Preek zondagavond 3 juni 2018

Preek zondagavond 3 juni 2018
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het geloof in de Heere Jezus Christus is geen eindpunt,
geen finish waarbij je kunt zeggen: ik heb het gehaald, nu is het klaar.
Ook de viering van het Heilig Avondmaal is geen eindpunt,
waarbij je kunt zeggen: hehe, ik heb de top behaald, nu zit het erop.
Nee, vanaf de viering van het Heilig Avondmaal begint het pas.
Ik kan me er altijd over verbazen dat de week van voorbereiding vaak zo intens is,
maar dat die intensiteit na de avondmaalsviering weer voorbij is.
We kunnen weer gewoon onze gang gaan.
Alle zaken die in een week van voorbereiding niet zo gepast zijn, doe je weer.

Als we iets uit Handelingen 2 kunnen leren is dat het geloof in de Heere Jezus
geen eindpunt is, maar het begin – begin van een heel nieuw leven,
waarbij alles in het leven anders wordt
en het leven van alledag in het teken van Christus komt te staan.
We zien dat aan vier onderdelen van het gemeentezijn dat Lukas aan ons doorgeeft:
(1) Volharden in de leer van de apostelen, (2) de gemeenschap,
(3) het breken van het brood, (4) de gebeden.
Het zijn 4 punten van de gemeente waardoor we kunnen zeggen:
Hier in deze gemeente is God aan het werk.

Als eerste wordt het volharden in de leer van de apostelen genoemd.
Hier is een gemeente die meer wil leren over God
en de tijd neemt om te luisteren naar wat Zijn dienaren over God hebben te vertellen.
Vaak wordt het volharden in de leer van de apostelen gekoppeld
aan het bijwonen van de kerkdienst, om daar als gemeentelid je plaats in te nemen.
Maar het is breder: dat je met elkaar erover doorspreekt,
hoe je Christus in jouw situatie kunt dienen.
De leer van de apostelen is niet alleen maar de preek of de inhoud van het geloof,
maar betekent ook de praktijk, hoe je er naar leeft
en dat niet alleen een predikant of een ouderling daarover vertelt,
maar dat je daar met elkaar als gemeente mee bezig bent.
Daar begint de opbouw van de gemeente van Christus:
dat je de tijd neemt om elkaar op te zoeken
en dat het daarbij niet alleen over koetjes en kalfjes gaat,
over wat je in de vakantie gaat doen of wat je in het weekend hebt gedaan,
hoe het was op je werk of wat je nu weer over je familie kunt vertellen.
Maar dat je dieper afsteekt en met elkaar erover nadenkt wat God jou te zeggen heeft.
en dat je er met elkaar over nadenkt hoe je bij gedoe in de familie
of bij werk dat veel van je vraagt hoe je bij Christus kunt blijven
en daar op je werk en in je familie iets van Christus kunt laten zien.
Dat is niet iets dat je zo maar helder hebt.
Daarvoor heb je medechristenen nodig, die je daarbij helpen
en die vertellen hoe zij het gedaan hebben.
Daarom zoeken ze elkaar binnen de christelijke gemeente op
om van elkaar te leren, om ervaringen uit te wisselen. om elkaar verder te helpen.
Steeds weer merk ik hoe op belijdeniscatechisatie en op Bijbelkringen
het gesprek met elkaar zo waardevol is: ervaringen uitwisselen, elkaar bevragen,
door het je scherpt in je geloof, het je opbouw
door er met elkaar erover te hebben wie Christus voor je is,
hoe Hij in je leven kwam, wat er gebeurde, wat het uitwerkte in je leven.
hoe u aan het avondmaal kon gaan, hoe u de vrijmoedigheid daarvoor kreeg
hoe je het geloof in praktijk brengt.
Ze volharden er in, zegt Lukas. Ze doen er moeite voor
en ze geven niet zomaar op als het niet lukt
en ze blijven niet weg als er geen direct resultaat oplevert
Volharden betekent dat je ermee doorgaat en niet zomaar opgeeft.
En ze gaan ermee door, ze volharden omdat ze merken dat het hen zoveel geeft,
Dat ze door elkaar op te zoeken en met elkaar door te spreken over het geloof
en te luisteren naar onderwijs over de Heere Jezus van degenen die meer weten
– ze merken  dat een geestelijke honger wordt gestild en dat hun geloof daardoor groeit.
Volharden – dat betekent dat ze zich ook niet zomaar van de wijs laten brengen
als er iemand anders met een andere boodschap komt.
Nee, Christus is hun alles en over Hem willen ze horen
en ze willen zo leven dat hun leven van Christus is.

Geloof heeft effect op het leven, heeft effect op wie je bent en wat je doet.
We zien dat aan de gemeenschap.
Door elkaar op te zoeken, door met elkaar te luisteren naar de apostelen,
door met elkaar te zoeken hoe je ernaar kunt leven, hoe je het praktisch maakt,
groeit er een onderlinge band.
Ze volharden ook in de gemeenschap, in de onderlinge band.
Gemeenschap betekent dat de onderlinge band groeit.
Dat gebeurt niet vanzelf.
Het is allereerst de Heilige Geest, die in deze mensen werkt,
die uitgestort is, die ook aan hen beloofd is en die nu merkbaar in hen groeit,
maar ze doen er zelf ook veel voor.
Als de Heilige Geest in je leven komt, zet Hij je aan het werk en schakelt Hij je in
en laat Hij je zien wat je kunt doen, hoe je je geloof in praktijk kunt brengen,
hoe het in jouw leven zichtbaar kan worden dat je van Christus bent.
Het eerste dat hier genoemd wordt, dat voorop staat is de gemeenschap.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Je bent zelf degene die gehoor geeft aan de stem die je roept en je gaat.
Dat kan niemand anders voor je bepalen
en tegelijk: als je naar voren gaat, loop je niet alleen
en daar aan de tafel zit je niet alleen, of je nu aan de derde tafel zit of de eerste
en de avondmaalstafel is niet alleen beperkt tot de Dorpskerk,
maar we vieren met de Maranathakerk mee
en de andere kerken in Oldebroek,
al wordt het avondmaal daar wellicht op een andere manier gevierd:
uitbundiger of juist somberder.
We zijn verbonden met de kerk wereldwijd: de kerk in Malawi, de gemeenten in Oekraïene,
gemeenten op plaatsen die wij niet kennen.
Maar we kijken niet alleen wijd over de hele wereld,
maar ook heel dichtbij, heel concreet: naar de mensen die naast u gezeten hebben,
die tegenover je zaten, bij je aan de tafel.
Misschien ken je de namen niet eens, terwijl je al lang samen in de kerk zit
Wellicht kun je niet eens meer herinneren wie er tegenover je zat en hoe die ander erbij zat.
In de eerste gemeente is er een intens met elkaar meeleven:
Ze hebben alles gemeenschappelijk.
Zelfs wat ze hebben, wat iemand als bezit heeft dat wordt gemeenschappelijk gedeeld.
Niets is zo weinig of je kunt het delen.
Als je daarover nadenkt: alles gemeenschappelijk en alles delen schrikt dat misschien af.
Waar je zelf hard voor gewerkt hebt en voor gespaard hebt, waar je zuinig op bent,
om dat met een ander te moeten delen? We willen daar niet altijd aan denken.
Waarom ze kunnen delen is dat ze beseffen: wat we hebben is niet van ons.
Ons leven, dat is niet van ons, dat hebben we niet.
Onze spullen, die zijn niet van ons, want alles wat we hebben,
hebben we alleen maar gekregen van God, in bruikleen gekregen om Hem te dienen.
Als gemeenteleden alles met elkaar delen, ontstaat er niet een ideale samenleving,
maar wordt er iets zichtbaar van Israël, kunnen we zien hoe Israël wordt hersteld:
het volk dat in deze wereld geroepen is om tot zegen van andere volkeren te zijn,
dat geroepen is in hun manier van leven te laten zien dat er een God is
die deze wereld geschapen heeft, van wie deze wereld is
en die door iedereen aanbeden moet worden.
Als christenen zo leven, laten ze zien dat er een God is,
Die deze wereld niet heeft losgelaten, niet prijsgeeft wat Zijn hand begon,
Die bezig is en dat zichtbaar laat worden in mensen die hun hart openstellen voor anderen.
Als we het delen van onze bezittingen en goederen die we hebben een te grote stap vinden,
laten we dan beginnen met het delen van onze verhalen en ervaringen,
Laten we dan beginnen met te kijken wie er naast ons in de kerk zit
en naast ons aan de avondmaalstafel
voor diegene te bidden en met diegene mee te leven,
Dat je ziet wie de ander is en dat je open staat voor wat de ander bezig houdt,
Wat er gebeurt aan zorg en vreugde
dat je dat niet direct invult, maar de ander laat vertellen,
dat je meeleeft door een kaart te sturen, door iemand op te zoeken,
door niet te wachten tot de ander komt, maar zelf het initiatief te nemen.
Het is de liefde van God die liefde in je hart opwekt,
gezien worden door God die je anderen om je heen doet zien,
je verhaal bij God kwijt kunnen waardoor je open staat voor wat anderen je vertellen.
Steeds is het: je ontvangt van God en dat geef je weer door.
Daar heeft ook het derde mee te maken: het breken van het brood.
Dat kun je verbinden aan de viering van het avondmaal, maar het is ook hier weer breder.
Het breken van het brood houdt in dat je anderen thuis opzoekt,
niet alleen de mensen die veel aanloop krijgen en veel gezien worden.
Je zoekt ook degenen op die weinig mensen om zich heen hebben of zelfs niemand,
je zoekt niet alleen degenen op die een leuk en prettig leven hebben,
maar ook degenen die moeilijk kunnen doen, die voor je gevoel zo kunnen zeuren.
Je stapt hun drempel over, en daarmee ben je een bode van God die laat weten:
Ik zoek je op waar je bent.
Breken van het brood houdt ook in dat je je huis openstelt voor anderen,
Dat ze bij je mogen komen, dat ze mogen mee-eten.
Gemeenteleden die geen familie hebben en zo kunnen ervaren wat het is
om mensen om je heen te hebben, gezelligheid te hebben, genieten van een ander
en merken dat je ertoe doet, dat ook jouw verhaal belangrijk is.
Dat je gemeenteleden uitnodigt die, omdat ze alleen zijn, geen zin hebben om te koken,
of dat je extra kookt voor degenen die te veel aan hun hoofd hebben om goed te eten.
Elkaar thuis opzoeken en uitnodigen en je huisgezin delen
houdt in je de praktische consequentie trekt uit het avondmaal:
De gemeenschap van het avondmaal is niet alleen iets voor een keer in de 3 maanden,
waarbij je met elkaar voor in de kerk om de tafel zit.
Het avondmaal is een appèl op onze gewone maaltijden.
(Mooie voorbeelden: gastgezin, pleeggezin, anderen uitnodigen)

