Preek zondagmorgen 22 april 2018

Preek zondagmorgen 22 april 2018

Openbaring 19:1-10
Bediening Heilige Doop

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders

Een bijzonder moment om hier vanmorgen in de kerk te zijn met je kind.
Het is al bijzonder om vader en moeder te mogen worden,
Dat is al een gebeurtenis, zo bijzonder, dat geeft zoveel vreugde en dankbaarheid.
Dat als zo als je voor het eerst vader en moeder wordt,
maar ook als je dat voor de tweede keer wordt is de vreugde, de dankbaarheid niet minder.
En dan mag je vanmorgen je dochter, die je van God hebt ontvangen
weer bij Hem brengen, in Zijn handen leggen.
Een bijzonder moment ook voor de opa’s en de oma’s om dit te mogen meemaken.
Of het nu het eerste kleinkind is, of je al verschillende kleinkinderen hebt:
het blijft bijzonder om te zien dat je eigen kind zelf ook vader of moeder wordt
en het is ook mooi om te zien dat ze met hun kind zelf ook bij het doopvont staan,
misschien zelfs hetzelfde doopvont waar u zelf ook gestaan hebt
en als het in een andere kerk is dan is het toch ook bemoedigend om te zien
dat je eigen kind zelf ook doorgaat in de weg van de Heere.

Ook voor ons als gemeente is de doop van kinderen steeds weer bemoedigend.
Het doet altijd iets met de gemeente, de doop van kinderen.
De betrokkenheid van u als gemeente, bijvoorbeeld door het feliciteren na de dienst,
maakt steeds ook weer indruk op de doopouders.
Ik hoor dat ouders ook vertellen die hier voor in de kerk hebben gestaan
met hun kind voor de doop en na afloop van de dienst in het koor
hoe bijzonder het is dat al die gemeenteleden, dat u, de moeite neemt om te feliciteren.
Daarmee geeft u aan, dat ook zij bij de gemeente horen.

Er is niet alleen dankbaarheid bij de geboorte van een kind.
Je voelt ook de verantwoordelijkheid die je als ouders hebt
voor het kind dat aan jou is toevertrouwd.
Verantwoordelijk naar je kind toe, maar ook naar de Heere toe.
Om het op te voeden, om het voor te gaan, om het te vertellen over Christus.
Een verantwoordelijkheid die je al hebt gekregen vanaf de geboortedag,
een verantwoordelijkheid die je nu nog eens extra, in het openbaar uitspreekt
voor God en voor Zijn gemeente.

Je kunt ook zorgen hebben over de toekomst.
Aan de ene kant geniet je nog zo van het kleine van je kind, al is dat er al snel af,
Aan de andere kant kun je al vooruit denken: Wat zal er van mijn dochter terechtkomen?
Hoe zal het leven van haar zijn? Wat zal ze allemaal meemaken?
Zal zij ook de steun en betrokkenheid van een kerkelijke gemeente hebben,
zoals jullie die mogen ervaren, of zal er voor hen geen gemeente meer zijn?
Wat zal de doop in haar leven uitwerken?
Zal ze gaan geloven?
Zal ze later – als ze zelf kinderen mag krijgen – ook bij een doopvont staan
om haar eigen kind in de handen van Christus te leggen,
zoals het met haar ook gebeurde?
Het is immers niet meer vanzelfsprekend in deze tijd om te gaan geloven.
Een groot deel van de kinderen die nu geboren worden, worden niet gedoopt
en groeien op zonder kennis over Christus.

Is er een tijd geweest waarin het gemakkelijker was om op te voeden als ouders
en om als kind op te groeien
om als ouders te vertellen over Christus en als kind dat eigen te maken,
te geloven als kind en later zelfstandig de weg van Christus gaan?
Elke tijd heeft zijn eigen zorgen en verleidingen.
We zien dat ook in het Bijbelboek Openbaring.
Johannes gebruikt een scherp woord om aan te geven in welke tijd hij leeft:
Het is de tijd van de grote hoer.
In Openbaring gaat het steeds om sterke contrasten:
om God die regeert in de hemel en over de aarde die Hij geschapen heeft,
om Christus die naar de aarde kwam om te redden
en de mensen die in Hem geloven, zij zijn de bruid van Christus.
Er is ook de duivel die steeds voor het negatieve spiegelbeeld kiest, God nabootst.
Hier is de hoer het negatieve spiegelbeeld van de bruid van Christus.
Er is bewust voor dit scherpe woord gekozen, omdat het gaat
om een macht die zichzelf verkoopt aan de duivel,
om een macht die invloed uitoefent op de wereld:
mensen verleidt om bij God vandaan te gaan,
bijvoorbeeld door te kiezen voor het grote geld en zich alleen maar laten leiden
door het verlangen nog rijker te worden en daarvoor al hun principes overboord gooien.
of alles over hebben om de macht te krijgen en die macht behouden
en dat doen door te liegen, door de waarheid achter te houden,
nepnieuws en propaganda brengt en als dat niet werkt geweld gebruikt.

Om in zo’n wereld gelovig te zijn
als je ziet dat je vrienden alleen nog maar aan geld kunnen denken
en alleen maar nog rijker worden, desnoods over de rug van anderen.
Als je ziet dat degenen die de leiding hebben, de macht hebben
er niet op uit zijn om te dienen, om echt te leiden,
maar die macht alleen maar gebruiken voor zichzelf, voor hun eigen positie
en wie daartegen ingaat wordt gevangen genomen, uit de weg geruimd, voor schut gezet.
Om in zo’n wereld als christen je kind op te voeden,
Terwijl je weet dat als je kind het huis uitstapt er zoveel verleidingen op hem of haar afkomen
en als je kind niet meegaat met die verleiding, afzijdig blijft, er tegenstand komt.
Dat was de tijd waarin Openbaring geschreven werd.
Die tegenstand en die druk is er in onze tijd gelukkig niet, maar die verleiding?
Leven wij niet in een tijd waarin er allerlei verleiding op je kind, op jezelf afkomt?
In de wereld die in de reclame getoond wordt, die in films op je afkomt.
Als ouder kun je daar vaak nog wel doorheen prikken, maar je kind:
Wat pikt die ervan op? Wat blijft er haken en hoe werkt dat door op de band met Christus?
Door de doop zijn ze gewijd aan Christus, ze behoren Hem toe
en vanmorgen heeft Christus ook aan hen en aan jou als ouder het ook beloofd
dat Hij voor hen gestorven is en hun zonden zal vergeven
en is de belofte van de Heilige Geest gekomen, dat benadrukt: Ik zal in je kind werken!
Ik zal ruimte in haar hart maken voor Christus en haar hart bewaren voor Christus
dat er geen andere, geen verkeerde invloeden zullen komen.
Dat ze niet meegesleurd wordt, maar trouw blijft aan haar Heer!

Die trouw, daar gaat het om – trouw blijven aan Christus,
ondanks tegenstand, ondanks allerlei verleidingen die op je afkomen.

Daar heeft dat indrukwekkende geluid dat Johannes uit de hemel hoort mee te maken.
Een koor dat op een indrukwekkende manier ‘Halleluja’ zingt.
Het zijn degenen die al in de hemel zijn:
een vader of een moeder, die niet meer hier op aarde leeft, maar in Christus gestorven zijn,
Die zijn voorgegaan, een opa of een oma, een broer of een zus, een vriend, vriendin.
‘Halleluja’ zingt het koor.
Zal het in de hemel altijd zingen zijn? En als je dan niet van zingen houdt?
Dan moet je denken aan de bevrijding.
Het was vorige week 73 jaar geleden, dat Oldebroek werd bevrijd – 17 april 1945.
Op die dag en de dagen erna zal er feest gevierd zijn, gezongen, gedanst.
Zo klinkt in de hemel ook het lied van de verlosten, van degenen die bevrijd zijn: Halleluja!
Halleluja – het is een woord dat om instemming vraagt,
dat wij hier op aarde antwoorden door ook Halleluja te zingen, of te antwoorden met Amen!
Net als in de oorlog Radio Oranje werd uitgezonden om de mensen in Nederland
in bezet gebied moed in te spreken, zodat ze trouw bleven aan de koningin en het vaderland
Halleluja – houd vol: er komt een andere tijd, want Christus heeft reeds overwonnen
En al die verleidingen, de hoer, het negatieve spiegelbeeld van de duivel
is reeds overwonnen, is reeds veroordeeld.
Ze zingen het ons voor, de heiligen in de hemel, degenen die in Christus gestorven zijn,
die hier op aarde hebben geleefd: moeder of vader, zus of broer, vriend of vriendin,
al degenen die geleefd hebben in de wereld die bezet gebied was door de duivel
maar volgehouden hebben en aangekomen zijn: Halleluja.
De eerste begrafenis die ik meemaakte, was van mijn opa. Ik was een jaar of 12.
We zongen aan het einde van de dienst: ‘k Heb geloofd en daarom zing ik.
Ik geloof en daarom zing ik mee met dat lied.
We dragen iemand uit, die ons dierbaar is, maar we hebben het geloof
dat er een opstanding is, dat Christus is opgestaan
en dat de opa die nu gestorven is wel een plek krijgt op het kerkhof achter de kerk
maar eens dat graf weer zal verlaten, omdat Christus leeft, opstond uit de dood.
Zingen is een daad van verzet: in bezet gebied zingen van de Overwinnaar
die ons zal bevrijden, van wie we reeds zijn.
Daarom is ook dopen, net als zingen, een daad van verzet:
We wijden onze kinderen aan Christus, ze zijn apart gezet, voor Christus bestemd.
Een daad van verzet tegen de hoer waar Johannes over spreekt.
Ze zijn voor een Ander: voor Christus. Zo voeden we ze ook op.
Zodat ook onze kinderen meezingen, de groten en de kleinen:
Loof onze God, al Zijn dienstknechten en die Hem vrezen, de groten en de kleinen.
Zo voeden we ze op, dat ze meezingen: Halleluja, Amen!
Opdat ze Hem toegewijd zijn met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.

Waarom gaat niet iedereen in verzet? Waarom zijn er mensen die zich toch laten verleiden?
Het is net als in de oorlog: er waren er ook die kozen voor de Duitsers, zelfs predikanten.
Die dachten: dit is de nieuwe tijd.
We moeten ons gewonnen geven: het is niet anders.
Of misschien zelfs: dit is de weg die Gód met Nederland gaat.
Voor hen geen verzet, maar juist banden aanknopen met de bezetter, meedoen.
Een rijk dat voorlopig blijft bestaan.
Een rijk dat duizend jaar zou bestaan, zo kondigde Hitler aan.
In de tijd van de christenen uit Openbaring was het Rome dat van zichzelf zei:
Wij bestaan voor altijd. Ze spraken over het eeuwige Rome.
Nee zingt het koor: Halleluja, alleen God is eeuwig
en dat eeuwige Rome is slechts een hoopje as, waarvan de rook voor altijd omhoog gaat.
Geen aardse macht begeren wij, die gaat alras verloren.
Verlangen naar macht is wedden op het verkeerde paard.
God is overwinnaar en je gaat – als je je tegen Hem keert – onderuit.
In Psalm 2 zijn er volkeren die onrustig zijn en in opstand komen tegen God
en dan zingt de Psalm: die in de hemel woont zal lachen.
Het lijkt indrukwekkend, het lijkt veel, maar vanuit de hemel is het om te lachen.
Het stelt niets voor. Halleluja. Waarom zou je je uitleveren?
Waarom zou je je ziel verkopen en wedden op de verkeerde macht?

