Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Advertenties

Preek zondagmorgen 7 mei 2017

Preek zondagmorgen 7 mei 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Kolossenzen 2:6-15
Tekst: vers 6-7a

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

De doop is een bijzonder en ontroerend moment.
Allereerst voor jullie, doopouders:
Jullie kind, dat je uit Gods hand hebt ontvangen, krijgt nu het teken van Gods verbond
en krijgt de beloften van God mee – als Vader, Zoon en Geest.
Ook voor ons als gemeente is het een bijzonder en ontroerend moment.
Om te zien dat Gods werk doorgaat, van generatie op generatie.
Dat heeft ook voor ons als gemeente iets bemoedigends.

Tegelijkertijd is de doop niet niks.
Paulus schrijft erover, hoe ingrijpend de doop is:
U bent immers met Hem begraven in de doop.
Je zou het bij al het mooie dat de doop heeft haast vergeten,
dat er met de doop iets gebeurt dat nog ingrijpender is dan de geboorte zelf.
Ik denk dat jullie, doopouders, het allemaal zullen beamen,
dat een geboorte best spannend is, ook in onze tijd nog
en dat je blij bent als je je kind gezond en wel in je armen houdt
en dat het ook een goede start heeft en het goed doet.
In de afgelopen tijd hebben we ook gezien dat het ook anders kan.

Als een kind geboren wordt, komt het op een nieuwe wereld.
Deze wereld is anders dan de wereld van de baarmoeder
en ze moeten leren om in die nieuwe wereld buiten de baarmoeder te leven.
Bijvoorbeeld ademhalen en eten en drinken.
Als je gaat geloven, kom je ook in een nieuwe wereld terecht.
Net zoals een kind dat geboren wordt, buiten de baarmoeder komt
in de wereld waarin de ouders zijn,
zo gaat iemand die gelooft ook een nieuwe wereld binnen.
Paulus geeft benoemt die nieuwe wereld vaak als ‘in Christus’.
Geloven is dus niet alleen maar iets van binnen, dat in je hart Christus leeft,
maar dat je een nieuwe wereld binnengaat, die Christus is.
Als een baby de wereld waarin wij zijn binnenkomt, moet het zelf gaan ademen,
om de zuurstof die er is binnen te krijgen
en zonder die zuurstof zal het niet lang kunnen leven.
In Christus komen – dat is een nieuwe atmosfeer.
Soms heb je dat bij in een bepaald gebouw, of bij bepaald weer,
dat je last kunt krijgen van je ademhaling, omdat de lucht niet goed is.
In Christus zijn, dat is een wereld om je heen, een lucht die je inademt.
Bij Paulus zit hier ook een aansporing, een opdracht in:
zorg ervoor dat je in die nieuwe wereld blijft, in het klimaat van Christus,
dat je alleen maar ademt in de atmosfeer van Christus.
De mensen die in de stad Kolosse waren gaan geloven in Christus,
zij hadden een verandering meegemaakt.
Een ingrijpende verandering, zoals iemand die het altijd benauwd heeft,
opeens op een plek komt, waar de benauwdheid wegvalt
en zomaar goed kan ademhalen, omdat de lucht er zo zuiver en helder is.
Zelfs dat geeft nog niet genoeg aan wat er gebeurt,
het is alsof je sterft, maar ook gelijk weer helemaal levend wordt
in in die nieuwe wereld, die veel beter voor je is.
Christus, die je als het ware inademt, en als zuurstof in je bloed komt,
en helemaal door je heen gaat.
Jullie hebben Christus aangenomen, schrijft Paulus, je bent die nieuwe wereld binnengegaan.

Dat aannemen: is dat nu iets wat wij als mensen doen?
Er zijn groepen christenen, die heel veel nadruk leggen op onze keuze.
Als je Christus aanneemt, dan gelden de beloften van God ook voor jou.
Er zijn ook groepen christenen en gelovigen, die zeggen:
Wij kunnen als het er op aankomt, helemaal niets.
Het is allemaal Gods werk.
Ik denk dat allebei – zowel iets dat we moeten doen, maar uit onszelf eigenlijk niet kunnen.

Christus aannemen – dat is zoals een baby de liefde van zijn of haar ouders aanneemt.
zich laat koesteren en daar geen genoeg van kan krijgen, de verzorging die het nodig heeft,
dat ondergaat en aanneemt.
Christus aannemen, ze waren daar in Kolosse in aanraking gekomen
met de liefde en de barmhartigheid die God door Christus liet zien.
Christus aannemen, dat was voor de gelovigen in Kolosse gebeurd
en ze waren in een heel ander geloof, een heel andere manier van leven terecht gekomen.
De drie kinderen die gedoopt zijn, voor hen ligt dat aannemen van Christus nog vóór hen
en het is ons gebed en ons verlangen, dat ze Christus ook zullen aannemen,
want daarom laat je hen dopen, om daarmee aan te geven
dat jullie als ouders van jullie kant er alles aan wilt doen, wat je kan
om je kind zover te brengen dat het ook gaat geloven, Christus aanneemt
de liefde ontvangt en zich laat koesteren door Gods genade en zo in die nieuwe wereld komt.
De doop die jullie kind heeft ontvangen, geeft aan:
aan Gods kant is alles zover: Christus is ook voor je kind gestorven
en de Heilige Geest belooft om in je kind het geloof te wekken,
zodat ook jouw kind Christus zal aannemen en uit Zijn genade en liefde zal leven.
De kinderdoop is daarom heel gewaagd, omdat we ook weten
dat niet iedereen die gedoopt is zal gaan geloven.
Er kan daarom ook kritiek op de doop komen: kun je dat wel zeggen
dat de Geest in het hart van mijn kind gaat werken?
Ik zou dat wel willen en ik bid er ook voor, maar zo stellig?
Maakt dat ook niet laks, waardoor je al heel snel tegen een kind zegt
dat het wel goed zit, omdat het gedoopt is.
In de vorige gemeente wel eens meegemaakt, dat iemand zijn kind liever niet wilde dopen,
omdat hij vond dat de doop van een kind niet radicaal genoeg was,
Hij was bang dat zijn kind door de doop veel te gemakzuchtig zou worden
en Christus niet zou aannemen, omdat het zou denken dat het wel goed zat.
Dat hij behouden zou worden, omdat hij al gedoopt was.
De doop bij een kind is helemaal niet bedoeld om gemakzuchtig te maken,
want ook als je als kind gedoopt bent, word je antwoord op Gods liefde gevraagd,
wordt je gevraagd om ermee in te stemmen, te beantwoorden,
zoals een baby ook de liefde en de zorg van ouders beaamt, accepteert, koestert.
De doop geeft aan: alles wat er nodig is van Gods kant is al gebeurd.
Apartgezet, toegewijd, nog radicaler dan in de besnijdenis gebeurde.
We hoeven het alleen maar aan te nemen, te ontvangen.
MAar zoals we de zuurstof opnemen, zo moeten we ook Christus opnemen
en het door ons heen laten gaan, net als zuurstof door ons heen gaat.
We kunnen niet zonder.

Die besnijdenis: dat is de toewijding aan God die je ook echt in je lichaam voelt,
als je er onzeker over bent of je wel bij God mag horen, een duidelijk teken, gemarkeerd:
Je bent van Mij, Ik ben je bij je naam geroepen.
Soms kun je ook als gelovige behoefte hebben om dat ook echt te voelen,
bijvoorbeeld door je opnieuw te laten dopen.
De behoefte om het zelf mee te maken, zelf te voelen en te ervaren kan ik nog wel inkomen,
Paulus geeft alleen aan dat de doop nog radicaler is dan de besnijdenis,
Dat je ook echt wel aan je lichaam merkt.
En dat overgeplant worden, is nog radicaler dan we ooit kunnen ervaren.
Helemaal doorleven kunnen we het niet
en dat hoeft ook niet, als we er maar uit leven, als het maar de basis van ons leven is:
Christus, de nieuwe wereld waarin wij leven, waarin we niet alleen maar zijn,
maar dat een uitwerking heeft op ons.

Dat is wat Paulus hier ook aangeeft, als aansporing:
Wandel in Hem. Laat Christus in je werken. Maak het praktisch dat je van Christus bent.
Dat praktische heeft met normen en waarden te maken,
maar hier ook met een bepaalde eigenwijsheid, waarin je nee zegt tegen een wereld,
Die je nog van vroeger kent, maar die niet goed voor je is
Omdat het niet de wereld van Christus is en je daar bij Hem weg houdt.
Zorg ervoor, dat je niet in een andere atmosfeer komt, een andere wereld.
Ook niet in de oude wereld.
Er blijft een kwetsbaarheid voor die oude wereld, waaruit we komen,
die van ons afgestorven waren,
zoals je bij een baby soms ook de indruk kunt hebben dat ze heimwee hebben
naar het knusse, het geborgene van de baarmoeder,
Dat als je ze dat enigszins biedt, door dat na te bootsen, dat ze rustig worden.
Paulus waarschuwt de gelovigen, die nog maar zo’n pril geloof hebben,
dat ze meegesleurd kunnen worden,
meegesleept door allerlei gedachten die ze tegen kunnen komen,
Waarin ze vroeger wel hadden geloofd, maar dat door het leren kennen van Christus,
het leren kennen van hoe God werkelijk is, achter hen ligt.
Maar soms kan het nog wel aan je trekken, omdat het je imponeert,
je er onder de indruk van raakt, omdat iemand het heel stellig kan zeggen.
Een collega, die spot met het geloof en zegt dat het toch iets van vroeger was
een docent op de opleiding die met allerlei theorieën aankomt, waardoor je het idee krijgt
dat God helemaal niet meer nodig is en ook niet gemist wordt.
Een vriend of broer die helemaal prima zonder geloof en zonder kerk redt.
Vandaag heb je je kind laten dopen
En daarmee ook aangegeven dat je je kind wilt opvoeden of wilt laten opvoeden,
in het kennen van God.
Maar je kunt ze niet voor elke schadelijke invloed bewaren.
Je hebt het niet altijd in de hand wat ze op tv, internet, social media tegenkomen.
Je kunt ze helpen, maar je weet nooit welke mening of welk persoon in hun leven
zo invloedrijk is dat jouw woorden en waarschuwingen niets meer helpen.
Zijn ze wel sterk genoeg voor wat ze in deze wereld tegenkomen,
Die hen weer meeslepen naar de oude wereld van voor het kennen van Christus?
Een zus van mij die graag tekende, heeft toen ze nog jong was,
Zich ooit geabonneerd op een dure tekencursus die ze thuisgestuurd kreeg,
Ze had er alleen maar oog voor gehad, wat ze ermee zou kunnen, niet wat het kostte.

Paulus waarschuwt de gemeenteleden: Pas op dat je je niet in beslag laat nemen
En laat meesleuren en dat je Christus weer kwijtraakt
en terugvalt in dat bedompte, benauwde bestaan, waar je het weer slecht hebt.
Dat oude leven, dat kan indruk maken, maar dat hoeft niet.
Weet je wat er met je gebeurd is?

