Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst

Preek zondag 15 juni 2014 – morgendienst
Handelingen 3:1-11.

Intro voor de kinderen:
Stel je voor dat er bij de ingang van de kerk een man zit. De man kan niet lopen. Hij is daar neergezet door familie of vrienden om geld te vragen aan de mensen die naar de kerk gaan. Als je de kerk naar binnen wilt, moet je langs die man. Die man zit niet alleen vandaag. Hij zat er vorige week ook en de week daarvoor. En volgende week zal hij er zitten en de week erop. Als hij er niet zit, is er iets met hem aan de hand.
Wat doe je?
(a) Je vraagt aan je ouders: ‘Pap, mam, kunnen we niet de andere ingang van de kerk nemen, zodat we deze man niet hoeven te zien?’
(b) Je zegt tegen je ouders als je nog thuis bent: ‘Pap, mam, we moeten extra geld meenemen voor de man die bij de deur van de kerk zit.’
(c) Je loopt naar de man toe om hem even gedag te zeggen of een praatje met hem te maken.
(d) Je loopt langs hem zonder hem aan te kijken.
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De man die bij de tempelpoort zit,
heeft in al die jaren de mensen leren kennen
aan de manier waarop zij geld geven.
Er zijn mensen die op hem aflopen, even de tijd nemen, een praatje maken,
hem elke keer groeten als zij weer op weg gaan naar de tempel om te bidden.
Geregeld stoppen zij hem wat toe.
Er zijn ook mensen die hem wel wat geven,
maar dat uit tegenzin doen.
Hij kan aan hun gezicht zien dat ze hem liever niet waren tegengekomen,
maar nu ze hem zo vlak voor de tempelpoort hebben zien zitten,
moeten ze wel wat geven.
Misschien wel om een schuldgevoel af te kopen.

Het doet pijn als er mensen zijn die naar de tempel toegaan of uit de tempel komen,
maar die aan de andere kant van de weg gaan lopen zodra ze hem zien,
met een boog om hem heen lopen en gauw de andere kant opkijken,
zodat ze hem niet hoeven te zien.
Dat ze hem niets geven, dat is het probleem niet, maar dat ze hun hoofd omdraaien
en dat ze net doen of hij niet bestaat, dat doet pijn.

Maar de ergsten zijn degenen die hem verontwaardigd aankijken
of het tegen hem zeggen: ‘Wat doe je hier? Je hoort hier niet te zitten!’
Ze vinden het niet alleen vervelend dat ze in hun vrome gedachten gestoord worden
(ze gaan immers naar de tempel om God te ontmoeten en tot Hem te bidden),
maar ze zijn ook bang dat deze man
de tempel verontreinigd en door zijn bedelen en door zijn handicap de tempel onrein maakt.
Wat doet zo’n man bij de tempel?
Hij mag de tempel niet binnenkomen, want hij is verlamd.
Het zou goed zijn als hij bij de tempel zou worden weggestuurd.

Ja, hij mag niet in de tempel komen, want hij is verlamd.
Al vanaf zijn geboorte.
Nooit heeft hij zelf kunnen lopen.
Al heel zijn leven moet hij worden getild:
als hij naar bed wil gaan of eruit wil komen, als hij naar de wc wil,
als hij naar buiten wil, als hij ergens naar toe moet.
Ook vandaag hebben ze hem gesjouwd.
Ze zeiden tegen hem: we zetten je vandaag in de middag neer bij de tempel,
als de mensen naar de tempel gaan om het middaggebed te bidden.
Door zijn handicap mag hij de tempel niet binnengaan.
Voor de poort, buiten de tempel, moet hij wachten.
Voor hem is er geen ontmoeting met de Heere , want daarom gaan de mensen naar de tempel:
om de Heere te ontmoeten, om Zijn goedheid te ontvangen.
Dat is er voor hem niet bij.
Hij valt er buiten.

Zo dichtbij de tempel en zo ver verwijderd van God.
Op de grens, voor de poort, maar niet bij God kunnen komen.
Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die veraf zijn.
Deze man die bedelt bij de poort van de tempel is iemand die veraf is,
hoe dichtbij hij ook is in Jeruzalem en hoe dichtbij hij ook bij de tempel is.
En toch hoort hij er niet bij door hoe hij is.
Het doet pijn om ver bij God vandaan te zijn,
maar het zal nog meer pijn doen als je dicht bij God bent,
maar dat je niet bij Hem kunt komen door hoe je bent.
Zo vlakbij en dan zo’n grote kloof.
De man heeft de geur van het offer geroken, de rook omhoog zien stijgen,
het zingen in de tempel gehoord, de mensen die opgingen en uit de tempel naar buiten kwamen.
Maar voor hem was het niet.
Allen die veraf zijn.
Lukas gebruikt in zijn evangelie nog een ander woord: verloren.
Verloren schaap, verloren penning.
Verlorenen zijn bij Lukas degenen die naar God toe zouden willen gaan,
naar Hem verlangen, maar niet meer bij Hem kunnen komen door hoe ze zijn.