Steeds weer dat koor uit de hemel, degenen die al verlost zijn, vol vreugde:
Halleluja, want de Heere, de almachtige God is Koning geworden.
Geen toekomstmuziek, maar nu al.
We leven in bezet gebied, en toch, er is een verschil met de tijd van de oorlog.
Er werd wel eens de vergelijking gemaakt: Golgotha is de D-day, de landing
en de Wederkomst de V-day, de dag van de wapenstilstand.
Dat gaat niet op, want vanaf 6 juni moest nog bijna een jaar gevochten worden
om de bevrijding te brengen en de macht van de tegenstander te breken.
Het kruis is de dag waarop de overwinning werd behaald,
De overwinning is zeker!
De ruimte die de tegenstander heeft, is alleen de ruimte die hij van God krijgt.
Waarom weten we niet, maar het geeft ons wel moed:
Hoezeer hij ook tekeer kan gaan, hoezeer hij ook verleidt
en net doet of hij alle macht heeft – die macht laat God hem
en die macht wordt de boze ook zo weer afgenomen, als God dat wil.

Tegenover die hoer staat een andere vrouw: de bruid.
Daarom dopen we, omdat we geloven dat Christus zijn kerk als bruid ziet.
Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
En het is haar gegeven zich met een smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden.
Maagdelijk, zonder zonde.
Wit is ook de kleur van de opstanding, van het leven in Gods heerlijkheid.
De bruid ziet er prachtig uit – wit en smetteloos, want gereinigd door het bloed,
een nieuw leven, opgestaan in heerlijkheid.
Opdat zij dit leven getroost mogen verlaten
en onbevreesd mogen verschijnen voor uw rechterstoel.

Vorig jaar preekte ik tijdens een doopdienst over Hanna,
die haar kind in de tempel bracht bij priester Eli.
Als de hoer ergens zichtbaar was, was dat juist daar in de tempel
bij de zonen van Eli: Hofni en Pinehas, die de dienst van God zo verkwanselden
dat de mensen de tempel gingen mijden.
Hanna bracht toch haar zoon, maar gaf hem iets, elk jaar weer opnieuw:
Een priestermanteltje: SAmuël, mijn jongen, jij bent anders, want jij bent van de Heere.
Dat manteltje als een bescherming, een herinnering.
Zo is de doop ook als dat priestermanteltje: kind, je bent van een Ander, van je Heer.
Voor jou is een andere toekomst weggelegd, als je trouw blijft:
Dat linnen kleed, smetteloos en blinkend van Gods heiligheid.
Het is een bescherming én een aansporing tegelijkertijd.
De bescherming van God: Ik ben er en Ik zal waken voor je kind,
Zoals Ik op Golgotha gestreden heb om ook haar vrij te maken.
En een aansporing ook: voor de kinderen, voor ons allemaal:
Trouw, trouw aan Christus. Twee kanten van het verbond.
God belooft – wij zijn verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid
zodat we hier op aarde al mee kunnen zingen
en later ons mogen voegen bij dat koor in de hemel,
dat koor van verlosten dat mag zingen voor haar Heer en Heiland,
De bruid die niet genoeg kan krijgen van haar Bruidegom Christus: Halleluja.

Het kan best een tijdje duren voor het voor hen of voor ons zover is,
Je zou kunnen zeggen: een lange verkeringstijd: Je hoort bij elkaar, je bent van elkaar,
maar de bruiloft laat zich om een bepaalde reden op zich wachten.
Niet omdat er geen liefde is, niet omdat je niets in elkaar ziet
en dan na een tijd is die tijd voorbij en ben je echt man en vrouw.
In die tijd, al ben je niet met elkaar getrouwd, blijf je elkaar trouw, blijf je elkaar zien,
blijf je bij elkaar horen.
Zo geldt voor ons het leven hier op aarde. Totdat we aankomen, tot de bruiloft aanbreekt
zijn we hier op aarde al van Hem, onze Heer en Heiland, onze liefste
en stemmen we mee in – voor zijn troon in de hemel en hier op aarde: Halleluja!
Amen






Advertenties

Preek zondagmorgen 10 december 2017

Preek zondagmorgen 10 december 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Lukas 1:26-38

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als de engel Gabriël Maria ontmoet, bevinden we ons op heilige grond.
We kunnen alleen maar met de diepste eerbied dit verhaal lezen
en deze gebeurtenis op ons laten inwerken,
omdat in de ontmoeting van Gabriël met Maria Gods belofte gaat uitkomen.
Alle engelen in de hemel zullen naar dit moment hebben uitgekeken,
het moment dat Gabriël de hemel mocht verlaten
en met deze boodschap naar Maria mocht gaan,
die door God was uitgekozen om de Zoon van God te dragen.
De hemel zal vol vreugde geweest zijn toen Gabriël ging:
Nu is het moment aangebroken, waar zo lang naar uitgekeken is.
We zijn op heilige grond, omdat Gabriël niet zomaar een engel is,
maar één van de belangrijkste engelen van God is,
de engel die dicht bij de troon van God staat.
Een van de belangrijkste engelen werd gestuurd
om aan te geven welk groot belang de Heere zelf aan deze aankondiging hechtte.
Je kunt er alleen maar met eerbied naar kijken en met geloof,
hoe Gabriël aankondigt dat God zelf mens gaat worden
en geboren gaat worden als Zoon van de Allerhoogste uit Maria.

Heilige grond, maar het toneel is heel gewoon,
haast te gewoon voor een gebeurtenis die net zo groots gaat worden als de schepping.
Maar voor deze grootse gebeurtenis dat God uit een mens geboren gaat worden,
het begin van de lijdensweg die onze redding zal zijn,
hoeft God niet te kiezen voor iets spectaculairs dat de aandacht trekt.
Heilige grond, maar het toneel is heel alledaags:
Een jonge vrouw, eigenlijk een meisje nog, maagd,
die in een dorp woont dat zo onbekend en onbetekenend is dat het nergens werd genoemd.
Nazareth, het is een soort Nergenshuizen, the middle of nowhere.
De plek is onbetekenend, maar de jonge vrouw is door God uitgekozen
voor een bijzondere opdracht, zo bijzonder als er nooit meer zal zijn:
De gezegende onder de vrouwen is zij, Maria, die nog geen vrouw is, maar maagd.
Maagd is zij, omdat zij de tweede Eva is,
omdat zij de taak krijgt de moeder van alle levenden te worden, (de naam die Eva kreeg)
omdat haar Zoon aan iedereen het leven zal terugkrijgen.

Heilige grond – ook vanmorgen zijn we op heilige grond,
Waar wij net als Maria de heilige God mogen ontmoeten.
Zoals de engel Gabriël binnenwandelde bij Maria, zo kwam de Heere vanmorgen Zelf
hier in dit kerkgebouw binnen toen Hij Zelf tegen ons zei:
Genade, barmhartigheid en vrede, zij u van God de Vader,
van onze Jezus Christus, Zijn Zoon, door de Geest.
Heilige grond omdat God zelf bij ons binnenkomt en ons aanspreekt, onze ruimte vult
en net als Gabriël uit de hemel neerdaalt in ons midden.
Het lijkt gewoon, een groep mensen op zondagmorgen bij elkaar,
maar het is zo bijzonder omdat God zelf hier in ons midden is
en ons Zijn genade meedeelt en meedeelt dat Hij ons op het oog heeft.
Heilige grond, omdat vanmorgen ook de doop is bediend,
waarin we weer hebben mogen zien hoe God ons mensen in Zijn gemeenschap wil hebben.
Het lijkt zo gewoon: een kind binnengebracht en de doop ontvangen.
Maar wat is gewoon als je beseft dat over dit kind is gesproken
dat het mag behoren tot de gemeenschap van God,
zoals over de meesten van ons de naam van Vader, Zoon en Geest is uitgesproken.
Als je niet de doop ontvangen hebt, is deze doop vanmorgen een uitnodiging
om tot de gemeenschap van Christus toe te treden, om de doop te ontvangen.

Het is haast gewoontjes hoe Gabriël, die voorname engel, binnentreedt,
niet een indrukwekkend neerdalen uit de hemel, geen gewapper van engelenvleugels,
maar een binnenwandelen, zoals iemand zich als gast aandient.
Wat deze engel aankondigt is dat God met haar zal zijn,
maar dan op een manier zoals God er nog nooit eerder was,
niet aan haar zijde, maar in haar baarmoeder,
De Zoon die zelf bij de schepping betrokken was,
door Wie God de wereld geschapen heeft, wordt zelf een schepsel,
De Zoon van de Allerhoogste wordt een klein kind,
een weg van kwetsbaarheid, omdat een zwangerschap niet de zekerheid geeft
dat een kind gezond en levend geboren wordt.
Dat was toen niet en nu ook niet.
Voor de meeste moeders is de zwangerschap niet alleen een tijd van blijdschap,
maar ook een tijd van spanning, van vrees: zal het goed gaan.
Ook nu nog maken we mee dat een zwangerschap anders eindigt
en dat er afscheid genomen moet worden.
Voor Maria zal die spanning niet minder zijn,
niet alleen om het vreemde van haar zwangerschap
(in heel de weg van God met Israël niet eerder vertoond)
maar ook om het bijzondere van het Kind dat zij draagt.
Het Kind dat zij zal dragen, dat zal niet van haar zijn, ook al is zij de moeder.
Het Kind dat zij zal dragen is van God.
Dat blijkt ook uit de naamgeving.
De naam wordt niet door moeder Maria uitgekozen en ook niet door Jozef,
maar God geeft de naam: Jezus
en in de naam die van God komt, die door God gegeven wordt,
geeft de Heere te kennen: dit Kind is van Mij.
In de naam die van God komt, legt God Zijn hand op dit Kind.

Gebeurt dat in de doop ook niet?
Dat God Zijn hand legt op jullie kind
en dat Hij daarmee zegt: Jullie kind is allereerst Mijn kind.
Dopen betekent dat je je kind uit handen geeft
en dat je belijdt: dit kind hebt U aan ons toevertrouwd.
Het is aan ons gegeven, maar het blijft allereerst van U.
Zoals dat ook met jullie zelf gebeurd is en voor ons allemaal geldt:
We zijn niet van onszelf, we zijn niet van onze ouders,
maar we zijn allereerst van God.
Het verschil met Maria is dat jullie je kind terug mogen krijgen.
Maria, zij moet meer afstand doen van haar Kind Jezus.