Toen je in Christus kwam, gebeurde er iets met je: je ging wortelen,
net zoals een plant zijn wortels uitslaat, om voedsel op te nemen
en die wortels geven tegelijk vastigheid en houvast.
Je wordt door Christus gevoed en je hebt daardoor ook je houvast in Christus.
In de doop wordt dat nog eens bevestigd, dat je door Christus wordt gevoed
en dat je in Christus je houvast hebt: Christus is alles,
Wat Hij je geeft aan genade, aan kennis over God en over de wereld, over jezelf
daar heb je geen andere theorie of godsdienst voor nodig.
De doop is een bevestiging van de wortels in Christus voor je kind:
Ook mag de woorden van Christus in mij opnemen en daarvan groeien,
wat er in de Bijbel staat, geldt ook voor mij, niet alleen voor iemand die volwassen is.
De doop is ook een bevestiging voor jullie als ouders en voor ons als gemeente:
Dat ook deze kinderen door Christus gevoed worden
en dat Hij hen houvast biedt, stevigheid, ze waaien niet zomaar weg.
Een boom kan door zijn wortels heel wat stormen overleven.
Voor jullie en voor heel veel leden uit deze gemeente zijn zulke stormen niet onbekend,
Waarin je het gevoel hebt dat je een heel eind buigt, haast wel breekt,
voor je gevoel haast onderuit gaat en dat je God kwijt bent
en dan toch die wortels in Christus die je houvast bieden
en ook je voeden: Ik ben er nog en Ik houd je vast.
In het voorhof van de Heere geplant – je zult verder groeien (Psalm 92)
De doop is ook een aansporing om daarover te vertellen.
Je houvast – onder je leven, hoe het ook verloopt en wat je ook meemaakt,
zelfs als je door stormen heengaat waaraan er flink aan jezelf en je geloof wordt gemorreld,
dan mag je weten – ik heb een fundament onder mijn leven: gegrond.
Maar doen moet ik er wel uit leven.
Dan moet ik wel mijn wortels in Hem uitslaan en het bij Hem zoeken
en niet ergens anders, bij een ander geloof, een andere manier van leven.
Er is zoveel gebeurd, toen Christus aan het kruis stierf en toen Hij uit het graf kwam.
Er is zoveel gebeurd voor mij, dat moet ik wel aannemen.
Groeien in Christus – aannemen van Gods barmhartigheid en daaruit leven,
strijden tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk, leven onder Christus.

Wij bidden U ook door Hem, Uw geliefde Zoon, dat U deze gedoopte kinderen door Uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat zij christelijk en godvrezend opgevoed worden en meer en meer groeien in de Heere Jezus Christus. Geef dat ze zo Uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid die U aan hen en ons allen hebt bewezen zullen belijden en om alle gerechtigheid onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen. Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen. Amen


Preek zondagmorgen 11 september 2016

Preek zondagmorgen 11 september 2016
Bediening Heilige Doop
Deuteronomium 6:4-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Het is bijzonder om een kind te mogen ontvangen en ouder te worden.
Dat is de eerste keer bijzonder,
maar het bijzondere wordt niet minder,
als het om een tweede kind gaat.
Soms kun je bij de komst van een tweede kind nog meer dan bij de komst van de eerste
beseffen hoe bijzonder het is om een kind te mogen ontvangen.
Als je een kind mag ontvangen,
ontvang je een bijzonder geschenk uit Gods hand.
Hij, de Schepper van hemel en aarde, onze Vader in de hemel
vertrouwt aan jullie een kind toe,
dat van jullie samen is en bovenal van Hem!

Vanmorgen zijn jullie als ouders hier in de kerk
en hebben jullie je kind, dat de Heere aan jullie heeft toevertrouwd, weer bij Hem gebracht.
Ze hebben de doop ontvangen.
Door de doop mogen zij weten, dat Gods liefde en zorg er ook voor hen is.
Die liefde en zorg is niet uitsluitend voor degenen die gedoopt zijn.
Tot onze gemeente behoren ook gemeenteleden die niet gedoopt zijn.
Ze zijn voor ons als gemeente niet minder en ze zijn voor God niet minder.
In de doop wordt die liefde en zorg van de Heere wel zichtbaar gemaakt.
Zo zeker als het water is uitgegoten over de hoofden van deze kinderen
– we hebben dat allemaal mogen zien vanmorgen: de ouders, de familie, de gemeente –
zo zeker mogen we zijn dat de Vader in de hemel voor hen wil zorgen,
zo zeker mogen we weten, dat ook zij een beroep op de Heere Jezus mogen doen:
‘Heere, wilt U mijn zonden vergeven? U bent ook voor mij aan het kruis gestorven.’
Ook als je de doop niet hebt ontvangen, mag je op de Heere een beroep doen,
mag je vragen om Zijn leiding,
mag je vragen om vergeving van je zonden, om de Heilige Geest.
De Heere wil het je dan ook geven.
De doop is daarin een extra steun: we mogen naar de Heere toe.
Hij heeft het zelf beloofd! Het geldt ook voor mij!

Je zou het als ouders willen, dat ze het bij de Heere zoeken.
Toch? Dat is toch het mooiste wat je als ouders kunt merken?
Dat ze naar de Heere toegaan.
Als ze nog heel klein zijn op een heel eenvoudige manier, zoals dat bij een kind past.
En als ze opgroeien, dat ze dan steeds meer leren over de Heere
en dat dat kinderlijke geloof ook meegroeit,
als ze puber worden en kritisch worden op jou als ouder, op alle gebruiken die er zijn
(moet dat nou echt zo),
dat die band dan bewaard blijft en meegroeit tot een volwassen geloof.
Misschien door een moeilijke periode heen,
omdat ze voor zichzelf uit moeten zoeken, hoe je dat nou doet:
vertrouwen op God en tot Hem bidden
en wat gebeurt er als je om vergeving van je zonden vraagt.

Ik kijk de jongeren vanmorgen even aan:
Het kan best zijn, dat het voor jou op dit moment op zoek bent naar de Heere God,
dat je wat meer duidelijkheid zou willen
en dat je iemand had die het voor jou uitlegt.
De afgelopen week was ik op cursus,
waarbij elke deelnemer zijn eigen biografie moest vertellen.
Ik moest vertellen over hoe mijn leven was verlopen van toen ik geboren werd tot nu toe.
Over wie mijn ouders waren, wat ik had meegemaakt.
Ik moest ook vertellen wat ik van God had ervaren
en of ik daar ook een ontwikkeling in heb doorgemaakt,
of dat mijn geloof altijd hetzelfde is gebleven.
Ik heb verteld dat toen ik een jaar of 16 was ik geloven steeds moeilijker vond.
Ja, ik deed wel belijdenis en ik wilde God ook graag dienen,
maar ik merkte zo weinig van Hem.
Ik heb verteld dat ik – nu ik terugkijk – iemand had gehad
die naar mij geluisterd had
en bijvoorbeeld tegen mij gezegd had: God ervaar je niet altijd,
maar het wil niet zeggen dat als je God niet ervaart, dat Hij er dan niet is.
Ik zou dankbaar geweest zijn met een volwassene
die mij had uitgelegd hoe ik God kon vinden toen ik zo naar Hem op zoek was.

Dat is een taak van jullie ouders
en vanmorgen heb je daar ook je ja-woord aan gegeven.
Je hebt beloofd om je kind te vertellen over God.
Dat is niet alleen een taak van de ouders alleen,
maar dat is een taak van u als gemeente als geheel.
De doop is niet alleen maar een familiegebeuren.
Natuurlijk is het mooi om de familie erbij te hebben
en het is bijzonder als alle ouders de doop van je kind kan meemaken.
Als je moeder er niet meer is, dan zal ze juist op dit moment zo worden gemist.
En dan merk je hoe belangrijk je moeder nog voor je had kunnen zijn.
En je hebt misschien ook wel dat nu met de doop
jouw band als vader of moeder met je kind nog wel veel meer intens beleefd wordt.
Maar je staat er niet alleen voor.
Iedereen hier in de kerk is getuige
en is medeverantwoordelijk dat jouw kind iets van de Heere meekrijgt.
U als gemeente hier in de kerk hebt het gezien
en u bij de kerkradio hebt het wellicht alleen maar gehoord,
u hebt een taak voor deze kinderen
– en dat geldt bij elk gedoopt kind, ook al was u er niet bij toen dat kind werd gedoopt.
Bijvoorbeeld door te bidden voor deze kinderen
en hen en hun ouders bij de Heere te brengen.
Dat kan een taak zijn, voor degenen die zelf de zegen van kinderen niet hebben ontvangen.
Geloof gebeurt in een gemeenschap,
een individuele gang kan gebeuren, soms kun je een zoektocht moeten afleggen
en toch is dat niet goed.
Mozes spreekt heel het volk aan: Luister Israël.
We horen bij elkaar en we horen er voor elkaar te zijn
en elkaar te helpen de weg van God te gaan en samen te luisteren naar Zijn wil.
Die woorden hebben vast bij jullie bruiloft in de kerkdienst geklonken,
ook al weet je die woorden niet meer:
Vergeet daarbij niet, dat uw gezin deel uitmaakt van een grotere gemeenschap. U draagt ook een bredere verantwoordelijkheid: voor de medemens in nood, voor de kerk en voor de maatschappij.

Mozes zegt tegen het volk Israël er over de Heere gesproken moet worden
en dan op zo’n manier over de Heere gesproken wordt
dat er bij de kinderen liefde voor God begint te groeien.
Die taak geeft de Heere ook aan ons, dat we over de Heere vertellen
zodat er bij deze dopelingen als ze iets ouder zijn er liefde voor God groeit.
Wat is er voor nodig dat zij die liefde leren?
In de afgelopen week moest ik mijn eigen leven nagaan:
welke mensen waren er voor mij belangrijk, waardoor ik ben gaan geloven in de Heere?
Ik herinnerde mij mijn moeder weer, hoe zij elke dag op de knieën ging
om voor haar kinderen te bidden. Dan was ze wel een tijdje bezig.
Ik herinnerde de mensen aan wie ik die liefde voor God kon merken,
de ouderlingen die bij ons op huisbezoek kwamen bijvoorbeeld
en die het heel fijn vonden om ook met ons als kinderen over de Heere te praten.
Ik hoop dat u als u uw leven nagaat en als jij nadenkt over jezelf,
dat je ook kunt vertellen van mensen, die met jou hebben gedeeld hoe zij leefden met God.
Jullie als ouders hebben die verantwoordelijkheid naar je kind toe.
Wat deel je van je eigen leven met de Heere?
In de afgelopen week, omdat ik veel met mezelf bezig was
en tegelijkertijd met de voorbereiding van deze doopdienst,
Was ik er voor mijzelf mee bezig: wat deel ik aan mijn eigen kinderen?
Ik kreeg van de week van een van de collega’s op de cursus de vraag:
Wat voor vader ben jij? Ja, wat voor een vader ben ik?
Wat merken zij thuis van mijn leven met God?
Ik ben een vader, die vooral informatie deelt, feiten vertelt
Wat de hoofdstad is van een bepaald land, in welk jaartal een land oorlog had,
maar wat laat ik doorschemeren over dat intieme leven met de Heere
en hoe help ik hen om de weg van de Heere Jezus te gaan?
Als ik dat niet doe, als wij als ouders dat niet doen, wie doet het dan?
En is het juist niet als kind fijn om te merken hoe je ouders ermee bezig zijn,
zodat je juist van je ouders kunt leren.
Mozes zegt: Die woorden moeten in je hart zijn
en dan pas kun je je kinderen iets aanleren.
Ik had eerst over deze tekst, vers 6, heen gelezen en was gericht op het inscherpen.
Maar Mozes heeft gelijk: kinderen leren vooral iets,
als ze daarin iets van hun vader of moeder, van hun meester of juffrouw,
van de mensen in de kerk zien, van hun hart, van hoe zij God beleven.

