Preek zondag 29 maart 2020

Preek zondag 29 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 22:47-63

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Heel veel van wat we gewoon waren om te doen, kunnen we nu niet meer doen.
Geen school meer voor de kinderen en jongeren, maar thuis het huiswerk maken.
Elkaar niet meer ontmoeten, maar elkaar via de computer of de telefoon spreken.
Niet meer zomaar er even op uit gaan maar gaan wanneer je zo weinig mogelijk tegenkomt.
We zijn er al een paar weken mee bezig en je went er wellicht aan
en toch, hoe langer het ongewoon is, des te meer ga je wat vanzelfsprekend was missen.

Bepaalde zaken gaan ook weer door.
Vannacht is de klok een uur vooruit gegaan. We zijn aan de zomertijd begonnen.
En ook de tijd binnen de kerk gaat verder alsof er buiten in de wereld niets gebeurt.
Over twee weken is het Pasen. We zijn nu nog in de Lijdenstijd.
In deze tijd overdenken we als kerk de weg die Christus ging naar het kruis.
Het kan zijn dat u daar juist, door alle zorgen die er zijn,
alle verhalen over mensen die door het coronavirus ziek geworden zijn,
er nog meer bewust van bent van het lijden en sterven van onze Heere en Heiland.
Je kunt door het lijden dat je om je heen ziet des te meer gaan beseffen
hoeveel Christus voor ons heeft geleden.
Zoals ik iemand die ziek was heb horen zeggen: Nu ik ziek ben en deze pijn heb,
besef ik pas hoeveel Christus heeft moeten lijden.

Er is ook een heel andere reactie mogelijk:
Dat je hoofd er helemaal niet naar staat, met alle berichten over degenen die ziek zijn.
Of door al het geregel nu de kinderen thuis zijn, de zorg over je werk.

Zo gaan we verder de lijdenstijd in: over Judas die Jezus verraadt met een kus,
Jezus die meegenomen wordt en Petrus die Jezus op een afstand volgt.
Nu moeten wij nog meegenomen worden in deze geschiedenis.
Op welke manier gaat dit gebeuren in de hof van Getsemané
en het huis van de hogepriester ons toch aan en heeft het ons iets te zeggen?

Ik begin daarvoor bij de laatste woorden uit vers 53:
Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.
Dat is er wat er volgens Jezus gebeurt als Judas op Hem af komt
om Hem met dat gebaar dat bedoeld is om respect uit te drukken te verraden.
Dat is er speelt nu die groep gekomen is om Jezus te arresteren:
Uw uur en de macht van de duisternis.
Dat kan ook aan de hand zijn als Petrus zijn Meester volgt:
hun uur en de macht van de duisternis.

Judas daar aan het hoofd van die menigte,
Judas die voorop loopt om zijn Meester te begroeten
– dat is meer dan verraad, waar we ook niet te licht over mogen denken.
Er is in en door Judas heen een kracht aan het werk, die sterker is dan Judas
en die de strijd aangaat met God: de macht van de duisternis.
Hoe laag het verraad van Judas ook is, de leerling die al die tijd meeliep
en veel heeft gezien en gehoord heeft van zijn Meester,
hier is een kracht aan het werk die de macht van Judas te boven gaat: duisternis.
Dat is niet zomaar een uitdrukking, maar dat betekent dat God een stap terug lijkt te doen
en de boze, de macht van de duisternis de kans grijpt om een slag te slaan.
Uw uur en de macht van de duisternis – dat lijkt erop dat God zich terugtrekt in de hemel
en de aarde aan zijn lot over laat en ook Zijn handen aftrekt van Zijn Zoon.
En wat gebeurt er met Jezus, wat gebeurt er met Judas en Petrus
als God zich terug lijkt te trekken in de hemel en hen overgeeft in die macht?
En wat zou er met ons gebeuren als God zich nu zou terugtrekken
en ons achter zou laten in die macht van de duisternis?
Het kan zijn dat die gedachte in de afgelopen dagen door u heen gegaan is:
Is God er nog wel? Of heeft Hij zich teruggetrokken in de hemel en ons alleen gelaten?
Zo’n gedachte kan door je heen gaan als je heel wat meemaakt of om je heen ziet.
Je kunt zo’n gedachte van je af willen zetten.
De ene keer lukt dat wel, de andere keer lukt dat niet.

Deze macht, waar Jezus over spreekt, die het voor het zeggen lijkt te hebben,
als dat zo zou zijn, dan gebeurt er wat met ons en met ons geloof.
Dan komt onze band met Christus onder druk te staan en dan is de vraag:
Kan ons geloof dat aan? Is onze band sterk genoeg om zo’n crisis te overleven?

Kijk wat er met Judas gebeurt:
Als hij met die soldaten bij Jezus komt,
wordt hij er op verschillende manieren dat hij bij Jezus hoorde.
Zo wordt Judas ook nog genoemd: een van de twaalf.
Zou het niet door Judas heen gegaan zijn, toen hij daar met die groep in de tuin kwam:
Alles wat hij met Jezus meegemaakt heeft?
Wonderen heeft Judas gezien: blinden die gingen zien, kreupelen die konden lopen,
melaatsen die weer terug naar huis konden gaan, doven die weer gingen horen.
Doden die opgewekt werden, armen die het evangelie mochten horen.
Mocht Judas niet geweten hebben, wie Jezus was,
dan heeft hij het kunnen zien met zijn eigen ogen. Hij was erbij.
Wat heeft hij allemaal niet geleerd van zijn Meester?
Gelijkenissen die Jezus vertelde over het Koninkrijk van God,
waaruit naar voren kwam dat die Jezus die hij volgde, die zijn Meester was
dat Koninkrijk in eigen persoon zou brengen.
Zou dat niet door hem heen gegaan zijn?
Zou hij niet het appèl gevoeld hebben toen hij op Jezus afliep?
Of was zijn hart al te duister en te zeer in de greep van deze macht?

Wat ging er door hem heen toen hij op zijn Meester afliep om hem te begroeten
met een gebaar van gelijkwaardigheid: ik ben als u.
Zou hij dan niet het gevoeld hebben dat hij alsnog de kans had om terug te keren?
En toen Jezus zijn naam zei: Judas.
Zou hij daarin niet de stem gehoord hebben van de herder die zijn verloren schaap zocht?
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
Zelfs als Judas het verraad van zijn meester camoufleert door zich als vriend voor te doen,
krijgt hij nog de kans om tot inkeer te komen.
Het is een verwijt – er zal teleurstelling in door geklonken hebben,
maar meer ook nog dat Judas niet weet waar hij mee bezig is:
Ja, wel dat hij bewust hiervoor gekozen heeft om Jezus te verraden aan de leiders
maar niet dat hij op deze manier de Zoon des mensen, de hemelse Rechter
overgeeft in de macht van de duisternis.
Judas, bij wie hoor jij? Judas, van wie ben jij er een? Kom je nog terug naar Mij?
Of blijf je vast zitten in de macht van de duisternis en sla je Mijn roepstem in de wind?
Er komt geen antwoord van Judas. Judas zwijgt, stopt de oren dicht voor de stem van Jezus
Hij wil niet meer terug naar Jezus.
Hij heeft eenmaal de oversteek gemaakt naar die andere groep.

Dat geldt niet alleen voor Judas, maar voor alle discipelen.
Ze zijn nu nog wel om Jezus heen, vertelt Lukas in vers 49,
Maar dit is het uur en de macht van de duisternis dat de leerlingen Jezus kwijtraken
en hun verbondenheid met Jezus opgeven.
Want al zijn ze met Jezus, nu nog om Hem heen, ze begrijpen de situatie verkeerd.
Ze zijn focust op de strijd met het zwaard. Ze willen Jezus verdedigen,
maar zien over het hoofd dat er om hen gevochten wordt, nu in het uur van de duisternis
en dat niet zij hun inzet voor Jezus moeten bewijzen, dat zij om Jezus blijven staan
en voor hem de strijd aangaan,
maar dat het er op aankomt dat Jezus voor hen strijdt en dat Jezus hen niet loslaat.
Dat is het cruciale als ons geloof onder enorme druk komt te staan,
een tijd waarin God een stap terug lijkt te doen en zich in de hemel terugtrekt
en de deur achter zich dicht lijkt te doen.

