Preek zondag 27 oktober 2019

Preek zondag 27 oktober 2019
Reformatieherdenking
Schriftlezing: Romeinen 1:1-17 en 1 Korinthe 15:1-11.

Meer dan 500 jaar geleden wordt een jonge monnik op reis gestuurd.
De abt, de overste van het klooster, stuurt hem naar Rome
om de paus in Rome een conflict binnen de kloosterorde in Duitsland op te laten lossen.
Deze monnik, Maarten Luther, draagt niet alleen de brief van zijn abt met zich mee,
maar onzichtbaar in zijn hart draagt hij nog iets anders mee,
een zwaar gevoel dat het tussen hem en God niet goed zit.
Enkele jaren ervoor was hij tijdens een onweersbui overvallen
en had toen een belofte afgelegd dat als hij bewaard zou blijven in het klooster zou gaan.
Die belofte om het klooster in te gaan had hij gehouden.
In het klooster vond hij echter niet de rust die hij zocht, de rust voor zijn hart.
Vol onrust sprak zijn hart in hem: ‘Het zit niet goed tussen jou en God.
Als je nu zult sterven, zul je verloren gaan, voor eeuwig verloren gaan.’
Wat hij ook probeerde in het klooster, door zichzelf te vernederen,
door veel te vasten en te bidden, door hard binnen het klooster te werken,
nergens kon hij die rust vinden die zijn ziel nodig had.
Nu hij op reis gegaan was naar Rome, de meest heilige plek die er dan op aarde was,
kon hij proberen om daar een goed geweten te krijgen,
de geruststelling dat tussen hem en God in orde was gemaakt.
Op zijn blote knieën beklimt hij de Heilige Trap, om door de pijn die hem dat doet
boete te doen voor de zonden die als een last op hem drukken.
Ook deze boetedoening helpt Luther niet.
Na enige tijd als Luther weer terug is uit Rome wordt hij aangesteld
als professor: hij moet studenten lesgeven uit de Bijbel.
Als hij een lessenreeks voorbereidt over de brief van Paulus aan de Romeinen
doet hij een ontdekking die zijn leven op zijn kop zet:
Als mens kun je het niet zelf voor elkaar krijgen dat het weer goed komt met God.
Je bent als zondaar niet in staat om je zonden te compenseren of goed te maken,
zelfs niet door jezelf enorm te pijnigen, of jezelf hard aan te pakken,
door hard te werken om bij God alsnog weer in een goed blaadje te komen.
Daarvoor is de zonde te aangrijpend, teveel een aantasting van Gods eer.
Het kan wel goed komen, doordat de Heere dat uitspreekt over je leven,
als een oordeel door een rechter over je leven geveld
en dan niet zomaar door een rechter, maar door de hoogste Rechter die er is,
die eens het laatste oordeel over ons leven zal uitspreken.
Het bijzondere van deze rechter is dat Hij vrijspraak geeft,
Een oordeel dat het weer goed zit tussen mij en God,
omdat deze Rechter zelf de straf heeft gedragen.
Luther ontdekte dat tijdens het lezen in de Romeinenbrief,
toen hij bezig was met het eerste hoofdstuk, waar hij las over de gerechtigheid van God.
Gerechtigheid is dat het weer helemaal goed zit,
dat de vertrouwensbreuk is geheeld, dat de zonden en de fouten die ik als mens deed
zijn rechtgezet en dat er niets meer tussen mij en God in staat
en we weer bij elkaar kunnen horen.
Luther dacht altijd dat die gerechtigheid – dus dat het weer goed zat tussen mij en God –
door onszelf moest worden hersteld.
Hij ontdekt dat Paulus echter iets anders bedoelde: ik maak het niet goed,
maar God maakt het goed.
Ik kan alleen maar geloven en geloven is alleen maar ontvangen:
de open handen ophouden, zodat God die kan vullen.
Het is genade en genade betekent niets anders dan dat die gerechtigheid,
het oordeel waarin God zegt dat het goed is en dat onze schuld weg is,
een geschenk van God is, dat God geeft aan ons.
Dat geschenk kunnen wij niet kopen, niet verdienen, ook niet door onze prestaties,
alleen maar ontvangen in geloof.

Het is niet voor niets, denk ik, dat Luther zich zo in Paulus herkende.
Hij zich in Paulus iemand die net als hij worstelde met schuld.
En dan niet een schuld naar medemensen toe, maar schuld naar God toe.
In de brief aan de Korinthe schrijft hij dat hij niet trots op zichzelf kan zijn
en dat hij zijn positie als apostel niet heeft verdiend door zo geweldig te presteren.
Integendeel, hoezeer het aan de buitenkant erop leek dat hij heel gelovig was
en hoezeer hijzelf ook dacht dat hij met zijn manier van leven God diende,
had hij God buiten zijn leven geplaatst, God buiten zijn hart gesloten
en zijn houding naar God toe werd gekenmerkt door puur wantrouwen.
Wat hij niet door had, was dat hij zich verzette tegen God
en van de Heere zijn vijand had gemaakt.
Als een rebel in opstand leefde tegen de God die Hem geschapen had.
En dan verschijnt Christus als Opgestane, de Heer die de dood overwon, aan hem, Paulus!
Aan hem, Paulus, die niets van die Jezus moest weten
en zijn volgelingen met alle mogelijke inzet vervolgde
omdat hij dacht dat hij daarmee God een goede dienst bewees.
Aan hem, die het werk van God op aarde wilde verwoesten,
die als een brullende leeuw tekeer ging, tegen de kerk van God op aarde,
verscheen Christus.
In die ontmoeting besefte Paulus wie hij was en hoe het ervoor stond met God.
Dat wat hij deed, helemaal geen dienst aan God was,
maar dat hij zich verzette tegen God en zijn hart voor hem had afgesloten.
Een ontijdig geborene noemt Paulus zich – NBV: een misbaksel.
Dat kan zijn dat de tegenstanders van Paulus in de kerk hem zo noemden
als ze het over Paulus had: Paulus was een gevaarlijk monster,
een tegenstander van God een middel in hand van de duivel.
Paulus kon je toen niet vertrouwen en kun je nog steeds niet vertrouwen
al doet hij of hij apostel is en het evangelie over Christus vertelt.
Het kan zijn dat Paulus daarmee bedoelde
dat Christus zo onverwacht in zijn leven is gekomen
dat Paulus het niet heeft zien aankomen.
Overrompeld door de komst van Christus in zijn leven
en dat zijn leven niet meer hetzelfde is als voorheen.
Mogelijk ook – het is niet helemaal duidelijk – dat Paulus hier doelt
op een baby die te vroeg geboren is en het daardoor niet overleefd heeft.
Dat hij zich in de periode van verzet tegen Christus zo ziet
en dat hij door de komst van Christus in zijn leven weer tot leven kwam,
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dood – dat is een vrij scherp beeld en het past bij wat Paulus hier zegt.
Ik was dood zonder Jezus en ik leef alleen omdat de Opgestane, de levende
naar mij toekwam en zich liet zien,
liet zien dat Hij de dood had overwonnen, echt ook Gods Zoon was.
Paulus spreekt hier niet alleen over de opstanding,
maar ook over wat er daarvoor gebeurde: dat Jezus in het graf werd gelegd,
dat Hij echt de dood is ingegaan.
En dat daarmee de opstanding echt een bijzonder gebeuren is,
een daad van God, een overwinning van onze Heere op de dood.
En het gaat Paulus ook om wat ervoor gebeurde:
Dat Jezus stierf aan het kruis voor onze zonden, zoals in de Schriften staat.
Christus, die door Paulus werd tegengewerkt, van wie Paulus niets moest hebben,
kwam Paulus vertellen dat Hij, Christus, voor Paulus aan het kruis was gegaan
en dat daar aan het kruis ook zijn zonden zijn weggedragen.
Dat daar aan het kruis het oordeel van God werd gedragen
door de gekruisigde Christus.
In die verschijning van Christus aan de grootste tegenstander,
de minste van de apostelen, die helemaal geen enkel recht heeft om apostel te zijn.

Dat kan Paulus wel over zichzelf zeggen, maar als je eens naar die anderen kijkt:
Petrus (Kefas, zoals hij hier genoemd wordt).
Kan hij vooraan in de rij staan van de apostelen en zeggen:
Ik ben zo’n geweldige apostel, want ik heb Jezus gevolgd tijdens zijn reizen.
Ik ben met hem meegeweest naar Jeruzalem en heb daar Zijn lijden en sterven gezien.
Ik had ook gezegd dat ik Hem tot in de dood zou volgen.
Nee, in de verschijning van Petrus komt dezelfde genade naar voren, die Paulus ontving:
Gods geschenk, waarbij Gód het weer goedmaakte,
verklaarde dat de schuld weg is, omdat Christus die door Petrus werd verloochend
aan het kruis ook de zonde van de verloochening heeft gedragen
en dat Christus bij Petrus kwam om dat te zeggen, dat verkondigen
en om te vragen om geloof: Geloof je Mij, Petrus, dat Ik ook voor jou stierf
en dat die schuld van verloochening,
die grote zonde waardoor Ik je voor altijd had kunnen wegsturen bij Mij vandaan,
maar Ik doe het niet. Ik kom je opzoeken en je weer bij Mij terug te brengen
en als je in Mij gelooft, dan is je schuld weg en is het weer goed met God.

En de twaalf dan – even afgezien van de vraag of hier Matthias bij gerekend moet worden.
Waar waren zij op het moment dat Jezus werd opgepakt?
Waar waren zij toen Jezus werd gekruisigd?
Lieten ze Hem niet allemaal in de steek?
En Jakobus – waarschijnlijk de broer van Jezus.
Deze broer van Jezus heeft niet in Jezus geloofd tijdens Jezus’ leven.
Pas nadat Jezus de dood inging en opstond en naar Jakobus toeging
om Zich aan Jakobus te laten zien, ging deze broer van Jezus geloven.
Welk recht heeft Jakobus om een apostel te zijn
als hij een groot deel van zijn leven niet wilde geloven dat Jezus Gods Zoon was
en pas ging geloven nadat hij Jezus als de Opgestane mocht zien.
Is dat niet eveneens genade?

