Als christen het Oud-Testamentische Bijbelboek Richteren lezen

Als christen het Oud-Testamentische Bijbelboek Richteren lezen

Het bijbelboek Richteren (Rechters) is voor de hedendaagse lezer van de Bijbel een behoorlijke opgave. Het begint met de verovering van het land, waarbij het volk van God de opdracht krijgt om met geweld de reeds aanwezige bewoners te verdrijven. Het eindigt met een bizar verhaal over een (bij)vrouw, die door haar man wordt opgeofferd om verkracht te worden, zodat hij een verkrachting kan ontlopen.

Na een gewelddadige groepsverkrachting blijft de man onverschillig over het lot van de vrouw en snijdt haar bij thuiskomst in stukken, waarbij het voor de lezer niet duidelijk is of de dan nog leeft of reeds overleden is. In de verhalen daartussendoor worden verteld ontbreken de nodige gruwelijke details niet: een koning wiens buik opengesneden wordt, waarbij zijn darmen en de inhoud van zijn darmen naar buiten komen, een legeraanvoerder die door een vrouw aan een tentpin aan de grond genageld wordt, een troonpretendent die zijn 70 halfbroers slacht op een offersteen, een vader die zijn dochter misschien wel letterlijk offert omdat hij dat God beloofd heeft.

Wat moet je als hedendaagse lezer met deze verhalen? Bevestigen deze verhalen niet het beeld dat de Bijbel een gewelddadig boek is? Kun je eigenlijk wel over deze verhalen preken?
Magdel le Roux 1
De Zuid-Afrikaanse hoogleraar Oude Testament Magdel le Roux publiceerde vorig jaar een commentaar op dit bijbelboek in een serie De Prediking van het Oude Testament. In haar uitleg zoekt ze steeds naar de christelijke boodschap van dit bijbelboek. Na elk hoofdstuk verwoordt ze ook wat in haar ogen dit bijbelboek ons als christenen vandaag de dag te zeggen heeft.

653f3698349e6d0dc9009b8f837a0db36d59d576

Het achterhalen van die boodschap moet een hele klus geweest zijn, want de verhalen roepen vaak in eerste instantie vooral verlegenheid op. Hebben bijvoorbeeld de oudere kinderbijbels al niet alle verhalen uit Richteren, in de huidige kinderbijbels komen de verhalen uit Richteren vaak al helemaal niet voor. Als er uit Richteren gepreekt is, zal het hooguit over Deborah, Gideon of Simson zijn geweest.

Verhaal van verval
In haar uitleg laat Le Roux zien dat om Richteren te begrijpen het belangrijk is om oog te hebben voor het geheel van het boek en voor de manier waarop er verteld wordt. Als een hoofdstuk geïsoleerd wordt van het geheel, wordt vaak niet duidelijk wat de bizarre onderdelen van het verhaal te zeggen hebben. Als de lezer geen oog heeft voor de manier waarop er verteld wordt, blijft hij of zij vaak vooral achter met een gevoel van verbijstering en vervreemding.

Volgens Le Roux moet Richteren gezien worden als een verhaal van verval: het volk Israël is bedoeld om een zegen te zijn voor de volken. De Israëlieten hebben de hoge roeping om in het land dat God hen geeft voorbeeldig gedrag te vertonen en zo te laten zien wie God is. Daarvoor moeten wel de Kanaänieten wijken. Daarom geeft God aan de stammen de opdracht om het land in bezit te nemen en de volkeren te verdrijven.

Geen opdracht tot genocide
Daarbij is het van belang om te zien dat het bij die opdracht niet gaat om het uitmoorden van mensen. Wie in die opdracht een oproep tot genocide of een rechtvaardiging van volkerenmoord ziet, mist de clou: het gaat om het uitbannen van de Kanaänitische levensstijl. Dat het niet om volkerenmoord gaat, blijkt wel uit de talloze niet-Israëlieten die de held of zijn of voorbeeldig voor de dag komen. En ook uit de afkeuring van de stam Dan die een vredelievend volk buiten het door God aangewezen gebied veroveren.

Kanaänitische levensstijl
Die afkeuring wordt niet verteld, maar in de narratieve opbouw van het verhaal bijna aan het einde van Richteren wordt duidelijk dat het optreden van Dan een nog erger dieptepunt is dan het optreden van Simson, die van alle richters al de meest ontspoorde richter was. De Kanaänitische levensstijl is een egoïstische, hardvochtige en onderdrukkende levensstijl, die zijn oorsprong vindt in de afgodendienst. Maar in plaats van voorbeeldig te leven en tot zegen van de volkeren te zijn, willen de Israëlieten dat niet.

De Kanaänitische levensstijl is aantrekkelijker dan het leven volgens Gods richtlijnen. Het begint al in hoofdstuk 1: de stammen volgen de opdracht slechts halfslachtig op, laten de Kanaänieten in hun midden en vermengen zich zelfs met hen.

Grote richters laten de neergang zien
Op de basisschool heb ik de namen van de richters uit mijn hoofd moeten leren. Daarbij leerde ik het onderscheid tussen kleine en grote richters. Le Roux laat echter zien, dat die benaming juist omgekeerd is. De verhalen over de zogenaamde ‘grote’ richters laten juist de neergang zien: Barak durft niet alleen op de vijand af. Gideon laat de 300 mannen die hij overhoudt niet alleen voor de Here strijden maar ook voor zichzelf. Als hij niet door de stad Pnuël geholpen wordt, keert hij na de overwinning terug om de stad met de grond gelijk te maken. Hij slaat weliswaar de koningstitel af, maar laat zich wel als koning behandelen en voert de afgodendienst weer in.

Jefta, die door zijn broers verbannen is, wil alleen helpen als hij de aanvoerder van het volk wil zijn. Zijn overwinning leidt zijn roekeloze belofte in, die uitloopt op het misschien wel letterlijk offeren van zijn enige dochter. Dat die belofte en dat offer door de verteller afgekeurd wordt, blijkt wel uit het vervolg, waarbij hij zijn conflict met de Efraïmieten laat uitlopen op een burgeroorlog.

