Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Het is markant beeld: de monnik Maarten Luther die een vel papier op de deur van de Slotkapel van Wittenberg met een hamer vastspijkert, waarmee hij de startsein geeft voor een vernieuwing van de kerk. Geen wonder dat 31 oktober internationaal wordt gebruikt om 500 jaar Reformatie te vieren. Maar wie was die Luther? Waarom kwam hij in verzet en stond juist hij aan het begin van vernieuwing van de kerk?

In de afgelopen eeuwen is Luther heel wat keren herdacht als held van de Duitse nationale geschiedenis of de protestantse kerkgeschiedenis, zonder dat helder was wat de inhoud van zijn boodschap was. Bij deze Reformatieherdenking zijn er gelukkig heel wat publicaties, die de levensweg en de inhoud van deze reformator bekendheid willen geven.
9789043528054-luther-zijn-leven-zijn-werk-m-LQ-f
Een van die publicaties is het boek Luther, zijn leven, zijn werk onder redactie van Sabine Hiebsch en Martin L. van Wijngaarden (zie: hier). Het gaat om een derde druk van een boek dat al in 2007 verscheen en dat vanwege het Reformatiejubileum geactualiseerd is. Het doel van dit boek is om de erfenis van Luther door te geven. Om Luther voor een breed publiek toegankelijk te maken is er gekozen voor een heldere opzet: het lopende verhaal is de biografie van Luther. Tussendoor worden in kleine hoofdstukjes belangrijke thema’s uit Luthers leven en theologie uitgelegd.

Luther werd op 10 november 1483 geboren als Martin Luder, zoon van Hans Luder die via de kopermijnen maatschappelijk promotie had gemaakt. Zijn zoon Martin mocht studeren om maatschappelijk nog meer vooruit te komen. Deze plannen van vader Luder gaan niet door als Martin op 2 juli 1505 op reis naar zijn ouders wordt overvallen door onweer.

Het is niet duidelijk waarom hij die reis ondernam. Het zou kunnen dat hij zijn studie met zijn vader wilde bespreken of dat zijn vader hem gevraagd had om thuis te komen om huwelijksplannen te bespreken.

Als hij vlakbij het dorpje Stotternheim door heftig onweer wordt overvallen door heftig onweer, roept hij de heilige Anna aan en legt de gelofte af dat hij als hij het er levend van afbrengt monnik zal worden. Een jaar eerder overleefde Martin een levensbedreigende beenwond. Hij legde toen geen gelofte af. Zijn vader reageert fel op de voorgenomen wijziging van studie.

Op 17 juli doet hij intrede bij de augustijneremieten in Erfurt,  een kloosterorde waarin armoede, kuisheid en gehoorzaamheid een centrale rol speelde. Tijdens zijn rechtenstudie was hij al bezig met de vraag naar een genadige God. Door een strenge, ascetische levenswijze, waarbij zelfkastijding ook een rol speelde, probeerde hij Gods genade te ontvangen en daarmee rust voor zijn ziel en geweten. Hij liep daarin echter steeds meer vast. Daardoor konden zijn biechten steeds langer duren en konden uren in beslag nemen.

Tijdens zijn studie in Erfurt komt hij in aanraking met het nominalisme. Dit nomalisme is een vrij recente ontwikkeling in de Middeleeuwse theologie en werd daarom via moderna (de moderne weg) genoemd. Uitgangspunt van het nominalisme was algemene begrippen, die aan voorwerpen of (groepen) mensen toegeschreven niet zozeer werkelijk bestaande objecten waren, maar namen (nomina) die door mensen voor deze begrippen zijn bedacht.

Het effect van het nominalisme was dat mensen als zelfstandige individuen werden gezien in plaats van onderdeel van de ‘categorie mens’. Het nominalisme was bovendien van mening dat de werkelijkheid niet gekend kan worden zonder het verstand, de ervaring en de geest van degene die de werkelijkheid tracht te doorgronden. Het nominalisme was een stroming die ruimte bood aan nieuwe, revolutionaire ideeën. Deze ideeën moesten niet worden aangepast aan wat reeds bekend is. Voor het ontstaan van de Reformatie is het van grote betekenis geweest dat Luther in deze traditie werd onderwezen.

Zijn eigen ervaring dat hij geen genade van God kon krijgen door zichzelf hard aan te pakken was een van de factoren die leidde tot Luthers ontdekking dat deze genade niet verdiend wordt, maar door God geschonken wordt. Deze ontdekking doet Luther op tijdens de voorbereidingen van colleges over de Psalmen, de brief aan de Romeinen en de Hebreeënbrief.

Als in dezelfde tijd Tetzel op pad gaat om aflaten, die dienen vrijspraak in het oordeel van God te verkrijgen, te verkopen komt Luther in geweer. Hij vindt dat een misstand in de kerk, omdat op deze manier mensen God uit de weg gaan en geen echte boetedoening afleggen en daarmee ook niet de genade ontvangen. Hij verwoordt zijn bezwaren in 95 stellingen.