De gastvrijheid van Christus ervaren aan Zijn tafel doet een appèl op onze gastvrijheid.
Het is de Heere Jezus die te gast was bij zondaars en tollenaars,
Die tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn.
Dat is wat er ook van de kerk gevraagd wordt en zeker van een kerk op een dorp.
Niet omdat we op een dorp zo van gezelligheid houden
en er niet tegen kunnen op een dorp dat iemand er niet bij hoort of buiten de boot valt,
maar omdat we geloven, dat iedereen gered kan worden en iedereen gered moet worden.
Daarom hebben we een taak als kerk om anderen op te zoeken waar ze zijn,
bereid om bij hen thuis te komen, bereid om anderen bij ons thuis uit te nodigen
voor dat grotere doel: dat ze in onze gastvrijheid en bereidheid om te komen
onze Heer leren kennen, Hem leren ontdekken, dat ook zij bij Hem mogen komen.
Jezus die meeliep de Emmaüsgangers en bij hen thuis de maaltijd gebruikte,
al waren ze niet zo gezellig en treurden ze over hun Heiland die gestorven was
en totaal hopeloos en zonder verwachting waren.
We delen ons leven met anderen en we delen het leven van anderen.
Daarom is het belang om als predikant, als ouderling je gemeenteleden te kennen,
Te weten wat hen bezig houdt, Oldebroeker met de Oldebroekers te zijn,
Oostewoldenaar met de Oostewoldenaars, Loose met de Loosen.
Ik heb wel eens gelezen – ik heb het nooit meer kunnen terugvinden –
dat evangeliseren op een dorp en kerkzijn op een dorp veel moeilijker is dan in de stad,
omdat de mensen hier alles van je zien:
Ze zien hoe je met je tuin omgaat, met je kinderen, wat je karakter is, je manier van leven.
Je kunt niets verborgen houden. Ze kunnen zien of het evangelie echt door je heen werkt.
Tegelijkertijd is er op een dorp, zo las ik – of het waar is, weet u wellicht beter
altijd de aarzeling, zeker bij een predikant of een kerkenraadslid:
Komen ze echt voor mij, hebben ze echte interesse?
Of is het een tussenstap naar een stap hogerop, verder met de carrière.
Kerkzijn op een dorp vraagt de lange adem, continuïteit, lange duur.
Niet even iets vluchtigs, maar volharden in het leven delen.
Echte interesse – het leven willen kennen
om daar op het dorp Christus voor te leven, het evangelie in praktijk te brengen
met je eigen leven als voorbeeld dat gezien mag worden.

Als vierde het gebed.
Dat is niet het sluitstuk, maar de climax.
DAt is het geloof dat God benaderbaar is, dat God leeft en regeert,
Dat God hoort en zich actief met deze wereld bezig houdt
en dat Hij niet te heilig is en te groots voor wie dan ook.
Volharden in het gebed, steeds weer God opzoeken met onze dank en gebeden,
de Heere benaderen voor onszelf en de mensen om ons heen,
voor mensen die niets met het geloof hebben: de mensen in je dorp, op je werk,
je gezin, je vrienden,
vanuit het geloof dat de belofte die er voor jezelf is, waarin je mag geloven,
dat die belofte ook voor anderen is.
Bidden is danken – steeds zien, steeds erkennen wat God je geeft.
Naar lichaam en ziel.
Bidden is vragen – voor jezelf, voor anderen.
Bidden is jezelf open stellen voor God en de taak die Hij je geeft.
Het is een uitvloeisel van het avondmaal, een gevolg van de liefde van God
die in je hart komt, waardoor je naar God teruggaat, en anderen meeneemt naar God toe.
Zo is de kerk een baken van hoop
in het bij elkaar komen in de kerkdienst, in het elkaar opzoeken thuis of Bijbelkring,
in het meeleven, in het delen in elkaars leven, in het helpen van elkaar,
in het gebed voor de wereld, dichtbij en ver weg
De kerk als baken van hoop dat God er is, dat Hij werkt, nu,
zoals Hij dat gedaan heeft en altijd zal werken,
tot Hij terugkomt zal er een gemeente zijn, die met Hem leeft, uit Hem leeft en tot Hem leeft.
Een gemeente die door God wordt gebruikt om Zijn koninkrijk te bouwen.
Amen

Pastoraat aan randleden

Pastoraat aan randleden

In een kerkelijke gemeente zijn er verschillende manieren van betrokkenheid. Er zijn actieve leden die naast het bezoeken van de eredienst (veel) taken binnen de gemeente hebben. Er zijn gemeenteleden die wel de zondagse erediensten bezoeken en weinig taken binnen de gemeente. Veel van deze gemeenteleden hebben wel taken buiten de gemeente: in hun gezin, als mantelzorger, bij een sportclub, als collectant, enz. Er is ook een groep gemeenteleden die de zondagse eredienst veel minder of helemaal niet bezoekt.

De gemeenteleden in deze groep worden vaak randleden of randkerkelijken genoemd. Een aantal van deze gemeenteleden aan de rand weten dat zij lid zijn. Zij waarderen als er aandacht van de kerk is, bijvoorbeeld in bezoek of meeleven. Er zijn ook gemeenteleden die deze aandacht niet op prijs stellen. Een belangrijke vraag voor het pastoraat is hoe we omgaan met deze gemeenteleden aan de rand. Wat kunnen we doen om hen toch te bereiken? Wat moeten we als deze gemeenteleden geen bezoek willen?

Randkerkelijk?
Eerst iets over de benaming van deze groep gemeenteleden.  In deze benaming klinkt een bepaalde norm door: als je lid bent van een gemeente hoor je je in te zetten voor de kerk of voor de gemeenschap en hoor je de zondagse erediensten te bezoeken. Voor een kerkelijke gemeente met een hervormde achtergrond zijn deze gemeenteleden net zo volwaardig als gemeenteleden die wel actief zijn.