Lijkt een stap terug te doen, lijkt zich op te sluiten in de hemel.
Ja, het nu grijpt de boze de kans om Jezus een slag te slaan
en hij denkt dat hij God en Jezus een stap voor is
en dat hij de leerlingen weet te ziften als de tarwe.
Hij heeft ze al bijna in zijn net gevangen.
Judas heeft hij al, Judas geeft geen gehoor meer aan de stem van Jezus
die hem terugroept, Judas is al verloren.
Zo lijkt hier in dit uur de macht van de duisternis alomtegenwoordig te worden
en te winnen van Jezus en de discipelen van Jezus af te brengen.
En toch gaat Jezus’ macht verder en is Hij sterker dan de macht van de duisternis.
Al lijkt het er in eerste instantie niet op, lijkt het erop dat alle discipelen in die macht komen.
Het lijkt erop dat Jezus Petrus, de discipel die een rots zou moeten zijn voor de kerk,
ook kwijt zal raken en dat ook Petrus’ geloof niet sterk genoeg was.

Als Jezus wordt meegenomen naar het huis van de hogepriester,
volgt Petrus op een afstand. Daarin zit al de ambivalentie van Jezus.
Volgen is bij Lukas dat je juist dicht bij Jezus bent en Zijn weg gaat,
Terwijl afstand juist aangeeft dat je nog niet bij Jezus hoort.
Hoort Petrus nog wel bij Jezus, of hoort hij al niet meer bij Jezus?
Misschien weet hij dat zelf ook al niet meer.
Wil hij het leven met Jezus niet zomaar opgeven
en zoals hij beloofd heeft tot het uiterste gaan om voor Jezus te strijden.
Al zullen anderen U in de steek laten, ik niet.
Over de anderen maak ik mij geen illusies.
Als ik hen zo ken, dan zal hun geloof die ultieme proef niet kunnen doorstaan,
maar op mij kunt U bouwen. Ik zal voor u door het vuur gaan.
Wat Jezus daar op als antwoord had gezegd had Petrus niet willen horen.
We weten niet of hij vastberaden achter Jezus aangaat, of al aarzelend.
Ook weten we niet met welk doel Petrus achter Jezus aan gaat.
Ook dat kan de macht van de duisternis zijn, dat Petrus denkt
dat hij als volgeling van Jezus deze weg wel aankan,
maar niet ziet dat hij zich steeds meer van Jezus verwijdert,
omdat Jezus een weg gaat die hij niet kan gaan.

Daar zit hij bij het vuur, tussen degenen die bij de hogepriester in dienst zijn.
Dat lijkt heel dapper van Petrus, maar ook hij maakt de overstap net als Judas.
Hij is nu een van hen, hij zit midden tussen hen in,
zoals hij nog geen enkele uren geleden bij Jezus aan tafel lag
die bijzondere gemeenschap om Jezus heen bij het avondmaal.
Nu zit hij tussen dezelfde mensen die Judas heeft meegenomen naar Jezus toe.
Bij wie hoor jij, Petrus? Bij Jezus? Of geef jij je ook gewonnen aan die macht?
Daar in die duisternis valt het licht van het vuur over hem als persoon.
Wat wordt er over hem aan het licht gebracht? Wat wordt er onthuld?
Loyaliteit en trouw aan Jezus of … dezelfde keuze als Judas?
Al heeft Petrus Jezus op een afstand gevolgd, hij heeft niet genoeg afstand gehouden,
want hij wordt erkend als een van hen.
Al is er die aarzeling bij Petrus of hij nog wel bij Jezus hoort,
dat dienstmeisje zegt het zomaar tegen hem, terwijl hij bij het vuur zit:
Jij was bij Hem. Zonder dat ze het doorheeft herinnert ze Petrus aan die maaltijd,
Pascha, waar hij nog geen enkele uren geleden de bevrijding van Israël heeft gevierd.
Hij was bij Jezus. Toen nog wel.
Een buitenstaander die erop wijst: je was bij Jezus.
Jou had ik hier niet verwacht.
Het kan heel onschuldig bedoeld zijn van dat meisje.
En ach, zo’n uitspraak van zo’n jong meisje hoef je niet helemaal serieus te nemen.
Net als Judas hoort Petrus niet dat er een appèl gedaan wordt: Jij hoort bij Jezus.
Denk er aan wat voor tijd dit is, wat je Meester zo net nog heeft gezegd:
Hun uur, het uur van degenen tussen wie je je nu begeven hebt,
Je bent er nu een van hen aan het worden door je tussen hen te begeven.
Dit is niet zomaar een tijd, maar nu komt de macht van de duisternis.
Ben jij daar op voorbereid, Petrus?
Maar Petrus zegt: Je bedoelt die Jezus daar, die verhoord wordt?
Ik heb geen informatie over Hem. Ik zou niet weten wie Hij is.
Ik heb Hem niet meegemaakt en ook van horen zeggen weet ik niets van Hem.

Bij Jezus zijn, wil nog niet zeggen, dat je ook bij Jezus hoort.
De tweede die Petrus ziet, geeft dat wel aan: Jij bent er een van Hem.
Je bent niet zomaar een meeloper, of een toevallige voorbijganger.
Jij hebt je leven aan Jezus gegeven en je leven met Hem gedeeld.
Wat voor tijd hebben jullie niet samen afgelegd en wat hebben jullie niet samen gezien?
Die herinneringen komen nu niet uit. Petrus moet ze weg stoppen.
Het enige dat Petrus kan zeggen: Je hebt je vergist. Dat ben ik niet.
Nu is zijn ontkenning krachtiger: Ik heb niets met Jezus. Ik ben niet een van Hem.
Petrus ontkent dat er een relatie zou zijn, dat ze bij elkaar horen.
Dat is dus als je in de macht van de duisternis komt.
Als Petrus nog heen en weer geslingerd wordt, dan wordt het nu duidelijker.
Steeds meer en meer valt de keuze tegen Jezus uit.

Een uur de tijd heeft Petrus. Tijd om na te denken waar hij mee bezig is.
Het wordt al weer bijna ochtend, de duisternis houdt nog even aan,
maar zal weldra voorbij zijn.
In het Oude Testament komt de redding van God vaak bij het aanbreken van de morgen.
Na het donker het licht, Gods reddend licht. God die zelf komt.
Maar Petrus ziet dat niet. Hij hoort alleen maar iemand iets zeggen.
Dat hij op Jezus lijkt. Dat hij wel wat van Jezus weg heeft.
Dat hij aan Jezus doet denken. Geen wonder ook, je was bij Hem.
Een groot compliment zou je denken, waar je dankbaar voor zou moeten zijn.
Maar Petrus kan het niet aanhoren.
Hoe stelliger de band met Jezus wordt benadrukt, des te harder ontkent hij
dat Hij bij Jezus hoort: ik niet. Dat ben ik niet. Je vergist je. Je hebt het over de verkeerde.
En dan de haan. De haan kraait. Een nieuwe dag gaat beginnen, Gods hulp is op komst.
Het einde van de macht van de duisternis.
Maar Petrus hoort wat anders. Een stem die hij genegeerd heeft. Woorden die hij wegduwde
die nu bovenkomen, nu hij de haan hoort kraaien.

Nee, het is niet het gekraai van de haan, die hem aan die woorden doen denken.
Het is de blik van Jezus.
De blik van Jezus waar Lukas steeds zo over vertelt, hoe Jezus mensen ziet.
Ook nu valt de blik van Jezus op Petrus.
Wat zou Petrus in die ogen van Jezus gelezen hebben?
Verwijt? Teleurstelling? Boosheid? Afkeer?
Bij Petrus gebeurt er wel wat.
Hij hoort de haan kraaien en hij hoort de woorden van Jezus weer.
En beseft opeens wat hij heeft gedaan.

Het uur van hen, de macht van de duisternis. Jezus lijkt te verliezen,
want ook Petrus kan het niet aan om bij Jezus te horen.
Maar nee, waar Judas niet wilde horen en zijn oren toestopte,
wordt Petrus geraakt door de blik van Jezus.
Die blik brengt aan het licht het verkeerde van Petrus, zijn zonde.
Maar bij Petrus is het – anders dan bij Judas – heilzaam.
Jezus had nog iets gezegd: Petrus Ik heb voor je gebeden.
Dat gebed wordt waar, want door de blik van Jezus gaan de ogen van Petrus open.
Hij ziet wat hij heeft gedaan.