In het boek wordt wel betwijfeld of Luther daadwerkelijk deze stellingen heeft vastgespijkerd op de deur van de Slotkapel. De stellingen waren namelijk in het Latijn, bedoeld voor wetenschappelijke disputatie. Op 31 oktober 1517 verstuurt hij ze wel naar de bisschop van het gebied waarin Tetzel actief is. In deze brief gebruikt hij voor het eerst zijn nieuwe naam Luther, afgeleid van het Griekse Eleutherus (‘de bevrijdde’). Deze stellingen verspreiden zich snel, maar echt invloedrijk is pas zijn Preek over de aflaat en genade die hij een jaar later in het Duits publiceert.

Luthers intentie was niet om een nieuwe kerk te stichten, maar om de kerk te vernieuwen. Luther moet zijn theologie steeds verder blijven ontwikkelen, want radicale stromingen vinden dat hij niet ver genoeg gaat en boeren zien in Luthers optreden een legitimatie om in opstand te komen.

In het boek komen de belangrijkste thema’s uit Luthers werk op een begrijpende wijze aan de orde, zoals waarom het kruis van Christus zo belangrijk voor hem was, zijn visie op wet en evangelie, zijn visie op het avondmaal, op de praktijk van de gemeente, enzovoort.

Het boek is extra bijzonder door de vele afbeeldingen die opgenomen zijn, waarmee we een indruk krijgen van de betekenis van Luther door de eeuwen heen. Daarbij is ook veel materiaal in Nederland opgenomen. Naar mijn idee zijn de auteurs van dit boek erin geslaagd om de persoon en de betekenis van Luther op een begrijpelijke wijze te schetsen.

N.a.v. Sabine Hiebsch (tekstredactie), Martin L. van Wijngaarden (beeldredactie), Luther, zijn leven, zijn werk (Utrecht: Uitgeverij Kok, 2017)

Advertenties

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (2)

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (2)

De reformatorische traditie kan vandaag de dag betekenis voor jongeren hebben. In de vorige bijdrage heb ik aangegeven dat ik de verbinding wil leggen met wat de godsdienstpedagogen Friedrich Schweitzer en Thomas Schlag typeren als theologie voor jongeren.
Schweitzer en Schlag gaan ervan uit dat jongeren in staat zijn om na te denken over hun eigen geloof en hun eigen visie op God. Zij noemen dat een theologie van jongeren. Daarnaast is er ook de mogelijkheid om met jongeren na te denken over hun geloof en hun Godsbeeld. Tenslotte zijn zij van mening dat jongeren soms ook geholpen moeten worden met hun geloof en Godsbeeld. Het is niet meer vanzelfsprekend dat jongeren van huis uit ingewijd worden in een religieuze traditie. Zij groeien op zonder ergens godsdienstig onderdak te vinden. Ze moeten hun eigen visie vaak zelf ontwikkelen. Daarvoor kunnen ze uit allerlei tradities nemen wat hen aanspreekt. Ze kunnen ook een beeld van God of geloof ontwikkelen dat schadelijk is voor hen zelf. Een theologie voor jongeren wil hen helpen bij de zoektocht naar hun eigen, authentieke geloof. Een theologie voor jongeren is dus een manier van omgaan met religieuze vragen en met religieuze tradities ten dienste van jongeren.
Het is niet de bedoeling om hen een traditie op te dringen of om hen te gebruiken om een traditie te laten voortbestaan. Dan ligt de interesse niet in de eerste plaats bij de jongeren, maar bij het voortbestaan van een traditie.
Een geloofstraditie kan wel gebruikt worden om jongeren te helpen bij hun zoektocht om een religieus thuis te vinden. Ook de reformatorische traditie. Juist de reformatorische traditie bevat voor jongeren een schat zowel aan geloofservaringen als aan doordenking van deze ervaringen. Deze traditie heeft genoeg in huis om jongeren een godsdienstig thuis te bieden in deze traditie. In de loop van deze serie wil ik daar iets meer van uitwerken.
Er is wel een spanning tussen de reformatorische traditie en de theologie voor jongeren. Een theologie voor jongeren kan niet voor jongeren bepalen wat zij moeten geloven. De reformatorische traditie heeft een duidelijk beeld van wie God is, omdat Hij Zich in Zijn woord heeft geopenbaard. Toch kan ook de reformatorische traditie hier een eind in meekomen. Ook in deze traditie kan iemand voor een ander niet het geloof bepalen. Dat doet God. Ook heeft de reformatorische traditie dat het Woord van God (waar deze traditie onvermoeibaar mee bezig is) in zichzelf genoeg overtuigingskracht heeft door het werk van de Heilige Geest. Juist daarom kan de reformatorische traditie in de theologie voor jongeren een bondgenoot zien.
Volgens Schweitzer en Schlag gaat het in de theologie voor jongeren om de jongeren te helpen bij het vinden van taal om hun eigen geloofservaringen en gedachten over God te verwoorden, maar ook om te laten zien hoe anderen in heden en verleden hebben geloofd. Aan de andere kant kunnen jongeren door wat zij zelf tegenkomen in hun eigen wereld gestimuleerd worden om hierover na te denken. Door films, songs, maatschappelijke ontwikkelingen, persoonlijke ervaringen. Door contact met godsdienstige gebruiken (kerkbezoek, begrafenis, bruiloft) en ruimten (kerkgebouw). Waar het verder om gaat bij een theologie van jongeren is de bereidheid van volwassenen om open en authentiek met jongeren het gesprek aan te gaan over de vragen van het leven en de vragen over God die er echt toe doen.
Een theologie voor jongeren daagt jongeren ook uit om na te denken over God en geloof op momenten die zij niet verwachten. Voor jongeren kan het heel verhelderend en uitdagend zijn om aan de hand van alledaagse gebeurtenissen een verrassend verband te ontdekken met de reformatorische inzichten over God, geloof en levensvragen

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor HWConfessioneel

N.a.v. Thomas Schlag / Friedrich Schweitzer, Brauchen Jugendliche Theologie? Jugendtheologie als Herausforderung und didaktische Perspektive (Neukirchen-Vluyn, 2011) 107-134.