Maar dan die vraag: Hoe doe je dat en op welk moment van de dag?
Er wordt gesproken over het binnengaan in een bepaalde ruimte,
vanuit de gang naar de kamer, of juist door de voordeur naar buiten,
van buiten een nieuw gebouw binnen.
Ik bedacht me hoe graag ik iets van informatie deel: als ik het weet, de achtergrond van een gebouw, de architectuur, de tijd waarin het werd gebouwd,
maar om zo over de Heere te vertellen?
Waar komt die schroom vandaan?

Tegenwoordig is het bij ons vroeg dag
en voor zevenen zat ik beneden aan tafel en Imke – ook vroeg wakker – op de bank.
Er kwam een vraag: ‘Waarom zijn we eigenlijk in Oldebroek komen wonen?’
Eerst was mijn antwoord: ‘Omdat de kerk van Oldebroek dat gevraagd heeft.’
Maar dat was niet genoeg, want er kunnen wel meer kerken vragen dat te doen
en ik bedacht: als ik nu niet iets vertel – in enkele zinnen – over mijn roeping
om hier in Oldebroek te werken, wanneer doe ik dat dan?
Ik heb het op een korte, eenvoudige manier geprobeerd.
Mozes zegt: laat het op alle mogelijke manieren zien.
Hang het desnoods op als een spreuk in de woonkamer of de gang,
schrijf het desnoods voor op je huis boven de deur.
Terwijl ik deze woorden opschreef,
bedacht ik me dat er voorop de pastorie een bepaalde steen zit.
Als jullie, jongeren komen voor de bbq, moet je er maar eens naar kijken.
Het is een steen met x en daardoor heen een p.
Ik denk dat dominee Voordijk daar wel eens om gevraagd zou hebben.
Die x staat voor Christus, in het Grieks de letter van Xristos en de p dat is in het Grieks een r
Die x met de p erdoor heen staat voor Christus Rex – Christus is koning.
Dat is waarschijnlijk bedoeld voor de mensen die door de straat lopen
en als ze nieuwsgierig zijn naar binnen willen kijken: Christus is koning,
in dit huis, over de wereld en ook over jouw leven.
Voor de mensen die aanbellen – voor collecte, voor een pastoraal bezoek:
Christus is koning – vergeet dat niet. (Hoor, Israël, de HEERE, onze God, is één)
Maar ook voor de bewoners van het huis:
Als je thuiskomt en de sleutel omdraait: x – p: Christus is koning.
Een herinnering ook voor de bewoners.
Een belijdenis en een herinnering.
Om de ander en jezelf te bepalen bij de Heere.
Zodat zij herinnerd worden aan de liefde van God voor hen
en dat zij er ook aan herinnerd worden dat God onze liefde vraagt
en Hem belijden.
De doop is ook een belijdenis,
een belijdenis die de ouders alvast geven voor hun kind,
in de hoop dat dit kind het later zal overnemen.
Vandaar dat we hier in de kerk openlijke belijdenis van het geloof hebben.
Wat mij opvalt, is dat veel gemeenteleden het makkelijker vinden
om iets te belijden met het oog op de kinderen.
Als ik tijdens doopzitting of een huisbezoek vraag,
zou je ook belijdenis willen doen, dan is het antwoord nogal eens:
dan ben ik er niet aan toe.
Ze zijn er niet aan toe om zelf belijdenis te doen,
maar kunnen wel voor hun kind het ja-woord geven.
Blijkbaar doe je dat voor een kind makkelijker.
Als je dat voor je kind kunt zeggen,
dat zijn / haar zonden vergeven worden, dat de hemelse Vader er ook voor hem/ haar is,
waarom zou je dat over jezelf niet kunnen.
Zoals je ouders jou hebben laten dopen, in de hoop dat jij zou gaan geloven,
zo laten jullie ook je kinderen dopen, in de hoop dat zij gaan geloven.

Er is nog iets, zegt Mozes, waarin je iets van God kunt doorgeven.
Dat zijn de geboden die God gegeven heeft.
Dat is nou juist meestal niet de makkelijkste opdracht.
Ik neem waar dat veel ouders in deze tijd op zoek zijn:
Hoe kunnen zij in hun gezin in deze tijd die geboden in praktijk brengen.
Bijvoorbeeld als het gaat om de regels voor de zondag:
Welke kleren heb je aan: zondagse kleren of dezelfde kleren als doordeweeks?
Wat mag wel en wat niet: Mag je op zondag buiten spelen?
Als kind mocht ik nooit voor op straat spelen, wel achter in de tuin.
De computer ging niet aan, Donald Ducks mochten niet gelezen worden.
De zondag was bij ons een bijzondere dag, vaak gevuld met lezen, praten, spelletjes, kerk.
Dat de zondag een bijzondere dag was heeft mij trouwens geholpen in het geloof,
al hebben wij in ons gezin nu andere regels.
Mozes zegt tegen Israël: die regels moeten iets van de Heere laten zien
en het kan zo zijn, dat je kind ernaar vraagt naar het nut van die regels.
Ik kwam in een commentaar op Deuteronomium een mooi voorbeeld tegen,
die hij gaf vanuit zijn eigen gezin:
Tijdens een maaltijd ging het over de regels die van toepassing kunnen zijn
in een christelijk gezin.
Een van de zoons, een tiener, riep uit:
‘Waarom moeten we eigenlijk zo’n prehistorische familie zijn?’
Dit is eigenlijk geen vraag die om een antwoord vraagt,
meer een uitroep: we zijn niet meer van deze tijd.
Zijn vader, de auteur van het commentaar, vond het juist een mooie vraag:
We zijn niet van deze tijd – onze wortels liggen in de prehistorie,
namelijk de geschiedenis van God met de wereld,
de geschiedenis van de Heere met Zijn volk Israël.
Mozes zegt tegen de vaders en moeders in Israël:
als je kinderen vallen over de regels, als ze die regels niet begrijpen,
zeg dan niet: dat doen we nou eenmaal, gewoon,
maar vertel over God.
Vertel over de bijzondere weg die de Heere met Israël is gegaan,
vertel dat je slaaf was in Egypte en dat de Heere je heeft bevrijd
en dat die regels die je hebt,
je er steeds aan herinneren: Ik heb een God die mij heeft gered,
dat is de enige God die er is.

De stap naar ons is niet zo groot:
Als ze naar je komen met de vraag: waarom doen we zo ouderwets, zo niet van deze tijd.
Vertel dan over God, die in de hemel woont,
die het ziet als we in ellende zijn, die onze gebeden hoort, die ons vanuit de hemel zegent
en eens vanuit de hemel op aarde kwam
om voor ons aan het kruis te gaan.
Dat is iets wat we nooit mogen vergeten.
Dat is iets waar we steeds aan moeten denken, elke dag opnieuw,
bij elke stap die we zetten.
Die regels die we hebben – en het is best goed in het komende jaar nog meer in te verdiepen
hoe wij in deze tijd met zulke regels kunnen omgaan, zodat ze ons herinneren
aan de Heere en aan Zijn werk
moeten ervoor zorgen, dat we Hem nooit vergeten,
Dat in ons liefde groeit, vertrouwen, overtuiging die uitmondt in de belijdenis:
De Heere, de God van Israël, die wij als gemeente ook willen dienen, is mijn God.
Vertel daarom over de Heere,
vertel daarom over de doop
en laat vooral je hart spreken over hoe de liefde voor God in jouw leven gekomen is.
Dat zeg ik niet alleen tegen de doopouders, maar tegen u allemaal.
Vertel daarom over de Heere,
vertel daarom over de doop
en laat vooral je hart spreken over hoe de liefde voor God in jouw leven gekomen is.
Zodat we met elkaar naar de Heere luisteren, er voor Hem liefde komt en groeit
en ons leven van Hem wordt.
Amen

Preek zondagmorgen 26 juni 2016

Preek zondagmorgen 26 juni 2016
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 105: 1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen hebben jullie een belofte afgelegd,
namelijk de belofte om je kind met de Heere God bekend te maken.
Je hebt die belofte om over God te vertellen voor God en Zijn gemeente afgelegd.
Een hele verantwoordelijkheid,
want als je deze belofte aflegt, betekent ook dat je die belofte moet waarmaken:
dat je dan ook steeds weer opnieuw vertelt over de Heere,
de enige God die er is – Vader, Zoon en Geest,
Die leeft en regeert tot in eeuwigheid.

In deze belofte sta je er niet alleen voor:
je hebt deze belofte afgelegd in het midden van de gemeente.
Wij zijn allen getuige van de belofte die jullie hebben afgelegd,
maar tegelijkertijd is er ook voor ons de verantwoordelijkheid,
dat ook wij naar jullie kinderen toe
niet verzwijgen dat God ook hun God wil zijn
en dat wij de verantwoordelijkheid hebben om het geloof voor te leven,
zodat jullie kinderen ook van ons kunnen leren
hoe zij kunnen geloven
en hun leven in dienst van de Heere kunnen stellen.
Het is onze taak als overige aanwezigen om voor hen een voorbeeld in het geloof te zijn.
Jullie staan  met deze belofte om te vertellen over God er niet alleen voor.
Je mag ook van ons als overige aanwezigen verwachten,
dat wij jullie helpen om je belofte waar te maken
om als ouders in de opvoeding ook het geloof door te geven.

Dat kan alleen als wij zelf doen waartoe Psalm 105 oproept:
om heel dicht bij de Heere te leven:
vraag naar de HEERE en Zijn kracht, zoek Zijn aangezicht voortdurend.
De belofte die jullie gegeven hebben
– en iedereen die de belofte bij de doop van een kind gegeven heeft
wordt ook weer aan die belofte eens gegeven herinnerd –
vraagt dat je hele leven bepaald wordt door het leven met de Heere.
Daar kan je elke dag weer en ook heel praktisch mee bezig zijn.
Als je bij het wakker worden, beseft: dit is weer een dag die ik van God ontvang.
Hoe mijn dag ook zal zijn: deze dag heeft Hij mij gegeven.
Ik moet Hem er voor danken en moet er op een verantwoordelijke manier mee omgaan.
Tegelijkertijd mag ik vragen of Hij erbij is deze dag
en of Hij mij op deze dag bij alles wat ik doe wil zegenen.
Heel praktisch: dat je de dag begint met zoeken van de Heere – elke morgen weer opnieuw
en te vragen of Hij meegaat en Zijn kracht aan je geeft.
om Zijn nabijheid en Zijn kracht.

