Gespreksvragen over opnieuw geboren worden

Gespreksvragen over opnieuw geboren worden
N.a.v. Annie Berents – Karkdijk, Ja kom binnen Heer (p. 4-20)

Wedergeboorte: vraag 1-3
Ja, kom binnen Heer: vraag 4-7
De kamer: 8-10

  1. Opnieuw geboren worden heeft te maken met opnieuw beginnen. Wat zou u anders doen als u opnieuw mocht beginnen? Wat heeft God met dat opnieuw beginnen te maken?
  2. Van Nicodemus kun je zeggen: Hij verlangt naar Gods aanwezigheid in zijn leven. Herkent u dat verlangen? Wat doet u om die aanwezigheid te vinden (te ervaren)?
  3. p. 10: Mijn leven heeft eeuwigheidswaarde gekregen. Wat betekent dat voor het leven na dit leven? En voor het leven hier op aarde?
  4. Hoe herken je dat de Heere aan de deur van uw hart staat te kloppen?
  5. Welke reactie had u (of zou u hebben) als Christus bij uw hart aanklopt: verlegenheid, onwennigheid, of ….?
  6. Hoe kun je Hem binnenlaten?
  7. Gaat dat bij mannen anders dan bij vrouwen?
  8. Naar welke kamer of ruimte in uw hart zou Hij het eerst naar toe gaan? Wat treft Hij daar aan? Wat moet daarmee gebeuren?
  9. Wat is er nodig om met Christus in je hart op je gemak te raken?
  10. Bij alles wat je nu doet is Christus erbij. Dat betekent:(a) dat Christus op de troon van uw hart zit en niet meer uw eigen ik, (b) dat Hij de leiding heeft in uw leven. Wat herkent u ervan? Vind u het een fijn idee of juist niet?1001004002014734

De plek van ellendekennis op de geloofsweg

De plek van ellendekennis op de geloofsweg.
(In gesprek met de theologie van de Gereformeerde Gemeenten)

In zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus stelt Klaas Schilder bij zondag 2 dat de kennis van ellende niet mogelijk is zonder geloof. Hij zegt het daar in zijn commentaar als kritiek op Remonstranten en op bepaalde vooraanstaande personen uit de GKN van zijn tijd (prof. dr. V. Hepp, dr. P. Prins), die uitgaan van algemene Godskennis buiten het geloof om. Bij mensen die niet geloven zou er ook een bepaald besef zijn van onze vervreemding van God. Volgens Schilder is dat echter niet mogelijk. Die vervreemding, die er wel degelijk is, wordt pas erkend als iemand is gaan geloven.

Bij het lezen van die passage moest ik denken aan de Gereformeerde Gemeenten. Naar mijn idee gaat men daar uit van een fase van de kennis van onze ellende, die voorafgaat aan het geloof. Dan zou de theologie van de Gereformeerde Gemeenten in een bepaald opzicht dicht tegen de Remonstrantse theologie aanzitten. Dat wordt soms wel gezegd: dat de uitersten elkaar raken. Maar klopt mijn indruk van de theologie van de Gereformeerde Gemeenten wel? Ik besloot het op Twitter na te vragen.

Daaruit kreeg ik eigenlijk twee soorten antwoorden. Voor de een klopte het inderdaad dat de kennis van onze ellende voorafgaat aan het geloof. Wanneer je genoeg onder de indruk bent van de ellende is op er op een keer een moment dat de balans van ongeloof naar geloof omslaat. Anderen gaven echter aan, dat de kennis van de ellende wel degelijk onderdeel uitmaakt van het geloof. Afscheid nemen van de zonde, inzien hoe erg de zonde is, zou dan een eerste stap zijn in de weg van geloof. Mij werd ook verteld dat dit verschil in het plaatsen van de kennis van de ellende in de weg van geloof het onderscheid uitmaakt tussen de Gereformeerde Gemeenten en andere reformatorische kerken.

Een ander inzicht dat ik opdeed, was dat er onderscheid gemaakt wordt in kennis van God en in kennis van Christus. Wanneer iemand nog niet tot geloof gekomen is, is er wel kennis over God. Dat is dan alleen kennis over God-in-het-algemeen, de onbekende God. Dat is nog niet de Verbondsgod, nog geen kennis over Christus. Dat bracht mij in verwarring: wordt er onderscheid gemaakt tussen God en Christus? Na wat overwegingen begreep ik, dat het hier niet om een verschil in wezen gaat, maar om een verschil in kennen. In de fase waarin iemand nog niet gelooft, kan hij wel allerlei indrukken van God hebben, maar omdat hij nog niet gelooft, is het geen echte kennis over God. Echte kennis kan alleen komen uit geloof, uit een levende relatie met Christus.

Nu gaat het bij verschil in opvattingen tussen kerken vaak om wezenlijke vragen, die voor alle gelovigen van belang zijn. Dat het om zulke wezenlijke vragen gaat, wordt niet altijd duidelijk omdat het verschil vaak in polemiek wordt uitgevochten zonder uit te leggen om welke wezenlijke vraag het gaat. In de polemiek ligt men overhoop vanwege het antwoord dat gegeven wordt en de consequenties voor het preken en gemeentezijn die vaak heel zichtbaar kunnen zijn. Om een discussie te begrijpen is het van belang om helder te hebben welke vraag hier ten grondslag ligt. Het duurde voor mij ook wel even voor ik helder had om welke wezenlijke vraag het gaat.

Naar mijn idee gaat het hier om enkele wezenlijke vragen, die niet alleen binnen de reformatorische kerken spelen. Ik kwam op de volgende vragen: (1) Wanneer is het moment dat je als gelovige ‘omgaat’ van ongelovige naar gelovige? (2) Wat is voor een gelovige nodig om ‘om te gaan’? (3) Wanneer komt in het proces van overgaan van ongeloof naar geloof de mens in beeld? (4) Welke kennis over God heeft iemand in de fase waarin hij nog niet gelooft en wat verschilt die kennis met de kennis van wanneer iemand wel is gaan geloven?

Het is duidelijk dat de kennis over God (4) verschilt wanneer iemand nog niet gelooft van iemand die wel gelooft. Wie niet gelooft, kan God niet vertrouwen. De zonde zorgt voor wantrouwen. Wanneer iemand met wantrouwen naar een ander kijkt, is de kennis over de ander altijd gekleurd. Schilder zegt steeds: als iemand in zonde ligt, houdt hij de kennis over de eigen ellende en over wie God werkelijk is eronder. Diegene duwt de kennis over God weg om niet te hoeven geloven.

De overgang van ongeloof naar geloof is een wezenlijke (1). Het is niet minder dan de overgang van dood naar leven, van verloren zijn naar behouden worden. Voor veel mensen in de reformatorische kerken is die overgang ongrijpbaar, omdat er allerlei barrières opgeworpen zijn. Die barrières zijn er om je niet te vergissen en je niet rijk te rekenen. Om niet te denken dat je behouden zult worden, terwijl je nog in verloren staat bent. Een van die barrières is, dat in dit proces de mens er nergens aan te pas komt. Wanneer de mens er wel aan te pas zou komen, zou dat geen stand houden. Alleen als de hele weg Gods werk is, kan iemand gered worden.

Daarmee blijft de overgang iets schimmigs hebben. Bekering is eigenlijk een onmogelijkheid aan menselijke kant. Bekering gebeurt echter wel, omdat God iemand bekeert. Die onmogelijkheid wordt naar mijn idee ook breder dan de Gereformeerde Gemeenten gedeeld. Ook in de kerk waar ik opgroeide was bekering aan mensenkant onmogelijk. Dat bekering mogelijk was, kwam omdat God werkte. Hij zorgde ervoor dat een mens overstag gaat. Alleen moet een mens dat wel eigen maken, toe-eigenen (3). In de praktijk is het voor kerkgangers van belang om te weten, wanneer ze mogen zeggen dat ze geloven, dat ze van Christus zijn. Of nog een stapje eerder: dat ze de genade mogen aannemen? Daar verschillen kerken juist weer in.