Falen als aanleiding om het geloof ter sprake te brengen

Falen als aanleiding om het geloof ter sprake te brengen

Op een familiefeest sprak ik met een neef. Het was lang geleden dat ik hem uitgebreid gesproken had. We spraken over onderwerpen die met zijn studie te maken hadden. Ik heb zelf met veel plezier gestudeerd en ik was benieuwd hoe hij dat deed. Ik merkte dat hij wel enthousiast was over de onderwerpen die met zijn studie te maken hadden, maar dat hij over zijn studie niet enthousiast was. Hij moest ook nog enkele vakken uit zijn propedeuse halen.
Op een gegeven moment vroeg ik aan hem: ‘Zit je eigenlijk wel op je plek?’ Hoewel ik iets aanvoelde, verraste het antwoord mij: ‘Nee,’ zei hij, ‘ik kan me daardoor eigenlijk niet meer motiveren voor mijn studie.’ Hij voegde eraan toe: ‘Je bent de eerste die mij vraagt of ik wel op mijn plek zit. De meesten die ik spreek vinden het interessant dat ik een studie doe, dat ze alleen maar over mijn studie praten.’

Falen kan op verschillende manieren: door een tentamen niet te halen of zelfs onder ogen te moeten zien dat een keuze voor een bepaalde studie niet de juiste is geweest. Een project kan op een onbevredigende manier afgerond worden. Ontslag kan voelen als een vorm van falen.
Falen is een ingrijpende ervaring. In de eerste plaats omdat ons gevoel van eigenwaarde van direct verbonden is met wat wij presteren. Slagen wij er niet in om een goede prestatie af te leveren, kan dat ons gevoel van eigenwaarde een behoorlijke knauw geven. Terugdenken aan de periode, die niet tot een goed einde gebracht kon worden, kan een gevoel van schaamte geven. Het is niet altijd gemakkelijk om het onder ogen te zien of om het tegen de nabije omgeving te vertellen wat er aan de hand is.
Falen en vastlopen wordt versterkt door onze samenleving, waarin er veel bepaald wordt op basis van prestaties die geleverd moeten worden. Een bepaalde productie op het werk. Het behalen van een bepaald diploma, dat ook weer nodig is om bepaald werk te krijgen. De prestaties die wij kunnen behalen, bepalen ook weer welk werk wij kunnen doen. Wie gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, krijgt niet gemakkelijk een baan. Evenals iemand die de vijftig is gepasseerd. In zulke gevallen telt vaak niet de ervaring of de persoon die wij zijn, maar de prestaties die wij kunnen behalen. Zeker als het resultaat is, dat wij niet optimaal kunnen presteren, kan het een vernederende ervaring zijn om aan de hand van prestaties beoordeeld te worden. Zo’n oordeel kan ook het gevoel van falen oproepen.