Dat deze gemeenteleden de kerkdiensten niet bezoeken zegt niet alles. Ze kunnen om bepaalde reden opzien tegen het bezoeken van de kerkdiensten. Op hun eigen manier kunnen ze meeleven met de kerk waartoe ze behoren. Het valt mij vaak op hoezeer de gemeenteleden aan de rand op de hoogte zijn van wat er in de gemeente gebeurt. (Ik zie het kerkblad vaak onder handbereik liggen. )

Als gemeenteleden niet in de kerk komen, wil nog niet zeggen dat ze nergens aan doen.

Als de deur wordt opengedaan, word ik verbaasd aangekeken: ‘Wie bent u dan?’ ‘Dan bent u lang niet in de kerk geweest,’ zeg ik. ‘Ik ben uw dominee.’ ‘Dat dacht ik al.’ Het is de dag waarop deze vrouw een huwelijksjubileum heeft en ik mag binnenkomen. Haar man is er niet. Daarom maken we later een afspraak. In dat gesprek zegt de vrouw later: ‘Wij doen nergens aan.’ In de loop van het gesprek komt ter sprake dat ze bij het eten uit de Bijbel lezen en bidden. ‘U deed toch nergens aan?’ vraag ik. ‘Misschien doet u er wel meer aan dan u zelf beseft.’ We praten er over door hoe ze hun geloof kunnen ‘onderhouden’.

Vragen voor onszelf
Het lijkt allemaal vanzelfsprekend: kerkgang, huisbezoek, betrokkenheid op de gemeente. Contacten met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over de vraag waarom wij zelf dat doen.

  • Wat is voor onszelf de waarde van de kerkdienst? Wat mist iemand in onze ogen als hij of zij niet naar de kerk gaat?
  • Wat hebben wij zelf aan het huisbezoek?
  • Wat is in onze ogen de waarde van het huisbezoek voor de gehele gemeente (inclusief de ‘randleden’).
  • Waarom ben ik zelf betrokken bij de gemeente? Waarom vind ik het van belang dat ook anderen bij de gemeente betrokken zijn?

Contact met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over onze vanzelfsprekendheden.

Visie op het pastoraat
Wanneer we ermee te maken krijgen dat bezoek vanuit de kerk niet op prijs gesteld wordt, kan dat ook weer eens een aanleiding zijn om na te denken over de vragen:

  • Waarom doen we dat huisbezoek eigenlijk?
  • Wat hopen we met het bezoek te bereiken?
  • Wanneer is een bezoek een goed bezoek?
  • Is huisbezoek in deze tijd een goed middel daarvoor? Of moeten we op zoek naar andere manieren om hen te bereiken?
  • Wat zijn onze mogelijkheden als ‘ze’ geen contact willen? Moet je volhouden? Of moet je de weigering accepteren?

Redenen waarom ze zijn afgehaakt
In het pastoraat is opmerkzaamheid van groot belang. In sommige stromingen van het pastoraat gaat het om waarnemen zonder daar direct een waardeoordeel aan te verbinden. Door een niet-veroordelende waarneming kunnen we soms de redenen te weten komen waarom deze gemeenteleden niet betrokken zijn of niet naar de kerk komen:

  • Ze hebben de kerkgang nooit van thuis meegekregen.
  • Ze vinden geen aansluiting bij de mensen die bij deze kerkelijke gemeente horen. (Het valt mij op dat bij een verhuizing de overgang naar een andere kerk vaak niet vanzelfsprekend is en een reden is waarom mensen afhaken: ze kunnen geen ingang vinden.)
  • Ze voelen zich niet thuis vanwege de sfeer, de manier van kerkzijn en kerkdiensten, vanwege de boodschap die gebracht wordt.
  • Ze willen een signaal geven: als ik wegblijf, word ik dan gemist?
  • Ze kunnen opzien tegen de kerkgang (angst voor mensen, wat zullen ze wel niet denken?, schaamte)
  • Ze hebben moeite met de discipline en hebben niemand die hen ‘op sleeptouw neemt’.
  • Er kunnen ingrijpende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in hun leven: armoede, schulden, echtscheiding, teleurstellingen in God, in mensen van de kerk.
  • Ze hebben een conflict met de kerk, met mensen die een belangrijke plek in de kerk hebben of met familieleden die tot de kerk behoren.
  • Een teveel aan vacatures kan afschrikken: als ik naar deze kerk ga, moet ik ook wat gaan doen.

Met een open houding en zonder te beoordelen kan gevraagd worden naar de reden. Daarbij is het van belang wat zij dan zelf doen om hun geloof te onderhouden.

Wat is van belang?
In de jaren dat ik predikant ben heb ik geleerd dat er bepaalde zaken van belang zijn in de contacten met de ‘randleden’:

  • Ze voelen zich vaak geen randleden, maar vaak ‘gewoon’ gemeentelid, maar dan met een eigen invulling.
  • Een groot deel stelt op prijs om op dezelfde manier benaderd te worden als actievere gemeenteleden: rondom belangrijke momenten in het leven, in meeleven, enz.
  • De belangrijke momenten van het leven zijn vaak een goede ingang: een jubileum, een verjaardag, een geboorte, een overlijden van een vriend of een gemeentelid. Op dat soort momenten ben ik als predikant altijd van harte welkom en wordt het zelfs kwalijk genomen als ik niets van me laat horen.
  • Randleden zijn vaak erg betrokken op hun dorp. Hoe meer een kerk onderdeel is van een dorp, hoe eerder ze te benaderen zijn. Bid als kerk met vaste regelmaat voor het welzijn van het dorp.
  • Er kan nogal eens wantrouwen zijn: het is de kerk te doen om mijn geld, om mij als vrijwilliger ergens voor te strikken. Van belang is dat er niet alleen een vraag om geld komt, maar ook omgekeerd aandacht voor deze gemeenteleden, die niet zo in de picture zijn.
  • Ontwikkel als gemeente een antenne voor de mensen, die zelf de signalen niet doorgeven. Laat de mensen om hen heen, die wel actief bij de gemeente betrokken zijn, signalen doorgeven.
  • Zorg als gemeente voor lage instappen, zoals een AlphaCursus, een eenvoudige Bijbelkring, niet al te formele huisbezoeken.
  • Doe wat als gemeente van je verwacht wordt op een goede manier: de kerkdiensten op hoogtijdagen, begrafenisdiensten, begeleiding bij ziekte en rouw,  het huisbezoek, de aandacht en het meeleven.
  • Zoek naar creatievere en ‘laagdrempelige’ manieren van huisbezoek.

Waarom de koppeling met de GBA voor zowel kerk als maatschappij van belang is.

Waarom de koppeling met de GBA voor zowel kerk als maatschappij van belang is

Afgelopen dinsdag nam de Tweede Kamer een motie aan om de kerken geen toegang meer te bieden tot de Gemeentelijke Basisadministratie. Dit bericht raakte mij behoorlijk, omdat de informatie vanuit de GBA voor mijn werk als predikant van grote betekenis is. Door die informatie vanuit de GBA is mijn werk en het werk van de kerk meer van betekenis voor de maatschappij.

In een discussie op twitter bleek dat collega’s vanuit andere kerken de koppeling met de GBA niet begrijpen. Mede door een andere visie op de kerk en op de samenwerking met de overheid. Het lijkt me goed om de betekenis van de GBA voor de kerk uit te leggen aan de hand van wat ik met de gegevens doe.

‘neuzen’?
Allereerst even iets rechtzetten. Ik kan niet neuzen in de GBA. Ook onze ledenadministratie kan dat niet. De gegevens worden op een legale basis verstrekt aan SILA, waarin 7 kerken zijn vertegenwoordigd. Ook andere instanties kunnen informatie verkrijgen uit de GBA: zoals pensioenfondsen, de NS. Dat geeft aan de motie die deze week is aangenomen een bedenkelijk tintje, omdat deze motie alleen maar de betrokken kerken raakt.

Wanneer bij mensen, die aangesloten zijn bij de Hervormde Gemeente Oldebroek (wijk 2) iets verandert in de GBA, krijg ik dat na enige tijd doorgegeven: dat betreft iemand die nieuw in Oldebroek is komen wonen en een hervormde achtergrond heeft, een relatie die wordt geregistreerd of juist het verbreken van een relatie, een overlijden, een verhuizing naar een andere woonplaats. Deze wijzigingen neem ik altijd nauwlettend in acht, omdat deze wijzigingen erop kunnen duiden dat er voor mij werk aan de winkel is.