En nu wijzelf: hoe zit het met ons? Met u, met jou, met mij?
Geldt wat voor Paulus geldt, en voor Petrus, en voor Jakobus
ook niet voor ons,
dat als wij geloven het alleen maar een geschenk is
omdat Christus in ons leven gekomen is.
Dat het alleen maar genade is als we geloven?
Maar dan ook even verder:
Want stel dat Christus niet gekomen was in jouw leven,
of als u niet zou geloven – misschien doe je dat ook wel niet
en is Christus nog niet in je leven gekomen – wat dan?
Wat dan als je voor God moet verschijnen en Hij een oordeel over je leven velt.
Als je wilt weten waar de Reformatie, de Hervorming van de kerk
met namen van Luther, Zwingli, Calvijn en zoveel anderen om gaat,
dan is dat wel een van de belangrijkste vragen geweest:
Hoe krijg ik een genadig God? Wanneer velt God over mij een genadig oordeel
als ik voor Hem verschijn en laat Hij mij binnen in Zijn koninkrijk?
Hoe kan ik voorkomen dat ik verloren ga?
Of anders gezegd: wanneer zal God anders besluiten en mij niet verloren laten gaan?
Van nature ben ik geneigd om God en mijn naaste te haten,
zegt de Heidelbergse Catechismus.
Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God ons zo geschapen heeft
in dat verzet tegen Hem, zelfs het haten van Hem.
Maar dat wij daar nog in leven, in die haat, als Christus nog niet gekomen is in ons leven.
De ontdekking van de Reformatie was,
dat wij allemaal dezelfde schuld hebben, als Paulus had, als Petrus had, als Jakobus had.
En dat niemand vanuit zichzelf kan zeggen: Ik kan uit mijzelf bij God komen.
Ik kan voor Hem verschijnen en het zelf weer goed maken, alle schuld bijleggen,
Ik kan zelf wel het wantrouwen en ongeloof uit mij aan de kant schuiven
en mij het geloof en vertrouwen geven waar God recht op heeft.
Nee, het kan alleen gegeven worden
en als het gegeven wordt, dan is het een groot geschenk,
zo’n groot geschenk dat je opgewekt wordt uit de dood, dat je van dood levend wordt
Een geschenk dat God wil geven, zonder dat wij van tevoren prestaties moeten afleveren,
vanuit onze eigen kracht onszelf omhoog werken, buiten de zonde stappen.
Dat kunnen we niet.
We kunnen alleen maar gered worden.
En dat wil God doen. Met u, met jou, met mij.
Door dat kruis dat op Golgotha stond.
U hoeft het alleen maar aan te nemen, te geloven,
dankbaar te zijn dat God u dit geschenk wil geven,
en dat ik in ruil voor het geschenk dat Hij mij geeft
aan Hem mijn oude leven mag geven, mijn schuld, mijn zonden
en dat die door Christus reeds zijn weggedragen aan het kruis.
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Amen

Preek zondagmorgen 26 augustus 2018

Preek zondagmorgen 26 augustus 2018
Bevestiging van ds. I. Pauw tot predikant van de Hervormde Gemeente Wezep-Hattemerbroek

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op een middag in mei dit jaar de klokken van de Vredeskerk en de Hoeksteen
om aan te geven dat er mooi nieuws te melden was
voor de Hervormde Gemeente Wezep-Hattemerbroek:
de beroepen predikant, ds. Pauw, heeft het beroep aangenomen!
En als consulent heb ik ook mogen zien, dat er door het beroep op ds. Pauw
en vooral doordat hij het beroep aannam, er binnen deze gemeente
veel enthousiasme en dankbaarheid kwam.
Bijzonder voor mij om dat als consulent dat van dichtbij mee te mogen maken.
Tegelijkertijd heb ik mij – omdat ik zelf predikant ben – er ook wel over verbaasd.
Waarom zoveel enthousiasme voor de overkomst van één gezin,
terwijl er in de afgelopen jaren toch wel meer gezinnen hier lid geworden zijn?
Zoveel enthousiasme over de komst van één persoon die hier de gemeente komt dienen,
terwijl er toch zovelen zijn die hier dienstbaar zijn aan de gemeente
als ambtsdrager, als koster, organist, als bezoekbroeder of zuster, als catecheet?
Natuurlijk, een predikant kan meer tijd besteden aan de gemeente
dan een gemiddelde kerkganger
en gaat ook voor in diensten: de zondagse erediensten, rouwdiensten, trouwdiensten.
En toch: wat wordt er allemaal niet verwacht van een nieuwe predikant?
Misschien is dat ook wel tegen je gezegd, Sjaak:
We hopen dat je komt, want er is een frisse wind nodig, een opleving.
Als er zoveel loskomt, dan word ik altijd wat wantrouwend:
Wat komt een predikant doen in de gemeente?
Komt hij iets doen, wat u zelf nalaat, of vergeet te onderhouden?
Namelijk dat je weer enthousiast wordt voor Christus,
dat je weer met plezier naar de kerk gaat, dat je zelfs weer uitkijkt naar de diensten
om als gemeente bij elkaar te zijn, omdat er wat met je gebeurt.
Bent u, ben jij daar niet zelf verantwoordelijk voor?
Moet je daar zelf niet wat voor doen, dat je je vreugde in Christus niet kwijtraakt,
dat je geniet van het gezamenlijk optrekken van de gemeente op de weg van Christus?
Is het niet te makkelijk om voor de groei en diepgang, ontwikkeling van je geloof
naar anderen, in dit geval ds. Pauw te kijken?

Ik moest deze kritische noot even kwijt,
want natuurlijk begrijp ik ook wel, waarom er zo naar een predikant wordt gekeken
en waarom een nieuwe predikant zoveel enthousiasme teweeg brengt.
Een predikant is een voorganger, iemand die vooropgaat en de gemeente meeneemt:
in de preken die gehouden worden en de diensten die geleid worden,
in het beleid dat ontwikkeld wordt, waar deze predikant ook zijn stempel op zal zetten,
(ik begreep dat een van de voorwaarden was om het beroep aan te nemen
dat de gemeente ook serieus werk zou maken van de missionaire roeping),
maar ook de gemeente voorgaan in het verlangen naar de grote Dag
dat Christus terug naar deze aarde, naar Zijn gemeente.
Een predikant doet dat niet alleen door woorden te spreken,
of door beleid te ontwikkelen,

maar ook door zelf het voorbeeld te geven.
Misschien is er daarom wel een enthousiasme omdat er behoefte is aan iemand
die zichtbaar maakt hoe het geloof werkt, zie het voorleeft, laat zien
wat je bent en wie je bent als je van Christus bent.
Ooit mocht een klasgenootje van mijn dochter voor het eerst mee naar de kerk.
Nadat ik naar voren kwam voor stil gebed en om de kansel op te gaan
zei hij teleurgesteld tegen zijn moeder:
Dat is niet de Heere Jezus, dat is de vader van Imke.

Hebben niet veel gemeenteleden dat: dat ze naar een dominee kijken en luisteren
om daardoor heen iets te merken van Christus, zijn en hun Heer.
Je blijft Sjaak Pauw en tegelijkertijd proeven ze iets van Christus,
zien ze iets in jou van Hem, die je naar hier geroepen heeft.
Ik bedoel dat niet als last, maar juist als voorrecht, geroepen naar hier,
om hier iets van jouw en onze Heer te laten zien.
Je maakt Zijn stem hoorbaar door jouw woorden,
je maakt Hem zichtbaar door hoe je bent en wie je bent.
Zo ben je een steun voor de gemeente. – Troost schrijft Paulus.

Hoe belangrijk steun is, zul je in je werk in Eindhoven hebben ervaren,
rondom tegenslag in het leven van gemeenteleden, of in het gemeentewerk.
(Ik begrijp dat de Kruispuntgemeente spannende perioden heeft gehad
en nu best weer eens een spannende periode kan doormaken).
Steunen en troosten is niet alleen maar opbeuren en bemoedigen.
Ik weet niet of je al kennis gemaakt hebt met het woord ‘ril’.
Je hebt hier in Wezep mensen die nogal ‘ril’ kunnen zijn. In Oldebroek trouwens ook.
Zulke mensen hebben meer nodig dan alleen maar een arm om de schouder,
natuurlijk, dat ook, maar ze hebben het ook nodig dat ze zien hoe het werkelijk zit,
zodat ze weten dat hun zenuwachtigheid, paniekerigheid niet nodig is.
Als je met mensen te maken hebt, die ‘ril’ zijn, kun je bij jezelf denken:
Waarom is iemand niet iets stabieler, heeft iemand niet wat meer vertrouwen?
Sommigen kunnen ook in hun geloof heel ‘ril’ zijn.
Als er iets gebeurt, dan komen gelijk de vragen op: Waarom?
Of dan raken ze in paniek en zien ze niet meer dat Christus werkt.
Dan hebben ze troost nodig.
Troost is hier een van de mogelijke vertalingen.
Je kunt ook vertalen met aansporen, bemoedigen, corrigeren, terechtwijzen.
Een breed spectrum van een positieve, bemoedigende aanpak
tot een behoorlijk confronterende aanpak, waarin je echt terecht gewezen wordt.
Bij al die aspecten gaat het om één ding: bij Christus gehouden worden.
De één heeft daarvoor de troost nodig, omdat er heel wat is gebeurd.
Een ander een aansporing, omdat hij nogal gemakzuchtig is in het geloof
En onderhouden in het geloof.
Weer een ander stimulans, omdat zij niet gedoopt is en steeds maar afvraagt
wanneer het juiste moment is om alsnog gedoopt te worden.
Iemand heeft tot je verbazing nog geen belijdenis gedaan – dat komt hier nogal voor.
en je spreekt iemand er op aan en nodigt diegene uit om belijdenis te komen doen,
maar die houdt de boot af: ik heb nog te weinig kennis, nog niet aan toe.
Als je dat denkpatroon doorbreekt en zo iemand bij Christus weet te brengen,
omdat je de blokkades die iemand zelf heeft opgeworpen,
dan is dat ook hetzelfde als hier gebeurt met troost.