Maak hier een gewoonte van,
want met een goede gewoonte is niets mis.
We hebben baat bij goede gewoonten:
een huwelijk en een gezin kunnen niet zonder de goede gewoonten
van het samen aan tafel zitten tijdens het eten, vertellen wat je hebt meegemaakt,
bij het weggaan even elkaar gedag zeggen.
Zo kan ons leven met de Heere niet zonder vaste gewoonten:
vaste momenten om te bidden en te lezen in de Bijbel, naar de kerk gaan,
er met elkaar over praten, zingen niet te vergeten.
Al die goede gewoonten zijn voor ons van belang,
want zij helpen ons om dicht bij de Heere te leven
– voortdurend Zijn aangezicht te zoeken, zoals Psalm 105 dat verwoordt.
Stel dat je dat achterwege zou laten: het bidden, het lezen uit de Bijbel, kerkgang,
hoe zou je leven er met de Heere er dan uit zien?
Je zult veel minder vaak met Hem bezig zijn:
alleen nog maar op de momenten waarop je aan Hem denkt.
Hoe vaak is dat dan per dag, in de week?
Dan kan de Heere zo ongemerkt uit je leven verdwijnen.

De Psalm roept ons om het tegenovergestelde te doen:
om aan de Heere en ook aan Zijn wonderen te denken.
Dat denken aan de wonderen houdt in
dat je je daar elke dag van je leven van bewust bent.
Weet je nog dat God de hemel en de aarde geschapen heeft?
Vergeet je dat niet als je weer een dag hebt,
waar je tegenop ziet, dat God de dag geschapen heeft
en als het nacht is, Hij het ook weer dag kan laten worden.
Vergeet je niet dat diezelfde God ook met jou bezig is, elke dag weer opnieuw?
Weet je nog van Abram, die geroepen werd?
Zo kan de Heere ook jou roepen om een bepaalde weg te gaan.
Weet je nog dat het volk Israël in Egypte was
en dat het toen een hele moeilijke tijd had – een diensthuis, een slavenbestaan
en dat de Heere, jullie God Egypte raakte met plagen
waardoor ze jullie moesten laten gaan, eerst door de Rode Zee, naar de Sinaï
en dan door de woestijn naar het beloofde land Kanaän.
Dat is wat de Heere, jullie God, voor jullie deed
en dat moet je steeds in herinnering houden.

Waarom is dat van belang om dat steeds te blijven bedenken?
Waarom moeten jullie deze verhalen aan je kind doorvertellen?
Omdat die verhalen niet alleen maar over vroeger gaan.
De God over wie deze verhalen vertellen is dezelfde God
en kan wat Hij toen gedaan heeft opnieuw doen.
Als je die verhalen doorverteld over de schepping, over Abram, over Israël
moet je je zo vertellen, dat je kind het idee heeft alsof hij, zij er zelf bij is.
Misschien heb je ook wel zo’n meester of juffrouw gehad,
die zo mooi kon vertellen dat je zelf meeliep door de woestijn
en die verhalen mee beleefde.
Misschien ook wel dat Abraham, Mozes, de profeten, de Heere Jezus
in deze omgeving, hier in Oldebroek rondliepen.

Door de verhalen levendig te vertellen, als verhalen die over nu gaan,
kan het geloof van je kind gevoed worden:
de God van Abram is ook nu nog God en wil ook mijn God zijn.
Binnen het Joodse volk worden die verhalen doorgegeven tijdens gezinsmomenten,
als het gezin met elkaar de grote feesten vieren,
die herinneren aan wat de Heere heeft gedaan voor Israël:
de uittocht wordt steeds weer opnieuw gevierd
en dan op zo’n manier dat de aanwezigen zelf ook de ervaring hadden
dat zij op dat moment bevrijd werden.
Er zijn verhalen bekend van Pesachvieringen uit Auschwitz en de ghetto’s
dat de Joden het Pesach daar zo vierden.
Door een loofhut te bouwen steeds herinnerd te worden aan de herkomst:
We hebben als volk een reis door de woestijn gemaakt.
Dit land is ons gegeven door de Heere.
Dat schept verplichtingen om de Heere niet te vergeten.
We kunnen van de Joden leren om ook binnen ons eigen gezin
met ons gezin stil te staan bij alles wat de Heere heeft gedaan:
door de maaltijden met Kerst, in de week van Goede Vrijdag met Pasen,
met Hemelvaart en met Pinksteren in het teken te zetten van die feestdag.
Of om de doopdag van je kind op de kalender te zetten
en op te zoeken wanneer jijzelf gedoopt bent
om op die datum stil te staan bij je doop.
Door bijvoorbeeld aan je eigen ouders te vragen, als ze nog in leven zijn,
naar de dag van de doop, hoe dat ging
en waarom ze jou gedoopt hebben
en wat ze in de loop van de jaren gezien hebben van de belofte die de Heere gegeven heeft.
Kunnen zij vertellen dat de Heere Zijn belofte als Vader, Zoon en Geest waarmaakt?
Het is goed om van de doopdag een speciale dag te maken,
waarop je tijdens het eten tijd hebt voor elkaar,
tijd hebt om stil te staan bij de doop, jaren terug
en dan te vertellen hoe die dag verliep en welke beloften de Heere gegeven heeft,
te vertellen hoe de Heere God de beloften die Hij gedaan heeft
waar gemaakt heeft.
Je moet dan natuurlijk niet vergeten te vertellen
dat de doop ook betekent dat jouw kind ook bij de Heere God mag horen
door de doop,
maar dat de doop ook betekent dat zij zelf een antwoord moeten geven op God.
In onze kerk is daar de belijdenis onder andere voor bedoeld:
Dat je de Heere dankt voor je ouders, voor hun opvoeding in het geloof
en dat je tegen de Heere zegt – en ook tegen je ouders, tegen de gemeente –
ik wil nu zelf gaan in het spoor van de Heere Jezus.
Ik geloof nu zelf, ik kan niet meer zonder de Heere Jezus
als mijn redder, mijn verlosser
en ik merk dat de Heilige Geest in mij werkt
en ik wil niets liever dan dat ik deze weg ook ga.
Vertel dan hoe zij dat kunnen doen en hoe jij dat zelf hebt gedaan.
Niet iedereen van jullie heeft nog belijdenis gedaan.
Wees naar je kind open over de aarzelingen die er zijn geweest
maar vergeet ook niet te vertellen hoe de Heere jou geholpen heeft
om meer over Hem te weten,
om elke dag met Hem te leven,
om te kunnen bidden,
om de Bijbel te lezen, zodat je dan ook de stem van God hoort
of – zoals in de Psalmen een antwoord dat gegeven kan worden op de Heere
een antwoord dat ook ons antwoord wil zijn:
Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
Maak Zijn daden bekend onder de volken.
Zing voor Hem, zingen Psalmen voor Hem.
Spreek met aandacht over Zijn wonderen.

De geschiedenis van Israël kent veel wonderen.
Voor de kerk komt dat nog een wonder bij.
Dat ook wij mogen spreken over een verbond dat de Heere met ons maakt.
Verbond – een afspraak die de Heere maakt, die voor altijd blijft gelden.
Voor eeuwig denkt de Heere aan Zijn verbond.
Voor altijd zal Hij zich er bewust van zijn en er naar handelen.
Hij zal wél zich aan Zijn verbond houden.
Een belofte voor duizend generaties: er zal geen generatie zijn
voor wie die belofte niet zal gelden.
De doop geeft aan dat de deur naar dit verbond is opengegaan
ook voor ons, die niet tot het volk Israël behoren.
Daarmee vervangen we Israël niet – ook dat verbond van God blijft voor altijd van kracht
en wordt zelfs vernieuwd.
Toch krijgen wij een plek in dat verbond, we mogen delen in wat Israël ontving:
in de verhalen, in de liederen, in de liefde en het verbond, dezelfde God.
Dat heeft alles te maken met wat er op Golgotha gebeurde:
Gods eigen Zoon die stierf daar in onze plaats.
De doop laat ook zien, dat Christus daar voor ons moest sterven.
De doop is meer dan een stempeltje dat we op ons kind plaatsen
en daarmee zeggen: jij hoort er ook bij.
Nee, er moet eerst wat gebeuren.
Het doopformulier spreekt over een onreinheid binnen in ons, in ons hart
een onreinheid die afgewassen moet worden
En alleen afgewassen kan worden door het bloed van Christus.
En in het gebed over een doortocht door de Rode Zee,
een beeld dat aangeeft dat de doop aangeeft
dat we een land achter ons hebben te laten: het land van de zonde.
In de doop mag je je kind meenemen uit het land van de zonde,
omdat de doortocht al is betaald: met het bloed van Christus.
Dat is het mooie van de doop, van Gods genade die zo overweldigend, zo uitnodigend, zo gul is, dat is ook Zijn verbond: dat Hij het ons gunt.

Als ik het zo zeg, dan is de reactie: dat is toch wel erg makkelijk.
Ik begrijp die reactie eerlijk gezegd nooit zo goed.
Want ik geloof dat Gods genade zo ruim is.
Daarom kan ik predikant zijn en de verhalen vertellen en kinderen dopen.
Maar makkelijk is het niet,
dat laat de geschiedenis van Israël tijdens de woestijnreis
en bij aankomst in het beloofde land zien:
Steeds de heimwee naar Egypte, de keuze voor andere goden.
Als onze kinderen niet zelf ook gaan geloven in God en in Zijn grote daden,
dan kiezen ze er weer voor om terug te lopen, door de Rode Zee
naar dat oude leven, van Egypte, van de zonde, weg van God.
Van de week kozen de Engelsen voor een brexit.
We zouden kunnen zeggen dat kinderen die niet dat geloof eigen willen maken,
zelf willen geloven ook kiezen voor een leave, een vertrek uit Gods gemeenschap.
Net als het brexit van de Britten kan het een ondoordachte keuze zijn.
Daarom is die opvoeding in het geloof van de Heere zo van belang.
Om te doen wat wij kunnen om onze kinderen bij de Heere Jezus te houden.
Door hen voor te leven dat alleen bij Hem leven te vinden is
en hen te waarschuwen dat leven niet op het spel te zetten.
Wellicht hebben we onze eigen ervaringen van een leave, een weggaan
en zijn we nu weer teruggevonden door de Heere.
Vertel over die ervaringen van een leven zonder God
om duidelijk te maken dat zo’n leven niet te verkiezen is.
De EU stuurde er gelijk aan dat de Britten dan ook maar weg gaan.
Gelukkig is onze God zo niet.
Hij is barmhartig en zet ons niet zomaar uit het verbond.
En als Hij ons eruit zet, is dat om ons door de schok duidelijk te maken
dat we zonder Hem niet kunnen, dat we verloren gaan en verloren zijn.
Niet alleen maar later, als ons einde gekomen is, maar nu al.
God blijft Zijn verbond voor eeuwig gedenken,
Maar niet als wij ervoor kiezen weer terug te gaan.
Dat we gedoopt zijn, betekent nog niet dat we niet verloren kunnen gaan.
Dat is dan onze eigen keuze om uit het verbond te stappen
en bij God weg te gaan.
Maar God is oneindig genadig en geduldig.
Misschien heb je zelf van die genade ook wel gemerkt,
omdat je weer terug mocht komen, welkom was bij de Heere – tot je eigen verrassing.
Dat is de hoop voor degenen die nu niet meer met de Heere leven.
We kunnen voor hen een beroep doen op Gods verbond:
Heere, vergeet hen niet.
Wil voor hen ook uw verbond gedenken.
Ook daarom moeten we Gods grote daden doorvertellen
en vertellen hoe jezelf er weer bij gekomen bent.
Als ik terugkijk op mijn leven is er ook een tijd geweest,
Dat ik had kunnen afhaken.
Ik ging wel naar de kerk, maar van binnen geloofde ik niet altijd meer in God.
Ik geloofde niet meer in Zijn grote daden
en had het idee dat God onbereikbaar was
en dus niet meer naar Hem hoefde te vragen, te zoeken.
Als de Heere mij, u, jou het geloof kan geven, teruggeven,
dan is Hij ook in staat om anderen, die nu niet geloven, het geloof te geven, terug te geven.
Daarom: gedenk Zijn wonderdaden, ook die je zelf heb meegemaakt.
Om voor jezelf, voor je gezin, voor anderen om je heen vertrouwen te hebben
dat de Heere ook nu nog werkt en morgen en over honderd jaar.
Tot in duizend geslachten – heel de geschiedenis, tot aan de wederkomst
zal dit verbond overeind staan
en zal God bezig zijn Zijn beloften te vervullen: voor u, voor jou, voor de kinderen.
Daarom: Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken
Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van Zijn wonderen.
Beroem u in Zijn heilige Naam.
Laat het hart van wie de Heere zoeken zich verblijden.
Amen