Falen is ook een ingrijpende ervaring omdat daardoor onze wereld kleiner wordt. In ieder geval op korte termijn. Bij ontslag raken wij het contact met de meeste collega’s kwijt. Ook dat kan een weerslag hebben op ons gevoel van eigenwaarde. Want als mijn vroegere collega’s niet eens de moeite nemen om iets van zich te laten horen, hebben zij mij dan niet gewaardeerd? Of we moeten ons noodgedwongen beraden op onze toekomst, die er onverwacht anders uit komt te zien. Een pijnlijke ervaring als daarmee ook langgekoesterde wensen of dromen niet in vervulling kunnen gaan.
Vaak leidt falen tot gedwongen reflectie op onszelf: Wat kan ik eigenlijk nog? As ik deze prestatie niet tot een goed einde kan brengen, wie ben ik dat ik dit niet kan? We zijn vaak bezig om een oordeel over onszelf te vormen. Als we falen, kan dat een heel kritisch en vaak ook negatief oordeel worden. Zo’n negatief oordeel, dat iemand over zichzelf velt, kom ik in mijn werk nogal eens tegen. Niet alleen bij iemand die faalt. Ook iemand die een perfectionistische neiging heeft zal snel een negatief oordeel over zichzelf vellen: ik vind van mijzelf dat ik dit niet goed doe. Of iemand vergelijkt zich met een ander. Die voor het oog succesvol is. Of met een druk leven en een druk gezin toch veel ballen in de lucht kan houden.
Het oordeel, dat wij over ons vellen, gebeurt op basis van bepaalde normen. Wij vinden van onszelf dat wij iets moeten kunnen. Des te meer valt het ons tegen als wij het niet voor elkaar krijgen. De normen, die wij hanteren om een oordeel over ons leven te vellen, kunnen gebaseerd zijn op wat we om ons heen zien bij anderen. Of wat ons voorgehouden wordt door de maatschappij.
In mijn werk kom ik die onbewuste normen geregeld tegen. Ouderen die het gevoel hebben dat zij niet meer mee tellen in onze samenleving. Werkende vrouwen die van hun ouders te horen krijgen dat ze te weinig naar hen omzien. Of zich in het bijzijn van de kinderen hardop afvragen of het gezin niet tekort komt. Moeders die voor hun gezin kiezen in plaats voor een baan, maar ondertussen het gevoel hebben dat zij zich hiervoor moeten verdedigen. Ook het niet halen van een bepaalde norm kan leiden tot de gedachte dat men faalt. Ten opzichte van anderen of van zichzelf
Uit het voorgaande blijkt dat het een ingrijpende ervaring is (niveau 2) en een grote betekenis heeft op wie wij zijn en op onze zingeving (niveau 3). In de ontmoeting of het gesprek met iemand die faalt kan het van grote waarde zijn om op een zorgvuldige wijze aandacht te besteden aan deze twee niveaus. Door zorgvuldig te luisteren naar de impact die falen heeft, kunnen wij de ander erkenning geven voor wat hij of zij doormaakt. Het ontvangen van erkenning kan voor een ander van grote betekenis zijn. De ander zal tot het inzicht komen dat de verwarring die falen met zich meebrengt, mag verteld worden: “Er is een ander die betrokken is op wat ik meemaak.” Door te luisteren en erkenning te geven kunnen we laten merken dat wij meeleven.
Falen wordt niet aan de grote klok gehangen. Wanneer iemand faalt, houdt hij of zij dat het liefst voor anderen verborgen. Toch kan iemand wel signalen uitzenden, dat het allemaal niet zo lekker gaat. Het opvangen van die signalen kan een basis zijn om de ander “tevoorschijn te luisteren”. De ander kan deze signalen onbewust uitzenden. Soms ook echter bewust. Als een vorm van verkenning: ziet iemand dat het niet goed met mij gaat? Is er iemand bereid om naar mijn verhaal, dat ik uit mijzelf niet op tafel zal leggen, te luisteren? Wanneer die signalen opgevangen worden en aanleiding zijn voor een zorgvuldig luisteren, ontvangt degene die de signalen uitzendt tegelijkertijd ook erkenning voor wie hij of zij is (niveau 3).
Spreken over God en geloof kan niet zonder aandacht te hebben op wat iemand meemaakt, welke ervaringen iemand opdoet, hoe iemand naar zichzelf kijkt. Deze niveaus zijn geen opstap naar een gesprek over geloof, maar hebben een waarde in zichzelf. Wanneer die waarde ingezien wordt, kan een gesprek over geloof plaatsvinden. De aandacht voor de ander is niet een aandacht om iets over God en geloof kwijt te kunnen. De aandacht voor de ander is echt op de ander gericht. Een betrokkenheid op de ander. Een bereidheid om te luisteren naar het levensverhaal te luisteren, ook als dat levensverhaal gekenmerkt wordt door diepe dalen van mislukkingen en falen. Wanneer daar zorgvuldig aandacht voor is, ontstaat er (pas) gelegenheid om God ter sprake te brengen.
In het kader van mislukkingen en falen kan het gesprek over God een wezenlijke bijdrage leveren. Juist de reformatorische traditie kan hier een zeer zinvolle bijdrage leveren. In deze traditie wordt een onderscheid gemaakt tussen persoon en  werk.[1] Onze identiteit niet gevormd door wat wij presteren. Onze identiteit ontvangen wij van God. Het probleem is echter, dat mensen wel graag hun identiteit ontlenen aan wat zij presteren. Ook naar God toe. De mens wil niet ontvangen, maar zichzelf bewijzen. Wanneer er in de reformatorische traditie over zonde wordt gesproken, wordt dit bedoeld: dat de mens zichzelf wil bewijzen voor God. Dat is de kern van zonde: wat God geeft, willen wij niet ontvangen.
Het kenmerkende van de reformatorische traditie is, dat de zonde in ons leven wordt bestreden door een oordeel van God over ons leven. God ziet ons aan in Christus en spreekt ons vrij. Hij geeft ons – in Christus – een nieuwe identiteit. De kracht en waarde van deze identiteit, die wij niet uit onszelf hebben maar ons door God geschonken wordt, kom ik steeds weer tegen in het pastoraat.[2]
Met iemand had ik een gesprek over het naar de kerk gaan. Mijn gesprekspartner wilde graag, maar kon om de een of andere reden niet. Daarvoor voelde zij zich schuldig en nam het zichzelf kwalijk. “Eigenlijk is het onzin dat ik dat niet kan.” Ik zei: “In het geloof gaat het er niet om, dat je jezelf voor God bewijst. Hij weet ervan. Ik raad je aan om weer over het naar de kerk gaan na te denken als het geen moeten meer is, maar een mogen. ” Het hielp al enigszins. De kern van het probleem zat in het oordeel, dat mijn gesprekspartner over zichzelf velde: een negatief oordeel. Daarop antwoordde ik: “In de bijbel is er maar Eén die mag oordelen over jou en dat ben je niet zelf.” Aan het einde van het gesprek las ik alleen Romeinen 8:1: Wie in Christus Jezus is, wordt niet meer veroordeeld.
In mijn gesprekken kom ik nogal eens mensen tegen, die zichzelf willen bewijzen voor anderen of voor God. Vooral omdat zij zelf een negatief oordeel over zichzelf vellen en niet geloven dat God een genadiger oordeel zal vellen. Voor hen heeft dit evangelie van Romeinen 8 bevrijdende kracht: het oordeel over mijzelf hangt niet van mijzelf af. De kracht van deze tekst is dat het niet een eigen gedachte is, maar van God komt. Als God dit zelf zegt, wie ben ik dan om dat niet te geloven?
In een maatschappij die gebaseerd is op normen en prestaties heeft de reformatorische traditie een maatschappijkritische taak: de normen die wij bewust of onbewust hanteren zijn vaak een juk en een harnas. Het evangelie leert ons om die normen en oordelen kritisch te benaderen[3], omdat alleen God een oordeel over ons leven mag vellen. Hij is rechtvaardiger, maar ook barmhartiger en genadiger dan wij ons kunnen voorstellen.