Het bijzondere in dit gedeelte
– en daarom zal er ook voor troost als vertaling gekozen zijn

is dat Paulus zelf ook met een crisis te maken had.
Ik weet niet of je dat in Eindhoven overkomen is
en ik weet niet of je dat in Wezep/Hattemerbroek bespaard blijft.
En ik weet ook niet of je dat moet willen, dat zo’n crisis je bespaard blijft.
Als je voor het kiezen hebt, dan zullen de meeste mensen zeggen:
Laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan.
Paulus heeft, toen hij heel diep ging – hij ging heel diep want zag de dood in ogen,
en dat was voor hem een huiveringwekkende ervaring,
waarin hij dacht dat hijzelf afgebroken werd
en misschien ook wel dat van het werk dat hij deed er niets meer overbleef.
Juist toen hij zo diep ging, leerde hij Christus nog meer kennen dan hij al deed.
Hij werd zelf getroost – getroost in de diepe betekenis van bij Christus bewaard.
Die ervaring dat – op het moment dat alles je uit de handen glipt
en van je eigen werk niets meer overblijft
en dat je je vertwijfeld afvraagt: God, hoe moet het nu met Uw kerk –
dat op dat moment Christus er wel degelijk is, niet in de vorm van succes,
maar in de vorm van genade – Mijn genade is u genoeg,
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht,
Mijn glorie zichtbaar gemaakt door mensen die helemaal niet perfect zijn
En soms alleen maar bezig zijn met hun eigen belangen,
hun eigen richting binnen de kerk.

Paulus leerde dat wat hem overkwam bij Christus bracht.
Wel op een confronterende manier, want het was delen in het lijden van Christus,
afgebroken worden, zoals Christus afgebroken werd.
Maar dat was niet voor hemzelf alleen,
maar ook om de gemeente in Korinthe iets te leren,

een les voor ons vandaag de dag, in Wezep en in Hattemerbroek,
in Oldebroek niet minder

dat kerk-zijn niet altijd een stijgende lijn is,
maar samen kan gaan met teleurstellingen, crises.

Was het net zo ervaren als Gods hand die leidt, wanneer ds. Pauw had bedankt
en u als gemeente zelf al die taken van een predikant had moeten oppakken?
En ervaart de Kruispuntgemeente van Eindhoven het als Gods leiding
dat hun predikant wordt weggeroepen naar een andere plek?
Gelukkig zit er veel geloof hier in de gemeenschap
en ik hoop dat je net ik geregeld verrast wordt door ontmoetingen,
waarin gemeenteleden en niet-gemeenteleden de ervaring verwoorden
ook door de tegenslagen bij God gebracht te worden.
Ik hoop dat je als predikant zelf ook door de gemeente getroost mag worden.

In de liturgie hebt u kunnen zien, dat ik niet alleen de predikant als steunpilaar zie,
maar ook de gemeente.
Daarbij dacht ik niet zozeer aan dat de gemeente voor de nieuwe predikant tot steun is,
maar dat u als gemeenteleden voor elkaar tot steun bent
en dat uw nieuwe predikant deze gemeenschap,
waarin ieder elkaar steunt en bemoedigt

– omzien naar elkaar! Als je missionair werk wilt uitbouwen, begin dan met deze gedachte
die hier diep in de volksaard zit, omdat Wezep gegroeid is uit buurtschappen
(Je zult zien hoeveel contacten je opdoet door begrafenissen en bruiloften,
door de gesprekken vooraf en de gesprekken bij de maaltijd na de begrafenis,
of tijdens het feest omdat er zoveel mensen komen
en de betrokkenen en andere aanwezigen het waarderen dat je er bent
– de missionaire plekken bij uitstek – vgl VOETBAL en andere sportclubs,
waarbij het jammer is dat je kinderen eerder naar WHC zullen gaan dan naar Owios) –
De gemeente als steun –
Paulus heeft de gemeente ook steeds gewaardeerd en er hoog van opgegeven,
zelfs de gemeente van Korinthe waarmee er eigenlijk geen klik was,
in ieder geval vanuit Korinthe niet.
In de beide brieven kunnen we tussen de regels door kritiek op Paulus vernemen,
zelfs de vraag of Apollos niet kon komen in plaats van Paulus.
Nogal wat misstanden en zonden, waardoor hij de gemeente had kunnen bekritiseren:
Jullie hebben nooit wat van mijn onderwijs en lessen willen aantrekken.
En toch: Gemeente van God in Korinthe, heiligen in Achaje.
Stelt u zich eens voor: de gemeente van God in Wezep-Hattemerbroek
en de heiligen hier op de Noord-Veluwe.
Hoe je ook over de gemeente denkt, welke band je ook krijgt – ik hoop een heel goede
het gaat hier wel om Gods gemeente
en hoe je ook over de mensen denkt, welke ervaringen je met hen opdoet,
het zijn wel heiligen – door God apart gezet, middel in Zijn hand.
Hij werkt niet alleen door jou, maar ook door hen.
Ik hoop dat je zo mag zien, dat je getuige mag zijn, hoe de gemeente op deze manier
tot steun is en zo werkelijk gemeente Gods is, omdat ieder die er is,
bewaard wordt, door de diensten, door de pastorale bezoeken, door de catechese,
door de kindernevendienst, door de missionaire contacten, bewaard bij Christus.
Dat je mag zien: de Geest werkt hier op deze plaats.
– samen met de andere kerken en gemeenten die hier in Wezep/Hattemerbroek zijn.

De gemeente als steun, als plek waar God werkt, waar je Christus kunt vinden
en bij Christus bewaard blijft, dat mag volgende week nog eens extra zichtbaar worden
als hier het avondmaal wordt bediend – ik spreek liever over vieren.
Als hier gevierd wordt, dat Christus zichzelf gaf, aan het kruis op Golgotha,
Hoe Hij daardoor ervoor zorgde, dat onze zonden vergeven worden
en u en jij apart gezet bent, tot heilige gemaakt.
Daar wordt de troost, de ontferming,
de barmhartigheid van Christus gezien en geproefd.

Christus de gastheer, die jou en u het brood en de wijn aanreikt, daarmee zichzelf.
Er zijn er die er naar uitkijken, naar de ontmoeting met Christus
En deze keer bijzonder met een nieuwe predikant, een nieuwe herder en leraar.
Er zijn er ook die er tegenop zien, of niet komen,
niet vanwege deze predikant, maar die van zichzelf vinden dat het niet voor hen is.
Ik kan u niet over de streep trekken.
Ik kan alleen maar zeggen, dat volgende week daar Christus zal staan
om u en jou te roepen tot hem – om Zijn barmhartigheid te ontvangen in brood en wijn.
Het is de stem van ds. Paus die spreekt,
het zijn de handen van ds. Pauw
die het brood zullen breken en de wijn zullen doorgeven,

maar hij is wel een middel, een instrument in Gods hand,
om Christus in uw midden aanwezig te laten zijn.
Natuurlijk, het is niet ds. Pauw die dat voor elkaar krijgt – het is de Heilige Geest.
Hij mag het u wel aanreiken: het middel van het avondmaal,
waarmee Christus u bij Zichzelf bewaart
Vaste grond – een eeuwig anker – geen storm kan mij losrukken,
geen zonde of aanklacht kan mij bij Christus wegslaan,
Steeds weer vind ik daar die barmhartigheid, het hart van de hemelse Vader,
omdat Christus daar stierf op Golgotha, ook voor u, voor jou en voor mij.
Daarop wil ik gelovig bouwen
getroost, wat mij ook wedervaart
Amen

Preek zondagmorgen 1 juli 2018

Preek zondagmorgen 1 juli 2018
Schriftlezing: Handelingen 9:1-19.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen vrijdag ging ik naar een receptie van een bruiloft in de Fruittuin.
Ik was van plan om maar even te gaan,
om bijvoorbeeld het bruidspaar nog te spreken of de wederzijdse ouders.
Ik dacht: ik ga maar even, ik geen sleutels mee, ik ben zo terug.
Tijdens de avond raakte ik met verschillende aanwezigen aan de praat
waardoor ik de tijd vergat. Het was zelfs al donker.
En terwijl ik van de Fruittuin naar huis fietste, vroeg ik me af hoe ik in huis zou komen.
Want stel dat Rianne al op bed ligt al.
Als de deuren dicht zitten, kom ik zonder sleutel ons huis niet binnen.
We hebben dat wel een keer gehad. Toen hadden we de sleutels wel bij ons.
Het gebeurde in ons vorige huis. We kwamen op een zondag terug uit de kerk.
Nadat ik de sleutel in het slot gestoken had, draaide de sleutel door.
Ik kon blijven draaien en het slot ging niet open.
We stonden aan de buitenkant voor de voordeur. We konden er niet in.
Wat moest ik doen om binnen te komen? De deur openbreken? Het slot los schroeven?
Op een gegeven moment kwam de buurman, die zag dat ik wat aan het hannesen was.
Hij stelde voor om het wc-raampje los te schroeven,
zodat ik via dat raampje naar binnen zou kunnen gaan
en de deur van binnenuit zou kunnen openen.
De buurman kreeg het voor elkaar om dat raampje los te schroeven
en ik paste ook nog door het raampje en kwam via dat raampje binnen
en kon zo de voordeur van binnenuit openen.