Preek zondagmorgen 10 april 2016

Preek zondagmorgen 10 april 2016
Bediening Heilige Doop
1 Petrus 1:13-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen maandag ben ik begonnen aan een cursus.
Dan begin je natuurlijk met de kennismaking.
Een van de vragen tijdens de kennismaking was:
‘Wie ben je?’
Op die vraag is nog niet eens zo makkelijk een antwoord te geven.
Want hoe vertel je nou aan iemand anders wie je werkelijk bent.
Dat bleek ook wel tijdens het rondje voorstellen.
Iedereen moest ook wel nadenken
voor dat hij of zij een antwoord gaf.
Een van de aanwezigen rondde af, nadat hij over zichzelf had verteld, met de opmerking:
‘Ik ben een kind van God. Een kind van God, door God geliefd en gekend.’
Dat is wel mooi dat hij dat van zichzelf zei:
‘Ik ben een kind van God.’
Daarmee zei hij van zichzelf: dat is wat ik ben.
Er is heel veel te vertellen over wie ik ben, maar dit ben ik ook: kind van God.
Dat behoort tot mijn identiteit, dat maakt wie ik ben.
‘Ik ben een kind van God, door God geliefd en gekend!’

Vandaag zijn er 3 kinderen gedoopt
en hebben daarmee het teken van het verbond met God ontvangen.
Een eeuwig verbond van genade met God.
Ook voor hen geldt: Ik ben een kind van God,
nu al op deze jonge leeftijd, hoe klein ik ook ben,
ik ben een kind van God.
Al weet ik eigenlijk helemaal niet wie ik ben – ik ben een kind van God.
Ik heb een Vader in de hemel.
Dat is voor jullie, doopouders, ook een belangrijke reden
Waarom je je kind wilt laten dopen.
Dat het ook een kind van God is.
Dat jijzelf, als ouder, dat weet.
Dat je kind dat weet en ook dat God zelf dat weet.
De doop geeft aan: er is heel wat over dit kind te vertellen, nu al.
Over hoe de bevalling ging, over je kind al doorslaapt of niet,
op wie hij of zij lijkt, welke trekken je nu al herkent.
De doop geeft daarbij aan: bij dat alles geldt het ook – dit is een kind van God.
door God geliefd en gekend.

Jullie hebben als ouders vandaag beloofd
om dat ook in de opvoeding je kind bij te brengen
dat Lynn, dat Thijs, dat Jesse zichzelf leert zien als kind van God, gekend en geliefd door God.
Dat God onze hemelse Vader is, is bijzonder.
Het klinkt wellicht heel gewoon, omdat het ons geleerd is in het Onze Vader bijvoorbeeld,
of omdat we onze gebeden beginnen met “trouwe Vader in de hemel”
en er veel liederen zijn waarin we zingen over God als Vader.
In zijn brief die Petrus schrijft, geeft hij aan:
Daar is wel wat voor gebeurd, dat we in ons gebed God als onze Vader mogen aanroepen.
Dat mag en dat moeten we vooral ook doen: God als onze Vader aanroepen.
Maar daarvoor is wel wat gebeurd!
Allereerst is er iets gebeurd op Golgotha:
Jezus die stierf aan het kruis voor onze zonde.
Petrus geeft dat aan met de woorden: het kostbaar bloed van Christus
als van een smetteloos en onbevlekt lam.
Dat wij God als onze Vader mogen zien en mogen aanroepen
komt omdat Christus stierf aan het kruis op Golgotha.
Dat bloed wast onze zonden af.
En het doopformulier benadrukt dat de doop aangeeft
dat Christus dat ook zal doen bij de kinderen die gedoopt zijn.
Die stelligheid van het doopformulier verbaast mij steeds weer,
omdat we in onze traditie gewend zijn om meer een slag om de arm te houden.
We hopen dan dat het gaat gebeuren
en als je van jezelf hier in deze omgeving zegt dat je kind van God bent
gaan de wenkbrauwen omhoog en wordt er gedacht:
Ja, ja, dat kun je niet zomaar van jezelf zeggen,
daarvoor moet er eerst iets in je leven gebeuren.
Dat is waar – maar Petrus hier in zijn brief (en het formulier van de doop sluit daarbij aan)
geeft aan: het belangrijkste wat er gebeuren moest, is ook gebeurd.
Er is ook heel iets bijzonders gebeurd,
namelijk dat Jezus stierf aan het kruis, voor u, voor mij, voor deze gedoopte kinderen.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon
dat Hij ons wast in Zijn bloed van onze zonden
en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding.

Dat is het tweede wat er is gebeurd als we God onze Vader noemen.
Dat is er wat er met ons is gebeurd.
Dat je door God geroepen bent, waardoor er in je leven heel veel is veranderd:
een verschil tussen vroeger en nu, een omkeer in je leven.
Geroepen worden is heel persoonlijk, waarin je merkt:
God komt nu naar mij toe en ik kan niet anders, ik moet wel in Hem geloven.
Voor de mensen aan wie Petrus schrijft betekent dat een breuk:
een breuk met wat ze van hun ouders hebben meegekregen aan geloof:
ze dienden verschillende goden, maar kende de echte, levende God niet.
Ze ontdekten: er is maar één God die leeft
en die God kwam in Christus naar deze aarde en stierf aan het kruis.
Geroepen worden houdt in: dat je ervaart dat dit ook voor jouzelf is gebeurd
dat Jezus stierf aan het kruis
en dat je God leert kennen, niet als iemand die ver weg is
en zich nauwelijks met je leven bemoeide,
maar God die zich om jou persoonlijk bekommert, die jouw God wil zijn.
Groot, almachtig, heilig en toch ook Vader – heel intiem met jou, geliefd en gekend.
Daar bij de Vader, dat is mijn bestemming.
Dat is de God die mij geschapen heeft. Een andere god is er niet.
Een verandering, een breuk met het oude leven.
In de tijd van Petrus gaf de doop die verandering ook aan:
ik stap uit het leven zoals ik nu leid en kom tot de Vader.
In de uitleg wordt dit gedeelte uit 1 Petrus ook wel aan de doop gekoppeld.
Wat Petrus hier aangeeft over dat verschil tussen toen en nu
kan aan de doop worden verbonden.
De doop geeft die overgang aan: van onwetendheid naar het kennen van God.
Nu ken ik God, zoals Hij mij al kende.
Nu heb ik God lief, zoals Hij mij al liefhad en daarom mij riep bij mijn naam
om van Hem te worden.

Dat oude leven was een leven van onwetendheid.
Dat kan onschuldig klinken: als je nooit over de ene ware God gehoord hebt,
weet je ook niet Wie Hij is en kun je Hem ook niet kennen.
Petrus bedoelt: er waren genoeg aanwijzingen in de wereld om je heen
waardoor je op het spoor van God gezet kon worden:
Hoe God werkt in de schepping, hoe God door alle tijden heen alles leidt en regeert.
Als je de tijd en de rust neemt om dat tot je te laten doordringen kon je dat weten.
Maar God doorbrak die onwetendheid,
doordat Hij Zijn Zoon naar deze aarde stuurde.
Sinds die tijd kunnen mensen over heel de wereld nu God echt kennen,
zoals Hij is: Vader – die Zijn schepselen kent en liefheeft.

Hoe zit dat nu?
Want jullie hebben allemaal ouders, die je bij God hebben gebracht.
Je hebt zelf allemaal als kind al de doop ontvangen
en nu geef je je kind de doop mee.
Dat is een verschil met de mensen aan wie Petrus schrijft.
De tijd van de onwetendheid is jullie bespaard gebleven.
Dan kan het een vanzelfsprekendheid zijn dat God je Vader is en dat je gelooft.
Gevolg is wel dat er een belangrijk onderdeel van wat Petrus bedoelt wegvalt:
namelijk dat je anders bent in deze wereld
en dat de doop je ook anders maakt:
Kind van God en dus geen kind van deze wereld.
Dat de doop aangeeft, dat je hier in deze wereld ook een vreemde bent.
In een omgeving van Oldebroek, van Elspeet, waarin veel mensen naar de kerk gaan
en als kind gedoopt zijn en de verhalen over de Heere meekrijgen,
als het niet thuis gebeurde kon je ze nog op school meekrijgen.
Daarmee hebben we een voorsprong op de gelovigen uit de tijd van Petrus
die voor een nieuw geloof moesten kiezen, waardoor ze vreemden werden,
met gevolgen voor zichzelf en hun gezin.
Zijzelf en hun kinderen, ze konden er zomaar uit liggen,
buiten gesloten worden, alsof ze vreemden geworden waren
die er niet meer bij hoorden.
Omdat ze geloofden in die ene God die naar de aarde kwam
en stierf aan het kruis om hen weer tot Zijn kinderen te maken.