Sociaal netwerk
Ik zou graag hier een aantal voorbeelden willen geven. Om te voorkomen dat mensen uit Oldebroek de situaties zouden kunnen herleiden kan ik het alleen maar algemeen houden. Door de gegevens via de GBA heb ik mensen kunnen ondersteunen in tijden van rouw, tijdens een revalidatie na een hersenbloeding, na een ongeval, na zelfdoding in de familie, het bieden van ondersteuning na echtscheiding, bij eenzaamheid, bij een melding van opvoedingsproblemen, bij zorgen in het gezin van de kinderen. Ik heb mensen bij wie ik psychische problemen constateerde doorverwezen naar de huisarts en hen daarna bezocht in de hoop dat zij verder zouden gaan met hulpverlening. Geregeld krijg ik in een bezoek te horen dat ze tegen mij dingen vertellen die ze tegen familie, vrienden of buren niet kunnen vertellen.

Wanneer de overheid stopt om de gegevens via SILA naar de kerken door te geven missen deze mensen een sociaal netwerk die hen in moeilijke omstandigheden kunnen opvangen. Bovendien lopen deze mensen de mogelijkheid tot geestelijke nazorg mis.

Niet kunnen kiezen
De motie die deze week is aangenomen gaat van de veronderstelling uit dat mensen bewust moeten kiezen. Een groot deel van de Nederlandse bevolking doet dat echter niet.

Waarom geven deze mensen dit zelf dan niet door? Omdat niet iedereen bewust in het leven staat. Er zijn genoeg mensen die vergeten om abonnementen stop te zetten. Of bij een verhuizing vergeten om de zorgverzekering in te lichten. Ik kom mensen tegen die moeite hebben met kiezen en daarom hun hele leven – soms ook als vrijgezel – op dezelfde plek blijven wonen. Voor collega’s uit andere kerken is dat wat lastiger te begrijpen. Ik zeg wel eens gekscherend: de PKN heeft de mensen overgehouden die zelf geen keuze konden maken. Collega’s van de CGK of GKv hebben daarbij vaak veel overzichtelijker gemeenten met actieve leden die weten waarom ze lid zijn van deze kerk of gemeente. Deze leden zullen bij verhuizing, een jubileum, een ongeval of een ziekenhuisopname de kerk informeren. Leden van de PKN doen dat veel minder vaak.

Verbond
De PKN heeft veel leden die daar niet voor hebben gekozen. Waarom zijn ze dan wel ingeschreven? Omdat ze ooit zijn gedoopt. Of omdat ze geboren zijn uit gedoopte ouders. Tot 1994 werden ook kinderen die niet werden gedoopt toch ingeschreven. Vanuit de gedachte dat ze – ondanks het feit dat ze niet gedoopt zijn – toch tot het verbond van God behoren. Gods verbond werkt immers van geslacht op geslacht. Dat verbond kan wel door mensen worden verbroken, maar niet door God. En daarom ook niet door de kerk.


Relatie met de overheid
De PKN heeft een wat andere visie op de kerk en op de relatie met de overheid dan de andere protestantse kerken. Via de hervormde lijn is de kerk altijd nauw betrokken geweest bij de overheid. Kerk en overheid zagen elkaar in het verleden als bondgenoten.

Andere protestantse kerken zijn soms ontstaan uit verzet tegen die nauwe band, zoals de CGK en de GKN. De gedachte dat de overheid van betekenis is voor het registreren van de leden is daarom nog niet zo gek: het gaat om een gedeelte zorg voor het Nederlandse volk. Vanuit de toenmalige NHK en de tegenwoordige PKN kan richting de overheid worden gezegd, dat de Nederlandse staatsburger meer is dan een belastingbetaler. De vraag die vanuit deze kerk bij de overheid op tafel wordt gelegd is: Bedenk je, overheid, dat je ook verantwoordelijkheid hebt voor het geestelijk welzijn van de bevolking?
Om diezelfde reden hebben leger en justitie ook predikanten in dienst. De PKN staat volop achter de scheiding van kerk en staat, maar protesteert tegen de scheiding van kerk en straat. En juist daar komen de belangen van kerk en overheid bij elkaar. Die kunnen elkaar beconcurreren. Maar waarom zouden ze ook niet elkaar kunnen helpen, zonder over elkaars grenzen heen te gaan?

Volkskerk
De PKN heeft een wat andere visie op de gemeente. De mensen die zich niet actief inzetten en ook de diensten niet bijwonen horen er volop bij. Zij zijn geen mindere leden. Het merendeel van deze leden wil ook bij deze kerk horen. Want je weet maar nooit of je de kerk ook nodig hebt. Er zijn verschillende acties geweest, waarbij deze mensen is gevraagd of ze nog wel lid willen blijven. En elk jaar bij de Actie Kerkbalans wordt de mogelijkheid geboden om zich te laten uitschrijven. Desondanks blijven ze lid. De PKN is volkskerk. Dat betekent niet: van het volk. Wel: voor het hele Nederlandse volk.
Is lidmaatschap niet achterhaald? In bepaalde grote steden wellicht. Maar in veel gebieden niet. Het is wat flauw om vanuit die context te doen alsof lidmaatschap niet meer relevant is. Waarbij het voor de PKN natuurlijk van belang is om na te denken over nieuwe vormen van betrokkenheid.

Missionair
Deze contacten zijn voor de PKN een bijzondere kans. De missionaire potentie kan niet worden onderschat. In de 9 jaar dat ik predikant heb ik minder dan 10x te horen gehad dat niet welkom ben. En dat terwijl ik elk jaar ongeveer 300 bezoeken afleg. Weerstand tegen het evangelie is er zelden. Ik heb maar 1x meegemaakt dat iemand het lezen uit de Bijbel of een gebed onnodig vond. (De gesprekken waarbij ik zelf aanvoelde dat het niet gepast was uitgezonderd.)
Waar andere kerken soms op zoek moeten naar contacten, heeft de PKN die contacten via de kaartenbak. Bovendien heeft de PKN gemeenten op ‘onrendabele’ plekken als kleine dorpen, minder christelijke gebieden waar een gemeentestichting niet snel zal plaatsvinden (Noord-Holland, Friesland, Groningen, Limburg, de Achterhoek).

Het werk doe ik niet alleen. Als gemeente hebben wij 12 wijkouderlingen, die ondersteund worden door verschillende bezoekbroeders en bezoekzusters. De afspraak is dat gemeenteleden om het jaar bezoek krijgen en dat ouderen 2x per jaar bezoek krijgen. In bijzondere situaties, als eenzaamheid, rouw, ziekte vindt bezoek veel frequenter plaats. Deze vorm van bezoeken komt vooral nog bij de wat behoudender gemeenten tegen. Dat is jammer. De gedachte dat werken met een kaartenbak in een grote stad niet zou werken lijkt mij iets tekort door de bocht. Ik heb er zelf geen ervaring mee. Maar zoals ik mijn werk nu doe lijkt mij dat een verlies voor zowel de kerk als de leden en de samenleving.

Preek zondagavond 2015

Preek zondagavond 2015
Efeze 1:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Amerikaanse hoogleraar Eugene H. Peterson, van wie ik momenteel veel lees en veel leer,
heeft een boek over de brief van Paulus geschreven met als titel: Practice resurrection.
Leven uit de opstanding van Christus – de opstanding van Christus in praktijk brengen.
De ondertitel van het boek is net zo belangrijk als de titel”
An conversation on growing up in Christ – een gesprek over groeien in Christus,
een gesprek over in Christus volwassen worden in het geloof.