De komende zondag zou ik over de bekering van Saulus preken.
In die week heb ik er vaak aan moeten denken hoe ik voor een gesloten deur stond
En de deur van ons huis niet kon openen
en ik bedacht me hoe Christus voor de deur van Saulus stond.
Wat was er nodig om bij Saulus binnen in zijn huis te komen?
Hij was erbij toen Stefanus werd gestenigd.
Hij was getuige van wat Stefanus zei en van de manier waarop Stefanus werd gedood.
Op dat moment stond Christus al aan de deur van zijn hart en belde aan.
Saulus weigerde echter open te doen.
Wat was er nodig om bij Saulus in het hart te komen?
Moest Christus de voordeur met geweld openbreken, met een koevoet?
Moest hij een onopvallende manier vinden,
zoals via dat wc-raampje, zonder al te veel schade voor het huis.
Wat is er nodig dat Christus in ons hart komt?
Wat was er voor u nodig?
Wat was er voor jou nodig? Deed jij de deur open toen Christus klopte?
Of liet je Hem lang staan en was er heel wat voor Hem nodig om bij je binnen te komen?
Caravaggio Bekering van Paulus


Bij Saulus was er heel wat nodig: een breekijzer om de voordeur open te breken.
Het gebeurt op weg naar Damaskus.
Saulus dan al een gevreesd persoon vanwege het geweld tegen de christenen.
Hij liet hen niet met rust, ging actief naar hen op zoek en haalde hen uit hun huizen
om hen in de gevangenis te brengen.
Het getuigenis en het gebed van Stefanus dat zijn schuld vergeven werd:
het was een vergeefse klop op de deur van zijn hart: Laat je Mij erin?
En dan de christenen die uit de huizen werden gehaald om gestraft te worden.
Steeds heeft Saulus gedacht dat hij daar de Heere een plezier mee deed
Hij was te verblind om te kunnen zien, dat hij zich tegen de Heere verzette.
Doordat ik zelf toen voor de deur stond en niet naar binnen ging,
Realiseerde ik mij dat ik zelf ook mijn hart voor Christus kan afsluiten
en dat ik daarin niet verschil van Saulus.
Dat is waar ik zelf op Saulus lijk:
Ook als predikant kan ik denken God te dienen met mijn daden, met mijn werk
terwijl ik ondertussen mijn hart afsluit voor Christus.
Daarom is het van belang te lezen in de Bijbel, naar de kerk te gaan, avondmaal te vieren,
te luisteren naar de Tien Geboden en over mijzelf en God na te denken
Niet om daar mijn eigen gedachten bevestigd te zien,
maar steeds weer gecorrigeerd te worden, teruggeroepen te worden,
om als mijn hart leeg blijkt te zijn, als Christus daar niet is en aanklopt
om weer binnen te komen, dat ik Hem niet buiten laat staan, maar Hem binnenlaat.
Merkt u het als Christus aan uw hart aanklopt om binnen te komen?
Merk jij het als Christus niet in je hart is?
Of als Hij niet meer in je hart is en Hij weer binnen in je leven wil komen?
showImage


Voor Saulus was er heel wat nodig om zijn hart open te krijgen voor Christus.
Het wordt eigenlijk maar heel kort verteld.
Veel woorden zijn er niet nodig voor zijn ingrijpende gebeurtenis.
Hij is op weg naar Damaskus om ook daar de christenen uit hun huizen te halen
en hen mee te nemen naar Jeruzalem om daar berecht te worden.
Saulus is bekend geworden: een man waar je voor moet vrezen.
Als hij vlak bij zijn doel komt, wordt hij tegengehouden.
Hoe kort ook beschreven, de gebeurtenis heeft wel indruk gemaakt.
De gebeurtenis van Saulus die ter aarde valt en hulpeloos en blind is,
is vaak geschilderd.
Het gaat steeds om een Saulus die van zijn paard geslingerd is,
je ziet nog dat als hij op het paard zat een imposante gestalte is,
iemand voor wie je onder de indruk moet zijn,
maar je ziet hem met liggen op de grond, met de armen omhoog, hulpeloos,
de ogen blind, waardoor hij moet tasten naar wat er om hem heen is.
Hij moet geholpen worden, eerst overeind geholpen en later op zijn paard.
Een licht uit de hemel.
Dat is niet zomaar een licht, dat is de goddelijke glans uit de hemel zelf,
de glans die aangeeft dat Saulus hier God zelf tegenkomt,
licht uit de hemel, de woonplaats van God.
Saulus wordt hier door God zelf, hoogstpersoonlijk uit zijn zadel geworpen.
Een stem die hem aanspreekt en hem, Saulus, ter verantwoording roept:
Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?
In die week, nadat bij ons de voordeur gesloten bleef, bedacht ik
dat bij Saulus de deur van zijn hart opengebroken wordt met een breekijzer, een koevoet.
Zijn deur moet open.
129361342843614134_f9f7d015-6def-461a-8374-ec744be257a0_256168_570


Dat is ook een manier waarop de Heere in je leven kan komen.
Het kan op een rustige manier zijn, achterom, via de achterdeur,
haast ongemerkt komt Hij in je leven. Hij schuift aan je keukentafel aan.
Hij is er in je leven. Hij neemt intrek in je huis.
Maar het kan ook zijn dat er een andere manier nodig is: confronterend,
een huis dat gesloten is, voor iedereen onbereikbaar met het evangelie.
En dan komt de Heere en weet het hart te openen.
Hoe confronterend het ook is, het is ook bemoedigend
als u zelf te maken hebt met mensen in uw omgeving, in uw eigen gezin
van wie u merkt dat ze het hart voor Christus op slot gedaan hebben.
Ze willen er niets over horen. Heb het er niet meer over, want anders komen we niet meer.
De Heere heeft allerlei manieren tot Zijn beschikking.
Het kan op een zachtaardige manier gebeuren, uitnodigend,
Het kan op een harde manier, de voordeur opengebroken.
Door een crisis heen om te merken dat je God mist en dat je Hem niet meer kunt weigeren.
Maar waarom dan?
Waarom moet Christus in het hart van Saulus komen
en waarom moet dat desnoods op een confronterende manier?
In die week dat ik toen met Saulus bezig was nadat ik voor de deur stond,
realiseerde ik dat Christus de rechtmatige eigenaar was
en daarom wel binnen moest komen.
Zoals ik toen het recht had om mijn voordeur open te breken, als ik niet binnen kwam.
Het was alleen zonde van die mooie voordeur, het geeft schade.
Maar schade is altijd beter dan nooit meer in het huis binnenkomen.
Daarom is de schade die Saulus hier oploopt, de nederlaag die hij leidt,
uiteindelijk niet zo groot, omdat zijn hart open gaat voor Christus,
de rechtmatige eigenaar, die Heer die recht heeft op het leven van Saulus,
komt weer in het hart van Saulus.
Saulus heeft dit altijd als een bevrijding gezien.
Op dat moment niet. Hij lag verslagen en gaf zich nog niet zomaar gewonnen.
Maar hij kon niet anders.
Saulus die mensen wilde meebrengen uit Damaskus naar Jeruzalem,
wordt zelf naar Jeruzalem gebracht, hulpeloos en blind.
Aan den lijve ervaart hij nu zijn eigen blindheid voor Christus.
Hij wordt naar Damaskus gebracht en daar zit hij 3 dagen lang in het donker,
net zo lang als de Heere Jezus in het graf verbleef,
alsof Saulus moest zelf ervaren wat het was om Christus te vervolgen.
Drie dagen waarin Saulus niets eet en drinkt:
Drie dagen waarin hij alleen maar nadenkt over wat verkeerd ging,
waarin hij boete doet, dat wil zeggen: hij erkent zijn schuld
en legt zijn leven in handen van de Christus die hij vervolgde.
Christus moet maar beslissen wat er met hem moet gebeuren.
Hij is niet meer baas over zijn eigen leven.
En dat zijn we ook niet meer als de Heere Jezus in ons leven komt.
DAn heeft Hij de regie over ons leven, dan bepaalt Hij hoe het gaat.
DAt ik van Hem ben, weer ben, mijn Heer, mijn God!

Een hele omkeer in zijn leven. We noemen dat een bekering:
Christus opent je hart om er in te gaan wonen
en daardoor ga je niet meer bij God vandaan, maar ga je naar Hem toe, ga je Zijn weg.
In het vervolg zien we wat zo’n bekering inhoudt
als Ananias in Damaskus de opdracht krijgt om naar Saulus toe te gaan.
Voor Christus is Saulus nu niet meer de tegenstander, de vervolger,
maar Saulus is een gelovige, iemand die zijn leven in handen van Christus legt.
Een herdefinitie: niet meer de oude Saulus,
niet meer zijn verleden, niet meer de angst die hij oproept, een instrument in Gods hand.
De Heere kiest lang niet altijd de meest voor de hand liggende personen
om Hem te dienen en over Hem te vertellen, om van Hem te getuigen.
De nieuwe Saulus is ook niet gelijk geaccepteerd.
Er moet heel wat vertrouwen weer groeien voordat Saulus zijn plek in de kerk heeft.
Zo kan het gebeuren dat er bij ons ook allerlei bedenkingen zijn
als iemand de gang naar de kerk weer oppakt, dat daar iets achter gezocht wordt.
Dat is om een kind te laten dopen, dat is omdat ze stil gezet zijn.
Waarom zou je er niet dankbaar voor zijn,
ervan genieten dat de Heere weer werkt en weer een hart geopend heeft
en misschien zien we wel over het hoofd wat het effect is van dit gebeuren
op het netwerk, het gezin, de vrienden van die gemeente
of welke betekenis diegene die de draad van het geloof oppakt voor de gemeente heeft.
‘Ga,’ zegt Christus tegen Ananias, die zijn bedenkingen heeft.
Ananias spartelt niet minder hard tegen dan Saulus.
Ook Ananias moet zich gewonnen geven, ondanks zijn naam:
God is genadig – en dat heeft hij voor zichzelf ervaren
maar hij moet er nog aan wennen dat er voor Saulus ook genade is
Genade, zo oneindig groot. Dat ik, die ’t niet verdien het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dan gaat Ananias ook: Saulus, broeder, je hoort erbij.
Je bent onderdeel van de gemeente van Christus,
ik heb geen enkele reden meer om te twijfelen of je toegevoegd bent,
want de Heere heeft jezelf toegelaten en als Hij je toelaat tot de gemeente,
Wie ben ik dan om je te weigeren.
Dit slaat mijn trots, al mijn verdienste neder,
’t verlaagt mij diep, maar o, ’t verhoogt mij weder!
’t Meldt mij mijn heil, die van Gods tegenstander
in vriend verander.
Hebt u Hem ook al toegelaten in uw leven? en jij?
Aan het begin van de dienst hebben we kunnen horen,
dat ons leven  zomaar voorbij kan zijn en dat er geen tijd is
om je voor te bereiden om het einde van je leven.
wacht daarom niet en laat Hem niet steeds aan de deur staan.
Doe de deur open en nodig Hem binnen
en u zult zien, dat ook u een instrument kunt zijn in Gods hand.
Misschien niet zo invloedrijk als Saulus,
maar ook in kleine kring kan het van grote waarde zijn
en de Heere telt niet alleen het grote, maar weegt ook het kleine mee
en gebruikt ook dat om Zijn koninkrijk uit te breiden. Amen