Dat is zijn redding – al moet hij wel diep buigen. Bitter berouw.
Hier houdt Jezus Petrus vast door Zijn blik. Hij laat PEtrus niet los.
Hij laat niet los wat Zijn hand begon.
Het is hun uur, zei Jezus, de macht van de duisternis.
Dat is maar één kant.
Want in heel de weg van Jezus naar Golgotha blijft het steeds Gods weg.
Al begrijpen wij die weg niet, boven de macht van de duisternis gaat Gods macht
en ook in het uur van die macht breekt Gods uur aan.
Een enkele blik reeds verbreekt die macht die over Petrus was gekomen.
Een oogopslag – en Petrus is gered.
Al heeft hij nog een lange weg te gaan om terug te komen.
In geen tijd is de macht van de duisternis sterker dan God.
Hoe donker ook de tijd is, in elke tijd kan het uur van God aanbreken.
Gods rechterhand is hoog verheven.
Het is de Psalm die aan de Paschamaaltijd werd gezongen over de redding door God.
Die redding gaat voor Petrus gelden, al moet hij die diepe weg van berouw gaan.
Ik zal niet sterven, al zift de vijand mij als de tarwe.
Ik zal leven.
Zo kunnen wij ook leven, door die ene blik van Jezus.
Die kan komen door een lied, een uitspraak, een tekst uit de bijbel, een preek.
Gods rechterhand houd door haar kracht – die kracht die in de blik van Jezus was
was die kracht van Gods rechterhand. Gods rechterhand houdt door haar kracht
Gods volk in stand.
Amen

 

Preek zondag 8 maart 2020

Preek zondag 8 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 17:20-37

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De vraag die de Farizeeën aan de Heere Jezus stelt, is een herkenbare vraag.
Ik denk dat wij ook wel zouden willen weten wanneer dat Koninkrijk van God zal komen.
Dan weet je hoeveel tijd er nog aan ons gegeven wordt
en kunnen we ons er op instellen, zodat het je er niet door overvallen wordt.
Of hoeveel tijd je nog hebt om de mensen om je heen zover te brengen
dat zij ook in Christus gaan geloven.
Dan weet je ook dat je niet tevergeefs wacht op de komst van dit Koninkrijk
en dat het allemaal waar is wat Jezus over dat Koninkrijk verteld heeft.

We lezen geregeld in de evangeliën dat de Farizeeën Jezus op de proef willen stellen,
maar dat is hier niet het geval.
Hier wordt door de Farizeeën een serieuze vraag gesteld,
omdat zij zelf ook uitkijken naar het Koninkrijk van God.
Voor hen betekent het Koninkrijk van God dat het volk Israël weer trouw is aan God,
dat het hele volk weer bezig is met het dienen van God
en zich houdt aan de wetten die God gegeven heeft
en dat iedereen die in het verbond met God hoort ook God eert met woord en daad.
Ze beseffen dat er nog heel wat moet gebeuren,
omdat de meesten zijn afgedwaald en zich helemaal niet met God bezig houden
en leven op een manier die niet past bij het volk van God.
Ze houden hun hart vast: want wat zal er gebeuren als God terugkomt
en Hij Zijn volk aantreft met zo’n zondige levensstijl, zo afgedwaald van Gods wegen.
Ze geloven dat God alleen maar met Zijn oordeel zal komen.
Er is één manier om aan dat oordeel te ontkomen
en dat is het hele volk tot inkeer komt, inziet dat ze zonder God leven
en dat hun zondige levensstijl het oordeel van God over hen zal brengen.
Ze kijken uit naar de Messias die zal komen.
Hij zal het volk terug brengen.
Door de leiders aan te klagen, door net als Jona te vertellen dat Gods oordeel komt.
Alleen wie op dat moment trouw is aan de Heere, zal met de Messias mee mogen gaan
het Koninkrijk van God in.
Bijzonder zal het zijn: een volk dat trouw is aan de Heere
en God die in Jeruzalem als Koning regeert.
Daar kijken ze naar uit: naar dat moment dat God onder hen is
maar ook dat ze alleen nog maar omringd worden door mensen die werkelijk loyaal zijn
aan de Heere en Hem met hart en ziel, met mond en daad dienen.
Wanneer zal dat moment er zijn?
Zij keken er naar uit en letten of ze om zich heen reeds tekenen konden zien
die erop wezen dat het grote moment was aangekomen
dat de Messias kwam, dat het oordeel werd voltrokken en dat God naar Zijn volk kwam.
Zij keken er naar uit. Wanneer?

Laat komen, Heer, uw rijk, uw koninklijke dag,
toon ons uw majesteit, Messias, uw gezag!

Waar blijft dat overlang beloofde land van God,
waar liefd’ en lofgezang verdrijven leed en dood?

Dat land, het ons vanouds
vertrouwde Kanaän,
Waar God zijn stad herbouwt;
Sion, waar zijt ge dan?

Een begrijpelijke vraag van de Farizeeën: Wanneer komt dat koninkrijk dan?
Het kan zijn dat u ook op de tekenen van de tijd let:
Kan ik er al iets van zien dat Gods koninkrijk eraan komt?
Kan ik het zien aan wat er in deze wereld gebeurt aan oorlog, epidemieën, natuurrampen?

Dan is het antwoord dat Jezus geeft verrrassend:
Dat Koninkrijk van God, waar je zo naar uitkijkt, dat moment dat God er zal zijn,
dat er orde op zaken gesteld zal worden en er weer echt geloof zal zijn en trouw
– je kunt het niet op een zichtbare manier zien.
Je kunt het niet met je ogen waarnemen en je zult het ook niet kunnen aanwijzen.
Je kunt er geen mensen naar toenemen om aan te laten zien: hier is dat koninkrijk gekomen.
Dat maakt het niet makkelijk om dat Koninkrijk van God binnen te gaan.
Want dat is wel wat de Farizeeën willen
En daarin lijken de Farizeeën op de volgelingen van Jezus.
Want ook Jezus roept Zijn leerlingen op – ook ons – dat Koninkrijk binnen te gaan.
Hoe kan dat nu? Niet zichtbaar en toch moet je het binnengaan?
Dat is een belangrijke kwestie, want wij ook wij moeten binnengaan
en hoe doe je dat dan?
Het antwoord van Christus kunnen we op twee manieren opvatten.
Als u de tekst voor u heeft, kunt u ook zien dat er een tweede mogelijkheid wordt gegeven.
De vertaling kiest ervoor dat Jezus zegt: Het Koninkrijk is binnen in u.
Dat betekent: je hart is open gegaan voor Christus.
Hij is in je hart komen wonen, je bent in Hem gaan geloven
en je bent zo gaan leven, zoals Hij dat wil: trouw aan Hem, trouw aan Zijn richtlijnen.
Hoewel die mogelijkheid gekozen kan worden, is die andere optie beter:
Het Koninkrijk is in het midden van u.
De Farizeeën kijken nog uit naar de Messias, maar ze hebben niet door
dat ze hier al met de Messias in gesprek zijn
en dat met de komst van Christus op aarde dat Koninkrijk van God gekomen is.
Wil je meer weten over dat Koninkrijk van God dan moet je naar deze Messias kijken:
Jezus, geboren uit de maagd Maria, de Zoon van God op aarde gekomen met een missie,
een missie die Hij van Godswege zal gaan vervullen
en wil je dat Koninkrijk van God binnengaan, dan moet je bij deze Jezus zijn.
Hij is het Koninkrijk van God, Hij brengt dat Koninkrijk
En alleen Hij kan je dat Koninkrijk laten binnengaan.
Sinds Hij voet op aarde zet, is dat Koninkrijk van God begonnen.

Nu Zijn leerlingen nog bij Hem zijn, kunnen ze dat geloven,
maar er zal een tijd komen, waarop Hij van Zijn leerlingen gescheiden zal zijn.
Dat kunnen twee momenten zijn: het moment waarop Jezus wordt gearresteerd
en meegenomen wordt voor een verhoor en uiteindelijk gedood zal worden.
Dat zal een hard gelag zijn voor de leerlingen en ze zullen in de verleiding komen
om Jezus vaarwel te zeggen en bij Hem vandaan te gaan
en uit teleurstelling ergens anders op zoek gaan naar het Koninkrijk van God,
waarvan ze geloofden dat hun Meester die zou brengen.
Jezus kan hier ook doelen op de tijd na Zijn hemelvaart,
het moment dat Hij in de hemel de troon bestijgt
en vanaf de hemelse troon de wereld bestuurt.
Op beide momenten zullen de leerlingen van Christus kwetsbaar zijn,
omdat ze Jezus niet zichtbaar bij zich hebben.
Wellicht merkt u dat bij uzelf ook wel:
Natuurlijk, onze Heer is in de hemel en Hij regeert vandaaruit.
En toch, je zou juist soms van die tekenen willen hebben, dat het waar is,
dat het zichtbaar is dat Christus vanuit de hemel regeert.
Hoe kwetsbaar je ook bent om bij Hem vandaan te gaan, omdat je Hem niet ziet,
laat je niet in verleiding brengen om bij Hem weg te gaan,
omdat iemand anders je denkt dat Koninkrijk van God aan te wijzen.
Want dat Koninkrijk heeft vooral met één moment te maken,
dat voor Jezus nog moet komen: het kruis op Golgotha.
Dat moet eerst nog komen voor het Koninkrijk van God zal komen.