Dat is ook wat ik als uw predikant met u als gemeente wil doen:
een gesprek met u, vanuit deze brief van Paulus aan de Efeze,
over het in Christus volwassen worden in het geloof, over het groeien in Christus.
Niet vanuit de hoogte, alsof ik wel even weet hoe dat gaat,
maar soms wel een indringend gesprek,
waarbij we elkaar in de ogen kijken, met elkaar meedenken,
elkaar helpen te luisteren naar Christus, de opgestane Heer
die in ons wil wonen en werken.
De brief zelf zet ook in op een gesprek,
en dan niet zozeer van Paulus met de gemeente,
maar door de woorden heen die Paulus schrijft,
klinkt de stem van onze opgestane Heer en Heiland.
Paulus is maar een apostel, de brenger van de boodschap,
Het gaat er niet om wat Paulus vindt, het is niet het gezag dat Paulus uit zichzelf heeft.
Paulus is maar een boodschappenjongen,
hij speelt wel een rol in Gods plan om het evangelie over de wereld te mogen brengen,
om gemeenten te stichten en gemeenten te begeleiden in het groeien in Christus,
maar het gaat hier niet om Paulus, maar om God zelf
die in de woorden van Paulus bij de gemeente van Efeze kwamen
en de woorden van God die bij ons hier in ‘t Loo en in Oldebroek komen.
We kunnen het opschrift van deze brief ook veranderen in:
Aan de Oldebroekers en aan de Loosen
Paulus, die door Gods wil de stem van Jezus doet klinken,
die door zijn brief zich mag richten aan de heiligen en gelovigen in Jezus Christus
die er in Oldebroek en in ‘t Loo zijn.
Huh? Heiligen die er in ‘t Loo en in Oldebroek zijn?
Dat er mensen zijn die in Jezus Christus geloven, dat weten we:
kerken genoeg in Oldebroek, waarmee we samen, hoe verschillend we ook zijn,
het lichaam van Christus vormen.
Maar heilig? Kunnen we dat zomaar van onszelf zeggen?
Is dat niet teveel eer voor ons? Zijn wij wel zo heilig?
Nee, het gaat niet om wat wij voor elkaar hebben gekregen
en dat wij toch best een heel eind op weg zijn om goede mensen te worden.
Het gaat er niet om, dat we onszelf maar eens een flink compliment geven
en tegen elkaar zeggen: We doen het heel goed, beter dan de rest.
We stijgen boven hen uit.
Als we aangesproken worden met heiligen moeten we niet naar onszelf kijken.
Want heilig zijn we niet in onszelf, maar heilig zijn we door wat God doet.
Heilig heeft hier de betekenis van: toegewijd en klaargemaakt om God te kunnen dienen.
Heilig zijn we, net zoals het volk Israël een heilig volk is.
Net zo zondig als wij, met net zoveel moeite om Gods wil in praktijk te brengen als wij
en toch heilig, bijzonder, omdat God dit volk apart zette
en tegen Israël zei: Jullie zijn Mijn volk en je bent hier op aarde om Mij te dienen.
Als we aangesproken worden als heiligen, in dat ene woordje,
wordt heel het werk van God aan ons samengevat:
God die Zijn Zoon naar de aarde stuurt en de Zoon van God die sterft aan het kruis
en opstaat uit de dood – dat maakt ons heilig.
Dat we heilig genoemd kunnen worden, hebben we niet aan onszelf te danken,
is geen verdienste die we op onze eigen conto kunnen schrijven,
maar dat is wat God met ons doet: Hij maakt ons heilig.
Dat wil zeggen: hier op ‘t Loo en in Oldebroek zoekt Hij mensen uit
om hen apart te nemen en tegen hen te zeggen: Je bent van Mij.
Je bent nu niet allereerst meer Oldebroeker of Loose, maar je bent er nu een van Christus.
Gelovigen in Christus, daarmee bedoelt Paulus niet dat wij geloven in Christus,
maar dat we als gelovigen zijn in Christus.
Christus is het gebied, de locatie waarin we ons bevinden.

De Herziene Statenvertaling maakt het wat onduidelijk, het gaat om heiligen die in Efeze zijn
en in Christus Jezus zijn – heiligen die in Oldebroek en ‘t Loo zijn en in Christus.
Daar zit een dubbelheid in – en die dubbelheid is kenmerkend voor een gelovige.
We zijn hier op deze aarde – wonen hier, hebben hier onze relaties, ons werk, ons leven,
maar terwijl we hier zijn, zijn we ook al in Christus, zijn we niet alleen van Hem,
maar ook in Hem.
We zijn burger in twee werelden: dit dorp hier op aarde, maar tegelijkertijd burger van het hemels Jeruzalem. Wel op in deze wereld, maar niet van de wereld,
we zijn van Jezus Christus en daarom zijn we ook in Hem.
Heel deze brief is een gesprek van God met Zijn gemeente om het vol te houden
om hier op aarde van en in Christus te zijn.
Want dat is zo eenvoudig nog niet.
Het Oldebroekse, het Loose blijft aan ons trekken.
En al kunnen we zeggen dat het hier in deze omgeving nog behoorlijk christelijk is
en dat de spanning in een stad als Zwolle of Amsterdam veel sterker wordt ervaren,
ook voor ons hier is er die spanning tussen die beide werelden:
het aardse dat aan ons trekt, dat nog zo in ons werkt
ons doen en laten wil bepalen, ons leven wil laten gehoorzamen,
en aan de andere kant, de Heilige Geest – die Geest van Christus, de opgestane Heer,
die in ons werkt, en dat aardse, dat Oldebroekse, Loose steeds meer uit ons wil hebben.
Groeien in Christus betekent: steeds meer het aardse verliezen,
steeds minder Oldebroeker worden en steeds meer van Christus worden,
steeds minder een Loos karakter, maar gevormd door de Heilige Geest met Christus in ons hart.
Alleen dan worden we volwassen
en alleen dan, met Christus in ons hart en als we door Hem gevormd worden,
kunnen we hier wonen.

Want hebben onze woonplaats op aarde niet voor niets.
U bent niet voor niets hier in Oldebroek of ‘t Loo woonachtig.
Dat is niet toevallig.
als gelovigen hebben we een hemels paspoort,
maar ook een aards paspoort.
We leven hier op aarde en dat is niet zomaar.
Paulus zegt tegen de gemeente in Efeze niet dat zij uit Efeze moeten wegtrekken
omdat de stad zo goddeloos is.
Christus zegt niet tegen ons, dat we ons moeten afzonderen van de gemeenschap hier,
maar juist hier, op deze plaats zijn we van Christus,
bent u als gemeente een heilige gemeenschap.
Dat wij Hervormde Gemeente Oldebroek – ‘t Loo heten,  is niet alleen een plaatsaanduiding,
geeft niet alleen aan dat wij onze mensen en onze gebouwen in deze twee dorpskernen hebben,
maar dat we hier op deze plaats door God zijn uitgekozen om aan God gewijd zijn.
Wij zijn net als Israël.
Israël kreeg een bijzonder stuk op aarde toegewezen: het Beloofde Land.
Als kerk vervangen we Israël niet.
Dat kan niet, want God heeft met Israël een eeuwig verbond opgericht
en daarom is het goed dat er komende week aandacht is voor Israël,
voor de rol van Israël in deze tijd die de eindtijd is.
Er is wel een overeenkomst: zoals God in Israël werkt, zo werkt Hij ook in de kerk:
er is een gemeenschap van mensen, die door God zijn uitgekozen
om Hem te dienen op een bepaalde plaats.
Israël had God niet uitgekozen, maar God koos dit volk.
En wij hebben God niet uitgekozen, maar Hij koos ons.
Dat we geloven, dat we in Christus zijn,
dat we een dubbel paspoort hebben, een aards en een hemels,
dat hebben we er niet aan te danken omdat wij gelovig zijn.
Net zo min als dat wij ervoor gezorgd hebben dat we heilig zijn,
is geloven is dat bij ons vandaan komt.
Het komt bij God vandaan. Hij maakt ons heilig, Hij zorgt ervoor dat we in Christus zijn
en dat we in Jezus geloven en vertrouwen hebben in onze Heiland.
Dat hebben we allemaal niet aan onszelf te danken.
Dat is allemaal Gods keuze. Zijn keuze om Israël als Zijn volk te kiezen,
en hier in Oldebroek en ‘t Loo u en jou te kiezen.
Uitverkiezing.
En als we dat woord horen, dan kunnen we terugschrikken,
want dat kan voor ons gevoel iets oneerlijks krijgen, iets willekeurigs:
God kiest de één wel en de ander niet.
Als Hij voor een bepaalde groep kiest, betekent dat ook dat Hij andere groepen links laat liggen.
Als we zo denken, zitten we op het verkeerde spoor.
We kunnen het vergelijken met een bruiloft.
Als er iemand trouwt – ik kreeg deze week een trouwkaart en in de komende maanden
is er in onze gemeente een aantal trouwerijen –
dan denken we toch nooit: waarom kiest deze bruidegom nou voor deze bruid.
Hij had toch ook een ander kunnen kiezen?
Het is toch willekeurig dat hij voor dit meisje, voor deze vrouw kiest?
Stel je voor, dat je bij de ingang van het stadhuis kabaal gaat maken
en dat je hier je beklag over doet en roept: de keuze die je maakt is zo oneerlijk, zo willekeurig.
Het gaat in Gods keuze, in Zijn uitverkiezing, om liefde,
liefde die ons opzoekt, Hij kan het niet over Zijn hart verkrijgen om ons te laten gaan.
Daarom kan Paulus er ook zo opgetogen over zijn.
Dat we die dubbele paspoorten hebben, dat is niet zomaar,
dat zegt alles over God en over Zijn hart, Zijn liefde voor ons.
Zie, hoe Zijn hart brandt van liefde voor ons.
En het is ook geen bevlieging van God.
Het is niet, zoals dat bij ons mensen zo kan zijn,
dat je spijt krijgt van je huwelijk, omdat het niet loopt,
omdat degene die je gekozen hebt, toch een ander blijkt te zijn
of niet voldoet aan je maatstaven.
Nee, als God kiest, dan komt Hij er niet op terug.
Dat is het tweede wat bij uitverkiezing komt kijken: eerst liefde, maar ook in de tweede plaats
een keuze waar God niet op terugkomt.
Kijk maar in vers 4: een keuze die Hij al maakte, voordat Hij de wereld schiep.
Dus nog voordat u ging geloven, voordat u geboren werd zelfs,
voordat deze wereld door Hem in het aanzijn werd geroepen, werd geschapen,
voordat alles hier op aarde begon, toen koos Hij al uit.
Daar begint reeds onze groei: voor ons bestaan, voor het bestaan de wereld, in Zijn keuze.