Maria is daarmee beeld voor de kerk, of voor de gelovige.
Wil je uitleggen wat het betekent om te geloven, dan kun je naar Maria kijken
en wil je weten wat de kerk is, dan heb je Maria als voorbeeld.
Maria draagt Jezus in zich, maar Jezus wordt nooit helemaal van haar.
Als ze Hem in de tempel wil toewijden aan de Heere
wordt Hij uit haar handen genomen door Simeon de profeet.
Maria’s kind is ook van Simeon, geboren voor Simeon,
de vervulling van de belofte die hij in een goddelijke openbaring heeft gekregen.
En als ze twaalf jaar later opnieuw in de tempel komen,
blijft Jezus achter om aan te geven dat Hij allereerst van God is
en dat Hij bezig moest zijn met de dingen van Zijn Vader.
Dat ze haar Zoon steeds weer moet afstaan, blijkt wel in de rest van het evangelie.
Ze wordt verder niet meer bij name genoemd.
Ze wordt niet genoemd bij de kruisiging, niet bij de opstanding.
Pas na de hemelvaart wordt ze weer met name genoemd,
als de leerlingen wachten op de Heilige Geest, dan is zij ook aanwezig.
Ja, een keer eerder vertelt Lukas iets over de moeder van Jezus,
zonder dat haar naam wordt genoemd
als er gemeld wordt dat Zijn moeder en Zijn broers Jezus willen ontmoeten,
dan wijst Jezus die ontmoeting af
en zegt Hij: Iedereen die Mijn woorden doet, die is Mijn moeder.
Maria, wat moet je dienen!
Je hebt de Zoon van de Allerhoogste gedragen
en toch, Hij is niet van jou.
En dat is nu wat de gelovige ook is en wat de kerk is.
Geloven is dat je Jezus in je draagt, zonder dat Jezus helemaal van jou wordt.
Eerder omgekeerd: je wordt van Hem.

Zoals Jezus niet van Maria werd, maar Maria uiteindelijk wel van Hem
en een ereplaats kreeg in de gemeente, als de moeder van God.
Dat is de kerk: we hebben Christus in ons midden,
maar dan zonder dat we kunnen zeggen: Hij is van ons
nee, we zijn van Hem geworden.
En daarom de doop,  waarmee aangegeven wordt: we zijn niet van onszelf
en dat gebeurt al voor wij daar nog iets besef van hebben.
Zoals dat ook bij het avondmaal klonk: We zoeken het leven buiten onszelf,
in Jezus Christus.
Zo mogen we gemeenschap van Christus zijn, met Christus in ons midden
omdat we zelf van Christus geworden zijn
en het Maria meezeggen: Mij geschiedde naar Uw woord.

Ik heb een plekje voor Jezus. Hier in mijn hart mag Hij wonen.
Dat is het verlangen van jullie voor jullie dochter
en dat is wat jullie in de opvoeding mee willen geven
dat je je hart voor Jezus mag openen en dat Hij daar wil wonen.
Vorige week klonk het ook bij het avondmaal: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Opvoeden in het geloof houdt in dat je uitlegt
hoe jullie dochter haar hart kan openen voor Jezus
en hoe zij net als Maria kan zeggen: Mij geschiedde naar Uw woord.
Heel mijn leven is aan U gewijd.
Ik ben niet van mijzelf, maar van U.

Bijzonder zal het Kind zijn dat Maria zal dragen.
Niet alleen maar mens, maar ook God, Zoon van de Allerhoogste.
Hij zal zitten op de troon van David en regeren over het huis van Jakob,
Koning voor altijd, tot in eeuwigheid.
Simeon zal later aanvullen op welke manier dat zal gebeuren:
Een weg naar Jeruzalem, naar dit Koningschap dat niet zonder lijden zal zijn,
waarbij er ook voor Maria lijden zal zijn: een zwaard zal door haar ziel gaan.

Maar hoe kan dat nu, dat zij de moeder zal worden van dit bijzondere Kind.
Zij leeft nog niet samen met haar man.
Maar God heeft om Zijn doel te bereiken niet altijd mensen nodig
en ook niet de manier van mensen.
De wording van het Kind in haar schoot zal een unieke schepping zijn,
het begin van de herschepping van de in zonde gevallen wereld.
De Heilige Geest zal over haar komen, zoals de profeten vol waren van de Geest,
zo zal Maria vol zijn van de Heilige Geest
en de kracht van de Allerhoogste, voor Wie niets onmogelijk is,
die deze wereld geschapen heeft en nu een weg maakt voor Zijn Zoon
om de weg van mensen te kunnen gaan, van het allereerste begin tot het einde.
Dat overschaduwen is geen biologie, geen seksualiteit,
maar een neerdalen van Gods aanwezigheid in haar,
zoals dat ook gebeurde bij de tabernakel: de wolk die over de tabernakel kwam
en ook hier laat Maria zien wat de gelovige zal zijn en wat de kerk zal zijn:
een levende tempel, zoals Paulus dat later als vraag aan Korinthe stelt:
Weet u niet dat u Gods tempel bent
en dat de Geest van God in u woont?
Maria gaat ons hier voor.
De Geest komt over haar en de kracht van de Allerhoogste
om ruimte te maken voor de Zoon van de Allerhoogste, zodat Hij in haar kan zijn.
Zo kan de Geest over ons komen en Gods kracht in ons ruimte maken
voor Christus, zodat Hij niet alleen in Bethlehem geboren is,
maar ook in ons hart geboren kan worden en in het midden van de gemeente
en kan opgroeien en Zijn weg kan gaan en Zijn werk kan doen.

Mij geschiedde naar Uw woord.
Maria neemt de taak die zij van God krijgt op zich.
Ze gehoorzaamt. Ook hier, in haar toewijding, in haar ja tegen Gods taak
is ze een voorbeeld voor de gelovige, voor de kerk
om als God een taak voor je bestemd hebt niet gelijk te zeggen: Ik kan niet.
Nee, wat voor God onmogelijk is, dat is mogelijk voor God.

Laat mij gebeuren overeenkomstig Uw Woord.
Dat is toegepast op de doop vanmorgen:

Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding. Zo worden wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend.

Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen en dat Hij ons tot leden van Christus zal heiligen. Zo wil de Heilige Geest aan ons schenken wat wat in Christus hebben: de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente van de uitverkoren in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen.

Mij geschiedde naar uw Woord.
De engel gaat weer weg, maar de Heer blijft.
De engel gaat terug naar de hemel, naar de troon van God,
maar God gaat de omgekeerde weg: Hij daalt neer in de schoot van Maria,
Hij daalt neer in ons midden, in de kerk, in ons hart.

Wat heil, een Kind is ons geboren,
een Zoon gegeven door uw kracht!
De heerschappij zal Hem behoren,
zijn last is licht, zijn juk is zacht.
Zijn naam is “wonderbaar”, zijn daden
zijn wond’ren van genaad’ alleen.
Hij doet ons, hoe met schuld beladen,
verzoend voor ’t oog des Vaders treen.
Amen

Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Preek zondagmorgen 7 mei 2017

Preek zondagmorgen 7 mei 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Kolossenzen 2:6-15
Tekst: vers 6-7a

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

De doop is een bijzonder en ontroerend moment.
Allereerst voor jullie, doopouders:
Jullie kind, dat je uit Gods hand hebt ontvangen, krijgt nu het teken van Gods verbond
en krijgt de beloften van God mee – als Vader, Zoon en Geest.
Ook voor ons als gemeente is het een bijzonder en ontroerend moment.
Om te zien dat Gods werk doorgaat, van generatie op generatie.
Dat heeft ook voor ons als gemeente iets bemoedigends.

Tegelijkertijd is de doop niet niks.
Paulus schrijft erover, hoe ingrijpend de doop is:
U bent immers met Hem begraven in de doop.
Je zou het bij al het mooie dat de doop heeft haast vergeten,
dat er met de doop iets gebeurt dat nog ingrijpender is dan de geboorte zelf.
Ik denk dat jullie, doopouders, het allemaal zullen beamen,
dat een geboorte best spannend is, ook in onze tijd nog
en dat je blij bent als je je kind gezond en wel in je armen houdt
en dat het ook een goede start heeft en het goed doet.
In de afgelopen tijd hebben we ook gezien dat het ook anders kan.

Als een kind geboren wordt, komt het op een nieuwe wereld.
Deze wereld is anders dan de wereld van de baarmoeder
en ze moeten leren om in die nieuwe wereld buiten de baarmoeder te leven.
Bijvoorbeeld ademhalen en eten en drinken.
Als je gaat geloven, kom je ook in een nieuwe wereld terecht.
Net zoals een kind dat geboren wordt, buiten de baarmoeder komt
in de wereld waarin de ouders zijn,
zo gaat iemand die gelooft ook een nieuwe wereld binnen.
Paulus geeft benoemt die nieuwe wereld vaak als ‘in Christus’.
Geloven is dus niet alleen maar iets van binnen, dat in je hart Christus leeft,
maar dat je een nieuwe wereld binnengaat, die Christus is.
Als een baby de wereld waarin wij zijn binnenkomt, moet het zelf gaan ademen,
om de zuurstof die er is binnen te krijgen
en zonder die zuurstof zal het niet lang kunnen leven.
In Christus komen – dat is een nieuwe atmosfeer.
Soms heb je dat bij in een bepaald gebouw, of bij bepaald weer,
dat je last kunt krijgen van je ademhaling, omdat de lucht niet goed is.
In Christus zijn, dat is een wereld om je heen, een lucht die je inademt.
Bij Paulus zit hier ook een aansporing, een opdracht in:
zorg ervoor dat je in die nieuwe wereld blijft, in het klimaat van Christus,
dat je alleen maar ademt in de atmosfeer van Christus.
De mensen die in de stad Kolosse waren gaan geloven in Christus,
zij hadden een verandering meegemaakt.
Een ingrijpende verandering, zoals iemand die het altijd benauwd heeft,
opeens op een plek komt, waar de benauwdheid wegvalt
en zomaar goed kan ademhalen, omdat de lucht er zo zuiver en helder is.
Zelfs dat geeft nog niet genoeg aan wat er gebeurt,
het is alsof je sterft, maar ook gelijk weer helemaal levend wordt
in in die nieuwe wereld, die veel beter voor je is.
Christus, die je als het ware inademt, en als zuurstof in je bloed komt,
en helemaal door je heen gaat.
Jullie hebben Christus aangenomen, schrijft Paulus, je bent die nieuwe wereld binnengegaan.

Dat aannemen: is dat nu iets wat wij als mensen doen?
Er zijn groepen christenen, die heel veel nadruk leggen op onze keuze.
Als je Christus aanneemt, dan gelden de beloften van God ook voor jou.
Er zijn ook groepen christenen en gelovigen, die zeggen:
Wij kunnen als het er op aankomt, helemaal niets.
Het is allemaal Gods werk.
Ik denk dat allebei – zowel iets dat we moeten doen, maar uit onszelf eigenlijk niet kunnen.