Een gevaar in onze eigen omgeving is dat de doop niet meer het verschil uitmaakt
En alleen maar het teken is dat iemand een kind van God is.
Kind van God zijn betekent dat je ook anders bent: apart gezet.
Daar zet Petrus in dit gedeelte volop op in.
Het is al heel wat als je van jezelf mag weten dat je een kind van God bent.
geliefd en gekend door God.
Dat geeft ook een verplichting om als kind van God te leven.
Om een heilig leven te leiden.
Word heilig – schrijft Petrus.
Deze drie kinderen, die gedoopt zijn, worden opgeroepen om te groeien naar een heilig leven.
En jullie als hun ouders horen daarin voor te gaan.
En u als gemeente hoort om de ouders heen te staan
en ook dat voorbeeld te geven, dat u bereid bent en uw best doet
om te groeien in heiligheid.
Word heilig.
Dat is niet alleen maar een taak van de Geest in ons.
De Geest werkt in ons, dat is de belofte die de Geest meegeeft in de doop.
We hebben daarbij ook zelf ons best te doen in een groei naar een heilig leven.
Omdat we kinderen van God zijn, die Zelf heilig is.
Omdat we kinderen van God geworden zijn,
die vrijgekocht zijn omdat Jezus stierf aan het kruis
en ons wilde redden en een nieuw bestaan wilde geven een bestaan in heiligheid.
Heilig – dat heeft de betekenis van apart gezet,
maar ook van zuiver en oprecht, vol van Gods Geest en Gods reinheid en heiligheid.
Word heilig – als opdracht: ook dat past bij de doop,
waarin aan ons een nieuwe gehoorzaamheid gevraagd wordt.
Als we God als Vader aanroepen, dan horen we gehoorzame kinderen te zijn
die naar Hem luisteren en Zijn wil opvolgen.
Dat houdt voor Petrus in dat we afstand nemen van een bepaalde manier van leven:
Word niet gelijkvormig aan de begeerten die er in dat oude leven waren.
Laat je niet vormen door die begeerten.
Petrus gebruikt in het Grieks een woord waarin wij het woord “schema” herkennen.
Laat niet de begeerten het schema van je leven vormen,
maar laat Gods heiligheid je schema zijn, dat jouw leven en het leven van je kind vormt.
Welk schema bepaalt jouw leven, uw leven
en welk schema geeft u mee in de opvoeding van uw kinderen
en door welk schema laten wij ons als gemeente bepalen?
Er zijn verschillende begeerten, verleidingen die zo hun eigen schema hebben.
We hoeven echt niet voor alle schema’s gevoelig te zijn,
maar vaak is er wel een zwakke plek in ons,
waardoor we niet God en Zijn heiligheid ons leven laten bepalen,
maar een ander schema.
Bijvoorbeeld het schema van ons werk
– dat alles in ons gezinsleven in het teken staat van het werk.
Alles moet er voor wijken. Ook de gezamenlijke maaltijden samen.
Of het schema van de fun,
waarbij alles gemeten wordt aan de fun die het geeft, de kick.
Ik weet niet of dit schema in onze gemeente zo toonaangevend is.
Ik hoor meer van gemeenteleden die over hun collega’s spreken
die mopperen over hen, omdat ze niet bereid zijn om echt ervoor te gaan,
maar alleen voor het salaris, zodat ze daarmee leuke dingen kunnen doen.
Het kan ook het schema van een oppervlakkig leven zijn,
waarbij alles zijn gangetje gaat,
waardoor je er vergeet bij stil te staan wat God in je leven doet.
Er gaan dagen voorbij, waarbij je niet kijkt naar wat God in je nabijheid doet:
geen oog voor de schepping die weer tot bloei komt,
geen oog voor de zon die opkomt – een teken van Gods trouw aan jou en deze wereld.
En de zondag is dan om bij te slapen, omdat je het doordeweeks druk gehad hebt.
De tijd die je samen hebt, gebruik je niet om met elkaar door te praten
waar je echt voor leeft en wat jouw leven zin geeft
en wat God in jullie leven samen doet.

Schema’s die niet van God zijn, maken ons weer slaaf
en doen het werk van God teniet, terwijl Hij ons juist wilde bevrijden
– echt weer mens te laten worden.
We zouden als antwoord kunnen geven op de vraag waarom Christus moest sterven
dat Hij stierf om ons weer echt mensen te maken,
Vrije mensen, die bevrijd zijn van alle schema’s die ons beknellen,
omdat ze geen ruimte geven voor God
en daarmee ook ons de hoop ontnemen.
Want als we niet zien waar God is, kunnen we ook niet geloven in de hoop die God geeft
Dat deze wereld in Zijn hand is,
Want dat zien we dan niet,
omdat de schema’s van deze wereld ons de ogen ervoor sluiten hoe God aan het werk is.
En hoe kun je jezelf dan kind van God noemen,
als daar niet naar leeft, als je Gods heiligheid je leven daardoor niet laat bepalen.
De doop is een vraag aan ons: ben je bereid om bewust te leven
bewust te leven voor Gods aangezicht.
Want, zegt Petrus, de God die wij als Vader aanroepen,
is ook onze Rechter, die over ons oordeelt
Wat je hebt gedaan met de bevrijding die je door Christus kreeg
en wat je hebt gedaan met de heiligheid die je door Christus terugkreeg.
Heb je daaruit geleefd, gestreefd naar een leven waarin je groeide in heiligheid,
of heb je dat verkwanseld, omdat je alles op een beloop liet
en de strijd met de begeerten in jezelf of in de wereld om je heen niet aanging.

Kind van God zijn en heilig leven, dat heeft te maken met je binnenkant, met je hart
wat daarin leeft
en wat je laat zien, wat er vanuit je hart naar buiten komt,
hoe je omgaat met God en met anderen.
Waar je voor leeft en waar je leven naar toe gaat.
Word heilig – in je denken, in wat je in jezelf ervaart
Word heilig – in je leven met God, doordat je Hem je leven laat bepalen.
Word heilig – in je omgang met andere mensen: Heb elkaar vurig lief uit een rein hart.
We zullen hier – helaas – nooit volledig heilig worden,
maar dat mag ons er niet van weerhouden – om te streven naar die heiligheid.
Omdat God heilig is – en dat van ons vraagt
Omdat Gods Zoon naar deze aarde kwam
en Zijn heiligheid opgaf en ons vrijkocht – om ons weer heilig te maken
en weer kind van God, gekend en geliefd door God.
Ook in onze strijd zijn we gekend en geliefd door God.
Temidden van de opdracht die Petrus geeft,
spreekt hij ook over de hoop en over geloof:
Onze hoop, ons geloof is op Hem gericht,
omdat Hij bezig is met onze heiliging.
Omdat Hij ons geroepen heeft – om kind van God te zijn
en Hij vormt ons, steeds meer als kinderen van God.
Daarom: leef uit de doop, word heilig en hoop op God.

 

U die mij geschapen hebt,
U wil ik aanbidden als mijn God.
In voor- en tegenspoed,
uw liefde doet mij zingen.
U die mij geschapen hebt,
U wil ‘k danken hoe ik mij ook voel
en U gehoorzaam zijn.
Heer, U bent mijn doel.

 

U bent mijn bestemming.
U hebt mij gemaakt om als uw kind
in voor- en tegenspoed
uw liefde uit te stralen.
Dit is mijn bestemming.
Dienen met verstand en met gevoel
vanuit gehoorzaamheid.
Heer, U bent mijn doel.


Amen

Preek voor zondagmorgen 28 februari 2016

Preek voor zondagmorgen 28 februari 2016

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

‘Ga je mee?’
Als je iets belangrijks te doen hebt, dan ga je, beste doopouders,
waarschijnlijk daar niet meer alleen naar toe.
Je neemt je kind mee.
Je neemt Vera mee, je neemt Emmely mee.
Want wat je voor jezelf belangrijk vindt, vind je ook voor je kind belangrijk.
Daarom hebben jullie, Peter en Janita, Aalt en Gerlinda,
vanmorgen je kind meegenomen naar de kerk
omdat de Heere voor jullie zelf ook belangrijk is.
Je wilt in je leven niet zonder de Heere
en je wilt je Vera, Emmely daarin laten delen.

Daarom zijn jullie, kinderen, ook in de kerk,
omdat jullie vaders en moeders het belangrijk vinden
dat je over de Heere Jezus hoort,
Dat je van Hem gaat houden
en dat je Hem gaat dienen.
Ik hoop dat je dat nu al doet: dat je van Hem houdt en dat je in Hem gelooft.
Vandaag is er geen zondagsschool
omdat we het als volwassenen belangrijk vinden
dat jullie zien wat er gebeurt als er gedoopt wordt.
De meesten van jullie zijn ook gedoopt.
Jullie vader en moeder hebben je als klein baby’tje naar de kerk meegenomen.
Ook tegen jullie heeft de Heere God gezegd,
wat Hij vandaag ook tegen Emmely en Vera heeft gezegd
dat Hij de hemelse Vader wil zijn, die voor hen en ook voor jullie zorgt.
Jullie ouders en wij allemaal hier in de kerk
vinden het belangrijk dat je dat weet en geloot
dat je een Vader in de hemel hebt die voor je zorgt.
Daarom: Ga je mee naar de kerk
om de verhalen over de Heere te horen.

Vanmorgen horen we een verhaal over de Heere Jezus,
die ook tegen Zijn discipelen zegt: ‘Ga je mee!’
Hij vindt het van belang dat ze met Hem mee gaan.
‘Gaan jullie mee? We gaan naar Jeruzalem!’
Jeruzalem, dat is niet zomaar de naam van een stad.
Jeruzalem is de stad van God.
Daar in Jeruzalem kunnen ze naar de tempel, waar de Heere God woont.
Daar in de tempel kunnen ze met hun vragen naar de Heere toe.
Daar in Jeruzalem kunnen ze de Heere danken voor alles wat Hij gedaan heeft.
Daar in Jeruzalem zal het ook feest zijn,
feest om te vieren dat de Heere hun God wil zijn.
Om te vieren dat de Heere God hen uit Egypte heeft bevrijd.
Jeruzalem, de stad waar veel mensen bij elkaar komen om dat feest te vieren.
De discipelen raken al in een feeststemming.
Natuurlijk gaan ze mee!
Dat feest willen ze graag vieren,
want ze zijn de Heere dankbaar dat Hij hen uit Egypte bevrijd heeft
en ze hopen dat de Heere hen ook nu zal bevrijden van de onderdrukkers.

Alleen, als Hij het heeft over Jeruzalem komt er een andere klank in Zijn stem.
Natuurlijk, Hij gaat er heen om het Pascha te vieren
en dat wil Hij ook graag vieren.
Maar zegt Hij tegen Zijn discipelen: Er gaat ook iets anders in Jeruzalem gebeuren
en dat willen ze helemaal niet horen.
Dat kan – dat er iets gezegd wordt dat je helemaal niet kunt horen.
De discipelen, ze zijn zo vol van het feest
en vol van de gedachte dat ze weer naar Jeruzalem zullen gaan,
de stad van God

om samen met de Heere Jezus dat feest van de Heere te vieren
dat ze helemaal niet horen wat Hij nog meer zegt.
Terwijl Hij hen daar juist voor apart neemt.