Als Jezus aan het kruis hangt, zegt Hij: dat Koninkrijk van God is nu gekomen.
Hij zegt dat tegen die moordenaar die op het allerlaatste moment van zijn leven
inziet wie die Man is die naast hem aan het kruis hangt.
Dat Hij de Messias is die toegang kan geven tot het Koninkrijk van God.
Denkt U aan mij, zegt hij dan ook tegen Jezus, als U in dat koninkrijk gekomen bent.
En het antwoord van Jezus is: Heden, nu.
Nu Hij aan het kruis hangt is dat koninkrijk gekomen.
Maar hoe wordt dat koninkrijk dan zichtbaar?
Want Jezus zegt toch dat het zo zichtbaar zal zijn, voor iedereen, net als de bliksem.
De bliksem ziet iedereen van de ene kant van de lucht naar de andere schieten.
Voor iedereen zichtbaar, je schrikt en je wacht benauwd af: hoe hard klinkt de klap?
Ja, wel zichtbaar, maar dan in een duisternis die drie uur duurt.
Dat is het oordeel waar de Farizeeën naar uitkeken, waarbij God alles recht zet.

Dag des oordeels, dag des Heren. Alles zal tot as verteren, zoals de profeten leren.

Dag van schrik die aan zal breken, als de Rechter recht zal spreken,
en het kwaad op aarde wreken.

Maar dan niet het oordeel dat God over Zijn eigen volk uitgiet
dat Hem bij Hem vandaan gegaan is, niet over de zondaars en de goddelozen,
maar over Zijn eigen Zoon, die daar hangt in onze plaats.

Stel dat je die dag zou meemaken en je zou gewoon maar doorgaan met je leven
alsof er niets was gebeurd,
alsof er niet die enorme dreiging van Gods oordeel was weggedragen.

Je gaat door met je gewone leventje:
door aan tafel te gaan, te eten op te scheppen en drinken in te schenken
Alsof het niet telt dat daar op die heuvel Golgotha
de deur van Gods koninkrijk is opgegaan en jij, u daar binnen mag gaan.
Dat het belangrijker is om je eigen gezin te stichten en je leven op te bouwen
Dan dat God de mogelijkheid geeft om gered te worden en niet verloren te gaan.
Of naar nu, dat je weet dat je de mogelijkheid hebt om dat koninkrijk in te gaan,
maar dat je daar niet druk om maakt, maar meer bezig bent
om wat je van de spulletjes die je hier verzameld hebt in veiligheid zou kunnen brengen
en je dit leven dat je nu hebt nog niet kwijt wilt.
Opnieuw klinkt het: Wie zijn leven zal proberen te behouden, zal het verliezen.
Als je net als de mogelijkheid geboden wordt om weg te komen
en een veilig heenkomen te vinden, omdat God je in veiligheid wilt brengen
voordat het oordeel van God alsnog over deze wereld wordt gebracht.
Maar je meer als de vrouw van Lot bent, die achterom keek:
het ging haar aan het hart om dat alles te verliezen: haar bezittingen, haar huis,
haar stad, haar vriendinnen en buren die achterbleven – dat was haar hele leven!
Als je net als Noach de mogelijkheid hebt om met Christus de ark in te stappen,
maar je bent als de mensen uit de tijd van Noach,
die schouderophalend aan Noach voorbij liepen, toen hij zijn ark bouwde.
Je kunt te laat zijn, omdat je je ogen ervoor sluit voor de tijd die komen gaat.
Omdat je je oren dichtstopte.

Je kunt te laat zijn, terwijl degene met wie je optrok wel meegaat,
zoals Lot meeging met de engelen die hem kwamen redden
en dat je achter blijft, zoals de mensen achter bleven de deur van de ark dicht ging.
Je kunt op aarde zo nauw met elkaar verbonden zijn:
samen tot een gezin behoren, of samen aan tafel aan de maaltijd liggen.
Samen aan het werk zijn en echt als collega’s een duo vormen,
op dezelfde plek aan het werk.
En toch moeten zien dat die ander wel meegaat,
omdat jij de oren dicht stopte toen de waarschuwing kwam,
en de oproep om je leven te veranderen naast je neerlegde.
Dan blijf je achter. Je hebt over het Koninkrijk van God gehoord,
je hebt de weg geweten, de poort ernaartoe gezien,
maar je bleef er onbewogen onder, omdat je leven hier te kostbaar was.
Je had hier zoveel en je dacht dat het niet zo’n vaart zal lopen
en je deed je ogen dicht, net als de discipelen in de Hof van Gethsemané
juist op het moment hun Meester hen opriep met Hem te waken,
om te voorkomen dat je in verzoeking raakt.

Wanneer komt dat Koninkrijk?
Nee, zegt Jezus, niet: wanneer. Want dan kijk je naar de toekomst
en dan zie je niet dat je nu in moet gaan om het leven te vinden.

Waar kom je dan terecht?
Dat is de vraag van de leerlingen.
Wat gebeurt er met je, als je net als Lot wordt meegenomen.
Waar blijf je als je de ark in stapt?
Wat staat je te wachten?
Waar kom je terecht als je die deur doorstapt het Koninkrijk van God in?
Hoe zal het daar zijn?
Zal er echt redding, behoud zijn? Ben je daar wel veilig?
Ben je daar ook veilig als het oordeel van God komt?

In de vertaling zoals we die hebben is het antwoord raadselachtig:
Waar het lichaam is, zullen de gieren zich verzamelen.
Het gaat hier echter niet om gieren, maar om adelaars, arenden.
Maar wie de Heere verwachten zullen hun kracht vernieuwen,
zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden.
Indrukwekkende vogels, die hun vleugels kunnen uitslaan
en weg kunnen vliegen naar een bergtop waar ze veilig zijn.
De arend bouwt zijn nest in de hoogte, haast zelfs tussen de sterren:
onbereikbaar voor het kwaad dat komen zal, veilig.
Waar is die plek dan waar de arend zijn nest bouwt en veilig is?
Waar is die plek dan waar de gelovige veilig en bewaard is?
Waar het lichaam is.
Dat lichaam, dat aan het kruis gehangen heeft en in de dood geweest is
en levend uit het graf gekomen is, en is opgevaren naar de hoogte
zoals een arend, maar dan helemaal de hemel in.
Dat lichaam waarvan Jezus zal zeggen als ze bij elkaar zijn om het PAscha te vieren:
Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt.
Neem, eet, gedenkt en gelooft dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Dat lichaam dat gehangen heeft aan het kruis, dat in de duisternis heeft gehangen
en het oordeel heeft gedragen, dat in de dood geweest is.
Hij werd verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Dat lichaam dat uit het graf kwam en voor ons de deur is naar het koninkrijk is.
Waar Hij, onze opgestane Heer, waar Hij, onze Heer die in de hemel aangekomen is,
Waar Hij is, daar zullen ook zij zijn, die door Hem zijn meegenomen
omdat zij wisten van die toegang, omdat zij zich lieten meenemen,
omdat zij gered wilden worden.

Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
Hij was ‘t, die door zijn sterven aan haar het leven gaf.

Vergaard uit alle streken in heel de wereld een,

werd dit haar zalig teken, dat allen is gemeen:
Dat ze het leven in Hem vonden en zich aan Hem verloren.

 

Hier op aarde is er nog een strijd, maar er is wel de zekerheid,
wie de weg van Hem gaat, wie door die poort is gegaan,
is voor altijd veilig, ook voor het oordeel van God.