Christus aannemen – dat is zoals een baby de liefde van zijn of haar ouders aanneemt.
zich laat koesteren en daar geen genoeg van kan krijgen, de verzorging die het nodig heeft,
dat ondergaat en aanneemt.
Christus aannemen, ze waren daar in Kolosse in aanraking gekomen
met de liefde en de barmhartigheid die God door Christus liet zien.
Christus aannemen, dat was voor de gelovigen in Kolosse gebeurd
en ze waren in een heel ander geloof, een heel andere manier van leven terecht gekomen.
De drie kinderen die gedoopt zijn, voor hen ligt dat aannemen van Christus nog vóór hen
en het is ons gebed en ons verlangen, dat ze Christus ook zullen aannemen,
want daarom laat je hen dopen, om daarmee aan te geven
dat jullie als ouders van jullie kant er alles aan wilt doen, wat je kan
om je kind zover te brengen dat het ook gaat geloven, Christus aanneemt
de liefde ontvangt en zich laat koesteren door Gods genade en zo in die nieuwe wereld komt.
De doop die jullie kind heeft ontvangen, geeft aan:
aan Gods kant is alles zover: Christus is ook voor je kind gestorven
en de Heilige Geest belooft om in je kind het geloof te wekken,
zodat ook jouw kind Christus zal aannemen en uit Zijn genade en liefde zal leven.
De kinderdoop is daarom heel gewaagd, omdat we ook weten
dat niet iedereen die gedoopt is zal gaan geloven.
Er kan daarom ook kritiek op de doop komen: kun je dat wel zeggen
dat de Geest in het hart van mijn kind gaat werken?
Ik zou dat wel willen en ik bid er ook voor, maar zo stellig?
Maakt dat ook niet laks, waardoor je al heel snel tegen een kind zegt
dat het wel goed zit, omdat het gedoopt is.
In de vorige gemeente wel eens meegemaakt, dat iemand zijn kind liever niet wilde dopen,
omdat hij vond dat de doop van een kind niet radicaal genoeg was,
Hij was bang dat zijn kind door de doop veel te gemakzuchtig zou worden
en Christus niet zou aannemen, omdat het zou denken dat het wel goed zat.
Dat hij behouden zou worden, omdat hij al gedoopt was.
De doop bij een kind is helemaal niet bedoeld om gemakzuchtig te maken,
want ook als je als kind gedoopt bent, word je antwoord op Gods liefde gevraagd,
wordt je gevraagd om ermee in te stemmen, te beantwoorden,
zoals een baby ook de liefde en de zorg van ouders beaamt, accepteert, koestert.
De doop geeft aan: alles wat er nodig is van Gods kant is al gebeurd.
Apartgezet, toegewijd, nog radicaler dan in de besnijdenis gebeurde.
We hoeven het alleen maar aan te nemen, te ontvangen.
MAar zoals we de zuurstof opnemen, zo moeten we ook Christus opnemen
en het door ons heen laten gaan, net als zuurstof door ons heen gaat.
We kunnen niet zonder.

Die besnijdenis: dat is de toewijding aan God die je ook echt in je lichaam voelt,
als je er onzeker over bent of je wel bij God mag horen, een duidelijk teken, gemarkeerd:
Je bent van Mij, Ik ben je bij je naam geroepen.
Soms kun je ook als gelovige behoefte hebben om dat ook echt te voelen,
bijvoorbeeld door je opnieuw te laten dopen.
De behoefte om het zelf mee te maken, zelf te voelen en te ervaren kan ik nog wel inkomen,
Paulus geeft alleen aan dat de doop nog radicaler is dan de besnijdenis,
Dat je ook echt wel aan je lichaam merkt.
En dat overgeplant worden, is nog radicaler dan we ooit kunnen ervaren.
Helemaal doorleven kunnen we het niet
en dat hoeft ook niet, als we er maar uit leven, als het maar de basis van ons leven is:
Christus, de nieuwe wereld waarin wij leven, waarin we niet alleen maar zijn,
maar dat een uitwerking heeft op ons.

Dat is wat Paulus hier ook aangeeft, als aansporing:
Wandel in Hem. Laat Christus in je werken. Maak het praktisch dat je van Christus bent.
Dat praktische heeft met normen en waarden te maken,
maar hier ook met een bepaalde eigenwijsheid, waarin je nee zegt tegen een wereld,
Die je nog van vroeger kent, maar die niet goed voor je is
Omdat het niet de wereld van Christus is en je daar bij Hem weg houdt.
Zorg ervoor, dat je niet in een andere atmosfeer komt, een andere wereld.
Ook niet in de oude wereld.
Er blijft een kwetsbaarheid voor die oude wereld, waaruit we komen,
die van ons afgestorven waren,
zoals je bij een baby soms ook de indruk kunt hebben dat ze heimwee hebben
naar het knusse, het geborgene van de baarmoeder,
Dat als je ze dat enigszins biedt, door dat na te bootsen, dat ze rustig worden.
Paulus waarschuwt de gelovigen, die nog maar zo’n pril geloof hebben,
dat ze meegesleurd kunnen worden,
meegesleept door allerlei gedachten die ze tegen kunnen komen,
Waarin ze vroeger wel hadden geloofd, maar dat door het leren kennen van Christus,
het leren kennen van hoe God werkelijk is, achter hen ligt.
Maar soms kan het nog wel aan je trekken, omdat het je imponeert,
je er onder de indruk van raakt, omdat iemand het heel stellig kan zeggen.
Een collega, die spot met het geloof en zegt dat het toch iets van vroeger was
een docent op de opleiding die met allerlei theorieën aankomt, waardoor je het idee krijgt
dat God helemaal niet meer nodig is en ook niet gemist wordt.
Een vriend of broer die helemaal prima zonder geloof en zonder kerk redt.
Vandaag heb je je kind laten dopen
En daarmee ook aangegeven dat je je kind wilt opvoeden of wilt laten opvoeden,
in het kennen van God.
Maar je kunt ze niet voor elke schadelijke invloed bewaren.
Je hebt het niet altijd in de hand wat ze op tv, internet, social media tegenkomen.
Je kunt ze helpen, maar je weet nooit welke mening of welk persoon in hun leven
zo invloedrijk is dat jouw woorden en waarschuwingen niets meer helpen.
Zijn ze wel sterk genoeg voor wat ze in deze wereld tegenkomen,
Die hen weer meeslepen naar de oude wereld van voor het kennen van Christus?
Een zus van mij die graag tekende, heeft toen ze nog jong was,
Zich ooit geabonneerd op een dure tekencursus die ze thuisgestuurd kreeg,
Ze had er alleen maar oog voor gehad, wat ze ermee zou kunnen, niet wat het kostte.

Paulus waarschuwt de gemeenteleden: Pas op dat je je niet in beslag laat nemen
En laat meesleuren en dat je Christus weer kwijtraakt
en terugvalt in dat bedompte, benauwde bestaan, waar je het weer slecht hebt.
Dat oude leven, dat kan indruk maken, maar dat hoeft niet.
Weet je wat er met je gebeurd is?

Toen je in Christus kwam, gebeurde er iets met je: je ging wortelen,
net zoals een plant zijn wortels uitslaat, om voedsel op te nemen
en die wortels geven tegelijk vastigheid en houvast.
Je wordt door Christus gevoed en je hebt daardoor ook je houvast in Christus.
In de doop wordt dat nog eens bevestigd, dat je door Christus wordt gevoed
en dat je in Christus je houvast hebt: Christus is alles,
Wat Hij je geeft aan genade, aan kennis over God en over de wereld, over jezelf
daar heb je geen andere theorie of godsdienst voor nodig.
De doop is een bevestiging van de wortels in Christus voor je kind:
Ook mag de woorden van Christus in mij opnemen en daarvan groeien,
wat er in de Bijbel staat, geldt ook voor mij, niet alleen voor iemand die volwassen is.
De doop is ook een bevestiging voor jullie als ouders en voor ons als gemeente:
Dat ook deze kinderen door Christus gevoed worden
en dat Hij hen houvast biedt, stevigheid, ze waaien niet zomaar weg.
Een boom kan door zijn wortels heel wat stormen overleven.
Voor jullie en voor heel veel leden uit deze gemeente zijn zulke stormen niet onbekend,
Waarin je het gevoel hebt dat je een heel eind buigt, haast wel breekt,
voor je gevoel haast onderuit gaat en dat je God kwijt bent
en dan toch die wortels in Christus die je houvast bieden
en ook je voeden: Ik ben er nog en Ik houd je vast.
In het voorhof van de Heere geplant – je zult verder groeien (Psalm 92)
De doop is ook een aansporing om daarover te vertellen.
Je houvast – onder je leven, hoe het ook verloopt en wat je ook meemaakt,
zelfs als je door stormen heengaat waaraan er flink aan jezelf en je geloof wordt gemorreld,
dan mag je weten – ik heb een fundament onder mijn leven: gegrond.
Maar doen moet ik er wel uit leven.
Dan moet ik wel mijn wortels in Hem uitslaan en het bij Hem zoeken
en niet ergens anders, bij een ander geloof, een andere manier van leven.
Er is zoveel gebeurd, toen Christus aan het kruis stierf en toen Hij uit het graf kwam.
Er is zoveel gebeurd voor mij, dat moet ik wel aannemen.
Groeien in Christus – aannemen van Gods barmhartigheid en daaruit leven,
strijden tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk, leven onder Christus.

Wij bidden U ook door Hem, Uw geliefde Zoon, dat U deze gedoopte kinderen door Uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat zij christelijk en godvrezend opgevoed worden en meer en meer groeien in de Heere Jezus Christus. Geef dat ze zo Uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid die U aan hen en ons allen hebt bewezen zullen belijden en om alle gerechtigheid onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen. Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen. Amen


Preek zondagmorgen 11 september 2016

Preek zondagmorgen 11 september 2016
Bediening Heilige Doop
Deuteronomium 6:4-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Het is bijzonder om een kind te mogen ontvangen en ouder te worden.
Dat is de eerste keer bijzonder,
maar het bijzondere wordt niet minder,
als het om een tweede kind gaat.
Soms kun je bij de komst van een tweede kind nog meer dan bij de komst van de eerste
beseffen hoe bijzonder het is om een kind te mogen ontvangen.
Als je een kind mag ontvangen,
ontvang je een bijzonder geschenk uit Gods hand.
Hij, de Schepper van hemel en aarde, onze Vader in de hemel
vertrouwt aan jullie een kind toe,
dat van jullie samen is en bovenal van Hem!

Vanmorgen zijn jullie als ouders hier in de kerk
en hebben jullie je kind, dat de Heere aan jullie heeft toevertrouwd, weer bij Hem gebracht.
Ze hebben de doop ontvangen.
Door de doop mogen zij weten, dat Gods liefde en zorg er ook voor hen is.
Die liefde en zorg is niet uitsluitend voor degenen die gedoopt zijn.
Tot onze gemeente behoren ook gemeenteleden die niet gedoopt zijn.
Ze zijn voor ons als gemeente niet minder en ze zijn voor God niet minder.
In de doop wordt die liefde en zorg van de Heere wel zichtbaar gemaakt.
Zo zeker als het water is uitgegoten over de hoofden van deze kinderen
– we hebben dat allemaal mogen zien vanmorgen: de ouders, de familie, de gemeente –
zo zeker mogen we zijn dat de Vader in de hemel voor hen wil zorgen,
zo zeker mogen we weten, dat ook zij een beroep op de Heere Jezus mogen doen:
‘Heere, wilt U mijn zonden vergeven? U bent ook voor mij aan het kruis gestorven.’
Ook als je de doop niet hebt ontvangen, mag je op de Heere een beroep doen,
mag je vragen om Zijn leiding,
mag je vragen om vergeving van je zonden, om de Heilige Geest.
De Heere wil het je dan ook geven.
De doop is daarin een extra steun: we mogen naar de Heere toe.
Hij heeft het zelf beloofd! Het geldt ook voor mij!

Je zou het als ouders willen, dat ze het bij de Heere zoeken.
Toch? Dat is toch het mooiste wat je als ouders kunt merken?
Dat ze naar de Heere toegaan.
Als ze nog heel klein zijn op een heel eenvoudige manier, zoals dat bij een kind past.
En als ze opgroeien, dat ze dan steeds meer leren over de Heere
en dat dat kinderlijke geloof ook meegroeit,
als ze puber worden en kritisch worden op jou als ouder, op alle gebruiken die er zijn
(moet dat nou echt zo),
dat die band dan bewaard blijft en meegroeit tot een volwassen geloof.
Misschien door een moeilijke periode heen,
omdat ze voor zichzelf uit moeten zoeken, hoe je dat nou doet:
vertrouwen op God en tot Hem bidden
en wat gebeurt er als je om vergeving van je zonden vraagt.