ds. M.J. Schuurman

Meer lezen: Reiner Knieling, Mit Scheitern leben lernen. Auf dem Weg zu einem lebendigen Glauben (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 20102).
 


[1] Hans Joachim Iwand, Gesetz und Evangelium. Nachgelassene Werke, Band 4 (München: Chr. Kaiser Verlag, 1964) 56-80.

[2] Zie ook voor andere praktijkverhalen: Margriet van der Kooi, Pelgrims en zwervers (Zoetermeer: Boekencentrum, 2010).

[3] De godsdienstpedagoog heeft deze maatschappijkritische benadering m.b.t. normen die gehanteerd worden uitgewerkt voor de levensloop. Zie: Friedrich Schweitzer, Het leven is niet meer als vroeger (Kampen: Kok, 2006).

Christelijke literatuur: kan dat wel?

Christelijke literatuur: kan dat wel?
Enkele voorlopige gedachten

In VWO-3 maakte ik kennis met de literatuur. Sinds die tijd heb ik mij ook een tijd bezig gehouden met christelijke literatuur. Ik abonneerde me op Woordwerk en later ook op Bloknoot en Icarus. Toen Liter werd opgericht, nam ik daar ook een abonnement op. Af en toe bezocht ik een CLK-literatuurdag. De roep om christelijke romans leidde zelfs een tijdje tot de wensdroom om er zelf een te schrijven. Ergens in mijn bureaula liggen nog enkele opzetten of mogelijke onderwerpen daarvoor. Een verhaal van mijn hand is gepubliceerd in het laatste nummer van Icarus. Zelfs vorig jaar heb ik nog meegedaan aan een werkdag op de Driestar over het schrijven van (historische) verhalen. Uiteindelijk heb ik er geen geschreven.
Na verloop van de tijd is de was aandacht christelijke literatuur verdwenen. Op de themanummers na deed ik mijn exemplaren van Woordwerk, Bloknoot en Liter weg. Een van de redenen is dat er in die tijd nauwelijks iets noemenswaardigs is verschenen. Bovendien had ik genoeg van die voortdurende roep om christelijke romans, de klaagzangen dat de christelijke romans die verschenen steevast door de seculiere pers werden genegeerd (terwijl boeken van minder niveau wel werden gerecenseerd), de voortdurende wens om mee te tellen en niet over het hoofd te worden gezien. Maar vooral de behoefte om schrijvers die aangaven te geloven (Willem Jan Otten, Vonne van de Meer, Pieter Nouwen) te annexeren heeft mij doen afhaken.
Een verloren periode was het niet helemaal. Ik heb door oude literaire bladen gebladerd, kennisgemaakt met het Liedboek voor de kerken, de dichter en essayist Jan Willem Schulte Nordholt (al is het merkwaardig dez schrijver op deze plaats te noemen) en met dichters als Hein de Bruin en Willem Hessels.
De aandacht verslapte. Niet alleen voor christelijke literatuur, maar ook voor literatuur in het algemeen. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers die mij boeien. In mijn herinnering zijn dat vooral Leo Pleysier, Ward Ruyslinck, F. Springer en Hellema geweest. Geen auteurs die veel werden gelezen. Dus had ik ook weinigen om mij heen met wie ik over deze boeken kon praten. Om toch literatuur te lezen, ben ik mij gaan richten op andere talen en heb daardoor kennisgemaakt met de Zuid-Afrikaanse letterkunde (Karel Schoeman) en de Duitse (Werner Bergengruen, Heinrich Böll, Alfred Döblin, Franz Werfel). Maar het lezen heeft niet meer de drive en de ervaring die het voorheen had. Daarom lees ik zelden nog een roman.
Dat de aandacht verslapte, had ook een andere reden. Ik verdiepte steeds meer in de reformatorische rechtvaardigingsleer. Dit leerstuk, dat in het kort zegt dat mensen zondaren zijn en alleen door het oordeel van Christus rechtvaardig verklaard kunnen worden, zou veel impact moeten hebben op hoe een roman (en ook een biografie) geschreven zou worden. Ik noem er enkele: het verbod op een menselijk oordeel over een ander, het onderscheid tussen persoon en werk en de orde van het heil.
Het verbod op menselijk oordeel wordt, hoewel het een aantal keer wordt genoemd in de Schrift, niet echt serieus genomen. Kan mag een auteur, die zichzelf christen noemt, wel een boek schrijven waarin een (moreel) oordeel over de hoofdpersoon of bijpersonen in een boek wordt geveld? Kan een auteur die zichzelf christen noemt, een hoofdpersoon tot bekering laten komen? In de geloofsleer wordt de bekering toch als werk van God gezien, waar mensen geen invloed op hebben?
In zijn boek Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010 wijst Jaap Goedegebuure op de (in zijn ogen reeds clichématige) gedachte dat veel schrijvers zich beschouwen als een schepper of herschepper. Wie de reformatorische rechtvaardigingsleer kent, zou hier een waarschuwend belletje moeten horen rinkelen. Voor Luther ligt de oorsprong van de rechtvaardigingsleer in het serieus nemen van het  eerste gebod.
Nu kan ter verdediging van de christelijke literatuur worden aangedragen dat het hier om fictie gaat. Echter, de rechtvaardigingsleer zorgt er niet alleen voor dat er een grens is aan wat een zichzelf christen noemende schrijver zich allemaal kan permitteren, maar stelt ook de mogelijkheid van christelijke literatuur als zodanig ter discussie. Want wat betekent het voorvoegsel christelijk en wat zegt dat over literatuur als het er aan vast wordt gekoppeld? Betekent christelijk uit een bepaalde zuil afkomstig? Betekent het dat de schrijver andere thema’s kiest? Betekent het dat de auteur andere invalshoeken kiest? Vanuit een bepaalde levensovertuiging werkt?
Wie op deze manier het bijvoeglijk naamwoord christelijk invult, vergeet dat de rechtvaardigingsleer allereerst een zelfkritische functie heeft. Een christen is simil iustus et peccator. Een christen is niet alleen een gerechtvaardigde, maar ook nog steeds een zondaar. Iemand die gevoelig is om door anderen erbij gerekend te worden, die hunkert naar menselijke waardering, die zijn identiteit afleest aan zijn prestaties. Een christelijke schrijver weet dat hij ook in fictie geneigd is om God in de greep te hebben en te bepalen wat God doet – ook al is het fictief. Christelijke literatuur kan dus ook niet een boodschap hebben: want namens wie is die boodschap bedoeld? En is een opgelegde boodschap niet de doodsteek voor literatuur? Waarom geen streven naar ‘gewone’ literatuur?
Christelijke literatuur is alleen mogelijk als de rechtvaardigingsleer serieus genomen wordt. Niet alleen als grens voor de inhoud, maar ook als grens voor de schrijver zelf.