Maar Lukas laat nog iets zien:
Dat God juist deze verlorenen op het oog heeft.
en dat Jezus voor deze verlorenen gekomen is
om hen bij Zijn Vader terug te brengen.
De mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

Als God de verlorenen op het oog heeft, moeten wij ze ook op het oog hebben.
Wie door God geraakt is, hoort zijn hart open te stellen
voor degenen die er niet bij horen.
Daarom net voor die tempelpoort de man die de tempel niet binnen kan gaan
om Gods aangezicht te zoeken, om de Heere te danken.
Hoe zullen de mensen, die naar de tempel gaan om God te zoeken en te bidden,
hoe zullen zij omgaan met die man die daar niet bij kan komen?
Zullen ze geraakt zijn als ze hem zien, omdat ze zelf geraakt zijn door de goedheid van God?
OF zullen ze hem negeren of afwijzen, zullen ze het hem laten voelen of laten horen:
‘Jij hoort er niet bij! Wat doe je hier?’
De man voor de tempelpoort bedelt.
De Herziene Statenvertaling heeft dat met een mooi woord vertaald:
De man vraagt aan de voorbijgangers om liefdesgaven.
Een gift = gave. Om een gave uit het hart.
In het Grieks klinkt daarin door: geraakt in het hart, bewogen, ontferming,
een gift uit mededogen.
De man laat het aan de voorbijgangers merken:
ik ben van Gods goedheid buitengesloten, maar jullie niet.
Kunnen jullie mij niet laten delen in wat je van de Heere krijgt?
Kun je niet uitdelen van het goede dat je van God ontvangt?
En dan niet door een soort schuldgevoel af te kopen:
omdat je liever niet herinnerd wordt aan lichamen met een gebrek,
omdat je je dan opeens zo bewust wordt van je eigen lichaam / lijf.
Omdat je niet de geur wilt ruiken van iemand die zichzelf niet kan verzorgen en wassen,
maar afhankelijk is van het verschoond worden door anderen.
Kun je iets van Gods mededogen / ontferming aan mij doorgeven?
Het is een vraag naar ons hart?
Wat (wie) leeft er in ons hart en kunnen wij dat doorgeven?
Daar begint diaconie!

Geen wonder dat Lukas er oog voor heeft
dat Petrus en Johannes op weg naar de tempel deze man tegenkomen met deze vraag.
Zij gaan op weg om te bidden, om God te eren.
Wat doen zij? Zullen zij net als de priester en de leviet in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan om de man heen lopen?
Zullen ze hem een geldstuk geven, zodat ze niet meer aan hem hoeven te denken
en hun overige gedachten in de tempel kunnen wijden aan God?
Nee, laat Lukas ons zien, dat kan niet!
Als christen kun je je niet afzonderen van wat er in de wereld gebeurt.
Omgaan met God betekent niet dat je je hart afsluit voor wat er om je heen gebeurt.
Nee, juist het leven met God opent de ogen, opent het hart.
Je ziet de ander! Je kijkt niet meer weg.
Je draait je hoofd niet meer om door net te doen of je de ander niet gezien hebt.
Nee, geloven in Jezus de redder van de verlorenen, betekent juist
dat je je niet meer afsluit.
Geloven in de God van Israël betekent dat je ook zelf geraakt wordt door het onrecht
en het leed dat mensen aangedaan wordt.

Het begint met wat Petrus zegt tegen de man die daar bij de tempel moet bedelen.
‘Kijk mij aan!’
Wat gebeurt er als deze man Petrus aankijkt?
En wat leest Petrus in de ogen van de man die al zijn hele leven
niet kan voortbewegen, afhankelijk is, aan wie vaak voorbij gekeken is,
die alleen maar kan leven als anderen hem wat toestoppen?
Ziet Petrus aan zijn gezicht de verlorenheid? ‘Kijk mij aan!’
Wanneer mensen elkaar echt zien, vindt er contact plaats, een ontmoeting,
wordt de tijd voor elkaar genomen.
Ben je niet meer anoniem. Niet meer ‘die man’, niet meer ‘die zwerver’,
want dan word je weer iemand met een gezicht en vooral een levensverhaal.
Het valt mij op, dat dit ontmoeten vaak overgeslagen wordt
en dat mensen wel denken te weten wie een ander is
omdat ze genoeg zien.
‘Kijk mij aan!’ – woorden die aangeven aan de verlamde man: ‘Je hoort er ook bij,
bij het volk van God en Zijn verbond!’
‘Kijk mij aan!’ – verkondiging dus van Gods goedheid.
Ook degenen die veraf staan van God worden erbij geroepen.
In de houding van Petrus zien wij ook een les voor onze omgang met anderen:
zien wij anderen staan? Zien wij anderen zitten?
Kijken we niet aan hen voorbij omdat we daar eigenlijk niet tegen kunnen?
Zien ze aan ons dat God ook hen als Zijn kinderen wil aannemen?
Is onze houding voor hen een uitnodiging of zelfs een roepstem van God?
Wat bijvoorbeeld als iemand al jaren niet meer in de kerk komt?
Wat leest diegene in onze ogen: je bent er weer niet geweest?
Of: Weet je wel dat het ook voor jou is, Gods genade? Dat ook jij bij God mag horen?