In de kerk waarin ik opgroeide, kwam door de toe-eigening de mens in beeld. Dat had in de praktijk ook een voordeel, omdat je als kerkganger wist wanneer jijzelf aan de beurt was om iets te doen. Omdat dat bij andere kerken minder het geval is, krijgt bekering iets mysterieus. In de praktijk gaat het dan om een zo’n ingrijpende ervaring, dat je als mens weet dat je niet meer terug kunt. Dat gemeenteleden zo’n overgang van ongeloof naar geloof (of misschien meer van geloven naar durven accepteren dat je gelovig mag zijn) niet goed helder hebben, merk ik in de gemeente ook. Vaak gaan mensen een stap in geloof maken na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een ervaring van overlijden of ziekte. Dat is echter gevaarlijk, omdat de overgang niet gekoppeld wordt aan de beloften van God of aan de Bijbel, maar aan de eigen ervaring.

Nu gaf ik aan dat het om wezenlijke vragen te maken heeft die voor iedere gelovige van belang zijn. De theologie van de Gereformeerde Gemeenten heeft iets kritisch naar allerlei ervaringen, die mensen dan weer duiden als ervaring van God: een zonneschijn, een regenboog, een vlinder die fladdert, een rustig gevoel dat over je komt, het gevoel gedragen te worden. Vanuit de theologie van de Gereformeerde Gemeenten bedenk ik nu: heb je dan echt met God te maken in die ervaringen? En is die kennis genoeg om zalig te worden of is er meer nodig?

Naar de Gereformeerde Gemeenten toe zou mijn vraag zijn: is de ene ervaring, die wellicht terecht bekritiseerd wordt omdat de link met de kennis die zaligmaakt niet helder is, niet ingeruild voor een andersoortige ervaring? Is het niet juist de beleving hier die op een dwaalspoor brengt en in plaats van iemand bij God te brengen om de zaligheid te ontvangen achter laat in een mistig gebied, waarin iemand de weg naar God niet kan vinden en daarmee de zaligheid dreigt mis te lopen?

Preek zondag 14 juli 2019

Preek zondag 14 juli 2019
Bediening Heilige Doop
1 Johannes 4:7-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je nieuwsgierig bent, hoe een stel bij elkaar gekomen is, kun je vragen:
‘Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen?
Die vraag kan ook aan jullie, doopouders, gesteld worden:
vertel eens hoe het met jullie begon.
Als je elkaar wat beter kent en als je je nieuwsgierigheid niet kunt bedwingen,
kun je ook vragen: wie was nou de eerste? Wie zag wie nou staan?
Bij de een kun je een verhaal horen dat het liefde op het eerste gezicht was.
Bij een ander kun je een verhaal horen dat er een hele tijd overheen ging,
dat iemand echt zijn of haar best moest doen om de ander voor zich in te winnen.

Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen? En wie is er begonnen?
Dat is een vraag, die je ook kunt stellen aan iemand die gelooft?
Wanneer is je relatie met God nu begonnen? Wanneer ben je gaan geloven?
Kun je iets vertellen over hoe je van God bent gaan houden?

Misschien heb je dat wel heel duidelijk wanneer dat begon.
Niet iedereen kan dat heel duidelijk aanwijzen, maar het kan wel.
En wie is dan de eerste: ben jij begonnen en moest je op God wachten?

Of is de Heere begonnen met jou en moest Hij op jouw antwoord wachten?
Moest Hij wel heel lang met je bezig zijn, je misschien wel wel veroveren?

God is begonnen, zegt Johannes in zijn brief.
God was als eerste met Zijn liefde voor ons en is naar ons op zoek gegaan
om ons hart te winnen voor Hem, net zolang tot we geloven,
tot we van Hem houden.
Ik denk dat iedereen dat wel kan beamen, als je nadenkt over wie er begonnen is:
Dat is de Heere. Hij was het eerst.
In je kindertijd en je jeugd is over Hem verteld en je hebt altijd al gelooft,
als kind al en je geloof groeide met je mee
terwijl je tiener was en later volwassen werd.

Of je hebt een tijd gehad, waarin het je niets zij, het raakte je niet, het liet je koud.
En later, als tiener, of nog later, toen je volwassen werd, was Hij daar
En kon je niet om Hem heen en ben je gaan geloven.
Of je nu als kind altijd al geloofde, of dat je later bent gaan geloven,
nog voor jij met God bezig bent geweest, is Hij al met jou bezig.
Of wellicht is de Heere nog met je bezig, omdat je nog niet gelooft.
Want dat kan ook, dat je je hart nog niet voor Hem hebt open gedaan.

God is de eerste in ons leven.
Dat is een van de redenen voor ons als gemeente om kleine kinderen te dopen.
Dat God de eerste is, begint al bij onze geboorte.
Want wij hebben er niet zelf voor gezorgd dat we er zijn.
En dat we er zijn, dat we geboren werden,
hebben we niet allereerst aan onze ouders te danken.

Dat we er zijn, dat we geboren zijn, hebben we aan God te danken.
Wij hebben allemaal ons bestaan aan de Heere te danken.
Hij wilde dat wij er zouden zijn.
Dat is nog niet genoeg reden om te dopen,
want dan zou doop een soort geboorteritueel zijn
een manier om een kind, dat net geboren is welkom te heten.
Dan zou het een soort kerkelijk kraamfeest zijn.

In de doop gaat het echter om meer.
Dat God niet alleen wilde dat wij er zouden zijn, maar ook dat we zouden geloven,
Geloven dat Jezus voor ons gestorven is
En dat we ons leven aan Hem geven,
van Hem houden en met Hem leven.
Ook daarin is God de eerste en daarom dopen we zo’n klein kind,
al begrijpt zo’n klein kind er niets van
en moeten zijn ouders de vragen beantwoorden.

Met de doop geven we aan dat we geloven in de Heilige Geest,
Die bij de doop de belofte geeft, ook al aan zo’n klein kind,
dat Hij in het leven van zo’n klein kind zal werken,
zodat zo’n klein kind ook gaat geloven,
om, zoals Johannes dat schrijft, zal belijden
dat Jezus de Zoon van God is,
zodat God in hem blijft en hij in God.

Natuurlijk is dat heel gewaagd, want we kunnen allemaal
voorbeelden aandragen
van personen, die ook als kind zijn gedoopt e
n die er niets meer van willen weten
of er niets meer aan willen doen.
Een reden waarom heel wat christenen moeite hebben met dopen van kinderen,
Want je moet als mens toch eerst aangeven, dat je Jezus als je Heer belijdt,
Dat je met God wil leven en dat Hij in je leven gekomen is
om de doop te kunnen ontvangen.

Dan is de doop pas mogelijk als wij ons antwoord hebben gegeven op God
En is de doop ons antwoord aan God,
een manier om te laten zien dat wij ons aan Hem geven.
Haal je dan de waarde van de doop niet naar beneden als je alle kinderen doopt
ook als je weet dat er een kans bestaat dat zo’n dopeling niet gaat geloven?

Nee, want we dopen omdat God de eerste is
en we dopen vanwege de belofte die God geeft bij de doop:
Dat de Heilige Geest ook in dit jonge kind zal gaan werken,
Zoals Hij dat bij een ieder van ons gedaan heeft en nog steeds doet.
Al betekent dat niet, dat iedereen gelooft.