 

Het pastorale gesprek en de christelijke traditie

Pastoraat en de christelijke traditie

(1) De christelijke traditie als bron en risico
De christelijke kerk kan niet zonder traditie (1 Korinthe 15:3). De kerk heeft deze traditie niet voor niets, maar om ‘de boodschap van de vrije genade Gods aan heel het volk te brengen’ (Barmen VI).
Hoe moet de kerk dan omgaan met de traditie? Elke generatie staat weer opnieuw om deze uitdaging te doordenken. De traditie is geen tijdloze waarheid. Ook niet als de christelijke kerk, zoals het betaamt, steeds luistert naar de Schrift. Gods waarheid, Gods barmhartigheid is elke morgen nieuw (Klaagliederen 3:23).
Het is voor de kerk van levensbelang om de traditie en het heden met elkaar te verbinden. Zonder verworteling in het heden verstart de kerk. Zonder contact met het bijbelse fundament vervluchtigt de kerk.
Vanaf de jaren-’60 tot en met de jaren-’90 is er binnen de praktische theologie een heftige discussie uitgevoerd. Vooral met betrekking tot het pastoraat. Die discussie heeft het inzicht opgeleverd, dat de inbreng van de christelijke traditie niet verwaarloosd kan worden. De christelijke traditie kan alleen ingebracht worden in een gesprek als het op dat moment in een gesprek toegevoegde waarde heeft. Met andere woorden: de inbreng uit de traditie moet recht doen aan de gesprekspartner en aan de situatie waarin het gesprek zich bevindt.
Tegelijkertijd moet ook er rekening mee gehouden worden dat in het doorgeven van de christelijke traditie het “goddelijk geheim” in handen van zondige mensen is gegeven.
In een Zuid-Afrikaanse kerk hangt er een spandoek: “Vriend, waartoe zijt gij hier?” (Mattheüs 26:50), de vraag die Jezus stelde aan Judas. Een kerkganger, die deze vraag op zich laat inwerken, beseft dat hij het gevaar loopt net als Judas om Jezus te verraden. Het woord “verraden” is hetzelfde woord als Paulus gebruikte voor het “doorgeven van de traditie”.