‘Alles wat over de Zoon des mensen geschreven staat, zal volbracht worden.’
En als de discipelen dan nog niet weten,
wat de Heere Jezus daarmee bedoelt,
legt Hij het ook nog een keer uit:
Want Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd
en bespot worden
en smadelijk behandeld en bespuwd worden.
En zij zullen Hem doden.
Dat is nogal wat, wat er gaat gebeuren.
Bespot worden – uitgelachen worden.
Als je dat een keer hebt meegemaakt, dan weet je hoeveel pijn dat doet
als ze je uitlachen, als ze je bespottelijk maken.
Ze zullen de Heere Jezus in het gezicht slaan
en dan, terwijl ze Hem uitlachen, zeggen:
Nou, vertel het ons eens, wie heeft je geslagen?
Als je toch voor een profeet wordt aangezien, dan kun je ons dat wel vertellen.
Ze maken Hem bespottelijk, omdat ze niet geloven
dat Jezus echt een profeet is, die door God gestuurd is.
Jezus, dat is een warhoofd, die je niet serieus moet nemen.
Jezus, daar kun je mee lachen:
Je zet Hem in het midden van een groep soldaten,
je doet Hem een mantel om en je doet net of Hij een koning is:
Wees gegroet, gij koning van de Joden.

Uitlachen en bespotten is nog onschuldig vergeleken met het spuwen.
Als je iemand in het gezicht spuwt, is dat teken van minachting:
Jij bent niets waard, Jezus van Nazareth, wat denk je wel niet van jezelf.
We moeten je niet!
Dat is wat Mij te wachten staat in Jeruzalem, zegt Jezus:
spot en belediging, minachting.

Is dat, is dat mijn Koning,

dat aller vaad’ren wens,

is dat, is dat zijn kroning?

Zie, zie, aanschouw de mens!

Moet Hij dat spotkleed dragen,

dat riet, die doornenkroon,

lijdt Hij die spot, die slagen,

Hij, God, uw eigen Zoon?


Jezus gebruikt voor zichzelf een speciale naam.
Hij heeft het over de Zoon des mensen.
Ze zullen dat met de Zoon des mensen doen:
Verraden, uitleveren aan heidenen, bespotten en in het gezicht spuwen.
De Zoon des mensen – dat is niet zomaar een naam.
De Zoon des mensen, dat is degene die namens God komt
als rechter over het volk Israël.
Deze rechter zal vertellen wat er allemaal mis is met het volk
en zal daar een oordeel over vellen.
Hij komt om te oordelen de levenden en de doden
zeggen we in de geloofsbelijdenis.
Zo gaat Hij op weg naar Jeruzalem,
als God zelf die Zijn volk opzoekt
om te zien wie er naar Zijn wetten luistert, Hem gehoorzaamt en Hem trouw is.
Hoog bezoek.
Zo ga ik naar Jeruzalem, zegt de Heere Jezus.

Maar ze zullen Mij niet accepteren als de Zoon des mensen,
Als degene die door God gezonden is,
als God zelf die Israël komt opzoeken.
Ze zullen me overleveren aan de heidenen.
Daarmee geven ze aan: je hoort niet bij ons.
Je bent niet een van ons.
De Zoon des mensen, God zelf, die tot Zijn volk komt,
en Zijn volk zegt: wij moeten U niet.
We hebben met U niets te maken.We minachten U.
En dat zal allemaal gebeuren in Jeruzalem,
de eigen stad van God, waar God woont in de tempel
en waar het feest van Gods bevrijding wordt gevierd.

Dat gebeurt niet zomaar, zegt Jezus.
Dat moet gebeuren in naam van God.
Wat er met Mij gaat gebeuren, wat ze met Mij gaan doen,
Dat is onderdeel van Gods plan
en dat plan is al door de profeten aangekondigd.
Dat God zelf komt tot Zijn volk,
dat ze Hem niet erkennen, dat de Zoon des mensen niet met open armen wordt ontvangen,
maar uitgelachen en bespot, geminacht.
Als je daar het Joodse volk op aankijkt, of de Romeinen van die tijd,
dan begrijp je niet wat daar in Jeruzalem gebeurt.
De hogepriester en het Sanhedrin, Pilatus en Herodes,
Ze zijn allemaal betrokken bij de veroordeling en de kruisiging,
maar ze zijn maar spelers in het plan van God:
Jezus moest naar deze aarde komen.
Hij moest naar Jeruzalem gaan.
Dat lijden, dat moest Hij ondergaan, net als de spot, de minachting,
ook al was dat heel moeilijk voor Jezus.

Jezus wordt afgewezen door Zijn eigen volk,
maar ook door degenen die de macht hebben.
Door iedereen die er in Jeruzalem is.
En zouden wij Jezus wel hebben geaccepteerd en aangenomen
als wij daar zouden leven?
De afwijzing, de spot en de minachting in Jeruzalem laat iets over ons zien.
En dat komt ook in de doop naar voren:
de onreinheid van ons eigen hart, zegt het formulier.
Dat het van binnen in ons hart niet schoon is,
Dat wij, als het aan ons lag, daar in ons hart en in ons leven
geen plek zouden hebben voor Jezus.
Wat Jezus deed, gebeurde niet zomaar.
Dat deed Hij voor ons, voor Zijn eigen volk,
voor Pilatus en Herodes, voor het Sanhedrin, voor Petrus en Johannes en Judas.
Om in hun plaats te sterven,
want zij wezen God af, ook toen Hij kwam als Zoon des mensen
om Zijn volk op te zoeken.

De weg van Jezus naar Jeruzalem gaat naar het kruis.
Doopouders, jullie hebben beloofd dat je je kind de verhalen zult vertellen
uit de Bijbel en dus ook de verhalen over hoe Jezus wordt gekruisigd.
Als je vertelt over de kruisiging en als je hen een tekening van het kruis laat zien,
leg ze dan uit dat dit niet zomaar gebeurde,
maar dat het moest van God
en dat Jezus dat deed voor ons.
Vertel er ook bij dat zij mogen geloven dat Jezus voor hen gestorven is.
Dat zegt het doopformulier: als we gedoopt worden in de naam van de Zoon
geeft Christus aan: Ik ben ook voor jou aan het kruis gestorven
en als we gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest
zegt de Heilige Geest:
Ik ga in jouw hart werken, zodat je gaat geloven in de Heere Jezus,
dat Hij ook voor jou gestorven is
En dat Zijn genade, die Hij aan het kruis verdiende, ook voor jou is.
Mocht je daar ooit aan twijfelen: denk eraan, dat je gedoopt bent.
Het is waar!

En als je niet gedoopt bent.
Dan geldt die belofte ook.
Dan roept de Heere Jezus jou, u om te komen
naar het kruis en te knielen en te belijden: Heere Jezus, U bent ook voor mij gestorven.

Afgelopen week was ik in de Duitse stad Münster – net over de grens in Duitsland.
Daar ben ik in verschillende kerken geweest.
Grote kerken, de meeste van die kerken zijn Rooms-Katholiek.
Dat zag je aan die beelden.
Vaak bijzondere beelden van Maria, van Jezus, van belangrijke personen.
Soms waren die beelden net iets te mooi.
Maar in elke kerk werd de weg van Jezus naar het kruis afgebeeld.
Als je in de kerk kwam, kon je naar die weg kijken, verschillende staties, zoals je dat noemt,
Verschillende stadia op de weg.
Die stadia zijn niet bedoeld om alleen maar naar te kijken,
maar om te kijken en te geloven, dat Jezus die weg voor mij is gegaan.
Als een uitnodiging, een oproep: ‘Ga met Mij mee!
Kijk hoe Ik in Jeruzalem ook voor jou gestorven bent.
Ik ging die weg voor jou naar Jeruzalem aan het kruis
en al is dat zo heel lang geleden, het geldt nog steeds.

De discipelen, zij begrepen het niet.
Als Jezus de weg verder gaat, komt Hij bij Jericho.
Daar is iemand die het wel begrijpt en hard roept:
Jezus van Nazareth, Zoon van David!
De mensen zeggen: Hou je mond, dat is niet gepast dat je zo roept.
Maar Jezus gaat naar hem toe en vraagt: Wat kan Ik voor je doen?
De man zegt: Heere, wilt u ervoor zorgen dat ik weer kan zien?’
Deze gebeurtenis – ik heb het verhaal nu wel heel kort verteld
komt niet zomaar na de woorden van Jezus
over wat er in Jeruzalem gebeuren zal.
Het laat zien, dat we ogen nodig hebben, die naar het kruis op Golgotha kunnen kijken.
Ogen die zien, wat er gebeurt
die zien dat het Gods plan is
en dat Jezus daar hangt in onze plaats.
Heere, geef ons ogen die het zien en geloven!
En geef dat onze kinderen het mogen zien en geloven
en degenen die U niet kennen, dat hun ogen open gaan

Gij, o Jezus, hebt gedragen

lasteringen, spot en hoon,

zijt gebonden en geslagen,

Gij, des Vaders eigen Zoon,

om van schuld en eeuwig lijden

mij, verloor’ne, te bevrijden,

duizend, duizend maal, o Heer,

zij u daarvoor dank en eer!
Amen

Preek zondag 13 december 2015

Preek zondag 13 december 2015
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Lukas 12:35-48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Mijn vader was leraar op een middelbare school en later conrector/teamleider.
Hij vertelde eens het verhaal
dat hij samen met collega’s een nacht lang wacht heeft gelopen op zijn school.
De school had namelijk het gerucht opgevangen
dat de eindexamenkandidaten van dat jaar een stunt wilden uithalen op school
en dat ze van plan waren de boel binnen flink op stelten te zetten.
Om te voorkomen dat ze zouden kunnen toeslaan
werd er afgesproken dat leerkrachten zouden wachtlopen.
Iedereen wachtte af tot er iets zou gebeuren.
Er gebeurde weinig. Het bleef rustig.
Er kwam geen enkele scholier opdagen.
Toen de aandacht wat verslapte, was er een leraar die opeens zei:
‘Stil! Ik hoor wat!’
De aandacht was er gelijk weer volop bij.
Zouden de leerlingen dan nu komen
om het plan dat ze hadden bedacht tot uitvoer te brengen?
Maar aan de grijs op het gezicht van de leraar was te zien,
dat hij niets had opgemerkt,
maar zin in had in wat spanning bij zijn collega’s op te roepen.
De aandacht verslapte.
Na enige tijd zei hij weer:
‘Ik geloof dat ik wat zie.’
En weer was het loos alarm.
Zo ging de nacht voorbij. Uiteindelijk gebeurde er niets.
De enige spanning was die leraar die af en toe net deed of er iets ging gebeuren.

Zo waren ze die nacht paraat,
omdat ze hadden opgevangen dat er iets ging gebeuren.

Als christenen moeten we ook zo paraat zijn, net als de leerkrachten op school die nacht.
Sta klaar en wees alert,
houd er rekening mee dat Ik kom, zegt de Heere Jezus.
Houd je er rekening mee, dat de Heere Jezus kan komen?
En dan niet als er iets bijzonders gebeurt, maar elke dag.
Leeft u op zo’n manier?
Dat als de Heere Jezus terugkomt, Hij u niet overvalt,
maar dat u zegt: Welkom, Heer! Ik heb naar U uitgekeken.
Of vergaat het u net als de leerkrachten van die school,
dat ze alleen paraat staan en alert zijn
als ze vermoeden dat er iets bijzonders gebeurt?