Ik kijk de jongeren vanmorgen even aan:
Het kan best zijn, dat het voor jou op dit moment op zoek bent naar de Heere God,
dat je wat meer duidelijkheid zou willen
en dat je iemand had die het voor jou uitlegt.
De afgelopen week was ik op cursus,
waarbij elke deelnemer zijn eigen biografie moest vertellen.
Ik moest vertellen over hoe mijn leven was verlopen van toen ik geboren werd tot nu toe.
Over wie mijn ouders waren, wat ik had meegemaakt.
Ik moest ook vertellen wat ik van God had ervaren
en of ik daar ook een ontwikkeling in heb doorgemaakt,
of dat mijn geloof altijd hetzelfde is gebleven.
Ik heb verteld dat toen ik een jaar of 16 was ik geloven steeds moeilijker vond.
Ja, ik deed wel belijdenis en ik wilde God ook graag dienen,
maar ik merkte zo weinig van Hem.
Ik heb verteld dat ik – nu ik terugkijk – iemand had gehad
die naar mij geluisterd had
en bijvoorbeeld tegen mij gezegd had: God ervaar je niet altijd,
maar het wil niet zeggen dat als je God niet ervaart, dat Hij er dan niet is.
Ik zou dankbaar geweest zijn met een volwassene
die mij had uitgelegd hoe ik God kon vinden toen ik zo naar Hem op zoek was.

Dat is een taak van jullie ouders
en vanmorgen heb je daar ook je ja-woord aan gegeven.
Je hebt beloofd om je kind te vertellen over God.
Dat is niet alleen een taak van de ouders alleen,
maar dat is een taak van u als gemeente als geheel.
De doop is niet alleen maar een familiegebeuren.
Natuurlijk is het mooi om de familie erbij te hebben
en het is bijzonder als alle ouders de doop van je kind kan meemaken.
Als je moeder er niet meer is, dan zal ze juist op dit moment zo worden gemist.
En dan merk je hoe belangrijk je moeder nog voor je had kunnen zijn.
En je hebt misschien ook wel dat nu met de doop
jouw band als vader of moeder met je kind nog wel veel meer intens beleefd wordt.
Maar je staat er niet alleen voor.
Iedereen hier in de kerk is getuige
en is medeverantwoordelijk dat jouw kind iets van de Heere meekrijgt.
U als gemeente hier in de kerk hebt het gezien
en u bij de kerkradio hebt het wellicht alleen maar gehoord,
u hebt een taak voor deze kinderen
– en dat geldt bij elk gedoopt kind, ook al was u er niet bij toen dat kind werd gedoopt.
Bijvoorbeeld door te bidden voor deze kinderen
en hen en hun ouders bij de Heere te brengen.
Dat kan een taak zijn, voor degenen die zelf de zegen van kinderen niet hebben ontvangen.
Geloof gebeurt in een gemeenschap,
een individuele gang kan gebeuren, soms kun je een zoektocht moeten afleggen
en toch is dat niet goed.
Mozes spreekt heel het volk aan: Luister Israël.
We horen bij elkaar en we horen er voor elkaar te zijn
en elkaar te helpen de weg van God te gaan en samen te luisteren naar Zijn wil.
Die woorden hebben vast bij jullie bruiloft in de kerkdienst geklonken,
ook al weet je die woorden niet meer:
Vergeet daarbij niet, dat uw gezin deel uitmaakt van een grotere gemeenschap. U draagt ook een bredere verantwoordelijkheid: voor de medemens in nood, voor de kerk en voor de maatschappij.

Mozes zegt tegen het volk Israël er over de Heere gesproken moet worden
en dan op zo’n manier over de Heere gesproken wordt
dat er bij de kinderen liefde voor God begint te groeien.
Die taak geeft de Heere ook aan ons, dat we over de Heere vertellen
zodat er bij deze dopelingen als ze iets ouder zijn er liefde voor God groeit.
Wat is er voor nodig dat zij die liefde leren?
In de afgelopen week moest ik mijn eigen leven nagaan:
welke mensen waren er voor mij belangrijk, waardoor ik ben gaan geloven in de Heere?
Ik herinnerde mij mijn moeder weer, hoe zij elke dag op de knieën ging
om voor haar kinderen te bidden. Dan was ze wel een tijdje bezig.
Ik herinnerde de mensen aan wie ik die liefde voor God kon merken,
de ouderlingen die bij ons op huisbezoek kwamen bijvoorbeeld
en die het heel fijn vonden om ook met ons als kinderen over de Heere te praten.
Ik hoop dat u als u uw leven nagaat en als jij nadenkt over jezelf,
dat je ook kunt vertellen van mensen, die met jou hebben gedeeld hoe zij leefden met God.
Jullie als ouders hebben die verantwoordelijkheid naar je kind toe.
Wat deel je van je eigen leven met de Heere?
In de afgelopen week, omdat ik veel met mezelf bezig was
en tegelijkertijd met de voorbereiding van deze doopdienst,
Was ik er voor mijzelf mee bezig: wat deel ik aan mijn eigen kinderen?
Ik kreeg van de week van een van de collega’s op de cursus de vraag:
Wat voor vader ben jij? Ja, wat voor een vader ben ik?
Wat merken zij thuis van mijn leven met God?
Ik ben een vader, die vooral informatie deelt, feiten vertelt
Wat de hoofdstad is van een bepaald land, in welk jaartal een land oorlog had,
maar wat laat ik doorschemeren over dat intieme leven met de Heere
en hoe help ik hen om de weg van de Heere Jezus te gaan?
Als ik dat niet doe, als wij als ouders dat niet doen, wie doet het dan?
En is het juist niet als kind fijn om te merken hoe je ouders ermee bezig zijn,
zodat je juist van je ouders kunt leren.
Mozes zegt: Die woorden moeten in je hart zijn
en dan pas kun je je kinderen iets aanleren.
Ik had eerst over deze tekst, vers 6, heen gelezen en was gericht op het inscherpen.
Maar Mozes heeft gelijk: kinderen leren vooral iets,
als ze daarin iets van hun vader of moeder, van hun meester of juffrouw,
van de mensen in de kerk zien, van hun hart, van hoe zij God beleven.

Maar dan die vraag: Hoe doe je dat en op welk moment van de dag?
Er wordt gesproken over het binnengaan in een bepaalde ruimte,
vanuit de gang naar de kamer, of juist door de voordeur naar buiten,
van buiten een nieuw gebouw binnen.
Ik bedacht me hoe graag ik iets van informatie deel: als ik het weet, de achtergrond van een gebouw, de architectuur, de tijd waarin het werd gebouwd,
maar om zo over de Heere te vertellen?
Waar komt die schroom vandaan?

Tegenwoordig is het bij ons vroeg dag
en voor zevenen zat ik beneden aan tafel en Imke – ook vroeg wakker – op de bank.
Er kwam een vraag: ‘Waarom zijn we eigenlijk in Oldebroek komen wonen?’
Eerst was mijn antwoord: ‘Omdat de kerk van Oldebroek dat gevraagd heeft.’
Maar dat was niet genoeg, want er kunnen wel meer kerken vragen dat te doen
en ik bedacht: als ik nu niet iets vertel – in enkele zinnen – over mijn roeping
om hier in Oldebroek te werken, wanneer doe ik dat dan?
Ik heb het op een korte, eenvoudige manier geprobeerd.
Mozes zegt: laat het op alle mogelijke manieren zien.
Hang het desnoods op als een spreuk in de woonkamer of de gang,
schrijf het desnoods voor op je huis boven de deur.
Terwijl ik deze woorden opschreef,
bedacht ik me dat er voorop de pastorie een bepaalde steen zit.
Als jullie, jongeren komen voor de bbq, moet je er maar eens naar kijken.
Het is een steen met x en daardoor heen een p.
Ik denk dat dominee Voordijk daar wel eens om gevraagd zou hebben.
Die x staat voor Christus, in het Grieks de letter van Xristos en de p dat is in het Grieks een r
Die x met de p erdoor heen staat voor Christus Rex – Christus is koning.
Dat is waarschijnlijk bedoeld voor de mensen die door de straat lopen
en als ze nieuwsgierig zijn naar binnen willen kijken: Christus is koning,
in dit huis, over de wereld en ook over jouw leven.
Voor de mensen die aanbellen – voor collecte, voor een pastoraal bezoek:
Christus is koning – vergeet dat niet. (Hoor, Israël, de HEERE, onze God, is één)
Maar ook voor de bewoners van het huis:
Als je thuiskomt en de sleutel omdraait: x – p: Christus is koning.
Een herinnering ook voor de bewoners.
Een belijdenis en een herinnering.
Om de ander en jezelf te bepalen bij de Heere.
Zodat zij herinnerd worden aan de liefde van God voor hen
en dat zij er ook aan herinnerd worden dat God onze liefde vraagt
en Hem belijden.
De doop is ook een belijdenis,
een belijdenis die de ouders alvast geven voor hun kind,
in de hoop dat dit kind het later zal overnemen.
Vandaar dat we hier in de kerk openlijke belijdenis van het geloof hebben.
Wat mij opvalt, is dat veel gemeenteleden het makkelijker vinden
om iets te belijden met het oog op de kinderen.
Als ik tijdens doopzitting of een huisbezoek vraag,
zou je ook belijdenis willen doen, dan is het antwoord nogal eens:
dan ben ik er niet aan toe.
Ze zijn er niet aan toe om zelf belijdenis te doen,
maar kunnen wel voor hun kind het ja-woord geven.
Blijkbaar doe je dat voor een kind makkelijker.
Als je dat voor je kind kunt zeggen,
dat zijn / haar zonden vergeven worden, dat de hemelse Vader er ook voor hem/ haar is,
waarom zou je dat over jezelf niet kunnen.
Zoals je ouders jou hebben laten dopen, in de hoop dat jij zou gaan geloven,
zo laten jullie ook je kinderen dopen, in de hoop dat zij gaan geloven.

Er is nog iets, zegt Mozes, waarin je iets van God kunt doorgeven.
Dat zijn de geboden die God gegeven heeft.
Dat is nou juist meestal niet de makkelijkste opdracht.
Ik neem waar dat veel ouders in deze tijd op zoek zijn:
Hoe kunnen zij in hun gezin in deze tijd die geboden in praktijk brengen.
Bijvoorbeeld als het gaat om de regels voor de zondag:
Welke kleren heb je aan: zondagse kleren of dezelfde kleren als doordeweeks?
Wat mag wel en wat niet: Mag je op zondag buiten spelen?
Als kind mocht ik nooit voor op straat spelen, wel achter in de tuin.
De computer ging niet aan, Donald Ducks mochten niet gelezen worden.
De zondag was bij ons een bijzondere dag, vaak gevuld met lezen, praten, spelletjes, kerk.
Dat de zondag een bijzondere dag was heeft mij trouwens geholpen in het geloof,
al hebben wij in ons gezin nu andere regels.
Mozes zegt tegen Israël: die regels moeten iets van de Heere laten zien
en het kan zo zijn, dat je kind ernaar vraagt naar het nut van die regels.
Ik kwam in een commentaar op Deuteronomium een mooi voorbeeld tegen,
die hij gaf vanuit zijn eigen gezin:
Tijdens een maaltijd ging het over de regels die van toepassing kunnen zijn
in een christelijk gezin.
Een van de zoons, een tiener, riep uit:
‘Waarom moeten we eigenlijk zo’n prehistorische familie zijn?’
Dit is eigenlijk geen vraag die om een antwoord vraagt,
meer een uitroep: we zijn niet meer van deze tijd.
Zijn vader, de auteur van het commentaar, vond het juist een mooie vraag:
We zijn niet van deze tijd – onze wortels liggen in de prehistorie,
namelijk de geschiedenis van God met de wereld,
de geschiedenis van de Heere met Zijn volk Israël.
Mozes zegt tegen de vaders en moeders in Israël:
als je kinderen vallen over de regels, als ze die regels niet begrijpen,
zeg dan niet: dat doen we nou eenmaal, gewoon,
maar vertel over God.
Vertel over de bijzondere weg die de Heere met Israël is gegaan,
vertel dat je slaaf was in Egypte en dat de Heere je heeft bevrijd
en dat die regels die je hebt,
je er steeds aan herinneren: Ik heb een God die mij heeft gered,
dat is de enige God die er is.