Geef dat in uw genade, o God, ook eenmaal wij
langs uwe lichte paden gaan tot der zaal’gen rei!
Amen

Preek nieuwjaarsdag 2020

Preek nieuwjaarsdag 2020
Schriftlezing: Lukas 3:1-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Opeens is hij daar: Johannes de Doper.
Tijden heeft hij in de woestijn geleefd,
waar het grote wereldgebeuren langs hem heen gegaan is.
Als je hem zou vragen wie er op dit moment de provincie Judea bestuurt,
zou hij je verbaasd aankijken en je zou in zijn ogen de vraag lezen: is dat belangrijk dan?
Als je hem zou vragen, welke keizer er in Rome over de wereld regeert,
zou hij zijn schouders ophalen en zeggen:
Er is er maar Eén, die regeert en dat is de hemelse Heer.
Dat is het enige dat telt.
Daar in de woestijn heeft hij de laatste nieuwtjes over keizer Tiberius niet meegekregen,
hoe deze keizer zo argwanend werd, dat hij niemand meer vertrouwde
en zijn tegenstanders stuk voor stuk liet oppakken en liet doden.
Daar in de woestijn was hij met andere dingen bezig.
Niet met de waan van de dag van de politiek,
ook niet met het nieuws dat je even bezig houdt, waar je je even druk om maakt,
maar waarvan je aan het einde van het jaar niet meer weet dat dit speelde.
Johannes was als kind niet opgegroeid tussen de mensen,
maar leefde in afzondering, ver weg van het gewoel van de mensen.
Om zich daar in alle eenzaamheid zich voor te bereiden op de taak die hij had.
Doordat hij op een afstand van de mensen opgroeide,
kon hij wellicht scherper zien wat er in een samenleving mis was.
En doordat hij in afzondering leefde, kon hij meer bezig zijn met de dingen van de Heere.

Denk niet dat het voor Johannes makkelijk was om in die afzondering te leven.
Je voelt Gods aanwezigheid echt niet sterker dan wanneer je wel onder de mensen bent.
En of je in de eenzaamheid de stem van God beter verstaat, is maar de vraag.
Want vaak hoor je die stem van God door wat mensen tegen je zeggen
En heb je anderen nodig om met de dingen van de Heere bezig te zijn.
Wat het leven in afzondering, in eenzaamheid, in de woestijn moeilijk maakt,
is dat je niet weet wat je weg zal zijn, waar de Heere je brengt.
In de woestijn ben je al het vertrouwde kwijt, alle oriëntatie, heb je geen richtingsgevoel.
afhankelijkheid van de elementen van de natuur:
of er water is, of je eten zult vinden, of je een plek hebt om te slapen,
De woestijn betekent: opnieuw beginnen.
Niet omdat je zelf daar voor kiest om opnieuw te beginnen, maar omdat God er voor kiest.
In het Oude Testament is de woestijn daarom het beeld van de crisis:
God die je opnieuw laat beginnen.
En wie wil dat nu: opnieuw beginnen,
al het vertrouwde dat je hebt, de zekerheden die je in je leven zijn missen:
de zekerheid van je gezondheid, van familie en vrienden om je heen,
De zekerheid dat God er voor je is en je leven leidt, je beschermt en bewaart.
Als je al die zekerheden kwijtraakt, dan raak in je in Bijbelse woorden in de woestijn.
Vaak is het dat God je dan in de woestijn brengt, als volk,
of als persoon, zoals dat met Johannes dat het geval kan zijn.
Om je opnieuw te laten beginnen.

 

Opnieuw beginnen, van vooraf aan.
Zoals Israël door de woestijn trok, op weg naar het beloofde land.
In de woestijn zijn, zoals Johannes dat was,
Betekent net als het volk Israël destijds niet in het beloofde land zijn
maar onderweg, een weg met veel ontberingen en moeilijkheden,
van honger en dorst, van zoeken naar de juiste weg, gevaren die er zijn.
Bij al die keren opnieuw moeten zoeken hoe de Heere in die momenten aanwezig is
en daardoor eerst niet zien dat Hij er is en met je meegaat
maar eerst vertwijfeld bent en je afvraagt wanneer de Heere van zich laat horen.
Een crisis, een diep dal, waardoor je heengaat
maar waarna je de Heere toch weer vindt, Hij er toch blijkt te zijn.

Johannes komt uit de woestijn om tegen de mensen van zijn eigen volk te zeggen
dat ze opnieuw moeten beginnen,
dat ze het vertrouwde moeten loslaten,
dat ze niet vast kunnen houden aan het leven zoals ze dat tot nu toe geleid hebben.
Stel dat Johannes hier vanmorgen zou zijn en dat tegen u zou zeggen,
of dat jou zou voor houden dat je opnieuw moet beginnen,
een nieuwe start moet maken, helemaal opnieuw beginnen.
Hoe zou jij, hoe zou u dan reageren?
Misschien denk je bij jezelf: zoals mijn leven nu is, ben ik eigenlijk wel gelukkig.
Als er iets zou moeten veranderen, liefst niet al te veel.
Of misschien zeg je: ik zou wel opnieuw willen beginnen.
Er zijn bepaalde patronen in mijn leven, waarmee ik zou willen breken.
Hoe we in ons huwelijk met elkaar omgaan, ik zou willen dat we er meer voor elkaar zijn,
elkaar begrijpen en aanvoelen, van elkaar kunnen genieten.
Of je denkt bij jezelf: ik zou mijn werk wel anders willen doen,
Want zoals het nu gaat op mijn werk is niet gezond. Dit houd ik niet vol.
Soms neem je het voor om een nieuwe start te maken,
bijvoorbeeld zo aan het begin van een nieuw jaar, of aan het einde van een vakantie
Om het helemaal anders te doen.
Vaak is dat een hele klus en zo eenvoudig nog niet
en als je dan weken of maanden verder bent, ben je weer in je oude patroon terug.

Nu is Johannes er op uit gestuurd om tegen de mensen zeggen
Dat ze opnieuw moeten beginnen
En dan niet zomaar met een nieuwe levensstijl, maar opnieuw beginnen met God.
Stel dat Johannes dat tegen ons zou zeggen:
Je moet niet zomaar opnieuw met je leven beginnen, een nieuwe start maken,
maar God echt toelaten in je leven en met Hem beginnen, een radicale verandering.
Dan zou je wellicht diezelfde ontwijkende reacties kunnen hebben,
die de volksgenoten van Johannes hadden, toen hij tegen sprak over dat nieuwe begin.
Je kunt zeggen: Hoezo opnieuw beginnen, want ik heb God toch in mijn leven?
Ik ben aan het begin van mijn leven gedoopt?
Ik ben toch door mijn ouders opgevoed met de verhalen van de Bijbel?
Ik heb van hen geleerd om naar de kerk te gaan, om te bidden.
Ze hebben mij liederen aangeleerd die ik in de kerk of ook thuis zing.
Johannes spreekt zijn volksgenoten erop aan:
Denk niet dat je er door je afkomst al bent.
Je zit niet automatisch goed, omdat je uit een gelovig gezin komt.
Als ze bij hem komen om een nieuwe start te maken door de doop van hem te ontvangen,
spreekt hij hen scherp aan:
Wat komen jullie hier doen? Denk je dat je door de doop het oordeel van God kunt ontlopen?
Hij zei tegen de menigte die uitliep om door hem gedoopt te worden: 

Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?

Enige tijd geleden las ik een aantal preken die voor de tijd van advent waren gehouden.
Deze preken werden gehouden in de Episcopale kerk (de Anglicaanse kerk in de VS).
Deze kerk heeft een leesrooster, waarbij de verhalen over Johannes de Doper
een plaats krijgen in de lezingen van advent.
Deze predikante gaf in een van de preken aan de gemeente voor
dat zij een adventskalender zou ontwerpen,
zo’n kalender met van die schattige venstertjes.
En dat achter een van die venstertjes een afbeelding van Johannes de Doper zit,
die je na het openen van zo’n venstertje je streng aankijkt en zegt: ‘Addergebroed’.
In een andere preek stelt ze voor die regel op een kerstkaart te laten afdrukken
En iedereen een kerstkaart te sturen met daarop: ‘Jij addergebroed!’
Het was bedoeld als een humoristische plaagstoot richting de gemeente
En tegelijkertijd met een ondertoon van ernst.
Ik vermoedde dat ze de gemeente zo een vraag wilde meegeven
En door het op een humoristische manier te brengen de gemeente wilde laten nadenken
over een vraag die ze anders uit de weg zouden gaan:
Wat heb ik nodig om te veranderen? Door wie laat ik me gezeggen?
En dan niet in het algemeen, maar specifiek op God gericht:
Wie kan mij aanspreken, wie heeft over mij zoveel gezag dat ik naar hem of haar luister
als ik er op aangesproken wordt om mijn leven te veranderen, radicaal, een nieuw begin?
Een nieuwe weg die we inslaan, waar we niet meer van afwijken,
een nieuwe weg die niet even een bevlieging is, die we enkele weken volhouden,
maar radicaal, een totale nieuwe start, die de rest van ons leven bepaalt.
Johannes verkondigt zo’n nieuwe start met God op een speciale manier,
een manier om te laten zien hoe er een verschil is tussen het nieuwe leven
en het oude leven dat er tot dan toe was.
Johannes greep daarbij terug op een oud gebruik onder de Joden:
namelijk om jezelf met water te wassen voor je naar de tempel of de synagoge ging.
Om jezelf te reinigen voordat je God kon ontmoeten.
Voor Johannes was dat niet genoeg.
Wellicht had hij als buitenstaander, omdat hij zo in afzondering was opgegroeid
een scherp oog gekregen voor de afwijkingen in het volk
en gezien dat ze zich in het leven van God er wel makkelijk af maakten.
Elke keer als ze naar de synagoge of de tempel gingen, wasten ze zich,
maar het had geen effect op hun leven.
Ze bleven dezelfde mensen, die op dezelfde manier bleven leven.
In hun gedrag, in hun levensstijl veranderde niets.
Die reiniging was alleen maar iets voor de buitenkant.
Johannes moest met iets komen, dat ook de binnenkant veranderde,
zorgde dat het hart van de mensen die kwamen werd veranderd.
Dat ze ook echt andere mensen werden,
anders omdat ze nu wel God in hun hart hadden.
Daarom stond hij bij de Jordaan, om de mensen onder water te laten gaan.
Met het oude leven dat ze hadden,
Waarvan ze dachten dat het wel goed zat, dat ze er wel waren
omdat ze al aan deze kant van de Jordaan leefden,
en behoorden tot het volk dat God had uitgekozen.
Ze hielden alleen zichzelf buiten schot.
Ze dienden God wel, maar waren er met hun hart niet bij.
Dat is nu voorbij, zei Johannes en liet hen onder water gaan.