(2) De christelijke traditie als thema in het pastorale gesprek
Bukowskiu vertelt van een gesprek met een studente. Zij vraagt aan hem: ‘Wat vindt u van het boek De Da Vinci Code? Bukowski: ‘Een spannende detective, waarbij alle historische informatie niet klopt.’ De studente was met dat antwoord niet tevreden. Zij wilde weten, waarom Jezus niet getrouwd was, waarom Hij geen nakomelingen heeft gehad, of de RK-Kerk echt geen vrouwen heeft onderdrukt. In dat gesprek ervoer hij dat hij als expert van het christelijk geloof werd uitgedaagd. Deze studente had behoefte aan een gesprek met iemand die er verstand van had.
Zo zijn er nog meer vragen, die te maken hebben met de kern van het christelijk geloof:
* Waarom moet je naar de kerk gaan? Diegenen die naar de kerk gaan zijn toch geen betere mensen?
* Waarom zijn er verschillende godsdiensten? We geloven toch allemaal in dezelfde God?
* Waarom laat God zoveel kwaad toe?
* Wat bedoelt u met: “God grijpt in de loop van de geschiedenis in”?
* Waar is de overledene nu?
In deze gesprekken gaat het ook om invoelend op de vragen in te gaan. In deze situaties wordt de predikant uitgedaagd om ook met inhoudelijke argumenten te komen. De predikant heeft hier een “dogmatische competentie m.b.t. het leven van alledag” (M.Meyer-Blanck) nodig.
Daarbij is het van belang te weten op welke manier bepaalde thema’s bij jezelf als predikant verbonden zijn met je eigen levensgeschiedenis. Wanneer je je daarvan bewust bent, kun je de ander beter van dienst zijn.
De christelijke traditie kan ook ingebracht worden als de predikant het idee krijgt, dat er aan de opvattingen of de gedragingen van de ander iets schort. Bijvoorbeeld wanneer er gedachten geuit worden, die in tegenspraak zijn met het christelijk geloof. Dan dient de predikant goed te luisteren naar de vraag, die achter deze opmerkingen schuilgaat. De predikant hoeft niet terug te deinzen voor een discussie, als hij duidelijk weet te maken dat zijn reactie niet voortkomt uit minachting maar uit zorg voor de ander. Het “uit liefde nee zeggen” is een belangrijke manier in het pastoraat om je waardering voor de ander te laten zien.

(3) De christelijke traditie verruimt de blik
Ons geloof leeft van het besef dat de levende God in deze wereld ruimte schept en deze wereld door Zijn genade verandert. Daarom is de christelijke traditie een belangrijke bron in het pastoraat. Met behulp van de christelijke traditie kan een situatie van een nieuw perspectief worden voorzien. Er komt weer beweging.
In het gesprek met iemand, die verlangt om uit dit leven te stappen, las Bukowski een keer het verhaal uit het evangelie over de verdorde vijgenboom. In deze gelijkenis draait het om de zin: “geef hem (d.w.z. de boom) nog een jaar. Deze zin breekt het vastgelopen gesprek weer open, omdat de gesprekspartner deze zin op zichzelf gaat toepassen.
Meer voorbeelden in zijn boek: Peter Bukowski, De bijbel ter sprake brengen. Een basisvraag in het pastoraat (Zoetermeer: Boekencentrum, 2003).
De bijbel en het christelijk geloof worden behulpzaam om het leven weer op te pakken door aan een situatie een zinvolle, positieve wending te geven. Er wordt geen nieuw thema aangedragen, maar een nieuw perspectief op de zaak.
De predikant dient het gesprek over problemen in het dagelijks leven niet te gebruiken als springplank voor een gesprek over het ‘eigenlijke’ (d.w.z. over het geloof). Met zo’n houding mist men een kans om het dagelijks leven op een zegenrijke manier in contact te brengen met de Schrift. Op een natuurlijke wijze worden geloof en leven (met behulp van de Bijbel!) met elkaar in verband gebracht.
(Bukowski liet zich in zijn boek inspireren door psychologische methoden, die het besef hadden van de verhelderende en innovatieve kracht van verhalen).

(4) De christelijke traditie rijkt woorden aan voor wat niet met eigen woorden gezegd kan worden.
Wie depressief is of vanwege andere redenen zijn eigen gevoelens (zoals woede of haat) niet onder woorden kan brengen, kan ontdekken dat de Bijbel hen beter begrijpt dan zij zichzelf begrijpen. Vooral de psalmen zijn in staat om gevoelens onder woorden te brengen, omdat in veel psalmen basale beelden van angst, van (onterecht) aangeklaagd worden, opgejaagd voelen, vernederd worden, woedend zijn voorkomen. Wanneer in zo’n situatie zo’n psalm gelezen wordt, doen de bijbelse woorden een deur open. ‘Ja, zo voel ik mij ook!’

(5) De christelijke traditie als geschenk
Het alledaagse pastoraat is een belangrijke vorm van pastoraat – op de kaart gezet door Eberhard Hauschildt. Bukowski heeft de gewoonte om met verjaardagsbezoeken een cadeau te geven, dat te maken heeft met het christelijk geloof. Soms alleen een voorgelezen bijbeltekst, bij bepaalde jubilea een toespraak waarin hij leven en bijbel op een ongedwongen manier met elkaar verbindt. Zelf heeft hij de gewoonte om de bijbelse symboliek van een behaald levensjaar voor het voetlicht te halen. Hij kondigt deze toespraak van tevoren aan.