In al die lange tijd dat de wereld bestaat, is Hij niet op die keuze teruggekomen.
Sterker nog: Hij heeft Zijn keuze waargemaakt en uitgevoerd.
Dat we een kerk zijn, is een teken van Gods liefde en trouw.
Als we afvragen waar God is en wat Hij doet,
kunnen we naar de kerk kijken, naar ons gebouw, naar onze samenkomsten,
naar de gelovigen die vanavond uit de kerk hun plaats weer innemen in hun gezin
en morgen op hun werk en in de straat waar je woont.
God heeft u gekozen. En niet alleen u, maar een hele gemeenschap om u heen.
Want alleen red u het niet.
Alleen red u het niet in de strijd tussen het aardse en het hemelse,
tussen het Oldebroekse en wat van Christus is,
tussen ‘t Loose en de Geest, tussen het Nederlandse en wat van het Koninkrijk van God komt.
In die strijd verliezen we als we het alleen moeten doen.
Maar niet alleen vanwege die strijd,
er is nog een reden: God is te groot voor ons
om Hem in ons eentje te kunnen doorgronden.
We hebben elkaar nodig om Gods grootheid en glorie te kunnen zien en ervaren.
Wie door Christus gewonnen is, krijgt er een hele familie bij: broers en zussen.
Geloven is geen privé-onderneming.
Want de Heere is niet mijn privégodje en Christus niet mijn eigen persoonlijke redder
waar anderen niets mee te maken hebben, die alleen maar van mij alleen is.
In het geloof is er geen ik-alleen, geen ego-tripperij,
maar een ons, een wij, een gemeenschap.
Een gemeenschap niet alleen met mensen, maar ook een gemeenschap met God,
door Jezus Christus.
Er is een band, een relatie, een band die niet verbroken kan worden.
Niet meer – omdat Jezus stierf en opstond
en omdat we in Hem leven.

Omdat we in Hem leven – als ik het zo opschrijf en zo zeg,
dan aarzel ik altijd, want ik weet dat ik daar commentaar op kan krijgen,
want het klinkt wel makkelijk alsof iedereen tot die gemeenschap behoort.
Je moet daar toch wel een keuze voor maken?
God maakt die keuze en wij kunnen dat alleen ontvangen en beamen.
Hij bepaalt wie er tot die gemeenschap behoort
en Hij gebruikt ons om anderen tot die gemeenschap te brengen.
Daarom zijn we een gemeenschap hier in Oldebroek en ‘t Loo.
Maar we zijn niet van hier.
Onze bestemming ligt elders: in het hemels Jeruzalem.
Oldebroek en ‘t Loo – is maar een tussenstation op de reis naar die eindbestemming.
De hele brief wordt gestempeld door de verwondering
dat God ons daar wil hebben: bij Hem in het hemels Jeruzalem,
daar waar onze Heer nu reeds is.
Hier op aarde laat Hij ons al delen in Hem.
Paulus kan zijn geluk niet op.
Kijk maar in vers 3 – dat is de basis voor die hele lange zin, de beruchte zin,
die helemaal doorloopt tot in vers 14,
een van de langste zinnen die er bestaat in het Grieks uit die tijd.
Het is een lofprijzing van een hart dat overstroomt,
er maar niet genoeg van God kan krijgen
er nog steeds niet bij kan, dat God ons mensen heeft uitgekozen in Zijn liefde.
En dat God ons niet alleen heeft uitgekozen, maar ons alles geeft
wat we nodig hebben om het hier op het tussenstation uit te houden
en op het eindstation aan te komen.
Geprezen zij God voor alle zegeningen die we van Zijn kant ontvangen,
Hij geeft alles wat Hij heeft, Hij geeft zichzelf.
Er is een band met God, door God gelegd
en vanuit God stroomt ons alles toe wat wij hier op aarde nodig hebben:
genade, vreugde, kracht om vol te houden, wijsheid om de weg te gaan,
mensen om ons heen, noem maar op.
En het komt allemaal vanuit Christus die voor ons stierf en opstond uit de dood.
We zijn er nog niet, maar we kijken wel uit naar het moment om bij Hem te zijn.
Daar zullen wij onze Heer ontmoeten.
En hier op aarde, waar we nu nog zijn, terwijl we uitkijken, naar omhoog
waar Hij is, onze God, onze Heer.
zijn we al vol van Hem en kunnen we niet wachten.
Geprezen zij de Heer voor alles wat Hij geeft!
Amen

Gebed voor mijn dorp

Gebed voor mijn dorp

Heer, Schepper van hemel en aarde
U overziet het grote geheel
maar u ziet ook het kleine
en ieder mens afzonderlijk.

Ik bid u voor de plaats waar wij wonen
voor de mensen er wonen:
dat zij elke dag Uw trouwe zorg en Uw genade mogen ervaren,
Uw zegen over hun leven.
Voor degenen die eenzaam zijn bid ik,
maar ook voor degenen die een volop gemeenschap ervaren,
voor hen die het moeilijk hebben
en voor hen die het goed hebben.

Werk in mij
dat ik ook voor hen tot zegen mogen zijn.
Bewaar mij voor een te snel oordeel over anderen,
alsof ik wel weten wie zij zijn en hoe het met hen gaat.
Schenk mij wijsheid, mildheid en bedachtzaamheid
in het spreken met anderen, over anderen.
En open mijn hart voor wie zij werkelijk zijn.
Open mijn ogen voor wat U doet in hun leven
en leer mij te luisteren naar U en naar hen.

Om Christus’ wil.
Amen

Kerk-zijn op een dorp: (1) wonen op een dorp

Kerk-zijn op een dorp: (1) wonen op een dorp

Hoewel er veel dorpsgemeenten zijn, is de bezinning op het kerk-zijn op een dorp pas recent op gang gekomen. Door missionaire bezinning is er al geruime tijd aandacht voor de context van de evangelieverkondiging, maar die spitst zich toe op de prediking of op stadsgemeenten. Er wordt volop nagedacht over wat het betekent om kerk in een stad te zijn. Er is een heuse theologie van de stad ontwikkeld. Omdat ik zelf sinds 2007 predikant in dorpsgemeenten ben, houdt mij de vraag bezig wat het betekent om kerk te zijn op een dorp.

Met als onderliggende vragen: Wat is de relatie tussen de dorpsgemeenschap en de kerkelijke gemeente? Wat is er kenmerkend voor een kerkelijke gemeente op een dorp? Wat zijn de voor- en nadelen van een dorpsgemeente? Wat is de toekomst van een dorpsgemeente? Wat betekent de context van een dorp voor de evangelieverkondiging en missionaire opdracht?
Op deze vragen heb ik nog lang niet een antwoord en het antwoord dat ik heb is nog erg voorlopig. Het helpt mij in mijn werk als dorpspredikant wel om deze vragen te stellen en daarover na te denken. In het volgende wil ik u meenemen op een zoektocht. Daarbij wil ik beginnen bij het wonen op een dorp.

