kan geven?

We zullen wel niet zo snel de klacht aanheffen van het volk Israël,
de klacht die Ezechiël verwoordt:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
Ook omdat er mooie momenten zijn, die ons bemoedigen,
Zoals een mooie belijdenisdienst gisteren.
Dan kunnen we er weer even tegen.
Daardoor kunnen we niet zeggen dat wij als kerk leven in een tijd van ballingschap.
Er zijn nog teveel momenten die ons bemoedigen,
waardoor we kunnen zeggen dat de Geest ook werkt.
Toch kunnen we ook momenten hebben, waarop we twijfelen of de Geest nog wel werkt
en leven in een tijd waarin het allemaal zo doods is
en omdat wij niet in staat zijn om mensen die geestelijk dood zijn
of een gemeente die geestelijk niet meer levend is op te wekken uit die dood
kan er een pessimisme komen, de verwachting gaat weg dat er nog iets kan gebeuren.

In extreme mate was dat voor het volk Israël
en  ze hadden reden om daarover te klagen:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
We zijn er nog wel, maar levend zijn we niet meer.
We wonen hier in Babel, ver weg van het land waar we horen
en daar in ons thuisland is geen tempel meer, verwoest tijdens de oorlog.
We zijn overwonnen en onze God heeft ons verlaten.
We zijn er nog wel, maar stellen niets meer voor en hebben geen toekomst meer
en ook geen God.
Niet meer dan een hoopje botten. Niet alleen maar dood,
maar nog meer, al tijden dood, zodat elke hoop op een nieuw leven weg is.

Dat is de situatie als Ezechiël door Gods hand wordt opgepakt
en door de Geest wordt meegenomen naar een dal.
Het dal is een massagraf.
Onbegraven liggen de doden daar.
Een snelle ramp is er geweest, te snel om de overledenen nog te kunnen begraven.
Of een grote slag tijdens de oorlog waarbij de overwinnaar het niet de moeite vond
om de gesneuvelden van de overwonnen tegenpartij eervol te begraven
om zo de schande van de nederlaag nog eens extra te laten zien.
‘Waar de profeet gaat of staat, overal liggen de dorre mensenbeenderen verspreid,
naamloos, levenloos, als stille getuigen van het grote zinloze sterven
en de sprakeloze aanklacht tegen de elkaar bestrijdende wereldmachten.’ (dr. M. Dijkstra)
Ezechiël krijgt de opdracht om het dal rond te lopen
om het troosteloze op zich te laten inwerken.
Deze restanten van wat eens mensen waren liggen er al heel lang,
er is weinig meer over dan wat botten die her en der verspreid zijn.

Als Ezechiël rond heeft gelopen en genoeg indrukken op heeft gedaan
krijgt hij van de Heere, die hem hier neergezet heeft een vraag:
‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’
Mensenkind – een benaming waarmee God Ezechiël voortdurend aanspreekt.
Mensenkind – jij bent gelijk aan wat die mensen eerst waren en het kan jou ook overkomen.
Mensenkind, van wie het leven maar kort is,
voor wie de dood er ook eens aan komt en die niet in staat is om de dood tegen te houden
of degenen die in het dodenrijk zijn afgedaald in het leven terug te brengen.
Mensenkind, wat zeg jij er van, nu je zo hebt rondgelopen en dit hebt gezien:
Is er voor deze botten nog mogelijkheid dat het weer mensen worden die rondlopen,
die ademen en bewegen, die leven en een toekomst hebben?
Wat een vraag voor Ezechiël. Wat moet hij er op antwoorden?
‘HEERE, mijn God, dat weet U alleen.’
Dat antwoord kan op verschillende manieren opgevat worden.
Als een onmogelijkheid, maar omdat God dat van Ezechiël
vraagt kan hij er geen nee op zeggen en legt hij het in Gods handen.
Het kan zijn dat er een geloof is bij Ezechiël, omdat de Heere de God van het leven is.
Leven en dood – daar gaan wij mensen niet over, dat is in Gods hand.

Er is een Middeleeuws lied, dat later bewerkt werd door Maarten Luther
en in vertaling in het Liedboek voor de Kerken terechtgekomen is:
Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen.
We kunnen wel doen alsof de dood ver van ons afstaat
en om daarmee geconfronteerd te worden, hoeven we niet net als Ezechiël
door Gods hand en met Gods Geest meegenomen te worden.
De dood is om de hoek, we zijn er door omgeven.
Wie is er die ons hulp biedt dat wij troost erlangen?