Preek zondagmorgen 18 juni 2017

Preek zondagmorgen 18 juni 2017
Handelingen 17:15-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus in Athene moet wachten op zijn medereizigers Silas en Timotheüs,
gebruikt hij die tijd om de stad Athene te verkennen.
Hij zwerft door de stad, bekijkt de belangrijke gebouwen die er zijn,
hij bezoekt de verschillende wijken:
de rijke wijken in het centrum waar de belangrijkste mensen wonen,
hij komt in de armere wijken waar de toeristen niet snel zullen komen.
Hij komt bij markten waar handelswaar verkocht wordt
en bij pleinen waar mensen bij elkaar zijn om de laatste nieuwtjes uit te wisselen.
Als hij zo door de stad zwerft, valt hem iets op.
Geloof en godsdienst heeft in deze stad een bijzondere plek.
Geen gebouw, straat of plein, of er staat wel een beeld van een god, een tempel of altaar.
Als hij bij het stadhuis komt, staan daarvoor een groot beeld van de godin Pallas Athene,
de beschermgodin van deze stad, de godin van wijsheid.
En hoeveel tempels Paulus niet is tegengekomen.
Hij kan geen god bedenken, of ze hebben hier in Athene er wel een tempel voor.
En waar hij komt: standbeelden die een god uitbeelden.
Als hij een winkel binnenstapt, of bij een markt kijkt, overal staat er wel een beeld.
Als hij bij het ziekenhuis kijkt, de haven, bij de poorten van de stad, langs de handelsroutes.
Ook als hij in de wijken verder van het centrum komt,
elke straat heeft wel iets, waarmee men een god of godin kan vereren.
Het laat hem niet koud, het raakt hem steeds weer als hij zo’n beeld ziet,
zo’n tempel in het straatbeeld ziet opdoemen.
De mensen zijn hier helemaal niet onverschillig.
Voor alle goden die er op de wereld zijn, is hier een plaats ingeruimd.

Maar of ze God ook kennen – de enige God die er is: Vader, Zoon en Heilige Geest,
die deze wereld geschapen heeft en ook de hemel,
die aan elk mens, ook de Atheners hier, het leven heeft gegeven.
Hij vraagt het ook aan de mensen die hij tegenkomt,
die bij elkaar staan en druk praten over wat hen bezig houdt:
Heb je ook gehoord van Christus, die is opgestaan uit de dood?
Heb je ook gehoord van God die naar de aarde kwam om mens te worden
en te sterven aan het kruis?
Als hij daarover begint met de mensen in Athene kijken ze hem aan.
De reactie is steeds verschillend: de een is verbaasd, nee nooit van gehoord.
Een ander weer verontwaardigd: opgestaan uit de dood, een god?
Hoe kun je zoiets verzinnen?
Een ander bezorgd: Christus, gestorven, waar heb je het over?
Wat voor nieuwerwetse ideeën kom je hier in Athene brengen.
Zulke revolutionaire ideeën horen niet in Athene, de stad van de eerbiedwaardige wijsheid,
die al eeuwen meegaat en over heel de wereld wordt geroemd
en waarvoor de mensen over heel de wereld in deze stad komen als toerist.
Die boodschap wat die Joodse man, die Paulus komt brengen, kan nooit goed zijn.
als Paulus zo verschillende mensen aanspreekt, gebeurt er wat in dat grote Athene.
Mensen beginnen ongerust te worden, nieuwsgierig, maar vooral argwanend.
Wat komt hij doen, welke boodschap en welke God komt hij brengen.
Christus, Opstanding?
Hier moeten we meer van weten.
Dan komen ze bij elkaar,
mensen met bevoegdheid om een oordeel uit te spreken in godsdienstige zaken
en ze gaan Paulus vragen op wat hij nu in deze stad komt doen
en of zijn boodschap passend is bij deze situatie.
Paulus kan er de humor van inzien: jullie vragen naar wat ik kom doen.
Daar zijn jullie steeds mee bezig.
Daar zijn jullie in Athene goed in heb ik gemerkt:
die nieuwsgierigheid, het naadje van de kous willen weten.
Jullie bevragen alles en zagen iedereen door
en nu ik jullie iets kom vertellen over de God die voor julie onbekend is,
een God die jullie ook willen dienen tussen al die goden die jullie hebben,
zijn jullie ineens wantrouwend en wil je meer weten?

Ik ben benieuwd wat Paulus zou constateren als hij in Oldebroek zou komen.
Wat zou hij opmerken, wat zou hem raken
als hij het gemeentehuis binnenstapt, de Emté, Strijkert, de kledingwinkels, de boekhandels,
wat zou hij signaleren bij de bouw van de Boni en de appartementen erboven?
Wat zou hij opmerken als hij de kerken van Oldebroek binnenstapt
en zwerft over de straten van Oldebroek,
Als hij door de Van Pijkerenlaan loopt en over de ds Otto Veeninglaan,
als hij in de nieuwbouw komt, door de buitengebieden,
als hij over via Vierschoten door ‘t Loo komt naar het vakantiepark?
Wat zou hij daarna zeggen over wat hij hier heeft gezien, wat hij opmerkt?
Zou hij ook hier zeggen: ik zie dat jullie heel godsdienstig zijn?
Ik merk dat op elke plek die ik kom?
Grote kans dat Paulus dat kan zeggen.
Zal hij ook moeten zeggen, net als bij de Atheners zich hardop moeten afvragen
Jullie zijn heel godsdienstig, maar kennen jullie de echte God ook:
Vader, Zoon en Geest – de enige God die er is, die regeert tot in alle eeuwigheid?
Of is het het nodig, dat ik over Hem kom vertellen?
Persoonlijk kom ik weinig mensen tegen die niet op de een of andere manier
toch met God verbonden zijn, al is het soms een dun lijntje, het is er.
Ik kan me niet herinneren dat ik een begrafenis heb gehad
waarbij de kinderen of de familie zeiden: met God had hij helemaal niets.
Zou hij iets anders opmerken: Jullie zijn wel godsdienstig
en Christus speelt een grote rol in jullie leven en de kerk ook,
maar wat ik waarneem, is dat het geloof een apart onderdeel is van je leven:
iets dat je vooral op zondagmorgen doet en ‘s avonds voor je je bed instapt,
dat je nog even een gebedje doet en als je niet te moe bent nog een stukje uit de Bijbel.
Ik zie dat jullie veel voor de kerk over hebben, niet beroerd zijn om je in te zetten,
maar wat ik zie is dat je weinig tijd neemt om echt naar de Heere te luisteren.
zou het zo gaan, ik weet het niet, ik ben Paulus niet
en Athene, de wereldstad vol Griekse filosofie is een andere plek
dan een dorp aan de rand van de Veluwe,
waar God nog een belangrijke plek in het dagelijks leven heeft.

In Athene wordt Paulus ook kritisch bevraagd,
terwijl Paulus hier misschien met open armen ontvangen zou worden
en hier een bereidheid zou zijn om serieus naar zijn woorden te luisteren,
nieuwsgierig naar wat Paulus over onze situatie zou vertellen als gezant van Christus.
In Athene wordt Paulus met argwaan ontvangen: waar kom je ons mee opzadelen?
Paulus grijpt zijn kans om over God te vertellen,
aan mensen die heel wat andere goden kennen,
maar de kennis over de enige, de ware God missen.
‘Ik heb door jullie stad gelopen en ik heb heel wat gezien.
Wat ik vooral gezien heb is dat religie een belangrijke plek in jullie leven inneemt.
Maar ik wil het hebben over die ene God voor wie jullie een altaar hebben neergezet,

de God die voor jullie onbekend is.
Dat is de God over wie ik kom vertellen en die ik jullie kom bekendmaken.
Jullie hadden die God kunnen kennen, want Hij is het die de hemel en de aarde maakte.
Hij is het die aan jullie het leven gaf.
Deze God is zo groot, dat de wereld Hem niet kan bevatten.
En wat voor een tempel jullie ook voor Hem zouden bouwen, Hij zou er niet in passen.
Er is van Hem geen beeld te maken, want materiaal dat in mensenhanden is geweest,
is niet in staat om iets weer te geven van deze God:
Wij als schepselen zijn niet in staat om iets af te kunnen beelden van onze Schepper.
Hij heeft alles geschapen en heeft ook aan alle mensen een plek toegewezen.
Dat jullie hier in Athene wonen en dat Athene in de geschiedenis een belangrijke stad is,
vanwege die enorme historische erfenis door de Romeinen met eerbied behandeld,
anders dan de andere steden die door de Romeinen veroverd zijn,
dat hebben jullie aan deze God te danken.
En dat heeft Hij gedaan, zodat ieder mens die op aarde leeft
op zoek zou gaan naar God, op zoek naar Degene die de Schepper is,
die aan het begin van ons leven staat, die er voor gezorgd heeft dat we er zijn,
die ons bestaan heeft gewild.
Zijn jullie naar Hem op zoek geweest, echt gezocht, omdat je meer wilde weten,
of was het uit voorzorg, stel je voor dat je Hem zou vergeten
en met dat altaar hebben we ons dan mooi ingedekt.
Soms kunnen godsdienstige vormen zo geruststellend werken,
dat je vergeet om op zoek te gaan naar God.
Al doe je maar een poging, als zoek je tastend naar God.
Deze God is voor jullie onbekend, maar er is zoveel om je heen dat iets van God laat zien.
Hij is helemaal niet ver weg.
Je hoeft geen grootse wereldreis te maken, geen lange pelgrimstocht.
Kijk maar omje heen en je ziet dat deze wereld geschapen is door God.