Dorps
In mijn kindertijd delen verschillende scholen mee met de aubade op het marktplein. Een van de liederen die we zongen was het Veens volkslied (niet te verwarren met het Nieuw Veens Volkslied van Kees Stip):

Veenendaal, dorp dat tot stad is gegroeid,
stad waar veel goeds van een dorp ook nog bloeit.

Dat laat zien dat het dorpse een aantal mensen een meerwaarde heeft boven het stadse. Ook al wordt het in dat volkslied niet uitgewerkt wat het dorpse kenmerkt. Blijkbaar gaat men ervan uit, dat direct duidelijk is waarom het dorpse een voorkeur heeft boven het stadse en waarom het zo prettig is, dat Veenendaal ondanks de groei nog steeds het karakter van een dorp heeft.

Hart voor het dorp
Degenen die positief zijn over het wonen op een dorp noemen vaak het rustige leeftempo, de aandacht en betrokkenheid op elkaar. Op een dorp zijn er veel contacten: je komt elkaar op verschillende momenten door de week tegen. ’s Zondags bijvoorbeeld in de kerk, doordeweeks op straat, in de winkels (als die er zijn), bij de voetbal, in het dorpshuis. Ik zie het aan mijn eigen zoon: een deel van de vriendjes waarmee hij speelt, zitten bij hem in de klas, bij ons in de kerk, op dezelfde voetbalclub en wonen enkele straten verderop. Geregeld is er overleg met de scholen, bijvoorbeeld om de diensten voor bid- en dankdag of voor de zondag voor school en kerk voor te bereiden. De trits school – gezin – kerk kan in sommige dorpen worden aangevuld met voetbal (of een andere sport). Een collega uit de buurt werd gevraagd om voorzitter te worden van de plaatselijke voetbalvereniging. Hij bedankte voor de eer. Bij het jubileum van de voetbalvereniging werd hij gevraagd om een speech te houden.
Veel dorpelingen zijn nauw betrokken bij de dorpsgemeenschap en zetten zich er volop voor in. De plaatselijke voetbalvereniging hier is er trots op, dat het gras er veel beter bij ligt nu het door vrijwilligers wordt onderhouden dan toen het nog door de gemeente werd onderhouden. Vrijwilligers zijn er volop op een dorp: de vrijwillige brandweer, de oranjevereniging, het buurthuis, de kerk, de voetbal – geen enkele vereniging bestaat zonder vrijwilligers. Degenen die op een dorp wonen hebben vaak hart voor hun dorp en voor de verenigingen van een dorp.

Je weet alles van elkaar
Als ik aan bruidsparen vraag of zij op het dorp willen blijven wonen, krijg ik twee verschillende antwoorden: de een wil niet weg, de ander is blij weg te kunnen. Wie wil blijven, wil niet zonder de onderlinge contacten. De buren en de familie weten veel over je. Ook zonder dat je het hen vertelt. Van de oudere generatie hoorde ik zelfs, dat men al vrij snel wist wanneer een vrouw op het dorp in verwachting was omdat men bij de was op maandag bepaalde was miste… Nauwe contacten hebben ook een nadeel: men weet alles van elkaar en men wil soms ook alles van de ander weten. Degenen die op een dorp wonen, kunnen zich in hun manier van leven ook laten leiden door wat de anderen (de buren, familie) zou vinden: ‘Wat zouden anderen dan van mij zeggen?’
De omringende plaatsen hebben voor de mensen hier op het dorp de bijnaam: ‘rutenkiekers’ of ‘platneuzen’ (omdat ze de hele dag met hun neus tegen het raam zouden staan om te zien wat er in de straat gebeurt). Toen ik een keer vroeg waarom hier zoveel gordijnen ’s avonds open blijven, kreeg ik als antwoord: ‘Je wilt toch wel weten wie er ’s avonds door je straat loopt.’ Het gaat mij er niet om of deze karikaturen waar zijn. Ik haal deze vooroordelen aan om aan te geven, dat wonen op een dorp ook een negatieve kant heeft. Betrokkenheid en roddel liggen soms dicht bij elkaar. (Ik moet hierbij denken aan wat de docent pastoraat ons vertelde over de relatie roddel en betrokkenheid. Zij draaide het om en gaf aan dat het de kunst is om van roddel (‘gossip’) betrokkenheid en evangelie (‘gospel’) te maken.)
Degenen die weg willen, vinden al die betrokkenheid ook benauwend. En mensen die van elders komen kunnen zelfs na jarenlang op het dorp te hebben gewoond nog steeds het gevoel hebben er niet bij te horen.

Voorzieningen
Een heikel punt zijn de voorzieningen. Veel dorpen hebben te maken met teruggang: winkels trekken weg, scholen verdwijnen. De ouderen weten nog te vertellen dat er verscheidene bakkers en smeden waren. Daarnaast is er sprake van regionalisering. Kleine verzorgingstehuizen verdwijnen uit dorpen, waardoor ouderen als zij hulpbehoevender worden de laatste jaren van hun leven uit het dorp, waar zij altijd hebben gewoond, moeten weggaan. Werkgelegenheid kan uit dorpen verdwijnen omdat de bedrijven en voorzieningen wegtrekken. Veel burgerlijke gemeenten zijn in de afgelopen decennia gefuseerd tot grote gemeenten met veel dorpen (waarbij na jaren nog steeds het gevoel kan overheersen dat dit dorp er maar bij hangt.)
Dorpen hebben het gevoel, dat zij leeglopen omdat jongeren elders moeten wonen, omdat er geen starterswoningen zijn. Nieuwbouw is vaak niet meer mogelijk in dorpen en wordt geconcentreerd in grotere plaatsen in de buurt. Door de vertrek en door import kunnen dorpsbewoners het gevoel hebben dat hun dorp sterk van karakter verandert en de betrokkenheid afneemt?
Is er nog toekomst voor een dorp wanneer de jonge gezinnen en de voorzieningen wegtrekken? Verrassend genoeg blijken dorpen vitaal te zijn. De meeste dorpen hebben meer jongeren en kinderen wonen dan zij zelf vaak denken. Slechts enkele gebieden aan de rand (Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Oost-Groningen) hebben daadwerkelijk te maken met leegloop.

Gemeentebeleid
In veel burgerlijke gemeenten is er een dubbele tendens: regionalisering (of regionale samenwerking) en het ondersteunen van de dorpskernen te ondersteunen. Aan de ene kant is deze dubbele tendens een vorm van bezuinigingen. In deze tijd kan de gemeente niet alle verenigingen meer van subsidie voorzien. Aan de andere kant is het ook een vertrouwen in de daadkracht en de betrokkenheid van degenen die op een dorp wonen.
Ook regionalisering wordt vaak gedreven door de noodzaak tot bezuinigingen. Deze regionalisering stuit vaak wel op scepsis: levert de regionalisering wel genoeg op of is de kostprijs hoger dan de uiteindelijke winst? Daarnaast gaat regionalisering ook gepaard met het nodige wantrouwen: regionalisering betekent afstand en afname van betrokkenheid. De bereidheid en verantwoordelijkheid van vrijwilligers neemt af bij regionalisering. Daarnaast heeft elk dorp een eigen karakter, waarbij men soms zich ook bewust afzet van de naburige dorpen en plaatsen. Niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de samenwerking.

Wat betekent de context van een dorp voor een kerk? Daarover de volgende bijdrage.

Kerk voor de regio of kerk op het dorp?

Kerk voor de regio of kerk op het dorp?
Enkele gedachten vanuit missionair perspectief

In een gebied met kleine dorpen kan de vraag zijn: waar ligt de toekomst van de kerk? Moet de kerken er in die regio op inzetten dat er in elk afzonderlijk dorp een kleine gemeente is? Of moeten de kerken inzetten op regionalisering om zo tot bundeling van krachten te komen?

Probleem
In veel regio’s, zoals Noord-Holland, Friesland of Groningen, is dat geen vraag voor de toekomst maar een vraag over het kerkzijn vandaag de dag. Is het verstandig om de kerken in Ilpendam en Watergang beide open te houden? Moet de kerk van Berkhout nog wel gerestaureerd worden als er maar eens in de 3 weken een dienst belegd wordt en daar niet meer dan 20 kerkgangers zijn? Is het niet verstandig om Noord-Oost-Groningen tot één gemeente te maken en één centrale kerk voor de diensten aan te wijzen?
Deze vragen kunnen heftige emoties oproepen. Omdat in deze regio’s al veel meer instanties weggetrokken zijn uit de dorpen: verzorgingstehuizen, supermarkten, bankfilialen, scholen, gemeentelijke overheid (door fusie van kleine gemeenten). Als de kerk dan ook nog eens wegtrekt, roept dat de vraag op: welke voorzieningen blijven nog over? En wat blijft er nog van het dorp over? Daarbij is de kerk niet zomaar een instituut, maar draagt de kerk zorg voor de ‘ziel’ van het dorp.