De stap naar ons is niet zo groot:
Als ze naar je komen met de vraag: waarom doen we zo ouderwets, zo niet van deze tijd.
Vertel dan over God, die in de hemel woont,
die het ziet als we in ellende zijn, die onze gebeden hoort, die ons vanuit de hemel zegent
en eens vanuit de hemel op aarde kwam
om voor ons aan het kruis te gaan.
Dat is iets wat we nooit mogen vergeten.
Dat is iets waar we steeds aan moeten denken, elke dag opnieuw,
bij elke stap die we zetten.
Die regels die we hebben – en het is best goed in het komende jaar nog meer in te verdiepen
hoe wij in deze tijd met zulke regels kunnen omgaan, zodat ze ons herinneren
aan de Heere en aan Zijn werk
moeten ervoor zorgen, dat we Hem nooit vergeten,
Dat in ons liefde groeit, vertrouwen, overtuiging die uitmondt in de belijdenis:
De Heere, de God van Israël, die wij als gemeente ook willen dienen, is mijn God.
Vertel daarom over de Heere,
vertel daarom over de doop
en laat vooral je hart spreken over hoe de liefde voor God in jouw leven gekomen is.
Dat zeg ik niet alleen tegen de doopouders, maar tegen u allemaal.
Vertel daarom over de Heere,
vertel daarom over de doop
en laat vooral je hart spreken over hoe de liefde voor God in jouw leven gekomen is.
Zodat we met elkaar naar de Heere luisteren, er voor Hem liefde komt en groeit
en ons leven van Hem wordt.
Amen

Preek zondagmorgen 26 juni 2016

Preek zondagmorgen 26 juni 2016
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 105: 1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen hebben jullie een belofte afgelegd,
namelijk de belofte om je kind met de Heere God bekend te maken.
Je hebt die belofte om over God te vertellen voor God en Zijn gemeente afgelegd.
Een hele verantwoordelijkheid,
want als je deze belofte aflegt, betekent ook dat je die belofte moet waarmaken:
dat je dan ook steeds weer opnieuw vertelt over de Heere,
de enige God die er is – Vader, Zoon en Geest,
Die leeft en regeert tot in eeuwigheid.

In deze belofte sta je er niet alleen voor:
je hebt deze belofte afgelegd in het midden van de gemeente.
Wij zijn allen getuige van de belofte die jullie hebben afgelegd,
maar tegelijkertijd is er ook voor ons de verantwoordelijkheid,
dat ook wij naar jullie kinderen toe
niet verzwijgen dat God ook hun God wil zijn
en dat wij de verantwoordelijkheid hebben om het geloof voor te leven,
zodat jullie kinderen ook van ons kunnen leren
hoe zij kunnen geloven
en hun leven in dienst van de Heere kunnen stellen.
Het is onze taak als overige aanwezigen om voor hen een voorbeeld in het geloof te zijn.
Jullie staan  met deze belofte om te vertellen over God er niet alleen voor.
Je mag ook van ons als overige aanwezigen verwachten,
dat wij jullie helpen om je belofte waar te maken
om als ouders in de opvoeding ook het geloof door te geven.

Dat kan alleen als wij zelf doen waartoe Psalm 105 oproept:
om heel dicht bij de Heere te leven:
vraag naar de HEERE en Zijn kracht, zoek Zijn aangezicht voortdurend.
De belofte die jullie gegeven hebben
– en iedereen die de belofte bij de doop van een kind gegeven heeft
wordt ook weer aan die belofte eens gegeven herinnerd –
vraagt dat je hele leven bepaald wordt door het leven met de Heere.
Daar kan je elke dag weer en ook heel praktisch mee bezig zijn.
Als je bij het wakker worden, beseft: dit is weer een dag die ik van God ontvang.
Hoe mijn dag ook zal zijn: deze dag heeft Hij mij gegeven.
Ik moet Hem er voor danken en moet er op een verantwoordelijke manier mee omgaan.
Tegelijkertijd mag ik vragen of Hij erbij is deze dag
en of Hij mij op deze dag bij alles wat ik doe wil zegenen.
Heel praktisch: dat je de dag begint met zoeken van de Heere – elke morgen weer opnieuw
en te vragen of Hij meegaat en Zijn kracht aan je geeft.
om Zijn nabijheid en Zijn kracht.

Maak hier een gewoonte van,
want met een goede gewoonte is niets mis.
We hebben baat bij goede gewoonten:
een huwelijk en een gezin kunnen niet zonder de goede gewoonten
van het samen aan tafel zitten tijdens het eten, vertellen wat je hebt meegemaakt,
bij het weggaan even elkaar gedag zeggen.
Zo kan ons leven met de Heere niet zonder vaste gewoonten:
vaste momenten om te bidden en te lezen in de Bijbel, naar de kerk gaan,
er met elkaar over praten, zingen niet te vergeten.
Al die goede gewoonten zijn voor ons van belang,
want zij helpen ons om dicht bij de Heere te leven
– voortdurend Zijn aangezicht te zoeken, zoals Psalm 105 dat verwoordt.
Stel dat je dat achterwege zou laten: het bidden, het lezen uit de Bijbel, kerkgang,
hoe zou je leven er met de Heere er dan uit zien?
Je zult veel minder vaak met Hem bezig zijn:
alleen nog maar op de momenten waarop je aan Hem denkt.
Hoe vaak is dat dan per dag, in de week?
Dan kan de Heere zo ongemerkt uit je leven verdwijnen.

De Psalm roept ons om het tegenovergestelde te doen:
om aan de Heere en ook aan Zijn wonderen te denken.
Dat denken aan de wonderen houdt in
dat je je daar elke dag van je leven van bewust bent.
Weet je nog dat God de hemel en de aarde geschapen heeft?
Vergeet je dat niet als je weer een dag hebt,
waar je tegenop ziet, dat God de dag geschapen heeft
en als het nacht is, Hij het ook weer dag kan laten worden.
Vergeet je niet dat diezelfde God ook met jou bezig is, elke dag weer opnieuw?
Weet je nog van Abram, die geroepen werd?
Zo kan de Heere ook jou roepen om een bepaalde weg te gaan.
Weet je nog dat het volk Israël in Egypte was
en dat het toen een hele moeilijke tijd had – een diensthuis, een slavenbestaan
en dat de Heere, jullie God Egypte raakte met plagen
waardoor ze jullie moesten laten gaan, eerst door de Rode Zee, naar de Sinaï
en dan door de woestijn naar het beloofde land Kanaän.
Dat is wat de Heere, jullie God, voor jullie deed
en dat moet je steeds in herinnering houden.

Waarom is dat van belang om dat steeds te blijven bedenken?
Waarom moeten jullie deze verhalen aan je kind doorvertellen?
Omdat die verhalen niet alleen maar over vroeger gaan.
De God over wie deze verhalen vertellen is dezelfde God
en kan wat Hij toen gedaan heeft opnieuw doen.
Als je die verhalen doorverteld over de schepping, over Abram, over Israël
moet je je zo vertellen, dat je kind het idee heeft alsof hij, zij er zelf bij is.
Misschien heb je ook wel zo’n meester of juffrouw gehad,
die zo mooi kon vertellen dat je zelf meeliep door de woestijn
en die verhalen mee beleefde.
Misschien ook wel dat Abraham, Mozes, de profeten, de Heere Jezus
in deze omgeving, hier in Oldebroek rondliepen.

Door de verhalen levendig te vertellen, als verhalen die over nu gaan,
kan het geloof van je kind gevoed worden:
de God van Abram is ook nu nog God en wil ook mijn God zijn.
Binnen het Joodse volk worden die verhalen doorgegeven tijdens gezinsmomenten,
als het gezin met elkaar de grote feesten vieren,
die herinneren aan wat de Heere heeft gedaan voor Israël:
de uittocht wordt steeds weer opnieuw gevierd
en dan op zo’n manier dat de aanwezigen zelf ook de ervaring hadden
dat zij op dat moment bevrijd werden.
Er zijn verhalen bekend van Pesachvieringen uit Auschwitz en de ghetto’s
dat de Joden het Pesach daar zo vierden.
Door een loofhut te bouwen steeds herinnerd te worden aan de herkomst:
We hebben als volk een reis door de woestijn gemaakt.
Dit land is ons gegeven door de Heere.
Dat schept verplichtingen om de Heere niet te vergeten.
We kunnen van de Joden leren om ook binnen ons eigen gezin
met ons gezin stil te staan bij alles wat de Heere heeft gedaan:
door de maaltijden met Kerst, in de week van Goede Vrijdag met Pasen,
met Hemelvaart en met Pinksteren in het teken te zetten van die feestdag.
Of om de doopdag van je kind op de kalender te zetten
en op te zoeken wanneer jijzelf gedoopt bent
om op die datum stil te staan bij je doop.
Door bijvoorbeeld aan je eigen ouders te vragen, als ze nog in leven zijn,
naar de dag van de doop, hoe dat ging
en waarom ze jou gedoopt hebben
en wat ze in de loop van de jaren gezien hebben van de belofte die de Heere gegeven heeft.
Kunnen zij vertellen dat de Heere Zijn belofte als Vader, Zoon en Geest waarmaakt?
Het is goed om van de doopdag een speciale dag te maken,
waarop je tijdens het eten tijd hebt voor elkaar,
tijd hebt om stil te staan bij de doop, jaren terug
en dan te vertellen hoe die dag verliep en welke beloften de Heere gegeven heeft,
te vertellen hoe de Heere God de beloften die Hij gedaan heeft
waar gemaakt heeft.
Je moet dan natuurlijk niet vergeten te vertellen
dat de doop ook betekent dat jouw kind ook bij de Heere God mag horen
door de doop,
maar dat de doop ook betekent dat zij zelf een antwoord moeten geven op God.
In onze kerk is daar de belijdenis onder andere voor bedoeld:
Dat je de Heere dankt voor je ouders, voor hun opvoeding in het geloof
en dat je tegen de Heere zegt – en ook tegen je ouders, tegen de gemeente –
ik wil nu zelf gaan in het spoor van de Heere Jezus.
Ik geloof nu zelf, ik kan niet meer zonder de Heere Jezus
als mijn redder, mijn verlosser
en ik merk dat de Heilige Geest in mij werkt
en ik wil niets liever dan dat ik deze weg ook ga.
Vertel dan hoe zij dat kunnen doen en hoe jij dat zelf hebt gedaan.
Niet iedereen van jullie heeft nog belijdenis gedaan.
Wees naar je kind open over de aarzelingen die er zijn geweest
maar vergeet ook niet te vertellen hoe de Heere jou geholpen heeft
om meer over Hem te weten,
om elke dag met Hem te leven,
om te kunnen bidden,
om de Bijbel te lezen, zodat je dan ook de stem van God hoort
of – zoals in de Psalmen een antwoord dat gegeven kan worden op de Heere
een antwoord dat ook ons antwoord wil zijn:
Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
Maak Zijn daden bekend onder de volken.
Zing voor Hem, zingen Psalmen voor Hem.
Spreek met aandacht over Zijn wonderen.