De Heidelberger Catechismus vraagt in zondag 33:
Uit hoeveel delen bestaat de bekering?
Antwoord: Uit twee delen: de afsterving van de oude mens
En de opstanding van de nieuwe mens.
Wat die afsterving betekent, en ook die opstanding:
We zien het in de doop die Johannes de mensen laat ondergaan.

Wat is de afsterving van de oude mens?
Het is een oprecht berouw hebben dat we God door onze zonden vertoornd hebben
En het steeds meer haten en mijden van de zonden.

Wat is de opstanding van de nieuwe mens?
Het is een innige blijdschap in God door Christus
en een lust en liefde om naar de wil van God alle goede werken te volbrengen.

Dat de mensen in de doop van Johannes niet alleen maar een scherpe kritiek hoorden
maar ook merkten dat daarin een nieuwe start met God te vinden was
blijkt wel dat ze met een grote menigte op Johannes afkomen om gedoopt te worden.
Voor Johannes is alleen de vraag: gebruiken ze de doop alsnog als uitvlucht
of grijpen ze de doop aan als werkelijk nieuw begin met God?
Zelf is Johannes er niet gerust op.
Zelfs zo’n radicaal ritueel dat aangeeft dat je opnieuw moet beginnen met God
kun je gebruiken om die radicale verandering die er in je hart nodig is,
buiten jezelf te houden en buiten schot te houden.

Maar dan is er nog steeds geen ruimte voor God en kan de Heere niet komen
in het leven, in het hart van de mensen die aangesproken zijn.
Het is Johannes’ taak om wegbereider te zijn,
om in de harten van de mensen, die voor hem komen en door hem gedoopt worden
ruimte te maken voor Christus.
Om de belemmeringen weg te halen, om de blokkades die er zijn uit de weg te ruimen
zodat er vrij ruimte voor de Heere komt om te komen in de harten.

Johannes is een bode van God, gestuurd om het volk klaar te maken voor Jezus,
om Christus te onthalen, in het hart te hebben,
en dan niet alleen voor de vorm, voor de buitenkant,
maar met Hem opnieuw te mogen beginnen, te kunnen beginnen.
God geeft een nieuw begin, door Johannes te sturen als wegbereider,
door Jezus te sturen die voor ons het nieuw begin is.
amen

Gespreksvragen over opnieuw geboren worden

Gespreksvragen over opnieuw geboren worden
N.a.v. Annie Berents – Karkdijk, Ja kom binnen Heer (p. 4-20)

Wedergeboorte: vraag 1-3
Ja, kom binnen Heer: vraag 4-7
De kamer: 8-10

  1. Opnieuw geboren worden heeft te maken met opnieuw beginnen. Wat zou u anders doen als u opnieuw mocht beginnen? Wat heeft God met dat opnieuw beginnen te maken?
  2. Van Nicodemus kun je zeggen: Hij verlangt naar Gods aanwezigheid in zijn leven. Herkent u dat verlangen? Wat doet u om die aanwezigheid te vinden (te ervaren)?
  3. p. 10: Mijn leven heeft eeuwigheidswaarde gekregen. Wat betekent dat voor het leven na dit leven? En voor het leven hier op aarde?
  4. Hoe herken je dat de Heere aan de deur van uw hart staat te kloppen?
  5. Welke reactie had u (of zou u hebben) als Christus bij uw hart aanklopt: verlegenheid, onwennigheid, of ….?
  6. Hoe kun je Hem binnenlaten?
  7. Gaat dat bij mannen anders dan bij vrouwen?
  8. Naar welke kamer of ruimte in uw hart zou Hij het eerst naar toe gaan? Wat treft Hij daar aan? Wat moet daarmee gebeuren?
  9. Wat is er nodig om met Christus in je hart op je gemak te raken?
  10. Bij alles wat je nu doet is Christus erbij. Dat betekent:(a) dat Christus op de troon van uw hart zit en niet meer uw eigen ik, (b) dat Hij de leiding heeft in uw leven. Wat herkent u ervan? Vind u het een fijn idee of juist niet?1001004002014734

De plek van ellendekennis op de geloofsweg

De plek van ellendekennis op de geloofsweg.
(In gesprek met de theologie van de Gereformeerde Gemeenten)

In zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus stelt Klaas Schilder bij zondag 2 dat de kennis van ellende niet mogelijk is zonder geloof. Hij zegt het daar in zijn commentaar als kritiek op Remonstranten en op bepaalde vooraanstaande personen uit de GKN van zijn tijd (prof. dr. V. Hepp, dr. P. Prins), die uitgaan van algemene Godskennis buiten het geloof om. Bij mensen die niet geloven zou er ook een bepaald besef zijn van onze vervreemding van God. Volgens Schilder is dat echter niet mogelijk. Die vervreemding, die er wel degelijk is, wordt pas erkend als iemand is gaan geloven.

Bij het lezen van die passage moest ik denken aan de Gereformeerde Gemeenten. Naar mijn idee gaat men daar uit van een fase van de kennis van onze ellende, die voorafgaat aan het geloof. Dan zou de theologie van de Gereformeerde Gemeenten in een bepaald opzicht dicht tegen de Remonstrantse theologie aanzitten. Dat wordt soms wel gezegd: dat de uitersten elkaar raken. Maar klopt mijn indruk van de theologie van de Gereformeerde Gemeenten wel? Ik besloot het op Twitter na te vragen.

Daaruit kreeg ik eigenlijk twee soorten antwoorden. Voor de een klopte het inderdaad dat de kennis van onze ellende voorafgaat aan het geloof. Wanneer je genoeg onder de indruk bent van de ellende is op er op een keer een moment dat de balans van ongeloof naar geloof omslaat. Anderen gaven echter aan, dat de kennis van de ellende wel degelijk onderdeel uitmaakt van het geloof. Afscheid nemen van de zonde, inzien hoe erg de zonde is, zou dan een eerste stap zijn in de weg van geloof. Mij werd ook verteld dat dit verschil in het plaatsen van de kennis van de ellende in de weg van geloof het onderscheid uitmaakt tussen de Gereformeerde Gemeenten en andere reformatorische kerken.

Een ander inzicht dat ik opdeed, was dat er onderscheid gemaakt wordt in kennis van God en in kennis van Christus. Wanneer iemand nog niet tot geloof gekomen is, is er wel kennis over God. Dat is dan alleen kennis over God-in-het-algemeen, de onbekende God. Dat is nog niet de Verbondsgod, nog geen kennis over Christus. Dat bracht mij in verwarring: wordt er onderscheid gemaakt tussen God en Christus? Na wat overwegingen begreep ik, dat het hier niet om een verschil in wezen gaat, maar om een verschil in kennen. In de fase waarin iemand nog niet gelooft, kan hij wel allerlei indrukken van God hebben, maar omdat hij nog niet gelooft, is het geen echte kennis over God. Echte kennis kan alleen komen uit geloof, uit een levende relatie met Christus.