De meest erge
De allerlaatste ‘grote’ richter is de meest erge. Hij wordt door God voorbestemd tot nazireeër, een aan God gewijd persoon. Simson lapt echter alle regels die bij een nazireeër horen aan zijn laars: ondanks dat hij geen wijn mag drinken, betreedt hij een wijngaard. De leeuw die hij daar tegenkomt, wordt door hem verscheurd. Ondanks dat hij als nazireeër geen dode dieren of dode mensen mag aanraken haalt hij honing uit de dode leeuw. Zijn kracht gebruikt hij om zichzelf te wreken. ‘De wijze van optreden van Simson deed denken aan een bedorven brok voedsel’, schrijft Le Roux. Niet Simson is de geloofsheld, maar zijn moeder is in die hoofdstukken het vrome voorbeeld.

Epiloog
Als je denkt als lezer dat je niet dieper kunt zinken, komt de epiloog van hoofdstuk 17-21: Micha die zijn eigen moeder besteelt en een eigen privéheiligdom bouwt en zijn eigen priester aanstelt. De privétempel van Micha wordt echter leeggeroofd door een groep Danieten die daarmee hun veroveringstocht van een gebied waarin mensen onbeschermd wonen van een vrome legitimering voorzien. Daarna worden de bladzijden nog zwarter: de Benjaminieten die weigeren om gastvrij te zijn naar een eigen volksgenoot en hem willen verkrachten en uiteindelijk maar hun gang gaan met zijn bijvrouw als ze hem niet te grazen kunnen nemen.

Vrouwen
Vrouwen spelen vaker een kenmerkende rol in dit bijbelboek. Een enkele keer gaan ze mee in de harde, wrede werkelijkheid, zoals de moeder van Sisera, die ervan uitgaat dat haar zoon nog niet thuiskomt omdat hij eerst enkele meisjes als oorlogsbuit moet uitzoeken. Soms komen de vrouwen voor als slachtoffer, zoals in de hoofdstukken 17-21. Geregeld komen ze juist verrassend daadkrachtig naar voren, zoals Achsa die haar erfenis opeist, Deborah die Barak aanzet tot de bevrijding, Jaël die zichzelf beschermt en daarmee Israël verlost van een onderdrukker, de naamloze moeder van Simson die de engel gelooft.

Falen van Gods volk
Richteren is het falen van Gods volk. Het lukt Israël niet om te leven zoals God vraagt. De wereld is aantrekkelijker: men kiest steeds weer voor de egoïstische, op genot en bevrediging gerichte levensstijl. Le Roux is realistisch genoeg om te beseffen dat christenen het niet beter doen. Ze leest Richteren vooral als christen. Ze ziet hoe door de ontrouw van het volk God steeds weer verrassend genadig is en Zijn volk redt.

Geregeld ziet ze in de afwijzing door het volk en de kwetsbare weg van God om met dit steeds weer ongehoorzame volk het kruis van Christus opdoemen. Aan dat kruis lijdt Christus voor de zonde, aan de onverschilligheid van de mensen en overwint Hij het kwade. Lezend in het commentaar van Le Roux besef ik: als christen moet ik Richteren niet aan de kant leggen, maar juist grondig bestuderen, omdat ik daar zie hoe God in deze wereld vol zonde, afwijzing, wreedheid en onrecht genadig Zijn weg gaat.

Verschenen in CW Opinie

N.a.v. dr. Magdel le Roux, Richteren. Serie: De Prediking van het Oude Testament (Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2018).

Recensie Slenczka

Vom Alten Testament und vom Neuen. Beiträge zur Neuvermessung ihres Verhältnisses. Notger Slenczka, Evangelische Verlagsanstalt Leipzig 2017, 506 blz., € 44,-.

In 2015 leidde een artikel uit 2013 van de systematisch-theoloog Notger Slenczka tot een rel in Duitsland. In dat artikel stelde Slenczka dat het Oude Testament zijn canonieke status had verloren en dat de kerk er beter aan deed om het Oude Testament de status van apocriefe boeken te geven. Deze stelling werd een rel, omdat velen dachten dat Slenczka het Oude Testament wilde afschaffen. Men zag allerlei spookbeelden uit de jaren-’30, zoals antisemitisme, opdoemen. In 2017 publiceert Slenczka een verzamelbundel met het bewuste artikel en andere artikelen die hij schreef om zijn positie te verduidelijken. Ook zijn artikelen van na de rel toegevoegd, waarin hij de consequenties van zijn stelling laat zien. Voortdurend laat hij doorschemeren dat de kritiek hem ook persoonlijk geraakt heeft. Ook omdat wat Slenczka stelt in eigen ogen helemaal niet nieuw is, maar een lijn is die binnen de Duitse theologie steeds is aangehangen.
Voor Slenczka kan het Oude Testament alleen canonieke status hebben als kerk en theologie ervan uitgaan dat het Oude Testament over Christus gaat. In dat geval is het Oude Testament een onderdeel van de geschiedenis van de kerk. Vanaf de 19e eeuw leidt het opkomende historische bewustzijn tot het inzicht dat het Oude Testament niet op de kerk is gericht, maar op een specifiek volk. Voor Schleiermacher – en een eeuw later Von Harnack – reden om te stellen dat de gerichtheid op een specifiek volk niet past bij het universele geloof van de kerk. Het Oude Testament is van minder kwaliteit dan het Nieuwe Testament. De historisch-kritische exegese versterkt nog eens het inzicht dat het Oude Testament van oorsprong niet aan de kerk was geadresseerd. Door de opkomst van bijvoorbeeld de theologie van het Oude Testament vanaf de jaren ’30, waarin men volhield dat het Oude Testament vanaf de allereerste oorsprong wel op Christus was gericht, kon men nog volhouden dat het Oude Testament canoniek was. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de dialoog met tussen Joden en christenen op gang. In de laatste decennia wordt in die dialoog door zowel Joden als christenen gesteld dat het Oude Testament niet van oorsprong op Christus was gericht. Deze gedachte wordt inmiddels breed in de kerk aangehangen. Daarmee is echter volgens Slenczka de laatste pijler voor de canonieke status van het Oude Testament ondergraven. Het Oude Testament is in de praktische omgang niet meer canoniek, maar apocrief. Dat het Oude Testament wel in het Nieuwe Testament wordt geciteerd is niet afdoende, want dan zou ook bepaalde Griekse of Romeinse literatuur, die in het Nieuwe Testament wordt geciteerd canoniek zijn. Slenczka komt tot de conclusie dat het Oude Testament slechts tot de voorgeschiedenis van het christendom behoort. Het Oude Testament gaat niet over Christus. Het Oude Testament hoeft niet te worden afgeschaft. Er kan zelfs over gepreekt worden. Het Oude Testament heeft dan de functie die bij Luther de wet heeft: het beschrijft de situatie zonder Christus. In deze verzamelbundel is ook een aantal preken opgenomen, zodat duidelijk wordt hoe Slenczka deze functie ziet.
Ten tijde van de rel is Slenczka verweten dat hij niet op de hoogte is met recente discussies rondom het Nieuwe Paulusperspectief en rondom de dialoog tussen Joden en christenen. In dit boek laat hij zien dat hij deze discussies terdege heeft gevolgd. In zijn ogen onderbouwen die discussies juist zijn stellingname. Hij sluit af met enkele kritische bijdragen over de uitkomsten van de dialoog tussen Joden en christenen. Slenczka is van mening dat christenen vanuit de Lutherse tweerijkenleer wel voor het bestaan van de staat Israël op mogen komen, maar daar geen Bijbelse argumenten voor kunnen gebruiken. De staat Israël moet ook geen bijzondere theologische status krijgen, maar in ethisch opzicht net als elke andere staat worden benaderd. Slenczka is kritisch op de ontwikkelingen in de dialoog tussen Joden en christenen, omdat hij van mening is dat aan christelijke zijde teveel water bij de wijn gedaan wordt. Christelijke theologen zijn bereid om het specifieke van christelijke Godsbeeld op het spel te zetten om de Joden tegemoet te komen. In een kritisch artikel over Berthold Klappert vraagt hij zich af waarom Klappert niet over wil gaan tot het Jodendom maar christen blijft. Ook is hij van mening dat de christelijke visie nog behoorlijk aanmatigend blijft als er gesteld wordt dat christenen opgenomen worden in het verbond dat God met Israël sluit. Wat blijft er van deze gedachte over als Joodse stromingen ontkennen dat christenen ook tot het verbond zijn toegetreden? Alleen al vanwege deze kritische reflectie op de dialoog tussen Joden en christenen en de consequenties voor de christelijke theologie maakt Slenczka’s boek de moeite waard.
Tijdens het lezen van Slenczka kreeg ik de indruk dat het hier om een debat binnen de Lutherse traditie gaat. Binnen de gereformeerde of de evangelicale traditie zullen andere afwegingen gemaakt kunnen worden, waardoor het Oude Testament toch zijn canonieke status blijft behouden zonder dat een christologische interpretatie strikt noodzakelijk is. Binnen de gereformeerde traditie kan dat bijvoorbeeld de gedachte van de voortgaande openbaring zijn. Of het ‘tegoed van het Oude Testament’. Het zwakke punt in zijn betoog vind ik dat hij het specifiek christelijke van Christus koppelt aan het nieuwe dat Christus bracht. Met dat uitgangspunt kom je al snel in een verschil in waardering van het Oude en Nieuwe Testament. Het duurde wel een tijd voor het boek echt op gang kwam, omdat Slenczka in het begin het artikel dat aanleiding gaf voor de rel wil uitleggen. Dat geeft in het eerste deel veel herhaling. Naarmate het boek vorderde, werd het een spannend en leerzaam betoog. Al deel ik zijn uitkomst niet en hecht ik meer waarde aan de eigenheid van het Oude Testament, een aantal uitgangspunten van Slenczka zijn relevant in de huidige theologische discussies, zoals het serieus nemen van de eigen theologische geschiedenis en het vasthouden aan de eigenheid van het christelijk geloof. Een van de oorzaken waarom hij bij de krasse stelling van zijn boek uitkomt, is dat hij zich zorgen maakt over de theologie in deze tijd, die als het gaat om het christelijk Godsbeeld te veel inlevert en daarmee het specifieke christelijke op het spel zet.

eerder verschenen in Soteria

Matthijs SchuurmanPredikant van de Hervormde Gemeente Oldebroek (PKN)

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

Een volwaardige plek voor het Oude Testament in de christelijke eredienst

In de kerk moet het Oude Testament volop klinken. Daardoor wordt elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. En daarvan mag de christelijke gemeente zich wel wat meer bewust zijn, schrijft Jürgen Ebach

Heeft het Oude Testament een minderwaardige plaats in het christelijk geloof? Nee! is het stellige antwoord van Jürgen Ebach, die tot 2010 hoogleraar Oude Testament aan de universiteit van Bochum was. In de christelijke eredienst komt het Oude Testament volop tot klinken. Daardoor wordt het elke kerkdienst weer duidelijk dat God de God van Israël is. Daar mag de christelijke gemeente zich wel meer bewust van zijn, vindt Ebach.

csm_DEKT_Juergen_Ebach_wide_90073f50b9

Concrete eredienst
In zijn boek gaat hij de zondagse liturgie stap voor stap door vanuit de vraag: waar en hoe klinkt het Oude Testament in de concrete eredienst? Haast elke stap en elke formulering in de eredienst is te herleiden op of te verdiepen vanuit het Oude Testament. Een belangrijke vraag daarbij is: hoe kunnen we in de christelijke eredienst woorden en zinsneden uit het Oude Testament opnemen, zonder daarbij het Oude Testament van Israël af te pakken? Het gaat hem er vooral om verdieping door inzicht, dat het Oude Testament zoveel betekent voor de concrete eredienst.

Vragen
Dat doet hij steeds weer door vragen te stellen, bij de antwoorden die christenen geven. Dat is de theologische stijl die hem kenmerkt. Deze stijl van steeds weer vragen stellen heeft hij geleerd in het gesprek met Israël.

62061103

Waar woont God?
Ebach start zijn uiteenzetting met het kerkgebouw. Hij doet dat vanuit de vraag: waar woont God? Kun je zeggen dat er ruimten zijn waarin God dichter bij ons is en ook ruimten waar Hij verder is? Hij wijst erop, dat er in het Oude Testament verschillende stemmen zijn, die naast elkaar klinken en die niet geharmoniseerd moeten worden.

Er is een tempel waar het volk een cultus heeft om God te eren. Die tempel is echter te klein om God te kunnen bevatten, want als de hemelen al te klein zijn om God te kunnen bevatten, is een aards gebouw dat zeker. Het volk heeft wel een plek nodig om God te kunnen dienen, om te weten dat God in hun midden is. Het kerkgebouw is er voor de gemeente, om een plek te hebben bij God te komen.

Als de gemeente bij elkaar is in de naam van de Heer dan betreedt ze de ruimte van Gods zegen en bescherming. Het is kenmerkend voor de God van Israël dat Hij zowel in de hemel woont als op de laagste plaatsen, bij de minsten op aarde. God is benaderbaar, maar Hij wordt geen bezit. Zelfs niet van Israël.

Genderneutraal
Ebach spreekt niet zomaar over Hij als het gaat om God, maar wisselt tussen Hij en Zij. Ebach streeft naar een genderneutraal spreken over God. Hij is ook betrokken geweest bij de Bibel in gerechter sprache. God is niet mannelijk of vrouwelijk en in het Oude Testament zijn er ook vrouwelijke beelden van God, zoals God die als een hen is, die de kuikens verzamelt. Daarom is God meer dan een vader. Aan het begin van een kerkdienst kan volgens Ebach beter klinken: Wij vieren deze eredienst in de naam van God, die voor ons Vader en moeder is. Dat is voor Ebach geen meewaaien met genderneutrale winden, maar een gevolg van nauwkeurig luisteren naar de Schrift.

Naam
Op de weergave van de naam van God met Heer is Ebach dan ook kritisch. Liever heeft Ebach de weergave van Adonaj. Uit respect voor de Joodse traditie en om vast te houden dat de naam van God onuitspreekbaar is.

Psalmen
Ongelukkig is Ebach met de manier waarop psalmen in het Evangelische Gesangbuch terechtgekomen zijn. De onderdelen die weggelaten zijn, zijn voor Ebach juist wat de psalmen maken tot liederen van Israël: de zinnen over achtervolgd worden, over de goddelozen. Daarmee spreekt de kerk impliciet uit, dat die frasen stammen uit een primitievere fase van geloven, die de kerk is ontgroeid en waarin het Jodendom nog is blijven steken.

Schriftlezing
Als het gaat om de Schriftlezing voert Ebach een pleidooi voor zowel een oudtestamentische als een nieuwtestamentische lezing. Hij is blij met voorstellen om meer aandacht te geven aan het Oude Testament, zoals de nieuwe perikopenordening die meer oudtestamentische lezingen voorstelt.

383_08242_168870

Geloofsbelijdenis
Ook de apostolische geloofsbelijdenis brengt Ebach in gesprek met het Oude Testament. Hij wil deze belijdenis niet aanpassen, maar wel vragen stellen bij de belijdenissen, vragen bij de antwoorden, die hem, mondig mens, helpen om zijn geloof te belijden.

Een bijzonder voorstel is om de almacht van God te doordenken vanuit het berouw van God. Hij snapt de moderne kritiek op de almacht van God en wil die ook serieus nemen, maar gaat niet zover om te spreken over de onmacht van God. De almacht van God bestaat voor Ebach hierin, dat God in staat is om zijn eerder aangekondigde oordeel uit te stellen of op te heffen. God hoeft zich niet krampachtig aan de macht vast te houden of zich te laten leiden door de regels van de macht. God heeft de macht over de macht. En dat is volgens Ebach juist almacht.

Collecte
Veel aandacht besteedt Ebach aan de collecte, omdat de collecte zichtbaar maakt dat het in het dienen van God om gerechtigheid gaat. De Bijbelse gerechtigheid is geen iustitia, waarbij iedereen het zijne krijgt. Gerechtigheid is z’daka: iemand die zich solidair toont met een lager geplaatst iemand, die voor hem of haar op komt en zorgt dat er hem of haar recht gedaan wordt. In de Bijbel kan gerechtigheid niet los gezien worden van recht krijgen of recht gedaan worden.

Verkondiging
Kort gaat Ebach ook in op de verkondiging vanuit het Oude Testament. Hij wijst een een manier van preken af, die in het Oude Testament iets voorlopigs ziet, iets dat minder is of alleen maar belofte is en dat in het Nieuwe Testament compleet gemaakt wordt of vervuld wordt. Het gaat om een nauwkeurig lezen van de Schrift. Om te ontdekken wat de Schrift in en over onze tijd te zeggen heeft. Het gaat niet om goedkope actualisering, maar om de eigen tijd te begrijpen in het licht van de tekst.

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad van 12 augustus 2017

N.a.v. Jürgen Ebach,
Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes. Gütersloher Verlagshaus, 2016.

Preek zondag 2 oktober 2016 -middagdienst

Preek zondag 2 oktober 2016 -middagdienst
Israëlzondag
Deuteronomium 4:23-40
Tekst: Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur (vers 24a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op deze Israëlzondag had ik stil willen staan bij het bijzondere van de God van Israël,
namelijk dat de God van Israël – de enige God die er is (er is geen andere God),
dat die God uit de hemel neerdaalde om op aarde te zijn.
Er zijn verschillende teksten in het Oude Testament die er van spreken
dat God op aarde komt, om te wonen tussen Zijn volk Israël.
Dat God naar de aarde komt,
dat is niet iets wat in het Nieuwe Testament voor het eerst gemeld wordt,
maar dat wordt in het Oude Testament reeds aangegeven,
bijvoorbeeld in de verhalen over de bouw van de tabernakel en de tempel,
de tabernakel een tent, de tempel een huis voor God om te wonen.
Dat zou een mooie, bemoedigende preek worden,
met misschien ook wel nieuwe inzichten,
namelijk dat de komst van de Heere Jezus op aarde
niet echt nieuw is ten opzichte van het Oude Testament,
omdat daar al gesproken wordt over Gods afdalen op aarde.
Het nieuwe zou dan zijn, dat met Christus God als mens op aarde komt
om net als ons te worden.
(Het heeft me trouwens verrast dat de thematiek van God die op aarde afdaalt
naar de tabernakel of de tempel niet in Deuteronomium voorkomt. Wel Ex/Lev).

Maar niets van deze thematiek verder in deze preek,
want ik bleef haken bij een andere karaktertrek van God, die in dit gedeelte wordt gemeld:
Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een na-ijverig God.                
Dat is nogal een uitspraak: God als een verterend vuur.
Ik kreeg deze uitdrukking, dit beeld niet meer uit mijn gedachten.
Want dat is niet een tekst om op een stichtelijke kaart af te drukken
om die aan een medegelovige te sturen.
Want wat zal de gedachte zijn, als iemand een kaart krijgt met zo’n Bijbeltekst:
Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een na-ijverig God.  
Dit is ook tekst waarvan je hoopt dat iemand die niet zo vaak in de kerk komt
of de Bijbel niet kent, hoort.
Want wat zullen de gedachten zijn van iemand,
die niet weet dat er ook zoveel andere teksten over God in de Bijbel staan,
en dan over God te horen krijgt dat Hij een verterend vuur is.
Dat is niet echt een beeld dat uitnodigt om in de gemeenschap van God toe te treden.

Nu kan heel gemakkelijk de gedachte ontstaan dat God als een verterend vuur
meer iets voor het Oude Testament is
en dat dit beeld van God in het Nieuwe Testament wordt gecorrigeerd
door een beeld dat veel liefdevoller is, uitnodigender, geduldiger.
Maar het is vandaag Israëlzondag.
De kerk heeft God niet beter begrepen dan het volk Israël.
Dat mogen we op deze Israëlzondag niet doen
– op geen enkele zondag mogen we doen dat het beeld
dat het Nieuwe Testament van God een heel ander beeld geeft van God.
Dat waar de Heere in het Oude Testament strakkere, hardere trekken heeft
die in het Nieuwe Testament worden gecorrigeerd.
Want het Nieuwe Testament heeft geen andere God dan het Oude Testament
en spreekt ook niet anders over de Heere dan in het Oude Testament.
Ook in het Oude Testament wordt gezegd dat God liefde is.
Kijk alleen maar in dit hoofdstuk, vers 31 – tenminste in de NBV:
Want de HEER, uw God , is een God van liefde.
En omgekeerd wordt in het Nieuwe Testament gesproken over een God die toornt.
Juist deze tekst over God als een verterend vuur wordt in het Nieuwe Testament aangehaald.
In het laatste vers van hoofdstuk 12 wordt deze tekst aangehaald
Om de gemeente aan te sporen trouw aan God te blijven
en naar Hem te blijven luisteren en dienen – Want onze God is een verterend vuur!
We kunnen dit beeld niet zomaar aan de kant schuiven.

Waarom dit beeld bij mij bleef haken, is omdat ik dit niet altijd bewust ben
in mijn eigen omgang met God.
Wanneer ik de kerk binnenkom om een kerkdienst bij te wonen
en naar een preek te luisteren.
Ik kom dan naar de kerk om bemoedigd te worden,
Weer iets van God te horen, om mijn geloof te versterken.
Dat de God die tot mij spreekt ook een verterend vuur kan zijn,
ben ik mij niet altijd bewust.
Misschien wil ik dat ook niet, dat deze kant van God in de aandacht kom
omdat ik dan niet weet wat er dan van mijn geloof, maar vooral van mijzelf overblijft.
Want wie kan God onder ogen komen?
Wie kan de stem van de Heere horen, in zich opnemen
en dat er levend van afbrengen?
Mozes houdt dat het volk Israël voor:
Weet je wel hoe bijzonder het is dat je nu nog leeft?
Want je hebt de Gods stem vanuit het vuur gehoord!
Zo kom ik niet uit de kerk: in verwondering dat ik de ontmoeting met God heb overleefd.
Zo bezig met die tekst denk ik, dat ik zelf wel meer van dat ontzag voor God mag hebben.
Ik bedenk me dat er gemeenteleden nu zijn,
die zeggen: Ja, maar dat ontzag voor God heb ik wel degelijk.
Als ik naar de kerk ga, als ik tot Hem nader in het gebed of uit de Bijbel lees,
Dan besef ik dat ik voor de heilige God sta die niet met zich laat spotten.
En misschien denkt u er dan bij:
Het zou niet verkeerd zijn om meer besef van de heiligheid van God te hebben.
Om er bij stil te staan dat God niet zomaar met zich laat spotten.

Wat is dat voor een beeld van God: God als een verterend vuur?
Wat bedoelt Mozes ermee?
Dat is altijd goed als u in de Bijbel op iets stuit waarvan u denkt:
‘Hier kan ik niets mee.’
Dat u dan op onderzoek uit gaat,
om te achterhalen wat er met die Bijbeltekst bedoeld wordt
en wat u er toch van zou kunnen leren.
Wat bedoelt Mozes ermee en waarom gebruikt hij juist nu dit beeld van God?
Dat heeft met het voorafgaande te maken:
maak geen beeld van God.
Maak geen beeld van hout of steen, van goud of koper of welk materiaal ook,
want de Heere, uw God, is een verterend vuur.
Deze tekst mogen we dus niet zomaar los citeren.
Dat de Heere een verterend vuur is moeten we in het kader zien van die beelden
die mensen kunnen maken van God.
Stel dat we bedenken dat we hier in de kerk een beeld van God zouden willen hebben,
een beeld van goud of koper (het moet er wel mooi uitzien!)
of van steen of hout
– dat kan gewoon niet.
God kan niet in zo’n beeld van steen of hout, van koper of goud huizen.
Want dat was de gedachte van zo’n beeld dat je liet maken:
dat de god die je diende dan in zo’n beeld kwam wonen
en dan had je die god zo makkelijk dichtbij.
Je kon hem dan in de kamer neerzetten
en dan kon je bij jezelf denken: ik ben mijn god in huis.
Je kon ervoor gaan zitten, met je gedachten op dat beeld gericht.
Dat hielp dan bij de concentratie
en omgekeerd als dat beeld dan naar je keek, dan wist je: mijn god kijkt naar mij.
Ik kom in de kijklijn van mijn god
en als ik hem aanraak, vloeit er zegen over naar mij vanuit dat beeld,
want Gods kracht stroomt in mij over.
Een beeld van God suggereert dat je Hem heel dicht bij je hebt,
onder handbereik, je kunt Hem zien en aanraken.
Hij is niet ver, Hij is niet verborgen.
Je hoeft je nooit af te vragen waarom Hij zich niet laat zien of waar Hij is.
Hij is bij je.

Dat kun je niet maken – want God is een verterend vuur.
Onze God past niet in zo’n beeld.
Zijn grootheid, Zijn heiligheid zou dat beeld verteren.
Dat is het eerste aspect: wanneer onze God met zo’n beeld in aanraking komt,
dan blijft er van dat beeld niets over.
Zoals bij een elektrisch apparaat, een lamp waarbij teveel stroom op staat,
dat er kortsluiting komt: het bolletje knapt of het apparaat door de klap van de stroom stuk gaat
zo blijft er van dat beeld niets over.
God is te groot, te heilig – God is niet te vangen.
Ook niet in een beeld.
In die tijd dacht men dat zo’n beeld juist een soort transformator was
om de heilige God die zo geladen vol heiligheid toch wat dichterbij kon brengen,
een afzwakken van zijn heiligheid, zijn gloed – Gods kracht wordt wat afgezwakt
om hem dichterbij te brengen, zodat jezelf niet verteert, maar blijft bestaan
en dat Zijn zegen, zijn kracht en hulp in je overvloeit.
Een beeld als een soort transformator,
die God voor je wat kleiner maakt, wat behapbaarder en benaderbaarder.
Maar dat kun je met God niet doen,
Dat je Hem kleiner kunt maken, zodat jij Hem aankan, zodat jij Hem begrijpt.
Want voor ons als mens blijft Hij te groot, te veel anders,
wij kunnen Hem nooit helemaal doorgronden, nooit helemaal doordenken.
En toch is zo’n transformator die Gods heiligheid en grootsheid omzet in iets kleins
niet nodig, want ondanks Zijn heiligheid en grootsheid
komt God naar ons toe door te spreken: Hij maakt zichzelf klein.
Zijn stem komt tot ons – hier verwijst Mozes naar het vuur op de berg dat er was,
maar soms is Zijn stem ook fluisterend en vriendelijk,
maar dan ook weer aandringend en waarschuwend,
maar God bepaalt hoe Hij tot ons komt en wat Hij tegen ons zegt.
Hij bepaalt de manier, Hij bepaalt de boodschap.
Dat kunnen wij en mogen wij niet.

En vergeet ook niet dat Gods daden niet in zo’n beeld te vangen zijn.
Moet je zien wat de Heere gedaan heeft: van de schepping tot de uittocht,
de strijd die Hij voor Israël voerde,
hoe Hij zelf voorop ging in de strijd en Israël alleen maar hoefde te volgen.
Die beeldjes die je als mens maakt, zijn te klein, te stijf.
Je kunt ze oren geven, maar ze zullen nooit horen
niet de dank en ook niet als je in je nood tot deze god roept.
en je kunt ze ogen geven en doen alsof je voor hen komt,
maar ze zullen je nooit opmerken en zien in welke omstandigheden je bent.
Alleen de levende God, die in de hemel is, die te groots, te ontzagwekkend is,
maar ook bereid is om zich kleiner te maken, uit zichzelf,
zodat wij Zijn stem kunnen horen en kunnen gehoorzamen.
Deze God is jullie God, zegt Mozes.
Die God die een verterend vuur is – is wel jullie God: de Heere uw God.
Dat geeft toch ook aan dat er een relatie is:
tussen het volk Israël en de Heere
en door Christus mogen wij ook delen in die relatie, in die gemeenschap met God.

Een verterend vuur, die er op gericht is om de relatie zuiver te houden.
Een verterend vuur:
Een vuur waarna er niets meer overeind blijft, alles afgebrand en zwartgeblakerd.
Ik heb verhalen gehoord over de brand op ‘t Harde in 1970.
Over de molen in Oosterwolde die is afgebrand.
Dat zijn verhalen waarin verteld kan worden van een verwoesting.
Als Mozes hier spreekt over God als een verterend vuur
wil hij op iets anders de aandacht vestigen:
niet een grillige brand, die nauwelijks te bestrijden is
En waarna als de brand geblust is de schade opgemaakt wordt.
Als God een verterend vuur is,
is dat eerder een vuur dat ruimte maakt en zuiverend werkt.
In de Bijbel wordt gesproken over goud dat in het vuur wordt zuiver gemaakt,
ontdaan van alles vuil en viezigheden.
Of misschien kunnen we denken aan een akker
waarbij na de oogst de brand wordt aangestoken om de stoppels te verbranden
om zo ruimte te maken voor een nieuwe oogst.
God is een verterend vuur – ja Hij verwoest,
maar niet alleen om een grillig, nietsontziende verwoesting te beginnen.
Nee, altijd ten dienste van die relatie die er is met mensen.
Om wel die beelden te verwoesten,
maar dan omdat ze God niet kunnen bevatten.
Ze maken God te klein.
Omdat ze Gods daden niet kunnen afbeelden,
God niet kunnen opsluiten.
Dat vuur dat brandt, dat is om ruimte te maken voor Hemzelf, de levende God,
de enige God die er is, die alleen de aarde geschapen heeft,}
die alleen Israël heeft uitgeleid, die alleen voor Israël streed.

Vuur – dat kan ook een beeld zijn van Gods toorn.
Ook Mozes waarschuwt ervoor, dat God het volk kan loslaten,
in ballingschap kan sturen, kan verstrooiien,
maar helemaal vernietigen – nee, dat zal niet gebeuren.
Sterker dan zijn toorn is Zijn barmhartigheid.
Dat is het laatste woord.
God als een verterend vuur, dat is niet bedoeld om Israël te verteren, te vernietigen.
Dat kan wel – verwondering dat het niet gebeurt,
maar God wil dat niet.
Hij koos voor Israël als Zijn volk.

Maar Hij vraagt wel iets.
Een verbond heeft twee kanten.
Gods heiligheid, Gods anderszijn vraagt een volk dat anders is, heilig.
Dat zich ervan bewust is dat het leven voor Gods aangezicht afspeelt.
Coram Deo.
Niet voor een beeld, maar voor de levende God,
die ziet en hoort, die niet met de armen over elkaar zit,
maar ingrijpt, strijdt, desnoods uit de hemel komt
en mens wordt in Jezus Christus.
Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet loslaten, en u niet te gronde richten; Hij zal het verbond met uw vaderen, dat Hij onder ede met hen gesloten heeft, niet vergeten.
Amen


Christenen lezen het Oude Testament te veel vanuit een westers perspectief

Christenen lezen het Oude Testament te veel vanuit een westers perspectief

Het Oude Testament (OT) is onder veel christenen minder populair dan het Nieuwe Testament (NT). De Amerikaanse hoogleraar Oude Testament John Goldingay draait de zaak echter om in zijn nieuwste boek: je moet het NT lezen door de bril van het OT.

Hebben christenen het Nieuwe Testament eigenlijk wel nodig? Meestal wordt deze vraag gesteld met betrekking tot het Oude Testament. De gedachte is dat een christen aan het Nieuwe Testament genoeg heeft en het Oude Testament van minder waarde is. Als reactie op de onderwaardering van het Oude Testament draait John Goldingay de vraag om. Goldingay is een evangelicale Bijbelwetenschapper en hoogleraar Oude Testament aan het Fuller Theological Seminary in Pasadena, in de Amerikaanse staat Californië.
In zijn jongste boek Do we need the New Testament? Letting the Old Testament Speak for Itself verdedigt hij de stelling dat het Nieuwe Testament ten opzichte van het Oude Testament nauwelijks iets nieuws bevat. Goldingay spreekt ook liever niet over het Oude Testament, omdat die naam de suggestie doorklinkt dat dit deel van de Bijbel verouderd is. Hij spreek over het Eerste Testament.


9780830824694

De verhouding van het Oude tot het Nieuwe Testament moet niet als een probleem worden behandeld, zoals vaak gebeurt, vindt Goldingay. Hij vergelijkt de relatie tussen het Eerste en het Nieuwe Testament met de bekende Amerikaanse films over Jason Bourne. Het eerste deel van die film was een zelfstandige film, waarbij een vervolg niet noodzakelijk was. Die eerste film kan dan ook gezien worden los van andere delen.

Buiten werking gesteld
Zo is het niet noodzakelijk dat Eerste Testament gelezen wordt vanuit het Nieuwe Testament. Het Eerste Testament heeft een eigen boodschap. Wanneer de tekst van het Eerste Testament wordt gecorrigeerd vanuit het Nieuwe Testament wordt de boodschap van het Eerste Testament buiten werking  gesteld. Wat buiten werking wordt gesteld zijn vooral ethische noties die kritisch zijn ten opzichte van de westerse cultuur. Een christologische lezing van het Eerste Testament komt het westen erg goed uit.

Verkeerde bril
Wat Goldingay ook signaleert is dat een christologische lezing van het Eerste Testament een verkeerde bril geeft om het heden te duiden. De Brit Goldingay die nu werkzaam is in de Verenigde Staten verbaast zich erover dat daar in de VS de gedachte heerst dat de kerk in ballingschap is. Van de kerk in Europa kan hij dat begrijpen. Van de kerk in de VS niet. De invloed van de kerk neemt weliswaar af, maar de kerk in de VS staat er nog redelijk goed voor. De kerk in de VS wordt wel aangevallen, maar Jeruzalem is nog niet gevallen. Als er een vergelijking gemaakt wordt met die periode van Israël is het gepaster om de link te leggen met de periode voor de ballingschap. Waarbij de kritische boodschap van Jeremia tegen Jeruzalem ook voor de kerk van nu geldt.

Wij zijn Babylon. Wij zijn Amalek
Een voorbeeld waarbij de boodschap buiten werking wordt gesteld, omdat de ethische boodschap het westen niet goed uitkomt,  is het spreken over oorlog en geweld. Pacifisten kunnen zich niet op het Eerste Testament beroepen. In het Eerste Testament wordt gesproken over oorlogen die door de koningen worden gevoerd, zonder dat die strijd wordt bekritiseerd. In het Eerste Testament is er wel een verschil tussen geweld dat door God is gelegitimeerd en geweld dat in het teken staat van onrecht dat begaan wordt door mensen die niet van God willen weten.
Dit gebruik van geweld wordt nogal eens vanuit het Nieuwe Testament bekritiseerd vanuit het gebod van de naastenliefde. Goldingay tekent hierbij aan dat de ethiek van de naastenliefde een opdracht voor individuen is en niet voor overheden of staten. Bovendien kunnen de westerse christenen zich niet vergelijken met het kwetsbare Israël. Vanwege hun koloniale verleden en hun huidige macht in de wereld zijn de westerse landen niet met Israël te vergelijken. Israël was een speelbal tussen de grootmachten. Wij zijn Babylon. Wij zijn Amalek (Deuteronomium 25: 17-19). Zowel Babylon als Amalek waren sterke machten die de zwakke aanvielen.

Psalm 137
Die koppeling tussen de westerse christenen en de dreigende grootmachten uit het Oude Testament legt Goldingay ook in de uitleg van de wraakpsalmen. Veel westerse christenen hebben moeite met deze psalmen, maar ze vergeten dat die psalmen tegen ons westerse christenen zijn bedoeld.
Als voorbeeld geeft hij Psalm 137. Deze psalm is berucht vanwege het slot waarin gebeden wordt of de kinderen van Babylon tegen de rotsen te pletter gegooid mogen worden. Goldingay wijst erop dat deze psalm van groot belang is geweest voor de Rastafari’s op Jamaica in hun verzet tegen de Britse koloniale overheersers. Psalm 137 was de inspiratiebron voor een van de belangrijkste verzetsliederen: Rivers of Babylon. De ironie is dat dit lied nummer 1 werd in Groot-Brittannië. De Britten hadden niet door dat dit lied tegen hen was gericht en vooral tegen de Britse overheersing van Jamaica.

Wraakpsalmen
Hoewel christenen uit het westen vaak moeite hebben met wraakpsalmen, kunnen zij deze psalmen wel bidden. Maar dan met het oog op de christenen die worden vervolgd. Wij moeten ze bidden, maar dan vanuit het besef dat wij met onze wereldpolitiek aan de verkeerde kant staan, omdat het westen vanwege de overmacht zwakkere landen kan aanvallen en overheersen. Met deze wraakpsalmen bidden wij om onze eigen bekering. Goldingay is daarom fel tegen een allegorische interpretatie, omdat we daarmee de wraakpsalmen onschadelijk maken voor onszelf: wij willen niet graag Amalek zijn. Volgens hem is klopt de klassieke regel, dat wat in het Eerste Testament verborgen is in niet Nieuwe Testament onthuld wordt, niet. Het is volgens hem andersom: Wat in het Eerste Testament onthuld is, wordt in het Nieuwe Testament verborgen.


En Jezus dan?
En Jezus dan? Goldingay stelt dat Jezus geen nieuwe boodschap over God had ten opzichte van het Eerste Testament. Wat nieuw is, is dat Jezus de belichaming is van wat het Eerste Testament over God verkondigt. In zijn boodschap was Jezus niet op zichzelf gericht, maar op God. Een christologische interpretatie van het Eerste Testament hanteert daarom een maatstaf die niet alleen vreemd is aan het Eerste Testament, maar ook haaks staat op het Nieuwe Testament.

* John Goldingay, Do we need the New Testament? Letting the Old Testament Speak for Itself (Downers Grove, Illinois: IVP Academic, 2015).

Recensie geplaatst in het Friesch Dagblad van 22 februari 2016

Zwijgen als communincatievorm in de Bijbel

Zwijgen als communicatievorm in de Bijbel

insightImage

Voor het Friesch Dagblad heb ik een recensie geschreven over: Jürgen Ebach, Beredtes Schweigen. Exegetisch-literarische Beobachtungen zu einer Kommunikationsform in biblischen Texten (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2014).

In dit boek gaat Ebach verschillende teksten uit het Oude Testament langs en ook enkele uit het Nieuwe Testament die over zwijgen gaan of waarin gezwegen wordt. Daarin laat hij zien dat zwijgen een zeer gelaagde communicatievorm is (die ook gemakkelijk over het hoofd kan worden gezien).
Leseprobe

Vervulling van de belofte in het Oude Testament?

Vervulling van de belofte uit het Oude Testament?

Vooral rondom Kerst duikt de gedachte op, dat het Oude Testament spreekt van een belofte, die in het Nieuwe Testament vervuld wordt. Dat heeft wellicht ook te maken met de gedeelten uit Mattheüs en Lukas over de aankondiging en geboorte van Jezus, waarin aangegeven wordt dat hetgeen beschreven is in de Schriften vervuld wordt.

Omdat ik komende zondag preek over Mattheüs 1:1-17 ga ik na wat de waarde is van de gedachte van Jezus als vervulling van het OT.

Daarvoor raadpleeg ik een boek van de oudtestamenticus Horst Dietrich Preuβ over Het Oude Testament in de christelijke prediking. Hierin heeft hij een paragraaf over het schema belofte – vervulling. Volgens Preuβ is de gedachte, dat het NT de vervulling is van het OT, problematisch:
In het NT wordt er weliswaar gesproken over vervulling, maar zijn er vanuit het NT meerdere verbindingen te leggen met het OT. De gedachte dat het NT vervulling is van het OT mag daarom niet absoluut gesteld worden.
Het is ook niet terecht om aan te geven, dat het OT vol is van een belofte. Het OT is ook vol van aankondiging van oordeel. We kunnen toch niet zeggen, dat het komende oordeel een gave van God is die wordt beloofd?

Bovendien is er de vraag van de hedendaagse gelovige of de hedendaagse christelijke lezer van het OT: Wat zegt het een christen, die het OT leest, dat wat er in het OT beschreven wordt in Christus vervuld wordt?
Allereerst gaat in het in het OT om de geschiedenis van God met Zijn volk Israël. We kunnen niet (zoals Walter Zimmerli bijvoorbeeld deed) zeggen, dat voor ons in het OT de belofte zichtbaar wordt. Dan wordt er te weinig onderscheid gemaakt tussen Israël en de christelijke gemeente.

Daarnaast gaat de geschiedenis die in het OT beschreven wordt aan de hedendaagse christelijke gelovige voorbij als deze alleen gezien wordt vanuit het perspectief van de vervulling. Het is dan een geschiedenis die ons niet aangaat, omdat wij alleen met de vervulling te maken hebben. Wat is de theologische relevantie van een geschiedenis waarin wij zelf niet voorkomen?
‘Onze luisteraars zijn meestal te hoffelijk om tegen ons te zeggen, dat zij niet in de preek voorkwamen, omdat de preek meer een leerstuk over fenomenen in de Bijbel was dan een nieuwe belofte of nieuwe aanspraak.’ (Preuβ, p. 68)

Preken vanuit het schema van de belofte naar de vervulling heeft ook het gevaar in zich, dat alle aandacht uitgaat naar het plan van God, waarbij de concrete gebeurtenis van het heil, de daadwerkelijke heilsdaad van God die we in de verkondiging zouden moeten tegenkomen overschaduwd wordt door het plan. De luisteraar moet niet een toeschouwer worden van een bepaald plan dat uiteen gezet wordt worden aangesproken vanuit de concrete heilsdaden van God. (Preuβ, p. 68)

Voor mij twee lessen voor de preek over Mt 1:
(a) Niet het heilsplan, maar de heilsdaad van God, zoals beschreven is in Mt 1, moet in de verkondiging centraal staan.
(b) Niet uitgaan een geschiedenis waarbij de gemeenteleden slechts toeschouwer zijn, maar een geschiedenis die hen als hoorder aangaat.
Deze twee lessen kunnen met elkaar te maken hebben. Wanneer het gaat om Gods heilsdaden, gaat een geschiedenis mij vandaag de dag ook meer aan, dan een plan (ook al is dat plan van God) dat zich in voorbije tijden afspeelt

N.a.v. Horst Dietrich Preuβ, Das Alte Testament in christlichter Predigt (1984) p. 62-69.