Dat kan een van de raadsels zijn van het geloof: Waarom gelooft mijn kind niet.
Ik heb hem of haar toch ten doop gehouden, ook voor in de kerk gestaan,
ook geloofd dat Gods belofte voor mijn kind gold.
Dat je je kind hebt laten dopen en dat je veel gebeden hebt voor je kind
en dat je kind er niets meer mee doet, of zelfs er helemaal niets van wil weten,
kan een verdriet zijn voor ouders, kan het voor jezelf ook wel moeilijk maken
om zo onbevangen te geloven als je deed toen je je kind liet dopen.

NAtuurlijk geloofde je toen dat Jezus de Zoon van God was
en dat Hij door de Vader gestuurd was om ook voor jouw kind aan het kruis te gaan
en zo vergeving van de zonden van je kind te brengen.
Nu zeg je het voorzichtiger en zou je in ieder geval willen, dat je er iets van zag
dat de belofte die God deed, in het leven van je kinderen zou uitkomen.

Moeten we dan maar stoppen met het dopen van kinderen
en dat pas gaan doen als we zeker weten dat ze gaan geloven?

Ik denk het niet, want dan doen we tekort aan de belofte die God geeft
En dat is nu juist de basis: dat God de eerste is
en dat je als ouders steeds bij de Heere mag aankloppen:
Heere, U hebt het beloofd, als Vader, Zoon en Heilige Geest,

Dat U met ons kind bezig zou zijn, het geloof zou geven,
liefde voor U in zijn, haar hart zou wekken.
We blijven net zo lang bidden tot U het doet.

We hebben het steeds over het liefhebben van God en dat God de eerste is.
Maar er is ook een andere kant: dat wij die liefde afwezen
En dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat God ons liefheeft
En als eerste naar ons toekomt.

Dat is ook de reden waarom we kleine kinderen laten dopen.
Niet alleen omdat we geloven dat God de eerste is en Zijn belofte geeft,
maar ook omdat er aan onze kant iets mis is,
waardoor die liefde van God alle vanzelfsprekendheid voor ons mist.
We kunnen dat wel Johannes nazeggen: God is liefde.
Maar dan moeten we er wel bij zeggen, dat als het aan ons ligt,
wij die liefde niet hadden beantwoord.

En dat is ook nog een reden waarom we kinderen jong dopen,
om daarmee aan te geven dat ze die neiging, die wij als volwassenen ook kunnen hebben
en soms maar al te goed kennen: wat we aan die liefde van God voorbij gaan
en dat we ons tegen God keren, God overbodig verklaren
en Hem op het hart trappen door Hem in te ruilen
en niet Hem lief te hebben, maar het leven zoals we dat hier op aarde hebben/

Daar begint het doopformulier ook mee.
Het is alsof er wordt gezegd: ja ja, mooi allemaal een nieuwgeboren baby

zeer zeker een wonder waar je God dankbaar voor mag zijn
en je mag daarin verwonderd zijn over God als Schepper, die je dit kind geeft.

Maar besef wel, dat je kind ook kan deelt in de afwijzing van Gods liefde.
Alleen als God zelf er iets aan verandert, in zijn hart werkt, het geloof geeft,
alleen dan zal er wat aan veranderen.
En dan wordt ook het bijzondere van Gods liefde zichtbaar.
Dat God komt in een wereld, die niet op Hem zit te wachten,
ook al heeft Hij deze wereld geschapen.

Dat God geeft om een wereld die Hem de rug kan toekeren.
Gods liefde is wel sterker en daarom is ook dit kind gedoopt:
vanuit het geloof dat God ook in dit kind de zonde en de neiging tot zonde kan overwinnen

En een hart kan geven dat wel van God houdt en Hem gehoorzaam wil zijn en wil belijden.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest
verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen
en dat Hij ons tot leden van Christus heiligen wil.

God is de eerste – en dat God de eerste wordt zichtbaar in de doop,
maar gaat nog verder terug: naar het kruis op Golgotha
en nog verder terug: naar de kribbe in Bethlehem
en nog verder terug: naar het paradijs, waar God Adam en Eva opzocht
en een belofte gaf dat de macht van de zonde verbroken zal worden
en dat ze eens weer vrije mensen zullen zijn.

Die belofte is al uitgekomen voor wij geboren werden.
Er is maar één woord dat echt kan weergeven wat er gebeurde: liefde.
En dan niet liefde zoals wij daarover spreken en denken.
Als je vader of moeder wordt, houd je van je kind
en die liefde is er al voor je kind geboren is en je je kind nog niet hebt gezien.

Wat is die liefde dan?
Dat je om je kind geeft en dat je kind belangrijker is dan jezelf.
Dat als er iets met je kind is, dat je diep raakt.
En dat je niet zonder je kind kunt en dat je tot veel bereid bent om je kind gelukkig te maken.

Als Johannes spreekt over de liefde die God heeft,
Dan denkt Johannes aan de bereidheid dat Jezus wilde komen, uit de hemel op aarde,
aan de bereidheid dat Jezus zichzelf als offer wilde geven.,
Dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in Zijn gemeenschap.
Liefde.

Die liefde van God voor ons – zichtbaar geworden aan het kruis
en op ons leven betrokken in de doop – vraagt om onze liefde.
Onze liefde tot God en tot andere christenen.

Die liefde tot andere christenen laat ik nu even rusten (omdat ik daar pas over preekte)
En richt me nu op de liefde tot God,
ons antwoord op Zijn liefde voor ons,
ons antwoord op het kruis dat op Golgotha staat, jouw antwoord op de doop die je kreeg.

Want de doop vraagt om een antwoord, om wat jij ermee doet.
Je ouders hebben je laten dopen, maar dat is bedoeld
om jou te laten antwoorden op de liefde van God.
Johannes spreekt over belijden, belijden dat Jezus de Zoon van God is.
Wat is dat belijden dan? Dat je “ja” zegt tegen God,
Hier ben ik Heer, Ik kniel voor U neer

omdat ik U iets zeggen wil

het zit heel diep in mij, het maakt me soms zo blij

en dan weer even stil

 

Ik wil U graag vertellen dat ik zoveel van U hou

het klinkt misschien eenvoudig maar ‘t is alles wat ik zeggen wou
Belijden is je liefde verklaren aan God, omdat Hij van jou houdt
en de eerste is en steeds naar jou op zoek is, om jou voor zich te winnen.
U alleen, U behoor ik toe.
Belijden is dat je zegt: Heere, ik wil het nu zelf,
De reden waarom mijn ouders mij hier bij de doopvont brachten om gedoopt te worden.
Ik ben van U, ik wil van U zijn. Ik wil niet meer bij U weggaan, maar leven met U.

Leven met U, altijd. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast.
Amen

 

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen

Preek zondagmorgen 19 mei 2019

Preek zondagmorgen 19 mei 2019
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader.
Daarmee zegt hij hardop,
hoe er binnen het gezin en onder de knechten over de jongste zoon werd gedacht.
Dat hoeft niet eens hardop uitgesproken te zijn, toen die jongste zoon het erf verliet,
het ouderlijk huis achter zich liet en brak met zijn familie.
Het kan ook zijn, dat toen de jongste zoon wegtrok, zijn spullen ook weg waren.
Dat alles wat aan de jongste zoon herinnerde opeens weg was:
zijn plek aan tafel werd niet meer gedekt, zijn slaapkamer leeg, zijn kleren verdwenen.
Op de dag dat hij jarig was, werd er geen aandacht aan besteed.
Er werd gedaan alsof die dag niets bijzonders had.
Alsof hij nooit onderdeel had uitgemaakt van dit gezin.
Alsof hij nooit bestaan heeft.
Of het is een uitspraak geweest, die gedaan werd toen over de jongste werd gepraat.
‘Mijn broer? Die bestaat niet meer voor mij!’

Het vertrek van de jongste was pijnlijk geweest.
Allereerst voor de vader: de jongste zoon die met zijn vraag om de erfenis te krijgen,
deed alsof zijn vader al overleden was en voor hem niet meer bestond.
Na het vertrek van zijn jongste zoon had de vader geen leven meer,
Want niemand in het dorp kon hem nog serieus nemen,
met die zoon van hem die hem zo openlijk de grond in getrapt had.

Pijnlijk was het geweest voor zijn oudere broer.
Wellicht niet eens omdat hij een deel van de boerderij opgeëist had
(Als tweede zoon zou de jongste ⅓ krijgen) en dat verkocht had,
maar omdat die jongste zoon vertrek en zijn oudere broer in de steek liet.
Hem alleen achterliet met die vader.
Als broers kun je onderling bespreken hoe je ouders zijn.
Dat kun je niet met iemand van buiten het gezin bespreken.
Wanneer zijn vader er niet meer zou zijn, zou zijn jongere broer een belangrijke steun zijn
om het bedrijf over te nemen en verder uit te bouwen.
Nu die broer van hem vertrokken is,
heeft niet alleen het bedrijf een behoorlijke financiële klap gekregen,
Waarbij je hard moet werken om het bedrijf weer enigszins rendabel te maken.
Teleurgesteld in zijn broer, die hem hier alleen achter laat met zijn vader en het bedrijf
En egoïstisch alleen maar denkt aan zijn eigen verlangens
en niet in staat is geweest om zijn eigen wensen ondergeschikt te maken
aan de belangen van de familie
en met zijn wens om de erfenis te krijgen, zijn deel te verkopen en weg te trekken
aangeeft dat zijn familie niet meer voor hem bestaat, voorgoed met hen breekt
en hen met de schande en de schade achterlaat, die hij heeft aangericht.
Wanneer dat zoveel pijn geeft, als je denkt aan wat je broer heeft gedaan
en als je je ervoor schaamt dat hij is weggegaan en daar niet over durft te vertellen,
dan kun je er maar beter over zwijgen. Net doen of hij niet meer bestaat.

In dit verhaal dat de Heere Jezus vertelt
gaat het niet alleen over hoe het er in gezinnen aan toe gaat,
Maar hoe iemand zich van God verwijdert
en ook hoe degenen die wel bij God blijven daarmee omgaan,
Hoe ze naar iemand kijken.
Of ze iemand afschrijven of de deur open houden om terug te komen.
Om ons een spiegel voor te houden vertelt Jezus de meest extreme vorm:
iemand die weggaat, de deur achter zich dicht trekt
en een deel van de achterblijvers die ook de deur op geen enkel moment willen opendoen.
Lekker makkelijk om er zo op los te leven
en dan als je wilt veranderen, kun je nog bij God terecht en vergeeft Hij je helemaal.
En jij gaat maar elke zondag naar de kerk.
Als je uitgenodigd wordt voor een feestje op zondag, zeg je dat je niet kunt
en wanneer je zaterdagavond iets hebt, zorg je ervoor dat je bijtijds thuis bent,
zodat je op zondagmorgen er toch nog redelijk fris bij zit in de kerk.
Je houdt je aan de regels van het geloof en het kost je moeite,  elke dag weer opnieuw,
omdat je ook wel eens wat moet laten schieten,
wat je eigenlijk wel zou willen, maar wat niet kan volgens je geloof.
Je zet een film af, omdat er iets in gebeurt dat je niet kunt rijmen met je geloof.
Je helpt je broer, hoewel hij je nooit bedankt en nooit iets voor jou doet,
maar vind dat je hem niet kan laten vallen, omdat Jezus daar iets over gezegd heeft.
En als je dan eens kijkt naar mensen, die niet geloven, hebben die het soms maar makkelijk.
Voor jou is geloven zwoegen, veel ontzeggen, omdat het botst met het leven met God.
Dan leven ze eerst heel gemakkelijk, dan kunnen ze toch nog aankloppen bij God
en Hij doet voor hen open en zegt niet dat ze eerst hun leven op orde moeten hebben.

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader tegen zijn knechten
en zegt het later als zijn oudste zoon weigert om met het feest mee te doen,
het feest dat gegeven wordt omdat de jongste zoon thuisgekomen is:
Jouw broer – na alles blijft het je broer, je kunt die band niet wegpoetsen – was dood,
maar hij is weer levend geworden.
Het is niet minder dan een opstanding uit de dood, dat deze zoon, jouw broer gekomen is.

Zou de jongste zoon dat ook zo gevoeld hebben, dat hij voor zijn familie als een dode was
en vast ook voor degenen die in het dorp wonen
en wisten welke schande die jongste zoon over zijn familie uitstortte?
De vader zegt het niet tegen hem, dat hij dood was.
Hij zegt het alleen tegen de knechten en tegen zijn oudste zoon.
Zou hij het ook zo ervaren hebben?
Hij zal in het begin er zijn schouders over opgehaald hebben:
Hoezo dood? Nu leef ik pas! Eindelijk los van mijn familie en opnieuw beginnen,
het leven zoals ik altijd gewild heb. Geen druk, geen regels – mijn eigen leven.
Dat hij met zijn uitbundige levensstijl een leegte verbloemde, heeft hij nooit beseft.
Aan het opbouwen van contacten dacht hij niet, want hij leefde alleen voor zichzelf.
Aan anderen denken, investeren in relaties – dat was iets van zijn familie.
Totdat hij niets meer had en er alleen voor stond:
Zijn feesten, zijn uitgavepatroon, zijn levensstijl lieten hem met lege handen staan.
Een destructieve manier van leven, dat alles kapot maakt:
Eerst zijn familie en daarna het geld dat van zijn familie is
en er is niets voor in de plek gekomen.
Wie had dat gedacht: van shoppen in Parijs, naar shoppen voor de laagste prijs?

Denk je dat hij tot inkeer komt?
Dat er een moment is waarop hij nadenkt over wat hij gedaan heeft?
Wanneer hij helemaal failliet is en niets meer heeft en bij niemand kan aankloppen
is er nog geen zelfreflectie bij deze jongste zoon.
Nog steeds probeert hij zichzelf te redden, zich staande te houden.
Hij is van huis gegaan en heeft daar de deur dicht gedaan. Dus die weg is afgesloten.
Pas als hij geen eten meer heeft
en hij toekijkt naar de varkens, waar hij voor zorgt, die wel te eten hebben en hij niet,
dan komen de eerste gedachten aan thuis toe.
Als hij helemaal aan de grond zit, dan moet hij opeens aan zijn vader denken
En komt zijn vader hem voor de geest.
Zijn vader, waar hij mee gebroken heeft, bij wie hij het niet uithoudt,
zou zijn knechten niet zo slecht behandelen als deze baas,
Die hem bij de beesten af behandelt.
Hoe negatief hij ook altijd over zijn vader heeft gedacht,
of gewoon niet aan hem heeft willen denken,
nu beseft hij dat zijn vader toch een goede kant heeft, die hem in het leven kan houden.

Je broer was dood, zegt de vader
en hij bedoelt misschien wel hetzelfde als die oudste zoon zegt,
dat zijn jongere broer het geld er doorheen gejast heeft door naar de hoeren te gaan.
Maar er is wel een verschil in toon:
de oudere broer kan alleen maar vanuit verbittering kijken naar zijn jongere broer,
zijn eigen pijn en teleurstelling is zo diep dat hij niet kan zien
hoe zijn jongere broer ook een pijn en teleurstelling met zich mee droeg
en dat hij niet in staat was ook maar iets goed te maken van de pijn die hij veroorzaakte.
Hoe hard die jongste zoon ook werkte, de zoon kon het niet meer goed maken.
Ja, dat geld kon er wellicht komen.
Maar het zou nooit meer worden wat het was
En als het toch goed zou komen, dan zouden er nog de jaren zijn van gemis,
waarop ze niet bij elkaar waren.

De vader heeft ook pijn gehad, elke dag heeft hij de leegte gevoeld,
geleden, niet door beledigde trots, maar er aan geleden dat zijn zoon er niet was,
dat zijn plek leeg bleef.
Dat hij er niet bij was met de maaltijden, dat hij niet meewerkte op de boerderij,
dat hij er niet bij was als er feest gevierd werd.
Het leven ging door en die jongste zoon die miste zoveel van het gezinsleven.
Wat zal hij allemaal niet gemist hebben: bruiloften, geboorten, uitbreiding van het bedrijf.
Elke dag heeft deze vader uitgekeken, de horizon afgespeurd,
alsof hij niet kon geloven dat zijn jongste zoon voorgoed zou wegblijven
en dat er een moment moest zijn, waarop zijn gestalte in de verte zichtbaar zou zijn.
Toen het bericht van hongersnood kwam, heeft hij wellicht gedacht:
Als hij nog leeft, dan komt hij wel terug – want hij moet toch ergens van leven.
Hij heeft gewacht en gewacht en gewacht – en steeds was er niets te zien in de verte.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.
En wat je nu ook doet, Zijn liefde blijft bestaan.
Ook niets wat jij ooit deed verandert daar iets aan.
Omdat Hij van je houdt gaf hij zijn eigen Zoon.
En nu is alles klaar wanneer jij komt.

Kom tot de Vader, kom zoals je bent.
Heel je hart, al je pijn
is bij Hem bekend.
De liefde die Hij geeft, de woorden die Hij spreekt.
Daarmee is alles klaar wanneer jij komt.

Terwijl voor de oudste broer elke dag dat zijn broer niet kwam opdagen een opluchting was
of niet meers meer aan de mogelijkheid heeft gedacht dat zijn broer nog terug kon komen,
wacht de vader.
Waarmee Jezus wil zeggen: besef je niet dat Mijn Vader op jou wacht?
Op de uitkijk staat.
Ik kwam wel eens bij een gemeentelid, waarin de kamer tegenover de stoel waar ze altijd zat
er een geborduurde schilderij van de verloren zoon hing die thuiskwam,
waarbij de vader steeds de armen wijd houdt.
Alsof ze dat steeds nodig had om daarnaar te kijken, om eraan herinnerd te worden:
dit is mijn hemelse Vader. Hij staat met de armen wijd, totdat ik ook kom.

Jezus vertelt die gelijkenis niet alleen voor degenen die ver weg getrokken zijn,
die afscheid namen van God en van het leven met God,
er op uit trokken om hun eigen leven te leven, van God los.
Ook voor degenen die achterblijven, die hun hele leven bij de vader thuis bleven wonen
en niet de wijde wereld in trokken, maar thuis hun bijdrage leverden
en zo hard werkten dat er geen tijd was voor een feest met de eigen vrienden.
En als de jongste zoon dan thuis komt, wil hij niet mee doen met het feest.
Dat gunt hij zijn jongste broer niet
en waar de jongste broer uit eigen beweging thuis komt,
moet de oudste zoon gehaald worden.
Ook met hem zit het niet goed.
Hij is wel voortdurend bij zijn vader, maar ook voor hem is er een afstand tot de vader.
Heel subtiel en alleen zichtbaar voor wie in staat is
om familepatronen te doorzien, die de schone schijn ophouden van een perfecte familie.
De oudste zoon is op het veld. Ook hij is weg, net als de jongste zoon.
Alleen hij kan het maskeren door te doen alsof hij plichtsgetrouw is.
Ook hij wil erop uit trekken, een leven zonder de vader,
want hij verlangt naar een feest met zijn vrienden, waar hij zonder zijn vader is.
maar hij doet het niet – te kiezen voor een leven zonder zijn vader.
Of omdat plicht hem weerhoudt, of omdat hij niet durft.
Bang is om dood verklaard te worden en alles kwijt te raken.
Hij is altijd bij de vader gebleven, maar heeft nooit ingezien hoe waardevol dat was
en hij heeft ook niet gezien hoe zijn vader was.
Nooit het hart gezien van deze vader. Nooit zijn pijn om de zoon,
nooit willen zien dat zijn vader getroost moest worden, omdat er één weg was.
Zou dat ook voor God gelden? Dat Hij getroost moet worden, als Hij er één mist,
een van Zijn kinderen, die erop uit getrokken zijn?
Wij kunnen God wellicht niet troosten, maar als er mensen erop uit trekken,
de wijde wereld in en Hem niet nodig hebben, zal het Hem zeker iets doen
en staat Hij op de uitkijk, te wachten of ze al komen.

Die liefde is er ook voor de oudste zoon.
Want er is feest om de terugkeer van de jongste zoon,
maar het feest is incompleet als de oudste zoon, die er altijd is geweest, weg blijft.
Ook hij hoort erbij
en als hij niet uit eigen beweging komt, dan haalt de vader hem op
en legt hem uit, waarom dat feest noodzakelijk was,

waarom zo groots uitgepakt moest worden:
dat zijn jongste zoon toch terug durfde te komen, al was hij platzak
en was hij op geen enkele manier in staat om het goed te maken,
dat hij kwam, deed hem als vader goed.
Zo is God! Natuurlijk is hij ook streng en rechtvaardig,
maar als je aanklopt bij God, dan zal de Heere je niet laten staan.

Maar ook die oudste zoon mag van de vader niet buiten blijven staan.
Ook hij hoort op het feest.
De vader had twee zonen – een oudste en een jongste.
Hij is de vader van hen beiden en wil hen allebei op het feest.
Wanneer de oudste wegblijft, gaat er iets van de feestvreugde weg.

Het verhaal blijft open. Je kunt dan invullen hoe het is gegaan.
Hoe die oudste zoon zicht toch mee liet nemen naar het feestgedruis,
daar eerst boos zat en onwennig – hij was niet gewend om feest te vieren.
Maar als hij zich langzaam overgeeft, als zijn hart ontdooit,
komt er ook ruimte voor de vreugde: mijn broer was dood. Inderdaad, nu besef ik dat.
En wellicht was ik dat zelf ook dood – maar de liefde van onze Vader maakt levend.

Het verhaal van Jezus blijft open. We weten niet hoe de oudste zoon reageert.
Dat is bewust. Want bij een open einde zijn wij aan de beurt.
Wat zouden wij doen? Zouden wij thuiskomen?
Zijn wij in staat om onze boosheid op te geven en mee te vieren,
omdat we beseffen hoe bijzonder het is dat iemand weer thuis komt,
levend geworden is, door de liefde die onze hemelse Vader heeft.
Wat zou u doen?
Amen

Preek zondag 5 mei 2019

Preek zondag 5 mei 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Jesaja 54:1-10 en 1 Petrus 1:3-9.

Tekst: 1 Petrus 1:3-4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vandaag, 5 mei, is het Bevrijdingsdag. Deze dag is bedoeld om te vieren dat we hier in Nederland in vrijheid leven. Die vrijheid is niet vanzelfsprekend, want over 5 dagen is het 79 jaar geleden dat ons land werd binnengevallen en er 5 jaren van bezetting volgden. De meesten van ons hebben de oorlog niet zelf meegemaakt. Toch is het goed om daar elk jaar weer bij stil te staan. Allereerst voor degenen die de oorlog nog wel hebben meegemaakt
en voor degenen die de gevolgen van de oorlog hebben ondervonden in hun leven. Door er bij stil te staan zijn we ons er elk jaar weer van bewust, hoe bijzonder het is om te leven in een vrij land.

Binnen de kerk houden we ook een Bevrijdingsdag. Op Goede Vrijdag en op Pasen staan we er ook bij stil dat er voor ons bevrijding is. Door het sterven en opstaan van Christus is er bevrijding gekomen. We hebben in de Bijbel gelezen hoe God wordt gedankt voor die bevrijding: Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

De lof op God is niet zomaar. In deze lof op God komt naar voren dat we ons leven met de Heere aan Hem hebben te danken. Omdat God barmhartig is geweest, omdat Hij ons lot had aangetrokken,toen we als mensen in zonde leefden, daarom kunnen we bij God horen.
Toen we nog in de macht van de zonde leefden, waren we niet in staat om God te loven. Maar nu die bevrijding er gekomen is, kunnen we dat weer en doen we dat oprecht.

God heeft ons als mensen geschapen om Hem te loven, Hem groot te maken en als we weer in staat zijn – door die bevrijding in Christus – betekent dat dat we als mensen weer tot onze bestemming kunnen komen: God prijzen – met wat we zeggen, met wat we doen, met heel ons leven. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Steeds weer zijn er redenen om de Heere te loven. Het ontvangen van een kind is een reden om de Heere te loven. Dat laten jullie ook zien op het geboortekaartje: U bent het waard, HEERE, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen. Daarmee willen jullie aangeven, dat jullie kind op Gods tijd gekomen is. Of jullie gezin uitgebreid zou worden en wanneer dat de beste tijd daarvoor was, dat hebben jullie niet zelf willen beslissen, maar het in Gods handen gelegd en jullie hebben ervaren dat jullie zoon op Gods tijd in jullie leven gekomen. Gods wil en daarom is hij er in jullie leven – door de Heere geschapen, gekomen op Zijn tijd. Jullie hebben daarin ervaren dat de Heere betrokken is op jullie leven. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Dat prijzen van God is geen vanzelfsprekendheid. Er was eens een tijd, waarop er geen behoefte was om God te prijzen. Waarop wij als mensen de Heere de rug toegekeerd hadden. Het doopformulier zegt: de kinderen die geboren worden hebben dat met ons gemeen. Als de Heere niets zou doen, zouden we niet bij God horen, zouden we leven in de macht van de zonde, bij de boze horen. Maar de Heere heeft het niet zo gelaten en vandaar die grote dankbaarheid, de lof op onze God, de Vader van onze Heere Jezus Christus. Vanwege de ervaring van Gods barmhartigheid: God heeft ons niet in de zonde willen laten. Hij kon dat niet over Zijn hart verkrijgen. Dan zouden we verloren zijn. Daarom liet God Zijn hart spreken – en niet zo’n klein beetje ook.

Barmhartigheid – is de manier waarop God met ons omgaat. Barmhartigheid betekent dat onze keuze voor de zonde God in het hart raakte.Hij wist toen: als Ik niets doe, dan zijn de mensen voor altijd verloren, de mensen, die Ik geschapen heb, Mijn mensen. Barmhartigheid betekent dat de Heere niet werkloos kon toekijken in de hemel naar hoe wij hier op aarde als mensen de verkeerde weg kozen, de weg van de ondergang. Er moest wat gebeuren – onze Heere Jezus Christus moest afdalen naar de aarde, afdalen in de dood, in de hel – om redding te brengen. En dat afdalen in de dood, in de hel, die redding en bevrijding heeft met ons te maken. Ook dat is de reden waarom God geprezen wordt, omdat die barmhartigheid ervaren mag worden, omdat je gaat geloven. Omdat je betrokken wordt op Christus, omdat je van Hem wordt.

Als Hij in je leven komt, is dat niet minder dan opnieuw geboren worden. Een geboorte is niet makkelijk voor een moeder en ook niet voor een kind. Voor beiden een pijnlijk, vaak moeilijk gebeuren. Een pasgeboren baby is de geborgenheid van de baarmoeder kwijt,
komt een hele nieuwe wereld binnen, waar je kind van alles moet leren. Leren ademen, leren eten, de ouders leren kennen, leren kijken, lopen, praten. Met dat leren ben je als mens nooit klaar: levenslang leren zeggen we dan. Petrus gebruikt dit beeld om aan te geven dat wie bij Christus gaat horen een hele nieuwe wereld binnengaat, die zo radicaal anders is,  Dat je alles weer opnieuw moet leren over God, over jezelf, over de wereld,
helemaal opnieuw beginnen – de wereld achter je laten, je oude natuur doden zelfs.

Petrus zegt daarvan: dat doet God. Hij laat je helemaal opnieuw beginnen. Hij  laat je die nieuwe wereld binnengaan. Later in de brief zou Petrus trouwens zeggen dat de gelovigen niet genoeg groeien en maar blijven hangen en steken op dat allereerste beginnersniveau,
alsof ze pasgeboren kinderen zijn, die alleen nog maar moedermelk kunnen hebben en steviger voedsel nog niet aankunnen.

Hier gaat het nog om het bijzondere van die nieuwe wereld binnen gaan. Die nieuwe wereld waar je binnengaat is de wereld van de Vader en de Zoon, als je gaat geloven mag je van God zeggen: mijn God. Dan is Hij niet alleen maar de Vader van onze Heere Jezus Christus
maar dan mag je ook zeggen: mijn hemelse Vader. Vader en Zoon, God en Christus – ze zijn één en als je gelooft, dan mag je delen in die band en je kunt toetreden tot die band die de Vader en de Zoon hebben, omdat Jezus is opgestaan uit de dood. Met Zijn overwinning op de dood, met Zijn opstaan uit het graf ging voor ons de deur open en werd het mogelijk om toe te treden tot die wereld.

Helemaal opnieuw beginnen, maar dat is niet zomaar. Dat is het leven dat je kwijt was terugkrijgen en meer nog, want dan zou je nog leven hebben. Het gaat hier om weer tot leven komen, zelf uit het graf verrijzen, zelf levend worden, omdat Jezus is opgestaan uit de dood. Geldt dat nu voor jullie zoon ook dat, nu hij gedoopt is, levend geworden is? Mee opgestaan uit de dood? Of is dat teveel gezegd? Dat is toch ook de reden waarom we kinderen dopen: dat ze het leven in Christus vinden en dat ze uit de macht van de boze raken, bevrijd worden, mogen opstaan in een nieuw leven, tot eer van God? Ja en nee.

Elke keer weer word ik verrast door de stelligheid waarmee het doopformulier spreekt: Christus is aan het kruis gestorven, ook voor de kinderen die net worden gedoopt, die niet begrijpen dat ze gered moeten worden en moeten geloven. Ze begrijpen trouwens ook niet dat ze ook delen in de zonde, die door Adam in de wereld kwam, waarin ook wij als ouders delen en onze ouders. Door diezelfde ouders mogen ze ook delen in de bevrijding die Christus bracht. Dat gebeurt in het dagelijks leven ook: kinderen horen bij je, ze wonen in je huis. Ze delen in je ziektekostenverzekering en als ze een ongeluk veroorzaken of iets uithalen, word je als ouder aangesproken. Ze horen bij je en ze zijn van je afhankelijk. Zo is het ook in het geloof: God rekent ze met je mee. Als jij als ouder leeft met Christus en met Hem verbonden bent, zijn zij dat ook. Daarom ook de doop: om aan te geven dat ze ook delen in die band, die jij zelf met God en Christus hebt.

Je gunt het hen als ouders ook en daarom vertel je hen en lees je hen voor uit de Bijbel,
leg je aan je kinderen uit, wat het betekent om gedoopt te zijn. Je leest hen voor uit de kinderbijbel, je zingt met hen, je leeft hen voor, De sfeer in huis is een sfeer herinnert aan de relatie die de Vader en de Zoon hebben, een sfeer van vreugde om de redding,  maar ook van strijd tegen de zonde, die je ook nadat je bent gaan geloven niet los wil laten.


Als hij dan mag delen in jouw band met God, waarom is er dan ook een nee? Omdat dit niet betekent dat een kind dat gedoopt wordt er al is, dat hij achterover mag leunen en doen alsof hem niets meer kan gebeuren. Hij moet het zelf gaan beamen, zelf ook de keuze maken, Jezus als bevrijder in zijn eigen leven binnenhalen.

Laat ik dat uitleggen aan de hand van een gebeurtenis uit de meidagen van 1945. Op 5 mei werd in Wageningen duidelijk dat de Duitsers zich zouden overgeven. Niet elke plaats was toen echter bevrijd. Voor Veenendaal, vlakbij Wageningen, duurde het nog tot 9 mei voor de bevrijding kwam, toen de Engelsen opgehaald werden om Veenendaal te bevrijden. En voor Texel kwam de bevrijding pas op 20 mei, toen de Canadezen op het eiland kwamen. Tot die tijd kwamen er nog mensen in Veenendaal en Texel om door vuurgevechten. De bevrijding kwam pas echt toen de bevrijders het gebied binnen traden. De capitulatie was al getekend, de nederlaag was al definitief, de oorlog was al over.

Zo weten we dat met de opstanding van Christus de duivel definitief verloren heeft, maar Christus de Bevrijder moet wel in ons leven binnengelaten worden om daar de boze te verdrijven en ons te bevrijden van die macht van het kwaad. Christus is voor ons, voor u, voor jou, voor mij, voor de dopeling gestorven, maar we moeten Hem wel verwelkomen in ons leven, binnenlaten, binnenhalen als bevrijder.  Natuurlijk: het hangt niet van ons af. Het is God die het doet. Maar als we zeggen: voor ons hoeft het niet. Mooi dat het iets van mijn ouders is, maar het is echt iets van hen, laat het maar aan mij voorbij gaan. Dan mis je ook wat je krijgt als je opnieuw geboren wordt. Dan wijs je de barmhartigheid van God af, de betrokkenheid van God op jouw leven. De deur die voor jou open staat, het nieuwe leven dat God wil geven, bevrijding uit de zonde, uit de macht van de boze. Opnieuw geboren tot een levende hoop: je hebt toekomst, toekomst met God en bij God. Als je kind van deze Vader geworden bent, als je bij Christus hoort, mag je delen in wat van Christus is.

Als ouders regel je voor je kinderen allerlei zaken, waar ze nu wellicht niets aan hebben, maar waar ze later wel profijt van hebben: Een rekening, waarbij ze het geld krijgen als ze 18 zijn, bijvoorbeeld. Zo heeft God ook iets klaargemaakt, klaargelegd in de hemel. Je kunt daar zeker van zijn, want het is een erfenis die niet in waarde kan dalen, waar niemand bij kan, omdat het in de hemel is, niemand kan het beschadigen of afpakken. Onvergankelijk is het, helemaal zuiver, zonder zonde, helemaal van God, een erfenis die niet minder wordt in de loop van de jaren, of beschadigd kan raken: onverwelkbaar.

Dat onderstreept de doop ook: als God iets belooft, dan doet Hij dat ook. Als Hij je iets toezegt, dan krijg je dat ook. Je kunt er zeker van zijn, omdat je van God zeker kunt zijn. Veilig opgeborgen in de hemel. Nu is het zo, dat als je een rekening voor je kind opent, waar hij pas op z’n 18e bij kan er in die eerste 18 jaar niets aan heeft. Dat geldt voor die hemelse rijkdom, die overvloed die God in de hemel voor je heeft niet. Want die ligt veilig opgeborgen in de hemel. Dan zegt Petrus tegen ons: als je gelooft, ben je net zo veilig als die hemelse schat,Waar niemand bij kan, die niemand van God kan afpakken. Zo veilig ben je in Gods hand en niemand kan jou, kan je kind uit Gods hand rukken. Zoals God die hemelse schat voor je bewaart en bewaakt, zo word jezelf en wordt je kind door God bewaakt.

Het is, zoals de Jesaja 54:10: Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond met de HEERE zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer. De Ontfermer, uw, jullie ontfermer, die Zijn grote barmhartigheid laat spreken in de opstanding van Christus, die ook jullie opstanding mag zijn. Waardoor je mag binnentreden in die wereld die van God en van Christus is. Waar je veilig bent, voor altijd bewaard. Wat je zelf krijgt, mag je doorgeven aan je kind: Want ik ben ervan overtuigd, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heere. Amen

Preek jeugddienst – No more slaves

Preek jeugddienst – No more slaves
(nav Johannes 8:31-36)

Elke tiener droomt wel eens om het helemaal zelf voor het zeggen te hebben.
Tien dingen die je kunt doen, als je geen last hebt van ouders, een leraar, of…
Nee, laten we zo maar niet beginnen, want dan moet ik beginnen met “hey mensen…”

Maar je hebt er vast wel over nagedacht, wat je zou doen
als er geen regels waren, die volwassenen je opleggen.
Geen moeder die tegen je zegt dat je je mobiel weg moet doen,
of op tijd naar bed moet gaan.
Geen vader die je vraagt of je je huiswerk wel hebt gemaakt.
Geen school met regels, docenten en huiswerk,
maar zelf bepalen wat je doet.
Wat zou jij dan doen?

Je kunt laat naar bed, lang uitslapen, afspreken met wie je wilt,
gamen, hangen, werken wellicht. Niets moet, want je bent zelf de baas.
Of misschien was je vakantie ook zo en moet je er niet aan denken
dat over een week de school al weer begint,
voor de meesten van jullie toch een slavenbestaan.
Het hele seizoen door hoor ik jullie niets anders dan zuchten
als het over school gaat.
Zo zelf bepalen wat je mag, wat je doet: een heerlijk leven toch?

Het kan ook zijn dat je denkt:
Wat moet het heerlijk zijn als er geen regels zijn van God.
Als ik helemaal mijn eigen leven kan bepalen, zelf kan doen waar ik zin in heb,
zonder dat ik rekening hoef te houden met iemand anders, ook niet met God.
Zou je dat wat lijken, zo’n leven?
Misschien droom je ervan: lekker vrij zijn, geen gezeur aan mijn hoofd.
Ik wil niemands knecht zijn, zelfs niet van God, wat de kerk, wat mijn ouders ook zeggen.
Eigen baas over mijn eigen leven.

Is dat nou een vrij leven?
Stel dat je daarvoor kiest, om helemaal eigen baas te zijn
en van niemand iets aan te trekken en zelfs aan God niet en niet aan Zijn regels houdt.
Word je daar gelukkig van?
En wat zou je dan doen?
Misschien alles kijken op YouTube of Netflix, wat er ook maar te kijken valt
en vooral die filmpjes die je niet mag kijken, omdat er in gevloekt wordt,
of seks in voorkomt.

Of drinken, paor neemn, lekker dronken worden.

Of op een heel andere manier losgaan: een brommer opvoeren en lekker crossen
zonder dat je moeder bezorgd aan je vraagt of je wel voorzichtig zult doen?
Genieten, alleen maar genieten.
Wat al die dingen samen hebben, is dat je geniet van het leven op dit moment.
Niet nadenken aan straks als je je ouders ziet, of als je met een kater wakker wordt,
niet nadenken als je aangehouden wordt door de politie
of met een gevaarlijke manoeuvre op de brommer onderuit gaat.
Niet nadenken dat je je straks schaamt als je naar seks of porno hebt gekeken,
maar alleen aan  het spannende, opwindende gevoel dat je hebt als je kijkt.

Ben je dan wel echt vrij? Of is er iets anders in je dat de baas is?
Een soort stem in je die zegt: doe het.
Of een soort verslaving: je kunt het niet tegenhouden, daarom moet je het doen.

Soms kan een verslaving er zijn, omdat je voor iets wilt weglopen.
Je bent eigenlijk helemaal niet zo gelukkig, omdat je het idee hebt
dat niemand naar je kijkt en niemand echt om je geeft.
Je gaat dan drinken, in de hoop dat anderen je stoer vinden en zo jou aandacht geven.
Dan ben je niet vrij, maar dan is er iets anders sterker in je:
Een verlangen dat anderen je zien, je opzoeken, je opnemen in de vriendenkring.
Je bent dan ook niet jezelf, maar doet iets om erbij te horen.
Maak je je dan eigenlijk niet een slaaf?
Je denkt vrij te zijn, maar je bent niet vrij, een slaaf
omdat je dan niet meer echt jezelf bent
en je doet dingen, die je eigenlijk niet wil, waarvan je ook weet dat ze niet goed zijn,
maar doet om erbij te horen.

Je kijkt naar seksfilmpjes, omdat het spannend is,
of om er met anderen erover te kunnen praten, erover op te scheppen
dat je ook wat weet, of mee kunt fantaseren over hoe geweldig het is.
Maar als je niet meer kunt stoppen met kijken, hoe vrij ben je dan?
Dan zijn die filmpjes de baas over jou
zeker als je door die filmpjes alleen nog maar naar het lichaam van meisjes kijkt
en daarover fantaseert, dan beïnvloedt het je op een verkeerde manier.
Je kunt slaaf zijn, zegt de Heere Jezus, terwijl je denkt dat je vrij bent.
Je kunt slaaf zijn van de zonde: je bent niet meer zelf eigen baas over je leven,
maar er is een macht in je, de zonde, die ervoor zorgt dat je iets doet dat niet bij God past.
Je hebt niet meer de controle over jezelf,
er is iets in je sterker, een soort verslaving, je moet het doen.
De zonde is een macht in je die de controle overneemt.

Net als bij een telefoon of een Facebook-account die gehackt is.
Dan gebeuren er dingen die je niet wilt.
Er verschijnen rare berichten of je kunt je telefoon niet meer gebruiken.
Zo zou je met zonde ook kunnen zeggen dat je gehackt bent:
Je functioneert niet meer, zoals God je bedoeld heeft
Want Hij heeft je bedoeld om eerlijk te leven, trouw en betrouwbaar te zijn,
niet roddelen over ander, niet achterbaks, anderen geen pijn willen doen maar juist steunen.
Maar door de zonde, die je gehackt heeft, ga je dat juist doen:
anderen pijn doen, omdat je alleen maar denkt aan jezelf,
aan je eigen plezier, als je zelf maar geniet,
Als jij je plek in de groep maar hebt, ook al gaat dat ten koste van anderen.
Het zorgt ervoor, dat je de grenzen op gaat zoeken,
want je zou wel eens weten waarom je niet naar die filmpjes mag kijken,
je gaat eens occulte dingen uitproberen, want als het niet mag, kan het juist spannend zijn,
en wat geeft het nou als je naar een Fright Night op Halloween gaat in een pretpark, spannend toch? Of dat je lekker weggriezelt bij een horrorfilm?
Maar wat doet het met je?
Als het de deur openzet naar een wereld,
die duister is, waar je niet in aanraking mee moet komen,
omdat het een deur opent naar een wereld die gevaarlijk kan zijn.

Met zonde is het zo: je gaat eerst op een verleiding in,
omdat je denkt dat het spannend is, dat je wat beleeft wat je eigenlijk niet mag beleven,
of je denkt dat je het wel aan kan,
of je hebt het nodig om jezelf beter te later overkomen
en daarvoor moet je zorgen dat ze slecht over anderen gaan denken.
Maar die verleiding wordt sterker en wordt de baas over je en het verandert je, je karakter:
maakt je gemener, oneerlijker, zorgt dat je allerlei leugens gaat vertellen,
dat je dingen gaat verzwijgen, omdat je het niet meer durft te vertellen.
Er is iets sterker in je: de zonde – slaaf van de zonde.
Ieder die de zonde doet, is slaaf van de zonde.
En dat doen hoeft niet zichtbaar te zijn, kan ook onzichtbaar voor anderen,
van binnen in je hart, zonder dat iemand het weet.

Hij zegt dat ook nog eens tegen mensen die veel met God bezig zijn,
die trouw naar de kerk komen, Bijbel lezen
die in Jezus geloven (of misschien moeten we zeggen: geloofd hebben).
Dat je met Jezus bezig bent, naar de kerk gaat, of catechisatie,
is geen garantie dat je vrij bent.
Slaaf – je komt er niet meer vrij van. Zoals een hack moeilijk te bestrijden is.
Je bent het stuur kwijt. En ook het contact met God kwijt.
Het lijkt een mooi leven, prettig leven, maar alleen voor de korte termijn,
of anderen denken dat je een mooi leven hebt, je kunt helemaal losgaan
en zijn misschien wel jaloers, maar van binnen voel je je niet gelukkig,
omdat je weet, voelt: zo hoort het niet, het moet anders.

Je kunt maar op één manier vrij worden: door Jezus.
Daarom waarschuwt Hij de mensen ook.
Hij doet dat niet uit leedvermaak, of om te laten zien dat Hij zelf zonder zonde is.
Nee, Hij weet, dat we – als we slaaf zijn, slaaf van de zonde –
uiteindelijk ongelukkig zijn, want er is iets of iemand in ons leven de baas
Die dat niet hoort te zijn.
Alleen Jezus hoort dat te zijn. Dan word je vrij
en in plaats van slaaf wordt je kind – kind van God.
En moet je zien wat het verschil is: Een slaaf is wel in huis, maar voor de klusjes.
Bij de maaltijd, bij feesten merk je dat een slaaf er niet echt bij hoort.
Een kind wel: mag aan tafel zitten, mag meevieren, hoort er helemaal bij.
Als je gelooft in de Heere Jezus, maakt Hij je vrij
en meer nog: je bent dan niet alleen maar een iemand die vroeger slaaf was en nu vrij is,
maar je maakt promotie: van slaaf die vrijgemaakt moest worden
naar kind, zoon of dochter van God. Je hoort er echt helemaal bij, bij God.
Alleen als je bij Jezus blijft.
Als je Hem niet inruilt voor die andere macht, opnieuw slaaf maakt.
DAt kost strijd – bij Jezus blijven, Zijn woorden doen!
Verder, dat wij ons van de wereld afkeren, onze oude natuur doden en in een nieuw, godvrezend leven wandelen.  En wanneer wij soms uit zwakheid in zonde vallen, moeten wij niet aan Gods genade twijfelen en ook niet in de zonde blijven liggen. De doop is immers een zegel en ontwijfelbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond der genade hebben met God.

De doop laat zien dat God ons als kind wil hebben.
Vanaf het moment dat ik in mijn moeders buik groeide, voor ik geboren ben,
hebt U mij uitgekozen om Uw kind te zijn.
Uw liefde riep mij bij mijn naam.
Ik ben opnieuw geboren,

No longer slaves

Ik ben niet langer een slaaf, die bang moet zijn, maar Uw kind.
Dat betekent niet, dat je niet meer mag genieten.
Integendeel: God heeft de wereld geschapen, zodat wij ervan kunnen genieten
en als ervan genieten, prijzen wij God.
We mogen alleen niet meer genieten van de zonde, van wat verkeerd is,?
want dat brengt ons bij God vandaan, en zorgt ervoor dat we geen kind meer zijn.
Dan loop je alles mis wat God je wil geven – dat is niet nodig
je hoeft geen slaaf te zijn, maar mag kind van God zijn.
Amen