(6) De christelijke traditie als bron van kracht
Ik schaam mij het evangelie niet, want zij is een kracht Gods. Manfred Josuttis heeft erop gewezen, dat deze kracht niet slechts figuurlijk is bedoeld. Het evangelie is ook daadwerkelijk een goddelijke kracht. Die kracht komt niet uit onszelf, maar wordt ons door God geschonken (extra nos). Op verschillende manieren kan deze krachtbron aangeboord worden: door gebed, door zegen, door Schriftlezing, door het afnemen van een biecht.
Toen Paul Schneider, de predikant van Buchenwald, door de nazi-leiding meegenomen werd door verhoor, kwam hij een woord tegen. Dat woord was er door een gevangene met een hark in de grond geschreven: “Vivit” (“Hij leeft”, d.w.z. Christus is opgestaan!).

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Peter Bukowski, ‘Die christliche Tradition im Blickpunkt der Seelsorge’, in: Wilfried Engemann (Hg.), Handbuch der Seelsorge. Grundlagen und Profiulen (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2007) p. 187-201.

Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Esoterie als uitdaging voor de orthodoxe gelovige

Afgelopen zondag vierden wij als gemeenten het Heilig Avondmaal. Terwijl ik de preek hield over Johannes 4:26 (Ik, die met u spreek, ben het), voelde ik het verlangen naar de ontmoeting met de Here.
Verlangen kan de brug zijn naar de esoterie. Ik denk niet dat het helpt om de esoterie alleen te veroordelen. De behoefte aan esoterie komt ergens vandaan. Ook na een veroordeling van de esoterie blijft die behoefte bestaan.

Het serieus nemen van het verlangen heb ik geleerd van Manfred Josuttis. Over hem schreef ik voor de kerkelijke opleiding een afstudeerverhandeling. Josuttis is een op het oog merkwaardige theoloog. Hij haalt zijn inspiratie zowel bij Luther en Barth als bij de esoterie. Maar op de een of andere manier heeft zijn mengeling geholpen om een wetenschappelijke opleiding en bezig zijn op geestelijk terrein te combineren.
Ook Christian Möller pleit ervoor om het terrein van de spiritualiteit te betreden. Möller, een goede bekende van Josuttis, heeft veel meer reformatorische insteek van de theologie. Hij is bang, dat het christendom zich terugtrekt in een ghetto als zij het terrein van de spiritualiteit niet betreedt. Hij pleit ervoor om het verlangen, vanwaar uit de behoefte aan spiritualiteit komt, serieus te nemen. Volgens hem is dat verlangen een ‘honger naar ervaring, naar authentieke, holistische ervaring temidden van een verscheurde, ontstolen wereld.’ Het is een verlangen naar ‘een verbindende geest temidden van een geesteloze, verscheurde wereld’.
Het gesprek zal dan moeten gaan over het verlangen. Niet in de eerste plaats over dogma’s of over de waarheidsvraag. De esoterie is vaak (terecht of onterecht) kopschuw voor dogma’s. Ik denk dat velen tegenwoordig zich bezig houden met esoterie uit verzet tegen dogma’s. Het gesprek moet ook niet over de waarheidsvraag gaan, omdat die voor de esoterie ook niet zo belangrijk is.
Dat gesprek met esoterie zal geen gemakkelijk gesprek zijn. Maar spannend hoeft zo’n gesprek niet te zijn. Zo’n gesprek is alleen spannend als de orthodoxe de Levende, die met behulp van dogma’s beschreven wordt, niet kent. Wanneer de orthodoxe deze levende Here kent (en een levendige relatie met Hem heeft), zal hij ook buiten de dogma’s om kunnen vertellen over wat hem trekt. Wat zijn verlangen stilt.
In een gesprek gaat het twee kanten uit. Van de aanhanger van esoterie kan worden geleerd, dat de Schrift (en zelfs ook de gereformeerde traditie) ook voluit over het verlangen spreekt.

’t Hijgend hert der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar ’t genot
van de frisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God,
ja mijn ziel dorst naar de Heer. (Psalm 42:1 Oude Berijming)

naar U,  Heer, strekt zich mijn verlangen, die leven zijt en leven laat. (Psalm 63:1 Nieuwe Berijming).

In de liederen en het klassieke formulier rondom Avondmaal wordt dat verlangen veelvuldig verwoord.
De reformatorische traditie heeft ook veel geestelijke wijsheid in te brengen. Degene naar Wie ons verlangen uit gaat, is soeverein. Wij kunnen als mensen die geestelijke ervaringen niet opwekken. Tot het geloof behoren ook de ervaringen van de woestijn: de tijd van beproeving, de tijd van Gods afwezigheid. Tegelijkertijd zijn die woestijnervaringen momenten waarin God naar ons toekomt.
Wanneer dat gebeurt op een apologetische manier of op een manier waarop de fouten van de ander worden aangewezen, gaat het gesprek niet verder. Veel zinvoller is het om het gesprek aan te gaan over het verlangen. Het verlangen dat je de ander ook gunt, namelijk dat de ander ook het levende water aanneemt en zo de levendmakende Geest ontvangt. Een verlangen die oog krijgt voor wie Jezus is, wat Hij te bieden heeft. Zodat het hart van de ander opengaat voor de ontmoeting met Christus en ontdekt, dat deze Christus allang met hem of haar in gesprek is: Ik, die met u spreek, ben het (Johannes 4:26)

ds. M.J. Schuurman

Literatuur: Christian Möller, Der heilsame Riss. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart: Calwer Verlag, 2003), p. 39-54: ‘Der Schatz reformatorischer Spiritualität’.