Als er iets bijzonders gebeurt kun je wel wakker schrikken.
Door de aanslagen in Parijs bijvoorbeeld, of de enorme stroom van vluchtelingen
die vanuit het Midden-Oosten naar Europa toekomt.
Moeten we in die onverwachte, ingrijpende gebeurtenissen
de voetstappen van de Heere Jezus horen, die naderbij komt?
Hebben we daar ingrijpende gebeurtenissen in ons eigen leven voor nodig
om te beseffen dat we ook aan God moeten denken,
om te beseffen dat de Heere eens terugkomt,
vanuit de hemel op de aarde, bij de Wederkomst?
Zoals mijn vader en zijn collega’s die nacht paraat stonden,
omdat ze het vermoeden dat er wat stond te gebeuren,
zo kunnen wij ook opeens aan de Wederkomst denken door wat er om ons heen gebeurt.

Maar het zouden niet alleen die ingrijpende gebeurtenissen moeten zijn,
die ons het besef teruggeven dat God er ook nog is
en dat we zijn komst moeten verwachten.
Het zou niet zo moeten zijn,
dat je hier pas over na gaat denken als je in je familie te maken krijgt
met iemand die ziek wordt – iemand van wie je veel houdt
en die je helemaal nog niet kunt missen.
En dat je tot die tijd er helemaal nog niet over nadenkt
hoe het zal zijn als de Heere Jezus terugkomt.
Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandend.
Dat is een opdracht voor ons allemaal, voor u, voor jou,
ook als je het heel goed hebt en als je nog weinig meegemaakt hebt
en je nog onbevangen kunt dromen over later.

Laat uw lenden omgord zijn en de lampen brandend.
Wees bij alles wat je doet, ervoor klaar om mij te ontvangen.
Daar begonnen wij deze dienst ook mee: Hoe zal ik U ontvangen.
Dat is niet alleen een vraag voor in de Adventstijd.
Maar dat is een vraag die ons elke dag bezig moet houden:
Als de Heere Jezus terugkomt, ben ik dan klaar om Hem te ontmoeten?
Staat u dan gereed? Ben jij dan blij, omdat Hij dan eindelijk gekomen is?
En jullie, doopouders, hebt beloofd om je kind een christelijke opvoeding te geven.
Dat houdt ook in, dat je je kind leert
om met die verwachting te leven
en dat die verwachting niet iets is dat je alleen maar met woorden doorgeeft,
maar dat is ook je eigen levenshouding is,
die je kind, zonder dat je het er steeds over hebt,
van je overneemt,
omdat het merkt, hoe belangrijk die verwachting voor jou is
en daarmee geef je die levenshouding ook door: Ik sta klaar om de Heer te ontmoeten.
Ik denk dat je nu al bepaalde ideeën hebt over de opvoeding
over wat je aan Lotte, aan Noa (en Mirte) wilt meegeven.
Ik hoop dat je hen ook leert leven met de verwachting dat de Heere Jezus terugkomt.
Maar hoe dan?
Want juist als je net vader of moeder geworden bent,
ga je je hechten aan het leven hier op aarde
en wil je dat je nog een heel leven lang van je kind kunt genieten:
van de eerste lachjes tot het omrollen en gaan kruipen, de eerste stapjes en woordjes.
Je wilt nog zo veel meemaken samen.
Herkenbaar toch?
Bij een overlijden kan het verlangen naar de Wederkomst heel sterk opkomen,
maar na een geboorte kan de gedachte zijn: laat nog maar even zitten.

Is dat verkeerd?
En betekent het uitzien naar de Wederkomst
dat je helemaal niet meer aan aardse dingen mag denken?
Dat je vanaf nu alleen nog maar met geloof bezig moet zijn
en al het andere er niet meer toe doet?
Hoe bedoelt de Heere Jezus dat klaar staan?

De Heere Jezus vertelt een kort verhaal
en met dat verhaal wil de Heere Jezus laten zien
hoe wij hier nu op aarde ons bezig moeten houden met Zijn Wederkomst.
Het gaat om belangrijk iemand, die knechten in dienst heeft.
Deze man krijgt een uitnodiging voor een feestmaaltijd en hij gaat erop af.
Zijn knechten gaan niet mee, maar blijven thuis.
De knechten gaan niet naar bed.
Nee, in plaats van de pyjama aan te trekken, trekken ze hun werkkleren aan:
een schort voor om eten te koken, of een oude broek om de vloer te kunnen dweilen.
Ze zetten de verwarming juist nog een beetje hoger, gooien nog wat hout op het haardvuur.
Zorgen dat de lampen genoeg olie hebben.
Terwijl het eigenlijk tijd is om naar bed te gaan, zijn ze aan het werk.
Ze zijn aan het werk voor hun baas, die straks terugkomt.
Ze zijn niet met zichzelf bezig, maar uit alles wat ze doen blijkt:
Straks zal het moment zijn, waarop onze baas terugkomt.
En al is dat midden in de nacht, we wachten hem op,
zodat hij niet in een koud en donker huis thuiskomt,
maar in een warm, verlicht huis, zodat hij weet dat er op hem wordt gewacht.
Je ziet ze bezig.
Af en toe kijken ze door het raam, of ze in het donker niet iets zien aankomen.
Hoewel ze hem het feest gunnen, zullen ze blij zijn dat hij weer thuis is.
Midden in de nacht zijn ze nog aan het werk en kijken ze uit naar Zijn komst.
Terwijl heel veel anderen zouden gaan slapen, zijn zij wakker.
Ze waken.
Slapen heeft de betekenis, niet willen zien wat God doet
En er ook geen rekening mee houden dat Hij nog eens terugkomt.
Dit leven is dit leven en dat is het.
Je staat op, je doet je dingen die je moet doen, voor jezelf, voor je baas, voor je gezin.
Je hoeft er niet lui voor te zijn.
Sterker nog, je kunt hard werken, om het hier goed te krijgen, voor jezelf, je gezin.
Alleen je houdt er geen rekening mee, dat het hier voorbij is.
Of je drukt dat weg.
Deze knechten zijn midden in de nacht wakker,
daarmee bedoelt de Heere Jezus: terwijl iedereen om je heen slaapt,
niet meer aan God denkt, ben jij wakker,
omdat je weet: op elk moment kan mijn Heer en Heiland terugkomen.
Je leven is dan één gebed.
Niet dat je je ogen steeds dicht hebt en je handen gevouwen.
Ook als je aan het werk bent, als je je kinderen aan het opvoeden bent,
als je bezig bent voor de kerk, voor jezelf, voor anderen,
kan je leven één gebed zijn: je doet het voor God en je houdt rekening met Hem,
dat Hij er is en dat Hij komt.
Je luistert of je Hem al hoort komen, je geregeld voor het raam: Komt Hij nog.
In je zijn de woorden: Heer, hoe lang nog?
Je hebt het er met elkaar over: Kijk jij ook naar Hem uit?
Of ben je alleen nog maar op het leven hier gericht?
Die collega van mijn vader deed het voor de grap, om zijn collega’s op te jutten.
En toch zit er iets belangrijks in:
Dat we geregeld tegen elkaar zeggen: ‘Hoor jij dat ook? Volgens mij komt Hij.’
Niet om angst te zaaien, maar om de verwachting aan te wakkeren,
om je wakker te maken.
Daarom is het zo jammer, dat het vinden van ambtsdragers de laatste tijd zo moeizaam gaat, want het is belangrijk werk: om de gemeenteleden wakker te schudden.

Die houding van de knechten van waakzaamheid, van uitzien en verwachten,
kan al op een eenvoudige manier.
Bijvoorbeeld door te beseffen dat wat je krijgt een zegen is.
Dat je in wat je krijgt, heel dankbaar bent.
Voor jullie, doopouders, overheerst de dankbaarheid.
Jullie hebben ervaren dat het krijgen van een kind niet iets vanzelfsprekends is,
niet iets is dat je zelf maar even plant.
Voor heel veel is dat niet zo.
Die dankbaarheid voor de geboorte van je kind is een vorm van wakker zijn,
oog hebben voor wat God je geeft:
Ja, Hij zorgt nog steeds. Wat is God goed!
Maar het voelt ook wel dubbel naar diegenen die nog zonder kinderen zijn.
Of naar de ouders die zorgen om hun kind hebben.
Hun kind werd geboren, maar al snel moest het naar het ziekenhuis,
voor een operatie of zelfs een chemokuur.
Of ze hebben andere zorgen om hun kind,
hun kind dat ze hier ten doop hebben gehouden
en waar ze zo van willen houden en van houden,
maar door de stoornis die hij of zij heeft
zijn of haar ouders ook heel erg pijn kan doen.
Dan besef je dat je het leven niet in eigen hand hebt.
En zelfs het ontvangen van een kind, kan inhouden
dat je een leven lang een kruis te dragen hebt.
Ook het besef dat je je leven niet in eigen hand hebt,
kan een vorm van waken zijn, alert zijn op Gods komst,
als het je bij God brengt.

Dat gaat niet zomaar en daar hebben we ook elkaar voor nodig.
Zoals die knechten ook elkaar nodig hadden om wakker te blijven.
Ze zullen dat vast wel tegen elkaar gezegd hebben,
toen er één in slaap dreigde te vallen, omdat de nacht al bijna voorbij was.
Wakker blijven, onze heer kan elk moment komen.
Je zegt tegen je kind: Het leven hier op aarde kan soms heel mooi zijn,
maar wanneer de Heere Jezus komt
en daarmee Zijn koninkrijk, dan zal het nog veel mooier zijn,
zo mooi dat we het ons hier niet kunnen voorstellen.
Je trekt met enkele jongeren op, via TOV, de mentorcatechese, het Tienerhonk,
om hen iets van de Heere Jezus te kunnen meegeven.
Je leeft met ze mee, samen onderneem je veel
en ondertussen vertel je hen hoe zij in hun eigen leven iets kunnen waarnemen
van het werk van God, zodat ook zij gaan zien, gaan leren uitzien.
Je hebt contact, wellicht als oudere werknemer,
met een jongere die net bij jullie in het bedrijf komt werken.
Je werkt hem in
maar vertelt hem niet alleen hoe je je voor 100% kunt inzetten voor het werk,
maar hoe je dat ook combineert met het uitzien naar de Wederkomst.
Hoe je je werk met heel je hart doet
en toch ook dat je hart toch ergens anders is:
bij Christus in de hemel en je kijkt er naar uit dat Hij komt.
Want toen niemand op Hem rekende en iedereen sliep,
was jij wakker en wachtte jij op Hem.

Als dat je levenshouding is, dan ben je gelukkig.
En dan zegt Hij er iets bijzonders achteraan.
Dan doet de Heer Zijn schort om en stroopt Hij Zijn mouwen op.
Je hebt om Hem gewacht en dat in alles laten blijken.
En dat Hij jou dienen – diakonien.
Dan wordt Christus jouw diaken.
Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijn gunstbewijzen.
Hij diende jou door naar de aarde te komen (Kerst).
Hij diende jou door aan het kruis te sterven (Goede Vrijdag).
Hij dient jou en je kind door de doop.
Hij bedient jij, u aan het avondmaal
en zal bij het feestmaal in de hemel u ook dienen.
Amen