Nu gaat het bij verschil in opvattingen tussen kerken vaak om wezenlijke vragen, die voor alle gelovigen van belang zijn. Dat het om zulke wezenlijke vragen gaat, wordt niet altijd duidelijk omdat het verschil vaak in polemiek wordt uitgevochten zonder uit te leggen om welke wezenlijke vraag het gaat. In de polemiek ligt men overhoop vanwege het antwoord dat gegeven wordt en de consequenties voor het preken en gemeentezijn die vaak heel zichtbaar kunnen zijn. Om een discussie te begrijpen is het van belang om helder te hebben welke vraag hier ten grondslag ligt. Het duurde voor mij ook wel even voor ik helder had om welke wezenlijke vraag het gaat.

Naar mijn idee gaat het hier om enkele wezenlijke vragen, die niet alleen binnen de reformatorische kerken spelen. Ik kwam op de volgende vragen: (1) Wanneer is het moment dat je als gelovige ‘omgaat’ van ongelovige naar gelovige? (2) Wat is voor een gelovige nodig om ‘om te gaan’? (3) Wanneer komt in het proces van overgaan van ongeloof naar geloof de mens in beeld? (4) Welke kennis over God heeft iemand in de fase waarin hij nog niet gelooft en wat verschilt die kennis met de kennis van wanneer iemand wel is gaan geloven?

Het is duidelijk dat de kennis over God (4) verschilt wanneer iemand nog niet gelooft van iemand die wel gelooft. Wie niet gelooft, kan God niet vertrouwen. De zonde zorgt voor wantrouwen. Wanneer iemand met wantrouwen naar een ander kijkt, is de kennis over de ander altijd gekleurd. Schilder zegt steeds: als iemand in zonde ligt, houdt hij de kennis over de eigen ellende en over wie God werkelijk is eronder. Diegene duwt de kennis over God weg om niet te hoeven geloven.

De overgang van ongeloof naar geloof is een wezenlijke (1). Het is niet minder dan de overgang van dood naar leven, van verloren zijn naar behouden worden. Voor veel mensen in de reformatorische kerken is die overgang ongrijpbaar, omdat er allerlei barrières opgeworpen zijn. Die barrières zijn er om je niet te vergissen en je niet rijk te rekenen. Om niet te denken dat je behouden zult worden, terwijl je nog in verloren staat bent. Een van die barrières is, dat in dit proces de mens er nergens aan te pas komt. Wanneer de mens er wel aan te pas zou komen, zou dat geen stand houden. Alleen als de hele weg Gods werk is, kan iemand gered worden.

Daarmee blijft de overgang iets schimmigs hebben. Bekering is eigenlijk een onmogelijkheid aan menselijke kant. Bekering gebeurt echter wel, omdat God iemand bekeert. Die onmogelijkheid wordt naar mijn idee ook breder dan de Gereformeerde Gemeenten gedeeld. Ook in de kerk waar ik opgroeide was bekering aan mensenkant onmogelijk. Dat bekering mogelijk was, kwam omdat God werkte. Hij zorgde ervoor dat een mens overstag gaat. Alleen moet een mens dat wel eigen maken, toe-eigenen (3). In de praktijk is het voor kerkgangers van belang om te weten, wanneer ze mogen zeggen dat ze geloven, dat ze van Christus zijn. Of nog een stapje eerder: dat ze de genade mogen aannemen? Daar verschillen kerken juist weer in.

In de kerk waarin ik opgroeide, kwam door de toe-eigening de mens in beeld. Dat had in de praktijk ook een voordeel, omdat je als kerkganger wist wanneer jijzelf aan de beurt was om iets te doen. Omdat dat bij andere kerken minder het geval is, krijgt bekering iets mysterieus. In de praktijk gaat het dan om een zo’n ingrijpende ervaring, dat je als mens weet dat je niet meer terug kunt. Dat gemeenteleden zo’n overgang van ongeloof naar geloof (of misschien meer van geloven naar durven accepteren dat je gelovig mag zijn) niet goed helder hebben, merk ik in de gemeente ook. Vaak gaan mensen een stap in geloof maken na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een ervaring van overlijden of ziekte. Dat is echter gevaarlijk, omdat de overgang niet gekoppeld wordt aan de beloften van God of aan de Bijbel, maar aan de eigen ervaring.

Nu gaf ik aan dat het om wezenlijke vragen te maken heeft die voor iedere gelovige van belang zijn. De theologie van de Gereformeerde Gemeenten heeft iets kritisch naar allerlei ervaringen, die mensen dan weer duiden als ervaring van God: een zonneschijn, een regenboog, een vlinder die fladdert, een rustig gevoel dat over je komt, het gevoel gedragen te worden. Vanuit de theologie van de Gereformeerde Gemeenten bedenk ik nu: heb je dan echt met God te maken in die ervaringen? En is die kennis genoeg om zalig te worden of is er meer nodig?

Naar de Gereformeerde Gemeenten toe zou mijn vraag zijn: is de ene ervaring, die wellicht terecht bekritiseerd wordt omdat de link met de kennis die zaligmaakt niet helder is, niet ingeruild voor een andersoortige ervaring? Is het niet juist de beleving hier die op een dwaalspoor brengt en in plaats van iemand bij God te brengen om de zaligheid te ontvangen achter laat in een mistig gebied, waarin iemand de weg naar God niet kan vinden en daarmee de zaligheid dreigt mis te lopen?

Preek zondag 14 juli 2019

Preek zondag 14 juli 2019
Bediening Heilige Doop
1 Johannes 4:7-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je nieuwsgierig bent, hoe een stel bij elkaar gekomen is, kun je vragen:
‘Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen?
Die vraag kan ook aan jullie, doopouders, gesteld worden:
vertel eens hoe het met jullie begon.
Als je elkaar wat beter kent en als je je nieuwsgierigheid niet kunt bedwingen,
kun je ook vragen: wie was nou de eerste? Wie zag wie nou staan?
Bij de een kun je een verhaal horen dat het liefde op het eerste gezicht was.
Bij een ander kun je een verhaal horen dat er een hele tijd overheen ging,
dat iemand echt zijn of haar best moest doen om de ander voor zich in te winnen.

Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen? En wie is er begonnen?
Dat is een vraag, die je ook kunt stellen aan iemand die gelooft?
Wanneer is je relatie met God nu begonnen? Wanneer ben je gaan geloven?
Kun je iets vertellen over hoe je van God bent gaan houden?

Misschien heb je dat wel heel duidelijk wanneer dat begon.
Niet iedereen kan dat heel duidelijk aanwijzen, maar het kan wel.
En wie is dan de eerste: ben jij begonnen en moest je op God wachten?

Of is de Heere begonnen met jou en moest Hij op jouw antwoord wachten?
Moest Hij wel heel lang met je bezig zijn, je misschien wel wel veroveren?

God is begonnen, zegt Johannes in zijn brief.
God was als eerste met Zijn liefde voor ons en is naar ons op zoek gegaan
om ons hart te winnen voor Hem, net zolang tot we geloven,
tot we van Hem houden.
Ik denk dat iedereen dat wel kan beamen, als je nadenkt over wie er begonnen is:
Dat is de Heere. Hij was het eerst.
In je kindertijd en je jeugd is over Hem verteld en je hebt altijd al gelooft,
als kind al en je geloof groeide met je mee
terwijl je tiener was en later volwassen werd.

Of je hebt een tijd gehad, waarin het je niets zij, het raakte je niet, het liet je koud.
En later, als tiener, of nog later, toen je volwassen werd, was Hij daar
En kon je niet om Hem heen en ben je gaan geloven.
Of je nu als kind altijd al geloofde, of dat je later bent gaan geloven,
nog voor jij met God bezig bent geweest, is Hij al met jou bezig.
Of wellicht is de Heere nog met je bezig, omdat je nog niet gelooft.
Want dat kan ook, dat je je hart nog niet voor Hem hebt open gedaan.

God is de eerste in ons leven.
Dat is een van de redenen voor ons als gemeente om kleine kinderen te dopen.
Dat God de eerste is, begint al bij onze geboorte.
Want wij hebben er niet zelf voor gezorgd dat we er zijn.
En dat we er zijn, dat we geboren werden,
hebben we niet allereerst aan onze ouders te danken.

Dat we er zijn, dat we geboren zijn, hebben we aan God te danken.
Wij hebben allemaal ons bestaan aan de Heere te danken.
Hij wilde dat wij er zouden zijn.
Dat is nog niet genoeg reden om te dopen,
want dan zou doop een soort geboorteritueel zijn
een manier om een kind, dat net geboren is welkom te heten.
Dan zou het een soort kerkelijk kraamfeest zijn.