Dan komt de ongelooflijke opdracht op Ezechiël af,
een opdracht die een vraag is aan zijn geloof:
Geloof je werkelijk dat God weet of deze beenderen weer mensen kunnen worden?
Geloof je dat God in staat is om hier weer leven in te brengen, de kracht heeft?
Het is overigens niet alleen een vraag naar Gods macht,
maar ook een vraag of God dat wil.
Want doden die niet begraven zijn, een leger dat zo massaal verslagen is,
met zulke grote aantallen gesneuvelden, dat was een grote oneer, een schande,
een teken dat het leger van dit volk door de eigen God in de steek gelaten was.
Dat het volk dat verdiende dat het zo verslagen was.
Geloof je, Ezechiël, dat God weer naar Zijn volk terugkeert
en dat door Zijn terugkeer er weer leven is voor Zijn volk?
Als je dat gelooft – profeteert en de botten die je ziet liggen
zullen weer levend worden, op hun voeten staan en in staat zijn om Mij te loven.
Jouw woord zal Mijn kracht hebben, opstandingskracht,
Ze zullen levend worden en dan niet alleen maar schimmen of geesten,
maar echt mensen van vlees en bloed, hersteld zoals zij waren.
De botten die nu verspreid zijn, zullen bij elkaar komen, pezen en spieren krijgen,
organen en een huid erom heen
en bovendien de adem, zodat ze weer echt leven. Geest in hen.

Het woord ‘geest’ kan hier betekenen: Gods Geest, menselijke geest, adem, wind.
Al die betekenissen komen in dit gedeelte naar voren.
De overledenen die hier al zo lang liggen, ze zullen weer kunnen nadenken,
beslissingen kunnen nemen, ze zijn weer iemand, niet meer die anonieme doden,
waarvan niemand meer kan reconstrueren wie het is geweest.
Onbekend bij ons, maar bekend bij God.
Ezechiël doet het. Ik profeteerde zoals mij was opgedragen.
Ezechiël spreekt die doden aan, die zelfs geen oren meer hebben
en toch horen ze zijn woorden omdat het de woorden van God zijn,
die tot leven kan roepen wat eerst geen leven heeft,
die in het leven kan brengen wat in de dood was afgedaald.
De botten worden mensen van vlees en bloed, ze worden weer wat ze waren.
Rechtop staan ze, niet een, maar een heel leger, een grote menigte,
net als op de Eerste Pinksterdag in Jeruzalem.
Ze worden weer mensen, omdat ze net als de eerste mens in het paradijs
de adem van God ingeblazen krijgen, de Geest ontvangen die hen mensen maakt,
De Geest die levend maakt.
Een menigte die niet te tellen is.

Dit is Pasen en Pinksteren inéén: een wederopstanding uit de dood,
maar tegelijkertijd een wonder dat ons aangaat,
omdat het laat zien dat wij, als wij geestelijk dood zijn,
Als wij geen toekomst meer zien, het leven weer kunnen ontvangen.
En waar de weg onvindbaar scheen, mochten wij door geloof alleen
de tocht opnieuw beginnen.
Het is Kerst en Pinksteren inéén omdat de boodschap van Ezechiël is:
God heeft naar Zijn volk omgezien, zoals Zacharias zong bij de geboorte van zijn zoon.
Zijn volk – dat zijn wij, omdat God ook met ons een verbond gesloten heeft.
Dat is de kerk, die lang niet altijd het leven leeft van opgewekt uit de dood,
Zijn volk, dat is ook Israël dat nooit uit Gods aandacht en bewogenheid is.
Zij horen, daar in ballingschap, afgesneden van Jeruzalem, zonder tempel, zonder God,
dat God er voor hen is, dat ze opstaan, een nieuw leven ontvangen,
weer mogen leven – God is genadig.
Dan zult u weten dat ik de HEERE ben – HEERE is mijn naam:
de God van het verbond, dat God die er is als je Hem nodig hebt,
ook als je Hem niet verwacht, of geen recht meer hebt op Zijn genade.
Pinksteren: de kerk én Israël – God keert terug.
Ik ben de Heere, groot aan geduld en genade.
Niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.
Daarom kan in het lied dat Luther dichtte  ook een beroep op God gedaan worden.
Het is waar – in het leven zijn we door de dood omvangen en dat ligt aan onszelf,
maar er is een God van het leven, die Zijn Zoon gaf in die dood,
En die Zijn Geest uitzendt om ons weer tot leven te wekken
en het leven van Christus te geven.
Daarom kan in datzelfde Liedboek voor de kerken een avondmaalslied staan
van Muus Jacobse dat de zin van Luther omdraait: Midden in de dood zijn wij in het leven
want Eén breekt het brood om met ons te leven midden in de dood.
De Geest geeft ons dat leven. Ezechiël moet het zeggen tegen Israël:
Ik ben de HEERE en Ik zal doen wat Ik beloofd heb. Je krijgt dit leven weer.
En wij mogen het door de genade van Christus ook horen: Je krijgt het leven weer.
Ik ben de Heere en ik zal doen wat ik heb beloofd.
Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten!
Amen

Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag

Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag
Handelingen 2:1-21
Openbare belijdenis van het geloof
Tekst: wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken (vers 11b)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vijf gemeenteleden die hier voor in de kerk zitten
waarvan er vandaag 4 in het openbaar hun ja-woord aan Christus zullen geven.
Een van de 5 heeft dat vorig jaar al gedaan,
toen ze de doop mocht ontvangen in dezelfde dienst waarin haar zoon ook gedoopt werd.
In de afgelopen tijd zijn ze naar dit moment toegegroeid.
Dat gebeurde niet allemaal op dezelfde manier.
Bij de één was er al jong een relatie met de Heere Jezus,
bij de ander kwam dat pas veel later.
Bij de een hoorde geloof en ook kerkgang er al vanaf de kindertijd bij,
de ander werd niet gedoopt en hoorde op school de verhalen uit de Bijbel
en ging in de verkeringstijd mee naar de kerk.
Voor de een was er een ingrijpende ervaring,
zoals het overlijden van een vader of schoonvader of een broer of zwager,
een gebeurtenis die diepe indruk maakt,
zodat je dat nooit meer vergeet en je leven voor altijd gevormd heeft.
Bijzonder dat God er beide keren was, in de tijd van ziekte, rond het overlijden
en in de tijd na het overlijden, de tijd van het gemis.
Je zult je vader, je broer op deze zo bijzondere dag missen.
Als hij het meegemaakt had, had je vader, je broer het vast heel bijzonder gevonden.
Tijdens de belijdeniscatechisatie ging het er nogal eens over,
hoe het gemis jullie leven heeft gevormd, welk voorbeeld er was
en dan merkten we dat niet iedereen zo’n ervaring heeft.
Voor de één een heel bewuste keus om belijdenis te gaan doen,
voor de ander was er vooral aarzeling:
Leef ik wel op de goede manier? Past belijdenis doen wel bij mijn manier van leven.
De ander wilde juist belijdenis doen,
omdat er in de andere kerk geen belijdenis is
en omdat er in de opvoeding meegegeven was dat voor deelname aan het avondmaal
toch eerst de belijdenis nodig was, kwam de vraag om mee te doen.
Daarmee wordt in één geval de belijdenis ook een afscheid van de gemeente
waarin je bent opgegroeid, omdat je met je vriend een andere gemeente gevonden hebt
Die meer bij jullie samen past.
Op deze manier neem je op een mooie manier afscheid
Door het waardevolle uit de kerk van je kindertijd en jeugd mee te nemen.

Mooi was het om te zien hoe jullie in de afgelopen maanden zijn gegroeid in geloof.
De een onbevangen, steeds nieuwsgierig naar hoe de anderen het zagen.
De ander meer voorzichtig, net een tijd achter de rug die niet zo makkelijk was.
Groei was er omdat je er in de afgelopen maanden zo mee bezig was,
met elkaar in gesprek was, van elkaar hoorde hoe het ging.
Het ging misschien niet zoals op de eerste Pinksterdag,
waarbij er een grote groep mensen in één keer meegenomen werd door de Geest,
ging geloven en tot het besef kwam dat ze zonder Christus niet verder konden,
maar het is wel diezelfde Geest die toen het huis vervulde
waar ze allen eensgezind bij elkaar waren,
dezelfde Geest die in de afgelopen maanden in jullie werkte
door jullie te laten groeien naar het moment dat je in het openbaar ja kunt zeggen,
dezelfde Geest die nu hier in de kerk aanwezig is
en werkt om ruimte te maken voor Christus bij ieder van ons.

Als de Joden die in Jeruzalem aanwezig zijn hen horen spreken,
De leerlingen van Jezus over wie de Heilige Geest komt, zeggen ze:
We horen in onze eigen taal spreken over de grote werken van God.
Daar zijn we in het afgelopen seizoen ook steeds mee bezig geweest:
Wat betekent het nu voor jezelf dat God deze wereld heeft geschapen en ons ook.
Wat betekent het voor ons persoonlijk dat Christus stierf aan het kruis.
Hoe kan de Heilige Geest in mij werken?
Wat betekent het om bij een kerk te horen en voor ouderling of diaken gevraagd te worden?
Ik weet niet of we in de afgelopen maanden nou gezegd hebben:
Dat zijn de grote werken van God. Ik denk het niet.
De grote werken van God komen namelijk lang niet altijd op zo’n spectaculaire manier
zoals dat op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem gebeurde
met geluid van een storm, vlammen van vuur die op de hoofden verschijnt.
Maar je hoort er over in verhalen die thuis uit de kinderbijbel worden voorgelezen,
Die op school of op zondagsschool worden verteld.
Je ziet aan je ouders wat die grote daden van God zijn
als zij op latere leeftijd belijdenis gaan doen
of als je merkt dat ze hun rust in de Heere vinden als het bericht komt
van een ernstige ziekte en het besef er is dat er over niet al te lange tijd
afscheid genomen moet gaan worden.
Je hoort over die grote daden van God als je er met opa en oma over kan praten
als je merkt dat kerkgang en geloof al generaties meegaat,
omdat de ouders van je opa aan de kerk een Bijbel hebben geschonken.
Zo hoor je in je eigen taal, in het Nederlands, misschien zelfs het Oldebroeks
vertellen over God en merk je dat het ook voor jou kan zijn
dat ook jij mag geloven en merk je dat er iets in je gaat groeien:
een verlangen om Hem beter te leren kennen,
een verlangen om gedoopt te zijn en er zo bij God te horen
een verlangen om deel te nemen aan het avondmaal.
Een verlangen dat gegroeid is binnen een gemeenschap,
van het gezin waarin je opgroeide, van de kerk waartoe je behoort,
net als de leerlingen van Jezus bij elkaar waren, 120 vertelt het vorige hoofdstuk,
en 10 dagen lang samen met elkaar wachtten op de komst van de Heilige Geest.
En of je nu hier in de kerk blijft en hier je plek gevonden hebt of naar een andere kerk gaat,
zo’n gemeenschap, waarin op de Heilige Geest gewacht wordt, hebben we allemaal nodig.

Daarom vind ik zelf de openbare belijdenis altijd heel waardevol
en voel me als predikant elk jaar weer bevoorrecht om gemeenteleden te begeleiden
naar het moment waarop ze ja zeggen tegen God.
Je kunt er vragen bij stellen of het noodzakelijk is, of zelfs bijbels
dat er belijdenis gedaan wordt in het openbaar, binnen de gemeente.
Is het persoonlijke antwoord dat je geeft naar God toe, in het verborgen, niet genoeg?
Ik zou dan de vergelijking willen maken met gisteren, de Royal Wedding:
de prins en zijn bruid hebben vast tegen elkaar al hun ja uitgesproken,
dat binnen de familie besproken hebben dat ze samen verder kunnen gaan,
maar hoe bijzonder het is om in het openbaar ja tegen elkaar te zeggen
was gisteren zichtbaar en is elke trouwdag zichtbaar.
Bijzonder is het ook om het openbaar ja tegen God te zeggen,
waarbij je er zelf naar toegroeit en dat verdiept je band met God,
dat heeft betekenis voor jezelf en ook voor iedereen die hierbij aanwezig is, een getuigenis.
En ook belangrijk: zonder belijdenis doen is onze doop niet af.
Een volgende keer preek ik over het einde van het hoofdstuk
waarin verteld wordt hoe veel mensen zich laten dopen na de toespraak van Petrus.
Op één na zijn jullie allemaal als kind gedoopt.
Je bent gedoopt, omdat je ouders geloven en doordat je verbonden bent met je ouders
ben je ook verbonden met de God van je ouders.
In het leven gaat het om zelfstandig worden, je eigen weg gaan:
Vier van jullie zijn er getrouwd, de vijfde gaat binnenkort trouwen,
je wordt zelfstandig, je gaat je eigen weg, los van je ouders
(al woon je er misschien dicht bij).
Zo gaat het ook in geloof: je groeit op bij je ouders.
Het mooie van de kinderdoop vind ik altijd dat je als ouders
je kind heel dicht bij de Heere Jezus mag brengen.
Misschien is dat ook wel hier in de kerk gebeurd, bij het doopvont hier.
Je kind hoeft alleen maar de laatste stap te doen: Gods belofte aannemen,
Zelf ja zeggen tegen God.
En daar heb je als ouders ook bij de doop ja op gezegd,
dat de opvoeding van je kind ertoe leidt dat hij of zij zelf ja tegen God zegt
En zijn of haar weg met Christus zal gaan.
Openbare belijdenis van het geloof geeft aan: dat ja mag heel persoonlijk zijn,
moet zelfs heel persoonlijk zijn,
maar het gaat de hele gemeenschap aan: je bent in de kerk gedoopt,
je bent toegezongen, er is voor je gebeden, er is met je meegeleefd,
leiding van de clubs en de (zondags)school, ouderlingen op huisbezoek
dan is het toch ook mooi als binnen die gemeenschap gezien wordt
dat het zaad dat gestrooid is, ontkiemt, vrucht draagt,
dat je ja gehoord wordt en als bemoediging ervaren wordt.
Wanneer dat gebeurt, wanneer je ja gehoord wordt,
komt er een kleine herhaling van het Pinksterfeest in Jeruzalem.
We horen dan geen grote stormwind, maar merken wel hoe de Geest werkt,
we zien geen vlammen van vuur boven jullie hoofd,
maar zien wel hoe de Geest over jullie gekomen is.
En het wordt weer waar wat de oude profeet Joël al eens aankondigde:
Ik zal Mijn Geest over iedereen uitstorten, ook over jullie.
Uw zonen en dochters zullen profeteren,
al is het voor jullie op een bescheiden manier,
omdat je het niet altijd even makkelijk vindt om over God te spreken.
Dromen en visioenen zijn er misschien niet geweest
maar dat de Geest over iedereen kan komen, kunnen we aan jullie zien
en dat geeft ook moed dat de Geest over ons allemaal kan komen,
zodat wij ook ja zeggen tegen God, zoals jullie dat vandaag doen.
Of misschien is dat al eens gebeurd en is vandaag een herbevestiging van dat ja.
Als je nog geen ja gezegd hebt, is dit een uitnodiging om er ook over na te denken,
en als je meer wilt weten in september mee te doen met de belijdeniscatechisatie
om erachter te komen wat de Geest in jouw leven doet,
wat Gods grote werken voor jou betekenen en hoe jij ja kunt zeggen tegen God.
Joël sprak over allerlei indrukwekkende verschijnselen: bloed, vuur en rookwalm,
de zon die verduisterd wordt.
Ook als die verschijnselen nog niet geweest zijn, blijft wat daarop volgt van betekenis:
namelijk dat er een dag aanbreekt dat Christus terugkomt
En wie hier op aarde ja gezegd heeft tegen Hem zal van Hem een ja horen:
Kom in mijn heerlijkheid binnen, wees waar Ik ben, in de hemel, in het Koninkrijk van God.
Als je naar Mij toe komt, Mij aanroept, zul je zalig worden, is er redding mogelijk, toekomst!

Ja zeggen betekent niet, dat je nooit meer twijfel hebt.
Daarom zongen we ook: Geest van hierboven, leer ons geloven,
hopen, liefhebben door Uw kracht.
Maar we zongen ook: Gij houdt ons bij de hand gevat.
U bent het die ons vasthoudt en dat blijft voor altijd ons gebed:
Houd mij vast, laat uw liefde stromen, houd mij vast, heel dicht bij uw hart.
Want we hebben het ontdekt, dat als we aan Uw voeten zijn zoveel leren:
veranderd worden, trots en twijfel wijken voor de kracht van Uw liefde.
Heer, Ik kom tot U, neem mijn hart, verander Mij, als ik U ontmoet, vind ik rust bij U.
gedragen door Uw Geest en de kracht van Uw liefde.
Amen