Wanneer er echt een ontmoeting is, waarin ze elkaar aankijken, elkaar zien,
kan er gegeven worden.
Petrus geeft waar de man om vraagt, vanuit zijn hart,
vol bewogenheid, mededogen, ontferming.
Dus niet vanuit de hoogte, maar als vanuit het hart, omdat Petrus een hart vol heeft.
Niet vol zilver of goud. Daar is zijn hart niet vol van.
Niet van het materiële. Het is geen houding van: kijk eens hoe goed ik het heb
en daar mag ik jou nu van laten delen.
Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven.
Petrus’ hart is vol van de Heere Jezus.
Wat ik heb zal ik je geven.
Dat is het mooie van het geloof, van een hart vol met de Heere Jezus:
als je geeft, wordt je alleen maar gelukkiger en nog meer vol van Hem.
Je hart stroomt ervan over.
Wat Petrus de man geeft, is geen zilver, geen goud, zelfs meer dan genezing.
Petrus schenkt de man het mooiste wat er is:
Christus en daarmee ook een samenzijn met God.
Beste man, je verlorenheid is voorbij! Je bent weer gevonden door de Goede Herder.
Ook jij mag van zijn kudde een schaap zijn.
Leeft Christus in uw, jouw hart?
Ben jij vol van Hem? Gun je het ook dat anderen Hem kennen
en door Hem bij God mogen horen?
Wie is de Heere Jezus voor u, voor jou?

Gaat het niet om meer? Gaat het ook niet om het wonder dat Petrus geneest?
Zijn wij er niet verlegen mee en praten wij daar niet te snel overheen?
In de trant van: dat was iets van de allereerste christenen, dat gebeurt nu niet meer?
Petrus geneest de man wel!
De man mag door wat Petrus doet, genezen zijn van zijn verlamming.
Hij kan opstaan, dansen en springen, zijn benen voelen, zelf voortbewegen!
Doet Petrus dat dan?
In de naam van Jezus – dat betekent niet: ik doe het in kracht van Jezus.
Ook niet: ik heb Zijn kracht nu in mij.
In de naam van Jezus betekent: Hij is er nu zelf aanwezig en Hij doet het! Hij geneest!
Ik begrijp het verlangen als christenen zeggen: God geneest nu nog steeds!
Want voor die christenen laat God dan Zijn macht zien en moeten ongelovigen wel inzien
dat God bestaat en dat Hij machtig is en dat Hij gediend moet worden.
De Heere geneest gelukkig nog steeds.
Ook als er voor gebeden wordt.
Maar waar het hier om gaat, is dat de genezing in dienst staat van iets anders.
De genezing laat niet de macht zien van God,
maar Zijn goedheid.
Niet Zijn macht die alle kwade krachten, zoals de ziekte, verslaat.
Maar die ons diepste leed, namelijk de verlorenheid opheft, over de kloof een brug legt.
Deze man was verloren, maar werd gered doordat Petrus op hem afstapte
en Petrus vol bewogenheid deelde van wat er leeft in zijn hart: Jezus.
Wanneer er een wonder plaats vindt, is het naar mijn idee niet
om aan anderen te laten zien hoe groots en indrukwekkend God is,
maar laat dat zien dat degene die het wonder ervaart van God een teken krijgt:
Ook jij mag bij mij horen! Ook voor jou is de kloof overbrugd.
De afstand is overwonnen.
Een wonder is een teken dat God er is, dat Hij naar degene toekomt
die het wonder ervaart.
Lukas laat dat zien in de manier waarop hij over de genezing vertelt:
Met een sprong stond hij overeind.
Van die sprong wordt gezegd: dat is eigenlijk overbodig.
Maar voor Lukas niet, want juist dat woord verwijst naar een Bijbelgedeelte:
Jesaja 35 – de terugkeer van God naar Zijn volk:
* de woestijn zal bloeien
* de verlamden zullen springen.
Deze genezing is een teken, dat Christus er is
en zegt: Jullie zijn weer Mijn volk en Ik ben jullie God.

‘Kijk mij aan!’ zegt Petrus.
In naam van Christus mag Petrus de man genezen en zo terugbrengen bij de Heere.
Ik kan niet genezen, maar ik kan, mag, moet uitstralen
dat er van God een uitnodiging komt, een roeping: voor degenen die ver bij God vandaan zijn.
Al wonen ze wellicht dicht bij mij. Het is ook voor jou! Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s