Missionair perspectief
Deze vraag waar de kerken in die regio’s op in moeten zetten kan ook bekeken worden vanuit missionair perspectief.
In Groot-Brittannië en Frankrijk zijn er tendensen om in te zetten op de lokale gemeenschappen: de gemeenteleden van de kerk op het dorp hebben vaak goede contacten in het dorp. Zij zijn nauw met het dorpsleven verbonden. Via deze gemeenteleden heeft de kerk op het dorp een goede ingang in dat dorp. Rural churches are good at mission, zegt het Arthur Rank Centre. Er wordt ook gesproken over ‘het potentieel van de kleine kerk’. Barry Osborne, die jarenlange ervaring heeft met evangelisatie in plattelandsgebieden, geeft aan: ‘De kerk zou van de lokale bevolking en voor de lokale bevolking moeten zijn.’
Albert Rouet, de voormalige bisschop van Poitiers, geeft aan: het gaat niet om de vraag hoe de sacramentele structuur van de kerk (eredienst, ambtsdragers) gewaarborgd kan worden, maar om de vraag hoe de kerk er voor de mensen in die plaats kan zijn en van daaruit nadenken over de sacramentele structuur.
Deze trend heeft een gelijke trend in de planologie en de architectuur: tegenwoordig gaat men ervan uit dat elk dorp en elke wijk een eigen kleur en opbouw heeft. Met het maken van plannen en het opzetten van (mogelijke) nieuwbouwprojecten wordt rekening gehouden het karakter van de wijk of het dorp. Om dat voor elkaar te krijgen worden de bewoners betrokken bij het project.

62061103

Theologie van de missie
Deze wending naar het lokale heeft zich ook voltrokken in de missiologie (de theologische doordenking van de missie van de kerk). Er wordt ook wel gesproken over een wending van de attractionele missie naar de incarnatorische missie. De attractionele missie gaat ervanuit dat wat deze gemeente in huis heeft zo aantrekkelijk is, dat mensen er op afkomen. De incarnatorische missie maakt de omgekeerde beweging: men zoekt de mensen op die men wil bereiken. In de omschakeling naar de incarnatorische missie wordt benadrukt, dat deze wending naar de mensen toe niet door enkele gemeenteleden wordt gedaan maar door de gehele gemeente.
Incarnatorische missie geeft aan, dat men er ook niet voor even komt maar dat men zich langdurig of permanent wil vestigen. Incarnatorische missie is ook ontleend aan de incarnatie van Christus, die niet even langs kwam, maar onder ons kwam wonen (Johannes 1:14). In deze incarnatorische missie gaat het erom, dat de missie van de kerk te maken heeft met het alledaagse leven. De gemeenteleden verweven zich met het verenigingsleven in het dorp en gaan contacten aan met dorpsbewoners.

250px-05787_Ilpendam_PKN._vm.NHK._15e_Kerkstraat_19_NH._opname_23-08-1997_foto._Alie_Stok-Britting._Krommenie_(8)

Milieu
Incarnatorische missie is dan ook gericht op het milieu van het dorp. Daarbij wordt rekening gehouden dat elk dorp zijn eigen, karakteristieke milieu heeft. In deze missie gaat het erom de cultuur van dat dorpsmilieu te leren kennen en daarbij aan te sluiten. Pas wanneer de gezonden kerk ‘in’ het dorpssysteem opgenomen is kan het een opening vinden.
Het voordeel van de volkskerk is dat in veel dorpen er nog gemeenteleden zijn, vaak ook de actieve gemeenteleden, die een goede ingang in het dorp hebben. Zij hebben de ingang en kennis van het dorp. Zonder deze ingang of zonder een langdurige verworteling in een dorp zal evangelisatie en werving voor Christus op niets uitlopen.
Met andere woorden: Lokale kerken zijn goed in incarnatorische missie, want:
(1) De mensen in het dorp kunnen aan de kerkelijk betrokken buren aflezen wat het evangelie inhoudt.
(2) Evangelisatie gaat samen op met sociale betrokkenheid. De kerk is er ten dienste van de lokale gemeenschap.
(3) Een dorp is vaak een gesloten systeem. Alleen wie ingang heeft in dat systeem, vindt een opening voor het evangelie.
(4) Doordat een dorp een gesloten systeem is, moet men een ingang voor het evangelie nog veel sterker verdienen dan in een stad. Mensen kunnen immers aan de levensstijl van de buren zijn of het evangelie consequent geleefd wordt.
De nauwe verwevenheid van gemeenteleden in het dorp heeft ook een nadeel: met de buren is het niet gemakkelijk om over het evangelie te praten. Want je komt hen elke dag weer tegen. Hoewel de gemeenteleden op een dorp vaak goede ingang hebben in een dorp, worden die contacten zelden gebruikt voor missionaire doeleinden.

Een extra reden voor incarnatorische missie is de leegloop van het platteland. In plaats van weg te trekken zou de kerk er ook voor kunnen kiezen om de kleiner wordende gemeenten in deze regio te ondersteunen om vol te houden en zo juist in deze kwetsbare regio’s aanwezig te zijn met pastoraat en eredienst.

Attractioneel
Hoewel de wending van attractioneel naar incarnatorisch is, heeft ook de attractionele missie haar bestaansrecht niet verloren. Attractioneel zijn de plaatsen met een uitstraling over een bredere regio: een klooster of bedevaartsoord, een grote, historische kerk met een mooi orgel en een goed koor. Een attractionele gemeente kan een goed aanbod hebben voor vorming en toerusting waar de hele regio van kan mee profiteren.
Met andere woorden: lokale kerken zijn beter in incarnatorische missie, streekgemeenten of kerken in een stadswijk zijn beter in attractionele missie.

Versterking van elkaar
Incarnatorische en attractionele kerken kunnen elkaar versterken. In de praktijk gebeurt dat vaak niet en beschouwt men elkaar als concurrenten. Zeker de kerken op een dorp die hun gemeenteleden zien vertrekken naar een attractionele gemeente.
Het zou beter zijn als er meer samenwerking en afstemming komt, waarbij de incarnatorische en de attractionele gemeenten zich richten op hun kracht. En waarbij grotere gemeenten ook oog hebben voor de kleinere gemeenten in de regio.
Niet de neiging van de grotere gemeenten om de kleinere op te slokken en te streven naar de fusie. Fusie en centralisering leidt in de praktijk tot verlies van leden. De methodistische kerk in Groot-Brittannië heeft een regionalisering en centralisering doorgevoerd. Het effect: 1/3 van de mensen ging over naar een andere kerk (bijvoorbeeld een Anglicaanse kerk dichterbij), 1/3 van de mensen bleef thuis en haakte af, 1/3 van de mensen ging mee.
Het zou beter zijn om elkaar te versterken en meer afwisseling: een grotere gemeente met een goed koor en een goede organist zou die organist en dat koor af en toe kunnen uitlenen aan de kleinere gemeente. Grotere gemeenten zouden instructie voor ambtsdragers kunnen organiseren waarbij ambtsdragers uit kleinere gemeenten welkom zijn. Gemeenten in de regio zouden samen een adviseur voor het jeugdwerk kunnen betalen, zoals bij de HSJJ gebeurt.

kerk2446_2

Voor de Protestantse Kerk in Nederland zou dat kunnen betekenen: meer aandacht vanuit de lokale kerken voor de classis en omgekeerd meer stimulans vanuit de classis voor de lokale gemeenten. De classis zou een platform kunnen zijn, waarop gemeenten elkaar leren kennen en leren vertrouwen. Een platform waarop ervaringen worden uitgewisseld, waarop men elkaar om advies durven te vragen. Een platform waarop kerken elkaar stimuleren en bemoedigen om kerk te zijn op de plaats waar de kerk geroepen is.


N.a.v. Thomas Schlegel, ‘Regionale Ausstrahlung oder Dienst vor Ort? Wie wir Menschen auf dem Lande besser erreichen’, in: Thomas Schlegel / Martin Alex (Hg.), Leuchtfeuer oder Lichternetz. Missionarische Impulse für ländliche Räume (Neukirchen-Vluyn, 2012) 19-39