In de doop gaat het echter om meer.
Dat God niet alleen wilde dat wij er zouden zijn, maar ook dat we zouden geloven,
Geloven dat Jezus voor ons gestorven is
En dat we ons leven aan Hem geven,
van Hem houden en met Hem leven.
Ook daarin is God de eerste en daarom dopen we zo’n klein kind,
al begrijpt zo’n klein kind er niets van
en moeten zijn ouders de vragen beantwoorden.

Met de doop geven we aan dat we geloven in de Heilige Geest,
Die bij de doop de belofte geeft, ook al aan zo’n klein kind,
dat Hij in het leven van zo’n klein kind zal werken,
zodat zo’n klein kind ook gaat geloven,
om, zoals Johannes dat schrijft, zal belijden
dat Jezus de Zoon van God is,
zodat God in hem blijft en hij in God.

Natuurlijk is dat heel gewaagd, want we kunnen allemaal
voorbeelden aandragen
van personen, die ook als kind zijn gedoopt e
n die er niets meer van willen weten
of er niets meer aan willen doen.
Een reden waarom heel wat christenen moeite hebben met dopen van kinderen,
Want je moet als mens toch eerst aangeven, dat je Jezus als je Heer belijdt,
Dat je met God wil leven en dat Hij in je leven gekomen is
om de doop te kunnen ontvangen.

Dan is de doop pas mogelijk als wij ons antwoord hebben gegeven op God
En is de doop ons antwoord aan God,
een manier om te laten zien dat wij ons aan Hem geven.
Haal je dan de waarde van de doop niet naar beneden als je alle kinderen doopt
ook als je weet dat er een kans bestaat dat zo’n dopeling niet gaat geloven?

Nee, want we dopen omdat God de eerste is
en we dopen vanwege de belofte die God geeft bij de doop:
Dat de Heilige Geest ook in dit jonge kind zal gaan werken,
Zoals Hij dat bij een ieder van ons gedaan heeft en nog steeds doet.
Al betekent dat niet, dat iedereen gelooft.

Dat kan een van de raadsels zijn van het geloof: Waarom gelooft mijn kind niet.
Ik heb hem of haar toch ten doop gehouden, ook voor in de kerk gestaan,
ook geloofd dat Gods belofte voor mijn kind gold.
Dat je je kind hebt laten dopen en dat je veel gebeden hebt voor je kind
en dat je kind er niets meer mee doet, of zelfs er helemaal niets van wil weten,
kan een verdriet zijn voor ouders, kan het voor jezelf ook wel moeilijk maken
om zo onbevangen te geloven als je deed toen je je kind liet dopen.

NAtuurlijk geloofde je toen dat Jezus de Zoon van God was
en dat Hij door de Vader gestuurd was om ook voor jouw kind aan het kruis te gaan
en zo vergeving van de zonden van je kind te brengen.
Nu zeg je het voorzichtiger en zou je in ieder geval willen, dat je er iets van zag
dat de belofte die God deed, in het leven van je kinderen zou uitkomen.

Moeten we dan maar stoppen met het dopen van kinderen
en dat pas gaan doen als we zeker weten dat ze gaan geloven?

Ik denk het niet, want dan doen we tekort aan de belofte die God geeft
En dat is nu juist de basis: dat God de eerste is
en dat je als ouders steeds bij de Heere mag aankloppen:
Heere, U hebt het beloofd, als Vader, Zoon en Heilige Geest,

Dat U met ons kind bezig zou zijn, het geloof zou geven,
liefde voor U in zijn, haar hart zou wekken.
We blijven net zo lang bidden tot U het doet.

We hebben het steeds over het liefhebben van God en dat God de eerste is.
Maar er is ook een andere kant: dat wij die liefde afwezen
En dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat God ons liefheeft
En als eerste naar ons toekomt.

Dat is ook de reden waarom we kleine kinderen laten dopen.
Niet alleen omdat we geloven dat God de eerste is en Zijn belofte geeft,
maar ook omdat er aan onze kant iets mis is,
waardoor die liefde van God alle vanzelfsprekendheid voor ons mist.
We kunnen dat wel Johannes nazeggen: God is liefde.
Maar dan moeten we er wel bij zeggen, dat als het aan ons ligt,
wij die liefde niet hadden beantwoord.

En dat is ook nog een reden waarom we kinderen jong dopen,
om daarmee aan te geven dat ze die neiging, die wij als volwassenen ook kunnen hebben
en soms maar al te goed kennen: wat we aan die liefde van God voorbij gaan
en dat we ons tegen God keren, God overbodig verklaren
en Hem op het hart trappen door Hem in te ruilen
en niet Hem lief te hebben, maar het leven zoals we dat hier op aarde hebben/

Daar begint het doopformulier ook mee.
Het is alsof er wordt gezegd: ja ja, mooi allemaal een nieuwgeboren baby

zeer zeker een wonder waar je God dankbaar voor mag zijn
en je mag daarin verwonderd zijn over God als Schepper, die je dit kind geeft.

Maar besef wel, dat je kind ook kan deelt in de afwijzing van Gods liefde.
Alleen als God zelf er iets aan verandert, in zijn hart werkt, het geloof geeft,
alleen dan zal er wat aan veranderen.
En dan wordt ook het bijzondere van Gods liefde zichtbaar.
Dat God komt in een wereld, die niet op Hem zit te wachten,
ook al heeft Hij deze wereld geschapen.

Dat God geeft om een wereld die Hem de rug kan toekeren.
Gods liefde is wel sterker en daarom is ook dit kind gedoopt:
vanuit het geloof dat God ook in dit kind de zonde en de neiging tot zonde kan overwinnen

En een hart kan geven dat wel van God houdt en Hem gehoorzaam wil zijn en wil belijden.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest
verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen
en dat Hij ons tot leden van Christus heiligen wil.

God is de eerste – en dat God de eerste wordt zichtbaar in de doop,
maar gaat nog verder terug: naar het kruis op Golgotha
en nog verder terug: naar de kribbe in Bethlehem
en nog verder terug: naar het paradijs, waar God Adam en Eva opzocht
en een belofte gaf dat de macht van de zonde verbroken zal worden
en dat ze eens weer vrije mensen zullen zijn.

Die belofte is al uitgekomen voor wij geboren werden.
Er is maar één woord dat echt kan weergeven wat er gebeurde: liefde.
En dan niet liefde zoals wij daarover spreken en denken.
Als je vader of moeder wordt, houd je van je kind
en die liefde is er al voor je kind geboren is en je je kind nog niet hebt gezien.

Wat is die liefde dan?
Dat je om je kind geeft en dat je kind belangrijker is dan jezelf.
Dat als er iets met je kind is, dat je diep raakt.
En dat je niet zonder je kind kunt en dat je tot veel bereid bent om je kind gelukkig te maken.

Als Johannes spreekt over de liefde die God heeft,
Dan denkt Johannes aan de bereidheid dat Jezus wilde komen, uit de hemel op aarde,
aan de bereidheid dat Jezus zichzelf als offer wilde geven.,
Dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in Zijn gemeenschap.
Liefde.

Die liefde van God voor ons – zichtbaar geworden aan het kruis
en op ons leven betrokken in de doop – vraagt om onze liefde.
Onze liefde tot God en tot andere christenen.

Die liefde tot andere christenen laat ik nu even rusten (omdat ik daar pas over preekte)
En richt me nu op de liefde tot God,
ons antwoord op Zijn liefde voor ons,
ons antwoord op het kruis dat op Golgotha staat, jouw antwoord op de doop die je kreeg.

Want de doop vraagt om een antwoord, om wat jij ermee doet.
Je ouders hebben je laten dopen, maar dat is bedoeld
om jou te laten antwoorden op de liefde van God.
Johannes spreekt over belijden, belijden dat Jezus de Zoon van God is.
Wat is dat belijden dan? Dat je “ja” zegt tegen God,
Hier ben ik Heer, Ik kniel voor U neer

omdat ik U iets zeggen wil

het zit heel diep in mij, het maakt me soms zo blij

en dan weer even stil

 

Ik wil U graag vertellen dat ik zoveel van U hou

het klinkt misschien eenvoudig maar ‘t is alles wat ik zeggen wou
Belijden is je liefde verklaren aan God, omdat Hij van jou houdt
en de eerste is en steeds naar jou op zoek is, om jou voor zich te winnen.
U alleen, U behoor ik toe.
Belijden is dat je zegt: Heere, ik wil het nu zelf,
De reden waarom mijn ouders mij hier bij de doopvont brachten om gedoopt te worden.
Ik ben van U, ik wil van U zijn. Ik wil niet meer bij U weggaan, maar leven met U.

Leven met U, altijd. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast.
Amen

 

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen