Mannen en zingeving

Mannen en zingeving

Hoe gaan mannen om met zingeving? En wat komt daarvan terug in pastorale gesprekken? Op welke manier vertellen ze erover? Of op welke manier verpakken ze hun omgang met zingeving juist?

In neem hier weer de serie op over het boek Männerseelsorge van David Kuratle en Christoph Morgenthaler. Zij verwerken een onderzoek van Martin Engelbrecht en Martin Rosowski – Was Männer Sinn gibt (2007).  Dit onderzoek is volgens Kuratle en Morgenthaler verplichte literatuur voor iedereen die mannen begeleidt. In interviews worden katholieke en protestantse mannen, die wat verder van de kerk staan, bevraagd.

Persoonlijk
Deze interviews laten zien, dat het clichébeeld, dat mannen niets persoonlijks prijsgeven, niet klopt. De meeste mannen hebben zelfs plezier om in de gesprekken iets van zichzelf prijs te geven.

Taal
Ze doen dat wel op een specifieke manier. Ze spelen met taal. Ze wisselen snel van taalvorm: dan spreken ze weer ironisch, dan plaatsen ze weer kanttekeningen of spreken ze juist hun lof uit over bepaalde personen die voor hen een voorbeeld zijn of over hun echtgenotes. Met eenzelfde enthousiasme gaan ze tekeer tegen die of gene. De zin die mannen aan hun leven geven is vaak niet uit de inhoud op te merken, maar meer aan de manier waarop ze over iets spreken, of verbanden leggen.

Dimensies van zingeving
Engelbrecht en Rosowski reconstrueren drie dimensies van zin uit de gesprekken:
Zingeving waar mannen zich voor hebben moeten inzetten: Bij deze vorm van zingeving ligt de nadruk op de prestaties die zijn geleverd, de successen die zijn behaald: een succesvolle baan, een goed huwelijk, goed opgevoede kinderen, een goede gezondheid, de prestaties die ze ook met betrekking tot kleine dingen behalen.
Zingeving die ontvangen wordt: Bij deze vorm van zingeving ligt de nadruk op de mooie ervaringen en belevenissen, zoals de liefde van vrouw en kinderen, mooie natuurervaringen. Deze vorm van zingeving wordt zelden op de werk dat door een man verricht wordt betrokken.
Zingeving die opgedaan wordt door iets waar mannen geen grip op hebben. Hierbij kan het om spontaniteit gaan, iets nieuws dat onverwacht komt, geluk dat ten deel valt. Hierbij kan het ook gaan om ingrijpende gebeurtenissen, zoals een ongeluk. Uit de interviews kwam naar voren dat mannen vooral positieve gebeurtenissen als een bron van zingeving ervoeren. Crises, ziekten, ongeval werden niet gezien als een bron van zingeving.

Thema’s in gesprekken
Welke thema’s komen er in de gesprekken voor, die aan zingeving zijn de verbinden?

  • Het leven wordt getypeerd als een alledaagse strijd tegen de omstandigheden (of tegen mensen). In die strijd is discipline van groot belang.
  • Voor de meeste mannen is een zinvol leven een leven waarin de relaties goed zijn. Ze leven niet op zichzelf en voor zichzelf, maar zien zichzelf graag in verbondenheid, op anderen betrokken. Ze steunen de andere gezinsleden graag en worden graag door de andere gezinsleden ondersteund.
  • Mannen leren graag en zien het leven als avontuur. De meesten houden van uitgedaagd worden: ‘een gooi doen naar wat er nog niet is’. Ze zoeken uitdaging ook om niet in routine te vervallen.
  • Het leven wordt zinvol ervaren als zij in staat zijn om hun leven creatief in te richten. Ze hebben er plezier in om iets voor elkaar te krijgen. Ook in hun werk.


Beslissingen nemen
Interessant is te zien hoe mannen omgaan met het nemen van beslissingen en welke ruimte zij voor zichzelf daarin zien:

  • Er is een spanning tussen zelf kunnen kiezen en de beslissing die een ander voor hen neemt. In de interviews gaven de meeste mannen aan, dat zij er waarde aan hechten om zelf keuzes te maken en niet overgeleverd te zijn aan anderen die voor hen beslissen.
  • Er is een spanning tussen het nemen van verantwoordelijkheid en het afschuiven van verantwoordelijkheid. Mannen nemen graag of willen graag verantwoordelijkheid nemen voor wat bij hen hoort, zoals verantwoordelijkheid voor hun gezin, voor familie, voor buren, sportvereniging, de lokale omgeving. 
  • Er is een spanning tussen wereld en buitenwereld. Mannen creëren naast de wereld waarin zij leven, van bijvoorbeeld werk, graag ook een buitenwereld van sport en hobby’s. Zij pendelen tussen die beide werelden heen en weer. Belangrijke motieven om te kiezen voor zo’n ‘buitenwereld’ zijn:
    – er zelf voor kunnen kiezen.
    – op jezelf kunnen zijn.
    – zonder tijdsdruk en planning.


Niet als religieuze taal
Zingeving wordt door deze mannen zelden in godsdienstige taal geformuleerd. In de interviews zijn nauwelijks verwijzingen naar God, de bijbel of de kerk te vinden. Onverwachte of onverklaarbare gebeurtenissen worden niet met God in verband gebracht. Het leven voltrekt zich voor hen met een voor hun onverklaarbare logica. In hun gang door het leven zijn deze mannen vooral op zichzelf aangewezen.
Deze mannen, die wat verder af staan van de kerk, zien zichzelf als competent genoeg om een eigen levensbeschouwing te hebben. Daar hebben ze actieve participatie in de kerk niet voor nodig. Wel waarderen ze contact met individuele vertegenwoordigers van de kerk op kruispunten in hun leven.

Mannen en godsdienstigheid
Uit onderzoeken komt steeds weer naar voren dat vrouwen religieuzer zijn dan mannen. Als mannen zich wel als religieus beschouwen, hebben ze nogal eens een geheel eigen invulling (pluralisering, individualisering) en een afstand tot de kerk (de-institutionalisering). Voor veel mannen is niet zo makkelijk om aansluiting te vinden bij de kerk als instituut. Omgekeerd weet de kerk vaak niet aan te sluiten bij de zoektocht van mannen naar zingeving. Wanneer mannen nadrukkelijk op godsdienstige thema’s bevraagd worden, geven ze een heel divers beeld te zien.

Pastorale gesprekken met mannen
Kuratle en Morgenthaler werken niet uit hoe mannen op de inhoud van het christelijk geloof leren of welke specifieke godsbeelden zij ontwikkelen. Dat is jammer, want dat zou de moeite waard zijn om te zien hoe mannen dat anders beleven en invullen. Knieling doet dat wel volop. (Ik zou die thema’s eigenlijk weer eens moeten oppakken en uitwerken.)

Morgenthaler en Kuratle richten zich vooral op de zoektocht naar de eigen identiteit. Voor hen gaat het in pastorale gesprekken en pastorale begeleiding om het recht een ander te worden en te zijn (dus loskomen van de vaste, traditionele invulling van wat een man hoort te zijn en zoeken naar een eigen, persoonlijke invulling).
In het pastorale gesprek gaat het dan om:
– empathie – om mogelijk te maken om een ander te worden en te zijn.
– provocatie – om mannen uit te dagen een ander te worden en te zijn.

n.a.v. David Kuratle & Christoph Morgenthaler, Männerseelsorge. Impulse für eine gendersensible Beratungspraxis (Stuttgart: Kohlhammer, 2015)

In de kantine deel je levensvragen

In de kantine deel je levensvragen
Interview met dr. H.C. van der Meulen over geestelijke begeleiding

nachdenken

Nog steeds gooit de geluksindustrie hoge ogen. Happinezz, The Secret, boeken van Dan Brown… Van dr. H.C. van der Meulen is het boek: Om het geheim van het leven. Over geestelijke begeleiding.

Wat was uw drijfveer om u te verdiepen in geestelijke begeleiding?
“Ik heb mij vaak afgevraagd waarom mensen weglopen met de religieuze thrillers van Dan Brown of boeken als The Secret. Iemand die niet naar de kerk ging, hoorde ik enthousiast over The Secret praten. Zij zocht houvast.
The Secret suggereert dat het leven een code heeft die te ontcijferen is. Plato en Einstein hebben er al iets over opgemerkt, maar nu wordt het ten volle geopenbaard. Zo staat het echt in het boek.
Maar er is een veel kostbaarder boek, de Bijbel, waarin ook over het geheim van het leven wordt geschreven. Over waar het vandaan komt en naar toe gaat. Dat is het verhaal van de Levende. Als mensen uitkomen bij The Secret komt daar een verlangen in naar voren. Dat neem ik serieus. Ik wil dat verlangen en het verhaal van Christus bij elkaar brengen.”

images

Wedervraag
U bent in 1992 gepromoveerd op een onderzoek naar Helmut Thielicke. Wat heeft u van hem geleerd?
“Heel veel. Thielicke was predikant in Hamburg en trok 3.000 mensen, van havenarbeiders en prostituées tot geleerden. Waren zijn preken dan zo geweldig? Nee, maar hij sprak over wat de mensen bezighield.
Bij vragen van mensen stelde hij een wedervraag en kwam dan uit bij het evangelie. Zo plaatste hij de vragen in een nieuw perspectief. Jezus deed dit ook. Hij neemt de rijke jongeling heel serieus, maar Hij brengt het gesprek wel verder door een wedervraag te stellen.”

Dus je beantwoordt een vraag met een wedervraag en je bent er vanaf?
“Dergelijke wedervragen moeten natuurlijk wel met een pastoraal hart gesteld worden, anders maak je je er gemakkelijk van af. Iemand wil een antwoord, hij wil verder kunnen met zijn leven. Maar soms zijn de vragen te moeilijk, zoals: waarom laat God lijden toe?
Bij de wedervraag gaat het niet om iemand iets te verkopen of iemand op te roepen tot navolging, maar om eerst iemand in de juiste positie te brengen. Om in voetbaltermen te spreken: als het standbeen niet goed staat, wordt het schieten niets. Je moet eerst in goede positie komen.”

fussball

Geef eens een voorbeeld
“Er bestaat een anekdote over G. van der Leeuw uit de tijd net na de Tweede Wereldoorlog. Hij zit op een bankje, een vrouw komt naast hem zitten en verzucht: “Och, och, waar gaat het heen?” Van der Leeuw: “Maar mevrouw, wie heeft gezegd dat het ergens heen moet gaan?” Zijn wedervraag wijst erop, dat de vraag van de vrouw een heilshistorische visie veronderstelt. Daar zou hij op door kunnen gaan door te vragen waar ze dat vandaan heeft.”

oesterreich_wandern

Zijn de vragen van mensen gemakkelijk met het verhaal van God te verbinden?
“De ene keer is het gemakkelijker dan de andere keer. Want het roept de vraag op: trek ik de ander niet teveel mijn kant op? Als God Zijn schepping gewild heeft en niet vergeet, draagt de schepping merktekenen van Zijn bedoeling. Ik zeg het voorzichtig: het is niet onmogelijk om sporen aan te wijzen van Gods bemoeienis. Dat is het geheim van het leven: Gods bemoeienis met onze zoekende aarde.”

Houdt dat geheim van het leven ook jongeren bezig?
“Ik kom het ook bij jongeren tegen, ja. Het raakt aan hun vragen: Houdt God van ons? Heeft Hij weet van mijn sores? Weet Hij van mijn hobby’s? Kent God mij? Als je nooit jongeren tegenkomt, die deze vraag stellen, moet je een andere fiets kopen.
Ik heb lang gevoetbald en na afloop van de wedstrijd dronken we nog wat in de kantine: de derde helft. Over welke thema’s gaat het dan? Thema’s die existentieel van aard zijn. Ouders die uit elkaar gaan. Een vriend die is overleden. Dan schokt het levenshuis. Achter alle stoerheid zie je het menselijk hart. Daarin leven vragen als: Wat houdt mij overeind? Wat moet ik als mijn ouders uit elkaar gaan en ik ze bij elkaar zou willen houden? Wat geeft mij houvast als alles afbrokkelt? Als je als predikant deze vragen nooit tegenkomt, doe je echt iets verkeerd.

Ze sturen dus geen mail naar de dominee waarin staat: ik heb iets vervelends meegemaakt?
“Het wordt in de kantine gedeeld. Ik ben daar niet alleen de dominee, maar ook gewoon voetballer Henk. Wie het over God, hemel of hel wil hebben, heeft het niet gemakkelijk in deze tijd. Maar zo’n voetballer die na een doelpunt gescoord te hebben dat doelpunt opdraagt aan zijn vader, wat doet hij? Heeft de Bijbel daar niets over te vertellen?

Drachen Drache blauer Himmel Flugdrache Lenkdrache 2

Ik speel thuis het lied De vlieger van André Hazes wel eens op mijn orgel en dan roept mijn vrouw: hou daarmee op! Ik ben door dit lied gefascineerd, want ik denk dat het een moderne vorm van bidden is. Wat moet je doen als niemand je geleerd heeft hoe je bidden moet? De vragen van de jongen gaan naar een ruimte toe om beantwoord te worden. De moeder kan die vragen niet beantwoorden, maar een Ander kan het wel! Je kunt je afvragen of dat liedje van De vlieger te plat of te sentimenteel is, maar het stelt wel een wezenlijke vraag: Doen mijn gebeden ertoe? Komen mijn gebeden aan? Paulus zegt: wij weten. Hoe weet Paulus dat? Het komt van de Andere kant. Deze kennis is hem van Godswege geopenbaard. Het is een corrigerend antwoord, maar wel een antwoord. Ik weet iets!
Over de vragen kun je met jongeren in gesprek raken. Jezus vertelt een gelijkenis over 100 schapen, waarbij de herder de 99 achterlaat in de woestijn om die ene te zoeken. Ik zou dat nooit gedaan hebben. Ik zou eerst gebeld hebben om een vrachtwagen en die 99 schapen veilig thuis afleveren en dan pas zoeken. Maar Jezus zegt kennelijk: die 99 schapen zijn sterk genoeg om het alleen uit te houden! Jongeren moeten er zich van vergewissen: er is er Eén naar hen op zoek. Dat gaat verder dan de boodschap: jij mag er zijn. Jij interesseert Mij!

Je hoeft jongeren niet naar de mond te praten. Je hoeft ook niet overal een antwoord op te weten. Als je hen maar serieus neemt. Dan mag je het hen best ongemakkelijk maken. Je kunt zelfs net als Paulus zeggen: ik zou willen dat je was zoals ik, een dienaar van Christus. Toen ik predikant was, ging een meisje uit de gemeente trouwen met een jongen uit het oosten van Turkije. Zijn vader was imam. Zij vroeg of ik hen in de kerk wilde trouwen. Ik heb gezegd dat we eerst moesten uitmaken in wiens Naam de zegen ontvangen wordt. Haar vriend heeft een oriëntatie op Mekka, maar daar heb ik niets te zoeken. Wij worden gezegend vanuit Sion.”

Ds. Matthijs Schuurman

9789023926849

Dr. Henk C. van de Meulen is docent Praktische theologie aan de Protestantste Theologische Universiteit (PThU). Vanaf is hij predikant. Hij promoveerde in 1992 op Helmut Thielicke. Hij schreef verschillende boeken over pastoraat, waaronder Om het geheim van het leven (2013).

Dit interview is eerder gepubliceerd in Maandblad Réveil en HWConfessioneel

Oswald Bayer – Wie op het woord acht geeft, vindt geluk

Oswald Bayer – Wie op het woord acht geeft, vindt geluk[1]
(Vertaling)

Wie op het woord acht geeft, vindt geluk;
Gelukkig diegene die op de HEER vertrouwt!
(Spreuken 16:20)

I.
Het geluk vinden, geliefde gemeente, wil iedereen. Het komt maar zelden voor dat iemand graag van het ongeluk houdt. Als het toch zo is, het dat toch op de een of andere manier te maken met de zoektocht naar geluk en het mislukken van die zoektocht. Iedereen wil het geluk vinden – zijn geluk, haar geluk. Want hoezeer de zoektocht naar het geluk en de verwachting daarmee samenhangend ieder mens op de een of andere manier bepaalt, zo verschillend wordt het geconcretiseerd. Muziek kan bijvoorbeeld de een koud laten, maar laat de ander een rilling van geluk over de rug lopen. Het geluk dat na een inspannende klimtocht naar de top over de bergen uit te zien is niet besteed aan iemand die liever lui in het café zit. Ieder vindt, als hij het vindt, zijn eigen geluk. En hij vindt op verschillende tijden een ander soort geluk. Hij vindt het niet steeds op hetzelfde moment.
Wat vindt iemand, die geluk vindt? De Romein Varro telde in de eerste eeuw voor Christus niet minder dan 288 definities van geluk. Vandaag de dag zullen niet minder definities te geven zijn. Heeft geluk – om slechts een van de vele mogelijke antwoorden te noemen – te maken met de ervaring van de onmiddellijke aanwezigheid van het gehele, ongedeelde zijn? Bevangt mij met het geluk een stille en diepe of gepassioneerd levenslustige vreugde en aanvaarding van het bestaan, waarin –al is het slechts voor een enkel ogenblik – elke twijfel en elk ter discussie stellen, als ze niet in het geheel overwonnen kunnen worden, voor even overwonnen lijken te zijn en even zwijgen. Geluk bestaat in elk geval niet zonder een geluksgevoel. Bij dat gevoel behoort wezenlijk een stemming, een totaal gevoel, een samenstemmen – en dat houdt in: schoonheid. Geen geluk zonder de ervaring van schoonheid. Zelfs een paardenbloem in de tuin van de gevangenis kan, zoals Wolfgang Borchert vertelt,als schoon ervaren worden, door de gevangene meegenomen in de cel waar deze bloem licht brengt in de benauwde ruimte.
Wat is dan geluk? Licht in het donker? Een verlangen waarvan de vervulling vaak als een flits inslaat? Gaat het uiteindelijk om de voltooiing van mijn even, van de gehele natuur- en wereldgeschiedenis? De macht die leuzen bedenkt voor het vergeefse, vergankelijke, lege, zinloze, absurde, onvervulde, het onmenselijke, de verveling? Wellicht niet geheel in tegenstelling tot het absurde, maar in aanvaarding van het absurde: ‘We moeten ons Sisyphos’, concludeert Camus in zijn essay over het absurde ‘voorstellen als een gelukkig mens’.
De kwetsbaarheid van het geluk wortelt diep: Glück und Glas – wie leicht bricht das! Desondanks kennen wij beide zijden: het geluksgevoel van het ogenblik en de over langere tijd aanhoudende. Verliefdzijn bijvoorbeeld, een tevreden sfeer in het gezin en op het werk.
Duurzaam geluk mag voor de één een toevalstreffer zijn, voor de ander een nastrevenswaardig doel –  in overeenstemming met de uit de Oudheid stammende definitie van het goede: een geslaagd, gelukkig leven. Volgens deze visie bestaat geluk uit een bewust geleid leven, waarin alle voor de invulling van het leven belangrijke momenten zijn afgestemd op het behalen van dit doel. Wie deze oriëntatie vertrouwt en volgt, zal eerder geluk maken dan geluk vinden: hij zal de smid van zijn eigen geluk zijn. Maken wij ons geluk? Moeten wij ons geluk maken om het te kunnen bereiken? Zijn wij, als wij er niet in slagen om ons geluk te scheppen, als ons leven niet slaagt, mislukkeling die zich niet meer aan zichzelf en aan anderen kan tonen? Of is geluk geen doel dat nagestreefd kan worden? Vinden wij geluk alleen als wij er op stuiten, als het ons toevalt? En als het ons toevalt: alleen in een enkel ogenblik of ook op de lange termijn?
In de wirwar van deze vragen en de vele vragen die u heeft meegenomen, moet men weten wat het ware geluk is. Een duidelijk antwoord op de vraag wat het ware geluk is, belooft de tekst van de prediking te geven: Wie op het woord acht geeft, vindt geluk.

II.
Daar komt het klaarblijkelijk op aan: op het woord acht geven, opmerkzaam zijn op het woord. Op welk woord? Er zijn veel woorden, zegswijzen e stemmen die op ons inwerken, die onze aandacht willen en ons geluk beloven. Wat is dat ene woord dat in deze chaos binnenbreekt, duidelijkheid schept en waar  geluk brengt?
Op het centraal station van een miljoenenstad te midden van de ontelbare mensen die zich haastend door elkaar begeven – iedereen in zijn eigen richting – in deze Babylonische spraakverwarring kan het plotseling gebeuren dat ik mijn naam hoor: luid en duidelijk, anders dan de vele stemmen die door elkaar heen klinken. Omdat ik mijn naam hoor roepen, wordt ik aangesproken, ben ik gelokaliseerd en richt ik mij op degene die mij aanspreekt. Zijn woord is een woord met macht: hij heeft de macht mij uit deze stemmenchaos tevoorschijn te halen, mij van mijn diffuse omgeving te onderscheiden en tot een uniek individu te maken. Nu kan ik, gelokaliseerd en aangesproken, gericht antwoorden: ik mag antwoorden. Of misschien moet ik wel.
Dit tafereel kan ons duidelijk maken wat dat ene woord kan doen, op het centraal station en op de jaarmarkt van menselijke verlangens,  geluksidealen en levensdoelen, de uit angst en nieuwsgierigheid geboren vele goden. Het ene woord dat ‘dat wij te horen, dat wij in leven en in sterven te vertrouwen en te gehoorzamen hebben’ (Barmen I). Dit ene woord is een heel bepaalde naam. Zoals de onmiddellijke parallel van onze preektekst laat zien: gelukkig diegene die op de HEER vertrouwt. Op het woord acht geven is niets anders dan vertrouwen op de HEER.
Het woord is wezenlijk Gods Naam. Wie op deze naam acht geeft, er naar luistert, bedenkt of fantaseert deze naam niet. Laat staat dat wij ons deze naam tot doel kunnen stellen of als doel kunnen uitkiezen. Want Gods naam komt ons tegen. Te midden van de vele goden en godinnen, de vele heren en moeders, met hun duizend namen, die allemaal gehoor willen vinden en tot gehoorzaamheid willen dwingen. Soms laten ze ruimte voor elkaar, maar meestal betwisten ze de ruimte. Te midden van de chaos van hun toezeggingen en verleidingen, hun dreigingen en uitnodigingen – zie: een breuk, een doorbraak, zoals een zonnestraal de wolken doorbreekt, een stilte – laat nu alles zwijgen! -: Daar is de ware God, het ware geluk, met zijn naam, met zijn rustgevende kracht, een krachtdadige helderheid die oriëntatie geeft, eenduidigheid schept: energiek, geheel en al, maar tegelijkertijd ook teder en kwetsbaar als een liefdesverklaring: ‘Ik zal met u zijn!’ (Ex. 3:12). ‘Dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht.’ (Ex. 3:15) Zo laat God zich in de woestenij vanuit de braambos aan Mozes zich horen – en hij verborg zijn aangezicht. Zo laat God eveneens in de woestenij vanuit de stilte van zich horen aan Elia – als een stem van een suizend zwijgen. En Elia verborg zijn aangezicht in zijn mantel. Ook Gerhard Tersteegen hoort in zijn lied God is tegenwoordig (Gezang 323 / EG 165) deze naam met diepe eerbied. Wij begrijpen onze Joodse broeders en zusters als zij de naam van God niet uitspreken.
‘Ik zal met u zijn!’- dat is Gods naam, de toezegging van betrouwbare liefde: ‘Ik zal met u zijn op alle wegen en omwegen van uw levensgeschiedenis en zoektochten naar geluk. Ik zal met u zijn op alle wegen, omwegen en dwaalwegen van de gehele wereldgeschiedenis. Ik zal u in mijn goedheid en genade genoeg geven en u in mijn barmhartigheid redden uit alle nood en leiden naar de goede bestemming – ook door de nacht.’
Deze toezegging van geluk ligt besloten in de oerbelofte, waarmee ik aangesproken wordt, omdat de naam van God, het ene woord waarop ik acht te geven heb, mij tegemoet komt.: ‘Ik ben de HEER, uw God!’(Ex. 20:2) Deze oerbelofte is ons in het leven, het lijden en het sterven van Jezus Christus menselijk dichtbij gekomen, zodat wij door de Zoon in de Heilige Geest de naam van God – zijn genade en barmhartigheid niet alleen horen, maar ook kunnen proeven en zien. Jezus Christus is de ‘Immanuël’ (Mattheüs1:23): God met ons. Zoals Martin Luther de Immanuëlnaam verkondigt: ‘im Schlamm und in der Arbeit dass ihm die Haut raucht’.[2] (WA 4, 608v). Hij gaat met ons door dik en dun. Hij doet een woordje voor ons als ons eigen hart tegen ons spreekt. Hij springt voor ons in de bres als anderen klaar met ons zijn en ons laten vallen. Als anderen ons laten weten: je bent een mislukkeling en een nietsnut. Hij verdedigt ons als de aartsvijand ons leven aanklaagt (Openb. 12:10, EG 124:4 – Nun bitten wir den Heiligen Geist), als hij ons wil tegenwerken zodat wij door hem vermoeid raken en in zwaarmoedigheid vervallen. Als anderen zich van ons verwijderen, is Hij nabij. Meer nabij dan ik mijzelf nabij ben. Als anderen ons veroordelen en verwerpen en wij het met onszelf niet meer uithouden, spreekt hij mij rechtvaardig – zoals we hebben gezongen: ‘Hij is mij dagelijks nabij / en spreekt mij zelf rechtvaardig’ (EG 542:4). Hij vertroost mij daarmee en maakt mij moedig. Hij voert mij weg uit zowel de lichtzinnigheid als de zwaarmoedigheid en geeft mij levensmoed. Want: ‘maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid’ (Joh. 10:10). Ik heb, zo belijdt Jochen Klepper, ‘slechts in Hem voldoening / in zijn woord mijn geluk’ (EG 452:3).

III.
‘Jezus Christus zoals Hij ons in de Heilige Schrift wordt betuigd, is het ene Woord van God, dat wij te horen, dat wij in leven en in sterven te vertrouwen en te gehoorzamen hebben.’ Wat zegt deze belijdenis van de Synode van Barmen (1934) ons met betrekking tot de vraag naar geluk, zoals wij deze in het begin hebben gesteld?
Onze oermenselijke zoektocht naar geluk wordt vanuit het ene woord waarop wij acht hebben te geven niet verdrongen. Alsof ons verlangen naar schoonheid, zon, lucht, liefde, erkenning, bescherming en hulp in nood, alsof het verlangen naar vrede, het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid – alsof dit alles eenvoudig te negeren zou zijn!
Als Jezus Christus als het ene woord van God met de oerbelofte (‘Ik ben de HEER, uw God) het eerste gebod (‘U zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’) onderstreept, laat hij de gepassioneerde stem horen die alle andere buiten hem uitsluit, als deze anderen aanbeden en vereerd worden, macht over ons verkrijgen. Als alles wat nodig is om te leven en door God goed is geschapen de perken te buiten gaat. Als er geen maat op staat. Als onze zorg en aandacht daardoor wordt opgeslokt. Als wij geen andere betekenis voor geluk hebben dan bijvoorbeeld geluk als gezondheid, gezinsgeluk, zinvol werk, het geluk van succes, van aanzien, het geluk van een hobby. Al het goede en alles wat ons in dit leven dient kan tot een afgod worden als uw diepste verlangen daarnaar uitgaat. Of als u daar al uw vertrouwen op baseert. Als u uzelf daarmee de definitieve vervulling van uw verlangen toezegt en daarmee uzelf het ware geluk belooft. Dan wordt de liefde voor u tot een Venus, de zorg voor uw kinderen tot een Diana, de zorg voor levensonderhoud tot een Pluto of een Mammon, de noodzakelijke verwerking van conflicten tot een Mars – alsof de oorlog de Vader van alle dingen zou zijn! Dan wordt voor u de liefde voor het Woord van God tot een Logos. Dan wordt voor u het verlangen naar schoonheid, licht en helder denken tot een Apollo en Athene.
Wie echter op het ene woord acht geeft, aan wie wij alleen ons leven mogen toevertrouwen in leven en sterven, wie zo wijs is als Salomo om te bidden om een ‘luisterend hart’ (1 Koningen 3:9) – een hart dat dit woord hoort – die ontvangt een nuchtere en een kritische verhouding tot alles wat wij in dit leven nodig hebben en ook tot hun neiging om zichzelf te verabsoluteren en daarbij duurzaamheid, ja zelfs eeuwigheid willen. Is diegene die ons in zijn naam toegezegd heeft, alleen de eeuwige, dan is alles door hem geschapen. Dan ben ik tijdelijk en eindig – eeuwig als mij de onverwoestbare liefdesverklaring ‘Ik zal met u zijn!’ mij toegedeeld wordt. Als tijdelijk en eindig wezen, opgenomen in deze eeuwigheid, moeten wij het geluk, jong en mooi, intelligent en rijk, gewaardeerd en geliefd te zijn niet roekeloos en radeloos belasten of krampachtig vasthouden en egoïstisch veiligstellen. Alsof wij van God een recht op geluk hebben gekregen! Als tijdelijk en eindig wezen opgenomen te worden in zijn eeuwigheid, omdat wij acht geven op zijn woord en hem vertrouwen, dat wij ons het geluk dat voor ons is weggelegd dankbaar ons kunnen laten toekomen, zonder het van onze kant te willen vereeuwigen. Voor de kwetsbaarheid en het fragmentarische karakter ervan hoeven we niet verdoezelen. Voor de bijbehorende melancholie hoeven wij ons niet te schamen. Het kwetsbare geluk mogen wij, als wij het  ons toevalt, dankbaar genieten. Zonder een heidense angst die bang is voor de jaloezie van de goden. De tijdelijke vreugden hebben hun recht, hun ruimte, hun tijd en hun schoonheid. Het genieten van dit tijdelijke is een gerechtvaardigd gebruik.
Komen de kwade dagen, dan ondervinden wij ongeluk. Bijvoorbeeld het verlies van dierbaren, verlies van gezondheid, verlies van ons werk, verlies van een vriendschap, verlies van erkenning door anderen of misschien zelfs verlies van zelfwaardering. Dan vallen wij uit  de levensvreugde in de moedeloosheid en de levensmoeheid. Dan wordt het moeilijk om acht te geven op het woord. Dan wordt het moeilijk om op de HEER te vertrouwen en daarin geluk te vinden. De grote liefdesverklaring (‘Ik zal met u zijn!’) is dan tegen wat zich lijkt aan te dienen in te geloven. Het geluk van deze liefde is dan verborgen onder het tegendeel.
In de Lutherbijbel stond lange tijd een zin die door de exclusieve formulering aanstootgevend is: ‘Alleen de aanvechting leert om acht te geven op het woord.’ (Jesaja 28:19) De aanvechting alleen? Dat is in ieder geval een toespitsing  die noopt tot realisme! Het geluk ligt niet voor het oprapen: het moet aangevochten zijn – omdat ik op het ene woord van God acht geef, zodat ik als het nodig is de in het ongeluk verborgene God aanklamp en hem zijn belofte (‘Ik zal met u zijn!’) voorhoudt. In de aanvechting gebruik ik, net zoals Jakob dat bij de Jabbok deed, de belofte als wapen dat getest wordt. Zo wordt in de aanvechting niet de echtheid van mijn geloof beproeft, maar Gods Woord. Dat woord van God bewijst zijn geloofwaarheid en macht in de aanvechting en tegen de aanvechting. Op deze manier leert de aanvechting ons acht te geven op het woord: op de kracht die dit woord in zich bergt. Dat woord is in staat om de vertwijfelde vraag te overwinnen of God nog zijn belofte houdt. Dat woord kan mij tot de zekerheid brengen dat ‘dood noch leven (…), heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer’ (Rom. 8:38-39). Zou deze liefde niet het ware geluk zijn? Dit geluk is niet te maken, wel te vinden. Amen

Vertaald vanwege de preek die ik houd bij mijn afscheid als predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam en Watergang (N.-H.) – ds. M.J. Schuurman


[1] Preek in de universiteitsdienst in de Tübinger Stiftskirche (28 juni 2009). Liederen: Er weckt mich alle Morgen (Jochen Klepper; EG 452:1-5), Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort (Martin Luther; EG 193:1-3), Herr, dein Wort, die edle Gabe (Nikolaus Ludwig von Zinzendorf, EG 198:1vv), Wohl Denen, die da wandeln (Cornelius Becker, EG 295:1-4). Psalmgebed: uit Psalm 119 (EG 748). Schriftlezing – betrokken op Kleppers morgenlied: Jesaja 50:4-9a.

[2] Ik kon hiervan de vertaling niet achterhalen. Betekent het zoiets als: in de goot en aan lager wal geraakt?