De geschiedenis van Israël kent veel wonderen.
Voor de kerk komt dat nog een wonder bij.
Dat ook wij mogen spreken over een verbond dat de Heere met ons maakt.
Verbond – een afspraak die de Heere maakt, die voor altijd blijft gelden.
Voor eeuwig denkt de Heere aan Zijn verbond.
Voor altijd zal Hij zich er bewust van zijn en er naar handelen.
Hij zal wél zich aan Zijn verbond houden.
Een belofte voor duizend generaties: er zal geen generatie zijn
voor wie die belofte niet zal gelden.
De doop geeft aan dat de deur naar dit verbond is opengegaan
ook voor ons, die niet tot het volk Israël behoren.
Daarmee vervangen we Israël niet – ook dat verbond van God blijft voor altijd van kracht
en wordt zelfs vernieuwd.
Toch krijgen wij een plek in dat verbond, we mogen delen in wat Israël ontving:
in de verhalen, in de liederen, in de liefde en het verbond, dezelfde God.
Dat heeft alles te maken met wat er op Golgotha gebeurde:
Gods eigen Zoon die stierf daar in onze plaats.
De doop laat ook zien, dat Christus daar voor ons moest sterven.
De doop is meer dan een stempeltje dat we op ons kind plaatsen
en daarmee zeggen: jij hoort er ook bij.
Nee, er moet eerst wat gebeuren.
Het doopformulier spreekt over een onreinheid binnen in ons, in ons hart
een onreinheid die afgewassen moet worden
En alleen afgewassen kan worden door het bloed van Christus.
En in het gebed over een doortocht door de Rode Zee,
een beeld dat aangeeft dat de doop aangeeft
dat we een land achter ons hebben te laten: het land van de zonde.
In de doop mag je je kind meenemen uit het land van de zonde,
omdat de doortocht al is betaald: met het bloed van Christus.
Dat is het mooie van de doop, van Gods genade die zo overweldigend, zo uitnodigend, zo gul is, dat is ook Zijn verbond: dat Hij het ons gunt.

Als ik het zo zeg, dan is de reactie: dat is toch wel erg makkelijk.
Ik begrijp die reactie eerlijk gezegd nooit zo goed.
Want ik geloof dat Gods genade zo ruim is.
Daarom kan ik predikant zijn en de verhalen vertellen en kinderen dopen.
Maar makkelijk is het niet,
dat laat de geschiedenis van Israël tijdens de woestijnreis
en bij aankomst in het beloofde land zien:
Steeds de heimwee naar Egypte, de keuze voor andere goden.
Als onze kinderen niet zelf ook gaan geloven in God en in Zijn grote daden,
dan kiezen ze er weer voor om terug te lopen, door de Rode Zee
naar dat oude leven, van Egypte, van de zonde, weg van God.
Van de week kozen de Engelsen voor een brexit.
We zouden kunnen zeggen dat kinderen die niet dat geloof eigen willen maken,
zelf willen geloven ook kiezen voor een leave, een vertrek uit Gods gemeenschap.
Net als het brexit van de Britten kan het een ondoordachte keuze zijn.
Daarom is die opvoeding in het geloof van de Heere zo van belang.
Om te doen wat wij kunnen om onze kinderen bij de Heere Jezus te houden.
Door hen voor te leven dat alleen bij Hem leven te vinden is
en hen te waarschuwen dat leven niet op het spel te zetten.
Wellicht hebben we onze eigen ervaringen van een leave, een weggaan
en zijn we nu weer teruggevonden door de Heere.
Vertel over die ervaringen van een leven zonder God
om duidelijk te maken dat zo’n leven niet te verkiezen is.
De EU stuurde er gelijk aan dat de Britten dan ook maar weg gaan.
Gelukkig is onze God zo niet.
Hij is barmhartig en zet ons niet zomaar uit het verbond.
En als Hij ons eruit zet, is dat om ons door de schok duidelijk te maken
dat we zonder Hem niet kunnen, dat we verloren gaan en verloren zijn.
Niet alleen maar later, als ons einde gekomen is, maar nu al.
God blijft Zijn verbond voor eeuwig gedenken,
Maar niet als wij ervoor kiezen weer terug te gaan.
Dat we gedoopt zijn, betekent nog niet dat we niet verloren kunnen gaan.
Dat is dan onze eigen keuze om uit het verbond te stappen
en bij God weg te gaan.
Maar God is oneindig genadig en geduldig.
Misschien heb je zelf van die genade ook wel gemerkt,
omdat je weer terug mocht komen, welkom was bij de Heere – tot je eigen verrassing.
Dat is de hoop voor degenen die nu niet meer met de Heere leven.
We kunnen voor hen een beroep doen op Gods verbond:
Heere, vergeet hen niet.
Wil voor hen ook uw verbond gedenken.
Ook daarom moeten we Gods grote daden doorvertellen
en vertellen hoe jezelf er weer bij gekomen bent.
Als ik terugkijk op mijn leven is er ook een tijd geweest,
Dat ik had kunnen afhaken.
Ik ging wel naar de kerk, maar van binnen geloofde ik niet altijd meer in God.
Ik geloofde niet meer in Zijn grote daden
en had het idee dat God onbereikbaar was
en dus niet meer naar Hem hoefde te vragen, te zoeken.
Als de Heere mij, u, jou het geloof kan geven, teruggeven,
dan is Hij ook in staat om anderen, die nu niet geloven, het geloof te geven, terug te geven.
Daarom: gedenk Zijn wonderdaden, ook die je zelf heb meegemaakt.
Om voor jezelf, voor je gezin, voor anderen om je heen vertrouwen te hebben
dat de Heere ook nu nog werkt en morgen en over honderd jaar.
Tot in duizend geslachten – heel de geschiedenis, tot aan de wederkomst
zal dit verbond overeind staan
en zal God bezig zijn Zijn beloften te vervullen: voor u, voor jou, voor de kinderen.
Daarom: Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken
Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van Zijn wonderen.
Beroem u in Zijn heilige Naam.
Laat het hart van wie de Heere zoeken zich verblijden.
Amen





Preek zondagmorgen 10 april 2016

Preek zondagmorgen 10 april 2016
Bediening Heilige Doop
1 Petrus 1:13-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen maandag ben ik begonnen aan een cursus.
Dan begin je natuurlijk met de kennismaking.
Een van de vragen tijdens de kennismaking was:
‘Wie ben je?’
Op die vraag is nog niet eens zo makkelijk een antwoord te geven.
Want hoe vertel je nou aan iemand anders wie je werkelijk bent.
Dat bleek ook wel tijdens het rondje voorstellen.
Iedereen moest ook wel nadenken
voor dat hij of zij een antwoord gaf.
Een van de aanwezigen rondde af, nadat hij over zichzelf had verteld, met de opmerking:
‘Ik ben een kind van God. Een kind van God, door God geliefd en gekend.’
Dat is wel mooi dat hij dat van zichzelf zei:
‘Ik ben een kind van God.’
Daarmee zei hij van zichzelf: dat is wat ik ben.
Er is heel veel te vertellen over wie ik ben, maar dit ben ik ook: kind van God.
Dat behoort tot mijn identiteit, dat maakt wie ik ben.
‘Ik ben een kind van God, door God geliefd en gekend!’

Vandaag zijn er 3 kinderen gedoopt
en hebben daarmee het teken van het verbond met God ontvangen.
Een eeuwig verbond van genade met God.
Ook voor hen geldt: Ik ben een kind van God,
nu al op deze jonge leeftijd, hoe klein ik ook ben,
ik ben een kind van God.
Al weet ik eigenlijk helemaal niet wie ik ben – ik ben een kind van God.
Ik heb een Vader in de hemel.
Dat is voor jullie, doopouders, ook een belangrijke reden
Waarom je je kind wilt laten dopen.
Dat het ook een kind van God is.
Dat jijzelf, als ouder, dat weet.
Dat je kind dat weet en ook dat God zelf dat weet.
De doop geeft aan: er is heel wat over dit kind te vertellen, nu al.
Over hoe de bevalling ging, over je kind al doorslaapt of niet,
op wie hij of zij lijkt, welke trekken je nu al herkent.
De doop geeft daarbij aan: bij dat alles geldt het ook – dit is een kind van God.
door God geliefd en gekend.

Jullie hebben als ouders vandaag beloofd
om dat ook in de opvoeding je kind bij te brengen
dat Lynn, dat Thijs, dat Jesse zichzelf leert zien als kind van God, gekend en geliefd door God.
Dat God onze hemelse Vader is, is bijzonder.
Het klinkt wellicht heel gewoon, omdat het ons geleerd is in het Onze Vader bijvoorbeeld,
of omdat we onze gebeden beginnen met “trouwe Vader in de hemel”
en er veel liederen zijn waarin we zingen over God als Vader.
In zijn brief die Petrus schrijft, geeft hij aan:
Daar is wel wat voor gebeurd, dat we in ons gebed God als onze Vader mogen aanroepen.
Dat mag en dat moeten we vooral ook doen: God als onze Vader aanroepen.
Maar daarvoor is wel wat gebeurd!
Allereerst is er iets gebeurd op Golgotha:
Jezus die stierf aan het kruis voor onze zonde.
Petrus geeft dat aan met de woorden: het kostbaar bloed van Christus
als van een smetteloos en onbevlekt lam.
Dat wij God als onze Vader mogen zien en mogen aanroepen
komt omdat Christus stierf aan het kruis op Golgotha.
Dat bloed wast onze zonden af.
En het doopformulier benadrukt dat de doop aangeeft
dat Christus dat ook zal doen bij de kinderen die gedoopt zijn.
Die stelligheid van het doopformulier verbaast mij steeds weer,
omdat we in onze traditie gewend zijn om meer een slag om de arm te houden.
We hopen dan dat het gaat gebeuren
en als je van jezelf hier in deze omgeving zegt dat je kind van God bent
gaan de wenkbrauwen omhoog en wordt er gedacht:
Ja, ja, dat kun je niet zomaar van jezelf zeggen,
daarvoor moet er eerst iets in je leven gebeuren.
Dat is waar – maar Petrus hier in zijn brief (en het formulier van de doop sluit daarbij aan)
geeft aan: het belangrijkste wat er gebeuren moest, is ook gebeurd.
Er is ook heel iets bijzonders gebeurd,
namelijk dat Jezus stierf aan het kruis, voor u, voor mij, voor deze gedoopte kinderen.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon
dat Hij ons wast in Zijn bloed van onze zonden
en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding.