Paulus zal dat waarschijnlijk niet tegen iedereen zeggen,
want niet iedereen, zeker niet in onze tijd, zal dat onderschrijven.
Zeker in onze tijd zijn er heel wat die zeggen: er is geen God
en de wereld om ons heen is mooi, maar ik zie daar niet de hand van een God in.
Paulus kan dat tegen de Atheners zeggen,
omdat zij zelf ook geloven in goden en ook geloven dat de wereld er niet zomaar is.
Paulus kan zich daarbij aansluiten.
Nu vandaag zijn er veel mensen in ons eigen land,
die niet geloven en God ook niet missen.
Lange tijd was gedacht dat mensen die zonder God leven wel wanhopig moeten zijn
en ik hoor het in gesprekken ook geregeld:
Ik zou niet weten, hoe iemand die niet gelooft in God dit kan doorstaan,
Want ik kon dit alleen met Gods kracht doorstaan.
God wordt echter door veel mensen niet gemist.
Evangelisten merken dat en misschien merk je dat onder medeleerlingen of collega’s ook.
Waar zou je in onze tijd bij aan kunnen sluiten?
Is er nog wel iets wat een brug vormt naar het geloof in God?
Misschien is het hoogst haalbare dat anderen horen over God en gaan nadenken over God
door jouw aanwezigheid en doordat jij gelooft zich opeens gaan afvragen:
Is er dan een God? Wie zou die God dan zijn? Hoe zou ik die God dan kunnen kennen?
Het is een uitdaging en een taak om te zien waar in onze tijd
iets te vinden is van God, waar we mensen die van God niet weten
toch kunnen vertellen over Hem, al is het maar iets.
Hij is niet ver weg, vertelt Paulus, en ieder mens over heel de wereld kan Hem leren kennen.
Ook iemand die niet gelovig is opgevoed en vanuit zichzelf er helemaal niet mee bezig was
kan God leren kennen.

Paulus heeft een aanknopingspunt, hij heeft iets in Athene ontdekt,
waarbij Hij kan aansluiten om over God te vertellen.
Dat is al heel wat en als Paulus het daarbij had gelaten,
hadden we het heel knap kunnen vinden, heel origineel om een dichter aan te halen,
iemand uit Athene zelf, met veel gezag voor de Atheners,
zoals nu het ook kan helpen als een voetballer, een zanger een geleerde of een politicus
iets vertelt waardoor je gaat nadenken over God.
Of waarin je iets hoort, waarvan je denkt: dit kan alleen God doen.
Ooit had ik een begrafenis, waarbij tijdens de dienst
er ook liederen van Andrea Bocelli en Marco Borsato werden gedraaid.
Liederen waarin gezongen werd, dat het afscheid niet voorgoed zou zijn
omdat je altijd aan de overledene denkt en hoopt op een weerzien.
Waarvan ik dacht: is dat niet te mooi en is de dood toch niet een breuk
en alleen God kan het waarmaken dat Hij altijd aan ons denkt en opzoekt,
en alleen de opstanding van Christus uit de dood maakt een weerzien in de hemel mogelijk,
omdat Hij door Zijn sterven de deur naar het paradijs geopend wordt.
En dan kan er wel een trein naar dat paradijs rijden volgens het lied
– alleen Christus is de weg.
Paulus is ook kritisch.
Hij knoopt eerst bij ze aan.
Bij wat de Atheners weten en geloven,
maar dan geeft hij aan, dat het niet onschuldig is wat ze doen:
zoveel goden vereren en overal in de stad beelden van goden neerzetten.
Dat kun je niet maken. Je gaat als schepsel in tegen God,
Wij kunnen niet bepalen hoe God eruit ziet.
Onze handen vormen God niet – Hij heeft ons gevormd.
Paulus heeft alle reden om kritisch te zijn op het geloof van de Atheners,
Want hij kwam niet als toerist naar Athene
en hij wandelde niet alleen uit interesse voor de stad rond,
maar hij heeft een boodschap van God, die onbekend is voor de Atheners:
dat ze alleen deze God echt kunnen leren kennen als ze zich omkeren
en naar deze God gaan, echt op zoek.
Want er komt een dag dat er een einde komt aan heel deze wereld
en ook aan al die tempels en al die goden in Athene.
Op die dag zal de Christus over wie ik vertelde
ook aan jullie vragen wat je met deze God hebt gedaan.
Of je naar Hem op zoek bent geweest en of je je leven voor Hem wilde open stellen.
Er komt een oordeel over heel deze wereld, over iedereen, een rechtvaardig oordeel.
Dat er een oordeel komt, weet ik omdat Christus is opgestaan uit de dood.
Deze Christus leeft en regeert en zal komen om te oordelen de levenden en de doden.
Aan Zijn rijk zal geen einde komen.

Tot dan toe hebben ze serieus naar Paulus geluisterd,
misschien wel net zo kritisch naar Paulus toe als Paulus was naar hen toe.
Maar als Paulus het heeft over Christus die opstond uit de dood,
schieten ze in de lach en kunnen ze het niet meer houden.
Dat kunnen ze zich niet voorstellen, hoe geleerd deze mensen ook zijn.
Dat er een God is die in staat zijn om het lot te doorbreken,
dat er een God is die in het rijk van de dood neerdaalde en weer levend terugkwam,
een God die sterker is dan de dood.
Absurd en ongeloofwaardig – dat past niet in hun manier van denken.
Ik moet ook wel zeggen, dat ik er soms als ik bij het graf sta
het door me heen flitst: zal het allemaal wel waar zijn, van die opstanding
en dat leven in Gods heerlijkheid.
En afgelopen week ging het tijdens de cursus ook over angst voor het sterven
en werd van ons gevraagd of het vreemd is om angstig te zijn voor de dood.
Ik heb toen dat zelf aangegeven, dat ik dat niet vreemd vind,
omdat het wel eens door mij heen schiet: als ik sterf, zal God er dan wel zijn?
Zal Christus er dan staan om mij door de dood te geleiden?
Gelukkig is dat niet een aanvechting die ik altijd heb
en ook niet een twijfel die het laatste woord heeft
en kan ik troost en rust vinden in Christus die is opgestaan uit de dood.
Maar het is wel een heel geloof en in Athene zien we dat dit geloof niet voor iedereen geldt.
Dankbaar ben ik al die keren dat ik het wel kan geloven
en ik zie het als mijn taak om dat geloof in Christus die is opgestaan
en Christus die voor ons uit gegaan is om een weg te banen door de dood
om ons mee te nemen door de dood heen naar het Vaderhuis waar een woning is
ook weer steeds te voeden.
Ook het geloof dat Christus zal oordelen trouwens.
Daar denk ik geregeld over na – en misschien hebt u dat ook wel.
Daar kan ik ook wel tegen op zien – en misschien ook wel,
maar tegelijkertijd mogen we weten, dat juist omdat Hij stierf en opstond
degene die gelooft niet meer hoeft te vrezen en mag uitkijken om Christus te ontmoeten.

En toch – helemaal een mislukking is Paulus’ werk in Athene niet.
Het is geen groot aantal, slechts twee namen worden er genoemd: Dyonisius en Damaris.
Waar over Christus wordt verteld, daar werkt de Geest ook
en al is het resultaat voor het oog niet groot, de Geest kan overal een gemeente vormen
zodat die boodschap steeds weer wordt doorverteld,
zodat er in die godsdienstige plaats er ook een groep is,
die de enige, ware God – Vader, Zoon en Heilige Geest – eert en dient.
Ik heb in de loop van de jaren geleerd om ook dat ogenschijnlijk kleine resultaat te waarderen
want elke bekering, elke omkeer is een wonder, een teken dat de Geest werkt.
In Athene, in Oldebroek en tot de dag van Christus’ wederkomst,
tot de dag dat het oordeel waar Paulus over spreekt komt
zal de Geest bezig zijn om mensen te winnen voor die Christus.
Met u is Hij bezig, met jou, met mij – zodat we voor die dag niet bang hoeven te zijn,
maar dankbaar en blij onze Heere mogen ontmoeten.
Amen

John Barclay – Paul and the Gift

John Barclay – Paul and the Gift

resizeimagehandler
Vorig jaar publiceerde John Barclay een boek over “Paulus en het schenken”. Daarin ging Barclay na wat de cultuur van het schenken was in de tijd waarin Paulus leefde. Door deze cultuur te reconstrueren, wilde Barclay laten zien wat de strekking was van ‘genade’ in de theologie van Paulus.

Veel Paulus-kenners zijn enthousiast over dit boek. Voor een aantal van hen is dit boek een van de belangrijkste boeken over Paulus van de afgelopen decennia. Zie de recensies en blogs van toonaangevende nieuwtestamentici en theologen als:
– Scot McKnigt (uitgebreide recensie Books&Culture, blog 1 en blog 2)
– Thomas R. Schreiner (recensie Themelios)
– Ben Witherington (uitgebreide blogserie Patheos: 21 blogs,  zie blog 1)
– Kavin Rowe (recensie First Things)
– Douglas J. Moo (artikel over Barclay en The New Perspective on Paul, Themelios)
– Susan Eastman (blog-recensie)
(een gesprek tussen Wesley Hill en John Barclay over dit boek.)

Onlangs gooide David I. Yoon roet in het eten met een recensie in het Journal of Greco-Roman Christianity and Judaim. Daarin schrijft hij dat Barclay in een bekende valkuil valt door woorden en concepten teveel door elkaar te halen. Er kunnen verschillende woorden voor hetzelfde concept worden gebruikt zonder dat deze woorden in betekenis samenvallen. Er kan wel een overlap in betekenis zijn, maar er blijft een verschil. Volgens Yoon laat Barclay ‘geschenk’ en ‘genade’ te veel samenvallen. Daarmee ziet Barclay volgens Yoon over het hoofd dat God meer schenkt dat genade alleen (zoals vrede).

In zijn analyse van ‘schenken’ in de Antieke Oudheid wil Barclay aantonen het ‘pure geschenk’ (schenk zonder reden, schenken zonder iets terug te verwachten) een idee uit de Moderniteit is. Als Paulus schrijft over genade, moet dat passen in het schenk-concept uit de Antieke Oudheid. Yoon is er niet van overtuigd dat het ‘pure geschenk’ alleen van onze tijd is en acht het mogelijk dat het ook in de Antieke Oudheid voortkwam. Daarnaast blijft voor Yoon de vraag staan: past de manier waarop Paulus over genade (als geschenk van God) spreekt binnen het cultuur van de Antieke Oudheid of overstijgt Gods geschenk juist de toenmalige cultuur?

Preek Biddag 2015 morgendienst

Preek Biddag 2015 morgendienst
Handelingen 16:22-34. Themadienst school & kerk

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste kinderen,

Vandaag is het biddag.
We hebben een aparte dag om wat extra aandacht te besteden aan bidden.
Jullie zijn nu vanuit de school hier naar de kerk gekomen
en er zijn ouders meegekomen,
omdat we bidden heel belangrijk vinden.

Bidden is heel belangrijk.
Daarom zijn we met z’n allen nu bij elkaar gekomen
om te bidden en om over bidden na te denken.
Als ik aan jullie zou vragen: ‘Wat is bidden?’

(dan zouden jullie zeggen: ‘Bidden is praten met God.’
Zo wordt dat meestal ook uitgelegd.)
Bidden betekent ook nog meer:
weten dat God bij je is, nu op dit moment, straks als je weer naar school terugloopt,
op school, thuis, op de fiets, in de auto, waar je ook maar bent.
Hij is altijd dichtbij.
Hij ziet je en Hij hoort je.
Hij raakt je nooit kwijt.
Met een telefoon kun je soms een slechte verbinding hebben of slecht bereik.
Als je ergens in een gebied bent met weinig huizen en veel heuvels of bergen.
Of als je door een tunnel rijdt.
Als je dan wilt bellen of dan op de telefoon of tablet bezig bent,
valt de verbinding of valt het internet weg.
Hebben jullie dat wel eens meegemaakt?
Met bidden kan dat ook wel eens gebeuren,
dat voor je gevoel de verbinding wegvalt, dat je geen bereik hebt.
Je zou wel bidden en iets aan God willen vragen
maar je denkt: mijn woorden komen nooit bij de Heere aan.
Bidden gaat niet lukken.
Dat gebeurt wel eens als je het moeilijk hebt.

En toch, God is ook dan bij je, in je hart en om je heen.
Je voelt dat niet altijd en toch is dat zo.
God is altijd dichtbij.
Zelfs als je denkt: hier kan God niet komen, dan is Hij er toch.
Zelfs al denk je net als Jona: ik zou wel naar het verste puntje op deze wereld willen gaan
waar niemand mij ziet en niemand mij kan vinden – ook daar is God.
Zelfs al zit je heel diep in de gevangenis weggestopt, zoals Paulus,
zelfs daar is God dichtbij. Hij is altijd dichtbij.
Ik heb nooit in de gevangenis gezeten en ik hoop daar ook nooit te hoeven zitten.
En dan is een gevangenis vandaag de dag nog heel schoon en netjes vergeleken met vroeger.
Waar Paulus en Silas worden opgeborgen, is het donker.
En als ze stil zitten, horen ze het geritsel van de muizen en de ratten
die over de vloer zoeken naar eten en drinken.
Het is er donker en vast ook heel koud, daar heel diep binnen in de gevangenis.
En omdat de Romeinen denken dat Paulus en Silas hele gevaarlijke mensen zijn,
worden Paulus en Silas ook nog eens met de voeten vastgebonden.
Ze kunnen nergens heen.
Ze kunnen niet lopen om eten te halen. Dat moet bij hen worden gebracht.
En heb je wel eens geslapen terwijl je vastgebonden ligt?
Ze kunnen tijdens hun slaap zich niet eens lekker omrollen of diep onder de dekens wegkruipen.
Ze moeten maar een beetje proberen om zittend te slapen.
En wat moet je doen als je de hele dag
en de hele nacht bent vastgebonden en geen kant op kunt?
En hoe moet je naar de wc als je niet van je plaats kunt?
Je kunt het moeilijk uren en uren ophouden.
Het was er donker en vies en koud en eng.
Het is niet de beste plaats om te zingen.
Of je moet dat doen om je angst een beetje weg te drukken.
Toch zingen Paulus en Silas en dan niet om hun angst te verdrijven,
maar omdat ze weten: God is altijd dichtbij, zelfs daar in de diepe gevangenis.
Ze weten niet wanneer ze er weer uit zullen komen.
Ze weten niet hoe lang ze daar moeten blijven
en zijn ze niet bang, want ze weten: God is ook hier in de gevangenis dicht bij ons.
En ze zingen in de diepe, donkere, vieze gevangenis zingen ze.
Ik zal zijn lof zelfs in de nacht, zingen omdat ik Hem verwacht.
Ze zingen omdat ze weten: God is hier.
Zou je dat doen: ‘s nachts zingen terwijl je niet weet of die nacht eens voorbij gaat
als je gevangen zit en je weet niet hoe het zal aflopen?
Kun je dat geloven dat God altijd bij je is, nu vanmorgen hier in de kerk
maar ook als je zo diep bent opgeborgen in een gevangenis?

Dat heeft Paulus ook niet van zichzelf.
Er is een kracht in Paulus en dat is de Heilige Geest.
Door de Heilige Geest vertellen Paulus en Silas steeds over de Heere Jezus
en kunnen ze zelfs midden in die diepe, enge kerker geloven

dat God daar bij hen is
en kunnen zij zingen, omdat ze weten: God is hier.
Door de Heilige Geest kunnen ook jullie weten
dat de Heere Jezus bij je is.
Altijd dichtbij.
Zelfs als er geen hulp komt, die er bij Paulus wel komt.
Want er komt bij Paulus en Silas een aardbeving
waardoor de deuren opengaan en de boeien losraken.
Zelfs als je niet merkt dat je geholpen wordt,
is God er toch bij.
Dat merk je dat je als je het moeilijk hebt je dan sterk bent.
Als je bijvoorbeeld moeite hebt met een toets
dan helpt de Heere je misschien niet door een voldoende te halen.
Als je door hard te leren toch een onvoldoende halen,
dan kan de Heere je helpen doordat je na een onvoldoende toch verder gaat
en dat je niet gaat denken: het kan me allemaal niets schelen, het heeft toch geen zin.
De Heere is er niet alleen als het goed met ons gaat.
Altijd is Hij dichtbij.
Ook als we het niet zo goed gaat, met onszelf, met onze resultaten op school,
als je ruzie hebt met je ouders of iets verkeerds hebt gedaan.
Soms verandert er wel iets voor je.
Dat het weer goed komt met je ouders.
Of als ze je willen vergeven.
Dan merk je helemaal dat God dichtbij is.
Altijd is God dichtbij.
Zelfs in de gevangenis bij Paulus en Silas.
Omdat God daar ook was, konden ze zingen.
De andere gevangenen hebben naar hun zingen geluisterd.
Dat is ook wat!
Zit je in een donkere cel, misschien al wel maandenlang
en dan hoor je iemand zingen.
Niet schreeuwen of vloeken, hard tekeer gaan,
maar zingen omdat ze weten God is er ook.
Ook bij ons in de donkere, vieze cel.

Er is geen enkele plek op aarde waar de Heere niet kan komen.
Ook in de gevangenis kan Hij komen.
Ik hoop niet dat je daar ooit komt,
maar zelfs al kom je daar en zelfs al is het je eigen schuld
dat je naar de gevangenis toe moet
en zegt iedereen: We willen niets meer met je te maken hebben, dan is God er toch.
Hij zegt niet: Ik blijf bij je weg. God is altijd dichtbij.
En dat geldt voor ons allemaal: Hij is altijd dichtbij.
En dat is Hij, zodat wij Hem niet vergeten
en wij durven bidden tot Hem
en dat we aan Hem denken
en dat we ons sterk voelen – ook al hebben wij dat niet van onszelf maar door de Heilige Geest.
Hij is altijd bij ons. Amen

Preek 26 oktober 2014

Preek zondag 26 oktober 2014
Zendingszondag
Handelingen 16:23-34 en Filippenzen 1:12-18.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De kerk in Marokko is een kleine kerk.
In dit land is slechts 1% aangesloten bij een kerk.
Een deel van deze 1% is ook nog eens buitenlander die voor hun werk in Marokko verblijven.
Enkele jaren geleden kreeg de kerk een behoorlijke klap te verduren
toen de overheid besloot dat buitenlandse zendelingen het land moesten verlaten.
Er waren grote zorgen om de toekomst van deze kerk:
wat zou er gebeuren als de leiders en steunpilaren van de kerk wegvielen;
als de gelovigen in dit land niet meer werden ondersteund?
Maar er gebeurde iets verrassends, iets onverwachts.
Terwijl iedereen verwachtte dat de kerk door deze klap achteruit zou gaan,
begon de kerk te groeien.
Het waren de Marokkanen zelf die de leiding namen in de kerk
en de plaatsen van Nederlanders, Amerikanen en andere buitenlandse leiding innamen.
De kerk werd ook meer Marokkaans in plaats van geleid te worden door buitenlanders.
Wat een tegenslag had moeten zijn voor de kerk
veranderde in een zegen.

Geloof dat verder gaat.
Niet omdat mensen het zo goed bedenken, zo’n goede strategie hebben,
maar omdat Christus zelf Zijn kerk hier op aarde bouwt
en een tegenslag kan veranderen in een zegen.

Ook als Paulus in Filippi aankomt gaat het geloof verder.
Dat leek er eerst niet op.
Het leek er zelfs op, dat het werk van Paulus voorbij was,
want Paulus wordt opgesloten in de gevangenis.
Alsof hij een gevaarlijke man is met een heel gevaarlijke boodschap,
die in de stad Filippi voor heel veel onrust gaat zorgen,
wordt hij opgesloten in de gevangenis.
Stelt u zich eens voor dat de burgemeester en het college van wethouders van onze gemeente
zich over de kerk zouden beklagen om de boodschap die hier in de kerk doorgegeven wordt
en dat ze het hier voor de kerk zouden uitroepen:
‘Jullie brengen een boodschap die ervoor zorgt
dat de mensen hier in Oldebroek niet meer hun eigen normen en waarden hanteren.
Wat jullie hier in de kerk vertellen is gevaarlijk voor onze samenleving.’
Bij Paulus gebeurt dat wel
en vooral omdat Paulus een meisje geneest van een boze geest die haar beheerst.
Paulus moet opgeborgen worden, want hij is een gevaar voor de mensen
en voor de samenleving van Filippi.
Het geloof gaat verder, maar we moeten er wel rekening mee houden
dat overal waar de boodschap van Jezus Christus komt, er verzet kan komen.
Dat mensen zeggen: wij willen niet dat die boodschap in ons land of in onze buurt wordt verteld!
Kijk maar naar het voorval in Marokko  en wat voor Marokko geldt,
geldt ook voor veel andere gebieden:
Als het geloof verder gaat, is dat meestal niet omdat mensen enthousiast
reageren als er over Christus wordt verteld
en dat hun hart open stellen omdat ze geloven dat ze alleen bij Hem iets vinden
wat nergens anders te verkrijgen is.

Dan komt Paulus in de gevangenis.
Hoe zouden wij reageren als wij voor de Heere Jezus in de gevangenis terechtkomen?
Paulus is niet van slag.
Hij doet waar Psalm 42 van zingt: ‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.
Is Paulus daarmee een voorbeeld? Paulus laat in ieder geval zien dat het kan.
Dat zelfs al zit je in de gevangenis en je weet niet of je er nog uitkomt,
dat je dan nog houvast vindt in de Heere.
Ook dat is geloof dat verder gaat. Dat kan ons weer moed geven.
In een periode van tegenslag kun je aan Paulus zien:
het is niet gek als ik moedig door deze periode heenga,
want het is de kracht van de Heere die ik ontvang: omdat ik Hem verwacht.
Terwijl de burgemeesters en het gemeentebestuur willen dat Paulus zijn mond houdt,
is Paulus zelfs niet in de gevangenis te stoppen.
Zelfs de dikste muren en het diepe duister houden Paulus niet tegen
om te getuigen, zelfs door te zingen.
Het zingen klinkt door de gevangenis heen.
Zo wordt zelfs in de gevangenis de naam van de Heere uitgedragen.
Bidden en zingen in de gevangenis – zelfs afgesloten deuren, gevangen tussen muren
kunnen een gelovige niet tegenhouden om naar de Heere toe te gaan.

En dan wordt de deur van de gevangenis geopend.
Het gemeentebestuur had de cipier opgedragen om Paulus en Silas goed op te sluiten
vanwege het gevaar dat Paulus en Silas meedragen.
Wij zouden zeggen:
in verzekerde bewaring – ervoor zorgen dat de gevangene echt niet kan ontsnappen.
De gevangenbewaarder had deze opdracht heel goed uitgevoerd.
Hij voelde goed aan wat het gemeentebestuur van Filippi van hem vroeg
en zorgde ervoor dat Paulus en Silas op de meest veilige plek zouden zijn:
diep in de gevangenis, in de middelste cel.
Om te voorkomen dat ze zouden kunnen ontsnappen werden hun voeten vastgezet.
De cipier kon rustig slapen, want de gevangenen zouden echt niet kunnen ontsnappen.

En dan wordt er aan alle zekerheden van de cipier geschud – er is een aardbeving.
Hoe goed de gevangenen ook opgeborgen zijn,
ze kunnen ontsnappen, de vrijheid tegemoet.
Hoe sterk de muren ook waren en hoe goed de deuren ook waren afgesloten,
alles breekt open.
Als de gevangenbewaarder aankomt bij de gevangenis is dat ook het eerste dat hij denkt:
iedereen is natuurlijk gevlucht.
Iedereen heeft de kans genomen om uit die gevangenis weg te vluchten
en zeker de gevangenen Paulus en Silas.
Hadden de burgemeesters toch gelijk gekregen dat het gevaarlijke mensen zijn
die alles op zijn kop zullen zetten, die voor een chaos in de stad zullen zorgen?
Maar dan is het zijn verantwoordelijkheid als er iets gebeurt in de stad.
Hoe kan hij dit verantwoorden naar zijn superieuren?
Zijn positie is onhoudbaar. Hij mag zichzelf niet sparen.
Hij kan niet zeggen dat het hier om overmacht gaat.
Hij was verantwoordelijk voor de gevangenen. Hij mocht ze niet laten gaan.
Hij kan niet langer leven.

Dan klinkt er een stem vanuit de diepe duisternis.
Een stem die zijn leven redt: doe uzelf geen kwaad aan.
Iedereen is nog aanwezig; geen enkele gevangene is ontsnapt. Spaar uw leven!
De cipier kan zijn oren niet geloven en gaat kijken
en daar binnen in de gevangenis, daar zijn ze nog: Paulus en Silas en alle andere gevangenen.
Hoe is dat mogelijk!
De cipier beseft dat hier een macht aan het werk is,
die door hem en het gemeentebestuur niet tegen te houden is.
Niet de aardbeving brengt hem op de knieën, niet die bijzondere gebeurtenis,
maar dat al de gevangenen er nog zijn, dat doet hem nadenken.
Over zijn eigen leven.
De man beseft: het gaat niet om zomaar een macht, maar een macht
die zijn eigen goden te boven gaat,
een macht waar hij zich aan moet overgeven.
‘Wat moet ik doen?’ dat is de vraag die bij de man opkomt en hij zegt het ook tegen Paulus:
‘Wat moet ik doen om gered te worden?’
Zijn leven heeft hij niet meer zelf in de hand.
Zijn leven is gered – door de mannen die hij in de gevangenis had opgeborgen.
Redding – de man begint er al iets van te beseffen
waar het om gaat in de verhalen over Jezus Christus.
Al weet hij nu nog niet wie dat is, maar hij beseft: zo kan ik niet langer leven.
Er moet iets met mij gebeuren, anders ben ik alsnog verloren.
Wie kan mij redden?
Jezus!
Geloof in Hem! Grijp Hem vast als je reddingsboei.
Gemeente, zo gaat het geloof verder:
doordat mensen beseffen dat ze zo niet langer kunnen leven,
dat er iets moet gebeuren, dat ze gered moeten worden omdat ze anders verloren zijn.
Wanneer er over de wereld aan zending wordt gedaan,
wordt dat voorgehouden: dat die redding te vinden is in Jezus.
In deze naam: de naam van Jezus, de Zoon van God die op aarde kwam.
Redding!
Deze man hoort vol verwondering de verhalen over Jezus aan
en wil niets anders meer: ik wil bij Jezus horen en niet alleen ik. Iedereen die bij mij hoort.
In die nacht, nadat de man eerst Paulus en Silas verzorgd heeft, de rug gewassen heeft
en eten gegeven heeft, wordt deze man samen met zijn gezin gedoopt.

Geloof dat verder gaat:
Er kwam een tegenslag door dat Paulus in de gevangenis kwam
maar daar kwam juist de zegen uit voort
dat de man die over de gevangenis ging niet meer zonder Jezus wil leven
en zijn leven heeft te danken aan de macht van Jezus.
Ondanks de tegenstand komen er mensen tot geloof
en worden zij gedoopt.
Het eindigt ermee dat de cipier vol vreugde is omdat hij nu gelooft.
Door te zingen in de gevangenis liet Paulus merken dat hij zelfs daar in de gevangenis
de vreugde vond in de naam van Jezus.
Als de cipier samen met zijn hele huis is gedoopt
heeft de gevangenbewaarder dezelfde vreugde: vreugde in God,
vreugde omdat hij Christus nu kent.
Ja, Paulus is gevaarlijk, want zijn leven heeft een onverwachte wending gekregen,
maar de cipier zou niet meer anders willen.
Hij is dankbaar dat Paulus zo op zijn pad kwam
waardoor Paulus hem op de weg van Jezus Christus kon brengen.

Geloven gaat verder:
Het werk van de Heere is door niets tegen te houden,
zelfs niet door tegenstand of door het proberen tegen te houden, gevangen zetten.
Dat is wat we mogen weten voor de kerk wereldwijd.
Bij zending gaat het niet alleen over wat er op de wereld gebeurt.
Zending heeft ook betekenis voor onszelf.
De GZB heeft als leus: zending verbindt.
De kerk in zendingsgebieden heeft ook ons iets te bieden.
wij kunnen leren van hun worstelingen om het evangelie toe te passen in hun levens.
Wij kunnen leren van de radicaliteit die van hen gevraagd wordt.
Wij kunnen ook leren van de vreugde, om nu God – die voorheen onbekend was – te kennen
en in Jezus vreugde en redding te vinden.
Wat moet ik doen om gered te worden?
Is dat nog een vraag die leeft, waar verlangen uit spreekt.
Of is het evangelie voor ons zo bekend, dat we er niet meer van opkijken
en ook er niets meer aan beleven?
Dan houdt de geschiedenis van vanmorgen een spiegel voor.
Waar is onze vreugde om onze redding door Christus?
Wanneer we die vreugde hebben, gaat ook het geloof in ons leven verder
Gods werk in ons leven verder en krijgt Jezus Christus een plek in ons leven. amen