Dat is het tweede wat er is gebeurd als we God onze Vader noemen.
Dat is er wat er met ons is gebeurd.
Dat je door God geroepen bent, waardoor er in je leven heel veel is veranderd:
een verschil tussen vroeger en nu, een omkeer in je leven.
Geroepen worden is heel persoonlijk, waarin je merkt:
God komt nu naar mij toe en ik kan niet anders, ik moet wel in Hem geloven.
Voor de mensen aan wie Petrus schrijft betekent dat een breuk:
een breuk met wat ze van hun ouders hebben meegekregen aan geloof:
ze dienden verschillende goden, maar kende de echte, levende God niet.
Ze ontdekten: er is maar één God die leeft
en die God kwam in Christus naar deze aarde en stierf aan het kruis.
Geroepen worden houdt in: dat je ervaart dat dit ook voor jouzelf is gebeurd
dat Jezus stierf aan het kruis
en dat je God leert kennen, niet als iemand die ver weg is
en zich nauwelijks met je leven bemoeide,
maar God die zich om jou persoonlijk bekommert, die jouw God wil zijn.
Groot, almachtig, heilig en toch ook Vader – heel intiem met jou, geliefd en gekend.
Daar bij de Vader, dat is mijn bestemming.
Dat is de God die mij geschapen heeft. Een andere god is er niet.
Een verandering, een breuk met het oude leven.
In de tijd van Petrus gaf de doop die verandering ook aan:
ik stap uit het leven zoals ik nu leid en kom tot de Vader.
In de uitleg wordt dit gedeelte uit 1 Petrus ook wel aan de doop gekoppeld.
Wat Petrus hier aangeeft over dat verschil tussen toen en nu
kan aan de doop worden verbonden.
De doop geeft die overgang aan: van onwetendheid naar het kennen van God.
Nu ken ik God, zoals Hij mij al kende.
Nu heb ik God lief, zoals Hij mij al liefhad en daarom mij riep bij mijn naam
om van Hem te worden.

Dat oude leven was een leven van onwetendheid.
Dat kan onschuldig klinken: als je nooit over de ene ware God gehoord hebt,
weet je ook niet Wie Hij is en kun je Hem ook niet kennen.
Petrus bedoelt: er waren genoeg aanwijzingen in de wereld om je heen
waardoor je op het spoor van God gezet kon worden:
Hoe God werkt in de schepping, hoe God door alle tijden heen alles leidt en regeert.
Als je de tijd en de rust neemt om dat tot je te laten doordringen kon je dat weten.
Maar God doorbrak die onwetendheid,
doordat Hij Zijn Zoon naar deze aarde stuurde.
Sinds die tijd kunnen mensen over heel de wereld nu God echt kennen,
zoals Hij is: Vader – die Zijn schepselen kent en liefheeft.

Hoe zit dat nu?
Want jullie hebben allemaal ouders, die je bij God hebben gebracht.
Je hebt zelf allemaal als kind al de doop ontvangen
en nu geef je je kind de doop mee.
Dat is een verschil met de mensen aan wie Petrus schrijft.
De tijd van de onwetendheid is jullie bespaard gebleven.
Dan kan het een vanzelfsprekendheid zijn dat God je Vader is en dat je gelooft.
Gevolg is wel dat er een belangrijk onderdeel van wat Petrus bedoelt wegvalt:
namelijk dat je anders bent in deze wereld
en dat de doop je ook anders maakt:
Kind van God en dus geen kind van deze wereld.
Dat de doop aangeeft, dat je hier in deze wereld ook een vreemde bent.
In een omgeving van Oldebroek, van Elspeet, waarin veel mensen naar de kerk gaan
en als kind gedoopt zijn en de verhalen over de Heere meekrijgen,
als het niet thuis gebeurde kon je ze nog op school meekrijgen.
Daarmee hebben we een voorsprong op de gelovigen uit de tijd van Petrus
die voor een nieuw geloof moesten kiezen, waardoor ze vreemden werden,
met gevolgen voor zichzelf en hun gezin.
Zijzelf en hun kinderen, ze konden er zomaar uit liggen,
buiten gesloten worden, alsof ze vreemden geworden waren
die er niet meer bij hoorden.
Omdat ze geloofden in die ene God die naar de aarde kwam
en stierf aan het kruis om hen weer tot Zijn kinderen te maken.

Een gevaar in onze eigen omgeving is dat de doop niet meer het verschil uitmaakt
En alleen maar het teken is dat iemand een kind van God is.
Kind van God zijn betekent dat je ook anders bent: apart gezet.
Daar zet Petrus in dit gedeelte volop op in.
Het is al heel wat als je van jezelf mag weten dat je een kind van God bent.
geliefd en gekend door God.
Dat geeft ook een verplichting om als kind van God te leven.
Om een heilig leven te leiden.
Word heilig – schrijft Petrus.
Deze drie kinderen, die gedoopt zijn, worden opgeroepen om te groeien naar een heilig leven.
En jullie als hun ouders horen daarin voor te gaan.
En u als gemeente hoort om de ouders heen te staan
en ook dat voorbeeld te geven, dat u bereid bent en uw best doet
om te groeien in heiligheid.
Word heilig.
Dat is niet alleen maar een taak van de Geest in ons.
De Geest werkt in ons, dat is de belofte die de Geest meegeeft in de doop.
We hebben daarbij ook zelf ons best te doen in een groei naar een heilig leven.
Omdat we kinderen van God zijn, die Zelf heilig is.
Omdat we kinderen van God geworden zijn,
die vrijgekocht zijn omdat Jezus stierf aan het kruis
en ons wilde redden en een nieuw bestaan wilde geven een bestaan in heiligheid.
Heilig – dat heeft de betekenis van apart gezet,
maar ook van zuiver en oprecht, vol van Gods Geest en Gods reinheid en heiligheid.
Word heilig – als opdracht: ook dat past bij de doop,
waarin aan ons een nieuwe gehoorzaamheid gevraagd wordt.
Als we God als Vader aanroepen, dan horen we gehoorzame kinderen te zijn
die naar Hem luisteren en Zijn wil opvolgen.
Dat houdt voor Petrus in dat we afstand nemen van een bepaalde manier van leven:
Word niet gelijkvormig aan de begeerten die er in dat oude leven waren.
Laat je niet vormen door die begeerten.
Petrus gebruikt in het Grieks een woord waarin wij het woord “schema” herkennen.
Laat niet de begeerten het schema van je leven vormen,
maar laat Gods heiligheid je schema zijn, dat jouw leven en het leven van je kind vormt.
Welk schema bepaalt jouw leven, uw leven
en welk schema geeft u mee in de opvoeding van uw kinderen
en door welk schema laten wij ons als gemeente bepalen?
Er zijn verschillende begeerten, verleidingen die zo hun eigen schema hebben.
We hoeven echt niet voor alle schema’s gevoelig te zijn,
maar vaak is er wel een zwakke plek in ons,
waardoor we niet God en Zijn heiligheid ons leven laten bepalen,
maar een ander schema.
Bijvoorbeeld het schema van ons werk
– dat alles in ons gezinsleven in het teken staat van het werk.
Alles moet er voor wijken. Ook de gezamenlijke maaltijden samen.
Of het schema van de fun,
waarbij alles gemeten wordt aan de fun die het geeft, de kick.
Ik weet niet of dit schema in onze gemeente zo toonaangevend is.
Ik hoor meer van gemeenteleden die over hun collega’s spreken
die mopperen over hen, omdat ze niet bereid zijn om echt ervoor te gaan,
maar alleen voor het salaris, zodat ze daarmee leuke dingen kunnen doen.
Het kan ook het schema van een oppervlakkig leven zijn,
waarbij alles zijn gangetje gaat,
waardoor je er vergeet bij stil te staan wat God in je leven doet.
Er gaan dagen voorbij, waarbij je niet kijkt naar wat God in je nabijheid doet:
geen oog voor de schepping die weer tot bloei komt,
geen oog voor de zon die opkomt – een teken van Gods trouw aan jou en deze wereld.
En de zondag is dan om bij te slapen, omdat je het doordeweeks druk gehad hebt.
De tijd die je samen hebt, gebruik je niet om met elkaar door te praten
waar je echt voor leeft en wat jouw leven zin geeft
en wat God in jullie leven samen doet.

Schema’s die niet van God zijn, maken ons weer slaaf
en doen het werk van God teniet, terwijl Hij ons juist wilde bevrijden
– echt weer mens te laten worden.
We zouden als antwoord kunnen geven op de vraag waarom Christus moest sterven
dat Hij stierf om ons weer echt mensen te maken,
Vrije mensen, die bevrijd zijn van alle schema’s die ons beknellen,
omdat ze geen ruimte geven voor God
en daarmee ook ons de hoop ontnemen.
Want als we niet zien waar God is, kunnen we ook niet geloven in de hoop die God geeft
Dat deze wereld in Zijn hand is,
Want dat zien we dan niet,
omdat de schema’s van deze wereld ons de ogen ervoor sluiten hoe God aan het werk is.
En hoe kun je jezelf dan kind van God noemen,
als daar niet naar leeft, als je Gods heiligheid je leven daardoor niet laat bepalen.
De doop is een vraag aan ons: ben je bereid om bewust te leven
bewust te leven voor Gods aangezicht.
Want, zegt Petrus, de God die wij als Vader aanroepen,
is ook onze Rechter, die over ons oordeelt
Wat je hebt gedaan met de bevrijding die je door Christus kreeg
en wat je hebt gedaan met de heiligheid die je door Christus terugkreeg.
Heb je daaruit geleefd, gestreefd naar een leven waarin je groeide in heiligheid,
of heb je dat verkwanseld, omdat je alles op een beloop liet
en de strijd met de begeerten in jezelf of in de wereld om je heen niet aanging.

Kind van God zijn en heilig leven, dat heeft te maken met je binnenkant, met je hart
wat daarin leeft
en wat je laat zien, wat er vanuit je hart naar buiten komt,
hoe je omgaat met God en met anderen.
Waar je voor leeft en waar je leven naar toe gaat.
Word heilig – in je denken, in wat je in jezelf ervaart
Word heilig – in je leven met God, doordat je Hem je leven laat bepalen.
Word heilig – in je omgang met andere mensen: Heb elkaar vurig lief uit een rein hart.
We zullen hier – helaas – nooit volledig heilig worden,
maar dat mag ons er niet van weerhouden – om te streven naar die heiligheid.
Omdat God heilig is – en dat van ons vraagt
Omdat Gods Zoon naar deze aarde kwam
en Zijn heiligheid opgaf en ons vrijkocht – om ons weer heilig te maken
en weer kind van God, gekend en geliefd door God.
Ook in onze strijd zijn we gekend en geliefd door God.
Temidden van de opdracht die Petrus geeft,
spreekt hij ook over de hoop en over geloof:
Onze hoop, ons geloof is op Hem gericht,
omdat Hij bezig is met onze heiliging.
Omdat Hij ons geroepen heeft – om kind van God te zijn
en Hij vormt ons, steeds meer als kinderen van God.
Daarom: leef uit de doop, word heilig en hoop op God.

 

U die mij geschapen hebt,
U wil ik aanbidden als mijn God.
In voor- en tegenspoed,
uw liefde doet mij zingen.
U die mij geschapen hebt,
U wil ‘k danken hoe ik mij ook voel
en U gehoorzaam zijn.
Heer, U bent mijn doel.

 

U bent mijn bestemming.
U hebt mij gemaakt om als uw kind
in voor- en tegenspoed
uw liefde uit te stralen.
Dit is mijn bestemming.
Dienen met verstand en met gevoel
vanuit gehoorzaamheid.
Heer, U bent mijn doel.


Amen